Samenvatting Algemene Neuropsych by wulinqing

VIEWS: 2,975 PAGES: 63

									Samenvatting Algemene Neuropsychologie
- verwijzing naar de hoofdstukken: (Gazzaniga) [Deelman]
- alle zwartgedrukte hoofdstukken zijn samengevat.


Deze samenvatting is niet compleet, en door verschillende mensen geschreven (in zowel
Engels als Nederlands), het kan best chaotisch overkomen en aanvullingen zijn dan ook
welkom!


  Perceptie (5 en 6)  TT 1
  Geheugen (8) [15 en 21]  TT 1
  Schizofrenie [23] De ziekte van Parkinson  TT1
  Aandacht (7) [17,18 en 22]  TT 1
  Taal (9) [16]  TT 2
  Lateraliteit (10)  TT 2
  Executieve functies (12) [20]  TT 1
  Motoriek (11)  TT 2
  Epilepsie [19]  TT 2
  Emotie (13)  TT 2




                                                                                        1
Hoofdstuk 5 Perceptie en Codering (TT 1)
   stoornissen in perceptie: een casestudie

patiënt P.T. met visuele agnosie, moeite met het visueel herkennen van objecten en personen.

   overzicht van neurale paden

Het oog, retina en receptoren
Een beeld wordt omgekeerd en verkleind geprojecteerd op de retina. De diepste laag van de
retina bestaat uit fotoreceptoren die lichtgevoelige moleculen, fotopigmenten, bevatten.
Twee soorten fotoreceptoren:
    - staafjes, gevoelig voor lage niveaus van stimulatie, meest bruikbaar ‟s nachts, vooral
        in de periferie.
    - kegeltjes, gevoelig voor hoge niveaus van stimulatie, meest bruikbaar overdag, vooral
        in de fovea (gele vlek).
        Drie soorten kegeltjes:
        - rood, gevoelig voor licht met lange golflengte
        - groen, gevoelig voor licht met gemiddelde golflengte
        - blauw, gevoelig voor licht met korte golflengte van het oog naar het centrale
          zenuwstelsel

Axonen van ganglioncellen in de retina vormen de optische zenuwcel. In het optische chiasma
kruisen de nasale zenuwen en projecteren controlateraal, de temporale zenuwen projecteren
ipsilateraal. Informatie van het linker visuele veld komt in de rechterhemisfeer terecht en
informatie van het rechter visuele veld in de linkerhemisfeer.
retino-geniculate pad: retina => laterale genucilate nuclei (LGN) in de thalamus. 90%
retina => andere subcorticale structuren: pulvinar nucleus en superior colliculis. 10%
geniculo-corticale pad: LGN=> cortex

   parallelle verwerking in het visuele systeem

Centrale hypothese: visuele informatie is verdeeld over verschillende subsystemen, perceptie
is analytisch.

- Organisatie van de Laterale Geniculate Nucleus
De LGN bestaat uit 6 lagen, het ipsilaterale oog projecteert naar laag 2, 3 en 5 en het
contralaterale oog projecteert naar laag 1, 4 en 6.
Elke laag bevat een topografische map van de retina.
Laag 1 en 2 bestaan uit grote neuronen van het magnocellulaire systeem. Laag 3 t/m 6 bestaan
uit kleine neuronen van het parvocellulaire systeem.

- Meervoudige paden in de visuele cortex
Primaire visuele cortex/V1/ Area 17/Striate cortex in het mediale gedeelte van de occipitale
kwab: scheiding M en P paden behouden.
Prestriate cortex/V2: scheiding M, P-blob en P-interblob paden.

   corticale visuele gebieden




                                                                                               2
- Cellulaire correlaties van visuele kenmerken
M pad => gevoelig voor beweging
P-blob pad => gevoelig voor kleur
P-interblob pad=> gevoelig voor oriëntatie

Gebied MT, in de Macaque aap, ontvangt informatie van het M pad en is gevoelig voor
beweging en richting.

- Imaging van visuele gebieden in mensen
Resultaten PET experimenten:
V4 => geactiveerd door kleurstimulus
V5 (menselijke MT) => geactiveerd door bewegingstimulus
Resultaten fMRI experimenten:
Beeld wordt omgekeerd geprojecteerd op de visuele cortex, afzonderlijke topografische
mappen in V1, V2, V3 en V4.
Groot corticaal gebied voor representatie fovea
Bij illusies worden kenmerkspecifieke gebieden geactiveerd, V1 word niet geactiveerd.

- Analyse en representatie van visuele kenmerken
Visueel zoeken  „visual search‟taak, twee condities:
   1. kenmerk conditie, targetstimulus verschilt van afleidende stimuli op 1 dimensie (bv.
       kleur).
   2. conjunctie conditie, targetstimulus verschilt van afleidende stimuli op conjunctie van
       informatie van meerdere dimensies (bv. kleur en vorm).
Reactietijd in conjunctie conditie is langer en afhankelijk van aantal afleidende stimuli.=>
aandacht is nodig om informatie van verschillende kenmerken met elkaar te verbinden.

„pop out‟ objecten worden gebruikt om de zogenaamde „building blocks‟ van perceptie te
identificeren.

- Illusies en kenmerkonafhankelijkheid
Ponzo illusie (welke horizontale lijn is langer als er een horizon gesuggereerd wordt?)
Lijn verdwijnt bij isoluminante stimuli (dus van gelijke helderheid) doordat alleen
kleurgevoelige cellen in het P-blob pad geactiveerd worden waardoor de diepte-informatie
verloren gaat.

   stoornissen in perceptie van kenmerken

- Stoornissen in kleurperceptie: achromatopsie
Abnormaliteit in fotoreceptoren => kleurenblindheid
Dichromaten => personen met maar twee fotopigmenten, rood-groen of blauw-geel
kleurenblind
Abnormale trichromaten => personen met drie fotopigmenten waarvan een met afwijkende
gevoeligheid
Verstoring in het centrale zenuwstelsel => achromatopsie: ernstige stoornis in kleurperceptie,
ook afwijkingen in andere gebieden van visuele perceptie, lesies V4 en gebied voor V4, vaak
samen met lesies in andere dichtbij V4 gelegen gebieden

- Stoornissen in bewegingperceptie: akinetopsie



                                                                                               3
Selectief verlies van bewegingsperceptie, patiënten zien de wereld als „snapshots‟, lesies
human MT, bilateraal in ernstige gevallen b.v. patiënt M.P.

- Stoornissen in andere aspecten van visuele perceptie
Dubbele dissociatie beweging- en kleurperceptie.
Geen selectieve tekorten in vorm- of diepteperceptie door bijdrage van verschillende
informatiebronnen

   onafhankelijke of convergerende paden

David v. Essen – „concurrent processing‟, analytische verwerking in visuele perceptie

   dissociaties van corticale en subcorticale visuele paden

Scotoma: lesie in V1 waardoor patiënten niks kunnen zien in het receptieve veld van dit
gebied

- Spatiele oriëntatie en objectperceptie in de hamster
Schneider: dubbele dissociatie bij hamsters met lesies in visuele cortex en superior colliculus.
Corticale lesies verstoorden de prestatie op een visuele identificatie taak en colliculaire lesies
verstoorden prestatie op een lokalisatie taak!

Blindsight: de patiënt voelt en gedraagt zich alsof hij blind is, maar kan nog wel stimuli
lokaliseren. Blindsight: bewijs van residueel visuele functioneren na corticale blindheid.

- Functies van het retino-colliculaire pad in mensen
De superior en inferior colliculi vormen een representatie van de locatie van objecten in de
ruimte en spelen een rol bij oogbewegingen om de aandacht op deze objecten te richten.

   auditieve perceptie

- Overzicht van de auditieve paden
Receptieve velden van ganglioncellen in de retina=>lokatie in de ruimte
Receptieve velden van haarcellen in het basilaire membraan=>geluidfrequentie

- Output cochlea => cochlear nucleus en inferieure colliculus => mediale genucilate nucleus => primaire auditieve
cortex/Area 41
Tonotopische mappen in alle auditieve gebieden
Doelen in gehoor
Identificeren inhoud van een auditieve stimulus en lokaliseren van een stimulus in de ruimte
Gelijktijdige verwerking voor lokalisatie van geluid
Kerkuilen gebruiken twee aanwijzing voor lokalisatie van geluid:
     -     interaurale tijd, het verschil in tijd waarin het geluid de twee oren bereikt
     -     het verschil in de intensiteit van het geluid in beide oren




Hoofdstuk 6 Hogere perceptuele functies (TT 1)
patiënt G.S. – stoornis in het herkennen van visuele objecten, geen sensorische problemen

agnosie: een casestudie

Visuele agnosie: stoornis in het herkennen van objecten beperkt tot de visuele modaliteit


                                                                                                                    4
Twee corticale paden voor visuele perceptie

Het ventrale of occipito-temporale pad=> objectperceptie, „wat?‟
Het dorsale of occipito-parietale pad=> spatiele perceptie, „waar?‟

Pohl: dubbele dissociatie temporale en parietale lesies bij resusapen  bilaterale parietale
lesies verstoren prestatie op „landmark‟ taak en bilaterale temporale lesies verstoren prestatie
op object discriminatie taak.

- Resultaten van opvolgende lesiestudies:
    - stoornissen in objectdiscriminatie zijn beperkt tot de visuele modaliteit
    - lesies in posterieure gebieden van de temporaalkwab verstoren visuele discriminatie,
        lesies in anterieure gebieden verstoren visueel geheugen
    - het „wat‟pad is afhankelijk van bilaterale input en het „waar‟ pad van unilaterale input!

- Representatieverschillen tussen het dorsale en het ventrale pad:
    - neuronen in de parietaalkwab kunnen op een niet-selectieve manier reageren op
       stimuli terwijl de meeste neuronen in de temporaalkwab selectief reageren.
    - veel parietale neuronen zijn gevoelig voor perifere gebieden van het visuele veld
       terwijl de receptieve velden van temporale neuronen altijd de fovea omvatten en
       geactiveerd worden door een stimulus in of het linker- of het rechter visuele veld.

Resultaten PET-studies:
   - positietaak => activatie parietaalkwab rechterhemisfeer
       objecttaak => activatie overgang occipitaalkwab en temporaalkwab bilateraal
   - zowel nieuwe als bekende objecten => activatie inferieure occipitotemporale gebieden

- Perceptie voor identificatie vs. perceptie voor actie
Patiënt D.F.: visuele agnosie, dissociatie perceptietaak en actietaak bij oriëntatie van een 3D
object, stoornis in herkenning maar niet in actie.

Het „waar‟pad speelt ook een rol bij interactie met objecten.

