Aandeel Een aandeel is een eigendomsbewijs van een deelneming in

Document Sample
Aandeel Een aandeel is een eigendomsbewijs van een deelneming in Powered By Docstoc
					                            Begrippenoverzicht van de beleggingsbranche!

Aandeel: Een aandeel is een eigendomsbewijs van een deelneming in een onderneming. Als
aandeelhouder heeft u (meestal) medezeggenschap in de onderneming door middel van stemrecht op
de Algemene Vergadering van Aandeelhouders. Als u aandelen in een onderneming bezit heeft u
recht op een deel van de winst, ook wel dividend genoemd. Veel aandelen zijn verhandelbaar op een
effectenbeurs (bijvoorbeeld EURONEXT), maar dit is niet noodzakelijk.

Aandelenfonds: een fonds dat hoofdzakelijk belegt in aandelen.

Aandelensplitsing: Bij een aandelensplitsing worden bestaande aandelen vervangen door meer
aandelen met een lagere koers. Dit komt voor wanneer de waarde van één aandeel te hoog is. Het
aandelenkapitaal neemt dus niet toe, maar gaat bestaan uit meer aandelen. De verhandelbaarheid
neemt hierdoor toe.

Aanwijzing: Als een belegger in opties wordt aangewezen om aan zijn verplichting te voldoen,
voortvloeiend uit het schrijven van een calloptie ( aandelen leveren) of putoptie ( aandelen afnemen).
Engelstalig: assignment. AEX

Index: Amsterdam Exchange Index. Aandelenindex bestaande uit de 25 meest verhandelde aandelen
op de Amsterdamse beurs.

Alfa: Risico/rendementsmaatstaf. Geeft aan of een beleggingsfonds in staat is geweest om beter te
presteren dan zou mogen worden verwacht volgens een beleggingsmodel. Een positieve alfa geeft
aan dat het fonds het beter heeft gedaan ten opzichte van het risico. Bij een negatieve alfa heeft het
fonds het slechter gedaan.

Alternatieve beleggingen: Een alternatief voor traditionele beleggingen zoals aandelen en obligaties.
Hierbij kunt u denken aan beleggingen in hedgefunds, grondstoffen, private equity, of alternatieve
obligaties.

AMX index: Amsterdam Midcap Index. Aandelenindex bestaande uit 25 middelgrote ondernemingen
uit Nederland. Deze index wordt ook wel Midcap genoemd.

Asset management: Vermogensbeheer. De algemene term voor het beheren van
beleggingscategorieën zoals aandelen, obligaties en vastgoed etc.

Asset verdeling: De verdeling van een effectenportefeuille of beleggingsfonds over de
beleggingscategorieën aandelen, obligaties, vastgoed, opties, alternatieve beleggingen, kasgeld etc.

AFM ( Autoriteit Financiele Markten): Nederlandse toezichthouder op de financiële markten. De
AFM houdt toezicht op ondernemingen die actief zijn in sparen, lenen, beleggen, pensioenen en
verzekeren.

AVA: Algemene Vergadering van Aandeelhouders.

Achtergestelde lening: Een lening of obligatie waarbij in het geval van een faillissement de
geldgever pas als laatste, als alle andere schuldeisers zijn betaald, zijn geld kan terug krijgen.

Afdekken: Het indekken van beleggingen tegen koersdalingen. Engelse term: Hedgen.

Afgifteprijs: Aan- of verkoopprijs van een fonds dat niet beursgenoteerd is en bij de uitgevende
instelling zelf moet worden gekocht of verkocht.

Afloopdatum: Expiratiedatum. De dag waarop een optie, future of termijncontract afloopt. Meestal
een derde vrijdag van een maand.

Aflossing: Terugbetaling van een (obligatie)lening.




                                      www.vermogensnavigator.nl
                           Begrippenoverzicht van de beleggingsbranche!

All time high: Hoogste koers ooit van een aandeel, fonds of index.

All time low: Laagste koers ooit van een aandeel, fonds of index.

Allocatie: De verdeling van een effectenportefeuille in verschillende beleggingscategorieën zoals
bijvoorbeeld aandelen, obligaties etc.

Asset backed security/obligatie: ABS of ABO. Financieel product of lening dat wordt gefinancierd
met de opbrengsten uit een portefeuille van verschillende assets zoals hypotheken,
creditcardschulden of debiteuren. Deze assets zijn verstrek als onderpand.

