Werkblad beschrijving interventi

Document Sample
Werkblad beschrijving interventi Powered By Docstoc
					                         Werkblad beschrijving interventie




                             Droog Bed Training (BDT)




                      Gebruik de handleiding bij dit werkblad
                      www.nji.nl/jeugdinterventies/beschrijven
                                          of
              www.loketgezondleven.nl/kwaliteit-van-interventies/beoordeling




Contact NJi                                                  Contact RIVM
Gert van den Berg                                            Sandra van Dijk
g.vandenberg@nji.nl                                          sandra.van.dijk@rivm.nl
030-2306873                                                  030-2748678




                                                                                       1
Achtergrondgegevens



Ontwikkelaar van de interventie
            Naam: R. HiraSing en FJM van Leerdam; Vrije Iniversiteit EMGO instituut
            Adres: Van der Boechorststraat 7
            Plaats: 1081 BT Amsterdam
           E-mail:
       Telefoon.:
              Fax:
         Website: www.kenniscentrumbedplassen.com
 (van de interven-
               tie)

Contactpersoon/licentiehouder
Vul hier de contactpersoon voor de interventie in, wanneer deze afwijkt van de ontwikkelaar of
licentiehouder
             Naam: Stichting Kenniscentrum Bedplassen p/a Droogbed- en Bekkencentrum
                     Meppel
             Adres: Postbus 502
             Plaats: 7940 AM Meppel
          E-mail :    info@kenniscentrumbedplassen.com
          Telefoon: 0522 233850
                     Website: www.kenniscentrumbedplassen.com




Onderstaande in te vullen door Nederlands Jeugdinstituut /RIVM


Documentatie voor de erkenningscommissie
                   De volgende documentatie wordt in viervoud toegestuurd aan de erken-
                   ningscommissie:
Aangekruiste do-
cumenten worden     x 1. Interventiebeschrijving
na de beoordeling   x 2. 5 artikelen
geretourneerd.         3.
                       4.
                       5.
Deelcommissie
Aankruisen welke       Deelcommissie I.     jeugdzorg, psychosociale en pedagogische pre-
deelcommissie de                     ventie
interventie zou     x Deelcommissie II.     jeugdgezondheidszorg, preventie en gezond-


                                                                                            2
moeten beoorde-                        heidsbevordering
len.                      Deelcommissie III. ontwikkelingsstimulering, onderwijsgerelateerde
                                       hulpverlening en jeugdwelzijn
                          Deelcommissie IV preventie en gezondheidsbevordering voor vol-
                                       wassenen en ouderen
Documentnummer




Samenvatting
Het is handig de samenvatting als laatste in te vullen. Gebruik voor de samenvatting als ge-
heel maximaal 600 woorden.


                         Doel
Beschrijf hoofddoel(en) Kinderen die ’s nachts nog in hun bed plassen hebben geleerd dit op
of meest karakteristieke de wc te doen en zo hun bed droog te houden.
(sub)doelen van de
interventie.

                          Doelgroep
Noem de doelgroep         Kinderen vanaf zeven jaar, die ondanks het uitvoeren van verschil-
waarop de interventie     lende behandelingen, toch in bed blijven plassen. Met andere woor-
direct gericht is.        den: kinderen die hardnekkig bedplassen.


                          Aanpak
Beschrijf de structuur    De droog-bedtraining bestaat uit 3 stappen:
en de inhoud van de          - intensieve training gedurende 1 nacht: het kind om het uur
interventie.                     wakker maken, zelfstandig naar de W.C. laten gaan en
                                 blaastraining toepassen (stimuleren de plas op de houden
                                 om de blaascapaciteit te vergroten);
                             - vervolgtraining, onder andere bestaande uit wekkertherapie,
                                 positieve en verschoningsoefeningen; deze training begint
                                 de 2e nacht en duurt tot het kind 14 dagen achter elkaar
                                 droog is;
                             - wanneer het kind droog is: instructie met betrekking tot wat
                                 gedaan moet worden bij ongelukjes.
                             Bij de methode wordt gebruik gemaakt van:
                             - een wekapparaat: dit waarschuwt door middel van een bel
                                 als het kind begint te plassen;
                             - positieve oefeningen om de gewoonte van ‘uit bed gaan en
                                 naar de W.C. gaan’ te leren;
                             - ‘motivators’: beloningen die gegeven worden als het kind
                                 gewenst gedrag vertoont;
                             - verschoningsoefeningen: het kind merkt hierdoor zelf dat
                                 bedden verschonen vervelend is.



                                                                                               3
                         Setting
                         Hulpverleners van instellingen voor JGZ, GGZ of (kin-
                         der)ziekenhuis leren ouders en kinderen de DBT thuis uit te voeren.
                         Voor een beperkte groep, waarbij deze training thuis niet werkt of
                         onuitvoerbaar is, bestaat de mogelijkheid van klinische behande-
                         ling. Deze klinische behandeling vindt plaats in diverse instellin-
                         gen.


                         Materiaal
Geef aan of er een       • Mulder, Z. & Vijverberg, M. (2003). Bedplassen. Daar wil je
handleiding en ander         van af! Plaswekkers en andere hulpmiddelen. Havelte: Binkey
materiaal is.                Kok Publications BV.
                         • Vertaalde brochures in Turks, Arabisch en Spaans.
                         • HTML links:
                             www.kenniscentrumbedplassen.com
                             www.droogbedcentrum.nl
                             www.bedplassen.org
                             www.fss.uu.nl/ped/enuresis
                         Alle voor de uitvoering van de interventie benodigde materialen
                         (protocol/richtlijnen voor professionals, instructies voor ouders)
                         zijn te downloaden.



                         Onderzoek
Beschrijf concluderend Resultaten Nederlands effectonderzoek
de resultaten van Ne-    Studie 1
derlands effectonder-    Auteurs: Hirasing, R.A. & Reus, H.
zoek, buitenlands ef-    Jaar: 1991
fectonderzoek en pro-    Belangrijkste resultaten: Met de DBT werden 31 kinderen (86%)
cesevaluaties van de     droog. Ongeveer de helft van deze 31 kinderen was droog binnen 1
interventie in maximaal maand, 81 % binnen 2 maanden. Van deze 31 kinderen hadden er
200 woorden.             21 (68%) na de droge periode van minstens 2 weken nog wel eens
                         een ongelukje en vertoonden er 10 (32%) een (vaak tijdelijke) te-
Meld als er geen on-     rugval. Van ‘terugval’ werd gesproken als een kind na een droge
derzoek is: Er zijn geen periode van minstens 2 weken meer dan 1 keer per week nat was
studies voorhanden.      gedruende ten minste 2 weken. Na 6 maanden bleek 75% van de
                         kinderen droog te blijven bij het slapen.


                         Studie 2
                         Auteurs: Hirasing, R.A. & Reus, H.
                         Jaar: 1994
                         Belangrijkste resultaten: In 1993 (4-6 jaar na de training) sliep 83%
                         procent droog. Bij 17% was er een sterke vermindering van het
                         bedplassen (van 6 naar 2 maal per week).


                         Studie 3


                                                                                              4
Auteurs: Hirasing, R.A. & Bolk-Bennink, L.F.
Jaar: 1996
Belangrijkste resultaten: All 91 parents completed the initial and 86
(95%) completed the second questionnaire. Before starting the dry
bed training program the children were wetting the bed an average
of 5.4 times weekly. A total of 69 children (80%) successfully
achieved the continence criterion of 14 consecutive dry nights.
Mean time plus or minus standard deviation needed to achieve dry-
ness was 6.9 ±3.7 weeks, including the continence criterion. Girls
responded significantly faster than boys to dry bed training (5.1
versus 7.4 weeks, t[67] = 2.16, p <0.05). A total of 16 children
(23%) had relapse of whom 7 regained dryness 6 months after train-
ing.

