Docstoc

Lestekst Aan domeinnaam

Document Sample
Lestekst Aan domeinnaam Powered By Docstoc
					BLOK 3          COMMUNICATIE
3.1     Inleiding

Communicatie is informatie uitwisselen. Als jij met iemand praat wisselen jullie continu informatie uit.
Dat gebeurt ook als je met een computer werkt. Je hebt in de vorige blokken al gezien wat
informatiesystemen zijn. Je hebt gezien dat je met zo’n informatiesysteem kunt communiceren (invoer
geven) , meestal via het toetsenbord dat eraan gekoppeld is. Het informatiesysteem communiceert
voor het geven van uitvoer ook met randapparatuur als bv een beeldscherm of een toetsenbord. Hoe
dat ‘precies’ gaat bekijken we in blok 4 als het over Hardware (apparatuur) gaat. In dit blok bekijken
we de verschillende soorten van communicatie die mogelijk zijn.


3.2     Communicatie = Informatie uitwisselen

Bij communicatie is er steeds een zender die een stukje informatie naar een ontvanger stuurt. Zo'n
stukje informatie noemen we een bericht. Vaak, maar niet altijd, kunnen systemen afwisselend als
zender en ontvanger optreden, ze zijn communicatiepartners. Als er bij een communicatieverbinding
één systeem de hele tijd de zender is en het andere systeem alleen maar de ontvanger is, spreekt
men van een simplex verbinding, de (nieuwsberichten) op de radio zijn een voorbeeld van dit type
communicatie.
Als beide systemen zowel zender als ontvanger kunnen zijn, maar niet tegelijkertijd, spreekt men van
een half duplex verbinding. Een voorbeeld van een half-duplex verbinding is de communicatie via een
walky-talky (steeds over zeggen als de ander mag spreken).
Als beide systemen zowel zender als ontvanger kunnen zijn en dat ook tegelijkertijd kunnen zijn, dan
spreekt men van een (full) duplex verbinding. Een telefoongesprek is een voorbeeld van een full-
duplex verbinding: je kunt allebei tegelijk praten, verstandig is het niet.
Bij de verschillende soorten communicatie die we dit blok tegen gaan komen, komen we op de
verschillende soorten verbinding terug.


3.3     Communicatiemiddelen

Bij communicatie kun je gebruik maken van verschillende middelen: je kunt gewoon met elkaar praten
evt. via de telefoon of inspreken op een bandje, je kunt brieven schrijven, je kunt e-mail of SMSen
sturen, je kunt gebaren maken etc.
De middelen die je gebruikt om te kunnen communiceren noemen we communicatiemiddelen of
kortweg media (= middelen). In dit geval heeft het woord media een enigszins andere betekenis dan in
het dagelijks spraakgebruik. In het dagelijks spraakgebruik wordt ermee bedoeld, radio en TV, dag- en
weekbladen. In de informatica is het begrip ruimer: het zijn alle middelen die gebruikt kunnen worden
om te communiceren.

In een aantal gevallen komt de informatie vertraagd bij de ontvanger. Dat is bv zo bij brieven schrijven,
CD of CDROM. In andere gevallen bereikt de informatie direct de ontvanger. Dit is bv zo als je met
elkaar praat.
Als mensen met elkaar communiceren worden vaak meerdere communicatiemiddelen door elkaar
gebruikt: spraak/geluid, gebaren/zicht maar ook tast en reuk hoewel je daar niet direct aan denkt zijn
dan communicatiemiddelen.

Opdracht 3.1
a.    Welke zintuigen gebruik je als je met iemand een gesprek voert in een café?
b.    Wat is het medium bij een gesprek in een café?
c.    Welke communicatiemiddelen zijn niet beschikbaar als je een telefoongesprek voert?
d.    Wat is het medium bij een telefoongesprek?
e.    Welke conventies gelden bij een telefoongesprek?




Informatica                                        1                                  Blok 3: Communicatie
3.4     Protocol

Bij de communicatie per telefoon gebruik je maar één communicatiemiddel: spraak/geluid. Sterke
communicatiemiddelen als beeld/mimiek/lichaamstaal gebruik je bij een gewoon telefoongesprek niet,
wel bij beeldtelefoon (netmeeting). Je zou kunnen zeggen dat de communicatie bij gewoon
telefoneren minder verfijnd is omdat je een deel van de informatie mist. Dat is zeker zo als je zit te
SMSen of e-mailen hoewel er dan trucjes zijn om toch iets over te brengen van je emoties die anders
zichtbaar zijn op je gezicht. Hiervoor gebruik je emoticons of smiley’s.

