Docstoc

De man die teveel inleverde

Document Sample
De man die teveel inleverde Powered By Docstoc
					De man, die te veel inleverde

‟t Werd er gewoon ingestampt door de oude schoolmeester: 1672 “rampjaar”.
Ons land in oorlog met Frankrijk, Engeland , Munster en Keulen, Johan de Witt, raadspensionaris van Holland,
wordt vermoord. Prins Willem de Derde wordt Stadhouder.
“Het volk redeloos, de regering radeloos en het land reddeloos”.

Tegenwoordig wordt ‟t verhaal gelukkig wat realistischer gebracht, minder dwepend met de held “de Prins” en met
minder overtuiging, dat ‟t gods wil was dat er een einde kwam aan ‟t Stadhouderloze tijdperk (1650 – 1672).

In 1662 reeds was ‟n of- en defensief verbond tussen Frankrijk en de Republiek der Zeven Verenigde Nederlanden
tot stand gekomen, doch Johan de Witt, de toenmalige Raadpenionaris, vertrouwde de Franse Koning Lodewijk
XIV niet en streefde ernaar van de Zuidelijke Nederlanden (het huidige België), die na de vrede van Munster in
1648 spaans gebleven waren, een bufferstaat te maken. ‟t Liefst zaag hij daar ‟n barrière van vestingsteden bezet
met staatse troepen.
Voorstellen van de Franse Koning om de Zuidelijke Nederlanden samen langs de lijn Oostende- Maastricht te
verdelen wees Johan de Witt onder het devies: “Frankrijk wel als vriend, maar niet als buur” beslist van de hand.

Weet u ‟t nog? 1655 – 1667: de Engelse oorlog. De republiek in oorlog met Engeland. U heeft de jaartallen
misschien niet meer onthouden, maar wel hoe er een einde aan deze oorlog werd gemaakt. De Ruyter,
opperbevelhebber van onze vloot, vaart brutaalweg de Theemsmond in Engeland binnen met als gecommitteerde
van de Staten Cornelis de Witt (de broer van Johan). Dit stoute staaltje wed bekend onder de naam “tocht naar
Chatham”.
De Nederlanders vernietigen daarbij een groot deel van de engelse vloot en de “Royal Charles”, het engelse
vlaggenschip, wordt als prijs meegenomen.
In Londen heerst de grootste paniek, omdat men ‟n aanval op de stad vreest.
Holland op het toppunt van haar macht, onder leiding van Raadpensionaris Johan de Witt, dwingt Engeland in
1667 tot de eervolle “Vrede van Breda”.
De Witt‟s streven was gericht op ‟n evenwichtstoestand tussen de grote mogendheden in Europa, teneinde de
handel te beschermen en de vrede te bewaren.

Nog in het zelfde jaar stelt Lodewijk XIV Spanje een ultimatum om de Zuidelijke Nederlanden aan hem af te
staan. Het machtsstreven van deze franse Koning verontrust Engeland, Zweden en de Republiek der Verenigde
Nederlanden en zij verenigen zich begin 1668 in de “Triple Alliantie”, Lodewijk XIV wordt hierdoor gedwongen
vrede te sluiten met Spanje en moet zijn ambitieuze plannen voorlopig opgeven.
Een geheim artikel van de “Triple Alliantie”, waarbij de ondertekenaars de franse Koning eventueel met oorlog
zouden dwingen om genoegen te nemen met wat zij hem gunden, lekt spoedig uit, Lodewijk XIV is woedend, dat
de Republiek hem (in de persoon van Johan de Witt0 in zijn expansiepolitiek heeft willen belemmeren.
De engelse Koning Karel II op zijn beurt is erg naijverig op de gevaarlijke concurrentie van de Hollanders op zee
en sluit in juni 1670, uit geldgebrek, een geheim verdrag met Lodewijk XIV te Dover.

Karel II krijgt een jaarlijkse subsidie van £ 250.000,-- in ruil voor de erkenning van Lodewijks rechten op de
Spaanse Nederlanden en beide vorsten zullen elkander steunen bij een aanval op de Zuidelijke Nederlanden en de
republiek.

De laatste hand aan de omsingeling wordt in december 1671 door Lodewijk XIV gelegd door de bisschoppen van
Munster en Keulen erbij te betrekken, want dan is ook een doortocht over hun gebied (o.a. Luik) naar de
Republiek zeker gesteld. In deze situatie verkeerde ons land ten opzichte van de omliggende landen aan het einde
van het jaar 1671.

Tot de ramp zich langzaam ging voltrekken, waren de binnenlandse verhoudingen vrij goed. Johan de Witt werd in
1650 , toen Willem II plotseling aan de pokken stierf, Pensionaris van Dordrecht.
Zijn vader was met vijf andere vooraanstaande republikeinen in 1650 gevangen gezet in Loevestein vanwege de
tegen de Prins gevoerde oppositie, maar werd na diens dood direct vrijgelaten.
In 1653 wordt Johan Raadpensionaris van Holland. Hij is voorstander van de “ware vrijheid”, wat betekende dat
hij de heerschappij van de stedelijk aristocratieën voorstond, dus een gewestelijke soevereiniteit.
Hij trachtte deze doelstelling te handhaven door scherpe maatregelen te nemen tegen het Oranjehuis.

Het “Eeuwige Edict” is daar een voorbeeld van. Het betreft een besluit d.d. 5 augustus 1667 van de Staten van
Holland, waarbij het Stadhouderschap in Holland werd afgeschaft en Holland de overige gewesten zou verzoeken
ermee akkoord te gaan, dat het Kapitein- Admiraal- Generaalschap onverenigbaar zou zijn met het
Stadhouderschap in enige provincie.



1
De man, die te veel inleverde

Dit “Eeuwig Edict” aanvaardden de andere gewesten op 31 mei 1670 bij de “Acte van Harmonie”.
Johan de Witt was niet alleen een groot politicus, maar ook een befaamd wiskundige en grondlegger van de
verzekeringswiskunde.
Het zegt wel iets, dat er in 1668 berekend werd, dat de akten van de Witt in de 15 jaren van zijn bewind 22.591
bladzijden besloegen, tegenover 23.475 van al zijn voorgangers in een tijdsverloop van 67 jaren.
Johan de Witt heeft lange tijd onbetwist stevig in het zadel gezeten, maar later zou, bij iedere tegenslag in zijn
buitenlandse politiek, de oranjepartij erkenning van de Prins aandringen.

De maatregelen, door de grote buurlanden genomen vanwege de handelsrivaliteit, brachten de republiek veel
nadelen en hierdoor de oppositie tegen de Regenten- regering.
Toen Johan in 1653 Pensionaris werd, was er per hoofd der bevolking een schuldenlast van ƒ 170.--. Begin 1672
(in de laatste maanden van zijn regeringsperiode) slechts ƒ 70,--.
Aan het einde van het rampjaar bedroeg de schuldenlast ƒ 170,--.
Door de voortreffelijke toestand van de vloot en Hollands financiën, beide het werk van Johan de Witt, zou de
Republiek de ramp van 1672 te boven komen, Johan zelf zou het de ondergang en de dood brengen.

Talrijk waren de problemen, waarmee de Staten van Holland worstelden aan het begin van het jaar 1672:
 Het grote gevaar van een oorlog met de twee grote konkrijk en Frankrijk en Engeland tegelijk.
 Holland wist voorlopig gedaan te krijgen het voorstel om de Prins tot Kapitein- Generaal te benoemen, niet
    eerder in behandeling te nemen, voordat de Prins (in 1673) zijn 23 e verjaardag zou hebben bereikt.
 De zware belastingen om de strijdkrachten vooral te zee op peil te houden. Zie “ ‟t Rapport gedaen vanwegen
    de stadtsgedeputeerde van Monnickendam van ‟t gunt ter jongster vergaderinge van de Staten van Holland en
    Westvrieslant was voorgevallen aan Burgemeesteren van Vroedschappen d.d. 9 december 1671” (G.A. nr. 9).
    “Behelsende een voorslagh omme tegens het aenstaende voorjaar te esquiperen (men bedoelt “equiperen”
    ofwel uitrusten“) een considerabile (aanzienlijke) vloot van 48 capitale oorlooghschepen, 24 branders, 24
    snaeuwen, en 24 galliots, mitsgaeders omme aenstonts bij provisie te doen werven de nomber van thien
    duijsent matroosen, waermvan de costen in ‟t geheel worden begroot op vier millioenen seven hondert ses- en
    –tseventigh duijsent guldens, uijtgesondert de begrootinge van ‟t costgelt van de matroosen van seven
    stuijvers des daegs” .
    daarom werd toestemming gevraagd de 200 e penning spoedig mogelijk en direct (zonder verpachting) te
    innen, zijnde een belasting van een ½% op het geschatte vermogen.

Wat de zaak van het Kapitein- generaalschap betreft, stond Johan de Witt na het besluit van de Vroedschap van
Amsterdam van 16 december 1671 om de Prins toch te benoemen en daarvoor een instructie te ontwerpen, slechts
met een minderheid van zes steden, namelijk Dordt, Delft, Rotterdam, Den Briel, Hoorn en Monnickendam,
tegenover de dertien anderen, die er wél oren naar hadden.

De raadspensionaris bleef zich echter beroepen op de “Acte van Harmaonie”, welke wet eenparig was aangenomen
en nu niet overstemd mocht worden.
Rekening houdend met de rees genoemde acte, begon men toch een instructie te ontwerpen. De Prinsgezinden
deden hierbij nogal wat water in de wijn en door diverse beperkingen in te voegen, konden de Staten van holland
op 19 januari 1672 toch eenparig besluiten de Prins voor één veldtocht tot Kapitein- generaal te benoemen.

De voornaamste beperkingen waren:
     1. De onverenigbaarheid van het militaire ambt met dat van Stadhouder werd nog eens benadrukt.
     2. Hij mocht geen pensioen trekken of in dienst van een buitenlandsvoorst.
     3. Het recht van patenten (het verplaatsen van troepen0 werd hem ontzegd. In het laatste punt wordt het
          misbruik van zijn vader Willem II nog eens aan de kaak gesteld bij de aanslag op Amsterdam in 1650.
De Prins kon deze voorwaarden niet aannemen omdat hij, zoals hij zei, daarover zijn reputatie niet op ‟t spel wilde
zetten, temeer daar hij een eed moest afleggen, dat hij nooit het Stadhouderschap zou zoeken of aanvaarden.

Toch werd het tijd dat men uit deze impasse geraakte. Uit het Monnickendammer resolutieboek blijkt, dat op de
14e januari de toestand er al somber uitzag. Op zaterdag de 16 e doet Pensionaris Houtingh verslag aan
Burgemeesteren en Vroedschap te Monnickendam van hetgeen hij er in Den Haag over heeft gehoord: “De franse
Koning Lodewijk XIV laat er geen twijfel over bestaan hoe hij over de Republiek der Verenigde Nederlanden
denkt. Hij beschuldigt de Staten van ontrouw aan het bondgenootschap en zal zijjn strijdkrachten gereedheid
brengen en gebruiken, zodra hem dit past”.

Dus moest, na de moeizame discussies over het Kapitein- Generaalschap tussen de Staten van holland onderling,
nu ook tussen Holland en de zes gewesten opnieuw worden onderhandelk. Om het oorspronkelijke voorstel van de



                                                                                                                     2
De man, die te veel inleverde

19e januari appetijtelijk te maken, wilde Holland nu ook meedoen aan de afspraak zodra de Prins de in de “Acte
van Harmonie” genoemde leeftijd bereikte, hem voor het leven Kapitein- en Admiraal- Generaal te maken.

De Witt vond, dat het de Prins zijn eerzucht zou stillen en zijn verantwoordelijkheidsgevoel zou versterken en
daarmee schoot hij onbewust in de roos, want hij wist niets van de particuliere diplomatie, die Willem III had
aangeknoopt met zijn oom Karel II, en deze liet Willem verklaren:
“Als Zijne Majesteit mij wil doen weten wat zij wenst, maak ik mij sterk, aangenomen dat het niet regelrecht tegen
de grondslagen van deze Republiek aanloopt, het haar te bezorgen, ten spijt van Mijnheer de Raadpensionaris de
Witt en zijn kabaal, die daardoor het onderspit zullen delven en ik en mijn vrienden, in wie Z.M. volledig
vertrouwen stellen kan, zullen aan het hoofd van de zaken geplaatst worden”.

Gelukkig voor de Prins, dat Karel II in zijn trots het aanbod afwees, maar gevaarlijk was het spel wel degelijk
t.o.v. zijn verplichtingen tegenover de republiek.
De 25e februari 1672 aanvaardde de Prins het Kapitei- generaalschap onder beperkende voorwaarden. Opgelucht
en blij reageerde het volk in de hoop dat nu een verzoening met de Kioning van Engeland mogelijk was.

Maar dat viel tegen! De 23e maart 1672 liet de engelse regering, zonder oorlogsverklaring, een aanval doen op de
rijk beladen nederlandse Smyrnavloot, die bij het eiland Wight op terugtocht passeerde.
De aanval werd echter zonder verliezen afgeslagen: “meerder schande dan baat” vond n tijdgenoot.
Twee dagen later volgde een oorlogsverklaring van het perfide Albion, zoals Napoleon dit land later zou noemen.
De 6e april volgde de oorlogsverklaring van Frankrijk, waarin de Koning zijn ongenoegen over het beleid van de
Staten tot uiting bracht en verklaarde dat zijn roem niet verdroeg dit nog langer te dulden.
Pas in het midden van april werden de ataatse officieren in kennis gesteld van de franse oorlogsverklaring. De
westelijke oever van de gelderse IJssel werd nu in staat van verdediging gebracht.
Hoe ging het in Monnickendam?
Niets over dit alles vinden we in de notulen van de vergaderingen van Burgemeesteren en Vroedschappen.
Op 12 maart 1672 wordt bericht:
     “Is mede goetgevonden te laten roijen het Bolwerck vande hoeck vande vleugel aende westsijde vande
     lange brugh aff tot aende huijsinge van Mr. Jochum recht toe aende ‟t selve Bolwerck met palen te laten
     beschoeijen”.
Moet dit reeds worden gezien als een poging tot versterking van de vesting?
Uit de notulen van de 26e maart blijkt dat de Staten op diplomatiek gebied druk doende zijn bondgenotente zoeken:
     “Op den 17e der voorleden maent is ter vergaderinge van de Staten van Hollant bij rapport openinge ende
     oock vervolgens lecture gedaen van seeckere acte van naerdere verbintenisse met den Coningh van Spaingne
     tot wedersijds meerder gerustheijt aen te gaen”
wanneer men in dezelfde notulen onder punt V over het tractement van de Capitein- Generaal beraadslaagt, wordt
de gedeputeerde verzocht “tot het minste tractement te comen adviseren”.
Al eerder zagen we dat de regering van Monnickendam wel zeer staatsgezind was.
Tenslotte wordt een missieve d.d. 17 maart van de Heren Gecommitteerde Raden van Zuid-holland behandeld met
het verzoek:
     “Haere gedachten serieuselijk gelieven te laeten gaen op het uijtvinden van nieuwe middelen tot vervallinge
     van de excessive onconsten bij de Staet jegenwoordigh wordende gesupporteert (gedragen)”.

Voorgesteld wordt
    “den imposty op de tabaxpijpen” en specialijck in requarde (met het oog op) ‟t costgelt als ses stuijvers des
    daeghs (was zeven!) moge worden betaelt”.
Zes weken later blijkt :
     “dat naer het exempel van de nabuijrige Steden aen de Soldaten van de Compagnie Waertgelders, welcke op
    ordre wort geworven voor aenritsgelt (ronselgeld) aen ijeder te geven een ducaton ende tot de monsteringe
    toe ses stuijvers des daeghs ende naer de monsteringe thien stuijves des daeghs voor soldije ”.

Op dinsdag de 5e april zijn Burgemeesteren en Vroedschappen weer bijeen gen genotuleerd wordt:
    “de Heeren Stadts gedeputeerdens (afgevaardigden van de stad naar de Staten van Holland) worden mitsdesen
    gelast het maentlijck tractement van de Heer Prince van Orangien als Capiteijn – Generaal, so wanneer
    deselve te velde sal sijn (dit laatste werd tussengevoegd) voor Satadts advis te begrooten op ses duijsent
    guldens, edoch ingevalle de gemeene inlinatien (neiging0 daerhenen sal gaen omme aen sijn Hoogheijt acht
    duijsent guldens ter maendt toe te leggen, worden de Heren geauthoriseert met de voorz. Te voegen (met de
    meerderheid in te stemmen).”

Tevens wordt een advies d.d. 2 april j.l. van de heren commissarissen voorgelezen:



3
De man, die te veel inleverde

    “voorslaende dat tot defensie ende securiteijt van den Staet ende afweeringe van alle gedreijchde onheijlen
    behoorde te worden geconsenteert inde petitie van den Raedt van Staeten van den 30 e der voorleden maendt
    maert omme met den eersten te werven thien duijsent Waertgelders (troepen die de stedelijke overheden
    wierven om, naast de schutterij of garnizien, de orde te handhaven) ende dat daer- en- booven bij dese
    provincie int particulier behoort te worden aengenomen de nombre van veerthien duijsent voetknechten, item
    dat de schutters ende burgers in de Steden soo veel doenlijck in de wapenen behoorden t worden geoeffent
    ende beqaem gemaeckt om des noots des vereijsschende tot bewaeringe van de frontieren van Hollant ende
    Westvrieslandt uijttetrecken ende gebruijckt te worden, als mede dat de huijsluijden ten platte lande in
    compagniën ende regimenten souden behooren te worden gerengeert, ende door geexperimenteerde luijdenin
    de handelinge van ‟t geweer geoeffent omme des noots sijnde alle gewelt van de vijanden, die uijt ter zee
    souden trachten te landen ofte andersins intebreecken te helpen afweeren ende ‟t voorsz advis ende alle de
    igredienten van ‟t selve sijnde gebracht in deliberatie is goetgevonden het selve advis in omnibus et per omnia
    ofte in alle sijne deelen ende leden te amplecteren”.
Het liefst had men beroepssoldaten aangeworven, doch op de duitse markt viel zo veel niet meer te krijgen. De
Franden waren de Hollanders voorgeweest en hadden reeds diverse vorsten aan zich gebonden.

Op maandag de 18e april
     “is ter vergaderinge gelesen een concepte resolutie van de Staeten van Hollant van date den 16 e deser
     loopende maendt April genoomen, medebrengende dat alle marckt ende andere schijtvoerders, hout ende
     turfdragers, slepers, bierdragers ende alle andere diergelijcke arbeijdende officianten, diendende op
     commissie ofte admissie van Burgemeesteren en Regeerders souden worden geanimeert omme in dese
     conjuncture van tijden ende saecken haer te begeven in dienste op ‟s lants vloote ende de selve mede
     geobligeert omme ten minste elck de vijfde man bij onderlinge vrijwillige over-een-coominge, ofte bij ‟t lot
     uijttemaecken, die sich op ‟t allerspoedighste op ‟s lants vloote begeve voor de ordinaris soldije ofte
     maendtgelden”.
De groenlandvaart, de handel met de baltische landen en de kaapvaart werden voorlopig verboden, om werkloos
geworden matrozen te kunnen werven en op deze manier kreeg men de scheepsbemanningen vrij voltallig.
Zo ordelijk als het op de vloot ging, zo verwaarloosd was het leger.
Onbekwame officieren, een samengeraapt stelletje huursoldaten, aangevuld met stedelijke schutters en bewapende
boeren, die van oorlogvoeren geen begrip hadden, dat was het leger dat de Republiek zou moeten gaan verdedigen.
Alleen door tucht en soldij waren ze bijeen te houden.
De verdedigingswerken aan IJssel en Rijn verkeerden in slechte staat. De wallen van de steden waren vervallen,
het geschut niet in orde en aan ammunitie was groot gebrek.
Alleen Maastricht was behoorlijk te verdedigen en voorzien van een aanzienlijke troepenmacht.
          Op donderdag 19 mei 1672 verscheen een enorm frans leger voor genoemde stad.
Honderdduizend man, aangevoerd door bekende veldheren zoals Condé en Turenne en ook Lodewijk XIV was
aanwezig. Besloten werd de stad in te sluiten en met de hoofdmacht door te trekken naar de Rijn.
          Op 1 juni bereikte het franse leger deze rivier op vier plaatsen. De Koning bij Rijnberk, de Hertog van
Orléans, Turenn bij Burik en Condé bij Wezel. Alleen in Wezel, een belangrijke vesting, hield de bezetting vier
dagen stand. De andere steden capituleerden, of gedwongen door de burgerij of door verraad.
Nu was de weg vrij om de Republiek binnen te vallen.
          Begin juni maakte ook Bernard van Galen, Bisschop van Munster, gebruik van de situatie om Overijssel
binnen te vallen, waar Twente zonder veel tegenstadd bezet werd.
De 9e juni slaat hij zelfs het beleg voor Groningen, verdedigd door Rabenaupt, een Boheems veldheer in dienst van
de Republiek. Door beschieting van de stad krijgt de Bisschop de bijnaam “Bommen Berend”. Op 28 augustus
moet hij het beleg openbreken.
          De franse hoofdmacht kon reeds de 12e juni bij Lobith de Rijn oversteken op weg naar de IJssellinie. Het
staatse leger kon bij gebrek aan kanonnen en door de lage waterstand van de rivieren, de IJssel was op tal van
plaatsen zijfs doorwaadbaar, slechts gering weerstand bieden. De Fransen echter vereeuwigden “deze slag” bij het
Tolhuis als “La Bataille de Tolus” met schilderijen, waarmee het paleis van Versailles werd opgesmkt.
          Nu was men bang, dat de fransen beneden Arnhem nogmaals de Rijn zouden oversteken en het staatse
leger onder leiding van de Prins, dat aan de IJssel front maakte tegen de Munstersen, de terugweg zouden
afsnijden.
          De linie zou door deze manoeuvre onbruikbaar worden en de gecommitteerden besloten nog dezelfde dag
de IJssel op te geven. Dit ging echter niet zonder 13000 van de 220000 man achter te laten, doordat de gelderse en
overijsselse regimenten als garnizoenen van de IJsselsteden moesten achterblijven omdat de Prins niet over de
“patenten” beschikte om deze troepen te verplaatsen. Hier wreekte zich de beperkingen van het Kapitein-
Generaalschap en slechts met 9000 man bereikte de Prins op 15 juni de stad Utrecht.