Studie 4
Auteurs: Hirasing, R.A., Leerdam F.J.M. van, Bolk-Bennink L.F. &
Koot, H.M.
Jaar: 2002
Belangrijkste resultaten:
The parents included in the DBT instruction program were asked to
complete two questionnaires:
Questionnaire I, completed prior to the start of the DBT (T1), aimed
at obtaining general data as well as background information rele-
vant to the enuresis.
Questionnaire II had to be completed 6 mo after completion of the
first questionnaire (T2).
To assess behavioural/emotionals problems the Child Behaviour
Checklist (CBCL) was completed by the parents on two occasions,
i.e. before (T1) and 6 mo after the DBT (T2).
The Child Behaviour Checklist (CBCL) questionnaire was com-
pleted by 88 parents (96%) prior to DBT (T1) and by 83 parents
(91%) 6 mo after DBT (T2). The mean CBCL total problem score
at T1: 24.0 was significantly higher than that of a Dutch norm
group: 20.45 (p= 0.025).
Compared to T1, the mean CBCL total problem scores at T2 was
16.8. Of the children with CBCL total problem scores at T1 in the
borderline or clinical range, 92% became dry and 58% improved to
the normal range. At T2, the children seemed to have less internal
distress, fewer problems with other people, and were less anxious
and/or depressed.

Resultaten buitenlands effectonderzoek

Studie 1
Auteurs: Glazener, C.M.A., Evans, J.H.C. & Peto, R.E.
Jaar: 2004
Belangrijkste resultaten:
 A complex intervention (such as dry bed training (DBT) or full
spectrum home training (FSHT)) including an alarm was better than
no-treatment control groups (for example the relative risk (RR) for


                                                                   5
failure or relapse after stopping DBT was 0.25; 95% CI 0.16 to
0.39) but there was not enough evidence about the effects of com-
plex interventions alone if an alarm was not used. A complex inter-
vention on its own was not as good as an alarm on its own or the
intervention supplemented by an alarm (e.g. RR for failure or re-
lapse after DBT alone versus DBT plus alarm was 2.81; 95% CI
1.80 to 4.38). On the other hand, a complex intervention supple-
mented by a bed alarm might reduce the relapse rate compared with
the alarm on its own (e.g. RR for failure or relapse after DBT plus
alarm versus alarm alone was 0.5; 95% CI 0.31 to 0.80).




                                                                  6
Beschrijving voor erkenning op niveau I: theoretisch goed onderbouwd



A. Interventiebeschrijving:
probleem, doelgroep, doel, aanpak, materialen en uitvoering



1. Risico- of probleemomschrijving

Geef aan wat het pro-       Definitie
bleem of het risico is      Veel kinderen plassen ’s nachts in bed. Bedplassen is een onwillekeu-
waarop de interventie       rige blaaslediging volgens het patroon van een normale blaaslediging
zich richt. Beschrijf de    op een ongewenst moment op een onjuiste plaats. Bij kinderen van 5
aard, ernst, omvang en      of 6 jaar is sprake van bedplassen als zij tenminste twee keer per
spreiding van het pro-      maand 's nachts in bed plassen. Bij oudere kinderen en volwassenen
bleem, en de gevolgen       spreken we van bedplassen als zij ten minste eenmaal per maand in
bij niet ingrijpen.         bed plassen (DSM-III definitie). Van ernstig bedplassen is sprake bij
Als deze informatie er      kinderen van 5 jaar en ouder als zij minstens twee keer per week in
niet is, geef dat dan ook   hun bed hebben geplast gedurende de afgelopen vier weken gedurende
aan.                        minimaal drie aaneensluitende maanden (DSM-IV definitie) (Leer-
                            dam, 2005).
Maximaal 400 woor-
den.                        Prevalentie
                            De prevalentie van bedplassen varieert in verschillende subgroepen.
                            Zo plassen jongens vaker in bed dan meisjes. Uit verschillende onder-
                            zoeken naar de prevalentie van enuresis nocturna (bedplassen) uitge-
                            voerd in Engeland, Nederland, Nieuw Zeeland en Ierland blijkt dat
                            onder 15-22% van 5-jarige jongens bedplassen voorkomt. Deze per-
                            centages nemen af naarmate jongens ouders worden tot respectievelijk
                            13-19% van de 7-jarige jongens, 9-13% van de 9-jarige en 1-2% van
                            de 16-jarige jongens. Voor meisjes zien deze cijfers er als volgt uit:
                            9-16% van de 5-jarige meisjes, 7-15% van de 7-jarige meisjes, 5-10%
                            van de 9-jarige meisjes en 1-2% van de 16-jarige meisjes heeft last
                            van bedplassen (Leerdam, 2005).
                            Uit onderzoek van Spee - van der Wekke e.a. (1998) naar de prevalen-
                            tie van bedplassen bij Nederlandse kinderen blijkt dat de prevalentie
                            van bedplassen bij kinderen van Turkse en Marokkaanse ouders hoger
                            is (14%) dan bij Nederlandse kinderen (6%). Het percentage bedplas-
                            sers in het speciaal onderwijs is groter dan bij kinderen in het reguliere
                            onderwijs (14% versus 6%).
                            De prevalentie op volwassen leeftijd is nog steeds 0,5% (Hirasing,
                            Leerdam, Bolk – Bennink en Janknegt, 1997).

                            Gevolgen
                            Bedplassen is het meest voorkomende psychosociale probleem tijdens


                                                                                                  7
                           de kindertijd (Leerdam, 2005) en kan verregaande gevolgen hebben
                           voor zowel het kind als zijn/haar ouder(s). Na ruzie tussen ouders en
                           scheiden/overlijden van een ouder wordt het door de getroffen kinde-
                           ren als ergste beschouwd dat hen kan overkomen (Tijen, 1998).
                           Kinderen schamen zich voor bedplassen, voelen zich anders dan hun
                           leeftijdsgenootjes en worden vaak gepest door andere kinderen of zijn
                           daar bang voor (Leerdam, 2005). Kinderen durven vaak niet meer te
                           logeren en doen niet mee aan het schoolkamp. Het schaadt hun zelf-
                           vertrouwen en veroorzaakt vaak een negatief zelfbeeld. Ouders op hun
                           beurt maken zich zorgen over het welzijn van hun kind en kunnen het
                           vertrouwen in hun eigen opvoedingsvaardigheden verliezen (Foxman,
                           1986). Zorgen en frustraties kunnen ertoe leiden dat ouders het bed-
                           plassen gaan bestraffen. Het kind zal daardoor echter nog meer zelf-
                           vertrouwen verliezen (Leerdam, 2005).

2. Doel van de interventie

Wat is het doel van de     Einddoel
interventie? Beschrijf     Kinderen die ’s nachts nog in hun bed plassen hebben geleerd dit op
de einddoelen en even-     de wc te doen en zo hun bed droog te houden.
tuele sub- of voorwaar-
delijke doelen zo con-     Subdoelen
creet mogelijk en bij      - Ouders en kinderen hebben geleerd de droog-bedtraining thuis uit te
voorkeur SMART             voeren.
(specifiek, meetbaar,      - Ouders zijn in staat tot het toepassen van de algemene pedagogische
acceptabel, realistisch    technieken (belonen, i.p.v. straffen) die ter ondersteuning worden ge-
en tijdgebonden).          bruikt.
                           - Deelnemers hebben minimaal 14 achtereenvolgende droge nachten.