Communicatiemiddelen zijn nodig om communicatie mogelijk te maken, maar dat is niet voldoende.
Een communicatie loopt volkomen in de soep als je je niet aan regeltjes houdt. Die regels gebruik jij al
onbewust, maar kijk eens naar een moeder met een klein kindje. Die is druk met het duidelijk maken
van regeltjes bij o.m. communicatie (Bv: ‘wat zeg je dan?’ als het kindje een plakje worst krijgt).
Er zijn dus (ongeschreven) regels – conventies – die
    -         de start van een communicatie regelen
    -         zorgen dat een communicatie goed verloopt
    -         het goed afsluiten van een communicatie regelen
Zo is het erg ‘onbeleefd’ om weg te lopen als iemand je een verhaal staat te vertellen. Ook is het
onbeleefd om tijdens het verhaal ineens over iets anders te beginnen, of de vertellende persoon in de
rede te vallen. Dit alles hoort tot de ongeschreven afspraken/de conventies voor communicatie.
Die conventies zijn alleen nodig voor half-dupelx en full-duplex communicatie. Bij simplex
communicatie – bv massacommunicatie als bij radio en TV – is het minder belangrijk om
communicatieregels vast te stellen. De radio stuurt radiogolven de ether in en jij moet maar zien of je
die wilt laten verwerken door jouw radio.

Elke vorm van communicatie heeft zijn eigen regels. Bij schriftelijke communicatie heb je andere
regels dan bij elektronische communicatie of bij een gesprek.
Als je een fax schrijft zet je bv in de kop van het bericht voor wie de fax bestemd is, waarover de fax
gaat en wie de afzender is. Bij het schrijven van een brief is het overeenkomstig, denk maar aan de
lessen Nederlands waarin je een brief leert schrijven.

Voor school is dat:




Bij elektronische communicatie is een dergelijke aanhef vaak niet nodig.

De informatie die je uitwisselt om de communicatie goed te laten verlopen heet stuurinformatie. Je
moet hierbij denken aan:
    -        contact leggen
    -        wisselen van rol: zender wordt ontvanger v.v.
    -        de ontvangst van berichten bevestigen
    -        aangeven dat een bericht (niet) goed is overgekomen
    -        het contact verbreken/stoppen met de communicatie

Het geheel van afspraken over de communicatie, en vooral de afspraken over stuurinformatie,
noemen we het communicatieprotocol of kortweg protocol.

Dit protocol is ook van groot belang bij de communicatie tussen computers. Als computers met elkaar
communiceren dan moet dat digitaal. De informatie bestaat dan uit bits. Als twee computers



Informatica                                         2                                 Blok 3: Communicatie
communiceren zendt de ene computer een aantal bits naar de andere computer. In het protocol staat
hoe dit moet gebeuren. In het protocol spreken de computers bv af hoe snel de bits elkaar opvolgen,
na hoeveel bits de ontvanger een bevestiging stuurt, hoe de zender aangeeft dat dit het einde is van
het bericht, etc
Een bekend protocol bij internetverindingen is PPP (Point to Point Protocol). We komen later – bij
netwerken – terug op de protocollen die computers gebruiken.

Opdracht 3.2 (Doe deze opdracht evt. thuis, als je geen fax kunt kiezen hier op school)
Kies Bestand  Nieuw  Brieven en faxen in Word en kies een fax uit. Je ziet dan wat er in de kop
van een fax hoort te staand

Opdracht 3.3
a.     De vijf soorten stuurinformatie die hierboven worden genoemd, komen ook voor als je een
       gesprek aanknoopt met iemand in een café. Geef van elk soort een voorbeeld.
b.     Het pinnen in een winkel verloopt volgens een bepaald protocol. Beschrijf dit protocol.


3.5     Communicatie d.m.v. een taal : syntax en semantiek

Taal is het belangrijkste communicatiemiddel dat we kennen. Net als bij andere informatie bestaat taal
uit tekens met hun betekenis.
Gesproken taal bestaat uit klanken. Samen vormen die klanken woorden en zinnen.
Geschreven taal bestaat uit tekens, bij ons letters genoemd (in Chinees karakters). Die letters vormen
samen woorden en zinnen.
De woorden en zinnen hebben een betekenis die de ontvanger kan begrijpen als de samenstelling
klopt en als hij de taal kent.
Bv:      Iemand die geen Engelse taal kent begrijpt niet wat ‘John sat on the couch’ betekent.
         Als je Nederlands kent, begrijp je toch niet (goed) wat ‘Bank de ging zitten op John’ betekent.

In het eerste voorbeeld begrijp je het bericht niet omdat je niet dezelfde taal spreekt.
In het tweede voorbeeld begrijp je het niet omdat de volgorde van woorden niet klopt. In dit geval heeft
men zich niet gehouden aan de regels voor het opbouwen van een bericht: de taalregels of syntaxis.
Als je de syntax van een taal kent dan kun je taalkundig correcte zinnen maken.

Ook als je taalkundig correcte zinnen maakt (dus juiste syntax) hoeft het niet zo te zijn dat de
ontvanger het bericht begrijpt.
Bv.:    De uitgeputte fietser dronk een glaasje ijsthee
        De uitgeputte fiets dronk een glaasje ijsthee.