- Optische ataxie: stoornis in het gebruiken van visuele informatie voor actie terwijl
objectherkenning intact is.

computationele problemen in objectherkenning

- Variabiliteit in sensorische informatie
Objectconstantie: de mogelijkheid om een object te herkennen ondanks sensorische
variabiliteit in:       - gezichtspunt
                        - belichting
                        - overlapping

- Gezichtspuntafhankelijke of –onafhankelijke herkenning?
„View-dependent‟  perceptie is afhankelijk van het herkennen van een object vanuit een
specifiek gezichtspunt, er bestaan verschillende representaties in het geheugen voor
verschillende gezichtspunten.



                                                                                                   5
„View-invariant‟  perceptie is afhankelijk van het herkennen van een aantal
basiseigenschappen van een object .

- Vormcodering
Gebruiken van duidelijk aanwezige bronnen van informatie
„salient aspects‟  in het oog springende aspecten van een object die belangrijk zijn voor
representatie in het geheugen
„invariant properties‟  constante eigenschappen van objecten die belangrijk zijn voor
objectherkenning

- Herkenning door analyse van delen
Biederman: elk object kan beschreven worden als een configuratie van een beperkt aantal
delen, „geons‟. Beperkingen „geon‟ theorie:
    - gelijkenis van twee objecten ondanks verschillende „geons‟
    - discriminatie van twee objecten ondanks gelijke „geons‟

- Grootmoedercellen en gelijktijdige codering
Hiërarchische theorieën van objectperceptie: elk opvolgend stadium in objectperceptie codeert
complexere combinaties van visuele stimuli.
Gnostische cellen in de inferieure temporaalkwab reageren selectief op bekende complexe
stimuli Cellen in de inferieure temporale gyrus en de onderkant van de superieure temporale
sulcus reageren specifiek op gezichten, vandaar de term „grootmoedercellen‟.
Beperkingen „grootmoedercel‟ hypothese:
    - Als uiteindelijke perceptie van een object afhankelijk is van een specifieke cel is dit
        erg gevoelig voor fouten, b.v. bij het afsterven van een gnostische cel.
    - Perceptie van nieuwe objecten kan niet verklaard worden.

- „Ensemble‟ hypothese: herkenning van een object is afhankelijk van collectieve activiteit
van meerdere cellen. Voordelen „ensemble‟ hypothese:
    - Verwarren van twee objecten die op elkaar lijken kan verklaard worden.
    - Bij verlies van een aantal neuronen kan een object nog steeds herkend worden door de
       overgebleven cellen.
    - Nieuwe objecten worden herkend door activiteit van neuronen die bekende kenmerken
       representeren.

Samenvatting van computationele problemen: Objecten worden herkend aan de hand van
onderdelen en de relaties tussen deze onderdelen.

stoornissen in objectherkenning

- Subtypes van agnosie
Apperceptieve agnosie: stoornis in objectherkenning gerelateerd aan problemen in perceptuele
verwerking. Warrington: bij patiënten met parietale lesies in de rechterhemisfeer is
perceptuele categorisatie, de mogelijkheid tot objectconstantie, verstoord.
Deze patiënten presteren slecht op de „unusual view‟test en de „shadow‟test.
Associatieve agnosie: stoornis in objectherkenning die niet gerelateerd is aan perceptuele
verwerking. Warrington: patiënten met posterieure lesies in de rechterhemisfeer kunnen
objecten vaak niet herkennen, vooral als ze op een ongewone manier getoond worden.
Patiënten met posterieure lesies in de linkerhemisfeer kunnen objecten vaak wel in isolatie
herkennen maar kunnen geen functionele connectie tussen twee objecten maken.


                                                                                             6
Beide patiëntengroepen presteren slecht op de „matching-by-function‟ test maar om
verschillende redenen.

- Integratie van delen in gehelen
Warrington‟s twee-stadia model van objectherkenning:
    - Perceptuele categorisatie in de rechterhemisfeer, perceptuele input wordt gekoppeld
        aan opgeslagen representaties van visuele objecten. Laesie => apperceptieve agnosie
    - Semantische categorisatie in de linkerhemisfeer, perceptuele input wordt gekoppeld
        aan opgeslagen kennis van de naam en functie van visuele objecten. Laesie =>
        associatieve agnosie.

Integratieve agnosie: stoornis in het integreren van delen van een object in een samenhangend
geheel. Patiënten presteren slecht op conjunctie-zoektaak met homogene elementen en op
tekentaak met geometrische vormen in een specifieke configuratie

Categorie specificiteit in agnosie: dubbele dissociatie tussen levende objecten en niet-levende
objecten. Hypothese: niet-levende dingen kunnen gemanipuleerd worden en worden
gerelateerd aan kinesthetische en motorische representaties waardoor ze makkelijker herkend
worden. Alternatieve hypothese: levende objecten vertonen meer overeenkomsten waardoor
ze moeilijker herkend worden.
 Computationele verklaring voor categorie-specifieke stoornissen:
Farah & McClelland: connectionistisch model van een semantisch systeem gebaseerd op twee
soorten eigenschappen, visueel en functioneel. „Laesies‟ in het visuele semantische geheugen
verstoorden de herkenning van levende objecten en „laesies‟ in het functionele semantische
geheugen verstoorden de herkenning van niet-levende objecten.
Categorie-specifieke stoornissen zijn een gevolg van verschillende eigenschappen die
gebruikt worden voor de herkenning van levende en niet-levende objecten.
visuele informatie => levende objecten
functionele informatie => niet-levende objecten

Prosopagnosie

Prosopagnosie: stoornis in het visueel herkennen van gezichten

Zijn gezichten bijzonder?
Evolutionaire argumenten zijn in het voordeel van een systeem gespecialiseerd in de
verwerking van gezichten.

- Neurale mechanismen voor perceptie van gezichten
CT en MRI => prosopagnosie patiënten hebben lesies in occipitale en temporale gebieden,
meestal bilateraal en wanneer unilateraal, vooral in de rechterhemisfeer.
„Cell-recording‟ => cellen in de superieure temporale sulcus en in de inferieure temporale
gyrus worden vooral geactiveerd door gezichten.
fMRI => hogere activiteit in de fusiforme gyrus, „fusiform face area‟, vooral in de
rechterhemisfeer, bij presentatie van gezichten

- Dissociaties van gezicht- en objectperceptie
Prosopagnosie patiënten presteren soms ook slechter op objectherkenning taken.
Er bestaan ook patiënten met een ernstige stoornis in objectherkenning zonder prosopagnosie.



                                                                                              7
Hypothese: de stoornis in prosopagnosie patiënten is geen selectieve stoornis in het herkennen
van gezichten maar een meer algemene stoornis in het waarnemen van subtiele verschillen
tussen leden van een gezamelijke categorie.
Argumenten tegen deze hypothese:
    - Patiënten hebben geen problemen met andere objecten van een gezamelijke categorie,
        zoals schapen of brillen.
    - Het gezichts-inversie effect, omgekeerde gezichten zijn heel moeilijk te herkennen.
    - Herkennen van onderdelen van gezichten in isolatie is veel moeilijker dan het
        herkennen van deze onderdelen in een geheel.

- Twee systemen voor objectherkenning
Alexie: stoornis in lezen  lesies in de linkerhemisfeer, vooral in een extrastriaat occipitaal
„woordvorm‟gebied of de angulaire gyrus op de scheiding van de occipitaal-, temporaal- en
parietaalkwab.

- Dissociatie prosopagnosie en alexie
Farah: agnosie gaat samen met alexie of prosopagnosie of allebei, alexie en prosopagnosie
gaan nooit samen zonder agnosie.
Gezichtperceptie is holistisch en woordperceptie analytisch, objectperceptie is beide!!

de relatie tussen visuele perceptie, verbeelding en geheugen

Experimentele studies => herinneringsprocessen zijn hetzelfde voor een gezien als voor een
voorgesteld object
Literatuurstudies => patiënten met perceptuele stoornissen hebben ook stoornissen in
verbeelding
ERP studies => verbeelding vergroot activiteit in visuele gebieden
PET- en TMS studies => verbeelding activeert visuele associatiegebieden maar zorgt ook
voor verhoogde activiteit in de primaire visuele cortex.

Geheugen voor perceptuele informatie niet onafhankelijk van perceptuele processen.
Toch zijn er dissociaties gevonden tussen perceptie en verbeelding.
Hypothese: Perceptie en verbeelding delen vormen van representatie maar bereiken deze op
verschillende manieren.
Visueel geheugen verandert als gevolg van stoornissen in perceptie.




Geheugen (8) [15 en 21]
Learning and memory (8)
Theories of memory
Sensory memory
Short therm memeory
Models of short therm memory
Models of long therm memory
Memory and brain



                                                                                                  8
Hoofdstuk 8. Geheugensystemen (verwijzingen naar de bladzijden kloppen niet meer)
Cognitieve theorieën over geheugen
theoretische stadia van geheugen:
-coderen (encoding); dwz binnenkomende info verwerken zodat het opgeslagen kan worden.
-opslaan (storage); opslaan van info
-het terughalen (retrieval); het weer bewust worden van de opgeslagen info

Onmiddellijke- en korte termijn- geheugen
sensorisch geheugen= duur van milliseconden tot seconde
korte-termijn geheugen= duur van seconden tot minuten
lange-termijn geheugen= duur van dagen tot jaren

Vergeten
Petersen et al onderzochten hoeveel tijd het kost om info te vergeten. Bij tussentijdse taken
neemt hetgeen je je kunt herinneren af (p249): doordat deze nieuwe info interfereert met de
oude info. Maar ook kan info gewoon vergeten worden (decay).
Dus info kan vergeten worden door interferentie of door gewoonweg vergeten.
De tijd die verstrekt tussen aanbieding en herhaling heeft effect op het infoverlies: veel tijd
tussen items zorgt voor veel infoverlies, weinig tijd tussen items zorgt voor weinig
infoverlies.
Ditzelfde geldt voor het aantal interfererende items: veel interfererende items tussen
aanbieding en herhaling zorgt voor veel infoverlies (p250).

Belang van volgorde in geheugen
Volgorde van info-aanbieding is van belang voor het geheugen= seriële positie effect.
1. Primacy-effect= items aan het begin van de lijst worden beter onthouden
2. Recency-effect= items aan het eind van de lijst worden beter onthouden (p251)
ad 1. Doordat info succesvol van het korte-termijn geheugen naar het lange-termijn geheugen
“getransporteerd” wordt, dit door het vele herhalen van de items.
ad 2. Items zijn in het korte-termijn geheugen.
ad 1. Minder aanwezig als de lijst met bijvoorbeeld woorden sneller wordt opgelezen,
recency-effect nog wel intact.
ad 2. Minder door afleidende items te gebruiken, primacy-effect nog wel aanwezig.