                                                                                                                 4
De man, die te veel inleverde

De terugtocht was voorafgegaan door wilde geruchten, paniek en angst en omdat de burgervendels bang waren
voor een beleg, hielden zij de poorten voor hun eigen troepen gesloten.
De Prins was hierdoor zo zeer verontwaardigd, dat hij zelfs geen garnizoen in de stad achterliet. Hij betrok op 18
juni nieuwe stellingen op Hollandse bodem, in het gebied waar men zich al maandenlang had voorbereid, om het,
bij een doorbraak van de vijand, onder water te zetten.
Nu was het dan zover. Langs de lijn Gorkum, Schoonhoven, Goejanwellesluis, Bodegraven en Muiden, waarop de
staatse troepen zich hadden teruggetrokken, wilde men de inundatie zo spoedig mogelijk in werking stellen. Het
zou nog weken duren voor dat volledig lukte.
          Een van onze grootste geschiedenis schrijvers, Prof. Dr. P. Geyl, zegt hierover: “De Legerleiding was van
de poldertoestanden slecht op de hoogte, de regeringen van de naast gelegen steden (o.a. Gouda) werkten niet
mee, hun burgerijen gaven toe aan paniek, de boeren verzetten zich soms gewapenderhand tegen het doorsteken
van de dijken of tapen het ingelaten water ‟s nachts weer af ”. Op 20 juni moest men de rebelse boeren zelfs met
de doodstraf bedreigen.

In Monnickendam komt op 14 juni Burgemeester Berkhout uit Den Haag terug en doet rapport van “de
beswaerlijcke ende piriculeuse (hachelijke) constitutie (situatie) van ons lieve Vaderlandt, vermits de groote
progressen (vorderingen) van de wapenen van sijn Maţ van Vrackrijck ende van de swaerwichtige deliberatien
daer uijt resulterende”.

Op de 16e juni Burgemeesteren en Vroedschappen alweer bijeen:
    “Op ‟t geproponeerde (voorstel) is naer deliberatie goetgevonden de Heeren Stadts Gedeputeerdens de
    vergaderninge van haer Ed: Gr: Mog: op morgen sullende gaen waernemen binnen de Stadt Amsterdam te
    versoecken ende gelasten om ter selver vergaderinge met ijver te urgeren (aandringen) dat men voor de
    liberteijt ende vrijheid, religie, vrouw ende kinderen alles wat moogelijck is behoorde op te setten en de leden
    te bidden dat de selve welstandt van onse loeve vaderlandt ende de diergekochte vrijheijt van „‟t selve ten
    uijtersten gelieven te behartigen, edoch ingevalle de inclinatie (neiging) van de leden mochte daer henen gaen
    om een aensienlijcke deputatie aen sijn Maţ van Vrackrijck te decreteren omme op het favorabelste
    (voordeligste) naer de jegenwoordige deplorabile (betreurenswaardige) toestandt van onse lieve vaderlandt
    met hooghstgemelte sijne Maţ te tracteren (“capituleren” wordt doorgestreept)”
Op zondag de 19e juni wordt door Burgemeesters
     “goetgevonden de drie onbequame ongeschikte stucken metael binnen dese Stadt sijnde jegens andere
    bequame ijsee stucken canon ende affuijten te verwisselen, wordende tot het verrichten ende exucuteren
    (uitvoeren) van ‟t selve mits desen versocht”.
Tevens worden de Vroedschappen Claes Admirael, Rijser en Mars van Hoorn verzocht
    ”met den anderen te overwegen ende examineren in welcker voegen de wallen end‟ vesten deses Stadts op het
    bequaemste tot securiteijt van dese Stadt ende de goede ingesetenenen van dien behooren te worden
    gefortificeert ende in postuijr (staat) van defentie gebracht ende daervan ende alle ‟t geene daer aenhoorigh is
    een advis te formerem ende rappoort te doen”.
De 21e juni werd een van de rampzaligste dagen van het jaar 1672, Utrecht en Narden werden door de franse
troepen bezet. Muiden kon nog net worden behouden.
         De wegen waren verstopt met vluchtilingen en terugtrekkende troepen. In Rotterdam, Amsterdam en
Middelburg vond een run up op de banken plaats, zodat men gedwongen was te sluiten. Door de rijken werden
schuiten gehuurd om hun kostbaarheden te bergen en er sneller mee uit de voeten te kunnen komen en het gewone
volk begon met woorden en enkele dagen later met daden weerspannig te worden, want wie waren van alles de
schuld? Natuurlijk de hollandse Regenten en de Witt. De kloekste patriot, de meest onvermoeide werker, de man
die meer dan iemand voor verbetering en versterking van de landsdefensie geijverd had, noemde men
“aardsverrader”!

In Monnickendam is het kennelijk die dag rustig, maar uit de notulen is toch wel te bespeuren dat Burgemeesteren
en Vroedschappen door de laatste berichten wat in paniek zijn geraakt en nu tot daden willen komen:
     “Is goetgevonden omme de Heeren Out Burgermrn Dirck Sijes ende Mr. Johan Mars van Hoorn beneffens de
     Heeren Gedeputeerdens op “t spoedighste naer ‟s Gravenhage te vervoegen ende met ijver te urgeren dat in
     consideratie de Provincie van Hollant ende Westvrieslandt geheel van militie is ontbloot ende alle ‟t gunt wat
     ons in de selve lief ende waert is ten uijtersten schijnt te pericliteren (gevaar lopen) en de Ed: Gr: Mog:
     mochten gelieven goet te vinden bij een generale opbodt de tweede ofte derde man van alle het manschap in
     de Steden ende Dorpen deser Provincie sijnde tegens den vijandt te doen uijtgaen.”
De drie heren van de Vroedschap hebben hun opdracht een rapport te maken over de fortificatie van de stad ook
uitgebracht
     “met dien verstande echter dat met het opmaecken vande bastions ofte bolwercken aen de Noordeijnder end‟
     Suijdeijnderpoort tot bescherminge van de Buijtenhaeven ofte het Gadt, mitsgaeders met het repaeren ende



5
De man, die te veel inleverde

    voorsien van de boomen (slagbomen)) ende paelen rontsom de Stadt een aenvanck sal worden
    gemaeckt.Eerstelijck het bastion daer d‟ Suijdermoolen op staet op de manier van een Triangel (driehoek)
    opte maecken op bequaeme hooghte met een borstveeringh beneden vijff en booven de vier voeten breedt,
    hoogh vijff voeten (een voet is 30,27 cm.)”.

     Het rondeel besuijden d‟ Suijderpoort, mitsgaeders het ongeraseerde (ongesloopte) muijrwerk ontrent op vier
     en een half voet na aen booven toe de vesten met goet harde aerde aen te vullen op bequaeme breete na
     advenant de gelegentheijt sal toelaten en voorts een borstveeringh ter hooghte van de steene meuijr breet
     booven drie en beneden vier voeten, alwaer de muijr afgenoomen is aldaer de vesten op de hooghte van de
     muijr op te maken ende booven noch een borstveeringh van vijff voeten hoogh, booven vier ende beneden vijff
     voeten breet en daer geen muer en is sufficantelijck (toereikend) de vesten te verhoogen pop sommige plaetsen
     vier of vijff voeten minder ofte meerder na de constitutie (vaststelling) van de saecke.
          De bolwercken bij de baen en Gerrit Pietersz Moolentie en wel bijsonderlijck het laatste sufficantelijck te
     verhoogen ende bij forme van een Triangel op te maken en met een bequaeme borstveeringh te voorsien en
     wel bijsonderlijck dat van de Noorderpoort af tot het nieuw verhooghde op een bijsonder wijse de vesten te
     verhoogen, als sijnde daervan beneden de buijten Zeedijck ende het Bolwerck daer de Noordermoolen op
     staet bij forme van een halve maen behoord opgemaeckt, verhooght en mert een borstveeringh voorsien te
     worden om alsoo het gadt na zee en de zeedijck bequaemelijck te konnen defenderen, op ‟t plein bij d‟
     langebrugh een borstveeringhe te leggen van vier oft vijff voeten breet om alsoo d‟boom (slagboom in ‟t
     Galgeriet voor de haveningang) met conon bequaemelijck te connen defenderen, alle de buijten vaerten
     (grachten0 van de vesten eerst ende vooral te vergrave, oock het Stadtsriet, singels en naeste gelegen landen
     vande Stadt als de diemers0van bij de deexbrugge ende tgeen opt lant bij de Suijderboom (slagboom0 leijt.
          Tot defensie noodigh twee uijtleggers ‟t paalhuijsje en waeghthuijs te repareren, alle de bennenboomen
     (slagbomen0 te sluijten, de burgers bij nacht vijftigh sterck te maken, het kruijt of buspoeder (“bus” is
     geweer) uijt de cruijtmoolen te doen halen en niet sonder consent af te leveren. Te executeren (uit te voeren)
     door burgers ende huijsluijden ( uit de Purmer) de waterhaelders bij gelegenheijt te arresteren ende aen te
     houden om tot defensie te begruijcken. Gedaan den 21 juni 1672.
De Raadspensionaris de Witt schreef die middag aan de Heer Vivien, Pensionaris van Dordrecht, dat hij vond dat
     “ons grootste quaet niet de macht off de progressen (vorderingen) van den vijandt, maer den generaelen
     opstandt, de ongehoorsemheijt ende weerspanningheijt van de borgeren ende ingesetenen in de steden ende
     van de boeren ten platten lande, waerdoor de kracht van de hooge overigheit als ontzenuwt ende alle
     execurtiën (uitvoering van beslissingen) seer vertraegt worden”.
Op de avond van die dag wandelen vier jongelui over de Vijverberg in Den Haag. Het licht in de zaal van de
Staten van Holland brandde. “Ze zijn nog aan het vergaderen” zei een hunner: “dus zit daar ook de
Raadspensionaris, die landverrader moesten we van kant kunnen maken”. Ze besloten hem op te wachten en toen
de Witt verscheen, werd hij door hen overvallen en zo met messen bewerkt, dat ze dachten dat hij dood was.

In de gedrukte “notulen gehouden ter Statenvergadering van Holland” (1671-1675) door Cornelis Hop,
Pensionaris van Amsterdam en Nicolaas Viveen, Pensionaris van Dordrecht, uitgegeven door het Historisch
Genootschap te Utrecht in 1902, lezen we op blz. 120:
     “De Raadspenionaris de Witt, des avonts (van de 21e) ten 11 uijren, uijt de vergaderingh komende, aengeranst
     (!) door 2 sonen van den raadsheer Van Der Graeff, De Bruijn en Borbagh en met 4 wonden gequetst, d‟ene
     in de borst tussen de 4e en 5e ribbe, de tweede achter tussen de schouders, de derde een houw in den hals en
     de vierde een contusie (een lichte wond) op het hoofd, dogh de doctoren enchirurgijns oordelen niet lethael
     (dodelijk). Een van de sonen van den raadsheer gevangen”.
Het bleek de jongste zoon van de raadsheer te zijn: Jocob van der Graeff. Hij bekende en noemde de namen van de
drie anderen, die zich schuil wisten te houden toto de omwenteling toen het gevaar week.
Borbagh, die de eerste stoot toegebracht had, was postmeester. Hij verloor later niet eens zijn ambt.
Volgens Dr. D.J. Roorda in zijn “Rampjaar 1672”, nr. 39 van de Fibulareeks, hielden ze zich schuil in het
legerkamp bij Bodegraven.
Hij schrijft: “Was iemand, die de Witt naar het leven had gestaan, het veiligst zo dicht mogelijk onder ‟s Prinsen
hoede ?” . de Prins van Oranje was daar steeds persoonlijk aanwezig.

Met de jonge van der Graeff ging het Hof van Holland, op aandrang van de verontwaardigde Staten, toch een
voorbeeld stellen.
De 29e juni werd hem zijn vonnis, wegens een misdaad begaan aan een staatsdienaar, voorgelezen en nog dezelfde
dag werd hij onthoofd.
         De Witt‟s verwondingen bleken niet al te ernstig, maar hij moest toch zes weken lang het bed houden. Op
zijn ziekbed kwam hij terug op een eerder gedane uitspraak en schreef aan de Heer Viveen: “Ons grootste kwaad




                                                                                                                   6
De man, die te veel inleverde

was niet enkel de oproerigheid van de burgers, waarvan hij het slachtoffer geworden was; het was de zwakheid
van “de hoge overigheid” zelf”.
         Hoe rijp de zaken waren voor een omwenteling, blijkt uit de opgewonde stemming van duizenden, die op
dat ogenblik in van der Graeff alleen maar een martelaar wilden zien. Uit vrees voor opstand was een verbod
uitgegaan om in de kerken voor de veroordeelde te bidden.
         Al dagenlang waren in verscheidine steden onlusten gaande. Te Amsterdam werd op 27 juni de oude
Johan Maurits gemolesteerd “mede „n verrader” werd geroepen, doch daar traden de burgervendels tegen op. Men
geloofde aan een plotselinge overgave van de stad door Burgemeesteren, die beschuldigd werden, dat ze “liever
frans dan Prins” waren. Te Dordrecht bleef het niet bij “ ‟n beleefd vertoog van eenige der faςoenlijkste
burgeren“, zoals een dag of wat eerder, uit naam van de rest.
Op 28 juni kwam de beweging de straat op en weldra hoorde men de kreet, dat “het eeuwig Edict”, moest worden
ingetrokken en de Prins tot Stadhouder verheven moest worden.

De 29e juni (op de woensdag, dat in Den Haag Jacob van der Graeff terecht gesteld werd) brak de storm in
Monnickendam los (zieG.A. M,dam, nr. 9, blz. 124, ‟n resolutieboek).
    “De Corporaels van de vier Compagnien Burgers deses Stadts (schutterij) nemantlijck Jan Fransz Thamis,
    Cornelis Roos, Willem Hagen, Pieter Laeckeman, Roelof Hof, Gerbrandt Grebber ende Hendrick Cock,
    mistsgaeders de lantspassaed Pieter Jansz Baan, bij absentie van sijn Corporael Jan Ketel de Jonge hebben
    ter vergaderinge (van Burgermrn en Vroedschappen) geremonstreert, dat een goet gedeelte van de Burgeren
    ende ingesetenen deses Stadts jegenwoordigh bijeen sijnde haer hadden veersocht haer Achtbden voor te
    dragen de volgende poincten ende op de selve te versoecken een satisfactoire (tevredenstellende) verclaeringe
    ende resolutie (besluit), ende dat sijlieden om de voorsz. burgerije wederom tot behoorlijcke ruste end‟ stilte
    te brengen haer ondert welnemen van haer Achtbden hadden laeten disponeren om het voorsz. versoeck in de
    naeme van de voorsz. burrgers te doen sulcx de voorsz. poincten hier naer succinctelijck (beknopt) sijn
    volgende ende daerover wesende gedelibereert hebben haer Achtbden bij eenparige advisen op het vast
    vertrouwen dat de goede Burgeren in Ingesetenen deses Stadt den eedt bij de selve aen de Heeren Burgemrn
    ende Quartiermrn gedaen tot defentie van de Stadt jegens alle vijanden van buijten ende seditie (muiterij) ofte
    oproer van binnen getrouwelijck end‟ geene in margine (marge) van ijeder poinct staet genotuleert”

De Corporaels worden mits desen                      1e poinct
Geauthoriseert het ooverige geweer van de                        Dat het ooverige geweer van de Stadt met
Stadt onder de Burgers geen geweer hebbende                      dem eerstem aem de Burgers mooge worden
bij leeninge uijt te deelen ende tot dien                        uijtgedeelt ende voor soo veel het selve
sijnde met den eersten eene wapenschouwinge                      gegeven is aen yemant selfs geweer hebbende
in de huijsen te doen, mitsgaeders den                           sulcx aen de soodaenige wederom mooge
geenen welcke selfs geweeer hebben het gegevene                  worden afgenoomen
Stadts- gewwer af te nemen.

Haer Achtbden nemen aen geen ruijters nochte                     2
Soldaten in te nemen sonder voorgaende                           dat geen ruijters noch vreemde soldaten
Communicatie van de Corporaels                                   in de Stadt moogen ingelaeten worden.

Tot Sijn hoogheijt den Heer Prince van                           3.
Orangiën                                                         Dat haer Achtbden aen de voorsz. Corporaels
                                                                 Gelieven te verclaeren in cas (ingeval)
                                                                 (dat Godt genaedighlijck verhoede0 men door
                                                                 de noodtgeperst soude moeten coomen tot
                                                                 veranderinge van de Regeeringe, tot wien,
                                                                 of tot sijn Mat van Vranckrijck of tot den
                                                                 Heer Prince van Orangiën haer Achtbden
                                                                 Souden genegen sijn.

Dese verclaeringe is haer Achtbden                               4
Hoogsten aengenaem ende met der selver                           Ende de voorsz, burgers verclaeren in het
Intentie accorderende                                            geval in het derde poinct geroert tot den
                                                                 Hooghgemelten Heer Prince van Orangiën genegen
                                                                 te sijn ende niet tot sijn Mat van Vranckrijck

Het selve comt door de verclaeringe                              5




7
De man, die te veel inleverde

Op het derde poinct van selfs te vervallen                     Dat het eeuwigh Edict mochte worden gemortificeert
                                                               (ongelig verklaard) ende vernietight

Op dit poinct zijn eenige missiven                             6
Aen de Corporaels geecommuniceert                              Dat aen de Corporaels in de naeme van de
(getoond) ende is voorts aen de selve                          voortsz Burgers ooppeninge ende vioorgelesen de
eedt bij de Heeren van de                                      communicatie mochte worden gegeven van
Vroedschap in den beginne van haere                            de brieven welcke aen de Heeren van de
Bedieninge wordende gedaen                                     Regeeringe of door haer Ed: Gr: Mog: of wel
                                                               Door de Heeren Satadts Gedeputeerdens sijn
                                                               Ende worden van tijdt tot tijdt geadrdresseert ende
                                                               toegesonden.

De Corporaels worden mits desen geauthoriseert                 7
Beneffens de Heeren Burgermrn end‟ Commissarissen              Dat beerere ordre op het maecken van de
Uijt de Vroedschap tot de directie, beleijt ende               fortificatien deses Stadts als mede op de
Opsichte over de fortificatien deses Stadts ende               poorten end‟ boomen als tot noch toe mooge
sullen de sleutels van de Stadtspoorten      in de             worden gestelt
hooftwacht worden bewaert.

U zult begrepen hebben dat de rechts gestelde vraag in de linkerkolom door het stadsbestur wordt beantwoord.




