Docstoc

Duurzame ontwikkeling geprangd tussen post-politieke consensus en

Document Sample
Duurzame ontwikkeling geprangd tussen post-politieke consensus en Powered By Docstoc
					   Duurzame ontwikkeling geprangd tussen
         post-politieke consensus en
de emancipatorische strijd voor 'rechtvaardige
               duurzaamheid'


       Pascal Debruyne (MENARG)
       Lezing „Lerend Netwerk DO‟
            Brussel 20/10/2008
                       Inhoud
1. Probleemstelling: DO tussen hamer en aambeeld!
2. Stapstenen naar een adequaat antwoord
3. Het neoliberaal globaliseringsmodel en zijn effecten
4. De impact op DO:
    Verschuiving van „grenzen aan de groei‟ naar „de
     groei van grenzen‟
    Verschuiving van „sterke duurzaamheid‟ naar
     „zwakke duurzaamheid‟
5. Tegenvertoog van „rechtvaardige duurzaamheid‟!
6. Welke rechtvaardige duurzaamheid voor Vlaanderen
Als je deze wereld verlaat moet je er niet over
  inzitten of je een goed mens bent geweest. Dat
  is niet genoeg,
Je moet er over inzitten of je een goede wereld
  achterlaat.

-Bertolt Brecht, De heilige Johanna van de
  slachthuizen-
                       1. Probleemstelling

„Duurzame ontwikkeling„ is een containerbegrip Ook in het sociaal werk word
   je er te pas en te onpas mee om het hoofd geslagen. Naast 'de markt van
   welzijn en geluk', opent zich nu blijkbaar ook „de markt van
   duurzaamheid‟ voor het welzijnswerk.

De laagst gemeenschappelijke noemer lijkt een driepoot die staat voor
   ontwikkeling waarbij 'het sociale', 'het ecologische' en 'het economische'
   minstens aanwezig moeten zijn en/of hoogstens afgestemd moeten worden.

Geen echt antwoord op de fundamentele vraag “wat is duurzame
  ontwikkeling?” noch op de vraag “waarheen het moet met duurzame
  ontwikkeling?”. Het gebruik van talloze definities draagt ook niet echt bij
  aan enige helderheid. Fowke en Prasad vonden er een tachtigtal (Fowke &
  Prasad, 1996); onderzoekers van de Wereldbank vonden er honderd
  negentig (Paredis 2001: 24).
                    1. Probleemstelling
In de praktijk is DO geprangd tussen hamer en aambeeld:

    Enerzijds is het begrip geperverteerd tot een “post-politiek
    consensusconcept”; een term die verwijst naar de manier
    waarop elke mogelijke tegenstrijdigheid, elke vorm van
    meningsverschil en belangenconflict uit wordt gefilterd en op
    die manier steeds sterker binnen de lijntjes van het dominante
    "vrije markt" discours kleurt (Swyngedouw, 2006).

   Anderzijds is er een duidelijke sectorale reductie van
    duurzame ontwikkeling tot natuurbehoud en
    milieubescherming. Meer fundamentele vragen over de
    bruikbaarheid van concept „an sich‟ dringen zich zelfs op.
  2. Stapstenen naar een adequaat antwoord

Nood aan een sociaal-ecologisch „tegenvertoog‟, een alternatief verhaal over
   tegenmacht, uit te bouwen.

We bouwen hiertoe voort op een meer emancipatorische invulling van „rechtvaardige
    duurzaamheid‟, waar politiek-maatschappelijke transformatie voorop staat.
Al is niet iedereen het eens over de strategie van tegenmacht als centrale tactiek voor
    maatschappelijke verandering, zien wij echter weinig reële alternatieven[i].


Voor het sociaal werk is dit emancipatorisch model van „rechtvaardige duurzaamheid‟
   des te belangrijker, daar dit aansluit op haar internationale definitie: ”The social
   work profession promotes social change, problem solving in human relationships
   and the empowerment and liberation of people to enhance well-being. Utilizing
   theories of human behavior and social systems, social work intervenes at the points
   where people interact with their environments. Principles of human rights and
   social justice are fundamental to social work.” (IFSW: International Federation of
   Social Workers, 2000)
    2. Stapstenen naar een adequaat antwoord
2.1. Inzicht in de reëel bestaande context/ het “hier-en-nu”.

Nood aan een verhaal met een 'glocale invalshoek'. Aan het begin van de 21e
  eeuw zijn het lokale en het mondiale namelijk sterk verstrengeld
  (Swyngedouw, 2001).

We geven 'rechtvaardige duurzaamheid' een plaats tegenover het sociaal-
  ruimtelijk raamwerk van het huidige neoliberaal globaliseringmodel
  ofwel „het Schumpeteriaans competitiemodel‟:
  Dit neoliberaal globaliseringmodel wordt sinds de jaren '80 aangedreven
  door 'ongelijke ruimtelijke ontwikkeling' (Smith, 1996).
 Gebaseerd op een ontwikkelingspatroon dat ruimtelijk en demografisch
  beperkt is, waardoor het geenszins rechtvaardige duurzaamheid als
  „algemeen belang‟ dichterbij brengt.

