Your Federal Quarterly Tax Payments are due April 15th Get Help Now >>

april De rechtspersoon bestuurder in de VZW februari domeinnaam by benbenzhou

VIEWS: 125 PAGES: 17

									                                                                                              2 april 2008


De rechtspersoon-bestuurder in de VZW
Vaak zet men “voor het goede doel” als bestuurder de schouders onder een VZW. Dit kan weliswaar
verregaande gevolgen hebben. Zijn goede bedoeldingen kunnen de bestuurder immers, indien hij
een fout zou begaan in de vervulling van zijn taak, duur komen te staan.
Kan een natuurlijke persoon die gevraagd wordt een bestuurdersmandaat op te nemen in een VZW,
zijn aansprakelijkheid nu nog beperken of beheersen door het uitoefenen van dit mandaat via een
rechtspersoon?

1.      RECHTSPERSOON-BESTUURDER

Bij de vennootschappen werd deze techniek reeds eerder uitgehold door de Wet Corporate Governance die de
verplichting van de vaste vertegenwoordiger invoerde, waarbij de fysieke persoon aansprakelijk is alsof hij het
bestuurdersmandaat in eigen naam en voor eigen rekening zou volbrengen.

In tegenstelling tot wat geldt voor vennootschappen, voorziet de VZW-wet niet in de verplichte aanstelling van
een vaste vertegenwoordiger. Bij de VZW’s kunnen nog steeds rechtspersonen als bestuurder worden
benoemd, zonder dat een fysieke persoon als vaste vertegenwoordiger moet worden aangeduid. Bijgevolg zal
deze rechtspersoon-bestuurder in de uitoefening van haar bestuursopdracht niet door een vaste
vertegenwoordiger vertegenwoordigd worden, maar door haar organen (bv. gedelegeerd bestuurder of
zaakvoerder).

2.      AANSPRAKELIJKHEID VAN DE VERTEGENWOORDIGER VAN DE RECHTSPERSOON-BESTUURDER

De juridische verhouding tussen de vertegenwoordiger en de rechtspersoon-bestuurder is te beschouwen als
een lastgevingcontract: de vertegenwoordiger treedt op in naam en voor rekening van de rechtspersoon-
bestuurder. Op de relatie tussen de vertegenwoordiger en de rechtspersoon-bestuurder, zijn aldus de
gemeenrechtelijke bepalingen van lastgeving van toepassing.

Overeenkomstig dit gemeen recht is de vertegenwoordiger slechts aansprakelijk voor de schade veroorzaakt
door een persoonlijk begane fout in de vervulling van zijn taak.
De vertegenwoordiger moet zich namelijk inspannen bij het uitvoeren van zijn opdracht en er alles aan doen
om fouten te voorkomen. Door het aanvaarden van het mandaat verbindt de vertegenwoordiger zich er immers
toe om zijn best te doen en alles in het werk te stellen om de hem toevertrouwde opdracht tot een goed einde
te brengen.

Om haar vertegenwoordiger aansprakelijk te kunnen stellen, zal de rechtspersoon-bestuurder aldus moeten
aantonen dat haar vertegenwoordiger in de vervulling van zijn opdracht is tekortgeschoten. De
vertegenwoordiger moet bijgevolg rekening afleggen en zich t.o.v. de rechtspersoon-bestuurder
verantwoorden.

De vertegenwoordiger vertegenwoordigt de rechtspersoon-bestuurder. De rechtspersoon-bestuurder is aldus
gebonden door alle handelingen door de vertegenwoordiger gesteld. De rechtspersoon-bestuurder zal dus ook
gebonden zijn door de foutieve handelingen van haar vertegenwoordiger (tenzij de vertegenwoordiger buiten
de grenzen van zijn opdracht is getreden).
De VZW zal in dat geval enkel kunnen handelen tegen de rechtspersoon-bestuurder, en niet rechtstreeks tegen
haar vertegenwoordiger. De rechtspersoon-bestuurder daarentegen kan zich op haar beurt richten tot de
vertegenwoordiger en deze aansprakelijk stellen voor eventuele fouten.

                                                                             Petra Weyens – Legal Department

                                                                                       27 februari 2008

Versoepeling Artikel 629 W.Venn.: een stand van zaken
Artikel 629 van het Wetboek van vennootschappen verbiedt de targetvennootschap bij een
overname om middelen voor te schieten, leningen toe te staan of zekerheden te stellen met het oog
op de verkrijging van haar aandelen. De ratio legis van art. 629 W.Venn. houdt verband met de
instandhouding van het kapitaal en de behoefte aan bescherming van de aandeelhouders en
schuldeisers van de vennootschap. Dit artikel geldt voor de NV en Comm.VA. Voor de BVBA (art. 329
W.Venn.) en CVBA (art. 430 W.Venn.) bestaan gelijkaardige bepalingen.
De Europese Commissie erkent dat dit verbod een klassiek obstakel is bij overnamefinanciering, en heeft bij
richtlijn 2006/68/EG dit verbod versoepeld. Deze richtlijn maakt het voor vennootschappen mogelijk om de
overname van haar aandelen te financieren, weliswaar onder strikte voorwaarden van transparantie,
solvabiliteit en marktconformiteit.

Hoewel de omzetting van deze richtlijn ter sprake komt bij de huidige regeringsonderhandelingen, blijft het
vooralsnog wachten op een aanpassing van de Belgische vennootschapswetgeving. Tot zolang dient men zich te
houden aan de vigerende Belgische wetgeving die weliswaar restrictief dient geïnterpreteerd te worden. Dit
blijkt ook uit de weinige rechtspraak.

Zo is, in een overnameovereenkomst, een garantieclausule waardoor de vordering van de overdrager op de
targetvennootschap vermindert bij onjuiste verklaringen en waarborgen, niet in strijd met art. 629 W.Venn.
(Rb. Brussel, 16 februari 1998).

Daarnaast blijkt ook dat de timing van de financiering – vóór of na de overname – niet doorslaggevend is. Zo
valt het krediet, niet verleend om de verwerving van aandelen te financieren, maar enkel om het initieel
toegestaan krediet om de aandelen aan te kopen terug te betalen, niet onder het toepassingsgebied van art.
629 W.Venn. (Kh. Charleroi, 29 augustus 2002). Ook een zekerheid die werd toegestaan na de
kredietovereenkomst die de financiering van de aandelenverwerving heeft mogelijk gemaakt, valt niet onder
het verbod (Kh. Brussel, 3 april 2001).

Met betrekking tot groepstransacties dient het verbod van art. 629 W.Venn. eveneens restrictief
geïnterpreteerd te worden. Zoniet dreigen heel wat financieringen in groepsverband in het gedrang te komen
en bestaat er gevaar voor een werkelijkheidsvreemde visie op het wezen van vennootschappen die in groep
functioneren (Kh. Ieper, 3 juni 2002). Aldus valt de financiële steun, die door een dochtervennootschap wordt
verleend aan een derde voor de verwerving van aandelen van de moedervennootschap, niet onder het verbod
van art. 629 W. Venn.

Tenslotte valt ook de uitkering van dividenden niet onder het verbod, aangezien in dat geval geen som geleend
of voorgeschoten wordt, doch wel in eigendom wordt overgedragen. De inpandgeving van de aandelen van een
vennootschap als zekerheid voor een lening aangegaan met het oog op het verwerven van die aandelen is
evenmin in strijd met art. 629 W.Venn (Kh. Tongeren, 5 december 2001).

                                                                         Aarnout Lanckriet – Legal Department



                                                                                       14 februari 2008

Vrijstelling familiale ondernemingen en vennootschappen in het Vlaams Gewest
… en Europa
Bij decreet van 20 december 1996 werd een verminderd tarief (van 3%) ingevoerd voor de
vererving van de familiale ondernemingen en vennootschappen (hierna: familiale ondernemingen)
in Vlaanderen: het gekende artikel 60bis van het Wetboek Successierechten Vlaams Gewest. Het
artikel werd intussen al meerdere keren gewijzigd, met als één van de voornaamste wijzigingen het
verlagen van het tarief tot 0%. Het vererven van familiale ondernemingen kan onder bepaalde
voorwaarden dus helemaal gratis in het Vlaams Gewest!

Zoals hierboven vermeld, moet aan een aantal voorwaarden worden voldaan om van deze vrijstelling te kunnen
genieten. Eén van die voorwaarden was de tewerkstellingsvoorwaarde: gedurende een periode van 3 jaar vóór
en van 5 jaar na het overlijden van de erflater moest de familiale onderneming minstens 5 in het Vlaams
Gewest tewerkgestelde werknemers tellen.

