TRANSFORMATIE EN REFLECTIE by wanghonghx

VIEWS: 22 PAGES: 112

									MPA 2003 – 2005 Reflectiefase
 Reflectiemodule Culturaliteit
                  Docenten
• Afshin Ellian, Universitair hoofddocent bij het
  Departement Encyclopedie van de
  rechtswetenschap aan de Universiteit van Leiden
  en columnist NRC Handelsblad.
• Jos de Mul, hoogleraar Filosofie van Mens en
  Cultuur, Faculteit der Wijsbegeerte Erasmus
  Universiteit Rotterdam en publicist in onder meer
  het Cultureel Supplement van de NRC.
                 Programma
• Het Mono/Multi/Inter/Culturele debat

• Nederlandse en Europese identiteit
  –   Tragedie
  –   Christendom
  –   Verlichting
  –   (Post)Moderniteit
  –   Islam
       Programma 12 november
•   Kennismaking
•   Opdracht buitenlands bedrijf
•   Inleiding Verlichting: Immanuel Kant (1)
•   Lunch
•   Inleiding Verlichting: Immanuel Kant (2)
•   Pier Paolo Pasolini: Oedipus Rex (1967)
•   Inleiding tragedie
                              Opdracht:
     Tracht tijdens je buitenlandse verblijf antwoorden te vinden
                        op de volgende vragen:
1. Formuleer drie opvallende culturele overeenkomsten en drie opvallende
   culturele verschillen tussen de cultuur die je bezoekt en de Nederlandse cultuur.
2. Formuleer drie zaken die in de cultuur die je bezoekt aantrekkelijker of beter
   geregeld zijn dan in Nederland en drie zaken die juist minder aantrekkelijk of
   slechter geregeld zijn dan in Nederland.
3. Tracht drie woorden te vinden in de taal van het land dat je bezoekt, die niet of
   nauwelijks in het Nederlands zijn te vertalen.
4. Zou je voor een langere tijd (10 jaar) in het land dat je bezoekt willen wonen?
   Motiveer je antwoord.
5. Speelt in het gastland de integratie van minderheden een rol in de politieke en
   maatschappelijke debatten?
6. Voert het gastland een minderhedenbeleid ten aanzien van integratie?
7. Welke plaats nemen de immigranten in binnen de politiek, intellectuele wereld
   (kunst, universiteit, kranten etc), openbaar bestuur of de economie?
8. Wat is de rol van de constitutie binnen het gastland?
9. Hoe wordt in het gastland de sociale cohesie voorgesteld?
10.Probeer samen met een van je contactpersonen uit het buitenland waar je
   verblijft, een goede vertaling te vinden van het begrip „inburgeringscursus‟.
  Imannuel Kant (1724-1804)

                 Belangrijkste werken:

• Kritik der reinen Vernunft (1781)
• Kritik der praktischen Vernunft (1787)
• Kritik der Urteilskraft (1790)
Beantwortung der Frage: was ist
     Aufklärung? (1784)
“Verlichting is het uittreden van de mens uit de
onmondigheid die hij aan zichzelf te wijten heeft.
Onmondigheid is het onvermogen zich van zijn verstand te
bedienen zonder de leiding van een ander. Men heeft deze
onmondigheid aan zichzelf te wijten, wanneer de oorzaak
ervan niet in een gebrek aan verstand, maar in een gebrek
aan vastberaden-heid en moed ligt, zich van zijn verstand
zonder leiding door een ander te bedienen. Sapere aude.
Heb de moed, je van je eigen verstand te bedienen! is
derhalve de zinspreuk van de Verlichting”
         Kritiek van de rede

• analyse, rechtvaardiging en begrenzing van
  de menselijke rede
• immanente kritiek: een begrenzing vàn de
  rede dóór de rede
          Kritische filosofie
Verzet zich tegen:
• dogmatisch rationalisme
• sceptisch empirisme
Transcendentale vraagstelling
“Ich nenne alle Erkenntnis transzendental,
die sich nicht so wohl mit Gegenständen,
sondern mit unserer Erkenntnisart von
Gegenständen, so fern diese a priori
möglich sein soll, überhaupt beschäftigt"
(KrV A12).
 Terminologische toelichting
„daß nicht eine jede Erkenntnis a priori,
sondern nur die, dadurch wir erkennen, daß
und wie gewisse Vorstellungen
(Anschauungen oder Begriffe) lediglich a
priori angewandt werden, oder möglich
sind, transzendental (d.i. die Möglichkeit
der Erkenntnis oder der Gebrauch derselben
a priori) heißen müsse“ (KrV A56).
     Grondslagenonderzoek

Kant stelt niet de (empirische) vraag naar
het ontstaan van de kennis (de 'quaestio
facti'), maar de filosofische vraag naar
hetgeen logisch voorondersteld moet
worden, wil kennis geldigheid bezitten (de
'quaestio iuris').
      Kennis = voorstellingen
Het hogere kennisvermogen is het vermogen
  tot oordelen:
• theoretische oordelen (KdrV)
• praktische oordelen (KpV)
• reflexieve oordelen (KU)
  – esthetische oordelen
  – teleologische oordelen
Kritik der reinen Vernunft (1781)
 „Daß alle unsere Erkennnis mit der
 Erfahrung anfange, daran ist gar kein
 Zweifel“
 „Wenn aber gleich alle unsere Erkenntnis
 mit der Erfahrung anhebt, so entspringt sie
 darum doch nicht eben alle aus der
 Erfahrung“ (KrV B1)
         Apriorische synthese
          theoretische rede
1 Apriorische synthese van de zintuiglijkheid
  (Transcendentale esthetica)
2 Apriorische synthese van het verstand
  (Transcendentale analytica)
3 Apriorische synthese van de rede
  (Transcendentale dialectica)
1 De apriorische synthese van de
         zintuiglijkheid
• Empfindung (chaos subjectieve
  gewaarwordingen)
• Anschauung (gewaarwordingen gevat in de
  apriorische vormen van ruimte en tijd)

• Ding an sich vs Erscheinung
     Verschijning vs schijn


Ruimte en tijd hebben, alhoewel ze een
transcendentale idealiteit bezitten, een
empirische realiteit (KrV A28, A35-6).
2 Apriorische synthese van het
           verstand
“Erfahrung ist nur durch die Vorstellung
einer notwendigen Verknüpfung der
Wahrnehmungen möglich“ (KrV A176).

