Nationaal Actieplan Sociale Insluiting 2003-2005

Document Sample
scope of work template
							Belgisch strategisch verslag inzake sociale bescherming en
                      sociale inclusie
                    Plan d’Action National Inclusion Sociale
         __________________________________________________________


                 I N D I C A T O R E N


 Indicatoren ter ondersteuning het domein ‘sociale insluiting’ en het ‘overkoepelend
domein’ van het Nationaal Rapport inzake strategieën voor sociale insluiting en sociale
                                    bescherming



                                   September 2006
Inhoudstafel
Deel 1: Toelichting bij de indicatoren (p3)

   I.     De indicatoren na de stroomlijning van de Open Methode van Coördinatie
          (p3)
   II.    Gegevensbronnen en de overgang van het European Community Household
          Panel naar de EU-Statistics on Income and Living Conditions (p5)
          1. Internationale vergelijkbaarheid (p5)
          2. Overgang van ECHP naar EU-SILC (p5)
          2.1. de inkomensdefinitie (p6)
          2.2. Wijzigingen in de bevraging van specifieke indicatoren (p6)
          2.3. Enkele belangrijke veranderingen in het opzet, de gegevensverzameling
              en –verwerking (p8)
   III. Samenstelling en presentatie van de indicatorenset (p9)

Deel 2: Analyse van de indicatoren (p12)

Deel 3: De indicatoren (p21)
    0. Contextinforamtie niet bereikte bevolkingsgroepen (p21)
    I. Inkomen (p25)
    II. Arbeid (p62)
    III. Huisvesting (p81)
    IV. Gezondheid (p94)
    V. Onderwijs (p116)
    VI. Maatschappelijke integratie en participatie (p135)
Bijlage: Instanties en personen die een bijdrage hebben geleverd aan de
          indicatorenbijlage (p150)




                              Werkgroep Indicatoren NAPIncl                            2
Introductie

De Europese Top van Lissabon (2000) heeft aanleiding gegeven tot de constructie van een set
van indicatoren die moet toelaten om beleidsmaatregelen op het vlak van sociale inclusie te
ondersteunen en de vooruitgang op dit vlak te observeren. In België werd voor het eerst een
indicatorenbijlage uitgewerkt bij het Nationaal Actieplan sociale inclusie (NAPincl.) 2001-
2003. Deze indicatorenbijlage werd sindsdien jaarlijks geactualiseerd. Dit document bevat de
geactualiseerde indicatoren voor 2006. Het dient ter ondersteuning van het Nationaal Rapport
inzake Strategieën voor Sociale Bescherming en Sociale Inclusie.


Deel 1: Toelichting bij de indicatoren

I. De indicatoren na de stroomlijning van de Open Methode van
Coördinatie
Op de lentetop van maart 2006 legde de Raad van de Europese Unie het kader vast voor een
voor een stroomlijning van de verschillende luiken Ingevolge de beslissing van de Raad van
de Europese Unie (2005) moeten de lidstaten in september 2006 voor het eerst
gestroomlijnde strategieën op het vlak van sociale bescherming en sociale insluiting voor de
periode 2006-2008 indienen bij de Europese Commissie. Deze nieuwe werkwijze houdt in
dat de bestaande Open Methode van Coördinatie (OMC) op het vlak van ‘sociale inclusie’ en
‘pensioenen’ en de prille OMC op het vlak van ‘gezondheid en lange termijn zorg’ worden
ingepast in een globale strategische aanpak van sociale insluiting en van de modernisering van
de sociale bescherming. Deze gestroomlijnde aanpak vindt zijn neerslag in het Nationaal
Rapport inzake strategieën voor sociale insluiting en sociale bescherming. Binnen dit
gestroomlijnd proces blijven de drie bestaande domeinen zichtbaar als afzonderlijke
onderdelen, met eigen doelstellingen en indicatoren, maar worden ingepast in een ruimer
geheel van overkoepelende indicatoren en doelstellingen.

De stroomlijning van de OMC heeft ook aanleiding gegeven tot een aantal wijzingen op het
vlak van de indicatoren, vooral wat de structuur van de set betreft. Voorheen was de
indicatorenset voor de OMC sociale inclusie ingedeeld in primaire indicatoren, die de essentie
van een probleemaspect vatten en secundaire indicatoren, die bijkomende informatie
aanleverden t.o.v. de primaire indicatoren. Beiden waren gebaseerd op een op EU-niveau
overeengekomen methodologie. Daarnaast bevatte de set ook nationale indicatoren, welke
vanuit de nationale context als relevant werden aanzien, maar niet op een gezamenlijke
methode berustten. Los hiervan werden indicatoren ontwikkeld voor de OMC pensioenen, en
werd een aanvang gemaakt met de ontwikkeling van indicatoren voor de OMC ‘gezondheid
en lange termijn zorg’.

Binnen de nieuwe gestroomlijnde OMC sociale inclusie en sociale bescherming wordt globaal
onderscheid gemaakt tussen vier ‘indicator portfolio’s’: een portfolio voor elk van de drie
domeinen en een portfolio ‘overkoepelende indicatoren’. Binnen elke portfolio wordt
onderscheid gemaakt tussen:

   -   Gemeenschappelijk overeengekomen EU-indicatoren, welke bijdragen tot een
       internationaal vergelijkbare inschatting van de mate van vooruitgang in de realisatie



                               Werkgroep Indicatoren NAPIncl                                   3
       van de gemeenschappelijke objectieven. Deze indicatoren kunnen verwijzen naar
       sociale ‘outcomes’, intermediare sociale ‘outcomes’ of naar ‘ouputs’.
   -    Gemeenschappelijk overeengekomen nationale indicatoren, gebaseerd op
       gemeenschappelijk overeengekomen definities en veronderstellingen. Deze
       indicatoren leveren essentiële informatie om de vooruitgang van lidstaten in te
       schatten met betrekking tot zekere doelstellingen, maar zijn niet noodzakelijk geschikt
       voor directe internationaal vergelijkende analyse of hebben niet noodzakelijk een
       duidelijke normatieve interpretatie. Deze indicatoren zijn in eerste instantie gericht op
       de meeting van beleidsinterventies. De Commissie wijst erop dat deze indicatoren
       samen met de relevante achtergrondinformatie moeten geïnterpreteerd worden (juiste
       definitie, veronderstellingen, representativiteit)
   -    Contextinformatie: deze indicatoren leveren de contextinformatie waarbinnen de
       bovenstaande indicatoren moeten worden geïnterpreteerd.


Binnen elke portfolio wordt bovendien onderscheid gemaakt tussen een beperkt aantal
primaire indicatoren, als een gecondenseerde set van leidende indicatoren die de essentiële
dimensies van de objectieven dekken of de sociale toestand van essentiële subpopulaties
belichten en secundaire indicatoren, die de primaire indicatoren ondersteunen door meer
inzicht te geven in de aard van een problematiek.

De indicatoren voor de monitoring op het domein van sociale inclusie zijn grotendeels
gebaseerd op de bestaande set ‘Laken-indicatoren’. Ook het methodologisch kader is in
essentie hetzelfde gebleven. De lijst die op EU-niveau, binnen het Sociaal
Beschermingscomité en zijn Indicatoren subgroep, werd overeengekomen bevat 11 primaire
indicatoren, 3 secundaire indicatoren en 11 context indicatoren. De primaire lijst bevat enkel
de indicatoren die het belangrijkst werden geacht om de verschillende dimensies van armoede
en sociale uitsluiting te beschrijven. Enkele indicatoren die voorheen bij de primaire
indicatoren werden ingedeeld, werden nu secundaire indicatoren. Sommige Laken
indicatoren werden ook opgenomen in de overkoepelende portfolio, ofwel omdat zij meer
geschikt werden geacht om de algemene sociale cohesie te monitoren (in dit geval werden ze
in de sociale insluitings-portfolio enkel behouden als contextinformatie), ofwel omdat ze
werden geacht noodzakelijk te zijn om zowel de algemene sociale cohesie (en/of de interactie
met werkgelegenheid en groei) als sociale uitsluiting en armoede te monitoren (in dit geval
werden ze weerhouden in beide portfolios). Enkele indicatoren werden als overbodig
beschouwd en werden uit de lijst geweerd: persistente armoede berekend met een
armoederisiconorm van 50% van de mediaan, het aandeel lange termijn werklozen binnen de
werklozenpopulatie en de zeer lange termijn (>=2 jaar) werkloosheid.
Globaal kan gesteld worden dat de stroomlijning heeft geleidt tot de aanvang van een
geïntegreerde ‘indicatorenset sociale bescherming en sociale inclusie’. De set moet evenwel
gezien worden als ‘work in progress’. Op de domeinen pensioenen, en a fortiori, ‘gezondheid
en lange termijn zorg’ moet nog belangrijk werk worden geleverd op het vlak van
indicatorontwikkeling, maar ook op het domein ‘sociale inclusie’ zijn er nog steeds
belangrijke dimensies die niet of niet adequaat door een indicator worden gedekt.

Voor de Belgische indicatorenset ‘sociale inclusie’ werd, mede doordat de voorstellen inzake
de EU-indicatoren slechts laat in het proces werden beslist, uitgegaan van de bestaande set.
Dit betekent dat naast de EU-indicatoren, ook de puur nationale indicatoren, die in het kader
van de Werkgroep Indicatoren NAPincl. werden ontwikkeld, werden geactualiseerd, evenals
bovenvermelde indicatoren die op Europees niveau niet meer werden weerhouden.


                               Werkgroep Indicatoren NAPIncl                                   4
II. Gegevensbronnen en de overgang van het European Community
Household Panel naar de EU-Statistics on Income and Living Conditions
Een aantal indicatoren is gebaseerd op administratieve gegevens. De meeste indicatoren
echter zijn gebaseerd op gegevens die afkomstig zijn van enquêtes bij een ruime steekproef
van de Belgische bevolking. Voor de indicatoren rond werkgelegenheid en werkloosheid
wordt voornamelijk beroep gedaan op de Enquête naar de Arbeidskrachten (EAK) van de
Algemene Directie Statistische en Economische Informatie1, voor de indicatoren rond
gezondheid kon een beroep worden gedaan op de nieuwe de nieuwe Gezondheidsenquête
2004 van het Wetenschappelijk Instituut voor de Volksgezondheid (WIV).

Voor de inkomensgerelateerde indicatoren werd in het verleden een beroep gedaan op het
European Community Household Panel (ECHP). Deze, Europees gecoördineerde, enquête
werd evenwel stopgezet in 2001. In het kader van het Lissabon-proces werd dan in 2004 de
EU-Statistics on income and living conditions (EU-SILC) opgestart. De EU-SILC is
gebaseerd op een Europese Verordening, waarin de doelstellingen en modaliteiten werden
vastgelegd, en wordt Europees gecoördineerd door Eurostat, het statistisch bureau van de
Europese Commissie. Voor België wordt de EU-SILC uitgevoerd door de ADSEI. Voor de
interpretatie van de indicatoren gebaseerd op de EU-SILC moeten een aantal opmerkingen
voor ogen worden gehouden. We overlopen hier de voornaamste aandachtspunten.


1. Internationale vergelijkbaarheid


In 20042 werd de EU-SILC gestart in 13 lidstaten: België, Denemarken, Estland, Griekenland,
Spanje, Frankrijk, Ierland, Italië, Luxemburg, Oostenrijk, Portugal, Finland en Zweden3. De
andere lidstaten starten in 20054. Om internationale vergelijkingen voor 2004
(inkomensreferentiejaar 2003) mogelijk te maken werden voor de landen die later starten
bestaande datasets zoveel mogelijk geharmoniseerd met de EU-SILC. Het feit dat EU-SILC
nog niet voor alle landen beschikbaar was houdt een zekere bepreking van de
vergelijkbaarheid in. Ondanks de harmonisatie van de nationale datasets met EU-SILC is het
mogelijk dat de positie van de lidstaten in de diverse rangordes enigszins kan worden
beïnvloed door dit verschil in databron.


2. Overgang van ECHP naar EU-SILC

Met de overgang van ECHP naar EU-SILC zijn een aantal wijzigingen in de organisatie van
de gegevensverzameling en verwerking en in de aard van de verzamelde gegevens gepaard
gegaan.




1
  Voorheen Nationaal Instituut voor de Statistiek (NIS)
2
  België, Denemarken, Griekenland, Ierland, Luxemburg, Oostenrijk, evenals Noorwegen, hebben reeds in 2003
een eerste gegevensverzameling georganiseerd.
3
  Ook Noorwegen en IJsland hebben zich hierbij aangesloten
4
  Turkije, Roemenië, Bulgarije en Zwitserland zullen zich later aansluiten


                                   Werkgroep Indicatoren NAPIncl                                         5
2.1. de inkomensdefinitie

In vergelijking met de ECHP inkomensdefinitie werden het EU-SILC bruto en beschikbaar
inkomen en de verschillende inkomenscomponenten geherdefinieerd om zo strikt mogelijk de
internationale aanbevelingen van de VN 'Canberra Handleiding' te kunnen volgen. Een
sleutelobjectief van EU-SILC is robuuste en vergelijkbare data te produceren over het totaal
beschikbaar huishoudinkomen, het totaal beschikbaar inkomen vóór overdrachten (behalve
ouderdoms- en overlevingsuitkeringen; inclusief ouderdoms- en overlevingsuitkeringen) en
het totaal bruto inkomen op het niveau van de componenten (in het ECHP werden de
inkomenscomponenten netto geregistreerd).

Volgende nieuwe componenten van het beschikbaar inkomen werden in het EU-SILC
inkomensconcept geïntroduceerd5:

- overdrachten naar andere huishoudens (in het ECHP werden enkel overdrachten ontvangen
van andere huishoudens in aanmerking genomen);
- bijbetalingen of terugstortingen van personenbelasting (alleen belastingen die aan de bron
werden ingehouden werden in aanmerking genomen in het ECHP);
- vermogensbelastingen;
- niet cash inkomen van werknemers: bedrijfswagen (andere componenten van niet cash
inkomen worden vanaf 2007 opgenomen)

Bovendien houdt EU-SILC rekening met negatieve waarden van het inkomen van
zelfstandigen die in het ECHP op nul gebracht werden.

De inhoud van sommige variabelen is ook gewijzigd en de inkomensreferentieperiode is meer
flexibel.

2.2. veranderingen in de bevraging van specifieke indicatoren

De wijze waarop de basisinformatie voor sommige indicatoren werd bevraagd in EU-SILC
wijkt af van deze in ECHP. Dit is het geval voor volgende indicatoren:

III.1.: Percentage van de bevolking dat             De vraagstelling is verschillend in EU-
leeft in een woning gehuurd van een                 SILC en ECHP en is inhoudelijk niet
overheids-, of gemeenschapsinstelling.              geheel overlappend aangezien de EU-
                                                    SILC vraag ook peilt naar huur aan
                                                    verlaagde prijs op de private huurmarkt

                                                    Vraagstelling EU-SILC: ‘Bent U
                                                    eigenaar (…) van de woning of huurt U
                                                    deze?: ik ben eigenaar (…)/ik ben
                                                    huurder (…) aan de marktprijs/ ik ben

5
  Vanaf 2007 zullen nog bijkomende inkomenscomponenten worden opgenomen:
- interesten betaald op hypothecaire leningen;
- geïmputeerde huur;
- niet-cash inkomen van werknemers, andere dan bedrijfswagens;
- waarde van goederen geproduceerd voor eigen consumptie;
- werkgeversbijdragen voor de sociale zekerheid (afhankelijk van de uitkomst van haalbaarheidsstudies).



                                     Werkgroep Indicatoren NAPIncl                                        6
                                            huurder (…) aan een lagere prijs dan de
                                            marktprijs/ik woon kosteloos
                                            Vraagstelling ECHP (voor huurders):
                                                1. ‘Wie is eigenaar van deze
                                                    woning: een overheids- of
                                                    gemeenschapsinstelling/de
                                                    werkgever van een lid van het
                                                    huishouden/een privé persoon of
                                                    firma’
                                                2. ‘Geniet u van een sociaal
                                                    huurtarief’
III.7: huisvestingsproblemen:- een          De problemen: ‘lekkend dak’, ‘schimmel/
lekkend dak;- geen adequate                 vocht’, ‘rottende ramen/deuren’ werden
verwarming;- schimmel en vocht;-            in EU-SILC in 1 globale vraag bevraagd.
rottende ramen en deuren. en                In ECHP werden deze in 3 aparte items
III.5 (synthese-indicator                   bevraagd. De vraagstelling naar de mate
huisvestingsproblemen)                      waarin de woning adequaat kan worden
                                            verwarmd is zowel in ECHP als in EU-
                                            SILC een aparte vraag, maar de
                                            formulering is niet identiek:
                                            EU-SILC: ‘kan U uw woning voldoende
                                                       verwarmen?’
                                            ECHP: in een reeks vragen naar
                                                       gebreken aan de woning wordt
                                                       gevraagd of deze ‘moeilijk te
                                                       verwarmen is’
IV.8. Percentage mensen van 16 jaar en      Voorheen berekend op
ouder die vanwege ziekte, aandoeningen      Gezondheidsenquête, voor dit document
of handicaps belemmerd worden in hun        berekend op EU-SILC
dagelijkse bezigheden.

IV.11. Percentage mensen dat leeft in     Voorheen berekend op
huishoudens waar de referentiepersoon     Gezondheidsenquête, voor dit document
en/of enig ander lid van het huishouden   berekend op EU-SILC. De bevraging in
in het voorbije jaar gezondheidszorgen    de Gezondheidsenquête is veel
heeft moeten uit- of afstellen om         gedetailleerder dan deze in EU-SILC, het
financiële redenen.                       geen leidt tot lagere percentages in EU-
                                          SILC.
VI.5: percentage personen (16+) die in de Deze twee indicator werden in EU-SILC
loop van vorig jaar geen enkele van een   1 globale vraag bevraagd. De inhoud van
aantal vrijetijdsactiviteiten ontplooiden de vraagstelling overlapt bovendien niet
(naar bioscoop gaan, naar                 volledig met deze van de ECHP-
sportmanifestaties gaan, op café gaan, op bevraging.
restaurant gaan, naar een dancing of      Vraagstelling EU-SILC: ‘neemt u
discotheek gaan, bowling/snooker spelen) buitenshuis deel aan sportieve
en                                        activiteiten, recreatieve activiteiten
VI.6: percentage personen (16+) die in de (jeugdbeweging, gepensioneerdenbond,
loop van vorig jaar geen van een aantal   vrije tijdsverenigingen) of artistieke
culturele activiteiten ontplooiden (naar  activiteiten (muziek, théater, fotografie,
concerten of muziekevenementen gaan,      tekenen, beeldhouwen, schilderen)?’


                               Werkgroep Indicatoren NAPIncl                           7
naar tentoonstellingen of musea gaan,        (antwoordmogelijkheden:ja, minstens 1
naar lezingen of voordrachten gaan)          maal per week/ja, minstens 1 maal per
                                             maand/ ja, iedere 2 à 3 maand/ja
                                             ongeveer 1 maal per jaar/ja, zelden/neen)
                                             Vraagstelling ECHP: Voor elk van de in
                                             de indicatoren vermelde items
                                             (bioscoopbezoek, concerten, …) werd
                                             aan de respondent gevraagd of hij/zij die
                                             het voorbije jaar nooit, zelden, enkele
                                             keren per jaar, maandelijks of wekelijks
                                             deed

                                             Ingevolge deze wijziging werden beide
                                             indicatoren samengevoegd tot één
                                             indicator

Verder zullen enkele indicatoren pas opnieuw kunnen worden berekend nadat de EU-SILC
enkele jaren loopt. Het betreft hier de indicatoren I.6. (Armoederisicopercentage gemeten
met een in de tijd verankerde armoederisicogrens) en I.7. (Blijvend armoederisicopercentage
(60% van de mediaan): percentage personen met een equivalent beschikbaar inkomen lager
dan 60% van het mediaan nationaal equivalent inkomen in het lopend jaar en in minstens twee
van de drie voorafgaande jaren)


2.3. Enkele belangijke veranderingen in het opzet, de gegevensverzameling en -verwerking

- organisatie
Het ECHP werd georganiseerd door twee universitaire teams van Universiteit Antwerpen en
Université de Liège die respectievelijk instonden voor de organisatie van de enquête in
Vlaanderen (UA) en Wallonië en Brussel (ULg). De EU-SILC wordt georganiseerd voor
België door de Algemene Directie Statistische en Economische Informatie van de FOD
Economie.

- survey-design

Het ECHP was een volledige panel-enquête, d.w.z. dat een zelfde staal van personen en
huishoudens jaar na jaar opnieuw werd bevraagd. De EU-SILC heeft een roterend panel-
design, dit houdt in dat elk jaar een substeekproef, ¼ van de totale steekproef, niet opnieuw
wordt bevraagd en wordt vervangen door een nieuwe substeekproef. ¾ van de huishoudens
wordt wel opnieuw bevraagd. Op deze wijze blijven de huishoudens telkens 4 jaar in het
panel, waarna ze worden vervangen.

- gegevensverzameling
In het kader van de ECHP werden de gegevens verzameld middels papieren vragenlijsten.
Voor de EU-SILC wordt gebruik gemaakt van CAPI.

- gegevensverwerking
In het kader van de ECHP verliepen een aantal aspecten van de gegevensverwerking (routines
om de data uit te zuiveren, imputaties voor ontbrekende waarden, weging voor non-response)
gecentraliseerd bij Eurostat. In het kader van EU-SILC werd ervoor geopteerd om de


                                Werkgroep Indicatoren NAPIncl                                   8
gegevensverwerking meer gedecentraliseerd door te laten verlopen door de instellingen die de
gegevens verzamelen. In België gebeurt dit door de Algemene Directie Statistische en
Economische Informatie.


III. Samenstelling en presentatie van de indicatorenset

De indicatorenset wordt samengesteld op basis van de werkzaamheden van de Werkgroep
Indicatoren NAPincl., onder coördinatie van de FOD Sociale Zekerheid, DG Sociaal Beleid.
De Werkgroep is een open werkgroep die de verantwoordelijke administraties op Federaal,
Gewestelijk en Gemeenschapsniveau, de universitaire onderzoekscentra, het Europees Sociaal
Observatorium, het Steunpunt Armoedebestrijding en diverse andere actoren regelmatig bij
elkaar brengt (zie bijlage voor een overzicht van de instanties en personen die een bijdrage
hebben geleverd bij het tot stand komen van de indicatorenbijlage).

Voor de indicatorenset bij het Nationaal Rapport sociale bescherming en sociale insluiting
2006-2008 werd ervoor geopteerd om geen wijzigingen aan te brengen aan de indicatorenset
op zich. Wel werd een subwerkgroep gestart rond de ontwikkeling van een indicator inzake
problematische schulden.

Voor de presentatie van de indicatoren werd ervoor geopteerd om de indeling van vorige
indicatorenbijlagen aan te houden.

Gezien de omvang van het verzamelde cijfermateriaal enerzijds en de gekozen
voorstellingswijze door middel van grafieken anderzijds is het niet mogelijk alle resultaten in
deze bijlage te publiceren6. De beschrijving van de indicatoren geeft telkens aan welke
resultaten berekend werden. Vaak wordt slechts een selectie ervan in grafiek weergegeven.

Voor een aantal indicatoren gebaseerd op de Arbeidskrachtenenquête is er een (meestal
beperkt) verschil tussen de resultaten berekend door Eurostat en de resultaten voor België en
de gewesten berekend door instellingen in België. Deze verschillen zijn over het algemeen te
wijten aan het feit dat Eurostat resultaten berekent op basis van cijfers met betrekking tot het
tweede kwartaal, terwijl in België met de jaargemiddelden wordt gewerkt.




6
 Voor de niet gepubliceerde resultaten kan men zich wenden tot het secretariaat van de Werkgroep Indicatoren
NAPIncl (DG Sociaal Beleid - FOD Sociale Zekerheid).


                                    Werkgroep Indicatoren NAPIncl                                              9
Gebruikte afkortingen

BMI:         Body Mass Index
CSB:         Centrum voor Sociaal Beleid- Herman Deleeck
ECHP:        European Community Household Panel
EU-SILC      European Statistics on Income and Living Conditions
FARES:       Fondation contre les Affectations Respiratoires et pour l'Education à la Santé
FOD:         Federale Overheidsdienst
HIVA         Hoger Instituut voor de Arbeid
ILO:         International Labour Organisation
ISCED:       International Standard Classification of Education
IWEPS:       Institut Wallon de l'Evaluation, de la Prospective et de la Statistique
KKP:         Koopkrachtpariteiten
KULeuven     Katholieke Universiteit Leuven
LFS:         Labour Force Survey - Arbeidskrachtenenquête
LMP:         Labour Market Policies
NAP:         Nationaal Actieplan
NIS:         Nationaal Instituut voor de Statistiek
NUTS:        Nomenclature of Territorial Units for Statistics
OESO:        Organisatie voor Economische Samenwerking en Ontwikkeling
PISA:        Programme for International Student Assessment
PSBH:        Panel Studie van Belgische Huishoudens
STASIM:      Statisch Simulatiemodel
UA           Universiteit Antwerpen
UCL:         Université Catholique de Louvain
VRGT:        Vlaamse Vereniging voor Respiratoire Gezondheidszorg en Tuberculosebestrijding
              v.z.w.
WAV:         Werkgelegenheid, Arbeid en Vorming
WHO:         World Health Organization
WIV:         Wetenschappelijk Instituut Volksgezondheid




                              Werkgroep Indicatoren NAPIncl                                   10
Lidstaten van de Europese Unie

EU25: gemiddelde van de 25 lidstaten van de Europese Unie
EU15: gemiddelde van de 15 oude lidstaten van de Europese Unie
NMS10: gemiddelde van de 10 nieuwe lidstaten van de Europese Unie
BE:     België
CZ:    Tsjechie
DK:    Denemarken
DE:    Duitsland
EE:    Estland
EL:    Griekenland
ES:    Spanje
FR:    Frankrijk
IE:    Ierland
IT:    Italië
CY:    Cyprus
LV:    Letland
LT:    Litouwen
LU:    Luxemburg
HU: Hongarije
MT:    Malta
NL:    Nederland
AT:    Oostenrijk
PL:    Polen
PT:    Portugal
SI:    Slovenië
SK:    Slowakije
FI:    Finland
SE:    Zweden
UK:    Groot-Brittannië




                                 Werkgroep Indicatoren NAPIncl      11
DEEL 2: Analyse van de indicatoren
Inleiding
In dit deel worden de resultaten weergegeven van een eerste beschrijvende analyse van de indicatoren
voor het NAPIncl. 2006-2008. De meeste indicatoren hebben betrekking op 2004 of 2005. Het
referentiejaar voor de inkomensgegevens is 2003. De set omvat indicatoren op zes domeinen die
samen een beeld geven van de multidimensionaliteit van de problematiek van armoede en sociale
uitsluiting.

Er weze opgemerkt dat de steekproefomvang van sommige databronnen op het niveau van de
Gewesten beperkt is. Dit heeft tot gevolg dat voor de cijfers op dit niveau een vrij grote statistische
foutenmarge in rekening moet worden gebracht. Dit geldt in sterke mate voor Brussel. De cijfers
voor dit Gewest moeten enkel als een ruwe indicatie worden begrepen. Voorts moet voor ogen
worden gehouden dat sommige vormen van extreme armoede niet door de indicatorenset worden
gevat.

Vanuit de Werkgroep Acties wordt voorgesteld om ‘Diversiteit en activering’, ‘kinderarmoede’ en
‘private huur’ als prioritaire aandachtspunten voor het NAPincl. 2006-2008 naar te weerhouden.
Achteraan deze synthesetekst wordt getracht om de informatie die rond deze thema’s in de
indicatorenset beschikbaar is te groeperen. Het is niet de ambitie om met deze bijdragen de
respectievelijke thema’s op een exhaustieve manier te onderbouwen. Wegens een gebrek aan
adequate gegevens werd geen aparte bijdrage rond ‘private huur’ opgenomen.

Inkomen
In 2004 bedroeg de armoederisicograad in België 15%, in Vlaanderen 11% en in Wallonië 18%.
Ondanks de zwakke betrouwbaarheid van de schatting voor Brussel, kan gesteld worden dat Brussel
de regio is met de hoogste armoederisicograad (27%). De verschillen tussen Vlaanderen enerzijds en
Wallonië en Brussel anderzijds zijn statistisch significant.

