Docstoc
EXCLUSIVE OFFER FOR DOCSTOC USERS
Try the all-new QuickBooks Online for FREE.  No credit card required.

blok 3.1 fma1b samenvatting - SV Check

Document Sample
blok 3.1 fma1b samenvatting - SV Check Powered By Docstoc
					Samenvatting Financiële markten deel B

Leereenheid 3 para. 2.2

Met betrekking tot het voorspellen van de wisselkoersen bestaan er 2 principes:
   1. koopkrachtpariteit inflatieverschillen tussen landen veroorzaken veranderingen in de
       wisselkoers. Hoge inflatie daalt de koers. Lage inflatiestijgt koers. Als de inflatie in
       eigen land lager is dan de inflatie in het buitenland, dan zullende binnenlandse producten
       goedkoper zijn, dit leidt tot een toename van de export. De vraag naar de valuta van het
       exporterende land zal toenemen, waardoor de koers weer stijgt. Zo blijft het in
       evenwicht. Berekening blz. 95
   2. internationale fisher-relatie blz. 95 + 96 doorlezen.

Gedekte interestpariteit als de verhouding tussen de termijnkoers en de contante koers van een
vreemde valuta bepaald wordt door de verhouding tussen rentes in de twee landen op
soortgelijke beleggingen voor een overeenkomstige termijn.
Eerst moeten er valuta’s worden gekocht waarin wordt belegd. Tegelijkertijd wordt de
opbrengst van de belegging via een termijntransactie verkocht. Hierdoor loopt de belegger geen
wisselkoersrisico. Lezen blz. 97.

Hfst. 7 Dorsman

7.1
Renterisico wijzigingen in de marktwaarde ten gevolge van wijzigingen in de rentestand.

Valutarisicowijzigingen in de marktwaarde ten gevolge van wijzigingen in valutakoersen.

Termijnkoersdit is een koers waartegen op het huidige moment vreemde valuta’s kunnen
worden verhandeld met als moment van levering een in de toekomst gelegen tijdstip. Dit is een
koers die tot stand komt door vraag naar en aanbod van een valuta op termijn.

Het verschil tussen de contante koers en de termijnkoers van een vreemde valuta wordt
veroorzaakt door renteverschillen tussen twee landen. Als de termijnkoers boven de contante
koers lig, spreekt men van een agio( in de termijnkoers). Als de termijnkoers onder de contante
koers ligt dan is er disagio.

7.2
Yield-curve is de relatie tussen looptijd en rendement. Maar is ook bekend als termijnstructuur van
rentevoet of rentestructuur. Blz. 89

Normale rentestructuur dit is het positieve verband tussen rente en looptijd de yield-curve heeft dan
een stijgend verloop. De kostenvoet van de lange rente is dan hoger als de kostenvoet van de korte rente.
Omgekeerde rentestructuur yield-curve heeft een dalend verloop.
Vlakke rentestructuur dat de korte rente gelijk is aan de lange rente.

7.3  goed de duration kennen!
Sheets week 4
Derivaten financiële instrumenten die afgeleid zijn van andere financiële titels, zoals opties en
termijncontracten. Deze kunnen gebruikt worden om het risico te veranderen. Het hierbij gaan
om het verminderen of het vermeerderen van het risico.

Derivaten van onderliggende waarde afgeleide titels:
   - termijncontracten  niet verhandelbaar
   - opties
   - swaps

De marktprijs van een onvoorwaardelijke derivaat is hoger, omdat hierbij minder risico is.

Hedging wanneer partijen deze instrumenten kopen of verkopen met als doel het verminderen
van risico. Het is het indekken van risico. Risicoreductie op positie in onderliggende waarde
door tegengestelde transactie in derivaat.