De Rechtbank van Hasselt stelde aan het Europese Hof van Justitie de vraag of de vereiste tewerkstelling van
tenminste 5 werknemers in het Vlaams Gewest geen schending van (onder meer) de vrijheid van vestiging
inhield. Immers, de vrijstelling werd niet verleend als dezelfde werknemers van de familiale onderneming in
een andere lidstaat van de Europese Unie zouden zijn tewerkgesteld. Het Hof bevestigde deze schending van de
vrijheid van vestiging in haar arrest van 25 oktober 2007.
De Vlaamse decreetgever is niet blijven stilzitten, en heeft deze voorwaarde intussen al aangepast (decreet van
21 december 2007). De tewerkstellingsvoorwaarde is nu een “loonlastenvoorwaarde”, en is in grote lijnen als
volgt gewijzigd:

  •   Gedurende de 3 jaar vóór het overlijden moet de familiale onderneming minstens € 500.000 (vóór
      indexering) aan loonlasten hebben uitbetaald aan werknemers in de Europese Economische Ruimte. Als
      er minder dan deze € 500.000 aan lonen werd uitgekeerd, zal het 0%-tarief slechts proportioneel van
      toepassing zijn: de overige aandelen vallen dan in de roerende nalatenschap (gewone tarieven).
  •   Als men de vrijstelling wil behouden, moeten gedurende de 5 jaar na het overlijden tenminste 5/3
      van de lonen uitgekeerd in de 3 jaar vóór het overlijden, uitgekeerd worden. Als niet aan deze
      voorwaarde is voldaan, geldt ook hier een proportionele toepassing van het 0%-tarief.
      Als niet aan voormelde 5/3-voorwaarde is voldaan, is het niet langer vereist om de aandelen in de
      familiale onderneming te behouden om toch nog te kunnen genieten van het 0%-tarief. En ook als de
      erfgenaam binnen diezelfde periode van 5 jaar zou overlijden, moeten de aandelen niet in rechte lijn of
      tussen echtgenoten vererfd worden. Deze strenge, bijkomende voorwaarden heeft de decreetgever dus
      aan de kant geschoven in de nieuwe regeling.
  •   Bepaalde loonlasten worden geheel of gedeeltelijk uitgesloten van de berekening van de totaal
      uitgekeerde loonlasten in voormelde periodes. Zo komen de lonen uitgekeerd aan de hulp in het
      huishouden helemaal niet in aanmerking. De lonen uitgekeerd aan de erflater-aandeelhouder zelf of aan
      zijn gezin komen slechts tot een maximum van € 300.000 (vóór indexering) in aanmerking.

De nieuwe loonlastenvoorwaarde is van toepassing sinds 1 november 2007.

De overige voorwaarden (o.a. de participatievoorwaarde) waaraan moet worden voldaan om te kunnen
genieten van de 0%-tarief voor de familiale onderneming, blijven ongewijzigd. Er moet dus nog steeds aan alle
voorwaarden tegelijkertijd worden voldaan om de familiale onderneming aan 0% te kunnen erven.

De regelgeving van het Brussels-Hoofdstedelijk en van het Waals Gewest werden niet voorgelegd aan het
Europese Hof, en ze werden dus ook niet aangepast. De voorwaarden om te kunnen genieten van een verlaagd
tarief in de successierechten voor de familiale onderneming of KMO zijn immers niet dezelfde als deze van de
Vlaamse regelgeving.

                                                                             Tim Roovers – Legal Department




                                                                                        23 januari 2008

Vereffenaar vergeet uw vereffeningstaten niet neer te leggen!
De nieuwe vereffeningsprocedure, ingevoerd door de Wet van 2 juni 2006 tot wijziging van het
Wetboek van vennootschappen kent aan de rechtbank van koophandel een actievere rol toe binnen
de vereffeningsprocedure.
Zo is de vereffenaar nu verplicht om periodiek een omstandige staat van de toestand van de
vereffening over te maken aan de griffie van de rechtbank van koophandel. Met deze
vereffeningsstaat in zijn bezit heeft de rechter meer controle over het verloop van de vereffening.

Wanneer neerleggen?
De vereffeningstaat moet ter griffie neergelegd worden:
    -    tijdens het eerste vereffeningsjaar: in de zesde en de twaalfde maand, te rekenen vanaf de datum van
         ontbinding.
    -    vanaf het tweede vereffeningsjaar: éénmaal per jaar.

De verplichting tot neerlegging van de vereffeningsstaat geldt ook voor vennootschappen die reeds vóór de
inwerkingtreding van de wet in vereffening werden gesteld.


Wat neerleggen?
De vereffeningsstaat (staat van actief en passief) moet omstandig zijn en de wet stelt dat minstens volgende
gegevens opgenomen moeten worden:
    -    ontvangsten & uitgaven;
    -    uitkeringen;
    -    omschrijving van wat nog vereffend moet worden;
Het is echter aangewezen om het verslag voldoende te stofferen en – bijvoorbeeld - uitgebreid toe te lichten
waarom de vereffening niet kan worden gesloten.

Hoe neerleggen?
Aan de overmaking van de vereffeningsstaat zijn geen vorm- of publiciteitsvereisten gekoppeld.
Vanuit praktisch oogpunt is het aan te bevelen de vereffeningsstaat in tweevoud per gewone post op te sturen
naar de bevoegde rechtbank van koophandel met de vraag om één afgestempeld exemplaar terug te sturen,
zodoende dat dit op de zetel van de vennootschap kan worden bewaard.

Sancties?
Enerzijds kan de niet-naleving van de neerleggingsformaliteiten leiden tot vervanging van de vereffenaar door
de rechtbank van koophandel. Dit is mogelijk op verzoek van het openbaar ministerie of van elke
belanghebbende derde (bijvoorbeeld: een schuldeiser die zich in zijn rechten gekrenkt voelt). De rechtbank
dient de vereffenaar voorafgaandelijk te horen en is bovendien niet verplicht om meteen over te gaan tot
vervanging. Hij kan immers bijvoorbeeld een termijn opleggen waarbinnen de nodige stukken dienen te worden
overgelegd.
Anderzijds staat op de niet-naleving een strafrechtelijke geldboete van 50 tot 10.000 euro.


                                                                        Bart Demyttenaere – Legal Department



                                                                                          15 januari 2008

Uitkering tussentijds dividend meer dan 12 maanden na afsluiting boekjaar:
welke jaarrekening geldt als referentie?

Bij tussentijdse dividenduitkeringen dient artikel 617 van het Wetboek van vennootschappen
nageleefd te worden. Dit betekent dat de algemene vergadering slechts de winst van het afgelopen
boekjaar kan uitkeren indien op de datum van afsluiting van het laatste boekjaar het nettoactief,
zoals dat blijkt uit de jaarrekening, hierdoor niet daalt beneden het bedrag van het gestorte of,
indien dit hoger is, van het opgevraagde kapitaal, vermeerderd met alle reserves die volgens de wet
of de statuten niet mogen worden uitgekeerd.

De algemene vergadering kan op elk ogenblik – na afsluiting van het boekjaar – winst van het afgelopen
boekjaar uitkeren onder de vorm van een tussentijds dividend. Dit kan dus ook meer dan 12 maanden na de
afsluiting van het boekjaar.
    Voorbeeld
    •   boekjaar afgesloten op 31 december 2006
    •   jaarvergadering keurt jaarrekening goed op 15 mei 2007
    •   bijzondere    algemene     vergadering    van   15     februari 2008    beslist   om    uit de
        (overgedragen/gereserveerde) winst van 2006 een tussentijds dividend uit te keren, d.w.z. 14
        maanden na de balansdatum van de jaarrekening waarin uitkeerbare winsten zijn opgenomen.

In dat geval heeft de laatst goedgekeurde jaarrekening (31/12/2006) dus geen betrekking op het laatst
afgesloten boekjaar (31/12/2007). Bijgevolg rijst de vraag op welke jaarrekening men zich moet baseren voor
het bepalen van het bedrag van de uitkeerbare winsten (cfr. art. 617 W.Venn.): de (goedgekeurde)
jaarrekening per 31/12/2006 of de (ontwerp)jaarrekening per 31/12/2007?

Omwille van de rechtszekerheid moet – ons inziens – steeds uitgegaan worden van de toestand zoals die blijkt
uit de laatst goedgekeurde jaarrekening. Dit betekent echter niet dat geen rekening dient gehouden te worden
met negatieve evoluties in het eigen vermogen van de vennootschap sinds de datum van deze jaarrekening, die
zouden kunnen blijken uit de ontwerpjaarrekening van het laatst afgesloten boekjaar of uit een door de revisor
gecontroleerde tussentijdse toestand.

Er bestaat echter geen wettelijke bepaling die de vennootschap verplicht om rekening te houden met verliezen
die nog niet bestonden op datum van de laatst goedgekeurde jaarrekening.

Wanneer een tussentijds dividend wordt uitgekeerd in de loop van het daarop volgende boekjaar, bestaat de
mogelijkheid dat aanvankelijk geleden verliezen tijdens datzelfde boekjaar nog worden omgebogen in een
breakeven- of zelfs een winstsituatie, zodat kan verdedigd worden dat zij niet in rekening moeten worden
gebracht.
        Voorbeeld
        •     jaarrekening 31/12/2006: beschikbare reserves: 1.000 – overgedragen winst: 500
        •     tussentijds resultaat 30/06/2007: verlies: –100
        •     tussentijdse dividenduitkering 30/09/2007: 1.500 kan uitgekeerd worden, omdat verlies niet
              definitief is.

Wanneer het volgende boekjaar echter reeds afgesloten is, zijn de verliezen onomkeerbaar, ook al is de
jaarrekening over dat boekjaar nog niet goedgekeurd door de jaarvergadering.
        Voorbeeld
        •     jaarrekening 31/12/2006: beschikbare reserves: 1.000 – overgedragen winst: 500
        •     ontwerpjaarrekening 31/12/2007: verlies: –100
        •     tussentijdse dividenduitkering 15/02/2008: er kan slechts 1.400 uitgekeerd worden.

