Nationaal Actieplan Sociale Insluiting 2003-2005
Document Sample


Belgisch strategisch verslag inzake sociale bescherming en
sociale inclusie
Plan d’Action National Inclusion Sociale
__________________________________________________________
I N D I C A T O R E N
Indicatoren ter ondersteuning het domein ‘sociale insluiting’ en het ‘overkoepelend
domein’ van het Nationaal Rapport inzake strategieën voor sociale insluiting en sociale
bescherming
September 2006
Inhoudstafel
Deel 1: Toelichting bij de indicatoren (p3)
I. De indicatoren na de stroomlijning van de Open Methode van Coördinatie
(p3)
II. Gegevensbronnen en de overgang van het European Community Household
Panel naar de EU-Statistics on Income and Living Conditions (p5)
1. Internationale vergelijkbaarheid (p5)
2. Overgang van ECHP naar EU-SILC (p5)
2.1. de inkomensdefinitie (p6)
2.2. Wijzigingen in de bevraging van specifieke indicatoren (p6)
2.3. Enkele belangrijke veranderingen in het opzet, de gegevensverzameling
en –verwerking (p8)
III. Samenstelling en presentatie van de indicatorenset (p9)
Deel 2: Analyse van de indicatoren (p12)
Deel 3: De indicatoren (p21)
0. Contextinforamtie niet bereikte bevolkingsgroepen (p21)
I. Inkomen (p25)
II. Arbeid (p62)
III. Huisvesting (p81)
IV. Gezondheid (p94)
V. Onderwijs (p116)
VI. Maatschappelijke integratie en participatie (p135)
Bijlage: Instanties en personen die een bijdrage hebben geleverd aan de
indicatorenbijlage (p150)
Werkgroep Indicatoren NAPIncl 2
Introductie
De Europese Top van Lissabon (2000) heeft aanleiding gegeven tot de constructie van een set
van indicatoren die moet toelaten om beleidsmaatregelen op het vlak van sociale inclusie te
ondersteunen en de vooruitgang op dit vlak te observeren. In België werd voor het eerst een
indicatorenbijlage uitgewerkt bij het Nationaal Actieplan sociale inclusie (NAPincl.) 2001-
2003. Deze indicatorenbijlage werd sindsdien jaarlijks geactualiseerd. Dit document bevat de
geactualiseerde indicatoren voor 2006. Het dient ter ondersteuning van het Nationaal Rapport
inzake Strategieën voor Sociale Bescherming en Sociale Inclusie.
Deel 1: Toelichting bij de indicatoren
I. De indicatoren na de stroomlijning van de Open Methode van
Coördinatie
Op de lentetop van maart 2006 legde de Raad van de Europese Unie het kader vast voor een
voor een stroomlijning van de verschillende luiken Ingevolge de beslissing van de Raad van
de Europese Unie (2005) moeten de lidstaten in september 2006 voor het eerst
gestroomlijnde strategieën op het vlak van sociale bescherming en sociale insluiting voor de
periode 2006-2008 indienen bij de Europese Commissie. Deze nieuwe werkwijze houdt in
dat de bestaande Open Methode van Coördinatie (OMC) op het vlak van ‘sociale inclusie’ en
‘pensioenen’ en de prille OMC op het vlak van ‘gezondheid en lange termijn zorg’ worden
ingepast in een globale strategische aanpak van sociale insluiting en van de modernisering van
de sociale bescherming. Deze gestroomlijnde aanpak vindt zijn neerslag in het Nationaal
Rapport inzake strategieën voor sociale insluiting en sociale bescherming. Binnen dit
gestroomlijnd proces blijven de drie bestaande domeinen zichtbaar als afzonderlijke
onderdelen, met eigen doelstellingen en indicatoren, maar worden ingepast in een ruimer
geheel van overkoepelende indicatoren en doelstellingen.
De stroomlijning van de OMC heeft ook aanleiding gegeven tot een aantal wijzingen op het
vlak van de indicatoren, vooral wat de structuur van de set betreft. Voorheen was de
indicatorenset voor de OMC sociale inclusie ingedeeld in primaire indicatoren, die de essentie
van een probleemaspect vatten en secundaire indicatoren, die bijkomende informatie
aanleverden t.o.v. de primaire indicatoren. Beiden waren gebaseerd op een op EU-niveau
overeengekomen methodologie. Daarnaast bevatte de set ook nationale indicatoren, welke
vanuit de nationale context als relevant werden aanzien, maar niet op een gezamenlijke
methode berustten. Los hiervan werden indicatoren ontwikkeld voor de OMC pensioenen, en
werd een aanvang gemaakt met de ontwikkeling van indicatoren voor de OMC ‘gezondheid
en lange termijn zorg’.
Binnen de nieuwe gestroomlijnde OMC sociale inclusie en sociale bescherming wordt globaal
onderscheid gemaakt tussen vier ‘indicator portfolio’s’: een portfolio voor elk van de drie
domeinen en een portfolio ‘overkoepelende indicatoren’. Binnen elke portfolio wordt
onderscheid gemaakt tussen:
- Gemeenschappelijk overeengekomen EU-indicatoren, welke bijdragen tot een
internationaal vergelijkbare inschatting van de mate van vooruitgang in de realisatie
Werkgroep Indicatoren NAPIncl 3
van de gemeenschappelijke objectieven. Deze indicatoren kunnen verwijzen naar
sociale ‘outcomes’, intermediare sociale ‘outcomes’ of naar ‘ouputs’.
- Gemeenschappelijk overeengekomen nationale indicatoren, gebaseerd op
gemeenschappelijk overeengekomen definities en veronderstellingen. Deze
indicatoren leveren essentiële informatie om de vooruitgang van lidstaten in te
schatten met betrekking tot zekere doelstellingen, maar zijn niet noodzakelijk geschikt
voor directe internationaal vergelijkende analyse of hebben niet noodzakelijk een
duidelijke normatieve interpretatie. Deze indicatoren zijn in eerste instantie gericht op
de meeting van beleidsinterventies. De Commissie wijst erop dat deze indicatoren
samen met de relevante achtergrondinformatie moeten geïnterpreteerd worden (juiste
definitie, veronderstellingen, representativiteit)
- Contextinformatie: deze indicatoren leveren de contextinformatie waarbinnen de
bovenstaande indicatoren moeten worden geïnterpreteerd.
Binnen elke portfolio wordt bovendien onderscheid gemaakt tussen een beperkt aantal
primaire indicatoren, als een gecondenseerde set van leidende indicatoren die de essentiële
dimensies van de objectieven dekken of de sociale toestand van essentiële subpopulaties
belichten en secundaire indicatoren, die de primaire indicatoren ondersteunen door meer
inzicht te geven in de aard van een problematiek.
De indicatoren voor de monitoring op het domein van sociale inclusie zijn grotendeels
gebaseerd op de bestaande set ‘Laken-indicatoren’. Ook het methodologisch kader is in
essentie hetzelfde gebleven. De lijst die op EU-niveau, binnen het Sociaal
Beschermingscomité en zijn Indicatoren subgroep, werd overeengekomen bevat 11 primaire
indicatoren, 3 secundaire indicatoren en 11 context indicatoren. De primaire lijst bevat enkel
de indicatoren die het belangrijkst werden geacht om de verschillende dimensies van armoede
en sociale uitsluiting te beschrijven. Enkele indicatoren die voorheen bij de primaire
indicatoren werden ingedeeld, werden nu secundaire indicatoren. Sommige Laken
indicatoren werden ook opgenomen in de overkoepelende portfolio, ofwel omdat zij meer
geschikt werden geacht om de algemene sociale cohesie te monitoren (in dit geval werden ze
in de sociale insluitings-portfolio enkel behouden als contextinformatie), ofwel omdat ze
werden geacht noodzakelijk te zijn om zowel de algemene sociale cohesie (en/of de interactie
met werkgelegenheid en groei) als sociale uitsluiting en armoede te monitoren (in dit geval
werden ze weerhouden in beide portfolios). Enkele indicatoren werden als overbodig
beschouwd en werden uit de lijst geweerd: persistente armoede berekend met een
armoederisiconorm van 50% van de mediaan, het aandeel lange termijn werklozen binnen de
werklozenpopulatie en de zeer lange termijn (>=2 jaar) werkloosheid.
Globaal kan gesteld worden dat de stroomlijning heeft geleidt tot de aanvang van een
geïntegreerde ‘indicatorenset sociale bescherming en sociale inclusie’. De set moet evenwel
gezien worden als ‘work in progress’. Op de domeinen pensioenen, en a fortiori, ‘gezondheid
en lange termijn zorg’ moet nog belangrijk werk worden geleverd op het vlak van
indicatorontwikkeling, maar ook op het domein ‘sociale inclusie’ zijn er nog steeds
belangrijke dimensies die niet of niet adequaat door een indicator worden gedekt.
Voor de Belgische indicatorenset ‘sociale inclusie’ werd, mede doordat de voorstellen inzake
de EU-indicatoren slechts laat in het proces werden beslist, uitgegaan van de bestaande set.
Dit betekent dat naast de EU-indicatoren, ook de puur nationale indicatoren, die in het kader
van de Werkgroep Indicatoren NAPincl. werden ontwikkeld, werden geactualiseerd, evenals
bovenvermelde indicatoren die op Europees niveau niet meer werden weerhouden.
Werkgroep Indicatoren NAPIncl 4
II. Gegevensbronnen en de overgang van het European Community
Household Panel naar de EU-Statistics on Income and Living Conditions
Een aantal indicatoren is gebaseerd op administratieve gegevens. De meeste indicatoren
echter zijn gebaseerd op gegevens die afkomstig zijn van enquêtes bij een ruime steekproef
van de Belgische bevolking. Voor de indicatoren rond werkgelegenheid en werkloosheid
wordt voornamelijk beroep gedaan op de Enquête naar de Arbeidskrachten (EAK) van de
Algemene Directie Statistische en Economische Informatie1, voor de indicatoren rond
gezondheid kon een beroep worden gedaan op de nieuwe de nieuwe Gezondheidsenquête
2004 van het Wetenschappelijk Instituut voor de Volksgezondheid (WIV).
Voor de inkomensgerelateerde indicatoren werd in het verleden een beroep gedaan op het
European Community Household Panel (ECHP). Deze, Europees gecoördineerde, enquête
werd evenwel stopgezet in 2001. In het kader van het Lissabon-proces werd dan in 2004 de
EU-Statistics on income and living conditions (EU-SILC) opgestart. De EU-SILC is
gebaseerd op een Europese Verordening, waarin de doelstellingen en modaliteiten werden
vastgelegd, en wordt Europees gecoördineerd door Eurostat, het statistisch bureau van de
Europese Commissie. Voor België wordt de EU-SILC uitgevoerd door de ADSEI. Voor de
interpretatie van de indicatoren gebaseerd op de EU-SILC moeten een aantal opmerkingen
voor ogen worden gehouden. We overlopen hier de voornaamste aandachtspunten.
1. Internationale vergelijkbaarheid
In 20042 werd de EU-SILC gestart in 13 lidstaten: België, Denemarken, Estland, Griekenland,
Spanje, Frankrijk, Ierland, Italië, Luxemburg, Oostenrijk, Portugal, Finland en Zweden3. De
andere lidstaten starten in 20054. Om internationale vergelijkingen voor 2004
(inkomensreferentiejaar 2003) mogelijk te maken werden voor de landen die later starten
bestaande datasets zoveel mogelijk geharmoniseerd met de EU-SILC. Het feit dat EU-SILC
nog niet voor alle landen beschikbaar was houdt een zekere bepreking van de
vergelijkbaarheid in. Ondanks de harmonisatie van de nationale datasets met EU-SILC is het
mogelijk dat de positie van de lidstaten in de diverse rangordes enigszins kan worden
beïnvloed door dit verschil in databron.
2. Overgang van ECHP naar EU-SILC
Met de overgang van ECHP naar EU-SILC zijn een aantal wijzigingen in de organisatie van
de gegevensverzameling en verwerking en in de aard van de verzamelde gegevens gepaard
gegaan.
1
Voorheen Nationaal Instituut voor de Statistiek (NIS)
2
België, Denemarken, Griekenland, Ierland, Luxemburg, Oostenrijk, evenals Noorwegen, hebben reeds in 2003
een eerste gegevensverzameling georganiseerd.
3
Ook Noorwegen en IJsland hebben zich hierbij aangesloten
4
Turkije, Roemenië, Bulgarije en Zwitserland zullen zich later aansluiten
Werkgroep Indicatoren NAPIncl 5
2.1. de inkomensdefinitie
In vergelijking met de ECHP inkomensdefinitie werden het EU-SILC bruto en beschikbaar
inkomen en de verschillende inkomenscomponenten geherdefinieerd om zo strikt mogelijk de
internationale aanbevelingen van de VN 'Canberra Handleiding' te kunnen volgen. Een
sleutelobjectief van EU-SILC is robuuste en vergelijkbare data te produceren over het totaal
beschikbaar huishoudinkomen, het totaal beschikbaar inkomen vóór overdrachten (behalve
ouderdoms- en overlevingsuitkeringen; inclusief ouderdoms- en overlevingsuitkeringen) en
het totaal bruto inkomen op het niveau van de componenten (in het ECHP werden de
inkomenscomponenten netto geregistreerd).
Volgende nieuwe componenten van het beschikbaar inkomen werden in het EU-SILC
inkomensconcept geïntroduceerd5:
- overdrachten naar andere huishoudens (in het ECHP werden enkel overdrachten ontvangen
van andere huishoudens in aanmerking genomen);
- bijbetalingen of terugstortingen van personenbelasting (alleen belastingen die aan de bron
werden ingehouden werden in aanmerking genomen in het ECHP);
- vermogensbelastingen;
- niet cash inkomen van werknemers: bedrijfswagen (andere componenten van niet cash
inkomen worden vanaf 2007 opgenomen)
Bovendien houdt EU-SILC rekening met negatieve waarden van het inkomen van
zelfstandigen die in het ECHP op nul gebracht werden.
De inhoud van sommige variabelen is ook gewijzigd en de inkomensreferentieperiode is meer
flexibel.
2.2. veranderingen in de bevraging van specifieke indicatoren
De wijze waarop de basisinformatie voor sommige indicatoren werd bevraagd in EU-SILC
wijkt af van deze in ECHP. Dit is het geval voor volgende indicatoren:
III.1.: Percentage van de bevolking dat De vraagstelling is verschillend in EU-
leeft in een woning gehuurd van een SILC en ECHP en is inhoudelijk niet
overheids-, of gemeenschapsinstelling. geheel overlappend aangezien de EU-
SILC vraag ook peilt naar huur aan
verlaagde prijs op de private huurmarkt
Vraagstelling EU-SILC: ‘Bent U
eigenaar (…) van de woning of huurt U
deze?: ik ben eigenaar (…)/ik ben
huurder (…) aan de marktprijs/ ik ben
5
Vanaf 2007 zullen nog bijkomende inkomenscomponenten worden opgenomen:
- interesten betaald op hypothecaire leningen;
- geïmputeerde huur;
- niet-cash inkomen van werknemers, andere dan bedrijfswagens;
- waarde van goederen geproduceerd voor eigen consumptie;
- werkgeversbijdragen voor de sociale zekerheid (afhankelijk van de uitkomst van haalbaarheidsstudies).
Werkgroep Indicatoren NAPIncl 6
huurder (…) aan een lagere prijs dan de
marktprijs/ik woon kosteloos
Vraagstelling ECHP (voor huurders):
1. ‘Wie is eigenaar van deze
woning: een overheids- of
gemeenschapsinstelling/de
werkgever van een lid van het
huishouden/een privé persoon of
firma’
2. ‘Geniet u van een sociaal
huurtarief’
III.7: huisvestingsproblemen:- een De problemen: ‘lekkend dak’, ‘schimmel/
lekkend dak;- geen adequate vocht’, ‘rottende ramen/deuren’ werden
verwarming;- schimmel en vocht;- in EU-SILC in 1 globale vraag bevraagd.
rottende ramen en deuren. en In ECHP werden deze in 3 aparte items
III.5 (synthese-indicator bevraagd. De vraagstelling naar de mate
huisvestingsproblemen) waarin de woning adequaat kan worden
verwarmd is zowel in ECHP als in EU-
SILC een aparte vraag, maar de
formulering is niet identiek:
EU-SILC: ‘kan U uw woning voldoende
verwarmen?’
ECHP: in een reeks vragen naar
gebreken aan de woning wordt
gevraagd of deze ‘moeilijk te
verwarmen is’
IV.8. Percentage mensen van 16 jaar en Voorheen berekend op
ouder die vanwege ziekte, aandoeningen Gezondheidsenquête, voor dit document
of handicaps belemmerd worden in hun berekend op EU-SILC
dagelijkse bezigheden.
IV.11. Percentage mensen dat leeft in Voorheen berekend op
huishoudens waar de referentiepersoon Gezondheidsenquête, voor dit document
en/of enig ander lid van het huishouden berekend op EU-SILC. De bevraging in
in het voorbije jaar gezondheidszorgen de Gezondheidsenquête is veel
heeft moeten uit- of afstellen om gedetailleerder dan deze in EU-SILC, het
financiële redenen. geen leidt tot lagere percentages in EU-
SILC.
VI.5: percentage personen (16+) die in de Deze twee indicator werden in EU-SILC
loop van vorig jaar geen enkele van een 1 globale vraag bevraagd. De inhoud van
aantal vrijetijdsactiviteiten ontplooiden de vraagstelling overlapt bovendien niet
(naar bioscoop gaan, naar volledig met deze van de ECHP-
sportmanifestaties gaan, op café gaan, op bevraging.
restaurant gaan, naar een dancing of Vraagstelling EU-SILC: ‘neemt u
discotheek gaan, bowling/snooker spelen) buitenshuis deel aan sportieve
en activiteiten, recreatieve activiteiten
VI.6: percentage personen (16+) die in de (jeugdbeweging, gepensioneerdenbond,
loop van vorig jaar geen van een aantal vrije tijdsverenigingen) of artistieke
culturele activiteiten ontplooiden (naar activiteiten (muziek, théater, fotografie,
concerten of muziekevenementen gaan, tekenen, beeldhouwen, schilderen)?’
Werkgroep Indicatoren NAPIncl 7
naar tentoonstellingen of musea gaan, (antwoordmogelijkheden:ja, minstens 1
naar lezingen of voordrachten gaan) maal per week/ja, minstens 1 maal per
maand/ ja, iedere 2 à 3 maand/ja
ongeveer 1 maal per jaar/ja, zelden/neen)
Vraagstelling ECHP: Voor elk van de in
de indicatoren vermelde items
(bioscoopbezoek, concerten, …) werd
aan de respondent gevraagd of hij/zij die
het voorbije jaar nooit, zelden, enkele
keren per jaar, maandelijks of wekelijks
deed
Ingevolge deze wijziging werden beide
indicatoren samengevoegd tot één
indicator
Verder zullen enkele indicatoren pas opnieuw kunnen worden berekend nadat de EU-SILC
enkele jaren loopt. Het betreft hier de indicatoren I.6. (Armoederisicopercentage gemeten
met een in de tijd verankerde armoederisicogrens) en I.7. (Blijvend armoederisicopercentage
(60% van de mediaan): percentage personen met een equivalent beschikbaar inkomen lager
dan 60% van het mediaan nationaal equivalent inkomen in het lopend jaar en in minstens twee
van de drie voorafgaande jaren)
2.3. Enkele belangijke veranderingen in het opzet, de gegevensverzameling en -verwerking
- organisatie
Het ECHP werd georganiseerd door twee universitaire teams van Universiteit Antwerpen en
Université de Liège die respectievelijk instonden voor de organisatie van de enquête in
Vlaanderen (UA) en Wallonië en Brussel (ULg). De EU-SILC wordt georganiseerd voor
België door de Algemene Directie Statistische en Economische Informatie van de FOD
Economie.
- survey-design
Het ECHP was een volledige panel-enquête, d.w.z. dat een zelfde staal van personen en
huishoudens jaar na jaar opnieuw werd bevraagd. De EU-SILC heeft een roterend panel-
design, dit houdt in dat elk jaar een substeekproef, ¼ van de totale steekproef, niet opnieuw
wordt bevraagd en wordt vervangen door een nieuwe substeekproef. ¾ van de huishoudens
wordt wel opnieuw bevraagd. Op deze wijze blijven de huishoudens telkens 4 jaar in het
panel, waarna ze worden vervangen.
- gegevensverzameling
In het kader van de ECHP werden de gegevens verzameld middels papieren vragenlijsten.
Voor de EU-SILC wordt gebruik gemaakt van CAPI.
- gegevensverwerking
In het kader van de ECHP verliepen een aantal aspecten van de gegevensverwerking (routines
om de data uit te zuiveren, imputaties voor ontbrekende waarden, weging voor non-response)
gecentraliseerd bij Eurostat. In het kader van EU-SILC werd ervoor geopteerd om de
Werkgroep Indicatoren NAPIncl 8
gegevensverwerking meer gedecentraliseerd door te laten verlopen door de instellingen die de
gegevens verzamelen. In België gebeurt dit door de Algemene Directie Statistische en
Economische Informatie.
III. Samenstelling en presentatie van de indicatorenset
De indicatorenset wordt samengesteld op basis van de werkzaamheden van de Werkgroep
Indicatoren NAPincl., onder coördinatie van de FOD Sociale Zekerheid, DG Sociaal Beleid.
De Werkgroep is een open werkgroep die de verantwoordelijke administraties op Federaal,
Gewestelijk en Gemeenschapsniveau, de universitaire onderzoekscentra, het Europees Sociaal
Observatorium, het Steunpunt Armoedebestrijding en diverse andere actoren regelmatig bij
elkaar brengt (zie bijlage voor een overzicht van de instanties en personen die een bijdrage
hebben geleverd bij het tot stand komen van de indicatorenbijlage).
Voor de indicatorenset bij het Nationaal Rapport sociale bescherming en sociale insluiting
2006-2008 werd ervoor geopteerd om geen wijzigingen aan te brengen aan de indicatorenset
op zich. Wel werd een subwerkgroep gestart rond de ontwikkeling van een indicator inzake
problematische schulden.
Voor de presentatie van de indicatoren werd ervoor geopteerd om de indeling van vorige
indicatorenbijlagen aan te houden.
Gezien de omvang van het verzamelde cijfermateriaal enerzijds en de gekozen
voorstellingswijze door middel van grafieken anderzijds is het niet mogelijk alle resultaten in
deze bijlage te publiceren6. De beschrijving van de indicatoren geeft telkens aan welke
resultaten berekend werden. Vaak wordt slechts een selectie ervan in grafiek weergegeven.
Voor een aantal indicatoren gebaseerd op de Arbeidskrachtenenquête is er een (meestal
beperkt) verschil tussen de resultaten berekend door Eurostat en de resultaten voor België en
de gewesten berekend door instellingen in België. Deze verschillen zijn over het algemeen te
wijten aan het feit dat Eurostat resultaten berekent op basis van cijfers met betrekking tot het
tweede kwartaal, terwijl in België met de jaargemiddelden wordt gewerkt.
6
Voor de niet gepubliceerde resultaten kan men zich wenden tot het secretariaat van de Werkgroep Indicatoren
NAPIncl (DG Sociaal Beleid - FOD Sociale Zekerheid).
Werkgroep Indicatoren NAPIncl 9
Gebruikte afkortingen
BMI: Body Mass Index
CSB: Centrum voor Sociaal Beleid- Herman Deleeck
ECHP: European Community Household Panel
EU-SILC European Statistics on Income and Living Conditions
FARES: Fondation contre les Affectations Respiratoires et pour l'Education à la Santé
FOD: Federale Overheidsdienst
HIVA Hoger Instituut voor de Arbeid
ILO: International Labour Organisation
ISCED: International Standard Classification of Education
IWEPS: Institut Wallon de l'Evaluation, de la Prospective et de la Statistique
KKP: Koopkrachtpariteiten
KULeuven Katholieke Universiteit Leuven
LFS: Labour Force Survey - Arbeidskrachtenenquête
LMP: Labour Market Policies
NAP: Nationaal Actieplan
NIS: Nationaal Instituut voor de Statistiek
NUTS: Nomenclature of Territorial Units for Statistics
OESO: Organisatie voor Economische Samenwerking en Ontwikkeling
PISA: Programme for International Student Assessment
PSBH: Panel Studie van Belgische Huishoudens
STASIM: Statisch Simulatiemodel
UA Universiteit Antwerpen
UCL: Université Catholique de Louvain
VRGT: Vlaamse Vereniging voor Respiratoire Gezondheidszorg en Tuberculosebestrijding
v.z.w.
WAV: Werkgelegenheid, Arbeid en Vorming
WHO: World Health Organization
WIV: Wetenschappelijk Instituut Volksgezondheid
Werkgroep Indicatoren NAPIncl 10
Lidstaten van de Europese Unie
EU25: gemiddelde van de 25 lidstaten van de Europese Unie
EU15: gemiddelde van de 15 oude lidstaten van de Europese Unie
NMS10: gemiddelde van de 10 nieuwe lidstaten van de Europese Unie
BE: België
CZ: Tsjechie
DK: Denemarken
DE: Duitsland
EE: Estland
EL: Griekenland
ES: Spanje
FR: Frankrijk
IE: Ierland
IT: Italië
CY: Cyprus
LV: Letland
LT: Litouwen
LU: Luxemburg
HU: Hongarije
MT: Malta
NL: Nederland
AT: Oostenrijk
PL: Polen
PT: Portugal
SI: Slovenië
SK: Slowakije
FI: Finland
SE: Zweden
UK: Groot-Brittannië
Werkgroep Indicatoren NAPIncl 11
DEEL 2: Analyse van de indicatoren
Inleiding
In dit deel worden de resultaten weergegeven van een eerste beschrijvende analyse van de indicatoren
voor het NAPIncl. 2006-2008. De meeste indicatoren hebben betrekking op 2004 of 2005. Het
referentiejaar voor de inkomensgegevens is 2003. De set omvat indicatoren op zes domeinen die
samen een beeld geven van de multidimensionaliteit van de problematiek van armoede en sociale
uitsluiting.
Er weze opgemerkt dat de steekproefomvang van sommige databronnen op het niveau van de
Gewesten beperkt is. Dit heeft tot gevolg dat voor de cijfers op dit niveau een vrij grote statistische
foutenmarge in rekening moet worden gebracht. Dit geldt in sterke mate voor Brussel. De cijfers
voor dit Gewest moeten enkel als een ruwe indicatie worden begrepen. Voorts moet voor ogen
worden gehouden dat sommige vormen van extreme armoede niet door de indicatorenset worden
gevat.
Vanuit de Werkgroep Acties wordt voorgesteld om ‘Diversiteit en activering’, ‘kinderarmoede’ en
‘private huur’ als prioritaire aandachtspunten voor het NAPincl. 2006-2008 naar te weerhouden.