Het is niet zo vreemd, dat zich hier acht Corporaals bij het stadsbestuur presenteerden. Zij, die hoger in rang waren
hadden meestal zitting in het college van Burgemeesteren en Vroedschap en waren dus veelal staatsgezind.
Volgens het reglement van de schutterij art.3, moest de Krijgsraad van de schutterij bestaan uit vier regerende
Burgemeesteren als Colonellen, de acht jongste leden van de Vriedschap hadden er zitting in als de vier benodigde
Capiteins en Luitenants en voorts de vier Vaandrigs, acht sergeanten en een secretaris.
         Manlijke poorters en burgers tussen 18 en 60 jaren waren verplicht om twee maal per jaar aan de
oefeningen van de schutterij deel te nemen, mits men zich rijkocht al naar gelang de welstand voor ƒ 6,-- tot ƒ 10,-
         In het Streekarcief te Purmerend is nogal wat over de schutterij te Monnickendam bewaard gebleven. U
kunt het vinden in de nrs. 181 en 182 en het betreft de periode van 1734 toto 1790.

Op 17 oktober 1665 werd besloten om de vier “vaendelen” van de schutterij te completeren. Ieder vaendel zou uit
120 koppen moeten bestaan, verdeeld in twee corporaalschappen van 60 man, vandaar het in deze remonstrantie
genoemde aantal van acht Corporaals. Boven deze twee Corporaals stonden twee Sergeanten, een Vaandrig, een
Luitenant, een Capitein en een Colonel per vaendel.
Voltallig was de schutterij dus 512 koppen groot en een macht in eigen stad, waarmee men zeker rekening moest
houden. In mijn reconstructie van “de Zarken” zal ik u er meer over vertellen.

Men kan zich voorstellen, dat de burgers, die de Corporaals hadden afgevaardigd, helemaal niet op een dergelijk
gunstige en tevredenstellende verklaring van Burgemeesteren en Vroedschap gerekend hadden.



                                                                                                                     8
De man, die te veel inleverde

De omstandigheden waren er ook rijp voor, dat een staatsgezind stadsbestuur een wat soepeler houding ging
aannemen. Ze waren goed op de hoogte met de landelijke gebeurtenissen en moesten terdege rekening houden met
dat deel van de regenten, die een samenspel bedreven met schutterij en burgers.
          Twee dagen later op de 1e juli kwam de Stadsgedeputeerde van Leiden in de Staten van Holland met het
voorstel of men elkaar niet de vrijheid zou geven elkaar van de eed op ‟ t eeuwig Edict te ontslaan.
Volgens het Edict mocht zo‟n voorstel noch gedaan noch aangehoord worden en voor velen was het dan ook een
hard gelag.
          De Haarlemmers maakten de Staten echter attent op het levensgevaar, dat hun heren zouden lopen,
wanneer deze zonder genoegdoening van ‟s Prinsen hoofdkwartier zouden terugkeren. Toen werd besloten elkaar
van het Eeuwig Edict vrij te stellen en na ruggespraak met hun stadsbestuur over twee dagen een besluit te nemen.
In de vroege ochtenduren van de 4e juli werd Willem III tot Stadhouder benoemd. Een deputatie van elf heren, een
uit de Ridderschap en tien van de voornaamste steden zou de Prins daarvan plechtig mededeling doen.
          Gebruik makend van de afwezigheid van de Witt in de Staten door de aanslag die op hem gepleegd was,
kreeg de nederlandse gezant in Frankrijk, Pieter de Groot (een zoon van Hugo, degene die via een boekenkist uit
Loevestein ontsnapte), de 26e juni opdracht van de Staten van Holland om met de franse Koning te gaan praten.
Men was genegen om een accoord met een zeer ruime som te kopen, mits alle eisen van de andere vijanden
daarmee tevens gedelgd waren en behoudens “de Vrijheid van Religie en van Regeeringhe”.
          Het was een noodsprong geweest. Ieder ogenblik had men gedacht, dat de fransen zouden doorbreken.
De fransen naman echter geen genoegen met het aanbod. Na wat loven en bieden zou een bedrag van tien miljoen
op tafel kunnen komen en het recht de Zuidelijke Nederlanden te mogen bezetten. “Nou dat begon er wat op te
lijken” werd er gezegd.
Maar de franse Koning wees het voorstel resoluut van de hand. Op z‟n minst eiste hij het gebied toto de grote
rivieren voor zich op, economische politieke voordelen voor Frankrijk en het recht op bestuursambten, openbare
godsdienstuitoefening en kerkgebouwen voor de katholieken.
De 4e juli bracht Pieter de Groot rapport uit aan de Staten. De vergadering stelde dan ook vaast, dat de franse
tegeneisen onaannemelijk waren, Harlem stelde:
     “De saecken sijn tsedert ook van beetter conditie geworden; de wercken meerder voorsien, de wateren
     ingelaten, de militie versterckt, met hoop van adsistentie van buijten”.
Een punt van discussie bleef of men de onderhandelingen zou voortzetten dan wel op de zachtste wijze zou
afbreken.
De 7e juli besloot men Pieter de Groot terug te sturen om de franse de ondragelijke hardheid van hun voorwaarden
voor te houden.
     De notulen in de resolutieboeken van Monnickendam bevatten op de 11e juli geheel andere problemen.
Allereerst is daar:
     “‟t inwillegen van een Capitale leeninge bij alle de vermoogende ingesetenen ende Gegoeden, uijtbrengende
     het beloop van twee maal de 200e penning te betaelen voor het expireren dese loopende maendt julij, tegens
     vier ten hondert in „t Jaer”.
Dan zijn er de problemen met de stadsschutters en de predikanten. Voor 1672 predikten de dominees allereerst
gehoorzaamheid aan de overheid en met die prediking had men nogal succes. Nu de Prins tot Stadhouder is
verheven :
     “zo haast beginnen zij te preken van het loffelijke Huis van Oranjen met zoo een beweeglijke stem, gelijk of al
     hare zaligheid alleen aan de toekomst van dien jongen stam hing; maar als ze voor hare hooge Overheid
     bidden, dan rabbelen zij maar zo wat henen”. Zij een regent uit die tijd.
Zo ook kennelijk in Monnickendam:
     “De Heeren burgemrn sullen sich met de beste occasie (gelegenheid) vervoegen bij Ds. Johannes Lantman,
     Predicant alhier ende den selven met civilliteijt (beschaafde manieren) uijt de naeme van de Heeren van de
     Regeeringe te versoecken dat hij in sijne publijcque predicatien ende particuliere descoursen naar ‟t exempel
     (voorbeeld) van de Predicanten in de naest gelegene plaetsen ende oock op het fundament van de missive van
     sijn Hoogheijt den Heer Price van Orangien van date den 8 e deser loopende maendt julij aen de Heeren van
     de Regeeringe deses Stadts geadresseert de Gemeente tot ruste ende stilte, mitsgaeders gehoorsaemheijt
     jegens haere wettige Overigheijt gelieve aentemaenen ende door het eene nochte andere geen aaenleijdinge te
     geven tot eenige commoitien (emoties) ofte meerdere ontsteltenisse van de gemoederenvan de Ingesetenen in
     dese perplexe constitutie van tijden ende saecken tot ondienst van Staet ende Stadt”.
Vervolgens is gelezen:
     “Is gelsesen een lijste bij de Corporaels van de Schutterije gecoucheert (opgestelt) ende ontworpen,
     behelsende de maeniere van de contributie tot de onconsten van de fortificatien deses Stadts bij de Schutters
     ende andere Burgers, mistsgaeders Ingesetenen deses Stadts te draegen ende doen en de daerover wesende
     gedelibereert is deselve lijste naer eenige correctie gearresteert (bekrachtigd)”.




9
De man, die te veel inleverde

Dinsdag de 12e juli 1672 maakten de Corporaals van de Schutterij ter vergadering van Burgemeesteren en
Vroedschappen bekend:
    “dat Arent (Willemsz) Koel, Claes Cornelisz Weijnes, Gerrit (Andriesz Schildrinck) de Wieldraijer, Jan
    Claesz Schoenmaecker, Cornelis Florisz Bloem, Claes (Cornelisz) Appelboom, Mr. Nicolaas Deventer ende
    Dr. Johannes (Cornelisz) Koeslaeger heden morgen aen haer hebben overgegeven seecker geschrifte
    houdende versoeck, dat de Heeren van de Regeeringe mochten gelieven goet te vinden aen vijf uijt desleve
    Corporaals te vergunnen sessie (zitting) in de vergaderinge van de Heeren Burgemrn ende Vroetschappen,
    als mede dat de selve Corporaels tot leden van de Crijghsraedt mochten worden aangenomen sulcx ende in
    dier voegen als het voorsz geschrifte hier naer van woorde tot woorde is volgende ende over den inhouden
    van ‟t voorsz geschrifte sijnde gedelibereert is vermits de swackheijt (geringe opkomst) van de jegenwoordige
    vergaderinge de resolutie (beslissing) daer op te nemenuijtgestelt tot morgen sullen worden geconvoceert
    (samengeroepen)”.
De inhoud van het geschrift komt op het zelde neer, alleen wil ik u de aanhef niet onthouden:
    “Uijt genegenheijt tot d‟algemeene ruste en vrede binnen in ons Vaderlant en de insonderheijt die van onse
    Standt (daer de gemoederen van seer veele en verre de meeste Borgeren seer ontrust geweest en noch sijn)
    soo remonstreren mitsdesen aen de Heeren Korporaels der Borgerije eenige vreede ende rust lievende
    Burgeren, dat sij hoorende ende vernemende van alle kanten het groot mistrouwen van de gemeente op haer
    Overigheijt…..etc. ”. Reden van het verzoek is dus het wantrouwen tegen het Stadsbestuur.
Vond men de opkomst van 3 Burgemeesteren en 8 Vroedschappen op de 12 e juli te gering om een besluit te
nemen, de 13e zijn dezelfde 3 Burgemeesteren aanwezig en slechts 10 van de 21 Vroedschappen.
    “Bij resumptie (samenvattend) sijnde gedelibereert op het geremonstreerde van de Corporaels van de
    Schutterij uijt de naeme van eenige Burgeren deses Stadts op gisteren ter vergaderinge gedaen ende bij
    geschrifte overgegeven onder de Notulen van den selven date geregistreert is bij eenpaerige advisen
    goetgevonden ende verstaen dat aanstonts ter vergaderinge sullen bescheijden (verschijnen) Cornelis Bloem,
    Claes Appelboom, Mr. Nicolaas Deventer ende Dr. Johannes Koeslager vier van de Burgers, welcke de
    voorsz remonstrantie aen de genoemde Corporaels hebben overgegeven”.
De intellectuelen uit de groep remonstranten worden dus opgeroepen.

De notulen vervolgen:
     “de voornoemde vier Burgers ter vergaderinge sijnde gecompareert (verschenen) ende het voorgeroerde met
     deductie (uiteenzetting) door de Secretaris Admiraal uijt de naeme van de Heeren van de Regeeringe
     voorgehouden hebben de selve op het eerste verclaert dat sijlieden in ‟t particulier niet conden specificeren
     (nauwkeurig opgeven) waerinne het misstrouwen van de Gemeente of een groot gedeelte vandien bestonde,
     maer dat de daegelijcksche licentieuse discoursen (ongebonden gesprekken) van veele menschen al te groote
     preuven van het selve mistrouwen waeren gevende, welcke mistrouwen sijlieden echter oordeelen sonder
     grondt ofte fundament te sijn; ende rustlievende haerlieden versoeck dat sij ‟t selve niet anders als met een
     vreed- ende rustlievend ooghmerck ende als een middel tot besaedinge ofte bevredinge van de gemoederen
     hadden voorgeslaegen end‟ dat sij wel conden begrijpen ingevalle de ruste van de Burgers anders conde
     worden geconserveert (bewaard) dat het selve versoeck op geen reden waer gegrondt ende onbehoorlijck,
     ende dewijle de Heeren van de regeringe die Saecke soo hoogh apprehendeerden (opvatten), twelck sijlieden
     niet hadden geconsidereert (overdacht), dat sij op de begeerte van de selve Heeren wel mochten gedoogen dat
     voor soo veel haer aenging het voorsz versoeck wierde geseponeert (ter zijde gelegd), aennemende ende
     beloovende hooft voor hooft haer in behoorlijcke ruste en stilte als goede Burgers te sullen gedraegen ende
     andere Burgeren mede bij alle occasiën (gelegenheden) ten besten tot gelijcke ruste te sullen aenmaenen ende
     raeden, waermede sijlieden sijn gedimitteerd (weggezonden)”.
Nog steeds blijkt het psychologische overwicht van de aristocratische regent het protest te kunnen weerstaan en
gaat het zogenaamde “stelletje oproerkraaiers” overdonderd de deur uit.
Algemeen zag men de regenten als de natuurlijke gezagdragers en in de ogen van deze Heren was het dan ook iets
onbehoorlijks, wanneer de gewone man zich met hun zaken bemoeide.
Daartegenover stond dat de prinsgezinden met meer sentiment dan overtuiging in hun verzet te werk gingen het
loodje moesten leggen wanneer het om principiële zaken ging.

Vervolgens vertellen de notulen van de 13e juli:
    “dat de bovengenoemde Corporaels ter Vergaderinge bescheijden (verschijnen) ende is aen de selve van ‟t
    voorsz gepasseerde omstandig (uitvoerig) oopeninge gedaen ende sijn sijlieden versocht de vier andere
    personen het voorsz schriftelijck versoeck mede gedaen, namentlijk Arent Koel, Claes Cornelisz Weijnes, Jan
    Claesz Schoenmaecker ende Gerrit de Wieledraijer voor haer te bescheijden (verschijnen) de selve van haer
    ongelijck te overtuijgen ende disponeren (aansporen) tot afstandt van haer voorsz versoeck, mitsgaeders rust
    en stilte, als mede dat de voornoemde Corporaels bij alle occasien (gelegenheden) de Burgerije in het gemeen
    tot haer schuldigh debuoir (optreden) ende behoorlijcke ruste souden willen aenmaenen ende persuaderen



                                                                                                               10
De man, die te veel inleverde

    (overtuigen), het welck bij ijeder van de selve belooft ende aengenoomen is, waermede ‟t voorgeroerde
    versoeck van de voornoemde acht Burgers simpelijck is geseponeert (ter zijde gelegd)”.
Direct laat men dezelfde dag er op volgen, daar de Prins de 10e juli de eed als Stadhouder had afgelegd:
    “dat bij de Heeren Burgemeesteren ende Vroedschappen des Stadts Hoorn waer resolveer (besloten) te doen
    een aensienlijcke besendinge aen sijn Hoogheijt den Prince van Orangien, omme den selven te congratuleren
    (feliciteren) over sijn Hoogheijt advancement tot het Stadhouderschap”. Het waren slimme lieden deze
    regenten.
    “Naer deliberatie (overleg) sijn de Heeren Burgemeesteren den 16e juli versoght omme geen schepen uijt dese
    Stadt naer eenige vijantlijcke havenen ofte plaetsen te laten vaeren, nochte daer toe pasport te verleenen,
    uijtgesondert alleen, dat aen de vluchtelingen uijt de selve plaetsen alhier sijnde, wel sal moogen worden
    geaccordeert omme met leedige ruijmschuijten ofte diergelijck cleijn vaertuigh naer haer woonplaetsen te
    vaeren ende van daer eenige van haere goederen aftehaelen”.
Van Naarden tot Blokzijl was de kust van de toenmalige Zuiderzee door de Fransen bezet. Honderden
vluchtelingen uit Huizen en andere plaatsen in Gooiland hadden hun toevlucht gezocht in de noordhollandse
steden, waar ze zo goed mogelijk werden opgevangen.

In oktober van dat jaar werd zelfs goedgevonden :
     “dat sij sich erneerden met het seijle ofte rollen weven ende diergelijcke exercitien en dat sijlieden toto haer
     gerieff een schip van de buijtenschepen alhier sullen moogen gebruijcken omme haer voorsz
     coopmanschappen van hier naer Amsterdam te voeren”.
Hoeveel vluchtelingen uit het Gooi, uit Gelderland en Utrecht in Monnickendam werden ondergebracht valt alleen
maar globaal te benaderen.
Tussen 18 juni en 31 december 1672 werden 97 vluchtelingen (17 mannen, 28 vrouwen en 52 kinderen) te
Monnickendam begraven. Zij kwamen uit de volgende plaatsen: Nijkerk (45), Huizen (19), Bunschoten (13),
Barneveld (8), Eemnes (6), Putten (2), Eemdijk (1), Abcoude (1), Naarden (1) en Loenen a/d Vecht (1).
In juni en juli werden 14 en van augustus t/m december 83 doden begraven. In totaal werden in Monnickendam
tussen 1 augustus en 31 december 186 doden ter aarde besteld. 45% van dit aantal waren dus vluchtelingen.
         Het aantal inwonders van onze stad was in 1672 ±3000. geen rekening houdende met de vaak miserabele
omstandigheden waaronder zij werden gehuisvest, zouden er alleen al naar Monnickendam 45/55X 3000 = ± 2500
man gevlucht zijn. wanneer we de grotere sterftekans incalculeren, moeten het er toch minstens 1500 tot 2000
geweest zijn. op de twee Monnickendammers was er dus een vluchteling.
         Op zondagmorgen 24 juli wordt Cornelis de Witt plotseling te Dordrecht, waar hij woonde, gearresteerd
en naar Den Haag overgebracht. De barbier Willem Tichelaar beweerde dat hij hem had willen omkopen om een
aanslag op het leven van de Prins van Oranje te plegen. Het was doorzichtig genoeg, dat het hier om een
bloedwraak ging voor de onthoofding van Jacob van der Graeff, maar serieus als de Regentenregering zijn taak
opvatte, moest het geval onderzocht worden.