Het armoederisicopercentage voor België ligt iets onder het Europees gemiddelde (16%). De
armoederisicogrens (60% van het mediaan beschikbaar inkomen) voor België bedraagt 9325 euro
(777euro/maand). Dit komt neer op 120% van het gemiddelde van de Europese armoedegrenzen, en
plaatst België onder de 7 rijkste landen. Deze grens is hoger dan een aantal minimumuitkeringen,
vooral voor koppels7

De sociale uitkeringen spelen een belangrijke rol in de strijd tegen armoede. Het armoederisico voor
transfers (alle transfers behalve pensioenen) bedraagt 28% voor België, 32% voor Wallonië en 23%
voor Vlaanderen (indien enkel de werkloosheidsuitkeringen worden afgetrokken van het inkomen
bedraagt het armoederisico 20% voor België , 15% in Vlaanderen en 24% in Wallonië). Indien men
de procentuele reductie van het armoederisico dankzij de sociale uitkeringen (exclusief pensioenen)
berekent bekomt men 46% voor België en Wallonië (50% voor Vlaanderen). Dit is meer dan het

7
  Netto minimum uitkeringen en netto minimumloon in % van de armoederisicogrens (60% mediaan), 2003
                         alleenstaande      koppel              Koppel, 2          Éénoudergezin, 2
                                                               kinderen            kinderen
Min. pensioen            107                89
werknemers
Min.                     100                83                 82                  105
inivaliditeitsuitkering,
werknemers
Minimum                  91                 72                 73                  91
werkloosheidsuitkering
Bijstand                 75                 67                  69                 91
minimumloon              131                98                 84                  106
Bron: Stastim-CSB/UA


                                   Werkgroep Indicatoren NAPIncl                                          12
Europees gemiddelde (38% voor EU25), maar minder dan dat dit het geval is in de Scandinavische
landen.
De analyse van de armoede volgens de kenmerken van de huishoudens of individuen laat toe de
kwetsbare groepen te identificeren. Op deze wijze kan vastgesteld worden dat:
- de positie op de arbeidsmarkt, zowel op het niveau van het individu als op het niveau van het
huishouden, determinerend is ter verklaring van de verschillen in armoederisico
    • Het verschil in armoederisico tussen werkenden enerzijds en werklozen en andere economisch
        inactieven anderzijds is in België, ook in vergelijking met andere EU-lidstaten, zeer groot.
        Het al dan niet hebben van werk beïnvloed het armoederisico met een factor 6.
    •   Het verschil in armoederisico naar de werkintensiteit van het huishouden is eveneens zeer
        groot in België. Het zeer hoge armoederisico van huishoudens zonder werk is zorgwekkend.
- Kinderen worden geconfronteerd met een iets hoger armoederisico dan de totale bevolking, wat
vooral veroorzaakt wordt door de precaire leefomstandigheden van éénoudergezinnen en huishoudens
zonder werk met kinderen.
- Aan het andere uiteinde van de leeftijdspyramide hebben ook ouderen een verhoogd armoederisico,
vooral indien zij alleenstaand zijn, maar ook koppels (dit in tegenstelling tot een aantal andere
Europese landen)
- Het armoederisico voor huurders is dubbel zo hoog als dat van eigenaars. Indien dit hoge risico op
inkomensarmoede gecombineerd wordt met de vaststelling dat woonkosten sterk gestegen zijn, kan
besloten worden dat de leefomstandigheden van een belangrijke groep huurders zeer precair is.
- niet-Europeanen hebben eveneens een sterk verhoogd armoederisico
- Het armoederisico van personen met een lage opleiding is 50% hoger dan het globale armoedecijfer.

Voor de profielschets van de groep met een armoederisico is naast het armoederisico, ook de omvang
van de groep van belang. Zo blijkt de groep personen met een gezinsinkomen onder de
armoederisicogrens voornamelijk te bestaan uit EU-burgers (90%), personen die geen betaalt werk
hebben (86%), vrouwen (54%), personen in huishoudens met kinderen (53%), personen met een laag
onderwijsniveau (53%) en woningeigenaars (53%).

Ondanks deze grote verschillen in armoederisico tussen diverse bevolkingscategorieën, kan ook
geconstateerd worden dat:

    -   de globale inkomensongelijkheid relatief beperkt is in België, en lager is dan het Europees
        niveau. De inkomensongelijkheid situeert zich in Vlaanderen en Wallonië op een
        vergelijkbaar niveau (in Brussel is zij hoger)
    -   De mate waarin personen met een armoederisico zich onder de armoederisicogrens bevinden
        (de ‘diepte’ van de armoede), is vergelijkbaar met het Europees niveau. Dit geldt ook voor de
        verschillende regio’s afzonderlijk.
De totale geaggregeerde armoederisicokloof bedraagt voor België iets meer dan 4 miljard euro (2,5%
van het nationaal inkomen)

Eind 2005 zijn 343.020 personen met een betalingsachterstand geregistreerd bij de Centrale voor
Kredieten aan Particulieren van de Nationale Bank van België. Dit betekent opnieuw een lichte daling
ten opzichte van 2004 (-1,9%). Daar waar de daling tussen 2003-2004 zich situeerde bij personen met
1 tot 3 achterstanden en er een toename was voor personen met 4 of meer achterstanden, is er in 2005
in al deze categorieën een lichte daling. Het aandeel van personen met een betalingsachterstand in de
totale meerderjarige bevolking blijft constant op 4,2%. Er blijven op dit vlak grote regionale
verschillen bestaan, met de arrondissementen Tielt (2,0%) en Turnhout (2,1%) enerzijds en Charleroi
(8,5%) en Mons (6,9%) als extremen.




                                  Werkgroep Indicatoren NAPIncl                                       13
Werk
Werk is de beste bescherming tegen armoede. Dit blijkt in België nog meer te gelden dan in de meeste
andere lidstaten. Het percentage werkende armen behoort tot de laagste binnen de EU25 (4% in
België tegenover 8% voor de EU25).

Huishoudens zonder betaald werk daarentegen, werden in 2003 geconfronteerd met een hoog
armoederisico. Vooral voor huishoudens met kinderen leidt de afwezigheid van betaald werk tot
hogere armoederisico’s dan in de meeste andere EU15-lidstaten. In België heeft 70% van deze
huishoudens een inkomen onder de armoederiscogrens, tegenover 68% in de EU15.
Ondanks het feit dat werk in België doorgaans een goede inkomensbescherming biedt, moet worden
vastgesteld dat een niet verwaarloosbare proportie van de werkenden (4%) toch een armoederisico
loopt. Werk volstaat dus niet altijd om armoede te vermijden, dit tengevolge van een precaire
werksituatie of van een ontoereikend loon in verhouding tot de behoeften van het huishouden.
Alleenstaande ouders, huishoudens met meerdere kinderen en personen met een niet-EU25
nationaliteit hebben een verhoogd armoededrisico ondanks werk. Tijdelijke contracten en, vooral,
deeltijd werk leiden in beperkte mate tot een verhoogd armoederisico. In 2003 had 14% van de
personen onder de armoedegrens werk als voornaamste activiteit.

Gelet op het belang van betaald werk, zowel als kanaal waarlangs integratie in de samenleving zich
kan voltrekken, als in financieel opzicht, is de toegang tot werk van zeer groot belang. In 2005 lag de
werkgelegenheidsgraad in België met 60,3% onder het EU25-gemiddelde (63,3%). De indicatoren
bevestigen de belangrijke onderparticipatie aan werk van specifieke groepen. Zo ligt de
werkgelegenheidsgraad van personen met een niet EU25-nationaliteit 27 procentpunten onder deze
van EU25-burgers. De werkgelegenheidsgraad van laaggeschoolden ligt 20 procentpunten lager dan
deze van de totale bevolking en de werkgelegenheidsgraad van personen met een handicap ligt 17
procentpunten onder deze van de totale bevolking. De globale langdurige werkloosheidsgraad
bedraagt 4,4%8. Alleenstaanden ( 8%), personen met een lagere scholing (8%) en vooral alleenstaande
ouders (14%) en personen met een nationaliteit van buiten de EU25 (20%) hebben een sterk
verhoogde kans op langdurige werkloosheid.

Meer dan in de meeste EU-lidstaten het geval is, is er in België een concentratie van niet betaalde
arbeid op huishoudniveau. Het aandeel van personen die leven in een huishouden zonder betaald werk
was in België in 2005 het op één na hoogste in de EU25 (13% tegenover 10% voor EU25). Het is
opmerkelijk dat een duidelijke toename van de vrouwelijke werkgelegenheidsgraad (van 44,6% in
1992 naar 52,6% in 2004), niet gepaard is gegaan met een afname van het percentage huishoudens
zonder betaald werk. Mogelijks heeft deze toename zich voornamelijk voorgedaan in huishoudens
waar reeds betaald werk aanwezig was9. Voor sommige groepen zijn wellicht specifieke maatregelen
vereist voor de begeleiding naar werk. Gelet op het hoge armoederiscopercentage voor personen die
leven in een huishouden zonder werk blijft ook aandacht voor de inkomensbescherming belangrijk.

Tenslotte moet worden vastgesteld dat er grote verschillen bestaan tussen de Gewesten op het vlak van
langdurige werkloosheid en inzake het aandeel van huishoudens zonder betaald werk, waarbij
Wallonië en Brussel een veel ongunstiger beeld vertonen dan Vlaanderen. Zo bedraagt het percentage
kinderen dat leeft in een huishouden zonder werk 7% in Vlaanderen, 20% in Wallonië en 24% in
Brussel10

8
  Volgens de definitie van werkloosheid van het Internationaal Arbeidsbureau
9
  Bijkomende gegevens zijn nodig om deze hypothese (reeds vastgesteld in andere lidstaten) te ondersteunen
10
   Uit gegevens van de Kruispuntbank Sociale Zekerheid blijkt dat 31% van de Brusselse kinderen (0-17 jaar) in
2002 leefde in een huishouden zonder inkomen uit arbeid. Deze cijfers zijn niet volledig vergelijkbaar aangezien
zij op een verschillende soort gegevens gebaseerd zijn. De gegevens van de Kruispuntbank zijn administratieve
gegevens, terwijl de andere gegevens gebaseerd zijn op een enquête. De administratieve gegevens zijn in
statistisch opzicht betrouwbaarder, maar hebben als ‘nadeel’ dat zij enkel de administratieve realiteit weergeven.
De enquêtegegevens zijn statistisch minder betrouwbaar, maar sluiten mogelijks dichter aan bij de feitelijke
realiteit.



                                      Werkgroep Indicatoren NAPIncl                                           14
Huisvesting
Uit de opsplitsing van het armoederisico naar eigendomsstatus van de woning (eigenaar of huurder)
blijkt dat huurders een veel hoger armoederisico lopen dan eigenaars (27% tegenover 11%), hetgeen
wijst op een globaal zwakkere inkomenspositie van huurders.

Uit vroeger onderzoek is gebleken dat er in de loop van de jaren ’90 een belangrijke stijging is
geweest van de kostprijs van de huisvesting, wat vooral voor de zwakkere sociale categorieën die een
woning huren op de private huurmarkt heeft geleid tot een situatie waarbij zij genoodzaakt waren om
een zeer groot deel van het gezinsbudget aan huisvesting te besteden. Bij gebrek aan een adequaat
alternatief wordt de NAPincl-indicator rond woonkost berekend op de Gezinsbudgetenquête, wat gelet
op de beperkte omvang en grote uitval van deze enquête geen ideale situatie is om betrouwbare
uitspraken over evoluties of risicocategorieën op te baseren. In 2003 besteedt 33% van de huurders
met een inkomen onder de mediaan meer dan één derde van het budget van het huishouden aan huur.
Daarmee ligt dit op hetzelfde niveau als op de vorige meetmomenten (2000 en 2001). Nog uit vroeger
onderzoek is gebleken dat de problemen rond de betaalbaarheid van de huisvesting zich vooral
situeren bij personen die een woning huren op de private huurmarkt.

De kwaliteit van de huisvesting blijkt voor niet EU-25 personen in veel gevallen problematisch te zijn.
Ook de huisvestingssituatie van huishoudens met kinderen en een lage werkintensiteit lijkt dikwijls
problematisch. Deze categorie blijkt meer dan de totale bevolking te wonen in woningen met twee of
meerdere structurele problemen of met een gebrek aan ruimte. Zwakke sociale categorieën
(alleenstaande ouders, werklozen, zieken/invaliden) lijken over het algemeen meer dan globaal te
wonen in woningen met twee of meer gebreken, evenals bewoners van een huurwoning.

Brusselse huishoudens worden veel meer dan huishoudens uit andere gewesten geconfronteerd met
een ruimtegebrek (17% tegenover ongeveer 4% voor de andere gewesten). Waalse en Brusselse
huishoudens (23%) wonen meer in woningen met een structureel gebrek dan Vlaamse huishoudens
(14%).

Sinds 1995 is het aantal sociale huurwoningen in percentage van het totaal aantal huishoudens
constant gebleven, op goed 6%. Dit geldt voor de drie Gewesten. In Vlaanderen ligt het aandeel wel
iets lager (5%) dan in Wallonië en Brussel (7%). In de drie Gewesten bestaan er lange wachtlijsten.
Het aantal huishoudens op wachtlijsten, in verhouding tot het aantal beschikbare woningen, ligt in
2004 zeer hoog in Brussel (77%). Voor Wallonië bedraagt dit 48%. Voor Vlaanderen bedraagt het
‘uitgezuiverd’ 43% in 200511. Voor Vlaanderen en Wallonië kan sinds eind jaren ’90 een stijgende
tendens vastgesteld worden.


Gezondheid
De levensverwachting van de Belgen blijft stijgen en de kindersterfte blijft dalen. Door de veroudering
van de bevolking, de verbetering van de behandelingen en de veranderingen van levensstijl worden
chronische ziekten (cardiovasculaire aandoeningen, diabetes, kankers, depressie, …) de belangrijkste
uitdaging zowel voor preventie als voor de zorgverlening.
De sociale ongelijkheid inzake gezondheid blijft echter aanzienlijk. Voor de meeste
gezondheidsindicatoren is er duidelijk een sociale gradiënt aanwezig. De gemiddeld goede Belgische
indicatoren zijn bijgevolg het gemiddelde van een zeer goede gezondheid van de meer welstellende
bevolking en de eerder slechte gezondheid van de armere bevolking.

De indicatoren bevestigen aldus het bestaan van belangrijke ongelijkheden op het vlak van de
gezondheidstoestand, het gezondheidsgedrag en de toegang tot de gezondheidszorg. Bij dit laatste



11
  Gelet op het feit dat de uitzuivering tweejaarlijks plaatsvindt zijn er voor 2004 geen vergelijkbare gegevens
beschikbaar.


                                      Werkgroep Indicatoren NAPIncl                                               15
aspect moet evenwel worden opgemerkt dat nog verdere indicatorontwikkeling vereist is om dit
adequaat in kaart te brengen.

De sociale verschillen in gezondheidstoestand en –gedrag manifesteren zich op zo goed als alle
indicatoren: kindersterfte, subjectieve inschatting van de gezondheid, de mate van belemmeringen in
de dagelijkse bezigheden ten gevolge van ziekte, depressie, overgewicht, rookgedrag, participatie in
screening van baarmoederhalskanker. Uit vroeger onderzoek, gebaseerd op gegevens verzameld tussen
1991 en 1997, kan men concluderen dat mensen met een laag opleidingsniveau (geen diploma of enkel
lager onderwijs) in België niet alleen korter leven (vrouwen: 2,8 jaar; mannen 5,2 jaar) maar ook veel
minder lang in goed ervaren gezondheid leven (vrouwen 14,5 jaar; mannen 15,5 jaar) dan hoog
opgeleiden (diploma hoger onderwijs).

Voorts manifesteren zich ook op het domein Gezondheid belangrijke verschillen tussen de Gewesten,
waarbij de indicatoren wijzen op een betere gezondheidstoestand van de bevolking in Vlaanderen dan
in Brussel en vooral Wallonië. Deze gezondheidsverschillen hangen waarschijnlijk nauw samen met
de parallelle sociale ongelijkheden. Opvallend is het verschil in levensverwachting bij geboorte tussen
Vlaamse en Waalse mannen. Op basis van transversale sterftetafels, waarop de levensverwachting
gebaseerd is, hadden Vlaamse mannen in 2003 een levensverwachting van bijna 77 jaar tegenover
bijna 74 jaar voor Waalse mannen. Dit verschil is, in EU-15 context, zeer groot. Alle ‘oude’ lidstaten
situeren zich rond het EU15 gemiddelde van 76 jaar.

In vergelijking met de twaalf andere EU-lidstaten waarvoor al EU-SILC data verzameld werden in
2004 is het percentage mensen (16+) dat in België zegt in de voorbije twaalf maanden een medisch
onderzoek of behandeling nodig te hebben gehad, maar niet te hebben gekregen omwille van
financiële redenen beperkt:1,8%. Het percentage personen dat een medisch onderzoek/behandeling of
een een bezoek aan de tandarts omwille van financiële redenen heeft moeten uitstellen bedraagt 4,3%.
België scoort hiermee bij de beste lidstaten. Alhoewel beide globale percentages laag zijn, zijn er toch
belangrijke verschillen naar inkomenspositie. In het hoogste inkomensquintiel bedraagt het
percentage personen dat dokters- of tandartsbezoek om financiële redenen heeft moeten uitstellen
0,3%, terwijl dit in het laagste quintiel 10% bedraagt. Voor sommige zwakke sociale categorieën
loopt dit nog hoger op: voor werkloze personen 12%, voor personen die leven in een huishouden waar
geen van de volwassen leden heeft gewerkt en waar kinderen aanwezig zijn bedraagt dit 17%. Er is
geen merkbaar verschil tussen vrouwen en mannen.

Onderwijs
De toegang tot werk, de inkomenssituatie, gezondheid, de kansen op het vlak van maatschappelijke
integratie en participatie hangen allen samen met het opleidingsniveau. In een maatschappij waar
opleiding meer en meer bepalend is voor de positie op de sociale ladder, vallen diegenen met een lage
opleiding uit de boot. Scholing vormt dan ook een cruciaal gegeven op het domein van armoede en
sociale inclusie.

In Vlaanderen had, in het schooljaar 2004-2005, 1,52% van de leerlingen in het lager onderwijs een
vertraging van 2 jaar of meer. In de Franstalige Gemeenschap bedraagt dit 2,66%. In de Franstalige
Gemeenschap is er een lichte daling tussen het schooljaar 1995-1996 en 2004-2005, terwijl er in
Vlaanderen tussen 1995-1996 en 2003-2004 een stijging is geweest. Toekomstige gegevens zullen
moeten aangeven of deze stijging in 2004-2005 is gestopt. Voor het Secundair onderwijs zijn de
cijfers resp. 6,8% voor Vlaanderen en 17,9% voor de Franstalige Gemeenschap. Voor de Franstalige
Gemeenschap betekent dit een breuk van de duidelijk dalende trend sinds schooljaar 1995-1996 (van
22,1% in 1995-1996 naar 16,9 in 2003-2004). Er blijken grote verschillen te bestaan tussen Belgen en
niet-Belgen, waarbij de laatste categorie in veel grotere mate een vertraging blijkt te vertonen.

Sinds 1996-1997 is er een beperkte maar gestage toename van het aantal kinderen in het buitengewoon
lager onderwijs, zowel in Vlaanderen (van 3,6% naar 4,4% in 2004-2005) als in de Franstalige
Gemeenschap (van 2,9% naar 3,3% in 2004-2005). In Vlaanderen zitten er duidelijk meer kinderen in



                                   Werkgroep Indicatoren NAPIncl                                      16
het buitengewoon onderwijs dan in de Franstalige Gemeenschap. Voorts zitten meer jongens dan
meisjes in dit type onderwijs.

Een gemeenschappelijke Europese indicator, gebaseerd op de PISA-enquête van de OESO meet het
percentage 15-jarige studenten dat de laagste score (niveau 1 of lager op een schaal met vijf niveaus)
behaald heeft op een leesvaardigheidstest. Het behalen van deze lage score betekent nog niet dat men
ongeletterd is, maar impliceert toch dat men ernstige problemen heeft in het omgaan met schriftelijke
informatie en dus met elke vorm van leerproces dat gebaseerd is op schriftelijk materiaal. Deze
studenten zullen waarschijnlijk onvoldoende gebruik kunnen maken van de aangeboden
onderwijskansen, wat hun verdere onderwijs- en beroepscarrière in het gedrang kan brengen. Met
17,8% scoort België hier in de Europese middenmoot. Achter het cijfer voor België gaan verschillende
resultaten voor de Gemeenschappen schuil (Vlaamse Gemeenschap: 12,4, Franse Gemeenschap: 25,1
en Duitstalige Gemeenschap 20,1).

Een aanvullende, nationale indicator legt het verband tussen deze score en de sociaal economische
status van het gezin waartoe de leerling behoort, geïndiceerd aan de hand van het beroepsstatuut van
de ouders. Kinderen van ouders met een hoog socio-professioneel statuut (bovenste quartiel) scoren
gemiddeld veel beter dan kinderen van ouders met een laag socio-professioneel statuut (onderste
quartiel). De afstand verschilt naargelang de Gemeenschap, maar hij is aanzienlijk voor alle
Gemeenschappen. Uit een recente OESO-studie, gebaseerd op het PISA onderzoek, komen grote
verschillen naar voor tussen de leerlingen naargelang de migratiestatus, waarbij autochtone leerlingen
veel betere resultaten optekenen dan (eerste en tweede generatie) allochtone leerlingen. Deze
verschillen manifesteren zich zowel voor lees- als voor wiskundeprestaties.

De ongekwalificeerde uitstroom, het percentage leerlingen dat het onderwijs verlaat zonder diploma
hoger secundair onderwijs, bedraagt in 2005 13%. Dit cijfer vertoont geen trendmatige daling in de
richting van 10% voor 2010, zoals in een richtsnoer van de Lissabon strategie werd vastgelegd.

Bijna de helft van de Belgische bevolking van 25 jaar en ouder (47,9%) heeft maximum een diploma
lager secundair onderwijs. Lage scholing in het algemeen is tamelijk sterk leeftijdsgebonden, waarbij
ouderen meer laaggeschoold zijn dan jongeren. Voorts zijn ook vrouwen (51%) en personen met een
niet-EU15 nationaliteit (61%) vaker laaggeschoold.

Er is, sinds begin jaren ’90, een toename van de participatie aan opleiding en vorming in het kader van
levenslang leren. Dit neemt niet weg dat België in 2005 nog steeds iets lager scoort dan het EU25-
gemiddelde. Bovendien blijkt, zoals in andere landen, de deelname aanzienlijk hoger onder de hoger
opgeleiden dan onder de personen met een lagere vooropleiding. Zo blijken oudere, veelal lager
geschoolde, werknemers minder te participeren aan opleidingsactiviteiten.


Maatschappelijke integratie en participatie
Zowel op het vlak van integratie12 als op het vlak van participatie13 zijn er belangrijke verschillen naar
sociaal-economische positie. Onder lagere inkomens en personen met een lager onderwijsniveau zijn
er meer personen met beperkte sociale contacten, met een beperkt sociaal netwerk en met een zwakke
functionele ondersteuning. Op het vlak van de participatie zijn de verschillen nog groter. Vooral
zieken en personen met een handicap lijken op het vlak van de sociale integratie een ongunstige
positie te hebben. Op de drie betreffende indicatoren scoren zij veruit het slechtst van alle categorieën.



12
   Hier geoperationaliseerd aan de hand van de indicatoren: het percentage personen dat minder dan eens per
maand vrienden of kennissen ontmoet, het percentage personen met minder dan 3 vrienden of kennissen, de mate
van functionele ondersteuning.
13
   Hier geoperationaliseerd aan de hand van de indicatoren: het percentage personen dat niet participeert aan
recreatieve of culturele activiteiten en het percentage personen dat zich geen week per jaar vakantie kan
veroorloven.


                                    Werkgroep Indicatoren NAPIncl                                         17
Wat de indicator rond deelname aan recreatieve of culturele activiteiten betreft is er blijkbaar over het
algemeen nogal een sterk leeftijdseffect, waarbij vooral 65-plussers minder goed scoren. In België
leeft 28,7 % van de respondenten in een huishouden dat zich geen week vakantie buitenshuis per jaar
kan veroorloven. Er zijn grote regionale verschillen: 18,3 % in het Vlaams Gewest, 42,3 % in het
Waals Gewest en 44,8 % in het Brussels Gewest. Bepaalde groepen hebben het heel moeilijk:
alleenstaanden, en in het bijzonder alleenstaande ouders (64,9 %); personen in een
werkloosheidssituatie (51,2 %); zieken of personen met een handicap (48,3 %);

Het is opmerkelijk dat de sociaal-economische verschillen zich ook lijken door te zetten op het terrein
van integratie en participatie. Subpopulaties die zwak scoren op de andere gebieden scoren ook hier
slecht. Zo scoren werklozen en zieke/gehandicapte personen consistent slecht. Ook zijn er opnieuw
grote verschillen tussen enerzijds Vlaamse en anderzijds Waalse en Brusselse huishoudens.


Op het vlak van de toegang tot internet scoort België middelmatig. In 2005 heeft 50% van de
huishoudens toegang tot internet. Daarmee situeert België zich rond het EU-gemiddelde (EU25:48%,
EU15:53%). 12,3% van de Belgen woont in een huishouden dat omwille van financiële redenen geen
internettoegang heeft. Werklozen (26%), personen met een niet-EU25 nationaliteit (40%), personen
die leven in een huishouden met een lage werkintensiteit (20% zonder kinderen, 40% met kinderen) en
alleenstaanden op actieve leeftijd (mannen:21%, vrouwen:25%) scoren slecht.



Gender
Een genderbewuste analyse van gegevens impliceert dat er wordt nagegaan in welke mate gender een
rol speelt in de verschillende bevindingen. Dat betekent niet alleen oog hebben voor de positie van
vrouwen, maar ook voor die van mannen en voor de specifieke situaties en subgroepen waarin het
risico op armoede groter wordt.

Hoewel de EU-SILC-enquête niet helemaal toelaat de verschillen tussen vrouwen en mannen in
inkomensarmoede goed te analyseren –de toegang tot het budget van het huishouden wordt
verondersteld gelijk te zijn voor beide partners– komen er in de cijfers toch een aantal markante
verschillen in de situatie en beleving van mannen en vrouwen naar voren. Zo blijken de
armoederisicopercentages van vrouwen en mannen te verschillen naargelang het gezinstype, de
activiteitsstatus en de leeftijd. Werkloze mannen hebben bijvoorbeeld een nog veel hoger
armoederisicopercentage dan werkloze vrouwen. Bij inactieven op beroepsactieve leeftijd ligt die
verhouding omgekeerd. Alleenstaande vrouwen boven 65 jaar vormen eveneens een risicogroep.

Een steeds terugkerende risicocategorie wordt gevormd door de alleenstaande ouders. De
steekproefomvang van de SILC laat hier geen betrouwbare uitsplitsing naar geslacht toe. Uit
administratieve gegevens blijkt dat de moeilijke situatie van alleenstaande vaders niet onderschat mag
worden. In december 2004 waren er bijvoorbeeld 17171 alleenstaande vaders gerechtigd op een
leefloon. Dat was 57% van alle mannelijke gerechtigden. Alleenstaande moeders vormden ‘slechts’
39% van alle vrouwelijke gerechtigden op een leefloon. (Terwijl er ongeveer drie keer meer
alleenstaande moeders zijn dan alleenstaande vaders.) Misschien is het zinvol een indicator op te
nemen over armoederisicopercentages vóór en na enerzijds het betalen en anderzijds het ontvangen
van alimentatiegelden (voor deze categorie).

Bij de alleenstaanden – de groep voor wie de referentiepersoon per definitie samenvalt met de
gezinsleden – blijkt de subjectieve inschatting van armoede te variëren naar leeftijd en geslacht.
Vrouwen blijken ook een beduidend lagere socio-culturele participatie te hebben dan mannen. Vanuit
de bredere optiek van sociale uitsluiting is dit zeker van belang.




                                   Werkgroep Indicatoren NAPIncl                                       18
Diversiteit en activering
Werk is de beste bescherming tegen armoede. Dit blijkt in België nog meer te gelden dan in de meeste
andere lidstaten. Het percentage werkende armen behoort tot de laagste binnen de EU25 (4% in
België tegenover 8% voor de EU25). Personen die leven in een huishouden zonder betaald werk
daarentegen, werden in 2003 geconfronteerd met een hoog armoederisico. Ondanks het feit dat werk
in België doorgaans een goede inkomensbescherming biedt, moet worden vastgesteld dat een niet
verwaarloosbare proportie van de werkenden (4%) toch een armoederisico loopt, dit tengevolge van
een precaire werksituatie of van een ontoereikend loon in verhouding tot de behoeften van het
huishouden.

Gelet op het belang van betaald werk, zowel als kanaal waarlangs integratie in de samenleving zich
kan voltrekken, als in financieel opzicht, is de toegang tot, kwalitatitief toereikend, werk van zeer
groot belang. In 2005 lag de werkgelegenheidsgraad in België met 61,1% onder het EU25-
gemiddelde (63,8%). De indicatoren bevestigen de belangrijke onderparticipatie aan werk van
specifieke groepen. De werkzaamheidsgraad van personen met een niet EU25-nationaliteit, van
laaggeschoolden en van personen met een handicap blijft ver onder deze van de totale actieve
populatie. Alleenstaanden, personen met een lagere scholing en vooral alleenstaande ouders en
personen met een nationaliteit van buiten de EU25 hebben een sterk verhoogde kans op langdurige
werkloosheid.

Meer dan in de meeste EU-lidstaten het geval is, is er in België een concentratie van niet betaalde
arbeid op huishoudniveau. Het aandeel van personen die leven in een huishouden zonder betaald werk
was in België in 2005 het op één na hoogste in de EU25 (13% tegenover 10% voor EU25). Het is
opmerkelijk dat een duidelijke toename van de vrouwelijke werkgelegenheidsgraad (van 44,6% in
1992 naar 52,6% in 2004), niet gepaard is gegaan met een afname van het percentage huishoudens
zonder betaald werk. Mogelijks heeft deze toename zich voornamelijk voorgedaan in huishoudens
waar reeds betaald werk aanwezig was14. Voor sommige groepen zijn wellicht specifieke maatregelen
vereist voor de begeleiding naar werk. Gelet op het hoge armoederiscopercentage voor personen die
leven in een huishouden zonder werk blijft ook aandacht voor de inkomensbescherming belangrijk.

Er bestaan grote verschillen tussen de gewesten op het vlak van werkzaamheids-, (langdurige)
werkloosheidsgraden en op het vlak huishoudens zonder werk.

Het verwerven van een goede basiskwalificatie is voor jongeren van groot belang voor de kansen op
de arbeidsmarkt. Op het vlak van de ongekwalificeerde uitstroom uit het onderwijs is er voor geen
van de drie Gewesten een trendmatige daling vast te stellen. Deze indicator blijft zich boven het
streefcijfer van de Lissabon richtsnoer (10%) situeren. Vroegtijdige uitstroom komt veel vaker voor
bij jongeren met een niet-EU15 nationaliteit (38,6%) dan bij jongeren met een EU15-nationaliteit
(12,2%).

Er is, sinds begin jaren ’90, een toename van de participatie aan opleiding en vorming in het kader van
levenslang leren. Dit neemt niet weg dat België in 2005 nog steeds iets lager scoort dan het EU25-
gemiddelde. Bovendien blijkt, zoals in andere landen, de deelname aanzienlijk hoger onder de hoger
opgeleiden (16%) dan onder de personen met een lage vooropleiding (3,2%).