7.5 Dorsman

Typen valutarisico:
   - translatierisico of omrekeningsrisico wordt het risico veroorzaakt door een
      veranderende wisselkoers bij de omrekening van activa en passiva luidende in vreemde
      valuta. Bv bij het omrekenen van de jaarrekeningen van buitenlandse
      dochterondernemingen. Zoals vorderingen, schulden in vreemde valuta en kas in
      vreemde valuta. Valutarisico dat voortvloeit uit de omrekening van balansposten in
      vreemde valuta. BV bij een overname van een buitenlands bedrijf.
   - transactierisico het risico van een wisselkoersverandering tussen het moment van het
      sluiten van een transactie en de uiteindelijke realisatie daarvan. Het valutarisico dat
      ontstaat doordat het tijdstip van het ontstaan van een transactie meestal niet overeenkomt
      met het tijdstip van de betaling daarvan. BV verkoop in vreemde valuta.
   - Pretransactierisico valutarisico dat voortvloeit uit een uitgebrachte offerte in een
      vreemde valuta. Dit risico kan worden opgevangen door een valutaoptie of een future.
   - Economisch risico vaststellen van de mate waarin de concurrentiepositie beïnvloed
      wordt door valutarisico. Dus het risico dat de toekomstige winstgevendheid van een
      onderneming beïnvloed wordt door fluctuaties in de wisselkoersen. Bijv. toekomstige in-
      en verkopen.

Sheets week 4

Valutaexposure Exposure is 'blootstelling aan een risico'. Het gaat bij valuta om de tijd waarin
je het risico loopt dat de koers omhoog of omlaag gaat. Dat begint feitelijk al met een offerte die
je in een vreemde valuta uitbrengt. Als de order geaccepteerd is, loopt je valutarisico door net
zolang tot de klant een factuur ontvangen en betaald heeft. De exposure bestaat dus uit twee
elementen: de omvang van een bedrag en de duur dat dit bedrag nog open staat. Het is het
nettobedrag waarover risico wordt gelopen.

Instrumenten valutarisicobeheer:
    - valutatermijncontracten is een overeenkomst tussen 2 partijen, waarbij op het moment
       van het afsluiten van de overeenkomst dat de valuta gekocht of verkocht wordt tegen een
       op dit moment afgesproken prijs met levering of afname op een moment in de toekomst.
       Dus een contract waarin wordt afgesproken een bedrag aan vreemde valuta’s op termijn
       te kopen of te verkopen tegen een nu reeds vastgestelde termijnkoers. Het is een
       onvoorwaardelijke derivaat. Hierbij heb je altijd een koper en een verkoper.
   -   ValutaoptieHet recht om een bepaalde valuta te kopen of te verkopen tegen een
       vastgestelde koers, bij de koop of verkoop moet een bepaalde premie worden betaald. Dit
       is een voorwaardelijke derivaat, maar je hoeft er niet perse gebruik van te maken.
   -   Valutaswap Voor periodes van vijf tot tien jaar, er worden drie fasen onderscheiden:
       1. De hoofdsommen worden geruild tegen de contante koers .
       2. De ondernemer betaalt rente in de valuta die hij heeft ontvangen en krijgt rente in de
       valuta die hij heeft afgestaan. 3 De hoofdsommen worden weer geruild. De valutaswap is
       ook een onvoorwaardelijke derivaat.

8.2 Dorsman

Termijncontract is een contract om zaken tegen een op dit moment afgesproken prijs te kopen
of te verkopen op een in de toekomst gelegen moment. In tegenstelling tot de opties is voor de
koper en de verkoper het termijncontract zowel een recht als een plicht. Het kan dus zowel een
positieve of negatieve waarde hebben.

Bij termijncontracten kan men onderscheid maken bij:
    - futures een gestandaardiseerd termijncontract. Deze standaardisatie betreft de omvang
        van de onderliggende waarde en de looptijd. De futures worden verhandeld op de
        openbare markt.
    - Forward is een niet gestandaardiseerd termijncontract. Het forwardcontract wordt
        verhandeld op de onderhandse markt, ook wel de over-the-counter-markt. (OTC). Een
        counter  kan je alleen bij een bank afsluiten en het heeft geen vaste prijs.