Dus: De syntax en semantiek van een bericht moet kloppen anders komt het bericht niet over.

Soms is syntax en semantiek juist maar is een bericht dubbelzinnig. Je moet de betekenis dan
afleiden uit de context. Als dat niet kan kunnen er toch fouten/misverstanden optreden.
Bv:     Geef mij eens een bakkie.
Kan de vraag om een kopje koffie of de vraag om een zender zijn. Je moet uit de rest van het verhaal
opmaken wat het hier zal zijn.




Informatica                                         3                                 Blok 3: Communicatie
Opdracht 3.4
In de onderstaande zinnen zitten fouten in de syntax en/of in de semantiek of allebei. Geef per zin aan
waar welke fout zit.
a.      Hallo, wie is jij?
b.      De zwarte sneeuw bedekte de aarde.
c.      Informatica is een vak boeiend.
d.      Gisteren was de temperatuur erg warm, vandaag is het een stuk kouwer.


3.6     Wie communiceren er nu eigelijk?

Als we het hebben over communicatie, dan hebben we het over informatie-uitwisseling tussen
informatiesystemen. Je weet wat informatiesystemen zijn, het kan zowel een mens als een apparaat
zijn. We beschouwen hen als een informatiesysteem als zij informatie opnemen uit hun omgeving en
daar iets mee doen. Communicatie tussen informatiesystemen kan communicatie zijn tussen mensen,
tussen mens en apparaat of tussen apparaten onderling zijn. We onderscheiden:
      mens – mens – communicatie
      mens – machine - communicatie
      machine – omgeving - communicatie
      machine – machine – communicatie

In alle gevallen kan er alleen communicatie plaatsvinden als beide communicatiepartners dezelfde
taal kennen en dezelfde leefwereld hebben.

Begrippen die hierbij aan de orde komen zijn :
            verbale- en non-verbale communicatie (alleen bij mens-mens-communicatie)
            zender, boodschap via medium, ontvanger
            communicatietaal, protocol, stuurinformatie,
            interface (niet bij mens-mens-communicatie)
            syntax en semantiek
            simplex, half-duplex, duplex

De betekenis van al deze begrippen zullen we bij elke vorm van communicatie bekijken. Maar eerst
bekijken we communicatie wat nader.
De genoemde manieren van communiceren zie je ook in de video die we gaan bekijken. Die
videoband gaat eigenlijk over massamedia. De massamedia zijn er om te communiceren met de
massa, wij dus. In de video zie je dus ook veel over communicatie.
Je hoort en ziet wat verbale- en non-verbale communicatie is, op welke manieren er
gecommuniceerd wordt. Ook kom je de eerder genoemde begrippen (bij ) tegen.

Opdracht 3.5
Wat wordt er bedoeld met massamedia? Geef voorbeelden.

Opdracht 3.6
Vul in de begrippenlijst aan het eind van deze lestekst de bovenstaande begrippen (bij ) in.


MENS – MENS – COMMUNICATIE

Opdracht 3.7
a. Op welke manieren kunnen mensen met elkaar communiceren? Denk hierbij aan zowel verbale-
   als non-verbale manieren van communicatie.
b. Wat is in die gevallen het communicatiemedium?
c. Omschrijf de begrippen (bij ) voor mens-mens-communicatie.




Informatica                                        4                                Blok 3: Communicatie
MENS – MACHINE – COMMUNICATIE

Voorbeelden hier van zijn:
Mens – kopieerapparaat - communicatie, mens-kaartjesautomaat-communicatie, mens – GSM –
communicatie, mens – rekenmachine – communicatie, mens – computer(programma) – communicatie
etc. De machine kan dus een computer zijn, maar ook een ander apparaat. In ieder geval krijg je
hierbij ook te maken met de interface die de communicatie mogelijk maakt. Eigenlijk is er geen sprake
van verbale- en non-verbale communicatie.

We bekijken hier het voorbeeld van de computers als tekstverwerker. Wij communiceren met een
tekstverwerker via de interface van de tekstverwerker. Die bestaat uit een pull-down-menu en een
aantal werkbalken met iconen. Het zou mooi zijn als een gebruiker meteen ziet wat zij nodig heeft. Dat
is helaas niet altijd het geval. Je moet leren werken met een programma.
Door de interface van veelgebruikte programma’s op elkaar te laten lijken (standaardisatie), wordt het
– door gebruik – wel steeds duidelijker. MSWindows met MSOffice is een voorbeeld van
standaardisatie.
Daarnaast kunnen ze iconen bv laten lijken op dingen die bekend zijn, ze gebruiken metaforen. Zo
wordt voor afdrukken een printertje, en een schaartje voor knippen, gebruikt.

