Spelvorm Pictionary Lesonderwerp

Document Sample
Spelvorm Pictionary Lesonderwerp Powered By Docstoc
					Spelvorm: Pictionary


Lesonderwerp: Woordenschat


Aantal spelers: Per twee


Dit heb je nodig: Schrijfgerei
‘Pictionary’: handleiding voor de leerkracht



   I.    Lesdoelen, leerplandoelen en ontwikkelingsdoelen

            Lesdoelen:
             - De leerlingen tekenen spreekwoorden, zegswijzen en uitdrukkingen.
             - De leerlingen weten de betekenis van de spreekwoorden, zegswijzen en
                uitdrukkingen.

            Leerplandoelen:
             WOORDENSCHAT:
             - 49. Actieve en passieve basiswoordenschat uitbreiden (figuurlijk
                taalgebruik: spreekwoorden, zegswijzen en uitdrukkingen).

            Ontwikkelingsdoelen:
             WOORDENSCHAT:
             - 10. De leerlingen breiden hun actieve en passieve basiswoordenschat uit.




                                                                 PICTIONARY
       II.      Voorstelling van de werkvorm

                Het gezelschapsspel ‘Pictionary’ is door de meeste leerlingen wel gekend. Bij
                ‘Pictionary’ het de bedoeling om een opgegeven woord/uitdrukking/… te
                tekenen. Een andere persoon moet raden wat er getekend wordt.

                Om het spel te spelen, wordt de klas ingedeeld in duo’s. De duo’s komen om
                beurten aan bod. Ook binnen het duo wordt er afgewisseld: één leerling tekent
                en één leerling raadt wat er getekend wordt.
                De leerling die tekent neemt een spelkaartje van de stapel die in het midden op
                tafel ligt. Hij/zij probeert, zo goed als mogelijk, het spreekwoord, de zegswijze of
                de uitdrukking die op het spelkaartje staat te tekenen. Hij/zij krijgt hiervoor een
                halve minuut de tijd. De leerkracht geeft het begin- en eindsignaal. De andere
                leerling van het duo probeert te raden welk spreekwoord, zegswijze of
                uitdrukking hij/zij tekent.
                Indien hij/zij, binnen de tijd, raadt wat er op het spelkaartje van zijn/haar
                spelpartner staat1, krijgt het duo het spelkaartje en is het de beurt aan het
                volgende duo aan hun linkerzijde.
                Indien hij/zij niet raadt wat er op het spelkaartje van zijn/haar spelpartner staat,
                mogen de andere duo’s raden (in volgorde van spelen). Zo kunnen zij het kaartje
                bemachtigen.
                Het doel van het spel is zoveel mogelijk spelkaartjes te verzamelen en dus zoveel
                mogelijk juist te raden!

                Dit eenvoudige en toch leuke spel is een dankbaar spel om als oefening of
                herhaling te gebruiken in woordenschatlessen en/of lessen over spreekwoorden
                en uitdrukkingen.

                In bijlage 3 vindt u een werkblaadje, waarop de gevonden spreekwoorden en
                zegswijzen kunnen worden ingevuld.




1
    Dit is handig te controleren aan de hand van het oplossingenblaadje (zie bijlage 2).




                                                                                      PICTIONARY
III.   Stappenplan voor de leerkracht

       Hoe kan je van start gaan? Je vindt hieronder een stappenplan terug.

       STAP 1:
       De leerkracht kopieert bijlage 1 en knipt de spelkaartjes uit.

       STAP 2:
       De leerkracht legt uit dat de leerlingen in duo’s ‘Pictionary’ zullen spelen. De
       duo’s komen om beurten aan bod en per duo is er steeds iemand die tekent en
       iemand die raadt. De rollen worden per beurt gewisseld.
       Wanneer de leerkracht het startsignaal geeft, mag de leerling die tekent een
       spelkaartje omdraaien, hij/zij probeert het spreekwoord, de zegswijze of de
       uitdrukking die op het spelkaartje staat te tekenen. Wanneer zijn/haar
       spelpartner raadt wat op het spelkaartje staat, mag dit duo het spelkaartje
       houden en is het de beurt aan het volgende duo. Wanneer er niet juist is geraden
       binnen de tijd, mogen de andere duo’s hun kans wagen. Het spel herhaalt zich,
       tot er geen spelkaartjes meer zijn/de leerkracht besluit om het spel te stoppen.