Korte-termijn geheugen-capaciteit
Hoeveel info kunnen individuen verwerken? (Miller 1950)
Ongeveer 7 eenheden kunnen in het korte-termijn geheugen onthouden worden= span of
immediate memory (aantal items, niet de info die één item bevat (7 items), dus klm, bat, men,
sat, rem, pas, tat).
Bit= elementair stuk info (K,L,M)
chunk= unit bestaande uit aantal bits (KLM)

Sensorisch geheugen
Hoe beïnvloeden de grenzen van geheugen de perceptie? Wat is de relatie tussen de capaciteit
van het korte-termijn geheugen en perceptie?
We zien veel meer dan wat we ons kunnen herinneren.
Dmv. partial report kun je onderzoeken hoeveel info is opgepikt door sensorische systemen,
onmiddellijk na aanbieding van een stimulus (p253).




                                                                                                  9
Deze visuele info is maar kort aanwezig ongeveer 300-500 msec.= iconic visual store, dwz
iconic=plaatje, dus aanwezig als sensorisch beeld. Dit gebeurt zo ook bij het gehoor (echoic
store).
Sensorisch geheugen heeft dus vergeleken met het korte-termijn geheugen een grote
capaciteit.

Modellen van korte-termijn geheugen
- Modale model (p255):
info wordt eerst opgeslagen in het sensorisch geheugen. Info geselecteerd door
aandachtsprocessen gaat door naar het korte-termijn geheugen. Door oefening kan info van
hier naar het lange-termijn geheugen overgaan. Info gaat verloren in ieder stadium door
vergeten, interferentie of een combinatie.

- Levels of processing model:
Zelfde principe al modale model, maar info kan ook op een andere manier het lange-termijn
geheugen bereiken, namelijk hoe dieper info verwerkt wordt, des te beter het wordt
vastgehouden en opgeslagen in het lange-termijn geheugen.

-Werkgeheugen-modellen (256):
= beperkte capaciteitsopslag voor uitvoering van mentale bezigheden, info komende van
sensorisch geheugen of lange-termijn geheugen. Bevat in ieder geval info waar iets mee
gedaan kan worden.
Baddeley et al (1974) ontwikkelden een 3-delig werkgeheugensysteem, bestaande uit een
centrale uitvoerende die controle uitoefent op twee systemen nl. fonologische loop en
visuospatieel sketchpad.
Uitvoerende controle: commandeer- en controle centrum die de interacties tussen de twee
subsystemen en het lange-termijn geheugen reguleert. Coordineert processen in het
werkgeheugen en controleert acties.
Fonologische loop: codeert acoustische info in het werkgeheugen.
Visuospatieel sketchpad: codeert visuele info in het werkgeheugen.

Lange-termijn geheugen
= Info dat lange tijd opgeslagen wordt.
Kan opgedeeld worden in:
a. Expliciet geheugen (declaratief): bewuste toegang tot kennis (kennis van verleden
bijvoorbeeld)
b. Impliciete / niet-declaratief geheugen (dwz procedurele kennis)= onbewuste toegang tot
kennis (kennis van hoe je moet lopen, fietsen, lezen etc.)
(zie p257)
ad a. Expliciet geheugen:1.episodisch: kennis over eigen leven
                           2.semantisch: kennis over de wereld
ad b. Impliciet geheugen: geleerde en onthouden info zonder dat daarvoor een expliciet
geheugen bestaat. Priming taken worden gebruikt om dit te demonstreren. Priming is de
verbetering die optreedt bij het herkennen van een al eerder gezien object.

Geheugen en amnesie
amnesie= gebreken in geheugen als gevolg van hersenbeschadiging
anterograde amnesie= niet meer kunnen leren van nieuwe info
retrograde amnesie= verlies van oude info



                                                                                               10
Amnesie en de mediale temporale kwab
Beschadiging van Hippocampus, mediale temporale kwab leidt tot amnesie.
Tentamen: Welke rol speelt de hippocampus bij geheugen

Geheugen consolidatie en de hippocampus
Omdat schade aan de mediale temporale kwab niet alle episodische en semantische info
verwijderd, weten we dat de hippocampus niet alleen de opslagplaats is voor het expliciete
geheugen. De mediale temporale kwab staat centraal bij het vormen van nieuwe
herinneringen; hippocampale gebieden zijn erg belangrijk voor de transfer van info van STM
naar LTM.
Schade aan mediale temporale kwab: problemen met geheugen mbt het verleden.

Consolidatie=hoe info in het LTM opgeslagen worde na leren/oefeining.
Op neuraal niveau betekent dit dat consolidatie de associatie tussen stimuli input en activatie
van al bestaande/aanwezige info versterkt. Dit coordineert de hippocampus, maar de opslag
van info vindt plaats in de neocortex.
Retrograde amnesie is er vooral voor gebeurtenissen die net voor ongeval, ziekten
plaatsvonden.

Temporale kwabben en geheugenopslagplaatsen
Amnesie kan ook door schade aan andere neocortex-gebieden ontstaan. Schade aan temporale
kwab kan leiden tot ernstige retrograde amnesie. Dit kan betrekking hebben op herinneringen
van ver voor het ongeluk of ziekte. Dit kan zelfs leiden tot progressieve neurologische ziekten
zoals Alzheimer etc.
Sommige patiënten kunnen nog wel nieuwe lange-termijn herinneringen vormen. Dit type
amnesie wordt geïsoleerde retrograde amnesie genoemd. (gerelateerd aan schade aan anterior
temporale kwab).

Korsakoff‟s syndroom (endiencephalic amnesia)
Ook schade aan de “midline structures” van het diencephalon kan amnesie veroorzaken,
bijvoorbeeld de dorsomediale nucleus van de thalamus, lichamen van mamillarie (p268).
Schade hieraan kan veroorzaakt worden door tumoren, beroerte, stofwisselingsproblemen die
veroorzaakt worden door oa. Chronisch alcoholgebruik/trauma.
Alcoholmisbruik op lange termijn kan leiden tot vitaminegebrek, wat hersenbeschadiging kan
veroorzaken. Dit leidt tot dezelfde soort amnesie als bij mediale temporale kwab schade.

Wat kunnen amnesie patiënten nog leren?
Kenmerk amnesie: onmogelijk om nieuwe info te leren / verlies van oude herinneringen.
Maar het is wel mogelijk om nieuwe semantische info te leren, ook al is het onmogelijk om
episodische dingen te leren. Dit leren gebeurt zonder dat zij weten wat de bron van die kennis
is; ze weten niet in welke episode ze de kennis geleerd hebben (source amnesia).
Het leren van nieuwe info is dus mogelijk bij semantische info en niet voor episodische info!!
Kroll & Yonelinas et al. onderzochten of amnesie-patiënten wel geconceptualiseerde info
konden herinneren, dwz zijn ze in staat een woord te onderscheiden als een woord dat al
eerder gehoord is en een woord dat nog nooit eerder gehoord is ? JA (p269)

Procedureel leren
Leren (met amnesie) beperkt zich niet tot het semantische geheugen. Ze kunnen ook
procedureel leren (impliciete kennis) (p270).



                                                                                              11
Onderzoek: ppn moesten bepaald patroon nadoen. Als het licht brandt, moet de toets
ingetoetst worden. Er ontstaat een bepaald patroon mbt volgorde van het branden van de
lichten. Ppn hadden dit niet door, ondanks dit gingen ze na een tijdje beter presteren, ze
gebruikten hiervoor procedurele kennis en niet de expliciete kennis.

Hoe weten we dat expliciete kennis ontbreekt?
Procedureel leren kan plaats vinden onafhankelijk van hersensystemen. Expliciete kennis
heeft deze wel nodig.

Impliciet leren van concepten
Ook het leren van wiskundige dingen behoort tot impliciet leren. Impliciet leren lukt hen maar
ze weten niet hoe of waarom ze iets doen. Dit duidt op een duidelijke scheiding van expliciet
en impliciet geheugen.

Gebreken in impliciet leren en geheugen
Amnesie-patiënten leveren bewijs voor een dissociatie tussen expliciet en impliciet geheugen:
deze systemen werken onafhankelijk van elkaar en kunnen onafhankelijk van elkaar
beschadigd zijn.
1. Misschien doordat expliciet geheugen meer van het brein vergt, waardoor er eerder
gebreken in expliciet geheugen optreden bij schade.
2. De dubbele dissociatie is het sterkste bewijs dat de twee systemen gescheiden zijn, dwz.
Zowel expliciet geheugen als impliciet geheugen kan beschadigd zijn. Dit kan veroorzaakt
worden door lesies in verschillende gebieden (schade aan het impliciet geheugen bijvoorbeeld
bij lesie rechter occipitaalkwab).

Korte-termijn geheugen en amnesie
Hersenbeschadiging kan ook gevolgen hebben voor het STM. Amnesie-patiënten hebben
selectieve verliezen in het STM. Weer bewijs dat de verschillende geheugensystemen
onafhankelijk van elkaar werken. Bij schade aan het STM hoeft er geen schade aan het LTM
te zijn. Gebreken in het STM zijn het resultaat van schade aan subcomponenten van het
werkegeheugen. Beschadiging van een enkel systeem leidt tot specifieke schade. Patiënten
met schade aan het LTM kunnen nog wel nieuwe semantische of episodische info leren.

Samenvatting amnesie en geheugensystemen
- Leren van autobiografische geschiedenis: mediale temporale kwabstructuren en midden
diencephalon.
Schade: -expliciet geheugen beschadigd
        -moeite met herinneren van een periode vlak voor ziekte etc.

- Schade aan temporaalkwab: schade aan episodisch geheugen

- Soms ook impliciet geheugen beschadigd terwijl expliciet geheugen intact is: door schade
aan regio‟s buiten mediale temporaalkwab en midden diencephalon. Dit duidt op het
gescheiden zijn van expliciete en impliciete geheugensystemen. Schade aan STM kan ook
veroorzaakt worden letsel aan andere gebieden

-Schade aan supramarginale gyrus en linker premotorische cortex: schade fonologie

-Schade aan posterieure parieto-occipitale gebieden: schade aan visuele pad     (zie p273)



                                                                                             12
Diermodellen van geheugen
Meestal worden apen gebruikt.
Welke rol speelt de hippocampus? Welke structuren van de mediale temporaalkwab spelen
een rol bij het episodisch geheugen?
Daartoe werden beschadigingen aangebracht.
-Mishkin (1978) onderzocht dit. Hij haalde amygdala en/of hippocampus weg. Schade hangt
af van de lesie. Resultaat: alleen schade bij lesie aan beide structuren. Is dit altijd het geval?
-Zola et al (1993) onderzochten dit. Meer selectieve lesies aan amygdala, hippocampus en
omliggende cortex. Lesies aan amygdala en hippocampus leiden alleen tot schade als de
omliggende cortex ook beschadigd is. Wanneer dit niet het geval is, speelt aan- of
afwezigheid van de amygdala geen rol bij het geheugen.
Meer onderzoek van Zola: nog selectievere lesies van delen van de cortex. Bepaalde delen
hangen ook hier samen met bepaalde schade.