Standaardisatie kan ontwikkelingen in de weg staan. Als je bv naar het toetsenbord kijkt dan lijkt de
indeling daarvan onlogisch. Dat is niet zo. Die indeling dateert uit de tijd van de eerste typemachines.
De letters werden zo geplaatst dat de hamertjes niet vast konden lopen. In Nederland leidde dat tot
het QWERTY toetsenbord. En dat blijft zo omdat de mensen eraan gewend zijn.

De metaforen raken sneller uit de tijd. Zo staat er nu nog een diskette voor het opslaan, maar
binnenkort bestaan er geen diskettes meer…

Opdracht 3.8
a.     Vergelijk het numerieke gedeelte van het toetsenbord met dat van een (mobiele) telefoon. Wat
       valt je op?
b.     Leg uit welke indeling je het handigst vindt?

Opdracht 3.9
a.     Beschrijf de communicatiefunctie van een (jouw) videorecorder aan de hand van de interface
       van de afstandsbediening.
b.     Beschrijf op dezelfde manier de communicatiefunctie van je mobiele telefoon.
c.     Geef drie voorbeelden van standaardisatie van het gebruik van apparaten.

Opdracht 3.10
Beschrijf de bij  genoemde begrippen voor mens-machine-communicatie.


MACHINE – OMGEVING – COMMUNICATIE

Als een apparaat dingen uit de omgeving kan waarnemen en er iets mee kan doen, zou je kunnen
zeggen dat de omgeving met het apparaat communiceert. Er is immers een informatie-uitwisseling
tussen de omgeving en het apparaat. Een voorbeeld van zo’n communicatie zul je later zien in de
praktische opdracht.

In moderne fabrieken wordt de IT (Informatietechnologie) veel toegepast voor de besturing van
machines. Een draaibank kan bv betsuurd worden via een interface. In feite programmeer je de
draaibank dan in wat het moet gaan doen.

In de industrie wordt veel gebruik gemaakt van robots. Japanners proberen ook robots te maken die
onze butler kunnen zijn. Robots (meestal robotarmen) kunnen taken voor ons uitvoeren, daarvoor
worden ze geprogrammeerd. Robots kunnen de omgeving waarnemen. Als er iets tussen de
grijperarm zit, dan wordt dat bv waargenomen. Die informatie komt van een sensor die waarneem dat
er iets tegen de binnenkant van de grijperarm drukt.
In dit geval hebben we het over een druksensor. Er bestaan ook andere sensoren:
temperatuursensoren, lichtsensoren etc



Informatica                                         5                                 Blok 3: Communicatie
Een robotarm wordt bewogen door motoren in de arm. Daardoor kan de arm door de ruimte bewegen.
Je zou kunnen zeggen dat de robot daarmee invloed heeft op de omgeving. Dat is zeker zo als de
beweging afhangt van wat de sensor heeft waargenomen.

In dat geval spreken we van actuatoren, apparaten die reageren op een signaal dat bv afgegeven
wordt6 door een sensor. Zo zijn onze spieren actuatoren. Als iemand op onze teen gaat staan, geven
de druksensoren in de teen (zenuwuiteinden) door dat er iets moet gebeuren. Het zenuwcentrum
(onze hersenen) bepalen wat er moet gebeuren. Ze zijn daar in de loop der tijd op geprogrammeerd.
In de industrie zijn er allerlei actuatoren: actuatoren om een kraan open en dicht te ‘draaien’, een
alarmsignaal te geven, etc.

Veel van de huidige robots zijn beperkt in hun interactie met de omgeving. Robots in een autofabriek
draaien steeds dezelfde schroefjes vast. Spuitrobots spuiten steeds een carrosserie. Ze nemen niet
waar als er iets niet goed is.
Er wordt veel onderzoek gedaan naar Robots die wel reageren op de omgeving. Een voorbeeld
daarvan is Robocup waarin Robots een parteitje voetbal met elkaar spelen. Die Robots nemen de bal
waar en reageren daarop. In Japan zijn veel proefjes met Robots die op een dier (hondje) of mensen
(mannen, er is pas 1 robot die op een vrouw lijkt gemaakt) lijken. Deze robots kunnen al door een
ruimte wandelen als die niet te ingewikkeld is (vlak boven de grond mogen bv niet te veel obstakels
zijn). Zo’n robot neemt m.b.v. sensoren waar of er een wand is, en dat hij van looprichting moet
veranderen. Zo’n robot vindt na verloop van tijd beslist de uitgang van een doolhof.
Robots die zelfstandig kunnen opereren zijn al toegepast in de ruimtevaart. Het karretje Sojourner
moest zelfstandig op de planeet Mars kunnen rondrijden. Besturing vanaf de aarde was immers
onmogelijk doordat de signalen van Mars naar de aarde 1 kwartier onderweg zijn, de signalen terug
ook …

Opdracht 3.11
De docent heeft een lego-robot gebouwd. Het is de bedoeling dat deze robot over de vloer rijdt tot hij
een zwarte streep tegenkomt. Dan moet hij een geluidssignaal geven en de andere kant oprijden.

a.      Wat voor een soort sensor heeft deze lego-robot nodig?
b.      Wat heeft de lego-robot verder nodig om te doen wat wij willen dat hij doet?

