It is the economy, stupid

Document Sample
It is the economy, stupid Powered By Docstoc
					‘It is the economy, stupid.’ Met die woorden maakte Bill Clinton in de verkiezingsstrijd
met Bush sr. waar het in de grote mensenwereld om draait. Economie, de verdeling van
schaarse middelen. Clinton won, zoals u zich zult herinneren. Als het gaat om onderwijs,
ontkennen de achtereenvolgende regeringen Balkenende net als Bush sr. stelselmatig
alle economische processen.

Nee, horen we steeds, onderwijsverbetering is nauwelijks een kwestie van geld. Nee, het
lerarentekort lossen we niet op door salarisverhoging, maar met meer
salarisdifferentiatie tussen mensen in het onderwijs. Jongeren die voor een beroepskeuze
staan weten wel beter. Naast passie voor een vak – wat je bij werken in het onderwijs
zeker nodig hebt – wordt de aantrekkelijkheid natuurlijk óók medebepaald door het
salaris en de carrièreperspectieven.

Al jaren weten we dat een grote groep docenten voor hun pensioen staat. In het
voortgezet onderwijs zien we nu al de eerste signalen van. Er zijn duizenden
openstaande vacatures, meer dan het dubbele van vorig jaar. Tegelijkertijd weten we dat
de belangstelling voor het leraarsberoep op hogescholen en universiteiten gering is. Het
aantal studenten dat in het voortgezet onderwijs wil werken is te klein om alle gaten op
te vullen. In het voortgezet onderwijs koersen we daarom niet aan op tussenuren, maar
op tussendagen.

Het antwoord van het kabinet Balkenende IV op deze ontwikkelingen was daarom
behoorlijk ontluisterend. In plaats van oplossingen – investeren in de aantrekkelijkheid
van werken in het onderwijs – is in het regeerakkoord een nieuwe commissie bedacht.
De commissie moet volgens de door het kabinet geformuleerde opdracht zo ongeveer
alles bekijken, waarbij de salarispositie van leraren slechts een marginaal onderwerp lijkt
te mogen zijn.

Ondertussen buitelen adviescolleges van de overheid over elkaar heen om met minimale
middelen te proberen om méér leraren te werven. Wat we daar zien is een bonusfestival.
Het CPB bedacht een prestatiebonus, de Onderwijsraad voelt meer voor een fulltime
bonus, een extra toelage voor leraren die alle dagen willen werken. Daarnaast circuleren
er nog gedachten over een Randstadbonus of een speciale toelage voor academici.
Allemaal vanuit de veronderstelling dat meer verschillen tussen leraren, werken in de
onderwijssector als zodanig aantrekkelijker maakt.

Die gedachte gaat om twee redenen mank. Anders dan velen denken is het met de
huidige onderwijscao’s al heel goed mogelijk om bijzondere prestaties of inzet beter te
belonen. Het lijkt de Algemene Onderwijsbond verstandiger als werkgevers de bestaande
instrumenten voor beloningsdifferentiatie te gebruiken, in plaats van weer nieuwe toe te
voegen.

Het tweede en belangrijker probleem blijft onopgelost. Werken in het onderwijs moet
beter worden betaald, willen méér jongeren bij de afweging voor een toekomstig beroep
voor het leraarsvak kiezen. Het gaat uiteindelijk niet om verschillen tussen leraren, maar
om verschillen met andere sectoren op de arbeidsmarkt. In de slag om de werknemer die
er volgens de Oeso aan zit te komen, heeft onderwijs anders het nakijken.
Daar boven op komt dat we over de salarisontwikkeling van de afgelopen jaren al niet
erg vrolijk kunnen zijn. De vorige kabinetten Balkende hadden de onderwijssalarissen
bevroren. De effecten daarvan zijn voor iedere werknemer in het onderwijs goed
voelbaar.

Het Sector Bestuur Onderwijs liet doorrekenen hoe de onderwijssalarissen het als gevolg
van het kabinetsbeleid doen ten opzichte van de inflatie. Het resultaat is onthutsend:
jaar in jaar uit verliest onderwijs koopkracht. En verliest zo de aansluiting bij andere
sectoren in de economie. Particuliere bedrijven blijven vóór op de inflatie, de zakelijke
dienstverlening ook, maar onderwijs is inmiddels 9 procentpunten gaan achterlopen. De
overheid, die de loonruimte voor het onderwijs bepaalt, vraagt zich ondertussen af
waarom er te weinig mensen leraar willen worden.

De salarisstructuur in de onderwijssector kent een aantal problemen. Zo duurt het nu
gemiddeld achttien jaar voordat iemand aan zijn maximum zit. Doorgroeien naar hogere
salarisschalen is vervolgens voor docenten – ongeacht hun kwaliteit of ervaring –
nauwelijks mogelijk. Alleen door managementtaken op te pakken is iets als een carrière
mogelijk.

Onlangs werd ook uit cijfers van het ministerie duidelijk dat onderwijs weinig investeert
in verdere ontwikkeling van leraren. Terwijl het bedrijfsleven ongeveer 1,4 procent van
de loonsom uittrekt voor scholing, komt het voortgezet onderwijs niet boven de 0,7
procent uit. Juist jongeren kijken heel erg naar hun ontwikkelingskansen en ook die zijn
in het onderwijs dus, helaas, beperkt.

De Algemene Onderwijsbond denkt dat het vak van leraar een stuk aantrekkelijker
gemaakt kan en moet worden, willen we de komende jaren niet met grote tekorten te
maken krijgen. Het gaat ons dan om het inkorten van de salarislijnen, betere
doorgroeimogelijkheden naar hogere salarisschalen en een forse investering in
scholingsmogelijkheden.

Onderwijskwaliteit is een kwestie van geld. Terwijl er veel meer jongeren doorleren dan
ooit, geeft Nederland minder uit aan onderwijs. In 1975 was dat nog 6,9 procent van ons
bruto nationaal product, nu is dat 5,2 procent. Voor meer onderwijs aan meer kinderen
staan we dus kleiner deel van onze welvaart af aan onderwijs. Ik kan dat niet begrijpen.

Als het aardgas op is, is kennis onze enige grondstof om de economie te laten draaien.
Het wordt daarom hoog tijd dat dit kabinet investeert in onderwijs. Als bond vinden wij
dat Nederland tenminste 6 procent van het bbp aan onderwijs moet uitgeven. Dat is het
gemiddelde van de landen in de Oeso, en geldt als een soort financiële fatsoensnorm
voor de welvarende wereld.

Bij dat streven is er één lichtpuntje. De commissie die de aantrekkelijkheid van het
leraarsberoep gaat doorlichten wordt voorgezeten door Alexander Rinnooy Kan, een
econometrist, die hopelijk de economische wetmatigheden serieus neemt.

Walter Dresscher
Voorzitter Algemene Onderwijsbond