291981_Brochure Memorandum.indd
Document Sample


Memorandum
van Solidariteit
voor het Gezin
Verkiezingen 2009
Een handvol
maatregelen
EINDREDACTIE
Erwin Devriendt
Pol Debrock
TEKENINGEN
Zaza & Erdev
VERANTWOORDELIJKE UITGEVER
Erwin Devriendt
Tentoonstellingslaan 76 · 9000 Gent
Welzijn en gezondheid
moeten voor iedere burger
toegankelijk, betaalbaar
en kwaliteitsvol zijn.
Ook keuzevrijheid moet
gegarandeerd worden.
De mantra van de alsmaar
toenemende vergrijzing.
Het strijkt wellicht wat tegen de haren in als we poneren dat het
antwoord op de vergrijzing in de toekomst er nu misschien eens niet
zou in bestaan om de sector meer middelen te verschaffen.
Dit is nochtans het antwoord dat tot nu toe en sinds mensenheugenis
van overheidswege werd gegeven.
Het beleid liet zich daarbij inspireren door een alsmaar luider
klinkende roep van de aanbieders van zorg, daarin ondersteund door
lijvige studies van universiteiten als KUL, UFSIA en HIVA.
De roep om alsmaar meer heeft er toe geleid dat er meer voorzieningen
kwamen, waar effectief ook meer zorgbehoevenden konden van
genieten, maar dit gebeurde steeds vanuit eenzelfde aanbodgestuurde
visie.
Waar zal dit exponentieel groeiend verhaal ooit stoppen?
Is het altijd juist om aan de aanbodzijde steeds meer middelen te
verschaffen, het aantal opvangplaatsen op te drijven, enz…? Kan de
steeds maar toenemende technologische en medische vooruitgang
soms ook eens een oplossing bieden die niet altijd in mankracht
vertaald wordt? Kan het bestaande potentieel aan mankracht soms ook
niet anders (soepeler) ingezet worden, waardoor de beschikbaarheid
vergroot?
We kunnen natuurlijk de demografische cijfers en voorspellingen
niet ontkennen: de mensen leven alsmaar langer en aandoeningen
die vroeger faliekant afliepen, zijn nu veel meer overleefbaar. Het
resultaat is een ouder wordende bevolking die in aantal de jongere
bevolking begint te overstijgen.
Betekent dit echter automatisch dat er ook meer zorg nodig is dan
vroeger?
Zien we niet eerder een verschuiving van de leeftijd waarop mensen
afhankelijk worden van zorg? Mag met andere woorden het eigenlijke
dienstenpakket kwantitatief niet even groot blijven?
Ook al worden mensen ouder, betekent dit dan ook automatisch dat
het pakket aan zorgen mathematisch even sterk moet toenemen?
Moeten we niet vooral onthouden dat de evolutie van allerhande
wetenschappen ervoor gezorgd heeft dat de kwaliteit van het leven
zich nu ook doorzet op oudere leeftijd? Wie vroeger 70 jaar oud was,
was op zeer veel terreinen te beschouwen als hulpbehoevend. Wie
vandaag 70 is, is gemiddeld gesproken iemand die nog erg zelfstandig
kan functioneren.
3 MEMORANDUM VAN SOLIDARITEIT VOOR HET GEZIN
Laten we eerlijk zijn: vergrijzing biedt ook rijkdom. Onze samenleving
is er niet slechter aan toe omdat mensen langer zijn gaan leven, wel
integendeel.
Wat wél het geval is, is dat de moderne mens hogere eisen is
gaan stellen aan de kwaliteit van het leven. Waar vroeger vier- en
meerpersoonskamers nog voor velen aanvaardbaar waren, is dit
vandaag niet meer het geval. Het is niet omdat er hulp van buitenaf
nodig is, dat mensen daarom bereid zijn om veel toe te geven op
kwaliteit.
Zorgbehoevenden passen zich aan.
Ook op andere terreinen is er sprake van een evolutie.
Neem nu het marktfenomeen waarbij zorgbehoevenden zich aanpassen
aan de markt:
De komst van de dienstencheques heeft er bijvoorbeeld voor gezorgd
dat heel wat cliënten die voorheen geholpen werden binnen de
(inkomensgerelateerde) reguliere poetsdiensten, nu goedkoper
terecht kunnen. Ook binnen de gezinszorg doet dit fenomeen
zich voor: mensen gaan hulp van de (duurdere) verzorgende gaan
afbouwen en schakelen over op dienstencheques…
Zo bijvoorbeeld ook in streken waar nog vlot aan vrijwilligers kan
geraakt worden, gaan hulpbehoevenden daar ook meer beroep op
doen, al was het maar omdat dit voor hen goedkoper is.
Horen wij hier de cliënt zijn beklag doen? Neen, hij gaat zelf op
zoek naar een alternatief en hanteert daarbij niet altijd dezelfde
kwaliteitsnormen als deze die de (aanbodgestuurde) overheid
zo graag hanteert. Blijkbaar vinden de gebruikers het niveau (en
vooral de prijs) aanvaardbaar en dus zijn ze blij met het gevonden
alternatief.
Moeten we dan als overheid ontgoocheld zijn? We kunnen dan wel
staan roepen dat de kwaliteit erop achteruit gaat, dat niet meer
voldaan wordt aan de diplomavereisten, dat de normen vervagen, dat
programmatiecijfers niet meer gehaald worden, enz… Maar luisteren
we dan nog naar de zorgvrager of zijn we eerder aan het lobbyen voor
de aanbieders die nog enkel uit behoudsgezindheid reageren?
Regulerende rol van de overheid.