Achteraan deze synthesetekst wordt getracht om de informatie die rond deze thema’s in de
indicatorenset beschikbaar is te groeperen. Het is niet de ambitie om met deze bijdragen de
respectievelijke thema’s op een exhaustieve manier te onderbouwen. Wegens een gebrek aan
adequate gegevens werd geen aparte bijdrage rond ‘private huur’ opgenomen.
Inkomen
In 2004 bedroeg de armoederisicograad in België 15%, in Vlaanderen 11% en in Wallonië 18%.
Ondanks de zwakke betrouwbaarheid van de schatting voor Brussel, kan gesteld worden dat Brussel
de regio is met de hoogste armoederisicograad (27%). De verschillen tussen Vlaanderen enerzijds en
Wallonië en Brussel anderzijds zijn statistisch significant.
Het armoederisicopercentage voor België ligt iets onder het Europees gemiddelde (16%). De
armoederisicogrens (60% van het mediaan beschikbaar inkomen) voor België bedraagt 9325 euro
(777euro/maand). Dit komt neer op 120% van het gemiddelde van de Europese armoedegrenzen, en
plaatst België onder de 7 rijkste landen. Deze grens is hoger dan een aantal minimumuitkeringen,
vooral voor koppels7
De sociale uitkeringen spelen een belangrijke rol in de strijd tegen armoede. Het armoederisico voor
transfers (alle transfers behalve pensioenen) bedraagt 28% voor België, 32% voor Wallonië en 23%
voor Vlaanderen (indien enkel de werkloosheidsuitkeringen worden afgetrokken van het inkomen
bedraagt het armoederisico 20% voor België , 15% in Vlaanderen en 24% in Wallonië). Indien men
de procentuele reductie van het armoederisico dankzij de sociale uitkeringen (exclusief pensioenen)
berekent bekomt men 46% voor België en Wallonië (50% voor Vlaanderen). Dit is meer dan het
7
Netto minimum uitkeringen en netto minimumloon in % van de armoederisicogrens (60% mediaan), 2003
alleenstaande koppel Koppel, 2 Éénoudergezin, 2
kinderen kinderen
Min. pensioen 107 89
werknemers
Min. 100 83 82 105
inivaliditeitsuitkering,
werknemers
Minimum 91 72 73 91
werkloosheidsuitkering
Bijstand 75 67 69 91
minimumloon 131 98 84 106
Bron: Stastim-CSB/UA
Werkgroep Indicatoren NAPIncl 12
Europees gemiddelde (38% voor EU25), maar minder dan dat dit het geval is in de Scandinavische
landen.
De analyse van de armoede volgens de kenmerken van de huishoudens of individuen laat toe de
kwetsbare groepen te identificeren. Op deze wijze kan vastgesteld worden dat:
- de positie op de arbeidsmarkt, zowel op het niveau van het individu als op het niveau van het
huishouden, determinerend is ter verklaring van de verschillen in armoederisico
• Het verschil in armoederisico tussen werkenden enerzijds en werklozen en andere economisch
inactieven anderzijds is in België, ook in vergelijking met andere EU-lidstaten, zeer groot.
Het al dan niet hebben van werk beïnvloed het armoederisico met een factor 6.
• Het verschil in armoederisico naar de werkintensiteit van het huishouden is eveneens zeer
groot in België. Het zeer hoge armoederisico van huishoudens zonder werk is zorgwekkend.
- Kinderen worden geconfronteerd met een iets hoger armoederisico dan de totale bevolking, wat
vooral veroorzaakt wordt door de precaire leefomstandigheden van éénoudergezinnen en huishoudens
zonder werk met kinderen.
- Aan het andere uiteinde van de leeftijdspyramide hebben ook ouderen een verhoogd armoederisico,
vooral indien zij alleenstaand zijn, maar ook koppels (dit in tegenstelling tot een aantal andere
Europese landen)
- Het armoederisico voor huurders is dubbel zo hoog als dat van eigenaars. Indien dit hoge risico op
inkomensarmoede gecombineerd wordt met de vaststelling dat woonkosten sterk gestegen zijn, kan
besloten worden dat de leefomstandigheden van een belangrijke groep huurders zeer precair is.
- niet-Europeanen hebben eveneens een sterk verhoogd armoederisico
- Het armoederisico van personen met een lage opleiding is 50% hoger dan het globale armoedecijfer.
Voor de profielschets van de groep met een armoederisico is naast het armoederisico, ook de omvang
van de groep van belang. Zo blijkt de groep personen met een gezinsinkomen onder de
armoederisicogrens voornamelijk te bestaan uit EU-burgers (90%), personen die geen betaalt werk
hebben (86%), vrouwen (54%), personen in huishoudens met kinderen (53%), personen met een laag
onderwijsniveau (53%) en woningeigenaars (53%).
Ondanks deze grote verschillen in armoederisico tussen diverse bevolkingscategorieën, kan ook
geconstateerd worden dat:
- de globale inkomensongelijkheid relatief beperkt is in België, en lager is dan het Europees
niveau. De inkomensongelijkheid situeert zich in Vlaanderen en Wallonië op een
vergelijkbaar niveau (in Brussel is zij hoger)
- De mate waarin personen met een armoederisico zich onder de armoederisicogrens bevinden
(de ‘diepte’ van de armoede), is vergelijkbaar met het Europees niveau. Dit geldt ook voor de
verschillende regio’s afzonderlijk.
De totale geaggregeerde armoederisicokloof bedraagt voor België iets meer dan 4 miljard euro (2,5%
van het nationaal inkomen)
Eind 2005 zijn 343.020 personen met een betalingsachterstand geregistreerd bij de Centrale voor
Kredieten aan Particulieren van de Nationale Bank van België. Dit betekent opnieuw een lichte daling
ten opzichte van 2004 (-1,9%). Daar waar de daling tussen 2003-2004 zich situeerde bij personen met
1 tot 3 achterstanden en er een toename was voor personen met 4 of meer achterstanden, is er in 2005
in al deze categorieën een lichte daling. Het aandeel van personen met een betalingsachterstand in de
totale meerderjarige bevolking blijft constant op 4,2%. Er blijven op dit vlak grote regionale
verschillen bestaan, met de arrondissementen Tielt (2,0%) en Turnhout (2,1%) enerzijds en Charleroi
(8,5%) en Mons (6,9%) als extremen.
Werkgroep Indicatoren NAPIncl 13
Werk
Werk is de beste bescherming tegen armoede. Dit blijkt in België nog meer te gelden dan in de meeste
andere lidstaten. Het percentage werkende armen behoort tot de laagste binnen de EU25 (4% in
België tegenover 8% voor de EU25).
Huishoudens zonder betaald werk daarentegen, werden in 2003 geconfronteerd met een hoog
armoederisico. Vooral voor huishoudens met kinderen leidt de afwezigheid van betaald werk tot
hogere armoederisico’s dan in de meeste andere EU15-lidstaten. In België heeft 70% van deze
huishoudens een inkomen onder de armoederiscogrens, tegenover 68% in de EU15.
Ondanks het feit dat werk in België doorgaans een goede inkomensbescherming biedt, moet worden
vastgesteld dat een niet verwaarloosbare proportie van de werkenden (4%) toch een armoederisico
loopt. Werk volstaat dus niet altijd om armoede te vermijden, dit tengevolge van een precaire
werksituatie of van een ontoereikend loon in verhouding tot de behoeften van het huishouden.
Alleenstaande ouders, huishoudens met meerdere kinderen en personen met een niet-EU25
nationaliteit hebben een verhoogd armoededrisico ondanks werk. Tijdelijke contracten en, vooral,
deeltijd werk leiden in beperkte mate tot een verhoogd armoederisico. In 2003 had 14% van de
personen onder de armoedegrens werk als voornaamste activiteit.
Gelet op het belang van betaald werk, zowel als kanaal waarlangs integratie in de samenleving zich
kan voltrekken, als in financieel opzicht, is de toegang tot werk van zeer groot belang. In 2005 lag de
werkgelegenheidsgraad in België met 60,3% onder het EU25-gemiddelde (63,3%). De indicatoren
bevestigen de belangrijke onderparticipatie aan werk van specifieke groepen. Zo ligt de
werkgelegenheidsgraad van personen met een niet EU25-nationaliteit 27 procentpunten onder deze
van EU25-burgers. De werkgelegenheidsgraad van laaggeschoolden ligt 20 procentpunten lager dan
deze van de totale bevolking en de werkgelegenheidsgraad van personen met een handicap ligt 17
procentpunten onder deze van de totale bevolking. De globale langdurige werkloosheidsgraad
bedraagt 4,4%8. Alleenstaanden ( 8%), personen met een lagere scholing (8%) en vooral alleenstaande
ouders (14%) en personen met een nationaliteit van buiten de EU25 (20%) hebben een sterk
verhoogde kans op langdurige werkloosheid.
Meer dan in de meeste EU-lidstaten het geval is, is er in België een concentratie van niet betaalde
arbeid op huishoudniveau. Het aandeel van personen die leven in een huishouden zonder betaald werk
was in België in 2005 het op één na hoogste in de EU25 (13% tegenover 10% voor EU25). Het is
opmerkelijk dat een duidelijke toename van de vrouwelijke werkgelegenheidsgraad (van 44,6% in
1992 naar 52,6% in 2004), niet gepaard is gegaan met een afname van het percentage huishoudens
zonder betaald werk. Mogelijks heeft deze toename zich voornamelijk voorgedaan in huishoudens
waar reeds betaald werk aanwezig was9. Voor sommige groepen zijn wellicht specifieke maatregelen
vereist voor de begeleiding naar werk. Gelet op het hoge armoederiscopercentage voor personen die
leven in een huishouden zonder werk blijft ook aandacht voor de inkomensbescherming belangrijk.
Tenslotte moet worden vastgesteld dat er grote verschillen bestaan tussen de Gewesten op het vlak van
langdurige werkloosheid en inzake het aandeel van huishoudens zonder betaald werk, waarbij
Wallonië en Brussel een veel ongunstiger beeld vertonen dan Vlaanderen. Zo bedraagt het percentage
kinderen dat leeft in een huishouden zonder werk 7% in Vlaanderen, 20% in Wallonië en 24% in
Brussel10
8
Volgens de definitie van werkloosheid van het Internationaal Arbeidsbureau
9
Bijkomende gegevens zijn nodig om deze hypothese (reeds vastgesteld in andere lidstaten) te ondersteunen
10
Uit gegevens van de Kruispuntbank Sociale Zekerheid blijkt dat 31% van de Brusselse kinderen (0-17 jaar) in
2002 leefde in een huishouden zonder inkomen uit arbeid. Deze cijfers zijn niet volledig vergelijkbaar aangezien
zij op een verschillende soort gegevens gebaseerd zijn. De gegevens van de Kruispuntbank zijn administratieve
gegevens, terwijl de andere gegevens gebaseerd zijn op een enquête. De administratieve gegevens zijn in
statistisch opzicht betrouwbaarder, maar hebben als ‘nadeel’ dat zij enkel de administratieve realiteit weergeven.
De enquêtegegevens zijn statistisch minder betrouwbaar, maar sluiten mogelijks dichter aan bij de feitelijke
realiteit.
Werkgroep Indicatoren NAPIncl 14
Huisvesting
Uit de opsplitsing van het armoederisico naar eigendomsstatus van de woning (eigenaar of huurder)
blijkt dat huurders een veel hoger armoederisico lopen dan eigenaars (27% tegenover 11%), hetgeen
wijst op een globaal zwakkere inkomenspositie van huurders.
Uit vroeger onderzoek is gebleken dat er in de loop van de jaren ’90 een belangrijke stijging is
geweest van de kostprijs van de huisvesting, wat vooral voor de zwakkere sociale categorieën die een
woning huren op de private huurmarkt heeft geleid tot een situatie waarbij zij genoodzaakt waren om
een zeer groot deel van het gezinsbudget aan huisvesting te besteden. Bij gebrek aan een adequaat
alternatief wordt de NAPincl-indicator rond woonkost berekend op de Gezinsbudgetenquête, wat gelet
op de beperkte omvang en grote uitval van deze enquête geen ideale situatie is om betrouwbare
uitspraken over evoluties of risicocategorieën op te baseren. In 2003 besteedt 33% van de huurders
met een inkomen onder de mediaan meer dan één derde van het budget van het huishouden aan huur.
Daarmee ligt dit op hetzelfde niveau als op de vorige meetmomenten (2000 en 2001). Nog uit vroeger
onderzoek is gebleken dat de problemen rond de betaalbaarheid van de huisvesting zich vooral
situeren bij personen die een woning huren op de private huurmarkt.
De kwaliteit van de huisvesting blijkt voor niet EU-25 personen in veel gevallen problematisch te zijn.
Ook de huisvestingssituatie van huishoudens met kinderen en een lage werkintensiteit lijkt dikwijls
problematisch. Deze categorie blijkt meer dan de totale bevolking te wonen in woningen met twee of
meerdere structurele problemen of met een gebrek aan ruimte. Zwakke sociale categorieën
(alleenstaande ouders, werklozen, zieken/invaliden) lijken over het algemeen meer dan globaal te
wonen in woningen met twee of meer gebreken, evenals bewoners van een huurwoning.
Brusselse huishoudens worden veel meer dan huishoudens uit andere gewesten geconfronteerd met
een ruimtegebrek (17% tegenover ongeveer 4% voor de andere gewesten). Waalse en Brusselse
huishoudens (23%) wonen meer in woningen met een structureel gebrek dan Vlaamse huishoudens
(14%).
Sinds 1995 is het aantal sociale huurwoningen in percentage van het totaal aantal huishoudens
constant gebleven, op goed 6%. Dit geldt voor de drie Gewesten. In Vlaanderen ligt het aandeel wel
iets lager (5%) dan in Wallonië en Brussel (7%). In de drie Gewesten bestaan er lange wachtlijsten.
Het aantal huishoudens op wachtlijsten, in verhouding tot het aantal beschikbare woningen, ligt in
2004 zeer hoog in Brussel (77%). Voor Wallonië bedraagt dit 48%. Voor Vlaanderen bedraagt het
‘uitgezuiverd’ 43% in 200511. Voor Vlaanderen en Wallonië kan sinds eind jaren ’90 een stijgende
tendens vastgesteld worden.
Gezondheid
De levensverwachting van de Belgen blijft stijgen en de kindersterfte blijft dalen. Door de veroudering
van de bevolking, de verbetering van de behandelingen en de veranderingen van levensstijl worden
chronische ziekten (cardiovasculaire aandoeningen, diabetes, kankers, depressie, …) de belangrijkste
uitdaging zowel voor preventie als voor de zorgverlening.
De sociale ongelijkheid inzake gezondheid blijft echter aanzienlijk. Voor de meeste
gezondheidsindicatoren is er duidelijk een sociale gradiënt aanwezig. De gemiddeld goede Belgische
indicatoren zijn bijgevolg het gemiddelde van een zeer goede gezondheid van de meer welstellende
bevolking en de eerder slechte gezondheid van de armere bevolking.
De indicatoren bevestigen aldus het bestaan van belangrijke ongelijkheden op het vlak van de
gezondheidstoestand, het gezondheidsgedrag en de toegang tot de gezondheidszorg. Bij dit laatste
11
Gelet op het feit dat de uitzuivering tweejaarlijks plaatsvindt zijn er voor 2004 geen vergelijkbare gegevens
beschikbaar.
Werkgroep Indicatoren NAPIncl 15
aspect moet evenwel worden opgemerkt dat nog verdere indicatorontwikkeling vereist is om dit
adequaat in kaart te brengen.
De sociale verschillen in gezondheidstoestand en –gedrag manifesteren zich op zo goed als alle
indicatoren: kindersterfte, subjectieve inschatting van de gezondheid, de mate van belemmeringen in
de dagelijkse bezigheden ten gevolge van ziekte, depressie, overgewicht, rookgedrag, participatie in
screening van baarmoederhalskanker. Uit vroeger onderzoek, gebaseerd op gegevens verzameld tussen
1991 en 1997, kan men concluderen dat mensen met een laag opleidingsniveau (geen diploma of enkel
lager onderwijs) in België niet alleen korter leven (vrouwen: 2,8 jaar; mannen 5,2 jaar) maar ook veel
minder lang in goed ervaren gezondheid leven (vrouwen 14,5 jaar; mannen 15,5 jaar) dan hoog
opgeleiden (diploma hoger onderwijs).
Voorts manifesteren zich ook op het domein Gezondheid belangrijke verschillen tussen de Gewesten,
waarbij de indicatoren wijzen op een betere gezondheidstoestand van de bevolking in Vlaanderen dan
in Brussel en vooral Wallonië. Deze gezondheidsverschillen hangen waarschijnlijk nauw samen met
de parallelle sociale ongelijkheden. Opvallend is het verschil in levensverwachting bij geboorte tussen
Vlaamse en Waalse mannen. Op basis van transversale sterftetafels, waarop de levensverwachting
gebaseerd is, hadden Vlaamse mannen in 2003 een levensverwachting van bijna 77 jaar tegenover
bijna 74 jaar voor Waalse mannen. Dit verschil is, in EU-15 context, zeer groot. Alle ‘oude’ lidstaten
situeren zich rond het EU15 gemiddelde van 76 jaar.
In vergelijking met de twaalf andere EU-lidstaten waarvoor al EU-SILC data verzameld werden in
2004 is het percentage mensen (16+) dat in België zegt in de voorbije twaalf maanden een medisch
onderzoek of behandeling nodig te hebben gehad, maar niet te hebben gekregen omwille van
financiële redenen beperkt:1,8%. Het percentage personen dat een medisch onderzoek/behandeling of
een een bezoek aan de tandarts omwille van financiële redenen heeft moeten uitstellen bedraagt 4,3%.
België scoort hiermee bij de beste lidstaten. Alhoewel beide globale percentages laag zijn, zijn er toch
belangrijke verschillen naar inkomenspositie. In het hoogste inkomensquintiel bedraagt het
percentage personen dat dokters- of tandartsbezoek om financiële redenen heeft moeten uitstellen
0,3%, terwijl dit in het laagste quintiel 10% bedraagt. Voor sommige zwakke sociale categorieën
loopt dit nog hoger op: voor werkloze personen 12%, voor personen die leven in een huishouden waar
geen van de volwassen leden heeft gewerkt en waar kinderen aanwezig zijn bedraagt dit 17%. Er is
geen merkbaar verschil tussen vrouwen en mannen.
Onderwijs
De toegang tot werk, de inkomenssituatie, gezondheid, de kansen op het vlak van maatschappelijke
integratie en participatie hangen allen samen met het opleidingsniveau. In een maatschappij waar
opleiding meer en meer bepalend is voor de positie op de sociale ladder, vallen diegenen met een lage
opleiding uit de boot. Scholing vormt dan ook een cruciaal gegeven op het domein van armoede en
sociale inclusie.
In Vlaanderen had, in het schooljaar 2004-2005, 1,52% van de leerlingen in het lager onderwijs een
vertraging van 2 jaar of meer. In de Franstalige Gemeenschap bedraagt dit 2,66%. In de Franstalige
Gemeenschap is er een lichte daling tussen het schooljaar 1995-1996 en 2004-2005, terwijl er in
Vlaanderen tussen 1995-1996 en 2003-2004 een stijging is geweest. Toekomstige gegevens zullen
moeten aangeven of deze stijging in 2004-2005 is gestopt. Voor het Secundair onderwijs zijn de
cijfers resp. 6,8% voor Vlaanderen en 17,9% voor de Franstalige Gemeenschap. Voor de Franstalige
Gemeenschap betekent dit een breuk van de duidelijk dalende trend sinds schooljaar 1995-1996 (van
22,1% in 1995-1996 naar 16,9 in 2003-2004). Er blijken grote verschillen te bestaan tussen Belgen en
niet-Belgen, waarbij de laatste categorie in veel grotere mate een vertraging blijkt te vertonen.
Sinds 1996-1997 is er een beperkte maar gestage toename van het aantal kinderen in het buitengewoon
lager onderwijs, zowel in Vlaanderen (van 3,6% naar 4,4% in 2004-2005) als in de Franstalige
Gemeenschap (van 2,9% naar 3,3% in 2004-2005). In Vlaanderen zitten er duidelijk meer kinderen in
Werkgroep Indicatoren NAPIncl 16
het buitengewoon onderwijs dan in de Franstalige Gemeenschap. Voorts zitten meer jongens dan
meisjes in dit type onderwijs.
Een gemeenschappelijke Europese indicator, gebaseerd op de PISA-enquête van de OESO meet het
percentage 15-jarige studenten dat de laagste score (niveau 1 of lager op een schaal met vijf niveaus)
behaald heeft op een leesvaardigheidstest. Het behalen van deze lage score betekent nog niet dat men
ongeletterd is, maar impliceert toch dat men ernstige problemen heeft in het omgaan met schriftelijke
informatie en dus met elke vorm van leerproces dat gebaseerd is op schriftelijk materiaal. Deze
studenten zullen waarschijnlijk onvoldoende gebruik kunnen maken van de aangeboden
onderwijskansen, wat hun verdere onderwijs- en beroepscarrière in het gedrang kan brengen. Met
17,8% scoort België hier in de Europese middenmoot. Achter het cijfer voor België gaan verschillende
resultaten voor de Gemeenschappen schuil (Vlaamse Gemeenschap: 12,4, Franse Gemeenschap: 25,1
en Duitstalige Gemeenschap 20,1).
Een aanvullende, nationale indicator legt het verband tussen deze score en de sociaal economische
status van het gezin waartoe de leerling behoort, geïndiceerd aan de hand van het beroepsstatuut van
de ouders. Kinderen van ouders met een hoog socio-professioneel statuut (bovenste quartiel) scoren
gemiddeld veel beter dan kinderen van ouders met een laag socio-professioneel statuut (onderste
quartiel). De afstand verschilt naargelang de Gemeenschap, maar hij is aanzienlijk voor alle
Gemeenschappen. Uit een recente OESO-studie, gebaseerd op het PISA onderzoek, komen grote
verschillen naar voor tussen de leerlingen naargelang de migratiestatus, waarbij autochtone leerlingen
veel betere resultaten optekenen dan (eerste en tweede generatie) allochtone leerlingen. Deze
verschillen manifesteren zich zowel voor lees- als voor wiskundeprestaties.
De ongekwalificeerde uitstroom, het percentage leerlingen dat het onderwijs verlaat zonder diploma
hoger secundair onderwijs, bedraagt in 2005 13%. Dit cijfer vertoont geen trendmatige daling in de
richting van 10% voor 2010, zoals in een richtsnoer van de Lissabon strategie werd vastgelegd.
Bijna de helft van de Belgische bevolking van 25 jaar en ouder (47,9%) heeft maximum een diploma
lager secundair onderwijs. Lage scholing in het algemeen is tamelijk sterk leeftijdsgebonden, waarbij
ouderen meer laaggeschoold zijn dan jongeren. Voorts zijn ook vrouwen (51%) en personen met een
niet-EU15 nationaliteit (61%) vaker laaggeschoold.
Er is, sinds begin jaren ’90, een toename van de participatie aan opleiding en vorming in het kader van
levenslang leren. Dit neemt niet weg dat België in 2005 nog steeds iets lager scoort dan het EU25-
gemiddelde. Bovendien blijkt, zoals in andere landen, de deelname aanzienlijk hoger onder de hoger
opgeleiden dan onder de personen met een lagere vooropleiding. Zo blijken oudere, veelal lager
geschoolde, werknemers minder te participeren aan opleidingsactiviteiten.
Maatschappelijke integratie en participatie
Zowel op het vlak van integratie12 als op het vlak van participatie13 zijn er belangrijke verschillen naar
sociaal-economische positie. Onder lagere inkomens en personen met een lager onderwijsniveau zijn
er meer personen met beperkte sociale contacten, met een beperkt sociaal netwerk en met een zwakke
functionele ondersteuning. Op het vlak van de participatie zijn de verschillen nog groter. Vooral
zieken en personen met een handicap lijken op het vlak van de sociale integratie een ongunstige
positie te hebben. Op de drie betreffende indicatoren scoren zij veruit het slechtst van alle categorieën.
12
Hier geoperationaliseerd aan de hand van de indicatoren: het percentage personen dat minder dan eens per
maand vrienden of kennissen ontmoet, het percentage personen met minder dan 3 vrienden of kennissen, de mate
van functionele ondersteuning.
13
Hier geoperationaliseerd aan de hand van de indicatoren: het percentage personen dat niet participeert aan
recreatieve of culturele activiteiten en het percentage personen dat zich geen week per jaar vakantie kan
veroorloven.
Werkgroep Indicatoren NAPIncl 17
Wat de indicator rond deelname aan recreatieve of culturele activiteiten betreft is er blijkbaar over het
algemeen nogal een sterk leeftijdseffect, waarbij vooral 65-plussers minder goed scoren. In België
leeft 28,7 % van de respondenten in een huishouden dat zich geen week vakantie buitenshuis per jaar
kan veroorloven. Er zijn grote regionale verschillen: 18,3 % in het Vlaams Gewest, 42,3 % in het
Waals Gewest en 44,8 % in het Brussels Gewest. Bepaalde groepen hebben het heel moeilijk:
alleenstaanden, en in het bijzonder alleenstaande ouders (64,9 %); personen in een
werkloosheidssituatie (51,2 %); zieken of personen met een handicap (48,3 %);
Het is opmerkelijk dat de sociaal-economische verschillen zich ook lijken door te zetten op het terrein
van integratie en participatie. Subpopulaties die zwak scoren op de andere gebieden scoren ook hier
slecht. Zo scoren werklozen en zieke/gehandicapte personen consistent slecht. Ook zijn er opnieuw
grote verschillen tussen enerzijds Vlaamse en anderzijds Waalse en Brusselse huishoudens.
Op het vlak van de toegang tot internet scoort België middelmatig. In 2005 heeft 50% van de
huishoudens toegang tot internet. Daarmee situeert België zich rond het EU-gemiddelde (EU25:48%,
EU15:53%). 12,3% van de Belgen woont in een huishouden dat omwille van financiële redenen geen
internettoegang heeft. Werklozen (26%), personen met een niet-EU25 nationaliteit (40%), personen
die leven in een huishouden met een lage werkintensiteit (20% zonder kinderen, 40% met kinderen) en
alleenstaanden op actieve leeftijd (mannen:21%, vrouwen:25%) scoren slecht.
Gender
Een genderbewuste analyse van gegevens impliceert dat er wordt nagegaan in welke mate gender een
rol speelt in de verschillende bevindingen. Dat betekent niet alleen oog hebben voor de positie van
vrouwen, maar ook voor die van mannen en voor de specifieke situaties en subgroepen waarin het
risico op armoede groter wordt.