“Gedanken ohne Inhalt sind leer,
Anschauungen ohne Begriffe sind blind“
(KrV A51).
      Verstandscategorieën

De apriorische begrippen van het verstand,
waarin de aanschouwingen op logisch
noodzakelijke en algemeengeldige wijze
worden geordend

Voorbeeld: oorzakelijkheid (causaliteit)
 Tafel van verstandscategorieën
1 Kwantiteit 2 Kwaliteit 3 Betrekking   4 Modaliteit

Eenheid     Realiteit   Zelfstandigheid Mogelijkheid

Veelheid    Negatie     Oorzakelijkheid Werkelijkheid

Alheid      Beperking   Wisselwerking   Noodzakelijkheid
‟Transzendentale Apperzeption'
'Ich denke‟: "die einfache und für sich selbst
an Inhalt gänzlich leere Vorstellung: Ich,
von der man nicht einmal sagen kann, daß
sie ein Begriff sei, sondern ein bloßes
Bewußtsein, das alle Begriffe begleitet"
(KrV B404).
Wetenschappen zijn gebaseerd op
     apriorische synthesen

• Zintuiglijkheid:
  – apriorische vorm van ruimte (meetkunde)
  – apriorische vorm van tijd (algebra)
• Verstand:
  – verstandscategorie van causaliteit
    (natuurwetenschappen)
3 De apriorische synthese van de rede
   De rede („Vernunft‟):
   „einem weiten und stürmischen Ozeane, dem
   eigentlichen Sitze des Scheins, wo manche
   Nebelbank, und manches bald wegschmelzende
   Eis neue Länder lügt, und indem es den auf
   Entdeckungen herumschwärmenden Seefahrer
   unaufhörlich mit leeren Hoffnungen täuscht, ihn in
   Abenteuer verflechtet, von denen er niemals
   ablassen, und sie doch auch niemals zu Ende
   bringen kann“ (KrV A235-6).
           Aard en grens van de
             metafysica
"Metaphysik also, sowohl der Natur, als der
Sitten, vornehmlich die Kritik der sich auf eigenen
Flügeln wagenden Vernunft, welche vorübend
(propädeutisch) vorhergeht, machen eigentlich
allein dasjenige aus, was wir im echten Verstande
Philosophie nennen können" (KrV A850).

De transcendentale dialectica biedt het genoemde
propedeutische onderzoek van de aard en de
grenzen van het gebruik van de rede.
      De synthese van de rede


• Betreft de totaliteit van de ervaring
• Transcendentale Ideeën (KrV A327)
    De transcendentale Ideeën
• De kosmologische Idee: de absolute eenheid
  van de ervaring = wereld
• De psychologische Idee: de absolute
  eenheid van het denkende subject
• De theologische Idee: de absolute eenheid
  van de voorwaarden van de voorwerpen van
  de ervaring als zodanig = God
     De bijzonder aard van de
      synthesen van de rede
• I.t.t. immanente synthesen van
  zintuiglijkheid en verstand is de synthese
  van de rede transcendent (gaat de ervaring
  te boven)
• I.t.t. de constitutieve synthesen van
  zintuiglijkheid en verstand regulatief
  (heuristische ficties)
• Geen gegeven, maar opgave
• Transcendentale schijn
            Samenvatting
        apriorische synthesen
Immanent en constitutief:
• Zintuiglijkheid: apriorische vormen van
  ruimte en tijd
• Verstand: verstandscategorieën (causaliteit)

Transcendent en regulatief
• Rede: transcendentale Ideeën
 Kritik der praktischen Vernunft
              (1787)
• Praktisch gebruik van de rede: het
  vermogen van redelijke wezens om hun
  neigingen aan beginselen ondergeschikt te
  maken
• Vrijheid
• Opnieuw inhoud (neigingen) en vorm
  (zedelijke handelen)
  Praktisch gebruik van de rede

• Twee soorten praktische principes:
  – subjectief: maximes
  – objectief: wetten
• Morele wet heeft karakter van imperatief
• Imperatief:
  – hypothetisch (indien … dan …)
  – categorisch (willen om willen zelf)
 Kants dualistische wereldbeeld

• Mens burger van twee werelden:
  – fenomenale wereld (natuur, causaliteit)
  – noumenale wereld (zedelijkheid, vrijheid)


• Noodzaak verzoening van deze werelden
   Kritik der Urteilskraft (1790)
• Poging om fenomenale wereld (natuur) en
  noumenale wereld (vrijheid) te verzoenen
• Driedeling geestelijke vermogens:
   – kenvermogen
   – wilsvermogen
   – gevoel van lust- en onlust
• Reflexief oordeel:
   – esthetisch oordeel
   – teleologisch oordeel
           Het kunstwerk
Het kunstwerk is deel van natuur,

dat zijn vorm krijgt van de geest
Drie kernvragen van de filosofie

In 1781 in de Kritik der reinen Vernunft (KrV
  A805):

1. Was kann ich wissen?
2. Was soll ich tun?
3. Was darf ich hoffen?
Wending naar de antropologie
In 1800 in de Logik (W VI, 448) voegt Kant
nog een vraag toe:

4. Was ist der Mensch?

„Im Grunde könnte man aber alles dieses
zur Anthropologie rechnen, weil sich die
drei ersten Fragen auf die letzte beziehen“
(Logik A 25).
     Antropologisering filosofie
• Ludwig Feuerbach (1804-1872)
  maakt „den Menschen ... zum ... universalen Gegenstand
  der Philosophie - die Anthropologie also ... zur Universal-
  wissenschaft"
• Max Scheler (1874-1928)
• in Die Stellung des Menschen im Kosmos (1928): „In
  gewissem Verstande lassen sich alle zentrale Probleme der
  Philosophie auf die Frage zurückführen, was der Mensch
  sei und welche metaphysische Stelle und Lage er innerhalb
  des Ganzen des Seins, der Welt und Gott einnehme“
            Kants (ontologisch)
              subjectivisme
• Menselijk subject is grondslag van al wat is