Baisse: Term voor een dalende effectenmarkt.

Basispunt: Eenheid waarmee renteverandering wordt aangeven. Een renteverandering van 5% naar
6% betekent een verandering van 1 procentpunt oftewel 100 basispunten.

Bear Market: Een beursperiode waarbij de koersen langere periode in een dalende trend verkeren en
er een pessimistisch stemming heerst.

Bedrijfsobligatie: Een lening uitgegeven door een onderneming op de beurs om kapitaal aan te
trekken. Een bedrijfsobligatie lost aan het einde van een vastgestelde looptijd af tegen de nominale
waarde en betaald daarnaast regelmatig ( per jaar of half jaar) rente uit.Beheerkosten

Vergoeding van een bank of vermogensbeheerder voor het beheren van vermogen.

Bel-20: Aandelen index bestaande uit de 19 meest verhandelde Belgische ondernemingen.

Beleggingsfonds: Een collectieve belegging van beleggers in een fondsvermogen. Een
beleggingsfonds kan, afhankelijk van de doelstelling in verschillende beleggingscategorieën beleggen.

Benchmark: Vergelijkingspunt ook wel ijkpunt. Vaak is een bepaalde index een benchmark om
individuele portefeuilles of beleggingsfondsen mee te vergelijken.

Bèta: Risicomaatstaf. Geeft de mate van bewegelijkheid aan van een bepaalde belegging ten
opzichte van de markt (index). Als een aandeel een bèta heeft van 0,5 en de markt stijgt 10% dan
stijgt het aandeel 5% in koers.

Blue chip: Engelse term voor kwaliteitsaandeel. Meestal de grotere ondernemingen uit een land.

Bottum up: Beleggingsmethode waarbij men eerst kijkt naar de kwaliteit, kansen en individuele
waarderingen van een bedrijf en pas daarna naar andere beleggingsmethode. Het tegenovergestelde
is top down.

Broker: Engelse term voor een persoon of firma die bemiddelt bij de aan- en verkoop van effecten.

Bull market: Een beursperiode waarbij de koersen langere periode in een stijgende trend verkeren en
er een optimistische stemming heerst.

Buy and Hold: Beleggingsmethode waarbij de belegger aandelen koopt en die vervolgens een lange
periode aanhoudt en de dividendopbrengst herbelegt in deze aandelen.

CAC 40: Cotation Assistée en Continue. De in Parijs genoteerde aandelenindex met de 40 meest
verhandelde aandelen van Frankrijk.

Cash Dividend: Winstuitkering van een aandeel in contanten. Het tegenovergestelde is
stockdividend.




                                     www.vermogensnavigator.nl
                            Begrippenoverzicht van de beleggingsbranche!

Clickfonds: Garantiefonds of garantieproduct waarbij door middel van derivaten behaalde
koerswinsten worden vastgeklikt.

Closed end beleggingsfonds: Een beleggingsfonds met vast aantal uitgegeven participaties.
Beleggers die dit fonds willen kopen kunnen dit doen op de beurs en niet door middel van een nieuwe
uitgifte. De koers komt tot stand door vraag en aanbod.

Commodities: Grondstoffen. Hierbij kunt u denken aan edelmetalen zoals bijvoorbeeld goud en
zilver, maar ook aan bulkgoederen zoals graan of sinaasappels.

Consumenten prijs index (CPI): Maatstaf voor inflatie. De gemiddelde prijsstijging van
consumentengoederen en diensten die per maand bekend gemaakt wordt.

Converteerbare Obligatie: Ook wel convertible. Een obligatie waarbij de belegger het recht heeft om,
tegen bepaalde voorwaarden en in een bepaalde tijdsbestek, de obligatie om te ruilen voor aandelen.

DAX-index: De Deutsche Aktienindex (DAX) is een index die bestaat uit de 30 grootste Duitse
ondernemingen genoteerd aan de beurs van Frankfurt.

Defensieve aandelen: Aandelen die minder gevoelig zijn voor de economische ontwikkelingen dan
bijvoorbeeld cyclische aandelen. Voorbeelden zijn voeding- en nutsbedrijven.

Delta: Delta is een optieterm die aangeeft hoeveel aandelen er nodig zijn om het prijsrisico van een
optie te dekken. Als een calloptie een delta heeft van 5, dan zal de stijging van waarde van de optie
gelijk zijn aan de stijging van 5 aandelen van de onderliggende waarde.