Hoewel de EU-SILC-enquête niet helemaal toelaat de verschillen tussen vrouwen en mannen in
inkomensarmoede goed te analyseren –de toegang tot het budget van het huishouden wordt
verondersteld gelijk te zijn voor beide partners– komen er in de cijfers toch een aantal markante
verschillen in de situatie en beleving van mannen en vrouwen naar voren. Zo blijken de
armoederisicopercentages van vrouwen en mannen te verschillen naargelang het gezinstype, de
activiteitsstatus en de leeftijd. Werkloze mannen hebben bijvoorbeeld een nog veel hoger
armoederisicopercentage dan werkloze vrouwen. Bij inactieven op beroepsactieve leeftijd ligt die
verhouding omgekeerd. Alleenstaande vrouwen boven 65 jaar vormen eveneens een risicogroep.
Een steeds terugkerende risicocategorie wordt gevormd door de alleenstaande ouders. De
steekproefomvang van de SILC laat hier geen betrouwbare uitsplitsing naar geslacht toe. Uit
administratieve gegevens blijkt dat de moeilijke situatie van alleenstaande vaders niet onderschat mag
worden. In december 2004 waren er bijvoorbeeld 17171 alleenstaande vaders gerechtigd op een
leefloon. Dat was 57% van alle mannelijke gerechtigden. Alleenstaande moeders vormden ‘slechts’
39% van alle vrouwelijke gerechtigden op een leefloon. (Terwijl er ongeveer drie keer meer
alleenstaande moeders zijn dan alleenstaande vaders.) Misschien is het zinvol een indicator op te
nemen over armoederisicopercentages vóór en na enerzijds het betalen en anderzijds het ontvangen
van alimentatiegelden (voor deze categorie).
Bij de alleenstaanden – de groep voor wie de referentiepersoon per definitie samenvalt met de
gezinsleden – blijkt de subjectieve inschatting van armoede te variëren naar leeftijd en geslacht.
Vrouwen blijken ook een beduidend lagere socio-culturele participatie te hebben dan mannen. Vanuit
de bredere optiek van sociale uitsluiting is dit zeker van belang.
Werkgroep Indicatoren NAPIncl 18
Diversiteit en activering
Werk is de beste bescherming tegen armoede. Dit blijkt in België nog meer te gelden dan in de meeste
andere lidstaten. Het percentage werkende armen behoort tot de laagste binnen de EU25 (4% in
België tegenover 8% voor de EU25). Personen die leven in een huishouden zonder betaald werk
daarentegen, werden in 2003 geconfronteerd met een hoog armoederisico. Ondanks het feit dat werk
in België doorgaans een goede inkomensbescherming biedt, moet worden vastgesteld dat een niet
verwaarloosbare proportie van de werkenden (4%) toch een armoederisico loopt, dit tengevolge van
een precaire werksituatie of van een ontoereikend loon in verhouding tot de behoeften van het
huishouden.
Gelet op het belang van betaald werk, zowel als kanaal waarlangs integratie in de samenleving zich
kan voltrekken, als in financieel opzicht, is de toegang tot, kwalitatitief toereikend, werk van zeer
groot belang. In 2005 lag de werkgelegenheidsgraad in België met 61,1% onder het EU25-
gemiddelde (63,8%). De indicatoren bevestigen de belangrijke onderparticipatie aan werk van
specifieke groepen. De werkzaamheidsgraad van personen met een niet EU25-nationaliteit, van
laaggeschoolden en van personen met een handicap blijft ver onder deze van de totale actieve
populatie. Alleenstaanden, personen met een lagere scholing en vooral alleenstaande ouders en
personen met een nationaliteit van buiten de EU25 hebben een sterk verhoogde kans op langdurige
werkloosheid.
Meer dan in de meeste EU-lidstaten het geval is, is er in België een concentratie van niet betaalde
arbeid op huishoudniveau. Het aandeel van personen die leven in een huishouden zonder betaald werk
was in België in 2005 het op één na hoogste in de EU25 (13% tegenover 10% voor EU25). Het is
opmerkelijk dat een duidelijke toename van de vrouwelijke werkgelegenheidsgraad (van 44,6% in
1992 naar 52,6% in 2004), niet gepaard is gegaan met een afname van het percentage huishoudens
zonder betaald werk. Mogelijks heeft deze toename zich voornamelijk voorgedaan in huishoudens
waar reeds betaald werk aanwezig was14. Voor sommige groepen zijn wellicht specifieke maatregelen
vereist voor de begeleiding naar werk. Gelet op het hoge armoederiscopercentage voor personen die
leven in een huishouden zonder werk blijft ook aandacht voor de inkomensbescherming belangrijk.
Er bestaan grote verschillen tussen de gewesten op het vlak van werkzaamheids-, (langdurige)
werkloosheidsgraden en op het vlak huishoudens zonder werk.
Het verwerven van een goede basiskwalificatie is voor jongeren van groot belang voor de kansen op
de arbeidsmarkt. Op het vlak van de ongekwalificeerde uitstroom uit het onderwijs is er voor geen
van de drie Gewesten een trendmatige daling vast te stellen. Deze indicator blijft zich boven het
streefcijfer van de Lissabon richtsnoer (10%) situeren. Vroegtijdige uitstroom komt veel vaker voor
bij jongeren met een niet-EU15 nationaliteit (38,6%) dan bij jongeren met een EU15-nationaliteit
(12,2%).
Er is, sinds begin jaren ’90, een toename van de participatie aan opleiding en vorming in het kader van
levenslang leren. Dit neemt niet weg dat België in 2005 nog steeds iets lager scoort dan het EU25-
gemiddelde. Bovendien blijkt, zoals in andere landen, de deelname aanzienlijk hoger onder de hoger
opgeleiden (16%) dan onder de personen met een lage vooropleiding (3,2%).
Toegang tot een kwalitatief goede woning op de (private) huurmarkt.
Wanneer we het armoederisico bekijken naar de eigendomsstatus van de woning (eigenaar/huurder)
blijkt dat huurders (27%) met een veel hoger armoederisico worden geconfronteerd dan eigenaars
(11%). Uit vroeger onderzoek is gebleken dat er in de loop van de jaren ’90 een belangrijke stijging is
geweest van de kostprijs van de huisvesting. Een belangrijke groep huurders combineert bijgevolg
een zwakke inkomenspositie met een relatief hoge huisvestingskost. De NAPincl-indicator rond
woonkost geeft aan dat in 2003 33% van de huurders met een inkomen onder de mediaan meer dan
één derde van het gezinsbudget aan huur besteedt. Nog uit vroeger onderzoek is gebleken dat de
14
Bijkomende gegevens zijn nodig om deze hypothese (reeds vastgesteld in andere lidstaten) te ondersteunen
Werkgroep Indicatoren NAPIncl 19
problemen rond de betaalbaarheid van de huisvesting zich vooral situeren bij personen die een woning
huren op de private huurmarkt.
De kwaliteit van de huisvesting blijkt voor niet EU-25 personen en huishoudens met kinderen en een
lage werkintensiteit dikwijls problematisch te zijn. Deze categorieën blijken meer dan de totale
bevolking te wonen in woningen met twee of meerdere structurele problemen of met een gebrek aan
ruimte. Zwakke sociale categorieën (alleenstaande ouders, werklozen, zieken/invaliden) lijken over
het algemeen meer dan globaal te wonen in woningen met twee of meer gebreken, evenals bewoners
van een huurwoning. Brusselse huishoudens worden veel meer dan huishoudens uit andere gewesten
geconfronteerd met een ruimtegebrek (17% tegenover ongeveer 4% voor de andere gewesten). Waalse
en Brusselse huishoudens (23%) wonen meer in woningen met een structureel gebrek dan Vlaamse
huishoudens (14%).
Sinds 1995 is het aantal sociale huurwoningen in percentage van het totaal aantal huishoudens
constant gebleven, op goed 6%. In de drie Gewesten bestaan er lange wachtlijsten.
Kinderarmoede
België scoort op het vlak van de kinderarmoede beter dan het EU25-gemiddelde (17% tegenover
20%). Net zoals in een meerderheid van de andere lidstaten ligt het armoederisico van kinderen (-16
jarigen) iets boven het globale armoederisicopercentage voor de volledige bevolking. Kinderen van
alleenstaande ouders en, a fortiori, kinderen in gezinnen waar geen van de volwassen gezinsleden
werkt worden geconfronteerd met zeer hoge armoederisico’s, respectievelijk 36% en 70%. Voor deze
categorieën liggen de cijfers ook boven het EU-gemiddelde. De moeilijk situatie van deze
huishoudens weerspiegelt zich ook op andere terreinen, o.a. de (on)mogelijkheid om op vakantie te
gaan. Het percentage kinderen dat in een huishouden zonder betaald werk leeft behoort, met 13%, tot
de hoogste binnen EU25. Vooral voor Brussel en, in iets mindere mate Wallonië, bereikt deze
indicator een problematisch niveau.
Ondanks het onderwijs is er een tendens tot intergenerationele overdracht van een gebrek aan kansen.
Dit wordt geïllustreerd door het PISA-onderzoek waaruit blijkt dat kinderen van ouders met een hoog
socio-professioneel statuut (bovenste quartiel) gemiddeld veel beter scoren op leesvaardigheidstests
dan kinderen van ouders met een laag socio-professioneel statuut (onderste quartiel).
Kinderen wonen iets vaker in woningen met gebreken en duidelijk meer in woningen met een gebrek
aan ruimte15. Inzake basiscomfort (bad of douche, warm stromend water, wc binnenshuis) scoren zij
dan weer iets beter dan de globale bevolking.
15
Hier gemeten als minder dan 1 kamer per lid van het huishouden.
Werkgroep Indicatoren NAPIncl 20
Deel 3: De indicatoren
0. Contextinformatie niet bereikte bevolkingsgroepen
Bepaalde kwetsbare bevolkingsgroepen zijn niet of nauwelijks vertegenwoordigd in de gegevens waar
de NAPIncl - indicatoren op berekend worden. Het gaat daarbij over personen die in collectieve
huishoudens leven, over illegalen, over daklozen. Er zijn ook geen specifieke gegevens opgenomen
voor andere risicogroepen zoals etnische minderheden. Zowel praktische als conceptuele en
methodologische oorzaken liggen hier aan ten grondslag. Het in kaart brengen van, in eerste instantie,
het aantal personen, dat tot deze groepen behoort, vormt een voortdurend aandachtspunt van de
Werkgroep Indicatoren. In eerste instantie worden hier de resultaten weergegeven van de
inventarisatie van het aantal personen dat gedomicilieerd is in een collectief huishouden. Deze
gegevens zijn gebaseerd op de Socio-Economische Enquête 2001 van het NIS.
We hernemen hier in eerste instantie de gegevens, zoals deze werden berekend op basis van de Socio-
Economische Enquête 2001. Daarna presenteren we recentere gegevens, berekend op het
Rijksregister. In de Socio-Economische Enquête wordt uitgegaan van de feitelijke verblijfplaats. In
het Rijksregister wordt uitgegaan van de officiële verblijfplaats. De aantallen op basis van het
Rijksregister liggen bijgevolg lager. De gegevens op basis van de Socio-Economische Enquête
worden hernomen omdat zij een uitsplitsing toelaten naar de verschillende soorten instellingen.
0.1 Bevolking gedomicilieerd in collectieve huishoudens
Socio-Economische Enquête/Rijksregister – Algemene Directie Statistische en Economische
Informatie
Werkgroep Indicatoren NAPIncl 21
Bevolking gedomicilieerd in collectieve huishoudens naar leeftijd en geslacht - België
0 - 17 jaar 18 - 64 jaar 65 jaar en meer Totaal
vrouwen mannen totaal vrouwen mannen totaal vrouwen mannen totaal vrouwen mannen totaal
Rusthuis 150 171 321 1.965 2.358 4.323 46.992 12.086 59.078 49.107 14.615 63.722
Rust- en verzorgingstehuis 19 19 38 682 804 1.486 21.215 5.649 26.864 21.916 6.472 28.388
Klooster, abdij 82 67 149 1.983 1.449 3.432 8.330 2.050 10.380 10.395 3.566 13.961
Instelling voor gehandicapte personen 89 106 195 2.085 2.918 5.003 513 274 787 2.687 3.298 5.985
Familiepension en andere 139 140 279 1.416 2.030 3.446 1.644 513 2.157 3.199 2.683 5.882
Psychiatrische instelling 3 3 6 1.318 2.595 3.913 1.058 903 1.961 2.379 3.501 5.880
Verzorgingsinstelling 5 6 11 288 319 607 3.220 789 4.009 3.513 1.114 4.627
Collectiviteit van private huishoudens 218 241 459 1.159 1.419 2.578 575 313 888 1.952 1.973 3.925
Opvangcentrum 326 386 712 602 1.972 2.574 173 126 299 1.101 2.484 3.585
Studentenhuis, weeshuis 115 118 233 1.128 1.311 2.439 107 44 151 1.350 1.473 2.823
Kazerne 148 178 326 277 1.145 1.422 5 0 5 430 1.323 1.753
Strafinstelling 10 7 17 59 899 958 2 24 26 71 930 1.001
Referentieadres (zeeman, binnenschipper e.d.) 74 72 146 152 435 587 94 60 154 320 567 887
Beschermde werkplaats 3 2 5 166 265 431 9 11 20 178 278 456
Speciaal verblijfsstatuut 106 80 186 108 41 149 3 1 4 217 122 339
Type onbepaald of onbekend 45 46 91 212 375 587 345 97 442 602 518 1.120
Totaal collectieve huishoudens 1.532 1.642 3.174 13.600 20.335 33.935 84.285 22.940 107.225 99.417 44.917 144.334
Bron: NIS Socio-economische Enquête 2001
Bevolking gedomicilieerd in collectieve huishoudens - Brussels Hoofdstedelijk Gewest
0 - 17 jaar 18 - 64 jaar 65 jaar en meer Totaal
vrouwen mannen totaal vrouwen mannen totaal vrouwen mannen totaal vrouwen mannen totaal
Rusthuis 19 24 43 270 311 581 6.021 1.429 7.450 6.310 1.764 8.074
Rust- en verzorgingstehuis 1 1 2 77 167 244 1.596 410 2.006 1.674 578 2.252
Klooster, abdij 5 5 10 157 272 429 278 158 436 440 435 875
Instelling voor gehandicapte personen 1 3 4 79 82 161 23 17 40 103 102 205
Familiepension en andere 36 28 64 310 338 648 251 140 391 597 506 1.103
Psychiatrische instelling 0 1 1 37 70 107 8 4 12 45 75 120
Verzorgingsinstelling 0 0 0 32 63 95 93 30 123 125 93 218
Collectiviteit van private huishoudens 72 75 147 378 413 791 198 96 294 648 584 1.232
Opvangcentrum 61 35 96 101 267 368 27 12 39 189 314 503
Studentenhuis, weeshuis 18 22 40 167 172 339 81 23 104 266 217 483
Kazerne 147 177 324 255 416 671 1 0 1 403 593 996
Strafinstelling 3 1 4 3 8 11 0 1 1 6 10 16
Referentieadres (zeeman, binnenschipper e.d.) 1 1 2 15 62 77 1 4 5 17 67 84
Beschermde werkplaats 2 0 2 7 15 22 0 0 0 9 15 24
Speciaal verblijfsstatuut 0 0 0 0 0 0 0 0 0 0 0 0
Type onbepaald of onbekend 7 6 13 15 15 30 21 7 28 43 28 71
Totaal collectieve huishoudens 373 379 752 1.903 2.671 4.574 8.599 2.331 10.930 10.875 5.381 16.256
Bron: Socio-economische Enquête 2001
Werkgroep Indicatoren NAPIncl 22
Bevolking gedomicilieerd in collectieve huishoudens - Vlaams Gewest
0 - 17 jaar 18 - 64 jaar 65 jaar en meer Totaal
vrouwen mannen totaal vrouwen mannen totaal vrouwen mannen totaal vrouwen mannen totaal
Rusthuis 40 42 82 619 908 1.527 21.855 5.934 27.789 22.514 6.884 29.398
Rust- en verzorgingstehuis 13 6 19 390 394 784 15.982 4.360 20.342 16.385 4.760 21.145
Klooster, abdij 66 45 111 1.327 829 2.156 6.767 1.549 8.316 8.160 2.423 10.583
Instelling voor gehandicapte personen 49 53 102 1.121 1.453 2.574 347 178 525 1.517 1.684 3.201
Familiepension en andere 42 36 78 511 760 1.271 680 164 844 1.233 960 2.193
Psychiatrische instelling 1 1 2 859 1.615 2.474 804 624 1.428 1.664 2.240 3.904
Verzorgingsinstelling 0 1 1 208 163 371 2.865 696 3.561 3.073 860 3.933
Collectiviteit van private huishoudens 29 71 100 96 486 582 46 86 132 171 643 814
Opvangcentrum 107 119 226 258 1.037 1.295 96 78 174 461 1.234 1.695
Studentenhuis, weeshuis 44 38 82 576 583 1.159 9 9 18 629 630 1.259
Kazerne 1 1 2 14 354 368 4 0 4 19 355 374
Strafinstelling 4 2 6 38 740 778 2 15 17 44 757 801
Referentieadres (zeeman, binnenschipper e.d.) 46 49 95 55 158 213 87 44 131 188 251 439
Beschermde werkplaats 1 2 3 77 157 234 5 7 12 83 166 249
Speciaal verblijfsstatuut 2 5 7 9 6 15 0 0 0 11 11 22
Type onbepaald of onbekend 9 24 33 33 191 224 82 53 135 124 268 392
Totaal collectieve huishoudens 501 495 996 6.503 9.834 16.337 49.842 13.797 63.639 56.846 24.126 80.972
Bron: Socio-economische Enquête 2001
Bevolking gedomicilieerd in collectieve huishoudens - Waals Gewest
0 - 17 jaar 18 - 64 jaar 65 jaar en meer Totaal
vrouwen mannen totaal vrouwen mannen totaal vrouwen mannen totaal vrouwen mannen totaal
Rusthuis 91 105 196 1.076 1.139 2.215 19.116 4.723 23.839 20.283 5.967 26.250
Rust- en verzorgingstehuis 5 12 17 215 243 458 3.637 879 4.516 3.857 1.134 4.991
Klooster, abdij 11 17 28 499 348 847 1.285 343 1.628 1.795 708 2.503
Instelling voor gehandicapte personen 39 50 89 885 1.383 2.268 143 79 222 1.067 1.512 2.579
Familiepension en andere 61 76 137 595 932 1.527 713 209 922 1.369 1.217 2.586
Psychiatrische instelling 2 1 3 422 910 1.332 246 275 521 670 1.186 1.856
Verzorgingsinstelling 5 5 10 48 93 141 262 63 325 315 161 476
Collectiviteit van private huishoudens 7 95 102 20 520 540 8 131 139 35 746 781
Opvangcentrum 158 232 390 243 668 911 50 36 86 451 936 1.387
Studentenhuis, weeshuis 53 58 111 385 556 941 17 12 29 455 626 1.081
Kazerne 0 0 0 8 375 383 0 0 0 8 375 383
Strafinstelling 3 4 7 18 151 169 0 8 8 21 163 184
Referentieadres (zeeman, binnenschipper e.d.) 27 22 49 82 215 297 6 12 18 115 249 364
Beschermde werkplaats 0 0 0 82 93 175 4 4 8 86 97 183
Speciaal verblijfsstatuut 104 75 179 99 35 134 3 1 4 206 111 317
Type onbepaald of onbekend 1 16 17 8 169 177 6 37 43 15 222 237
Totaal collectieve huishoudens 658 768 1.426 5.194 7.830 13.024 25.844 6.812 32.656 31.696 15.410 47.106
Bron: Socio-economische Enquête 2001
Werkgroep Indicatoren NAPIncl 23
0-17 18-64 65+ totaal
man vrouw totaal man vrouw totaal man vrouw totaal man vrouw totaal
België
1/1/2005 570 483 1.053 15.659 8.690 24.349 21.256 76.932 98.188 37.485 86.105 123.590
1/1/2006 685 623 1.308 16.017 8.986 25.003 20.889 75.872 96.761 37.591 85.481 123.072
Brussels
Gewest
1/1/2005 66 94 160 1.094 698 1.792 1.357 5.536 6.893 2.517 6.328 8.845
1/1/2006 87 105 192 1.139 703 1.842 1.384 5.541 6.925 2.610 6.349 8.959
Vlaanderen
1/1/2005 239 192 431 8.431 4.692 13.123 12.952 46.057 59.009 21.622 50.941 72.563
1/1/2006 186 170 356 8.275 4.330 12.605 13.188 46.086 59.275 21.649 50.587 72.236
Wallonië
1/1/2005 364 302 666 6.461 3.703 10.164 6.521 24.831 31.352 13.346 28.836 42.182
1/1/2006 376 318 694 6.449 3.742 10.191 6.507 24.485 30.992 13.332 28.545 41.877
Bron: Rijksregister – Algemene Directie Statistische en Economische Informatie
Werkgroep Indicatoren NAPIncl 24
I. INKOMEN
Inleidende commentaar in verband met de 'inkomensindicatoren', berekend op basis van EU-
SILC
Bron
De indicatoren die we hier voorstellen werden wat België betreft, berekend op basis van de eerste
ronde van de EU-SILC (2004). De overstap naar een nieuwe databron heeft een aantal consequenties
op het vlak van de resultaten. Bij de belangrijkste verschilpunten met de vroegere resultaten kunnen
worden aangestipt:
- het niveau van het armoederiscopercentage is hoger (15% i.p.v. 13%)
- de verschillen tussen de gewesten zijn groter
Deze verschillen met de vroegere ECHP gegevens zijn vermoedelijk terug te brengen op verschillen in
het gebruikte inkomensconcept (cf. supra) en op de samenstelling van de steekproef.
Begrippen
Wat de gehanteerde begrippen betreft: het zijn de individuele personen die worden beschouwd als
analyse-eenheden en niet de huishoudens waartoe ze behoren.
Aan elke individuele persoon wordt het inkomen van het huishouden (1) toegekend, gedeeld door een
equivalentiefactor (2).
(1) Het totale beschikbare inkomen van een huishouden is het geheel van de netto monetaire inkomens
die gedurende het kalenderjaar voorafgaand aan de enquête (2003 in het geval van de enquête 2004)
door dit huishouden en de leden die er deel van uitmaken op het moment van het interview werden
verworven. Het omvat het arbeidsinkomen (lonen en inkomen uit activiteit als zelfstandige), private
inkomens (ontvangsten uit kapitaal en eigendom), pensioenen en de andere rechtstreeks ontvangen
sociale overdrachten, de overdrachten ontvangen van andere huishoudens, terugstortingen van
personenbelastingen, het niet cash inkomen dat uit de bedrijfswagen wordt betrokken. Overdrachten
naar andere huishoudens, bij te betalen belastingen en vermogensbelastingen worden in mindering
gebracht.
(2) Het inkomen van het huishouden wordt gedeeld door een equivalentiefactor. De equivalentieschaal
maakt het mogelijk het inkomen te vergelijken van huishoudens met een verschillende omvang
doordat gebruik wordt gemaakt van een methode die de inkomens omzet in vergelijkbare eenheden.
De schaal die gebruikt werd voor het berekenen van de verder getoonde resultaten is de 'gewijzigde
OESO-schaal', die een gewicht van '1' toekent aan de eerste volwassene, '0,5' aan alle andere
volwassenen (14 jaar en ouder) in het huishouden en '0,3' aan alle personen jonger dan 14 jaar. Dat
betekent dat het inkomen van een koppel met twee kinderen (van minder dan 14 jaar) gedeeld wordt
door een coëfficiënt van 2,1 (1+0,5+0,3+0,3) om het vergelijkbaar te maken met het inkomen van een
alleenstaande.
Evolutie van de indicatoren in de tijd
Gelet op de wijziging in de databron is voor de inkomensindicatoren een vergelijking in de tijd niet
aangewezen. Naarmate er meer golven van de EU-SILC beschikbaar komen zal dit uiteraard wel
mogelijk worden.
Werkgroep Indicatoren NAPIncl 25
Kruising naar geslacht
Verder in dit document worden een groot aantal indicatoren gekruist naar geslacht. Met betrekking tot
de monetaire indicatoren geeft deze kruising echter slechts gedeeltelijke informatie over de
comparatieve situatie van mannen en vrouwen tegenover de armoede, in de mate dat het het totale
inkomen van het huishouden is (som van alle individuele inkomens) dat in deze analyse wordt
gebruikt. Bij dit type berekening is de onderliggende hypothese dus dat elk lid van het huishouden een
gelijke toegang heeft tot het inkomen van het huishouden. Al is deze hypothese niet onrealistisch (in
de mate dat men ervan uit kan gaan dat de situatie van een individu tegenover de armoede inderdaad
bepaald wordt door de inkomsten van haar/zijn huishouden), ze verdoezelt de verschillende situatie
van mannen en vrouwen binnen het huishouden. De gepubliceerde armoede(risico)percentages naar
geslacht geven slechts indirect informatie over man/vrouw welvaartsverschillen in de mate dat ze
verschillend zullen zijn indien de situatie van mannen en vrouwen die alleen leven (of die leven in
huishoudens die een ongelijke samenstelling man/vrouw hebben) verschillend is.
Werkgroep Indicatoren NAPIncl 26
1. Gelijkheid / ongelijkheid van de algemene inkomensverdeling
I.1 Inkomens quintiel verhouding S80/S20: verhouding van het totale inkomen
ontvangen door de 20% van de bevolking met het hoogste inkomen (hoogste quintiel) tot
het inkomen ontvangen door de 20% van de bevolking met het laagste inkomen (laagste
quintiel). Inkomen moet begrepen worden als equivalent beschikbaar inkomen.
Contextindicator sociale inclusie+overkoepelende indicator
Naar gewest.
EU-SILC 2004 + nationale bestanden, Algemene Directie Statistische en Economische
Informatie/Eurostat
S80/S20, EU, 2003
8
7
6
5
% 4
3
2
1
0
EU2
SI HU SE CZ DK FI LU AT BE NL CY FR DE LT IE PL ES UK IT SK EE EL LV PT
5
2003 3,1 3,3 3,3 3,4 3,4 3,5 3,7 3,8 4 4 4,1 4,2 4,4 4,5 4,8 5 5 5,1 5,3 5,6 5,8 5,9 6 6,1 7,2
GI.1
Werkgroep Indicatoren NAPIncl 27
S80/S20, EU25, België en de Gewesten, 2003
8
7
6
5
4
3
2
1
0
EU25 BE BX FL WA
2003 4,8 4,0 7,4 3,6 4,1
GI.2
Werkgroep Indicatoren NAPIncl 28
I.2 Gini-coëfficiënt: synthetische maat van het cumulatieve aandeel van het equivalent
inkomen dat opgenomen wordt door de cumulatieve percentages van het aantal
individuen. De waarde van de coëfficiënt varieert van 0% (volledige gelijkheid) tot
100% (volledige ongelijkheid).