• klassieke metafysica:
   – Metafysica generalis (zijn) en metafysica specialis
     (cosmologie, psychologie, theologie)
• Kants metafysica:
   – Antropologie (subject) vs metafysica specialis (KrV,
     KpV, KU)
      Implicaties ontologisch
          subjectivisme
• Scepticisme?
  Neen, subjectivisme juist garantie voor
  logische noodzakelijkheid en
  algemeengeldigheid oordelen
• Relativisme?
  Neen, alle empirische subjecten hebben deel
  aan transcendentale subjectiviteit
Vooronderstelling: „Gemeinsinn‟
  ofwel „Sensus communis‟
 “Deze gemeenschappelijke zin wordt aangenomen
 zonder dat men in dit geval op psychologische
 observatie moet steunen, maar als de noodzakelijke
 voorwaarde van de algemene mededeelbaarheid van
 onze kennis, die in elke logica en in elk
 kennisbeginsel [d.w.z. niet alleen m.b.t. de
 theoretische kennis, maar ook m.b.t. de ethische, de
 esthetische en de theologische - JdM] dat niet
 skeptisch is, voorondersteld moet worden” (KU B66)
 Relativistische tendenz in Kants
       Kritik der Vernunft
• Menselijke rede is niet enig denkbare vorm
  van geest (intellectuele aanschouwing God)
• Menselijke rede is contingent (toevallig in
  zin dat de cognitieve structuur ook anders
  had kunnen zijn)
                  Ad 2
      Historisering van het apriori
• Individueel niveau      • Collectief niveau

• Ontwikkelingspsychologi • Archeologie van
  e Piaget
            Kritiek op Kant
• Eenzijdig intellectualisme
• Statische kijk op cognitieve structuur
• Veronachtzaming rol van medium van
  ervaring
    Oplossing Wilhelm Dilthey
           (1833-1911)
1 Levenscategorieën in plaats van formele
  categorieën

2 Historisch apriori in plaats van tijdloos a
  priori

3 Erlebnis, Ausdruck, Verstehen
MPA 2003 – 2005 Reflectiefase
 Reflectiemodule Culturaliteit
      Programma 19 november
• Opdracht buitenlands bedrijf 2
• Bespreking van I. Kant, Wat is Verlichting?
• De tragedie en het tragische wereldbeeld
• Lunch
• Antigone en de huidige clash of cultures
  (bespreking van Sophoceles, Antigone; Brief van
  Mohammed B.; Spiegel-interview met Otto
  Schily, “Wer den Tod liebt, kann ihn haben”
• Leven met het noodlot
• Monthy Python, The life of Brian
    Opdrachten voor 26 november
Lezen:
• Grondwet voor het Koningkrijk der Nederlanden (vijfde
  gewijzigde druk)
• Nota “Grondrechten in een pluriforme samenleving”
  (Ministerie van BZK, mei 2004)
Doen:
• Noteer de overeenkomsten en verschillen tussen de
  tragische en komische benadering van het noodlot.
• Geef een korte analyse van de BZK-nota vanuit het
  perspectief van het tragische
• Kies uit de bundel Het multiculturele debat. Integratie of
  assimilatie het artikel waarmee je het het meeste eens bent
  en het artikel waarmee je het het minste eens bent en bereid
  een kort betoog (5 minuten) voor waarin je die keuze
  motiveert
                              Opdracht:
     Tracht tijdens je buitenlandse verblijf antwoorden te vinden
                        op de volgende vragen:
1. Formuleer drie opvallende culturele overeenkomsten en drie opvallende
   culturele verschillen tussen de cultuur die je bezoekt en de Nederlandse cultuur.
2. Formuleer drie zaken die in de cultuur die je bezoekt aantrekkelijker of beter
   geregeld zijn dan in Nederland en drie zaken die juist minder aantrekkelijk of
   slechter geregeld zijn dan in Nederland.
3. Tracht drie woorden te vinden in de taal van het land dat je bezoekt, die niet of
   nauwelijks in het Nederlands zijn te vertalen.
4. Zou je voor een langere tijd (10 jaar) in het land dat je bezoekt willen wonen?
   Motiveer je antwoord.
5. Speelt in het gastland de integratie van minderheden een rol in de politieke en
   maatschappelijke debatten?
6. Voert het gastland een minderhedenbeleid ten aanzien van integratie?
7. Welke plaats nemen de immigranten in binnen de politiek, intellectuele wereld
   (kunst, universiteit, kranten etc), openbaar bestuur of de economie?
8. Wat is de rol van de constitutie binnen het gastland?
9. Hoe wordt in het gastland de sociale cohesie voorgesteld?
10.Probeer samen met een van je contactpersonen uit het buitenland waar je
   verblijft, een goede vertaling te vinden van het begrip „inburgeringscursus‟.
    De tragedie
            en
het tragische wereldbeeld
    Herkomst begrip „tragedie‟
• Letterlijke betekenis tragoi = bokkenvel.
• In de 5de eeuw v.C. gaat het begrip verwijzen naar
  de lithurgie aan die elk voorjaar in Athene werd
  gehouden ter ere van god Dionysos (half
  mens/half bok), waarbij offerdienaren als satyrs
  zijn verkleed.
• Koren bezongen grote daden van deze god en
  gebeurtenissen rondom zijn orakel in Delphi.
• Verteller maakte zich los van het koor, bij
  Aeschylus worden dat er twee, bij Sophocles en
  Euripides drie of meer, waarmee liturgie tot
  liturgisch drama werd.
• Thema steeds de in zijn grootheid falende mens.
          Wat is tragisch?
  Drie betekenissen:
• Meest brede betekenis: iets verschrikkelijks
• Ontwikkeling van negatieve gebeurtenissen
  die met onvermijdelijke noodlottigheid leidt
  tot door niemand gewilde slechte (tragische)
  afloop
• Nog meer toegespitst: spelers betrokken die
  worden vermalen door dubbele en
  contradictoire logica
         Tragiek en tragedie
• Tragiek slaat op gebeurtenissen in het leven
• Tragedie slaat op specifieke kunstvorm