Deposito: Geld dat door een belegger voor een bepaalde, vaste periode tegen een rentevergoeding
is ondergebracht bij een bank. De looptijd van een deposito kan variëren van een dag tot enkele jaren.

Derivaten: Opties, futures, turbo’s, agrarische termijncontracten en warrants zijn zogeheten derivaten
of ‘afgeleide’ producten van een onderliggende waarde zoals aandelen, indices, valuta’s of
grondstoffen.

Discount: Wanneer een beleggingsfonds tegen een discount wordt verhandeld, betekent dit dat de
onderliggende beleggingen in het fonds meer waard zijn dan de huidige koers van het fonds. De
discount wordt doorgaans weergegeven als een percentage ten opzichte van de intrinsieke waarde.
Vooral koersen van closed-end fondsen kennen soms een forse afwijking van de intrinsieke waarde.

Diversificatie: Spreiding van een effectenportefeuille in diverse beleggingsobjecten. Een
portfoliostrategie waarmee het risico wordt verlaagd door verschillende beleggingen te combineren die
waarschijnlijk niet in dezelfde richting bewegen. Het doel van diversificatie is het totale risico te
verkleinen.

Dividend: Dividend is een winstuitkering die door een bedrijf gedaan worden aan de aandeelhouders.

Dividendrendement: Het dividendrendement wordt berekend door het dividend te delen door de
huidige koers van de onderliggende waarde en de uitkomst met 100 te vermenigvuldigen.

Dow Jones Industrial Average: De Dow Jones is een Amerikaanse index die bestaat uit 30 grote,
liquide ondernemingen die worden verhandeld op de New York Stock Exchange (NYSE).

Duration: Maatstaf voor de rentegevoeligheid van obligaties. Hoe langer de resterende looptijd, des te
sterker obligatiekoersen reageren op een renteverandering en hoe hoger de duration. Stijgt of daalt de
rente met 1%, dan fluctueert de waarde van de obligatie met 1% maal de duration.

Duurzaam beleggen: Bij duurzaam beleggen, wordt het vermogen geïnvesteerd in ondernemingen
die bepaalde ethische en/of groene normen en waarden hanteren.



                                     www.vermogensnavigator.nl
                            Begrippenoverzicht van de beleggingsbranche!

Economische Cyclus: De economische cyclus bestaat uit de elkaar opvolgende perioden van
economische expansie en economische krimp, die gepaard gaan met veranderingen in onder andere
de rentestanden, werkgelegenheid en productiviteit.

Emerging markets: Een opkomende markt is een financiële markt van een ontwikkelingsland.
Voorbeelden van Emerging Markets zijn BRIC-landen (Brazilie, Rusland, India en China).

Emissie: Uitgifte van effecten zoals aandelen of obligaties.

Euribor: Rentetarief dat banken elkaar in rekening brengen voor bedragen die ze aan elkaar lenen.

Euronext: Euronext is de combinatie van de beurzen van Amsterdam (Amsterdam Exchanges),
Brussel (Brussels Exchanges), Parijs (Paris Bourse), Lissabon (BVLP) en de Londense optie- en
termijnbeurs (LIFFE).

Ex-dividend: De vermelding van de koers van een aandeel op de dag van dividenduitkering, waarbij
de verhandeling exclusief het betaalbaar gestelde dividend plaats vindt.

FED (Federal Reserve Board): Het hoogste bestuursorgaan van de Amerikaanse Centrale Bank,
bestaande uit twaalf over de Verenigde Staten verspreide Federal Reserve Banks.

Fondsaanbieder: Een fondsaanbieder is een vermogensbeheerder die beleggingsfondsen aanbiedt
aan beleggers.

Fondsmanager: Een fondsmanager is een persoon die direct verantwoordelijk is voor het
management van de portefeuille van het beleggingsfonds.

FTSE 100: De 100 meest actieve aandelen genoteerd op de London Stock Exchange. FTSE spreekt
men gewoonlijk uit als ‘foetsie’. FTSE International in Londen berekent en onderhoudt de FTSE 100
index.

Fund of Funds: Een fund of funds of multimanager fund is een beleggingsfonds dat gespecialiseerd
is in het kopen van participaties in andere beleggingsfondsen en niet belegt in individuele effecten.

Fundamentele Analyse: Een methode waarbij men tracht door analyse van bedrijfsgegevens zoals
winstcijfers een voorspelling te doen over de mogelijke ontwikkeling van een bedrijf in de toekomst.