Contextindicator sociale inclusie
Naar gewest.
EU-SILC 2004 + nationale databestanden – Algemene Directie Statistische en Economische Informatie/Eurostat
Gini-coëfficiënt, EU25, 2003
40
35
30
25
20
15
10
5
0
EU2
SI SE DK CZ FI AT BE LU CY HU NL DE FR LT ES PL IE EL IT SK EE UK LV PT
5
2003 22 23 24 25 25 26 26 26 27 27 27 28 28 29 30 31 31 32 33 33 33 34 34 36 38
GI.3
Werkgroep Indicatoren NAPIncl 29
Gini-coëfficiënt, EU25, België en de Gewesten, 2003
40
35
30
25
20
15
10
5
0
EU25 BE BX FL WA
2003 30 26,4 36,4 24,9 25,7
GI.4
Werkgroep Indicatoren NAPIncl 30
2. Armoederisico
2.1 Armoederisico gemeten met een objectieve norm
2.1.1 De welvaartsverschillen in het Europa van de 25 lidstaten: een vergelijking van de
nationale armoederisicodrempels
I.3 Armoederisicodrempel (illustratieve waarden). De waarde van de
armoederisicodrempel (60% van het mediaan nationaal equivalent inkomen) in
koopkrachtpariteiten, voor twee illustratieve huishoudentypes:
- een alleenstaande;
- een huishouden met twee volwassenen en twee kinderen.
Primaire indicator sociale inclusie+overkoepelende indicator
EU-SILC 2004 + nationale databestanden - Eurostat
Werkgroep Indicatoren NAPIncl 31
Waarde van de armoederisicogrens (60% van het mediaaninkomen) voor een huishouden
bestaande uit 1 volwassene, in koopkrachtpariteiten, EU, 2003
18000
16000
14000
12000
10000
8000
6000
4000
2000
0
LV LT EE PL SK HU CZ PT SI EL ES IT EU25 CY FI SE IE FR BE DE DK AT UK NL LU
KKP-2003 2064 2298 2352 2662 3554 3722 4382 4697 6088 6272 7254 7450 7716 7822 7931 8501 8502 8643 8963 9175 9176 9630 9783 9869 15522
GI.5
Werkgroep Indicatoren NAPIncl 32
2.1.2 Welk percentage van de bevolking wordt in één gegeven jaar geconfronteerd met
het risico op armoede?
I.4-1 Armoederisicopercentage: percentage personen met een equivalent beschikbaar
inkomen lager dan 60% van het mediaan nationaal equivalent inkomen. Het equivalent
inkomen wordt gedefinieerd als het totaal beschikbaar inkomen van het huishouden
gedeeld door zijn 'equivalente omvang' om rekening te houden met de omvang en de
samenstelling van het huishouden. Het wordt toegekend aan elk lid van het huishouden.
Naar leeftijd en geslacht
Primaire indicator sociale inclusie+overkoepelende indicator
Naar gewest, opleidingsniveau (personen 16 jaar en ouder).
EU-SILC 2004 – Algemene Directie Statistische en Economische Informatie/Eurostat
Armoederisicopercentage, EU, 2003
25
20
15
%
10
5
0
CZ SI DK FI LU SE HU NL AT FR BE CY LT DE EU25 LV PL EE UK IT EL ES IE PT SK
2003 8 10 11 11 11 11 12 12 13 14 15 15 15 16 16 16 17 18 18 19 20 20 21 21 21
GI.6
Werkgroep Indicatoren NAPIncl 33
Armoederisicopercentage naar geslacht (bevolking 16 jaar en ouder), EU, 2003
25
20
15
%
10
5
0
EU
CZ LU SI DK FI HU NL SE AT FR BE LT DE PL CY LV UK EE IT ES SK EL IE PT
25
vrouw 8 10 12 12 12 11 11 12 14 14 15 15 17 14 18 17 17 18 20 19 21 19 22 23 21
totaal 7 10 10 11 11 11 11 11 12 13 14 14 15 15 16 16 16 17 18 18 19 19 20 21 21
man 6 10 9 11 11 10 10 10 11 12 13 13 12 16 14 14 15 15 16 16 18 20 19 18 20
GI.7
Armoederisicopercentage naar geslacht, EU25, België en de gewesten, 2003
30
25
20
%
15
10
5
0
EU25 BE BX FL WA
vrouw 17 15,8 27,7 12,2 18,7
totaal 16 14,9 27 11,3 17,7
man 15 13,9 26,3 10,3 16,8
GI.8
Werkgroep Indicatoren NAPIncl 34
Armoederisicopercentage naar leeftijd en geslacht, België, 2003
25
20
15
%
10
5
0
<16 16-24 25-49 50-64 >=65 >16
vrouw 17 12 15 21 15
totaal 17 16 12 13 21 14
man 15 11 11 20 13
GI.9
Armoederisicopercentage naar leeftijd, België en de gewesten, 2003
25
20
15
%
10
5
0
<16 16-24 25-49 50-64 >=65 totaal
BE 14,8 15,9 11,7 12,7 20,6 14,8
FL 11,3 10 7,4 7,4 19,9 11,3
WA 17,7 19,6 15,5 15,5 22,8 17,7
GI.10
Werkgroep Indicatoren NAPIncl 35
I.4-2 Armoederisicopercentage: percentage personen met een equivalent beschikbaar
inkomen lager dan 60% van het mediaan nationaal equivalent inkomen. Het equivalent
inkomen wordt gedefinieerd als het totaal beschikbaar inkomen van het huishouden
gedeeld door zijn 'equivalente omvang' om rekening te houden met de omvang en de
samenstelling van het huishouden. Het wordt toegekend aan elk lid van het huishouden.
Naar meest frequente activiteitsstatus
Secundaire indicator sociale inclusie
Naar gewest (personen 16 jaar en ouder).
EU-SILC 2004 – Algemene Directie Statistische en Economische Informatie/Eurostat
Armoederisicopercentage (bevolking van 16 jaar en ouder) naar meest frequente activiteitsstatus en
geslacht, België, 2003
werkloos totaal 28
werkloos vrouw 27
andere inactief vrouw 27
werkloos man 26
andere inactief totaal 26
andere inactief man 25
niet werkend vrouw 24
niet werkend totaal 23
niet werkend man 23
zelfstandige totaal 19
gepensioneerd man 19
gepensioneerd totaal 18
gepensioneerd vrouw 17
totaal 15
werkend man 5
werkend vrouw 4
werkend totaal 4
werknemer totaal 3
0 5 10 15 20 25 30
%
GI.11
(*) De meest frequente activiteitsstatus is gedefinieerd als de status die mensen verklaren te hebben ingenomen
gedurende meer dan de helft van het aantal maanden in het voorafgaand kalenderjaar.
Werkgroep Indicatoren NAPIncl 36
Armoederisicopercentage (bevolking van 16 jaar en ouder) naar meest frequente activiteitsstatus en
gewest, 2003
werkloos WA 34
andere inactief WA 32,2
andere inactief FL 20
zelfstandige WA 19,9
gepensioneerd WA 18,7
werkloos FL 18
totaal WA 17,7
gepensioneerd FL 17,5
zelfstandige FL 16,7
totaal FL 11,3
werkend WA 5
werknemer WA 3,4
werkend FL 3,3
werknemer FL 2,2
0 5 10 15 20 25 30 35 40
%
GI.12
Werkgroep Indicatoren NAPIncl 37
Armoederisicopercentage naar meest frequente activiteitsstatus, EU25, België en de gewesten, 2003
45
40
35
30
25
%
20
15
10
5
0
totaal werkend werkloos gepensioneerd andere inactieve
EU25 16 9 42 16 26
BE 14 4 28 18 26
FL 11 3 18 18 20
WA 18 5 34 19 32
GI.13
Werkgroep Indicatoren NAPIncl 38
I.4-3 Armoederisicopercentage: percentage personen met een equivalent beschikbaar
inkomen lager dan 60% van het mediaan nationaal equivalent inkomen. Het equivalent
inkomen wordt gedefinieerd als het totaal beschikbaar inkomen van het huishouden
gedeeld door zijn 'equivalente omvang' om rekening te houden met de omvang en de
samenstelling van het huishouden. Het wordt toegekend aan elk lid van het huishouden.
Naar type huishouden
Secundaire indicator sociale inclusie
Naar gewest
EU-SILC 2004 – Algemene Directie Statistische en Economische Informatie/Eurostat
Armoederisicopercentage naar type huishouden, België, 2003
alleenstaande ouder, tenminste 1 afhankelijk kind 36
alleenstaande vrouw 65+ 25
1-persoon 21
alleenstaande vrouw <65 jaar 21
2 volwassenen (geen kinderen), tenminste 1 65 of ouder 20
alleenstaande man 65+ 18
alleenstaande man <65 jaar 18
2 volwassenen, 3 of meer afhankelijke kinderen 18
andere huishoudens met afhankelijke kinderen 17
alle huishoudens met afhankelijke kinderen 15
alle personen 15
Alle huishoudens zonder afhankelijke kinderen 14
2 volwassenen (geen kinderen), beiden <65 11
2 volwassenen, 1 afhankelijk kind 10
2 volwassenen, 2 afhankelijke kinderen 9
andere gezinnen zonder afhankelijke kinderen 5
0 5 10 15 20 25 30 35 40
%
GI.14
(*) Afhankelijke kinderen worden gedefinieerd als mensen van 0 tot en met 15 jaar + mensen van 16 tot en met
24 jaar indien ze inactief zijn en inwonen bij tenminste één ouder.
Werkgroep Indicatoren NAPIncl 39
Armoederisicopercentage naar type huishouden, Vlaanderen, 2003
alleenstaande ouder, tenminste 1 afhankelijk kind 28
alleenstaande vrouw 65+ 24
2 volwassenen (geen kinderen), tenminste 1 65 of ouder 20
1-persoon 16
alleenstaande man 65+ 15
andere huishoudens met afhankelijke kinderen 14
alleenstaande vrouw <65 jaar 13
2 volwassenen, 3 of meer afhankelijke kinderen 13
Alle huishoudens zonder afhankelijke kinderen 12
alleenstaande man <65 jaar 12
alle personen 11
alle huishoudens met afhankelijke kinderen 11
2 volwassenen (geen kinderen), beiden <65 9
2 volwassenen, 2 afhankelijke kinderen 7
2 volwassenen, 1 afhankelijk kind 6
andere huishoudens zonder afhankelijke kinderen 3
0 5 10 15 20 25 30
%
GI.15
Armoederisicopercentage naar type huishouden, Waals gewest, 2003
alleenstaande ouder, tenminste 1 afhankelijk kind 42
alleenstaande vrouw <65 jaar 30
alleenstaande vrouw 65+ 27
1-persoon 25
alleenstaande man 65+ 21
alleenstaande man <65 jaar 21
2 volwassenen (geen kinderen), tenminste 1 65 of ouder 21
2 volwassenen, 3 of meer afhankelijke kinderen 18
alle huishoudens met afhankelijke kinderen 18
alle personen 18
Alle huishoudens zonder afhankelijke kinderen 17
2 volwassenen, 1 afhankelijk kind 14
andere huishoudens met afhankelijke kinderen 13
2 volwassenen (geen kinderen), beiden <65 13
2 volwassenen, 2 afhankelijke kinderen 12
andere gezinnen zonder afhankelijke kinderen 6
0 5 10 15 20 25 30 35 40 45
%
GI.16
Werkgroep Indicatoren NAPIncl 40
I.4-4 Armoederisicopercentage: percentage personen met een equivalent beschikbaar
inkomen lager dan 60% van het mediaan nationaal equivalent inkomen. Het equivalent
inkomen wordt gedefinieerd als het totaal beschikbaar inkomen van het huishouden
gedeeld door zijn 'equivalente omvang' om rekening te houden met de omvang en de
samenstelling van het huishouden. Het wordt toegekend aan elk lid van het huishouden.
Naar eigendomsstatus van de woning
Secundaire indicator sociale inclusie
Naar gewest
EU-SILC 2004 – Algemene Directie Statistische en Economische Informatie/Eurostat
Armoederisicopercentage naar eigenaar/huurder status van het huishouden, EU25, 2003
40
35
30
25
%
20
15
10
5
0
SI DK SE FI LU HU NL AT FR CY LT BE DE EU25 LV EE IT EL ES PT IE UK
eigenaar 9 8 7 8 8 11 5 10 10 15 14 11 10 13 14 18 17 20 19 20 18 14
Total 10 11 11 11 11 12 12 13 14 15 15 15 16 16 16 18 19 20 20 21 21 18
huurder 24 18 19 20 23 15 22 18 19 21 24 27 22 25 26 23 30 20 31 25 37 30
GI.17
Armoederisicopercentage naar eigenaar/huurder status van het huishouden, EU25, België en de
gewesten, 2003
35
30
25
20
%
15
10
5
0
EU25 BE FL WA
eigenaar 13 10,7 9,3 12,6
totaal 16 14,9 11,3 17,7
huurder 25 26,7 18,1 32,9
GI.18
Werkgroep Indicatoren NAPIncl 41
I.4-5 Armoederisicopercentage: percentage personen met een equivalent beschikbaar
inkomen lager dan 60% van het mediaan nationaal equivalent inkomen. Het equivalent
inkomen wordt gedefinieerd als het totaal beschikbaar inkomen van het huishouden
gedeeld door zijn 'equivalente omvang' om rekening te houden met de omvang en de
samenstelling van het huishouden. Het wordt toegekend aan elk lid van het huishouden.
Naar werkintensiteit van het huishouden
Secundaire indicator sociale inclusie
EU-SILC 2004 – Algemene Directie Statistische en Economische Informatie/Eurostat
Werkgroep Indicatoren NAPIncl 42
Armoederisicopercentage naar werkintensiteit van het huishouden, huishoudens zonder
afhankelijke kinderen, EU, 2003
70
60
50
40
%
30
20
10
0
LU SE AT DK FI FR IT NL EL BE EU* PT DE ES IE
huishoudens zonder werk, WI=0 13 18 20 21 25 26 27 28 29 30 32 32 37 48 62
huishoudens met beperkt werk, 0<WI<1 9 14 10 7 9 10 12 6 14 7 12 15 13 15 10
huishoudens met volledig werk, WI=1 6 5 6 5 5 3 4 4 10 3 5 9 6 7 5
GI.19
(*) De werkintensiteit van het huishouden verwijst naar het aantal maanden dat alle leden van het huishouden
op arbeidsleeftijd gewerkt hebben gedurende het referentie inkomensjaar als proportie van het totaal aantal
maanden dat theoretisch door hen gewerkt kon worden. Personen worden geklasseerd in categorieën van
werkintensiteit die gaan van WI= 0 (huishouden zonder betaald werk) tot WI=1 (volledige werkintensiteit).
Armoederisicopercentage naar werkintensiteit van het huishouden, huishoudens met afhankelijke
kinderen, EU, 2003
90
80
70
60
50
%
40
30
20
10
0
LU AT DK SE FI EL PT NL IT EU* ES BE FR DE IE
huishoudens zonder werk, WI=0 27 39 40 42 42 52 58 64 66 68 68 70 71 78 80
huishoudens met beperkt werk, 0<WI<0,5 28 44 7 26 29 46 41 45 51 44 57 28 40 45 35
huishoudens met beperkt werk, 0,5<WI<1 17 13 9 10 9 22 27 19 24 17 26 14 13 13 16
huishoudens met volledig werk, WI=1 7 6 5 6 3 11 10 6 6 7 11 4 5 8 4
GI.20
Werkgroep Indicatoren NAPIncl 43
I.4-6 Armoederisicopercentage: percentage personen met een equivalent beschikbaar
inkomen lager dan 60% van het mediaan nationaal equivalent inkomen. Het equivalent
inkomen wordt gedefinieerd als het totaal beschikbaar inkomen van het huishouden
gedeeld door zijn 'equivalente omvang' om rekening te houden met de omvang en de
samenstelling van het huishouden. Het wordt toegekend aan elk lid van het huishouden.
Naar opleidingsniveau
Nationale indicator
(personen 16 jaar en ouder).
EU-SILC 2004 – Algemene Directie Statistische en Economische Informatie/Eurostat
Armoederisicopercentage naar opleidingsniveau (bevolking 16+), België, 2003
25
20
15
%
10
5
0
lage opleiding (ISCED 0-2) gemiddelde opleiding (ISCED 3) hoge opleiding (ISCED 5-7) totaal
Série1 22,5 13,4 6,7 14,9
G21
Werkgroep Indicatoren NAPIncl 44
I.4-7 Samenstelling van de populatie met armoederisico.
Naar meest frequente activiteitsstatus
Nationale indicator
(personen 16 jaar en ouder).
EU-SILC 2004 – Algemene Directie Statistische en Economische Informatie/Eurostat
Samenstelling van de populatie met armoederisico naar meest frequente activiteitsstatus, EU, 2003
100%
90%
80%
70%
60%
50%
40%
30%
20%
10%
0%
BE IE SI CY FR FI CZ1 IT UK ES DK HU EE LV SE EL NL AT PT PL LT SK LU
andere inactieve 45 60 27 24 41 27 32 47 33 42 37 25 24 20 31 33 36 30 29 30 27 21 40
gepensioneerd 25 15 39 53 25 36 13 12 33 18 6 33 29 24 32 27 11 28 27 11 20 9 7
werkloos 16 8 16 3 14 16 32 16 9 14 31 15 19 28 7 8 19 9 8 22 15 27 9
werkend 14 17 18 20 21 21 22 25 26 26 26 27 28 28 31 32 33 34 36 37 38 43 44
GI.22
Werkgroep Indicatoren NAPIncl 45
I.5 Spreiding rond de armoederisicogrens: percentage personen met een equivalent
beschikbaar inkomen lager dan 40%, 50%, 70% van het mediaan nationaal equivalent
inkomen.
Naar leeftijd en geslacht.
Secundaire indicator sociale inclusie
Naar gewest.
EU-SILC 2004 – Algemene Directie Statistische en Economische Informatie/Eurostat
Spreiding rond de arm oederisicogrens (arm oederisicopercentage gem eten m et verschillende
grenzen- % van het m ediaan nationaal equivalent inkom en), EU, 2003
35
30
25
20
%
15
10
5
0
FI DK LU SE AT FR BE DE IT ES EL IE PT SK
40% 2 3 3 3 4 3 5 6 7 7 8 5 9 12
50% 5 6 6 6 7 7 9 10 12 13 13 11 14 16
60% 11 11 11 11 13 14 15 16 19 20 20 21 21 21
70% 20 19 20 19 20 22 23 23 27 27 28 29 29 27
GI.23
Spreiding rond de armoederisicogrens (armoederisicopercentage gemeten met verschillende
grenzen - % van het mediaan nationaal equivalent inkomen), België en de gewesten, 2003
30
25
20
%
15
10
5
0
40% 50% 60% 70%
BE 4,7 8,9 14,9 23,4
FL 3,6 6,5 11,3 19,2
WA 5,3 10,8 17,7 27,6
GI.24
Werkgroep Indicatoren NAPIncl 46
I.6 Armoederisicopercentage gemeten met een in de tijd verankerde
armoederisicogrens: in jaar 't', het percentage personen met een equivalent beschikbaar
inkomen beneden de armoederisicogrens vastgesteld in jaar t-3 en aangepast in functie
van de inflatie over de drie voorbije jaren.
Naar leeftijd en geslacht.
Context informatie + overkoepelende indicator
EU-SILC
GI.25 : niet beschikbaar voor 2006
2.1.3 Welk percentage van de bevolking wordt sinds meerdere jaren (blijvend)
geconfronteerd met armoederisico?
I.7 Blijvend armoederisicopercentage (60% van de mediaan): percentage personen met
een equivalent beschikbaar inkomen lager dan 60% van het mediaan nationaal
equivalent inkomen in het lopend jaar en in minstens twee van de drie voorafgaande
jaren.
Naar leeftijd en geslacht.
Primaire indicator sociale inclusie
Naar gewest.
EU-SILC
GI.26 : niet beschikbaar voor 2006
GI.27 : niet beschikbaar voor 2006
I.8 Blijvend armoederisicopercentage (50% mediaan): percentage personen met een
equivalent beschikbaar inkomen lager dan 50% van het mediaan nationaal equivalent
inkomen in het lopend jaar en in minstens twee van de drie voorafgaande jaren.
Naar leeftijd en geslacht.
Naar gewest.
EU-SILC
Niet beschikbaar voor 2006 (deze indicator werd niet behouden voor de gezamenlijke
Europese indicatorenset).
Werkgroep Indicatoren NAPIncl 47
2.1.4 In welke mate hebben mensen met armoederisico tekort aan inkomen (intensiteit
van het armoederisico - armoederisicogrens is 60% van het mediaan inkomen)?
I.9 Relatieve mediane armoederisicokloof: verschil tussen het mediaan equivalent
inkomen van de personen onder de armoederisicogrens en de armoederisicogrens,
uitgedrukt als een percentage van de armoederisicogrens.
Naar leeftijd en geslacht.
Primaire indicator sociale inclusie+overkoepelende indicator
Naar gewest.
EU-SILC 2004 + nationale databestanden – Algemene Directie Statistische en Economische
informatie/Eurostat
Relatieve mediane armoederisicokloof, EU25, 2003
45
40
35
30
25
20
15
10
5
0
FI CZ LU SE CY DK FR AT HU IE LT NL SI UK BE EU25 LV PL EE DE EL ES IT PT SK
t Total 14 15 17 17 19 19 19 20 20 20 20 20 20 20 23 23 23 23 24 25 25 25 25 26 39
GI.28
Werkgroep Indicatoren NAPIncl 48
Relatieve mediane armoederisicokloof (totale bevolking), EU25, België en de gewesten, 2003
25
20
15
%
10
5
0
EU25 BE FL WA
% 23 23 24 21
GI.29
Relatieve mediane armoederisicokloof naar leefijd en geslacht, België, 2003
30
25
20
%
15
10
5
0
<16 16+ 16-64 65+
vrouw 21 24 17
totaal 22 23 24 18
man 24 25 19
GI.30
Werkgroep Indicatoren NAPIncl 49
I.10 Totale armoederisicokloof als een percentage van het totale inkomen (in de
steekproef), gedefinieerd als de verhouding tussen de totale armoederisicokloof van alle
mensen met armoederisico en het totale inkomen van alle mensen.
Naar gewest.
Nationale indicator
EU-SILC 2004 – Algemene Directie Statistische en Economische Informatie
GI.31: niet beschikbaar
Totale armoederisicokloof in percentage van het totaal inkomen, België en de gewesten, 2003
3
2,5
2
%
1,5
1
0,5
0
BE FL WA
% 2,5 1,8 2,8
GI.32
Werkgroep Indicatoren NAPIncl 50
2.2 Armoederisico gemeten met een subjectieve norm
2.2.1 Welk percentage van de bevolking wordt geconfronteerd met armoederisico?
I.11 Percentage personen die leven in een huishouden dat volgens de referentiepersoon
grote of zeer grote moeilijkheden heeft om rond te komen (making ends meet).
Naar gewest en geslacht.
Nationale indicator
EU-SILC 2004 – Algemene Directie Statistische en Economische Informatie
GI.33
Percentage personen die leven in een huishouden dat volgens de referentiepersoon grote of zeer
grote moeilijkheden heeft om rond te komen naar geslacht, België en de gewesten, 2004
25
20
15
10
5
0
BE FL WA
vrouw 18,7 13,7 22,7
totaal 18,1 13 22,3
man 17,5 12,4 22,7
Werkgroep Indicatoren NAPIncl 51
Percentage dat leeft in een huishouden dat volgens de referentiepersoon grote of zeer grote
moeilijkheden heeft om rond te komen naar werkintensiteit, België en de gewesten, 2004
10,4
huishoudens met kinderen, WI=1 6,9
9,2
huishoudens met kinderen, 23,3
14,4
0,5<WI<1 19,1
huishoudens met kinderen, 32
38,7
0<WI<0,5 36,4
63 WA
huishoudens met kinderen, WI=0 46,9 FL
57,7 BE
10,8
huishoudens zonder kinderen, WI=1 7,6
9,8
huishoudens zonder kinderen, 14,9
9,4
0<WI<1 12,6
39,6
huishoudens zonder kinderen, WI=0 21,7
30,9
0 10 20 30 40 50 60 70
%
GI.34
Werkgroep Indicatoren NAPIncl 52
3. De sociale overdrachten als instrument in de strijd tegen armoederisico
3.1 Impact op het aantal mensen met armoederisico
I.12-1 Armoederisicopercentage vóór sociale overdrachten (uitkeringen): percentage
mensen met armoederisico, waarbij het equivalent inkomen als volgt berekend wordt:
Inkomen inclusief ouderdoms- en overlevingspensioenen en exclusief alle andere sociale
overdrachten (uitkeringen);
Dezelfde armoederisicogrens, gedefinieerd als 60% van het nationaal mediaan
equivalent beschikbaar inkomen (na sociale overdrachten / uitkeringen) wordt gebruikt.
Naar leeftijd en geslacht.
Context-indicator sociale inlcusie
Relatief impact in % na/voor overdrachten.
Naar gewest.
EU-SILC 2004 + nationale bestanden – Algemene Directie Statistische en Economische
Informatie/Eurostat
I.12-2 Armoederisicopercentage vóór sociale overdrachten (uitkeringen): percentage
mensen met armoederisico, waarbij het equivalent inkomen als volgt berekend wordt:
1. Inkomen exclusief alle sociale overdrachten (uitkeringen
2. Inkomen inclusief alle sociale overdrachten (uitkeringen) (= indicator I.4).
Dezelfde armoederisicogrens, gedefinieerd als 60% van het nationaal mediaan
equivalent beschikbaar inkomen (na sociale overdrachten / uitkeringen) wordt gebruikt
voor de drie statistieken.
Naar leeftijd en geslacht.
Nationale indicator
Relatief impact in % na/voor overdrachten.
Naar gewest.
