10 tips aan de leerkrachten zaakvakken
Document Sample


10 tips voor de leerkrachten zaakvakken
1. STRUCTUREER DE LES EN DE LESINHOUD
• lesstructuur op bord ter ondersteuning;
• leerlingen leren omgaan met de structuur van schoolboek, cursus, (werk)map;
• structuur van map en schoolboek op elkaar afstemmen;
• duidelijke instructies:
- “Ik zeg wat ik doe en ik doe wat ik zeg.”
2. ORIËNTEER OP DE LES EN DE OPDRACHT
• strategisch handelen (Oriënteren, Voorbereiden, Uitvoeren, Reflecteren);
• voorkennis / kennis van de wereld oproepen;
• opgave samen analyseren;
• relatie(s) met andere leerstof / lessen / vakken (TRANSFER).
3. VERGROOT HET TEKSTBEGRIP VAN DE LEERLINGEN
• leesstrategieën:
voorspellend;
oriënterend;
zoekend;
globaal;
intensief.
• tekst in schema omzetten.
4. LEG MOEILIJKE WOORDEN EN VAKTERMEN UIT
• duidelijke definitie(s);
• voorlopige werkdefinities (eigen woorden);
• strategieën om woordbetekenis te achterhalen:
- samenstelling;
- context;
- hulpbronnen.
• herhaal belangrijke schooltaalwoorden: functie / relatie / conclusie / vergelijken /
definiëren beschrijven...
5. LAAT DE LEERLINGEN NIEUWE WOORDEN VERWERKEN
lijst met woorden uit de vaktaal;
woordenveldassociatie;
begrippen die ze moeten kennen in een schema zetten.
6. HELP LEERLINGEN BIJ HET BEGRIJPEN VAN EEN VRAAG
• welke handelingen worden verwacht?
kopiëren;
beschrijven;
ordenen / structureren;
beoordelen.
• laat leerlingen een stappenplan opstellen;
• herformuleer de vragen, parafraseer;
• zoek samen met de leerlingen naar de betekenisdragende woorden, belangrijke
alinea's.
7. EVALUEER MET DE LEERLINGEN HET ANTWOORD
• let op duidelijke instructies;
• laat leerlingen alternatieve vragen bedenken;
• maak vooraf afspraken over de formulering;
• toets het antwoord aan de vooropgestelde criteria.
8. STEL RELEVANTE VRAGEN IN EEN DUIDELIJKE TAAL
• waar / niet waar feitenkennis
• meerkeuzevragen feitenkennis en begrip
• open vragen feiten, begrip & toepassing
9. LAAT LEERLINGEN PRATEN IN DE LES
• Interactie:
- leerling-leerling en leerling-leraar;
- individueel-groepswerk;
• geef alle leerlingen voldoende spreekkansen;
• praten over de leerstof;
• hertalen, vragen stellen, overleggen ...;
• duidelijke taakomschrijving bij groepswerk;
• durf reacties uit te lokken.
10. WERK SAMEN MET COLLEGA’S NEDERLANDS EN ANDERE VAKKEN
• wissel informatie uit over strategieën en aanpak;
• signaleer aan collega's Nederlands de taalproblemen die je ondervindt in je klaspraktijk;
• maak afspraken rond gehanteerde terminologie;
• stel samen examenvragen op of bespreek ze gezamenlijk.
Tom GYSEMANS
Related docs
Get documents about "