Documents
Resources
Learning Center
Upload
Plans & pricing Sign in
Sign Out

Biologie samenvatting hoofdstuk 5

VIEWS: 526 PAGES: 4

Hoofdstuk5 samenvatting biologie/verzorging vwo 3, boek Explora

More Info
									Wat zijn voedingsmiddelen:

     de producten die je eet of drinkt

Wat zijn voedingsstoffen:

     voedingsstoffen zijn de bruikbare bestanddelen van voedingsmiddelen

    Er zijn 6 voedingsstoffen namelijk:

    o   Eiwitten                          E

    o   Vetten                            V

    o   Koolhydraten                      KH

    o   Vitamines                         VIT

    o   Mineralen                         MIN

    o   Water                             H2O

    Voedingsvezels

    -   De celwand van plantaardige cellen bestaan uit cellulose (houtstof).
    -   Voedingsvezels zijn de voor de mens onverteerbare bestanddelen van plantaardige
        voedingsmiddelen.
    -   Voedingsvezels zijn daarom geen voedingsstof voor de mens.
    -   We hebben ze wel dagelijks nodig: vezels prikkelen de darmen tot     peristaltiek waardoor
        het poepen beter gaat/ betere stoelgang.
    -   De spijsbrij wordt door de geprikkelde darmen beter voortgestuwd.

Bouwstoffen
    Nodig voor opbouw (groei) en instandhouding van het lichaam (cellen)
   Eiwitten, Vetten, Koolhydraten, Vitamines, Mineralen, Water. (alles)
Brandstoffen
    Leveren energie, nodig voor handhaving lichaamstemperatuur en beweging
   Eiwitten bij teveel aan E, Vetten, Koolhydraten.
Beschermende stoffen
    zorgen ervoor dat vele lichaamsprocessen goed verlopen (voorkomen van ziektes).
   Vitamines en mineralen.

De energiebehoefte is afhankelijk van
1.      je leeftijd (vergelijk puber met bejaard)
2.      beweging (vergelijk zittend beroep met lichamelijk actief beroep)
3.      geslacht (man heeft meer spierweefsel, dus meer energie nodig dan een vrouw)
4.      lichaamsgrootte (hoe meer lichaamsmassa, hoe meer cellen, dus meer energie nodig)
5.      klimaat/ seizoen (in de winter heb je meer warmteverlies, dus meer energie nodig dan in de
zomer)
6.      snelheid stofwisseling (is wisselend; afhankelijk van de levensfase en mate van activiteit, ook
je aanleg speelt een rol)
Stofwisseling = alle processen in het lichaam waarbij stoffen uit je voeding worden afgebroken en
nieuwe stoffen worden aangemaakt. Is belangrijk voor het functioneren van alle cellen in het
lichaam.
Ruststofwisseling
= de energie die nodig is voor de stofwisselingsprocessen in rusttoestand.
In rust verbruik je +/- 5.000 kJ om te ademen, voedsel te verteren, bloed rond te pompen en
handhaving lichaamstemperatuur.
1 calorie = 4,2 joules
Energiebalans = het evenwicht tussen de hoeveelheid opgenomen energie uit de voeding en de
hoeveelheid energie die wordt verbruikt.
Wanneer de energieopname groter is dan het verbruik dan neemt het lichaamsgewicht toe.

Gebrek aan                                                              Problemen


Vitamine A                                                              huidafwijkingen, nachtblindheid


Vitamine B                                                              prikkelbaar (zenuwstelsel), sneller moe


Vitamine C                                                              slechte wondgenezing, bloedingen,

                                                                        weerstand


Vitamine D                                                              botafwijkingen


IJzer (Fe)                                                              bloedarmoede (anemie)


Calcium (Ca)                                                            snel breekbare botten, Engelse ziekte


Voedingsvezels                                                          ontlastingsproblemen (obstipatie)