Een onderneming kan een shortpositite of een longpositie bezitten. Bij een longpositie heeft men
voordeel bij een stijging van een onderliggende waarde en een nadeel bij een daling van de
onderliggende waarde. Bij shortpositie is een stijging van de onderliggende waarde nadelig en
een daling van de onderliggende waarde voordelig. Lezen voorbeelden blz. 271+ 272.

Hfst. 7 Hulleman en Marijs

7.1
Het renterisico is het risico dat de winstgevendheid van een onderneming beïnvloed door de
schommelingen van de rente. In de eerste plaats is de grote van het bedrag dat onder invloed
staat van rentefluctuaties, dit wordt exposure genoemd. In de tweede plaats is de bewegelijkheid
van de rente belangrijk, dit wordt volatiliteit genoemd.

7.2
Allereerst dient het management de doelstelling van het renterisicobeheer te bepalen.
Vervolgens moet de financiële afdeling bepalen in hoeverre de onderneming gevoelig is voor
renteschommelingen. Hierna wordt een rentevisie ontwikkelt. Heeft de rentevisie als uitslag dat
de winstgevendheid van het bedrijf hiervan nadelige gevolgen zal hebben zal de leiding
maatregelen moeten nemen. De leiding kan zich indekken met behulp van de middelen die de
bank daarvoor beschikbaar heeft gesteld, dit wordt actief rentebeleid genoemd. De leiding kan
ook alleen interne maatregelen nemen, dit wordt passief rentebeleid genoemd.

Actief beleid streeft men naar risicominimalisatie. De kosten die hiermee gepaard zijn, zijn
onvermijdelijk. Nodig bij:zwakke financiële en marktpositie, krappe winstmarges.
Passief beleid streeft men naar kostenminimalisatie. Streeft er naar zo weinig mogelijk kosten
te maken om renteposities te beheren. Sterke financiële- en markpositie, ruime winstmarges.

7.3
De rentegevoeligheid van de onderneming hangt in de eerste plaats samen met de financiële
structuur van een bedrijf. Financiele structuur bepaalt in welke mate de rentelasten en de
rentebaten fluctueren met de rente.

Kort vreemd vermogen is veel gevoeliger dan lang vreemd vermogen omdat hiervan de looptijd veel
korter is en men snel zal moeten omfinancieren. De rente-exposure wordt in de tweede plaats bepaald
door de geldstroomprognose. Uit de geldstroomprognose blijkt op welke tijdstippen er
liquiditeitstekorten of –overschotten ontstaan. Hieraan kan het management zien wanneer zij geld
moet aantrekken of moet uitzetten. Die zelf ook weer afhankelijk is van de rente, want bij grote
fluctuaties zal de vraag naar vermogen kunnen toenemen dan wel afnemen. Een onderneming moet als
die naar de invloed van de rente op de onderneming wil weten naar het verleden kijken. De invloed die
de rente op de omzet heeft wordt ook wel de rente-elasticiteit van de omzet genoemd

7.4
De indicator van de geldmarktrente is Euribor, die door de ECB gebaseerd wordt op de toekomstige
inflatie. Als de geldhoeveelheid erg snel stijgt zal de repo rente verhoogd worden. Het verschil tussen
Euribor en de repo is afhankelijk van de internationale kapitaalstromen op korte termijn. Als de
geldmarktrente in het buitenland stijgt of als beleggers een daling van de koers verwachten, treedt er
kapitaalstroom uit de eurozone op. Hierdoor neemt het aanbod op de geldmarkt van de EMU af,
waardoor de geldmarktrente weer stijgt.

Vroeger gebruikten de banken de officiële tarieven om de debetrente vast te stellen, tegenwoordig
wordt de debetrente vaak gebaseerd op Euribor. De gemiddelde rentemarge die de bank hanteert voor
renteafslag en renteopslag is ongeveer 2% en een risico opslag.