Reële verandering vertrekt altijd vanuit het “hier-en-nu” en niet vanuit een
   ideaaltypische theorie! Politiek-maatschappelijke verandering = PRAXIS.
   2.Stapstenen naar een adequaat antwoord
2.2. Een sociaal-ruimtelijke lens.

We kijken daarenboven door een sociaal-ruimtelijke lens/
 hanteren een politiek-geografische aanpak. We willen daarmee
 aantonen dat de ruimte “maakbaar” is en er dus voortdurend
 sociale strijd bestaat om de invulling van ruimtes en concrete
 plaatsen. Ruimtes en plaatsen worden duidelijk gemaakt en
 hermaakt door mensenhanden ofwel “sociaal geproduceerd”
 (Lefebvre 1991).

Het gaat in dit essay fundamenteel om het 'waar' en het 'waarom
  daar' van verschijnselen aan het aardoppervlak. Vanuit onze
  bezorgdheid omtrent 'rechtvaardige duurzaamheid' komen daar
  ook vragen bij als 'is het wenselijk?' en 'kan of moet het
  veranderd worden?‟.
         3. De ongelijke geografische ontwikkeling
          van het neoliberaal globaliseringsmodel
Het neoliberalisme definiëren we breed als 'het besturen door en doorheen de markt';
   weliswaar gestimuleerd door een amalgaam van publieke actoren en overheden op
   verschillende beleidsschalen.

2 zaken staan centraal:

  Het belangrijkste principe van dit neoliberaal model is dat de ruimte bekeken wordt
   door de lens van vermarkting. Private eigendomsrechten en de principes van
   commodificatie (de herleiding van goederen en diensten tot koopwaar via het vraag
   en aanbodmechanisme) primeren, al staan die meer dan eens haaks, zowel op „het
   algemeen belang‟ als op „de reële gebruikswaarde van de ruimte‟ en breder op
   „rechtvaardige duurzaamheid‟.
  Dit neoliberaal globaliseringsmodel heeft daarbij een sterke sociaal-ruimtelijke
   component. Er zijn namelijk altijd winnaars en verliezers bij neoliberale
   marktorganisatie, wat zich altijd uitdrukt in specifieke ruimtelijke patronen. Denken
   we maar aan de kloof tussen arm en rijk die globaal „de Noord-Zuidkloof‟ wordt
   genoemd, aan de talloze steden waarbij er een rijk centrum is tegenover de
   omliggende armoedegordels, aan het verschil tussen de plaatsen van
   grondstoffenextractie en de plaatsen van consumptie, enz.
De sociaal-ruimtelijke verdeling van sociale en ecologische lusten en lasten is met
   andere woorden binnen het neoliberaal model sterk afhankelijk van zowel de plaats
   als de groep waartoe men behoort.
          3. De ongelijke geografische ontwikkeling
           van het neoliberaal globaliseringsmodel
Terwijl de naoorlogse Fordistisch-Keynesiaanse welvaartstaat zich voornamelijk afspeelde
   binnen een ruimte van de nationale staat en dus eerder gedomineerd werd door sociaal
   burgerschap, veralgemeende rechten, algemene sociaal-economische ontwikkeling en
   een nationale ruimtelijke homogeniteit, is het neoliberaal ontwikkelingsmodel (of
   Schumpeteriaans competitiemodel) sterker gebaseerd op „ongelijke geografische
   ontwikkeling‟. De klemtoon verschuift naar:

   Gedifferentieerd burgerschap: Verschillende segmenten van de bevolking worden
    hierdoor op een verschillende manier gedisciplineerd en krijgen verschillende privileges
    en bescherming afhankelijk van hun potentiële participatie in de globale markteconomie
    en het marktpotentieel van de plaats waar ze leven (Ong 2000; Castel, 1991: 294; Rose,
    1999).

   Ruimtelijke selectiviteit: Het neoliberaal globaliseringsmodel is een post-nationaal
    model. De centrale regulerende rol van de nationale staat moet aan macht inboeten, ten
    voordele van een amalgaam van ruimtes, locaties en beleidsschalen. Sommige van die
    ruimtes en schaalniveaus gaan met andere woorden een vooraanstaande regulerende rol
    spelen in de productie, de reproductie en de constante mutatie van het neoliberale
    kapitalisme.

Het ontwikkelingspotentieel- en dus de aandacht die bepaalde plaatsen en locaties krijgen- is
    in toenemende mate afhankelijk van hun potenties voor het aanzwengelen van
    onderlinge plaatsgerichte competitie. Plaatsen met marktpotentie, komen
    proportioneel sterker in het vizier.
         3. De ongelijke geografische ontwikkeling
          van het neoliberaal globaliseringsmodel
De sociaal-ecologische effecten tweërlei:

  Wat we soms nogal neutraal „de externalisering van negatieve consequenties‟ op
   milieu, mens en maatschappij noemen, is sterk onderhevig aan sociale en
   maatschappelijke processen van „ongelijke geografische ontwikkeling‟.
Globaal gezien staan we daarom voor het scenario waarbij de materiële doorstroom
   zodanig georganiseerd wordt dat 20% van de wereldbevolking zich 80% van die
   materiaalstromen ruimtelijk toe-eigent. Terwijl we deze sociaal-ruimtelijke
   patronen veelal als „de Noord-Zuidkloof‟ benoem(d)en, zien we een toenemende
   verschuiving naar „een archipelmodel‟. Er vormen zich kleine eilanden van
   rijkdom tussen achtergestelde ruimtes van armen en uitgeslotenen.