Iets anders is het wanneer er ‘marktverstoringen’ optreden die ook de
kwaliteit op objectieve gronden verstoort.
Zo bijvoorbeeld de situatie in Brussel en andere grootsteden waar
de thuiszorgsector het moeilijk heeft om zich doorheen het drukke
verkeer een weg te banen tot bij de zorgbehoevende thuis. Resultaat:
de vraag naar thuiszorg is er groter dan het aanbod en dus gaan
mensen op zoek naar alternatieven, zoals een frequenter bezoek
aan het ziekenhuis, kortopvang, dienstencentrum, gezondheidshuis,
enz… We kunnen in deze niet stellen dat er geen probleem is of
dat de mensen een kwaliteitsvolle keuze kunnen maken. Het is dan
ook aan de overheid om hier voor initiatiefnemers van thuiszorg een
aantal zaken te faciliteren. Bijvoorbeeld door de tijd te vergoeden die
verloren gaat in het fileleed, door parkeerfaciliteiten te geven, door
hulpverleners in voorbehouden beddingen te laten rijden, enz…
Programmatiecijfers zijn een typisch voorbeeld van aanbodgestuurde
politiek. Ze zijn uitgegroeid tot een fetisj en als summum van ‘goed
bestuur’.
4 MEMORANDUM VAN SOLIDARITEIT VOOR HET GEZIN
Ze zijn dan misschien goed om een overheid te herinneren aan
haar engagementen, maar ze kunnen ook verstarrend werken en de
creativiteit teniet doen. Programmaties mogen met andere woorden
niet betekenen dat er niet meer beroepsoverschrijdend gedacht wordt
of dat niet meer gedacht wordt in termen van competenties.
Het is al helemaal verwerpelijk als potentiële initiatiefnemers
(vrijblijvend) grote delen van de programmatie in portefeuille kunnen
nemen, zonder daar gedurende enkele jaren iets zichtbaar mee aan te
vangen. Het ontneemt immers kansen aan andere initiatiefnemers die
wel onmiddellijk iets concreets willen realiseren.
Overheid en private initiatiefnemers
kunnen wel degelijk complementair zijn.
Uiteraard moet een overheid waken over een minimum aantal regels
en normen die beletten dat zorgvragers zouden overgeleverd worden
aan malafide figuren. In regio’s waar het private initiatief een tekort
aan aanbod heeft (en men dus dreigt in handen te komen van
gehaaide profijtjagers), moet de overheid zelfs zover gaan om zelf
diensten op te richten (na op een objectieve wijze gepolst te hebben
of de private sector toch geen initiatief wenst te nemen – eventueel
door het aanbieden van faciliteiten of door het opzetten van publiek-
private samenwerking). Maar verder hoeft ze niet te gaan.
Van de overheid wordt met andere woorden enkel verwacht dat ze de
kwaliteit van de aanbieders bewaakt, alsook de gelijke toegang voor
iedereen. Bovendien moet ze erop toezien dat er geen discriminatie
gebeurt op grond van sociale achtergrond, rang, stand, overtuiging,
geslacht, enz…
We vinden dat de overheid zoveel mogelijk partnerships moet aangaan
met private sociale ondernemers. Aldus wordt zorg een gecontroleerd
marktgegeven.
Wanneer de overheid dan bovendien nog zorgt voor een eenduidige,
eenvoudige financieringsmethode, dan zal zij daarmee de creativiteit
van de ondernemers aanwakkeren.
We zijn van oordeel dat we met onze klassieke reflexen geen antwoord
kunnen blijven bieden, want dit leidde tot nu toe enkel tot een niet
aflatend opbod.
Waarom de overheid niet opnieuw herleiden tot haar essentie:
subsidiëren, erkennen en kwaliteitscontrole uitoefenen?
De sociale sector binnenkort
grootste tewerksteller van het land.
Waar zullen we in de toekomst onze medewerkers blijven halen? En in
bijkomende orde: willen de medewerkers nog meegaan in dit aanbod?
Flexibiliteit is dan wel een nobel na te streven doel, maar wat heb
je eraan als medewerkers tegen de voorwaarden van vandaag niet
meer willen volgen? Wordt het dan geen tijd om het beroep weer
aantrekkelijk te maken?
Een voorbeeld:
Volgens Eurostat zullen we in 2011 geconfronteerd worden met
10% minder verpleegkundigen en verzorgenden dan vandaag.
In 2021 zullen er zelfs 30% minder verpleegkundigen en
verzorgenden zijn.
5 MEMORANDUM VAN SOLIDARITEIT VOOR HET GEZIN
En toch gaat de aandacht niet
naar de ‘veldwerkers’ op het terrein.
In schril contrast met de schrijnende vaststelling dat er altijd maar
minder werkkrachten gevonden worden, werden de laatste tijd zeer
veel initiatieven genomen rond overleg, coördinatie, samenwerking,
enz… Er werden heel wat structuren voor opgezet en een leger
van medewerkers voor aangeworven. Toch kunnen we niet om de
vaststelling heen dat de samenwerking niet beter (maar nu ook weer
niet slechter) is dan vroeger.
De vraag stelt zich of het beleid hier niet vooral aan zuilversterking
gedaan heeft? Mutualiteiten, regionale en lokale dienstencentra,
woonzorgnetwerken, grote hersteloorden (+60 bedden), enz…
(allemaal zuilgebonden initiatieven) krijgen elk jaar een pak meer
middelen toegeschoven om deze schijnbare nood in te vullen. Durft
men echt (aantoonbaar) te beweren dat de gebruiker hier beter van
geworden is?