Future: Termijncontract. Een financieel contract tussen twee partijen die zich verbinden om op een
bepaald tijdstip een bepaalde hoeveelheid van een product (bijvoorbeeld grondstoffen) of financieel
instrument(bijvoorbeeld aandelen of valuta) te verhandelen tegen een vooraf bepaalde prijs.

Gamma: De gamma zegt iets over de delta van een optie. Het geeft aan in welke mate de delta van
een optie verandert ten gevolge van een koersverandering van de onderliggende waarde. Bij een
delta van 50 en een gamma van 5 zal de delta bij een koersbeweging van één euro stijgen naar 55 of
dalen naar 45.

Garantiefonds: Een garantiefonds is een fonds dat geheel of gedeeltelijk opgebouwd is uit afgeleide
instrumenten, bijvoorbeeld opties, futures of termijncontracten. Het fonds heeft een bepaalde looptijd
en de garantie van het fonds is altijd aan het einde van de looptijd.

Gemengde fondsen: Ook wel mixfondsen genoemd. Mixfondsen beleggen in verschillende
beleggingscategorieën, zoals aandelen, obligaties, onroerend goed en liquiditeiten. Ze bieden
daarmee de belegger een breed gespreide portefeuille.

Groenfonds: Dit is een fonds dat is gespecialiseerd in beleggen in projecten die streven naar
duurzaamheid voor het milieu. Aan deze fondsen zit in de meeste gevallen een fiscaal voordeel.




                                     www.vermogensnavigator.nl
                             Begrippenoverzicht van de beleggingsbranche!

Groeifonds: Een fonds dat is gespecialiseerd in beleggen in aandelen waarvan een sterke,
bovengemiddelde groei van de winst per aandeel wordt verwacht. Het is vaak zo dat een groeiaandeel
of groeifonds geen dividend uitkeert maar het rendement aan het vermogen toevoegt.

Hang Seng index: Aandelenindex bestaande uit de 40 grootste aandelen van Hongkong.

Hausse: Een belegger die op korte termijn een koersstijging verwacht, handelt ‘à la hausse’ en koopt
effecten of gaat long.

Hedge fund: Een fonds die op basis van een vastgelegde strategie probeert beleggingsrisico's te
beperken. Over het algemeen zijn het besloten fondsen. Daarbij wordt een forse minimale inleg
gevraagd, met geleend geld geopereerd en gebruik gemaakt van afgeleide producten. Tegenwoordig
worden deze fondsen ook wel aangeduid als ‘zeer speculatief’.

Hedgen: Engelse term voor afdekken. Hedging is het afdekken van risico’s door het aangaan van
andere posities. Bij sommige transacties is het mogelijk het risico te elimineren dat door een reeds
bestaande positie wordt gecreëerd.

Herbeleggen: Het beleggen van dividenden en rente die vrijkomen uit reeds bestaande beleggingen.

High yield fonds: Dit fonds richt zich op beleggen in obligaties met een hoog risico. Hiertegenover
staat een hoog (coupon)rendement.

Huisfonds: Beleggingsfonds dat is opgericht en wordt beheerd door een bankinstelling of
verzekeringsmaatschappij.

In- en uitstapkosten: Kosten die betaald moeten worden bij het in- of uitstappen van een aandeel of
beleggingsfonds of andere effecten.

Index: Een verzameling effecten die zo is samengesteld dat ze een bepaald gedeelte van de markt
vertegenwoordigen. Bekende indices zijn de Dow Jones Industrial Average (New York), de Eurostoxx
50 (London) en de AEX-index (Amsterdam). Veel beleggingsfondsen kiezen ervoor om hun prestaties
te evalueren aan de hand van een index (de benchmark).

Index fonds: Volgt zo nauwkeurig mogelijk een bepaalde index, met als doel om hetzelfde rendement
als deze index te behalen. De beheerder van het fonds brengt af en toe wijzigingen aan om zo een
realistische afspiegeling van de index te krijgen.

Inflatie: Stijging van het algemene prijspeil.

Institutionele belegger: Grote, niet-particuliere, beleggers zoals beleggingsmaatschappijen en
pensioenfondsen.

Intrinsieke waarde van een beleggingsfonds: De intrinsieke waarde van een beleggingsfonds is
gelijk aan de totale gewogen beurswaarde van de effecten die het fonds op een bepaald moment in
de portefeuille heeft.