(Volgens George Steiner komt deze alleen in
  Europa voor)
Aristoteles‟ definitie van de tragedie
                                               •   1) spoudaios = ernstig, haastig [bij Grieken in 1500
De tragedie is de nabootsing van                   regels, Shakespeare 3000, Sartre veelvoud], de kern
een 1) ernstige, 2) één-geheel-                    rakend). Treurspelen (bij Euripides, overgangsvorm
vormende handeling, die 3) een                     komedie; Shakespeare luchtige noot)
zekere grandeur heeft, in een        •             2) één-geheel-vormend: proloog brengt ons al in
                                                   media res, voorgeschiedenis en passant, afsluiting
aangenaam verzorgde taal, terwijl                  snijdt verder verloop af
elk der beeldende middelen in elk •                3) grootheid van handeling (geschiedenis ipv natuur;
der onderdelen kan voorkomen, een                  natuur ramp kan catestrofaal zijn, niet tragisch;
nabootsing door handelende                         bewust ipv obw; vrijheid ipv wetmatige of
                                                   instinctmatige. Gaat om ethiek. Tragische held roept
personen en niet via een vertelling;
                                                   zelf onheil over eigen leven op)
een uitbeelding die langs de weg
                                     •             4) medelijden: sympathie vanwege (partiële)
van 4) medelijden en 5) vrees juist                onschuld van mens die meer te lijden krijgt dan hij
6) de loutering van dergelijke                     door schuld verdient
aandoeningen teweeg brengt.          •             5) vrees: dat je hetzelfde kan overkomen.
                                                   Herkenning eigen schuld en onschuld, falen en
                                                   lijden.
(Bron: Aristoteles: Poëtica, 4de eeuw v. C.)   •   6) catharsis = loutering. Tragedie voert mens echter
                                                   via medelijden en vrees boven deze uit, tot waar
                                                   eerbied het wint van medelijden en standvastige
                                                   aanvaarding van vrees.
Aanvulling op Aristoteles‟definitie
Rol van noodlot, de moira, het Schicksal.
Wijst op grote, verborgen orde van het bestaan: geen toeval, maar
noodwendigheid.
“Het tragische wordt beheerst door de spanning tussen vrijheid en noodwendigheid
– een spanning die ondragelijk kan worden omdat beide, in hun volle
tegenstrijdigheid, wáár zijn!”(Heering)
 “Zo maken de omstandigheden alleen het mensenlot ook niet tragisch: de
vreemde levensloop van Oedipus, de watersnood van 1953, de ziekte, of voor
Chamberlain de wereldsituatie in 1938 – maar ‟s mensen aandeel erin. Zijn
„schuld‟ eraan, zijn onbedoelde, onvermijdelijke schuld” (Heering).
De term „onvermijdelijke schuld‟ heeft een innerlijke tegenstrijdigheid . Mens is
zowel wel als niet verantwoordelijk!
De Griekse treurspelen leren “dat de mens juist door zijn grootheid valt, in een
ondoorgrondelijke noodwendigheid, waarin hij met en ondanks zijn eigen
verantwoordelijkheid betrokken is” (18)

Heering, H.J. 1961. Tragiek. Van Aeschylus tot Sartre. Den Haag.
                        De drie grote tragici
•   Tragedieschrijvers staan in griekse godenschemering! Ionische wijsgeren:
    Zeus=Logos=noodlot (anankè).
•   Tragedieschrijvers: welke rol heeft mens hierin? Ethiek op de kaart!
•   Bij Aeschylus, Sophocles en Euripides grote verschillen!
•   Aeschylus nog het sterkst in religieuze traditie, maar Zeus hier al kosmisch albestuur
    (waaraan ook ander goden onderworpen). Gerechtigheidsgedachte (Dikè) die hele wereld
    (natuur+mens) beheerst. Mens ontketent het noodlot door schending goddelijke Dikè. Dit
    gebeurt door ata (verblinding) en hybris (overmoed, grensoverschrijding).
•   Sophocles: meer anthropocentrisch dan theocentrisch. Reeds Aias voltrekt zelf zijn noodlot.
    Goden staan erbij en kijken ernaar. Bij Oedipus thema van ata (verblinding). In Antigone
    staat hybris (grensoverschrijding) centraal. Is deze wel of niet in overeenstemming met Dikè?
    Het goede willend het kwade doen. Eenzamer rond de mens: godmacht ondoorzichtig,
    godspraak dubbelzinnig. Spanning tussen religieuze en humanistische dimensie.
•   Euripides: nog antropocentrischer. Waar Aeschylus de nadruk legt op de lotbesturende Dikè
    en Sophocles op de strijd tussen het persoonlijk geweten en de transcendente wereldorde,
    daar concentreert Euripides zich op het menselijk vcrweer tegenover een onkenbaar
    lotsbestel. Noodlot regeert niet over mens, maar in hem. Geen goden, maar vergoddelijkte
    hartstochten en toeval. Als er al goden bij Euripides voorkomen, dan niet als bestuurders,
    maar veeleer als degenen die het lot doorbreken (Deus ex machina)
•   Nota bene: Lang niet alle Griekse tragedies lopen slecht af!
       Noodwendigheid versus vrijheid
• Tragiek treedt op, waar in het leven van een verantwoordelijk mens noodwendigheid
  en vrijheid elkaar aanranden. Dit door verschillende factoren mogelijk:
•   1) Karakter van specifiek individu of van de mens als zodanig
•   2) Situatie: klassieke lot (moira of fortuna) of klassieke (tuchè) of moderne toeval
    (wonderlijke web omstandigheden, maatschappelijke structuur, publieke opinie, statistisch
    toeval)
•   3) Beginsel. Bij gewetenloosheid, geschipper of nihilisme geen tragiek. Er staan hoge dingen
    op het spel.
•   4) Combinaties van 1-3:
     – a. Karakter en situatie (de omstandigheden werken er aan mee dat de ata, de verblinding, over hen is
       gekomen)
     – b. Karakter en principe: lust versus ethisch beginsel
     – c. Beginsel en situatie: idealisme dat stuk loopt op realiteit
     – d. Strijd tussen beginselen (zeer klemmend): Antigone (familie vs staat), Hamlet (vergelding vs
       recht), doktor die – eindelijk avondje voor gezin – weer wordt opgepiept.
     – e. Goede roept kwade op, of kwade is onmisbaar voor het realiseren van het goede
•   Telkens wederzijdse aanranding van vrijheid en noodwendigheid. Mogelijke antwoorden:
    berusting, resignatie, gelatenheid, instemming met onmogelijkheid van de oplossing,
    affirmatie van strijdigheid
•   Tragiek is eenzaam avontuur
     TRAGISCHE GEBROKENHEID
• Tragische wereldbeeld voorondersteld de
  gebrokenheid van ons bestaan.
• De wereld is niet één, maar veelvoudig. Lijkt leuk, is
  het niet als de werkelijkheid zich niet naar ons
  harmonisch verlangen plooit.
• Tragische ervaring kan beter door literatuur dan door
  filosofie tot uitdrukking worden gebracht, aangezien
  laatstgenoemde naar eenheid (van begrip) en
  harmonie streeft.
• Tragische disharmonie niet te vangen in algemene
  begrippen: het doorbreekt harmonie en is daarom
  alleen te zien in afzonderlijke, singuliere, particuliere
  gebeurtenissen.
              TRAGISCHE SCHULD
• Zonder ethiek geen tragedie. Protest van de tragiek richt zich tegen
  onrecht van het lot. Tragische eironia: kleine dosis ata al voldoende.
  Is er sprake van schuld?
• Waar overmacht overheerst geen schuld (verstandsverbijstering).
  Tragedie berust op niet-volstrekte-noodwendigheid
• Als hele bestaan schuldig is (erfzonde, Heidegger) worden schuld en
  verantwoordelijkheid ijdele klank.
• Tragedie uitzonderlijk: is een kwestie van buigen of barsten. In het
  alledaagse leven schipperen we veelal
• Tragische schuld ook alleen bij absolute, onveranderlijke beginselen.
• Meestal is schuld gedeeltelijk (Oedipus deed ook veel goeds)
• Schuld vaak collectief. Voorbeeld Bijlmerramp
• Compromis kan ook tragisch zijn (Oreista loopt uit op compromis met
  moira!). Grens tussen compromis en geschipper is broos
    ZIENSWIJZE OF ZIJNSWIJZE?
• Dat zijn zelf tragisch is, is wijsheid van vele oude
  godsdiensten (lijdende en stervende god). Leven bestaat
  slechts bij gratie van de dood.
• Schone vorm in tragedie. Blijft spreken in schone vorm ook
  waar geloof in mythe en goden is verdwenen.
• Tragiek vooral op keerpunten in geschiedenis en leven .
  Hegel: tragische held loopt te pletter op oude structuren.,
  Vernunft kent wel plan.
• Is pantragisme houdbaar?
• Alternatieven? Compromis, Deus ex machina, humor?
                Antigone
• Om welk conflict draait Antigone?
• Waar ligt de schuld?
• Wat is de uitwerking van de tragedie op de
  lezer?
                          Antigone
• Deel van drieluik over Thebe (Koning Oedipus, Vader
  Oedipus, Antigone)
• Strijd tussen onverzoenbare wet van staat vs wet van
  familie?
• Ja, maar wel te simplistisch!
   – Kreoon is ook Antigone‟s oom! Haar familieliefde is erg selectief.
   – En Kreoon is wel erg regide in zijn plichtsbesef!
• Probleem zit niet in hun gelijk, maar in beperkte karakter
  ervan.
• Kernscene waarin Kreoon bijna wordt overtuigd: slaat om
  met tragische gevolg (n.b. gevoelige afhankelijkheid van
  begintoestand).
• Onbetekenende wordt eet betekenisvolle; miniemste meest
  dramatische, toevallige meest onherroepelijke.
      TRAGISCHE VERZOENING
   Ook tragedie uit op verzoening, niet volstrekte
   levensharminie (dat is de idylle), maar verzoening
   met inzicht in onontkoombaarheid.
   Dubbel leerstuk
1. metafysisch inzicht dat het leven gebroken,
   eindig, lijden is
2. peilt politiek-ethisch mogelijkheid van
   verstandige omgang met dit metafysische inzicht.
   Geen negatie van tragedie (politieke utopie) noch
   verzinking pessimisme.
   Tegen alles of niets denken: eindigheid staat
   centraal.
                            26 november
Opdrachten voor deze week
Lezen:
1. Grondwet voor het Koninkrijk der Nederlanden 2002 (vijfde gewijzigde druk)
2. Nota Grondrechten in een pluriforme samenleving (Ministerie van BZK, mei
   2004)
Doen:
1. Noteer de overeenkomsten en verschillen tussen de tragische en komische
   benadering van het noodlot.
2. Geef een korte analyse van de BZK-nota vanuit het perspectief van het tragische
3. Kies uit de bundel Het multiculturele debat. Integratie of assimilatie het artikel
   waarmee je het het meeste eens bent en het artikel waarmee je het het minste
   eens bent en bereid een kort betoog (5 minuten) voor waarin je die keuze
   motiveert
Programma
1. Leven met het noodlot (college)
2. Bespreking van I. Kant, Wat is Verlichting?
3. Lunch
4. Mini-symposium: Integratie of assimilatie?
5. Bespreking van F. Bolkestein, Niet marchanderen met de verlichting (NRC, 20
   mei 2000) en J. de Mul, Europa, het tragische continent (concept)
6. Josef Fares, Jalla! Jalla! (2000)
LEVEN MET HET
  NOODLOT
Het begrip „noodlot‟ volgens Van Dale
   nood·lot (het ~) 1 ongelukkig lot => fatum
   2 lot dat een mens noodzakelijk ten deel valt