  Door die mechanismen van gedifferentieerd burgerschap en ruimtelijke selectiviteit,
   zien we dat bij de inbedding van materialen-, stof- en kapitaalstromen bepaalde
   sites en populaties bevoordeeld worden met de lusten- meestal door hun sterke
   koopkracht- ten nadele van andere sites en kwetsbare populaties die vooral de
   lasten afgewenteld krijgen.
De hoop dat de zelfregulerende markt en het vrij laten van kapitaalstromen, voor een
   'sociaal' doordruppeleffect zal zorgen in het voordeel van die mensen aan de
   onderkant van de samenleving (het zogenaamde „trickle-downprincipe‟) blijkt ijdel
   te zijn en ethisch onverantwoord; lijden op korte termijn legitimeert geen -
   potentieel- welzijn op lange termijn.
            4. Van 'grenzen aan de groei'
              tot 'de groei van grenzen'!

In tegenstelling tot het sociaal-ecologisch discours in de jaren
   ‟70, dat gebaseerd was op „limits to growth‟ en de
   problematisering van kapitalistische marktontwikkeling, is het
   duurzaamheidsdiscours sinds de jaren '80,zoals de ecologische
   moderniseringshypothese, steeds meer gefixeerd op „the
   growth of limits‟ (Sachs, 1993).
Dat duurzame ontwikkeling -of beter „duurzaamheid‟- wezenlijk
   een emancipatorische praktijk voorstaat die inzet op de
   sociaal-ecologische strijd voor herverdeling van ecologische
   en sociale lusten en lasten binnen de biofysische grenzen en
   draagkracht van de planeet -en dus wezenlijk gaat om
   „rechtvaardige duurzaamheid‟- verdwijnt daarmee uit het
   vizier.
                         4. Van 'grenzen aan de groei'
                           tot 'de groei van grenzen'!
Het bewustzijn van 'de grenzen aan de groei' kwam vooral centraal te staan door de publicatie van het
    rapport aan de Club van Rome in 1972. « Wanneer de trends in de groei van de wereldbevolking,
    industrialisering, vervuiling, voedselproductie en uitputting van de natuurlijke hulpbronnen
    zich zouden doorzetten, zouden de grenzen nog vóór het jaar 2100 worden bereikt met de
    instorting van het wereldsysteem tot gevolg. De vaststelling van 'grenzen aan de groei' en
    biofysische eindigheid van de planeet Aarde, staat haaks op het blinde vooruitgangsgeloof
    en toonde de schaarste aan van natuurlijke voorzieningen (Meadows ea., 1972). »

3 centrale institutionele verschuivingen in het bewustzijn over Duurzame Ontwikkeling:

1. Terwijl de inkt van dit rapport nog nat was, werd de wereld echter geconfronteerd met de economische crisis
    van het midden van de jaren ‟70. De Fordistisch-Keynesiaanse welvaartstaat kwam daardoor op gestage
    wijze onder druk te staan.

Naast de aantasting van het prille bewustzijn dat er een biofysische eindigheid en 'grenzen aan de groei' zijn,
    wordt dus ook de sociale flank en de idee van structurele herverdeling door staatsinterventie getroffen. Het
    neoliberaal globaliseringsmodel focust namelijk op groeiende flexibiliteit, kenniseconomie en innovatie, op
    versterkte marktgerichte regulatie en versterkte onderlinge wedijver via plaatsgerichte competitie; dit in een
    institutionele context van overheden die toenemend door de lens kijken van de vrije markt.

Deze omwenteling heeft vanzelfsprekend zijn impact op duurzame ontwikkeling. Vooral vanaf het in 1987
    gepubliceerde Brundtland-rapport „Our Common Future‟ onder leiding van Gro Harlem Brundtland
    verwaterde de oorspronkelijke idee van 'grenzen aan de groei' daardoor steeds meer in een onwerkbaar
    compromis tussen vrije markt en economische groei enerzijds en ecologische duurzaamheid anderzijds.
                 4. Van 'grenzen aan de groei'
                   tot 'de groei van grenzen'!
2. De tweede mokerslag voor het idee van 'grenzen aan de groei' was de „United Nations
    Conference on Environment and Development‟ of UNCED-conferentie van 1992 in Rio de
    Janeiro. Op deze Aardetop van Rio de Janeiro in 1992 werd het milieuvraagstuk gekoppeld
    aan mondiale rechtvaardigheid, maar ook aan de nood aan marktgerichte economische groei
    (zie: RIO-principe 12). De aanzet tot 'duurzame groei' wordt zo gegeven. Zowel de
    kapitalistische tredmolen van productie om de productie in het Westen houdt aan, alsook de
    mimetische strijd van het Zuiden (Sachs, 1993).Het is zelfs die garantie op een verdere
    groeidynamiek die sociale rechtvaardigheid en ecologische duurzaamheid zal brengen.