EU-SILC 2004 + nationale bestanden – Algemene Directie Statistische en Economische
Informatie/Eurostat
Werkgroep Indicatoren NAPIncl 53
Armoederisicopercentage vóór alle sociale overdrachten, na pensioenen en na alle sociale
overdrachten, EU, 2003
60
50
40
%
30
20
10
0
CY HU DE SI NL LU CZ LT DK IE EL EE ES AT EU25 PT BE FI LV UK SE FR SK IT PL
voor alle sociale overdrachten 28 32 36 37 37 38 39 39 39 39 40 41 41 42 42 42 42 42 43 43 43 44 44 45 49
na pensioenen 20 17 24 16 23 22 21 23 31 33 23 25 25 25 26 27 28 29 24 29 30 26 28 23 31
na alle sociale overdrachten 15 12 16 10 12 11 8 15 11 21 20 18 20 13 16 21 15 11 16 18 11 14 21 19 17
GI.35
Werkgroep Indicatoren NAPIncl 54
Armoederisicopercentage vóór alle sociale overdrachten, na pensioenen en na alle sociale
overdrachten, naar leeftijd en geslacht, België, 2003
100
93
91 92
90
80
70
60
vrouw
%
50 totaal
man
40 35
33 32 33
30
30 28 27
26 25 25
23
21 21 20
20 17
14 13
12
10
0
voor alle na pensioenen na alle sociale voor alle na pensioenen na alle sociale voor alle na pensioenen na alle sociale
sociale overdrachten sociale overdrachten sociale overdrachten
overdrachten overdrachten overdrachten
0-15 16-64 65+
GI.36
I. Relatieve impact in vergelijking met de situatie vóór sociale overdrachten (uitkeringen)
waarbij pensioenen worden beschouwd als sociale overdrachten (inkomensdefinitie 1).
Reductie (in %) van het armoederisicopercentage door de sociale overdrachten (pensioenen en
andere sociale overdrachten), EU, 2003
90
80
70
60
50
%
40
30
20
10
0
CZ SE FI SI DK LU AT FR NL PL BE LV HU EU25 LT UK IT EE DE SK ES EL PT CY IE
andere sociale overdrachten 33 44 43 16 51 29 29 27 30 29 31 19 16 24 21 26 9 17 22 16 12 8 14 18 31
pensioenen 46 30 31 57 21 42 40 41 38 37 33 44 47 38 41 33 49 39 33 36 39 43 36 29 15
GI.37
Werkgroep Indicatoren NAPIncl 55
2. Relatieve impact in vergelijking met de situatie vóór sociale overdrachten (uitkeringen)
waarbij pensioenen niet als sociale overdrachten worden beschouwd (inkomensdefinitie 2).
Reductie (in %) van het armoederisicopercentage door de sociale overdrachten (pensioenen
worden niet beschouwd als sociale overdrachten), EU, 2003
70
60
50
40
30
20
10
0
DK SE FI CZ LU AT NL BE FR PL EU25 UK SI IE LT DE LV HU EE CY SK PT ES IT EL
2003 65 63 62 62 50 48 48 46 46 45 38 38 38 36 35 33 33 29 28 25 25 22 20 17 13
GI.38
Werkgroep Indicatoren NAPIncl 56
3.2 Impact op de totale armoederisicokloof
I.13 Totale armoederisicokloof vóór sociale overdrachten (uitkeringen), waarbij het inkomen
als volgt berekend wordt:
1. Inkomen exclusief alle sociale overdrachten (uitkeringen);
2. Inkomen inclusief ouderdoms- en overlevingspensioenen en exclusief alle andere sociale
overdrachten (uitkeringen);
3. Inkomen inclusief alle sociale overdrachten (uitkeringen) (= indicator I.10).
Naar gewest.
Nationale indicator
EU-SILC 2004 – Algemene Directie Statistische en Economische informatie
Totale armoederisicokloof vóór alle sociale overdrachten, na pensioenen en na alle sociale
overdrachten, België en de gewesten, 2003
25
20
15
%
10
5
0
BE FL WA
voor alle sociale overdrachten 18 15 20
na pensioenen, vóór andere overdrachten 8 6 11
na alle sociale overdrachten 3 2 3
GI.39
Werkgroep Indicatoren NAPIncl 57
3.3 Adequaatheid van de minimum sociale overdracht
I.14 Netto minimumuitkering (rustpensioen, werkloosheid, invaliditeitsuitkering,
bestaansminimum) in procent van de armoederisicogrens (60% van het mediaaninkomen)
voor een alleenstaande.
Nationale indicator
EU-SILC 2004 / STASIM – CSB
De resultaten met betrekking tot indicatoren I.14 en I.15 worden samen voorgesteld in
onderstaande grafiek.
4. Het minimumloon als instrument in de strijd tegen armoederisico
4.1 Adequaatheid van het minimumloon
I.15 Netto minimumloon in procent van de armoederisicogrens (60% van het
mediaaninkomen) voor een alleenstaande.
Nationale indicator
EU-SILC 2004 / STASIM – CSB
netto-minimumloon en netto-minimumuitkeringen (werknemers en sociale bijstand), als percentage
van de armoederisicogrens, België, 2003 (EU-SILC 2004)
140
120
100
80
%
60
40
20
0
Minimum
Minimum pensioen Minimum
invaliditeitsuitkering Bijstand Minimumloon
werknemers werkloosheidsuitkering
werknemers
alleenstaande 107 100 91 75 131
koppel 89 83 72 67 98
koppel met twee kinderen 82 73 69 89
eenoudergezin met twee kinderen 105 91 91 106
GI.40
Pensioen: volledige loopbaan.
Werkloosheidsuitkering na 6 maanden.
Werkgroep Indicatoren NAPIncl 58
5. Mensen met afbetalingsmoeilijkheden
I.16 Aantal bij de Kredietcentrale voor Particulieren van de Nationale Bank geregistreerde
personen met achterstallige contracten in verhouding tot de meerderjarige bevolking (%).
Naar provincie en naar arrondissement.
Nationale indicator
Centrale voor Kredieten aan Particulieren - Nationale Bank van België
Aantal bij de Centrale voor Kredieten aan Particulieren van de Nationale Bank geregistreerde
personen met achterstallige contracten als percentage van de volwassen bevolking, België, 1995-
2005
6
5
4
%
3
2
1
0
1995 1996 1997 1998 1999 2000 2001 2002 2003* 2004 2005
België 4,4 4,5 4,5 4,6 4,7 4,8 4,9 5 4,3 4,2 4,2
GI.41
(*) Breuk in de serie ingevolge een wijziging van de wetgeving.
Werkgroep Indicatoren NAPIncl 59
Aantal bij de Centrale voor Kredieten aan Particulieren van de Nationale Bank geregistreerde
personen met achterstallige contracten als percentage van de volwassen bevolking, naar provincie,
2003-2005
8
7
6
5
%
4
3
2
1
0
Vlaams- West- Oost- Waals- Brussel- Henegouwe
Antwerpen Limburg Luxemburg Luik Namen
Brabant Vlaanderen Vlaanderen Brabant Hoofdstad n
2003 2,5 3 3 3,1 3,1 3,9 5,1 5,3 6,1 6,2 7,2
2004 2,5 2,9 2,9 3 3 3,8 5 5,1 6 6 7,2
2005 2,4 2,8 2,9 2,9 3 3,7 4,9 5 5,8 5,9 7
GI.42
Werkgroep Indicatoren NAPIncl 60
A a n ta l b ij d e C e n tr a le v o o r K r e d ie te n a a n P a r tic u lie r e n v a n d e N a tio n a le B a n k g e r e g is tr e e r d e
p e r s o n e n m e t a c h te r s ta llig e c o n tr a c te n a ls p e r c e n ta g e v a n d e v o lw a s s e n b e v o lk in g , n a a r
a r r o n d is s e m e n t, 2 0 0 5
9
8
7
6
5
%
4
3
2
1
0
il v en
e
se er
e
n
e
de
n
en n
ne
en
i
ut
rs
m
t
e
rm n
ne
o s el
e
en
ad
i
lle
in
en
ik
lt
ik
t
Be k
o
Ve BE
fd n
en
t
aa t
as
D on jk
Ve t
k
de
ro
oe
en n
Aa
el
en en
ls
se
i
ni
rd
er
le
rd
pe
rle
gg
de re
nd
kl
to
se
rn
Lu
T tri
ijv
u
ho
ie
or
a
oe I ep
vi
Aa
la
Ti
-V uv
on
ro
rle
ur
rg
ak
st
am
ui
Ee
n
he
H
Th
am in
G
oo r
oo
la
en ge
as
r
rv
oo
er
Ba Aa
u
te
N
w
Vi
pe
aa
ik
Zi
Ko
sm
rn
sk
le Le
-F D
ha
Br
ec
rg
N
tw
-N
H
D
Tu
lip
M
oe
ik
st
C
Bo
M
An
O
nt
ud
l- H
i
D
Ph
M
R
Si
en
O
se
al
e-
H
us
ch
Br
ar
M
GI.43
Werkgroep Indicatoren NAPIncl 61
II. ARBEID
1. Werkloosheid
1.1 Op individueel niveau
II.1 Langdurige werkloosheidsgraad: langdurig werkloze bevolking (>= 12 maanden -
ILO-definitie) als percentage van de totale actieve bevolking van 15 jaar en ouder.
Naar geslacht.
Primaraire indicator sociale inclusie+context informatie overkoepelende indicatoren
Naar gewest.
LFS – Eurostat
Werkgroep Indicatoren NAPIncl 62
L a n g d u r ig e w e r k lo o s h e id s g r a a d n a a r g e s la c h t, E U , 2 0 0 5
14
12
10
8
%
6
4
2
0
UK DK CY LU SE AT IE NL ES FI SI HU MT PT E U 25 FR IT LV CZ EE LT BE DE EL PL SK
v ro u w 0 ,7 1 ,2 1 ,8 1 ,2 1 1 ,4 0 ,8 1 ,9 3 ,4 1 ,9 3 ,3 3 ,2 3 ,2 4 ,2 4 ,5 4 ,4 5 ,2 3 ,7 5 ,3 4 ,2 4 ,5 5 5 ,4 8 ,9 1 1 ,4 1 2 ,3
to ta a l 1 1 ,1 1 ,2 1 ,2 1 ,2 1 ,3 1 ,5 1 ,9 2 ,2 2 ,2 3 ,1 3 ,2 3 ,4 3 ,7 3 ,9 3 ,9 3 ,9 4 ,1 4 ,2 4 ,2 4 ,3 4 ,4 5 5 ,1 1 0 ,2 1 1 ,7
m an 1 ,3 1 ,1 0 ,8 1 ,2 1 ,4 1 ,3 1 ,9 1 ,9 1 ,4 2 ,4 2 ,9 3 ,2 3 ,5 3 ,2 3 ,5 3 ,5 2 ,9 4 ,4 3 ,4 4 ,2 4 ,2 3 ,8 4 ,7 2 ,6 9 ,3 1 1 ,2
GII.1
Werkgroep Indicatoren NAPIncl 63
Langdurige werkloosheidsgraad naar geslacht, EU en België, 1995-2005
9
8
7
6
5
%
4
3
2
1
0
1995 1996 1997 1998 1999 2000 2001 2002 2003 2004 2005
EU25-vrouwen 5,4 5 4,7 4,5 4,6 4,5 4,7 4,5
BE-vrouwen 7,7 7,6 7,1 7 5,9 4,6 3,6 4,1 4 4,4 5
EU25-mannen 3,7 3,4 3,4 3,3 3,3 3,6 3,6 3,5
BE-mannen 4,5 4,3 4,2 4,5 4,1 3 3 3,2 3,4 3,5 3,8
GII.2
LFS – Algemene Directie Statistische en Economische Informatie
Langdurige werkloosheidsgraad naar geslacht, EU, België en de gewesten, 2005
12
10
8
%
6
4
2
0
EU BE BX FL WA
Vrouwen 4,5 5 8,2 3 7,8
Totaal 3,9 4,4 9 2,3 7
Mannen 3,5 3,9 9,6 1,8 6,4
GII.3
Werkgroep Indicatoren NAPIncl 64
II.2 Aandeel langdurige werklozen: totale langdurig werkloze bevolking (>= 12 maanden -
ILO-definitie) als percentage van de totale werkloze bevolking van 15 jaar en ouder.
Naar geslacht.
Nationale indicator
LFS – Eurostat
Aandeel langdurig werklozen in de totale werkloze bevolking naar geslacht, EU, 2005
80
70
60
50
%
40
30
20
10
0
se uk dk cy es at fi lu ie nl fr eu25 hu lv mt si pt it be gr lt cz de ee pl sk
vrouwen 13 15 23 27 28 25 23 21 21 37 42 46 43 43 36 46 49 52 53 58 54 54 53 60 59 72
totaal 16 21 23 24 25 25 26 26 33 40 41 45 45 46 47 47 48 50 52 52 53 53 53 53 58 72
mannen 18 25 24 19 21 26 29 34 41 43 40 45 47 49 53 48 47 48 51 42 51 52 53 48 56 72
GII.4
Werkgroep Indicatoren NAPIncl 65
II.3 Zeer langdurige werkloosheidsgraad: zeer langdurig werkloze bevolking (>= 24 maanden
- ILO-definitie) als percentage van de totale actieve bevolking van 15 jaar en ouder.
Naar geslacht.
Nationale indicator
LFS – Eurostat
Zeer langdurige werkloosheidsgraad naar geslacht, EU, 2005
10
9
8
7
6
%
5
4
3
2
1
0
CY DK LU SE UK AT IE FI NL ES HU MT SI PT FR EU25 IT CZ LV EE BE LT EL DE PL SK
Vrouwen 0,7 0,4 0,3 0,3 0,3 0,7 0,4 0,9 0,9 1,7 1,4 1 1,9 2,3 2,2 2,6 3,2 3,2 2,4 2,7 3,4 2,9 5,2 3,6 5,8 8,7
Totaal 0,4 0,4 0,4 0,4 0,5 0,7 0,8 1 1 1,1 1,5 1,6 1,8 1,9 2 2,3 2,4 2,6 2,7 2,8 2,9 2,9 3 3,2 5,3 8,4
Mannen 0,3 0,4 0,5 0,5 0,7 0,7 1,1 1,2 1 0,7 1,6 1,9 1,7 1,6 1,8 2 1,8 2,1 3,1 2,8 2,5 2,8 1,4 3 4,8 8,1
GII.5
Werkgroep Indicatoren NAPIncl 66
II.4 Toegang van sommige bevolkingsgroepen tot de werkgelegenheid: verschil inzake
werkzaamheids- en werkloosheidsgraad (in procentpunten) tussen:
- de bevolking van vreemde, niet EU15 nationaliteit en de bevolking van EU15 nationaliteit;
- de bevolking met een laag opleidingsniveau (maximum lager secundair onderwijs) en de
totale bevolking;
- de bevolking met een handicap en de totale bevolking.
Naar gewest en geslacht.
Nationale indicator
LFS – NIS (NAP Werkgelegenheid 2004)
verschil in werkzaamheidsgraad (in procentpunten) tussen de bevolking van vreemde, niet EU25,
nationaliteit en de bevolking van EU25 nationaliteit naar geslacht, België en de gewesten, 2004
-31,2
-27,1 WA
-23,7
-34,9
-26,8 FL
-16,2
vrouw
totaal
man
-26,6
-22,2 BX
-18,5
-31,7
-26,6 BE
-21,3
-40 -35 -30 -25 -20 -15 -10 -5 0
%
GII.6
Werkgroep Indicatoren NAPIncl 67
Verschil in werkloosheidsgraad (in procentpunten) tussen de bevolking van vreemde, niet EU25,
nationaliteit en de bevolking van EU25 nationaliteit naar geslacht, België en de gewesten, 2004
26,1
WA 27,8
29,2
26,7
FL 20,4
17,3
vrouw
Totaal
man
18,2
BX 20,7
21,9
24,7
BE 24,3
24,4
0 5 10 15 20 25 30 35 40
%
GII.7
Verschil in werkzaamheidsgraad (in procentpunten) tussen de bevolking met een laag
opleidingsniveau (maximum lager secundair onderwijs) en de totale bevolking naar geslacht, België
en de gewesten, 2005
-21,5
-19,1 WA
-17
-25,3
-21,2 FL
-17,4
vrouw
totaal
man
-23,4
-21 BX
-18,6
-24,1
-20,7 BE
-17,6
-40 -35 -30 -25 -20 -15 -10 -5 0
%
GII.8
Werkgroep Indicatoren NAPIncl 68
Verschil in werkloosheidsgraad (in procentpunten) tussen de bevolking met een laag
opleidingsniveau (maximum lager secundair onderwijs) en de totale bevolking naar geslacht, België
en de gewesten, 2005
9,3
WA 6,3
4,7
5
FL 3,5
2,8
vrouw
totaal
man
14,9
BX 12,3
10,8
7,7
BE 5,6
4,4
0 5 10 15 20 25 30 35 40
%
GII.9
Werkgroep Indicatoren NAPIncl 69
Verschil in werkzaamheidsgraad (in procentpunten) tussen de bevolking met een handicap en de
totale bevolking naar geslacht, België en de gewesten, 2002
-12,9
-14,3 WA
-16,4
-19,3
-17,8 FL
-16,8
vrouw
totaal
man
-19
-23,2 BX
-24,8
-17,6
-17,4 BE
-17,8
-40 -35 -30 -25 -20 -15 -10 -5 0
%
GII.10
Verschil in werkloosheidsgraad (in procentpunten) tussen de bevolking met een handicap en de
totale bevolking naar geslacht, België en de gewesten, 2002
2
WA 0,7
-0,2
6,5
FL 3,4
1,4
vrouw
totaal
man
11,3
BX 16,4
19,4
6,1
BE 4,1
2,8
-5 0 5 10 15 20 25 30 35 40
%
GII.11
Werkgroep Indicatoren NAPIncl 70
1.2 Afwezigheid van betaald werk op het niveau van het huishouden
II.5 Bevolking die leeft in huishoudens zonder betaald werk:
a) Kinderen: percentage kinderen (0 tot 17 jaar oud) die leven in een huishouden zonder
betaald werk in verhouding tot alle kinderen.
b) Volwassenen op actieve leeftijd: percentage volwassenen (18 tot 59 jaar oud) die leven
in een huishouden zonder betaald werk in verhouding tot alle volwassenen in die
leeftijdscategorie. Studenten van 18 tot 24 jaar die leven in een huishouden dat alleen uit
studenten bestaat worden noch in de teller, noch in de noemer geteld. Naar geslacht.
Primaire indicator sociale inclusie+overkoepelende indicator
Naar gewest.
LFS - Eurostat
Werkgroep Indicatoren NAPIncl 71
P e r c e n ta g e k in d e r e n (0 -1 7 ) d a t le e ft in e e n h u is h o u d e n z o n d e r b e ta a ld w e r k , E U , 2 0 0 5
18
16
14
12
10
%
8
6
4
2
0
SI LU CY EL PT ES IT FI DK LT AT NL CZ LV MT EE FR EU25 DE IE BE SK HU UK
2005 2 ,7 3 3 ,5 4 ,1 4 ,3 5 ,4 5 ,6 5 ,7 6 6 ,2 6 ,4 6 ,9 8 ,1 8 ,3 8 ,9 9 ,1 9 ,5 9 ,6 1 0 ,9 12 1 2 ,9 1 3 ,8 1 4 ,2 1 6 ,5
GII.12
Werkgroep Indicatoren NAPIncl 72
Percentage kinderen (0-17) dat leeft in een huishouden zonder betaald werk, EU,België en enkele
buurlanden, 1995-2005
25
20
15
%
10
5
0
1995 1996 1997 1998 1999 2000 2001 2002 2003 2004 2005
EU25 9,5 9,8 9,8 9,8 9,6
BE 12,3 12,3 11,8 12,9 11,3 10,8 12,9 13,8 13,9 13,2 12,9
DE 8,3 9,1 10,2 10 9,5 9 8,9 9,3 10,3 10,9 10,9
NL 9,7 8,9 7,5 7,5 6,9 8 6 6 7 7 6,9
UK 20,4 20,1 18,9 18,9 18,4 17 17 17,4 17 16,8 16,5
FR 9,2 9,6 10,1 9,8 9,9 9,4 9,2 9,6 9,5 9,6 9,5
GII.13
Percentage kinderen (0-17) dat leeft in een huishouden zonder betaald werk, België en de gewesten,
2004
30
25
20
%
15
10
5
0
BE BX FL WA
2004 13 24,1 6,9 19,7
GII.14
Werkgroep Indicatoren NAPIncl 73
P e r c e n ta g e v o lw a s s e n e n (1 8 -5 9 ) d a t le e ft in e e n h u is h o u d e n z o n d e r b e ta a ld w e r k n a a r g e s la c h t, E U ,
2005
18
16
14
12
10
%
8
6
4
2
0
CY PT LU LT ES SI CZ NL LV MT IE DK EE EL AT IT EU25 SK FR FI UK DE HU BE PL
v ro u w e n 6 ,2 5 ,8 8 ,1 6 ,4 7 ,2 7 ,1 9 9 7 ,6 9 ,9 9 ,8 8 ,8 7 1 0 ,7 9 ,7 1 0 ,8 1 1 ,2 1 0 ,9 1 1 ,8 1 0 ,9 1 2 ,8 1 1 ,4 1 3 ,1 1 5 ,4 1 6 ,6
to ta a l 5 ,2 5 ,5 6 ,5 6 ,6 6 ,7 6 ,7 7 ,4 7 ,9 8 ,1 8 ,2 8 ,4 8 ,5 8 ,5 8 ,5 8 ,8 9 ,5 1 0 ,2 1 0 ,2 1 0 ,7 11 11 1 1 ,1 1 2 ,3 1 3 ,5 1 5 ,3
m annen 4 ,2 5 ,1 5 6 ,9 6 ,2 6 ,3 5 ,8 6 ,9 8 ,7 6 ,5 7 ,2 8 ,3 1 0 ,2 6 ,4 7 ,8 8 ,3 9 ,2 9 ,5 9 ,6 1 1 ,2 9 ,2 1 0 ,8 1 1 ,6 1 1 ,6 14
GII.15
Werkgroep Indicatoren NAPIncl 74
Percentage volwassenen (18-59) dat leeft in een huishouden zonder betaald werk, EU, België en
enkele buurlanden, 1995-2005
16
14
12
10
%
8
6
4
2
0
1995 1996 1997 1998 1999 2000 2001 2002 2003 2004 2005
EU25 10,1 10,2 10,2 10,3 10,2
BE 14,1 14,1 14,3 14,4 13 12,4 13,8 14,2 14,4 13,7 13,5
DE 10,6 10,9 11,4 11,1 10,5 9,7 9,7 10 10,6 11,1 11,1
FR 11 10,9 11,4 11,3 11,3 10,7 10,3 10,4 10,6 10,8 10,7
NL 11 10,2 8,9 8,8 7,8 7,6 6,9 6,7 8 8 7,9
UK 13,7 13,5 12,9 12,5 11,8 11,3 11,1 11,3 10,9 11 11
GII.16
Percentage volwassenen (18-59) dat leeft in een huishouden zonder betaald werk, België en de
gewesten, 2004
25
20
15
%
10
5
0
BE BX FL WA
vrouw 16 23,2 11,7 21,4
totaal 13,8 21,5 9,8 18,6
man 11,6 19,8 7,9 15,9
GII.17
Werkgroep Indicatoren NAPIncl 75
2. Arbeid en gebrek aan inkomen
II.6 Armoederisico van werkenden: percentage personen die als 'werkend' worden beschouwd
volgens de meest frequente activiteitsstatus definitie (ind. I.4.b.) (werknemers en
zelfstandigen) en die geconfronteerd worden met armoederisico.
Naar kenmerken van de persoon, het huishouden en de job.
Context informatie sociale inclusie+overkoepelende indicator
EU-SILC 2004 – Algemene Directie Statistische en Economische Informatie/Eurostat
Percentage personen dat als werkend wordt beschouwd volgens de meest frequente
activiteitsstatus (definitie ind. I.4b) en met een armoederisico wordt geconfronteerd, EU, 2003
16
14
12
10
%
8
6
4
2
0
CZ BE FI SI DK FR CY HU NL SE AT IE UK LU DE EU25 LV EE IT LT ES PL EL PT SK
2003 3 4 4 4 5 5 6 6 6 6 7 7 7 8 9 9 9 10 10 10 11 12 13 13 15
GII.18
Werkgroep Indicatoren NAPIncl 76
Percentage personen dat als werkend wordt beschouwd volgens de meest frequente
activiteitsstatus en geconfronteerd wordt met een armoederisico naar enkele persoonlijke
kenmerken, België, 2003
4
3,5
3
2,5
%
2
1,5
1
0,5
0
onderwijs- onderwijs- onderwijs-
totaal man vrouw 18-24 25-49 50-64
niveau laag niveau midden niveau hoog
2003 2 2,6 1,4 1,2 3,5 1,3 1,9 2,5 1,5
GII.19
Werkgroep Indicatoren NAPIncl 77
Percentage personen dat als werkend wordt beschouwd volgens de meest frequente
activiteitsstatus en met een armoederisico wordt geconfronteerd naar type huishouden, België,
2003
1 ouder, tenminste 1 afh. Kind 4,6
2 volwassenen, 3 of meer afh. Kinderen 4,5
alle huishoudens met kinderen 3,1
1 persoon, man, <65 3
andere huishoudens met kinderen 3
2 volwassenen, 2 afhankelijke kinderen 3
1 persoon vrouw, <65 2,5
totaal 2
1 persoon 1,8
2 volwassenen, 1 afhankelijk kind 1,7
2 volw (geen kind.), beiden <65 1,6
alle huishoudens zonder kinderen 1,2
andere huishoudens zonder kinderen 0,6
2 volw (geen kind.), minstens 1 >=65 0,4
0 0,5 1 1,5 2 2,5 3 3,5 4 4,5 5
%
GII.20
Percentage personen dat als werkend wordt beschouwd volgens de meest frequente
activiteitsstatus en geconfronteerd wordt met een armoederisico (enkel werknemers) naar
jobkenmerken, België, 2003
6
5
4
%
3
2
1
0
werkte geen
werkte volledig jaar <30 uur per week >=30 uur per week permanent contract tijdelijk contract
volledig jaar
2003 5 4,2 5,5 3,4 2 4,7
GII.21
Werkgroep Indicatoren NAPIncl 78
3. Regionale cohesie
II.7 Regionale cohesie: variatiecoëfficiënt van de werkzaamheidsgraden op NUTS 2
niveau (provincies in België).
Naar geslacht.
Context informatie sociale inclusie+overkoepelende indicator
Naar gewest.
LFS – FOD Sociale Zekerheid/Eurostat
Regionale cohesie: variatiecoëfficiënt van de werkzaamheidsgraad op NUTS2 niveau (provincies in
België) naar geslacht, EU, 2004
30
25
20
15
10
5
0
NL AT PT EL SE FI CZ UK DE PL FR BE ES SK HU EU25 IT
vrouw 2,8 3,2 5,9 8,3 4,3 6,2 6,6 6,5 5,9 7,6 8,7 10,7 14,8 10,5 10,6 17,3 25,7
totaal 2,3 3,5 3,5 4,1 4,4 5,5 5,6 5,8 6,2 6,4 7,1 8,7 8,7 9 9,4 12,2 15,6
man 2,1 3,9 3,2 2,5 4,8 5,2 5,1 5,7 7,6 6 5,9 7,2 5,5 8,1 8,6 10,2 8,7
GII.22
Werkgroep Indicatoren NAPIncl 79
Regionale cohesie: variatiecoëfficiënt van de werkzaamheidsgraad op NUTS2 niveau (provincies in
België) naar geslacht, België en de gewesten, 2004
12
10
8
6
4
2
0
BE FL WA
vrouw 10,7 5,6 6,9
totaal 8,7 3,2 5,7
man 7,2 1,4 4,8
GII.23
Werkgroep Indicatoren NAPIncl 80
III. HUISVESTING
1. Sociale huisvesting
III.1 Percentage van de bevolking dat leeft in een woning gehuurd van een overheids-, of
gemeenschapsinstelling 16.