De kapitaalmarkt rente bestaat uit de reële verwachtingen en de inflatieverwachting. Deze rente is
vooral afhankelijk van de spaar- en investeringsgeneigdheid. Want als besparingen afnemen of als
investeringen toenemen, stijgt de reële rente. Afwijkingen hiervan kunnen op korte termijn worden
veroorzaakt door internationale kapitaalstromen. Beleggers op deze markt zijn zeer gevoelig voor
veranderingen van de verwachte inflatie. Want als inflatie toeneemt zullen zij minder obligaties kopen,
waardoor koersen dalen en het effectieve rendement op obligaties stijgt. De marktrente die wordt
vergoed op nieuw uit te geven obligaties zal dan ook stijgen. De aanpassing van de rente aan de
verwachte inflatie is nodig om beleggers te compenseren.

Het moeilijke deel van de rentevoorspellingen is om precies te weten wanneer er een conjunctuur
omslag komt ( hoog of laagconjunctuur), dit zijn ook omslagpunten voor de renteontwikkeling. De
omslagpunten van de conjunctuur zijn wel gevoelig voor marktsentiment. In jaren dat er een
conjunctuur omslag komt is het aan te bevelen om te werken met scenario’s voor geld en
kapitaalmarktrente. Het meest waarschijnlijke scenario ( middenscenario) is te beschouwen als een
voorspelling. Daarnaast is de pessimistische scenario ( worst case) en de optimistisch scenario ( best
case). Zie tabel 7.2

7.5
De belangrijkste geldmarktleningen zijn kasgeldleningen en rekening courant leningen. Op de
kapitaalmarkt zijn leningen mogelijk in vaste of variabele rente.
Een roll-over lening is een vorm van middellang krediet waarbij de rente variabel is. Deze is ook
niet verhandelbaar, dus de kredietgever en nemer blijven hetzelfde.
Floating rate notes is het zelfde als een roll-over lening met als verschil dat deze wel verhandelbaar
is. Ook is hierbij de rente variabel.
Een onderhandse lening en een obligatielening kenmerken zich door een vaste rente gedurende de
gehele looptijd van de lening.

Een lening met een variabele rente is aantrekkelijk als een daling van de rente wordt verwacht, maar
een vaste rente is aantrekkelijk als een stijging van de rente wordt verwacht.

Een andere mogelijkheid om de renteverplichting aan te passen is een vervroegde aflossingsclausule.
Dit biedt de mogelijkheid om in geval van een rentedaling de schuld geheel of gedeeltelijk aflossen.
Tegelijkertijd wordt een nieuwe lening aangetrokken tegen de lagere rente. Er moet wel een prijs
betaald worden voor deze extra flexibiliteit, bijv. een hogere contractrente. Een derde mogelijkheid is
het kiezen van een gespreide looptijdstructuur. Dit is dat het management de rentegevoeligheid
vermindert door de omvang en de looptijden van leningen te spreiden.

De nieuwe instrumenten in het beheersen van het renterisico zijn:
   - Forward rate agreement (FRA) hiermee kan een ondernemer de rente die hij nu moet betalen
       op een toekomstige lening nu reeds vastleggen. De FRA is een termijncontract tussen 2 partijen
       om in de toekomst het verschil te verrekenen tussen een afgesproken renteniveau en de
       marktrente op het tijdstip van het sluiten van de lening. De FRA is geschikt voor het afdekken
       van korttermijnrenterisico’s. De koper van de FRA is beschermt tegen een rentestijging en de
       verkoper van de FRA is beschermt tegen een rentedaling.
   - Renteopties is een overeenkomst tussen 2 partijen waarbij de verkoper de koper het recht op
       een bepaalde rente geeft. In tegenstelling tot de FRA hoeft de koper geen gebruik te maken van
       zijn recht als dat voor hem nadelig is.
            de interest rate cap geeft de koper ervan het recht op een vergoeding als de rente
               boven een afgesproken plafond stijgt. ( garandeert max. rente)
            De interest rate floor geeft de koper ervan het recht op een vergoeding als de rente
               onder een afgesproken bodem daalt. ( garandeert mini. Rente)
            De interest rate collar is een combinatie van beide, waarbij de premiebetaling gelijk
               aan 0 is. Het is een gelijktijdige koop van een cap en een verkoop van een Floor. Door
               de cap wordt de onderneming beschermt tegen rentestijging, hiervoor moet een premie
               worden betaald. Deze premiebetaling wordt echter gecompenseerd door een
               gelijktijdige verkoop van een Floor.
   - Renteswap overeenkomst tussen 2 partijen om gedurende een bepaalde periode variabele
       renteverplichtingen te ruilen tegen vaste renteverplichtingen. Zie voorbeeld 229.