3. Doelgroep van de interventie


                           3.1 Voor wie is de interventie bedoeld?
Wat is de einddoel-        Einddoelgroep
groep van de hier be-      Kinderen vanaf zeven jaar, die ondanks het uitvoeren van verschillen-
schreven interventie?      de behandelingen, toch in bed blijven plassen. Met andere woorden:
Noem ook een eventue-      kinderen die hardnekkig bedplassen.
le intermediaire doel-
groep. Geef een zo pre-    Intermediaire doelgroep
cies mogelijke be-         Ouders van kinderen vanaf zeven jaar, die ondanks het uitvoeren van
schrijving van relevan-    verschillende behandelingen, toch in bed blijven plassen.
te kenmerken van de
doelgroep waarop de
interventie zich direct
richt.
                           3.2 Indicatie- en contra-indicatiecriteria
Beschrijf indicatie- en    Indicatiecriteria:
contra-indicatiecriteria       De kinderen zijn tenminste 7 jaar oud; zindelijkheid ontwikkelt
indien van toepassing          zich onder invloed van het autonome en het willekeurige zenuw-
(indien van toepassing         stelsel. De rijping van het zenuwstelsel verloopt niet bij ieder kind


                                                                                                 8
kunnen deze criteria          in hetzelfde tempo. Bij vele kinderen verdwijnt het probleem van
vereist zijn voor erken-      bedwateren spontaan, en men neemt aan dat een behandeling pas
ning; zie handleiding).       dient te worden overwogen vanaf de leeftijd van 7 jaar.
Meld ook hoe de doel-         Andere methoden (inclusief plaswekker) hadden geen resultaat
groep wordt geselec-          Zowel ouder als kind zijn gemotiveerd
teerd. Noem eventueel
gebruikte selectie-        Contra-indicatiecriteria:
instrumenten en vereis-       • Het kind heeft ernstige psychische of gedragsproblemen
te scores.                    • Op korte termijn vinden er grote veranderingen plaats in het
                                 gezin (bv. verhuizing, geboorte)
                              • Geringe motivatie van zowel de ouders als het bedplassende
                                 kind
                              • Het aanwezig zijn van een organische oorzaak voor het bed-
                                 plassen

                           3.3 Toepassing bij migranten
Geef aan of de inter-      De interventie is niet speciaal ontwikkeld voor migrantengroepen
ventie uitsluitend, mede   maar kan wel bij hen toegepast worden.
of niet bedoeld is voor    De brochure met de instructies voor de DBT zijn vertaald in Turks,
(specifieke) migranten-    Arabisch en Spaans en beschikbaar via de website.
groepen en voor welke.     Voor het bereik van allochtone kinderen worden Voorlichters Eigen
Geef ook aan of er spe-    Taal en Cultuur (VETC-ers) ingezet. De Jeugdgezondheidszorg en de
ciale aanpassingen of      RIAGG c.q. Jeugd-GGZ hebben soms speciaal voor deze kinderen
voorzieningen voor         opgeleide trainers.
deze groepen zijn.
                           Allochtone kinderen met enuresis zijn vaak moeilijker te behandelen.
Meld indien niet be-       Door schaamte rondom het bedplassen wacht men vaak lang voordat
kend of niet van toe-      men hulp inroept. Bij deze gezinnen zijn de omstandigheden voor een
passing: De interventie    training met de plaswekker vaak ongunstig: een kleine behuizing
is niet speciaal ontwik-   (vaak meer kinderen op één kamer, soms meerdere kinderen in een
keld voor migranten-       bed), de taalbarrière en de opvoedingswijze (het gebruik van straffen
groepen.                   in plaats van belonen) maken de kans op slagen kleiner. Mede door de
                           minder ideale omstandigheden zijn allochtone ouders eerder geneigd
Meld indien niet be-       een medicamenteuze behandeling te vragen voor hun bedplassende
kend of niet van toe-      kind(eren).
passing: Het program-
ma heeft geen speciale
faciliteiten (zoals ver-
taalde schriftelijke in-
structies of tolken) om
migrantengroepen in
het bijzonder te kunnen
bedienen.


4. Aanpak van de interventie

                           4.1 Opzet van de interventie
Beschrijf de structuur     De droog-bedtraining bestaat uit 3 stappen:
en de opbouw van de            - intensieve training gedurende 1 nacht: het kind om het uur


                                                                                              9
interventie. Denk aan             wakker maken, zelfstandig naar de W.C. laten gaan en blaas-
de gebruikelijke duur,            training toepassen (stimuleren de plas op de houden om de
indien van toepassing             blaascapaciteit te vergroten);
de frequentie en inten-       - vervolgtraining, onder andere bestaande uit wekkertherapie,
siteit van de contacten,          positieve en verschoningsoefeningen; deze training begint de
de volgorde van de                2e nacht en duurt tot het kind 14 dagen achter elkaar droog is;
onderdelen, handelin-         - wanneer het kind droog is: instructie met betrekking tot wat
gen of stappen, en de             gedaan moet worden bij ongelukjes.
setting waarin de inter-      Bij de methode wordt gebruik gemaakt van:
ventie wordt uitge-           - een wekapparaat: dit waarschuwt door middel van een bel als
voerd.                            het kind begint te plassen;
                              - positieve oefeningen om de gewoonte van ‘uit bed gaan en
                                  naar de W.C. gaan’ te leren;
                              - ‘motivators’: beloningen die gegeven worden als het kind ge-
                                  wenst gedrag vertoont;
                              - verschoningsoefeningen: het kind merkt hierdoor zelf dat bed-
                                  den verschonen vervelend is.

                           Setting
                           Hulpverleners van instellingen voor JGZ, GGZ of (kinder)ziekenhuis
                           leren ouders en kinderen de DBT thuis uit te voeren.
                           Voor een beperkte groep, waarbij deze training thuis niet werkt of on-
                           uitvoerbaar is, bestaat de mogelijkheid van klinische behandeling. De-
                           ze klinische behandeling vindt plaats in diverse instellingen.

                           4.2 Inhoud van de interventie
Wat gebeurt er concreet    De Droog Bed Training is verdeeld in drie fasen:
bij de uitvoering? Be-     Fase 1
schrijf hoe de onderde-    Deze fase kan het beste worden uitgevoerd in de nacht van vrijdag op
len van de interventie     zaterdag zodat ouder en kind de volgende dag kunnen uitslapen. In
worden ingevuld of         deze nacht wordt het kind elk uur gewekt met de plaswekker. Deze
uitgevoerd, zo nodig       fase is verdeeld in vijf onderdelen:
met enkele typerende       a. Een uur voor bedtijd
voorbeelden.               De ouder neemt de te volgen stappen door. De plaswekker en broekje
                           worden klaargelegd. Begonnen wordt met een positieve oefening. Een
                           wachtwoord wordt afgesproken dat het kind moet noemen bij het
                           wekken (Het kind mag pas plassen als het goede wachtwoord is ge-
                           noemd. Dan kan worden aangenomen dat het voldoende wakker is om
                           te weten wat het doet.)
                           b. Bedtijd
                           Kind mag nog wat drinken, gaat naar bed en de ouder vertelt nog een
                           keer wat die nacht gaat gebeuren. De plaswekker wordt aangezet en
                           het kind kan gaan slapen. Eén van de ouders blijft de hele nacht op om
                           te helpen.
                           c. Ieder uur na bedtijd
                           Het kind wordt ieder uur zo goed mogelijk gewekt, zegt het afgespro-
                           ken wachtwoord en gaat naar de w.c.
                           Als het broekje van de plaswekker en de lakens nat zijn, is dat een
                           ongelukje (zie d.)
                           d. Ongelukje, de wekker gaat af


                                                                                             10
Geef het kind de gelegenheid om zelf de wekker uit te zetten. Als het
kind wakker is, vertel dan op neutrale toon dat het geplast heeft. Laat
het kind naar de w.c. gaan om verder te plassen. Doe een verscho-
ningsoefening met het kind.
e. 's Ochtends
De training eindigt om 6 uur of op de tijd dat het kind gewend is op te
staan. Laat het kind uitslapen. Leg de nadruk op de dingen die goed
zijn gegaan. Geef in de loop van de dag nog minstens 5 keer een com-
pliment.