IPO: Initial Public Offering. Engelse term voor de eerste uitgifte van aandelen of obligaties op een
effectenbeurs.

ISIN: International Security Identification code. De internationale administratiecode van een effect. De
ISIN-code bestaat uit een landencode en een uniek nummer.




                                       www.vermogensnavigator.nl
                            Begrippenoverzicht van de beleggingsbranche!



Jaarverslag: Een overzicht wat er in het betreffende jaar is gebeurd, al dan niet met een financiële
verantwoording. Volgens de wet (boek 2 van het Burgerlijk Wetboek) wordt er een onderscheid
gemaakt tussen de jaarrekening en het jaarverslag. De eerste is het financiële gedeelte, met in elk
geval de balans en de winst- en verliesrekening met een toelichting; het tweede is een beschrijving
van de gang van zaken in het boekjaar, met andere informatie. Verder is het in bepaalde gevallen
verplicht dat een accountantsverklaring met betrekking tot de jaarrekening wordt opgenomen. Bij
jaarverslagen van grotere organisaties is meestal een kasstroomoverzicht toegevoegd.

Junk bond: Obligaties uitgegeven door een bedrijf met een zeer lage kredietwaardigheid die daarom
een (relatief) hoge couponrente hebben.

Kapitaalmarkt: Markt waar vermogenstitels worden verhandeld met een looptijd langer dan twee jaar.
De kapitaalmarkt wordt verdeeld in de primaire markt, waarop emissies plaatsvinden, en de
secundaire markt, waarop reeds bestaande vermogenstitels worden verhandeld. Ook de
aandelenmarkt is een onderdeel van de kapitaalmarkt.

Koers: Prijs per aandeel, obligatie, of participatie van een beleggingsfonds.

Koerswinst: Winst die gemaakt wordt op de verkoop van een belegging. Het verlies op de verkoop
wordt een koersverlies genoemd.

Koers/winstverhouding: De verhouding tussen de koers van het aandeel en de nettowinst per
aandeel. Voorbeeld: koers van een aandeel is € 100, de winst per aandeel is € 5, dan is de
koers/winstverhouding 20.

Korte rente: De rente berekend over leningen met een looptijd korter dan een jaar.

Lange rente: De rente berekend over leningen met een looptijd langer dan een jaar.

Large Cap: Aandelen met een hoge marktkapitalisatie.

Liquiditeit: Geeft de verhandelbaarheid van een aandeel, obligatie of beleggingsfonds aan. De mate
van vraag en aanbod bepaalt de liquiditeit van een fonds. Hoe meer vraag en aanbod in een fonds
samenkomen, hoe meer liquide dat fonds is.

London Interbank Offered Rate (LIBOR): LIBOR is de rente die de grootste en meest
kredietwaardige internationale banken elkaar in Londen in rekening brengen als ze aan elkaar lenen.

London Stock Exchange (LSE): Beurs in London. De LSE is één van de grootste beurzen ter
wereld. Bekendste index op de LSE is de FTSE 100.

Maturity: Engelse term voor einddatum. Maturity is de datum waarop de hoofdsom van een zoals een
obligatie, zal worden terugbetaald.

Mifid: Is de Europese beleggingsrichtlijn en staat voor Markets in Financial Instruments Directive.
Deze richtlijn is in de Europese Unie op 1 november 2007 in werking getreden en heeft drie
doelstellingen
1. Het beschermen van beleggers en de integriteit van de financiële markten
2. Het bevorderen van eerlijke, transparante, efficiënte en geïntegreerde financiële markten
3. Het verder harmoniseren van de Europese beurshandel en beleggingsmarkt
De MiFID moet tevens zorg dragen voor meer handelsmogelijkheden in Europa.

Mixfonds: Een mixfonds combineert aandelen, obligaties en eventueel kas met als doel een
rendement te behalen in combinatie met een gematigd risico. Normaal gesproken doet een mixfonds
het in een dalende markt beter dan een aandelenfonds, en in een stijgende markt slechter.




                                     www.vermogensnavigator.nl
                            Begrippenoverzicht van de beleggingsbranche!

NASDAQ: Elektronische aandelenmarkt in New York waarop vooral aandelen van technologische
bedrijven worden verhandeld. Is de laatste jaren snel gegroeid en concurrent geworden van de New
York Stock Exchange. Grote bedrijven zoals Microsoft en Intel staan aan de Nasdaq genoteerd.