“Neuroimaging” van de menselijke hersenen en geheugen
Grafton et al (1995) onderzochten de hersenbasis van impliciet sequentie leren bij normale
personen mbv PET. Ze keken naar activatie van hersendelen bij de uitvoer van verschillende
taken. Voor het impliciet procedureel leren van bewegingspatronen speelt de motorische
cortex een grote rol.
Voor het expliciet leren en bewust zijn van de sequenties moet de rechter premotorische
cortex, de dorsolaterale prefrontale cortex, de anterieure cingularis en de laterale temporale
corticale gebieden geactiveerd worden.

Hippocampale activatie en retrieval
Hierbij worde ook de PET gebruikt. Of linker/rechter hippocampus geactiveerd wordt hangt
af van de taak. Ook bij het coderen van info wordt de hippocampus actief. De rechter
hippocampus wordt actief bij encoding en niet bij het herkennen.
Coderen: activatie van linker prefrontaalcortex
Herkenning: activatie rechter prefrontaalcortex

Hippocampale activatie en impliciet en expliciet geheugen
Squire et al: Amnesie veroorzaakt door schade aan temporaalkwab beïnvloedt expliciete en
niet het impliciete geheugen.

Hemisferische corticale asymmetrie in codering en retrieval
Welke rol speelt de cortex bij codering en retrieval?
Tulving et al (1996) onderzochten codering en retrieval van episodische info. Ze gebruikten
de PET.
Studie 1: onderzoek naar codering. Resultaat bij het coderen van info is dat alleen de
linkerhemisfeer (linker frontaalkwab) geactiveerd.
Studie 2: onderzoek naar retrieval. De rechterhemisfeer wordt geactiveerd.

Model HERA: hemisferische codering- en retrieval asymetrie. Dit model representeert de
resultaten van studie 1 en 2. Codering: linkerhemisfeer. Retrieval: rechterhemisfeer. Beide
processen gebeuren grotendeels in de dorsolaterale prefrontale cortex.
Bij de codering en retrieval van het LTM worden corticale structuren ipv hippocampus actief.

Cellulaire basis van geheugen




                                                                                                 13
Geheugen brengt ook veranderingen in neuronen teweeg: de neuronen vergemakkelijken de
opslag van nieuwe info. Geheugen is het resultaat van veranderingen in de sterkte van
synaptische invloeden tussen neuronen in netwerken die de info verwerken en opslaan.

Long-term potentiation en de hippocampus
Er zijn 3 grote excitatoire synaptische wegen in de hippocampus (p285):
1) “perforant pathway”
2) “mossy fibers”
3) Schaffer collaterals
Long-term potentiation=stimulatie van axonen leidt tot grotere synaptische sterkte zodat latere
stimulatie grotere postsynaptische reacties creëert. LTP‟s kunnen zelfs dagen of weken duren
in levende wezens.

In studies van Bliss en Lomo (1973) bleek dat stimulatie van axonen van de perforante weg
(van een konijn) resulteerde in een “long-term increase” in de kracht van EPSP‟s (excitatoire
postsynaptische potentialen), dwz de stimulatie leidde tot grotere synaptische kracht van de
“perforant pathway”. Dit fenomeen wordt “long-term potentiation” genoemd en werd later
ook uitgebreid naar de andere banen, sindsdien is men er wel achter dat de LTP wel per
“pathway” verschillend werkt.
Hebb‟s Law (1949) stelt dat als een synaps actief is als ook een postsynaptisch neuron actief
is, de synaps sterker/versterkt wordt. Met de ontdekking van LTP is deze wet fysiologisch
bevestigd.
Associatieve LTP is een uitbreiding van Hebb‟s Law en stelt dat wanneer een zwakke en een
sterke input inwerken op een cel op hetzelfde moment, dat dan de zwakke synaps sterker
wordt. Verder nog drie regels mbt associatieve LTP: 1.meer dan één input moet op hetzelfde
moment actief zijn (cooperativiteit). 2.zwakke inputs worden gepotentieerd wanneer ze
tegelijkertijd optreden met sterkere inputs (associativiteit). 3.alleen de gestimuleerde synaps
vertoont potentiatie (specificiteit). Om LTP‟s te produceren, moeten de postsynaptische cellen
gedepolariseerd zijn, naast het ontvangen van excitatoire inputs. LTP wordt verminderd door
inhibitoire inputs uit postsynaptische cellen. LTP wordt verhinderd, wanneer postsynaptische
cellen worden gehyperpolariseerd. Wanneer postsynaptische inhibitie verhinderd wordt, dan
wordt LTP gefaciliteerd.


Neurodegeneratieve aandoeningen [15]
1 Neurodegeneratieve aandoeningen
      NDA‟s zijn hersenziekten die geleidelijk beginnen en langzaam erger worden. Het
      begrip „degeneratief‟ heeft betrekking op neuroanatomische veranderingen zoals
      atrofie (verdwijnen van zenuwweefsel), verminderde doorbloeding. Elke ziekte tast
      weer andere delen van de hersenen aan.

2 Dementie: algemene criteria
      Bij dementie ontwikkelen zich meervoudige cognitieve functiestoornissen,
      geheugenstoornissen zijn een eerste vereiste voor de diagnose. Daarna kunnen de
      volgende stoornissen aanwezig zijn: afasie; apraxie; agnosie en stoornissen van
      uitvoerende functie. De diagnose mag niet zomaar gesteld worden, er moet sprake zijn
      van achteruitgang van het capaciteit niveau.

3 Dementie van Alzheimer-type
      Voor dit type moet de dementie geleidelijk verergeren.


                                                                                            14
3.1 Voorgeschiedenis en onderzoek van de klachten
      Klachten zijn problemen met: geheugen, taal. Alledaagse activiteiten, visuele functies,
      gedrag en persoonlijkheid.

3.2 Testonderzoek
       Het episodische geheugen is verzwakt. Mensen krijgen problemen met het vinden van
       de juiste woorden. Complexe zinnen worden niet afgemaakt. Begrip van ruimtelijke
       informatie wordt aangetast. Ook uitdrukken van emotionele betekenis in de intonatie
       (prosodie) wordt moeilijk.
       Apraxie: het uitvoeren van dagelijkse handelingen, soms denkbeeldig waarbij ouderen
       vaan gebruik maken van body-as-past-object. Complexe taken zijn al in een vroeg
       stadium moeilijk voor de patiënt.
       Agnosie: er zijn twee hoofdstoornissen van visuele perceptiestoornissen: in de
       ruimtelijke cognitie en de visuele vorm en objectperceptie. Patiënten zien dingen niet
       meer of focussen op een ding. Kleuren blijven ze wel zien.
       Aandacht, werkgeheugen en uitvoerende functies: doelgericht handelen wordt
       gestoord. Problemen met het volhouden van een taak.

4 Dementie bij frontale atrofie: een progressieve stoornis van sociaal gedrag en doelgericht
handelen.
       Mensen met frontale atrofie hebben met elkaar gemeen dat zij hun gedrag niet goed
       kunnen afstemmen op de eisen die de situatieve context op dat moment stelt. Ze
       kunnen mechanistisch reageren, hun innerlijke sturing ontbreekt.

4.1 Voorgeschiedenis en onderzoek van de klachten
      Eerste symptomen zijn veranderingen in gedrag en persoonlijkheid (verandering in
      activiteit en spontaniteit).

4.2 Testonderzoek
       Sommige patiënten met frontale atrofie hebben een tamelijk intact geheugen, het is
       niet meer helemaal normaal; sommige patiënten vallen in dwangmatig herhalen. Ook
       de taal functioneert niet meer in opzichten zoals van initiatief nemen.

5 Progressieve taalstoornissen bij frontotemporale en temporale atrofie
       Deze mensen hebben een langzaam progressief verlies van expressieve of receptieve
       taalfuncties.

5.1 Progressieve niet-vloeiende afasie
       Er is geen aanwijsbare oorzaak zoals een CVA. Gedragveranderingen zijn er in het
       begin niet veel, maar kunnen ontstaan.

5.2 Progressieve semantische stoornis
       Is het „spiegelbeeld‟ van de niet-vloeiende afasie. De spontane spraak in vloeiend,
       alleen is de betekenis van inhoudswoorden beperkt.

6 Dementie bij subcorticale stoornissen
      De belemmering van een normale uitvoering van bewegingen.

6.1 Ziekte van Parkinson


                                                                                               15
       De belangrijkste klinische aanwijzing is de vertraging van het tempo van denken en
       handelen, en in de verandering van het houdings en bewegingspatroon. Bij veel
       mensen neigt het bovenlichaam teveel naar voren als ze lopen of zitten, om
       voorovervallen op te vangen geen ze sneller lopen wat resulteert in valpartijen.
       Patiënten spreken monotoon, er zijn geen afasiestoornissen of geheugenproblemen,
       alles gaat alleen veel langzamer. De zenuwcellen in de substantia nigra worden primair
       aangetast, daardoor ontstaat een tekort aan dopamine, wat de functie van het stratium
       ontregeld waardoor de coördinatie van spierbewegingen faalt.

6.2 Ziekte van Huntington
       In het stratium worden primair de zenuwcellen in de nucleus caudatus aangetast. De
       motoriek wordt gekenmerkt door een teveel aan beweging. Op den duur ontstaan
       problemen van mentale traagheid en problemen met articulatie. Ook visueel-
       ruimtelijke perceptie wordt slechter. Depressiviteit en prikkelbaarheid komen ook
       vaak voor.

7 Dementie met Lewy-lichaampjes
      Periodes van verwardheid wisselen normale periodes af. Houdingsafwijkingen, visuele
      hallucinaties en wisselende alertheid zijn onderdelen van deze ziekte. Het is lastig deze
      ziekte te onderscheiden van andere vormen van dementie, maar wel belangrijk voor de
      behandeling.

8 Dementie bij vasculaire stoornissen
      Verstoring van de cerebrale bloedvoorziening is een niet-degeneratieve oorzaak van
      dementie, bv hersenbloedig, die gelijktijdig, of na elkaar kunnen voorkomen. Een
      andere oorzaak zijn beschadigingen aan de witte stof en daardoor belemmerende
      bloedvoorziening. Een belangrijk domein waarin een verschil wordt gevonden tussen
      Alzheimer dementie en vasculaire dementie is het gebied van verbaal en
      geheugentaken, die bij de laatstgenoemde nog relatief goed kunnen zijn.

9 Differentiële diagnostiek
       Hebben betrekking op het type dementie en op het verschil tussen dementie en
       normale veroudering, of tussen dementie en depressie.

