Rekenen rachitis

Document Sample
Rekenen rachitis Powered By Docstoc
					                                 Rekenen 2




Met de steun van het Europees Sociaal Fonds en de Koning Boudewijnstichting.
                            REKENEN
   voor verpleegkundigen


                                   deel 2




ondersteunend rekenen 2de module            2
Situering


In de dagdagelijkse praktijk in de gezondheidszorg moet je goed kunnen
rekenen. Je moet snel, maar vooral nauwkeurig rekenen. Dat is belangrijk,
omdat simpelweg de komma verkeerd zetten het verschil kan uitmaken tussen
leven en dood.
Je moet de juiste hoeveelheid vloeistof injecteren, vloeistoffen op de juiste
manier verdunnen, een infuus met de juiste snelheid laten lopen enz. Je mag er
hierbij niet vanuit gaan dat iemand anders ( arts, apotheker) dit wel voor je
doet.
Veelal wordt er gerekend met liter, milliliter, centiliter, cc, gram, kilogram, gram
per liter, zoveel % oplossing en dergelijke.


Deze cursus ondersteund de cursus medisch rekenen. Ook deze cursus kan je
zelfstandig verwerken. De oplossingen vind je achteraan. Ze kan je vlot je eigen
evolutie opvolgen. Je neemt dus zelf je leerproces in handen. Als je iets niet
goed kan, dan neem je zelf contact op met de docent. Indien je vragen hebt, kan
je steeds terecht bij de docent van (medisch) rekenen.
Indien je meer oefeningen wenst dan kan je die vragen aan de docent.
Bij de oefeningen in deze cursus mag je gebruik maken van een
zakrekenmachine.




ondersteunend rekenen 2de module                                                       3
Eenheid, basiscompetenties, evaluatiecriteria en leerdoelen
Voor de zorg instaan (rekening houdende met de
basisprincipes: hygiëne en asepties, veiligheid, beleving,
zelfzorg en inspraak, comfort, ergonomie, ecologie en
economie)
Met medicatie omgaan
 Past rekenkundige vaardigheden toe:
   - Ik bereken de juiste hoeveelheid geneesmiddel per kg
      lichaamsgewicht.
   - Ik bereken de druppelsnelheid bij gebruik van een
      infuusleiding.
   - Ik bereken het volume/uur bij gebruik van een mechanische
      druppelteller
   - Ik bereken het volume/uur bij gebruik van een volumetrische
      pomp
   - Ik bereken de juiste hoeveelheid geneesmiddel in ml (cc)
      vanuit een voorschrift waarbij de concentratie is opgegeven in
      mg, g, procent, promille en eenheden.
   - Ik bereken om een oplossing te maken waarbij de concentratie
      is gegeven in procent en promille.
   Ik bereken hoe ik een verdunning moet maken.




ondersteunend rekenen 2de module                                       4
Themarooster
Aantal
           werkvorm                 Lesonderwerp:
uur:

1-2        Onderwijsleergesprek – Metend rekenen
           oefeningen zelfstandig
           maken
3-4                                 Dosering medicatie

5-6                                 Dosering medicatie

7-8                                 Dosering medicatie

9-10                                druppelsnelheid

11-12                               druppelsnelheid

13-14                               Concentraties en verdunningen

15-16                               Concentraties en verdunningen

17-18                               GOA

19-20                               GOA

21-22                               GOA

23-24                               toets




ondersteunend rekenen 2de module                                    5
Evaluatie

           Je krijgt op het einde van deze cursus een schriftelijk toets op
             punten.
           Je mag gebruik maken van een zakrekenmachine.
           Verwacht wordt dat je 7/10 haalt.