   nood·lot·tig (bn.) 1 onontwijkbaar ongeluk
    aanbrengend => fataal, fnuikend, funest,
    heilloos
Wortels in Grieks-Romeinse literatuur
 Grieks
 • Bij Homeros: moira (toebedeelde lot, waaraan soms zelfs
     de goden onderworpen zijn)
 • Bij Hesiodes: moira (drie schikgodinnen – Klotho,
     Lachesis, Atropos, die menselijke en goddelijke
     levensdraad spinnen, uitrollen en afbreken)
 Latijn
 • vertaling van moira is fatum (letterlijk: het gesprokene;
     figuurlijk: godspraak, orakeltaal)
 • Ook hier vaak gepersonifieerd in de gestalte van
     schikgodinnen (Fata of Parcen)
 Bijkomende connotaties van het begrip noodlot
 • Ons lot is het resultaat van een macht die buiten ons ligt
 • Het toebedeelde lot is onvermijdelijk, onttrekt zich aan
     onze wil, keuze, en ingrijpen
Wortels in Grieks-Romeinse filosofie 1
  Noodlot als blinde causaliteit
  • In filosofische teksten wordt het noodlot vaak
    aangeduid als heimarmenè (heirmos aitioon =
    causale reeks) of anankè (blinde causaliteit of
    noodzakelijkheid)
  • Demokritos en de Stoa verbinden noodlot (daarom)
    causaal-deterministisch met de eeuwige wetten van
    de kosmos. (vgl. Modern natuurwetenschappelijk
    determinisme)
  • De blinde noodzakelijkheid waarmee alles in het
    heelal geschiedt ook wel aan met begrip pronoia
    (voorzienigheid).
           Het christelijke noodlot
• Voorzienigheid Gods (vgl. pronoia)
   – hetzij door gedurig onmiddellijk ingrijpen („God straft
     meteen!‟); hetzij door gebruik te maken van het bestuur van de
     mens en in een bepaalde richting werkende natuurkrachten
   – in deze visie is er geen plaats voor het toeval
   – zowel goede als kwade is opgenomen in plan Gods
• Voorbeschikking (predestinatieleer)
  - hetzij met inbegrip van menselijke vrijheid (Ockham:
    Gods voorbeschikking heeft ook betrekking op door
    menselijke wilsvrijheid tot stand gekomen
    contingentie); hetzij strikt
           Het moderne noodlot (1)
        wetenschappelijk determinisme
• Laplace, Essai philosophique sur les probabilités: "Een
  intelligentie, die op een bepaald ogenblik alle krachten, die
  in de natuur werkzaam zijn, kon overzien en bovendien de
  betrekkelijke positie van alle delen waaruit zij bestaat, en
  die ook omvattend genoeg was om deze data aan
  wiskundige analyse te onderwerpen, zou in dezelfde
  formule de bewegingen van het heelal en die van het lichtste
  atoom kunnen omvatten: niets zou voor haar onzeker zijn,
  en de toekomst zowel als het verleden zou voor haar open
  liggen"
• Economisch, technologisch, genetisch, sociaal (etc.)
  determinisme,
    Het moderne noodlot (2)
wetenschappelijke voorzienigheid
  • Adam Smith‟s invisible hand
  • G.W.F. Hegels list van de rede
  • Karl Marx‟s eschatologische
    verwachting van een klassenloze
    maatschappij
          Het einde van de tragedie ?
Wanneer ons leven volledig is voorbeschikt (door de Moira, God, de
natuurwetten, de Rede of welke andere instantie dan ook), dan kan
zo'n leven rampzalig zijn, maar niet tragisch.