De docent demonstreert de lego-robot

c.       Leg uit of de robot ook een geluidssignaal zou geven en de andere kant zou oprijden als hij
         een donkerblauwe lijn tegenkomt?
d.       Hoe zou je ervoor kunnen zorgen dat de robot alleen maar reageert op een zwarte lijn?
e.       Leg uit wat je nodig hebt om een robot tussen twee 'stootblokken' heen en weer te laten
         rijden?

Opdracht 3.12
Een geldautomaat bevat een groot aantal sensoren en actuatoren. Sommige spelen een rol bij het
normale gebruik van de automaat, andere zijn ingebouwd om foutsituaties te detecteren.
Maak een zo compleet mogelijke lijst van de sensoren en actuatoren in een geldautomaat. Noteer de
functie van de betreffende sensor of actuator

Opdracht 3.13
a. Beschrijf waarom een verwarmingsinstallatie in huis ook gezien kan worden als een voorbeeld van
   machine-omgeving-communicatie is.
b. Alleen VWO: Maar is de verwarmingsinstallatie en de omgeving dan wel een informatiesysteem?

Opdracht 3.14
Beschrijf de bij  genoemde begrippen voor machine-omgeving-communicatie.




Informatica                                       6                                    Blok 3: Communicatie
MACHINE – MACHINE – COMMUNICATIE

We kijken hier nu alleen naar computer – computer – communicatie. Dat kan alleen via een netwerk.
In een netwerk zijn computers op de een of andere manier met elkaar verbonden. Het schoolnetwerk
is een voorbeeld van zo’n netwerk, maar ook het internet is zo’n netwerk.

        De onderstaande tekst – in het kader - hoef je alleen door te lezen. Het wordt niet
        teruggevraagd in toetsen.

        Communicatie in een netwerk kan alleen via bits, de digitale vorm van gegevens. Bij
        uitwisseling van digitale gegevens/informatie wordt meestal gesproken over
        datacommunicatie.
        Datacommunicatie kan over kleine afstand (binnen een computer bv) of over grote afstand
        (schoolnetwerk, of internet bv) gaan. Als de datacommunicatie over grote afstand plaatsvindt
        dan spreken we ook wel over telecommunicatie. Voorbeelden van telecommunicatie zijn:
                        werken met internet: www, e-mail, chat, (ICQ), nieuwsgroepen,
                         discussiegroepen, FTP
                        idem in een intranet
                        videoconferencing, telewerken, teleleren
                        EDI
                        telebankieren
                        etc
        Veel van deze begrippen ben je al tegengekomen in de Video die je gezien hebt. Elk begrip
        zal hierna ook nog even besproken worden. De begrippen komen ook nog in de les aan de
        orde.

        Intranet:
                 Een internet binnen een bedrijf of school – lokaal – netwerk. Het komt er eigenlijk op
                 neer dat binnen het netwerk alleen gebruik gemaakt wordt van toepassingen die ook
                 op internet kunnen werken (zie hierna). Het lijkt dus net of je op internet werkt, maar je
                 maakt alleen gebruik van lokale computers, en je bent niet aangesloten op het
                 wereldwijde internet.

        WWW: World Wide Web.
             Wordt meestal het internet genoemd. Het is daar uitgebreid aan de orde geweest.
             Op het WWW wordt gewerkt met het TCP/IP-protocol. Wat dat inhoudt lees je hierna.
             Om het WWW te kunnen gebruiken heb je een browser (=bladeraar) nodig, bv Opera,
             Internet Explorer of Netscape.

        E-mail: Electronic Mail
                In feite is dit op digitale manier verzenden van briefjes. Evenals bij gewone post (=
                snail-mail) moet die mail (=e-mail) geadresseerd worden, en zijn er regels waar je je
                aan hebt te houden (het communicatieprotocol). We komen daar straks op terug. Je
                hoeft niet tegelijk on-line te zijn.
                Email protocollen zijn bv POP3, SMTP en IMAP. Wat dat inhoudt lees je hierna.
                Om e-mail te kunnen gebruiken heb je een email-programma of een browser nodig.
                Bekende email-programma’s zijn : Eudora en Outlook (Express).

        Chat:   Dit doe je in een chatbox. Wat dit is, zegt het woord al: Babbelen in een babbelbox. Je
                babbelt met iemand op afstand, niet op de gewone manier maar schrijvend. Jullie zijn
                nu allebei (allemaal) on-line.
                Hiervoor het je een browser nodig.

        ICQ:    E-mail en Chat tegelijkertijd.
                Je hebt gewoon een browser nodig.