Hoofstuk 21: Infectieuze ziekten en auto-immuunaandoeningen van de
hersenen
Ze ontstaat door besmetting met overdraagbaar agens zoals bacterie, virus, veranderd prion-
eiwit, schimmels, protozoen, worminfecties. Dit agens doet een ontsteking ontstaan, een
veelal lokale celreactie van verschillende soorten witte bloedcellen.
Auto-immuunziekten zijn ziekelijke stoornissen van afweersysteem. Vaak maar niet altijd
infiltraten witte bloedcellen.

Infectieuze ziekten
Bactieren komen normaal niet in schedel voor maar kunnen deze bereiken via bloedbaan, via
schedelletsel of doordat ontsteking van middenoor of neusbijholte overslaat naar nabij
gelegen structuren in schedel.
Ze veroorzaken ontstekingen van hersen en ruggenmergsvliezen (meningitiden) en abcessen
in hersenweefsel. De pia mater en arachnoidea zijn ontstoken.



                                                                                              16
Je hebt meningokokkenmeningitis of pneumokokkenmeningitis. Hoofdpijn, koorts, misselijk,
braken, stijve nek. Sommige hersenzenuwen zijn aangetast en vallen uit. Op zichzelf
veroorzaken ze geen cognitieve stoornissen maar wel als er door de ziekte bijvoorbeeld een
infarct ontstaat.
Virussen zijn kleiner en kunen worden opgenomen in axonen, herpes simplex (sensibele
zenuwlichamen van nervus trigeminus), polio (motorische voorhoorncellen), HIV komt in
speciaal type bloekcellen voor. Virale meningitis minder ernstig dan bacteriele.

Pneumokokkenmeningitis
Focale prikkelings en uitvalsverschijnselen worden dikwijls gezien. Soms lijkt het op
subcorticale cognitieve stoornissen. Soms cognitieve traagheid.
Lues (syfilis)
Treponema pallidum. Drie stadia: 1) verschijnselen op plaats infectie 2) verschijnselen in tal
van organen, waaronder hersenvliezen (luetische meningitis) soms ook vasculitis met
herseninfarcten tot gevolg, 3) twee beelden door verval van zenuwweefsel a) tabes dorsalis:
als gevolg aandoening achterwortels ruggenmerg en ruggenmerg zelf schietende pijnen,
gevoelsverlies en atactische loopstoornis b) aantasting hersenen, dementia paralytica,
dementie en verlammingsverschijnselen, ook epilepsie en disartrie (spraakstoornis).
Hersenvliezen verdikt en hersenen te klein. Vroeger vooral megalomane vorm, maar
geleidelijk vaker de dementievorm. Vergeetachtig, traag soms driftbuien. Het kan dat de
verschijnselen gunstig kunnen reageren op medicatie.
Lyme
Borrelia burgdorferi. Beet teek. Soms breidt ziekte zich uit naar andere orgaansyste.men bij
voorkeur CNS ( neuroborreliose). Drie stadia: 1) een langzaam groter wordende rode plek,
verbleekt centraal (erythema migrans) soms nu ook al aandoening nervus fascialis 2)
gewrichtsontsteking, hartaandoening, hersenvliesontsteking, aandoening zenuwwortels of
hersenaandoening. 3) chronische encefalomyelitis afwijkingen in witte stof.
Vergeetachtigheid concentratie stemming slaap.
Herpes-simplex-virus-encefalitis
Eerst keelontsteking kan opgenomen worden in gevoelszenuwvezels van nervus tregeminus
en dan naar sensibele zenuwlichamen. Koorts hoofdpijn en soms aanval parietele epilepsie.
Mentale veranderingen zoals verwardheid agitaties etc….
Mentale deterioratie en afasie behoorden tot resttoestand. Soms associatieve agnosie.
HIV en ADC
Door HIV ontstaan opportunistische infecties en er kan ook dementie ontstaan. Motorische
stoornissen vertraging en vermindering precisie. ADC treedt op als AIDS al gediagnosticeerd
is en is zeer snel progressief. Subcorticale dementie, maar soms ook corticale verschijnselen
als apraxie.
Ziekte van Creutzfeldt-Jakob
Vrij snel progressief, binnen jaar overlijden. Dysforie zich terugtrekken slapeloosheid na vier
maanden geheugen en inprentingsstoornissen discalculie en andere tekenen cognitieve
disfunctie. Apathie epilepsie spierschokken tremor etc…

Soms kunnen afweersystemen zich tegen lichaamseigen structuren richten en dan ziekte
veroorzaken.
MS
Chronische ziekte van centrale zenuwstelsel met variabel beloop. Meerdere gevallen tot
invaliditeit en gemiddeld tot enige bekorting levensduur.
Waarschijnlijk auto-immuunaandoening
a) grote gelijkenis met auto-immuunecefalitis


                                                                                             17
b) frequenter voorkomen dan door kans te verklaren van MS in combinatie met andere
   bekende auto-immuunziekte
c) vaker voorkomen antilichamen in bloek dan door kans te verklaren
d) aanmaak immuunglobulinen in CZS
e) talrijke immunologisch actieve cellen in ontstekingsinfiltraten in het CZS

Pleksgewijze demyelinisatie van gemyeliniseerde zenuwvezels in CZS. Op verschillende
plaatsen.

Vaak motorisch, ook remissies en relapses. Vaak meerdere wittestoflaesies. Er kan
behandeling komen met imuunmodulatoren.
Wittestofdementie op den duur behalve in witte stof ook laesies in axonen en hersenschors,
aard van cognitieve functiestoornissen passend bij subcorticale aandoeningen 1) traagheid 2)
verminderde flexibiliteit gedrag 3) achteruitgang in leerprestatie
Meervoudige bepaaldheid lijkt voor zowel cognitieve als affectieve functioneren op te gaan.

SLE is een complexe auto-immuunaandoening die afwijkingen veroorzaakt in tal van organen
en weefsels in het lichaam. Grote aantal in bloed en weefselvochten aanwezige antilichamen
gericht tegen componenten van celkernen celcytoplasma en celoppervlakten. Huidafwijkingen
en gewrichtsontstekingen. Alle delen zenuwstelsel kunnen betrokken raken, bovenaan bij
cerebrale staan epilepsie en psychiatrische/psychologische veranderingen zoals psychose, ook
cognitiestoornissen.
Logisch denken soms aangetast maar niet karakteristiek kenmerkender zijn stoornissen in
onmiddellijke en uitgestelde reproductie woordproductie volgens lexicale of semantische
regels en natekenen. Wellicht moet biologische basis voor cognitieve verschijnselen gezocht
worden met behulp van ontstekings en hormonale indices.



Schizofrenie [23]
Neuropsychologie in de psychiatrie

1 Achtergrond

Over psychiatrie, psychoanalyse en neuropsychologie
     Carl Wernicke, ontdekker van de perceptuele afasie, is een grondlegger van de
     psychiatrie. Freud volgde in de traditie van de neuropsychiatrie, dat psychische
     stoornissen een basis in het brein hebben, maar later ontwikkelde hij ideeën over
     emotionele en gedragsstoornissen. De neuropsychiatrie bood voor Freud weinig
     aanknopingspunten voor effectieve behandelingen, hij begon meer accent te leggen op
     de seksuele ontwikkeling. Al gevolg van Freud opvattingen werden bijvoorbeeld de
     moeders van Schizofrene kinderen aangemerkt als „kil‟. Naar aanleiding van deze
     beperkingen werd de DSM ontwikkeld. De biologische psychiatrie kwam in de 60er
     jaren op door o.a. nieuwe beeldvormingtechnieken.
1.1 Neuropsychologie van de psychiatrische patiënt
     Neuropsychologie speelt een belangrijke rol bij het onderzoeken en typeren van allerlei
     neurologische/psychiatrische stoornissen.
1.2 Symptoombenadering
      Patiënten worden ingedeeld in grote categorieën ofwel syndromen, deze bestaan
      vervolgens uit een aantal symptomen die niet allemaal aanwezig hoeven zijn. Er is niet


                                                                                           18
      een definiëren symptoom voor schizofrenie. Voor Neuropsychologen is dit een vreemde
      benadering, zij willen juist de bepaalde stoornissen koppelen aan neuronanatomische
      beschadigingen.
1.3 Cognitieve modellen
     Naast het feit dat de aandacht gericht wordt op specifieke symptomen is het ook
     belangrijk dat verschillende typen stoornissen worden beschreven in termen van
     theoretische componentmodellen een centrale stoornis kan „functioneel‟ ergens worden
     gelokaliseerd terwijl een ander gedeelte nog redelijk intact is.
1.4 Hypothesetoetsend
    De neuropsychologische benadering onderscheidt zich van de traditionele psychiatrie op
    dit derde aspect; de nadruk op hypothesetoetsend onderzoek. Er worden meetmethoden
    ontwikkeld om specifieke symptomen in type en ernst te kunnen kwantificeren. Bv: (1)
    type, modaliteit en inhoud en (2) frequentie, duur en levendigheid van hallucinaties.
2   Symptomen bij syndromen
    Er wordt kort ingegaan op functionele stoornissen van een aantal psychiatrische
    ziektebeelden.
2.1 Schizofrenie
    Het meest karakteristiek voor schizofrenie zijn hallucinaties, wanen, de
    aandachtsstoornissen, de stereotype gedragingen en het emotionele disfunctioneren. Men
    maakt onderscheid tussen positieve (bv: hallucinaties en wanen) en negatieve symptomen
    (vervlakking van affect, spraakarmoede, apathie). Ongeveer 1 % van de bevolking heeft
    schizofrenie dat zich vaak aan het einde van de adolescentie en begin van de
    volwassenheid ontwikkeld. Vaak wordt er gesteld dat een verhoogde productie van
    dopamine een belangrijke factor is, ook zijn er genetisch componenten aan te wijzen
    (eeneiige tweelingen hebben 50 % kans het te krijgen als een het al heeft). Schizofrenie
    patiënten hebben een lagere IQ score, maar die blijft min of meer stabiel door de jaren
    heen. Het geheugen functioneert vaak ook minder goed, voornamelijk het episodische,
    semantische en werkgeheugen.
    Hallucinaties 65%; zijn meestal auditief van aard, vaak in de vorm van stemmen
    Er zijn drie verschillende cognitief-georiënteerde hypothesen ter verklaring ontwikkeld:
    Taalverwerkingshypothese: gaat ervan uit dat mensen tijdens het denken ook met zichzelf
    praten, bij schizofrenen zou het verschil tussen inner speech en externe spraak vertroebeld
    zijn.
    cognitief perceptuele verwerkingsstoornis: de levendige verbeelding van mensen zou bij
    schizofrenen kunnen leiden tot het maken van spontane beelden die niet „gehinderd‟
    worden door feitelijke binnenkomende informatie.
    probleem in de metacognitieve controleprocessen: het onderscheid tussen interne en
    externe bronnen is gestoord.