Toegang tot een kwalitatief goede woning op de (private) huurmarkt.
Wanneer we het armoederisico bekijken naar de eigendomsstatus van de woning (eigenaar/huurder)
blijkt dat huurders (27%) met een veel hoger armoederisico worden geconfronteerd dan eigenaars
(11%). Uit vroeger onderzoek is gebleken dat er in de loop van de jaren ’90 een belangrijke stijging is
geweest van de kostprijs van de huisvesting. Een belangrijke groep huurders combineert bijgevolg
een zwakke inkomenspositie met een relatief hoge huisvestingskost. De NAPincl-indicator rond
woonkost geeft aan dat in 2003 33% van de huurders met een inkomen onder de mediaan meer dan
één derde van het gezinsbudget aan huur besteedt. Nog uit vroeger onderzoek is gebleken dat de
14
     Bijkomende gegevens zijn nodig om deze hypothese (reeds vastgesteld in andere lidstaten) te ondersteunen


                                           Werkgroep Indicatoren NAPIncl                                        19
problemen rond de betaalbaarheid van de huisvesting zich vooral situeren bij personen die een woning
huren op de private huurmarkt.

De kwaliteit van de huisvesting blijkt voor niet EU-25 personen en huishoudens met kinderen en een
lage werkintensiteit dikwijls problematisch te zijn. Deze categorieën blijken meer dan de totale
bevolking te wonen in woningen met twee of meerdere structurele problemen of met een gebrek aan
ruimte. Zwakke sociale categorieën (alleenstaande ouders, werklozen, zieken/invaliden) lijken over
het algemeen meer dan globaal te wonen in woningen met twee of meer gebreken, evenals bewoners
van een huurwoning. Brusselse huishoudens worden veel meer dan huishoudens uit andere gewesten
geconfronteerd met een ruimtegebrek (17% tegenover ongeveer 4% voor de andere gewesten). Waalse
en Brusselse huishoudens (23%) wonen meer in woningen met een structureel gebrek dan Vlaamse
huishoudens (14%).

Sinds 1995 is het aantal sociale huurwoningen in percentage van het totaal aantal huishoudens
constant gebleven, op goed 6%. In de drie Gewesten bestaan er lange wachtlijsten.

Kinderarmoede
België scoort op het vlak van de kinderarmoede beter dan het EU25-gemiddelde (17% tegenover
20%). Net zoals in een meerderheid van de andere lidstaten ligt het armoederisico van kinderen (-16
jarigen) iets boven het globale armoederisicopercentage voor de volledige bevolking. Kinderen van
alleenstaande ouders en, a fortiori, kinderen in gezinnen waar geen van de volwassen gezinsleden
werkt worden geconfronteerd met zeer hoge armoederisico’s, respectievelijk 36% en 70%. Voor deze
categorieën liggen de cijfers ook boven het EU-gemiddelde. De moeilijk situatie van deze
huishoudens weerspiegelt zich ook op andere terreinen, o.a. de (on)mogelijkheid om op vakantie te
gaan. Het percentage kinderen dat in een huishouden zonder betaald werk leeft behoort, met 13%, tot
de hoogste binnen EU25. Vooral voor Brussel en, in iets mindere mate Wallonië, bereikt deze
indicator een problematisch niveau.

Ondanks het onderwijs is er een tendens tot intergenerationele overdracht van een gebrek aan kansen.
Dit wordt geïllustreerd door het PISA-onderzoek waaruit blijkt dat kinderen van ouders met een hoog
socio-professioneel statuut (bovenste quartiel) gemiddeld veel beter scoren op leesvaardigheidstests
dan kinderen van ouders met een laag socio-professioneel statuut (onderste quartiel).

Kinderen wonen iets vaker in woningen met gebreken en duidelijk meer in woningen met een gebrek
aan ruimte15. Inzake basiscomfort (bad of douche, warm stromend water, wc binnenshuis) scoren zij
dan weer iets beter dan de globale bevolking.




15
     Hier gemeten als minder dan 1 kamer per lid van het huishouden.


                                           Werkgroep Indicatoren NAPIncl                          20
Deel 3: De indicatoren
0. Contextinformatie niet bereikte bevolkingsgroepen


Bepaalde kwetsbare bevolkingsgroepen zijn niet of nauwelijks vertegenwoordigd in de gegevens waar
de NAPIncl - indicatoren op berekend worden. Het gaat daarbij over personen die in collectieve
huishoudens leven, over illegalen, over daklozen. Er zijn ook geen specifieke gegevens opgenomen
voor andere risicogroepen zoals etnische minderheden. Zowel praktische als conceptuele en
methodologische oorzaken liggen hier aan ten grondslag. Het in kaart brengen van, in eerste instantie,
het aantal personen, dat tot deze groepen behoort, vormt een voortdurend aandachtspunt van de
Werkgroep Indicatoren. In eerste instantie worden hier de resultaten weergegeven van de
inventarisatie van het aantal personen dat gedomicilieerd is in een collectief huishouden. Deze
gegevens zijn gebaseerd op de Socio-Economische Enquête 2001 van het NIS.

We hernemen hier in eerste instantie de gegevens, zoals deze werden berekend op basis van de Socio-
Economische Enquête 2001. Daarna presenteren we recentere gegevens, berekend op het
Rijksregister. In de Socio-Economische Enquête wordt uitgegaan van de feitelijke verblijfplaats. In
het Rijksregister wordt uitgegaan van de officiële verblijfplaats. De aantallen op basis van het
Rijksregister liggen bijgevolg lager. De gegevens op basis van de Socio-Economische Enquête
worden hernomen omdat zij een uitsplitsing toelaten naar de verschillende soorten instellingen.

0.1 Bevolking gedomicilieerd in collectieve huishoudens
Socio-Economische Enquête/Rijksregister – Algemene Directie Statistische en Economische
Informatie




                                  Werkgroep Indicatoren NAPIncl                                    21
Bevolking gedomicilieerd in collectieve huishoudens naar leeftijd en geslacht - België
                                                            0 - 17 jaar                     18 - 64 jaar                65 jaar en meer                     Totaal
                                                vrouwen mannen            totaal   vrouwen mannen          totaal  vrouwen mannen         totaal   vrouwen mannen     totaal
Rusthuis                                             150    171               321     1.965  2.358           4.323   46.992 12.086         59.078    49.107 14.615     63.722
Rust- en verzorgingstehuis                            19     19                38       682    804           1.486   21.215  5.649         26.864    21.916  6.472     28.388
Klooster, abdij                                       82     67               149     1.983  1.449           3.432    8.330  2.050         10.380    10.395  3.566     13.961
Instelling voor gehandicapte personen                 89    106               195     2.085  2.918           5.003      513    274            787     2.687  3.298      5.985
Familiepension en andere                             139    140               279     1.416  2.030           3.446    1.644    513          2.157     3.199  2.683      5.882
Psychiatrische instelling                              3      3                  6    1.318  2.595           3.913    1.058    903          1.961     2.379  3.501      5.880
Verzorgingsinstelling                                  5      6                11       288    319             607    3.220    789          4.009     3.513  1.114      4.627
Collectiviteit van private huishoudens               218    241               459     1.159  1.419           2.578      575    313            888     1.952  1.973      3.925
Opvangcentrum                                        326    386               712       602  1.972           2.574      173    126            299     1.101  2.484      3.585
Studentenhuis, weeshuis                              115    118               233     1.128  1.311           2.439      107     44            151     1.350  1.473      2.823
Kazerne                                              148    178               326       277  1.145           1.422        5      0               5      430  1.323      1.753
Strafinstelling                                       10      7                17        59    899             958        2     24             26        71    930      1.001
Referentieadres (zeeman, binnenschipper e.d.)         74     72               146       152    435             587       94     60            154       320    567        887
Beschermde werkplaats                                  3      2                  5      166    265             431        9     11             20       178    278        456
Speciaal verblijfsstatuut                            106     80               186       108     41             149        3      1               4      217    122        339
Type onbepaald of onbekend                            45     46                91       212    375             587      345     97            442       602    518      1.120

Totaal collectieve huishoudens                      1.532       1.642      3.174   13.600      20.335      33.935   84.285   22.940   107.225      99.417    44.917   144.334
Bron: NIS Socio-economische Enquête 2001


Bevolking gedomicilieerd in collectieve huishoudens - Brussels Hoofdstedelijk Gewest
                                                            0 - 17 jaar                     18 - 64 jaar                65 jaar en meer                     Totaal
                                                vrouwen mannen            totaal   vrouwen mannen          totaal   vrouwen mannen        totaal   vrouwen mannen     totaal
Rusthuis                                              19     24                43       270    311             581     6.021  1.429         7.450     6.310  1.764      8.074
Rust- en verzorgingstehuis                             1      1                  2       77    167             244     1.596    410         2.006     1.674    578      2.252
Klooster, abdij                                        5      5                10       157    272             429       278    158           436       440    435        875
Instelling voor gehandicapte personen                  1      3                  4       79     82             161        23     17            40       103    102        205
Familiepension en andere                              36     28                64       310    338             648       251    140           391       597    506      1.103
Psychiatrische instelling                              0      1                  1       37     70             107         8      4            12        45     75        120
Verzorgingsinstelling                                  0      0                  0       32     63              95        93     30           123       125     93        218
Collectiviteit van private huishoudens                72     75               147       378    413             791       198     96           294       648    584      1.232
Opvangcentrum                                         61     35                96       101    267             368        27     12            39       189    314        503
Studentenhuis, weeshuis                               18     22                40       167    172             339        81     23           104       266    217        483
Kazerne                                              147    177               324       255    416             671         1      0              1      403    593        996
Strafinstelling                                        3      1                  4        3      8              11         0      1              1        6     10         16
Referentieadres (zeeman, binnenschipper e.d.)          1      1                  2       15     62              77         1      4              5       17     67         84
Beschermde werkplaats                                  2      0                  2        7     15              22         0      0              0        9     15         24
Speciaal verblijfsstatuut                              0      0                  0        0      0                0        0      0              0        0      0           0
Type onbepaald of onbekend                             7      6                13        15     15              30        21      7            28        43     28         71

Totaal collectieve huishoudens                       373          379        752    1.903        2.671      4.574    8.599    2.331       10.930   10.875     5.381    16.256
Bron: Socio-economische Enquête 2001




                                                                                    Werkgroep Indicatoren NAPIncl                                                                22
Bevolking gedomicilieerd in collectieve huishoudens - Vlaams Gewest
                                                          0 - 17 jaar                     18 - 64 jaar                65 jaar en meer                     Totaal
                                                vrouwen mannen          totaal   vrouwen mannen          totaal  vrouwen mannen         totaal   vrouwen mannen     totaal
Rusthuis                                              40     42              82       619    908           1.527   21.855  5.934         27.789    22.514  6.884     29.398
Rust- en verzorgingstehuis                            13      6              19       390    394             784   15.982  4.360         20.342    16.385  4.760     21.145
Klooster, abdij                                       66     45             111     1.327    829           2.156    6.767  1.549          8.316     8.160  2.423     10.583
Instelling voor gehandicapte personen                 49     53             102     1.121  1.453           2.574      347    178            525     1.517  1.684      3.201
Familiepension en andere                              42     36              78       511    760           1.271      680    164            844     1.233    960      2.193
Psychiatrische instelling                              1      1                2      859  1.615           2.474      804    624          1.428     1.664  2.240      3.904
Verzorgingsinstelling                                  0      1                1      208    163             371    2.865    696          3.561     3.073    860      3.933
Collectiviteit van private huishoudens                29     71             100        96    486             582       46     86            132       171    643        814
Opvangcentrum                                        107    119             226       258  1.037           1.295       96     78            174       461  1.234      1.695
Studentenhuis, weeshuis                               44     38              82       576    583           1.159        9      9             18       629    630      1.259
Kazerne                                                1      1                2       14    354             368        4      0               4       19    355        374
Strafinstelling                                        4      2                6       38    740             778        2     15             17        44    757        801
Referentieadres (zeeman, binnenschipper e.d.)         46     49              95        55    158             213       87     44            131       188    251        439
Beschermde werkplaats                                  1      2                3       77    157             234        5      7             12        83    166        249
Speciaal verblijfsstatuut                              2      5                7        9      6              15        0      0               0       11     11         22
Type onbepaald of onbekend                             9     24              33        33    191             224       82     53            135       124    268        392

Totaal collectieve huishoudens                      501         495        996    6.503        9.834     16.337   49.842   13.797       63.639   56.846    24.126   80.972
Bron: Socio-economische Enquête 2001




Bevolking gedomicilieerd in collectieve huishoudens - Waals Gewest
                                                          0 - 17 jaar                     18 - 64 jaar                65 jaar en meer                     Totaal
                                                vrouwen mannen          totaal   vrouwen mannen          totaal  vrouwen mannen         totaal   vrouwen mannen     totaal
Rusthuis                                              91    105             196     1.076  1.139           2.215   19.116  4.723         23.839    20.283  5.967     26.250
Rust- en verzorgingstehuis                             5     12              17       215    243             458    3.637    879          4.516     3.857  1.134      4.991
Klooster, abdij                                       11     17              28       499    348             847    1.285    343          1.628     1.795    708      2.503
Instelling voor gehandicapte personen                 39     50              89       885  1.383           2.268      143     79            222     1.067  1.512      2.579
Familiepension en andere                              61     76             137       595    932           1.527      713    209            922     1.369  1.217      2.586
Psychiatrische instelling                              2      1                3      422    910           1.332      246    275            521       670  1.186      1.856
Verzorgingsinstelling                                  5      5              10        48     93             141      262     63            325       315    161        476
Collectiviteit van private huishoudens                 7     95             102        20    520             540        8    131            139        35    746        781
Opvangcentrum                                        158    232             390       243    668             911       50     36             86       451    936      1.387
Studentenhuis, weeshuis                               53     58             111       385    556             941       17     12             29       455    626      1.081
Kazerne                                                0      0                0        8    375             383        0      0               0        8    375        383
Strafinstelling                                        3      4                7       18    151             169        0      8               8       21    163        184
Referentieadres (zeeman, binnenschipper e.d.)         27     22              49        82    215             297        6     12             18       115    249        364
Beschermde werkplaats                                  0      0                0       82     93             175        4      4               8       86     97        183
Speciaal verblijfsstatuut                            104     75             179        99     35             134        3      1               4      206    111        317
Type onbepaald of onbekend                             1     16              17         8    169             177        6     37             43        15    222        237

Totaal collectieve huishoudens                      658         768      1.426    5.194        7.830     13.024   25.844    6.812       32.656   31.696    15.410   47.106
Bron: Socio-economische Enquête 2001




                                                                                  Werkgroep Indicatoren NAPIncl                                                               23
                      0-17                       18-64                      65+                        totaal
              man    vrouw    totaal      man    vrouw   totaal    man     vrouw    totaal    man     vrouw      totaal
België
1/1/2005      570    483      1.053     15.659   8.690   24.349   21.256   76.932   98.188   37.485   86.105    123.590
1/1/2006      685    623      1.308     16.017   8.986   25.003   20.889   75.872   96.761   37.591   85.481    123.072

Brussels
Gewest
1/1/2005      66     94       160       1.094    698     1.792    1.357    5.536    6.893    2.517    6.328     8.845
1/1/2006      87     105      192       1.139    703     1.842    1.384    5.541    6.925    2.610    6.349     8.959

Vlaanderen
1/1/2005      239    192      431       8.431    4.692   13.123   12.952   46.057   59.009   21.622   50.941    72.563
1/1/2006      186    170      356       8.275    4.330   12.605   13.188   46.086   59.275   21.649   50.587    72.236

Wallonië
1/1/2005       364 302        666      6.461      3.703 10.164 6.521       24.831   31.352   13.346   28.836    42.182
1/1/2006       376 318        694      6.449      3.742 10.191 6.507       24.485   30.992   13.332   28.545    41.877
Bron: Rijksregister – Algemene Directie Statistische en Economische Informatie




                                       Werkgroep Indicatoren NAPIncl                                     24
I. INKOMEN

Inleidende commentaar in verband met de 'inkomensindicatoren', berekend op basis van EU-
SILC


Bron

De indicatoren die we hier voorstellen werden wat België betreft, berekend op basis van de eerste
ronde van de EU-SILC (2004). De overstap naar een nieuwe databron heeft een aantal consequenties
op het vlak van de resultaten. Bij de belangrijkste verschilpunten met de vroegere resultaten kunnen
worden aangestipt:

    -   het niveau van het armoederiscopercentage is hoger (15% i.p.v. 13%)
    -   de verschillen tussen de gewesten zijn groter

Deze verschillen met de vroegere ECHP gegevens zijn vermoedelijk terug te brengen op verschillen in
het gebruikte inkomensconcept (cf. supra) en op de samenstelling van de steekproef.

Begrippen

Wat de gehanteerde begrippen betreft: het zijn de individuele personen die worden beschouwd als
analyse-eenheden en niet de huishoudens waartoe ze behoren.

Aan elke individuele persoon wordt het inkomen van het huishouden (1) toegekend, gedeeld door een
equivalentiefactor (2).

(1) Het totale beschikbare inkomen van een huishouden is het geheel van de netto monetaire inkomens
die gedurende het kalenderjaar voorafgaand aan de enquête (2003 in het geval van de enquête 2004)
door dit huishouden en de leden die er deel van uitmaken op het moment van het interview werden
verworven. Het omvat het arbeidsinkomen (lonen en inkomen uit activiteit als zelfstandige), private
inkomens (ontvangsten uit kapitaal en eigendom), pensioenen en de andere rechtstreeks ontvangen
sociale overdrachten, de overdrachten ontvangen van andere huishoudens, terugstortingen van
personenbelastingen, het niet cash inkomen dat uit de bedrijfswagen wordt betrokken. Overdrachten
naar andere huishoudens, bij te betalen belastingen en vermogensbelastingen worden in mindering
gebracht.


(2) Het inkomen van het huishouden wordt gedeeld door een equivalentiefactor. De equivalentieschaal
maakt het mogelijk het inkomen te vergelijken van huishoudens met een verschillende omvang
doordat gebruik wordt gemaakt van een methode die de inkomens omzet in vergelijkbare eenheden.
De schaal die gebruikt werd voor het berekenen van de verder getoonde resultaten is de 'gewijzigde
OESO-schaal', die een gewicht van '1' toekent aan de eerste volwassene, '0,5' aan alle andere
volwassenen (14 jaar en ouder) in het huishouden en '0,3' aan alle personen jonger dan 14 jaar. Dat
betekent dat het inkomen van een koppel met twee kinderen (van minder dan 14 jaar) gedeeld wordt
door een coëfficiënt van 2,1 (1+0,5+0,3+0,3) om het vergelijkbaar te maken met het inkomen van een
alleenstaande.
Evolutie van de indicatoren in de tijd

Gelet op de wijziging in de databron is voor de inkomensindicatoren een vergelijking in de tijd niet
aangewezen. Naarmate er meer golven van de EU-SILC beschikbaar komen zal dit uiteraard wel
mogelijk worden.




                                  Werkgroep Indicatoren NAPIncl                                        25
Kruising naar geslacht

Verder in dit document worden een groot aantal indicatoren gekruist naar geslacht. Met betrekking tot
de monetaire indicatoren geeft deze kruising echter slechts gedeeltelijke informatie over de
comparatieve situatie van mannen en vrouwen tegenover de armoede, in de mate dat het het totale
inkomen van het huishouden is (som van alle individuele inkomens) dat in deze analyse wordt
gebruikt. Bij dit type berekening is de onderliggende hypothese dus dat elk lid van het huishouden een
gelijke toegang heeft tot het inkomen van het huishouden. Al is deze hypothese niet onrealistisch (in
de mate dat men ervan uit kan gaan dat de situatie van een individu tegenover de armoede inderdaad
bepaald wordt door de inkomsten van haar/zijn huishouden), ze verdoezelt de verschillende situatie
van mannen en vrouwen binnen het huishouden. De gepubliceerde armoede(risico)percentages naar
geslacht geven slechts indirect informatie over man/vrouw welvaartsverschillen in de mate dat ze
verschillend zullen zijn indien de situatie van mannen en vrouwen die alleen leven (of die leven in
huishoudens die een ongelijke samenstelling man/vrouw hebben) verschillend is.




                                  Werkgroep Indicatoren NAPIncl                                    26
1. Gelijkheid / ongelijkheid van de algemene inkomensverdeling

I.1 Inkomens quintiel verhouding S80/S20: verhouding van het totale inkomen
ontvangen door de 20% van de bevolking met het hoogste inkomen (hoogste quintiel) tot
het inkomen ontvangen door de 20% van de bevolking met het laagste inkomen (laagste
quintiel). Inkomen moet begrepen worden als equivalent beschikbaar inkomen.
Contextindicator sociale inclusie+overkoepelende indicator
Naar gewest.
EU-SILC 2004 + nationale bestanden, Algemene Directie Statistische en Economische
Informatie/Eurostat
                                                     S80/S20, EU, 2003


        8


        7


        6


        5


  %     4


        3


        2


        1


        0
                                                                              EU2
            SI   HU SE   CZ DK   FI   LU   AT   BE   NL   CY   FR   DE   LT       IE   PL   ES   UK   IT   SK   EE   EL    LV     PT
                                                                               5
      2003 3,1 3,3 3,3 3,4 3,4 3,5 3,7 3,8      4    4    4,1 4,2 4,4 4,5 4,8     5    5    5,1 5,3 5,6 5,8 5,9      6     6,1 7,2

                                                                                                                          GI.1




                                      Werkgroep Indicatoren NAPIncl                                                              27
               S80/S20, EU25, België en de Gewesten, 2003


  8


  7


  6


  5


  4


  3


  2


  1


  0
       EU25   BE                     BX                     FL    WA
2003   4,8    4,0                    7,4                    3,6   4,1


                                                                        GI.2




              Werkgroep Indicatoren NAPIncl                                    28
I.2 Gini-coëfficiënt: synthetische maat van het cumulatieve aandeel van het equivalent
inkomen dat opgenomen wordt door de cumulatieve percentages van het aantal
individuen. De waarde van de coëfficiënt varieert van 0% (volledige gelijkheid) tot
100% (volledige ongelijkheid).
Contextindicator sociale inclusie
Naar gewest.
EU-SILC 2004 + nationale databestanden – Algemene Directie Statistische en Economische Informatie/Eurostat


                                                      Gini-coëfficiënt, EU25, 2003


   40


   35


   30


   25


   20


   15


   10


    5


    0
                                                                               EU2
         SI   SE   DK   CZ   FI   AT   BE   LU   CY   HU   NL   DE   FR   LT         ES   PL   IE   EL   IT   SK   EE   UK    LV    PT
                                                                                5
  2003   22   23   24   25   25   26   26   26   27   27   27   28   28   29   30    31   31   32   33   33   33   34   34    36     38


                                                                                                                             GI.3




                                            Werkgroep Indicatoren NAPIncl                                                           29
              Gini-coëfficiënt, EU25, België en de Gewesten, 2003

 40



 35



 30



 25



 20



 15



 10



  5



  0
       EU25      BE                     BX                      FL    WA
2003    30      26,4                    36,4                   24,9   25,7

                                                                           GI.4




                 Werkgroep Indicatoren NAPIncl                                    30
2. Armoederisico

2.1 Armoederisico gemeten met een objectieve norm

2.1.1 De welvaartsverschillen in het Europa van de 25 lidstaten: een vergelijking van de
nationale armoederisicodrempels

I.3 Armoederisicodrempel (illustratieve waarden). De waarde van de
armoederisicodrempel (60% van het mediaan nationaal equivalent inkomen) in
koopkrachtpariteiten, voor twee illustratieve huishoudentypes:
- een alleenstaande;
- een huishouden met twee volwassenen en twee kinderen.
Primaire indicator sociale inclusie+overkoepelende indicator
EU-SILC 2004 + nationale databestanden - Eurostat




                              Werkgroep Indicatoren NAPIncl                            31
                    Waarde van de armoederisicogrens (60% van het mediaaninkomen) voor een huishouden
                                bestaande uit 1 volwassene, in koopkrachtpariteiten, EU, 2003

 18000


 16000


 14000


 12000


 10000


  8000


  6000


  4000


  2000


      0
          LV   LT    EE   PL   SK   HU   CZ   PT   SI   EL   ES   IT    EU25   CY   FI   SE    IE      FR   BE   DE   DK   AT   UK   NL   LU
KKP-2003 2064 2298 2352 2662 3554 3722 4382 4697 6088 6272 7254 7450 7716 7822 7931 8501 8502 8643 8963 9175 9176 9630 9783 9869 15522

                                                                                                                                               GI.5




                                                                       Werkgroep Indicatoren NAPIncl                                                  32
2.1.2 Welk percentage van de bevolking wordt in één gegeven jaar geconfronteerd met
het risico op armoede?

I.4-1 Armoederisicopercentage: percentage personen met een equivalent beschikbaar
inkomen lager dan 60% van het mediaan nationaal equivalent inkomen. Het equivalent
inkomen wordt gedefinieerd als het totaal beschikbaar inkomen van het huishouden
gedeeld door zijn 'equivalente omvang' om rekening te houden met de omvang en de
samenstelling van het huishouden. Het wordt toegekend aan elk lid van het huishouden.
Naar leeftijd en geslacht
Primaire indicator sociale inclusie+overkoepelende indicator
Naar gewest, opleidingsniveau (personen 16 jaar en ouder).
EU-SILC 2004 – Algemene Directie Statistische en Economische Informatie/Eurostat
                                                     Armoederisicopercentage, EU, 2003

     25




     20




     15
 %




     10




       5




       0
            CZ   SI   DK   FI   LU   SE   HU    NL    AT    FR   BE   CY   LT   DE   EU25   LV   PL   EE   UK   IT   EL   ES   IE     PT    SK
     2003   8    10   11   11   11   11   12    12     13   14   15   15   15   16    16    16   17   18   18   19   20   20   21     21    21


                                                                                                                                    GI.6




                                               Werkgroep Indicatoren NAPIncl                                                               33
                             Armoederisicopercentage naar geslacht (bevolking 16 jaar en ouder), EU, 2003

       25




       20




       15
%




       10




        5




        0
                                                                                                EU
             CZ   LU    SI     DK   FI   HU   NL    SE     AT   FR   BE   LT   DE     PL   CY        LV   UK     EE   IT   ES   SK   EL     IE     PT
                                                                                                25
    vrouw    8    10    12     12   12   11   11     12    14   14   15   15   17     14   18   17   17   18     20   19   21   19   22     23     21
    totaal   7    10    10     11   11   11   11     11    12   13   14   14   15     15   16   16   16   17     18   18   19   19   20     21     21
    man      6    10    9      11   11   10   10     10    11   12   13   13   12     16   14   14   15   15     16   16   18   20   19     18     20

                                                                                                                                                 GI.7




                              Armoederisicopercentage naar geslacht, EU25, België en de gewesten, 2003

       30




       25




       20
%




       15




       10




        5




        0
                       EU25                         BE                         BX                         FL                         WA
    vrouw               17                          15,8                       27,7                       12,2                       18,7
    totaal              16                          14,9                       27                         11,3                       17,7
    man                 15                          13,9                       26,3                       10,3                       16,8

                                                                                                                                                 GI.8




                                                   Werkgroep Indicatoren NAPIncl                                                                        34
                        Armoederisicopercentage naar leeftijd en geslacht, België, 2003

         25




         20




         15
%




         10




          5




          0
                <16           16-24              25-49             50-64              >=65      >16
    vrouw                      17                 12                 15                   21    15
    totaal      17             16                 12                 13                   21    14
    man                        15                 11                 11                   20    13

                                                                                                        GI.9




                      Armoederisicopercentage naar leeftijd, België en de gewesten, 2003

    25




    20




    15
%




    10




      5




      0
              <16            16-24              25-49              50-64              >=65     totaal
    BE        14,8           15,9               11,7               12,7               20,6     14,8
    FL        11,3            10                 7,4                7,4               19,9     11,3
    WA        17,7           19,6               15,5               15,5               22,8     17,7

                                                                                                        GI.10




                                     Werkgroep Indicatoren NAPIncl                                             35
I.4-2 Armoederisicopercentage: percentage personen met een equivalent beschikbaar
inkomen lager dan 60% van het mediaan nationaal equivalent inkomen. Het equivalent
inkomen wordt gedefinieerd als het totaal beschikbaar inkomen van het huishouden
gedeeld door zijn 'equivalente omvang' om rekening te houden met de omvang en de
samenstelling van het huishouden. Het wordt toegekend aan elk lid van het huishouden.
Naar meest frequente activiteitsstatus
Secundaire indicator sociale inclusie
Naar gewest (personen 16 jaar en ouder).
EU-SILC 2004 – Algemene Directie Statistische en Economische Informatie/Eurostat

                Armoederisicopercentage (bevolking van 16 jaar en ouder) naar meest frequente activiteitsstatus en
                                                    geslacht, België, 2003

        werkloos totaal                                                                                                       28
       werkloos vrouw                                                                                                    27
  andere inactief vrouw                                                                                                  27
         werkloos man                                                                                               26
  andere inactief totaal                                                                                            26
   andere inactief man                                                                                         25
   niet werkend vrouw                                                                                     24
    niet werkend totaal                                                                              23
     niet werkend man                                                                                23
     zelfstandige totaal                                                                   19
   gepensioneerd man                                                                       19
  gepensioneerd totaal                                                                18
  gepensioneerd vrouw                                                            17
                  totaal                                                  15
         werkend man                         5
        werkend vrouw                4
        werkend totaal               4
     werknemer totaal            3

                           0             5                 10            15                 20             25                         30
                                                                         %

                                                                                                                              GI.11
(*) De meest frequente activiteitsstatus is gedefinieerd als de status die mensen verklaren te hebben ingenomen
gedurende meer dan de helft van het aantal maanden in het voorafgaand kalenderjaar.