1. Eet gevarieerd
2. Niet te veel en beweeg
3. Minder verzadigd vet
4. Veel groente, fruit en brood
 5. Veilig
Schijf van vijf.
Vak 1 – Groente en Fruit. VIT C, voedingsvezels & water.
Vak 2 – Brood, aardappelen, rijst, pasta, en peulvruchten. KH, plantaardige eiwitten VIT B, MIN
calcium en Fe en voedingsvezels
Vak 3 – Zuivel, vlees en vleeswaren, ei, vis, vleesvervangers. E, VIT, MIN Ca en Fe, VITB
Vak 4 – Olien en vetten. Vetten, VIT A D E K
Vak 5 – Drank. H20
Lekkernijen zoals koek, gebak, chocolade, chips en mayonaise staan niet in de schijf van vijf omdat:
    - Deze producten zijn wel voedingsmiddelen, maar bevatten geen of onvoldoende gezonde
         voedingsstoffen.
    - Bevatten teveel vet, suiker, zout en geen/weinig voedingsvezels, VIT en MIN.
De functie van water in ons lichaam:
     transportmiddel (vervoer voedingsstoffen en afvalstoffen naar en van de cellen)
     -regeling temperatuur (zweten!) en verspreiding
     lichaamswarmte
     voorkomt uitdroging van het lichaam
5.4
Ons lichaam is opgebouwd uit cellen:
-mens behoort tot het rijk van de dieren, dus zijn onze cellen dierlijk (dierlijke cellen)
Organisatieniveau’s van klein naar groot:
cel  weefsel  orgaan  orgaanstelsel organisme
Cellen zijn microscopisch klein:
- gemiddelde menselijke cel heeft een diameter van ongeveer vijftien micrometer
- de mens is opgebouwd uit zo’n 50 verschillende soorten cellen
Een cel is een kleine chemische fabriek;
     celkern regelt alle celprocessen
     cel is gevuld met een vloeistof: het cytoplasma
     buitenkant van de cel is het celmembraan:
     een vlies dat de cel van de omgeving afsluit
Celmembraan is niet helemaal dicht: er kunnen stoffen de cel in en uit
Waarvoor zijn bouwstoffen nodig?
     Opbouw weefsels: cellen (groei)
     Vooral tijdens de levensfase: zuigeling en puberteit worden er zeer veel nieuwe cellen
         aangemaakt
     Instandhouding en herstel: cellen sterven af (cellen hebben een bepaalde levensduur) en
         slijtage: b.v. huidcellen, ontstane wondjes die genezen enz.
    Eiwitten: bouwstof (brandstof)
    -Per dag heb je per kg lich. gewicht 1 g eiwit nodig
    -Zie schijf van vijf: vak 2 en 3 leveren eiwitten
    Eiwitten zijn opgebouwd uit aminozuren
    We onderscheiden:
          hoogwaardig eiwit (hoge biologische waarde)
          laagwaardig eiwit (lage biologische waarde)
In hoogwaardig eiwit zitten meer AZ die ons lichaam kan gebruiken voor de vorming van
lichaamseiwitten.
          AZ-samenstelling komt het meest overeen met de AZ-samenstelling van onze
              lichaamseiwitten
        Deze AZ (8 van de 20) noemen we essentiële aminozuren, ze zijn onmisbaar voor ons (we
moeten deze dagelijks via de voeding binnenkrijgen).
Vlees en vis (en alle producten daarvan
          zijn eiwitrijk (hoogwaardige eiwitten)
Hoe komen vegetariërs aan hun eiwitten?
          melk en melkproducten, eieren (hoogwaardige eiwitten)
          plantaardige producten zoals peulvruchten, granen (laagwaardige eiwitten) en
              sojaproducten (vleesvervangers; hoogwaardige eiwitten)
Vegetariërs moeten extra letten op variatie in hun voeding om alle essentiële en niet-essentiële
aminozuren in de juiste verhouding binnen te krijgen!
Veganisten gebruiken niets van dieren.
Ze eten alleen eiwitrijke plantaardige producten.
Fotosynthese = een chemisch proces waarbij lichtenergie wordt vastgelegd in een energierijke stof:
glucose.
FOTOSYNTHESE
6H20 + 6CO2 + lichtenergie -> C6H1206 + 6O2
Water + koolstofdioxide + zonlicht -> glucose + zuurstof
VERBRANDING (vind plaats in alle levende cellen)
C6H12O6 -+ 6O2 > lichtenergie + 6CO2 + 6H2O
De energie die vrijkomt tijdens de verbranding wordt in ons
lichaam gebruikt voor:
handhaving lichaamstemperatuur
opbouw en instandhouding van alle weefsels
(groei en herstel)
lichaamsbeweging
Teveel aan opgenomen energie wordt opgeslagen i.v.v. vet:
in het onderhuidsbind(vet)weefsel
tussen de organen in de buikholte
Cholesterol;
     wordt gemaakt in onze lever
     is nodig voor de opbouw van celmembranen
     is bestanddeel van bepaalde hormonen
     is de grondstof voor het isolatiemateriaal
     rondom de zenuwen

LDL  verzadigd vet (cholesterol) wordt bij een te hoge concentratie in het bloed afgezet aan de
binnenkant van de slagaderwanden. Dit proces heet atherosclerose (aderverkalking)
Een deel zit in onze voeding, vnl in dierlijke vetten: vet vlees, volle zuivelproducten, eieren. De lever
maakt ook zelf cholesterol.
Dit verhoogt het risico op een hartinfarct (Verzadigd = verkeerd, hard bij kamertemperatuur)
HDL  onverzadigd vet (linolzuur) neemt een teveel van het cholesterol op en vervoert het naar de
lever voor uitscheiding of hergebruik.
HDL-vetten zitten vooral in vette vis en plantaardige oliën.
Dit verlaagt het risico op een hartinfarct. (Onverzadigd = Oke, vloeibaar bij kamertemperatuur)

								
To top