In Monnickendam blijkt uit de notulen van de Vroedschapsvergadering dat:
     “vermits de jegenwoordige bedroefde toestandt van onse lieve vaderlant de naest aenstaende Jaermerckt ofte
     kermisse deses Stadts niet sal worden gecelebreert ofte gehouden, nemaar afgeschaft ende daer van in de
     Publijcque Couranten tot een ijeders naerrichtinge kenisse gegeven”.
Men zal hiermede o.a. de Oprechte Haarlemmer Courant bedoeld hebben. Van alle bladen, welke wekelijks of om
de twee of drie dagen in ons land verschenen, stond de “Opregte Haerlemsche Courant” van Abraham Caseleijn op
de voornaamste plaats. De 8e januari 1656 verscheen onder de titel van “Weeckelijcke Courant van Europa” het
eerste nummer. De Heer Enschedé te Jaarlem heeft nog een serie van deze kranten welke begint met het nummer
van 19 mei 1665. in 1659 veranderde de titel in “Haerlemse Dingsdaeghse Courant” en in 1678 in “Oprechte
Haerlemse Dingsdaegse Couant”.
          Van openlijk verzet bespeurt men vanaf midden juli in Monnickendam niets meer, maar ondergronds
woekert het toch voort. Op woensdag 3 aufustus wordt Dominee Deventer (waarschijnlijk de broer van Mr.
Nicolaes Deventer, een van de acht remonstranten) op het matje geroepen.
Burgemeesteren en Vroedschappen:
     “delibereren over enige ingrediënten van de predicatie heden naer de middagh door hem gedaen en verclaeren,
     dat de inhouden seditieus ende oproerigh is, Denselven wort het rechtvaerdigh misnoegen van haer Achtbden
     daerover aengeseijt, met verder versoeck, ordre en begeerte dat de meergenoemde Dus Deventer voor het
     toekomende sijne Predicatien end‟ publijcque gebeden daer henen soude willen dirigeren ende beleijden, dat
     de goede ingesetenen deses Stadts tot behoorlijcke ruste ende stilte, mitsgaeders gehoorsaemheijt aen haere
     wettige Magistraet volgens Godes Heijlige Woort ende Ordinantie moogen worden gebracht ende daerinne
     door heijlsaeme vermaeningen versterckt ende geanimeert ende voor al mede op de Publijcque Bededaegen de
     Toehoorders te vermaenen tot hertgrondigh berouw ende leetwesen, mitsgaeders waere bekeeringe over ende




11
De man, die te veel inleverde

     van alle haere sonden als eijgentlijcke oorsaecken van de swaere oordeelen ende plaegen waermede Godt
     Almachtige onse lieve vaderlant in sijne rechtvaerdigen toorn is besoeckende”.
Eind juli was Jan de Witt geheel herseld van zijn op 21 juni toegebrachte verwondingen. Op 4 augustus verscheen
hij weer in de Staten van Holland en vroeg zijn ontslag als Raadspensionaris. Het volk had, volgens zijn mening,
erg veel wantrouwen tegenhaar Regenten opgevat en hij zelf had daarvan “ ‟n grootte pertie” meegekregen. Hij
oordeelde, dat hij met zijn aanblijvende gemene zaak geen dienst zou bewijzen.
Het ontslag werd eervol verleend en hem de bij zijn aanstelling beloofde plaats in de Hoge raad toegekend. Op eis
van Willem III werd echter later het woord “eervol” uit de resolutie van de Staten geschrapt. Het behoeft geen
toelichting hoe deze mannen elkander naar het leven stonden.
          Jan de Witt wijdde zich vanaf die dag geheel aan de zaak, die men tegen zijn broer aanhangig gemaakt
had. Op dat moment zat Cornelis al in een cel van de Gevangenpoort, Jan de Witt wist te bereiken dat Willem
Tichelaar, de aanbrenger, daar ook in bewaring werd genomen.
Waarom zou Cornelis aan een volslagen onbekende man een dergelijk riskant moordplan hebben voorgestled ? Het
was volgens Jan een absurde aanklacht. Jan probeerde een reconstructie te maken van de goed in elkaar gezette
beschuldiging en het bleek dat Tichelaar zelfs onder valse voorwendsels bij Cornelis de Witt aan huis was
gekomen.
          Op 12 augustus vertelde Jan de Witt in zijn laatste brief aan van Beuningen over het genomen ontslag en
gebruikte hierbij de oude spreuk “Prospera omnes sibi vindicant; adversa uni imputantur”: bij voorspoed eisen
allen voor zich de eer; bij tegenspoed wijt men het één.
Hij voorvoelde als het ware welk noodlot zich over hem ging voltrekken.
          Op 19 augustus werd Cornelis tijdens een laatste verhoor zelfs op de pijnbank gelegd, doch er volgde
geen bekentenis. Heel ongewoon was het Hof de volgende morgen het vonnis komen aanzeggen: “Verlies van al
zijn ambten en verbanning” zonder maar ook één feit te noemen, waarvan men hem schuldig bevonden had.
Dezelfde dag, zaterdag de 20e augustus 1672, zou zich een van de treurigste voorvallen van onze vaderlandse
geschiedenis gaan afspelen.
Tichelaar werd direct na het vonnis op vrije voeten gesteld en probeerde daarmee tegenover het publiek zijn
onschuld te bewijzen. “De republiekijnse rechters hadden Cornelis veel te mild veroordeeld, want hij had de dood
verdiend”.
          Even te voren was op verzoek van de veroordeelde Johan de Witt de Gevangenpoort binnen gestapt. Op
de beschuldiging van Tichelaar ontstond daar een oploop van mensen.
          Toen Johan een poging deed de Gevangenpoort te verlaten (schrijft Jan Romein in zijn bekende “Erflaters
van onze beschaving”) werd hem dit met geweld belet. “Hier mag niemand uit”. Een uur verstreek, waarin de
spanning voelbaar steeg.
Ter bewaring van de orde werd de ruiterij opgecommandeerd. Het gerucht liep dat boeren uit het Westland met
kwade bedoelingen in antocht waren, maar die kwamen niet en daarom gaf men zelfs de ruiterij bevel om weg te
trekken.
          Romein verteld verder: Dit werd het sein voor de vendels der schutterij, die zich ‟s ochtends reeds,
gedeeltelijk uit eigen beweging, gedeeltelijk op bevel, vóór de Poort verzameld hadden, om krachtdadiger op te
treden. Ook waren zij ter bewaking opgeroepen, doch zij vatten dit op haar wijze op.
          Aangevuurd door één hunner, de zilversmid Verhoef en door schepen van Bankhem, die enkele kapiteins
der schutterij onder ede zu hebben laten beloven, de De Witten niet levend los te laten, forceerden zij, om vier uur
ongeveer, de deur van de Poort en trokken scheldend en tierend naar de kamer, waar Cornelis te bed lag en Jan bij
de tafel zat te lezen.
          Gekwetst door slagen van geweerkolven, werden zij daarop de trappen afgesleurd en naar buiten gestompt
en daar op het Groene Zoodje, de plaats der terechtstellingen, deerlijk afgemaakt in een aanval van zo walgelijke
moordlust, als de nederlandse geschiedenis geen tweede kent.
          De lijken werden met een algemeen salvo doorschoten, de kleren hun afgerukt en de naakte lichamen tot
een bloederige klomp vlees verminkt en zo met de hoofden naar beneden aan de sporten van een galg gehangen als
opgesperde koeien bij de slager.
Het afbijten of afsnijden van de geslachtsdelen en het verkopen bij opbod van vingers en tenen ontbrak zelfs niet,
als ging het er om te bewijzen, dat onder omstandigheden, waar wraak- en vreesgevoelens los gelaten worden, alle
anders verborgen oerinstincten uit ongekende diepten in de mens weer naar boven kunnen komen.
          Heel de Regentenwereld, door wiens angstig stilzitten de gruwelen mogelijk werden, was diep geschokt
en de Prins…. hij ondernam niets tegen de hoofdschuldigen integendeel, zij werden beloond. Een jaargeld voor
Tichelaar en de zilversmid Verhoef en een baljuwbenoeming voor van Bankhem.
Laatst genoemde schijnt later de rijke heren te hebben afgeperst, die “de hoerhuijsen” in Den Haag bezochten. De
Prins, die door het Hof van de Baljuw‟s misdadig bedrijf op de hoogte werd gebracht (dit vermeldt de Heer
Roorda) verdedigde deze met “dat dese sijn huijs altijt had voorgestaen” en vond dat hij nog een kans moest
hebben. In 1680 werd van Bankhem om zijn misdrijven ter dood veroordeeld.




                                                                                                                 12
De man, die te veel inleverde

Het zou te ver voeren om de finale resolutie geheel over te nemen, welke door de Magistraten van Monnickendam
op 16 augustus 1672 werd genomen over “de versterckinge ofte fortifivatie deses Stadt”. Het betreft hier nog
steeds het verzoek gedaan door de Corporaals op 29 juni j.l.
Enkele interssante passages volgen hieronder en vooral de slotopmerkingen zijn aardig:
     “Eerstelijck de Molenwerf aan de Suijderpoort met een loosse beddingh van deelen te voorsien em aenstonts
     het Schut te planten, waermede men sigh van die cant voor eerst sal moeten defenderen. Het Steene sluijsjen
     buijten de Suijdpoort te openen en daerover te maecken een valbrugh ofte voor eerst loose deelen daer over te
     leggen, want sonder openen van dit Sluijsjen can de vijant (insonderheijt bij donckere nachten) loopen tot
     onder het Belwerck en alsoo met een sprongh die post overrompelen.
     Ten welcken sijnde het openen vant Sluijsie noodigh is, want die geene welcke dan genootsaeckt waeren de
     buijten post te moeten verlaten connen haer retrait (terugtocht) bequamelijck nemen overt sluijsjen, de
     valbruch ophalen oofte de plancken weghnemen ende haer dan ondert faveur (dekking) vant Canon ende
     Musquetten vande Moolenwerf ende Bolwerck binnen de poort begeven en sal dan wederom den verderen
     aenloop werde gestut.”ende om voor te coomen (te voorkomen), dat den vijant bij aenlanding op de voorz
     dijcken niet verder als tot dese twee posten sal connen voortloopen, soo ist oock noodig dat ten eersten werde
     afgebroocken den Brugh leggende over de Suijderwouder vaert. De Brugh van de Sacksteeghspoort te meer
     alsoo deselve bij dese tijdt continueel toestaet. De Jagersbrugh (tegen) over de moolen (grutmolen) van Gerrit
     Popsouw af te breecken (zie de kaart van Frederik de Wit in de noordwesthoek van de vesting) of voor eerst
     altijt de spijckers teenemael lost te maecken om bij overval ten eersten dan die losse deelen te connen
     weghnemen”.
Men besluit met:
     “Het exerceren vande Borgerije met het Musquet is oock hooghnoodigh, want wij sien dagelijxc bij
     ondervindinge datter veele sijn niet bequaem sijn om een man op 25 of 30 passen, jaa minder, soude konnen
     raecken, daer en booven ist met groot perijckul (gevaar) gemengt soodaenigh (zoals) veele haer geweer
     coome te lossen ende laeden. De Borgers van beter lont en laetcruijt te voorsien, want men siet dagelijcx alsse
     sullen aenleggen om te schieten, dat de helft pas (slechts) vuer geeft”. Met zo‟n stelletje moest men de stad
     verdedigen. Het is goed dat het nooit zover kwam.
Sinds midden juli was het rustig aan het front. De Fransen hadden Naarden, Woerden, Oudewater en Zaltbommel
bezet en lagen met hun legers voor ‟s Hertogenbosch. Ze hadden hun hoofdkwartier van Utrecht naar Boxtel
verplaatst om van daar uit te proberen Brabant te veroveren.
Ze waren niet in staat geweest de drassige polders van de waterlinie binnen te dringen, omdat de kern van de
troepen uit cavalerie bestond, een keurkorps, dat weinig geschikt bleek voor het moeilijk begaanbare terrein.
          Tussen 16 en 26 augustus wordt te Monnickendam niets genotuleerd. Kennelijk is men zo geschrokken
van de moord op de gebroeders de Witt (op 20-08-), dat het stadsbestuur niets durfde vastleggen.
Op 31 augustus wordt in de Monnickendammer notulen melding gemaakt van een op 27 augustus genomen
resolutie door de Staten van Holland op voorstel van de nieuwe Raadpensionaris Fagel. Het betreft de zogenaamde
“wetverzettingsresolutie”.
     “Den Princen van Oraingnen als Stadhouder deser Provintie sal worden versocht ende geauthoriseert om sich
     in soodanige Steden inde welcke diffident (wantrouwen) ende mermuratie albereijts is ontstaen, aenstonts
     ende sonder aff te wachten, dat de saken aldaer tot eenige timulte, disordre (wanorde) ofte confusie
     (verwarring) comt uijt te bersten, op het versoeck van Burgemrn ende Regeerders, ofte van de Burgeren en de
     ingesetenen vandien, ofte oock andersints uijt eijgen beweginge te informeren op de redenen ende oorsaken,
     die aenleijdinge hebben gegeven ende te romonstereren (overtuigen) de ongefundeertheijt (ongegrondheid)
     van de voorsz murmuratie (ongenoegen) ende ingevalle de voorsz diffidientie daarover niet soude connen
     werden wechgenomen, omme in sulcken onverhoopten geval soodanige Regentien op de discreetste ende
     bequamste manier te persuaderen (overtuigen), disponeren (welwillend maken) ende desnoots te obligeren
     (verplichten) om haer vande bedieninge van haer magistrature te ontslaen ende andere in haer plaetsen aen te
     stellen ende dat de voorsz Regenten daerdoor geensints sullen werden gequetst ofte benaedeeltt in haere
     goede naeme ende fame, mitsgaeders haere familien ende goederen te nemen in Sijn Hoocheijts speciale
     protexie (bescherming) ende sauvequae; de (toezicht)”.
Nu mocht de Prins dus op verzoek van de stadsregering, van de burgers of uit eigen beweging ingrijpen, nadat een
poging was gedaan de burgers van de ongegrondheid van hun misnoegen te overtuigen.
De gewantrouwde Regenten werden dan aangemoedigd en desnoods genoodzakt om ontslag te nemen zonder dat
hun goede naam werd gekrenkt of hun bezit gevaar liep.
          Met dit besluit kreeg men eindelijk de kans zich van de ongewenste elementen in de stadsregering te
ontdoen. De ene stad na de andere vroeg om tussenkomst van de Prins bij het vervangen van de Magistraat, zoals
ook in het verleden wel gebruikelijk was geweest. De ouderen wisten zich nog goed Maurits ingreep van 1618 te
herinneren, waarbij hij gehele stadsbesturen wijzigde.




13
De man, die te veel inleverde

Kennelijk had het burgerverzet in Monnickendam ook goed begrepen, dat hen nu de kans werd geboden met de
Heren regenten af te rekenen.
Op donderdag 8 september wordt genotuleerd dat:
     “de Heeren burgermrn deses Stadts tot haer leetwesen hebben ondervonden dat verscheijde Burgeren ende
     ingesetenen seer tegens den anderen sijn verdeelt ende eenige tot veranderinge van de Heeren van de
     Regeeringe deses Stadts ende andere wederom tot contnuatie (voortzetting) van de selve, seeckere Akte door
     de Burgeren deden teeckenen ende dat haer Eden uijt de voorsz scheuringe groot ongemak te gemoete waeren
     siende.
     Daerover wesende gedelibereert is versaen te versoecken aen de Heeren Jacob Adriaensz Baen, Rijser, Sijes,
     Mars van Hoorn, Berckhout ende Buijes (alle uit de Vroedschap) te examineren ende overwegen wat tot
     herstelinge van de vereijschte liefde ende eenigheijt, mistsgaeders ruste ende vrede soo tusschen de Heeren
     van de regeeringe als goede Burgeren ende Ingesetenen deses Stadts behoort te worden gedaen en daervan
     rapport te doen”.
Op 13 september komt in de monnickendammer Magistraat het overlijden van Cornelis de Witt ter sprake, maar
elleen in verband met “ ‟t ruwaertschap van den lande Putten, dat is comen te vaceren en de Curateursplaetse van
de Universiteijt tot Leijden, die vacant is ghevallen”. Verder werd over de moord op de de Witten niet gerept.
          De 20e komt het rapport ter sprake, dat enkele Heren van de Vroedschap moesten uitbrengen over de
wijze waarop zij oordeelden op welke wijze de ruste en vrede hersteld moest worden tussen de Regering en de
burgers van Monnickendam.
Het advies luidt:
     “Sijne Hoogheijt de Prince behoort versocht te worden omtrent de continuatie van de jegenwoordige regenten
     of wel tot veranderinge van de selve in ‟t geheel ofte ten deelen, soodaenigh te disponeren (beschikken) als hij
     voor de dienst van onse lieve Vaderlant en dese Stadt bevinden sal” en besloten wordt: “dat de Magistraets-
     Bedieningen binnen dese Stadt sullen worden gestelt ter dispositie ende aen hjet welgevallen van sijn
     Hoogheijt!”.
Dezelfde dag nog gaat een brief uit
     Aen de “Doorluchtige Hooghgebooren Furst ende Heer”.
     Wij hebben in considiratie (overweging) van het geresolveerde van de Ed: Gr: Mog: Heeren Staeten van
     Hollant ende Westvrieslant van de 27e Augusti eenpaerighlijck geresolveert ende goetgenonden onse
     Magistraers- Bedieningen mits desen te stellen ter dispositie ende aen het welgevallen van u Hoogheijt met
     seer gedientigh versoeck” etc. etc. zoals men dit van plan was. De brief besluit met: “Ondertusschen kunnen
     wij U Hoogheijt verseeckeren, dat wij eenparighlijck genegen sijn ende althoos sullen blijven de autoriteijt,
     hoogh aensienlijck gesagh, lijster, interesse ende welstand van U Hoogheijt persoon ende des selfs illustre
     huijs bij alle accasien (gelegenheden) naer onse geringe vermoogen te sullen maincteneren, voorstaen ende
     voortsetten ende ons geluckigh achten als wij de eere sullen hebben van U Hoogheijts commandementen te
     mogen ontfangen, die wij seer bereijtwillighlijck ende met een groote genegenheijt sullen trachten optevolgen
     ende voldoen”,
De “eenvoud en de onderdanigheid” druipt eraf. Dit is dan overgebleven van hun fanatieke instelling als
voorstander van het Eeuwig Edict.

Wanneer er op de 17e october nog geen atnwoord van de Prins is, richt men een schrijven aan enige
      “Heren van Pouvoir (invloedrijke Heren) bij sijn Hoocheijt den Heere Prince van Oraingnen” verwijzend
     naar het schrijven van de 20e september j.l. Men vraagt zich af: “Alle op sijn beloop te laten of een
     complimentaire (aanvullende) missive aen sijn Hoocheijt te addresseren” en verder vermeldt men dat: “alle
     de Heeren Burgemrn en Vroedschappen ende Ieder van deselve hooft voor hooft behoorden te verclaeren, dat
     d‟selve een iegelijck, de eene in des anders Regeeringe ende Confraterniteijt (ambtsgenootschap) sijn
     nemende goet genoegen ende seer gaerne met deese anderen daerinne te willen continueren (voortzetten)
     ende voorts te beloven, oock heijlighlijck te presteren dat tusschen de voorn. Heeren vande regeering is ende
     voor het toecomende wesen sal een vertrouwde correspondentie, vreedlievendetheijt, harmonie ende
     eendrachticheijt inde regeeringe ende dat de eene des anders respect en fatsoen bij alle occasien sal trachten
     te mainteneren. etc. etc.”.
Aen het slot van de brief schrijft men: “dat er in dese Stadt geene foules (volksoplopen) ofte tumulten (oproer) er
sijn”.
         Het nieuwe element in deze brief is “de saamhorigheid die de zittende Regenten met elkander zullen
betrachten”. Die was dan zeker de laatste tijd ver te zoeken.
Dan vogt plotseling een blanco blad (nr. 157 verso) in het resolutieboek nr. 9 van Monnickendam en het kondigt
de wetsverzetting aan:
     “Op huijden den 23e Octobris Ano 1672 id ten overstaen vanden Heer Officier Berckhout (Simon Tedingh
     Berckhout) voor den volcke vanden Stadthuijse deser Stede gepubliceert de naevolgende missive van sijn
     Hoochheijt den Heer Prince van Oraingnen luijdende van woorde tot woorde als vocht:



                                                                                                                  14
De man, die te veel inleverde

     ”Erentfeste voorsienige vrome lieve besondere, (een normale aanhef in die tijd) Gesien hebbende ‟t gene ons
     is gepresenteert van wegen de Borgerije der Stede Monnickendam ende omme verders te bevorderen ende te
     stabileren de ruste ende welstant vande selve Stadt ende der selver Burgerije, hebben wij uijt crachte ende in
     gevolge van de Resolutie in dato den 27 Augustij voorleden goetgevonden te ontslaen ende te excuseren van
     hunne respective bedieningen, soo van de gene die sijluijden inde Magistrature der voorsz Stadt sijn
     becleedende als alle andere daaruijt vloeijende ende de welcke sijluijden uijt den Hoofde vandien sijn
     besittende de personen:
                                     Claes Admirael, out Burgemeester
                                     Cornelis van Sanen, regerende Burgemr
                                     Jan Gracht, out Burgemeester
                                     Jacob Jansz Baen, president Burgemr
                                     Mr. Jan Mars, out Burgemr
                                     Mr. Gerbrant Berckhout, out Burgemr en Ontfanger
                                     Mr. Jacob Jacobsz Baen, oudt Burgemr
                                     Cornelis Admirael, Reeckenmr en Schepen
                                     Dr. Buijs, out Burgemr en Convoymr
                                     Jacob Luijt
                                     Mr. Nicolaes Houtingh, president Schepen ende Pensionaris
                                     Dirck Admirael, secretaris
     Ende tot suppletie (aanvulling) van de plaatsen, daer door comende te vaceren wederom aen te stellen
     soodanige als hieronder met namen geexpresseert staen
                                     Tot Burgemeesteren
                                     Dr. Reijnier Rijser
                                     Mr. Cornelis Lastmen

                                    Tot Schepenen
                                    Hendrick Cock
                                    Cornelis Florisz Bloem

                                   Tot Vroedschappen
                                   Simon Tedingh Berckhout
                                   Hendrick Cock
                                   Cornelis Roos, out Schepen
                                   Cornelis Florisz Bloem
                                   Pieter Lakeman
                                   Gerbrandt Grebber
                                   Dirck Mars
                                   Dr. Jan Koeslager
                                   Jacob Pietersz Sluijs
                                   Pieter Lantman
       Aldus gedaen ende gearresteert bij sijne hoogheijt int leger bij Bodegrave den 20 e octobris 1672 en was
       onderteijckent GH (Guillaume) Prince d‟orange

Hierna vindt u een overzicht van de Vroedschap zoals deze voor de 20 e october was en hoe de samenstelling op de
23e october werd.
De oude formatie werd op 8 augustus 1670 verkregen doordat op de plaatsen van de overleden vroetschapsleden
Hendrick Samuelsz Leijcen ( 14-6-1670), Melis Claesz Geest (14-2-1670) en Willem Houtingh (9-1-1670) drie
nieuwe werden gekozen. Namelijk Jacob Luijt, Mr. Cornelis Lanstman en Mr. Nicolaes Houtingh.