"Waar het noodlot, de noodwendigheid, [...] volstrekt is, laat het aan
de tragiek geen ruimte meer. De zelfmoord van de zielszieke behoeft
niet meer tragisch te zijn: hij weet niet meer wat hij doet, hij is niet
meer vrij in zijn beslissing, zijn daad is niet meer gedragen door eigen
verantwoordelijkheid. Het tragische wordt beheerst door de spanning
die tussen vrijheid en noodwendigheid - een spanning die ondragelijk
kan worden omdat beide, in hun volle tegenstrijdigheid, wáár zijn ...
Zo maken de omstandigheden allen het mensenlot niet tragisch ...
maar 's mensen aandeel erin, zijn 'schuld' eraan, zijn onbedoelde,
onvermijdelijke schuld" (Heering 1961).
              Op weg naar het einde ?
STOÏCI
• Bij Seneca en andere stoïci verschuift de notie noodlot naar de
  achtergrond. Het gaat hen meer om de moraal dan om de metafysica.
• Omstandigheden zijn niet kwaad, maar de mening erover. Geen
  beklemming, maar vertrouwende vereenzelviging van God,
  wereldorde, noodwendigheid en voorzienigheid (sluit aan bij
  Christendom!).
JOODS-CHRISTELIJKE TRADITIE
• Het Oude Testament is vol tragische noties, maar verkondiging is één
  voortdurend gevecht met en overwinning op tragiek. I
• Het Nieuwe Testament wel tragiek van Jezus aan het kruis, maar deze
  toch uiteindelijk opgeheven is heil: geloof, hoop en liefde.
MODERNE TIJD
• Notie van maakbaarheid van het lot doet zijn intrede
• Moderne natuurwetenschap, technologie
Het noodlot als toeval
Wortels in Grieks-Romeinse filosofie 2
Noodlot als toeval
• Deels tegengestelde connotaties komen tot uitdrukking in het
  aanvankelijk nauw met het begrip moira verbonden begrip tuchè
  (van tychanein=treffen): het ingrijpen van een godheid in een
  mensenleven
• Sluit menselijke verantwoordelijkheid niet uit (Pindaros: om te
  overwinnen moeten Sokleidas‟ zoons dapper strijden, maar het lukt
  niet zonder goddelijk ingrijpen („extra zetje‟)
• Vanaf vierde eeuw voor Christus bijkomende connotatie van
  onzekerheid, onberekenbaarheid en onvoorspelbaarheid
• Bij Socrates daimones (wispelturige persoonlijke geleide-geesten)
• Demetrius van Phalerum, Peri Tychès: geschiedenis geheel
  afhankelijk van onvoorspelbare toeval
• Deze betekenis houdt het begrip in de Latijnse vertaling fortuna,
  gepersonifieerd in de godin Fortuna
Drie grondbetekenissen het begrip
             „toeval‟


 • Het accidentele toeval
 • Het contingente toeval
 • Het stochastische toeval
   1 Het accidentele toeval
• Betekenis: het bijkomstige (de niet-wezenlijke
  eigenschapen van iets)
• Voorbeeld: sterfelijkheid is wezenlijk voor het
  menselijk leven; kleur haar of geslacht is
  bijkomstig kenmerk
• N.b.: wat wezenlijk is, is afhankelijk van:
 Perspectief (skelet is bijkomstig voor een
  organisme, maar wezenlijk voor een gewerveld
  dier)
 Tijdstip (de sterfelijkheid van de mens zou door
  kloneren van een wezenlijk tot een bijkomstig
  kenmerk kunnen worden)
  2 Het contingente toeval
• Betekenis: dat wat mogelijk, maar niet
  noodzakelijk is (dat wat ook anders had
  kunnen zijn)
• Voorbeeld: menselijk leven is zowel op het
  niveau van het individu als van de soort
  contingent
• Eenmaal gerealiseerd, bezit de mogelijkheid
  een onverbiddelijke facticiteit
   Contingentie en vrijheid
• Menselijke vrijheid en verantwoordelijkheid
  vooronderstelt een zekere mate van
  contingentie
• Vrijheid betekent: je had anders kunnen
  handelen dan je feitelijk hebt gedaan
• Menselijke vrijheid van handelen is aan
  strikte grenzen gebonden, onder andere
  vanwege …
   3 Het stochastische toeval
• Betekenis: door het lot bepaalde, dat als
  zodanig ons doelgerichte handelen -
  fortuinlijk of noodlottig - doorkruist
• Voorbeelden: lot uit loterij; tegenligger op
  de verkeerde weghelft
• Van schikgodinnen en voorzienige god tot
  blind, onverschillig toeval van de natuur
   Met stochastische toeval
   verbonden betekenissen
• Het niet-voorziene of niet-te-voorziene (zelfs
  in volkomen gedetermineerde systemen)
• Het onbedoelde of ongerichte (dat wat
  zonder een bepaald handelen of proces niet
  had kunnen plaatsvinden, maar waarvan het
  niet de eigenlijke grond is)
Voorbeeld 1: op de markt toevallig een
  vriend(in) tegenkomen
     Drie voorlopige conclusies
• Toeval is complex verschijnsel; discussies
  daarover ontaarden al snel in heilloze
  begripsverwarring
• Toeval is geen „toevallig‟ (bijkomstig of
  zeldzaam) verschijnsel, maar wezenlijk voor het
  (menselijk) leven
• M.b.t. vrijwel alle aspecten van ons leven
  (geboorte, levensgeschiedenis, lot) spelen het
  accidentele, contingente en stochastische toeval
  een cruciale rol
             Het toevallige leven
"Nooit komen we klaar met wat we toeval noemen, dat wat
heerlijk of verschrikkelijk is voor ons leven, lijkt altijd door de
deur van het toeval binnen te treden"
                                     Wilhelm Dilthey