ondersteunend rekenen 2de module                                               6
Inhoudstabel
    Situering ................................................................................................................................. 3
    Eenheid, basiscompetenties, evaluatiecriteria en leerdoelen.................................................. 4
    Themarooster .......................................................................................................................... 5
    Evaluatie ................................................................................................................................. 6
    Inhoudstabel ........................................................................................................................... 7
    reader ................................................................................................................................... 8
1      Dosering medicatie ............................................................................................................. 8
    1.1 mg/ml ....................................................................................................................... 8
    1.2 IE .............................................................................................................................. 11
    1.3 %.............................................................................................................................. 13
2      druppelsnelheid ................................................................................................................ 15
3      concentraties en verdunningen ......................................................................................... 18
4      Combinatievraagstukken .................................................................................................. 20
5      oplossingen ....................................................................................................................... 23
    5.1     dosering medicatie .................................................................................................... 23
       5.1.1       mg/ml ............................................................................................................... 23
       5.1.2       IE ...................................................................................................................... 23
       5.1.3       %....................................................................................................................... 23
    5.2     druppelsnelheid ........................................................................................................ 23
    5.3     concentraties en verdunningen ................................................................................. 24
    5.4     combinatievraagstukken ........................................................................................... 24
6      bronnen ............................................................................................................................. 26




ondersteunend rekenen 2de module                                                                                                               7
reader

1 DOSERING MEDICATIE
1.1 mg/ml
1.     Mevrouw Leemkuil (27 jaar) heeft last van een maagzweer, een poos na
de maaltijd krijgt ze pijn en kramp. Jij krijgt de opdracht een langzame i.v.
injectie Zantac® van 50 mg te geven, verdund tot een volume van 20 mL.
Hoeveel mg Zantac® bevat 1 mL van deze vloeistof?




2.     De heer Bril heeft hartproblemen, de arts stelt de diagnose decompensatio
cordis. Je moet de heer Bril digoxine-elixer (0,05 mg/mL) geven en wel 0,025
mg (25 microgram). Hoeveel mL elixer geef je?




3.     Mevrouw Tilman heeft last van een allergische huidaandoening. De
huisarts schrijft terfadinedrank voor, deze bevat 6 mg/mL.
Je moet mevrouw Tilman 90 mg per 24 uur in twee gelijke doses geven.
Hoeveel mL drank geef je per etmaal?




4.     De heer Lubbers gebruikt sinds geruime tijd intraveneus heroïne. Nu ligt
hij met een gebroken heup in het ziekenhuis. Om afkickverschijnselen te
voorkomen schrijft de arts methadondrank voor. Deze drank bevat 2 mg/mL.
Je moet de haar Lubbers 80 mg methadon per dag geven, verdeeld over vier
gelijke giften. Hoeveel mL drank geef je per keer?




5.     De heer Hoving heeft ten gevolge van een bottumor erg veel pijn. De arts
geeft jou opdracht om hem intramusculair (i.m.) morfine te geven. Op de
ampullen morfine staat: 10 mg = 1 mL (10 mg/mL). Je moet de heer Hoving 7,5
mg morfine geven. Hoeveel mL moet je hem dan geven?




ondersteunend rekenen 2de module                                                  8
6.     Tim Pitt is vier jaar oud. Hij heeft zijn arm gebroken en hij heeft veel pijn.
De arts schrijft de pijnstiller paracetamol voor. Tim moet 20 mg/kg/24 uur
paracetamol krijgen, verdeeld over vier gelijke doses. Tim weegt 18 kg.
Jij moet de pijnstiller toedienen. Dit is een drank met een concentratie van 20
mg/mL. Hoeveel mg paracetamol geef je Tim per dag?




7.     De pijnstillende drank helpt bij Tim Pitt (18 kg) onvoldoende. De arts
verhoogt de dosering naar 30 mg/kg/24 uur.
Je gebruikt dezelfde drank als de vorige keer (20 mg/mL) en moet dit over drie
gelijke giften verdelen. Hoeveel mL paracetamoldrank geef je Tim per gift?




8.     Jimmy Keijzer heeft ontstoken amandelen. De arts schrijft het antibioticum
feneticilline voor. De voorgeschreven dosering bij kinderen is 50 mg per kg
lichaamsgewicht per 24 uur (50 mg/kg/24 uur) in vier gelijke doses. Jimmy
weegt 12 kg. Je beschikt over een feneticillinedrank die 25 mg/mL bevat.
Bereken hoeveel mg feneticilline Jimmy moet hebben in 24 uur.