De Vroedschap van Monnickendam in 1672

Samenstelling d.d. 8-8-1670         fuctie voor 20-10-1672              geexcuseert op 23-10-‟72 nieuwe fuctie

Claes Dircksz Admirael              out Burgemeester                    ontslagen
Jacob Asdriaensz Baan               out Burgemr en gecom, Raedt                                    gecomm. Raedt
Cornelis van Sanen                  regerende Burgemr                   ontslagen
Dr. Reijnier Rijser                 out Burgemr                                                    reg. Pres Burg ‫٭‬
Jan Sijmonsz Pereboom               regerende Burgemr                                              reg. Burgemr
Jan Cornelisz Vreck                 out Burgemr                                                    rekenmeester
Dirck Jacobsz Sijes                 out Burgemr end Adm                                            Ontfanger



15
De man, die te veel inleverde

Jan Gracht                          out Burgemeester                    ontslagen
Jacob Jansz Baan de jonge           President Burgemr                   ontslagen
Mr. Pieter van Sanen                regerende Burgemr                                              reg. Burgemr
Mr. Johan Martsz van Hoorn          out Burgemr en Thesaurier           ontslagen
Jacob Remmetsz Ringh                out Schepen                                                    rekenmeester
Jan Pietersz Ketel                  out Schepen
Gerbrandt Tedingh Berckhout         out Burgemr en Ontfanger            ontslagen
Jacob Jacobsz Baan                  out Burgemeester                    ontslagen
Cornelis Admirael                   rekenmeester en Schepen             ontslagen
Dr. Gerard Buijes                   out Burgemr en Convoymr             ontslagen
Albert Sem                          regerende Schepen                                              reg. Schepen
Jacob Luijt                         heemraedtt v.d. Purmer              ontslagen
Mr. Cornelis Lastman                out Schepen                                                    reg. Burgemr ‫٭‬
Mr. Nicolaas Houtingh               Pres. Schepen en Pensionaris        ontslagen

Op 23-10-1672                                         was op 12-7-1672

Sijmon Tedingh Berckhout            3-1673                              Officier
Hendrick Cock                                         corporaal         Reg. Schepen en Thesaurier
Cornelis Roos                       out schepen       corporaal         Admiraliteit
Cornelisz florisz Bloem                               remonstrant       Regerend Schepen ‫٭‬
Pieter Laeckeman                                      corporaal         Heemraedt v.d. Purmer
Willem Hagen                                          corporaal         Bewindhebber W.I.C. en Convoymr
Gerbrandet Grebber                                    corporaal         Rekenmeester
Dirck Mars                                                              Heemraad van de meren stadtsbarbier
Dr. Jan Koeslager                                     remonstrant       Stadts- fabrijk
Jacob Pietersz Sluijs                                                   Heemraad van Waterland
Pieter Landtman                                                         Convoymeester

V.W. Corthals                       Secretaris                          Secretaris
Dirck Admirael                      Secretaris        ontslagen
Mr. Nicolaas Deventer                                 remonstrant       Secretaris ‫٭‬

negnimeoneb ewuein ‫٭‬

Van de acht corporaals, die op 29 juni met het verzoek in de naam van de remonstrerende burgers bij
Burgemeesteren en Vroedschap te Monnickendam verschenen, werden er vijf in de nieuwe Vroedschap
opgenomen. Van de remonstrerende burgers slechts twee: Cornelis Florisz Bloem en Dr. Joannes Cornelisz
Coeslager.

Van eerst genoemde is niet zoveel bekend.
Hij wordt genoemd als “Seijlemaker” in een notariële acte van 16 december 1659 (nots archieg nr. 3431, fol. 118
van Notaris Jacobsz Boeckweijt).
     “Floris Florisz Bloem j.m. toeck. Bruijdegom, geassist met Cornelis Florisz Seijlemaker sijn broeder en met
     de Heer Sijmon Tedingh Berckhout, Officier deser Stede, Baljuw over Waterlant, Catwoud en Marcken sijn
     goede vrunt (degene die de missive van de Prins van Oranje op 23 october 1672 bekend maakte), terwijl
     Bruijdegoms broeder Pieter Florisz, in sijn leven vijs (vice) Admirael van Hollandt en Westvriesland bleek
     overleden ter eenre, en Sijbrichje Pieters Wrochts j.d. toeck. Bruijdt geassist. Met haer vader Pieter Andriesz
     Wrochts (doopsgezind) en Lijsbethje Remmets haere moeder, mitsgaeders Andries Wrocht hare oom ter
     andere sijde”.
Het betreft een huwelijk aangegaan onder huwelijkse voorwaarden.
We behoeven ons niet af te vragen, waar Cornelis Bloem zijn referenties vandaan haalde om in de Vroetschap te
komen (zie ook N.A. nr. 3408 d.d. 4 september 1646 en N.A. nr. 3429 d.d. 17 mei 1653).
         Van Dr. Joannes Cornelis Coeslager (ook Koeslaeger en zelfs Coeslaegher) is veel meer bekend.
Wie was hij en wat dreef hem deel te nemen aan de groep remonstranten, die op 12 juli 1672 Burgemeesteren en
Vroedschappen een ultimatum stelden vijf corporaals deel te laten nemen aan hun vergadering en tevens zitting te
laten hebben in de stedelijke krijgsraad.




                                                                                                                  16
De man, die te veel inleverde

Joannes Coeslager werd plm. 1645 te Monnickendam geboren. Zijn vader heette Cornelis, maar of zijn moeder
Steijntje Jans was, die op 28 april 1657 te Amsterdam als weduwe van Cornelis Coeslager met een Francois
Chevallier trouwde, is niet met zekerheid te zeggen.
          De Koeslagers waren van oudsher een pachtersfamilie. Tegen betaling van een jaarlijkse som kochten zij
het recht om belastingen, imposten en accijnsen voor de stad of het land in te vorderen. De achternaam verraadt
het al. Ze waren o.s. pachters van de impost van ‟t bestiael (beesten) ook wel de koeslag (coeslagh, -slacht)
genoemd, een voormalige belasting op koeien. De naam had dus niets te maken met het huidige beroep van slager,
want die noemde men vroeger slachter.
          De naam Koeslager ontstond plm. 1620, want voor die tijd luidde de familienaam “Louw” of “Lou”.
Waarschijnlijk zou ook onze Joannes pachter geworden zijn, wanneer hij niet op 5 jarige leeftijd zijn vader
verloren had, Cornelis wordt op 26 september 1650 in de Ger. Kerk te Monnickendam begraven voor ƒ 3.10,-,
Op 18 mei 1661 (N.A. nr. 3418 notaris Jan Fransz Thamis) wordt Jan z‟n naam voor het eerst in de
Monnickendammer geschiedenis genoemd. Hij is dan 16 jaar en blijkt een oom te hebben, die dezelfde voornaam
draagt als Joannes zijn vader, dus twee broers die Cornelis heetten. Dit kwam overigens meer voor in die tijd.
        Jan komt in dienst als leerling bij de bekende stadschirurgijn Mr Roeloff Hoff. Er wordt een contract
gemaakt tussen de Mr Chirurgijn en Jan‟s oom en voogd, die predikant blijkt te zijn. maar leest u zelf hoe dat in
die tijd ging.:
        “Den eerwaerde ende welgeleerde Do Cornelis Koeslager, Predicant in Hem (bij Venhuizen in
        Noordholland), als Oom ende Voogt van Jan Cornelisz Koeslager, Besteder ter eenre ende Mr Roeloff Hoff
        Mr Chirurgijn, alhier ter stede ter andere zijde.
        Do Cornelis Koeslager sijn voorn. Overledene Broeders Sone out omtrent….jare (hij weet het kennelijk
        niet) aende gemelte Mr Roeloff Hof besteet heeft, gelijck ook d‟selve hem in sijnen dienst aenneemt, midts
        desen voor den tijt van vier eerstcomende ende aghter een volgende jaren. Ingegaen sijnde op de eersten
        deser loopende maent May ende sullen comen te eijndigenultimo Aprilis des jaers 1665 ende sal de voorn.
        Jan Cornelisz Koeslager gehouden wesend‟voorn sijn Meester in alle getrouwigheijt en op reghtigheijt te
        dienen, mitsgaeders d‟selve sijn meesters saken soo in de Winckel als elders daer buijten soo wel in
        presentie als absentie van de Meester neerstelyck waernemen en sonder knorrite off morrige bevorderen en
        bevlijtigen op d‟selve sijne Meester in alle billickheijt te gehoorsamen sonder eijt eenige inwilligheijt te
        bethonen off te bewijsen. Ende voorts generalijck hem so te comporteren (gedragen) en dragen als een goet
        eerlijck en getrouw kneght schuldigh is en behoort te doen.
        Daertegens de voorn. meester belooft heeft ende belooft mitsdesen de gemelte sijn kneght het
        Chirurgijnsambt naer vermogen en soo veel doenelijck sal wesen te leeren, hem dagelijcx daerinne
        oeffenende ende onderwijsende. Sonder noghtans gehouden te sijn hem van cost ende drack te voorsien,
        maer buijten het huijs van de meester daervan sal moeten wesen versorght en oock des naghts sijn
        slaepplaetse sal moeten houden.
        Des belooft voorn. do Cornelis Koeslager aen de voorgemelte Mr Roeloff Hoff te betalen in vrijen
        costeloosen of schadeloosen gelde sonder eenige cortinge een somme van hondert vijf ende ‟t seventigh
        guldens. Te weten voor d‟eerste drije jaren alle jaren telkens op Maydagh vijftigh guldens ende voor ‟t
        vierde jaer op Maydagh a 1665 vijff ende twintigh guldens.
        Verbindende parthijen contractanten tot inderhoudinge ende naerkominge deses respective personen en
        goederen, die submitterende (zich onderwerpen) allen regten en reghtens. Alles opreght ende versoghten
        hiervan acte.
        Gedaen binnen Monnickendam ende bij de parthijen ondergeteijckent”.
De chirurgijnswinkel van Mr Roelof Hoff was gevestigd in het huidige pand nummer 45 in de Kerkstraat (in de
17e eeuw verpondingsnr. 678).
Het eigenlijke chirurgijnswerk bestond uit het genezen van wonden en zweren, het zetten van breuken en uit
enkele opraties, die men toen aandurfde.
Het contract duurde dus tot 1 mei 1665 en kennelijk heeft Johannes dit ruimschoots uitgediend, want pas op 15
september 1666 werd hij als student in de philosophie inhet Albium Studiosorum van de Leidse Universiteit
ingeschreven. Hij staat bij vermeld dat hij dan 21 jaar is en uit dit gegeven werd zijn geboortejaar afgeleid.
In tegenstelling tot de verwachting, promoveerde hij op 23 december 1669 inde medische faculteit op het
onderwerp: “de Febre hectica” (over de koorts van de tering).
          Dr Johannes Coeslaegher j.m. trouwt voor de eerste keer te Monnickendam met Geertje Pieters
Mooijevries jongedochter van Monnickendam op 8 juni 1670 (Geref. Gem. 405a).
Er worden uit dit huwelijk twee kinderen geboren: Kornelis gedoopt 8-1-1672 en Pieter gedoopt 25-5-1674 (deze
laatste is vroeg gestorven en waarschijnlijk begraven op 10-12-1682).
Op 23 september 1678 wordt Geertje Mooijevries in de Grote Kerk te Monnickendam begraven in een kerkgraf
voor ƒ 5,10,--. Ze hebben nog geen eigen graf.




17
De man, die te veel inleverde

Wanneer geen wilsbeschikking of testament aanwezig is, kreeg de weeskamer het beheer over de goederen, die
door de moeder aan de kinderen werden nagelaten. Een beschrijving daarvan vinden we in het Staatboek van de
Weescamer op blz. 164 (Ora 3613 Monnickendam) op 5 octeber 1678:
    “Dr Joannis Coeslager in huwelijck gehadt hebbende Geertie Cornelisdr (abuis, moet zijn Pietersdr.)
    Mooijevries in haer leven echtelieden hier ter stede en sijne 2 kinderen Cornelis en Pieter Coeslager ten
    overstaen van d‟Hr Burgemr Sijes als voocht van ‟s moeders sijde over de selve hare moederlijcke goederen
    bestaende eerstelijck: In een huijs en erve staende in ‟t Suijdent (vanuit het centrum aan de linkerkant, het
    vierde huisje voorbij de Zuijdeindermolensteegh, verpondingsnr. 389).
    Een losrentebrief ten gemene lants Comptoire van Monnickendam van hooftsomme ƒ 300,-,-. Een lijfrente ten
    lijve van Cornelis Coeslager ten Comptoire alhier in hooftsomme ƒ 200,-,-. Een obligatie tot laste van haar
    vader Jan Coeslager in hooftsomme van ƒ 500,-,-. Met welck bewijs d‟Hrn Sijes, Vreck en Baen. Dese
    goederen sijn geleijt in de doos nr 89”.
Begin 1679 (het trouwboek van de Ger. Gem. ontbreekt van 1671- 1724) moet het huwelijk met zijn tweede
vrouw Arisgen Arisdr de Wit zijn gesloten, want hun eerste kind Aachie wordt op 190901679 te Monnickendam
gedoopt. Typisch is, dat vooraf geen notariële boedelscheiding plaatsvond (het contentement van de Weescamer
was blijkbaar voldoende want op 3 octeber 1679 wordt (na de geboorte van het eerste kind) een acte gepasseerd
voor Notaris de Secretaris Joan Fransz Thamis, waarin de Weescamer wordt “gesecludeert ende uijtgesloten” (zie
ORA 3613 M, dam blz. 322).
         Van Notaris jan Fransz Thamis zijn alleen de stukken van 16480 1663 nog aanwezig (zie N.A. nr. 3418),
zoals bovengenoemde acte niet kon worden geraadpleegd.

Behalve Aachie worden van dit echtpaar de volgende kinderen geboren:
Neeltje gedoopt te M, Dam         26-11-1680      begraven 02-01-1681             in E.G. ƒ 1,15.-
Aris            „‟      „‟        17-11-1682
Neeltje         „‟      „‟       02-11-1683       begraven 13-01-1683            in E.G. ƒ 3,10,-
Pieter          „‟      „‟       15-02-1686       begraven 15-02-1686            in E.G. ƒ 3,10,-
Pieter          „‟      „‟       06-04-1687       begraven 06-05-1687            in E.G. ƒ 3,10,-
Pieter          „‟      „‟       10-06-1688

Bij de laatste geboorte sterft Arysien Ares (de Wit) omtrent medio juni 1688 in het kraambed en wordt op 19-06-
1688 met de roef (schuin oplopende deksel op een doodkist) begraven in het eigen graf (E.G.), gelegen op rij 49,
nr. 4 in de Grote Kerk, na een uur te zijn beluid (kosten ƒ 19,6,-). Jan (43 jaar oud) bleef achter met een kind van
Geertje Mooijevries, namelijk Cornelis en drie kinderen van Arisje de Wit, genaamd Aachie, Aris en Pieter.
          Op 22-10-1676 (ORA 3583 M,dam) koopt Joannes Coeslager, Raedt en Oud Schepn van Hendrick
Nagtglas, wonende te Amsterdam, een huis en erve achter op de Heeregracht te Monnickendam, belent Hendrik
Cremoes (verp. nr. 861) t.o. en de Hr Burgemr Ketel (verp. nr. 870) t.w.
          Op 29-10-1688 (Gem. Archief nr. 264) blijkt, dat hij het op een na laatste huis (verp. Nr. 869) en het huis
ten oosten ervan (verp. nr. 868) aan de noordzijde van de Sacksteeg in eigendom heeft en daarachter het laatste
huis op de Herengracht (verp. nr. 862) met een tuin en speelhuisje.
Dit punt op de vesting, hoek herengracht, waar vroeger de Saksteegpoort stond, is tegenwoordig mog een van de
mooiste plekjes van de stad (zie kaart Fr. De Wit ± 1680 op blz. 77 van het jaarverslag Oud- Monnickendam
1979).
          Op 29-10-1689 blijkt, dat Jan Koeslager behalve over de nrs. 868 en 869, ook verponding betaalt voor
een huis in de Kerkstraat (verp. nr. 6470. hij heeft dit huis blijkbaar geërfd van Adriaentje Arisdr de Wit, een
zuster van Arisje, die op 18 october 1684 trouwde met Jacob Koeslager (zie N.A. 3438 d.d. 16-11-1685).
Adriaentje de Wit kocht dit huis (het huidige nr. 420 op 15-11-1683 (ORA 3574 M,dam) van Cornelis Jacobsz
Laen en wellicht gebeurde dit mede voor haar zuster Arisje. Met deze gegevens op de achtergrond volgt nu de
maatschappelijke carriére van Dr Joannes Cornelisz Coeslager.
          Zoals bekend, behoorde hij op 12 juli 1672 tot de groep remonstranten en wordt op 20 october van dat jar
door de Prins van Oranje gekozen tot 19e van de een en twintig Vroedschappen van Monnickendam bij z.g.
wetsverzetting. Hij is dan 27 jaar oud.

De nieuwe Magistraat komt snel tot daden. Reeds op 26 october wordt
    “door de Heeren Burgemrn toegestaen, dat Commissarissen de lijsten van de fortificatie deses Stads sullen
    deursien ende examineren, daartoe tot Commissarissen sijn gestelt en gecommitteert de Heeren Burgemr
    Sijes, d‟Offr. Beckhout, d‟Hrn Cock, Roos ende Koeslager” (zie Gem. Archief nr. 9, blz. 159 V).

op zondag 6 november 1672, wordt “de Lijste van de Verdeeling der bedieningen onder de respective Heeren
Vroetschappen” bekend gemaakt.




                                                                                                                   18
De man, die te veel inleverde




Dr Jan Koeslager wordt tot “Stadsfabrijk” benoemd, welke funktie tegenwoordig overeenkomt met die van
Stadsarchitect of Directeur Gemeente Werken. In de nrs. 192 en 208 van het Gem. Archief vinden we op 1-8-1675
zijn “tractement over een jaer als Stadsfabrijcq” zijnde ƒ 50,-,-. U kunt in deze boeken ook andere salarissen
vinden .
          Op 15 november 1672 wordt Dr jan Koeslager (nevens de Heer Mars) tot Heemraad van de Waterlandse
Meren genomineerd. Men kiest hem op 9 augustus 1674 tot één van de drie Rekenmeesters of Auditeurs
(controleurs) van de rekeningen van de Heer Stadsthesaurier en tevens wordt hij op die datum voor een jaar tot
een van de zeven Schepenen gekozen (al deze gegevens komen uit Gem. Archief nr. 9).
          Op 1 november 1674 wordt Dr Koeslager (na het overlijden van de Hr Dirck Mars) wederom
genomineerd voor het ambt van Heemraad van de Waterlandse Meren met de Heer Alberdt Kart, “Omme bij
d‟Heeren Hoofdingelanden vande voorsz Meeren daervan ééne geeligeert (uitgekozen) te werden. Jan Koeslager
werd Heemraad.
Dezelfde dag wordt
     “bij Burgemrn voorgestelt of men d‟Heer Joannes Koeslager niet behoorde te continueren in sijne dienst
     vant‟ Fabrijcqambt deses Stadts ende bovendien sijne Edele aen te bevelen de besorginge ende opsight van
     dese ende geene andere Stadssaecken ende vande Jaaghwegh (op seeckere Instructie daer af eerstdaeghs te
     maecken) ende wat Tractement hem Jaerlijcx daer voren toe te voegen. Is verstaen d‟voorn Heere Koeslager
     als voren te continueren ende voor sijne moeijten tot een Jaerlijcx Tractement toe te voegen, de somme van
     Een hondert guldens. Te vinden so vande Stadt als vande Jaeghwegh”.
Op 9 april 1675
      “Is hij naer deliberatie tot Scholarch (schoolopziener) aengestelt in plaats van d‟Hr Dr Gerard Buijes,
     nevens de vorige Hrn Rijser en Deventer”.
In nr. 193 van het Gem. Archief (fol 59) vinden we een declaratie van de Hr Schoolargh Dr Koannes Coeslager
over geleverde prijzen in de Latijnse school op 31-8-1688 ad ƒ 5,11,- (Dit waren kennelijk beloningen voor
uitstekende prestaties)”.
          Op blz. 267V van nr. 9 (G.A. M,dam) wordt vermeld dat Dr Koeslager na een jaar het Schepenambt
bediend te hebben op 9 augustus 1675 op de nominatie staat, als een van e twee uit de afgaande Schepenen, om tot
President-Schepen gekozen te worden. De keuze valt echter op Garbrandt Grebber.
          Op 10 augustus 1675 wordt hij als Regent van het oude Weeshuis gekozen en blijft dat tot dezelfde
datum in 1677.
“Auditeur van de reeckeninge” wordt hij wederom op 9 augustus 1676. tevens staat hij dan op de “hominatie van
14 personen omme daeruijt bij de nieuwe heeren Burgemrn tot een van de seven Schepenen vercoren te werden”,
doch hij wordt niet gekozen.
     “Op maendach den IXe Augustij 1677, wesende daechs voor St Laurens, is Opt Hooge Coor vande Kerck
     naer ouder gewoonte verkiesinge gedaen vande Heeren Burgemrn deses Stadts ende sijn daertoe vercorren
     voor den tijt van een jaer:
                                           d‟Heeren Cornelis Florisz Boem
                                                      Dr Jan Coeslager
                                                      Pieter Landtman
     Dewelcke opt Stadhuijs comende den behoorlijcke Eedt aen Handen vande Heer presiderende Burgmr dr
     Reijnier Rijser hebben gedaen, die oock daermede vande selve bedieninge is afgegaen ende is daer op


19
De man, die te veel inleverde

     aenstonts in des selfs plaetse tot oudt (of presiderende) Burgemr vercoren, mede voor een jaer d‟Heer
     Hendrick Cock. Tevens tot Thesaurier vercoren, i.p.v. Jan Pietersz Ketel, Dr Jan Coeslager” (welk ambt hij
     tot 9-8-1683 zou blijven uitoefenen).
Het had wel degelijk eden, dat Jan Pietersz Ketel werd vervangen. Al eerder had men geconstateerd, dat hij een te
krappe kas had als gevolg van te grote uitgaven en vertraging bij het innen der vorderingen.
Op 17 november 1674 (zie gem. Archief nr. 9 blz. 243V en 244) heeft men reeds getracht hiervoor een oplossing
te vinden:
     “d‟Heeren Burgemrn hebben bekent gemaeckt, de claghten van d‟Heern Thesaurier Ketel, over de
     scharsheijt van de kas en financie vande thesaurije deses Stadts, waeruijt hij niet machtigh is te vervallen de
     betalinge vande veelvuldige lasten, waermede de Stadt van tijt tot tijt ende in sonderheijt bij de jongst
     voorleden perplexe jaeren, is geinvolteert (ingewikkeld) geworden ende nu alreede merckelijck in Verschot
     sijnde, ende of dienvolgens niet best soude sijn noch eens een notable somme van Penningen (so op
     Lijfrenthen als Lostenthen) te negotieren (tot stand brengen); midts in het toecomende (soo haest de tijt wat
     florisanter sijnde) bij Vercop van eenige Stadtslanden wijdt ende zijdts gelegen, wederom eenige Lasen af te
     doen. Is goetgevonden te mogen negotieren, soo op Losrenthen, als oock op Lijfrenthen, selfs mede op
     persoonen haere Lijven die 40 á 50 Jaeren out sijn. Tevens negen á thien guldens per Cento (%) ‟s jaers”.
Maar ondanks deze verruimde uitgifte blijkt drie jaren later in 1677, dat geen verbetering werd bereikt en Dr
Joannes Koeslager kreeg de kans.