                                                 Werkgroep Indicatoren NAPIncl                                                 36
              Armoederisicopercentage (bevolking van 16 jaar en ouder) naar meest frequente activiteitsstatus en
                                                      gewest, 2003


     werkloos WA                                                                                             34

andere inactief WA                                                                                    32,2

 andere inactief FL                                                             20

  zelfstandige WA                                                             19,9

gepensioneerd WA                                                         18,7

      werkloos FL                                                       18

         totaal WA                                                  17,7

gepensioneerd FL                                                   17,5

   zelfstandige FL                                               16,7

          totaal FL                                  11,3

      werkend WA                          5

   werknemer WA                 3,4

       werkend FL               3,3

    werknemer FL          2,2

                      0               5         10          15               20      25        30             35            40
                                                                             %

                                                                                                                   GI.12




                                              Werkgroep Indicatoren NAPIncl                                            37
             Armoederisicopercentage naar meest frequente activiteitsstatus, EU25, België en de gewesten, 2003

     45


     40


     35


     30


     25
%




     20


     15


     10


         5


         0
                    totaal               werkend               werkloos           gepensioneerd         andere inactieve
    EU25             16                     9                    42                    16                     26
    BE               14                     4                    28                    18                     26
    FL               11                     3                    18                    18                     20
    WA               18                     5                    34                    19                     32

                                                                                                                      GI.13




                                         Werkgroep Indicatoren NAPIncl                                                     38
I.4-3 Armoederisicopercentage: percentage personen met een equivalent beschikbaar
inkomen lager dan 60% van het mediaan nationaal equivalent inkomen. Het equivalent
inkomen wordt gedefinieerd als het totaal beschikbaar inkomen van het huishouden
gedeeld door zijn 'equivalente omvang' om rekening te houden met de omvang en de
samenstelling van het huishouden. Het wordt toegekend aan elk lid van het huishouden.
Naar type huishouden
Secundaire indicator sociale inclusie
Naar gewest
EU-SILC 2004 – Algemene Directie Statistische en Economische Informatie/Eurostat


                                        Armoederisicopercentage naar type huishouden, België, 2003


        alleenstaande ouder, tenminste 1 afhankelijk kind                                                                   36

                                alleenstaande vrouw 65+                                                      25

                                              1-persoon                                                21

                           alleenstaande vrouw <65 jaar                                                21

  2 volwassenen (geen kinderen), tenminste 1 65 of ouder                                           20

                                 alleenstaande man 65+                                       18

                             alleenstaande man <65 jaar                                      18

          2 volwassenen, 3 of meer afhankelijke kinderen                                     18

           andere huishoudens met afhankelijke kinderen                                     17

              alle huishoudens met afhankelijke kinderen                               15

                                           alle personen                               15

           Alle huishoudens zonder afhankelijke kinderen                          14

              2 volwassenen (geen kinderen), beiden <65                      11

                       2 volwassenen, 1 afhankelijk kind                    10

                  2 volwassenen, 2 afhankelijke kinderen                9

           andere gezinnen zonder afhankelijke kinderen             5

                                                            0   5       10        15              20        25    30   35             40
                                                                                                  %

                                                                                                                        GI.14
(*) Afhankelijke kinderen worden gedefinieerd als mensen van 0 tot en met 15 jaar + mensen van 16 tot en met
24 jaar indien ze inactief zijn en inwonen bij tenminste één ouder.




                                                   Werkgroep Indicatoren NAPIncl                                                 39
                                   Armoederisicopercentage naar type huishouden, Vlaanderen, 2003


      alleenstaande ouder, tenminste 1 afhankelijk kind                                                                                                    28

                              alleenstaande vrouw 65+                                                                                           24

2 volwassenen (geen kinderen), tenminste 1 65 of ouder                                                                                20

                                            1-persoon                                                                     16

                               alleenstaande man 65+                                                                 15

         andere huishoudens met afhankelijke kinderen                                                           14

                         alleenstaande vrouw <65 jaar                                                      13

        2 volwassenen, 3 of meer afhankelijke kinderen                                                     13

         Alle huishoudens zonder afhankelijke kinderen                                                12

                           alleenstaande man <65 jaar                                                 12

                                         alle personen                                           11

            alle huishoudens met afhankelijke kinderen                                           11

            2 volwassenen (geen kinderen), beiden <65                                   9

                2 volwassenen, 2 afhankelijke kinderen                         7

                     2 volwassenen, 1 afhankelijk kind                    6

      andere huishoudens zonder afhankelijke kinderen         3

                                                          0           5                     10                   15                  20          25             30
                                                                                                                 %

                                                                                                                                                      GI.15




                                 Armoederisicopercentage naar type huishouden, Waals gewest, 2003


      alleenstaande ouder, tenminste 1 afhankelijk kind                                                                                                    42

                         alleenstaande vrouw <65 jaar                                                                                 30

                              alleenstaande vrouw 65+                                                                           27

                                            1-persoon                                                                      25

                               alleenstaande man 65+                                                            21

                           alleenstaande man <65 jaar                                                           21

2 volwassenen (geen kinderen), tenminste 1 65 of ouder                                                          21

        2 volwassenen, 3 of meer afhankelijke kinderen                                                18

            alle huishoudens met afhankelijke kinderen                                                18

                                         alle personen                                                18

         Alle huishoudens zonder afhankelijke kinderen                                           17

                     2 volwassenen, 1 afhankelijk kind                                  14

         andere huishoudens met afhankelijke kinderen                               13

            2 volwassenen (geen kinderen), beiden <65                               13

                2 volwassenen, 2 afhankelijke kinderen                             12

         andere gezinnen zonder afhankelijke kinderen             6

                                                          0   5           10                15         20                 25         30    35         40        45
                                                                                                                 %

                                                                                                                                                      GI.16




                                                 Werkgroep Indicatoren NAPIncl                                                                             40
I.4-4 Armoederisicopercentage: percentage personen met een equivalent beschikbaar
inkomen lager dan 60% van het mediaan nationaal equivalent inkomen. Het equivalent
inkomen wordt gedefinieerd als het totaal beschikbaar inkomen van het huishouden
gedeeld door zijn 'equivalente omvang' om rekening te houden met de omvang en de
samenstelling van het huishouden. Het wordt toegekend aan elk lid van het huishouden.
Naar eigendomsstatus van de woning
Secundaire indicator sociale inclusie
Naar gewest
EU-SILC 2004 – Algemene Directie Statistische en Economische Informatie/Eurostat
                          Armoederisicopercentage naar eigenaar/huurder status van het huishouden, EU25, 2003

         40



         35



         30



         25
 %




         20



         15



         10



             5



             0
                     SI   DK   SE        FI   LU   HU   NL   AT        FR   CY   LT   BE   DE    EU25   LV   EE   IT   EL   ES     PT    IE     UK
     eigenaar        9    8    7         8    8    11   5    10        10   15   14   11   10     13    14   18   17   20    19    20    18     14
     Total           10   11   11        11   11   12   12   13        14   15   15   15   16     16    16   18   19   20    20    21    21     18
     huurder         24   18   19        20   23   15   22   18        19   21   24   27   22     25    26   23   30   20    31    25    37     30


                                                                                                                                          GI.17

                     Armoederisicopercentage naar eigenaar/huurder status van het huishouden, EU25, België en de
                                                          gewesten, 2003

              35



              30



              25



              20
 %




              15



              10



                 5



                 0
                               EU25                               BE                            FL                          WA
     eigenaar                       13                            10,7                          9,3                         12,6
     totaal                         16                            14,9                          11,3                        17,7
     huurder                        25                            26,7                          18,1                        32,9

                                                                                                                                        GI.18




                                                    Werkgroep Indicatoren NAPIncl                                                             41
I.4-5 Armoederisicopercentage: percentage personen met een equivalent beschikbaar
inkomen lager dan 60% van het mediaan nationaal equivalent inkomen. Het equivalent
inkomen wordt gedefinieerd als het totaal beschikbaar inkomen van het huishouden
gedeeld door zijn 'equivalente omvang' om rekening te houden met de omvang en de
samenstelling van het huishouden. Het wordt toegekend aan elk lid van het huishouden.
Naar werkintensiteit van het huishouden
Secundaire indicator sociale inclusie
EU-SILC 2004 – Algemene Directie Statistische en Economische Informatie/Eurostat




                            Werkgroep Indicatoren NAPIncl                          42
                       Armoederisicopercentage naar werkintensiteit van het huishouden, huishoudens zonder
                                                 afhankelijke kinderen, EU, 2003

                                         70



                                         60



                                         50



                                         40
  %




                                         30



                                         20



                                         10



                                             0
                                                 LU        SE    AT   DK       FI       FR         IT        NL        EL        BE        EU*       PT      DE   ES      IE
       huishoudens zonder werk, WI=0             13         18   20   21    25           26        27        28        29        30        32        32      37   48      62
       huishoudens met beperkt werk, 0<WI<1      9          14   10    7       9         10        12        6         14        7         12        15      13   15      10
       huishoudens met volledig werk, WI=1       6          5    6     5       5         3         4         4         10        3          5        9       6    7       5


                                                                                                                                                                  GI.19
(*) De werkintensiteit van het huishouden verwijst naar het aantal maanden dat alle leden van het huishouden
op arbeidsleeftijd gewerkt hebben gedurende het referentie inkomensjaar als proportie van het totaal aantal
maanden dat theoretisch door hen gewerkt kon worden. Personen worden geklasseerd in categorieën van
werkintensiteit die gaan van WI= 0 (huishouden zonder betaald werk) tot WI=1 (volledige werkintensiteit).



                    Armoederisicopercentage naar werkintensiteit van het huishouden, huishoudens met afhankelijke
                                                         kinderen, EU, 2003


                                                  90

                                                  80

                                                  70

                                                  60

                                                  50
   %




                                                  40

                                                  30

                                                  20

                                                  10

                                                      0
                                                           LU    AT   DK   SE       FI        EL        PT        NL        IT    EU*       ES       BE      FR   DE      IE
        huishoudens zonder werk, WI=0                       27   39   40   42       42        52        58        64        66        68        68    70     71   78      80
        huishoudens met beperkt werk, 0<WI<0,5              28   44   7    26       29        46        41        45        51        44        57    28     40   45      35
        huishoudens met beperkt werk, 0,5<WI<1              17   13   9    10       9         22        27        19        24        17        26    14     13   13      16
        huishoudens met volledig werk, WI=1                 7    6    5    6        3         11        10        6         6         7         11       4    5   8       4


                                                                                                                                                                  GI.20




                                                          Werkgroep Indicatoren NAPIncl                                                                                43
I.4-6 Armoederisicopercentage: percentage personen met een equivalent beschikbaar
inkomen lager dan 60% van het mediaan nationaal equivalent inkomen. Het equivalent
inkomen wordt gedefinieerd als het totaal beschikbaar inkomen van het huishouden
gedeeld door zijn 'equivalente omvang' om rekening te houden met de omvang en de
samenstelling van het huishouden. Het wordt toegekend aan elk lid van het huishouden.
Naar opleidingsniveau
Nationale indicator
(personen 16 jaar en ouder).
EU-SILC 2004 – Algemene Directie Statistische en Economische Informatie/Eurostat

                        Armoederisicopercentage naar opleidingsniveau (bevolking 16+), België, 2003

        25




        20




        15
 %




        10




         5




         0
              lage opleiding (ISCED 0-2)    gemiddelde opleiding (ISCED 3)   hoge opleiding (ISCED 5-7)   totaal
     Série1             22,5                            13,4                            6,7               14,9

                                                                                                                   G21




                                           Werkgroep Indicatoren NAPIncl                                                 44
I.4-7 Samenstelling van de populatie met armoederisico.
Naar meest frequente activiteitsstatus
Nationale indicator
(personen 16 jaar en ouder).
EU-SILC 2004 – Algemene Directie Statistische en Economische Informatie/Eurostat


               Samenstelling van de populatie met armoederisico naar meest frequente activiteitsstatus, EU, 2003

             100%


             90%


             80%


             70%


             60%


             50%


             40%


             30%


             20%


             10%


              0%
                     BE   IE   SI   CY   FR   FI   CZ1   IT   UK   ES   DK   HU   EE   LV   SE   EL   NL   AT   PT   PL   LT   SK   LU
  andere inactieve   45   60   27   24   41   27   32    47   33   42   37   25   24   20   31   33   36   30   29   30   27   21   40
  gepensioneerd      25   15   39   53   25   36   13    12   33   18   6    33   29   24   32   27   11   28   27   11   20   9    7
  werkloos           16   8    16   3    14   16   32    16   9    14   31   15   19   28   7    8    19   9    8    22   15   27   9
  werkend            14   17   18   20   21   21   22    25   26   26   26   27   28   28   31   32   33   34   36   37   38   43   44

                                                                                                                      GI.22




                                              Werkgroep Indicatoren NAPIncl                                                              45
I.5 Spreiding rond de armoederisicogrens: percentage personen met een equivalent
beschikbaar inkomen lager dan 40%, 50%, 70% van het mediaan nationaal equivalent
inkomen.
Naar leeftijd en geslacht.
Secundaire indicator sociale inclusie
Naar gewest.
EU-SILC 2004 – Algemene Directie Statistische en Economische Informatie/Eurostat

                   Spreiding rond de arm oederisicogrens (arm oederisicopercentage gem eten m et verschillende
                               grenzen- % van het m ediaan nationaal equivalent inkom en), EU, 2003

      35



      30



      25



      20
 %




      15



      10



          5



          0
              FI        DK      LU      SE       AT         FR   BE    DE       IT      ES     EL       IE       PT       SK
     40%      2         3       3       3         4          3   5      6       7       7       8       5        9            12
     50%      5         6       6       6         7          7   9      10      12      13     13      11        14           16
     60%      11        11      11      11       13         14   15     16      19      20     20      21        21           21
     70%      20        19      20      19       20         22   23     23      27      27     28      29        29           27

                                                                                                                      GI.23

                   Spreiding rond de armoederisicogrens (armoederisicopercentage gemeten met verschillende
                    grenzen - % van het mediaan nationaal equivalent inkomen), België en de gewesten, 2003

     30




     25




     20
 %




     15




     10




      5




      0
                         40%                          50%                        60%                         70%
     BE                  4,7                          8,9                        14,9                        23,4
     FL                  3,6                          6,5                        11,3                        19,2
     WA                  5,3                          10,8                       17,7                        27,6

                                                                                                                      GI.24



                                             Werkgroep Indicatoren NAPIncl                                                46
I.6 Armoederisicopercentage gemeten met een in de tijd verankerde
armoederisicogrens: in jaar 't', het percentage personen met een equivalent beschikbaar
inkomen beneden de armoederisicogrens vastgesteld in jaar t-3 en aangepast in functie
van de inflatie over de drie voorbije jaren.
Naar leeftijd en geslacht.
Context informatie + overkoepelende indicator
EU-SILC

GI.25 :   niet beschikbaar voor 2006



2.1.3 Welk percentage van de bevolking wordt sinds meerdere jaren (blijvend)
geconfronteerd met armoederisico?

I.7 Blijvend armoederisicopercentage (60% van de mediaan): percentage personen met
een equivalent beschikbaar inkomen lager dan 60% van het mediaan nationaal
equivalent inkomen in het lopend jaar en in minstens twee van de drie voorafgaande
jaren.
Naar leeftijd en geslacht.
Primaire indicator sociale inclusie
Naar gewest.
EU-SILC
GI.26 : niet beschikbaar voor 2006

GI.27 : niet beschikbaar voor 2006




I.8 Blijvend armoederisicopercentage (50% mediaan): percentage personen met een
equivalent beschikbaar inkomen lager dan 50% van het mediaan nationaal equivalent
inkomen in het lopend jaar en in minstens twee van de drie voorafgaande jaren.
Naar leeftijd en geslacht.
Naar gewest.
EU-SILC

Niet beschikbaar voor 2006 (deze indicator werd niet behouden voor de gezamenlijke
Europese indicatorenset).




                                       Werkgroep Indicatoren NAPIncl                 47
2.1.4 In welke mate hebben mensen met armoederisico tekort aan inkomen (intensiteit
van het armoederisico - armoederisicogrens is 60% van het mediaan inkomen)?

I.9 Relatieve mediane armoederisicokloof: verschil tussen het mediaan equivalent
inkomen van de personen onder de armoederisicogrens en de armoederisicogrens,
uitgedrukt als een percentage van de armoederisicogrens.
Naar leeftijd en geslacht.
Primaire indicator sociale inclusie+overkoepelende indicator
Naar gewest.
EU-SILC 2004 + nationale databestanden – Algemene Directie Statistische en Economische
informatie/Eurostat

                                          Relatieve mediane armoederisicokloof, EU25, 2003

     45


     40


     35


     30


     25


     20


     15


     10


      5


      0
            FI   CZ   LU   SE   CY   DK   FR    AT   HU   IE   LT   NL   SI   UK   BE   EU25   LV   PL   EE   DE   EL   ES   IT     PT    SK
  t Total   14   15   17   17   19   19   19    20   20   20   20   20   20   20   23    23    23   23   24   25   25   25   25     26    39


                                                                                                                                  GI.28




                                               Werkgroep Indicatoren NAPIncl                                                             48
              Relatieve mediane armoederisicokloof (totale bevolking), EU25, België en de gewesten, 2003


    25




    20




    15
%




    10




     5




     0
                 EU25                           BE                           FL                            WA
    %             23                            23                            24                           21


                                                                                                                 GI.29




                       Relatieve mediane armoederisicokloof naar leefijd en geslacht, België, 2003


         30



         25



         20
%




         15



         10



         5



         0
                       <16                        16+                        16-64                         65+
    vrouw                                            21                        24                          17
    totaal             22                            23                        24                          18
    man                                              24                        25                          19


                                                                                                                 GI.30




                                     Werkgroep Indicatoren NAPIncl                                                   49
I.10 Totale armoederisicokloof als een percentage van het totale inkomen (in de
steekproef), gedefinieerd als de verhouding tussen de totale armoederisicokloof van alle
mensen met armoederisico en het totale inkomen van alle mensen.
Naar gewest.
Nationale indicator
EU-SILC 2004 – Algemene Directie Statistische en Economische Informatie


GI.31: niet beschikbaar




                   Totale armoederisicokloof in percentage van het totaal inkomen, België en de gewesten, 2003

        3




       2,5




        2
   %




       1,5




        1




       0,5




        0
                             BE                                    FL                                   WA
        %                    2,5                                  1,8                                   2,8

                                                                                                                 GI.32




                                          Werkgroep Indicatoren NAPIncl                                              50
2.2 Armoederisico gemeten met een subjectieve norm
2.2.1 Welk percentage van de bevolking wordt geconfronteerd met armoederisico?

I.11 Percentage personen die leven in een huishouden dat volgens de referentiepersoon
grote of zeer grote moeilijkheden heeft om rond te komen (making ends meet).
Naar gewest en geslacht.
Nationale indicator
EU-SILC 2004 – Algemene Directie Statistische en Economische Informatie
                                                                                                            GI.33


           Percentage personen die leven in een huishouden dat volgens de referentiepersoon grote of zeer
               grote moeilijkheden heeft om rond te komen naar geslacht, België en de gewesten, 2004

     25




     20




     15




     10




      5




      0
                       BE                                   FL                                   WA
  vrouw               18,7                                 13,7                                  22,7
  totaal              18,1                                  13                                   22,3
  man                 17,5                                 12,4                                  22,7




                                    Werkgroep Indicatoren NAPIncl                                               51
                  Percentage dat leeft in een huishouden dat volgens de referentiepersoon grote of zeer grote
                   moeilijkheden heeft om rond te komen naar werkintensiteit, België en de gewesten, 2004


                                                10,4
  huishoudens met kinderen, WI=1        6,9
                                              9,2


        huishoudens met kinderen,                                     23,3
                                                       14,4
                0,5<WI<1                                       19,1


        huishoudens met kinderen,                                                  32
                                                                                                38,7
                0<WI<0,5                                                                     36,4

                                                                                                                      63           WA
  huishoudens met kinderen, WI=0                                                                        46,9                       FL
                                                                                                               57,7                BE

                                                10,8
huishoudens zonder kinderen, WI=1        7,6
                                               9,8


     huishoudens zonder kinderen,                       14,9
                                              9,4
               0<WI<1                                12,6

                                                                                                 39,6
huishoudens zonder kinderen, WI=0                                   21,7
                                                                                  30,9

                                    0      10                  20            30                 40        50    60          70
                                                                                         %

                                                                                                                           GI.34




                                         Werkgroep Indicatoren NAPIncl                                                           52
3. De sociale overdrachten als instrument in de strijd tegen armoederisico
3.1 Impact op het aantal mensen met armoederisico

I.12-1 Armoederisicopercentage vóór sociale overdrachten (uitkeringen): percentage
mensen met armoederisico, waarbij het equivalent inkomen als volgt berekend wordt:
Inkomen inclusief ouderdoms- en overlevingspensioenen en exclusief alle andere sociale
overdrachten (uitkeringen);
Dezelfde armoederisicogrens, gedefinieerd als 60% van het nationaal mediaan
equivalent beschikbaar inkomen (na sociale overdrachten / uitkeringen) wordt gebruikt.
Naar leeftijd en geslacht.
Context-indicator sociale inlcusie
Relatief impact in % na/voor overdrachten.
Naar gewest.
EU-SILC 2004 + nationale bestanden – Algemene Directie Statistische en Economische
Informatie/Eurostat
I.12-2 Armoederisicopercentage vóór sociale overdrachten (uitkeringen): percentage
mensen met armoederisico, waarbij het equivalent inkomen als volgt berekend wordt:
1. Inkomen exclusief alle sociale overdrachten (uitkeringen
2. Inkomen inclusief alle sociale overdrachten (uitkeringen) (= indicator I.4).
Dezelfde armoederisicogrens, gedefinieerd als 60% van het nationaal mediaan
equivalent beschikbaar inkomen (na sociale overdrachten / uitkeringen) wordt gebruikt
voor de drie statistieken.
Naar leeftijd en geslacht.
Nationale indicator
Relatief impact in % na/voor overdrachten.
Naar gewest.
EU-SILC 2004 + nationale bestanden – Algemene Directie Statistische en Economische
Informatie/Eurostat




                             Werkgroep Indicatoren NAPIncl                          53
                      Armoederisicopercentage vóór alle sociale overdrachten, na pensioenen en na alle sociale
                                                      overdrachten, EU, 2003

                              60




                              50




                              40
%




                              30




                              20




                              10




                               0
                                     CY   HU   DE   SI    NL   LU   CZ   LT   DK   IE   EL   EE   ES   AT EU25 PT     BE   FI   LV   UK   SE   FR   SK   IT   PL

    voor alle sociale overdrachten   28   32   36   37    37   38   39   39   39   39   40   41   41   42   42   42   42   42   43   43   43   44   44   45   49
    na pensioenen                    20   17   24   16    23   22   21   23   31   33   23   25   25   25   26   27   28   29   24   29   30   26   28   23   31
    na alle sociale overdrachten     15   12   16   10    12   11   8    15   11   21   20   18   20   13   16   21   15   11   16   18   11   14   21   19   17


                                                                                                                                                    GI.35




                                                         Werkgroep Indicatoren NAPIncl                                                                    54
                         Armoederisicopercentage vóór alle sociale overdrachten, na pensioenen en na alle sociale
                                          overdrachten, naar leeftijd en geslacht, België, 2003

      100
                                                                                                                          93
                                                                                                                    91 92
      90


      80


      70


      60
                                                                                                                                                                          vrouw
  %




      50                                                                                                                                                                  totaal
                                                                                                                                                                          man
      40                                                          35
                    33               32                                33
                                                                            30
      30                                                                           28 27
                                                                                         26                                        25 25
                                                                                                                                             23
                                                                                                                                                     21 21 20
      20                                              17
                                                                                                     14 13
                                                                                                           12
      10


       0
              voor alle  na pensioenen na alle sociale   voor alle  na pensioenen na alle sociale   voor alle  na pensioenen na alle sociale
               sociale                 overdrachten       sociale                 overdrachten       sociale                 overdrachten
            overdrachten                               overdrachten                               overdrachten
                                     0-15                                              16-64                                           65+

                                                                                                                                                   GI.36




I. Relatieve impact in vergelijking met de situatie vóór sociale overdrachten (uitkeringen)
waarbij pensioenen worden beschouwd als sociale overdrachten (inkomensdefinitie 1).

                     Reductie (in %) van het armoederisicopercentage door de sociale overdrachten (pensioenen en
                                                andere sociale overdrachten), EU, 2003


                              90


                              80


                              70


                              60


                              50
  %




                              40


                              30


                              20


                              10


                               0
                                     CZ     SE   FI   SI   DK    LU    AT    FR   NL    PL     BE   LV   HU EU25   LT   UK   IT   EE   DE     SK   ES    EL     PT   CY     IE
       andere sociale overdrachten   33     44   43   16    51   29    29    27   30    29     31   19   16   24   21   26   9    17   22     16    12     8    14   18     31
       pensioenen                    46     30   31   57    21   42    40    41   38    37     33   44   47   38   41   33   49   39   33     36    39     43   36   29     15


                                                                                                                                                                GI.37




                                                           Werkgroep Indicatoren NAPIncl                                                                              55
2. Relatieve impact in vergelijking met de situatie vóór sociale overdrachten (uitkeringen)
waarbij pensioenen niet als sociale overdrachten worden beschouwd (inkomensdefinitie 2).

                   Reductie (in %) van het armoederisicopercentage door de sociale overdrachten (pensioenen
                                   worden niet beschouwd als sociale overdrachten), EU, 2003

   70



   60



   50



   40



   30



   20



   10



    0
         DK   SE    FI   CZ   LU   AT   NL   BE   FR   PL   EU25   UK   SI   IE   LT   DE   LV   HU   EE   CY   SK   PT   ES     IT    EL
  2003   65   63    62   62   50   48   48   46   46   45    38    38   38   36   35   33   33   29   28   25   25   22   20     17    13


                                                                                                                               GI.38




                                             Werkgroep Indicatoren NAPIncl                                                            56
3.2 Impact op de totale armoederisicokloof

I.13 Totale armoederisicokloof vóór sociale overdrachten (uitkeringen), waarbij het inkomen
als volgt berekend wordt:
1. Inkomen exclusief alle sociale overdrachten (uitkeringen);
2. Inkomen inclusief ouderdoms- en overlevingspensioenen en exclusief alle andere sociale
overdrachten (uitkeringen);
3. Inkomen inclusief alle sociale overdrachten (uitkeringen) (= indicator I.10).
Naar gewest.
Nationale indicator
EU-SILC 2004 – Algemene Directie Statistische en Economische informatie

                    Totale armoederisicokloof vóór alle sociale overdrachten, na pensioenen en na alle sociale
                                           overdrachten, België en de gewesten, 2003


                                          25




                                          20




                                          15
  %




                                          10




                                           5




                                           0
                                                        BE                          FL                           WA
      voor alle sociale overdrachten                    18                          15                           20
      na pensioenen, vóór andere overdrachten            8                          6                            11
      na alle sociale overdrachten                       3                          2                            3


                                                                                                                      GI.39




                                            Werkgroep Indicatoren NAPIncl                                                 57
3.3 Adequaatheid van de minimum sociale overdracht

I.14 Netto minimumuitkering (rustpensioen, werkloosheid, invaliditeitsuitkering,
bestaansminimum) in procent van de armoederisicogrens (60% van het mediaaninkomen)
voor een alleenstaande.
Nationale indicator
EU-SILC 2004 / STASIM – CSB

De resultaten met betrekking tot indicatoren I.14 en I.15 worden samen voorgesteld in
onderstaande grafiek.

4. Het minimumloon als instrument in de strijd tegen armoederisico
4.1 Adequaatheid van het minimumloon

I.15 Netto minimumloon in procent van de armoederisicogrens (60% van het
mediaaninkomen) voor een alleenstaande.
Nationale indicator
EU-SILC 2004 / STASIM – CSB

               netto-minimumloon en netto-minimumuitkeringen (werknemers en sociale bijstand), als percentage
                                  van de armoederisicogrens, België, 2003 (EU-SILC 2004)

                                 140


                                 120


                                 100


                                 80
  %




                                 60


                                 40


                                 20


                                   0
                                                                 Minimum
                                        Minimum pensioen                                  Minimum
                                                           invaliditeitsuitkering                            Bijstand   Minimumloon
                                           werknemers                               werkloosheidsuitkering
                                                               werknemers
      alleenstaande                           107                  100                       91                75          131
      koppel                                  89                    83                       72                67           98
      koppel met twee kinderen                                      82                       73                69           89
      eenoudergezin met twee kinderen                              105                       91                91          106


                                                                                                                            GI.40


Pensioen: volledige loopbaan.
Werkloosheidsuitkering na 6 maanden.




                                                Werkgroep Indicatoren NAPIncl                                                    58
5. Mensen met afbetalingsmoeilijkheden

I.16 Aantal bij de Kredietcentrale voor Particulieren van de Nationale Bank geregistreerde
personen met achterstallige contracten in verhouding tot de meerderjarige bevolking (%).
Naar provincie en naar arrondissement.
Nationale indicator
Centrale voor Kredieten aan Particulieren - Nationale Bank van België

                 Aantal bij de Centrale voor Kredieten aan Particulieren van de Nationale Bank geregistreerde
               personen met achterstallige contracten als percentage van de volwassen bevolking, België, 1995-
                                                             2005

          6




          5




          4
  %




          3




          2




          1




          0
               1995     1996     1997     1998     1999      2000     2001     2002              2003*    2004      2005
      België   4,4      4,5       4,5      4,6      4,7      4,8      4,9       5                 4,3      4,2       4,2


                                                                                                                 GI.41
(*) Breuk in de serie ingevolge een wijziging van de wetgeving.