New York Stock Exchange (NYSE): Op Wall Street in New York is de New York Stock Exchange
(NYSE) de oudste Amerikaanse aandelenbeurs. De S&P 500 en de Dow Jones Industrial Average zijn
de belangrijkste indices die het koersverloop op de NYSE weergeven.

Nikkei-index: De Nikkei Stock Average-index is samengesteld uit de 225 meest actieve fondsen van
de effectenbeurs van Tokio. De Nikkei-index ziet men als de belangrijkste Aziatische beursbarometer.

Niet-genoteerd beleggingsfonds: Beleggingsfonds dat geen officiële notering heeft aan de beurs in
Amsterdam, waardoor er dus geen beurskoers bekend is. Uitgevende instellingen geven dagelijks zelf
zogenaamde afgiftprijzen af. Beleggers kunnen tegen die prijzen (met opslag of aftrekpost) de
betrokken beleggingsfondsen kopen bij de uitgevende instellingen.

Obligatie: Een schuldbewijs voor een lening van een bedrijf, publieke instellingen of landelijke- en
lokale overheden. Door uitgifte van een obligatie kan de uitgevende instelling vreemd vermogen
aantrekken voor bijvoorbeeld investeringen. Een obligatie geeft recht op (meestal) een vaste rente en
op terugbetaling van de hoofdsom aan het einde van de looptijd.

Obligatiefonds: Een beleggingsfonds dat in alleen in obligatieleningen belegt. Het beleggingsfonds
streeft naar een stabiele groei of inkomsten voor haar beleggers.

Omzet: De omzet binnen de beleggingsportefeuille geeft weer hoe actief een fondsmanager of
vermogensbeheerder gedurende een jaar heeft gehandeld.

Open end beleggingsfonds: Een open end beleggingsfonds mag nieuwe aandelen/participaties
uitgeven als er nieuw geld in het beleggingsfonds stroomt. Bij een groot aanbod van de eigen
aandelen kan de fondsbeheerder tot inkoop ervan besluiten om zodoende de koers te steunen.
Desgewenst is het aandelenkapitaal dus uit te breiden of in te krimpen.

Opkomende markten: Een opkomende markt of emerging market is een financiële markt van een
ontwikkelingsland. Een belegging in een opkomende markt wordt vaak gezien als risicovol vanwege
(potentiële) politieke problemen, economische instabiliteit en illiquiditeit.

Optie: Een optie geeft de koper het recht om gedurende een overeengekomen periode een
afgesproken hoeveelheid van de onderliggende waarde te kopen of te verkopen tegen een
afgesproken prijs. Met onderliggende waarde bedoelt men bijvoorbeeld aandelen, een index of een
valuta. Degene die het recht heeft, wordt de houder of koper genoemd. Degene die de plicht heeft
wordt de schrijver of verkoper genoemd en zal in sommige gevallen de onderliggende waarde moeten
afnemen of leveren. Er zijn call- en putopties.

Optiepremie: De prijs van een optie. De prijs komt tot stand door de intrinsieke waarde en de tijd- en
verwachtingswaarde.

Out of the money: Optieterm. Een optie is out of the money wanneer bij een calloptie de koers van
de onderliggende waarde lager is dan de uitoefenprijs van de optie. Bij een putoptie geldt het
omgekeerde.

Outperformer: Aandeel dat het duidelijk beter doet dan andere aandelen op de index of sector. Soms
wordt ook een belegger of beleggingsinstelling bedoeld die het beter doet dan een ander.

Over the Counter (OTC): Effectentransacties tussen professionele marktpartijen onderling en
waarvan aanbod en handel niet op een centrale gereguleerde marktplaats, de beurs, gebeuren. Ook
de afwikkeling van deze transacties (clearing) kan men onderling afspreken.

Pari: Een koers noteert ‘à pari’ wanneer hij gelijk is aan de nominale waarde.



                                     www.vermogensnavigator.nl
                            Begrippenoverzicht van de beleggingsbranche!

Penny stock: Een aandeel van een risicovol bedrijf met een lage marktkapitalisatie. De koers van een
penny stock bedraagt vaak niet meer dan enkele tientallen centen en is vaak erg bewegelijk (volatiel).

Performance: De performance (rendement) geeft (vaak procentueel) weer hoe de waarde van een
belegging is gegroeid of gedaald over een bepaalde periode.