9.     Jimmy Keijzer heeft ontstoken amandelen. De arts schrijft het antibioticum
feneticilline voor. De voorgeschreven dosering bij kinderen is 50 mg per kg
lichaamsgewicht per 24 uur (50 mg/kg/24 uur) in vier gelijke doses. Jimmy
weegt 12 kg. Je beschikt over een feneticillinedrank die 25 mg/mL bevat.
Stel dat Jimmy 25 kg weegt. Bereken dan hoeveel mL feneticillinedrank je
Jimmy moet geven per dosis.




10.    Kim Benekuik, twee jaar oud, heeft epilepsie. De neuroloog schrijft Kim
carbamazepine voor. De drank bevat 20 mg/mL. De voorgeschreven dosering is
10 mg/kg/24 uur. Kim weegt 8 kg. Je moet de drank in drie gelijke doseringen
tijdens de maaltijd geven. Hoeveel mg carbamazepine mag Kim per dag hebben?
Hoeveel mL drank is dit per dosis? Geef je antwoord in twee cijfers na de
komma.




ondersteunend rekenen 2de module                                                    9
11.    Meneer Oostdam is alcoholist. Hij is pas geleden volledig gestopt met
alcoholgebruik. De heer Oostdam ligt bij jou op de afdeling en heeft last van
ontwenningsverschijnselen. De arts geeft opdracht hem drie keer daags 5 mg
lorazepam i.m. te geven. Je beschikt over ampullen lorazepam 4 mg = 1 mL (4
mg/mL).
Hoeveel mg lorazepam geef je per dag?


Hoeveel mL lorazepam geef je per keer?




12.    De heer Doldersum is erg onrustig en bang. Hij is zo bang dat hij niemand
in zijn buurt wil hebben, hij denkt dat iedereen hem kwaad wil doen. De arts
spreekt met hem en uiteindelijk gaat de heer Doldersum akkoord met een
rustgevende injectie. Je krijgt de opdracht hem 50 mg promethazine IM en 25
mg levomepromazine IM te geven. Je beschikt over ampullen promethazine 25
mg = 1 mL (25 mg/mL) en levomepromazine 25 mg = 1 mL (25 mg/mL).
Hoeveel mL promethazine geef je hem?




13.    Je moet een volwassen vrouw Clemastine® geven en wel 2 mg. Je beschikt
over ampullen: 2 mg = 2 mL (1 mg/mL). Hoeveel mL moet je injecteren?




14.    Mevrouw Witte heeft ernstige en pijnlijke spierspasmen in haar benen. Je
moet haar 5 mg diazepam geven. Dit kan op verschillende manieren. Je beschikt
over ampullen diazepam 10 mg = 2 mL (5 mg/mL). Hoeveel mL moet je
injecteren?




15.    De heer Lammers krijgt van de arts periciazinedruppels voorgeschreven.
Je moet hem 10 mg periciazine toedienen. Je beschikt over een druppelvloeistof
40 mg/mL (20 druppels = 1 mL). Hoeveel druppels geef je?




ondersteunend rekenen 2de module                                                10
1.2 IE
1.     De bloedsuikerwaarden van mevrouw Van Benthem zijn ontregeld.
Je moet haar daarom 40 E Actrapid® toedienen. Je hebt een injectieflacon
Actrapid® die 100 E/ml bevat (dit zijn dus 100 eenheden per mL).
Hoeveel mL Actrapid® geef je?




2.     De arts geeft opdracht om mevrouw Van Benthem Mixtard® 30/70 te
geven. Een injectieflacon Mixtard® 30/70 bevat 100 E/ml.
Daarna moet je 32 E toedienen. Hoeveel mL geef je nu?




3.     Bij mevrouw Reitsma zijn de bloedsuikerwaarden wat ontregeld.
Je krijgt de opdracht om haar 0,5 mL Insulatard® te injecteren. De injectieflacon
bevat 100 E/mL. Hoeveel eenheden Insulatard® zijn dit?




4.     De heer Wegereef is politieagent. Tijdens zijn werk is hij gebeten door een
man die onder invloed van alcohol verkeerde. De arts schrijft 500 IE
immunoglobuline anti-hepatitis B voor. Je hebt ampullen 300 IE = 3 mL.
Wat is de concentratie immunoglobuline anti-hepatitis B in IE/ml?