2.2 Depressie
    Negatief zelfbeeld, het zien van weinig toekomstperspectief, neerslachtig; kenmerken van
    een depressie. Ook worden milde cognitieve stoornissen gevonden.
    Aandacht: het mood congruency effect dat materiaal makkelijker geleerd kan worden als
    het overeenkomt met de stemming. Depressieven scoren slechter dan normalen op
    „neutrale‟ woordenlijsten. Het beeld van depressieven duidt op een globale, diffuse
    stoornis van hersenfuncties. Met name wanneer het gaat om executieve functies: de
    onbewuste verwerking van informatie lijkt intact, maar met name de gecontroleerde
    verwerking leidt tot vertraging en slechte presentaties (inspanningshypothese).



                                                                                            19
    Bij oudere patiënten worden vooral structurele afwijkingen gevonden die gerelateerd zijn
    aan verbale geheugenproblemen. In het algemeen laten vooral de mediale delen van de
    prefrontale cortex en de gyrus cinguli anterior een verlaagde activiteit zien
    (hypofrontaliteit). Ook is er verlaagde doorbloeding in het stratium.

2.3 Autisme
    Kenmerken zijn verbale en non-verbale stoornissen in de communicatie en sociale
    interacties. Er is vaak sprake van repetitief gedrag en de belangstelling voor de
    buitenwereld is zeer beperkt, het treedt meestal la op voor 3-jarige leeftijd. Er zijn 4 keer
    zoveel mannen als vrouwen, maar cognitieve stoornissen lijken bij vrouwen ernstiger.
    75% heeft mentale retardatie. De erfelijkheid is 90%. Bij het herkennen van gezichten
    worden er afwijkingen in de hersenen gevonden. Het lijkt dat autisten zich concentreren
    op onderdelen van een geheel ipv op het geheel zelf(„weak central coherence‟).
    Theory of mind stelt dat mensen zich kunnen inleven en zich kunnen voorstellen wat
    iemand voelt of meemaakt. De recentere versie van deze theorie pleit voor een stoornis in
    de executieve functies met name in het plannen en flexibel wisselen.

2.4 Sociopathie
    Wordt gekenmerkt door het onvermogen zich te conformeren aan sociale normen en een
    opvallend gebrek aan respect voor de rechten van anderen. Deze mensen komen vaak in
    de criminaliteit terecht, en hun gedrag is vaak verbonden met alcohol en drugsverslaving.
    Deze problemen komen ook voor bij mensen met een laesie in de frontaalkwabben.
    Somatic marker theory: Damasio veronderstelt dat bij het nemen van beslissingen
    onderliggende lichamelijke processen, betrokken bij emoties, een belangrijke rol spelen in
    de afwegingen bij besluitvorming.
    Reactive agressie: wordt veroorzaakt door een stoornis in de executieve emotionele
    systemen, die hun invloed uitoefenen bij het nemen van beslissingen in bedreigende
    situaties.
    Instrumentele agressie: meer een ontwikkelingspsychopathologisch verschijnsel, zou
    gevolg zijn van onvermogen om sociale relaties te ontwikkelen, wangedrag wordt niet
    gekoppeld aan de straf.
2.5 Reduplicatieve misindentificatiesyndromen
    De verdubbeling kan betrekking hebben op personen, tijden, plaatsen etc. Kan voorkomen
    bij drugsverslaving, infecties, hersenaandoeningen (delier, dementie) etc.
    Capgras: symptoom kan uitdijen, meerdere dezelfde personen, lichaamsdelen etc.
    Fregoli: geloof dat iemand de patiënt achtervolgt en telkens een andere gedaante
    aanneemt.
    Cotard: geloof van de patiënt dat hij dood is of niet bestaat, of dat anderen dood zijn, zijn
    lichaam door en lijk is vervangen. Kan optreden bij patiënten met een ernstige depressie.
    Prosopagnosie: stoornis in de gezichtsherkenning

2.6 obsessieve en compulsieve stoornissen (ocs)
    Patiënten die een pathologisch neiging hebben tot dwanggedachten (obsessies) en niet
    goed in staat zijn dwanghandelingen te weerstaan (compulsies). OCS wordt gezien als een
    angststoornis. Niet uitvoeren van de „dwanghandelingen‟ leidt tot angst. 3% in Nederland
    leidt aan deze stoornis. OCS gaat vaak samen met andere klachten zoals depressie, fobieën
    alcohol of drugsverslaving.
3   Een overkoepeld kader: frontaal-subcorticale netwerken




                                                                                               20
   Door beeldvormingsonderzoeken is duidelijk geworden dat bij veel stoornissen de
   prefrontale cortex een belangrijke rol speelt. Cummings concludeerde op basis van
   neurologisch onderzoek dat er een vijftal parallelle frontaal-subcorticale circuits bestaan:
   -   Motorisch circuit, ontspringend in de supplementaire motorische schors;
   -   Oculomotorcircuit, beginnend in het frontal eye field;
   -   Dorsolaterale prefrontale schors; afwijkingen motorprogrammering, disexecutieve
       syndroom
   -   Laterale orbitale schors; persoonsveranderingen, obsessief compulsief gedrag
   -   Anterieure cingulate schors; apathie en mutisme

   De drie laatstgenoemde circuits zijn gekoppeld aan diverse ziektebeelden.

Hoofdstuk 7 Aandacht en selectieve perceptie
Theoretische modellen van aandacht
Helmholtz (1894) onderzocht visuele perceptie: bord met daarop letters, telkens worden er
een paar belicht. Je kan zonder je ogen te richten op die letters, toch je aandacht erop vestigen
(covert attention). Kortom het visuele veld waarnaar we kijken # het visuele veld waarop we
de aandacht richten.

Het cocktail-party effect
Cherry (1953) onderzocht dit fenomeen. Door selectieve aandacht kun je horen wat je wilt
horen ondanks de herrie op de achtergrond. Cherry onderzocht dit fenomeen mbv een
dichotische luistertaak. Koptelefoon, elk oor krijgt een gesprek te horen. Gevraagd wordt er
een te reproduceren.
 Resultaat: ppn wisten het verhaal van het door hen aandacht gegeven oor te reproduceren, het
andere verhaal wisten ze niet te herinneren.
Verklaring: - door aandacht wordt info beter gecodeerd
             - door beperkte capaciteit kan maar een deel van de info verwerkt worden.
Broadbent (1958) zei het laatste; veel sensorische input moet gescreend worden op
belangrijkheid alvorens ze verder verwerkt worden (een soort poort die open en dicht kan).
Deels kan het mbv Broadbent‟s theorie verklaard worden.

Cherry & Morray vinden dat niet al de info waar de aandacht niet op gevestigd wordt
onopgemerkt blijft. Namelijk wanneer de info een hoge prioriteit heeft (bv. Eigen naam) komt
hij wel door: wordt nu al de info toch verwerkt? Wanneer wordt info geselecteerd?

Vroege vs late selectietheorieën
Selecteren we info alvorens het in het bewustzijn komt of erna?
Vroege selectie: een stimulus hoeft niet helemaal perceptueel geanalyseerd en gecodeerd te
zijn als semantische of categorische info om geselecteerd te kunnen worden voor verdere
verwerking of verwerping. (bij Helmholtz houdt dit in dat info al verder verwerkt/verworpen
kan worden, ook al is men zich niet van bewust dat het letters zijn waarmee je te maken hebt)

Late selectie: verworpen en attended input worden op dezelfde manier verwerkt door het
perceptuele systeem en bereiken een stadium van semantische codering (ze krijgen betekenis)
en analyse. Aandachtsprocessen kunnen de perceptie van stimuli dus niet beïnvloeden.
Daarna vindt er selectie plaats voor aanvullende verwerking en bewustwording.




                                                                                               21
Sensorische



Dus het kan zijn dat niet-attended info toch door de poort komt, ook al is het wel in mindere
mate (Treisman, Broadbent).

Beperkte capaciteitsprocessen
Beide processen gaan ervan uit dat niet alle info verwerkt kan worden dus dat er een beperkte
capaciteit is. Daarom moeten er beslissingen genomen worden over wat er eerst verwerkt
moet worden.
Bottleneck-processing: de te verwerken info is groter/meer dan het verwerkingssysteem
aankan. Het info-verwerkingssysteem kent selectiemechanismen die de infostroom onder
controle houden en prioriteiten stellen.

Meten/bepalen van aandacht in perceptie
Een manier om het effect van aandacht in infoverwerking te onderzoeken is door te kijken
naar hoe mensen op doelstimuli reageren, bijvoorbeeld door te kijken naar reactietijd wanneer
een visuele target verschijnt op gebieden waar de aandacht al dan wel of niet op gevestigd is.

Vrijwillige oriëntatie
Posner: spatial cueing paradigma
Ppn krijgen de instructie dat de meest waarschijnlijke plaats waar de target zal verschijnen is
waar het pijltje verschijnt. Bij sterke relatie treedt er een keereffect op.
Resultaat: ppn reageren sneller als de target komt op de plaats waar het pijltje verschijnt, dan
als het pijltje er niet verschijnt.
Stimuli op een niet verwachte plaats: reactie is altijd trager (p213).
Doordat de ogengericht zijn op een fixatiepunt, speelt covert attention hier een rol.

Automatische oriëntatie
Soms wordt je aandacht ongewild getrokken. Reactietijden zijn korter voor stimuli die
gepresenteerd worden op een net-gestimuleerde plaats = exogene cueing: mbv een externe
stimulus wordt onwillig de aandacht getrokken, daardoor is reactie op een volgende target
sneller. Hoe korter de tussenliggende tijd, hoe groter het effect.
Bij een lange tussentijd wordt de reactie trager = inhibition of return.

Zoeken in een visuele scene
Een veelvoorkomende bezigheid in perceptie is het zoeken naar een stimuli in een drukke
omgeving.
Treisman et al. (1980) onderzocht dit fenomeen.
Zoeken van een target omringd door vele andere stimuli, die in zekere zin (veel/weinig) op
elkaar lijken.
A) pop-out search: kleurverschil
B) conjunction search: kenmerk verschil
ad A aantal andere stimuli heeft geen effect
ad B grote aantal andere stimuli heeft wel effect

Neurale systemen in aandacht en selectieve perceptie

Neurofysiologie van aandacht


                                                                                               22
Gebruik wordt gemaakt van electrisch en magnetische opnamen van de hersenactiviteit
(EEG).
Zij meten neuronale activiteiten in de electrische en magnetische velden dmv plakken van
elektroden op het lichaaam. Mbv EEG is het moeilijk nauwkeurig vast te stellen waar een
signaal vandaan komt. Mbv PET en fMRI kan dit beter, kunnen veranderingen in
bloedstroom en metabolisme in verband staande met neuronale activiteit vaststellen.

Auditoire selectieve aandacht
„60-‟70 eerste experiment mbt auditoire selectieve aandacht dmv ERP (event related
potentials) = electrische potentialen gerelateerd aan een bepaalde gebeurtenis (stimulus en zijn
verwerking in het brein).