Naar geslacht, leeftijd, activiteitsstatus, opleidingsniveau (p.m.), type huishouden,
inkomensniveau, gewest.
Nationale indicator
Indicator anders bevraagd in EU-SILC 2004
Percentage van de bevolking dat leeft in een woning waarvan de huurprijs zich onder de
marktprijs situeert
EU-SILC 2004 – Algemene Directie Statistische en Economische Informatie
Percentage van de bevolking dat leeft in een woning met een huurprijs onder de
marktprijs, België en de gewesten, 2003
8
7
6
5
%
4
3
2
1
0
BE FL WA
2003 4,5 4,6 4,3
GIII.1
16
Omwille van de te beperkte steekproefomvang voor het Brussels Hoofdstedelijk Gewest worden hier geen
resultaten voor Brussel getoond. De Socio-economische enquête van het NIS (2001) is een alternatieve bron die
wel cijfers voor Brussel oplevert.
Percentage personen die leven in een woning, gehuurd van:
Brussel-
Vlaams Gewest Waals Gewest België
Hoofdstad
Een maatschappij voor
sociale woningen 8,3% 4,5% 6,5% 5,5%
Een andere openbare
instelling (OCMW,
gemeente...) 1,8% 0,7% 0,7% 0,8%
Totaal 10,1% 5,2% 7,2% 6,3%
Bron: NIS Socio-economische Enquête 2001.
Werkgroep Indicatoren NAPIncl 81
Percentage van de bevolking dat leeft in een woning met een huurprijs onder de
marktprijs
9
8
7
6
5
%
4
3
2
1
0
werkend werkloos gepensioneerd andere inactieve
BE 2,9 8,2 5,4 4,8
GIII.2
Werkgroep Indicatoren NAPIncl 82
III.2 Huishoudens op wachtlijsten voor een sociale huurwoning (verhuurd door de
maatschappijen die erkend zijn door de 3 gewestelijke huisvestingsmaatschappijen) in
verhouding tot het aanbod van zo'n woningen.
Naar gewest.
Nationale indicator
Administratieve data - Gewesten
Verhouding van het aantal huishoudens op een wachtlijst voor een sociale huurwoning tot het aantal
sociale huurwoningen, in absolute aantallen en percentage, naar gewest, 2004/2005
160000 90
140000 80
70
120000
60
100000
absoluut aantal
50
%
80000
40
60000
30
40000
20
20000 10
0 0
BX (2004) FL(2005) WA (2004)
aantal huishoudens op wachtlijst (A) 30219 58215 49996
aantal sociale huurwoningen (B) 38870 136105 103107
(A) in % van (B) 77,74 42,77 48,49
Werkgroep Indicatoren NAPIncl 83
III.3 Aantal sociale huurwoningen (verhuurd door de maatschappijen die erkend zijn
door de 3 gewestelijke huisvestingsmaatschappijen) in verhouding tot het aantal private
huishoudens.
Naar gewest.
Nationale Indicator
Administratieve data - Gewesten / Demografische statistieken - NIS
Evolutie van het aantal sociale huurwoningen in verhouding tot het aantal private
huishoudens, België en de gewesten, 1991-2004
9
8
7
6
5
%
4
3
2
1
0
1991 1995 1996 1997 1998 1999 2000 2001 2002 2003 2004
BX 8 8,1 8,1 8,2 8,3 8,2 8,2 8,1 7,9 7,9
FL 5,2 5,3 5,3 5,4 5,4 5,4 5,4 5,3 5,4 5,4
WL 7,4 7,3 7,3 7,3 7,3 7,3 7,2 7,2 7,2 7,1
BE 6,2 6,3 6,3 6,3 6,3 6,3 6,3 6,2 6,3
GIII.3
Werkgroep Indicatoren NAPIncl 84
2. De kost van huisvesting
III.4 Huurkosten in % van het beschikbaar inkomen: het percentage van de
huishoudens met een inkomen beneden het mediaaninkomen die meer dan 33% van het
gezinsbudget uitgeven aan huur.
Nationale Indicator
Gezinsbudgetenquête – Algemene Directie Statistische en Economische Informatie / CSB
Percentage huishoudens met een inkomen onder het mediaan beschikbaar huishoudinkomen dat
meer dan 33% van het inkomen besteedt aan huur, België, 1998-2004
16
14
12
10
%
8
6
4
2
0
1998 2000 2001 2004
België 10,1 13,7 12,5 14
GIII.4
(*) 1999 niet beschikbaar.
Werkgroep Indicatoren NAPIncl 85
3. De kwaliteit van huisvesting
III.5 Percentage van de bevolking dat leeft in een woning met één of meer van de
volgende problemen:
- gebrek aan klein comfort;
- twee of meer huisvestingsproblemen;
- gebrek aan ruimte 17.
Naar geslacht, leeftijd, activiteitsstatus, opleidingsniveau (p.m.), type huishouden,
inkomensniveau, gewest.
Nationale Indicator
Indicator anders bevraagd in EU-SILC 2004
Cf. punt 2.2 supra
EU-SILC 2004 – FOD Sociale Zekerheid
Percentage huishoudens dat leeft in een woning met één of meer van volgende problemen: gebrek
aan klein comfort, twee of meer problemen aan de woning, gebrek aan ruimte, België en de
gewesten, 2004
30
25
20
%
15
10
5
0
BE FL WA
2004 23,8 18,8 28,2
GIII.5
17
Synthetische indicator gebaseerd op indicatoren III.6, III.7 en III.8.
Werkgroep Indicatoren NAPIncl 86
Percentage van de bevolking (16 jaar en ouder) dat leeft in een woning met één of meer van
volgende problemen: gebrek aan klein comfort, twee of meer problemen aan de woning, gebrek aan
ruimte naar activiteitsstatus, België en de gewesten, 2004
45
40
35
30
25
%
20
15
10
5
0
BE FL WA
werkend 19,9 16,8 24
werkloos 31 19,7 36,6
gepensioneerd 19,5 16,1 25,8
andere inactive 25,9 19,8 29,2
GIII.6
Percentage van de bevolking (16 jaar en ouder) dat leeft in een woning met één of meer van
volgende problemen: gebrek aan klein comfort, twee of meer problemen aan de woning, gebrek aan
ruimte, naar inkomensniveau, België, 2004
45
40
35
30
25
%
20
15
10
5
0
< 60% van het >= 60% van het
eerste quintiel tweede quintiel derde quintiel vierde quintiel vijfde quintiel
mediaan inkomen mediaan inkomen
Série1 36,9 29 24 17,9 13,4 39,1 21,2
GIII.7
Werkgroep Indicatoren NAPIncl 87
III.6 Percentage van de bevolking dat leeft in een woning waarin één van volgende drie
kleine comfortelementen ontbreekt:
- een bad of douche;
- warm stromend water;
- een toilet met waterspoeling in de woning zelf.
Naar geslacht, leeftijd, activiteitsstatus, opleidingsniveau (p.m.), type huishouden,
inkomensniveau, gewest.
Nationale indicator
EU-SILC 2004 – FOD Sociale Zekerheid
Percentage huishoudens dat leeft in een woning waarin één van volgende drie kleine
comfortelementen ontbreekt: bad of douche, warm stromend water, toilet met waterspoeling in de
woning zelf, naar activiteitsstatus, België en de gewesten, 2004
45
40
35
30
25
%
20
15
10
5
0
BE FL WA
totaal 2,9 2,1 3,8
werkend 1,6 1,1 2,1
werkloos 4,4 1,2 5,7
gepensioneerd 7,4 6,7 9,5
andere inactieve 3 2,1 3,7
GIII.8
Werkgroep Indicatoren NAPIncl 88
Percentage van de huishoudens dat woont in een woning waarin één van volgende drie kleine
comfortelementen ontbreekt: bad of douche, warm stromend water, toilet met waterspoeling in de
woning zelf, naar inkomensniveau, België, 2004
45
40
35
30
25
%
20
15
10
5
0
< 60% van het >= 60% van het
eerste quintiel tweede quintiel derde quintiel vierde quintiel vijfde quintiel
mediaan inkomen mediaan inkomen
2004 6,1 4,1 1,9 1,2 1,2 6,2 2,3
GIII.9
Werkgroep Indicatoren NAPIncl 89
III.7 Percentage van de bevolking dat leeft in een woning met twee of meer van volgende
huisvestingsproblemen:
- een lekkend dak;
- geen adequate verwarming;
- schimmel en vocht;
- rottende ramen en deuren.
Naar geslacht, leeftijd, activiteitsstatus, opleidingsniveau (p.m.), type huishouden,
inkomensniveau, gewest.
Nationale indicator
Indicator anders bevraagd in EU-SILC 2004
Cf. punt 2.2 supra
EU-SILC 2004 – FOD Sociale Zekerheid
Percentage van de bevolking dat leeft in een woning met twee of meer van volgende problemen met
de woning:lekkend dak, geen adequate verwarming,schimmel en vocht, rottende ramen/deuren, naar
aktiviteitsstatus, België en de gewesten, 2004
45
40
35
30
25
%
20
15
10
5
0
BE FL WA
Total 17,6 13,5 23
werkend 16,3 13,5 20,7
werkloos 24,2 15,7 30,9
gepensioneerd 14,4 11,6 19,1
andere inactieve 18,8 14,6 22,7
GIII.10
Werkgroep Indicatoren NAPIncl 90
Percentage van de bevolking dat leeft in een woning met twee of meer van volgende
problemen:lekkend dak, geen adequate verwarming, schimmel en vocht, rottende ramen/deuren,
naar inkomensniveau, België, 2004
45
40
35
30
25
%
20
15
10
5
0
< 60% van het >= 60% van het
eerste quintiel tweede quintiel derde quintiel vierde quintiel vijfde quintiel mediaan mediaan
inkomen inkomen
Série1 24,1 19,1 17,9 15 11,6 25 16,2
GIII.11
Werkgroep Indicatoren NAPIncl 91
III.8 Percentage van de bevolking dat leeft in een woning met minder dan 1 kamer per
lid van het huishouden (badkamer, toilet,… niet meegerekend).
Naar geslacht, leeftijd, activiteitsstatus, opleidingsniveau (p.m.), type huishouden,
inkomensniveau, gewest.
Nationale indicator
EU-SILC 2004 – FOD Sociale Zekerheid
Percentage van de bevolking dat leeft in een woning met minder dan 1 kamer per lid van het
huishouden (badkamer, toilet, ...) niet meegerekend, naar aktiviteitsstatus, België en de gewesten,
2004
45
40
35
30
25
%
20
15
10
5
0
BE FL WA
totaal 5,4 4,6 3,4
werkend 3,1 3 2
werkloos 5,4 3,6 3,5
gepensioneerd 0,4 0,2 0,4
andere inactieve 6,7 5,2 4,6
GIII.12
Werkgroep Indicatoren NAPIncl 92
Percentage van de bevolking dat leeft in een woning met minder dan 1 kamer per lid van het
huishouden (badkamer, toilet, ... niet meegerekend), naar inkomensniveau en enkele
huishoudtypes, België, 2004
45
40
35
30
25
%
20
15
10
5
0
<60% van >= 60% van 2 volw., 2 2 volw., 3 of andere
eerste tweede derde vierde vijfde 1 volw, min. 2 volw., 1
het mediaan het mediaan afh. + afh. huish. met
quintiel quintiel quintiel quintiel quintiel 1 afh. kind afh. kind
inkomen inkomen Kinderen kinderen afh. kind.
2004 11,9 6,7 5,7 2,1 0,7 13,1 4,1 4,4 1,6 5,5 19,7 20,5
GIII.13
Werkgroep Indicatoren NAPIncl 93
IV. GEZONDHEID
1.Risicofactoren
IV.1 Body Mass Index: prevalentie van zwaarlijvigheid (BMI > 30) bij de volwassen
bevolking van 18 jaar en ouder.
Naar geslacht, leeftijd, activiteitsstatus, opleidingsniveau, type huishouden,
inkomensniveau, gewest.
Nationale Indicator
Gezondheidsenquête 2004 - WIV
P revalentie van zw aarlijvigheid (B M I 30+) bij de volw assen bevolking (18 jaar en ouder) naar
opleidingsniveau, B elgië en de gew esten, 2004
25
20
15
%
10
5
0
BE BX FL WA
totaal 12,6 11,8 11,1 15,3
Laag 19,7 17,5 16,4 22,8
M idden 10,6 9,6 9,4 13,3
H oog 6,4 6,9 5,7 8,6
GIV.1
Prevalentie van zw aarlijvigheid (BMI 30+) onder de volw assen bevolking (18 jaar en ouder) naar
inkom ensniveau, België, 2004
18
16
14
12
10
%
8
6
4
2
0
Eerste quintiel Tweede quintiel Derde quintiel Vierde quintiel Vijfde quintiel
2004 16,6 16,2 14,2 12,7 8,5
GIV.2
Werkgroep Indicatoren NAPIncl 94
IV.2 Rookgedrag: percentage zware rokers (+20 sigaretten per dag) in de bevolking van
15 jaar en ouder.
Naar geslacht, leeftijd, activiteitsstatus, opleidingsniveau, type huishouden,
inkomensniveau, gewest.
Nationale Indicator
Gezondheidsenquête - WIV
Percentage zware rokers (20 cigaretten of meer per dag) in de bevolking (15 jaar en ouder) naar
opleidingsniveau, België en de gewesten, 2004
25
20
15
%
10
5
0
BE BX FL WA
totaal 10,2 9,5 8,4 12
laag 13,4 12,9 8,7 16,4
midden 11,2 9,4 10,8 13,1
hoog 5,8 6,9 5,3 5,9
GIV.3
Percentage zware rokers (20cigaretten of meer per dag) in de bevolking (15 jaar en ouder), naar
inkomensniveau, België en de gewesten, 2004
25
20
15
%
10
5
0
BE BX FL WA
eerste quintiel 15,8 13,8 8 23,3
tweede quintiel 11,8 9,7 8,7 16,1
derde quintiel 10,5 9,1 10,2 9,4
vierde quintiel 10,6 9,3 9,6 10,5
vijfde quintiel 7,6 6,5 6,4 10,8
GIV.4
Werkgroep Indicatoren NAPIncl 95
2. Gezondheidstoestand
IV.3 Levensverwachting: aantal jaren dat iemand naar verwachting zal leven,
beginnend bij leeftijd 0, 1 en 60.
Naar geslacht.
Context informatie sociale inclusie+context informatie overkoepelende indicatorenset
Demografische statistieken - Eurostat
Levensverwachting bij geboorte naar geslacht, EU, 2003
90
80
70
60
50
40
30
20
10
0
ES FR IT SE FI BE AT CY DE EL EU 25 LU NL IE MT UK PT SL DK PL CZ SK LT EE HU LV
vrouw 83,6 82,9 82,5 82,5 81,8 81,7 81,6 81,4 81,4 81,3 81,2 81 80,9 80,7 80,7 80,7 80,5 80,4 79,9 78,8 78,7 77,8 77,7 76,9 76,7 75,9
man 76,9 75,9 76,8 77,9 75,1 75,9 75,9 77 75,7 76,5 75,1 75 76,2 75,8 76,7 76,2 74,2 72,6 75,1 70,5 72,1 69,9 66,5 66 68,4 65,7
GIV.5
Werkgroep Indicatoren NAPIncl 96
IV.4 Levensverwachting in goede gezondheid bij geboorte, op 45 en 65 jaar (uitgedrukt
in jaren).
Naar geslacht (en sociaal-economische status)
Context informatie sociale inclusie+overkoepelende indicator
levensverwachting in goede gezondheid bij geboorte voor mannen en vrouwen, België, 1995-2003
70
69
68
67
66
65
64
63
62
61
60
1995 1996 1997 1998 1999 2000 2001 2002 2003
mannen 63,3 64,1 66,5 63,3 66 65,7 66,6 66,9 67,4
vrouwen 66,4 68,5 68,3 65,4 68,4 69,1 68,8 69 69,2
Werkgroep Indicatoren NAPIncl 97
IV.5 Levensverwachting en levensverwachting in goede gezondheid op 25 jaar naar
opleidingsniveau - verschil tussen het laagste en het hoogste opleidingsniveau
(uitgedrukt in jaren).
Naar geslacht en naar gewest.
Nationale indicator
Volkstelling / Rijksregister / Gezondheidsenquête - WIV
Levensverwachting in goede en slechte gezondheid op 25 jaar naar geslacht en
opleidingsniveau, België 1991-1996/1997
70
60
50
40
30
20
10
0
geen diploma/primair hoger onderwijs geen diploma/primair hoger onderwijs
vrouwen mannen
Levensverwachting in slechte gezondheid 26,2 14,5 18,3 8,1
Levensverwachting in goede gezondheid 28,8 43,3 29,8 45,2
GIV.6
Levensverwachting in goede en slechte gezondheid op 25 jaar naar geslacht en
opleidingsniveau, Vlaams Gewest 1991-1996/1997
70
60
50
40
30
20
10
0
geen diploma/primair hoger onderwijs geen diploma/primair hoger onderwijs
vrouwen mannen
Levensverwachting in slechte gezondheid 24,6 10,6 15,6 6,2
Levensverwachting in goede gezondheid 30,8 47,8 33,6 47,7
GIV.7
Werkgroep Indicatoren NAPIncl 98
Levensverwachting in goede en slechte gezondheid op 25 jaar naar geslacht en
opleidingsniveau, Waals Gewest 1991-1996/1997
70
60
50
40
30
20
10
0
geen diploma/primair hoger onderwijs geen diploma/primair hoger onderwijs
vrouwen mannen
Levensverwachting in slechte gezondheid 30,8 17,9 21,1 9,5
Levensverwachting in goede gezondheid 23,4 39 25,1 42,9
GIV.8
Verschil in levensverwachting en in levensverwachting in goede gezondheid (in jaren)
op 25 jaar tussen personen met het laagste en het hoogste opleidingsniveau naar
geslacht, België en de gewesten 1991-1996/1997
20
18
16
14
12
10
8
6
4
2
0
Levensverwachting in Levensverwachting in Levensverwachting in
Levensverwachting Levensverwachting Levensverwachting
goede gezondheid goede gezondheid goede gezondheid
België Vlaams Gewest Waals Gewest
België Vlaams Gewest Waals Gewest
vrouwen 14,5 2,8 17 3 15,6 2,7
mannen 15,5 5,2 14,1 4,7 17,8 6,2
GIV.9
Werkgroep Indicatoren NAPIncl 99
IV.6 Kindersterfte naar socio-professionele categorie van de vader (gehuwde koppels)
Nationale indicator
Statistieken burgerlijke stand - NIS / UCL 18
Mortinataliteit naar socio-professionele categorie van de vader (gehuwde koppels -
per 1000 levend en doodgeborenen), België
10
9
8
7
6
5
4
3
2
1
0
1980-1984 1985-1989 1990-1994
categorie 1 4,91 4 3,16
categorie 2 6,21 5,28 3,99
categorie 3 7,51 5,88 4,82
categorie 4 9,41 8,22 6,21
GIV.10
Categorie 1: vrije, medische, paramedische en soortgelijke beroepen
Categorie 2: onderwijzend personeel en administratieve beroepen
Categorie 3: geschoolde arbeiders, handwerkers en handelaars
Categorie 4: gespecialiseerde arbeiders, handlangers e.d.
18
Godelieve Masuy-Stroobant, Catherine Gourbin, Bernard Masuy Gezondheid, foetale en kindersterfte.
Evolutie van de risicofactoren op regionaal niveau van 1980 tot 1994. In Statistische studiën NIS nr. 107, 2001.
Werkgroep Indicatoren NAPIncl 100
Kindersterfte binnen de 0-6 verstreken dagen naar socio-professionele categorie van
de vader (gehuwde koppels - per 1000 levend geborenen), België
7
6
5
4
3
2
1
0
1980-1984 1985-1989 1990-1994
categorie 1 4,49 3,26 2,57
categorie 2 5,22 3,9 3,02
categorie 3 6 4,24 3,2
categorie 4 6,58 4,98 3,94
GIV.11
Kindersterfte binnen de 7-364 verstreken dagen naar socio-professionele categorie
van de vader (gehuwde koppels - per 1000 levend geborenen), België
8
7
6
5
4
3
2
1
0
1980-1984 1985-1989 1990-1994
categorie 1 4,19 4,12 2,84
categorie 2 4,83 4,62 4,09
categorie 3 5,55 5,36 4,6
categorie 4 7,09 6,19 5,41
GIV.12
Werkgroep Indicatoren NAPIncl 101
IV.7 Eigen gezondheidsbeleving naar inkomensniveau: percentage van de bevolking van
16 jaar en ouder in het laagste en het hoogste quintiel van de equivalente
inkomensverdeling dat zijn gezondheidstoestand als slecht of zeer slecht bestempelt.
Naar leeftijd en geslacht.
Nationale indicator
EU-SILC 2004 - Eurostat
Percentage van de bevolking van 16 jaar en ouder in het laagste en het hoogste inkomenskwartiel
dat zijn gezondheidstoestand als slecht of zeer slecht bestempeld, EU, 2004
60
50
40
%
30
20
10
0
AT BE DK EE ES FI FR GR IE IT LU NO PT SE
eerste kwartiel 38,9 41,2 35,8 37,3 33,7 34 40,1 39,8 55,5 30,8 36,9 27,7 39,2 37,7
vierde kwartiel 17,4 10,6 11,6 8,6 10,7 14,7 17,6 10,1 5,9 15,7 14,3 14,6 13,2 12
GIV.13
Werkgroep Indicatoren NAPIncl 102
Percentage van de bevolking van 16 jaar en ouder in het laagste en het hoogste inkomensquintiel
dat zijn gezondheidstoestand als slecht of zeer slecht bestempelt, België en de gewesten, 2004
20
18
16
14
12
%
10
8
6
4
2
0
BE FL WA
eerste quintiel 14,2 12,2 17,3
vijfde quintiel 4 2,6 7,4
GIV14
Werkgroep Indicatoren NAPIncl 103
IV.8 Percentage van de bevolking dat als depressief gekwalificeerd wordt op basis van
de SCL-90-R subschaal voor depressie (de aanwezigheid van depressie wordt bepaald op
basis van de aanwezigheid van een bepaald aantal symptomen, 13 items (zelf
verklaard)).
Naar geslacht, leeftijd, activiteitsstatus, opleidingsniveau, type huishouden,
inkomensniveau, gewest.
Nationale indicator
Gezondheidsenquête 2004 - WIV
Percentage van de bevolking van 15 jaar en ouder dat als depressief gekwalificeerd wordt op basis
van de SCL-90-R subschaal voor depressie naar geslacht, België en de gewesten, 2004
14
12
10
8
%
6
4
2
0
BE BX FL WA
totaal 7,9 10,4 7,4 9,7
man 5,7 7,3 5,7 6,6
vrouw 9,9 12,9 9 12,5
GIV.15
Werkgroep Indicatoren NAPIncl 104
Percentage van de bevolking van 15 jaar en ouder dat als depressief gekwalificeerd wordt op basis
van de SCL-90-R subschaal voor depressie naar activiteitsstatus, België en de gewesten, 2004
45
40
35
30
25
%
20
15
10
5
0
BE BX FL WA
werkend 5,3 6,6 4,8 6
werkloos 12,1 14 8 16,8
gepensioneerd 10 13,3 9,7 12,3
ziek/invalide 38,2 31,5 34,4 38,1
andere inactieve 6,5 9,3 5 8,3
GIV.16
Percentage van de bevolking van 15 jaar en ouder dat als depressief gekwalificeerd wordt op basis
van de SCL-90-R subschaal voor depressie naar inkomensniveau, België en de gewesten, 2004
25
20
15
%
10
5
0
BE BX FL WA
eerste quintiel 17,9 19,4 14,8 20,3
tweede quintiel 12,2 9,6 11,3 14,5
derde quintiel 7,5 9,8 7 8
vierde quintiel 7,9 8,6 8 8,4
vijfde quintiel 4,7 6,3 5,1 5,9
GIV.17
Werkgroep Indicatoren NAPIncl 105
IV.9 Percentage mensen van 16 jaar en ouder die vanwege ziekte, aandoeningen of
handicaps belemmerd worden in hun dagelijkse bezigheden.
Naar inkomensquintielen, geslacht en leeftijd (0-17, 18-64, 65+)
Naar opleidingsniveau (p.m.), type huishouden, inkomensniveau, gewest.
Context informatie sociale inclusie
EU-SILC 2004 – FOD Sociale Zekerheid (voorheen berekend op Gezondheidsenquête)
Percentage personen van 16 jaar en ouder dat vanwege ziekte, een langdurig gezondheidsprobleem
of handicap gedurende de laatste 6 maanden gehinderd werd in de activiteiten naar geslacht, belgië
en de gewesten, 2004
16
14
12
10
%
8
6
4
2
0
BE FL WA
totaal 10,1 8,6 12,5
man 8,6 7,4 10,2
vrouw 11,1 9,7 14,6
GIV.18
Werkgroep Indicatoren NAPIncl 106
Percentage personen van 16 jaar en ouder die vanwege ziekte, een langdurig gezondheidsprobleem
of handicap gedurende de laatste 6 maanden werden gehinderd in hun activiteiten naar
inkomensniveau, België en de gewesten, 2004
18
16
14
12
10
%
8
6
4
2
0
BE FL WA
eerste quintiel 15,7 14,8 16,7
tweede quintiel 13,5 11,6 16,6
derde quintiel 10,4 9,4 11,7
vierde quitiel 6 4,8 9
vijfde quintiel 5 4,4 6,9
GIV.19
Werkgroep Indicatoren NAPIncl 107
IV.10 Incidentie van tuberculose: het aantal nieuwe gevallen van actieve tuberculose
(m.i.v. recidieven) per 100.000 inwoners.
Naar geslacht, nationaliteit, gewest, provincie en naar de grote steden.