Voor de meeste kleine ondernemingen zijn de traditionele rente instrumenten toereikend. Het zijn
voornamelijk de financiële instellingen die gebruik maken van moderne rente instrumenten.
Hfst. 8 Marijs en Hulleman
8.1
Valutarisico het risico dat de (toekomstige) winstgevendheid van een onderneming beïnvloed
wordt door wisselkoersschommelingen. De omvang van het valutarisico wordt bepaald door 2
factoren:
    - valuta-exposure de mate waarin de onderneming blootstaat aan wisselkoersfluctuaties.
    - Volatility de bewegelijkheid van de wisselkoersen van de valuta’s waarin de
        onderneming zaken doet.

Valutarisico= valuta-exposure x valutavolatiliteit.

8.2
De opzet van valutarisicobeheer:
    - formulering doelstellingen in hoeverre bereid om valutarisico’s te accepteren.
    - bepaling valuta-exposure bepalen in hoeverre de onderneming bloot staat aan
      wisselkoersschommelingen.
    - ontwikkeling valutavisie de wisselkoersontwikkeling van de valuta moet worden
      voorspeld.
    - beheersing valutarisico’s de risico’s afdekken.
    - evaluatie.

Risicominimalisatie houdt in dat de onderneming alle valutaposities indekt. Dit wordt ook
full- cover- strategie genoemd. De onderneming komt zo niet voor een onverwachte valutaire
tegenwind te staan. Maar dit kan wel tot hoge kosten leiden. Er zijn verschillende redenen voor
een full- cover- strategie:
    - Als het risico niet wordt ingedekt kan de kern activiteit in gevaar komen.
    - De winst wordt stabieler en beter voorspelbaar.
    - Voor ondernemingen met een zwakke financiële positie kan dit noodzaak zijn omdat ze
        zicht niet kunnen veroorloven om risico te lopen.
Kostenminimalisatie als doelstelling van het valutarisicobeheer betekent dat het management
geen enkele valutapositie extern indekt. Ook wel no-cover-strategie genoemd. Hierdoor
accepteert de ondernemer dat de winstmarges van de onderneming blootstaan aan de
ontwikkelingen op de valutamarkt. Het voordeel van een no-cover-strategie is dat de
onderneming geen transactiekosten voor het indekken van valutaposities maakt.

Om te weten hoe groot het risico is moet het meetbaar zijn. Een andere reden voor de no- cover-
strategie is de koopkrachtpariteittheorie, deze theorie zegt dat inflatieverschillen op termijn
gecompenseerd worden door wisselkoersmutaties. Veel bedrijven maken zich niet druk over de
translatierisico omdat het moment van het verkopen van een onderneming ver in de toekomst
ligt. Een ander argument is dat financieel gezonde ondernemingen wel tegen een stootje kunnen.

WinstmaximalisatieAls een onderneming sommige valutarisico’s wel extern indekt en andere
niet spreekt men van selective- cover- strategie. Meestal wordt er dan per valuta een kosten /
baten analyse gemaakt en gekeken naar welke valuta’s wel en welke valuta’s niet ingedekt zullen
worden. Bijv dat men een positie in Deense kronen niet indekt omdat de volatiliteit van de
Deense kroon tov. de euro gering is om de kosten van het indekken te rechtvaardigen.