        Nieuwsgroepen/Discussiegroepen:
              Email maar de email blijft staan in een bepaalde structuur die bv lijkt op de
              directorystructuur van je harde schijf. Nieuwsgroepen gaan altijd over een bepaald
              thema. Als je veel over dat thema wilt weten, is het handig om je op zo’n nieuwsgroep



Informatica                                         7                                  Blok 3: Communicatie
                te abonneren.
                Er zijn aparte nieuwsgroepen-programma’s, maar je kunt de nieuwsgroepen ook
                benaderen met een browser.

        FTP:    Gebruik je als je bestanden naar een andere computer, bv de computer van je
                provider, wilt zetten, of als je bestanden van een computer op afstand wilt halen. FTP
                kan met speciaal daarvoor bestemde programma’s of m.b.v. een browser.
                Het protocol dat hier gebruikt wordt is het FTP-protocol. Dit protocol maakt gebruik
                van/is gebaseerd op TCP/IP en zal daarom niet apart besproken worden.

        Videoconferencing:
               Een voorbeeld daarvan heb je in de video gezien. Je zou kunne zeggen dat het chat is
               met beeld. Je kunt in beeld en geluid via een computer communiceren. Thuis zou je
               daarvoor een webcam kunnen gebruiken. D.i. een cameraatje verbonden met je
               computer. Voor 1 op 1 communicatie kun je bv het programma Netmeeting gebruiken.

        Telewerken/Teleleren:
               Bv thuis werken/leren en daarbij gebruik maken van bronnen die op je werk/school
               aanwezig zijn. Hiervoor maak je gebruik van het Internet: via het internet (een
               intranet) benader je de bronnen.

        Telebankieren:
               Eigenlijk hetzelfde als telewerken of teleleren, alleen maak je nu contact met je bank.
               Belangrijk hierbij is beveiliging. Regelmatig hoor je dat krakers toch ongewenste
               zaken kunnen doen. Zij breken door de beveiliging.

        EDI:    Electronic Data Interchange, elektronische gegevensuitwisseling. Dit kan bv gebruikt
                worden door Albert Heyn. Via de kassa wordt bijgehouden hoe groot de voorraad is.
                Wordt de voorraad te klein/komt het onder een bepaalde waarde, dan stuurt de
                centrale computer automatisch een bestelbericht naar de leverancier. De computer
                van de leverancier ontvangt dit, maakt onmiddellijk een rekening die teruggestuurd
                wordt naar de computer van AH, en zorgt voor de bestelling. Hier komt geen
                personeelslid aan te pas. Door EDI kan ook Just in Time besteld worden, er is vrijwel
                geen magazijn in het filiaal meer nodig.
                Natuurlijk gaat het niet helemaal zoals hier beschreven maar het geeft wel het principe
                aan.
                Een ander mooi voorbeeld van de toepassing van EDI is het bestellen van een auto:
                pas als de klant besteld heeft, worden de gegevens over kleur, stoelbekleding etc etc
                via EDI doorgegeven aan de fabriek die dan de bestelde auto produceert, de rekening
                via EDI terugstuurt en zorgt voor de levering (logistiek).
                Een als laatste voorbeeld dat we hier noemen: Een transportbedrijf dat goederen
                transporteert tussen Nederland en Frankrijk zal voor vertrek via EDI alvast bij de
                douane melden welke goederen op welk moment de grens in welke auto gaan
                passeren. De aangifte bij de douane wordt dus via EDI alvast electronisch gedaan,
                waardoor het transport sneller kan verlopen.
                Je begrijpt dat juist voor EDI precies afgesproken moet worden hoe een bericht in
                elkaar moet zitten. Het moet immers door alle programma’s overal ter wereld verwerkt
                kunnen worden.
                Hier is vooral betrouwbaarheid van belang. Er moet gecontroleerd worden op de
                betrouwbaarheid van de gegevens.
                Voor EDI zijn aparte programma’s nodig, die vaak alleen gegevens uit een bepaald
                programma geschikt maken voor verzenden op de gewenste manier.




Informatica                                        8                                Blok 3: Communicatie
3.7     De gebruikte protocollen:

Het TCP/IP-protocol:
       Uitgeschreven is dit het Transmission Control Protocol/Internet Protocol. Wat houdt dit in?
       Elke computer die aangesloten is op het internet is een zgn. Host. Het IP-protocol zorgt ervoor
       dat de Hosts met elkaar kunnen communiceren. In het IP-protocol is vastgelegd dat elke Host
       een uniek IP-adres krijgt bij het inloggen/aansluiten op het internet. Als jij inlogt bij je provider,
       krijg jij zo’n IP-adres van je provider. Typ thuis maar eens command gevolgd door winipcfg
       (win98 en winME) of cmd gevolgd door ipconfig (Win2K en WinXP) in het startmenu bij
       uitvoeren. Je ziet dan het nummer dat jouw computer toebedeeld heeft gekregen.
       Een boodschap die verstuurd moet worden van een host naar een andere host maakt een reis
       door het internet. Hoe dat precies gaat, leer je bij Hardware. Nu hoef je alleen te weten dat in
       het IP-protocol ook ook afspraken over de adressering van het bericht opgenomen zijn: in elke
       bericht staat het IP-adres van de computer waar het naartoe moet (de bestemming) en het IP-
       adres van de afzender (zodat het bericht teruggestuurd kan worden).
       IP-adressen zijn dus nummers. Toch zie jij dat (meestal) niet omdat de nummers vertaald
       kunnen worden naar tekst. Een zgn DNS-server doet die vertaling (DNS=Domain Name
       Server).
       Als jij bv zegt dat je wil kijken bij www.broklede.nl, dan stuur je dat bericht naar de DNS-server
       van je provider. Die zoekt het IP-nummer op van www.broklede.nl en zendt dat nummer door.
       Als jij iets binnenkrijgt zie je ook alleen het vertaalde nummer. Je kunt ook direct het nummer
       van een site intypen in de adresregel van je browser. De DNS-server is te vergelijken met een
       telefoonboek.
       In het IP-protocol staan w.s. nog meer afspraken maar dit is het belangrijkste.
       Is het IP-protocol typisch het communicatie protocol, het TCP-protocol is het transport-
       protocol. Het TCP-protocol zorgt ervoor dat het transport goed verloopt.
       Het TCP-protocol doet foutcontroles en zorgt dus voor de betrouwbaarheid van
       bestandsoverdracht. Ook regelt het dat aangegeven wordt waarvoor een bericht bedoeld is.
       Het gaat dan niet om de Host waarvoor het bericht bedoeld is maar om het proces waarvoor
       een bericht bedoeld is. Op een Host kunnen meerdere processen draaien. Dit laatste begrijp
       je mogelijk nu nog niet, je hoeft je er niet zo druk om te maken.

Het UDP-protocol:
      Uitgeschreven is dit het User Datagram Protocol. Dit wordt gebruikt als de betrouwbaarheid
      van TCP niet nodig is of als de data-overdracht snel moet zijn. Dat is bijvoorbeeld zo bij Video-
      overdracht. Bij UDP worden pakketjes die niet aangekomen zijn niet opnieuw gestuurd.

Het ICMP en IGMP-protocol:
       Naast TCP/IP en UDP bestaat nog ICMP en IGMP. ICMP is Internet Control Message
       Protocol wordt gebruikt om netwerkfouten en netwerkverstoppingen op te zoeken en time-outs
       te melden.
       IGMP is I nternet Group Membership Protocol wordt gebruikt voor het tot stand brengen van
       een verbinding tussen leden van multicastgroepen. Multicastg grioepen zijn groepen
       computers die gelijktijdig berichten van een enkele computer (of ander apparaaat) ontvangen.
       Meestal wordt IGMP gebruikt voor het doorzenden van doorlopende videobeelden en andere
       multimediagegevens van het internet..


HTTP, HTTPS, en FTP protocol
      Bij het internetten zie je vaak HTTP en HTTPS staan. Dit staat voor Hypertext Transfer
      Protocol en Hypertext Transfer Protocol Secure. Op de achtergrond wordt TCP/IP gebruikt.
      Dat is ook het geval bij FTP. FTP staat voor File Transfer Protocol. Dit gebruik je als je
      pagina’s naar je site wilt verplaatsen bijvoorbeeld.

E-mail en bijbehorende protocollen:
        Elke e-mail gebruiker heeft een eigen postbus, ook wel mailbox genoemd. In deze postbus zit
        alle binnengekomen post, d.i. de post die naar de gebruiker gestuurd is. De mailbox bevindt
        zich niet op de computer van de gebruiker zelf maar op een ‘postkantoor’. Als je een internet-
        abonnement bij een provider hebt, speelt een computer van je provider voor postkantoor. Hier
        op school speelt een computer in school voor postkantoor.