Op 4 september 1677 (een maand nadat hij )
    “tot het Burgermeesteschap deses Stadts promoveerde, d‟Heere Dr Jan Koeslager oversulcx heeft
    gedesisteert (afgezien) van sijne bedieninge ampten van Stadts-Thesaurier ende Fabrijcq ende d‟selve te
    brengen inde Schoot van dese vergaderinge, welcke aengaende is goetgevonden ende verstaen gemelte Heer
    Koeslager, ten beste dienste vande Stadt, inde voortsz Ampten van Thesaurier ende Fabrijcq te continueren
    (laten voortzetten)”. (zie Gem. Archief nr. 10, blz. 132).
Men had kennelijk nog al wat vertrouwen om hem deze ambten (en de verdienste ervan), naast zijn
burgemeesterschap, te laten behouden. Normaal moest men deze afstaan bij een dergelijke benoeming.
    “Wijders nogh, uijt oorsaecke als voren, d‟Heer Burgemr Koeslager, mede gedesisteerd sijnde (afgesaan0 het
    Heemraedtschap vande Waterlantsche Meeren ende sijn derhalven tot ‟t selve ampt genomineert d‟Heeren
    gerbrandt Grebber ende Stoffel Cornelisz Deught”.
Op 2 april 1678 zijn
    “d‟Hrn Burgemrn Koeslager ende Rijser (als Stadtsgedeputeerdens), mitsgaeders den Secretaris Corthals uijt
    den Hage thuijsgecomen ende hebben resp. rapport gedaen van ‟t gunt ter laetster vergaderinge van d‟Hrn
    Staten van Hollant ende Westvrieslang was voorgevallen”. Onderwerp was: “ ‟t tractaat defensive tussen
    dese Staat en Engelant aengegaen”. (zie G.A. M,dam nr. 10, blaz. 188).
Deze stadsgedeputeerden logeerden in de Haag in “de vijf Steden”. Betreffende dit logement wordt op 15-5-1678
gemeld:
    “d‟Hr Rijser nogmaels geprogoneert (voorgeseld) ende serieuselijck gerecommandeert het meermaels gedaen
    versoeck van Jottvr Bacherus, Hospita vande vijf Steden inden Hage om mede van dese Stadt jaerlijcx een
    subsidie van 25 glds te mogen genieten, gelijck die van Hoorn alreede 50 glds en Edam, Medenblick en
    Purmerendt elcx 25 glds hebben geconsenteert. Is niettemin bij omvrage verstaen uijt goede redenen ‟t selve
    versoeck te blijven declinteren” (zie G.A. M,dam nr. 10, blz. 200, 300, 323, 499 en 578).
Men behoeft zich niet af te vragen welke Magistraat het karigste was.

Doordat de besluiten van de Staten van Holland door de Stadsbesturen goedgekeurd moesten worden, kwamen
soms de meest geheime staatsstukken in de Vroedschap van monnickendam ter sprake. Het is natuurlijk niet
ondenkbaar dat langs deze omslachtige weg een geheim voortijdig uitlekte of zelfs in verkeerde handen terecht
kwam.
Men bracht derhalve van het besprokene omzichtig en zonder veel notities rapport uit.
     “de Heeren stadtsgedeputeerdens d‟Burgemr Koeslager ende d‟Secrets Thamis uijt den Hage den 29e mey
     1678 thuijsgecomen sijnde hebben circumspect (omzichtig) rapport gedaen van alle ‟t gepasseerde ter
     jongster vergaderinge van d‟Heeren staten van Hollant en Westvrieslandt ‟t zedert den 24 e deser maendt
     nopende het seer important poinct tot het bewercken ende expedieren vande hooghnoodige Vrede van desen
     Staet ende Zijne Konikl. Majesteijt van Vrankrijck” etc. (zie Gem. Archief nr. 10, blz. 208).
Op 10 augustus 1678 werd te Nijmengen vrede gesloten met Frankrijk. Aan een 6- jarige oorlog was een einde
gekomen.
In december 1672 nog rukte een franse legerafdeling van 1000 man over de bevroren waterlinie Holland binnen.
Zwammerdam en Bodegraven werden uitgemoord, mar wanneer de dooi invalt haast men zich terug. Dit was de
laatste poging Holland te veroveren.




                                                                                                                  20
De man, die te veel inleverde

Eind 1673 waagt Willem III een uitval en neemt Bonn in. Door het verlies van dit arsenaal moeten de franse
troepen de Noordelijke Nederlanden ontruimen, mede omdat de Stadhouder nu contact gemaakt heeft me de
keizerlijke troepen.
Op 19 februari 1674 wordt met Engeland vrede gesloten te Westminster.
Op 22 april met Munster en op 11 mei met Keulen.
Pas in 1678 slaagt men erin met Engeland een defensief verbond te sluiten. Dit dwingt de fransen ertoe alle door
hen bezette gebieden. O.a. Mastricht, terug te geven en vrede te sluiten.

Terug naar Monnickendam.
     “Op dinghsdagh 9 augustijs 1678 hebben de vercooren Burgemeesteren Pereboom, Zijes en Ketel op ‟t
     Stadhuijs comende den behoorlijcke Eedt aen de handen vande Heer presiderende Burgemr Hendrick Coq
     gedaen, die oock daermede vande selve Bedieninge is afgegaen ende is daer op aenstonts in desselfs plaetse
     toto ouidt Burgemer vercooren voor een Jaer:
                                      d‟Heer Dr Jan Koeslaeger”
Zijn ijver en toewijding brachten zijn collega‟s er toe hem het hoogste ambt binnen de stad toe te vertrouwen.
Daarnaast blijft hij echter Thesaurier, Stadtsfabrijcq en Stadsgedeputeerde. Wanneer men zijn aandacht over
zoveel functies moet verdelen kan er wel eens een inn de knel komen.
     “Op sondagh 11 december 1678 rapporteert d‟Heer Burgemr Coeslaeger als Stadts- Thesaurier de
     schaersheijt van de Cas, onmogelijk omme de lasten, ja selfs de intressen op deposito tot laste vande Stadt
     staende, zoo van los- als lijfrenten, als lange verschenen zijnde te cunnen betaelen. Versoeckende dieshalven
     dat haer Achtbden een Fons geliefden uijttevinden, waer door de achterstallicheijt van de voorsz schulden
     eenichsints mochte werden voldaen. En daer over wesende gedelibereert is geresolveert d‟Hrn Burgemrn te
     versoecken en te qualifiseeren bij desen te inquireren wat de twee cavelingen Lants inde Purmer soude
     Cunnen (opbrengen) ”. (zie G.A. M,dam nr. 10 blz 252).
“De schaersheijt van de cas” komt een paar weken op de achtergrond door de keuze van twee nieuwe
Vroedschappen op 3 januari 1679 , de Heer Roos, die als Vroedschap deelnam aan de verkiezing is ook
“Equipage- meester van ‟t College ter Admiraliteijt” te Hoorn en woont daar sinds 1674. vier van de eenentwintig
Vroedschappen beweren, dat hij deze ambten niet naast elkaar kan bekleden. Het wordt een rel waar de Prins van
Oranje zelfs aan te pas moet komen. Op 12 maart wordt beslist, dat Cornelis Roos de Vroedschappsplaats zal
verlaten (zie G.A. M,dam nr. 10 blz. 256 t/m 265, 275 t/m 280 en 288) ”.
Op 27 januari 1679 (G.A.M,dam nr. 10, blz. 266) wordt besloten:
     “omme één vande Cavelingen lants, gelegen inde Purmer, ijder monterende (metende) 40 morgen zoude
     mogen vercoopen, ‟t zij onder de handt ofte anders bij publijcque veijlinghe mogen vercoopen, edoch niet
     minder als ijder morgen jegens negen hondert guldens, waermede de menichvuldige lasten zouden cunnen
     gesoulageert (verlichten) ” Het moest dus ƒ 36.000 opbrengen !
Pas op 18 april komt de Vroedschap terug
     “Opde claghten van d‟Heer Thesaurier Koeslager vande sondelinge achterheijt vande Stadtskas ende
     financie, jae dat wel d‟somme van ses duijsent gld aen Renthen ende nogh anders meer merckelijkcke somme
     debeth is, vindende hem daer door grootelijcx verlegen van hem wijders te cunnen redderen is (naer
     deliberatie) goedtgevonden ende verstaen, midtsdesen te versoecken ende committeren d‟Heeren Burgemrn,
     nevens d‟Heeren Baan, van Saenen, Mars van Hoorn en Thames, omme alles nopende de voorsz achterheijt
     ende Finantie naerder te examineren ende sich te informeren ende vander selver bevindinge alhier rapport te
     doen ” (zie G.A. M,dam nr. 10 blz. 289).
ƒ 6000,- is een geweldige som in die tijd. Als u weet, dat een huis aan het begin van het Noordeinde in die tijd ƒ
500,- tot ƒ 700,- kostte, een normaal huis plm. ƒ 400,- terwijl een goede baan, b.v. die van Rector aan de Latijnse
School ƒ 250,- per jaar opbracht en een normaal salaris ƒ 150,- bedroeg, dan stond dit tekort gelijk aan 15 normale
huizen of 40 normale jaarsalarissen. We kunnen dan de achterstand volgens huidige maatstaven schatten op plm. ƒ
2.000.000,- (is 333 x zo veel).
     Op 2 juli 1679 wordt vermeld, dat een broer van Dr Jan Koeslager een verzoekschrift heeft ingediend.
Kennelijk maakt hij gebruik van de gelegenheid dat deze President- Burgemeester is en smeedt hij het ijzer
wanneer het heet is.
     “Aenlangende de Requeste bij monsr Sijmon (Cornelisz) Koeslager, ingeboren Burger deses Stadts, dogh nu
     woonende tot (Le) Havre de Grace in Vrankrijck en getrout (met Madeleine Oursel) aen haer Ed. Groot Mog.
     Te presenteren, omme gemaincteneert te mogen worden, in sijn woninge ende exercitie vande negotie
     (handelsverkeer) aldaer, waerinne hem eenigh beleth is voorgecomen. Is goedgevonden ende verstaen
     Stadtswegen door d‟Hrn gedeptdens alle mogelijcke debvoiren (pogingen) in ‟t weck tot het erlangen van ‟t
     versoeck”. (zie G.A. M,dam nr. 10 blz. 301).
Sijmon Koeslager heeft zich waarschijnlijk direct na de vrede van Nijmegen met de Fransen in 1678 in Frankrijk
gevestigd. Door opheffing van het “Edict van Nantes” moest hij met de hugenoten de wijk nemen naar




21
De man, die te veel inleverde

Amsterdam, waar zijn dochter Susanna touwde op 20-7-1708 met Louis Biefait, de vader van de stichter van het
Amsterdamsche Handelshuis Louis Dienfait & Soon.
(zie de Geschiedenis van dit handelshuis geschreven door A.W. Wichers Hoeth, uitgegeven door N.V. Drij en
Uitgever “De Mercuur” te Hilversum).

Op 30 juli 1679 doet de secretaris Thamis verslag namens de op 18 april j.l. aangestelde gecommitteerden
    “bij monde als bij geschrifte wijdtloopigh rapport soo van ‟t gunt de Stadt jaerlijcx uijt allerhande
    oorsaecken heeft in te comen ende te ontfangen, als daer jegens te vervallen ende te betaelen, waeraen
    bevonden is, te cort te comen wel de somme van omtrent vijff duijsent guldens.
    De veraghterde finansën sullen voor soo veel eenighsints dienlijk moeten worden geredresseert (hersteld)
    ende het cort vandien gevonden. Vermits noch eenige vande presente Heeren voor alsnogh exipieerden
    (tegenwerpingen maakten) door hunne ongereet en onbequaemeheijt (tegenwoordig zou je zeggen, misschien
    dom van me, maar…) niet positive te cunnen komen tot hunne senthiment (gevoel) en resolutie (beslissing), is
    erstaen op toecomende Dingsdagh tot conclusie te mogen werden gebraght” (zie G.A. M,dam nr. 10 blz.
    308).
Op dinsdag 1 augustus wordt geconcludeerd
    ”noch eenige verdere tijt van nooden te hebben om haere gedaghten ove d‟een en d‟andere saecken naeder te
    laeten gaen.
    Eghter noghtans haere Ed. soo verre in Centhiment (gevolige situatie) waern gecomen, dat Commissarissen
    dienden te worden gecoren ende aengestelt, welcken volgende dan bij eenparigheijt sijn versoght ende
    geeligeert (uitverkozen), mits desen d‟Heeren Burgemrn Sijes, Ketel, Mars van Hoorn en d‟Secretaris Thamis
    met ende benevens de Stadts-Thesaurier Koeslager ” (zie G.A. M,dam nr. 10 , blz. 310).
Op 17 september (blz. 326) wordt voorgesteld:
    “dat de Burgerije soude cunnen werden geobligeert (verplicht) tot het betaelen bij een dragelijcke tauxatie
    (toeslag) van de Stadts- Impost opde Bieren”.
    Een bekende klank in 1981 !
Op 3 oktober (blz. 327) worden
    “de Regenten vande huijssittende armen alhier ter stede, die gedisponeert (aanbevolen) worden om van nu
    voortaen (tot ontlastinge vande Stadt beswaerde financien) over ende aen te nemen de maendtlijcke zubsidien
    aen enige nootdruftighe Burgers, tot nogh toe bij de Stadt gedraegen”. De spoeling wordt dunner.
Op zondag 19 november 1679 (blz. 342 t/m 345) brengen
    “de Commissarissen tot dese Stadt- finantie rapport uit: ”met sirieus versoeck, dat nu dogh een mael
    diesaengaende moghte worden genomen een positive ende finaele Resolutie (besluit), omme voor soo veel
    mogelijck de voorsz finantien buijten verder verloop te houden en te herstellen ende is bijde presente Heeren
    generalijck gearresteert (bekrachtigd) ende ter neder gestelt (vastgelegd) als hetselve hier naer van woorde
    tot woorde staet geregistreert. Alleenlijck, dat drie vande selve Heeren reflecteerden op de eenparigheijt inde
    selve Resolutie van de gantsche Vroedtschappen, wehalven verstaen is, dat de absente Heeren sullen worden
    geconvoceert (samengeroepen)”.
Voght het advijs:
(dou oud- hollandse term “afleggen” dient u dan te vertalen in de huidige kreet “inleveren”.


                                                                                            Jaerlijcx profijt

Dat een Gecommitteerde raedt, meerder behoorde of te leggen aan de
Stadt, als jegenwoordigh, de somme van                                                                    ƒ 350,-,-
Insgelijcx een Admiraliteijt                                                                              ƒ 500,-,-
Nogh een Reeckenmeester des daeghs 14 stuijvers, maeckt                                                   ƒ 175,-,-
Het Fabrijckschap te mortiticeren (opheffen)                                                              ƒ 100,-,-
Het Tractement vande Thesaurier te stellen als voor dezen ende zulcx te verminderen, de somme van         ƒ 50,-,-
(midts de 200e pensz daer af bijde Stadt te worden betaelt)
Van ‟t Ontfangerschap vande 200e penninck van ijeder 200e pensz
af te leggen sa (s‟jaers) 50 gld. Comp als twee maelen af te geven                                        ƒ 100,-,-
Het heemraedtschap vande Waterlandtsche Meeren af te leggen                                               ƒ 50,-,-
Het Tractement vande Stadts timmerman te reduceren op sa 220 gld. Profiteert                              ƒ 55,-,-
Het tractement vande Boden, Insgelijcx te reduceren op sa 200 gld. Profiteert                             ƒ 40,-,-
‟t Excuseren het extraords aen de Secretarissen                                                           ƒ 63,-,-
Dat de Jaerlijcxe Weddens, aen den Advocaat Laurentius in de Hage, behooren te excuseren                  ƒ 15,-,-
D‟gaerders vande omslagh van de Landen inde Stadts- Jurisdictie.
Jaerlijcx genietende sa 66 glds voor het toekomende (inde toekomst) te excuseren                          ƒ 66,-,-



                                                                                                                22
De man, die te veel inleverde

In ‟t cleijne huijsgen opden Dam, behoorde bijde paghter vande Stadts Bieren de Collecte gedaen
te worden, of andeers soude men de Collecte van t‟ gemael daerin laten doen ende de huijr nemen          ƒ 25,-,-
Dat behoorde afgeschaft te worden, het maendtlijck xubsidieren aen Arme Burgers ende die te
Renvoijeen (verwijzen) aende Aelmoesseniers ende Diaconen (van de Kerk) profiteert                       ƒ 240,-,-
D‟ Huijshoudinge soodanigh behoorde gereguleert te worden, dat de jaerlijcxe indispensabele
(onmisbare) verteeringe cenden worden vervallen (schuldig worden) uijt de post van sa 3500 glds.
Tot d‟ ordinaris huijshoudinge inde Staet van Balance geafficteert, soude dan avanceren                  ƒ 200,-,-

Dat men het quohier van ‟t Waeckgeldt, soodanig conde verbeteren, dat (daer het nu niet boven
500 glds beloopt, hoewel inden Jaere 1672 wel ruijm 900 glds heeft opgebraght) het suijvere
provenu daer van quame monteren sa 700 glds soude ‟t profijt dan sijn                                    ƒ 200,-,-

D‟ Imposten vande Stadt, opde Wijnen ende Brandewijnen, nae de practijcque, ‟t zedert den
Jaere 1672 geobserveert, doen uijtcoop soodanigh te beneficieren (gunst bewijzen) dat d‟Stadt Jaerl.
Suijver meer soude genieten als nu, sa                                                                   ƒ 200,-,-
Men soude oock lightelijck door goede voorsorge van Commissarissen vande Financie,
d‟Stadts Impost opde Turf, meerde doenopbrengen, als nu bevonden wordt, sa                               ƒ 200,-,-

Uit te legger vande Landen in dese Stadts Jurisdictie leggende.
Alsoock uijt de Verpondinge daermede de Stadt is aengeslaegen wegens de selve Landen Blijckt
datter 836 deijmpten en 176 roeden sijn en d‟ gaerders verantwoorden maer voor 800 deijmpten.
Comp d‟ overige                                                                                          ƒ 7,4,-
Per deijmpt, maeckt sa ƒ 262.7.-, daer afgetogen sa 50 glds diemen soude cunnen toeleggen aende
gaerders voor hun moeijten. Blijft dan jaerlijcx over                                                    ƒ 12,7,-
                                                                                                       ………
                                                                                                       Fl 3066,7,-
                    Comp‟ t Transport van d‟ovezijde                                                      3066,7,-

Daar ligt Jan dan het bezuinigingsplan 1689 (gelijk een klein bestekje) met alle gevolgen van dien.
Jan Koeslager heeft als “Commissaris van de Stadtsfinantie” zichzelf niet ontzien.
Het opheffen van het “Fabrijckschap” en de korting op zijn tracttement als “Thesaurier” is een direkte aanslag op
zijn eigen budget, terwijl hij ook minder zal ontvangen als “Gecommitteerde van de Stadt” en eventueel als
“Reeckenmeester” wanneer hij geen Thesaurier meer zal zijn, hij moet heel wat inleveren. Zijn totale tractement
wordt teruggebracht van ƒ 250,- naar ƒ 100,-.
De arme burgers zijn er door deze maatregelen zeker niet beter aan toe. Doch men kon in die tijd snijden, zonder
dat men protest hoorde.