                                        Werkgroep Indicatoren NAPIncl                                                59
              Aantal bij de Centrale voor Kredieten aan Particulieren van de Nationale Bank geregistreerde
           personen met achterstallige contracten als percentage van de volwassen bevolking, naar provincie,
                                                       2003-2005

      8


      7


      6


      5
%




      4


      3


      2


      1


      0
           Vlaams-                             West-      Oost-     Waals-                 Brussel-                  Henegouwe
                     Antwerpen   Limburg                                      Luxemburg               Luik   Namen
           Brabant                          Vlaanderen Vlaanderen   Brabant               Hoofdstad                      n
    2003     2,5        3          3           3,1        3,1         3,9        5,1         5,3      6,1     6,2       7,2
    2004     2,5        2,9        2,9          3          3          3,8         5          5,1       6       6        7,2
    2005     2,4        2,8        2,9         2,9         3          3,7        4,9         5        5,8     5,9        7

                                                                                                                     GI.42




                                           Werkgroep Indicatoren NAPIncl                                                 60
                          A a n ta l b ij d e C e n tr a le v o o r K r e d ie te n a a n P a r tic u lie r e n v a n d e N a tio n a le B a n k g e r e g is tr e e r d e
                            p e r s o n e n m e t a c h te r s ta llig e c o n tr a c te n a ls p e r c e n ta g e v a n d e v o lw a s s e n b e v o lk in g , n a a r
                                                                                  a r r o n d is s e m e n t, 2 0 0 5

    9


    8


    7


    6


    5
%




    4


    3


    2


    1


    0
                    il v en

                              e




                                    se er
                                             e

                                             n




                                                                                   e




                                                                                 de


                                                                                   n




                                                                                                                              en n




                                                                                                                                                                          ne




                                                                                                                                                                                      en




                                                                                                                                                                                                                                   i
       ut




                                                                                                                                       rs




                                                                                                                                       m




                                                                                                                                                                           t
                                                             e




                                                                          rm n




                                                                                             ne


                                                                                                  o s el

                                                                                                           e




                                                                                                                                      en




                                                                                                                                      ad




                                                                                                                                                                            i




                                                                                                                                                                                               lle


                                                                                                                                                                                                       in




                                                                                                                                                                                                                                en
                             ik




                                                                                   lt




                                                                                                                                                  ik


                                                                                                                                                                           t




                                                                                                                                                                                                                          Be k
                                                  o




                                                                                                                             Ve BE




                                                                                                                               fd n




                                                                                                                                                                         en
          t




                                                                            aa t


                                                                                 as



                                                                  D on jk




                                                                                        Ve t




                                                                                                                                                                                                                   k
                            de




                                                                                                                                                                                                                                ro
                                                                                                                                                                         oe




                                                                                                                                                                      en n
                                                                                                                                                       Aa
       el




                                                                        en en




                                                                                             ls
                                                                                se




                                                                                                                                                                                                                                 i
                                                                                                                                                                                                              ni
                           rd




                                          er

                                          le




                                                                                rd




                                                                                pe




                                                                                                                                   rle
                                                        gg




                                                                     de re




                                                                                                        nd
                                                  kl




                                                                                                                                     to
                         se




                                                                                                                                              rn




                                                                                                                                                                                                                       Lu
                                                                      T tri




                                                                                                       ijv




                                                                                                                                                                                                        u
    ho




                                                                                                                                    ie




                                                                                                                                   or




                                                                                                                                                                         a
                                  oe I ep




                                                                                                                                                                                               vi
                                                                                          Aa
                                                                               la
    Ti




                 -V uv




                                                                             on




                                                                                                                                                                                    ro




                                                                                                                                                                                                                            rle
                                                                                          ur




                                                                                                                                                                                                                             rg
                                                                                                                                  ak




                                                                                                                                   st




                                                                                                                                                                     am
                         ui




                                                 Ee




                                                                                                                                                                                                               n
                                      he




                                                                                                                                                                       H




                                                                                                                                                                                                     Th
                                                                                                                                                                   am in
                                                                             G




                                                                                                                             oo r
                        oo




                                       la




                                                                   en ge




                                                                            as
                                                                              r




                                                                                                                                 rv




                                                                                                                                             oo
                                                                            er




                                                                                                                       Ba Aa
                                                         u




                                                                                                     te
                                                                                                     N




                                                                                                                                 w


                                                                                                                                Vi




                                                                                                                                                                                           pe
              aa




                                                                            ik




                                                                                                                                                                                                            Zi
                                                                           Ko
                     sm
        rn




                                                                                                                                                                                  sk
               le Le




                                                                                                                                                                 -F D




                                                                                                                                                                                                                         ha
                                                      Br
                                    ec




                                                                                                                              rg




                                                                                                                                                              N
                                                                         tw
                                                                         -N




                                                                          H




                                                                                                                                            D
    Tu




                                                                                                                                                                                         lip
             M




                                                                                                                                                                                 oe
                  ik




                                                                                                                            st




                                                                                                                                                                                                                        C
                                                                                                                           Bo
                                  M




                                                                     An




                                                                                                   O
                                                                      nt
                                                                  ud




                                                                                                                        l- H




                                                                                                                                                                                         i
                 D




                                                                                                                                                                                      Ph
                                                                                                                                                                                M
                                  R




                                                                   Si




                                                                                                                                                              en
                                                                 O




                                                                                                                     se
                    al




                                                                                                                                                           e-
                   H




                                                                                                                  us




                                                                                                                                                        ch
                                                                                                               Br




                                                                                                                                                             ar
                                                                                                                                                            M
                                                                                                                                                                                                                                       GI.43




                                                                                 Werkgroep Indicatoren NAPIncl                                                                                                                             61
II. ARBEID

1. Werkloosheid
1.1 Op individueel niveau

II.1 Langdurige werkloosheidsgraad: langdurig werkloze bevolking (>= 12 maanden -
ILO-definitie) als percentage van de totale actieve bevolking van 15 jaar en ouder.
Naar geslacht.
Primaraire indicator sociale inclusie+context informatie overkoepelende indicatoren
Naar gewest.

LFS – Eurostat




                            Werkgroep Indicatoren NAPIncl                             62
                                                     L a n g d u r ig e w e r k lo o s h e id s g r a a d n a a r g e s la c h t, E U , 2 0 0 5

       14



       12



       10



          8
%




          6



          4



          2



          0
                UK     DK     CY     LU     SE     AT     IE     NL     ES     FI     SI     HU     MT     PT     E U 25   FR     IT     LV     CZ     EE     LT     BE     DE     EL      PL      SK
    v ro u w    0 ,7   1 ,2   1 ,8   1 ,2    1     1 ,4   0 ,8   1 ,9   3 ,4   1 ,9   3 ,3   3 ,2   3 ,2   4 ,2    4 ,5    4 ,4   5 ,2   3 ,7   5 ,3   4 ,2   4 ,5    5     5 ,4   8 ,9   1 1 ,4   1 2 ,3
    to ta a l    1     1 ,1   1 ,2   1 ,2   1 ,2   1 ,3   1 ,5   1 ,9   2 ,2   2 ,2   3 ,1   3 ,2   3 ,4   3 ,7    3 ,9    3 ,9   3 ,9   4 ,1   4 ,2   4 ,2   4 ,3   4 ,4    5     5 ,1   1 0 ,2   1 1 ,7
    m an        1 ,3   1 ,1   0 ,8   1 ,2   1 ,4   1 ,3   1 ,9   1 ,9   1 ,4   2 ,4   2 ,9   3 ,2   3 ,5   3 ,2    3 ,5    3 ,5   2 ,9   4 ,4   3 ,4   4 ,2   4 ,2   3 ,8   4 ,7   2 ,6   9 ,3     1 1 ,2


                                                                                                                                                                                                            GII.1




                                                                                Werkgroep Indicatoren NAPIncl                                                                                                   63
                                 Langdurige werkloosheidsgraad naar geslacht, EU en België, 1995-2005

                      9


                      8


                      7


                      6


                      5
  %




                      4


                      3


                      2


                      1


                      0
                          1995        1996     1997         1998   1999         2000   2001   2002      2003   2004          2005
         EU25-vrouwen                                       5,4     5           4,7    4,5    4,6       4,5    4,7            4,5
         BE-vrouwen       7,7         7,6      7,1           7     5,9          4,6    3,6    4,1        4     4,4                5
         EU25-mannen                                        3,7    3,4          3,4    3,3    3,3       3,6    3,6            3,5
         BE-mannen        4,5         4,3      4,2          4,5    4,1           3      3     3,2       3,4    3,5            3,8


                                                                                                                          GII.2




LFS – Algemene Directie Statistische en Economische Informatie

                          Langdurige werkloosheidsgraad naar geslacht, EU, België en de gewesten, 2005

           12




           10




               8
  %




               6




               4




               2




               0
                          EU                          BE                  BX                  FL                      WA
      Vrouwen             4,5                         5                   8,2                  3                      7,8
      Totaal              3,9                         4,4                 9                   2,3                     7
      Mannen              3,5                         3,9                 9,6                 1,8                     6,4


                                                                                                                          GII.3




                                             Werkgroep Indicatoren NAPIncl                                                    64
II.2 Aandeel langdurige werklozen: totale langdurig werkloze bevolking (>= 12 maanden -
ILO-definitie) als percentage van de totale werkloze bevolking van 15 jaar en ouder.
Naar geslacht.
Nationale indicator
LFS – Eurostat

                             Aandeel langdurig werklozen in de totale werkloze bevolking naar geslacht, EU, 2005

           80



           70



           60



           50
  %




           40



           30



           20



           10



               0
                   se   uk     dk   cy   es   at   fi   lu   ie   nl   fr   eu25   hu   lv   mt   si   pt   it   be   gr   lt   cz   de   ee   pl    sk
      vrouwen      13   15     23   27   28   25   23   21   21   37   42   46     43   43   36   46   49   52   53   58   54   54   53   60   59    72
      totaal       16   21     23   24   25   25   26   26   33   40   41   45     45   46   47   47   48   50   52   52   53   53   53   53   58    72
      mannen       18   25     24   19   21   26   29   34   41   43   40   45     47   49   53   48   47   48   51   42   51   52   53   48   56    72


                                                                                                                                           GII.4




                                                   Werkgroep Indicatoren NAPIncl                                                                    65
II.3 Zeer langdurige werkloosheidsgraad: zeer langdurig werkloze bevolking (>= 24 maanden
- ILO-definitie) als percentage van de totale actieve bevolking van 15 jaar en ouder.
Naar geslacht.
Nationale indicator
LFS – Eurostat

                                             Zeer langdurige werkloosheidsgraad naar geslacht, EU, 2005

          10


               9


               8


               7


               6
  %




               5


               4


               3


               2


               1


               0
                   CY    DK    LU    SE    UK    AT    IE    FI    NL    ES    HU    MT    SI    PT    FR    EU25   IT    CZ    LV    EE    BE    LT    EL    DE     PL   SK
      Vrouwen      0,7   0,4   0,3   0,3   0,3   0,7   0,4   0,9   0,9   1,7   1,4   1     1,9   2,3   2,2   2,6    3,2   3,2   2,4   2,7   3,4   2,9   5,2   3,6   5,8   8,7
      Totaal       0,4   0,4   0,4   0,4   0,5   0,7   0,8   1     1     1,1   1,5   1,6   1,8   1,9   2     2,3    2,4   2,6   2,7   2,8   2,9   2,9   3     3,2   5,3   8,4
      Mannen       0,3   0,4   0,5   0,5   0,7   0,7   1,1   1,2   1     0,7   1,6   1,9   1,7   1,6   1,8    2     1,8   2,1   3,1   2,8   2,5   2,8   1,4   3     4,8   8,1


                                                                                                                                                                  GII.5




                                                        Werkgroep Indicatoren NAPIncl                                                                                 66
II.4 Toegang van sommige bevolkingsgroepen tot de werkgelegenheid: verschil inzake
werkzaamheids- en werkloosheidsgraad (in procentpunten) tussen:
- de bevolking van vreemde, niet EU15 nationaliteit en de bevolking van EU15 nationaliteit;
- de bevolking met een laag opleidingsniveau (maximum lager secundair onderwijs) en de
totale bevolking;
- de bevolking met een handicap en de totale bevolking.
Naar gewest en geslacht.
Nationale indicator
LFS – NIS (NAP Werkgelegenheid 2004)

            verschil in werkzaamheidsgraad (in procentpunten) tussen de bevolking van vreemde, niet EU25,
             nationaliteit en de bevolking van EU25 nationaliteit naar geslacht, België en de gewesten, 2004



                    -31,2
                                  -27,1                                                                    WA
                                             -23,7



          -34,9
                                   -26,8                                                                   FL
                                                                         -16,2
                                                                                                                            vrouw
                                                                                                                            totaal
                                                                                                                            man
                                   -26,6
                                                     -22,2                                                     BX
                                                                 -18,5



                   -31,7
                                   -26,6                                                                       BE
                                                        -21,3


 -40         -35            -30              -25                -20              -15   -10      -5                  0
                                                                %

                                                                                                                    GII.6




                                           Werkgroep Indicatoren NAPIncl                                                67
           Verschil in werkloosheidsgraad (in procentpunten) tussen de bevolking van vreemde, niet EU25,
            nationaliteit en de bevolking van EU25 nationaliteit naar geslacht, België en de gewesten, 2004



                                                                                                       26,1
WA                                                                                                            27,8
                                                                                                                     29,2



                                                                                                        26,7
 FL                                                                            20,4
                                                                17,3
                                                                                                                                                       vrouw
                                                                                                                                                       Totaal
                                                                                                                                                       man
                                                                  18,2
 BX                                                                              20,7
                                                                                      21,9



                                                                                                24,7
 BE                                                                                            24,3
                                                                                               24,4


      0           5            10                 15                      20                   25                    30          35            40
                                                                          %

                                                                                                                                               GII.7




                 Verschil in werkzaamheidsgraad (in procentpunten) tussen de bevolking met een laag
          opleidingsniveau (maximum lager secundair onderwijs) en de totale bevolking naar geslacht, België
                                               en de gewesten, 2005



                                                       -21,5
                                                                 -19,1                                                                WA
                                                                               -17



                                    -25,3
                                                        -21,2                                                                         FL
                                                                         -17,4
                                                                                                                                                vrouw
                                                                                                                                                totaal
                                                                                                                                                man
                                             -23,4
                                                          -21                                                                         BX
                                                                  -18,6



                                        -24,1
                                                         -20,7                                                                        BE
                                                                         -17,6


-40         -35          -30                -25                  -20                     -15                  -10           -5             0
                                                                  %




                                                                                                                                               GII.8




                                       Werkgroep Indicatoren NAPIncl                                                                                68
                 Verschil in werkloosheidsgraad (in procentpunten) tussen de bevolking met een laag
         opleidingsniveau (maximum lager secundair onderwijs) en de totale bevolking naar geslacht, België
                                               en de gewesten, 2005



                                        9,3
WA                          6,3
                   4,7



                      5
FL          3,5
          2,8
                                                                                                                   vrouw
                                                                                                                   totaal
                                                                                                                   man
                                                             14,9
BX                                                   12,3
                                              10,8



                                  7,7
BE                        5,6
                  4,4


     0            5                     10                  15      20        25      30      35              40
                                                                    %

                                                                                                      GII.9




                                                      Werkgroep Indicatoren NAPIncl                                    69
             Verschil in werkzaamheidsgraad (in procentpunten) tussen de bevolking met een handicap en de
                               totale bevolking naar geslacht, België en de gewesten, 2002



                                                                                                  -12,9
                                                                                           -14,3                                    WA
                                                                                   -16,4



                                                                       -19,3
                                                                               -17,8                                                    FL
                                                                                  -16,8
                                                                                                                                                      vrouw
                                                                                                                                                      totaal
                                                                                                                                                      man
                                                                         -19
                                                          -23,2                                                                         BX
                                                  -24,8



                                                                               -17,6
                                                                                -17,4                                                   BE
                                                                               -17,8


-40              -35                     -30          -25               -20                 -15           -10        -5                      0
                                                                         %

                                                                                                                               GII.10




             Verschil in werkloosheidsgraad (in procentpunten) tussen de bevolking met een handicap en de
                               totale bevolking naar geslacht, België en de gewesten, 2002



                         2
      WA           0,7
      -0,2



                                           6,5
       FL                     3,4
                       1,4
                                                                                                                                                      vrouw
                                                                                                                                                      totaal
                                                                                                                                                      man
                                                      11,3
      BX                                                               16,4
                                                                                   19,4



                                          6,1
      BE                           4,1
                             2,8


-5           0                      5            10               15               20                25         30        35                 40
                                                                         %

                                                                                                                                             GII.11




                                                  Werkgroep Indicatoren NAPIncl                                                                   70
1.2 Afwezigheid van betaald werk op het niveau van het huishouden

II.5 Bevolking die leeft in huishoudens zonder betaald werk:
a) Kinderen: percentage kinderen (0 tot 17 jaar oud) die leven in een huishouden zonder
betaald werk in verhouding tot alle kinderen.
b) Volwassenen op actieve leeftijd: percentage volwassenen (18 tot 59 jaar oud) die leven
in een huishouden zonder betaald werk in verhouding tot alle volwassenen in die
leeftijdscategorie. Studenten van 18 tot 24 jaar die leven in een huishouden dat alleen uit
studenten bestaat worden noch in de teller, noch in de noemer geteld. Naar geslacht.
Primaire indicator sociale inclusie+overkoepelende indicator
Naar gewest.
LFS - Eurostat




                              Werkgroep Indicatoren NAPIncl                             71
                       P e r c e n ta g e k in d e r e n (0 -1 7 ) d a t le e ft in e e n h u is h o u d e n z o n d e r b e ta a ld w e r k , E U , 2 0 0 5

     18


     16


     14


     12


     10
%




      8


      6


      4


      2


      0
           SI     LU   CY     EL     PT     ES       IT     FI     DK      LT     AT      NL     CZ      LV     MT      EE     FR     EU25    DE       IE       BE       SK      HU       UK
    2005   2 ,7   3    3 ,5   4 ,1   4 ,3   5 ,4    5 ,6   5 ,7     6      6 ,2   6 ,4    6 ,9   8 ,1    8 ,3   8 ,9    9 ,1   9 ,5    9 ,6   1 0 ,9   12      1 2 ,9   1 3 ,8   1 4 ,2   1 6 ,5


                                                                                                                                                                                                   GII.12




                                                                        Werkgroep Indicatoren NAPIncl                                                                                                  72
                     Percentage kinderen (0-17) dat leeft in een huishouden zonder betaald werk, EU,België en enkele
                                                           buurlanden, 1995-2005

            25




            20




            15
%




            10




                5




                0
                       1995        1996    1997        1998          1999   2000   2001        2002   2003      2004        2005
           EU25                                                                    9,5         9,8     9,8       9,8         9,6
           BE          12,3        12,3    11,8        12,9          11,3   10,8   12,9        13,8    13,9      13,2       12,9
           DE          8,3         9,1     10,2         10           9,5     9     8,9         9,3     10,3      10,9       10,9
           NL          9,7         8,9     7,5         7,5           6,9     8      6           6       7         7          6,9
           UK          20,4        20,1    18,9        18,9          18,4    17     17         17,4    17        16,8       16,5
           FR          9,2         9,6     10,1        9,8           9,9    9,4    9,2         9,6     9,5       9,6         9,5


                                                                                                                         GII.13




                    Percentage kinderen (0-17) dat leeft in een huishouden zonder betaald werk, België en de gewesten,
                                                                    2004

    30




    25




    20
%




    15




    10




      5




      0
                              BE                              BX                         FL                       WA
    2004                      13                              24,1                       6,9                     19,7


                                                                                                                         GII.14




                                                  Werkgroep Indicatoren NAPIncl                                              73
                    P e r c e n ta g e v o lw a s s e n e n (1 8 -5 9 ) d a t le e ft in e e n h u is h o u d e n z o n d e r b e ta a ld w e r k n a a r g e s la c h t, E U ,
                                                                                              2005

           18


           16


           14


           12


           10
%




                8


                6


                4


                2


                0
                    CY     PT     LU     LT     ES     SI     CZ     NL     LV       MT     IE     DK      EE       EL      AT      IT      EU25      SK       FR       FI      UK       DE       HU        BE       PL
    v ro u w e n    6 ,2   5 ,8   8 ,1   6 ,4   7 ,2   7 ,1    9      9     7 ,6     9 ,9   9 ,8   8 ,8     7      1 0 ,7   9 ,7   1 0 ,8   1 1 ,2   1 0 ,9   1 1 ,8   1 0 ,9   1 2 ,8   1 1 ,4   1 3 ,1   1 5 ,4   1 6 ,6
    to ta a l       5 ,2   5 ,5   6 ,5   6 ,6   6 ,7   6 ,7   7 ,4   7 ,9   8 ,1     8 ,2   8 ,4   8 ,5   8 ,5     8 ,5     8 ,8   9 ,5     1 0 ,2   1 0 ,2   1 0 ,7    11       11      1 1 ,1   1 2 ,3   1 3 ,5   1 5 ,3
    m annen         4 ,2   5 ,1    5     6 ,9   6 ,2   6 ,3   5 ,8   6 ,9   8 ,7     6 ,5   7 ,2   8 ,3   1 0 ,2   6 ,4     7 ,8   8 ,3     9 ,2     9 ,5     9 ,6     1 1 ,2   9 ,2     1 0 ,8   1 1 ,6   1 1 ,6    14


                                                                                                                                                                                                                             GII.15




                                                                                   Werkgroep Indicatoren NAPIncl                                                                                                                 74
                 Percentage volwassenen (18-59) dat leeft in een huishouden zonder betaald werk, EU, België en
                                                enkele buurlanden, 1995-2005

          16


          14


          12


          10
%




             8


             6


             4


             2


             0
                  1995         1996   1997        1998          1999   2000   2001          2002   2003   2004        2005
       EU25                                                                   10,1          10,2   10,2    10,3       10,2
       BE         14,1         14,1   14,3        14,4           13    12,4   13,8          14,2   14,4    13,7       13,5
       DE         10,6         10,9   11,4        11,1          10,5   9,7    9,7            10    10,6    11,1       11,1
       FR          11          10,9   11,4        11,3          11,3   10,7   10,3          10,4   10,6    10,8       10,7
       NL          11          10,2   8,9         8,8           7,8    7,6    6,9           6,7     8       8          7,9
       UK         13,7         13,5   12,9        12,5          11,8   11,3   11,1          11,3   10,9    11          11


                                                                                                                   GII.16




                 Percentage volwassenen (18-59) dat leeft in een huishouden zonder betaald werk, België en de
                                                       gewesten, 2004

      25




      20




      15
%




      10




        5




        0
                         BE                              BX                          FL                     WA
    vrouw                 16                             23,2                        11,7                   21,4
    totaal               13,8                            21,5                        9,8                    18,6
    man                  11,6                            19,8                        7,9                    15,9


                                                                                                                   GII.17




                                             Werkgroep Indicatoren NAPIncl                                             75
2. Arbeid en gebrek aan inkomen

II.6 Armoederisico van werkenden: percentage personen die als 'werkend' worden beschouwd
volgens de meest frequente activiteitsstatus definitie (ind. I.4.b.) (werknemers en
zelfstandigen) en die geconfronteerd worden met armoederisico.
Naar kenmerken van de persoon, het huishouden en de job.
Context informatie sociale inclusie+overkoepelende indicator
EU-SILC 2004 – Algemene Directie Statistische en Economische Informatie/Eurostat

                           Percentage personen dat als werkend wordt beschouwd volgens de meest frequente
                      activiteitsstatus (definitie ind. I.4b) en met een armoederisico wordt geconfronteerd, EU, 2003

      16



      14



      12



      10
  %




        8



        6



        4



        2



        0
             CZ   BE     FI   SI   DK   FR   CY    HU   NL   SE   AT   IE   UK   LU   DE EU25   LV   EE   IT   LT   ES   PL   EL     PT     SK
      2003   3    4      4    4    5    5    6      6   6    6    7    7    7    8    9   9     9    10   10   10   11   12   13     13     15


                                                                                                                                   GII.18




                                                  Werkgroep Indicatoren NAPIncl                                                           76
                      Percentage personen dat als werkend wordt beschouwd volgens de meest frequente
                    activiteitsstatus en geconfronteerd wordt met een armoederisico naar enkele persoonlijke
                                                     kenmerken, België, 2003

     4


    3,5


     3


    2,5
%




     2


    1,5


     1


    0,5


     0
                                                                                                  onderwijs-     onderwijs-   onderwijs-
           totaal               man      vrouw              18-24     25-49    50-64
                                                                                                 niveau laag   niveau midden niveau hoog
    2003     2                   2,6      1,4                1,2       3,5      1,3                  1,9            2,5          1,5


                                                                                                                           GII.19




                                          Werkgroep Indicatoren NAPIncl                                                          77
                          Percentage personen dat als werkend wordt beschouwd volgens de meest frequente
                    activiteitsstatus en met een armoederisico wordt geconfronteerd naar type huishouden, België,
                                                                2003


            1 ouder, tenminste 1 afh. Kind                                                                                                                         4,6

2 volwassenen, 3 of meer afh. Kinderen                                                                                                                          4,5

            alle huishoudens met kinderen                                                                                       3,1

                     1 persoon, man, <65                                                                                    3

      andere huishoudens met kinderen                                                                                       3

2 volwassenen, 2 afhankelijke kinderen                                                                                      3

                    1 persoon vrouw, <65                                                                          2,5

                                     totaal                                                           2

                                1 persoon                                                   1,8

       2 volwassenen, 1 afhankelijk kind                                                1,7

           2 volw (geen kind.), beiden <65                                            1,6

       alle huishoudens zonder kinderen                                  1,2

  andere huishoudens zonder kinderen                        0,6

    2 volw (geen kind.), minstens 1 >=65              0,4

                                              0       0,5         1             1,5               2             2,5     3             3,5          4         4,5              5
                                                                                                                %

                                                                                                                                                                GII.20




                          Percentage personen dat als werkend wordt beschouwd volgens de meest frequente
                        activiteitsstatus en geconfronteerd wordt met een armoederisico (enkel werknemers) naar
                                                        jobkenmerken, België, 2003

       6




       5




       4
%




       3




       2




       1




       0
               werkte geen
                               werkte volledig jaar                   <30 uur per week        >=30 uur per week                        permanent contract   tijdelijk contract
               volledig jaar
     2003           5                  4,2                                     5,5                        3,4                                  2                   4,7


                                                                                                                                                                GII.21




                                                      Werkgroep Indicatoren NAPIncl                                                                                      78
3. Regionale cohesie

II.7 Regionale cohesie: variatiecoëfficiënt van de werkzaamheidsgraden op NUTS 2
niveau (provincies in België).
Naar geslacht.
Context informatie sociale inclusie+overkoepelende indicator
Naar gewest.
LFS – FOD Sociale Zekerheid/Eurostat

                 Regionale cohesie: variatiecoëfficiënt van de werkzaamheidsgraad op NUTS2 niveau (provincies in
                                                   België) naar geslacht, EU, 2004

    30




    25




    20




    15




    10




      5




      0
           NL       AT     PT    EL     SE       FI    CZ    UK    DE    PL    FR     BE     ES    SK     HU     EU25         IT
  vrouw    2,8      3,2    5,9   8,3    4,3      6,2   6,6   6,5   5,9   7,6   8,7   10,7   14,8   10,5   10,6     17,3   25,7
  totaal   2,3      3,5    3,5   4,1    4,4      5,5   5,6   5,8   6,2   6,4   7,1    8,7   8,7     9     9,4      12,2   15,6
  man      2,1      3,9    3,2   2,5    4,8      5,2   5,1   5,7   7,6   6     5,9    7,2   5,5    8,1    8,6      10,2   8,7


                                                                                                                     GII.22




                                              Werkgroep Indicatoren NAPIncl                                               79
         Regionale cohesie: variatiecoëfficiënt van de werkzaamheidsgraad op NUTS2 niveau (provincies in
                                België) naar geslacht, België en de gewesten, 2004

  12




  10




    8




    6




    4




    2




    0
                     BE                                   FL                                   WA
vrouw               10,7                                  5,6                                  6,9
totaal               8,7                                  3,2                                  5,7
man                  7,2                                  1,4                                  4,8


                                                                                                           GII.23




                                  Werkgroep Indicatoren NAPIncl                                                80
III. HUISVESTING

1. Sociale huisvesting

III.1 Percentage van de bevolking dat leeft in een woning gehuurd van een overheids-, of
gemeenschapsinstelling 16.
Naar geslacht, leeftijd, activiteitsstatus, opleidingsniveau (p.m.), type huishouden,
inkomensniveau, gewest.
Nationale indicator
Indicator anders bevraagd in EU-SILC 2004
Percentage van de bevolking dat leeft in een woning waarvan de huurprijs zich onder de
marktprijs situeert
EU-SILC 2004 – Algemene Directie Statistische en Economische Informatie


                Percentage van de bevolking dat leeft in een woning met een huurprijs onder de
                                   marktprijs, België en de gewesten, 2003

           8


           7


           6


           5
     %




           4


           3


           2


           1


           0
                          BE                                FL                               WA
         2003             4,5                               4,6                              4,3

                                                                                                        GIII.1




16
  Omwille van de te beperkte steekproefomvang voor het Brussels Hoofdstedelijk Gewest worden hier geen
resultaten voor Brussel getoond. De Socio-economische enquête van het NIS (2001) is een alternatieve bron die
wel cijfers voor Brussel oplevert.

Percentage personen die leven in een woning, gehuurd van:

                                 Brussel-
                                                 Vlaams Gewest         Waals Gewest            België
                                Hoofdstad
Een maatschappij voor
sociale woningen                     8,3%                    4,5%                 6,5%                  5,5%
Een andere openbare
instelling (OCMW,
gemeente...)                         1,8%                    0,7%                 0,7%                  0,8%
Totaal                              10,1%                    5,2%                 7,2%                  6,3%
Bron: NIS Socio-economische Enquête 2001.