"O, hemel boven mij, o Zuivere! Hoge! Dit is nu uw zuiverheid,
dat er geen eeuwige verstandsspinnen en spinnenwebben bestaan:
dat gij zijt een dansvloer voor goddelijke toevalligheden, dat gij
zijt een godentafel voor goddelijke dobbelstenen en dobbelaars"
                                   Friedrich Nietzsche

Dasein is in de grond genomen Schicksal
                                Martin Heidegger
LEVEN MET HET NOODLOT
    De mens lijdt door zijn lot
• Het menselijk leven en menselijk geluk zijn
  uiterst kwetsbaar (ziekte, honger,
  ongevallen, geweld etc.)
• Meer nog dan aan het leed zelf lijden wij
  aan de zinloosheid ervan
• De onverschilligheid van het lot krenkt het
  narcisme van het individu en van de
  menselijke soort (antropocentrisme)
           Sigmund Freud

“Wij verliezen graag uit het oog dat feitelijk
 alles aan ons leven toeval is; toeval dat wel
 deelt in de wetmatigheid van de natuur,
 maar alleen geen enkele relatie heeft met
 onze eigen wensen en illusies.”
    Domesticatie van het noodlot
    „Cultuur‟ kan worden gedefinieerd als een
     niet aflatende strijd tegen het toeval.
    Magie
    Religie
    Wetenschap
    Techniek
     Historische houdingen ten
      aanzien van het toeval
• Tragische houding: heroïsche acceptatie van
  het noodlot
• Christelijke houding: deemoedige acceptatie
  van het lot (= Gods voorzienigheid)
• Moderne houding: het lot in eigen hand
  nemen (planning, maakbaarheid)
• Postmoderne houding: ?
      Eliminatie van toeval in moderne
          wetenschap en techniek
• Systematische observatie
• Ontdekken van wetmatigheden
• Op basis daarvan verklaren, voorspellen en
  beheersen

De gehele natuur, de mens incluis, wordt
 object van technologische manipulatie
  Geseculariseerde eschatologie
• In christelijke religie is er een door God
  bestierd heilsplan in de geschiedenis
• In de moderne cultuur wordt God
  doodverklaard
• Het heilsplan blijft, maar nu met de mens in
  de rol van planner
• Verschillende varianten: sciëntisme,
  marxisme, neoliberalisme
  („marktfundamentalisme‟)
  Postmoderne twijfels m.b.t. de
    eliminatie van het toeval
 Onvoorziene en onbedoelde neveneffecten
  (voorbeeld: malaria-bestrijding)
 Complexe systemen zijn niet- of nauwelijks
  voorspelbaar (voorbeeld: weersvoorspelling,
  politieke voorspellingen: New Order / 9/11)
 Hoe dieper we ingrijpen in complexe systemen,
  hoe groter het aandeel van accidenteel, contingent
  en stochastisch toeval wordt (voorbeeld: effecten
  genetische manipulatie op ecosysteem)
  Eliminatie van toeval berooft ons
     ook van een bron van geluk
• Het accidentele, contingente en
  stochastische toeval vormt niet alleen een
  bedreiging, maar ook is ook een van de
  voornaamste bronnen van menselijk geluk
• Voor zoverre we als mens toeval zijn,
  betekent de eliminatie van het toeval ook de
  eliminatie van de mens
     Kant, Wat is Verlichting?

Vertaling van:

  „Beantwortung der Frage: Was ist
  Aufklärung?‟In: Berlinische Monatschrift,
  december 1784
              Het artikel in zijn tijd
• Kants artikel uit 1784 dient te worden gezien in de context
  van het geestelijk klimaat dat had geleid tot de
  Amerikaanse Revolutie (1775–1783) en nog zou leiden tot
  de Franse Revolutie (1789)
• De Berliner Monatschrift (opgericht in 1783) door Johann
  Erich Biester was een typisch verlichtingstijdschrift,
  gericht op openbare maatschappelijke debatten
• Kant reageert op een jaar eerder verschenen artikel over de
  gewenstheid van het kerkelijk huwelijk van de theoloog
  Johan Friedrich Zöllner, waarin deze de vraag stelt wat
  Verlichting eigenlijk is
• Ook een aantal anderen erop in, waaronder Kants (vijf jaar
  jongere vriend Moses Mendelsohn) gaat op de vraag in een
  eerder nummer van het tijdschrift (dat Kant echter pas na
  inlevering van zijn eigen bijdrage te lezen kreeg).
 Frederik de Grote (Friedrich II)
• Koning van Pruisen 1742-1786
  – Krachtig doch verlicht vorst („Redeneert, zoveel
    ge wilt, maar gehoorzaamt!”)
  – Steunde Verlichting tegen kritiek, voornamelijk
    van religieuze zijde
• Zijn opvolger Friedrich Wilhelm II (1787-
  1797) hervatte een stevige staatscensuur
     Religieuze Verlichting
Volgens Kant is deze het belangrijkste,
aangezien de staatscensuur weliswaar
publicaties kan verbieden, maar de Kerk
verder gaat door haar poging de inhoud van
het denken te beïnvloeden.
In Kants tijd gaat men voor het eerste het
probleem van het fundamentalisme zien.
           Publiek en privaat
          gebruik van de rede
• Publiek gebruik van de rede: burger
  – Volledige vrijheid van meningsuiting
• Privaat gebruik van de rede: beroepshalve
  – Vrijheid bepaald door het ambt