Op blz. 346 schrijft men van plan te zijn
    “d‟ Banck van Leninge te brengen in een gedeelte van ‟t Proveniershuijs (bejaardentehuis), midts daer voren
    jaerlijcx te genieten van een Tantum.
    Ende dat ‟t beleijdt vande Saecken van Stadts- Financie souden behooren gecommitteert te worden uijt het
    midden vande Vroetschappen vier personen, om op seeckere Instructie te beraemen ende door de
    Gedeputeerden bijde Regeeringe te arresteren”
Er bestond overigens reeds een instructie “waernae d‟Heer Thesaurier des Stadts Monickedan hem sijn dienst sal
hebben te regulieren”. Deze is te vinden in G.A. M‟dam nr. 84, blz. 28 t/m 34 en dateert van 9 augustus 1668.

Deze intructie uit 19 artikelen. Slechts twee ervan zijn de moeite waard om hier te vermelden:
   Art. 7: Sal jaerlijcx gehouden wesen te doen behoorlijcke Reeckeninge van sijn ontfangh en uijtgeven binnen
   de tijt van XIIII dagen nae ‟t affgaen van Burgemeesteren, die den dach daertoe prefigeren sullen en sal
   gehouden wesen Copie van sijne gedaene Reeckeninge t‟ elckens aende Hrn Burgemrn te overhandigen,
   mitsgaeders van sijne Restanten, die hij alle sal moeten invorderen ende daermede vlijven gechargeert
   (belast) ter tijt en wijlen toe bij Burgememeesteren en Vroetschappen de selve “voor quaet” (oninbaar)
   restant sullen wesen verclaert (dus ook na aftreden van de Thesaurier).
    Art. 9: Sal behoorlijcke sorge dragen dat alle die gene, die ter sake van uijtgelooffde huere, pachtpenningen,
   verpondinge ende anders aende Stadt ten achteren geraken, hoe die oock genaemt souden mogen wesen op de
   behoorlijcke tijt hun achterwesen comen voldoen ende bij soo verre lemant (buijten vermoeden) sijn
   achterstal niet en voldoet binnen ses maenden nae de wxpiratie vant jaer off dach op welcke hij de betalinge
   moeste doen, dat als dan den thesaurier jegens soodanige sal moeten procederen bij sommatie ende XIIII
   dagen daernae bij renovatie en XIIII dagen daernae bij uijtlichtingh van Deuren in saken daer sulcx
   mogelijck is”. Kennelijk bedoelt men daarmee “openbare verkoop”).



23
De man, die te veel inleverde

Mocht u geinteresseerd zijn in de verdere benoemingen van de “Commissarissen van de Finantie”, dan kunt u dit
vinden in G.A. M, dam nr. 10 blz. 417 (7-1-1681), blz. 420 t/m 424 (21-1-1681) en blz. 425 t/m 427 (9-2-1681),
waarbij ze zelfs het kerkelijk inkomen en de gezondheidszorg trachten aan te pakken).
          Op blz. 449 t/m 458 (29-6-1681) worden “de ordonatien van de Thesaurier” herzien, maar het zou te ver
voeren om hierop in te gaan.
     Wat te verwachten was naar aanleiding van de korting op het salaris van Dr Koeslager gebeurde op 15
october 1681:
     “Is gelesen, een Requeste, gepresenteert bij d‟Heer Stadts Thesaurier Dr Joannes Koeslager, versoeckende
     (ter oorsacke van sijn geallegeerde (aangehaalde) veelvuldige moijelijckheden, occupatiën (bezigheden) ende
     belastingen in ‟t voorsz sijne Thesauriers ambt verbeteringe van sijn jaerlijcx Tractement tot de somme van
     drie hondert car: guldens in plaetse ‟t selve tot nogh toe is geweest een hondert en vijftigh guldens, sonder
     eenigh verder Emolument (bij- inkomen) ende daerover sijnde gedelibereert, is goedtgevonden d‟ selve
     Requeste te stellen aen d‟Heeren Burgermrn ende Commissarissen vande finantie, omme sulcx naeder te
     examineren ende daer nae dese aghtb. Vergaderinge van der selver advijse ende consideratiën te dienen”.
Hij heeft dus kennelijk te veel ingeleverd en probeert nu vanwege de toename in de werkzaamheden het verloren
gegane deel van zijn salaris terug te krijgen.
     Op 15 november 1681 brengen de “Commissarissen van de Financie” uitvoerig rapport uit over de
“Reeckeninge vande Stadts Thesaurier” (zie G.A. M,dam nr. 10, blz 501 t/m 504 en 506).
     “De‟ Heeren Burgermrn ende Commissarissen van de Jinancie” komen pas op 9 december 1681 terug op het
     “in dato den 15e october jongstleden te exammineren Requeste van Dr Joannes Koeslager Thesaurier deses
     Stadts.
     Tenderende ten eijnde u Ed. Welaghtb beliefte sij, om redenen inde selve Requeste vervat, eertelijck het
     jaerlijcx Stipendium van stadts Thesaurier te augmenteren (verhogen) met een hondert ende vijftigh guldens.
     Reflexie (bespiegeling) te maecken op het Burgemeesterschap, Vroedtschapsambt, Schepenschap ende
     diergelijcke hooge Bedieningen meerder, die alle genoeghsam sonder eenigh voordeel of proffijt sijn, maer ‟t
     sal genoegh wesen op het Thesaurierschap deses Stadts alleenlijck hunne aenschouw te nemen. Ten welcken
     requarde sij bevinden, dat van alle oude tijden af het selve Ambt althoos is gereputeert (de klank gehad)
     geworden onder de meest honorabele (eervolle), ende vervolgens In requarde van ‟t voorsz versoeck
     tenderende (bedoelde) om te mogen hebben augmentatie (verhoging) van Tractement geconsidereert (in ‟t
     oog houdende) dat niet alleen in dese schaersheijt van geldt, maer selfs doende (toen de) tijden aldermeest
     waeren bloeijende, de Bedieningen in dese Stadt ten opsichte vande proffijten, baeten, voordeelen en
     emolumenten, noijt gereguleert en geproportioneert (in verhouding vastgesteld) sijn geweest, naer den arbeijt
     ende moeijten vande selve Bedieningen, maer het defect (tekort) vande selve althoos is gesuppleteert
     (aangevuld) geworden met d‟eer ende aensien de selve Ambten vergeselschappende, daervan de
     Commissarissen onnoodigh oordeelen haere meest jae altijt bedoent door afgegaene Burgermrn, die dan
     oock vande selve Bedieninge niet anders hebben getrocken als een cleijne erkentenisse, en om het selve wat
     naeder te beschouwen soo hebben d‟Thesauriers inde Jaeren 1661, 1662 en vervolgens niet meerder genoten
     voor hun Tractement, Emolumenten en Proffijten als eens ‟s jaers dertigh guldens, daer nogthans de
     Verantwoordinge die sij mosten dien in een Jaer wel is geweest ontrent de ‟t Seventighduijsent guldens ende
     inden Jaere 1668, als wanneer het Thesaurierschap is gebraght op die voet, ordre ende Instructie, waer op ‟t
     selve Ambt nogh bijde jegenwoordige Thesaurier wordt bedient, is de Thesaurier inde tijt gechargeert
     (belast) geweest om een Staet vande Stadts Financie uijt de grondt op te soecken, een Lijste van alle het
     Incomen ende uijtgeven te formeren, mitsgaeders drie leggers voorde Stadt op te maecken.
     Alles sijnde een werck van een ongelooflijcken omslagh en arbeidt. Sinde de grondt van dat ordentelijck
     gebouw daer op de jegenwoordige huijshoudinge van d‟Stadts Financie soo loffelijck wordt gecontinueert
     ende boven alle dien arbeijt van veele maenden is den selver thesaurier nogh belast geweest vanden 9 e
     Augustij 1668 tot den 8e Augustij 1669 toe met een verantwoordinge vande somme van hondert vijf en dertigh
     duijsentvijff hondert ‟t sestigh glds dertien stuijvers ses penn. ende zulcx in dat eene Jaer acht duijsent ‟t
     negentigh glds seven stuijvers thien penn. meerder heeft verantswoordt als d‟jegenwoordige Thesaurier en
     Requirant in desen inde drie laetste jaeren heeft gedaen (de geprezen Thesaurier uit 1668 blijkt Mr Joan Mars
     van Hoorn te zijn) ende nogtans alle dit niet tegenstaende soo heeft het U Ed. Welaghtb. Belieft bij Resolutie
     vanden 11e september 1671 den thesaurier in dien tijt niet meerder toe te voegen als eens hondert en vijftigh
     glds int Jaer daeronder dan begrepen was het schrijven vande selve Reeckeninge en dát in een tijt als het
     geldt niet half soo veel waerdt was als wel jegenwoordigh.
     Op de oude grondt Regel dat inde Bedieninge vande Eerampten het proffijt geensints moet worden
     gebalanceert nae den arbeijdt en geannexert nae de moeijten aende selve Bedieninge, bij onse loffelijcke
     voorouders soo voortreffelijck geleght, oordeelen de Commissarissen dat hiervan niet anders als met groot
     gevaer en perijckel sal connen worden aafgetreden.
     Soo can zulcx in geenderleij maniers een middel sijn waerom d‟Stadts Financie met een meerder Tractement
     behoordt beswaerdt te worden om dat het naedeel dat d‟thesaurier schijnt in sijn Requeste te vreesen geen



                                                                                                                24
De man, die te veel inleverde

    ander fondament ofte oorspronck can hebben als sijn eijgen sloffigheijt en genoeghsaem supine negligentie
    (nalatigheid), die men noijt moet presumeren (veronderstellen) in een Thesaurier plaets te sullen hebben.
    Op welcke loffelijcke gronden dan de Commissarrissen vertrouwen, dat d‟intentie van U Ed Welaghtb sal
    sijn de beheeringe van Stadts Financie te continueren ende souden vervolgens van Advijse sijn, dat de Stadts
    Financie met geen verhooginge van Tractement in reguarde vande Stadts Thesaurier behoorde te worden
    beswaert”.
Natuurlijk, dit oud- Hollands is moeilijk leesbaar, maar het loont de moeite, want wat komt men niet uit een
dergelijk rapport (dat in werkelijkheid tweemaal zo lang is ( zie G.A. M.dam nr. 10, blz. 508 t/m 511) te weten
over principes, beloningen en waarde- oordelen in die tijd.
De magistraatsbedieningen blijken niet beloond te worden, het geld in 1681 was meer dan twee maal zoveel
waard als in 1661 en het ambt van Thesaurier was een dagtaak, maar werd als een erebaantje beloond.

Dr Jan Koeslager wist eind 1681 waar hij aan toe was. De verhoging tot ƒ 300,- zat er niet in.
     “of men niet alle Jaeren naer ouder gewoonge op den dach van de verandering van Burgermr behoorde te
    delibereren over de continuatie van den Thesaurier ofte over het aenstellen van een ander. Te meer omdat het
    ambt van Thesaurier alhier in de Stadt meerder wordt gerekent een belastinge te sijn, als wel een beneficie
    (uit gunst verleend) en vervolgens sonder enige Jalousie van tijt tot tijt bequamelijck van den enen schouder
    can worden gebracht op den ander om daerdoor de kennisse vande Stadt van de Stadtshuijshoudinge voor
    soo veel doenlijck universeel te maken” Dit wordt geaccepteerd !
Wij vervolgen nog even het levenspad van Dr Jan Koeslager.
Op 23 januari 1683 (zie G.A. M.dam nr. 10, blz. 568 en uitgevoerd volgens de resolutie van 22-1-1681, zie blz.
423) worden:
    “d‟Heeren Joannes Koeslager ende Barnardus Fudts, beijde doctoren inde medicinen, aengestelt omme
    voorthaen alle nieuwe aencomende Apotheeckers ende Chrirugijs binnen deser Stede, nopende haere
    bequaemheijt ende het admitteren (toelaten) tot d‟voorsz functien te ezamineren”.
Op 10 augustus 1684 wordt Dr Koeslager tot President- Schepen gekozen (zie G.A. M.dam nr. 78, blz. 238) .

Op zaterdag 17 maart 1685 wordt in de vergadering van Burgermrn en Vroetschappen een brief van de Prins van
Oranje voorgelezen:
     “Wij hebben niet willen naerlaeten U.E.d bij desen bekent te maecken dat Mr Nicolaes Houtingh, voor desen
     Vroedtschap der Stadt Monickendam, doen (toen) inden Jaere 1672 vande Regeeringe geexcuseert
     (ontslagen), ons heeft doen verthoonen dat U Ed. niet ongenegen soude sijn hem wederom inde voorsz
     Vroedschap te assumeren (opnemen), als zulcx met ons goedtvinden soude cunnen geschieden. Dat wij hem
     Mr Nicolaes Houtingh in dat sijn versoeck wel willende believen, niet alleen toegesaen hebben, maer oock
     geerne sullen sien, dat hij wederom inde voorsz Vroedtschap werden geassumeert. ‟s Gravenhage den 25 e
     februarij 1685 ” ( G.A.M,dam nr. 11, b;z. 125).
Het ene na het andere in 1672 ontslagen Vroedtschapslid zal weer in genade worden aangenomen en aanbevolen
tot het weer opnemen in de Vroedschap.

Op 5-2-1686 wordt Jan Koeslager tot Weesmeester gekozen (G.A. M,dam nr. 87, blz. 244).

Zondag 10 maart 1686
     “seijde d‟Heer en Mr Nicolaes Houtingh te vermeenen de tijt geboren (gekomen) te sijn om over te leveren
     ende te doen lesen sijn Requeste aan de Prins d‟Orange.”
Hij schrijft hier in, dat toen hij in 1672 werd ontslagen als Magistraat van de Stad Monnickendam, hij tevens het
pensionarisschap verloor. Hij vraagrt de Prins hem wederom in de positie van Pensionaris te herstllen.
Tot verwondering van de vergadering had de Prins reeds op 26 december 1685 in de marge geschrven of laten
schrijven:
     “Sijne Hoogheijt heeft verstaen ende verclaert bij desen, dat den Suppliant sal comen ende treden inde
     actuele possessie van het pensionarisschap hierinne vermelt ende was geteeckent              G. Prince
     d‟Orange”.
     (zie G.A. M,dam nr. 11, blz. 214).
Dezelfde dag nog (zie blz. 215) wordt d‟Heer Dr Joannes Koeslager, Raad ende oud Burgemr verzocht de
vergaderingen van de maand maart van de Staten van Holland waar te nemen,
     “die daertoe met behoorlijcke Credentiaelen (geloofsbrieven) sal worden voorsien”. En daaronder staat
     vermeld: “Hiertegens is bij d‟Hr en Mr Nicolaes Houtingh geprotesteert”
Net een jaar teruggekeerd in de Vroedschap en met goede papieren op zak voor zijn a.s. Pensionarisschap durft
deze man zich alweer te verzetten tegen de afvaardiging van een oranjeman naar de Staten van Holland.




25
De man, die te veel inleverde




Op 15 april 1686 (G.A. M,dam nr. 11, blz. 216) doet Oud Burgemer Dr Joannes Coeslager Stads Gedeputeerde,
uit Den Haag thuis gekomen, rapport van het gepasseerde ter vergadering van de Heren Staten van Holland en
Westvriesland, waar hij van 13 maart tot de 6e april aanwezig was.
Uit de notulen van de 8e juni blijkt dat hij ook van de 1e tot de 18e mei en van de 24e tot en met de 31e mei naar de
Staten van Holland en Westvriesland in Den Haag werd afgevaardigd (blz. 255).
          Een van de onderwerpen, die in Den Haag ter sprake komen, is het rekest d.d. 3 mei 1686 van de
Consistorie van de Waalse gemeente in Den Haag aan de Ed. Gr. Mog. Gepresenteerd.
Zij verzoeken de kapel of kerk op het Binnenhof aldaar doelmatig te vergroten, omdat de gemeente “door de
overcomste van een groot getal predicanten en andere desolate (ellendige) gereformeerde vluchtelingen uijt
Vranckrijck waren geaccresseert (was toegenomen)”.
De stads- gedeputeerden worden gekwalificeerd om in de kosten tot vergroting van de betreffende kerk tegemoet
te komen (zie G.A. M,dam nr. 11, blz. 192,195, 220, 226 en 243).
     De laatste maal, dat Joannes Coeslager als Gedeputeerde naar Den Haag gaat, wordt hij vergezeld door
Burgemr Teerhuijs en Mr Nicolaes Houtingh. Zij verblijven daar van 31 mei tot de 13e juni 1686. Hr Dr Joannes
Coeslager heeft op 9 juli 1686 (G.A. M,dam nr, 11, blz. 242)
     “in de schoot van dese Achtbare Vergaderinge (na gedane rapport) conform vorige resolutie geoffereeert
     (ten beschikking gesteld) sijnen jarig en aenwaer genomen dienst als erds Stadts gedeputeerde naer den
     Hage en is sijn Ed. voor sijne genomen moeijte en aengewende debvoiren bedanckt”.
Jan Koeslager had er kennelijk genoeg van om met Mr Nicolaes Houtingh te moeten samenwerken.
     Op 17 maart 1688 (G.A. M,dam nr, 11, blz. 308) wordt Dr Joannes Coeslager gecommitteerd tot auditeur van
de rekening (of Rekenmeester) van d‟Hr Stads Thesaurier Mr Hendrick Wou en op 5 januarie 1689 (G.A. M,dam
nr, 11, blz. 360) wordt hij nogmaals als auditeur genoemd
      “vande nogh te doene Jaerlijcxe Reeckeningen van wijlen d‟Heer Stadts Thesaurier Mr Hendrick Wou Zalr”.
Op 6 januari 1689 komt hij opnieuw in aanmerking om tot President Schepen gekozen te worden doch de missive,
waarin de keuze aan de Prins van Orange wordt overgelaten, wordt niet beantwoord.
Het zoveelste conflict in de stadsregering is gaande.
Op 2 februari 1688 (G.A. M,dam nr, 11, blz. 288) schreef Secretaris Corthals
     “d‟Hrn Burgermr hebben ter Vergaderinge geremonstreert, dat ‟t zedert den Jare 1679 in dese achtbare
     Vergaderinge ende sulcx tusschen de Regenten onderlingh seer considerable (aanzienlijke) onlusten, quastien