Wat te denken van de miljoenen overheidsmiddelen die gaan
naar initiatieven die enkel (letterlijk) tot doel hebben de
zelfredzaamheid, de maatschappelijke integratie en de toegang
tot de voorzieningen te realiseren via een integrale benadering
van de hulpvraag van de gebruiker? (Maatschappelijk Werk van
het ziekenfonds)
Terwijl een ander initiatief met nog veel meer miljoenen Euro’s
gaat lopen om (weerom letterlijk) de thuiszorg te stimuleren
en te ondersteunen, onder meer door middel van samenwerking,
doorverwijzing, voortgangscontrole en bijsturing? (regionaal
dienstencentrum)
Terwijl nog een ander initiatief (eveneens zwaar gesubsidieerd)
zorgt voor een geïntegreerd aanbod van zowel dienstverlening, als
activiteiten en er voor zorgt dat dat de gebruiker terecht kan met
al zijn vragen, zorgen, talenten, interesses, behoeften en inzet?
(lokaal dienstencentrum).
Terwijl nog een andere instantie, zo mogelijk nog meer
gesubsidieerd dan al de vorige samen, in het leven geroepen
wordt om samenwerkingsovereenkomsten te sluiten met als
doel een vlotte overgang te realiseren van de thuissituatie naar
de residentiële of semiresidentiële voorziening of ziekenhuis en
omgekeerd. (SEL)
We proberen om niet cynisch te zijn, maar daarnaast zijn er nog
gesubsidieerde initiatieven die in het leven geroepen werden
voor locoregionaal gezondheidsoverleg en -organisatie binnen een
geografisch aaneengesloten gebied. (LOGO)
Dit kan dan weer niet zonder de voorzieningen die ervoor zorgen dat
een voor zorgverleners toegankelijk zorg- en begeleidingsplan wordt
opgemaakt en bijgewerkt. Dit plan heeft tot doel de zorgverlening
aan de gebruiker continu en op maat te laten verlopen in functie
van diens evoluerende zorgbehoeften (woonzorgcentrum).
Zijn we echt van slechte wil als we ons hierbij twee dingen afvragen:
Ten eerste: hoeveel instanties (en dus medewerkers) zijn er de laatste
6 MEMORANDUM VAN SOLIDARITEIT VOOR HET GEZIN
jaren in het leven geroepen om aan de (onderbemande?) sector de
nodige richtlijnen te geven over hoe het zou moeten?
Ten tweede: is de tijd die de (onderbemande?) sector moet spenderen
aan het beluisteren van al deze goedbedoelde raadgevingen wel te
verantwoorden? En hield hen dat niet te veel af van hun eigenlijke
opdracht?
En dan misschien nog de belangrijkste vraag van al: voelt de gebruiker
hier enige verbetering door?
Het bestaande aanbod efficiënter inzetten.
Moeten we onze retoriek niet anders gaan voeren?
Moeten we onze beschikbare middelen niet dringend optimaal gaan
inzetten in plaats van ons (tegen beter weten in) vast te klampen
aan regeltjes en normen uit het verleden?
Moeten we steeds met diplomavereisten uitpakken en wordt het geen
tijd om competentiemanagement in te voeren?
Moeten er niet dringend afspraken gemaakt worden met sectoren
(op het federale en het regionale niveau) als gezondheidszorg –
welzijnszorg – tewerkstelling - en (vooral): onderwijs?
Echter zal dit megaoverleg niet zomaar vanzelf kunnen verlopen en
zal wellicht een speciale ‘structuur’ moeten opgezet worden om deze
sectoren structureel aan kruisbestuiving te laten doen.
Is het niet noodzakelijk en dringend om de sector onderwijs een
duidelijke oriëntatie te verschaffen, niet alleen op de korte termijn
(onmiddellijk de leemten op de arbeidsmarkt trachten op te vullen),
maar ook op de langere termijn (zorgdifferentiatie, verhogen van
de aantrekkelijkheid van het beroep, volgen van maatschappelijke
tendensen, …).
De sector onderwijs zou bij het uitschrijven van haar programma’s
moeten beseffen wie en wat ze moet opleiden. Daardoor komt het dat
trends veel te weinig gevolgd worden.
Is een effectenrapport (op diverse niveaus) hier niet op zijn plaats?
7 MEMORANDUM VAN SOLIDARITEIT VOOR HET GEZIN
‘Een handvol maatregelen’
Op 7 juni 2009 worden weer belangrijke politieke verkiezingen
gehouden.
Solidariteit voor het Gezin wil de politici die mee aan de
onderhandelingstafel zullen zitten om vorm te geven aan het
regeerakkoord, enkele suggesties meegeven die volgens haar
de Vlaamse samenleving in het algemeen en het welzijns- en
gezondheidsbeleid in het bijzonder, ten goede zullen komen.
Wij hebben onze suggesties gebundeld in 5 rubrieken die we kunnen
samenvatten met 5 statements:
1. Geef sociale ondernemers opnieuw goesting om te ondernemen
2. Roep de verzuiling van weleer opnieuw een halt toe
3. Vertrouw sociale ondernemers die maatschappelijke
verantwoordelijkheid willen nemen
4. Maak de reglementering overzichtelijk en eenduidig
5. De overheid als zorgorganisator kan niet de eerste keuze zijn
8 MEMORANDUM VAN SOLIDARITEIT VOOR HET GEZIN
1
‘Geef weer ‘goesting’
om te ondernemen’.
Stimuleer het sociaal ondernemerschap
in de vrij traditionele sociale sector en
stop met haar te penaliseren.
- Laat het sociaal ondernemerschap ingang vinden in het
vrij traditionele welzijnslandschap. Responsabiliseer de
initiatiefnemers. Stimuleer hen in plaats van ze te ontmoedigen.