5.     Je moet Jan de Vries een injectie geven van 7 000 E heparine. Je beschikt
over een ampul die per mL 5 000 E bevat. Hoeveel mL heparine geef je?




6.     Mevrouw Hof heeft een diepe veneuze trombose. Je moet haar Fragmin®
geven, 200 IE/kg lichaamsgewicht. Mevrouw Hof weegt 75 kg. Hoeveel IE geef
je?




7.     Dorien Weber heeft een middenoorontsteking. Zij krijgt 600 000 IE
Bicilline voorgeschreven. Je hebt een flacon Bicilline van 1,2 miljoen IE. Dit moet



ondersteunend rekenen 2de module                                                 11
voor injectie worden opgelost in 3 mL steriel water. Hoeveel IE bevat 1 mL van
de oplossing?




8.     Hans Wolterinck (5 jaar) moet een injectie immunoglobuline antihepatitis
B hebben. Je moet hem 500 IE injecteren en beschikt over ampullen 300 IE = 3
mL (100 IE/mL). Hoeveel mL geef je?




9.     De heer Janssen krijgt in verband met rachitis vitamine D voorgeschreven.
Je beschikt over een druppelvloeistof 3 000 IE/mL; 1 mL = 20 druppels.
Je moet hem 4 000 IE geven. Hoeveel mL is dit?




10.    Mart Stynine heeft een ernstige infectie, de arts schrijft antibiotica voor. Jij
moet de injectie klaarmaken. Mart krijgt 75 000 IE/kg/24 uur in vier gelijke
doses, hij weegt 8 kg. Hoeveel IE krijgt Mart per dosis?




ondersteunend rekenen 2de module                                                    12
1.3 %
1.     Rinus Marcus krijgt van de arts periciazinedruppels 1% voorgeschreven.
Hoeveel mg periciazine bevat 1 mL?




2.     Rinus Marcus krijgt van de arts periciazinedruppels 1% voorgeschreven.
De heer Marcus moet 20 mg periciazine krijgen. Je beschikt alleen over
periciazinedruppels 4%; 1 mL = 20 druppels.
Hoeveel druppels moet je geven?




3.     Jos Groener heeft last van zijn rechteroog. De oogarts geeft jou opdracht
twee druppels cyclopentolaat in zijn rechteroog te druppelen. Je beschikt over
oogdruppels cyclopentolaat 5 mg/mL (20 druppels = 1 mL).Hoeveel mg
cyclopentolaat heb je hem gegeven?




4.     Lonneke Schukkink heeft last van haar linkeroog. Je moet van de oogarts
2 druppels scopalamine in haar linkeroog geven, zodat de pupil zich verwijdt. Je
beschikt over scopalamine oogdruppels FNA 2,5 mg/mL (20 druppels = 1 mL).
Hoeveel mg scopalamine heb je toegediend?




Wat is de sterkte van de oogdruppels in %?




5.     De heer Fax is beginnend dementerend.Vooral 's nachts is hij onrustig. De
arts schrijft alimemazine voor. Je beschikt over een druppelvloeistof met een
sterkte van 40 mg/mL (40 druppels = 1 mL). Om 22.00 uur moet je hem oraal
15 mg alimemazine geven. Hoeveel druppels zijn dit?




ondersteunend rekenen 2de module                                                 13
6.     De heer Fax is beginnend dementerend.Vooral 's nachts is hij onrustig. De
arts schrijft alimemazine voor. Je beschikt over een druppelvloeistof met een
sterkte van 40 mg/mL (40 druppels = 1 mL).
Bereken de sterkte van de druppelvloeistof in %.




7.     Francy Rob is negen jaar. Ze heeft epilepsie. Momenteel heeft ze
buikgriep. Ze spuugt erg veel en ook tabletten kan ze niet binnenhouden. Francy
weegt 36 kilo. Je moet Francy fenobarbital IM 5 mg/kg in één dosis geven. Je
beschikt over ampullen fenobarbital 50 mg = 1 mL (50 mg/mL).
Hoeveel mg fenobarbital moet je geven?