Het negeren van deze verliezen zou een daad van onbehoorlijk bestuur kunnen uitmaken, welke kan leiden tot
een aansprakelijkheidsvordering tegen de bestuurders van de vennootschap. Bovendien zou een dergelijke
dividenduitkering ook kunnen aanzien worden als een onrechtmatige daad in hoofde van de aandeelhouders,
indien kan aangetoond worden dat zij op de hoogte waren van de negatieve resultaten van het laatste
boekjaar.
Gelet op deze mogelijke aansprakelijkheidsrisico’s wordt aangeraden aan om bij een tussentijdse
dividenduitkering die meer dan 12 maanden na de balansdatum van de goedgekeurde jaarrekening plaatsvindt,
rekening te houden met alle beschikbare financiële informatie van de vennootschap.

                                                                              Ilse Engelen – Legal Department



                                                                                        11 januari 2008

Nuttige tips voor het protesteren van uw facturen

Als handelaar of onderneming wordt men vaak geconfronteerd met facturen, briefwisseling of
zakelijke e-mails waarmee men (geheel of gedeeltelijk) niet akkoord kan gaan. In deze gevallen is
het van cruciaal belang om snel, kordaat en – liefst – schriftelijk te reageren.

Om een vlot handelsverkeer mogelijk te maken heeft elke onderneming er belang bij dat facturen niet
eindeloos in vraag kunnen worden gesteld door de bestemmeling ervan. Met het oog op het creëren van
rechtszekerheid, heeft zich in België een strenge rechtspraak ontwikkeld inzake het protest van facturen, met
als vuistregel “zwijgen is toestemmen”.

Inderdaad, als een onderneming een factuur ontvangt waarmee zij niet kan akkoord gaan dient zij deze binnen
een korte termijn te protesteren. Doet zij dit niet, dan wordt zij in principe geachte de betrokken factuur te
aanvaarden.

De aanvaarding van een factuur heeft niet alleen tot gevolg dat men erkent de gevorderde bedragen
verschuldigd te zijn. Bovendien impliceert de aanvaarding van een factuur dat men instemt met de algemene
voorwaarden vermeld op de keerzijde. Ook vormt een aanvaarde factuur het bewijs van het bestaan van de
overeenkomst zoals die blijkt uit de vermeldingen op de factuur. De aanvaarde factuur wordt dus geacht de
getrouwe weergave te zijn van de overeenkomst die werd afgesloten.

De aanvaarding van een factuur heeft dus verstrekkende gevolgen. Daarom dient elke onderneming uiterst
zorgvuldig tewerk te gaan bij het protesteren van facturen. Hieronder belichten wij kort enkele basisprincipes
waaraan een geldig protest moet voldoen.

Vooreerst dient het protest – zoals gezegd – te gebeuren binnen een korte termijn. Indien men de rechtspraak
erop nakijkt ziet men dat deze “korte termijn” in de praktijk kan variëren van 24 uren, 2 werkdagen tot een
week, of langer, al naargelang het geval. Men protesteert dus best zo snel mogelijk. Indien u over enige tijd
moet beschikken om rekeningen na te gaan, verzendt u best onmiddellijk reeds een voorbehoud waarin u het
nazicht aankondigt.

Vervolgens adviseren wij om facturen steeds schriftelijk en liefst per aangetekende brief of per fax te
protesteren. Zo kan men bij latere discussies bewijzen dat men een gemotiveerd protest heeft uitgebracht en
dit binnen de vereiste korte termijn.

Tenslotte mag een protest niet lichtzinnig worden gedaan. Men dient steeds een korte en duidelijke motivering
te vermelden waarom men niet akkoord kan gaan met de factuur. Een protest kan bijvoorbeeld betrekking
hebben op de gebrekkige uitvoering van werken, op de kwaliteit van de geleverde goederen, op de
aangerekende prijs of op de factuurvoorwaarden van de leverancier, die voor het eerst worden ter kennis
gebracht.

Op dit laatste punt dient men zorgvuldig te werk te gaan. Enerzijds moet men zo volledig mogelijk het protest
motiveren, want het risico bestaat erin dat delen van de factuur waarop geen motivering rust worden
beschouwd als zijnde aanvaard. Anderzijds dient men zijn argumentatie te beperken om te vermijden dat men
ongewild een standpunt inneemt die later tegen u kan worden gebruikt in het kader van een gerechtelijke
procedure.

Hoewel het ontvangen en protesteren van facturen deel uitmaakt van de dagdagelijkse
bedrijfsvoering, besteden veel ondernemingen vaak onvoldoende zorg aan het opstellen van
protestbrieven, met soms alle gevolgen vandien. Protestbrieven moeten met de nodige zorg
opgesteld worden, zeker indien het belangrijke bedragen betreft. In deze fase kan immers de basis
worden gelegd voor een eventuele latere succesvolle gerechtelijk procedure!

                                                                         Mathieu Vansuyt – Legal Department



                                                                                      7 december 2007

De vertegenwoordiger van een VZW en zijn aansprakelijkheid
De vraag wordt vaak gesteld of men in het kader van een VZW een vaste vertegenwoordiger dient
aan te duiden en hoever diens aansprakelijkheid reikt.
Vooraleer deze vraag te beantwoorden, dient men een onderscheid te maken tussen twee situaties:
(1) de VZW is bestuurder binnen een andere rechtspersoon en (2) een rechtspersoon is bestuurder
binnen de VZW.

1.   De VZW is bestuurder binnen een andere rechtspersoon.

Zodra een VZW aangeduid wordt tot bestuurder binnen een andere vennootschap, valt zij onder de dwingende
bepalingen van de Wet op de Corporate Governance van 2 augustus 2002. Deze wet bepaalt dat wanneer een
rechtspersoon tot bestuurder wordt benoemd binnen een vennootschap, er verplicht een vaste
vertegenwoordiger aangeduid dient te worden.

Met andere woorden, in het kader van haar bestuursmandaat binnen een andere vennootschap, dient er voor
de VZW een vaste vertegenwoordiger te worden aangeduid onder haar bestuurders, leden of werknemers.

De vaste vertegenwoordiger zal alsdan het bestuursmandaat in naam en voor rekening van de VZW uitoefenen
alsof hij het mandaat in eigen naam zou uitoefenen. Dit zal tot gevolg hebben dat de vaste vertegenwoordiger
rechtstreeks hoofdelijk aansprakelijk kan gesteld worden, en dit zowel burgerrechtelijk als strafrechtelijk.
Bovendien is de vaste vertegenwoordiger eveneens aansprakelijk voor zijn fouten ten overstaan van de VZW.

2.   Een rechtspersoon is bestuurder binnen de VZW.

De omgekeerde situatie kan zich echter ook voordoen. Een andere rechtspersoon wordt benoemd tot
bestuurder binnen de raad van bestuur van de VZW.

In tegenstelling tot het voorgaande, valt deze situatie niet binnen het toepassingsgebied van de Wet “Corporate
Governance”.

Men is aldus niet verplicht een vaste vertegenwoordiger aan te duiden voor de uitoefening van het
bestuursmandaat van de rechtspersoon-bestuurder. De rechtspersoon-bestuurder kan bijgevolg perfect
vertegenwoordigd worden door haar eigen orgaan (bijv. door de gedelegeerd bestuurder).

In tegenstelling tot de vaste vertegenwoordiger kan de gewone vertegenwoordiger niet rechtsreeks
aangesproken worden door de VZW. De VZW kan enkel de rechtspersoon-bestuurder aansprakelijk stellen
aangezien deze laatste gebonden is door de (foutieve) handelingen van haar vertegenwoordiger.

Let wel: De verhouding tussen de gewone vertegenwoordiger en de rechtspersoon-bestuurder is deze van ‘de
lastgeving’. De vertegenwoordiger is aldus slechts aansprakelijk voor de schade die veroorzaakt werd door een
fout die hij persoonlijk beging in de vervulling van zijn taak.

Bijgevolg kan enkel de rechtspersoon-bestuurder de vertegenwoordiger aansprakelijk stellen indien zij kan
bewijzen dat hij een persoonlijke fout heeft begaan bij de vervulling van zijn opdracht.

                                                                           Marion Dreesen – Legal Department



                                                                                     15 november 2007


Heeft uw onderneming al een eigen domeinnaam ?
Vandaag eisen klanten niet alleen een excellente service en kwaliteitsproducten, van de
onderneming wordt ook verwacht dat zij via het internet toegankelijk is.
Ondernemers onderschatten nog al te vaak het commercieel voordeel van een goed gekozen
domeinnaam voor hun website en verliezen zo omzet aan meer vooruitziende concurrenten.
Hieronder geven wij u een beknopte toelichting over hoe u het best tewerk gaat om als
onderneming een domeinnaam te registreren en te beschermen.

•    Domeinnaam
Toegang tot de website krijgt men door het ingeven van de bijpassende domeinnaam (vb.: Deloitte.com of
Tijd.be).
Een domeinnaam bestaat uit verschillende niveaus (levels) die worden gescheiden door een punt. In ons
voorbeeld is ".com" het top level en "Deloitte" het second level domein.
Het achterste deel van de domeinnaam bestaat uit 2, 3 of 4 letters en geeft ofwel het type website (.com voor
commerciële of .org voor non-profit websites) ofwel het land van de website aan (.be voor België, .nl voor
Nederland of .eu voor Europa).
Bij het bepalen van een online-strategie is de keuze van een passende domeinnaam zeer belangrijk: dit wordt
immers het virtueel uithangbord van de onderneming op het internet.
•    Beschikbaarheid
Domeinnamen worden toegekend op basis van het “First come, First get”-principe. Het kan dus best zijn dat de
gewenste domeinnaam reeds gebruikt wordt door iemand anders.
In vele gevallen hebben meerdere personen immers tegelijk een gewettigd belang bij de registratie van een
domeinnaam. Wie er dan als eerste in slaagt deze te registreren, verkrijgt er een exclusief gebruiksrecht op.
Verifiëren of een .be-domeinnaam nog beschikbaar is kan via de website DNS.be, voor .nl-domeinnamen kan
dat via SIDN.nl, voor .eu-domeinen via EURID.eu en voor .com/.org/.net/.info-domeinen kan dat via
Domaintools.com.