Werk zoveel mogelijk met enveloppefinanciering.
Geef bij dit alles niets toe op het vlak van kwaliteitsgarantie, laat
minimale personeelsnormen gelden, maar laat aan initiatiefnemers
enige vrijheid (als ze dit goed kunnen motiveren) om daar van
af te wijken. Geef ook niet toe op de klantvriendelijkheid, lage
instapdrempel, enz…
Laat de markt vrij en beloon creatieve sociale ondernemers die
met het geluk van mensen bezig zijn en sanctioneer diegenen die
mensen als een louter object gebruiken.
- Introduceer opvangcheques in de kinderopvang, waardoor er
enerzijds een impuls zal gegeven worden aan het tekort aan
opvangplaatsen en anderzijds de discrepantie wordt weggewerkt
tussen (financieel moeilijk runbare) zelfstandige kinderopvang en
gesubsidieerde kinderopvang. Hou dit systeem eenvoudig.
- Laat, zeker voor beroepen die geen grote technische vaardigheid
vergen, tot op zekere hoogte de diplomavereisten varen en voer
het competentiemanagement in.
- De welzijnssector kan technologische innovatie best gebruiken en
kan in deze zeker niet achterblijven. Bied daarom projectmatige
maar resultaatgerichte ondersteuning aan initiatieven die via
technologisch innovatie hun kernprocessen trachten te verbeteren.
Van de overheid wordt een meer systematische aanpak verwacht.
- Moderniseer de geestelijke gezondheidszorg. Laat enerzijds het
huidige aanbod flexibel inspelen op de vraag en vergroot anderzijds
het (ambulante) aanbod. Maak psychologische bijstand betaalbaar
(terugbetaling van een deel van de kosten).
We moeten vermijden dat kwetsbare mensen door gebrek aan de
juiste hulp gemarginaliseerd geraken.
Zorg er bovendien voor dat de sector van de thuiszorg een
volwaardige rol kan spelen in de psychiatrische zorg in het
algemeen en maak dat de intramurale psychiatrische voorzieningen
in staat worden gesteld om hun verantwoordelijkheid te dragen
(permanente ondersteuning, veiligheidsgaranties, enz…).
Volwaardige alternatieven voor (dure en vaak langdurige)
psychiatrische opnames moeten verder onderzocht worden.
- Demedicalisering: laat ‘welzijn en geluk’ samen gaan met
‘gezondheid’. Laat initiatiefnemers met verantwoordelijkheidszin,
naast een opgelegde basisvoorziening, zelf bepalen per hoeveel
bedden zij bijvoorbeeld een bijkomende verpleegkundige in dienst
hebben. Laat ze aantonen dat ze goede zorg en opvang kunnen
garanderen. Niet het aantal verpleegkundigen, maar de kwaliteit
van zorgen is immers belangrijk.
- Flexibiliteit: iedereen moet begrijpen dat je niet uitsluitend zorg
kunt verlenen van 8 uur tot 17 uur en van maandag tot vrijdag.
- Om vraag en aanbod in de rusthuissector vlotter te laten
verlopen en niet het volle financieringsgewicht op VIPA (Vlaams
10 MEMORANDUM VAN SOLIDARITEIT VOOR HET GEZIN
Investeringsfonds voor Persoonsgebonden Aangelegenheden) te
laten rusten, is Solidariteit voor het Gezin er voorstander van om
het ‘tax-sheltersysteem’ (*) toe te passen in de rusthuissector.
Dit zou bijkomende middelen kunnen aantrekken en nieuwe
investeerders doen bewegen om in de socio-profit te investeren.
De socio-profit mag geen louter onderonsje blijven tussen sociale
ondernemers en overheid.
- Vermarkting en commercialisering in de socio-profitsector is voor
Solidariteit voor het Gezin geen taboe of obstakel. De vrije markt
kan immers ook in onze sector voor boeiende prikkels zorgen en
leiden tot een verhoging van efficiëntie en van keuzevrijheid.
Een gezonde concurrentie biedt ook aan zorgorganisaties en
zorgbedrijven uitdagende impulsen. Wanneer we spreken van
‘gezonde’ concurrentie, dan betekent dit:
1. een sociale ethiek ten gunste van de zwaksten
2. een toegankelijkheidsgraad voor iedereen
3. een maatschappelijk verantwoorde en waardegerichte onder-
nemingszin
4. een rechtvaardig regelgevend kader dat voor iedereen gelijk is
- In een sector waar grote arbeidstekorten dreigen, zou men moeten
kunnen gebruik maken van de aanwezige kennis en kunde van
ouderen (al dan niet gepensioneerd). Door de invoering van een
individuele loopbaanregeling in de socio-profitsector, moet een
aangepaste tewerkstellingsformule voor oudere werknemers worden
uitgedacht. Het huidige ADV-plan (ADV = arbeidsduurverkorting) is
inefficiënt en vormt een beletsel voor een continue dienstverlening.
Het slorpt handenvol middelen op die de beschikbaarheid op
hetzelfde peil als vroeger houdt.
Bovendien (dit was althans de geest van de wet) zou het ADV-
systeem in de socio-profit uitsluitend mogen toegepast worden
op de zware beroepen zelf en niet ook op alle administratieve
en omkaderende krachten die toevallig tot hetzelfde sectorale
paritaire comité behoren.
- De openheid moet worden voorzien dat gepensioneerden onbeperkt
kunnen bijverdienen met behoud van hun volledige pensioen. Per
slot van rekening worden hun prestaties ook fiscaal en parafiscaal
belast zoals andere.
(*) Tax shelter: verwijst naar een wet om de filmindustrie op Belgisch grondgebied te stimuleren.