8.     Ben Kemna is erg in de war. Hij is ervan overtuigd dat zijn darmen kapot
zijn en wil niets eten, alleen kleine beetjes drinken. De arts schrijft hem
haloperidoldruppels voor. Je moet hem 5 mg haloperidol geven en je beschikt
over een druppelvloeistof 2 mg/mL (20 druppels = 1 mL).
Hoeveel mL moet je toedienen?


Wat is de sterkte van de druppelvloeistof in %?




9.     Mevrouw Servies ondergaat over 30 minuten een bronchoscopie. Ze is erg
bang. De arts schrijft midazolam voor. Je beschikt over midazolam 0,5%. Je
moet haar 0,10 mg/kg geven, zij weegt 70 kg. Hoeveel mg moet je toedienen?




10.    Luc Crietee heeft een baksteen op zijn voet gekregen. Twee tenen zijn
gebroken en twee gekneusd waardoor hij niet kan slapen van de pijn. De arts
geeft opdracht hem morfine IM te geven.
Je beschikt over morfine 1,5%. Je moet hem 15 mg geven.
Hoeveel mL injecteer je?




ondersteunend rekenen 2de module                                                14
2 DRUPPELSNELHEID
1. In te brengen is 250 ml fysiologische zoutoplossing in 2 uur. Hoeveel
   druppels dienen we per minuut in te brengen?




2. In te brengen is 500 ml glucose-oplossing in 5 uur. Bepaal de
   druppelsnelheid per minuut en het aantal ml per minuut.




3. Je moet in 4 uur 500 ml fysiologische zoutoplossing van 0.9 % inbrengen.
   Bepaal de druppelsnelheid en het aantal ml per minuut.




4. In te brengen is 4 x 500 ml infusie-oplossing in 24 uur. Hoe groot dient de
   druppelsnelheid te zijn en het aantal ml per minuut?




5. In te brengen is 4500 ml glucose-oplossing van 5 % in 48 uur. Hoeveel
   zakken van 500 ml zijn er nodig? Hoe groot moet de druppelsnelheid per
   minuut zijn?




6. In te brengen is 2750 ml aminozuren-oplossing in 24 uur. Hoe groot moet de
   druppelsnelheid per minuut zijn?




7. Een patiënt die 80 kg weegt, krijgt 0,75 g/kg/dag Salviamin LX 6 toegediend.
   In voorraad is Salviamin LX 6, hetgeen betekent dat 60 g werkzame stof is
   opgelost in 500 ml. Wanneer de inloopsnelheid van Salviamin LX 6 niet
   groter mag zijn dan 40 druppels per minuut, hoe lang duurt het dan voor de
   werkzame stof bij de maximale inloopsnelheid per infuus is toegediend?




ondersteunend rekenen 2de module                                                 15
8. De intraveneuze therapie bestaat eruit dat 1 L fysiologische zoutoplossing in
   12 uur moet inlopen. In voorraad zijn flessen van 500 ml. Hoeveel druppels
   breng je per minuut in en hoeveel ml breng je per minuut in?




9. Een patiënt moet 1000 ml Nutriflex intraveneus in 10 u toegediend krijgen.
   Bepaal de druppelsnelheid.




10. Aanwezig is een niet-alkalische infusievloeistof in een 500 ml infusievloeistof
   bevattende fles. Aan de inhoud van de fles dient 100 mg Dumoxin te worden
   toegevoegd. Dumoxin is in voorraad in ampullen met een inhoud van 100 mg
   / 5 ml. De infusievloeistof dient in 6 uur te worden ingebracht. Hoe groot
   moet de druppelsnelheid zijn om de hoeveelheid vloeistof zo gelijkmatig
   mogelijk in te brengen?




11. Toe te dienen, per intraveneus infuus, is 2100 ml Aminosteril N Hepa van 5
   % in    24 uur. Hoeveel druppels geef je per minuut?




12. De inhoud van drie ampullen à 25 mg / 2 ml Anafranil dient te worden
   toegevoegd aan 250 ml glucose-oplossing van 5 %. ’s Morgens dient deze
   oplossing in drie uur per infuus te worden toegediend. Op hoeveel druppels
   per minuut stel je de druppelregelaar af?