Van Lokale Agenda 21, het wereldwijde lokale actieplan van Rio ‟92, kwam ondanks het
   aanvankelijke enthousiasme, op langere termijn weinig in huis.

3. Deze pervertering van 'ontwikkeling-door-groei' wordt verder gezet op de RIO +5-top, in de
    milleniumdoelstellingen (MDG‟s), op de World Summit on Sustainable Development van
    Johannesburg (de Rio+10-top) in 2002, tot op heden (Heynssens, 2008).

“De strategie van duurzame ontwikkeling focust zich in die hele evolutie niet zozeer op de
   negatieve consequenties van economische groei op het leefmilieu maar op de effecten van
   ecologische degradatie op groei of potentiële groei. Vooral groei moet duurzaam blijven en
   niet het leefmilieu.” (Escobar, 1996). Vandaag wordt de term duurzame ontwikkeling met
   andere woorden gebruikt als een synoniem voor het 'oxymoronische' duurzame groei, gericht
   op betere en meer efficiënte martkintegratie (Jones & Jacobs, 2005).
                  5. Van sterke duurzaamheid
                 naar zwakke duurzaamheid….
Duurzame ontwikkeling, zoveel is al duidelijk, ontvouwt zich te midden van een machtsarena
   waarin voortdurend een sociale strijd gevoerd wordt om de invulling van specifieke ruimtes.
   Daardoor is duurzaamheid ook altijd een kameleonbegrip dat verwikkeld is met
   verschillende talige interpretaties, met vertoogstrijd en dus ook met contradictorische
   agenda‟s. Echter, het begrip duurzame ontwikkeling bevat daardoor ook de kiemen van
   democratische hervormingen, van sociale en economische gelijkheid en billijkheid alsook van
   een ontwikkeling die voorbij pure exploitatie gaat (Raco, 2005: 329).

Politieke processen, zo stelt Maarten Hajer, ook die rond het duurzaamheidsbeleid, kunnen steeds
    opgevat worden als een strijd om “discursieve hegemonie”, waarbij actoren steun pogen te
    vinden voor hun werkelijkheidsdefinitie of discours (Hajer, 1995: 59). Elke
    werkelijkheidsdefinitie geeft niet alleen een nieuwe perspectief op de omliggende wereld,
    maar heeft ook meteen de potentie die wereld te veranderen naar het beeld van dat specifieke
    discours.

Met discours wordt bedoeld “het geheel van ideeën, concepten en categorieën die betekenis
  geven aan sociale en fysieke/natuurlijke fenomenen, en die bovendien geproduceerd en
  gereproduceerd worden doorheen een set van sociale praktijken; wat duidt op een serie van
  ingebedde routines en wederzijds begrepen regels en normen” (Hajer 2004: 300). We kunnen
  van hegemonie spreken wanneer bepaalde waarden, ideeën en praktijken dusdanig dominant
  zijn geworden dat ze als „common sense‟ of gedeelde verhaallijnen
         5. Van sterke duurzaamheid
        naar zwakke duurzaamheid….


Dit proces van discursieve hegemonie ontwikkelt
 zich specifiek rond de positionering tegenover
 dit neoliberaal globaliseringsmodel en
 marktgerichte ontwikkeling, die de
 voornaamste wig drijft tussen specifieke
 posities ten aanzien van duurzaamheid.

2 posities: Sterke en zwakke duurzaamheid.
                    5. Van sterke duurzaamheid
                   naar zwakke duurzaamheid….
Sterke duurzaamheid:

De conclusies van het rapport van de Club van Rome sluiten sterk aan bij de theorie van „sterke
    duurzaamheid'. Deze auteurs leggen de nadruk op de biofysische eindigheid van de planeet
    enerzijds en de idee van herverdeling van lusten en lasten die dient te gebeuren binnen die
    biofysische grenzen anderzijds. We zitten namelijk in een situatie van voortdurende ecologische
    „overshoot‟. Onze economie verbruikt 25% méér dan de biocapaciteit van de aarde aan kan (Living
    Planet Report WWF, 2006). Kortom, men zaagt de tak door waarop men zit.
Deze feiten staan haaks op de vanzelfsprekende vooruitgang en gangbare economische ontwikkeling
    zoals het neoliberaal globaliseringsmodel dat voorschrijft. In tegenstelling tot de grenzeloze wereld
    zonder materiële doorstroom, bekijken auteurs uit de sterke duurzaamheidsstroming (o.a. de
    ecologische economie en de politieke ecologie) de economie als „een subsysteem‟ van het grotere
    Ecosysteem Aarde. Het overkoepelend streefdoel is kwalitatieve verbetering in plaats van
    kwantitatieve opstapeling.