Performance fee: Een performance fee is een vergoeding die aan de fondsmanager of
vermogensbeheerder wordt betaald als hij een (out)performance heeft behaald in een bepaalde
periode(vaak een jaar).

Periodiek beleggen: Periodiek beleggen houdt in dat een belegger meestal maandelijks geld inlegt in
een beleggingsfonds.

Perpetuele obligatie (perpetual): Eeuwigdurende obligatie, die geen vast voorafgestelde looptijd
hebben.

Portefeuille: Portefeuille is een verzameling van effecten.

Preferente aandelen: Aandelen met een voorrecht. De bezitter ontvangt voor alle andere
aandeelhouders dividend. Ook bij eventuele faillissement of ontbinding van een bedrijf ontvangen de
bezitters van een preferent aandeel als eerste zijn geld terug. Ook kan een preferent aandeel als
bescherming gebruikt worden voor overnames.

Premium: Een beleggingsfonds noteert tegen een premie boven de intrinsieke waarde, wanneer de
koers hoger is dan de nettowaarde van alle bezittingen van het fonds.

Prospectus: Een prospectus is een wettelijk vereist document bij de emissie van financiële producten
zoals aandelen, beleggingsfondsen of notes. In het document staan de doelstelling, de kosten, en
andere feiten die de belegger moet weten om een gefundeerde beslissing te nemen.

Putoptie: Een putoptie geeft een belegger het recht om, vóór of op de expiratiedatum, tegen een
vooraf vastgestelde uitoefenprijs een partij (bijna altijd 100) aandelen te verkopen. Ook kan een
putoptie geschreven worden. Men ontvangt hiervoor een premie maar gaat een verplichting aan om
aandelen af te nemen als de koers van de onderliggende waarde daalt onder de uitoefenprijs van de
putoptie.

Rating: Een debiteur (bedrijf/overheidsinstelling) kan een rating krijgen van een zogeheten ‘credit
rating agency’ zoals Moody’s, Fitch of Standard’s & Poor. Een rating geeft de mate van
kredietwaardigheid van een instelling aan. Ratings drukt men uit in een combinatie van letters. Een
Triple A (‘AAA’) rating is de hoogst mogelijke. Hoe hoger de rating, hoe lager het kredietrisico voor de
belegger.

Rendement: De opbrengst van een belegging of investering over een bepaalde periode, uitgedrukt in
een percentage van het totale belegd vermogen.

Rentecurve: De rentecurve, of yield curve, is een grafische weergave van de relatie tussen rente en
looptijd. De horizontale as geeft de looptijd aan, de verticale as de rentevergoeding. Onder normale
omstandigheden zal de rente op kortlopende leningen lager zijn dan die op langer lopende leningen
(normale rentecurve). Als de lange rente lager is dan de korte rente spreekt met van een omgekeerde
of inverse rentecurve.

Reverse Convertible: Inwisselbare obligaties met een relatief korte looptijd (meestal 2 jaar) en
(lagere) couponrente. De uitgevende instantie (bank) bepaalt aan het einde van de looptijd of de
belegger contanten of aandelen ontvangt.




                                      www.vermogensnavigator.nl
                           Begrippenoverzicht van de beleggingsbranche!



Risicoprofiel: Het risicoprofiel van een effectenportefeuille of beleggingsfonds geeft weer hoe hoog
de volatiliteit van een de portefeuille of beleggingsfonds is. Dit wordt gemeten aan de hand van de
standaarddeviatie. Hoe hoger het risico hoe hoger de standaarddeviatie en hoe meer schommelingen
in rendement er zijn. Vaak worden er 5 profielen gehanteerd; zeer defensief, defensief, neutraal,
offensief en zeer offensief.

S&P 500: De S&P 500 geeft het betrouwbaarste beeld van de ontwikkeling op de aandelenbeurs van
Amerika. Hij bestaat uit 500 grote en meestal kredietwaardige ondernemingen uit Amerika.

Sectorfondsen: Een beleggingsfonds dat alleen in een bepaalde bedrijfstak of sector belegt.

Securities and Exchange Commission (SEC): De Amerikaanse AFM.

Sharpe Ratio: Het vergelijken van de resultaten van fondsen, waarbij er gecorrigeerd wordt voor het
gelopen risico.

Short: Ook wel het schrijven van een opties genoemd. Het verkopen van effecten of valuta’s terwijl
met deze niet in het bezit heeft.