Bedrijven kunnen 150 % van hun investering in een filmproject via een belastingsbesparing
recupereren.
Het bedrijf investeert 100 en krijgt een belastingsbesparing van 51 (100 x 150% x 34%).
11 MEMORANDUM VAN SOLIDARITEIT VOOR HET GEZIN
12 MEMORANDUM VAN SOLIDARITEIT VOOR HET GEZIN
2
‘Daar heb je
de zuilen weer’.
Depolitiseer de zorgmarkt. Roep de
opstekende verzuiling een halt toe en geef
voorrang aan een vraaggestuurd in plaats
van een aanbodgestuurd beleid.
- Het primaat van de politiek heeft gemaakt dat de macht van de
minister over zijn eigen departement groter geworden is. Het is
altijd leuk om te debatteren rond kaderdecreten e.d., maar de
echte actie zit ‘m in de uitvoeringsbesluiten.
- Stap af van een instellingengestuurd of aanbodgestuurd beleid en
durf een vraaggestuurd beleid aan.
- Laat de klant mee bepalen wat hij kwaliteitsvol vindt en erken
niet langer diensten, louter op basis van hun historische
aanwezigheid.
- Maak dat commerciële ondernemers op een gelijkwaardige manier
initiatieven kunnen ontwikkelen en leg hen dezelfde normen op.
- Programmatiecijfers werken vooral verlammend. Ze worden
strategisch misbruikt door aan marktafscherming te doen.
Het kan ook anders, bijvoorbeeld via het systeem van PAB
(persoonlijk assistentiebudget) in de gehandicaptensector en het
systeem van de dienstencheques.
- Leg ministers aan banden die enkel voor hun eigen zuil opereren.
Sprekend voorbeeld hierbij is het onlangs goedgekeurde
woonzorgdecreet: het nieuwe buurtgerichte samenwerkingsverband
van waaruit de ouderenzorg nu en in de toekomst zal georganiseerd
worden.
Het is een staaltje van aanbodgestuurd beleid dat vooral de eigen
zuil ten goede komt.
Er wordt niet geredeneerd in termen van: ‘hoe kunnen we de
kwaliteit van onze thuiszorg verbeteren en elke burger daarvan laten
genieten?’ Men redeneert eerder ‘we stellen vast dat de thuiszorg
een geweldige impact heeft op de samenleving en hoe kunnen we nu
maken dat onze eigen organisaties het volledige laken naar zich toe
kunnen trekken?’
Het resultaat van het woonzorgdecreet is dat de zorgmarkt
(definitief) verkaveld is.
De minister is erin geslaagd om zo goed als ongehinderd zijn
doelstelling te verwezenlijken en de zorgmarkt, waarin de
christelijke zuil reeds decennialang absolute marktleider is, quasi
volledig naar zijn hand te zetten.
+ De katholieke rusthuizen zullen uiteraard beroep doen op hun
eigen verzuilde organisaties.
+ De openbare rusthuizen zullen, omwille van het pluralisme,
verplicht zijn om een ‘veelheid van diensten’ aan te spreken
(dus ook de christelijk geïnspireerde organisaties die sowieso
een absolute meerderheid hebben in de zorgmarkt).
+ De private (commerciële) rusthuizen zullen er wellicht het nut
niet van inzien, vermits er voor hen geen financiële return
tegenover staat.
Van de door de paarsgroene en later de paarse regering sterk
uitgebouwde ‘vraaggestuurde’ benadering van zorg, blijft met dit
woonzorgdecreet amper nog iets over. Het is een toonvoorbeeld van
aanbodgestuurde werking, enkel ter versterking van het bestaande.
Meer dan ooit wordt zorg een element van zuilverbondenheid,
14 MEMORANDUM VAN SOLIDARITEIT VOOR HET GEZIN
waarbij de zorggarantie zal gekoppeld worden aan lidmaatschap
van een of andere zuil.
Ooit schreef Luc Huyse het boek ‘de verzuiling voorbij’. Vandaag,
met de goedkeuring van het woonzorgdecreet, is de verzuiling nog
nooit zo groot geweest.
- Laat de overheid objectieve parameters hanteren, gebaseerd op reële
(meetbare) demografische noden. Aldus zullen initiatiefnemers met
variabele subsidie-enveloppen moeten werken die jaarlijks kunnen
wisselen in functie van het demografisch deficit (eventueel met een
vertragingsmechanisme om investeringen te kunnen bijschroeven
in min of in meer).
De introductie van een vergrijzingsindex voor de bepaling van
de subsidie-enveloppe voor zorg, een geboorteindex voor de
bepaling van de subsidie-enveloppe van kinderopvang of een
afhankelijkheidsindex voor de bepaling van de subsidie-enveloppe
voor woonzorgvoorzieningen, zou het subsidiebeleid van de
overheid veel dynamischer maken en afhankelijker maken van
meetbare demografische of medisch-sociale tendenzen.
Het verhaal van ‘altijd meer’ wordt door dit alles doorknipt, terwijl
ook de klassieke lineaire subsidieverdeling gestopt wordt.
Immers zijn lineaire subsidies teveel gebaseerd op historische
aanwezigheden en houden ze veel te weinig rekening met
maatschappelijke evoluties en met het feit of initiatiefnemers
zich hieraan aanpassen. Klassieke groeinormen zullen in ons
voorstel moeten bewezen worden door effectenrapporten,
behoeftenonderzoeken en demografische parameters.
Dit zou de basis kunnen vormen van een evidence-based
subsidiebeleid in Vlaanderen.
15 MEMORANDUM VAN SOLIDARITEIT VOOR HET GEZIN
16 MEMORANDUM VAN SOLIDARITEIT VOOR HET GEZIN
3
‘Help, ze
wantrouwen mij’.