•    Registratie
Wanneer een onderneming heeft beslist welke domeinnaam zal worden gebruikt, kan na verificatie van de
beschikbaarheid deze geregistreerd worden bij een erkende agent tegen betaling van een jaarlijkse vergoeding
die schommelt tussen 20 en 100 euro. Een lijst met erkende agenten is beschikbaar op DNS.be, de Belgische
instantie verantwoordelijk voor het .be-domein.

Het gebruiksrecht is in principe één jaar geldig en kan steeds worden hernieuwd. In het merendeel van de
gevallen zijn er aan de registratie geen verdere voorwaarden verbonden. Zo kan een Belg perfect een .com of
een .nl-domeinnaam registreren, zelfs al leeft hij niet in Nederland.

•    Misbruiken
Samen met de toename in populariteit van domeinnamen, zijn ook het aantal gevallen van misbruik fors
gestegen. Zo komt het af en toe voor dat een onderneming de domeinnaam van een concurrent registreert om
zo cliënteel af te werven.
Vaker nog worden domeinnamen geregistreerd door partijen die geen enkel recht of belang kunnen laten
gelden en alleen maar uit zijn op het losgeld die ze bij een verkoop ervan kunnen incasseren.
In België heeft de wetgever in 2003 ingegrepen om deze wanpraktijken tegen te gaan. De Domeinnaamwet
voorziet in mogelijkheden om dergelijke vormen van domeinnaamkaping (“cybersquatting”) aan te pakken.

U merkt dat bij de opstart van een online-project meer komt kijken dan het “designen” van een leuk
ogende website. Het is essentieel dat ook aandacht wordt besteed aan de juridische omkadering.
Het internet biedt de ondernemer een zee aan mogelijkheden, daarom doet men best beroep op een
specialist om te voorkomen dat men in woelig water terecht komt.

                                                                         Bart Demyttenaere – Legal Department


                                                                                     14 november 2007

Het Europees mededingingsrecht en afspraken tussen ondernemingen: de
“hardcore” beperkingen
Het uitgangspunt van het Europees recht is dat vrije concurrentie, zonder afspraken tussen
ondernemingen, de consument ten goede komt. Afspraken die hieraan afbreuk dreigen te doen,
dienen dan ook aan strikte regels onderworpen te worden. Deze regels zijn vastgelegd in het
Europees Mededingingsrecht. Op deze regels zijn groepsvrijstellingen mogelijk. Deze
groepsvrijstelling is in beginsel van toepassing op alle verticale overeenkomsten inzake de verkoop
van goederen of diensten.

De “hardcore” beperkingen

De groepsvrijstellingsverordening kent vijf hardcore beperkingen die meebrengen dat de volledige
overeenkomst van het voordeel van de groepsvrijstelling uitgesloten wordt, ook indien het marktaandeel van de
leverancier of afnemer lager ligt dan 30 %.

Hardcore beperkingen worden als zo ernstig beschouwd dat ze haast steeds verboden zijn.

a) De eerste hardcore beperking betreft verticale prijsbinding: een leverancier mag niet vastleggen tegen welke
prijs distributeurs zijn producten mogen doorverkopen. Echter het opleggen van maximum- of adviesprijzen
voor de wederverkoop is normaal gesproken niet verboden

b) De tweede hardcore beperking betreft beperkingen inzake het gebied waarin of de klanten waaraan de
verkoper mag verkopen. Deze hardcore beperking heeft betrekking op marktverdeling door middel van
toewijzing van gebieden of categorieën van klanten. Distributeurs moeten vrij kunnen blijven beslissen waar en
aan wie ze verkopen. De groepsvrijstellingsverordening bevat uitzonderingen op deze regel, waardoor
ondernemingen bijvoorbeeld kunnen werken met een systeem van exclusieve of selectieve distributie. Passieve
verkoop moet echter wel altijd vrij blijven: daarbij gaat het om verkoop als gevolg van spontane bestellingen,
met inbegrip van algemene reclame en verkoop via Internet

c) De derde en vierde hardcore beperking betreffen selectieve distributie.
Enerzijds kunnen aan geselecteerde distributeurs geen beperkingen worden opgelegd wat betreft de
eindgebruikers aan wie ze mogen verkopen. Selectieve distributie kan dus niet gecombineerd worden met
exclusieve distributie,behalve dat een clausule waarin een vaste vestigingsplaats opgelegd wordt wel mogelijk
is; daarmee mag de leverancier zich ertoe verbinden in een bepaald gebied slechts aan één distributeur te
leveren en mag hij van de distributeur eisen dat deze slechts vanuit één vestiging verkoopt.
Anderzijds moeten de erkende distributeurs de contractgoederen vrij kunnen blijven aankopen bij of verkopen
aan andere erkende distributeurs binnen het netwerk. Dit betekent dat erkende distributeurs niet gedwongen
kunnen worden de contractgoederen uitsluitend bij de leverancier te betrekken.

e) De vijfde hardcore beperking betreft overeenkomsten die het eindgebruikers, onafhankelijke reparateurs en
dienstverrichters moeilijk of onmogelijk maken reserveonderdelen rechtstreeks bij de producent van die
onderdelen te kopen. Een overeenkomst tussen een producent van reserveonderdelen en een afnemer die deze
onderdelen in zijn eigen producten verwerkt, mag de verkoop van deze onderdelen door de producent ervan
aan eindgebruikers, onafhankelijke reparateurs of dienstverrichters niet verhinderen of beperken.

                                                                             Paul Wijnants – Legal Department



                                                                                      27 augustus 2007

Bezit van        beursgenoteerde           aandelen:       de    transparantiewetgeving             in   een
notendop
Via een uitgebreide melding- en rapporteringverplichting beoogt de Commissie voor het Bank-,
Financie- en Assurantiewezen (CBFA) transparantie van de aandeelhoudersstructuur van
beursgenoteerde vennootschappen tot stand te brengen, alsmede te vermijden dat er zich
belangrijke wijzigingen zouden voordoen in het aandeelhoudersschap zonder dat deze
betekenisvolle informatie wordt meegedeeld aan het beleggerspubliek.

De reglementering tot waarborg van voormelde doorzichtigheid, is hoofdzakelijk vervat in hoofdstuk 1 van de
hierna vermelde Wet van 2 maart 1989, en legt terzake de volgende meldingsverplichtingen op:



1. De openbaarmaking van belangrijke deelnemingen
In toepassing van artikel 1 van de Wet van 2 maart 1989 op de openbaarmaking van belangrijke deelnemingen
in ter beurze genoteerde vennootschappen en tot reglementering van de openbare overnameaanbiedingen,
dient elke natuurlijke persoon of rechtspersoon die stemrechtverlenende effecten verwerft van een
beursgenoteerde Belgische vennootschap, aan deze vennootschap én aan de CBFA kennis te geven van het
aantal effecten dat hij bezit, indien de stemrechten verbonden aan die effecten 5 % of meer bedragen van het
totale aantal stemrechten binnen de vennootschap.

Deze kennisgeving is tevens verplicht bij een bijkomende verwerving van effecten, indien als gevolg hiervan
het aantal stemrechten verbonden aan de totaliteit van de inmiddels verworven effecten de drempel van 10 %,
15 %, 20 %, enz. (telkens per schijf van 5 %) van het totale aantal stemrechten bereikt.

Tot slot wordt het principe van de kennisgeving eveneens uitgebreid tot de overdracht van effecten, wanneer
ingevolge hiervan de gehouden stemrechten zakken onder één van de voormelde drempels.

Overige gebeurtenissen die een overschrijding (naar boven of beneden) van de vooropgestelde drempels
impliceren, verplichten derhalve niet tot de opgelegde kennisgeving (bv. kapitaalverhoging waaraan de
betrokken effectenhouder niet deelneemt).

Met betrekking tot deze kennisgevingdrempels dient evenwel te worden opgemerkt dat de wet voorziet in de
mogelijkheid tot vastlegging in de statuten van de vennootschap van lagere drempels, die echter niet lager
mogen zijn dan 3 %.

Bovendien, voor de toepassing van deze reglementering worden gelijkgesteld met stemrechtverlenende
effecten:
-        de in stemrechtverlenende effecten converteerbare obligaties;
-        de rechten om op stemrechtverlenende effecten in te schrijven of deze te verwerven (bv. warrants).