8.3
Bepaling van de valuta- exposure:
   -   transactie- exposure door alle in- en verkooptransacties in vreemde valuta’s te
       registreren, krijgt men een beter beeld van de totale exposure per valuta.
   - Pretransactie- exposure alle uitstaande offertes in vreemde valuta sommeren om tot
       een totale exposure te komen.
   - Translatie- exposure door te bepalen welke bezittingen en schulden in vreemde
       valuta’s luiden, krijgt men inzicht in mogelijke omrekeningsverliezen of winsten die in
       de balans liggen besloten.
   - Economische- exposure geeft aan in welke mate de toekomstige winst van de
       onderneming blootstaat aan wisselkoersfluctuaties. Ook moet worden bekeken hoe de
       concurrentiepositie hierdoor wordt beïnvloed.
Lezen voorbeeld blz. 241.

8.4
Er zijn 3 methoden van wisselkoersvoorspellingen:
    - Technische analyse baseert zijn voorspellingen op het historisch koersverloop van een
        valuta. Wordt alleen toegepast op zeer korte termijn voorspellingen ( tot half jaar). De
        technische analyse is gebaseerd op 3 veronderstellingen:
        1. alle beschikbare informatie ( meningen, feiten, verwachtingen) is in de koersen
            verwerkt.
        2. Koersen bewegen zich in trends en deze trends zetten zich voort totdat het tegendeel
            is bewezen.
        3. De geschiedenis herhaalt zich, dat wil zeggen koerspatronen die zich in het verleden
            hebben voorgedaan, zullen ook in de toekomst treden.

Binnen de technische analyse worden chart reading en tijdreeksanalyse onderscheiden:
      1. Chart reading geeft men de historische koersontwikkeling van een valuta in een
          grafiek weer. Voorbeeld blz. 244. De steunlijn geeft de ondergrens van het
          koersniveau weer. De weerstandslijn geeft de bovengrens van de koersniveau weer.
          De ruimte tussen de steunlijn en de weerstandslijn wordt trendkanaal genoemd.
      2. Met behulp van statistische tijdreeksanalyse bewerkt een technisch analist historische
          koersgegevens zodanig dat er prognoses mee gemaakt kunnen worden. Hij kan bijv.
          een 10 of 40weeks voortschrijdend gemiddelde berekenen.
   - Fundamentele analyse Men baseert de koersvoorspellingen op de economische
      ontwikkeling van een land, geschikt voor halflange tot lange termijn voorspellingen(
      vanaf een half jaar). De belangrijkste factor voor het koersverloop op korte termijn is de
      ontwikkeling in het renteverschil tussen twee landen. En op lange termijn is de inflatie de
      belangrijkste indicator.
   - Termijnkoers Men baseert de koersvoorspelling op gemiddelde voorspelling van de
      markt, geschikt voor korte termijn voorspellingen ( vanaf1 maand tot 1 jaar). Een
      fundamenteel analist maakt gebruik van de termijnkoers.

Agio in de termijnkoers mogelijke appreciatie van de munt
Disagio in de termijnkoers mogelijke depreciatie van de munt.

Landen met een hoge rent/ hoge inflatie hebben een disagio in de termijnkoers, doordat er veel
verkopen zijn van de termijnkoersen.
Landen met een lage rente/ lage inflatie hebben een agio in de termijnkoers.

Men maakt vaak eerst een puntschattingdie precies aangeeft wat een bepaalde munt waard
gaat worden. Omdat de waarde aan veel externe factoren onderhevig is worden er om die
puntschatting heen scenario’s gebouwd. Een intervalschatting geeft aan tussen welke twee
grenzen de koers zich mogelijk zal bewegen.

Bij een ongekwantificeerd oordeel geeft men alleen maar aan in welke richting de munt zich
zal bewegen. De consensus verwachting is de koersverwachting van analisten van de bank die
vergeleken is met de termijnmarkt.

Het is voor een bedrijf niet alleen maar belangrijk of de voorspelde koers dicht bij de werkelijke
koers ligt. Het is vooral ook belangrijk dat de voorspelling aan de juiste zijde van de
termijnkoers ligt. Voorbeeld lezen blz. 247.