Hillyard et al (1973) deden onderzoek: ppn reageren op auditoire stimuli, terwijl ERP
gemeten wordt. Ppn hadden koptelefoon op:
a) letten op geluid dat ene oor binnenkomt, andere oor negeren
b) letten op geluid in het andere oor

Kregen ze ERP van genegeerde oor en opgelette oor?
ERP was groter in amplitude bij attended stimuli = auditore N1 potentiaal (p218)
Ongeveer 90 msec na onset = bewijs voor vroege selectie tijdens sensorische verwerking
Waar in het brein komt de N1 vandaan? Zie blz 218. Hiervoor tegenhanger van EEG nodig:
MEG (magnetoencephalogram), waaruit ERF afgeleid kan worden. Door ERP recordings te
combineren met recordings van “magnetic field fluxes” (die worden gegenereerd door actieve
neuronen) weten we waar de auditore effecten vandaan komen. Het blijkt uit Herschl‟s
onderzoek van de auditore cortex: aandacht kan een stimulus beïnvloeden in de auditieve
cortex maar het auditieve systeem kan geen info selecteren die gebaseerd is op hogere orde
aspecten van auditieve input (zoals spraak). Langere latentie veranderingen in ERP/ERF
reflecteren aandachtsselectie op basis van hogere orde aspecten van stimuli.

Visuele selectieve aandacht
Gebruik van ERP meet direct de elektrische activiteit die veroorzaakt wordt door de visuele
neuronen in het brein bij visuele aandacht. Gedurende visuele spatiële aandacht verandert de
amplitude van aantal ERP‟s: 70-90 msec na onset = P1 (first major positive wave). P1 vindt
allleen plaats tijdens spatiële aandacht, niet bij selectie op andere kenmerken zoals kleur,
frequentie, oriëntatie, ook geen P1 bij selectie van visuele input gebaseerd op hogere orde
kenmerken (wat een object is). De aandachtseffecten hiervan pas later in ERP te zien (na meer
dan 200 msec). P1 aandachts effect is het grootst in de contralaterale occipitale regio.
Je aandacht kan vrijwillig of automatisch op iets gericht zijn.

Functioneel “neuroimaging” in menselijke aandacht
Mbv deze techniek wordt ook de hersenactiviteit bij verschillende aandachtstaken bekeken,
bijv. mbv PET (rCBF: cerebrale bloedstroom).
Corbetta et al (1991): bloedstroom (rCBF) neemt toe als er aandacht besteed wordt aan
kenmerken van een stimulus zoals kleur, vorm, beweging, etc. in de extrastriate visuele
cortex.
Mbv. Scans werd gekeken naar de verschillen bij aandacht op kleur, beweging etc. Iedere
selectieve aandacht activeerde een ander gebied op de extrastriate cortex (p226).
Ander onderzoek wijst uit dat naast verhoging van rCBF in bepaalde hersengebieden, ook
verhoging van rCBF in bijv. Thalamus, basale ganglia, insula en frontale cortex veroorzaakt.
Deze hebben ook invloed op de visuele infostroom. Met name de pulvinar nucleus heeft veel


                                                                                             23
connecties met corticale en subcorticale gebieden en is daardoor een geschikt “apparaat” om
de extrastriate visuele corticale verwerking te beïnvloeden.

Dieronderzoeken naar aandachtsmechanismen
Single-cell recording methoden verschaffen info over aandachtsmechanismen op synaptisch,
cellulair niveau. Dit kan bij dieren gedemonstreerd worden (bij mensen niet). Hierbij worden
dezelfde principes als ERP en ERF gebruikt, alleen wordt hier naar de activiteit van één cel
gekeken en niet naar de activiteit van honderden cellen (door microelectrode in te bouwen).
Moran & Desimone: vuringsniveau in V4 is hoger wanneer er aandacht geschonken wordt aan
een stimulus dan wanneer die werd genegeerd (alleen wanneer stimulus in receptieve veld van
V4 ligt). Of vuring wel of niet plaatsvindt ligt ook aan de soort stimulus.
Aandachtaanpassingen in subcorticale structuren en de pariëtale cortex
Wurtz et al (1970) onderzochten de rol van de colliculus superior mbt zijn rol in
aandachtsprocessen. In de cs bevinden zich visueel responsieve neuronen die beïnvloed
worden door de manier waarop apen op stimuli reageren. Door oogbewegingen ontstaat er
meer vuring. Oogbewegingen op zich vergroten niet de cell firing. Deze neuronen worden niet
geactiveerd door alleen aandacht voor de locatie van de stimulus, er is ook een beweging van
de ogen nodig naar de target. Conclusie: de colliculus superior speelt op zich geen rol in het
proces van selectieve aandacht, maar is een onderdeel van het oogbewegingssysteem.
Deactivatie van de colliculus superior zorgt voor minder goede discriminatie bij aan
wezigheid van meerdere targets.
Een andere subcorticale structuur die een rol speelt bij aandachtsprocessen is de pulvinar
nucleus. Deze wordt geactiveerd bij aandacht-filteringstaken. Neuronen reageren op kleur,
beweging, oriëntatie. Onderverdelingen bevatten retinotopische mappen van de visuel wereld
en verbindingen met frontale, pariëtale, occipitale en temporale corticale gebieden.
De pariëtale cortex speelt, zoals bijkt uit PET studies, een rol bij aandachtscontrole en bij de
representatie van spatiële relaties. Ook staat deze in verband met subcorticale gebieden en met
de frontale cortex.
Aandacht zorgt voor (de)activatie in pariëtale corticale neuronen. Activatie is er bij zowel
covert attention als bij directe aandachtstaken. Dit is het verschil met de colliculus superior.
De pariëtale cortex speelt een rol bij spatiële locatie, dwz. wanneer covert attention verschuift
en dus wanneer ppn ruimtelijke relaties tussen targets moeten analyseren speelt deze pariëtale
cortex een rol.
Beschadiging van de pariëtale cortex zorgt voor gebreken in aandacht.

Samenvatting: subcorticale en corticale hersengebieden spelen een rol bij verschillende
aspecten van aandacht en oriëntatie. Neuronen in de pariëtale cortex spelen ook een rol bij
aandachtsprocessen en bij het coderen van locaties van stimuli.
In de visuele cortex vindt analyse van stimuluskenmerken en vorm plaats.

Neurologische schade en aandacht
Kennis van menselijk brein kun je halen uit beschadigde zieke breinen. Schade aan het brein
leidt tot specifiek letsel.
Mbv CT-scan en met MRI kunnen we in het brein kijken. Door in het beschadigde brein te
kijken, kunnen we deze beschadigingen koppelen aan het vertoonde gestoorde gedrag. (bv.
Lesie corticaal: afasie)
Unilaterale pariëtale schade kan leiden tot het neglect-syndroom: mensen hebben geen kennis
van het bestaan van de kant tegenovergesteld aan de lesiekant.




                                                                                              24
Kenmerk van negelct: Het niet kunnen geven of responderen op een stimulus aan de
contralaterale kant, als er een stimulus aan de ipsilaterale kant van de lesie tegelijkertijd wordt
aangeboden.
Neglect kan aangetoond worden mbv tests, bijv. Line cancellation (lijn in het midden
doorsnijden, p238).
Neglect is geen stoornis van sensatie en perceptie (er is geen visuele systeem schade). Het kan
ook niet-visuele componenten bevatten, zoals motorische en representatieve problemen.

Posner, Rafal et al (1984) onderzochten patiënten met unilaterale pariëtale lesie. Normaal
gesproken zouden deze patiënten stimuli contralateraal van de lesie negeren, maar doordat ze
gedwongen worden hun aandacht op de contralaterale kant te vestigen, reageren ze wel op de
stimuli aldaar.
Wanneer ze niet wisten dat de stimuli ook aan de contralaterale kant konden verschijnen,
reageerden ze traag wanneer dit het geval was (p239) = extinction-like reaction time pattern.

De resultaten werden geïnterpreteerd volgens een hypothetisch 3-stadia model van aandacht
en oriëntatie:
1. Vrijmaken van aandacht van zijn momentale focus: disengage
2. Verplaatsen van aandacht naar een nieuwe locatie/object: move
3. Vestigen van aandacht op die nieuwe locatie/object (om zo de perceptuele processen mbt
stimuli te vergemakkelijken): engage

Doordat de reactietijd trager was, wanneer ipv de verwachte ipsilaterale stimulus, de stimulus
in het contralaterale veld verscheen, blijkt dat patiënten vooral moeite hebben met disengage.
Wel is move intact, want bij wisseling van aandacht is er geen probleem.
DUS patiënten zijn niet in staat om wanneer hun aandacht naar een andere locatie in het
visuele veld wordt getrokken, pas daarna hun aandacht te verplaatsen naar de contralaterale
kant.
3-stadia model: alert, interrupt, localize, disengage, move, engage, inhibit.

Een alternatief model om reactietijd en gedragspatronen te verklaren in neglect-patiënten is
gebaseerd op de manier waarop systemen van ruimtelijke locatie en aandacht interacteren
wanneer componenten ervan beschadigd zijn (p240). Competitive interaction model: Normaal
zijn excitatoire en inhibitoire interacties in balens. Maar bij beschadiging kunnen er
verschillende gedragsmanifestaties optreden. (bv disengage pattern).

Beide modellen suggereren dat wanneer aandacht ligt in het gezonde visuele veld, de
prestaties in het beschadigde gebied verslechteren.
Dus items in het intacte veld hebben een invloed op de verwerking in de contralaterale velden.
Extinctie= het niet kunnen responderen op stimuli contralateraal van de lesie.

Hoe en in hoeverre worden items verwerkt in het neglect veld? Is info in het neglecte gebied
niet beschikbaar omdat het gedragsmatig genegeerd wordt?
Volpe et al (1979) concludeerde dat patiënten wel een onderscheid kunnen maken tussen de
intacte en neglecte kant, ondanks dat ze stimuli in het neglecte gebied niet kunnen
identificeren. Dus info kan verwerkt worden ook al is het niet toegankelijk voor het
bewustzijn.

Tot welk niveau wordt info uit het neglecte gebied verwerkt?



                                                                                                25
Ze kunnen onderscheid maken tussen twee stimuli, wanneer deze verschillend zijn treedt er
geen extinctie op, bij gelijkenis wel (p242). Dit kan zonder zich ervan bewust te zijn
gebeuren.