Tot slot moet hier nog worden vermeld dat de effecten niet noodzakelijkerwijze in handen moeten zijn van de
kennisgever zelf. Zelfs al bezit hij zelf geen effecten, dan nog kan hij tot kennisgeving zijn gehouden. Zo zal
een kennisgeving tevens verplicht zijn wanneer de effecten worden gehouden door personen die optreden voor
rekening van de kennisgever of verbonden zijn met de kennisgever of in onderling overleg met de kennisgever
optreden. Deze effecten dienen dus steeds te worden geteld bij de door de kennisgever zelf gehouden effecten
voor de beoordeling van voormelde overschrijding van drempels.
2. De openbaarmaking van onrechtstreekse deelnemingen
Artikel 3 van voornoemde wet verplicht eveneens diegene die rechtstreeks of onrechtstreeks, in feite of in
rechte, de controle over een vennootschap verwerft of overdraagt die op haar beurt ten minste 5% bezit van
het stemrechtentotaal van een beursgenoteerde Belgische vennootschap, om aan deze laatste vennootschap en
aan de CBFA tevens over te gaan tot een kennisgeving.

Ter verduidelijking: als vennootschap A minimum 5% bezit van het stemrechtentotaal van de beursgenoteerde
vennootschap B, moet diegene die de controle over vennootschap A verwerft of overdraagt, zich eveneens
kenbaar maken.

Het begrip “controle” is aldus cruciaal bij de beoordeling van een eventuele kennisgevingplicht, en wordt door
het Wetboek van vennootschappen gedefinieerd als zijnde de bevoegdheid “in rechte of in feite” om een
beslissende invloed uit te oefenen op de aanstelling van de meerderheid van bestuurders of zaakvoerders of op
de oriëntatie van het beleid.

De controle is in rechte en wordt onweerlegbaar vermoed:
    -   wanneer ze voorvloeit uit het bezit van de meerderheid van de stemrechten verbonden aan het totaal
        van de aandelen van de betrokken vennootschap;
    -   wanneer een aandeelhouder het recht heeft de meerderheid van de bestuurders of zaakvoerders te
        benoemen of te ontslaan;
    -   wanneer een aandeelhouder krachtens de statuten van de betrokken vennootschap of krachtens met
        die vennootschap gesloten overeenkomsten over de controlebevoegdheid beschikt;
    -   wanneer op grond van een overeenkomst met andere aandeelhouders van de betrokken
        vennootschap, een aandeelhouder beschikt over de meerderheid van de stemrechten verbonden aan
        het totaal van de aandelen van die vennootschap;
    -   in geval van gezamenlijke controle.

De controle is in feite wanneer ze voortvloeit uit andere dan de zonet vermelde factoren. Een aandeelhouder
wordt, behoudens bewijs van het tegendeel, vermoed over een controle in feite te beschikken, wanneer hij op
de voorlaatste en laatste algemene vergadering van de vennootschap stemrechten heeft uitgeoefend die de
meerderheid vertegenwoordigen van de stemrechten verbonden aan de op deze algemene vergaderingen
vertegenwoordigde aandelen.

De controle kan tot slot tevens gezamenlijk zijn indien een beperkt aantal aandeelhouders deze samen
uitoefenen, met name wanneer zij zijn overeengekomen dat beslissingen omtrent de oriëntatie van het beleid
niet zonder hun gezamenlijke instemming kunnen worden genomen.         Aldus is elk van deze personen
kennisgevingplichtig.

                                                                                     Petra Weyens – Legal Department

                                                                                                        26 juli 2007

Wijzingen op het vlak van huurrecht

Recente wetgevende initiatieven1 hebben de geldende bepalingen van het huurrecht op diverse
plaatsen gewijzigd. De meeste wijzigingen betreffen enkel de woninghuur, maar enkele bepalingen
hebben een meer algemene strekking. Hieronder vatten wij de belangrijkste wijzingen samen en
geven telkens aan vanaf wanneer de wijziging geldt.

Affiches en advertenties voor verhuur van woningen moeten huurprijs en lasten vermelden


Voortaan moet elke publieke of officiële mededeling (affiches, advertenties, enz.) voor verhuring van een goed
bestemd voor bewoning, het bedrag van de huurprijs en de gemeenschappelijke lasten vermelden. Deze
verplichting geldt voor de verhuring van woningen, tweede verblijven, studentenkamers, enz., maar niet voor
handelshuren of burelen. De gemeente kan inbreuken hierop sanctioneren met een boete van 50 EUR tot 250
EUR (inwerkingtreding op 18.05.2007).

Intredende plaatsbeschrijving voortaan verplicht


Terwijl partijen vroeger konden overeenkomen om geen plaatsbeschrijving bij intrede op te maken, is het
opmaken van dergelijke omstandige en tegensprekelijke plaatsbeschrijving bij intrede nu verplicht.




1
  Wet van 25 april 2007 houdende diverse bepalingen (IV) (B.S. 8 mei 2007) en de wet van 25 april 2007 houdende bepalingen
inzake de woninghuur (B.S. 5 juni 2007)
De plaatsbeschrijving wordt opgesteld op het moment dat de ruimtes nog niet bewoond zijn of binnen de eerste
maand van bewoning. De plaatsbeschrijving wordt samen met het schriftelijke huurcontract geregistreerd (van
toepassing op huurovereenkomsten in werking getreden vanaf 18.05.2007).

Verwijzing naar elementaire kwaliteitsnormen waaraan de woning moet voldoen


Bij elke huurovereenkomst moet voortaan een bijlage worden gevoegd met verwijzing naar de federale en de
gewestelijke elementaire vereisten inzake veiligheid, gezondheid en bewoonbaarheid. Deze normen zijn van
dwingend recht en worden beoordeeld op basis van de staat waarin de woning zich bevindt bij aanvang van de
huurovereenkomst. Momenteel is het nog wachten op het KB dat de vorm en de inhoud van voormelde bijlage
vastlegt (van toepassing op (woning)huurovereenkomsten in werking getreden vanaf 18.05.2007).

Herstellingen ten laste van de verhuurder en huurder worden van dwingend recht


De verhuurder is voortaan wettelijk verplicht alle huurherstellingen uit te voeren die krachtens de wet te zijnen
laste vallen. Deze werkzaamheden kunnen nog bij KB nader omschreven worden. De nieuwe bepaling2 in de
Woninghuurwet moet bovendien in de huurovereenkomst worden opgenomen (van toepassing op
(woning)huurovereenkomsten afgesloten vanaf 18.05.2007).

Informatiedocument met betrekking tot het huurrecht in bijlage bij het huurcontract


Elke huurovereenkomst moet voortaan een begrijpelijk informatiedocument in bijlage bevatten met toelichting
over de voornaamste wettelijke bepalingen van de Woninghuurwet. Dergelijke bijlage werd bij KB van 4 mei
2007 uitgevaardigd (van toepassing op (woning)huurovereenkomsten in werking getreden vanaf 21.05.2007).


Geblokkeerde huurwaarborg van 2 maanden of bankwaarborg van 3 maanden huur

De huurwaarborg wordt herleid van drie maanden tot ten hoogste twee maanden huur bij eenmalige volledige
betaling op een geblokkeerde rekening. De huurwaarborg blijft evenwel ten hoogste drie maanden huur indien
het bedrag in schijven wordt betaald. Hetzelfde geldt indien de huurder opteert voor het systeem van de
bankwaarborg. Bij KB werd een formulier vastgelegd dat wordt ingevuld door de bank en waardoor de huurder
kan bewijzen dat hij een waarborg heeft gesteld (van toepassing op (woning)huurovereenkomsten in werking
getreden vanaf 15.06.2007).

Omzetting van mondelinge huurovereenkomsten in schriftelijke huurovereenkomsten

Terwijl een huurovereenkomst in principe zowel schriftelijk als mondeling kan gesloten worden, moet voortaan
elke huurovereenkomst voor een woning (hoofdverblijfplaats) alsook voor een studentenkamer schriftelijk
worden gesloten.

Elke partij kan de andere partij in gebreke stellen om de mondelinge huurovereenkomst binnen de 8 dagen in
een schriftelijke huurovereenkomst om te zetten. Geeft de andere partij hieraan geen gevolg, kan de
vrederechter worden gevat, die de mondelinge overeenkomst zal omzetten in een negenjarig schriftelijk
huurcontract.

De huurder kan bijvoorbeeld belang hebben bij een dergelijke omzetting in een schriftelijke huur indien hij de
overeenkomst wil laten registreren om zich te beschermen ingeval verkoop van het gehuurde goed
(inwerkingtreding op 15 juni 2007 en van toepassing op alle nieuwe en lopende mondelinge
huurovereenkomsten).


                                                                           Mathieu Vansuyt – Legal Department

                                                                                               15 juni 2007

Verbod tot financiering door de vennootschap bij overname van haar aandelen
wordt versoepeld!
Een vennootschap mag geen middelen voorschieten, leningen toestaan of zekerheden stellen met het oog op de
verkrijging van haar aandelen door derden (art. 629 W.Venn. voor NV en Comm.VA, art. 329 W.Venn. voor
BVBA en art. 430 W.Venn. voor een CVBA).

Dit verbod van financiering door de vennootschap tot verkrijging van haar aandelen door een derde ter
uitvoering van artikel 23 van de Tweede Vennootschapsrichtlijn 77/91/EEG vormt vaak een hinderpaal bij



2
    Artikel 2, §2 van de Woninghuurwet
overnamefinancieringen. De Europese Commissie heeft dan ook beslist de Tweede Vennootschapsrichtlijn te
vereenvoudigen.

Op 06 september 2006 werd de richtlijn 2006/68/EG tot wijziging van de Tweede Vennootschapsrichtlijn
goedgekeurd.