Informatica                                          9                                   Blok 3: Communicatie
        De reden waarom je postbus niet op je eigen computer staat, is eigenlijk heel eenvoudig: als
        je computer niet aan staat moet de post toch bezorgd kunnen worden. Het postkantoor moet
        altijd open zijn, het moet dus een computer zijn die altijd aan staat.
        De techniek die gebruikt wordt om je post in het postkantoor op te halen heet het Post Office
                                                                              e
        Protocol, of kortweg POP-protocol. Inmiddels zijn we toe aan de 3 versie van dit protocol, we
        werken t.w. volgens het POP3-protocol.
        In het POP3-protocol liggen afspraken vastgelegd voor het ophalen van elektronische post uit
        je mailbox. Zo is er bv in vastgelegd dat je je moet kunnen identificeren alvorens je je post
        mag ophalen, anders zou je immers ook even de mail van je buurvrouw kunnen ophalen
        zonder dat zij daar toestemming voor heeft gegeven. Je identificeert je door je
        gebruikersnaam op te geven en je wachtwoord. Verder wordt in POP vastgelegd welke keuze
        je gemaakt hebt w.b. het versturen van de post:bij het inloggen ineens alle post uit je mailbox
        naar jouw computer transporteren of slechts een kopie van de post uit je mailbox naar jouw
        computer transporteren. In dat laatste geval blijft de post ook in je mailbox staan. Voordeel
        daarvan is dat je het ook nog kunt lezen op een andere computer, nadeel is dat je niet een
        oneindig grote mailbox hebt, en dat je mailbox vol kan raken. In dat laatste geval kun je weer
        regelen dat het maar een beperkt aantal dagen blijft staan.
        Natuurlijk is er nog meer vastgelegd in het POP-protocol, maar het voorgaande zijn toch de
        belangrijkste afspraken.



                      Computer                                   Postvakjes
                      waar post                                  van
                      wordt                                      gebruikers
                      gelezen.
                                          SMTP-
                                          protocol
                    Mailprogramma
                                                               Postkantoor



                                            POP3-
                                            protocol




        Voor het verzenden van mail vanaf jouw computer naar het postkantoor wordt een ander
        protocol gebruikt: het SMTP-protocol, het Simple Mail Transfer Protocol. Het postkantoor is
        hier het verzendkantoor. Dit verzendkantoor kan in dezelfde computer zijn als het postkantoor,
        dat hoeft echter niet. Bij de meeste providers zul je een ander adres moeten opgeven voor de
        POP-server en voor de smtp-server (bij planet bv.: pop3.planet.nl en smtp.planet.nl) zij
        gebruiken voor beide diensten verschillende computers.

                                                                                SMTP-server
                                                               Distributie-
                                                               kantoor
                      Computer
                      waar post
                      wordt                    SMTP-
                      gelezen.                 protocol


                    Mailprogramma                                               POP-server

                                                               Postkantoor
                                             POP3-
                                             protocol



        In het SMTP-protocol wordt alleen geregeld hoe de mail naar het verzendkantoor gestuurd
        wordt. Verder hoeft niets geregeld te worden, het verzenden naar de geadresseerde wordt
        door het verzendkantoor via TCP/IP geregeld (zie hiervoor).




Informatica                                          10                              Blok 3: Communicatie
        Voor het verzenden hoef je je natuurlijk (?) niet te identificeren. Verzenden van email onder
        jouw naam kan dus op elke computer.

        Een nieuw protocol is het IMAP-protocol gebruikt bv bij webbased email, maar het kan bv ook
        bij Netscape-email ingesteld worden dat je volgens dit protocol wilt werken.
        In het IMAP-protocol wordt geregeld dat de email in de mailbox blijft staan en hoe je het daar
        kunt bekijken. Om eerder genoemde reden – het vollopen van je postbus – moet natuurlijk ook
        geregeld worden hoe lang je mail blijft staan, en hoe je kunt aangeven welke mail weg kan
        etc.
        Natuurlijk wordt er meer geregeld maar het voorgaande is het belangrijkste.

        Waar we het nu alleen over gehad hebben zijn verzendprotocollen, daarnaast zijn er ook
        gebruikers-protocollen:
        Sommige van die afspraken worden eigenlijk gedicteerd door de op het internet gebruikte
        protocollen. Deze schrijven bv voor dat een email-adres op een bepaalde manier in elkaar zit:
        gebuikersnaam @ providernaam (eig.domeinnaam). landcode
        bv pietje@puk.nl

        Andere afspraken liggen op het vlak van gedragsregels:
                      schrijven in hoofdletters schreeuwen
                      afko’s zijn geoorloofd. Een voorbeeld daarvan is ‘CU’
                      zgn smiley’s behoren tot de email-taal, bv ;-) of :- x etc
                      stuur nooit het hele emailbericht dat je kreeg terug met bv 1 woordje
                       antwoord.
        etc


Opdracht 3.15
Beschrijf de bij  genoemde begrippen voor machine-machine-communicatie.

Opdracht 3.16
Vul de begrippenlijst in op bijlage 2 bij dit blok.

3.8     Eindopdracht

Opdracht 3.17
Doe de eindopdracht op bijlage 1 van dit blok.

Opdracht 3.18
    Sla je verslag of presentatie op in je portfolio
    Vul de begrippenlijst in het portfolio aan met de begrippen van dit hoofdstuk
    Schrijf in de beschrijving van wie jij bent wat je er in dit blok bijgeleerd hebt.




Informatica                                           11                                  Blok 3: Communicatie

				
DOCUMENT INFO
Shared By:
Categories:
Tags:
Stats:
views:10
posted:6/4/2010
language:Dutch
pages:11