8.5
Het valutarisico hangt samen met strategische beslissingen die de onderneming neemt. Aan de
inkoopzijde is de keuze van de leverancier en de daarbij behorende valuta belangrijk. De
vestigingsplaats van een onderneming is ook zeer belangrijk, deze dient gericht te zijn op
vermindering van de economische exposure, als een onderneming een vestiging in het buitenland
opkoopt kan deze het best worden gefinancierd in deze buitenlandse valuta, de schuld die dan
ontstaat is namelijk ook in buitenlandse valuta.

Aan de verkoopzijde is de keuze van de factureringsmunt van belang, want als de eigen munt
devalueert is het de vraag of hij dit kan doorberekenen in de kostprijs zonder marktaandeel te
verliezen. Door middel van een wisselkoers clausule kunnen beide partijen het risico delen. De
onderneming kan ook het valutarisico verkleinen door een dominante marktpositie te hebben, de
onderneming kan dan eerder het verlies in de kostprijs door berekenen. Dit omdat een
onderneming met een groot marktaandeel op een buitenlandse markt beter in staat is om
ongunstige wisselkoersontwikkelingen door te berekenen in de verkoopprijzen.

Interne valuta-instrumentenzijn maatregelen die de onderneming zelf kan nemen ter
vermindering van het valutarisico. Er zijn verschillende interne valuta-instrumenten:
- Netting dat een onderneming alle vreemde valutaposities binnen de onderneming saldeert.
Dit zorgt voor besparing transactiekosten, maar niet voor vermindering valutarisico.
- Matchinghet tijdstip van inkomende en uitgaande vreemde valuta’s op elkaar afstemmen,
waardoor het gebruik van externe valuta-instrumenten kan worden beperkt.
- Leading en lagging het versnellen of vertragen van de betalingen of ontvangsten in vreemde
valuta op basis van wisselkoersverwachtingen.
- Balansbeheer: het op elkaar afstemmen van bezittingen en schulden in vreemde valuta, dus het
translatierisico verminderen.

Externe valuta-instrumenten zijn financiële producten die de ondernemer koopt op de
financiële markten of bij het bankwezen. Externe valuta-instrumenten zijn:
    - ValutatermijncontractBindende overeenkomst tussen een bank en een onderneming,
        waarin wordt afgesproken een bedrag aan vreemde valuta’s op termijn te kopen of te
        verkopen tegen een nu reeds vastgestelde termijnkoers. De kosten hiervan zijn relatief
        laag en het is eenvoudig. Nadeel is de flexibiliteit, bij gunstige uitslag kan je dan daarvan
        niet profeteren.
    - Transacties op de geldmarkt Tegenover een bezitting in vreemde valuta’s een schuld in
        diezelfde valuta nemen waardoor het risico wegvalt, want een bezitting en een schuld in
        een vreemde valuta elkaar compenseert, is het risico geneutraliseerd. ( leningen,
        deposito’s).
   -   Valutaoptie Het recht om een bepaalde valuta te kopen of te verkopen tegen een
       vastgestelde koers, bij de koop of verkoop moet een bepaalde premie worden betaald. Er
       zijn valutaopties van beursgenoteerde bedrijven met vaste looptijden en vaste prijzen, en
       er zijn valutaopties van de bank met flexibele looptijden en prijzen zogenaamde OTC’s.
       Een valutaoptie biedt wel veel flexibiliteit, maar de kosten zijn ook hoger.
   -   Valutaswap is een overeenkomst tussen 2 partijen om rente- en
       aflossingsverplichtingen in twee valuta’s te ruilen.
   -   Koersrisicoverzekering bij de NCM De ondernemer kan niet meer dan drie procent
       verlies lijden anders betaalt de NCM uit, heeft hij meer dan drie procent koerswinst dan
       raakt hij dit kwijt.

 Elk type valutarisico heeft zijn eigen valuta-instrument die daar het best bij past. Het risico is
erg moeilijk te bepalen, dit omdat men niet weet hoeveel last de concurrentie hiervan heeft.

				
DOCUMENT INFO
Shared By:
Categories:
Tags:
Stats:
views:339
posted:8/10/2011
language:Dutch
pages:9