                                     Werkgroep Indicatoren NAPIncl                                           81
         Percentage van de bevolking dat leeft in een woning met een huurprijs onder de
                                           marktprijs

    9

    8

    7

    6

    5
%




    4

    3

    2

    1

    0
            werkend                werkloos              gepensioneerd          andere inactieve
    BE        2,9                     8,2                     5,4                     4,8

                                                                                             GIII.2




                             Werkgroep Indicatoren NAPIncl                                         82
III.2 Huishoudens op wachtlijsten voor een sociale huurwoning (verhuurd door de
maatschappijen die erkend zijn door de 3 gewestelijke huisvestingsmaatschappijen) in
verhouding tot het aanbod van zo'n woningen.
Naar gewest.
Nationale indicator
Administratieve data - Gewesten

                            Verhouding van het aantal huishoudens op een wachtlijst voor een sociale huurwoning tot het aantal
                                   sociale huurwoningen, in absolute aantallen en percentage, naar gewest, 2004/2005

                                              160000                                                                             90


                                              140000                                                                             80


                                                                                                                                 70
                                              120000

                                                                                                                                 60
                                              100000
 absoluut aantal




                                                                                                                                 50




                                                                                                                                      %
                                                80000
                                                                                                                                 40

                                                60000
                                                                                                                                 30

                                                40000
                                                                                                                                 20

                                                20000                                                                            10


                                                     0                                                                           0
                                                            BX (2004)                  FL(2005)                    WA (2004)
                   aantal huishoudens op wachtlijst (A)      30219                      58215                        49996
                   aantal sociale huurwoningen (B)           38870                      136105                      103107
                   (A) in % van (B)                           77,74                      42,77                       48,49




                                                          Werkgroep Indicatoren NAPIncl                                               83
III.3 Aantal sociale huurwoningen (verhuurd door de maatschappijen die erkend zijn
door de 3 gewestelijke huisvestingsmaatschappijen) in verhouding tot het aantal private
huishoudens.
Naar gewest.
Nationale Indicator
Administratieve data - Gewesten / Demografische statistieken - NIS


             Evolutie van het aantal sociale huurwoningen in verhouding tot het aantal private
                              huishoudens, België en de gewesten, 1991-2004

         9

         8

         7

         6

         5
  %




         4

         3

         2

         1

         0
               1991    1995     1996    1997    1998     1999     2000   2001     2002    2003     2004
        BX      8       8,1     8,1      8,2     8,3     8,2      8,2     8,1              7,9      7,9
        FL              5,2     5,3      5,3     5,4     5,4      5,4     5,4     5,3      5,4      5,4
        WL              7,4     7,3      7,3     7,3     7,3      7,3     7,2     7,2      7,2      7,1
        BE              6,2     6,3      6,3     6,3     6,3      6,3     6,3              6,2      6,3

                                                                                                 GIII.3




                                  Werkgroep Indicatoren NAPIncl                                       84
2. De kost van huisvesting

III.4 Huurkosten in % van het beschikbaar inkomen: het percentage van de
huishoudens met een inkomen beneden het mediaaninkomen die meer dan 33% van het
gezinsbudget uitgeven aan huur.
Nationale Indicator
Gezinsbudgetenquête – Algemene Directie Statistische en Economische Informatie / CSB

                 Percentage huishoudens met een inkomen onder het mediaan beschikbaar huishoudinkomen dat
                              meer dan 33% van het inkomen besteedt aan huur, België, 1998-2004

         16



         14



         12



         10
   %




          8



          6



          4



          2



          0
                             1998                 2000                      2001                      2004
       België                10,1                 13,7                      12,5                       14


                                                                                                             GIII.4
(*) 1999 niet beschikbaar.




                                        Werkgroep Indicatoren NAPIncl                                             85
3. De kwaliteit van huisvesting

III.5 Percentage van de bevolking dat leeft in een woning met één of meer van de
volgende problemen:
- gebrek aan klein comfort;
- twee of meer huisvestingsproblemen;
- gebrek aan ruimte 17.
Naar geslacht, leeftijd, activiteitsstatus, opleidingsniveau (p.m.), type huishouden,
inkomensniveau, gewest.
Nationale Indicator
Indicator anders bevraagd in EU-SILC 2004
Cf. punt 2.2 supra
EU-SILC 2004 – FOD Sociale Zekerheid



                Percentage huishoudens dat leeft in een woning met één of meer van volgende problemen: gebrek
                   aan klein comfort, twee of meer problemen aan de woning, gebrek aan ruimte, België en de
                                                        gewesten, 2004

         30




         25




         20
     %




         15




         10




           5




           0
                             BE                                   FL                                 WA
         2004               23,8                                  18,8                              28,2


                                                                                                                GIII.5




17
     Synthetische indicator gebaseerd op indicatoren III.6, III.7 en III.8.


                                          Werkgroep Indicatoren NAPIncl                                              86
                    Percentage van de bevolking (16 jaar en ouder) dat leeft in een woning met één of meer van
                volgende problemen: gebrek aan klein comfort, twee of meer problemen aan de woning, gebrek aan
                                    ruimte naar activiteitsstatus, België en de gewesten, 2004

                 45


                 40


                 35


                 30


                 25
%




                 20


                 15


                 10


                  5


                  0
                                          BE                                        FL                            WA
     werkend                              19,9                                      16,8                          24
     werkloos                              31                                       19,7                          36,6
     gepensioneerd                        19,5                                      16,1                          25,8
     andere inactive                      25,9                                      19,8                          29,2


                                                                                                                            GIII.6




                    Percentage van de bevolking (16 jaar en ouder) dat leeft in een woning met één of meer van
                volgende problemen: gebrek aan klein comfort, twee of meer problemen aan de woning, gebrek aan
                                           ruimte, naar inkomensniveau, België, 2004

      45


      40


      35


      30


      25
%




      20


      15


      10


       5


       0
                                                                                                       < 60% van het      >= 60% van het
             eerste quintiel   tweede quintiel   derde quintiel   vierde quintiel   vijfde quintiel
                                                                                                      mediaan inkomen    mediaan inkomen
    Série1        36,9               29               24               17,9                13,4            39,1               21,2


                                                                                                                            GIII.7




                                                 Werkgroep Indicatoren NAPIncl                                                    87
III.6 Percentage van de bevolking dat leeft in een woning waarin één van volgende drie
kleine comfortelementen ontbreekt:
- een bad of douche;
- warm stromend water;
- een toilet met waterspoeling in de woning zelf.
Naar geslacht, leeftijd, activiteitsstatus, opleidingsniveau (p.m.), type huishouden,
inkomensniveau, gewest.
Nationale indicator
EU-SILC 2004 – FOD Sociale Zekerheid

                      Percentage huishoudens dat leeft in een woning waarin één van volgende drie kleine
                 comfortelementen ontbreekt: bad of douche, warm stromend water, toilet met waterspoeling in de
                                woning zelf, naar activiteitsstatus, België en de gewesten, 2004

                  45

                  40

                  35

                  30

                  25
  %




                  20

                  15

                  10

                    5

                    0
                                     BE                                FL                               WA
      totaal                         2,9                               2,1                               3,8
      werkend                        1,6                               1,1                               2,1
      werkloos                       4,4                               1,2                               5,7
      gepensioneerd                  7,4                               6,7                               9,5
      andere inactieve               3                                 2,1                               3,7


                                                                                                                  GIII.8




                                           Werkgroep Indicatoren NAPIncl                                               88
                 Percentage van de huishoudens dat woont in een woning waarin één van volgende drie kleine
               comfortelementen ontbreekt: bad of douche, warm stromend water, toilet met waterspoeling in de
                                       woning zelf, naar inkomensniveau, België, 2004

    45


    40


    35


    30


    25
%




    20


    15


    10


      5


      0
                                                                                                     < 60% van het     >= 60% van het
           eerste quintiel   tweede quintiel   derde quintiel   vierde quintiel   vijfde quintiel
                                                                                                    mediaan inkomen   mediaan inkomen
    2004        6,1               4,1               1,9              1,2               1,2                6,2               2,3


                                                                                                                         GIII.9




                                               Werkgroep Indicatoren NAPIncl                                                      89
III.7 Percentage van de bevolking dat leeft in een woning met twee of meer van volgende
huisvestingsproblemen:
- een lekkend dak;
- geen adequate verwarming;
- schimmel en vocht;
- rottende ramen en deuren.
Naar geslacht, leeftijd, activiteitsstatus, opleidingsniveau (p.m.), type huishouden,
inkomensniveau, gewest.
Nationale indicator
Indicator anders bevraagd in EU-SILC 2004
Cf. punt 2.2 supra
EU-SILC 2004 – FOD Sociale Zekerheid

                Percentage van de bevolking dat leeft in een woning met twee of meer van volgende problemen met
                de woning:lekkend dak, geen adequate verwarming,schimmel en vocht, rottende ramen/deuren, naar
                                          aktiviteitsstatus, België en de gewesten, 2004

                  45

                  40

                  35

                  30

                  25
 %




                  20

                  15

                  10

                   5

                   0
                                     BE                               FL                               WA
     Total                          17,6                              13,5                              23
     werkend                        16,3                              13,5                             20,7
     werkloos                       24,2                              15,7                             30,9
     gepensioneerd                  14,4                              11,6                             19,1
     andere inactieve               18,8                              14,6                             22,7


                                                                                                                  GIII.10




                                           Werkgroep Indicatoren NAPIncl                                              90
                      Percentage van de bevolking dat leeft in een woning met twee of meer van volgende
                problemen:lekkend dak, geen adequate verwarming, schimmel en vocht, rottende ramen/deuren,
                                             naar inkomensniveau, België, 2004

      45


      40


      35


      30


      25
%




      20


      15


      10


        5


        0
                                                                                                      < 60% van het   >= 60% van het
             eerste quintiel   tweede quintiel   derde quintiel   vierde quintiel   vijfde quintiel      mediaan         mediaan
                                                                                                         inkomen         inkomen
    Série1        24,1              19,1             17,9               15               11,6              25              16,2

                                                                                                                           GIII.11




                                                 Werkgroep Indicatoren NAPIncl                                                91
III.8 Percentage van de bevolking dat leeft in een woning met minder dan 1 kamer per
lid van het huishouden (badkamer, toilet,… niet meegerekend).
Naar geslacht, leeftijd, activiteitsstatus, opleidingsniveau (p.m.), type huishouden,
inkomensniveau, gewest.
Nationale indicator
EU-SILC 2004 – FOD Sociale Zekerheid

                    Percentage van de bevolking dat leeft in een woning met minder dan 1 kamer per lid van het
                 huishouden (badkamer, toilet, ...) niet meegerekend, naar aktiviteitsstatus, België en de gewesten,
                                                                2004

                  45

                  40

                  35

                  30

                  25
  %




                  20

                  15

                  10

                    5

                    0
                                      BE                                  FL                                 WA
      totaal                          5,4                                 4,6                                3,4
      werkend                         3,1                                 3                                   2
      werkloos                        5,4                                 3,6                                3,5
      gepensioneerd                   0,4                                 0,2                                0,4
      andere inactieve                6,7                                 5,2                                4,6


                                                                                                                       GIII.12




                                            Werkgroep Indicatoren NAPIncl                                                  92
                      Percentage van de bevolking dat leeft in een woning met minder dan 1 kamer per lid van het
                         huishouden (badkamer, toilet, ... niet meegerekend), naar inkomensniveau en enkele
                                                    huishoudtypes, België, 2004

    45


    40


    35


    30


    25
%




    20


    15


    10


     5


     0
                                                                       <60% van >= 60% van                                  2 volw., 2   2 volw., 3 of   andere
           eerste      tweede      derde     vierde        vijfde                               1 volw, min.   2 volw., 1
                                                                      het mediaan het mediaan                                  afh.          + afh.    huish. met
           quintiel    quintiel   quintiel   quintiel     quintiel                               1 afh. kind   afh. kind
                                                                        inkomen     inkomen                                 Kinderen       kinderen     afh. kind.
    2004    11,9         6,7        5,7        2,1          0,7          13,1         4,1           4,4           1,6          5,5          19,7          20,5


                                                                                                                                                   GIII.13




                                                        Werkgroep Indicatoren NAPIncl                                                                     93
IV. GEZONDHEID

1.Risicofactoren

IV.1 Body Mass Index: prevalentie van zwaarlijvigheid (BMI > 30) bij de volwassen
bevolking van 18 jaar en ouder.
Naar geslacht, leeftijd, activiteitsstatus, opleidingsniveau, type huishouden,
inkomensniveau, gewest.
Nationale Indicator
Gezondheidsenquête 2004 - WIV

                    P revalentie van zw aarlijvigheid (B M I 30+) bij de volw assen bevolking (18 jaar en ouder) naar
                                            opleidingsniveau, B elgië en de gew esten, 2004

            25




            20




            15
 %




            10




               5




               0
                                     BE                      BX                         FL                              WA
      totaal                     12,6                        11,8                      11,1                             15,3
       Laag                      19,7                        17,5                      16,4                             22,8
       M idden                   10,6                        9,6                        9,4                             13,3
       H oog                         6,4                     6,9                        5,7                             8,6


                                                                                                                                    GIV.1

                   Prevalentie van zw aarlijvigheid (BMI 30+) onder de volw assen bevolking (18 jaar en ouder) naar
                                                     inkom ensniveau, België, 2004

      18


      16


      14


      12


      10
 %




       8


       6


       4


       2


       0
                   Eerste quintiel         Tweede quintiel          Derde quintiel            Vierde quintiel       Vijfde quintiel
     2004              16,6                    16,2                     14,2                      12,7                        8,5


                                                                                                                                    GIV.2




                                             Werkgroep Indicatoren NAPIncl                                                              94
IV.2 Rookgedrag: percentage zware rokers (+20 sigaretten per dag) in de bevolking van
15 jaar en ouder.
Naar geslacht, leeftijd, activiteitsstatus, opleidingsniveau, type huishouden,
inkomensniveau, gewest.
Nationale Indicator
Gezondheidsenquête - WIV

                        Percentage zware rokers (20 cigaretten of meer per dag) in de bevolking (15 jaar en ouder) naar
                                              opleidingsniveau, België en de gewesten, 2004

          25




          20




          15
  %




          10




             5




             0
                                 BE                          BX                          FL                          WA
      totaal                     10,2                        9,5                         8,4                          12
      laag                       13,4                        12,9                        8,7                         16,4
      midden                     11,2                        9,4                         10,8                        13,1
      hoog                       5,8                         6,9                         5,3                         5,9


                                                                                                                             GIV.3

                        Percentage zware rokers (20cigaretten of meer per dag) in de bevolking (15 jaar en ouder), naar
                                               inkomensniveau, België en de gewesten, 2004

                   25




                   20




                   15
  %




                   10




                    5




                    0
                                        BE                          BX                         FL                     WA
      eerste quintiel                   15,8                        13,8                        8                     23,3
      tweede quintiel                   11,8                        9,7                       8,7                     16,1
      derde quintiel                    10,5                        9,1                    10,2                       9,4
      vierde quintiel                   10,6                        9,3                       9,6                     10,5
      vijfde quintiel                   7,6                         6,5                       6,4                     10,8


                                                                                                                             GIV.4




                                                 Werkgroep Indicatoren NAPIncl                                                   95
2. Gezondheidstoestand

IV.3 Levensverwachting: aantal jaren dat iemand naar verwachting zal leven,
beginnend bij leeftijd 0, 1 en 60.
Naar geslacht.
Context informatie sociale inclusie+context informatie overkoepelende indicatorenset
Demografische statistieken - Eurostat

                                                    Levensverwachting bij geboorte naar geslacht, EU, 2003

   90


   80


   70


   60


   50


   40


   30


   20


   10


     0
          ES     FR      IT    SE      FI    BE     AT     CY     DE     EL     EU 25   LU   NL      IE    MT     UK     PT     SL     DK     PL     CZ     SK     LT     EE     HU     LV
  vrouw   83,6   82,9   82,5   82,5   81,8   81,7   81,6   81,4   81,4   81,3   81,2    81   80,9   80,7   80,7   80,7   80,5   80,4   79,9   78,8   78,7   77,8   77,7   76,9   76,7   75,9
  man     76,9   75,9   76,8   77,9   75,1   75,9   75,9   77     75,7   76,5   75,1    75   76,2   75,8   76,7   76,2   74,2   72,6   75,1   70,5   72,1   69,9   66,5   66     68,4   65,7


                                                                                                                                                                               GIV.5




                                                           Werkgroep Indicatoren NAPIncl                                                                                              96
IV.4 Levensverwachting in goede gezondheid bij geboorte, op 45 en 65 jaar (uitgedrukt
in jaren).
Naar geslacht (en sociaal-economische status)
Context informatie sociale inclusie+overkoepelende indicator

              levensverwachting in goede gezondheid bij geboorte voor mannen en vrouwen, België, 1995-2003

        70


        69


        68


        67


        66


        65


        64


        63


        62


        61


        60
                1995        1996        1997       1998        1999        2000        2001       2002       2003
    mannen      63,3        64,1        66,5        63,3        66         65,7        66,6        66,9      67,4
    vrouwen     66,4        68,5        68,3        65,4       68,4        69,1        68,8        69        69,2




                                        Werkgroep Indicatoren NAPIncl                                               97
IV.5 Levensverwachting en levensverwachting in goede gezondheid op 25 jaar naar
opleidingsniveau - verschil tussen het laagste en het hoogste opleidingsniveau
(uitgedrukt in jaren).
Naar geslacht en naar gewest.
Nationale indicator
Volkstelling / Rijksregister / Gezondheidsenquête - WIV

               Levensverwachting in goede en slechte gezondheid op 25 jaar naar geslacht en
                                opleidingsniveau, België 1991-1996/1997

                                      70



                                      60



                                      50



                                      40



                                      30



                                      20



                                      10



                                       0
                                            geen diploma/primair hoger onderwijs   geen diploma/primair hoger onderwijs
                                                            vrouwen                                 mannen
  Levensverwachting in slechte gezondheid           26,2                 14,5              18,3                 8,1
  Levensverwachting in goede gezondheid             28,8                 43,3              29,8                 45,2

                                                                                                                          GIV.6



               Levensverwachting in goede en slechte gezondheid op 25 jaar naar geslacht en
                           opleidingsniveau, Vlaams Gewest 1991-1996/1997

                                      70



                                      60



                                      50



                                      40



                                      30



                                      20



                                      10



                                       0
                                            geen diploma/primair hoger onderwijs   geen diploma/primair hoger onderwijs
                                                            vrouwen                                 mannen
  Levensverwachting in slechte gezondheid           24,6                 10,6              15,6                 6,2
  Levensverwachting in goede gezondheid             30,8                 47,8              33,6                 47,7




                                                                                                                          GIV.7




                                              Werkgroep Indicatoren NAPIncl                                                 98
                Levensverwachting in goede en slechte gezondheid op 25 jaar naar geslacht en
                             opleidingsniveau, Waals Gewest 1991-1996/1997

                                         70



                                         60



                                         50



                                         40



                                         30



                                         20



                                         10



                                          0
                                              geen diploma/primair hoger onderwijs          geen diploma/primair hoger onderwijs
                                                                  vrouwen                                      mannen
Levensverwachting in slechte gezondheid               30,8                   17,9                   21,1                     9,5
Levensverwachting in goede gezondheid                 23,4                    39                    25,1                    42,9

                                                                                                                                           GIV.8




            Verschil in levensverwachting en in levensverwachting in goede gezondheid (in jaren)
              op 25 jaar tussen personen met het laagste en het hoogste opleidingsniveau naar
                               geslacht, België en de gewesten 1991-1996/1997

    20

    18

    16

    14

    12

    10

     8

     6

     4

     2

     0
          Levensverwachting in                       Levensverwachting in                       Levensverwachting in
                                 Levensverwachting                          Levensverwachting                          Levensverwachting
           goede gezondheid                           goede gezondheid                           goede gezondheid
                                      België                                 Vlaams Gewest                               Waals Gewest
                België                                 Vlaams Gewest                               Waals Gewest
vrouwen           14,5                  2,8                  17                     3                  15,6                   2,7
mannen            15,5                  5,2                  14,1                   4,7                17,8                   6,2

                                                                                                                                           GIV.9




                                                Werkgroep Indicatoren NAPIncl                                                                99
IV.6 Kindersterfte naar socio-professionele categorie van de vader (gehuwde koppels)
Nationale indicator
Statistieken burgerlijke stand - NIS / UCL 18


                   Mortinataliteit naar socio-professionele categorie van de vader (gehuwde koppels -
                                        per 1000 levend en doodgeborenen), België

             10

              9

              8

              7

              6

              5

              4

              3

              2

              1

              0
                              1980-1984                      1985-1989                      1990-1994
     categorie 1                4,91                             4                             3,16
     categorie 2                6,21                            5,28                           3,99
     categorie 3                7,51                            5,88                           4,82
     categorie 4                9,41                            8,22                           6,21

                                                                                                           GIV.10



Categorie 1: vrije, medische, paramedische en soortgelijke beroepen
Categorie 2: onderwijzend personeel en administratieve beroepen
Categorie 3: geschoolde arbeiders, handwerkers en handelaars
Categorie 4: gespecialiseerde arbeiders, handlangers e.d.




18
  Godelieve Masuy-Stroobant, Catherine Gourbin, Bernard Masuy Gezondheid, foetale en kindersterfte.
Evolutie van de risicofactoren op regionaal niveau van 1980 tot 1994. In Statistische studiën NIS nr. 107, 2001.


                                            Werkgroep Indicatoren NAPIncl                                    100
             Kindersterfte binnen de 0-6 verstreken dagen naar socio-professionele categorie van
                      de vader (gehuwde koppels - per 1000 levend geborenen), België

         7


         6


         5


         4


         3


         2


         1


         0
                         1980-1984                     1985-1989                      1990-1994
categorie 1                4,49                           3,26                           2,57
categorie 2                5,22                           3,9                            3,02
categorie 3                 6                             4,24                           3,2
categorie 4                6,58                           4,98                           3,94

                                                                                                   GIV.11




              Kindersterfte binnen de 7-364 verstreken dagen naar socio-professionele categorie
                    van de vader (gehuwde koppels - per 1000 levend geborenen), België

         8


         7


         6


         5


         4


         3


         2


         1


         0
                         1980-1984                     1985-1989                      1990-1994
categorie 1                4,19                           4,12                           2,84
categorie 2                4,83                           4,62                           4,09
categorie 3                5,55                           5,36                           4,6
categorie 4                7,09                           6,19                           5,41

                                                                                                   GIV.12




                                       Werkgroep Indicatoren NAPIncl                                101
IV.7 Eigen gezondheidsbeleving naar inkomensniveau: percentage van de bevolking van
16 jaar en ouder in het laagste en het hoogste quintiel van de equivalente
inkomensverdeling dat zijn gezondheidstoestand als slecht of zeer slecht bestempelt.
Naar leeftijd en geslacht.
Nationale indicator
EU-SILC 2004 - Eurostat

                Percentage van de bevolking van 16 jaar en ouder in het laagste en het hoogste inkomenskwartiel
                          dat zijn gezondheidstoestand als slecht of zeer slecht bestempeld, EU, 2004

                60




                50




                40
 %




                30




                20




                10




                  0
                       AT     BE     DK      EE     ES      FI    FR     GR      IE      IT     LU     NO         PT       SE
     eerste kwartiel   38,9   41,2   35,8    37,3   33,7   34     40,1   39,8   55,5    30,8   36,9    27,7   39,2         37,7
     vierde kwartiel   17,4   10,6   11,6    8,6    10,7   14,7   17,6   10,1    5,9    15,7   14,3    14,6   13,2          12


                                                                                                                       GIV.13




                                            Werkgroep Indicatoren NAPIncl                                                102
                 Percentage van de bevolking van 16 jaar en ouder in het laagste en het hoogste inkomensquintiel
                  dat zijn gezondheidstoestand als slecht of zeer slecht bestempelt, België en de gewesten, 2004

                20


                18


                16


                14


                12
%




                10


                 8


                 6


                 4


                 2


                 0
                                   BE                                  FL                                WA
    eerste quintiel                14,2                               12,2                               17,3
    vijfde quintiel                 4                                 2,6                                 7,4


                                                                                                                   GIV14




                                          Werkgroep Indicatoren NAPIncl                                              103
IV.8 Percentage van de bevolking dat als depressief gekwalificeerd wordt op basis van
de SCL-90-R subschaal voor depressie (de aanwezigheid van depressie wordt bepaald op
basis van de aanwezigheid van een bepaald aantal symptomen, 13 items (zelf
verklaard)).
Naar geslacht, leeftijd, activiteitsstatus, opleidingsniveau, type huishouden,
inkomensniveau, gewest.
Nationale indicator
Gezondheidsenquête 2004 - WIV

              Percentage van de bevolking van 15 jaar en ouder dat als depressief gekwalificeerd wordt op basis
                   van de SCL-90-R subschaal voor depressie naar geslacht, België en de gewesten, 2004

       14



       12



       10



         8
 %




         6



         4



         2



         0
                        BE                          BX                          FL                         WA
     totaal             7,9                        10,4                         7,4                        9,7
     man                5,7                         7,3                         5,7                        6,6
     vrouw              9,9                        12,9                         9                          12,5


                                                                                                                  GIV.15




                                        Werkgroep Indicatoren NAPIncl                                               104
               Percentage van de bevolking van 15 jaar en ouder dat als depressief gekwalificeerd wordt op basis
                 van de SCL-90-R subschaal voor depressie naar activiteitsstatus, België en de gewesten, 2004

                      45


                      40


                      35


                      30


                      25
%




                      20


                      15


                      10

                        5


                        0
                                BE                        BX                        FL                        WA
    werkend                     5,3                       6,6                       4,8                       6
    werkloos                    12,1                      14                         8                       16,8
    gepensioneerd               10                        13,3                      9,7                      12,3
    ziek/invalide               38,2                      31,5                     34,4                      38,1
    andere inactieve            6,5                       9,3                        5                        8,3

                                                                                                                           GIV.16



                Percentage van de bevolking van 15 jaar en ouder dat als depressief gekwalificeerd wordt op basis
                  van de SCL-90-R subschaal voor depressie naar inkomensniveau, België en de gewesten, 2004

                 25




                 20




                 15
%




                 10




                    5




                    0
                                BE                         BX                             FL                        WA
    eerste quintiel            17,9                       19,4                           14,8                       20,3
    tweede quintiel            12,2                        9,6                           11,3                       14,5
    derde quintiel             7,5                         9,8                            7                          8
    vierde quintiel            7,9                         8,6                            8                         8,4
    vijfde quintiel            4,7                         6,3                           5,1                        5,9


                                                                                                                           GIV.17




                                          Werkgroep Indicatoren NAPIncl                                                      105
IV.9 Percentage mensen van 16 jaar en ouder die vanwege ziekte, aandoeningen of
handicaps belemmerd worden in hun dagelijkse bezigheden.
Naar inkomensquintielen, geslacht en leeftijd (0-17, 18-64, 65+)
Naar opleidingsniveau (p.m.), type huishouden, inkomensniveau, gewest.
Context informatie sociale inclusie
EU-SILC 2004 – FOD Sociale Zekerheid (voorheen berekend op Gezondheidsenquête)

               Percentage personen van 16 jaar en ouder dat vanwege ziekte, een langdurig gezondheidsprobleem
               of handicap gedurende de laatste 6 maanden gehinderd werd in de activiteiten naar geslacht, belgië
                                                    en de gewesten, 2004

        16


        14


        12


        10
  %




          8


          6


          4


          2


          0
                              BE                                   FL                                   WA
      totaal                  10,1                                 8,6                                  12,5
      man                     8,6                                  7,4                                  10,2
      vrouw                   11,1                                 9,7                                  14,6


                                                                                                                    GIV.18




                                         Werkgroep Indicatoren NAPIncl                                                106
               Percentage personen van 16 jaar en ouder die vanwege ziekte, een langdurig gezondheidsprobleem
                    of handicap gedurende de laatste 6 maanden werden gehinderd in hun activiteiten naar
                                        inkomensniveau, België en de gewesten, 2004

                 18

                 16

                 14

                 12

                 10
%




                     8

                     6

                     4

                     2

                     0
                                  BE                                FL                               WA
    eerste quintiel               15,7                              14,8                             16,7
    tweede quintiel               13,5                              11,6                             16,6
    derde quintiel                10,4                              9,4                              11,7
    vierde quitiel                 6                                4,8                               9
    vijfde quintiel                5                                4,4                               6,9


                                                                                                                GIV.19




                                         Werkgroep Indicatoren NAPIncl                                            107
IV.10 Incidentie van tuberculose: het aantal nieuwe gevallen van actieve tuberculose
(m.i.v. recidieven) per 100.000 inwoners.
Naar geslacht, nationaliteit, gewest, provincie en naar de grote steden.
Nationale indicator
Administratieve data – VRGT / FARES

                       Nieuwe gevallen van TBC per 100.000 inwoners, België en de gewesten, 1995-2004

                45


                40


                35


                30


                25


                20


                15


                10


                 5


                 0
                       1995        1996          1997            1998         1999    2000      2001           2002           2003         2004
    België             13,6         13,3          12,7           11,8         12,4     12,8      12,9          12,7           10,9         11,8
    Brussel            34,9         37,4          36,5           32,5         32,0     38,2      36,7          42,6                        34,2
    Vlaams Gewest      10,7         10,4           9,4           9,2          9,2      9,6       10,2           9,4                        9,4
    Waals Gewest       12,6         11,6          11,7           10,5         12,6     11,3      12,8           9,8                        9,4

                                                                                                                                           GIV.20-2



                     Nieuwe gevallen van TBC per 100.000 inwoners naar nationaliteit, België

                                    250




                                    200




                                    150




                                    100




                                     50




                                      0
                                           1995          1996       1997       1998   1999    2000      2001          2002       2003
  totaal                                   13,6          13,3          12,7    11,8   12,4    12,8      12,9          12,7       10,9
  Belgen                                    10            9,7           9,4     8,3    8,7     8,1       7,6           6,8           5,5
  Niet Belgen                               50           47,4          46,1    47,3   51,7    61,9      70,7          78,1       71,5
  Niet Belgen uit hoge incidentie landen   110,3         113,9     105,3      111,1   135,1   162,2     190,2         234,4     216,3

                                                                                                                                           GIV.20-1




                                              Werkgroep Indicatoren NAPIncl                                                                       108
                Nieuwe gevallen van TBC per 100.000 inwoners, Belgische steden met meer dan
                                          100.000 inwoners, 2003