De belangrijkste wijzigingen betreffende de financiële bijstand zijn de volgende:

A/   De lidstaten mogen onder bepaalde voorwaarden financiële bijstand toestaan:
     •    De verrichting geschiedt onder de verantwoordelijkheid van het bestuursorgaan en tegen billijke
          marktvoorwaarden;
     •    De kredietwaardigheid van de derde moet nauwgezet onderzocht zijn;
     •    De verrichting vereist de voorafgaande toestemming door de algemene vergadering met minstens een
          2/3 meerderheid;
          Het bestuursorgaan overhandigt hiertoe aan de algemene vergadering een rapport met volgende
          informatie: opgave van de redenen voor de transactie, het belang dat de vennootschap heeft bij het
          aangaan van dergelijke transactie, de voorwaarden waartegen de transactie plaatsvindt, de aan de
          transactie verbonden risico’s voor de liquiditeit en solvabiliteit van de vennootschap, de koers
          waartegen een derde geacht wordt de aandelen te verkrijgen;
     •    Het eigen vermogen van de target-vennootschap mag niet dalen beneden het geplaatst
          maatschappelijk kapitaal van de vennootschap, vermeerderd met de wettelijke of statutair
          onbeschikbare reserves;
     •    Er dient een niet voor uitkering vatbare reserve aangelegd te worden ten bedrage van de totale
          financiële bijstand;
     •    De effectieve verkrijging van de aandelen geschiedt tegen een billijke prijs.

B/   De lidstaten moeten bewerkstelligen dat de verrichting niet strijdig is met de belangen van de target-
     vennootschap door middel van adequate waarborgen, met name wanneer als tegenpartij optreedt:
     •   Een individueel lid van het bestuursorgaan;
     •   Een lid van het bestuursorgaan van de moedervennootschap;
     •   De moedervennootschap zelf;
     •   Een persoon die in eigen naam maar voor rekening van één van die personen handelt.

De wijziging van de Tweede Vennootschapsrichtlijn opent de mogelijkheid voor vennootschappen om, onder
strikte voorwaarden weliswaar, toch middelen mogen voorschieten, leningen mogen toestaan of zekerheden
mogen stellen met het oog op de verkrijging van hun aandelen door derden.

De lidstaten dienen deze richtlijn om te zetten in nationaal recht uiterlijk op 15 april 2008.


                                                                                 Cindy Dhondt – Legal Department
                                                                                                31 mei 2007

Ook met de beste voorbereiding wordt er helaas niet altijd een thuismatch
gespeeld!
Hoe ver geraakt een Belgische ondernemer met een clausule in zijn overeenkomst of algemene
voorwaarden waarin hij een Belgische rechtbank aanwijst en het Belgische recht van toepassing
maakt bij eventuele geschillen die een grensoverschrijdend karakter hebben?

Elk land heeft zijn eigen interne regels om te bepalen welke rechter bevoegd is en welk recht deze rechter
vervolgens moet toepassen als er zich een geschil voordoet tussen partijen met verschillende nationaliteiten.
Om meer eenduidigheid te creëren werden hierover echter ook op Europees niveau afspraken gemaakt en de
volgende spelregels uitgewerkt.


A. De aanduiding van de bevoegde rechter

1. EEX-verordening

De regels om de bevoegde rechter aan te duiden bij een internationaal geschil zijn sinds 1 maart 2002
opgenomen in de zgn. “EEX-Verordening”.

Als algemene regel stelt deze verordening dat de bevoegde rechter de rechter is van de lidstaat waarin de
verwerende partij woont. In afwijking hierop laat de verordening toe om in bepaalde gevallen in een andere
lidstaat te procederen. Enkele voorbeelden:

    •   voor verbintenissen die voortvloeien uit een overeenkomst mag er geprocedeerd worden voor de
        rechter van de plaats waar de verbintenis waarvan men de naleving of respectering eist, moet worden
        uitgevoerd
    •   wat betreft de koop van roerende zaken en de verstrekking van diensten: de rechtbank van de plaats
        van levering van de verkochte zaak resp. van de dienst is bevoegd. Deze rechtbank is trouwens
        bevoegd voor alle vorderingen met betrekking tot dezelfde overeenkomst (bv verborgen gebreken,
        aansprakelijkheidsvorderingen, …)
    •   een consument kan principieel enkel gedagvaard worden voor de rechtbank van zijn woonplaats.


2. Lang leve dus maar het bevoegdheidsbeding?

De EEX-Verordening laat inderdaad toe discussies over de bevoegde rechtbank te vermijden door partijen de
kans te geven een clausule in hun overeenkomst op te nemen waarin wordt bepaald welke rechter bevoegd is
in geval van een geschil.

Maar wie een bevoegdheidsbeding inroept moet, in overeenstemming met art. 23 EEX-Verordening, kunnen
aantonen dat het beding deel uitmaakte van de schriftelijke contractvoorwaarden of vastgesteld is in een
andere vorm conform de internationale handelsgebruiken. Kortom, de andere partij moet duidelijk op de hoogte
zijn van het bestaan van het beding en het bestaan ervan aanvaard hebben.

Het louter opnemen van dergelijk beding in de algemene voorwaarden op de achterzijde van
standaarddocumenten volstaat niet en evenmin is een verwijzing ernaar in de algemene voorwaarden op een
website voldoende.

De meeste Belgische rechtbanken sturen bijgevolg de eiser wandelen als die een buitenlandse partij dagvaardt
enkel op basis van een bevoegdheidsbeding in de factuurvoorwaarden. Een factuur wordt immers pas uitgereikt
nadat het contract is afgesloten en meestal zelfs is uitgevoerd, zodat dergelijke clausule enkel aanvaard wordt
als bewezen is dat dezelfde partijen voordien al courante handelsbetrekkingen hadden onder dezelfde
factuurvoorwaarden en dus geacht worden ze te kennen en er mee in te stemmen. Het beding moet bovendien
zijn opgesteld in de taal van de eigenlijke overeenkomst of minstens in een taal die de andere partij begrijpt.

Conclusie: zekerheid op een thuismatch          biedt   een   onzorgvuldig   opgesteld   en   gebruikt   standaard
bevoegdheidsbeding dus zeker niet!


3. Enkele bijzondere “thuisvoordeel”-killers

Onduidelijkheid over de uiteindelijk bevoegde rechtbank kan ook opduiken omwille van onverenigbaarheid van
de Europese regels met andere internationale verdragen, aanhangigheid en bijzondere bevoegdheidsregels voor
consumenten.

In geval van tegenstrijdigheid tussen de EEX-Verordening en andere verdragen, gelden de volgende regels:
      • de algemene regel is dat EEX voorrang heeft boven andere verdragen inzake rechterlijke bevoegdheid
      •   artikel 71 EEX-Verordening voorziet dat verdragen inzake de rechterlijke bevoegdheid in bijzondere
          materies (bv. intellectuele eigendomsrechten) uitzonderlijk toch voorrang hebben
      •   artikel 26 EEX-Verordening bepaalt dat, indien de verweerder niet verschijnt of zich niet ten gronde
          verweert, de rechtbank zich ambtshalve onbevoegd moet verklaren als haar bevoegdheid niet berust
          op de EEX-Verordening

Een regelmatig opduikend probleem is dat van de “aanhangigheid”: wanneer voor gerechten van verschillende
lidstaten tussen dezelfde partijen vorderingen hangende zijn met hetzelfde voorwerp en dezelfde oorzaak. In
dat geval moet de rechtbank die het laatst gevat is, de partijen verwijzen naar de rechtbank waarbij de zaak
eerst aanhangig werd gemaakt.

Een bijzondere bescherming is voorzien voor overeenkomsten gesloten door een consument voor niet bedrijfs-
of beroepsmatige doeleinden. Op grond van de artikelen 15 & 17 EEX-Verordening kan een consument zelfs
altijd voor de rechtbank van zijn woonplaats dagvaarden.


B. Toepasselijk recht

Ook wat betreft het recht dat de rechter bij zijn beoordeling van het geschil moet toepassen, zijn er op
Europees niveau afspraken gemaakt. Goed om weten is wel dat in principe de vraag welk recht moet worden
toegepast, los staat van wie de bevoegde rechter is.
Het is dus perfect mogelijk dat een Belgische rechter Duits recht moet toepassen, of een Nederlandse rechter
Spaans recht.
Als regel geldt dat partijen vrij zijn om te bepalen welk recht op hun overeenkomst toepasselijk is. Hierbij
neemt men best de principes in acht die gelden voor het bevoegdheidsbeding. Voor overeenkomsten met
consumenten en voor arbeidsovereenkomsten zijn de mogelijkheden voor rechtskeuze evenwel beperkt.

Is er geen rechtskeuze gedaan, dan bepaalt het Europese recht de verwijzingsregels.
De algemene regel is dat de overeenkomst dan wordt beheerst door het recht van het land waarmee zij het
nauwst is verbonden. Er geldt een vermoeden dat dit het recht is van het land waar de partij die de “meest
kenmerkende prestatie” moet leveren zijn woonplaats of zetel heeft. Normaal zal dit de partij zijn die in ruil
voor betaling iets doet.
In geval van een verkoop zal dit dus de verkoper zijn, in geval van dienstverlening zal dit de dienstverlener
zijn.