Small Caps: Aandelen met een kleine marktkapitalisatie. De Small Cap index wordt ook wel de AScX
index genoemd en is de 3de index van de Amsterdamse effectenhandel.

Splitsing: Men spreekt van een splitsing als een onderneming het aantal uitstaande aandelen
verhoogt, zonder de eigendomsverhouding te veranderen. De koers van het aandeel zal hierdoor
dalen.

Standaarddeviatie: Maatstaaf voor de risicograad van beleggingen. Hoe hoger de standaarddeviatie
hoe groter het risico.

Stock Dividend: Winstuitkering van een aandeel in aandelen.

Technische Analyse: Een methode waarbij men met behulp van koersgrafieken en rekenmodellen
tracht een trend op de beurs te voorspellen. Men kijkt dan vooral naar het koersverloop en de
volumes.

TER (Totale Expense Ratio): Het totaal van provisies en kosten van een beleggingsfonds. De aan-
en verkoopkosten worden vaak niet in de TER verwerkt.

Top-Down: Beslissingsproces waarbij in de eerste plaats de beleggingscategorie wordt gekozen,
daarna het land, vervolgens de bedrijfstak en als laatste een specifiek aandeel of obligatie.

Tracker: Een Tracker, ook wel ETF’s genoemd, volgen zeer nauwkeurig een index en worden net als
een indexfonds passief gemanaged. Een tracker keert wel dividend uit.

Underperformer: Aandeel dat het duidelijk slechter doet dan andere aandelen op de index van de
betreffende aandelenmarkt.

Vastgoedfonds: Beleggingsfonds dat in onroerend goed belegt.

Vastrentend fonds: Een vastrentend fonds is een beleggingsfonds dat belegt in effecten die vaste
inkomsten genereren, meestal obligaties, geldmarktinstrumenten of preferente aandelen.

Vermogensbeheer: Vermogensbeheer is het beheren van vermogens voor derden door daarin
gespecialiseerde ondernemingen. Vermogensbeheer kan op individuele- of collectieve basis worden
aangeboden afhankelijk van het vrij belegbare vermogen.




                                    www.vermogensnavigator.nl
                            Begrippenoverzicht van de beleggingsbranche!

Vermogensstructuur: Dit is de manier waarop een onderneming is gefinancierd door investeerders.
De verhouding tussen vreemd vermogen en het totale vermogen, de debt ratio, is het meeste
gebruikte kengetal voor het weergeven van de vermogensstructuur.

Volatiliteit: De bewegelijkheid in de koers van een effect.

Warrants: Een warrant is een soort optie, een warrant geeft iemand het recht om vóór of op een
bepaalde datum effecten te kopen (call-warrant) dan wel te verkopen (put-warrant) tegen een vooraf
vastgestelde prijs. Het belangrijkste verschil tussen opties en warrants is dat de opties door de beurs
geïntroduceerd worden en warrants worden door een onderneming / financiële instelling uitgegeven.

Winst: De omzet van het bedrijf min alle kosten.

Winst per aandeel: De nettowinst gedeeld door het aantal uitstaande aandelen.

Year to Date: Het rendement van een beleggingsfonds in het lopende jaar.

Yield: Yield is het uitbetaalde inkomen uit een belegging uitgedrukt als een percentage. De
uitbetaalde inkomsten kunnen bestaan uit dividend of rente.

Yield to Majority: Dit is een methode voor de berekening van het rendement op een obligatie als
deze tot het einde van de looptijd wordt aangehouden.

Zero coupon obligatie: Ook wel nul-coupon obligatie, zerobond of bullet genoemd is een obligatie
zonder coupons en betalen geen interest uit. De uitgifteprijs van een zero coupon obligatie is om die
reden veel lager dan de waarde van de obligatie op de einddatum. Een obligatie wordt bijv. voor 80%
gekocht en uiteindelijk op 100% afgelost.




              www.vermogensnavigator.nl is een website van www.geldenverzekeren.nl




                                    Geld en Verzekeren Nederland

                                               Markt 10
                                            4571 BG AXEL

                                             Postbus 68
                                            4570 AB AXEL

                                            T 0115-562054
                                            F 0115-562858

                                    E vraag@geldenverzekeren.nl




                                     www.vermogensnavigator.nl

				
DOCUMENT INFO
Shared By:
Categories:
Tags:
Stats:
views:50
posted:7/27/2011
language:Dutch
pages:10