Concreet heet dit model voor sterke duurzaamheid een „steady state economy‟ of „stationaire
   economie‟, naar John Stuart Mill die in 1857 het begrip als eerste gebruikte. De manier om tot een
   stationaire economie te komen is door in te zetten op een dematerialisatie van de fysische
   doorstroom van materialen en energie („throughput‟) doorheen de economie. In het wetenschappelijk
   jargon wordt hiernaar verwezen als 'Factor 10'. Dat betekent dat er 90% vermindering van materiële
   doorstroom (materialen, grondstoffen en fossiele brandstoffen) moet komen afhankelijk van
   specifieke positie.

Het systeem werkt op basis van drie op elkaar aansluitende concentrische cirkels: (1) De biofysisch
    optimale schaal bepalen (natuurlijke grenzen), (2) sociale rechtvaardigheid via herverdeling en (3)
    allocatie of toewijzing waarin de markt kan werken (Daly & Cobb, 1990; Daly, 1977).
                     5. Van sterke duurzaamheid
                    naar zwakke duurzaamheid….
Zwakke duurzaamheid:

Het bestaande neoliberale marktgerichte ontwikkelingmodel wordt niet in vraag wordt gesteld. Hieronder
    worden „duurzame en slimme groeidiscours en- praktijken‟ geplaatst, waarin het behoud van
    natuurlijke grondstoffen en voorzieningen een voorwaarde vormt voor economische groei. Men
    verwijst hier meestal samenvattend naar als „de ecologische moderniseringshypothese‟. Voorstanders
    benadrukken de onproblematische compatibiliteit of „win-winsituatie‟ tussen economische groei, sociale
    vooruitgang en ecologische duurzaamheid. De ondertussen beroemde mantra die hierbij aansluit is
    “people-planet-profit”. Om dat te verwezenlijken zijn er twee strategieën:

    Ten eerste wordt ze ingezet op technologische modernisering. Het geloof primeert dat dit het
    materiaalverbruik zou doen dalen en de vervuiling sterk zou verminderen (Christoff, 1996).
   Bovendien, en dit ten tweede, primeert het geloof in de vrije marktmechanismen als oplossing voor de
    ecologische crisis. Schaarse goederen zouden het best verdeeld worden door het transparante
    marktmechanisme van vraag en aanbod; aangedreven door een amalgaam van geatomiseerde en
    rationeel kiezende individuen met logische preferenties. Dit marktmechanisme, zo klinkt het, zorgt steeds
    voor een (tijdelijk) evenwicht of optimale situatie.

Overheidsingrijpen in dit zelfregulerend marktmechanisme is ofwel ongewenst of moet zo beperkt mogelijk zijn.
    Allerhande obstructies moeten daarom (door politieke interventie weliswaar- wat de neoliberale
    globalisering „uiterst‟ politiek maakt) uit de weg geruimd worden in de queeste voor een zuivere en heldere
    marktwerking (Boldeman, 2007). Omdat natuurlijke voorzieningen schaars zijn, zou dit vraag- en
    aanbodmechanisme de prijzen omhoog duwen, waardoor het natuurlijk kapitaal dus niet zou worden
    aangetast.
Deze auteurs uit de zwakke duurzaamheidsstroming verdedigen daarnaast ook financiële compensaties voor
    ecologisch destructieve effecten; dit op basis van taksen, compensaties, verhandelbare uitstootrechten
    enz.

Verschillende auteurs spreken samenvattend van 'een vergroening van het kapitalistisch marktmodel'.
  6. Een 3de positie: « rechtvaardige duurzaamheid »
              en sociaal-ecologische strijd
Een reële tegenstrategie zal zich echter moeten voltrekken via sociaal-ecologische strijd
   in de praktijk. Een reële tegenstrategie zal zich bovendien ook moeten voltrekken
   via sociaal-ecologische strijd in de praktijk. Maatschappelijke transformatie is
   namelijk bij uitstek samen te vatten met de term „praxis‟.

Om die praktijk van rechtvaardige duurzaamheid dichterbij te brengen, bespreken we
  als illustratief derde duurzaamheidsmodel de contra-hegemonische strijd van de
  “Environmental Justice Movement” (EJM) („ecological justice‟ in de Verenigde
  Staten of „just sustainability‟ in het Verenigd Koninkrijk) (Bullard, 1994). We
  menen dat we kunnen leren uit haar sociaal-ecologische strijd voor rechtvaardige
  duurzaamheid. Maatschappelijke transformatie is namelijk bij uitstek samen te
  vatten met de term „praxis‟.

Om die praktijk van rechtvaardige duurzaamheid dichterbij te brengen, bespreken we
  als illustratief derde duurzaamheidsmodel de contra-hegemonische strijd van de
  “Environmental Justice Movement” (EJM) („ecological justice‟ in de Verenigde
  Staten of „just sustainability‟ in het Verenigd Koninkrijk) (Bullard, 1994).

We menen dat we in Vlaanderen kunnen leren uit haar sociaal-ecologische strijd voor
  rechtvaardige duurzaamheid.
     6. Een 3de positie: « rechtvaardige
 duurzaamheid » en sociaal-ecologische strijd

Het betoog over „rechtvaardige duurzaamheid‟ sluit sterk aan bij het pleidooi
   voor sterke duurzaamheid. Centraal staat “het streven naar een betere
   levenskwaliteit voor de huidige en de toekomstige generatie op een sociaal
   rechtvaardige manier, en dit binnen de grenzen van de ecologische
   draagkracht van het ecosysteem” (Ageyman, Bullard & Evans, 2003;
   Bullard, Evans & Agyeman, 2004: 2).