Alle voormelde regels kunnen als resultaat hebben dat de partij die een procedure wil opstarten zich in
bepaalde gevallen tot een buitenlandse rechter zal moet wenden om zijn gelijk te halen.
Het feit van geen thuismatch te kunnen spelen is uiteraard een nadeel.
In eerste instantie zal men zich doorgaans moeten laten bijstaan door een buitenlandse advocaat. Bovendien is
het vaak moeilijker in te schatten en te voorspellen hoe de buitenlandse rechter de zaak zal beoordelen.

De moraal van het verhaal:

Elke ondernemer die internationaal actief wil worden of is, zorgt er best voor dat hij in zijn catalogi, offertes,
orderbevestigingen, overeenkomsten, … kortom al zijn handelsdocumenten, steeds een duidelijke clausule
opneemt waarin de bevoegde rechtbank en het toepasselijke recht duidelijk bepaald wordt. Liefst wordt deze
clausule ook nog uitdrukkelijk voor akkoord getekend door de handelspartners.

                                                                                   Hans Gils – Legal Department



                                                                                                25 mei 2007

Onbeslagbaarheid woning zelfstandigen

Vanaf 9 juni 2007 kan de zelfstandige zich beter beschermen tegen schuldeisers door zijn woning
onbeslagbaar te laten verklaren!

De wet van 25 april 2007 houdende diverse bepalingen biedt aan de zelfstandige ondernemer een
extra middel om zijn persoonlijk risico te beperken en zo het ondernemerschap in België aan te
wakkeren.

Deze beschermingsregeling geldt in principe voor álle zelfstandigen. Dit zijn al diegenen die een
beroepsactiviteit in hoofdberoep uitoefenen en niet door een arbeidsovereenkomst of een statuut verbonden
zijn. Het betreft hier zeker alle eenmanszaken en vrije beroepen. De vraag of hieronder ook bestuurders en
zaakvoerders van vennootschappen vallen is minder duidelijk bij een lezing van de tekst van de wet en de
parlementaire werken.
Hoewel dit wellicht niet de bedoeling was van de wetgever, worden bestuurders en zaakvoerders van
vennootschappen niet uitdrukkelijk uitgesloten door de wet en zouden zij bijgevolg eveneens kunnen genieten
van de beschermingsregeling.

De beschermingsregeling geldt voor de hoofdverblijfplaats van de zelfstandige. Dit is het onroerend goed waar
hij met zijn gezin of als alleenstaande gewoonlijk leeft. De regering kan evenwel, via een besluit, een
maximumwaarde vaststellen waarop deze onbeslagbaarheid van toepassing zal zijn.

Indien het onroerend goed waarin de zelfstandige woont eveneens wordt gebruikt voor zijn zelfstandige
activiteit geldt de volgende regeling:

-   als de oppervlakte van het gedeelte dat bestemd is voor professioneel gebruik minder dan 30% van de
    totale oppervlakte van het onroerend goed inneemt, dan kunnen de rechten op de totaliteit van het
    onroerend goed onbeslagbaar worden verklaard.

-   als de oppervlakte van het gedeelte bestemd voor professioneel gebruik 30% of meer van de totale
    oppervlakte van het onroerend goed inneemt, kunnen enkel de rechten op het gedeelte dat bestemd is
    voor de hoofdverblijfplaats onbeslagbaar worden verklaard mits de voorafgaande opstelling van de statuten
    inzake mede-eigendom.

Om de onbeslagbaarheid van zijn woning tegenstelbaar te maken aan derden dient de zelfstandige bij de
notaris van zijn keuze een verklaring van onbeslagbaarheid te verlijden, die vervolgens wordt ingeschreven in
het daartoe bestemde register op het hypotheekkantoor.
Belangrijk hierbij is dat de wet voorziet dat de verklaring enkel tegenstelbaar ten aanzien van de schuldeisers
van wie de schuldvorderingen ná voormelde inschrijving is ontstaan. Indien men vandaag reeds een schuld
heeft kan men zijn woning niet veilig stellen voor beslag door nu nog snel een verklaring bij de notaris af te
leggen.

De regeling biedt enkel bescherming voor professionele schulden (t.a.v. leveranciers, banken, RSZ, BTW, …).
De wet biedt geen bescherming tegen schulden naar aanleiding van een misdrijf (zelfs indien in een
professioneel kader), noch ten aanzien van privéschulden, noch schulden van gemengde aard (privé-
professioneel). De wet biedt ook geen bescherming indien bestuurders of zaakvoerders van een vennootschap
aansprakelijk wordt gesteld voor betaling van sociale achterstallen in geval van faillissement na grove fout
(o.m. fiscale fraude) van de bestuurder of zaakvoerder.

De beschermingsregeling vervalt indien met verandert van statuut, behalve indien men zijn statuut van
zelfstandige verliest als gevolg van een faillissement.

Ingeval van verkoop van de woning waarop de bescherming slaat blijft de verkoopsprijs beschermd indien men
binnen het jaar de verkoopprijs wederbelegt in een ander onroerend goed, dat op haar beurt onbeslagbaar
wordt (mits inschrijving van de verklaring van wederbelegging en inschrijving in het register op het
hypotheekkantoor). In die tussentijd wordt deze verkoopprijs door de notaris voor wie de verklaring werd
gedaan bewaard.

De zelfstandige kan op ieder ogenblik van zijn verklaring afzien mits de naleving van de voorziene
publiciteitsvormen.

Ongetwijfeld biedt de wet van 25 april 2007 een belangrijke bescherming voor de zelfstandige
ondernemer, hetgeen het ondernemerschap in België zeker kan stimuleren.

De vraag kan evenwel gesteld worden hoe de banken hierop zullen reageren doordat zij een vaak
belangrijk onderpand bij kredietverlening zullen zien verdwijnen. Tenslotte zal hetzij de wetgever,
hetzij de rechtspraktijk in de nabije toekomst moeten uitklaren of de beschermingsregeling ook
geldt voor bestuurders en zaakvoerders van vennootschappen. Dit zou o.i. verantwoord zijn in het
licht van de recente wetswijzigingen die de persoonlijke aansprakelijk van bestuurders en
zaakvoerders van vennootschappen aanzienlijk hebben uitgebreid.


                                                                          Mathieu Vansuyt – Legal Department




                                                                                               7 mei 2007

Minderjarigen in de vermogensplanning
Sinds de wet van 29 april 2001 tot wijziging van verscheidene wetsbepalingen inzake de voogdij
over minderjarigen bestaat er, zelfs zes jaar later, nog veel discussie in de juridische wereld
omtrent hoe deze voogdijwet moet worden toegepast in het kader van onder meer een
vermogensplanning.
Met deze wet werd ondermeer het ouderlijke gezag over de goederen van de minderjarige kinderen
sterk ingeperkt, en in vele gevallen aan de controle van de vrederechter onderworpen.

In ons burgerlijk recht zijn minderjarigen in beginsel handelingsonbekwaam. De minderjarige heeft wel
bepaalde rechten (rechtsbekwaam) maar kan deze niet zelf en zelfstandig uitoefenen. De minderjarige moet
daarom bij de uitoefening van zijn rechten vertegenwoordigd worden. Deze vertegenwoordiging gebeurt in
beginsel gezamenlijk door de twee ouders van de minderjarige.

Sinds 2001 moeten de ouders echter voor een reeks handelingen voorafgaandelijk een bijzondere machtiging
van de Vrederechter bekomen: de ouders zullen hun minderjarig kind slechts kunnen vertegenwoordigen
wanneer de vrederechter hen hiertoe machtiging heeft gegeven!

Een dergelijke bijzondere machtiging is ondermeer vereist wanneer men een schenking wenst te aanvaarden
voor de minderjarige. Gelukkig bestaat op deze regel een belangrijke uitzondering, namelijk de regel dat alle
bloedverwanten in opgaande lijn (vader, moeder, grootvader, grootmoeder,…) een schenking voor de
minderjarige kunnen aannemen, zonder dat men hiervoor nog bij de vrederechter dient te passeren.

En wat als de ouders schenken en tegelijkertijd de minderjarige vertegenwoordigen om deze schenking te
aanvaarden? Volgens sommige auteurs bestaat er dan een gevaar van belangentegenstelling, en dient er in een
dergelijk geval een voogd ‘ad hoc’ aangesteld te worden. Een verregaande redenering, die lang niet door
iedereen gevolgd wordt. Er kunnen echter veel problemen voorkomen worden door, zoals hierboven besproken,
in een dergelijk geval bijvoorbeeld één van de grootouders te laten aanvaarden voor het minderjarige kind.

Een andere handeling waarvoor de ouders de bijzondere machtiging van de Vrederechter nodig hebben
alvorens ze hun minderjarig kind kunnen vertegenwoordigen, is die van het vervreemden van de goederen van
de minderjarige. Het is bijvoorbeeld niet steeds duidelijk of de ouders, bij het afhalen van tegoeden op een
rekening op naam van de minderjarige, een daad (zullen) stellen waarvoor in principe (g)een machtiging van
de vrederechter vereist is. Zo kan gedacht worden aan de situatie waarin de ouders de gelden op de rekening
van hun minderjarige kinderen wensen te investeren in een geldportefeuille, of willen laten beheren door een
professionele instelling (vermogensbeheer).

Zoals we kunnen vaststellen, heeft de voormelde voogdijwet van 2001 meer vragen dan
oplossingen met zich meegebracht. In het kader van een vermogensplanning waar minderjarige
kinderen bij betrokken zijn, dient dus steeds de nodige voorzichtigheid aan de dag te worden
gelegd. Meer bepaald zal steeds moeten worden nagegaan in welke mate ouders hun minderjarige
kinderen kunnen vertegenwoordigen met of zonder een bijzondere machtiging van de Vrederechter.