Nationale indicator
Administratieve data – VRGT / FARES
Nieuwe gevallen van TBC per 100.000 inwoners, België en de gewesten, 1995-2004
45
40
35
30
25
20
15
10
5
0
1995 1996 1997 1998 1999 2000 2001 2002 2003 2004
België 13,6 13,3 12,7 11,8 12,4 12,8 12,9 12,7 10,9 11,8
Brussel 34,9 37,4 36,5 32,5 32,0 38,2 36,7 42,6 34,2
Vlaams Gewest 10,7 10,4 9,4 9,2 9,2 9,6 10,2 9,4 9,4
Waals Gewest 12,6 11,6 11,7 10,5 12,6 11,3 12,8 9,8 9,4
GIV.20-2
Nieuwe gevallen van TBC per 100.000 inwoners naar nationaliteit, België
250
200
150
100
50
0
1995 1996 1997 1998 1999 2000 2001 2002 2003
totaal 13,6 13,3 12,7 11,8 12,4 12,8 12,9 12,7 10,9
Belgen 10 9,7 9,4 8,3 8,7 8,1 7,6 6,8 5,5
Niet Belgen 50 47,4 46,1 47,3 51,7 61,9 70,7 78,1 71,5
Niet Belgen uit hoge incidentie landen 110,3 113,9 105,3 111,1 135,1 162,2 190,2 234,4 216,3
GIV.20-1
Werkgroep Indicatoren NAPIncl 108
Nieuwe gevallen van TBC per 100.000 inwoners, Belgische steden met meer dan
100.000 inwoners, 2003
40
35
30
25
20
15
10
5
0
Namur Gent Brugge Liège Charleroi Antwerpen Brussel
2003 6,6 7,5 10,3 18,4 20 24,1 36,1
IV.21
Nieuwe gevallen van TBC per 100.000 Belgische inwoners naar provincie, België 2003
16
14
12
10
8
6
4
2
0
West- Oost- Luxembour Brabant Vlaams- Brussel
Antwerpen Namur Liège Limburg Hainaut
Vlaanderen Vlaanderen g wallon Brabant Hfdst.
2003 2,8 3 4,2 4,3 4,5 4,6 5,1 5,2 5,3 9,2 13,4
IV.22
Werkgroep Indicatoren NAPIncl 109
Nieuwe gevallen van TBC per 100.000 niet Belgische inwoners naar provincie, België
2003
140
120
100
80
60
40
20
0
Brabant Vlaams- Oost- Brussel West-
Hainaut Limburg Namur Liège Luxembourg Antwerpen
wallon Brabant Vlaanderen Hfdst. Vlaanderen
2003 22,8 37 44,1 49 55,4 61,1 64,3 85,5 99,9 105,1 131,1
GIV.23
Werkgroep Indicatoren NAPIncl 110
3. Toegang tot gezondheidszorg - socio-economische gevolgen
IV.11 Screening van kanker: percentage van de vrouwelijke bevolking van 15 jaar en
ouder dat geen baarmoederhals-uitstrijkje liet uitvoeren in de afgelopen drie jaar.
Naar leeftijd, activiteitsstatus, opleidingsniveau, type huishouden, inkomensniveau,
gewest.
Nationale indicator
Gezondheidsenquête 2004 - WIV
Percentage vrouwen (15 jaar en ouder) dat in de afgelopen drie jaar geen baarmoederhals-uitstrijkje
liet uitvoeren naar opleidingsniveau, belgië en de gewesten, 2004
70
60
50
40
%
30
20
10
0
BE BX FL WA
laag 55,7 57,6 62,1 50
midden 39,3 40,8 39,9 37,3
hoog 28,1 23 30,6 30
GIV.24
Werkgroep Indicatoren NAPIncl 111
Percentage vrouwen (15 jaar en ouder) dat in de afgelopen drie jaar geen baarmoederhals-uitstrijke
liet uitvoeren naar inkomensniveau, België en de gewesten, 2004
80
70
60
50
%
40
30
20
10
0
BE BX FL WA
eeste quintiel 62,9 61,7 67,1 63,4
tweede quintiel 54,1 48,1 58,9 46,5
derde quintiel 47,4 43,8 50,8 48,1
vieerde quintiel 38,1 31,3 39,9 39,4
vijfde quintiel 27,4 20,2 32,2 26
GIV.25
Werkgroep Indicatoren NAPIncl 112
IV.12 Percentage mensen dat leeft in huishoudens waar de referentiepersoon en/of enig
ander lid van het huishouden in het voorbije jaar gezondheidszorgen heeft moeten uit-
of afstellen om financiële redenen. Naar inkomensquintiel.
Primaire indicator sociale inclusie+overkoepelende indicator
Naar geslacht, leeftijd, activiteitsstatus, opleidingsniveau, type huishouden, gewest.
Indicator voorheen via andere methode berekend op Gezondheidsenquête, cf. punt 2.2 supra
Gezondheidsenquête 2004 – WIV
Percentage personen dat leeft in een huishouden waar de referentiepersoon en/of enig ander lid in
het voorbije jaar gezondheidszorgen heeft moeten uit- of afstellen om financiële redenen, België en
de gewesten, 2004
8
7
6
5
%
4
3
2
1
0
BE FL WA
uitstel raadpleging doctor/medische ingreep 1,8 1,1 2,7
uitstel raadpleging doctor/medische ingreep EN/OF 4,3 2,5 6,7
tandarts
GIV.26
Werkgroep Indicatoren NAPIncl 113
Percentage personen dat leeft in een huishouden waar de referentiepersoon en/of enig ander lid in
het voorbije jaar gezondheidszorgen heeft moeten uit- of afstellen om financiële redenen, naar
inkomensniveau, België, 2004
12
10
8
%
6
4
2
0
eerste quintiel tweede quintiel derde quintiel vierde quintiel vijfde quintiel
uitstel raadpleging doctor/medische ingreep 5 2,6 1,3 0,1 0,2
uitstel raadpleging doctor/medische ingreep OF 10 6,3 3,5 1,2 0,3
tandarts
GIV.27
Werkgroep Indicatoren NAPIncl 114
Percentage personen (15 jaar +) dat leeft in een huishouden waar de referentiepersoon en/of enig
ander lid in het voorbije jaar gezondheidszorgen heeft moeten uit-of afstellen om financiële
redenen, naar activiteitsstatus, België, 2004
14
12
10
8
%
6
4
2
0
werkend werkloos gepensioneerd invalide/ziek andere inactieve
uitstel raadpleging doctor/medische ingreep 0,8 5,7 0,9 7 2,5
uitstel raadpleging doctor/medische ingreep OF 2,1 11,8 2,5 12,1 5,1
tandarts
GIV.28
Percentage personen dat leeft in een huishouden waar de referentiepersoon en/of enig ander lid
van het huishouden in het voorbije jaar gezondheidszorgen heeft moeten uit- of afstellen om
financiële redenen naar type huishouden, België, 2004
alleenst. ouder, tenminste 1 afh. Kind 10,3
5,1
alleenstaande vrouw, -65 jaar 8,4
3,6
2 volwassenen, 3 of meer afh. kinderen 7,5
1,9
allenstaande man, -65 jaar 6,4
3,1
alle huishoudens met afhankelijke kinderen 5
2,1
alleenstaande man, >= 65 jaar 4,9
1,6
totaal 4,3
1,8
2 volwassenen, 1 afhankelijk kind 3,8
1,9
alle huishoudens zonder afh. kind. 3,5
1,6
2 volw. (geen afh. kind.), beiden<65 jaar 3,4
2,2
andere huishoudens met afh. kinderen 3,3
1,6
2 volwassenen, 2 afhankelijke kinderen 3
1,4
2 volw. (geen afh. kind.), minstens 1 >=65 jaar 2,8
1
alleenstaande vrouw, >= 65 jaar 2,2
1,2
andere huish. zonder afh. Kinderen 1,5
0,1
0 2 4 6 8 10 12
%
uitstel raadpleging doctor/medische ingreep uitstel raadpleging doctor/medische ingreep OF tandarts
GIV.29
Werkgroep Indicatoren NAPIncl 115
V. ONDERWIJS
V.1 Vroegtijdige schoolverlaters die geen onderwijs of opleiding volgen: aandeel van de
totale bevolking tussen 18 en 24 jaar dat ISCED-niveau 2 (lager secundair onderwijs) of
lager heeft bereikt en geen onderwijs of opleiding heeft gevolgd in de vier weken vóór de
Arbeidskrachtenenquête.
Naar geslacht.
Primaire indicator sociale inclusie+overkoepelende indicator
Naar gewest, activiteitsstatus (ILO), nationaliteit.
LFS - Eurostat
Percentage vroegtijdige schoolverlaters (bevolking 18-24 jaar oud) naar geslacht, EU, 2005
50
45
40
35
30
%
25
20
15
10
5
0
EU2
SI PL SK CZ DK SE FI AT LT LV HU IE FR LU BE EL NL EE UK CY IT ES PT MT
5
vrouw 2,8 4 5,7 6,6 7,5 7,9 6,9 8,7 6,2 8,2 11,1 9,6 10,7 13 10,6 9,2 11,2 10,7 13,2 12,7 10,6 17,8 25 30,1 42,8
totaal 4,3 5,5 5,8 6,4 8,5 8,6 8,7 9,1 9,2 11,9 12,3 12,3 12,6 12,9 13 13,3 13,6 14 14 14,9 18,1 21,9 30,8 38,6 44,5
man 5,7 6,9 6 6,2 9,4 9,3 10,6 9,5 12,2 15,5 13,5 14,9 14,6 12,8 15,3 17,5 15,8 17,4 14,7 17,1 26,6 25,9 36,4 46,7 46,2
GV.1
(*) EE vrouwen: onbetrouwbare of onzekere data.
Werkgroep Indicatoren NAPIncl 116
Percentage vroegtijdige schoolverlaters (bevolking 18-24 jaar) naar geslacht,
België, 1995-2005
20
18
16
14
12
%
10
8
6
4
2
0
1995 1996 1997 1998 1999 2000 2001 2002 2003 2004 2005
vrouw 13,5 11 11,2 12,3 12,7 10,2 12,3 9,9 10,8 8,3 10,6
totaal 15,1 12,9 12,7 14,5 15,2 12,5 13,6 12,4 12,8 11,9 13
man 16,6 14,7 14,2 16,7 17,7 14,8 15 14,9 14,7 15,6 15,3
GV.2
LFS – Algemene Directie Statistische en Economische Informatie/Steunpunt WAV
Percentage vroegtijdige schoolverlaters (bevolking 18-24 jaar) naar geslacht, België
en de gewesten, 2005
25
20
15
%
10
5
0
BE BX FL WA
Vrouwen 10,5 18,4 8 12,1
Totaal 12,9 19,4 10,7 14,6
Mannen 15,2 20,4 13,2 17
GV.3
Werkgroep Indicatoren NAPIncl 117
Percentage vroegtijdige schoolverlaters (bevolking 18-24 jaar) naar
activiteitsstatus, België en de gewesten, 2005
60
50
40
%
30
20
10
0
BE BX FL WA
Werkenden (ILO) 16,5 22,3 15,2 18,4
Werkzoekenden (ILO) 29,2 49,2 23,3 28,3
Niet-beroepsactieven (ILO) 6,8 11,3 4,7 8,6
GV.4
Leeswijzer:
16,5% van de werkende 18-24-jarigen in België heeft maximaal een diploma lager secundair onderwijs en volgt
geen opleiding
Percentage vroegtijdige schoolverlaters (bevolking 18-24 jaar) naar nationaliteit,
België, 2005
45,0
40,0
35,0
30,0
25,0
%
20,0
15,0
10,0
5,0
0,0
Belg Niet-EU-25
2005 11,6 39,3
GV.5
Werkgroep Indicatoren NAPIncl 118
V.2 Percentage vroegtijdige schoolverlaters naargelang het hoogst bereikte
onderwijsniveau van de ouders en verschil tussen het percentage vroegtijdige
schoolverlaters onder de kinderen van hoog opgeleide versus kinderen van laag
opgeleide ouders.
Nationale indicator
LFS - Eurostat
Percentage vroegtijdige schoolverlaters (18-24) naar het hoogst bereikte
onderwijsniveau van de ouders, België 2000
30
25
20
15
10
5
0
ISCED 1-2: lager en lager secundair ISCED 3-4: hoger secundair en post-
ISCED 5-6: tertiair onderwijs
onderwijs secundair niet tertiair onderwijs
BE 26 12 3
GV.6
Verschil tussen het percentage vroegtijdige schoolverlaters (18-24) onder de kinderen
van ouders met een laag (ISCED 1-2) en een hoog (ISCED 5-6) opleidingsniveau,
Europese Unie 2000
40
35
30
25
20
15
10
5
0
FI SI SE AT EL SK FR BE IT ES HU
2000 5 7 8 14 14 14 20 23 27 29 35
GV.7
Werkgroep Indicatoren NAPIncl 119
V.3 Percentage personen met een laag opleidingsniveau - ISCED-2 (lager secundair
onderwijs) of lager – in de bevolking van 25 jaar en ouder.
Naar leeftijd en geslacht.
Secundaire indicator sociale inclusie
Naar gewest, activiteitsstatus (ILO), nationaliteit.
LFS - Eurostat
Percentage personen met een laag opleidingsniveau (ISCED2-lager secundair onderwijs of lager) in
de volwassen bevolking (25+), naar leeftijd, EU, 2005
100
90
80
70
60
%
50
40
30
20
10
0
CZ SK PL SI SE FI EE AT LT DK DE HU IE NL FR BE LV CY EU25 UK EL LU IT ES MT PT
25-34 6,1 7,5 8,3 8,6 9,4 10,6 11,5 12,6 12,6 13,1 14,7 15,4 18,3 18,6 19,5 19,9 20,1 20,6 22 22,5 23,1 26,5 33,7 36,7 56,6 57,7
35-44 7 7,5 10,5 16,3 10,5 13,7 4,7 15,7 5,1 15,2 13,8 19,2 30,4 24,2 28,6 28,4 6,8 24,4 27,5 29,2 23,3 36 45,3 46,3 69,3 74,1
45-54 11,7 14,6 16,5 25,3 18,1 24,1 9,0 23,3 7,7 22,7 15,6 24,3 44,5 30,9 40,0 40,5 11,7 42,2 33,4 30,0 46,6 41,6 53,8 59,2 82,9 81,0
55-64 16,7 24,1 30,3 30,3 28,4 41,4 20,3 30,6 31,3 25,3 21,1 39,9 59,9 41,1 49,4 52,7 29,5 60,3 44,2 34,7 66,8 49,5 70,8 74,9 86,6 87,2
65+ 36,5 58,8 58,3 51,3 44,1 70,9 35,7 48,9 70,8 54,4 38,0 72,2 74,9 58,2 74,6 73,1 50,1 78,2 66,1 37,4 83,0 64,3 86,1 88,7 91,9 94,3
GV.8
Percentage personen met een laag opleidingsniveau (ISCED 2-lager secundair onderwijs of lager) in
de volwassen bevolking (25+), naar geslacht, België en de gewesten, 2005
100,0%
90,0%
80,0%
70,0%
60,0%
%
50,0%
40,0%
30,0%
20,0%
10,0%
0,0%
BE BX FL WA
vrouw 46,0% 40,9% 45,6% 48,2%
Totaal 43,40% 38,7% 43,2% 45,3%
man 40,7% 36,2% 40,7% 42,1%
GV.9
Werkgroep Indicatoren NAPIncl 120
Percentage personen met een laag opleidingsniveau (ISCED 2-lager secundair onderwijs of lager),
naar leeftijd, België en de gewesten, 2005
100,0%
90,0%
80,0%
70,0%
60,0%
%
50,0%
40,0%
30,0%
20,0%
10,0%
0,0%
BE BX FL WA
25-34 jaar 19,1% 23,8% 15,6% 23,2%
35-44 jaar 28,2% 31,1% 25,9% 31,5%
45-54 jaar 39,6% 37,2% 38,5% 42,3%
55-64 jaar 51,9% 45,5% 53,3% 50,9%
>64 jaar 73,0% 60,1% 75,0% 73,0%
GV.10
Percentage personen met een laag opleidingsniveau (ISCED-lager secundair onderwijs of lager) in
de volwassen bevolking (25+), naar acitiviteitsstatus, België en de gewesten, 2005
100,0%
90,0%
80,0%
70,0%
60,0%
%
50,0%
40,0%
30,0%
20,0%
10,0%
0,0%
BE BX FL WA
Werkenden 24,4% 22,1% 24,0% 26,0%
Werkzoekenden 44,5% 44,2% 43,1% 45,9%
Niet-beroepsactieven 66,2% 57,3% 67,8% 66,1%
GV.11
Werkgroep Indicatoren NAPIncl 121
Percentage personen met een laag opleidingsniveau (ISCED 2-lager secundair onderwijs of lager) in
de volwassen bevolking (25+) naar nationaliteit, België en de gewesten, 2005
100,0%
90,0%
80,0%
70,0%
60,0%
%
50,0%
40,0%
30,0%
20,0%
10,0%
0,0%
BE BX FL WA
Belg 42,8% 37,2% 43,0% 43,7%
Andere EU-25 48,8% 36,1% 41,8% 60,9%
Niet-EU-25 54,0% 52,6% 56,7% 52,0%
GV.12
Werkgroep Indicatoren NAPIncl 122
V.4 Percentage jongeren in het buitengewoon onderwijs.
Naar gemeenschap, geslacht en onderwijsniveau.
Nationale indicator
Administratieve data Franse Gemeenschap en Vlaamse Gemeenschap
Percentage leerlingen in het buitengewoon onderwijs naar onderwijsniveau, Franse Gemeenschap,
1995-1996/2004-2005
7
6
5
4
%
3
2
1
0
1995 – 1996 1996 – 1997 1997 – 1998 1998 – 1999 1999 – 2000 2000 – 2001 2001 – 2002 2002 - 2003 2003 - 2004 2004 - 2005
Kleuter-onderwijs 0,59 0,62 0,63 0,5 0,61 0,62 0,58 0,62 0,51 0,49
Lager onderwijs 4,04 3,91 3,99 4,06 4,29 4,31 4,49 4,64 4,65 4,81
Basisonderwijs 2,86 2,81 2,9 2,92 3,11 3,12 3,21 3,31 3,25 3,26
Secundair onderwijs 3,62 3,61 3,62 3,56 3,65 3,67 3,75 3,77 3,75 3,78
GV.13
Percentage leerlingen in het buitengewoon onderwijs naar onderwijsniveau, Vlaamse
Gemeenschap, 1995-1996/2004-2005
7
6
5
4
%
3
2
1
0
1995 – 1996 1996 – 1997 1997 – 1998 1998 – 1999 1999 – 2000 2000 – 2001 2001 – 2002 2002 - 2003 2003 - 2004 2004-2005
Kleuter-onderwijs 0,67 0,71 0,73 0,73 0,73 0,71 0,7 0,72 0,73 0,76
Lager onderwijs 5,46 5,54 5,68 5,8 5,92 6,02 6,17 6,24 6,32 6,36
Basisonderwijs 3,63 3,71 3,85 3,97 4,07 4,13 4,23 4,28 4,32 4,36
Secundair onderwijs 3,41 3,47 3,54 3,59 3,66 3,67 3,74 3,76 3,78 3,79
GV.14
Werkgroep Indicatoren NAPIncl 123
Percentage leerlingen in het buitengewoon onderwijs naar onderwijsniveau en geslacht, Franse
Gemeenschap, 2004-2005
7
6
5
4
%
3
2
1
0
kleuter lager secundair
meisjes 0,4 3,61 2,65
totaal 0,49 4,81 3,78
jongens 0,58 5,94 4,87
GV.15
Percentage leerlingen in het buitengewoon onderwijs naar onderwijsniveau en geslacht, Vlaamse
Gemeenschap, 2004-2005
9
8
7
6
5
%
4
3
2
1
0
kleuter lager secundair
meisjes 0,51 4,88 2,93
totaal 0,76 6,36 3,79
jongens 1 7,79 4,61
GV.16
Werkgroep Indicatoren NAPIncl 124
V.5 Percentage jongeren met twee of meer jaar schoolse vertraging.
Naar gemeenschap, naar onderwijsniveau, naar geslacht, naar nationaliteit.
Nationale indicator
Administratieve data Franse Gemeenschap en Vlaamse Gemeenschap
Percentage jongeren met twee of meer jaar schoolse vertraging naar onderwijsniveau, Franse
Gemeenschap, 1995-1996/2004-2005
25,00
20,00
15,00
%
10,00
5,00
0,00
1995-1996 1996-1997 1997-1998 1998-1999 1999-2000 2000-2001 2001-2002 2002-2003 2003-2004 2004-2005
lager onderwijs 2,93 2,79 2,68 2,48 2,48 2,47 2,54 2,55 2,58 2,66
secundair onderwijs 22,10 20,10 19,50 18,30 17,50 17,00 17,30 16,50 16,90 17,93
GV.17
Werkgroep Indicatoren NAPIncl 125
Percentage jongeren met twee of meer jaar schoolse vertraging naar onderwijsniveau, Vlaamse
Gemeenschap, 1995-1996/2004-2005
25
20
15
%
10
5
0
1995-1996 1996-1997 1997-1998 1998-1999 1999-2000 2000-2001 2001-2002 2002-2003 2003-2004 2004-2005
lager onderwijs 1 1 1 1 1,2 1,3 1,4 1,4 1,56 1,52
secundair onderwijs 7,6 7,5 7,6 7,2 6,9 6,7 6,6 6,6 6,55 6,78
GV.18
Percentage jongeren met twee of meer jaar schoolse vertraging in het lager onderwijs naar
nationaliteit, Franse en Vlaamse Gemeenschap, 2004-2005
25,00
20,00
15,00
%
10,00
5,00
0,00
Belgische nationaliteit niet-Belgische nationaliteit Belgische nationaliteit niet-Belgische nationaliteit
Franse gemeenschap Vlaamse gemeenschap
meisjes 1,80 7,86 0,83 10,85
totaal 2,00 8,65 0,86 11,15
jongens 2,30 9,38 0,9 11,43
GV.18bis
Werkgroep Indicatoren NAPIncl 126
V.6 Lage score van leerlingen inzake leesvaardigheid: percentage leerlingen van 15 jaar
oud die niveau 1 of lager scoren op de PISA gecombineerde leesvaardigheidschaal.
Secundaire indicator sociale inclusie
Naar geslacht, naar Gemeenschap.
Programme for International Student Assessment - OESO / Ulg19
PISA is een enquête die 15 jaar oude leerlingen test op de mate waarin ze klaar zijn voor het volwassen leven
door meting van leesvaardigheid en geletterdheid op het vlak van wiskunde en wetenschappen.
Wat leesvaardigheid betreft worden vijf niveaus onderscheiden:
Niveau 1 (335 tot 407 punten)
De leerlingen kunnen enkel de meest eenvoudige leestaken oplossen. Ze kunnen expliciet geformuleerde
informatie in een tekst lokaliseren, kunnen het hoofdthema van een tekst reconstrueren en kunnen een eenvoudig
verband leggen naar algemene, alledaagse kennis.
Niveau 2 (408 tot 480 punten)
Leerlingen kunnen elementaire leestaken tot een goed einde brengen. Ze kunnen één of meerdere stukken
informatie in een tekst terugvinden en kunnen de bedoeling van een deel van een tekst uitleggen wanneer ze
enkel eenvoudige verbanden moeten leggen.
Niveau 3 (481 tot 552 punten)
Leerlingen kunnen verschillende delen van een tekst terugvinden en integreren om een onderliggend idee te
duiden, een verband te begrijpen of de bedoeling van een woord of zin uit te leggen. Ze maken verbanden of
vergelijkingen, geven verklaringen en kunnen de hoofdgedachte van een tekst evalueren.
Niveau 4 (553 tot 626 punten)
Leerlingen kunnen moeilijke leestaken aan, zoals het terugvinden van verdoken informatie in een tekst en het
omgaan met dubbelzinnigheden. Ze kunnen de bedoeling van een onderdeel van een tekst toelichten. Ze
gebruiken formele en algemene kennis om veronderstellingen te formuleren of om een tekst te evalueren.
Niveau 5 (meer dan 626 punten)
Leerlingen kunnen zeer complexe leestaken met een grote hoeveelheid aan tegenstrijdige en verdoken informatie
tot een goed einde brengen. Ze begrijpen dergelijke teksten volledig, kunnen ze kritisch evalueren en formuleren
hypothesen op basis van gespecialiseerde kennis. Ze kunnen omgaan met concepten die tegengesteld zijn aan de
verwachtingen.
Leerlingen die niveau 1 of lager scoren zijn niet noodzakelijk ongeletterd te noemen, maar ze zullen ernstige
problemen hebben in het omgaan met geschreven informatie en dus met alle leerprocessen die gebaseerd zijn op
schriftelijk materiaal. De OESO wijst erop dat leerlingen met zo'n lage score onvoldoende voordeel kunnen
halen uit het beschikbaar opleidingsaanbod en niet de nodige kennis en bekwaamheid kunnen verwerven om dat
in hun toekomstige schoolloopbaan en later nog te doen.
19
Berekening van de resultaten voor de Gemeenschappen door Ariane Baye, SPE, ULg, met de hulp van
Christian Monseur, SPE, ULg.
Werkgroep Indicatoren NAPIncl 127
Percentage leerlingen van 15 jaar oud die niveau 1 of lager scoren op de PISA
gecombineerde leesvaardigheidsschaal, EU-lidstaten die deelgenomen hebben aan
PISA, België en de Gemeenschappen, 2000 en 2003
40,0
35,0
30,0
25,0
20,0
15,0
10,0
5,0
0,0
EU
BE BE BE
FI IE NL SE DK PL FR BE LV CZ 16 HU AT ES PT LU IT SK EL DE UK
FL GR FR
gew
2000 7,0 11,0 9,5 11,6 12,6 17,9 23,2 15,2 19,0 30,1 17,5 19,4 22,7 14,6 16,3 26,3 35,1 18,9 28,2 24,4 22,6 12,8
2003 5,7 11,0 11,5 12,4 13,3 16,5 16,8 17,5 17,8 18,0 19,4 19,8 20,1 20,5 20,7 21,1 22,0 22,7 23,9 24,9 25,1 25,2
GV19
(*) 2000 BE GR en SK en 2003 DE en UK: resultaten niet beschikbaar.
EU16 gew = gewogen gemiddelde van de 16 deelnemende EU-lidstaten
BE GR = Duitstalige Gemeenschap
BE FR = Franse Gemeenschap
BE FL = Vlaamse Gemeenschap
Percentage leerlingen van 15 jaar oud die niveau 1 of lager scoren op de PISA
gecombineerde leesvaardigheidsschaal naar geslacht, België en de Gemeenschappen,
2003
35,0
30,0
25,0
20,0
15,0
10,0
5,0
0,0
België Duitstalige Gemeenschap Franse Gemeenschap Vlaamse Gemeenschap
meisjes 13,0 12,8 17,3 9,8
beide geslachten 17,9 20,1 25,1 12,4
jongens 22,4 27,8 31,9 14,8
GV20
Werkgroep Indicatoren NAPIncl 128
V.7 Verschil tussen de gemiddelde score inzake leesvaardigheid van de 25% meest
bevoorrechte leerlingen (4de quartiel) en deze van de 25% minst bevoorrechte leerlingen
(1ste quartiel). De mate van bevoorrechting wordt gemeten aan de hand van een index
van het socio-professioneel statuut van de ouders.