13. Per infuus moet 500 ml glucose-oplossing van 5 % ingebracht worden. Aan
   de oplossing moet je 50 ml Muldis-concentraat voor injectievloeistoffen
   toevoegen. Het geheel dient in 6 uur ingebracht te worden. Op hoeveel
   druppels per minuut stel je de druppelaar af?




14. De patiënt krijgt 500 cc over 4 uur. Hoeveel druppels is dit per minuut?




ondersteunend rekenen 2de module                                                  16
15. Een patiënt krijgt 50 cc per uur. Hoeveel druppels per minuut is dit?




16. In 6 uur moet 500 ml fysiologische zoutoplossing van 0,9 % worden
   toegediend. Bepaal de druppelsnelheid.




17. In 1 L fysiologische oplossing worden 3 ampullen Nootropil (10 ml/ampulle),
   20 meq KCl (1 meq KCl = 1 ml) en 1 ampulle Vitamine B (ampulle 3 ml)
   toegevoegd. Dit alles loopt in van 8.45 u tot 20.55 u. Wat is de
   druppelsnelheid?




18. Aan een infuus van 500 ml wordt 40 ml kaliumchloride-oplossing
   toegevoegd. Deze hoeveelheid zou in 18 uur moeten inlopen. Op hoeveel
   dr/min wordt het systeem ingesteld?




ondersteunend rekenen 2de module                                              17
3 CONCENTRATIES EN VERDUNNINGEN

1.     Je moet 100 mL zoutoplossing 0,9% maken. Hoeveel gram zout heb je
hiervoor nodig?




2.     Je moet 100 mL glucose-oplossing 2,5% maken. Hoeveel gram glucose
heb je nodig?




3.     Je moet 1 dL suikeroplossing 5% maken. Hoeveel gram suiker heb je
nodig?




4.     Je moet een zoutoplossing 5% maken van in totaal 1 liter.Hoeveel gram
zout heb je daarvoor nodig?




5.     Je moet 0,25 liter suikeroplossing 10% maken.Hoeveel g suiker heb je
hiervoor nodig?




6.     Je hebt 10 liter Halamidoplossing 0,1% Hoeveel g Halamid zit hierin?




7.     In 250 mL oplossing zit 1,25 g chloorhexidine.Wat is de concentratie van
deze oplossing uitgedrukt in %?




8.     Je hebt 30 mL Lyorthol. Je moet een oplossing van 3% maken.Hoeveel mL
water moet je toevoegen?




ondersteunend rekenen 2de module                                                  18
9.     Je hebt 5 liter Halamidoplossing 1 %. Hoeveel g Halamid zit er in deze
oplossing?


10.    Je hebt 1 dL Lyortholoplossing 5%. Hoeveel mL Lyorthol zit hierin?



11.    In een emmer zit 5 liter Halamidoplossing 0,5%. Hoeveel g Halamid zit
hierin?



12.    In een zoutoplossing van 10% zit 20 g zout. Hoeveel mL oplossing is dit?



13.    Mevrouw Tielman krijgt Zovirax® i.v. Je beschikt over een injectieflacon
van 250 mg en lost de inhoud op in 10 mL water. Wat is de sterkte in %?



14.    Je moet een halve liter glucoseoplossing 2,5% maken. Hoeveel mg
glucose heb je nodig?



15.    Je hebt 2 dL glucoseoplossing 10%. Hoeveel g glucose bevat deze
oplossing?




ondersteunend rekenen 2de module                                                  19
4 COMBINATIEVRAAGSTUKKEN

1.     In voorraad een flesje Pronestyl, bevattende 10 ml oplossing van 100
mg/ml. De verpleegkundige krijgt van de cardioloog opdracht een patiënt 0,5 g
Pronestyl intramusculair toe te dienen. Hoeveel ml injecteert de
verpleegkundige?




2.     In voorraad is Tenormin 5 mg / 10 ml. De arts wil een patiënt een
intraveneuze injectie toedienen van 2,5 mg en verzoekt de assisterende
verpleegkundige een injectiespuit met de juiste hoeveelheid Tenormin klaar te
maken. Met hoeveel ml Tenormin moet hij de injectiespuit vullen?