                                                                              Tim Roovers – Legal Department




                                                                                               2 mei 2007

Verbreking arbeidsovereenkomst tijdens arbeidsongeschiktheid (Juridisch)

Wat kan men doen als een werknemer die u wenst te ontslaan zich ziek meldt? Kan u nog overgaan tot het
ontslag? Geniet de arbeidsongeschikte werknemer een bescherming tegen ontslag?


We moeten een onderscheid maken tussen enerzijds de beëindiging van de arbeidsovereenkomst voor en
anderzijds na het verstrijken van 6 maanden arbeidsongeschiktheid.

1. Na meer dan zes maanden ziekte
De werkgever dient een opzeggingsvergoeding te betalen die overeenstemt met de duur van de
opzeggingstermijn of met het resterende deel ervan. Van die vergoeding wordt het loon in mindering gebracht
dat uitbetaald werd sedert het begin van de arbeidsongeschiktheid of sedert de datum waarop de opzegging is
beginnen te lopen. In het geval van een arbeider mag er niets in mindering gebracht worden.

Berekening zes maanden arbeidsongeschiktheid
Schorsing wegens zwangerschap of verlof worden niet meegerekend in de genoemde 6 maanden. Ook
eventuele aansluitende vakantieperiodes, schorsingsperiodes wegens economische werkloosheid kunnen niet in
aanmerking genomen worden om de zes maanden ziekte op te vullen. Er wordt algemeen aanvaard dat een
ononderbroken            ziekteperiode         van          zes           maanden           vereist         is.
De vraag stelt zich evenwel of de arbeidsongeschiktheid niet onderbroken wordt ingevolge een korte
werkhervatting van minder dan veertien dagen. Hoewel de wet geen uitsluitsel biedt, zou dit in de praktijk
klaarblijkelijk gedogen worden. Dit standpunt is echter nergens schriftelijk bepaald zodat enige omzichtigheid
geboden is. Een ander discussiepunt betreft de vraag of een gedeeltelijke werkhervatting van het werk de
arbeidsongeschiktheid onderbreekt. Binnen de rechtsleer en rechtspraak zijn er verschillende standpunten.
Begroting van de verschuldigde opzeggingsvergoeding
Het Hof van Cassatie stelt twee voorwaarden om het loon betaald tijdens de ziekteperiode in mindering te
kunnen brengen van de opzeggingsvergoeding. Ten eerste moet het gaan om loon dat is betaald door de
werkgever tijdens de periode van schorsing van de uitvoering van de overeenkomst. Ten tweede mag dit loon
geen tegenwaarde vormen van prestaties die geleverd worden tijdens de ziekteperiode. Het zal voornamelijk
het gewaarborgd loon zijn dat in mindering kan gebracht worden. Het dubbel vakantiegeld kan echter niet
afgetrokken                                                                                      worden.

2. Tijdens de eerste zes maanden ziekte
De wetgever heeft geen sanctie voorzien op de beëindiging vooraleer de arbeidsongeschiktheid een duur van
zes maanden heeft bereikt. De wetgever heeft deze mogelijkheid dus niet willen uitsluiten. Indien de
arbeidsovereenkomst dus verbroken wordt tijdens de eerste zes maanden van de ziekte, dient de werkgever
een opzeggingsvergoeding te betalen die overeenstemt met de duur van de opzeggingstermijn of met het
resterende deel ervan. De enige sanctie voor de werkgever bestaat erin dat hij het loon, betaald sedert het
begin   van    de   ziekte,   niet  in    mindering   kan   brengen     van    de    opzeggingsvergoeding.

3. Wegens ziekte tijdens de proefperiode
Indien er een proefperiode bedongen werd, gelden er licht afwijkende regels. Deze zijn verschillend voor
arbeiders en bedienden. Bij de eerste groep dient men rekening te houden met de minimumduur van de
proeftermijn terwijl men in het geval van bedienden geen rekening dient te houden met de minimum
proeftermijn.

De arbeidsovereenkomst van de bediende, die meer dan zeven dagen ziek is, kan beëindigd worden zonder het
respecteren van een opzegtermijn of het betalen van een opzeggingsvergoeding. In deze moet inderdaad geen
rekening gehouden worden met de minimumperiode van de proeftermijn voor een bediende, die 1 maand
bedraagt. De beëindiging kan dus ook uitwerking hebben gedurende deze eerste maand van de proefperiode.
De enige voorwaarde is dat het om een ziekte van minstens zeven kalenderdagen moet gaan.

Voor arbeiders wordt wel rekening gehouden met de minimum proefperiode. Deze bedraagt voor arbeiders
geen maand maar zeven dagen. Er dient dus sprake te zijn van een proeftijd van minimum zeven dagen. Indien
de arbeider arbeidsongeschikt wordt gedurende deze eerste zeven dagen, wordt deze periode, met maximaal
zeven dagen, verlengd, uiterlijk tot de veertiende dag te rekenen vanaf en met inbegrip van de eerste dag van
de proefperiode. De arbeidsovereenkomst van de zieke arbeider kan dus beëindigd worden na afloop van de
eerste zeven dagen proeftijd zonder opzegging of opzeggingsvergoeding. Indien de arbeidsongeschiktheid
wegens ziekte, aangevangen tijdens de eerste zeven dagen, nog voortduurt na de veertiende dag, kan de
arbeider ontslagen worden zonder opzeggingstermijn of opzeggingsvergoeding.

De arbeidsovereenkomst kan tijdens de periode van arbeidsongeschiktheid wel degelijk beëindigd worden, mits
naleving van bovengenoemde principes.


                                                                          Steven Bruninx, Tax & Legal Services




                                                                                               2 mei 2007

Kent u de commandverklaring?

Wanneer iemand een onroerend goed wenst aan te kopen, zonder zich kenbaar te maken aan de verkoper, kan
ook bij een onderhandse verkoop beroep gedaan worden op de commandverklaring.
De compromis (waarin de mogelijkheid van commandverklaring moet voorzien zijn) wordt getekend tussen
verkoper en derde persoon (gecommanditeerde). De gecommanditeerde wendt zich - samen met de command
- vervolgens tot de notaris die een akte commandverklaring opstelt en deze uiterlijk de 1ste werkdag na de
compromis ter registratie moet aanbieden. Ook de authentieke koopakte wordt ondertekend door de
gecommanditeerde, zodat de verkoper geen kennis heeft van de command (uiteindelijke koper).
Fiscaal voordeel: de gecommanditeerde wordt geacht van in het begin in naam en voor rekening van de
command te zijn opgetreden (de command koopt rechtstreeks van de verkoper) waardoor er slechts 1x
registratierechten betaald dient te worden.

                                                                       Hilde Vandemaele, Tax & Legal Services


Patrimoniumoverdracht via levensverzekering
De levensverzekering wordt in het kader van vermogens- en successieplanning onder meer gebruikt om een
deel van het patrimonium naar een volgende generatie over te dragen. Eén van de mogelijkheden bestaat erin
in eerste instantie de gelden bij wijze van handgift te schenken. In de veronderstelling dat de schenker van de
gelden een periode van 3 jaar na de schenking overleeft, kan deze schenking volledig vrij van schenkings- en
successierechten gebeuren. De begiftigde onderschrijft, al dan niet tengevolge van een in de schenking
bedongen last, vervolgens een levensverzekeringsovereenkomst, met als verzekerd hoofd de voormelde
schenker, en zichzelf als begunstigde. De premie(s) van deze levensverzekering worden betaald met de
geschonken gelden. In geval van een uitkering aan de verzekeringnemer-begunstigde zullen geen
successierechten verschuldigd zijn.
Het is mogelijk modaliteiten en/of voorwaarden op te nemen in de schenking (via een zogenaamd pacte
adjoint): in dat geval is het van primordiaal belang deze correct te “vertalen” naar de
levensverzekeringsovereenkomst. Verder dient in de levensverzekeringsovereenkomst geanticipeerd te worden
op verschillende hypotheses die zich kunnen voordoen tengevolge van de hierboven uiteengezette configuratie.
Bv. het vooroverlijden van de begiftigde-verzekeringnemer vóór de schenker-verzekerde: teneinde de polis niet
te immobiliseren, moet voorzien worden in “subsidiaire” verzekeringnemers en subsidiaire begunstigden.

                                                                           Tim Roovers, Tax & Legal Services


Bezint eer je begint

Een echtgenoot, gehuwd onder het stelsel van scheiding van goederen, die meewerkt in de handelszaak, die
persoonlijk eigendom is van de andere echtgenoot, heeft geen automatisch recht op vergoeding of recht op
deelname in de tijdens het huwelijk verwezenlijkte meerwaarde.
Bij een echtscheiding zal de Belgische rechtspraak niet snel een verrekening toekennen omdat die situatie nu
eenmaal eigen is aan het gekozen huwelijkscontract.
Het is dan ook aangewezen het stelsel van scheiding van goederen te verfijnen en eventueel een zogenaamd
verrekeningsbeding op te nemen of een onverdeeldheid tussen de echtgenoten te creëren waaraan een deel
van de winsten van de handelszaak toegewezen wordt.

                                                                           Patrick Poels, Tax & Legal Services

								
To top