Fase 2
De nachten na de eerste intensieve nacht wordt voor het slapen gaan
begonnen met 5 positieve oefeningen. Het kind wordt verteld dat het
fijn is dat het droog blijft en dat na een ongelukje de positieve oefe-
ningen en de verschoningsoefeningen nodig zijn.
's Nachts wordt het kind op een vaste wektijd wakker gemaakt begin-
nend bij 0.30 uur. Na iedere nacht wekt de ouder het kind een half uur
vroeger.
Bij een ongelukje herhaalt de procedure zich als in fase 1, onder d.
Na een droge nacht complimenteren de ouders het kind.

Fase 3
Als het kind 14 nachten achter elkaar droog is geweest, is de training
klaar. Dit betekent dat:
       De plaswekker niet meer gebruikt wordt;
       De ouders complimentjes moeten blijven geven;
       Wektijd stoppen na 4 weken droog zijn.
Bij een ongelukje worden weer verschoningsoefeningen en positieve
oefeningen (zonder wekker) gedaan. Als binnen een week 2x een on-
gelukje voorkomt, dan moet fase 2 opnieuw uitgevoerd worden totdat
weer 14 droge nachten achter elkaar zijn bereikt.

Positieve oefening: Op bed wordt een leuk spelletje gedaan. De ouder
zet onopvallend de wekker aan, waarop het kind als de wekker afgaat
deze zelf afzet om vervolgens de oefening af te maken (opstaan, wek-
ker afzetten, broekje uitdoen, naar de w.c. gaan enz.)

Verschoningsoefening:
       Kind doet een schone pyjama aan;
       Kind haalt natte lakens van bed, pakt natte pyjama en brengt ze
       naar de wasmand;
       Kind pakt schone lakens en maakt (evt. met hulp) het bed op;
       Ouder maakt plaswekker weer gereed;
       Kind mag iets drinken;


                                                                   11
                                 Instructies en wachtwoord voor het komende uur herhalen.

5. Materialen en links

Welke materialen zijn     •   Mulder, Z. & Vijverberg, M. (2003). Bedplassen. Daar wil je van
er en waar zijn deze          af! Plaswekkers en andere hulpmiddelen. Havelte: Binkey Kok
verkrijgbaar? Noem ten        Publications BV.
minste de Nederlandse     • Vertaalde brochures in Turks, Arabisch en Spaans.
handleiding. Noem ook     • HTML links:
eventuele links naar          www.kenniscentrumbedplassen.com
relevante websites,           www.droogbedcentrum.nl
rapporten of andere           www.bedplassen.org
relevante bestanden.          www.fss.uu.nl/ped/enuresis
Vermeld eventueel ook     Alle voor de uitvoering van de interventie benodigde materialen (pro-
of er aparte materialen   tocol/richtlijnen voor professionals, instructies voor ouders) zijn te
zijn voor migranten en    downloaden.
zo ja welke.




                                                                                            12
B. Onderbouwing van de interventie


6. Verantwoording: doelgroep, doelen en aanpak

Geef aan hoe pro-          Determinanten
bleemanalyse, doel,        Uit onderzoek blijken verschillende factoren, op zichzelf of in combi-
doelgroep en metho-        natie, een belangrijke rol te spelen in het niet continent (zindelijk)
diek op elkaar aanslui-    worden van een kind.
ten. In uw betoog moet     De vijf belangrijke factoren zijn (Leerdam, 2005):
antwoord gegeven zijn      1. Hoge wekdrempel. Kinderen die bedplassen hebben een hoge
op de volgende vragen      wekdrempel, met andere woorden ze worden heel moeilijk wakker.
(zie ook de handleiding    Ze worden dus ook niet wakker van het signaal van een volle blaas,
bij dit werkblad):         waardoor ze niet in staat zijn de plas ’s nachts op te houden.
Probleemanalyse          2. Tekort aan vasopressine. Dit is een antidiurtisch hormoon dat er-
Wat zijn de factoren     voor zorgt dat er ’s nachts minder urine wordt geproduceerd. Bij kin-
(determinanten) die het  deren (en ook bij volwassenen) met enuresis kan sprake zijn van een
probleem beïnvloeden?    verminderde vasopressine-productie, niet de juiste hoeveelheid vaso-
Onderbouw dit met        pressine-productie op het juiste tijdstip of een verminderde gevoelig-
theorieën en/of onder-   heid voor vasopressine. Gevolg is dat er ’s nachts meer urine wordt
zoeksliteratuur, een     geproduceerd dan de blaas kan opslaan. Hiermee kan echter niet wor-
redenering (ratio) of    den verklaard waarom sommige kinderen hier niet wakker van wor-
een visie. Als u hier-   den/niet wakker worden van een volle blaas.
voor gebruik maakt van
een algemene theorie     3. Overactieve blaasspier. Kinderen met dit probleem zijn niet in staat
over gedragsverande-     hun hele blaas leeg te plassen. Als gevolg hiervan blijft er soms urine
ring, maak dan aanne-    achter in de blaas. De hoeveelheid urine die de blaas van deze kinde-
melijk dat deze van      ren kan opslaan voordat de blaasspier actief wordt is echter vaak
toepassing is op het     klein, wat tot incontinentie kan leiden.
probleem.
                         4. Verminderde blaascapaciteit. Dit doet zich vaak voor in combinatie
Geef aan hoe deze fac-
                         met de 2e en 3e factor.
toren met elkaar sa-
menhangen. Noem oor- 5. Erfelijkheid. 70% van de kinderen die last hebben van bedplassen
zakelijke, risico-, in-  hebben één of meer familieleden die ook in bed plassen of hebben
standhoudende, ver-      geplast.
zachtende en /of be-
schermende factoren.    Factoren waar de interventie zich op richt

Beïnvloedbare facto-       De Droog Bed Training richt zich op de eerstgenoemde (beïnvloedba-
ren                        re) factor waarvan wordt verondersteld dat deze van invloed is op het
Welke factoren zijn        niet continent (zindelijk) worden van kinderen: hoge wekdrempel,
beïnvloedbaar?             d.m.v. het verlagen hiervan. De wekdrempel wordt vooral verlaagd
Laat dit alles zien met    door het gebruik van de plaswekker.
theorie/ studies of        De DBT is gebaseerd op de sociale leertheorie. Op basis van deze the-
voorbeelden.               orie wordt bedplassen opgevat als gedrag dat aan- en afgeleerd kan
Op welke veranderbare      worden. Kinderen hebben nog niet geleerd om 's nachts zindelijk te
factoren richt de inter-   zijn, ze hebben nog niet kunnen breken met de infantiele gewoonte