3.     Een verpleegkundige krijgt de opdracht 300 mg Xylocard intramusculair te
injecteren. In voorraad is een flacon Xylocard van 20 mg/ml. Hoeveel ml van
deze oplossing moet hij injecteren?




4.     6 mg Aramine moet subcutaan worden toegediend. In voorraad is een
flacon Aramine van 10 ml à 10 mg/ml. Hoeveel dien je toe?




5.     Een arts wil intraveneus een Decadron 20-injectie geven. De patiënt, die
75 kg weegt, krijgt 4 mg per kg lichaamsgewicht toegediend. In voorraad zijn
flesjes van 5 ml = 100 mg. Hoeveel ml dient de arts te injecteren?




6.     30 mg Abitrexate moet intramusculair, in twee doses per dag, worden
toegediend. In voorraad is Abitrexate 25 mg/ml. Hoeveel ml dien je per keer
toe?




ondersteunend rekenen 2de module                                                20
7.     Van de behandelend arts krijg je opdracht een pneumoniepatiënt 10 dagen
lang dagelijks 180 mg Garamycin toe te dienen in drie keer. Je krijgt ampullen
Garamycin van 120 mg / 3 ml tot je beschikking. Hoeveel injecteer je per keer?




8.     De gynaecoloog verzoekt de assisterende verpleegkundige een
injectiespuit met      0,15 mg Methergin klaar te maken, voor een door de
gynaecoloog toe te dienen intraveneuze injectie. Op de afdeling zijn ampullen
Methergin aanwezig, 1 ml = 0,2 mg Methylergometrinemaleaat. Met hoeveel ml
Methergin dient de verpleegkundige de injectiespuit te vullen?




9.     In voorraad is Kenacort-A 40 in flesjes van 5 ml (40 mg/ml). 50 mg moet
intramusculair worden toegediend. Hoeveel ml dient geïnjecteerd te worden?




10.    Op een interne afdeling is gewenst dat een patiënt met spoed 30 mg
Impugan krijgt ingespoten. In voorraad zijn ampullen van 2 ml, 10 mg/ml.
Hoeveel van deze ampullen spuit je in?




11.    Een kind dient een injectie te krijgen van 5 mg Durabolin. In voorraad zijn
ampullen van 1 ml = 25 mg. Hoeveel ml dien je toe?




12.    Injecteer intramusculair 50 mg Depo-Medrol. Op de afdeling staat een
flacon van    5 ml, 40 mg/ml. Hoeveel ml injecteer je?




13.    Te injecteren is 60 IE werkzaam medicijn. In voorraad zijn
cilinderampullen à       1,5 ml met 100 IE per ml.Hoeveel injectievloeistof neem
je uit de ampul?




ondersteunend rekenen 2de module                                                 21
14.    Je moet toedienen 80 IE U- 100 insuline. (U- 100 insuline betekent 100 IE
/ ml). Hoeveel ml moet je injecteren?




15.    Op de ampulleflacon staat: Actraphane HM 40 IE / ml. Inhoud 10 ml. Te
injecteren is 56 IE. Hoeveel ml dien je toe?




16.    Geef subcutaan 70 IE Insuline. In voorraad zijn flacons à 10 ml met 100
IE / ml. Hoeveel ml injecteer je?




17.    Hoeveel volledige injecties à 70 IE kun je uit een volle flacon van 10 ml
halen? In voorraad is Ampiclox 1000 in poedervorm in flacon. Het poeder dient
opgelost te worden in 4 ml aqua voor injectie. Per keer moet 500 mg Ampiclox
toegediend worden. Hoeveel ml injecteer je per keer?




18.    In voorraad is een injectieflacon met 2 g Baypen en een ampul gevuld met
20 ml aqua voor injectie. Toe te dienen is 4 maal daags 0,5 g. Hoe los je de
voorraad op? Hoeveel injecteer je per keer?




19.    Te injecteren is 3 x 375 mg Flemoxin per dag. In voorraad is een flacon
van 1000 mg, waarop staat aangegeven: op te lossen in 20 ml aqua voor
injectie. Hoe ga je tewerk? Welke oplossing verkrijg je? Hoeveel ml injecteer je
per keer?