       STAP 3:
       De leerlingen gaan in groepjes zitten. De leerkracht deelt de spelkaartjes (zie
       bijlage 1) uit.



       STAP 4:
       De leerkracht geeft het startsignaal: de leerlingen kunnen nu beginnen spelen.

       STAP 5:
       Als het spel ten einde is en alle spreekwoorden, zegswijzen en uitdrukkingen
       geraden zijn. Kan er een werkblaadje ingevuld worden (zie bijlage 3). Dit
       werkblaadje kan ook tijdens het spel ingevuld worden.




                                                                  PICTIONARY
BIJLAGE 1: spelkaartjes


                          1                   2



     De aap komt              Het zwarte
     uit de mouw.             schaap zijn.


                          3                   4


                                 Voor een
       Iemands
                              appel en een
     oogappel zijn.
                              ei iets kopen.


                          5                   6


      De appel valt            Appels met
      niet ver van                peren
       de boom.                vergelijken.


                                   PICTIONARY
            7                      8

                        Spreken is
De kat uit de
                     zilver, zwijgen
boom kijken.
                         is goud.


                9                  10


                     Iemand in de
Iemand zwart
                        watten
   maken.
                        leggen.


                11                  12

                     Een addertje
Door de mand
                      onder het
   vallen.
                        gras.


                           PICTIONARY
              13               14

 Iets op de
                    De knoop
   mouw
                   doorhakken.
  spelden.


              15               16

Het komt met
bakken uit de      In de zevende
   hemel.            hemel zijn.



              17                   18

Het in Keulen
                    Een heilig
   horen
                   boontje zijn.
 donderen.


                        PICTIONARY
              19                20

  Een klein
                    Iemand om de
   hartje
                      tuin leiden.
  hebben.


               21               22

 De prins op
  het witte         Door de zure
   paard.           appel bijten.



               23                24
                    Het is als een
Het is koek en       druppel op
ei tussen hen.        een hete
                       plaat.


                          PICTIONARY
BIJLAGE 2: Oplossingen




1. De aap komt uit de mouw.                        13. Iets op de mouw spelden.

De waarheid wordt duidelijk.                       Iemand iets wijsmaken.

2. Het zwarte schaap zijn.                         14. De knoop doorhakken.

Iemand die niet past in de groep, die afwijkt      Een beslissing nemen.
van de groep en daarom vaak de schuld krijgt.

3. Iemands oogappel zijn.                          15. Het komt met bakken uit de hemel.

Een heel geliefd persoon zijn bij iemand           Het regent hard.

4. Voor een appel en een ei iets kopen.            16. In de zevende hemel zijn.

Iets is heel goedkoop, kost niet veel.             Intens gelukkig zijn.

5. De appel valt niet ver van de boom.             17. Het in Keulen horen donderen.

Kinderen gelijken op hun ouders.                   Stomverbaasd zijn, iets niet begrijpen.

6. Appels met peren vergelijken.                   18. Een heilig boontje zijn.

Dingen vergelijken die niet te vergelijken zijn.   Iemand die zich braaf voordoet.

7. De kat uit de boom kijken.                      19. Een klein hartje hebben.

Een afwachtende houding aannemen.                  Gevoelig zijn.

8. Spreken is zilver, zwijgen is goud.             20. Iemand om de tuin leiden.

Soms is het beter te zwijgen dan te praten.        Iemand misleiden.