                                                                                             13
ventie zich?                van het reflexmatig plassen. Tussen kinderen zijn individuele verschil-
                            len in de leeftijd waarop geleerd wordt om controle over hun eigen
Verbinding pro-             blaas te krijgen, net zoals verschillen aanwezig zijn in de leeftijd waar-
bleemanalyse, doel,         op een kind leert zwemmen of fietsen. Behalve van de plaswekker
doelgroep en aanpak         wordt in de gedragstherapeutische methode van DBT (een methode
Kan het doel met de         van Azrin, Sneed en Foxx, 1974) daarom gebruik gemaakt van andere
gekozen aanpak wor-         gedragstherapeutische maatregelen.
den bereikt? Maak dit
aannemelijk aan de          Werkzame factoren/mechanismen
hand van studies en /of     - Plaswekker De plaswekker geeft het moment aan, wanneer het kind
ervaringen.                 moet plassen. Doordat deze afgaat schrikt het kind en trekt de sluit-
Laat zien dat de doel-      spier aan, waardoor het stopt met plassen. Na een aantal pogingen zal
groep aansluit bij de       het kind steeds sneller wakker worden van de wekker en na een tijdje
probleemanalyse.            wordt het kind wakker, voordat de bel afgaat. Het heeft geleerd de
                            volle blaas te associëren met wakker worden en de sluitspier aange-
Werkzame factoren           trokken te houden.
/mechanismen                - Positieve stimulatie/het belonen van gewenst gedrag
Wat zijn de werkzame        Het kind prijzen/belonen (d.m.v. het geven van complimentjes) als het
factoren                    het gewenste gedrag vertoont. Uitgangspunt is dat het systematisch en
/mechanismen? Welke         consequent belonen van gewenst gedrag leidt tot herhaling van dit
elementen mogen bij         gedrag.
aanpassing van de in-       - Het vergroten van zelfstandigheid en zelfredzaamheid: zelf plaswek-
terventie niet ontbre-      ker installeren en zelf het bed verschonen na iedere keer bedplassen. -
ken?                        - Wekschema en wachtwoord: Bollard en Nettelbeek (1982) stelden in
                            hun onderzoek dat het wekschema de meest werkzame component is,
Verantwoording              doordat het de ouders in staat stelt veel complimentjes te geven. Het
Voor de verantwoor-         kunnen zeggen van een wachtwoord is een middel om na te gaan of
ding kan gebruik wor-       het kind voldoende wakker is om te beseffen wat het doet.
den gemaakt van Ne-
derlands en /of interna-
tionaal onderzoek naar
de theorie achter de
interventie, naar onder-
delen van de interventie
en /of naar soortgelijke
interventies, en van
onderzoek naar buiten-
landse versies van de
interventie.


7. Samenvatting onderbouwing

Beschrijf in één tot drie   Vanaf de leeftijd van ongeveer 5 jaar is s’nachts nog in bed plassen
zinnen het verband          een groot psychosociaal probleem, zowel voor het kind als voor de
tussen probleem, doel-      ouders. De Droog-Bedtraining grijpt aan op de hoge wekdrempel bij
groep, doel en metho-       deze kinderen door ze tijdens een intensieve nacht regelmatig te wek-
de.                         ken om te plassen en dit daarna een aantal nachten te continueren. De
                            Droogbed-trainning combineert deze nachten met het belonen van
                            positief gedrag (droge nacht) van het kind.


                                                                                                 14
15
C. Overdraagbaarheid



8. Randvoorwaarden voor uitvoering en kwaliteitsbewaking

                         8.1 Eisen ten aanzien van opleiding
Welke eisen zijn er ten  De Hogeschool van Leiden (www.hsleiden.nl) biedt in de opleiding tot
aanzien van opleiding,   sociaal verpleegkundige JGZ modulen aan, waaronder enuresisbege-
training, certificering, leiding. De module beslaat een dag en is ook beschikbaar voor andere
licenties en/of supervi- disciplines. De inhoud bestaat uit de volgende onderdelen:
sie van de uitvoerend    " nieuwe inzichten in enuresis
werkers? Beschrijf de-   " het afnemen van de anamnese
ze randvoorwaarden       " op grond van de diagnose ouders en kind informeren en adviseren
voor de toepassing.      omtrent enuresis en de mogelijke begeleidingsmethoden
                         " begeleiden van ouders in groepsverband omtrent de DBT
Meld indien van toe-     De module wordt afgesloten met een getuigschrift (als SV-JGZ oplei-
passing: Er zijn geen    ding) of met een certificaat (als een losse module).
specifieke eisen voor de In de scholing/opleiding tot arts JGZ wordt ook aandacht besteed aan
uitvoering en begelei-   zindelijkheidsontwikkeling en enuresisbegeleiding.
ding van de uitvoerend Eens per twee jaar geeft het Incontinentiecentrum een training aan
werkers.                 JGZ artsen, JGZ-verpleegkundigen en kinderartsen om hun deskun-
                         digheid op dit gebied verder te vergroten. Voor deze training worden
                         accreditatiepunten gegeven.

                             8.2 Eisen ten aanzien van overdracht en implementatie
Is er voor de overdracht     Alle voor de uitvoering van de interventie benodigde materialen (pro-
van de interventie een       tocol/richtlijnen voor professionals, instructies voor ouders) zijn te
handleiding of proto-        downloaden.
col? Zijn er eerdere         Het actueel houden van de website en het fungeren als vraagbaak voor
ervaringen waaruit           ieder die vragen heeft over bedplassen zijn belangrijke taken voor het
blijkt dat de interventie    Droogbedcentrum.
overdraagbaar is?

Meld indien van toe-
passing: Er is geen
handleiding of protocol
voor overdracht of im-
plementatie.

                             8.3 Eisen ten aanzien van kwaliteitsbewaking
Hoe wordt de kwaliteit       Het Droogbedcentrum doet regelmatig navraag bij GGD-en die de
van de interventie be-       DBT begeleiden naar hun ervaringen ermee. Zonodig wordt de inter-
oordeeld en bewaakt?         ventie aangepast. Ook is het Droogbedcentrum als kenniscentrum
Denk bijvoorbeeld aan        vraagbaak voor ieder die vragen heeft over bedplassen. Daarnaast
registratie van activitei-   geeft het Droogbedcentrum een geaccrediteerde cursus voor professi-
ten en resultaten.           onals die de DBT begeleiden.



                                                                                              16
Meld indien niet be-
kend of niet van toe-
passing: De wijze van
kwaliteitsbewaking
wordt bepaald door de
uitvoerder.

                           8.4 Kosten van de interventie
Wat zijn de kosten van Het materiaal en de instructies zijn gratis te downloaden.
de uitvoering? Noem        De plaswekker kost ca 30 euro en een set van 3 plasbroekjes ca 45
zo mogelijk kosten van euro. Deze kosten worden doorgaans geheel of gedeeltelijk vergoed
licentie, materiaal, trai- via de aanvullende verzekering.
ningen, kwaliteitsbe-
waking, Vermeld het        De instructie aan, en begeleiding van het kind en ouders kost niet meer
jaartal waarvoor de        dan een uur aan inzet van professionals.
prijzen gelden. Noem
ook de tijdinvestering
van betrokken profes-
sionals (uitvoering en
coördinatie).

Meld indien van toe-
passing: Er zijn bij
deze interventie geen
gegevens bekend over
de kosten en /of de
tijdsinvestering van
professionals.


9. Onderzoek naar de uitvoering van de interventie

Is er onderzoek gedaan    Er is, voor zover bekend, geen onderzoek gedaan naar de uitvoering
naar de uitvoering van    van de interventie buiten de vermelde effectstudies
de interventie? Be-
schrijf doel, type on-
derzoek (bijvoorbeeld
procesevaluatie, be-
hoefteanalyse, nul-
meting, haalbaarheid-
onderzoek, tevreden-
heidmeting etc.), me-
thode en relevante uit-
komsten.