20.    In voorraad is Penbritin, in een verpakking van 1 g in poedervorm, op te
lossen in   3 ml solvens. Toe te dienen is 500 mg, 3x daags. Hoe ga je tewerk?
Welke oplossing verkrijg je? Hoeveel ml injecteer je per keer? Hoeveel
verpakkingen van 1 gram heb je per dag nodig?




ondersteunend rekenen 2de module                                                   22
5 OPLOSSINGEN
5.1 dosering medicatie
5.1.1 mg/ml
   1. 2,5 mg
   2. 0,5 ml
   3. 15 ml
   4. 10 ml
   5. 0,75 ml
   6. 360 mg
   7. 9 ml
   8. 600 mg
   9. 6 ml
   10. 80 mg / 1,33 ml
   11. 15 mg / 1,25 ml
   12. 2 ml
   13. 2ml
   14. 1 ml
   15. 5 druppels

5.1.2 IE
   1. 0,40 ml
   2. 0,32 ml
   3. 50 E
   4. 100 IE/ml
   5. 1,4 ml
   6. 15 000 IE
   7. 400 000 IE
   8. 5 ml
   9. 1,33 ml
   10. 150 000 IE

5.1.3 %
   1. 10 mg
   2. 10 druppels
   3. 0,5 mg
   4. 0,25 mg / 0,25 %
   5. 15 druppels
   6. 4 %
   7. 180 mg
   8. 2,5 ml / 0,2 %
   9. 7 mg
   10. 1 ml


5.2 druppelsnelheid
   1. 42 dr/min
   2. 33 dr/min – 1,67 ml/min
   3. 42 dr/min – 2,08 ml/min



ondersteunend rekenen 2de module   23
   4. 28 dr/min – 1.39 ml/min
   5. 9 zakken – 31 dr/min
   6. 38 dr/min
   7. 4 u en 10 min
   8. 28 dr/min
   9. 33 dr/min
   10. 28 dr/min
   11. 29 dr/min
   12. 28 dr/min
   13. 31 dr/min
   14. 42 dr/min
   15. 17 dr/min
   16. 28 dr/min
   17. 29 dr/min
   18. 10 dr/min

5.3 concentraties en verdunningen
   1. 0,9 g
   2. 2,5 g
   3. 5 g
   4. 50 g
   5. 25 g
   6. 10 g
   7. 0,5%
   8. 970 ml
   9. 50 g
   10. 5 ml
   11. 25 g
   12. 200 ml
   13. 2,5 %
   14. 12 500 mg
   15. 20 g

5.4 combinatievraagstukken
   1. 5 ml
   2. 5 ml
   3. 15 ml
   4. 0,6 ml
   5. 15 ml
   6. 0,6 ml
   7. 1,5 ml
   8. 0,75 ml
   9. 1,25 ml
   10. 1,5 ampullen
   11. 0,2 ml
   12. 1,25 ml
   13. 0,6 ml
   14. 0,8 ml
   15. 1,4 ml
   16. 0,7 ml – 14 injecties
   17. 2 ml



ondersteunend rekenen 2de module    24
   18. aqua bij medicatie spuiten – 2 ml
   19. oplossen in aqua – 50 mg/ml – 7,5 ml
   20. oplossen in aqua – 333,33 mg/ml – 1,5 ml – 2 verpakkingen




ondersteunend rekenen 2de module                                   25
6 BRONNEN

Niet gepubliceerde uitgaven:
        -   SYS C., wiskunde, HBOV, St Michiels Brugge, 2007, 93 pagina’s
        -   Oefeningen van collega’s


KAMMEYER, A., Medische rekenen, Bohn Stafleu Van Loghum,
Houtem/Diegem, 1997, 105 pagina’s.

DRIESSENS, A., BROUWER-VAN HULST, D., Rekenen, Bohn Stafleu Van
Loghum, Houtem, 2008, 115 pagina’s

Webapplicatie uitgebracht door:
        -   www.kavanah.nl
        -   www.123leren.nl, rekenen in de zorg




ondersteunend rekenen 2de module                                       26

				
DOCUMENT INFO
Shared By:
Categories:
Tags:
Stats:
views:47
posted:3/5/2011
language:Dutch
pages:26