Dergelijke vormen van rechtvaardige duurzaamheid gaan daardoor voorbij aan
   het bestaande status quo binnen de contouren van marktconformisme en
   zwakke duurzaamheid (Marcuse, 1998; Rodriguez, 1999).

Echter, de meerwaarde van 'rechtvaardige duurzaamheid' is de expliciete
   nadruk op 'sociale strijd' als de motor van verandering. Macht is daarbij
   geenszins negatief. Binnen deze processen van sociaal-ecologische strijd,
   stelt macht mensen in staat te handelen (Flyvbjerg, 2001; Forester, 1993).
     6. Een 3de positie: « rechtvaardige
 duurzaamheid » en sociaal-ecologische strijd
Robert Bullard en Hazel Johnson worden gezien als de grondleggers van „the
  Environmental Justice movement‟ in de VS. Robert Bullard werkte 20 jaar
  samen met verschillende grassrootsbewegingen, zowel Afro-Amerikanen
  uit de zogenaamde „cancer alley‟, de chemische industriële corridor tussen
  Baton Rouge, New Orleans en Los Angeles, alsook met de Native
  Americans van Prairie Island (MN) en de Latino gemeenschappen van New
  River in Zuid-Californië, waar de maquiladores langs de VS-Mexicogrens
  aan chemische dumping doen.

Deze beweging van „real people in real places‟ (Blowers, 2003: 71) ontstond
  als reactie van perifere etnische minderheden en sociaal-economisch
  achtergestelde groepen die door ecologische dumping, ongelijke
  ruilverhoudingen, roofbouw, enz. de ecologische onrechtvaardigheid aan
  den lijve ondervonden. Zoals deze groepen zelf stellen; “race matters, place
  matters!”.

Deze sociaal onrechtvaardige en ecologisch destructieve dumping illustreert
  met andere woorden de „ongelijke geografische ontwikkeling‟ die inherent
  is aan neoliberale en andere kapitalistische ontwikkelingsprocessen.
     6. Een 3de positie: « rechtvaardige
 duurzaamheid » en sociaal-ecologische strijd
De EJM-beweging is ontstaan in 1984 als een samenvloeiing van de armenbewegingen,
   mensenrechtenbeweging en ecologische beweging. De inzet was de Warren County
   PCB Landfill die zou gebruikt worden als dumpingsplaats voor schadelijke stoffen,.
   op een plaats waar de bevolking voor 84% uit arme Afro-Amerikanen bestond.
   Alhoewel 500 mensen gearresteerd werden en de stortplaats er toch kwam, was dit
   het eerste grassroots protest voor ecologische rechtvaardigheid. Gesteund door de
   „United Church of Christ.

Het gaat de environmental justice movement zowel om een rechtendiscours waarin
   verdelende ecologische rechtvaardigheid (wie krijgt welk deel van de lasten?)
   centraal staat als om een politieke machtsanalyse van rechtvaardigheid (wie bepaalt
   wie welke lasten krijgt, wanneer en waarom?) (Bullard & Johnson, 2000: 559).

Sindsdien wordt „Environmental justice‟ gedefinieerd als een conditie waarin
   ecologische risico‟s en ecologische lusten en lasten zowel als de toegang tot
   natuurlijke voorzieningen en milieuvoordelen gelijk verdeeld zijn. Hierbij is gelijke
   toegang tot informatie en politieke participatie noodzakelijk om reële impact te
   hebben op de politieke beslissingsprocessen.
 3de positie: « rechtvaardige duurzaamheid »
          en sociaal-ecologische strijd
Enkele succesen van de EJM:
 Op 27 september 1991 kwam „The First National
  People of Color Environmental Justice Summit‟
  bijeen waar 17 principes voor ecologische
  rechtvaardigheid werden opgesteld
 gevolgd door een tweede in 2002 in Washington DC.

 In 2007 lanceerde de Commission for Racial Justice
  een laatste rapport "Toxic Wastes and Race at
  Twenty”.
  3de positie: « rechtvaardige duurzaamheid »
           en sociaal-ecologische strijd
Deze sociaal-ecologische strijd beperkt zich niet tot het Noorden. Ook in het Zuiden
   zijn grassroots ecologische bewegingen actief die eenzelfde politiek perspectief
   delen op sociaal-ecologische verandering, klimaatswijziging en duurzame
   ontwikkeling. De nadruk van dit „environmentalism of the poor‟ ligt op ecologische
   verdelingsconflicten, de grenzeloze trend van accumulatie, de ongelijke verdeling
   van ecologische lusten en lasten, de totale commodificatie van de natuur en de
   ongelijke geografische ontwikkeling.

Opgejaagd door een economie die in alle uithoeken van de aarde op zoek gaat naar
   grondstoffen en daardoor deze ecologische conflicten zal aanscherpen, zal deze
   beweging aan belang toenemen (Martinez-Alier, 2002).