Geef vertrouwen aan de kracht van
ondernemen. Dereguleer, bevrijd,
responsabiliseer.
- De overheid heeft het middenveld geweerd bij haar besluitvorming
door heel wat EVA’s (extern verzelfstandigde agentschappen – die
geen deel uit maken van het ministerie en werken met dotatie)
te vervangen door IVA’s (intern verzelfstandigde agentschappen
– deel uitmakend van het ministerie) en daardoor deze laatste te
herleiden tot veredelde praatbarakken met een louter adviserende
functie. Het resultaat is niet de terugkeer van het primaat van
de politiek (waar zeker iets voor te zeggen valt), maar een
regelrechte (vooral eenzijdige) heropstanding van de zuilen,
waar zuilgelieerde kabinetten het eigen middenveld voordelen
toewerpen.
- Hanteer eenvoudige subsidiecriteria die niet alleen gebaseerd
zijn op de reële kostprijs, maar ook op een beloningsmechanisme
voor bedrijven die excelleren in efficiëntie, effectiviteit en
innovatie.
- Vereenvoudig subsidieaanvragen en laat ze een meerwaarde
betekenen voor de initiatiefnemer in plaats van voor gespecialiseerde
softwarehuizen. Probeer als overheid niet aan reglementitis te
lijden, maar laat ruimte voor creativiteit en initiatief!
- Maak knelpuntberoepen opnieuw aantrekkelijk.
Zorg er in tussentijd voor dat de personeelsnorm aangepast wordt
en maak dat taken die ook door andere beroepsgroepen kunnen
vervuld worden, zonder kwaliteitsverlies, ook wettelijk aan die
andere beroepsgroepen kunnen toevertrouwd worden.
- Tracht de reglementitis, de overregulering te beperken. Regels en
normen mogen niet met de voeten getreden worden. Zeker wanneer
gebruik gemaakt wordt van overheidsgeld, moet elke activiteit
verantwoord worden.
Maar waak erover dat controles, inspecties, behandeling van
aanvragen, interpretaties van regels niet verstikkend werken en op
de duur elk initiatief verlammen.
Laat u als beleidsmaker niet steeds opnieuw van de wijs brengen
door mediatieke (maar gelukkig vaak zeer uitzonderlijke) voorvallen
uit de samenleving. Voel je niet steeds verplicht, omwille van de
publieke opinie, daar binnen de kortste keren maatregelen voor uit
te werken.
- Het is niet goed dat initiatiefnemers inspecties ervaren en
aanzien als stresserende examenmomenten, waarvan de uitslag
een dubbeltje op zijn kant is, waarbij enkel de negatieve punten
worden uitvergroot en waarbij achteraf het gevoel overheerst dat
‘we weer eens goed zijn voor een jaar’.
Maak van inspecties leerrijke momenten die de initiatiefnemers
een meerwaarde geven.
Rekruteer inspecteurs niet op basis van hun talent om rigoureus
na te gaan of alle regeltjes tot in detail werden gevolgd, maar leid
hen op om hoofdzaken van bijzaken te scheiden, om doorheen de
richtlijnen ook de ‘geest’ te ontdekken.
Laat de uitslag van inspecties niet uitsluitend afhangen van cijfers,
afmetingen, afstanden, actieradiussen, enz… maar laat ook peilen
naar ‘belevingen’ van doelgroepen. Met andere woorden: plaats de
mens wat centraler.
18 MEMORANDUM VAN SOLIDARITEIT VOOR HET GEZIN
- Van zodra initiatieven erkend of goedgekeurd werden, moet er
rechtszekerheid gecreëerd worden. Zo bijvoorbeeld kan er in
specifieke dossiers, waar bepaalde bouwtechnische elementen
destijds aanvaard werden, niet meer teruggekomen worden op
genomen beslissingen (tenzij uiteraard bij wijzigingen van de
globale wetgeving).
- Het bekomen van een brandveiligheidsattest mag niet op de
willekeur van een toevallige ambtenaar berusten en moet veel
meer geobjectiveerd worden. Zelfde situaties die het ene jaar wel
en het andere jaar niet meer worden aanvaard, is een voorbeeld
van rechtsonzekerheid. ‘Wat in de ene gemeente als norm geldt,
wordt in een andere gemeente door de vingers gezien’ is een vaak
gehoorde kritiek.
Het is alsof de stand van de kepie van de brandweerkorpschef de
bepalende factor geworden is.
- Hou er rekening mee dat normen vaak een meerkost met zich
meebrengen.
Zorg voor een eerlijke en volledige vergoeding ervan.
- De invoering van een uniform elektronisch dossier zal leiden tot
administratieve vereenvoudiging en tot grotere objectiviteit. Voor
de gebruiker die vaak een veelheid aan loketten moet passeren, zal
dit een grote verlichting betekenen
- Gratis bestaat niet. Als de overheid geresponsabiliseerd wordt via
haar subsidiesysteem en de sociale ondernemer via een strenge
reglementering, dan moet ook de gebruiker (patiënt) cliënt
geresponsabiliseerd worden door een rechtvaardige bijdrage. De
Vlaamse Zorgverzekering zwakt dit principe teveel af, bijvoorbeeld
door in de gezinszorg, naast een inkomensafhankelijke bijdrage
voor sommigen nog een bijkomende tussenkomst te voorzien en
aldus een dubbele overheidssubsidiëring te installeren.
Durven afschaffen is in sommige gevallen ook een bewijs van beter
bestuurlijk beleid.