Geef aan wat het bereik
is, de succes- en faal-
factoren en waardering
door de doelgroep.
Geef ook aan hoe de


                                                                                             17
interventie, indien
noodzakelijk, wordt
aangepast.

Meld indien van toe-
passing: Er is geen
onderzoek gedaan naar
de uitvoering van de
interventie.




                        18
Voor u verder gaat

Check met behulp van onderstaande lijst of u de vereiste informatie op het werkblad kunt in-
vullen. De vraagnummers corresponderen met de desbetreffende onderdelen van de beschrij-
ving op dit werkblad en met de criteria voor erkenning op Niveau II en III. Op de sites van het
Nederlands Jeugdinstituut en van RIVM kunt u een meer uitgebreide lijst van de criteria voor
erkenning en een toelichting daarop vinden. Neem bij twijfel contact op met het Nederlands
Jeugdinstituut of RIVM (zie voorblad).



Criteria voor erkenning op Niveau II-III: waarschijnlijk of bewezen effectief

Vraag       Is de interventie via Nederlandse studies met een matige tot sterke    Ja         Nee
10.1        bewijskracht onderzocht en maken deze studies het aannemelijk
            dat de interventie de gestelde doelen bij de doelgroep daadwerke-
            lijk bereikt?
            (Voor een overzicht van de bewijskracht van onderzoek, zie de
            handleiding bij dit werkblad.)

Vraag 11    Is er onderzoek naar buitenlandse versies van de interventies          Ja         Nee




LET OP

Indien vraag 10 met ja beantwoord wordt, vul dan ook Bijlage 1 in: Beschrijving kenmerken
en resultaten onderzoek.

Indien vraag 10 en 11 met nee beantwoord moeten worden, komt uw interventie niet in aan-
merking voor een beoordeling op niveau II of III. Vul in dat geval paragraaf 10.1 en 11 op de
gevraagde manier in en ga verder met paragraaf 12 onder Overige informatie.

Vergeet niet het logboek in te vullen aan het einde van dit werkblad.




                                                                                            19
Beschrijving voor erkenning op niveau II-III: waarschijnlijk of bewezen effectief


D. Effectiviteit


10. Nederlandse effectstudies

                            10.1 Studies naar de effectiviteit van de interventie in Nederland
Wat zijn de kenmerken       Hirasing, R.A. & Reus H. (1991). Droog-bedtraining bij enuresis
en uitkomsten van on-       noctur-na. Ned Tijdschr Geneeskd ,135 (38), 1750-3.
derzoek naar het effect
van de interventie in
Nederland?
Noem per studie au-         Onderzoeksvragen
teur(s) en publicatie-      Wat is het effect van de droog-bedtraining?
jaar, onderzochte (pri-
                            Onderzoeksdesign
maire) doelen van de
                            Vanaf september 1987 tot juni 1989 werden alle leerlingen uit groep 2,
interventie, onder-
                            4 en 7 op 15 op 15 basisscholen opgeroepen voor het periodiek ge-
zoeksgroep, onder-
                            neeskundig onderzoek. Het opkomstpercentage was ruim 99 (1882
zoeksdesign en resulta-
                            basisschoolleerlingen).
ten. Vermeld effect-
                            Tijdens onderzoek werd gericht gevraagd naar de zindelijkheid wat
groottes d of ES, of de
                            betreft het urineren. Wat de behandeling betrof konden de ouders van
gegevens om deze te
                            de eerste 111 bedplassende kinderen kiezen uit de kalendermethode
berekenen (zie de hand-
                            (het laten bijhouden van een lijst met droge en natte nachten), motive-
leiding bij dit werk-
                            ren (het kind belonen voor een droge nacht) en de droog-bedtraining.
blad).
                             Er werd gekozen voor een instructie in groepsverband. Na uitleg
                            voerden de ouders en kinderen de droog-bedtraining thuis uit. In totaal
Beschrijf ook de ken-
                            werden 6 cursussen gegeven die gevolgd werden door de ouders van
merken en resultaten
                            36 kinderen: 23 jongens en 13 meisjes in de leeftijd van 6-14 jaar. De-
van reviews en meta-
                            ze kinderen kwamen niet alleen uit het prevalentie-onderzoek, maar
analyses over de effec-
                            ook uit andere groepen van de basisschool, uit scholen voor speciaal
tiviteit van de interven-
                            onderwijs en uit scholen voor voortgezet onderwijs. Bijna alle ouders
tie in Nederland.
                            hadden eerder reeds één of meerdere acties ondernomen: plaswekker
                            (42%), medicijnen (22%), motiveren (25%), consult bij een specialist
Meld indien van toe-
                            (11%), ’s nachts uit bed halen (64%).
passing: Er is geen
Nederlands onderzoek
                            Resultaten
naar de effectiviteit van
                            Met de DBT werden 31 kinderen (86%) droog. Ongeveer de helft van
de interventie.
                            deze 31 kinderen was droog binnen 1 maand, 81 % binnen 2 maanden.
                            Van deze 31 kinderen hadden er 21 (68%) na de droge periode van
                            minstens 2 weken nog wel eens een ongelukje en vertoonden er 10
                            (32%) een (vaak tijdelijke) terugval. Van ‘terugval’ werd gesproken
                            als een kind na een droge periode van minstens 2 weken meer dan 1
                            keer per week nat was gedruende ten minste 2 weken. Na 6 maanden
                            bleek 75% van de kinderen droog te blijven bij het slapen.

                            De resultaten van de droog-bedtraining op korte termijn zijn reeds


                                                                                                 20
eerder in het tijdschrift beschreven (zie artikel hierboven).
In dit artikel wordt verslag gedaan van het effect van de droog-
bedtraining in groepsverband in de setting van de jeugdgezondheids-
zorg, gemeten minimaal 48 maanden na de behandeling (lange-
termijnresultaten).

Hirasing, R.A. & Reus H. (1994). Goede lange-termijnresultaten
van droog-bedtraining bij kinderen met enuresis nocturna. Ned
Tijdschr Geneeskd, 138(27), 1366-8.

Onderzoeksvragen
Wat is het lange-termijneffect van de droog-bedtraining?

Onderzoeksdesign
Van 1987 tot 1989 werden 36 in bed plassende kinderen behandeld
met de droog-bedtraining (zie hierboven).
In 1993 werden de ouders van alle kinderen bij wie de droog-
bedtraining was toegepast opnieuw benaderd, 4-6 jaar na de training.

Resultaten
In 1993 (4-6 jaar na de training) sliep 83% procent droog. Bij 17%
was er een sterke vermindering van het bedplassen (van 6 naar 2 maal
per week).



Hirasing, R.A. & Bolk - Bennink L.F. (1996). Dry bed training by
parents: results of a group instruction program. The Journal of
Urology, 156, 2044-2046.

Onderzoeksvragen
What are the results of intensive dry bed training?

Onderzoeksdesign
During 5 consecutive meetings 2 appointed coaches were responsible
for providing 5 to 10 parents with detailed instructions outlining the
dry bed training program.
The 91 participating children (mean age 9.3 years) were selected from
various primary schools by school physicians from the youth health
care sections of 2 community health services in The Netherlands from
April 1991 to May 1994.