Voorbeelden van de strijd voor rechtvaardige duurzaamheid in het Zuiden zijn de strijd
   van de Ogoni in de Nigerdelta tegen de exploitatie van het zwarte goud (olie) en de
   milieuvervuiling door Shell (Watts, 1998), de Green Belt Movement in Kenia van
   Wangari Mataai, de strijd in India tegen de bouw van de Namaradam van Arundhati
   Roy, de Zuid-Afrikaanse strijd van een netwerk tussen EJNF (Environmental
   Justice Network Forum), Earthlife Africa en Groundlife tegen de water-en
   luchtvervuiling van het staalbedrijf ISCOR (Cock, 2006) enz.
    3de positie: « rechtvaardige duurzaamheid »
             en sociaal-ecologische strijd
Enkele gemeenschappelijke kenmerken van de EJM:

      Deze EJM legt ten eerste de nadruk op het belang van de (bedreigde) levensnoodzakelijke systemen
       en de ecologische veiligheid van de gemeenschap. De monetaire „valorisatie‟ en de dominantie van de
       ruilwaarde van het neoliberaal globaliseringsmodel is voor hen onverenigbaar met zowel de biofysische
       basis en reële biofysische temporaliteit van de economie alsook met de lokale gebruikswaarde van
       grondstoffen en handel (Martinez-Alier, 2003). Door de nadruk te leggen op de gebruikswaarde, op de
       biofysische basis en temporaliteit van de economie, proberen deze bewegingen alvast een
       tegenvertoog over ontwikkeling centraal te stellen

      De vorming van een gedeelde belangen-„gemeenschap‟ staat voorop. Die gedeelde
       belangengemeenschap functioneert als een mobiliserend „weapon of the weak‟ (Scott, 1985 In:
       Staecheli, 2008: 18).

      Deze ecologische groepen hanteren ten derde ook sociaal-fysische begrippen zoals „ecologische
       schuld‟ die de asymmetrische machtsrelaties en het „schuldmodel‟ omkeren. Het zet alvast de
       scheefgetrokken ecologische ruilvoorwaarden en ongelijke verdeling van lasten in de kijker (Martinez-
       Alier, 2003). In tegenstelling tot de ecologische moderniseringshypothese die marktconform is, stelt de
       EJM de sociale en ecologische conflicten en contradicties centraal die inherent zijn aan het neoliberaal
       systeem en andere kapitalismen.

      De gedeelde noemer van de EJM is de sociale strijd tegen „de ongelijke geografische ontwikkeling‟
       en „gedifferentieerd burgerschap‟, waarbij bepaalde sites en kwetsbare burgers de lasten afgewenteld
       krijgen, terwijl andere plaatsen worden bevoordeeld door de aanwezigheid van koopkrachtige groepen
       die zich de lusten van het door-kapitaal-gestuurd ontwikkelingsproces toe-eigenen.

       Om deze ruimtelijk ingebedde lasten te contesteren op de specifieke plaatsen waar ze leven en hun
       agenda van rechtvaardige duurzaamheid waar te maken, moeten deze grassroots bewegingen de
       beperking van hun strijd tot het lokale schaalniveau („het militant particularisme‟) verbreden door hun
       lokale problematiek te verbinden met verschillende andere ruimtes, locaties en schaalniveaus (Harvey,
       1996: 399).
 Welke rechtvaardige duurzaamheid
         voor Vlaanderen?
Ook bij ons lijkt duurzame ontwikkeling namelijk beperkt tot de post-politieke
  interpretatie ervan die daardoor in praktijk aansluit op het marktgerichte
  ontwikkelingsmodel. De sterke begripsverwarring speelt bovendien de
  marktbenaderingen van duurzaamheid sterk in de kaart.

En toch, wanneer we „rechtvaardige duurzaamheid‟ echter definiëren als de
   sociale strijd voor een betere levenskwaliteit voor de huidige en de
   toekomstige generatie op een sociaal rechtvaardige manier, en dit binnen de
   grenzen van de ecologische draagkracht van het ecosysteem, dan kan dit
   begrip ook in Vlaanderen ingang vinden.

“Rechtvaardige duurzaamheid” heeft ook bij ons nood aan een politiserende
   invulling, getekend door onophoudelijke 'ruimtelijk ingebedde' sociaal-
   ecologische strijd. De vraag is elke keer: “wie kan zich een bepaalde ruimte
   toe-eigenen en naar welk beeld wordt die ruimte gevormd?”. Omdat macht
   en sociale verhoudingen hierin de hoofdrol spelen, is het des te belangrijker
   dat het welzijnswerk en sociale bewegingen deze sociale (wan-
   )verhoudingen ombuigen in de richting van de emancipatorische praktijk
   van 'rechtvaardige duurzaamheid'.
Welke rechtvaardige duurzaamheid
        voor Vlaanderen?
Enerzijds ontwikkelt zich het idee vanuit het Vlaamse beleid van
  'Vlaanderen distributieland', ingeschreven in het
  “Vlaanderen in Actie-plan” dat erop mikt van Vlaanderen de
  logistieke draaischijf van Europa te maken. Hierdoor moet
  Vlaanderen op het competitiespoor worden gezet om de 5de
  regionale positie in Europa te behalen. Wat is de ecologische
  duurzaamheid en sociale rechtvaardigheid echter van dit
  Vlaamse Competitiemodel?