19 MEMORANDUM VAN SOLIDARITEIT VOOR HET GEZIN
20 MEMORANDUM VAN SOLIDARITEIT VOOR HET GEZIN
4
‘Salamipolitiek hoort
thuis bij de beenhouwer’.
Er is nood aan een geïntegreerde visie.
Geen redenering in hokjes.
Heb geen schrik van vernieuwing.
- Bied vrijwilligers één (gelijkwaardig) statuut, onafgezien van de
sector waarin zij/hij ingezet wordt (stewards in voetbalstadions –
brandweerlui – vrijwilligers in de thuiszorg – enz…) Geef hen niet
langer het gevoel dat ze zich in een grijze zone bevinden.
Beter dan dat iedereen zijn kop in het zand steekt: creëer
duidelijkheid en werk een concreet kader uit, waarbinnen de
vrijwilliger zich zonder problemen kan en mag bewegen (wijze
en bedrag van de vergoeding, terugbetaling van gemaakte
(voorgeschoten) kosten, voordelen in natura, invloed op het
belastbaar inkomen, verzekerbaarheid, combinatiemogelijkheden
met betaald werk, met uitkeringen allerhande, enz…)
Vb.: elke vergoeding beneden de € 3 per uur zou moeten beschouwd
worden als vrijwilligerswerk en dus automatisch als onbezoldigd
(dus zonder fiscale lasten).
- Defederaliseer de zorg en responsabiliseer de gemeenschappen om
een geïntegreerd zorgbeleid uit te werken, waarbij eindelijk het
welzijnsbeleid, het gezondheidsbeleid en tewerkstellingsbeleid aan
elkaar kunnen gekoppeld worden.
- Stop met het versnipperd sociaal overleg waar de verschillende
overheden en sociale partners tegen elkaar worden uitgespeeld!
Maak eindelijk werk van een geïntegreerd zorgmodel voor
Vlaanderen! Harmoniseer het wettelijk initiatief rond welzijn
en gezondheid! Laat het onderwijs meer inspelen op de enorme
tewerkstellingsproblematiek in onze sector!
- Doe iets aan de verdere regionalisering van de gezondheidszorg
en zorg er in elk geval voor dat federale en gemeenschapsmateries
meer op elkaar afgestemd geraken.
Op zijn minst moeten nieuwe initiatieven bilateraal op elkaar
afgestemd worden, teneinde elke dubbelzinnigheid of tegenspraak
te vermijden.
- Tracht te vermijden dat voor een dezelfde dossier 2 beleidsniveaus
bevoegd zijn die elk hun eigen inspectie-instrument hanteren.
ESF, RIZIV, Vlaamse administratie, VIPA, enz… voeren voor zelfde
22 MEMORANDUM VAN SOLIDARITEIT VOOR HET GEZIN
dossiers, elk hun eigen onderzoek en weigeren rekening te houden
met de bevindingen van collega’s.
- Creëer een eenvoudig operationeel kader. Maak niet dat 5 loketten
moeten gepasseerd worden voor eenzelfde doelstelling (Economie,
Tewerkstelling, Welzijn, Koepel Lokale Diensteneconomie en
tenslotte ook het gemeentelijk loket). De huidige klaverblad-
financiering is goed bedoeld maar onwerkbaar.
- Laat organisaties geen slachtoffer zijn van interministeriële
bevoegdheidstwisten.
- Ook de sociale wetgeving (overwegend federale materie) dient
aangepast te worden aan de maatschappelijke evoluties. Zo
bijvoorbeeld is het stilaan een aberratie geworden dat nachtwerk
voor bepaalde vrouwelijke beroepen uitgesloten is.
- Schaalgrootte mag geen criterium zijn, wel het behaalde
kwaliteitsniveau.
- Afstemming van de residentiële zorg op de thuiszorg. Waarom
een andere vergoeding voor C-profiel in thuiszorg (hoger) dan in
residentiële zorg (lager)?
- Ondersteun op bijzondere wijze de Vlaamse initiatiefnemers om in
Brussel een kwalitatieve en goed uitgebouwde dienstverlening op
poten te zetten. Hoe omgaan met knelpuntberoepen?
- Waarom altijd een lijdensweg als federale (diploma’s) en gemeen-
schapsbevoegdheden (beroepen) in elkaars raakvlak komen?
Zo bijvoorbeeld de bijna Kafkaiaanse benadering van de zorgkundigen
in de thuisverpleging die (om loutere bevoegdheidsredenen) niet
mogen beschouwd worden als zijnde hetzelfde als verzorgenden en
dus noodgedwongen een bijscholing van 70 uren moeten krijgen (alsof
daar de wereld van verschil mee opgelost is). Allemaal een kwestie
dus van: ‘dit is mijn bevoegdheid en dus, vooraleer erop toe te geven,
leg ik eerst nog wat eigen regels op’. Omdat elke kwaliteitsoverweging
ons in deze ontgaat, zijn de bijkomende regeltjes die de minister
oplegt enkel belangrijk voor zijn eigen imago en hoopt hij daarmee
ook bij het nageslacht herinnerd te worden.
23 MEMORANDUM VAN SOLIDARITEIT VOOR HET GEZIN
In essentie is dit een typisch voorbeeld van aanbodgestuurd
denken te noemen.
- In vele inter-professionele overlegorganen zijn de social
profitorganisaties niet of ondervertegenwoordigd (SERV – VESOC –
VDAB – SERR – RESOC – NATIONALE PARITAIRE COMITES - enz…).
Blijkbaar bestaat er een zekere terughoudendheid om hen
structureel (en representatief) een plaats te verschaffen. Het is
alleen al omwille van de democratische legitimiteit noodzakelijk om
eindelijk de samenstelling van deze organen in overeenstemming
te brengen met de sociaaleconomische realiteit op het werkveld.