  Eigenzinnig gebruik van de termen publiek
  en privaat.
          Mendelsohns opvatting
1. De mensen zijn onherroepelijk verschillend.
2. Toch tekent zich tegenover al dergelijke verschillen
   zoiets als een algemene grondtrek van de menselijke
   existentie af: de mens is een wezen dat weerstand
   nodig heeft.
3. Iedere ontwikkeling van mensleijke bekwaamheid …
   streeft volgens haar oorspronkelijke gerichtheid naar
   een meer aan volkomenheid.
4. De bestemming van de mens wijst boven al zijn
   binnenwereldse mogelijkheden uit.
Kants definitie van Verlichting
“Verlichting is het uittreden van de mens uit de
onmondigheid die hij aan zichzelf te wijten heeft.
Onmondigheid is het onvermogen zich van zijn
verstand te bedienen zonder de leiding van een
ander. Men heeft deze onmondigheid aan zichzelf
te wijten, wanneer de oorzaak ervan niet in een
gebrek aan verstand, maar in een gebrek aan
vastberadenheid en aan moed ligt, zich van zijn
verstand zonder leiding door een ander te
bedienen. Durf na te denken. Heb de moed, je
van je eigen verstand te bedienen! is derhalve de
zinspreuk van de Verlichting”
            Verlichting en zelfkritiek
• “Men moet hier niet op de eerste plaats denken aan de moed van
  de staatsburger, die kan vrezen met zijn uitspraken in conflict te
  komen met het burgerlijk of kerkelijk gezag. Deze vrees heeft
  reële gronden maar het gaat nu echter om een ander vraagstuk:
  om te denken is er moed nodig tegenover zichzelf. Men moet ten
  aanzien van het eigen denken zowel kritiek hebben als
  vertrouwen., Ontbreekt dit vertrouwen, dan ontbreekt de moed
  om het eigen denken en gesprekken en a fortiori in geschriften te
  uiten. Ontbreekt de kritiek, dan ontbreekt de moed om zich met
  zijn eigen vooroordelen te confronteren”
                              Commentaal van Delfgaauw, 1988
• N.b. Verlichting is bij Kant een kritiek van de rede door de rede.
  Mini-symposium:
Integratie of assimilatie?
        Bespreking van
F. Bolkestein, Niet marchanderen
met de verlichting (NRC, 20 mei
 2000) en J. de Mul, Europa, het
   tragische continent (concept)
Josef Fares, Jalla! Jalla! (2000)
              3 december 2004
Programma
1. Multiculturaliteit en informatietechnologie
   (college)
2. Mini-symposium: Integratie of assimilatie?
3. Lunch
4. Mini-symposium: Integratie of assimilatie?
   (vervolg)
5. Tragisch bestuur en romantisch besturen
6. Korte evaluatie
 Multiculturaliteit en
informatietechnologie

     een intiem duo
          GLOBALISERING
• Globalisering: het oplossen van plaatselijke contexten in
  de wereld steeds meer oplossen in een wereldwijd netwerk
  van interactie, onder invloed van technologische
  vernieuwingen die in processen van communicatie en
  informatie de kosten (in tijdsbeslag en geld) van
  ruimtelijke afstand sterk hebben gereduceerd. („Time and
  space condensation‟ – Anthony Giddens)
• Globalisering is in eerste instantie geconstateerd ten
  aanzien van transnationale kapitaalsbewegingen langs
  elektronische media, maar blijkt inmiddels belangrijke
  culturele dimensies te hebben.
    Crisis van het historisch besef?

• Discussie over het historisch besef?
  – Is de parate kennis van verleden werkelijk zo
    bedroevend? (Fortuyn grootste Nederlander?!)
  – Of is er veeleer sprake van een transformatie van een
    modern, narratief en nationalistisch naar een
    postmodern, multimediaal en globaal geschiedsbeeld?
  – Of hebben we daadwerkelijk te maken met een radicale
    transformatie van het historisch besef?
               Historisch bewustzijn
• Ontstaat pas in negentiende eeuw
   – eerder wel besef van verleden
   – eerder wel al lineair geschiedsbeeld (christelijke eschatologie)
• Maar in negentiende eeuw wordt fundamentele historische
  categorie
   – Reminder: Historisering wereldbeeld na Kant
   – In geesteswetenschappen: geschiedswetenschap, taalwetenschap,
     archeologie etc.
   – In natuurwetenschappen: evolutietheorie, astronomische theorieën
     (“Big Bang theorie‟)
   – Materie, leven, bewustzijn slechts te begrijpen vanuit hun
     ontwikkeling
• Betrekkelijk jong verschijnsel; het is de vraag of het de
  eenentwintigste eeuw zal overleven
      De computer als tijdsmachine 1
•  Drie voorbeelden uit het leven van een modale
   computergebruiker
1. Flexibele data
2. Forrest Gumb
3. „No more trouble‟ (Marley & Badu)
• Digitaal knip&plakcultuur (Richard Dawkins: memes of
   memen – afgeleid van genen en mimesis)
• Steeds lastiger vast te stellen of het realiteit of fictie is
   (vgl. fictieve documentaires als Ford Transit van Hany
   Abu Assad, twijfel aan echtheid beelden Golfoorlog,
   maanlanding).
• Hoe zal historicus van de toekomst verschil nog kunnen
   vaststellen?
• Onderscheid origineel vs kopie, vroeger vs later wordt
   steeds problematischer (even oud en kwalitatief
   gelijkwaardig)
      De computer als tijdsmachine 2
•   Verwarring wordt nog groter wanneer we „digitaal‟ knip-en plak
    gaan toepassen op realiteit
•   Abraham Maslov: “Voor wie alleen een hamer heeft, is alles een
    spijker”.
•   Voor wie de computer het belangrijkste instrument is, wordt de
    gehele wereld een database (databank-ontologie)
•   Voorbeeld 1: een bedrijf of organisatie is geen stabiele identiteit,
    maar een flexibel conglomeraat van bedrijfsonderdelen die op
    mondiaal niveau steeds opnieuw kunnen worden uitgewisseld en
    gerecombineerd
•   Voorbeeld 2: in de moleculaire genetica is genenpool een
    posthistorische database, waaruit m.b.v. genetische manipulatie
    ontelbare configuraties zijn te vormen (Jurrasic Park is gebaseerd op
    feitelijk onderzoek!)
•   Voorbeeld 3: Make me beautiful / Extreme Makeover. (Ontologisch
    ongemak: de omgebouwde personen zijn niet (noodzakelijk) lelijk;
    noch zijn er morle bezwaren, maar ze doen pijn aan ons historisch
    besef.
     Voorlopers van de databank-
             ontologie
• Futurisme begin 20ste eeuw: Marinetti in
  1913: de toekomst is aan de mens met de
  verwisselbare onderdelen en een parallel
  bewustzijn.
• Kubistische collages
• Het principe van de filmische montage
  (flash back and forward)
                Interculturaliteit
• Ook de postmoderne cultuur wordt in toenemende
  mate een interculturele databank, die een oneindige
  reeks van culturele combinaties mogelijk maakt
  Mini-symposium:
Integratie of assimilatie?
 Tragisch bestuur
        en
romantisch besturen

								
To top