  40



  35



  30



  25



  20



  15



  10



   5



   0
            Namur             Gent               Brugge           Liège            Charleroi      Antwerpen           Brussel
2003            6,6           7,5                  10,3            18,4               20             24,1              36,1

                                                                                                                                  IV.21


           Nieuwe gevallen van TBC per 100.000 Belgische inwoners naar provincie, België 2003
 16



 14



 12



 10



  8



  6



  4



  2



  0
          West-      Oost-   Luxembour   Brabant      Vlaams-                                                           Brussel
                                                                Antwerpen   Namur       Liège    Limburg    Hainaut
       Vlaanderen Vlaanderen     g        wallon      Brabant                                                            Hfdst.
2003      2,8         3        4,2         4,3            4,5      4,6       5,1           5,2     5,3        9,2        13,4

                                                                                                                                  IV.22




                                            Werkgroep Indicatoren NAPIncl                                                         109
           Nieuwe gevallen van TBC per 100.000 niet Belgische inwoners naar provincie, België
                                                 2003

140



120



100



 80



 60



 40



 20



  0
                 Brabant                                          Vlaams-      Oost-     Brussel                  West-
       Hainaut             Limburg   Namur   Liège   Luxembourg                                    Antwerpen
                 wallon                                           Brabant   Vlaanderen    Hfdst.               Vlaanderen
2003    22,8       37       44,1      49     55,4       61,1       64,3        85,5       99,9       105,1       131,1


                                                                                                                            GIV.23




                                       Werkgroep Indicatoren NAPIncl                                                         110
3. Toegang tot gezondheidszorg - socio-economische gevolgen

IV.11 Screening van kanker: percentage van de vrouwelijke bevolking van 15 jaar en
ouder dat geen baarmoederhals-uitstrijkje liet uitvoeren in de afgelopen drie jaar.
Naar leeftijd, activiteitsstatus, opleidingsniveau, type huishouden, inkomensniveau,
gewest.
Nationale indicator
Gezondheidsenquête 2004 - WIV

                 Percentage vrouwen (15 jaar en ouder) dat in de afgelopen drie jaar geen baarmoederhals-uitstrijkje
                                liet uitvoeren naar opleidingsniveau, belgië en de gewesten, 2004

         70



         60



         50



         40
  %




         30



         20



         10



             0
                            BE                          BX                          FL                          WA
      laag                  55,7                        57,6                        62,1                        50
      midden                39,3                        40,8                        39,9                        37,3
      hoog                  28,1                         23                         30,6                        30


                                                                                                                       GIV.24




                                            Werkgroep Indicatoren NAPIncl                                               111
               Percentage vrouwen (15 jaar en ouder) dat in de afgelopen drie jaar geen baarmoederhals-uitstrijke
                              liet uitvoeren naar inkomensniveau, België en de gewesten, 2004

                 80


                 70


                 60


                 50
%




                 40


                 30


                 20


                 10


                      0
                               BE                        BX                         FL                        WA
    eeste quintiel            62,9                       61,7                      67,1                       63,4
    tweede quintiel           54,1                       48,1                      58,9                       46,5
    derde quintiel            47,4                       43,8                      50,8                       48,1
    vieerde quintiel          38,1                       31,3                      39,9                       39,4
    vijfde quintiel           27,4                       20,2                      32,2                       26


                                                                                                                     GIV.25




                                         Werkgroep Indicatoren NAPIncl                                                 112
IV.12 Percentage mensen dat leeft in huishoudens waar de referentiepersoon en/of enig
ander lid van het huishouden in het voorbije jaar gezondheidszorgen heeft moeten uit-
of afstellen om financiële redenen. Naar inkomensquintiel.
Primaire indicator sociale inclusie+overkoepelende indicator
 Naar geslacht, leeftijd, activiteitsstatus, opleidingsniveau, type huishouden, gewest.
Indicator voorheen via andere methode berekend op Gezondheidsenquête, cf. punt 2.2 supra
Gezondheidsenquête 2004 – WIV

                Percentage personen dat leeft in een huishouden waar de referentiepersoon en/of enig ander lid in
                het voorbije jaar gezondheidszorgen heeft moeten uit- of afstellen om financiële redenen, België en
                                                       de gewesten, 2004

                                                     8


                                                     7


                                                     6


                                                     5
  %




                                                     4


                                                     3


                                                     2


                                                     1


                                                     0
                                                                BE                   FL                         WA
      uitstel raadpleging doctor/medische ingreep               1,8                  1,1                        2,7
      uitstel raadpleging doctor/medische ingreep EN/OF         4,3                  2,5                        6,7
      tandarts

                                                                                                                      GIV.26




                                                    Werkgroep Indicatoren NAPIncl                                       113
              Percentage personen dat leeft in een huishouden waar de referentiepersoon en/of enig ander lid in
                het voorbije jaar gezondheidszorgen heeft moeten uit- of afstellen om financiële redenen, naar
                                                inkomensniveau, België, 2004

                                                  12



                                                  10



                                                   8
%




                                                   6



                                                   4



                                                   2



                                                   0
                                                         eerste quintiel   tweede quintiel   derde quintiel   vierde quintiel   vijfde quintiel
    uitstel raadpleging doctor/medische ingreep                5                2,6               1,3              0,1               0,2
    uitstel raadpleging doctor/medische ingreep OF             10               6,3               3,5              1,2               0,3
    tandarts

                                                                                                                                    GIV.27




                                                       Werkgroep Indicatoren NAPIncl                                                       114
                 Percentage personen (15 jaar +) dat leeft in een huishouden waar de referentiepersoon en/of enig
                    ander lid in het voorbije jaar gezondheidszorgen heeft moeten uit-of afstellen om financiële
                                             redenen, naar activiteitsstatus, België, 2004

                                                    14



                                                    12



                                                    10



                                                     8
%




                                                     6



                                                     4



                                                     2



                                                     0
                                                               werkend                        werkloos                 gepensioneerd            invalide/ziek        andere inactieve
      uitstel raadpleging doctor/medische ingreep                   0,8                         5,7                         0,9                      7                     2,5
      uitstel raadpleging doctor/medische ingreep OF                2,1                         11,8                        2,5                     12,1                   5,1
      tandarts

                                                                                                                                                                              GIV.28




                  Percentage personen dat leeft in een huishouden waar de referentiepersoon en/of enig ander lid
                   van het huishouden in het voorbije jaar gezondheidszorgen heeft moeten uit- of afstellen om
                                     financiële redenen naar type huishouden, België, 2004


         alleenst. ouder, tenminste 1 afh. Kind                                                                                                                        10,3
                                                                                                                  5,1
                 alleenstaande vrouw, -65 jaar                                                                                                       8,4
                                                                                                3,6
       2 volwassenen, 3 of meer afh. kinderen                                                                                             7,5
                                                                             1,9
                    allenstaande man, -65 jaar                                                                                    6,4
                                                                                          3,1
    alle huishoudens met afhankelijke kinderen                                                                   5
                                                                                 2,1
                alleenstaande man, >= 65 jaar                                                                    4,9
                                                                          1,6
                                           totaal                                                          4,3
                                                                            1,8
             2 volwassenen, 1 afhankelijk kind                                                       3,8
                                                                             1,9
             alle huishoudens zonder afh. kind.                                                 3,5
                                                                          1,6
       2 volw. (geen afh. kind.), beiden<65 jaar                                               3,4
                                                                                  2,2
        andere huishoudens met afh. kinderen                                                  3,3
                                                                          1,6
       2 volwassenen, 2 afhankelijke kinderen                                            3
                                                                      1,4
2 volw. (geen afh. kind.), minstens 1 >=65 jaar                                         2,8
                                                                1
               alleenstaande vrouw, >= 65 jaar                                    2,2
                                                                    1,2
            andere huish. zonder afh. Kinderen                         1,5
                                                         0,1

                                                     0                       2                        4                    6                    8               10                      12
                                                                                                                          %

                                                           uitstel raadpleging doctor/medische ingreep                  uitstel raadpleging doctor/medische ingreep OF tandarts

                                                                                                                                                                          GIV.29




                                                         Werkgroep Indicatoren NAPIncl                                                                                           115
V. ONDERWIJS

V.1 Vroegtijdige schoolverlaters die geen onderwijs of opleiding volgen: aandeel van de
totale bevolking tussen 18 en 24 jaar dat ISCED-niveau 2 (lager secundair onderwijs) of
lager heeft bereikt en geen onderwijs of opleiding heeft gevolgd in de vier weken vóór de
Arbeidskrachtenenquête.
Naar geslacht.
Primaire indicator sociale inclusie+overkoepelende indicator
Naar gewest, activiteitsstatus (ILO), nationaliteit.
LFS - Eurostat

                             Percentage vroegtijdige schoolverlaters (bevolking 18-24 jaar oud) naar geslacht, EU, 2005


           50

           45

           40

           35

           30
   %




           25

           20

           15

           10

            5

            0
                                                                                                                         EU2
                 SI    PL    SK    CZ    DK    SE    FI    AT    LT    LV   HU   IE   FR   LU   BE   EL   NL   EE   UK       CY   IT   ES    PT    MT
                                                                                                                          5
        vrouw    2,8   4     5,7   6,6   7,5   7,9   6,9   8,7   6,2   8,2 11,1 9,6 10,7 13 10,6 9,2 11,2 10,7 13,2 12,7 10,6 17,8 25 30,1 42,8
        totaal   4,3   5,5   5,8   6,4   8,5   8,6   8,7   9,1   9,2 11,9 12,3 12,3 12,6 12,9 13 13,3 13,6 14       14 14,9 18,1 21,9 30,8 38,6 44,5
        man      5,7   6,9   6     6,2   9,4   9,3 10,6 9,5 12,2 15,5 13,5 14,9 14,6 12,8 15,3 17,5 15,8 17,4 14,7 17,1 26,6 25,9 36,4 46,7 46,2


                                                                                                                                            GV.1
(*) EE vrouwen: onbetrouwbare of onzekere data.




                                                     Werkgroep Indicatoren NAPIncl                                                            116
                       Percentage vroegtijdige schoolverlaters (bevolking 18-24 jaar) naar geslacht,
                                                   België, 1995-2005

               20
               18
               16
               14
               12
  %




               10
                   8
                   6
                   4
                   2
                   0
                        1995    1996   1997     1998          1999   2000     2001     2002   2003          2004     2005
          vrouw         13,5     11    11,2     12,3          12,7   10,2     12,3     9,9    10,8          8,3       10,6
          totaal        15,1    12,9   12,7     14,5          15,2   12,5     13,6     12,4   12,8          11,9      13
          man           16,6    14,7   14,2     16,7          17,7   14,8     15       14,9   14,7          15,6      15,3


                                                                                                                   GV.2
LFS – Algemene Directie Statistische en Economische Informatie/Steunpunt WAV

               Percentage vroegtijdige schoolverlaters (bevolking 18-24 jaar) naar geslacht, België
                                             en de gewesten, 2005

           25



           20



           15
 %




           10



               5



               0
                               BE                       BX                       FL                  WA
      Vrouwen                  10,5                    18,4                        8                 12,1
      Totaal                   12,9                    19,4                     10,7                 14,6
      Mannen                   15,2                    20,4                     13,2                 17

                                                                                                                   GV.3




                                              Werkgroep Indicatoren NAPIncl                                          117
                         Percentage vroegtijdige schoolverlaters (bevolking 18-24 jaar) naar
                                  activiteitsstatus, België en de gewesten, 2005

                             60


                             50


                             40
  %




                             30


                             20


                             10


                              0
                                            BE                BX               FL                    WA
       Werkenden (ILO)                  16,5                  22,3            15,2                   18,4
       Werkzoekenden (ILO)              29,2                  49,2            23,3                   28,3
       Niet-beroepsactieven (ILO)           6,8               11,3             4,7                   8,6

                                                                                                              GV.4


Leeswijzer:
16,5% van de werkende 18-24-jarigen in België heeft maximaal een diploma lager secundair onderwijs en volgt
geen opleiding


                Percentage vroegtijdige schoolverlaters (bevolking 18-24 jaar) naar nationaliteit,
                                                 België, 2005

      45,0

      40,0

      35,0

      30,0

      25,0
  %




      20,0

      15,0

      10,0

       5,0

       0,0
                                     Belg                                            Niet-EU-25
       2005                          11,6                                               39,3


                                                                                                            GV.5




                                             Werkgroep Indicatoren NAPIncl                                    118
V.2 Percentage vroegtijdige schoolverlaters naargelang het hoogst bereikte
onderwijsniveau van de ouders en verschil tussen het percentage vroegtijdige
schoolverlaters onder de kinderen van hoog opgeleide versus kinderen van laag
opgeleide ouders.
Nationale indicator
LFS - Eurostat

                       Percentage vroegtijdige schoolverlaters (18-24) naar het hoogst bereikte
                                    onderwijsniveau van de ouders, België 2000

   30




   25




   20




   15




   10




    5




    0
            ISCED 1-2: lager en lager secundair        ISCED 3-4: hoger secundair en post-
                                                                                                   ISCED 5-6: tertiair onderwijs
                         onderwijs                        secundair niet tertiair onderwijs
  BE                          26                                       12                                       3

                                                                                                                                        GV.6



               Verschil tussen het percentage vroegtijdige schoolverlaters (18-24) onder de kinderen
                  van ouders met een laag (ISCED 1-2) en een hoog (ISCED 5-6) opleidingsniveau,
                                               Europese Unie 2000

    40


    35


    30


    25


    20


    15


    10


        5


        0
               FI         SI        SE            AT         EL         SK         FR         BE        IT          ES         HU
  2000         5          7          8            14         14         14         20         23        27          29             35

                                                                                                                                        GV.7




                                                  Werkgroep Indicatoren NAPIncl                                                         119
V.3 Percentage personen met een laag opleidingsniveau - ISCED-2 (lager secundair
onderwijs) of lager – in de bevolking van 25 jaar en ouder.
Naar leeftijd en geslacht.
Secundaire indicator sociale inclusie
Naar gewest, activiteitsstatus (ILO), nationaliteit.
LFS - Eurostat

                     Percentage personen met een laag opleidingsniveau (ISCED2-lager secundair onderwijs of lager) in
                                          de volwassen bevolking (25+), naar leeftijd, EU, 2005

      100

        90

        80

        70

        60
 %




        50

        40

        30

        20

        10

         0
                CZ     SK     PL       SI    SE      FI    EE      AT     LT      DK     DE     HU     IE     NL     FR     BE      LV     CY     EU25   UK     EL     LU      IT    ES     MT     PT
      25-34     6,1    7,5    8,3      8,6   9,4    10,6   11,5    12,6   12,6   13,1    14,7   15,4   18,3   18,6   19,5   19,9    20,1   20,6    22    22,5   23,1   26,5   33,7   36,7   56,6   57,7
      35-44      7     7,5    10,5    16,3   10,5   13,7   4,7     15,7   5,1    15,2    13,8   19,2   30,4   24,2   28,6   28,4    6,8    24,4   27,5   29,2   23,3   36     45,3   46,3   69,3   74,1
      45-54     11,7   14,6   16,5    25,3   18,1   24,1   9,0     23,3   7,7    22,7    15,6   24,3   44,5   30,9   40,0   40,5    11,7   42,2   33,4   30,0   46,6   41,6   53,8   59,2   82,9   81,0
      55-64     16,7   24,1   30,3    30,3   28,4   41,4   20,3    30,6   31,3   25,3    21,1   39,9   59,9   41,1   49,4   52,7    29,5   60,3   44,2   34,7   66,8   49,5   70,8   74,9   86,6   87,2
      65+       36,5   58,8   58,3    51,3   44,1   70,9   35,7    48,9   70,8   54,4    38,0   72,2   74,9   58,2   74,6   73,1    50,1   78,2   66,1   37,4   83,0   64,3   86,1   88,7   91,9   94,3


                                                                                                                                                                                        GV.8

                  Percentage personen met een laag opleidingsniveau (ISCED 2-lager secundair onderwijs of lager) in
                              de volwassen bevolking (25+), naar geslacht, België en de gewesten, 2005

     100,0%


     90,0%


     80,0%


     70,0%


     60,0%
 %




     50,0%


     40,0%


     30,0%


     20,0%


     10,0%


      0,0%
                                      BE                                          BX                                         FL                                          WA
       vrouw                         46,0%                                       40,9%                                      45,6%                                       48,2%
       Totaal                       43,40%                                       38,7%                                      43,2%                                       45,3%
       man                           40,7%                                       36,2%                                      40,7%                                       42,1%


                                                                                                                                                                                        GV.9




                                                                  Werkgroep Indicatoren NAPIncl                                                                                             120
                 Percentage personen met een laag opleidingsniveau (ISCED 2-lager secundair onderwijs of lager),
                                           naar leeftijd, België en de gewesten, 2005

     100,0%

      90,0%

      80,0%

      70,0%

      60,0%
%




      50,0%

      40,0%

      30,0%

      20,0%

      10,0%

       0,0%
                             BE                         BX                         FL                        WA
    25-34 jaar              19,1%                      23,8%                     15,6%                      23,2%
    35-44 jaar              28,2%                      31,1%                     25,9%                      31,5%
    45-54 jaar              39,6%                      37,2%                     38,5%                      42,3%
    55-64 jaar              51,9%                      45,5%                     53,3%                      50,9%
    >64 jaar                73,0%                      60,1%                     75,0%                      73,0%


                                                                                                                     GV.10



                 Percentage personen met een laag opleidingsniveau (ISCED-lager secundair onderwijs of lager) in
                        de volwassen bevolking (25+), naar acitiviteitsstatus, België en de gewesten, 2005

                 100,0%


                  90,0%


                  80,0%


                  70,0%


                  60,0%
%




                  50,0%


                  40,0%


                  30,0%


                  20,0%


                  10,0%


                   0,0%
                                     BE                         BX                      FL                    WA
    Werkenden                       24,4%                      22,1%                24,0%                    26,0%
    Werkzoekenden                   44,5%                      44,2%                43,1%                    45,9%
    Niet-beroepsactieven            66,2%                      57,3%                67,8%                    66,1%


                                                                                                                     GV.11




                                            Werkgroep Indicatoren NAPIncl                                              121
              Percentage personen met een laag opleidingsniveau (ISCED 2-lager secundair onderwijs of lager) in
                         de volwassen bevolking (25+) naar nationaliteit, België en de gewesten, 2005

           100,0%


           90,0%


           80,0%


           70,0%


           60,0%
%




           50,0%


           40,0%


           30,0%


           20,0%


           10,0%


            0,0%
                             BE                        BX                         FL                        WA
    Belg                    42,8%                     37,2%                      43,0%                     43,7%
    Andere EU-25            48,8%                     36,1%                      41,8%                     60,9%
    Niet-EU-25              54,0%                     52,6%                      56,7%                     52,0%


                                                                                                                   GV.12




                                          Werkgroep Indicatoren NAPIncl                                              122
V.4 Percentage jongeren in het buitengewoon onderwijs.
Naar gemeenschap, geslacht en onderwijsniveau.
Nationale indicator
Administratieve data Franse Gemeenschap en Vlaamse Gemeenschap

               Percentage leerlingen in het buitengewoon onderwijs naar onderwijsniveau, Franse Gemeenschap,
                                                     1995-1996/2004-2005

                         7



                         6



                         5



                         4
 %




                         3



                         2



                         1



                         0
                              1995 – 1996 1996 – 1997 1997 – 1998 1998 – 1999 1999 – 2000 2000 – 2001 2001 – 2002               2002 - 2003   2003 - 2004   2004 - 2005
     Kleuter-onderwijs           0,59          0,62          0,63           0,5          0,61          0,62          0,58          0,62          0,51          0,49
     Lager onderwijs             4,04          3,91          3,99          4,06          4,29          4,31          4,49          4,64          4,65          4,81
     Basisonderwijs              2,86          2,81           2,9          2,92          3,11          3,12          3,21          3,31          3,25          3,26
     Secundair onderwijs         3,62          3,61          3,62          3,56          3,65          3,67          3,75          3,77          3,75          3,78


                                                                                                                                                            GV.13

                             Percentage leerlingen in het buitengewoon onderwijs naar onderwijsniveau, Vlaamse
                                                     Gemeenschap, 1995-1996/2004-2005

                         7



                         6



                         5



                         4
 %




                         3



                         2



                         1



                         0
                              1995 – 1996   1996 – 1997   1997 – 1998   1998 – 1999   1999 – 2000   2000 – 2001   2001 – 2002   2002 - 2003   2003 - 2004    2004-2005
     Kleuter-onderwijs           0,67          0,71          0,73          0,73          0,73          0,71           0,7          0,72          0,73          0,76
     Lager onderwijs             5,46          5,54          5,68           5,8          5,92          6,02          6,17          6,24          6,32          6,36
     Basisonderwijs              3,63          3,71          3,85          3,97          4,07          4,13          4,23          4,28          4,32          4,36
     Secundair onderwijs         3,41          3,47          3,54          3,59          3,66          3,67          3,74          3,76          3,78          3,79




                                                                                                                                                            GV.14




                                                      Werkgroep Indicatoren NAPIncl                                                                            123
                 Percentage leerlingen in het buitengewoon onderwijs naar onderwijsniveau en geslacht, Franse
                                                    Gemeenschap, 2004-2005

             7



             6



             5



             4
%




             3



             2



             1



             0
                              kleuter                              lager                             secundair
    meisjes                     0,4                                3,61                                2,65
    totaal                     0,49                                4,81                                3,78
    jongens                    0,58                                5,94                                4,87


                                                                                                                 GV.15




                 Percentage leerlingen in het buitengewoon onderwijs naar onderwijsniveau en geslacht, Vlaamse
                                                     Gemeenschap, 2004-2005

             9


             8


             7


             6


             5
%




             4


             3


             2


             1


             0
                              kleuter                              lager                             secundair
    meisjes                    0,51                                4,88                                2,93
    totaal                     0,76                                6,36                                3,79
    jongens                     1                                  7,79                                4,61


                                                                                                                 GV.16




                                          Werkgroep Indicatoren NAPIncl                                            124
V.5 Percentage jongeren met twee of meer jaar schoolse vertraging.
Naar gemeenschap, naar onderwijsniveau, naar geslacht, naar nationaliteit.
Nationale indicator
Administratieve data Franse Gemeenschap en Vlaamse Gemeenschap

                   Percentage jongeren met twee of meer jaar schoolse vertraging naar onderwijsniveau, Franse
                                             Gemeenschap, 1995-1996/2004-2005

                 25,00




                 20,00




                 15,00
 %




                 10,00




                   5,00




                   0,00
                           1995-1996   1996-1997     1997-1998   1998-1999   1999-2000   2000-2001   2001-2002   2002-2003   2003-2004    2004-2005
     lager onderwijs         2,93        2,79          2,68        2,48        2,48        2,47        2,54        2,55        2,58         2,66
     secundair onderwijs     22,10       20,10         19,50       18,30       17,50       17,00       17,30       16,50       16,90        17,93


                                                                                                                                         GV.17




                                                   Werkgroep Indicatoren NAPIncl                                                           125
                 Percentage jongeren met twee of meer jaar schoolse vertraging naar onderwijsniveau, Vlaamse
                                            Gemeenschap, 1995-1996/2004-2005

                      25




                      20




                      15
%




                      10




                       5




                       0
                            1995-1996   1996-1997      1997-1998       1998-1999   1999-2000        2000-2001         2001-2002   2002-2003     2003-2004          2004-2005
    lager onderwijs              1         1                1                1        1,2               1,3              1,4         1,4            1,56             1,52
    secundair onderwijs         7,6        7,5             7,6               7,2      6,9               6,7              6,6         6,6            6,55             6,78


                                                                                                                                                              GV.18



                      Percentage jongeren met twee of meer jaar schoolse vertraging in het lager onderwijs naar
                                     nationaliteit, Franse en Vlaamse Gemeenschap, 2004-2005

     25,00




     20,00




     15,00
%




     10,00




      5,00




      0,00
              Belgische nationaliteit               niet-Belgische nationaliteit            Belgische nationaliteit                 niet-Belgische nationaliteit
                                        Franse gemeenschap                                                                Vlaamse gemeenschap
    meisjes                     1,80                                  7,86                                    0,83                                   10,85
    totaal                      2,00                                  8,65                                    0,86                                   11,15
    jongens                     2,30                                  9,38                                    0,9                                    11,43


                                                                                                                                                GV.18bis




                                                    Werkgroep Indicatoren NAPIncl                                                                                   126
V.6 Lage score van leerlingen inzake leesvaardigheid: percentage leerlingen van 15 jaar
oud die niveau 1 of lager scoren op de PISA gecombineerde leesvaardigheidschaal.
Secundaire indicator sociale inclusie
Naar geslacht, naar Gemeenschap.
Programme for International Student Assessment - OESO / Ulg19

PISA is een enquête die 15 jaar oude leerlingen test op de mate waarin ze klaar zijn voor het volwassen leven
door meting van leesvaardigheid en geletterdheid op het vlak van wiskunde en wetenschappen.

Wat leesvaardigheid betreft worden vijf niveaus onderscheiden:

Niveau 1 (335 tot 407 punten)

De leerlingen kunnen enkel de meest eenvoudige leestaken oplossen. Ze kunnen expliciet geformuleerde
informatie in een tekst lokaliseren, kunnen het hoofdthema van een tekst reconstrueren en kunnen een eenvoudig
verband leggen naar algemene, alledaagse kennis.

Niveau 2 (408 tot 480 punten)

Leerlingen kunnen elementaire leestaken tot een goed einde brengen. Ze kunnen één of meerdere stukken
informatie in een tekst terugvinden en kunnen de bedoeling van een deel van een tekst uitleggen wanneer ze
enkel eenvoudige verbanden moeten leggen.

Niveau 3 (481 tot 552 punten)

Leerlingen kunnen verschillende delen van een tekst terugvinden en integreren om een onderliggend idee te
duiden, een verband te begrijpen of de bedoeling van een woord of zin uit te leggen. Ze maken verbanden of
vergelijkingen, geven verklaringen en kunnen de hoofdgedachte van een tekst evalueren.

Niveau 4 (553 tot 626 punten)

Leerlingen kunnen moeilijke leestaken aan, zoals het terugvinden van verdoken informatie in een tekst en het
omgaan met dubbelzinnigheden. Ze kunnen de bedoeling van een onderdeel van een tekst toelichten. Ze
gebruiken formele en algemene kennis om veronderstellingen te formuleren of om een tekst te evalueren.

Niveau 5 (meer dan 626 punten)

Leerlingen kunnen zeer complexe leestaken met een grote hoeveelheid aan tegenstrijdige en verdoken informatie
tot een goed einde brengen. Ze begrijpen dergelijke teksten volledig, kunnen ze kritisch evalueren en formuleren
hypothesen op basis van gespecialiseerde kennis. Ze kunnen omgaan met concepten die tegengesteld zijn aan de
verwachtingen.


Leerlingen die niveau 1 of lager scoren zijn niet noodzakelijk ongeletterd te noemen, maar ze zullen ernstige
problemen hebben in het omgaan met geschreven informatie en dus met alle leerprocessen die gebaseerd zijn op
schriftelijk materiaal. De OESO wijst erop dat leerlingen met zo'n lage score onvoldoende voordeel kunnen
halen uit het beschikbaar opleidingsaanbod en niet de nodige kennis en bekwaamheid kunnen verwerven om dat
in hun toekomstige schoolloopbaan en later nog te doen.




19
 Berekening van de resultaten voor de Gemeenschappen door Ariane Baye, SPE, ULg, met de hulp van
Christian Monseur, SPE, ULg.


                                     Werkgroep Indicatoren NAPIncl                                           127
                   Percentage leerlingen van 15 jaar oud die niveau 1 of lager scoren op de PISA
                 gecombineerde leesvaardigheidsschaal, EU-lidstaten die deelgenomen hebben aan
                                PISA, België en de Gemeenschappen, 2000 en 2003

    40,0


    35,0


    30,0


    25,0


    20,0


    15,0


    10,0


     5,0


     0,0
                                                                 EU
                             BE                                      BE                                     BE
           FI    IE     NL      SE DK PL    FR BE    LV   CZ      16    HU AT ES PT          LU   IT   SK         EL    DE UK
                             FL                                      GR                                     FR
                                                                 gew
   2000 7,0 11,0 9,5 11,6 12,6 17,9 23,2 15,2 19,0 30,1 17,5 19,4       22,7 14,6 16,3 26,3 35,1 18,9      28,2 24,4 22,6 12,8
   2003 5,7 11,0 11,5 12,4 13,3 16,5 16,8 17,5 17,8 18,0 19,4 19,8 20,1 20,5 20,7 21,1 22,0 22,7 23,9 24,9 25,1 25,2

                                                                                                                                 GV19
(*) 2000 BE GR en SK en 2003 DE en UK: resultaten niet beschikbaar.
EU16 gew = gewogen gemiddelde van de 16 deelnemende EU-lidstaten
BE GR = Duitstalige Gemeenschap
BE FR = Franse Gemeenschap
BE FL = Vlaamse Gemeenschap



                    Percentage leerlingen van 15 jaar oud die niveau 1 of lager scoren op de PISA
                gecombineerde leesvaardigheidsschaal naar geslacht, België en de Gemeenschappen,
                                                        2003

                 35,0


                 30,0


                 25,0


                 20,0


                 15,0


                 10,0


                  5,0


                  0,0
                                België         Duitstalige Gemeenschap      Franse Gemeenschap         Vlaamse Gemeenschap
   meisjes                       13,0                     12,8                      17,3                         9,8
   beide geslachten              17,9                     20,1                      25,1                         12,4
   jongens                       22,4                     27,8                      31,9                         14,8

                                                                                                                                 GV20




                                             Werkgroep Indicatoren NAPIncl                                                       128
V.7 Verschil tussen de gemiddelde score inzake leesvaardigheid van de 25% meest
bevoorrechte leerlingen (4de quartiel) en deze van de 25% minst bevoorrechte leerlingen
(1ste quartiel). De mate van bevoorrechting wordt gemeten aan de hand van een index
van het socio-professioneel statuut van de ouders.
Nationale indicator
Naar Gemeenschap.
Programme for International Student Assessment - OESO / Ulg20

                     Verschil tussen de gemiddelde score inzake leesvaardigheid van de 25% meest
                     bevoorrechte leerlingen (4de quartiel) en deze van de 25% minst bevoorrechte
                             leerlingen (1ste quartiel) , België en de Gemeenschappen, 2003


                         600



                         500



                         400



                         300



                         200



                         100



                           0
                                  België        Duitstalige Gemeenschap   Franse Gemeenschap   Vlaamse Gemeenschap
      score quartiel 4             562                   555                     536                   581
      score quartiel 1             463                   452                     429                   488
      verschil quart4-quart1        99                   102                     108                   93

                                                                                                                     GV.21




20
     Berekeningen door Ariane Baye, SPE, ULg, met de hulp van Christian Monseur, SPE, ULg.


                                            Werkgroep Indicatoren NAPIncl                                            129
V.8 Deelname aan levenslang leren: percentage van de bevolking van 25 tot 64 jaar oud
dat deelgenomen heeft aan een opleiding of training gedurende de vier weken die
voorafgingen aan de Arbeidskrachtenenquête.
Nationale indicator
Naar geslacht, gewest, leeftijd, opleidingsniveau, activiteitsstatus (ILO), nationaliteit.