Nationale indicator
Naar Gemeenschap.
Programme for International Student Assessment - OESO / Ulg20
Verschil tussen de gemiddelde score inzake leesvaardigheid van de 25% meest
bevoorrechte leerlingen (4de quartiel) en deze van de 25% minst bevoorrechte
leerlingen (1ste quartiel) , België en de Gemeenschappen, 2003
600
500
400
300
200
100
0
België Duitstalige Gemeenschap Franse Gemeenschap Vlaamse Gemeenschap
score quartiel 4 562 555 536 581
score quartiel 1 463 452 429 488
verschil quart4-quart1 99 102 108 93
GV.21
20
Berekeningen door Ariane Baye, SPE, ULg, met de hulp van Christian Monseur, SPE, ULg.
Werkgroep Indicatoren NAPIncl 129
V.8 Deelname aan levenslang leren: percentage van de bevolking van 25 tot 64 jaar oud
dat deelgenomen heeft aan een opleiding of training gedurende de vier weken die
voorafgingen aan de Arbeidskrachtenenquête.
Nationale indicator
Naar geslacht, gewest, leeftijd, opleidingsniveau, activiteitsstatus (ILO), nationaliteit.
LFS – Eurostat
Werkgroep Indicatoren NAPIncl 130
P ercentage van de bevolking van 25 tot 64 jaar oud dat deelgenom en heeft aan een opleiding of
training gedurende de vier w eken die voorafgingen aan de Arbeidskrachtenenquête, naar geslacht,
E U , 2005
45
40
35
30
25
%
20
15
10
5
0
se uk dk fi si nl at es eu25 be lu ie fr lv lt it cz ee mt cy pl sk pt hu el
vrouw 39,7 33,9 31 28,6 19,6 16,7 14,6 13,1 11,7 9,7 9,5 9,4 7,9 10 7,6 6,6 6,4 7,5 4,8 6,1 5,6 5,2 4,7 4,8 1,7
totaal 34,7 29,1 27,6 24,8 17,8 16,6 13,9 12,1 10,8 10 9,4 8 7,6 7,6 6,3 6,2 5,9 5,9 5,8 5,6 5 5 4,6 4,2 1,8
m an 29,9 24,2 24,2 21,1 16 16,6 13,2 11,2 10,1 10,3 9,3 6,6 7,4 4,9 4,9 5,7 5,5 4,2 6,7 5,1 4,3 4,7 4,5 3,5 1,9
GV.22
Werkgroep Indicatoren NAPIncl 131
Percentage van de bevolking van 25 tot 64 jaar oud dat deelgenomen heeft aan een opleiding of
training gedurende de vier weken die voorafgingen aan de Arbeidskrachtenenquête naar geslacht,
België, 1995-2005
12
10
8
%
6
4
2
0
1992 1993 1994 1995 1996 1997 1998 1999 2000 2001 2002 2003 2004 2005
vrouw 1,7 2 2,1 2,3 2,5 2,6 3,8 6,1 6 6,9 6,3 8,7 9,3 9,7
totaal 2,3 2,7 2,7 2,8 2,9 3 4,4 6,9 6,8 7,3 6,5 8,5 9,5 10
man 2,8 3,3 3,2 3,3 3,4 3,4 5 7,8 7,6 7,7 6,8 8,3 9,7 10,3
GV.23
(*) Breuk in de serie: Vanaf 1999 wordt de Enquête naar de Arbeidskrachten in België continu georganiseerd.
De gegevens zijn bijgevolg niet vergelijkbaar met de voorgaande jaren.
LFS - NIS / Steunpunt WAV
Percentage van de bevolking van 25 tot 64 jaar oud dat deelgenomen heeft aan een opleiding of
training gedurende de vier weken die voorafgingen aan de Arbeidskrachtenenquête, naar leeftijd,
België en de gewesten, 2005
20,0%
18,0%
16,0%
14,0%
12,0%
%
10,0%
8,0%
6,0%
4,0%
2,0%
0,0%
BE BX FL WA
25-49 10,0% 14,1% 10,8% 7,1%
50-64 5,1% 6,6% 5,9% 3,3%
GV.24
Werkgroep Indicatoren NAPIncl 132
Percentage van de bevolking van 25 tot 64 jaar oud dat deelgenomen heeft aan een opleiding of
training gedurende de vier weken die voorafgingen aan de Arbeidskrachtenenquête, naar
opleidingsniveau, België en de gewesten, 2005
25,0%
20,0%
15,0%
%
10,0%
5,0%
0,0%
BE BX FL WA
laag 3,1% 3,0% 3,7% 2,1%
midden 7,3% 10,9% 7,8% 5,5%
hoog 15,3% 19,7% 16,5% 11,0%
GV.25
Percentage van de bevolking van 25 tot 64 jaar oud dat deelgenomen heeft aan een opleiding of
training gedurende de vier weken die voorafgingen aan de Arbeidskrachtenenquête, naar
activiteitsstatus, België en de gewesten, 2005
20,0%
18,0%
16,0%
14,0%
12,0%
%
10,0%
8,0%
6,0%
4,0%
2,0%
0,0%
BE BX FL WA
werkloos 10,7% 11,8% 14,1% 7,2%
werkend 9,3% 13,0% 10,1% 6,6%
niet economisch actief 5,4% 9,7% 5,6% 3,8%
GV.26
Werkgroep Indicatoren NAPIncl 133
Percentage van de bevolking van 25 tot 64 jaar oud dat deelgenomen heeft aan een opleiding of
training gedurende de vier weken die voorafgingen aan de Arbeidskrachtenenquête, naar
nationaliteit, België en de gewesten, 2005
20,0%
18,0%
16,0%
14,0%
12,0%
%
10,0%
8,0%
6,0%
4,0%
2,0%
0,0%
BE BX FL WA
belg 8,1% 10,9% 9,0% 5,8%
EU25 8,1% 14,1% 9,2% 3,6%
niet EU25 16,2% 15,4% 17,6% 15,2%
GV.27
Werkgroep Indicatoren NAPIncl 134
VI. MAATSCHAPPELIJKE INTEGRATIE EN PARTICIPATIE
1. Netwerken van relaties
VI.1 Frequentie van sociale contacten: percentage personen van 16 jaar en ouder die
minder dan 1 keer per maand vrienden, kennissen of familieleden die niet bij hen
inwonen ontmoeten. Naar geslacht, leeftijd, activiteitsstatus, opleidingsniveau (p.m.),
type huishouden, inkomensniveau, gewest.
Nationale indicator
EU-SILC 2004 – FOD Sociale Zekerheid
P ercentage huishoudens dat thuis geen internetconnectie heeft om w ille van financiële redenen,
naar inkom ensniveau, België en de gew esten, 2004
35
30
25
20
%
15
10
5
0
BE FL WA
eerste quintiel 27 15,9 29,5
tweede quintiel 14,1 11,2 14,7
derde quintiel 10,6 7,9 13
vierde quintiel 6,1 3,7 10,7
vijfde quintiel 3,9 2,1 8
GVI.1
Percentage personen van 16 jaar en ouder die minder dan 1 keer per maand vrienden, kennissen of
familieleden die niet bij hen inwonen ontmoeten, naar inkomensniveau, België en de gew esten,
2004
10
9
8
7
6
%
5
4
3
2
1
0
BE BX FL WA
eerste quintiel 1,5 5,1 1,8 1,3
tweede quintiel 2,5 3 3 1,7
derde quintiel 2,5 2,7 3 1,5
vierde quintiel 1,6 2,4 1,9 1,5
vijfde quintiel 0,7 0,7 0,8 0,8
Werkgroep Indicatoren NAPIncl 135
GVI.2
VI.2 Beperkte omvang van het sociaal netwerk: percentage personen van 15 jaar en
ouder met minder dan drie vrienden of goede kennissen.
Naar geslacht, leeftijd, activiteitsstatus, opleidingsniveau, type huishouden,
inkomensniveau, gewest.
Nationale indicator
Gezondheidsenquête 2004 - WIV
Percentage personen van 15 jaar en ouder die minder dan drie goede vrienden of kennissen
hebben, België en de gewesten, 2004
35
30
25
20
%
15
10
5
0
BE BX FL WA
2004 11,9 14,4 9,7 16,4
GVI.3
Werkgroep Indicatoren NAPIncl 136
Percentage personen van 15 jaar en ouder die minder dan drie goede vrienden of kennissen hebben
naar activiteitsstatus, België en de gewesten, 2004
35
30
25
20
%
15
10
5
0
BE BX FL WA
werkend 11,3 11,3 9 15,5
werkloos 13,3 21,1 8,9 16,2
gepensioneerd 11,7 15,5 9,9 18,9
ziek/invalide 29,7 21,6 28,8 31,6
andere inactieve 11,1 16,8 8,7 14,9
GVI.4
Percentage personen van 15 jaar en ouder die minder dan drie goede vrienden of kennissen
hebben, naar opleidingsniveau, België en de gewesten, 2004
35
30
25
20
%
15
10
5
0
BE BX FL WA
laag 16,1 21,3 11,8 23,5
midden 11,6 16,2 10 13,7
hoog 8,3 7,9 6,9 12,3
GVI.5
Werkgroep Indicatoren NAPIncl 137
Percentage personen van 15 jaar en ouder die minder dan drie goede vrienden of kennissen hebben
naar inkomensniveau, België en de gewesten, 2004
35
30
25
20
%
15
10
5
0
BE BX FL WA
eerste quintiel 18,6 23,2 13,1 26,3
tweede quintiel 19,3 21,8 15,6 23,8
derde quintiel 12,7 14,5 11,2 15,3
vierde quintiel 11,3 11,2 9,1 14,7
vijfde quintiel 7,7 7,3 7,5 10,2
GVI.6
Werkgroep Indicatoren NAPIncl 138
VI.3 Zwakke instrumentele sociale ondersteuning: percentage personen van 15 jaar en
ouder die niet kunnen rekenen op buren, familie of vrienden om te helpen in geval van
onverwachte nood, om een probleem op te lossen of indien ze nood hebben aan een
gesprek.
Naar geslacht, leeftijd, activiteitsstatus, opleidingsniveau, type huishouden,
inkomensniveau, gewest.
Nationale indicator
Gezondheidsenquête - WIV
Deze indicator heeft betrekking op de mogelijkheid steun te krijgen van zijn omgeving in geval van nood. Hij is
gebaseerd op drie vragen:
· SO.03. Zou u op buren, vrienden, familie kunnen rekenen, als u onverwachts hulp nodig zou
hebben?
· SO.04. Is er in uw omgeving of in uw familie iemand die u in vertrouwen kan nemen, met wie u
vrijuit over uw problemen kan praten?
· SO.05. Is er in uw omgeving of in uw familie iemand die u kan helpen, als u een probleem heeft?
Om de indicator op te bouwen, worden de antwoorden op de drie vragen gecodeerd (1="ja") en (0="neen"),
daarna opgeteld en opgesplitst in twee groepen met als grenswaarde 3]: een score van [0, 1, 2] wordt
beschouwd als een ‘zwakke’ ondersteuning, een score van [3] als een ‘sterke’ ondersteuning.
GVI.7 : niet beschikbaar
GVI.8 : niet beschikbaar
GVI.9 : niet beschikbaar
GVI.10 : niet beschikbaar
Werkgroep Indicatoren NAPIncl 139
VI.4 Zwakke functionele sociale ondersteuning: percentage personen van 15 jaar en
ouder die niet kunnen genieten van een kwalitatief hoogstaande ondersteuning, d.w.z.
een sociale omgeving die een geheel van rollen kan spelen: instrumentele (tastbare hulp),
informele (raadgeving), emotionele (een luisterend oor, empathie), recreatieve
(ontspannende, verstrooiende activiteiten) en/of affectieve rollen (liefde).
Naar geslacht, leeftijd, activiteitsstatus, opleidingsniveau, type huishouden,
inkomensniveau, gewest.
Nationale indicator
Gezondheidsenquête - WIV
Deze indicator is gebaseerd op een vraag die is opgebouwd rond een schaal over ontvangen functionele steun
(MOS: "Medical Outcome Study Social Support Survey") die 19 items omvat die de gepercipieerde
beschikbaarheid van 4 functionele categorieën van sociale ondersteuning in kaart brengen: de emotionele
ondersteuning, de instrumentele en de affectieve ondersteuning en de positieve interactie.
SO.09. Mensen doen soms een beroep op anderen voor het gezelschap, voor hulp of voor andere
vormen van steun. Hoe vaak kan u rekenen op de volgende vormen van steun als u er nood
aan heeft?
01. Iemand die u helpt indien u het bed moet houden
02. Iemand op wie u kan rekenen wanneer u iemand nodig heeft om tegen te praten
03. Iemand van wie u goede raad kan krijgen rond een probleem
04. Iemand die u naar de dokter kan brengen als u die nodig heeft
05. Iemand die u liefde en affectie geeft
06. Iemand met wie u een fijne tijd kan beleven
07. Iemand van wie u informatie kan krijgen om een situatie te begrijpen
08. Iemand die u kan vertrouwen of waarmee u over uzelf en uw problemen kan praten
09. Iemand die u knuffelt
10. Iemand met wie u zich kan ontspannen
11. Iemand die uw maaltijden klaar maakt, indien u dit zelf niet kan doen
12. Iemand wiens advies u echt wilt
13. Iemand die u kan helpen om uw zinnen te verzetten
14. Iemand die u helpt met het dagelijks werk, indien u ziek bent
15. Iemand met wie u uw meest intieme angsten en problemen kan delen
16. Iemand op wie u een beroep kan doen voor advies omtrent een persoonlijk probleem
17. Iemand met wie u iets aangenaam mee kan doen
18. Iemand die uw problemen begrijpt
19. Iemand die van u houdt en die op u gesteld is
Hierop gebaseerd kan een globale score berekend worden die een indicatie zou zijn voor de kwaliteit van de
sociale ondersteuning. Voor ieder item wordt een code toegekend die correspondeert met het gegeven antwoord;
van 1= ‘nooit’ tot 5=’altijd’. Voor iedere bevraagde persoon wordt het gemiddelde voor de 19 items berekend.
Dit gemiddelde – dat varieert tussen 1 en 5 wordt daaropvolgend opgesplitst in twee groepen met [3] als
grenswaarde, dat wil zeggen van [1 tot 2,49] – versus – [2,50 tot 5]. Op deze wijze wordt een onderscheid
gemaakt tussen mensen die weinig ondersteuning krijgen uit hun omgeving (score van [1 tot 2,49], wat afgerond
(1 en 2) overeenkomt met de antwoorden 1= “nooit” en 2 =”zelden” ondersteuning) en zij die kunnen rekenen
op een ‘sociale ondersteuning van een goede kwaliteit’ (score van [2,50 tot 5]: waarbij de afgeronde waarden
(3, 4, 5) overeenkomen met de antwoorden 3="soms", 4="vaak" of 5="altijd".
Werkgroep Indicatoren NAPIncl 140
Percentage personen van 15 jaar en ouder die niet kunnen genieten van een kwalitatief
hoogstaande instrumentele, informele, emotionele, recreatieve en/of affectieve steun, België en de
Gewesten, 2004
35
30
25
20
%
15
10
5
0
BE BX FL WA
2004 8,4 11,2 6,5 12
GVI.11
Percentage personen van 15 jaar en ouder die niet kunnen genieten van een kwalitatief
hoogstaande instrumentele, informele, emotionele, recreatieve en/of affectieve steun, naar
activiteitsstatus, België en de gewesten, 2004
35
30
25
20
%
15
10
5
0
BE BX FL WA
werkend 6,5 6,6 5,2 10,2
werkloos 11,2 12,6 8,7 15,3
gepensioneerd 11,8 17,5 9,1 14,1
ziek/invalide 19 32,7 15,7 17,3
andere inactieve 7,4 9 3,4 12,8
GVI.12
Werkgroep Indicatoren NAPIncl 141
Percentage personen van 15 jaar en ouder die niet kunnen genieten van een kwalitatief
hoogstaande instrumentele, informele, emotionele, recreatieve en/of affectieve steun naar
opleidingsniveau, België en de gewesten, 2004
35
30
25
20
%
15
10
5
0
BE BX FL WA
laag 12,5 18,4 9,6 15,6
midden 8 12,4 5,9 12,3
hoog 4,3 5,2 3,1 7,5
GVI.13
Percentage personen van 15 jaar en ouder die niet kunnen genieten van een kwalitatief
hoogstaande instrumentele, informele, emotionele, recreatieve en/of affectieve steun, naar
inkomensniveau, België en de gewesten, 2004
35
30
25
20
%
15
10
5
0
BE BX FL WA
eerste quintiel 15,1 16,9 12,2 17,3
tweede quintiel 11,5 19,6 9,4 11,3
derde quintiel 10 11 9,4 12,1
vierde quintiel 9,5 9,3 6 14,5
vijfde quintiel 3,7 4,3 3,8 5,3
GVI.14
Werkgroep Indicatoren NAPIncl 142
2. Deelname aan het sociale en culturele leven
VI.5 Percentage personen van 16 jaar en ouder die in de loop van het vorig jaar geen enkele
van volgende vrijetijdsactiviteiten ontplooiden:
- naar de bioscoop gaan;
- naar sportmanifestaties gaan;
- op café gaan;
- op restaurant gaan;
- naar een dancing of discotheek gaan;
- bowling/snooker spelen.
Naar geslacht, leeftijd, activiteitsstatus, opleidingsniveau (p.m.), type huishouden,
inkomensniveau, gewest.
VI.6 Percentage personen van 16 jaar en ouder die in de loop van het vorig jaar geen enkele
van volgende culturele activiteiten ontplooiden:
- naar concerten of muziekevenementen gaan;
- naar tentoonstellingen of musea gaan;
- naar lezingen of voordrachten gaan.
Naar geslacht, leeftijd, activiteitsstatus, opleidingsniveau (p.m.), type huishouden,
inkomensniveau, gewest.
Indicatoren anders bevraagd in EU-SILC 2004
Percentage personen van 16 jaar en ouder dat niet deelneemt aan sportieve activiteiten,
recreatieve activiteiten (jeugdbeweging, gepensioneerdenbond, vrije tijdsverenigingen)
of artistieke activiteiten (muziek, theater, fotografie, tekenen, beeldhouwen, schilderen).
Nationale indicator
EU-SILC 2004 - FOD Sociale Zekerheid
Werkgroep Indicatoren NAPIncl 143
Percentage personen onder de bevolking van 16 jaar en ouder dat niet deelneemt aan sportieve,
recreatieve of artistieke activiteiten, België en de gewesten, 2004
80
70
60
50
%
40
30
20
10
0
BE FL WA
2004 62,1 56,8 70,2
GVI.15
Percentage personen onder de bevolking van 16 jaar en ouder dat niet deelneemt aan sportieve,
recreatieve of artistieke activiteiten, naar inkomensniveau, België en de gewesten, 2004
90
80
70
60
50
%
40
30
20
10
0
BE FL WA
eerste quintiel 75,3 68,8 81,7
tweede quintiel 70,2 66,1 76,6
derde quintiel 62,6 57,9 68,5
vierde quintiel 54,4 51 60,6
vijfde quintiel 48,4 44,8 60,1
< 60% van het mediaan inkomen 76,3 70,3 81,5
>= 60% van het mediaan inkomen 59,7 55,1 67,9
GVI.16
Werkgroep Indicatoren NAPIncl 144
Percentage personen dat niet deelneemt aan sportieve, recreatieve of artistieke activiteiten, naar
leeftijd, België en de gewesten, 2004
100
90
80
70
60
%
50
40
30
20
10
0
BE FL WA
16-24 50,9 49 50,5
25-49 59,4 53,5 68,1
50-64 64,6 58,2 76,2
65-74 72,2 66,8 82,6
75+ 77,5 70,6 87
GVI.17
Percentage personen van 16 jaar en ouder dat niet deelneemt aan sportieve, recreatieve of
artistieke activiteiten, naar activiteitsstatus, België en de gewesten, 2004
90
80
70
60
50
%
40
30
20
10
0
BE FL WA
At work 55,8 51,2 64
Unemployed 72,4 63,8 79,7
retired 72 65,8 82,8
other inactive 63,1 58,6 68,2
GVI.19
Werkgroep Indicatoren NAPIncl 145
VI.7 Percentage personen in huishoudens die zich niet één week vakantie, weg van thuis
kunnen veroorloven.
Naar gewest en naar inkomensniveau.
Nationale indicator
EU-SILC 2004 – FOD Sociale Zekerheid
Percentage personen in huishoudens die zicht niet kunnen veroorloven om jaarlijks een week op
vakantie te gaan
80
70
60
50
%
40
30
20
10
0
BE FL WA
eerste quintiel 55,7 38,3 70,4
tweede quintiel 41,3 30,2 56,1
derde quintiel 26,2 18,3 37,6
vierde quintiel 14,2 8,9 24
vijfde quintiel 6 3,3 12,1
totaal 28,7 18,3 42,3
GVI.20
P ercentage personen in huishoudens die zich geen w eek vakantie kunnen veroorloven, B elgië, 2004
huishouden m et kinderen, W I=1 17,7
huishouden m et kinderen, 0,5<W I<1 34
huishouden m et kinderen, 0<W I<0,5 52,8
huishouden m et kinderen, W I=0 75,7
huishouden zonder kinderen, W I=1 14,5
huishouden zonder kinderen, 0<W I<1 21,7
huishouden zonder kinderen, W I=0 39,9
0 10 20 30 40 50 60 70 80
%
GVI.21
Werkgroep Indicatoren NAPIncl 146
3. Toegang tot nieuwe technologieën
VI.8 Percentage huishoudens met een internetconnectie thuis.
Naar gewest.
Nationale indicator
EU-SILC 2004 – FOD Sociale Zekerheid
Percentage huishoudens dat thuis over een internetconnectie beschikt, EU, 2005
90
80
70
60
50
%
40
30
20
10
0
nl dk se lu de uk fi be eu25 si at ie ee it es cy lv pt pl sk el hu cz lt
2005 78 75 73 65 62 60 54 50 48 48 47 47 39 39 36 32 31 31 30 23 22 22 19 16
GVI.22
Percentage huishoudens dat thuis geen internetconnectie heeft omwille van financiële redenen,
naar inkomensniveau, België en de gewesten, 2004
35
30
25
20
%
15
10
5
0
BE FL WA
eerste quintiel 27 15,9 29,5
tweede quintiel 14,1 11,2 14,7
derde quintiel 10,6 7,9 13
vierde quintiel 6,1 3,7 10,7
vijfde quintiel 3,9 2,1 8
GVI.23
Werkgroep Indicatoren NAPIncl 147
Percentage huishoudens dat thuis geen internetconnectie heeft omwille van financiële redenen,
naar opleidingsniveau, België en de gewesten, 2004
35
30
25
20
%
15
10
5
0
BE FL WA
laag 16 10,9 19,4
midden 12,4 7,4 16,3
hoog 5,7 2,8 8,4
GVI.24
Werkgroep Indicatoren NAPIncl 148
Bijlage: Instanties en personen die een bijdrage hebben geleverd aan de
indicatorenbijlage
Namen deel aan de discussie in de plenaire vergaderingen van de Werkgroep Indicatoren:
POD Maatschappelijke Integratie Josée Goris, Sophie Molinghen, Marie
Perdaens, Anja Claeys, Mireille Martens
HIVA-KULeuven Ides Nicaise, Ann Morissens, Rembert de
Blander
GREPA Asbl. Claire De Schaetzen
Observatoire du Crédit et de l’Endettement Olivier Jérusalmy, Frédéric Rottier, Séverine
Vanderbeck
Studiedienst van de Vlaamse Regering Peter Anaf, Marc Callens
Federaal Planbureau Jean-Maurice Frère
IWEPS Anne-Cathérine Guio
Observatorium voor Gezondheid en Welzijn Truus Roesems, Peter Verduyckt
Brussel
Steunpunt tot bestrijding van armoede, Henk Van Hooteghem, Henk Termote
bestaansonzekerheid en sociale uitsluiting
Instituut voor de Gelijkheid van Vrouwen en Hildegard Van Hove
Mannen
Algemene Directie Statistische en Vicky Truwant, Geneviève Geenens, Patrick
Economische Informatie-FOD Economie Lusyne (EU-SILC)
Wetenschappelijk Instituut voor Stefaan Demarest
Volksgezondheid
Centrum voor Sociaal Beleid Herman Sarah Carpentier, Karel Van den Bosch
Deleeck (UA)
Ministerie van de Vlaamse Gemeenschap, Isabelle Erauw
Departement Onderwijs
Ministerie van de Vlaamse Gemeenschap, Veerle Geurts
AHROM, afdeling Woonbeleid
Communauté Française, DG Enseignement Christelle Ladavid
Obligatoire
Belgian Disability forum Véronique Duchenne
Observatoire Social Européen Ramon Peña-Casas
Werkgroep Indicatoren NAPIncl 149
Voor de indicatorenset 2006 werd een bijzondere bijdrage geleverd door volgende instanties
en personen:
In het kader van de Subwerkgroep
Analyse:
IWEPS (inkomen): Anne-Cathérine Guio
HIVA (KULeuven) (onderwijs) Ann Morissens
Observatorium voor Gezondheid en Truus Roesems, Peter Verduyckt
Welzijn Brussel (gezondheid)
Steunpunt tot bestrijding van armoede, Henk Van Hooteghem
bestaansonzekerheid en sociale uitsluiting
Instituut voor de Gelijkheid van Vrouwen Hildegard Van Hove
en Mannen
Voor de aanlevering van gegevens:
De Algemene Directie Statistische en Vicky Truwant, Geneviève Geenens,
Economische Informatie Patrick Lusyne (EU-SILC), Anja
Termote (EAK)
Wetenschappelijk Instituut voor Stefaan Demarest
Volksgezondheid
Centrum voor Sociaal Beleid Herman Sarah Carpentier
Deleeck (UA)
Ministerie van de Vlaamse Isabelle Erauw
Gemeenschap, Departement Onderwijs
Ministerie van de Vlaamse Veerle Geurts
Gemeenschap, AHROM, afdeling
Woonbeleid
Communauté Française, DG Christelle Ladavid
Enseignement Obligatoire
Ministère de la Région wallonne Sébastien Fontaine
Direction de la Qualité de l'Habitat
(Division du Logement)
Steunpunt WAV Annick Van Woensel
Vlaamse Vereniging voor Respiratoire
Gezondheidszorg en
Tuberculosebestrijding
Nationale Bank van België,
Kredietcentrale
Werkgroep Indicatoren NAPIncl 150
Related docs
Get documents about "