Dit beleid mondt uit in projecten zoals de Oosterweelverbinding,
  het Economisch Netwerk Albertkanaal en de plannen voor de
  verbreding van het Schipdonkkanaal, de uitbreiding van de
  havens van Antwerpen, Gent en Brugge die een verdieping,
  uitbreiding of een verbreding vragen van de kanalen en
  sluizennetwerk.
Welke rechtvaardige duurzaamheid
        voor Vlaanderen?
De effecten zijn dubbel. Enerzijds zien we de verdere aantasting van
  lokale natuurlandschappen en open ruimte. Anderzijds zien we de
  druk verhogen op de leefbaarheid van de kanaaldorpen.
  Verschillende actiegroepen komen op voor de leefbaarheid van hun
  dagelijkse leefomgeving. Enkele voorbeelden zijn “t Groot Gedelf”
  tegen de verbreding van het Schipdonkkanaal, of actiegroep “Red de
  Keer” actief tegen verdwijnen van landbouwgebied de Keer door
  komst van Economisch Netwerk Albertkanaal en de
  bewonersgroepen van de Gentse havendorpen tegen de groeiende
  transportdruk door de groei van de Gentse haven.

Tegen die achtergrond volgt “de Vlaamse Strategie Duurzame
  Ontwikkeling” (VSDO) vooral het “people-planet-profit”-principe
  van de ecologische moderniseringshypothese waardoor het
  makkelijk in het economisch groeiverhaal kan worden ingepast.
 Welke rechtvaardige duurzaamheid
         voor Vlaanderen?
Anderzijds beleven de Vlaamse steden 'een stedelijke renaissance'. Daarvoor worden ze steeds
   sterker geconverteerd naar post-industriële knooppunten in een globale interstedelijke
   competitieslag. Om de harde economische competitielogica te camoufleren, wordt een vorm
   ecologische moderniseringstheorie aanhangig gemaakt in het stedelijke 'duurzame'
   ontwikkelingsdiscours die weinig te zien heeft met “rechtvaardige duurzaamheid”; namelijk
   de theorie van “Smart Growth” of “Slimme Groei”. Hierbij wordt duurzaamheid veelal
   beperkt tot de ecologische aspecten, maar de sociale poot van herverdeling en sociale
   rechtvaardigheid ontbreekt vaak.

Dit stedelijk ontwikkelingsmodel, dat ook Vlaams wordt aangestuurd, geeft steeds meer
    aanleiding tot specifieke grootschalige stadsontwikkelingsprojecten, waardoor de
    prioritaire woonnood én slechte woningvoorraad in de 19de eeuwse gordels rond de
    stadskernen wordt verdrongen. Hier ligt nog een enorme kans voor rechtvaardige
    duurzaamheid van onderop. “Leefbaarheid”, in de zin van gezonde en kwalitatieve
    woningen, betaalbare energie door voldoende isolatie, en gelijke toegang tot publieke diensten
    hangt onvermijdelijk samen met de sociale achtergrond en klasse van mensen.

Bij de huidige (gentrificerende) stads- en wijkontwikkeling die zich steeds sterker richt op de
    middenklasse, zijn ook ruimtelijke selectiviteit en gedifferentieerd burgerschap merkbaar. Die
    ruimtes die een groot marktpotentieel hebben in wijken en meer kapitaalkrachtige groepen
    kunnen aantrekken, worden ontwikkeld, in de hoop dat dit de “zelfregeneratie” van buurten
    zal op gang brengen. Het beleidssubject is hierbij niet prioritair de lokale bevolking of
    lagere inkomensgroepen en de slecht kwalitatieve woningen. Er wordt vooral gemikt op
    groepen en actoren die nog niet in de buurt wonen zoals een kapitaalkrachtige suburbane
    klasse, toeristen, projectontwikkelaars en investeerders die de exogene groei kunnen inzetten.
Welke rechtvaardige duurzaamheid
        voor Vlaanderen?
In bovenstaande praktijken ligt nog een enorm potentieel voor
   een agenda van rechtvaardige duurzaamheid in Vlaanderen,
   zowel voor actoren als Samenlevingsopbouw, buurtwerk,
   grassrootsbewegingen, als voor beleidsactoren. Proberen
   mensen en groepen achter een gedeelde noemer te krijgen,
   nieuwe discours te vormen die de sociale verhoudingen en de
   schuldvraag ombuigen en hun lokale strijd te « up-scalen »!

Als duurzame ontwikkeling geen sociaal en ecologisch
  rechtvaardig antwoord heeft voor die mensen aan de onderkant
  van de samenleving alsook voor diegenen die de lasten en het
  fijn stof van de huidige economische (stads-)ontwikkeling
  slikken, dan is het zeker geen „rechtvaardige duurzaamheid‟.

				
DOCUMENT INFO