LFS – Eurostat




                              Werkgroep Indicatoren NAPIncl                            130
                 P ercentage van de bevolking van 25 tot 64 jaar oud dat deelgenom en heeft aan een opleiding of
               training gedurende de vier w eken die voorafgingen aan de Arbeidskrachtenenquête, naar geslacht,
                                                             E U , 2005

      45


      40


      35


      30


      25
%




      20


      15


      10


        5


        0
             se     uk     dk      fi     si     nl     at    es     eu25   be     lu    ie    fr    lv     lt    it   cz    ee    mt    cy    pl     sk     pt    hu    el
    vrouw    39,7   33,9   31     28,6   19,6   16,7   14,6   13,1   11,7   9,7    9,5   9,4   7,9   10    7,6   6,6   6,4   7,5   4,8   6,1   5,6    5,2    4,7   4,8   1,7
    totaal   34,7   29,1   27,6   24,8   17,8   16,6   13,9   12,1   10,8   10     9,4   8     7,6   7,6   6,3   6,2   5,9   5,9   5,8   5,6   5       5     4,6   4,2   1,8
    m an     29,9   24,2   24,2   21,1   16     16,6   13,2   11,2   10,1   10,3   9,3   6,6   7,4   4,9   4,9   5,7   5,5   4,2   6,7   5,1   4,3    4,7    4,5   3,5   1,9

                                                                                                                                                     GV.22




                                                              Werkgroep Indicatoren NAPIncl                                                          131
                  Percentage van de bevolking van 25 tot 64 jaar oud dat deelgenomen heeft aan een opleiding of
                training gedurende de vier weken die voorafgingen aan de Arbeidskrachtenenquête naar geslacht,
                                                       België, 1995-2005

         12



         10



           8
  %




           6



           4



           2



           0
                1992   1993    1994    1995     1996           1997   1998   1999    2000   2001   2002   2003     2004      2005
       vrouw    1,7     2       2,1     2,3     2,5            2,6    3,8    6,1       6    6,9    6,3     8,7     9,3        9,7
       totaal   2,3     2,7     2,7     2,8     2,9             3     4,4    6,9      6,8   7,3    6,5     8,5     9,5        10
       man      2,8     3,3     3,2     3,3     3,4            3,4     5     7,8      7,6   7,7    6,8     8,3     9,7       10,3


                                                                                                                          GV.23
(*) Breuk in de serie: Vanaf 1999 wordt de Enquête naar de Arbeidskrachten in België continu georganiseerd.
De gegevens zijn bijgevolg niet vergelijkbaar met de voorgaande jaren.

LFS - NIS / Steunpunt WAV

                 Percentage van de bevolking van 25 tot 64 jaar oud dat deelgenomen heeft aan een opleiding of
                training gedurende de vier weken die voorafgingen aan de Arbeidskrachtenenquête, naar leeftijd,
                                                 België en de gewesten, 2005

      20,0%


      18,0%


      16,0%


      14,0%


      12,0%
  %




      10,0%


      8,0%


      6,0%


      4,0%


      2,0%


      0,0%
                         BE                             BX                           FL                      WA
       25-49           10,0%                           14,1%                        10,8%                   7,1%
       50-64            5,1%                           6,6%                         5,9%                    3,3%


                                                                                                                          GV.24




                                          Werkgroep Indicatoren NAPIncl                                                     132
                 Percentage van de bevolking van 25 tot 64 jaar oud dat deelgenomen heeft aan een opleiding of
                    training gedurende de vier weken die voorafgingen aan de Arbeidskrachtenenquête, naar
                                        opleidingsniveau, België en de gewesten, 2005

    25,0%




    20,0%




    15,0%
%




    10,0%




     5,0%




     0,0%
                              BE                     BX                          FL                         WA
    laag                     3,1%                    3,0%                       3,7%                        2,1%
    midden                   7,3%                   10,9%                       7,8%                        5,5%
    hoog                     15,3%                  19,7%                       16,5%                      11,0%


                                                                                                                      GV.25



                 Percentage van de bevolking van 25 tot 64 jaar oud dat deelgenomen heeft aan een opleiding of
                    training gedurende de vier weken die voorafgingen aan de Arbeidskrachtenenquête, naar
                                         activiteitsstatus, België en de gewesten, 2005

                  20,0%

                  18,0%

                  16,0%

                  14,0%

                  12,0%
%




                  10,0%

                   8,0%

                   6,0%

                   4,0%

                   2,0%

                   0,0%
                                      BE                     BX                         FL                       WA
    werkloos                         10,7%                  11,8%                     14,1%                  7,2%
    werkend                          9,3%                   13,0%                     10,1%                  6,6%
    niet economisch actief           5,4%                   9,7%                       5,6%                  3,8%


                                                                                                                      GV.26




                                             Werkgroep Indicatoren NAPIncl                                              133
                Percentage van de bevolking van 25 tot 64 jaar oud dat deelgenomen heeft aan een opleiding of
                   training gedurende de vier weken die voorafgingen aan de Arbeidskrachtenenquête, naar
                                          nationaliteit, België en de gewesten, 2005

      20,0%

      18,0%

      16,0%

      14,0%

      12,0%
%




      10,0%

       8,0%

       6,0%

       4,0%

       2,0%

       0,0%
                          BE                         BX                          FL                         WA
    belg                  8,1%                      10,9%                       9,0%                       5,8%
    EU25                  8,1%                      14,1%                       9,2%                       3,6%
    niet EU25            16,2%                      15,4%                      17,6%                       15,2%


                                                                                                                   GV.27




                                         Werkgroep Indicatoren NAPIncl                                               134
VI. MAATSCHAPPELIJKE INTEGRATIE EN PARTICIPATIE

1. Netwerken van relaties

VI.1 Frequentie van sociale contacten: percentage personen van 16 jaar en ouder die
minder dan 1 keer per maand vrienden, kennissen of familieleden die niet bij hen
inwonen ontmoeten. Naar geslacht, leeftijd, activiteitsstatus, opleidingsniveau (p.m.),
type huishouden, inkomensniveau, gewest.
Nationale indicator
EU-SILC 2004 – FOD Sociale Zekerheid

                    P ercentage huishoudens dat thuis geen internetconnectie heeft om w ille van financiële redenen,
                                         naar inkom ensniveau, België en de gew esten, 2004

                   35



                   30



                   25



                   20
  %




                   15



                   10



                    5



                    0
                                         BE                                FL                                 WA
      eerste quintiel                    27                               15,9                                29,5
      tweede quintiel                    14,1                             11,2                                14,7
      derde quintiel                     10,6                              7,9                                 13
      vierde quintiel                    6,1                               3,7                                10,7
      vijfde quintiel                    3,9                               2,1                                 8


                                                                                                                           GVI.1


                 Percentage personen van 16 jaar en ouder die minder dan 1 keer per maand vrienden, kennissen of
                   familieleden die niet bij hen inwonen ontmoeten, naar inkomensniveau, België en de gew esten,
                                                                2004

                        10

                         9

                         8

                         7

                         6
  %




                         5

                         4

                         3

                         2

                         1

                         0
                                   BE                         BX                        FL                           WA
      eerste quintiel              1,5                        5,1                       1,8                          1,3
      tweede quintiel              2,5                        3                          3                           1,7
      derde quintiel               2,5                        2,7                        3                           1,5
      vierde quintiel              1,6                        2,4                       1,9                          1,5
      vijfde quintiel              0,7                        0,7                       0,8                          0,8




                                                Werkgroep Indicatoren NAPIncl                                                135
                                                                                                            GVI.2
VI.2 Beperkte omvang van het sociaal netwerk: percentage personen van 15 jaar en
ouder met minder dan drie vrienden of goede kennissen.
Naar geslacht, leeftijd, activiteitsstatus, opleidingsniveau, type huishouden,
inkomensniveau, gewest.
Nationale indicator
Gezondheidsenquête 2004 - WIV

            Percentage personen van 15 jaar en ouder die minder dan drie goede vrienden of kennissen
                                     hebben, België en de gewesten, 2004

      35



      30



      25



      20
 %




      15



      10



       5



       0
                BE                          BX                          FL                         WA
     2004       11,9                        14,4                        9,7                        16,4


                                                                                                          GVI.3




                                  Werkgroep Indicatoren NAPIncl                                             136
                Percentage personen van 15 jaar en ouder die minder dan drie goede vrienden of kennissen hebben
                                      naar activiteitsstatus, België en de gewesten, 2004

                    35



                    30



                    25



                    20
%




                    15



                    10



                     5



                     0
                                   BE                         BX                        FL                       WA
    werkend                        11,3                       11,3                       9                      15,5
    werkloos                       13,3                       21,1                      8,9                     16,2
    gepensioneerd                  11,7                       15,5                      9,9                     18,9
    ziek/invalide                  29,7                       21,6                  28,8                        31,6
    andere inactieve               11,1                       16,8                      8,7                     14,9


                                                                                                                       GVI.4

                     Percentage personen van 15 jaar en ouder die minder dan drie goede vrienden of kennissen
                                   hebben, naar opleidingsniveau, België en de gewesten, 2004

           35



           30



           25



           20
%




           15



           10



            5



            0
                             BE                        BX                         FL                            WA
    laag                    16,1                       21,3                       11,8                          23,5
    midden                  11,6                       16,2                       10                            13,7
    hoog                     8,3                       7,9                        6,9                           12,3


                                                                                                                         GVI.5




                                           Werkgroep Indicatoren NAPIncl                                                 137
               Percentage personen van 15 jaar en ouder die minder dan drie goede vrienden of kennissen hebben
                                     naar inkomensniveau, België en de gewesten, 2004

                 35



                 30



                 25



                 20
%




                 15



                 10



                  5



                  0
                               BE                       BX                        FL                       WA
    eerste quintiel           18,6                     23,2                      13,1                     26,3
    tweede quintiel           19,3                     21,8                      15,6                     23,8
    derde quintiel            12,7                     14,5                      11,2                     15,3
    vierde quintiel           11,3                     11,2                      9,1                      14,7
    vijfde quintiel           7,7                       7,3                      7,5                      10,2


                                                                                                                 GVI.6




                                         Werkgroep Indicatoren NAPIncl                                             138
VI.3 Zwakke instrumentele sociale ondersteuning: percentage personen van 15 jaar en
ouder die niet kunnen rekenen op buren, familie of vrienden om te helpen in geval van
onverwachte nood, om een probleem op te lossen of indien ze nood hebben aan een
gesprek.
Naar geslacht, leeftijd, activiteitsstatus, opleidingsniveau, type huishouden,
inkomensniveau, gewest.
Nationale indicator
Gezondheidsenquête - WIV

Deze indicator heeft betrekking op de mogelijkheid steun te krijgen van zijn omgeving in geval van nood. Hij is
gebaseerd op drie vragen:

· SO.03. Zou u op buren, vrienden, familie kunnen rekenen, als u onverwachts hulp nodig zou
hebben?
· SO.04. Is er in uw omgeving of in uw familie iemand die u in vertrouwen kan nemen, met wie u
vrijuit over uw problemen kan praten?
· SO.05. Is er in uw omgeving of in uw familie iemand die u kan helpen, als u een probleem heeft?

Om de indicator op te bouwen, worden de antwoorden op de drie vragen gecodeerd (1="ja") en (0="neen"),
daarna opgeteld en opgesplitst in twee groepen met als grenswaarde 3]: een score van [0, 1, 2] wordt
beschouwd als een ‘zwakke’ ondersteuning, een score van [3] als een ‘sterke’ ondersteuning.

GVI.7 : niet beschikbaar

GVI.8 : niet beschikbaar

GVI.9 : niet beschikbaar

GVI.10 : niet beschikbaar




                                     Werkgroep Indicatoren NAPIncl                                          139
VI.4 Zwakke functionele sociale ondersteuning: percentage personen van 15 jaar en
ouder die niet kunnen genieten van een kwalitatief hoogstaande ondersteuning, d.w.z.
een sociale omgeving die een geheel van rollen kan spelen: instrumentele (tastbare hulp),
informele (raadgeving), emotionele (een luisterend oor, empathie), recreatieve
(ontspannende, verstrooiende activiteiten) en/of affectieve rollen (liefde).
Naar geslacht, leeftijd, activiteitsstatus, opleidingsniveau, type huishouden,
inkomensniveau, gewest.
Nationale indicator
Gezondheidsenquête - WIV

Deze indicator is gebaseerd op een vraag die is opgebouwd rond een schaal over ontvangen functionele steun
(MOS: "Medical Outcome Study Social Support Survey") die 19 items omvat die de gepercipieerde
beschikbaarheid van 4 functionele categorieën van sociale ondersteuning in kaart brengen: de emotionele
ondersteuning, de instrumentele en de affectieve ondersteuning en de positieve interactie.

SO.09. Mensen doen soms een beroep op anderen voor het gezelschap, voor hulp of voor andere
vormen van steun. Hoe vaak kan u rekenen op de volgende vormen van steun als u er nood
aan heeft?

01. Iemand die u helpt indien u het bed moet houden
02. Iemand op wie u kan rekenen wanneer u iemand nodig heeft om tegen te praten
03. Iemand van wie u goede raad kan krijgen rond een probleem
04. Iemand die u naar de dokter kan brengen als u die nodig heeft
05. Iemand die u liefde en affectie geeft
06. Iemand met wie u een fijne tijd kan beleven
07. Iemand van wie u informatie kan krijgen om een situatie te begrijpen
08. Iemand die u kan vertrouwen of waarmee u over uzelf en uw problemen kan praten
09. Iemand die u knuffelt
10. Iemand met wie u zich kan ontspannen
11. Iemand die uw maaltijden klaar maakt, indien u dit zelf niet kan doen
12. Iemand wiens advies u echt wilt
13. Iemand die u kan helpen om uw zinnen te verzetten
14. Iemand die u helpt met het dagelijks werk, indien u ziek bent
15. Iemand met wie u uw meest intieme angsten en problemen kan delen
16. Iemand op wie u een beroep kan doen voor advies omtrent een persoonlijk probleem
17. Iemand met wie u iets aangenaam mee kan doen
18. Iemand die uw problemen begrijpt
19. Iemand die van u houdt en die op u gesteld is

Hierop gebaseerd kan een globale score berekend worden die een indicatie zou zijn voor de kwaliteit van de
sociale ondersteuning. Voor ieder item wordt een code toegekend die correspondeert met het gegeven antwoord;
van 1= ‘nooit’ tot 5=’altijd’. Voor iedere bevraagde persoon wordt het gemiddelde voor de 19 items berekend.
Dit gemiddelde – dat varieert tussen 1 en 5 wordt daaropvolgend opgesplitst in twee groepen met [3] als
grenswaarde, dat wil zeggen van [1 tot 2,49] – versus – [2,50 tot 5]. Op deze wijze wordt een onderscheid
gemaakt tussen mensen die weinig ondersteuning krijgen uit hun omgeving (score van [1 tot 2,49], wat afgerond
(1 en 2) overeenkomt met de antwoorden 1= “nooit” en 2 =”zelden” ondersteuning) en zij die kunnen rekenen
op een ‘sociale ondersteuning van een goede kwaliteit’ (score van [2,50 tot 5]: waarbij de afgeronde waarden
(3, 4, 5) overeenkomen met de antwoorden 3="soms", 4="vaak" of 5="altijd".




                                    Werkgroep Indicatoren NAPIncl                                        140
                     Percentage personen van 15 jaar en ouder die niet kunnen genieten van een kwalitatief
                hoogstaande instrumentele, informele, emotionele, recreatieve en/of affectieve steun, België en de
                                                       Gewesten, 2004

    35



    30



    25



    20
%




    15



    10



      5



      0
                              BE                           BX                           FL                             WA
    2004                      8,4                         11,2                          6,5                            12


                                                                                                                               GVI.11




                           Percentage personen van 15 jaar en ouder die niet kunnen genieten van een kwalitatief
                          hoogstaande instrumentele, informele, emotionele, recreatieve en/of affectieve steun, naar
                                              activiteitsstatus, België en de gewesten, 2004

                     35


                     30


                     25


                     20
%




                     15


                     10


                      5


                      0
                                      BE                         BX                           FL                       WA
     werkend                          6,5                        6,6                          5,2                      10,2
     werkloos                         11,2                       12,6                         8,7                      15,3
     gepensioneerd                    11,8                       17,5                         9,1                      14,1
     ziek/invalide                     19                        32,7                         15,7                     17,3
     andere inactieve                 7,4                         9                           3,4                      12,8


                                                                                                                              GVI.12




                                                Werkgroep Indicatoren NAPIncl                                                   141
                       Percentage personen van 15 jaar en ouder die niet kunnen genieten van een kwalitatief
                      hoogstaande instrumentele, informele, emotionele, recreatieve en/of affectieve steun naar
                                         opleidingsniveau, België en de gewesten, 2004

        35



        30



        25



        20
%




        15



        10



           5



           0
                             BE                          BX                          FL                            WA
    laag                    12,5                        18,4                         9,6                           15,6
    midden                   8                          12,4                         5,9                           12,3
    hoog                     4,3                         5,2                         3,1                           7,5


                                                                                                                          GVI.13




                       Percentage personen van 15 jaar en ouder die niet kunnen genieten van een kwalitatief
                      hoogstaande instrumentele, informele, emotionele, recreatieve en/of affectieve steun, naar
                                          inkomensniveau, België en de gewesten, 2004

                 35


                 30


                 25


                 20
%




                 15


                 10


                  5


                  0
                                   BE                          BX                         FL                        WA
    eerste quintiel                15,1                        16,9                    12,2                        17,3
    tweede quintiel                11,5                        19,6                       9,4                      11,3
    derde quintiel                 10                          11                         9,4                      12,1
    vierde quintiel                9,5                         9,3                         6                       14,5
    vijfde quintiel                3,7                         4,3                        3,8                       5,3


                                                                                                                          GVI.14




                                            Werkgroep Indicatoren NAPIncl                                                   142
2. Deelname aan het sociale en culturele leven

VI.5 Percentage personen van 16 jaar en ouder die in de loop van het vorig jaar geen enkele
van volgende vrijetijdsactiviteiten ontplooiden:
- naar de bioscoop gaan;
- naar sportmanifestaties gaan;
- op café gaan;
- op restaurant gaan;
- naar een dancing of discotheek gaan;
- bowling/snooker spelen.
Naar geslacht, leeftijd, activiteitsstatus, opleidingsniveau (p.m.), type huishouden,
inkomensniveau, gewest.

VI.6 Percentage personen van 16 jaar en ouder die in de loop van het vorig jaar geen enkele
van volgende culturele activiteiten ontplooiden:
- naar concerten of muziekevenementen gaan;
- naar tentoonstellingen of musea gaan;
- naar lezingen of voordrachten gaan.
Naar geslacht, leeftijd, activiteitsstatus, opleidingsniveau (p.m.), type huishouden,
inkomensniveau, gewest.

Indicatoren anders bevraagd in EU-SILC 2004
Percentage personen van 16 jaar en ouder dat niet deelneemt aan sportieve activiteiten,
recreatieve activiteiten (jeugdbeweging, gepensioneerdenbond, vrije tijdsverenigingen)
of artistieke activiteiten (muziek, theater, fotografie, tekenen, beeldhouwen, schilderen).
Nationale indicator
EU-SILC 2004 - FOD Sociale Zekerheid




                               Werkgroep Indicatoren NAPIncl                             143
                   Percentage personen onder de bevolking van 16 jaar en ouder dat niet deelneemt aan sportieve,
                                 recreatieve of artistieke activiteiten, België en de gewesten, 2004

    80



    70



    60



    50
%




    40



    30



    20



    10



      0
                               BE                                   FL                                   WA
    2004                      62,1                                 56,8                                 70,2


                                                                                                                      GVI.15




                   Percentage personen onder de bevolking van 16 jaar en ouder dat niet deelneemt aan sportieve,
                       recreatieve of artistieke activiteiten, naar inkomensniveau, België en de gewesten, 2004

                                90

                                80

                                70

                                60

                                50
%




                                40

                                30

                                20

                                10

                                 0
                                                BE                            FL                               WA
     eerste quintiel                            75,3                          68,8                             81,7
     tweede quintiel                            70,2                          66,1                             76,6
     derde quintiel                             62,6                          57,9                             68,5
     vierde quintiel                            54,4                           51                              60,6
     vijfde quintiel                            48,4                          44,8                             60,1


     < 60% van het mediaan inkomen              76,3                          70,3                             81,5
     >= 60% van het mediaan inkomen             59,7                          55,1                             67,9


                                                                                                                      GVI.16




                                           Werkgroep Indicatoren NAPIncl                                                144
                Percentage personen dat niet deelneemt aan sportieve, recreatieve of artistieke activiteiten, naar
                                             leeftijd, België en de gewesten, 2004

     100

      90

      80

      70

      60
%




      50

      40

      30

      20

      10

        0
                               BE                                    FL                                   WA
    16-24                      50,9                                  49                                   50,5
    25-49                      59,4                                 53,5                                  68,1
    50-64                      64,6                                 58,2                                  76,2
    65-74                      72,2                                 66,8                                  82,6
    75+                        77,5                                 70,6                                   87


                                                                                                                     GVI.17




                     Percentage personen van 16 jaar en ouder dat niet deelneemt aan sportieve, recreatieve of
                             artistieke activiteiten, naar activiteitsstatus, België en de gewesten, 2004

              90


              80


              70


              60


              50
%




              40


              30


              20


              10


               0
                                      BE                                   FL                              WA
    At work                           55,8                                51,2                              64
    Unemployed                        72,4                                63,8                             79,7
    retired                           72                                  65,8                             82,8
    other inactive                    63,1                                58,6                             68,2


                                                                                                                     GVI.19




                                             Werkgroep Indicatoren NAPIncl                                             145
VI.7 Percentage personen in huishoudens die zich niet één week vakantie, weg van thuis
kunnen veroorloven.
Naar gewest en naar inkomensniveau.
Nationale indicator
EU-SILC 2004 – FOD Sociale Zekerheid

                   Percentage personen in huishoudens die zicht niet kunnen veroorloven om jaarlijks een week op
                                                        vakantie te gaan

                   80


                   70


                   60


                   50
 %




                   40


                   30


                   20


                   10


                    0
                                            BE                                      FL                              WA
      eerste quintiel                       55,7                                    38,3                            70,4
      tweede quintiel                       41,3                                    30,2                            56,1
      derde quintiel                        26,2                                    18,3                            37,6
      vierde quintiel                       14,2                                    8,9                             24
      vijfde quintiel                        6                                      3,3                             12,1
      totaal                                28,7                                    18,3                            42,3


                                                                                                                                GVI.20




                 P ercentage personen in huishoudens die zich geen w eek vakantie kunnen veroorloven, B elgië, 2004



      huishouden m et kinderen, W I=1                            17,7




  huishouden m et kinderen, 0,5<W I<1                                                 34




  huishouden m et kinderen, 0<W I<0,5                                                                   52,8




      huishouden m et kinderen, W I=0                                                                                               75,7




   huishouden zonder kinderen, W I=1                      14,5




 huishouden zonder kinderen, 0<W I<1                                    21,7




   huishouden zonder kinderen, W I=0                                                        39,9


                                        0           10            20           30          40      50          60          70              80
                                                                                           %



                                                                                                                                GVI.21




                                                   Werkgroep Indicatoren NAPIncl                                                  146
3. Toegang tot nieuwe technologieën

VI.8 Percentage huishoudens met een internetconnectie thuis.
Naar gewest.
Nationale indicator
EU-SILC 2004 – FOD Sociale Zekerheid

                              Percentage huishoudens dat thuis over een internetconnectie beschikt, EU, 2005

      90


      80


      70


      60


      50
 %




      40


      30


      20


      10


       0
             nl     dk   se     lu   de   uk     fi     be   eu25   si   at   ie   ee         it   es   cy   lv   pt   pl   sk     el   hu    cz      lt
     2005   78      75   73     65   62   60     54     50    48    48   47   47   39         39   36   32   31   31   30   23     22   22    19      16


                                                                                                                                             GVI.22



                    Percentage huishoudens dat thuis geen internetconnectie heeft omwille van financiële redenen,
                                        naar inkomensniveau, België en de gewesten, 2004

                   35



                   30



                   25



                   20
 %




                   15



                   10



                    5



                    0
                                          BE                                            FL                                       WA
      eerste quintiel                     27                                        15,9                                         29,5
      tweede quintiel                     14,1                                      11,2                                         14,7
      derde quintiel                      10,6                                          7,9                                      13
      vierde quintiel                     6,1                                           3,7                                      10,7
      vijfde quintiel                     3,9                                           2,1                                       8


                                                                                                                                              GVI.23



                                                      Werkgroep Indicatoren NAPIncl                                                            147
               Percentage huishoudens dat thuis geen internetconnectie heeft omwille van financiële redenen,
                                  naar opleidingsniveau, België en de gewesten, 2004

       35



       30



       25



       20
%




       15



       10



           5



           0
                             BE                                  FL                                  WA
    laag                     16                                  10,9                                19,4
    midden                  12,4                                 7,4                                 16,3
    hoog                     5,7                                 2,8                                  8,4


                                                                                                               GVI.24




                                       Werkgroep Indicatoren NAPIncl                                             148
Bijlage: Instanties en personen die een bijdrage hebben geleverd aan de
         indicatorenbijlage

Namen deel aan de discussie in de plenaire vergaderingen van de Werkgroep Indicatoren:

POD Maatschappelijke Integratie                Josée Goris, Sophie Molinghen, Marie
                                               Perdaens, Anja Claeys, Mireille Martens
HIVA-KULeuven                                  Ides Nicaise, Ann Morissens, Rembert de
                                               Blander
GREPA Asbl.                                    Claire De Schaetzen
Observatoire du Crédit et de l’Endettement     Olivier Jérusalmy, Frédéric Rottier, Séverine
                                               Vanderbeck
Studiedienst van de Vlaamse Regering           Peter Anaf, Marc Callens
Federaal Planbureau                            Jean-Maurice Frère
IWEPS                                          Anne-Cathérine Guio

Observatorium voor Gezondheid en Welzijn       Truus Roesems, Peter Verduyckt
Brussel
Steunpunt tot bestrijding van armoede,         Henk Van Hooteghem, Henk Termote
bestaansonzekerheid en sociale uitsluiting
Instituut voor de Gelijkheid van Vrouwen en    Hildegard Van Hove
Mannen
Algemene Directie Statistische en              Vicky Truwant, Geneviève Geenens, Patrick
Economische Informatie-FOD Economie            Lusyne (EU-SILC)
Wetenschappelijk Instituut voor                Stefaan Demarest
Volksgezondheid
Centrum voor Sociaal Beleid Herman             Sarah Carpentier, Karel Van den Bosch
Deleeck (UA)
Ministerie van de Vlaamse Gemeenschap,         Isabelle Erauw
Departement Onderwijs
Ministerie van de Vlaamse Gemeenschap,         Veerle Geurts
AHROM, afdeling Woonbeleid
Communauté Française, DG Enseignement          Christelle Ladavid
Obligatoire
Belgian Disability forum                       Véronique Duchenne
Observatoire Social Européen                   Ramon Peña-Casas




                              Werkgroep Indicatoren NAPIncl                              149
Voor de indicatorenset 2006 werd een bijzondere bijdrage geleverd door volgende instanties
en personen:


In het kader van de Subwerkgroep
Analyse:

IWEPS (inkomen):                           Anne-Cathérine Guio

HIVA (KULeuven) (onderwijs)                Ann Morissens

Observatorium voor Gezondheid en           Truus Roesems, Peter Verduyckt
Welzijn Brussel (gezondheid)
Steunpunt tot bestrijding van armoede,     Henk Van Hooteghem
bestaansonzekerheid en sociale uitsluiting
Instituut voor de Gelijkheid van Vrouwen Hildegard Van Hove
en Mannen

Voor de aanlevering van gegevens:

De Algemene Directie Statistische en       Vicky Truwant, Geneviève Geenens,
Economische Informatie                     Patrick Lusyne (EU-SILC), Anja
                                           Termote (EAK)
Wetenschappelijk Instituut voor            Stefaan Demarest
Volksgezondheid
Centrum voor Sociaal Beleid Herman         Sarah Carpentier
Deleeck (UA)
Ministerie van de Vlaamse                  Isabelle Erauw
Gemeenschap, Departement Onderwijs
Ministerie van de Vlaamse                  Veerle Geurts
Gemeenschap, AHROM, afdeling
Woonbeleid
Communauté Française, DG                   Christelle Ladavid
Enseignement Obligatoire
Ministère de la Région wallonne            Sébastien Fontaine
Direction de la Qualité de l'Habitat
(Division du Logement)
Steunpunt WAV                              Annick Van Woensel
Vlaamse Vereniging voor Respiratoire
Gezondheidszorg en
Tuberculosebestrijding
Nationale Bank van België,
Kredietcentrale




                              Werkgroep Indicatoren NAPIncl                             150

						
Related docs