                                                                                                                  26
De man, die te veel inleverde

     ende moeijlijckheden, niet alleen tot merckelijcke prajuditie (nadeel), bijsondere blasine (genoeg er van
     hebben) en opspraeck van de regeringe te meermalen en op diverse tijden tot nu toe waren voorgevallen ende
     ontstaen, dat niet alleen sijn Hoogheijt den Heer Prince van Oranje ende Heeren desselfs Commissarissen,
     maar oock den Hoogen Rade omme die respective succesivelijck door minnelijck verdragh te assoxieen
     (verenigen) en bij te leggen. Etc. etc.”.
Dit is volgens mijn mening de bester omschrijving van de wijze waarop samengewerkt werd tussen de
Vroedschapsleden van Monnickendam in de ambtsperiode van Dr Joannes Koeslager.
          Van 14 mei tot 1 februari 1688 kwam men zelfs in het geheel niet in vergadering bijeen (G.A. M,dam nr,
11, blz. 284 en 285).
          Op zondag 1 mei 1689 is Dr Joannes Coeslager voor het laatst aanwezig bij een vergadering van
Burgemeesteren en Vroedschappen te Monnickendam.
Op 18 mei wordt hij in een eigen graf op rij 45, nr. 5 van de Grote Kerk te Monnickendam begraven met de roef,
na een uur beluid te zijn, voor ƒ 19,6,-.
44 jaar oud geworden, was hij nog 2 maanden tevoren voor de derde maal getrouwd met Adriana Smith op 20
maart 1689 (zie nr. 404a).
In het staatboek van de Weeskamer (ORA 3613) vinden we
     “op dinsdagh den 25e october 1689, is op de weeskamer verschenen d‟Heere Jacob Luijt (getrouwd met
     Trijntje Sijmonsdr Koeslager, zuster van Jan Koeslager ‟s vader) ende heeft geexhibeert (ingedient) de
     Testamenttaire Dispositie van wijlen d‟Heer Burgemr Dr joannes Koeslager voor den notaris Jan Sijes ende
     getuijgen binnen deser Stede opden 14e September deses Jaers 1689 (moet een abuis zijn, want toen was hij
     reeds gestorven; vermoedelijk 1688) gepasseert, waerbij gebleecken is, dat de weescamer is buijtengesloten
     ende is daermede bij d‟Heeren Weesmrn Baan Jacobsz, Mars van Hoorn en Pieter Baan contentement
     genomen”. De acten van Notaris Jan Sijes zijn jammer genoeg niet bewaard gebleven, zodat wij dit niet
     kunnen controleren.
De schepenrol van Monnickendam geeft ons inzicht in het vermogen dat Dr Joannes Koeslager aan zijn kinderen
naliet.
ORA nr. 3550 van 17 september 1689 vermeldt:
     “Op de gepresenteerde Requeste van de respective Voogden over de vier minderjarige kinderen van wijlen
     d‟Heer Burgemeester Dr joannes Koeslager, soo bij sijn eerste en tweede huijsvrouw geprocreert (verwekt),
     hebben Schepenen (om de geallegeerde “aangehaalde” redenen, dat den Boedel van deselve Koeslager met
     soo veele Schulden is beswaert, dat totobetalinghe vandien niet alleen de roerende, maer oock alle de vaste
     ende onroerende Goederen dienen te worden vercogt) de selve voogden gequalificeert alle de vaste en
     onroerende Goederen bij de voorn. Heere Koeslager naegelaeten, te mogen vercoopen ende te gelde te
     maecken. ‟t Zij uijt der Handt ofte in publijcque Veijlinge, alssij Vooghden ten meesten besten des Boedels
     sullen oordelen te behooren, mistgaeders aen de cooper ofte Coopers van dien, op te dragen ende quijt te
     schelden ende uijt de penninghen daer af te procederen de Lasten ende Schulden van de voorz Boedel te
     voldoen”.
Hieruit blijkt dus duidelijk dat hij te veel had ingeleverd. Niet alleen aan inkomen, maar ook aan mogelijkheden.
Mr Chirurgijn en medisch Doctor zijnde heeft hij zijn gehele leven aan de Stad Monnickenam gewijd. Niet op
medisch terrein, maar op stedebouwkundig en Financieel terrein heeft hij zijn beste jaren voor de stad gegeven en
er zelf geen cent van overgehouden. Menig kwakzalver zal het beter zijn gegaan.

Op 31 juli 1689 wordt in de notulen van de Vroedschapsvergadering (G.A. M,dam nr. 11, blz. 413) gememoreerd:
    “d‟Heer President Burgermr Sluijs heeft deze wel Achtb. Vergaderinge voorgedragen, dat door het overlijden
    van d‟Hr Dr joannis Coeslager in sijn leven Raet en Vroedschap deses Stadts weder een ander bequaem
    persoon in desselfs overledens plaetse dient te werden uijtgeleijt ende verkoren. Is naer gedane omvrage
    daertoe met egale stemmen geeligeert ende verkoren d‟Heer en Mr Sijmon Admirael out- prasident
    Weesmeester ”.
Joannis wordt opgevolg door een telg uit het republikeinse geslacht “Admirael”, nazaat van de grote voorvader
Cornelis Dircksz. (zie mijn boekje “De Slag op de Zuiderzee”. Uitgegeven in 1973), maar voor Joannis Coeslager
bleef het een tegenstander, die getolereerd werd door zijn eigen Prins Willem III.
          Willem III had ingezien, dat hij de staatsinrichting die tijdens het regentenbestuur was ontstaan niet
gewelddadig kon verstoren, daarom zocht hij later hulp bij vooraanstaande figuren van het oude regiem.
          Jan Romein schrijft in zijn “Erflaters”: “het meest tragische van alles is dat Willem III, die door Jan de
Witt altijd als belager was geweerd, geen andere taak voor zich zag dan de voltooiing van de Wiit‟s levenswerk”.
    Het zou te ver voeren u het volledige verhaal over de verkoop van de boedel van Dr Jan Koeslager, (die plaats
vond in publieke veiling op 16 januari 1700), te vertellen. U kunt het vinden in ORA 3550 op 24-9-1689 en 24-
12-1700 (ORA 35510 blijkt dat er voor de kinderen toch nog iets overblijft:
    “De vooghden ove de kinderen van wijlen de Hr Burgemr Joannes Coeslager ende Arisjen Aris hebben bij
    Regte te kennen gegeven ‟t gene volght: Aen de Ed. Aghtb. Heeren van de Geregte des Stadts Monnickendam



27
De man, die te veel inleverde

     geven met behoorlijcke eerbiedigheijt te kennen, Simon Coeslager, Coopman tot Amsterdam ende Jacob
     Coeslager, Regerent Schepen deses Stadts, in qualite als voogden over de drie kinderen van Dr Joannes
     Coeslager ende Arisjen Aris, dat een van de geliede al getrout (Aeghje trouwde op 31 januari 1699 met
     Willem Arentsz Koel, grutter zoon van Arent Willemsz Koel de remonstrant van de 12 e juli 1672 en
     medestander van haar vader. Het bloed kruipt , waar het niet gaan kan) ende oock eene (Aris) reets naer
     Oostindien, sulcks dat den Boedel en goederen tusschen de vorn nootsaeckelijck dient te werden verdeelt, ‟t
     welcke niet wel kan geschieden als niet verkoopinge van een huijs en erve staende en gelegen tot Amsterdam
     op de Heeregraght bij de Heerestraet genaemt “de Poolse Joncker” ‟t welck de supplt niet anders kunnen
     doen als met consent van U Ed. Aghtb.”. Van Schepenen krijgen zij toestemming !
Onmiskenbaar was Dr Joannes Cornelisz Koeslager een overtuigd oranjeklant. Was ‟t zijn voogd, de Dominée,
die hem zo had opgevoed of was het iemand anders, die hem dit had meegegeven.
Zijn vader Cornelis Sijmonsz stierf reeds, zoals u weet, toen Joannes 5 jaar oud was en zijn grootvader Sijmon
Cornelisz werd op 20 maart 1644, een jaar voor Joannes geboorte begraven.
Cijtgen Cornelis echter, de vrouw van Sijmon Cornelisz Koeslager en grootmoeder van Joannes overleefde haar
man vele jaren en deze zal waarschijnlijk de geschiedenis aan haar kleinzoon verteld hebben.
Welke geschiedenis ? U kunt het verhaal vinden in G.A. M, dam nr. 3, blz 229 op 12 juni 1633.
     “Alsoo d‟Heeren Burgemrn ende Vroedschappen deser Stede Monnickendam bij gerecolleerde (tegen elkaar
     vergeleken) verclaringen van ses geloofwaerdige getuijgen vande Collegie van Dijckgraef en Heemraden van
     Waterlandt verthoont is, dat de persoon van Sijmon Cornelisz Koeslager hem vervordert (veroorloofd) heeft
     op 30 martio (maart) l.l. ten huize van Jan Claesz Koijer, waert inde Roode Leeuw (op het Noordeinde)
     binnen deser Stede inde Vergaderinge van ‟t voorsz Collegie de voorsz Heeren Burgemrn ende
     Vroetschappen met injureuse (beledigende) en diffamerende (belaslstende) propoosten (uitdrukkingen)
     leelijck af te schilderen. Van datse eerstdaechs (onlangs) int verkiesen van Heijn Dircksz Dirckmaet tot
     Vroetschap (vermits sij Tijmon Tijsz daerin voorbij gegaen waren) eer ende eet (eed) te buijten gingen, datse
     op eer noch eet passen ende datse mitsdien de Previllegien, die sij besworen hadden onder de voetentraden.
     Met verscheijde andere vuijle woorden meer gebruijckende, dat verstaen wort saecken te sijn van quade
     consequentie, die wel ter exempel (als voorbeeld) van anderen behoorde gestraft te werden.
     Soo ist nochtans sulcx, dat de gemelte Heeren Burgemrn ende Vroetschappen op ‟t versoeck vande voorsz
     Koeslager, genegen sijn alle behoorlijcke ende Christelijcke consideratien (inschikkelijkheid) daerinne te
     gebruijcken goet gevonden hebben, de selve Koeslager op sijn versoeck voor dese reijse onder de volgende
     conditien voorsz injurie (bedediging) te vergeven.
     Te weten dat hij alhier in voller Vergaderinge sal bekennen, dat hem van herten leet is de voorsz woorden
     gesproocken te hebben ende dat sulcx buijten de waerheijt geschiet is,
     Vienvolgende Godt ende d‟Heeren Burgemrn ende Vroetschappen om vergiffenis biddende met Beloften van
     dat hij hem nu noch nimmermeer sal vervorderen enige injurie (belediging) de Magistraten int gemeen ofte
     particulier meer aan te doen, op pene van gestraft te werden naer behooren. Item (idem) dat hij vorders in
     promte penningen alhier sal betalen ten behoeve vanden Heer officier voor desselfs moeijten en costen een
     somme van 25 guldens, mitsgaeders voor het arme weeshuijs mede 25 guldens.
     ‟t Welck alles de voorn Koeslager voorgelesen sinde ende gehoort hebbende, heeft de Heeren daervan
     (daarvoor) bedanckt.
     Aldus gedaen op ‟t Raethuijs der voorsz Stede ter vergaderinge van d‟Heeren Burgemrn ende Vroetschappen.
     Ten overstaen ende ter presentie vande Hrn Melis Claesz Geest ende Cornelis Claesz Admirael Schepenen
     als getuijgen hiertoe versocht”.
Ook Sijmon Cornelisz Koeslager had dus een telg uit het regentengeslacht Admirael tegenover zich.
Uit ORA 3562 d.d. 18 april 1633 blijkt dat Sijmon Cornelisz er nog goed onderuit gekomen is. Men heeft zich
laten adviseren door een jurist te Amsterdam, hoe men een dergelijk geval “betr verschrikkelijke bededigingen
tegen Magistraat” moet anpakken. Het adcies luidt:
     “Jegens hem concluderen (besluiten), dat hij sal werden gecondemneert (veroordeeld) de voorsz injurien
     (beledigingen) exemplaerlijck (voorbeeldig) te beteren, mits naer clockluijdinge in gespannen vierschaere op
     sijn knien met gevouwen handen, blootshoofts, biddende godt, de Justitie ende Heeren Magistraten om
     vergiffenis ende schltwoorden inde voorsz verclaringe gemelt onbedachtelijck en met quade sake gesproken
     te hebben. Item dat hij eenige tijt ter desretie van ‟t gerecht sal werden gecondemneert (veroordeeld) te gaen
     en te blijven in seeckere gevanckenisse ende alleen getracteert met water en broot off dat hij in plaetse
     vandien voor eenige jaren t (uit) de stadt werde gebannen ende daer beneffens te betalen seeckere boete.
     Aldus geadmiseert binnen Amsterdam en was onderteijkent” Joan de Witte.
Nee, het bleek niet degene te zijn, die ik verwachtte. Joan de Witt, de latere Raadspensionaris, werd op 24
september 1623 te Dordrecht geboren en was op dat tijdstipnog geen 10 jaren oud.




                                                                                                                28
De man, die te veel inleverde

De herberg “De Roode Leeuw” was gevestigd op de plaats waar ni de St. Nicolaas- kleuterschool staat op het
Noordeinde 22. op de plek van het dubbele herenhuis ernaast (nr.24) stonden in 1688 twee huizen, de
verpondingsnrs 91 en 92.
Verpondingsnr. 93, het huidige nr. 26, heet “In de bonte os”. Dit huis werd in 1611 gebouwd door Cornelis
Melisz, de vader van Sijmon Cornelisz Koeslager. Hij was o.a. pachter van de impost op het hoornvee en gaf zijn
huis een toepasselijke naam.
Bij de reconstructie van het Noordeinde kom ik hierop terug.




Sijmon Cornelisz Koeslager was het kennelijk niet eens met de handelswijze van de Magistraat en met de
brutaliteit van een pachter (het kostte nogal eens moeite om de belastingen te innen) durfde hij dit ook wel te
zeggen.
Hij durfde meer. Vier jaar tevoren, op 8 juni 1629, vroeg hij aan Burgemrn en Vroetschap “enige letteren van
recommandatie om nae ‟t leger te trecken en ‟t selve te mogen besichtigen” (N.A. M,dam nr.3410, blz. 1).
Hij deed dit “ten eijnde ‟t selve sonder eenige hinder, molestatie ofte verleth te cinnen doen”. Burgemrn schrijven
“dat sij ‟t hem ten respecte niet hebben connen weijgeren, versoeckende derhalven bij desen aen alle Heeren
Edelen, Officieren, Insticieren ende Bevelhebbers in ‟t leger van sijn Princelijcke exeltie diendende bij desen
soude mogen sien ofte hooren, lesen, te laten besichtigen. Oock te lalten gaen ende keeren, waeraen ons
sonderlinge dienst en vruntschap sal geschieden”.
          Op 1 mei 1629 heeft Frederik Hendrik het beleg van Den Bosch geslagen. De stad ligt temidden van
moerassen, waardoor het niet mogelijk is de loopgraven op de gebruikelijke wijze in de richting van de wallen te
graven. In juni is Sijmon Cornelisz Koeslager er gaan kijken en in september hoort hij dat op de 14 e een bres in de
stadswal kon worden geslagen en de stad zich heeft overgegeven.
Wat trok Sijmon Koeslager “nae ‟t leger te gaen”?
Als pachter kon hij geen enkel voordeel daaruit verwachten, als stads- gemommitteerde ging hij zeker niet, want
het gebeurde op zijn eigen verzoek.
Zou het dan zo dwass zijn te veronderstellen dat de Koeslagers een van die vertrouwelijke families in de steden
waren, die door de Oranjes als informatiebron over de Regenten- regering werden gebruikt ?




29
De man, die te veel inleverde

                                                                 Het Noordeinde
Huisnrs         1976   ●        16    18    20       22    24     26    28        30     32    34     36     ▲

Kadaster        1946   ●        283   284   ■     1758 ■   ○     1640   2301      2300   ◙1374 1373   1372

Kadaster        1832   ●        283   284   285      286   287    288   289       290    291   292    293

Wijk nr. 3      1807   ●         11   12    13       14    15      16    17       18     19    20     21

Verp. nr.       1733   ● 81     82    83    84       85    86      87    88       89     90    91

Verp. nr.       1688   ●        87    88    89       90 91 92      93    94       95     96    87     98     ▲

●         De Nieuwe Steeg
■         De Roode Leeuw
○         De Bonte Os
◙         De Dolfijn
▲         De Brugstraat




                                                                                                                 30
De man, die te veel inleverde

bijlage 1
                                        Louw


                                        Melijs     woonde v. 1577 – 1588 in de
                                        Louwes     Sijmen Heerensteegh (of 2e Molensteegh)

                                        Cornelis   wordt schepen op 14-11-1623
                                        Melisz     bouwer van “In De Bonte Os”

                                        ± 1568
                                        pachter


       Aris                     Claes Cornsz       Sijmon Cornsz            Gerrit Cornsz    ongetrouwd gebleven
       Cornelisz                alisas Nelisz      Koeslager                alias Jansz      “De Bonte Os” aan
                                Louw               ± 1593                   Koeslager        zijn familie nagelaten (ORA 3576, d.d. 7-2-1707
                                                   Pachter                  pachter


       Do Cornelis              Trijntje           Cornelis                 Jacob            Heijndrik
       Koeslager                Koeslager          Koeslager                Koeslager        Koeslager
       Te Hem                   X 1664             ± 1620                   X 1643           X 16647
                                Jacob Luijt        ■ 25-9-1650              Trijntje Corns   Marij Jabobs


                                Sijmon             Dr Joannes
                                Koeslager          Koeslager
                                X Le Havre         ± 1645
                                M. Oursel          ■ 19-5-1689

       Cornelis                 Aeghje             Aris            Pieter
       1672                     1679               1682            1688
                                X 1699
                                Willem Koel

                                Arisje Koel
                                X 1726



31
De man, die te veel inleverde

Bijlage II

De giften van gerrit Cornelisz Koeslager (alias Gerrit Jansz) aan het armen-weeshuis te Monnickendam.

6-7-1638       Ontfangen van Gerrit Jansz Koeslager tot een aelmis voor die arme
               weeskinderen 4 jacopisz                                                    comt   ƒ 52,-
25-10-1638     Gecregen van Gerrit Jansz Koeslager een halve busck vleijs tot een aelmis         ƒ
07-11-1640     Gecregen een buijck vlijs van Gerrit Jansz Koeslager Gerrit Jansz                 ƒ
01-11-1641     Gecregen tot een gift die verndel vlees van Gerrit Jansz Koeslager                ƒ
15-1-1642      van Gerrit Jansz tot een gift gecregen vijff verndel vlees gereeckente vor
               vier en tachtich gul met noch hondert en sestien gul aen geit, noch hondert
               gul aen gelt die zijn broeder Aris Cornelisz a aen ons arme wesz hadde
               besproocken maecken ‟t saemen een somme                                           ƒ 300,-
14-1-1643      hebben de arme weesen voor een gift gecregen van Gerrit Jansz een
                halff beest vleijs gereeckent voor                                               ƒ 30,-
20-10-1644     tot een gift gecregen van Gerrit Jansz een half buijck vleijs in wardij           ƒ 34,-
29-11-1645     ontfangen van Gerrit Jansz tot voordeel van een buijck vleijs tot een gift        ƒ 32,-
22-11-1646     van gert Jansz gecregen een half buijck vleijs voor die arme weesen
               werdich te weesz                                                                  ƒ 38,-
29-11-1647     ontfangen van Gerrit Jansz tot voordeel van een buijck vleijs tot een gift        ƒ 14,-
11-01-1652     gekregen van Gerrit Jansz Koeslager tot een vereerijngh voor arme
               weeshuijs de somme van seesthien rijddaeldes                               comt   ƒ 40,-
02-01-1653     ontvangen voor het huijs tot een gift van Gerrit Jansz Koeslager een
               somme van vijftich guldens                                                        ƒ 50,-
06-09-1657     in ons huijs een voet vleijs vereer van 140 Gerrit Jansz pachter
27-09-1658     onf. van Geerrit Cornelisz Koeslager tot een vereereeenige vles
               comt samen somme                                                                  ƒ 14,-
28-10-1658     ontfangen van Gerrit Cornelisz Koeslager tot een verering twee voet vlees         ƒ
18-09-1659     ontfangen van Geerret Cornelisz Koeslager tot een vereerin 146 vles komt          ƒ 21,18
01-10-1659     ontfangen van Gerrit Cornelisz Koeslager tot een vereerrin voor het huijs         ƒ 32,-
14-10-1660     tot een vereeringh gekregen van Gerrit Cornelisz Koeslager een vierendel
                vleijs weerdich twintich gulden                                                  ƒ 20,-
11-11-1660     tot een vereeringh van Gerrit Cornelisz Koeslager gecregen een somme van          ƒ 23,10
23-11-1663     van Gerrit Cornelisz Koeslagers erfgenamen een bespreck ontfangen
               de some van drie hondert gulden                                                   ƒ 300,-




                                                                                                      32

				
DOCUMENT INFO
Shared By:
Categories:
Stats:
views:29
posted:8/14/2011
language:Dutch
pages:32