Meetinstrumenten
Parents included in the dry bed training instruction program were
asked to complete 2 questionnaires. Questionnaire 1, completed before
starting training, was aimed at obtaining general data as well as back-
ground information relevant to enuresis. Questionnaire 2, completed 6
months thereafter, was aimed at recording the results achieved with
the dry bed training program and the feasibility of the program based



                                                                  21
on parental experience.

Resultaten
All 91 parents completed the initial and 86 (95%) completed the sec-
ond questionnaire. Before starting the dry bed training program the
children were wetting the bed an average of 5.4 times weekly. A total
of 69 children (80%) successfully achieved the continence criterion of
14 consecutive dry nights. Mean time plus or minus standard deviation
needed to achieve dryness was 6.9 ±3.7 weeks, including the conti-
nence criterion. Girls responded significantly faster than boys to dry
bed training (5.1 versus 7.4 weeks, t[67] = 2.16, p <0.05). A total of 16
children (23%) had relapse of whom 7 regained dryness 6 months after
training.


Hirasing, R.A., Leerdam, F.J.M. van, Bolk - Bennink L.F. & Koot
H.M. (2002). Effect of Dry Bed Training on behavioural problems
in enu-retic children. Acta Paediatr, 91, 960-964.

Onderzoeksvragen
The aim of the study was to assess the course of behavioral problems,
especially when the children were successfully cured of their bedwet-
ting.

Onderzoeksdesign
Children with nocturnal enuresis (n= 91) were selected from various
primary schools by school doctors from 1991 to 1994. (Zie hier-
boven)

Resultaten
The parents included in the DBT instruction program
were asked to complete two questionnaires:
Questionnaire I, completed prior to the start of the DBT (T1), aimed at
obtaining general data as well as background information relevant to
the enuresis. Questionnaire II had to be completed 6 mo after comple-
tion of the first questionnaire (T2). (zie voor de uitkomsten hierboven)
To assess behavioral/emotional problems the Child Behavior Checklist
(CBCL) was completed by the parents on two occasions, i.e. before
(T1) and 6 mo after the DBT (T2).
The Child Behavior Checklist (CBCL) questionnaire was completed
by 88 parents (96%) prior to DBT (T1) and by 83 parents (91%) 6 mo
after DBT (T2). The mean CBCL total problem score at T1: 24.0 was
significantly higher than that of a Dutch norm group: 20.45 (p=
0.025).
Compared to T1, the mean CBCL total problem scores at T2 was 16.8.
Of the children with CBCL total problem scores at T1 in the border-
line or clinical range, 92% became dry and 58% improved to the nor-
mal range. At T2, the children seemed to have less internal distress,
fewer problems with other people, and were less anxious and/or de-
pressed.


                                                                    22
                             10.2 Samenvatting Nederlandse effectstudies
Vat elke studie in tele-     Studie 1
gramstijl samen.             Auteurs: Hirasing, R.A. & Reus, H.
                             Jaar: 1991
Kies bij Bewijskracht        Onderzoekstype: veranderingsonderzoek
voor:                        Belangrijkste resultaten: Met de DBT werden 31 kinderen (86%)
1 zeer zwak; 2 zwak; 3       droog. Ongeveer de helft van deze 31 kinderen was droog binnen 1
matig;                       maand, 81 % binnen 2 maanden. Van deze 31 kinderen hadden er 21
4 redelijk; 5 vrij sterk;    (68%) na de droge periode van minstens 2 weken nog wel eens een
6 sterk; 7 zeer sterk.       ongelukje en vertoonden er 10 (32%) een (vaak tijdelijke) terugval.
                             Van ‘terugval’ werd gesproken als een kind na een droge periode van
Kies bij Effectiviteit       minstens 2 weken meer dan 1 keer per week nat was gedruende ten
voor:                        minste 2 weken. Na 6 maanden bleek 75% van de kinderen droog te
1 positieve resultaten       blijven bij het slapen.
2 effectiviteit niet vast-   Bewijskracht van het onderzoek: matig
gesteld; 3 negatieve         Mate van effectiviteit van de interventie:
resultaten; 4. positieve
en negatieve resultaten;     Studie 2
of 5 effectiviteit ondui-    Auteurs: Hirasing, R.A. & Reus, H.
delijk of onbekend.          Jaar: 1994
                             Onderzoekstype: veranderingsonderzoek
(Zie de handleiding bij      Belangrijkste resultaten: In 1993 (4-6 jaar na de training) sliep 83%
dit werkblad.)               procent droog. Bij 17% was er een sterke vermindering van het bed-
                             plassen (van 6 naar 2 maal per week).
                             Bewijskracht van het onderzoek:
                             Mate van effectiviteit van de interventie:

                             Studie 3
                             Auteurs: Hirasing, R.A. & Bolk-Bennink, L.F.
                             Jaar: 1996
                             Onderzoekstype: veranderingsonderzoek
                             Belangrijkste resultaten: All 91 parents completed the initial and 86
                             (95%) completed the second questionnaire. Before starting the dry bed
                             training program the children were wetting the bed an average of 5.4
                             times weekly. A total of 69 children (80%) successfully achieved the
                             continence criterion of 14 consecutive dry nights. Mean time plus or
                             minus standard deviation needed to achieve dryness was 6.9 ±3.7
                             weeks, including the continence criterion. Girls responded signifi-
                             cantly faster than boys to dry bed training (5.1 versus 7.4 weeks, t[67]
                             = 2.16, p <0.05). A total of 16 children (23%) had relapse of whom 7
                             regained dryness 6 months after training.
                             Bewijskracht van het onderzoek:
                             Mate van effectiviteit van de interventie:

                             Studie 4
                             Auteurs: Hirasing, R.A., Leerdam F.J.M. van, Bolk-Bennink L.F. &
                             Koot, H.M.
                             Jaar: 2002
                             Onderzoekstype:


                                                                                                23
                            Belangrijkste resultaten:
                            The parents included in the DBT instruction program were asked to
                            complete two questionnaires:
                            Questionnaire I, completed prior to the start of the DBT (T1), aimed at
                            obtaining general data as well as background information relevant to
                            the enuresis.
                            Questionnaire II had to be completed 6 mo after completion of the first
                            questionnaire (T2). (zie voor de uitkomsten hierboven)
                            To assess behavioural/emotionals problems the Child Behaviour
                            Checklist (CBCL) was completed by the parents on two occasions, i.e.
                            before (T1) and 6 mo after the DBT (T2).
                            The Child Behaviour Checklist (CBCL) questionnaire was completed
                            by 88 parents (96%) prior to DBT (T1) and by 83 parents (91%) 6 mo
                            after DBT (T2). The mean CBCL total problem score at T1: 24.0 was
                            significantly higher than that of a Dutch norm group: 20.45 (p=
                            0.025).
                            Compared to T1, the mean CBCL total problem scores at T2 was 16.8.
                            Of the children with CBCL total problem scores at T1 in the border-
                            line or clinical range, 92% became dry and 58% improved to the nor-
                            mal range. At T2, the children seemed to have less internal distress,
                            fewer problems with other people, and were less anxious and/or de-
                            pressed.
                            Bewijskracht van het onderzoek:
                            Mate van effectiviteit van de interventie:




11. Buitenlandse effectstudies

Wat zijn de kenmerken       Glazener, C.M.A., Evans J.H.C., & Peto R.E. (2009). Complex
en uitkomsten van ef-       behavioural and educational interventions for nocturnal enuresis
fectstudies, reviews of     in children. Cochrane Database of Systematic Reviews 2008, 1; Art.
meta-analyses naar de       No.: CD004668.
effectiviteit van buiten-
landse versies van de       Uit een systematische review van zestien onderzoeken met 1081 kin-
interventie?                deren bleek dat een complexe behandeling van droogbedtraining met
                            een plaswekker effectief was.
Noem per studie au-
teur(s) en publicatie-
jaar, onderzochte doe-
                            Onderzoeksvragen
len van de interventie,
methode en resultaten.      To assess the effects of complex behavioural and educational interven-
Vermeld effectgroottes      tions on nocturnal enuresis in children, and to compare them with
d of ES, of de gegevens     other interventions.
om deze te berekenen
(zie de handleiding bij
dit werkblad).
                            Onderzoeksdesign
Gebruik per onderzoek
                            All randomised or quasi-randomised trials of complex behavioural or


                                                                                              24
niet meer dan 150         educational interventions for nocturnal enuresis in children were in-
woorden.                  cluded, except those focused solely on daytime wetting. Comparison
                          interventions included no treatment, simple and physical behavioural
Meld indien van toe-      methods, alarms, desmopressin, tricyclic antidepressants, and miscel-
passing: Er zijn geen     laneous other interventions. Eighteen trials involving 1174 children
studies die de effectivi- were identified which included a complex or educational intervention
teit van buitenlandse     for nocturnal enuresis. The trials were mostly small and some had
versies van de interven- methodological problems including the use of a quasi-randomised
tie aantonen.             method of concealment of allocation in three trials and baseline differ-
                          ences between the groups in another three.


                          Resultaten
                          A complex intervention (such as dry bed training (DBT) or full spec-
                          trum home training (FSHT)) including an alarm was better than no-
                          treatment control groups (for example the relative risk (RR) for failure
                          or relapse after stopping DBT was 0.25; 95% CI 0.16 to 0.39) but
                          there was not enough evidence about the effects of complex interven-
                          tions alone if an alarm was not used. A complex intervention on its
                          own was not as good as an alarm on its own or the intervention sup-
                          plemented by an alarm (e.g. RR for failure or relapse after DBT alone
                          versus DBT plus alarm was 2.81; 95% CI 1.80 to 4.38). On the other
                          hand, a complex intervention supplemented by a bed alarm might re-
                          duce the relapse rate compared with the alarm on its own (e.g. RR for
                          failure or relapse after DBT plus alarm versus alarm alone was 0.5;
                          95% CI 0.31 to 0.80).




E. Overige informatie



12. Toelichting op de naam van de interventie


Is de naam van de interventie        De interventie is bekend onder de naam Droog Bed Training (DBT).
helder? Noem de herkomst of          De naam verwijst naar aanpak en doel: kinderen worden onder des-
diepere betekenis. Is de interven-   kundige begeleiding getraind om ‘s morgens wakker te worden in een
tie bekend onder een andere          droog bed in plaats van dat zij ’s nachts in hun bed geplast hebben.
naam? Noem de naam van de            Het is een vertaling van het Engelse Dry Bed Training zoals die door
eventuele buitenlandse versie        Arzin (1974) als eerste is beschreven.
van de interventie.

Meldt indien van toepassing:
Over de naam van de interventie
zijn geen bijzonderheden te ver-
melden.


                                                                                             25
13. Uitvoering (uitvoerende en of ondersteunende organisaties en partners)

Waar, door welk soort organisa-      Hulpverleners van instellingen voor JGZ, GGZ of (kinder)ziekenhuis
ties en op welke schaal wordt de     leren ouders en kinderen (individueel of in groepsverband d.m.v. een
interventie toegepast? Beschrijf     groepsinstructie) de DBT thuis uit te voeren.
op welke locatie de interventie      Voor een beperkte groep, waarbij deze training thuis niet werkt of
wordt uitgevoerd. Noem eventu-       onuitvoerbaar is, bestaat de mogelijkheid van klinische behandeling.
eel lokale en/of regionale varian-   Deze klinische behandeling vindt plaats in diverse instellingen.
ten. Noem eventueel ook sa-
menwerkingspartners in de uit-
voering.

Meld indien van toepassing:
• De locatie waar de interven-
   tie dient te worden uitge-
   voerd is niet aangegeven.
• Er zijn geen gegevens over
   de uitvoerende organisatie
   bekend.


14. Overeenkomsten met andere interventies

Zijn er soortgelijke interventies?   Er zijn geen gegevens over soortgelijke interventies.
Noem relevante en in het oog
springende overeenkomsten en
/of verschillen; beperk dit tot
sterk vergelijkbare interventies.

Meld indien van toepassing: Er
zijn geen gegevens over soortge-
lijke interventies.




                                                                                             26
Beschrijf de in dit do-   Aangehaalde literatuur
cument aangehaalde
literatuur volgens        Arzin, N.H., Sneed, T.J. & Foxx, R.M (1974). Dry-Bed Training: Rap-
APA-normen (zie de        id Elimination of Childhood Enuresis. Behavior Research & Therapy,
handleiding bij dit       12, 147-156.
werkblad).
                          Bollard, J. & Nettelbeck, T. (1982). A component analyses of dry-bed-
                          training for treatment for bedwetting. Behavior, Research & Therapy,
                          20, 383-390.
                          Foxman, B., Valdez R.B. & Brock, R.H. (1986). Childhood enuresis:
                          prevalence, perceived impact and presented treatments. Pediatrics, 77
                          , 482 - 487.
                          Glazener, C.M.A., Evans J.H.C., & Peto, R.E. (2008). Complex be-
                          havioural and educational interventions for nocturnal enuresis in chil-
                          dren. Cochrane Database of Systematic Reviews, 1; Art. No.:
                          CD004668.
                          Hirasing, R.A. & Bolk – Bennink, L.F. (1996). Dry bed training by
                          parents: results of a group instruction program. The Journal of Urol-
                          ogy, 156, 2044-2046.
                          Hirasing, R.A., Leerdam, F.J.M van, Bolk – Bennink, L.F. & Jank-
                          negt, R.A. (1997). Enuresis nocturna in adults. Scand J Urul Nephrol,
                          31, 533-6.
                          Hirasing, R.A., Leerdam, F.J.M van., Bolk – Bennink, L.F. & Koot,
                          H.M. (2002). Effect of Dry Bed Training on behavioural problems in
                          enu-retic children. Acta Paediatr, 91, 960-964.
                          Hirasing, R.A. & Reus, H. (1991). Droog-bedtraining bij enuresis noc-
                          tur-na. Ned Tijdschr Geneeskd, 135 (38), 1750-3.
                          Hirasing, R.A. & Reus, H. (1994). Goede lange-termijnresultaten van
                          droog-bedtraining bij kinderen met enuresis nocturna. Ned Tijdschr
                          Geneeskd, 138(27), 1366-8.
                          Leerdam, F.J.M. van (2005). Enuresis, a major problem or a simple
                          developmental delay? Amsterdam: F.J.M. van Leerdam.
                          Mulder, Z. & Vijverberg, M. (2003). Bedplassen. Daar wil je van af!.
                          Plaswekkers en andere hulpmiddelen. Havelte: Binkey Kok Publicati-
                          ons BV.
                          Spee-van der Wekke, J., Hirasing, R.A., Meulmeester, J.F. & Radder,
                          J.J. (1998). Childhood nocturnal enuresis in The Netherlands. Urology
                          , 51, 1022-1026.
                          Tijen, N.M., Messer, A.P. van & Namdar, Z. (1998). Perceived stress
                          of nocturnal enuresis in childhood. Br J Urol, 81, 98-9.




                                                                                            27
28

				
DOCUMENT INFO
Shared By:
Categories:
Tags:
Stats:
views:39
posted:4/26/2010
language:Dutch
pages:28