9. Iemand zwart maken.                             21. De prins op het witte paard

Kwaad spreken over iemand.                         De ideale man, de ware liefde

10. Iemand in de watten leggen.                    22. Door de zure appel bijten.

Iemand verwennen.                                  Een onaangenaam karwei opknappen.

11. Door de mand vallen.                           23. Het is koek en ei tussen hen.

Iemand op een leugen betrappen, je kan niet        Ze zijn zeer bevriend.
wat je beweert te kunnen.

12. Een addertje onder het gras.                   24. Het is als een druppel op een hete plaat.

Het lijkt mooi, maar er is gevaar bij.             Het helpt niets.




                                                                           PICTIONARY
BIJLAGE 3: Werkblaadje leerlingen



OPDRACHT BIJ ‘Pictionary’

    1. Schrijf in de rechtse kolom de juiste betekenis naast elk spreekwoord, zegswijze of
       uidrukking.



SPREEKWOORD, ZEGSWIJZE                                   BETEKENIS
    OF UITDRUKKING
                                          …………………………………………………………………................
1. De aap komt uit de mouw.
                                          ………………………………………………………………………………..


                                          …………………………………………………………………................
2. Het zwarte schaap zijn.
                                          ………………………………………………………………………………..

                                          …………………………………………………………………................
3. Iemands oogappel zijn.
                                          ………………………………………………………………………………..


                                          …………………………………………………………………................
4. Voor een appel en een ei iets kopen.
                                          ………………………………………………………………………………..


                                          …………………………………………………………………................
5. De appel valt niet ver van de boom.
                                          ………………………………………………………………………………..


                                          …………………………………………………………………................
6. Appels met peren vergelijken.
                                          ………………………………………………………………………………..


                                          …………………………………………………………………................
7. De kat uit de boom kijken.
                                          ………………………………………………………………………………..


                                          …………………………………………………………………................
8. Spreken is zilver, zwijgen is goud.
                                          ………………………………………………………………………………..




                                                                  PICTIONARY
                                        …………………………………………………………………................
9. Iemand zwart maken.
                                        ………………………………………………………………………………..

                                        …………………………………………………………………................
10. Iemand in de watten leggen.
                                        ………………………………………………………………………………..

                                        …………………………………………………………………................
11. Door de mand vallen.
                                        ………………………………………………………………………………..

                                        …………………………………………………………………................
12. Een addertje onder het gras.
                                        ………………………………………………………………………………..

                                        …………………………………………………………………................
13. Iets op de mouw spelden.
                                        ………………………………………………………………………………..

                                        …………………………………………………………………................
14. De knoop doorhakken.
                                        ………………………………………………………………………………..

                                        …………………………………………………………………................
15. Het komt met bakken uit de hemel.
                                        ………………………………………………………………………………..

                                        …………………………………………………………………................
16. In de zevende hemel zijn.
                                        ………………………………………………………………………………..

                                        …………………………………………………………………................
17. Het in Keulen horen donderen.
                                        ………………………………………………………………………………..

                                        …………………………………………………………………................
18. Een heilig boontje zijn.
                                        ………………………………………………………………………………..

                                        …………………………………………………………………................
19. Een klein hartje hebben.
                                        ………………………………………………………………………………..




                                                             PICTIONARY
                                         …………………………………………………………………................
20. Iemand om de tuin leiden.
                                         ………………………………………………………………………………..

                                         …………………………………………………………………................
21. De prins op het witte paard
                                         ………………………………………………………………………………..


                                         …………………………………………………………………................
22. Door de zure appel bijten.
                                         ………………………………………………………………………………..

                                         …………………………………………………………………................
23. Het is koek en ei tussen hen.
                                         ………………………………………………………………………………..

                                         …………………………………………………………………................
24. Het is als een druppel op een hete
plaat.                                   ………………………………………………………………………………..




                                                              PICTIONARY

				
DOCUMENT INFO
Shared By:
Categories:
Tags:
Stats:
views:1092
posted:8/9/2010
language:Dutch
pages:12