- Er is dringend nood aan een strategie van de Vlaamse Regering met
betrekking tot de Europese dienstenrichtlijn ‘sociale diensten en
gezondheidsdiensten’.
Welke van de diensten die in Vlaanderen aangeboden worden vallen
volgens haar te beschouwen als ‘diensten van algemeen economisch
belang’ en behoren derhalve tot de vrije markt, niettegenstaande
overheidsregulering en –subsidiëring mogelijk is?
- Versnipper Vlaanderen niet langer in zorgregio’s, want dit is voor
initiatiefnemers wier werking zich over meerdere zorgregio’s
verspreidt, niet altijd eenvoudig om toe te passen. Het beheer van
aparte contingenten mag dan wel mathematisch evident lijken, het
is in de praktijk niet altijd zondermeer toepasbaar.
24 MEMORANDUM VAN SOLIDARITEIT VOOR HET GEZIN
5
‘Wie regelt
organiseert niet’.
Laat de overheid haar rol spelen in functie
van regelgeving, kwaliteitsbewaking en
garanderen van de keuzevrijheid. Laat lokale
besturen geen rechter en partij zijn.
- We kennen allemaal voorbeelden van sterk verlieslatende
overheidsinitiatieven die zich naast het private aanbod
ontwikkelden. De OCMW-rusthuizen en OCMW-thuiszorgdiensten
zijn de meest sprekende voorbeelden. Zeker in kleinere gemeenten
gaat de volledige gemeentekas hieronder gebukt met vaak vele
miljoenen Euro’s. Het duurdere en organisatorisch moeilijk
werkbare personeelsstatuut ligt hier aan de grondslag en toch
wordt geconcurreerd tegen de private sector die goedkoper en
efficiënter kan werken.
Mocht het OCMW er zich toe beperken om een billijke financiële
tussenkomst te verlenen aan minder welstellende rusthuisbewoners
of gebruikers van thuiszorg uit de private sector, dan zouden ze niet
alleen een gigantische besparing realiseren, ze zouden bovendien
de betrokkenen veel meer kunnen bieden dan vandaag.
- Solidariteit voor het Gezin heeft al lang begrepen dat thuiszorg
de basis van alle zorg is. Mensen wensen zo lang mogelijk
thuis te blijven en intramurale zorg moet voorhanden zijn als
oplossing voor een menswaardig levenseinde. Er moeten dan ook
meer insentives komen om thuiszorg te promoten. Het succes
van de dienstencheques heeft bewezen dat de fiscalisatie van
een dienstverlening zeer aantrekkelijk is. We moeten dus de
zorgvoorzieningen in eerste instantie naar de mensen brengen
in plaats van de mensen naar de voorzieningen. In deze optiek
wensen wij dat Vlaanderen de aantrekkelijkheid van de thuiszorg
vergroot en een fiscaal voordeel voorziet voor die gezinnen die
bejaarden thuis opvangen of meehelpen om een rusthuisopname
uit te stellen.
- Laat de lokale openbare besturen geen rechter en partij (regisseur
en actor) tegelijkertijd zijn. Vaak moeten zij een (al dan niet
bindend) advies geven over de komst van nieuwe initiatieven.
- Wij zijn helemaal niet tegen het lokaal sociaal overleg. Maar we
verzetten ons wel tegen allerlei overheidsinitiatieven waarover
geen overleg gepleegd werd en die op de duur haaks komen te
staan op het lokaal sociale landschap van aanbod en behoeften.
26 MEMORANDUM VAN SOLIDARITEIT VOOR HET GEZIN
- Faciliteer de overname van initiatieven van openbare besturen
als mocht blijken dat zij overlappend werken met het bestaande
aanbod (hou daarbij rekening met pluralisme en keuzevrijheid).
Wanneer het bestaande aanbod voor bepaalde mensen onbetaalbaar
blijkt, dan mag dat voor de overheid nog geen onmiddellijke reden
zijn om zelf een initiatief te nemen.
Het kan echter niet de bedoeling zijn dat de overheid bepaalde
private initiatieven zou ‘sponsoren’.
Wanneer een aanbod echt elitair is, dan staat het de overheid
vrij om zelf een initiatief te nemen. Maar beter nog is om de
reglementering aan te passen!
- Wij juichen het initiatief toe om het systeem van dienstencheques
ook toe te passen in de kinderopvang, maar zijn er tegen dat de
reglementering een gemeentelijke aangelegenheid zou worden. Dit
dreigt het geval te worden, gelet op wat zich aan het ontwikkelen
is binnen de proefprojecten Kortrijk, Mechelen, Ronse en Tienen.
Gemeentelijke overheden moeten begrijpen dat heel wat initiatieven
een grotere actieradius kennen dan de grenzen van de gemeente en
dat het dus organisatorisch ondoenbaar is om rekening te houden
met 308 reglementen (dus zoveel als er gemeenten zijn). We
pleiten er ook voor om nieuwe initiatieven strak en eenvoudig te
houden. Het werken met ‘gemandateerde voorzieningen’, ‘erkende
ondernemingen’, enz… kan beter gestroomlijnd worden.
- Uitbreiding van de dienstencheques met specifieke begeleidings-
modules voor risicogroepen. Dit impliceert dat we pleiten voor
de afschaffing van de stigmatiserende rompslomp van de sociale
economie.
27 MEMORANDUM VAN SOLIDARITEIT VOOR HET GEZIN
Wil je meer
standpunten
kennen van
Solidariteit
voor het Gezin
surf naar
www.solidariteit.be
standpunten & visie
Related docs
Get documents about "