Coördinatiesystemen van aandacht en neglect
Bisiach en Luzzatti (1978) bestudeerden patiënten met een neglect die voor het grootste deel
van hun leven in dezelfde stad hadden gewoond. Ze vroegen hen om een bepaald plein van de
stad te beschrijven. Ze negeerden dingen aan de contralaterale kant van de lesie. Bij dezelfde
vraag maar dan vanuit een ander oogpunt, gebeurde hetzelfde (een ander deel werd nu
genegeerd, het contralaterale deel).
Niet alleen treedt neglect op in de externe sensorische wereld, maar treedt het ook op in het
visuele geheugen.
Ze hebben dus wel een goed geheugen wat betreft het plein, maar aandacht voor bepaalde
(contralaterale) delen was beschadigd.
Het kan zijn dat objecten die eerst in het neglecte veld zitten, na rotatie ook in het ipsilaterale
veld niet gezien worden. Dit is het gevolg van dat neglect ook object-gebaseerd kan zijn,
zodat het neglect blijft bestaan ondanks de rotatie (p243). Dit wordt gesteund door Balint‟s
syndroom. Deze patiënten hebben moeite met het verdelen van hun aandacht over meerdere
objecten. De lesie is bilateraal, posterieur pariëtaal en lateraal occipitaal (p243).
Patiënten kunnen objecten waarnemen, maar slechts één per keer. Ze kunnen objecten goed
identificeren, maar hebben moeite objecten aan elkaar te relateren. Patiënten melden dus bij
het zien van objecten steeds één object, deze kan per keer verschillen.
Patiënt kan een man met een bril beschrijven als een bril en een man (niet een brildragende
man). De aandacht gaat uit naar telkens één object.
Humphreys en Riddoch (1992) deden hier onderzoek naar. Ze lieten patiënten cirkels zien in
drie condities: rode cirkels, groene cirkels en groene + rode cirkels. De conditie van groene +
rode cirkels was moeilijk, omdat ze slechts 1 object per keer zagen.
Humphreys et al verbond vervolgens rode en groene cirkels met elkaar dmv een lijn. Het
gevolg was dat patiënten een groene en rode cirkel zagen, doordat door de verbinding het één
object was geworden (p244).


Hoofdstuk 17: Contusio cerebri
Traumatisch hersenletsel is in westerse wereld epidemiologisch meest voorkomende
neurologische aandoening. Verschil tussen traumatisch hersenletsel en niet-dodelijke
traumatische hersenbeschadiging altijd enig herstel. Veel neurologische ziekten juist
progressief.
Geen statische toestand maar herstelproces, waarin fysiologische, psychologische en sociale
factoren een rol spelen. Aanpassing bemoeilijkt omdat brein dat hiervoor nodig is, beschadigd
is.
Gesloten-schedel hersenletsels, ook wanner schedel ingedeukt (impressiefractuur).
Ze ontstaan door deceleratie: hoofd in beweging en komt in botsing, schedel stil en
hersenmassa slaat tegen schedel, hersenweefsel kan gekneusd worden doordat schedel
onregelmatig is of tegen falx cerebri, en acceleratie: hoofd stil maar door plotselinge stoot in
beweging, hersenmassa blijft achter terwijl schedel in beweging, gevolgen zijn zelfde.
Lineair inwerkend geweld en roterende krachten, vaak verwijderd schedel zich niet lineair
maar draaiend. Sterke roterende krachten kunnen in witte stof hersenen leiden tot shearing
forces en lange vezels scheuren af.
Coup: op punt impact contrecoup: diametraal coup.



                                                                                                 26
Primaire beschadiging: direct tijdens inwerking van geweld, mechanise effect zoals kneuzing
(contusie) of verscheuring (laceratie) en afscheuren bloedvaten (venen verantwoordelijk voor
afvoer bloed uit cerebrum). Frontale en temporale kwabben onderzijde. Bij zwaardere letsels
ook subcorticale structuren. Centripetale effect: lichte letsels richten oppervlakkige corticale
schade aan en zwaardere ook dieper gelegen structuren zoals hersenstam.
Secundaire beschadiging: geleidelijk in minuten tot uren na ongeval. Pathofysiologische
processen, vrijkomen glutamaat en daardoor fatale instroom calcium in cellen die nog
levensvatbaar waren, secondary or delayed axotomy. Cerebrale doorbloeding verstoord,
intracraniele drukverhoging (oedeem of hematoom). Kan ook buitencerebrale oorzaak hebben
bijvoorbeeld longen die te weinig zuurstof kunnen bieden aan hersenen. Direct na ongeval is
cerebrale autoregulatie verstoord.
Commotio cerebri en contusio cerebri.

Coma:
Wanneer bewustzijnsstoornis (verlies) langer is dan enkele minuten en dieper dan spreek je
van een coma. Standaard pijnprikkels door druk in oogkas en op nagelbed. Patient opent ogen
niet uit geen woorden en volgt geen verzoeken op ondanks pijnprikkels en aanspreken. Coma
is eindig op gegeven moment reageert op pijn en opent ogen als patient permanent in dit
stadium blijft Persistent Vegetative State of coma vigil. Patient gedesorienteerd en verward,
inprenting ernstig verstoord (PTA)

Amnesieen:
Als er geen sprake is van amnesie dan geen diagnose commotio of contusio cerebri. Ga in
herinneringen. Retrograde (voor ongeval): ook met gezond cerebrum weg dus, 1) consolidatie
door inwerkend mechanisch geweld verstoord 2) of vastgelegd maar door letsel niet meer
toegankelijk RA krimpt, maar deel voorgoed weg, ligt waarschijnlijk aan 1, en anterograde
(na ongeval), onvermogen om info vast te leggen. Posttraumatische amnesie (PTA)
desorientatie en gestoorde inprenting, soms confabuleren: pseudoherinneringen en bizarre
duidingen situatie ontwaakt, combi deze symptomen: Korsakofsyndroom. Postcontusionele
Korsakoffsyndroom altijd van tijdelijke aard. Duur PTA vaak meter voor ernst traumatisch
hersenletsel. Eerste herinnering niet per se einde PTA want islands of memory kunnen
optreden.

Cognitieve stoornissen
Mentaal minder goed functioneren dan voorheen na hersenletsel. Na zwaardere letsels
blijvend restverschijnsel., vergeetachtigheid, vermoeibaarheid, concentratiezakte en mentale
traagheid, ook vel intoleranties over overgevoeligheden, verhoogd prikelbaar.
Geheugenstoornissen: ook na PTA dan nog steeds vergeetachtig.
Aanleren: acute stadium ernstig tekort maar ook daarna nog. Vooral zichtbaar in declaratieve
taken bij zowel verbale als nonverbale info. Maar onmiddelijke reproductie en impliciet leren
is wel normaal. Dus automatische vewerking wel normaal.
Herinnering: opdiepen info uit geheugen verzwakt. Niet alleen nieuwe of recente info!
Episodische geheugentaken ernstige tekorten.
Herkenning: meestal gespaard maar soms ook verzwakt, maar geheugen afbeeldingen
uitzondering als maar simpel.
Aandachtsstoornissen: niet langer concentreren, mentale inspanning sterker vermoeiend,
mentaal traag en aandacht niet verdelen over meerdere taken.
Gerichte aandacht: snel afgeleid door irrelevante dingen. Informatieverwerkende systeem
involdoende selectief en niet meer goed focussen, maar niet echt aantoonbaar!



                                                                                              27
Verdeelde aandacht: 1) verwerkingstempo 2) flexibiliteit. Vetraging P300: afwijkende targets
in serie monotone auditieve stimuli vertraagd herkend.
Volgehouden aandacht: ze presteerden zwakker maar handhaafden wel oorspronkelijke
niveau.
Supervisory Attentional Control (SAC): drie hierboven onder controle van dit.
Verwijst naar executieve aspecten aandacht. Mentale traagheid al probleem maar ook hoger
niveau defect. Zichtbaar in complexe situaties tijdsdruk en ernstige letsels.
Aandachtsverdeling bij taakcombinatie specifiek probleem.

Disexecutieve stoornissen
Moeite planning en overzicht. Patienten lijken disexecutief in dagelijks leven maar niet
zichtbaar met tests. Duidelijke frontale laesies niet gericht.

Taalstoornissen:
Afasie: zeldzaam, progrnose relatief gunstig (gunstiger dan CVA).
Taalarmoede en wijdlopigheid: spraakproblemen in vorm disartrie. Slappe slecht
gearticuleerde uitspraak. Cerebellair symptoom. Productie traag en moeizaam: 1)
woordvinding traag, anomie. 2) productie inefficient, veel praten maar weinig overbrengen.

Intelligentie: niet afgenomen, maar rendement kan wel verlaagd zijn.
Samenhang geheugen en aandacht: 1) patient met vertraagde informatieverwerking eerder
overspoeld met info, waardoor deel niet verwerkt of opgeslagen. 2) kwaliteit geheugenspoor
hangt same met mate bewerking. Dus info misschien kwalitatief slechter opgeslagen.

Persoonlijkheid en gedrag:
1) veranderen door emotionele reactie van getroffene op ongeval
2) hersenletsel op zich kan tot vrij algemene gedragsveranderingen aanleiding geven,
   emotionele labiliteit en afgenomen stresstolerantie
3) letsel kan rechtstreeks leiden tot specifiek patroon veranderingen dat men als
   persoonlijkheidsverval kan aanduiden.

Algemene effecten op gedrag
Verhoogde prikkelbaarheid
Afgenomen stresstolerantie, eerder van slag door verstoring routine. Aspecifieke symptomen.

Persoonlijkheidsverval
Frontaalsyndroom/disexecutief syndroom: ontremming, kritiekverlies, tact, egocentrisch,
kinderlijk etc…
Deze veranderingen moeilijk voor sociale contacten.

Persoonlijke relatie en gezinsleven, fysieke beperkingen ok, maar mentale restverschijnselen
vergt periode aanpassing, ergste zijn emotionele en persoonlijkheidsveranderingen. Er kan
rolverschuiving zijn.
Sociale contacten: inperking sociale leven, mensen weten geen houding meer te geven en
vriendschap minder lonend.
Werk: hoe langer PTA hoe minder kans.

Herstel: commotio cerebri: 3-6 weken, contusio: enkele jaren zelfs.
Biologisch: functionele reorganisatie



                                                                                             28
Psychologisch: herleren vaardigheden alternatieve methoden nieuwe levenssituatie en
emotioneel verwerken.
Afname klachten.
Er lijken blijvende cognitieve defecten te bestaan.

Revalidatie: Holistic Neuropsychological Rehabilitation
1) therapeutisch milieu
2) cognitieve revalidatie en hertraining
3) psychotherapeutische hulp
4) poging werkhervatting beschut milieu
5) inschakeling voorlichting
Hoofdstuk 18: Whiplash
Een accelaratie/declereatie-letsel van nek waarbij hoofd heen en weer slingert leidt vaak tot
langdurig klachten over mentale functioneren, samen klachten nek en hoofdpijn
whiplashsyndroom.
Naast somatische klachten ook klachten omvat over vergeetachtigheid en concentratiezwakte.
Klassieke letsel door aanrijding in verkeer van achteren. Met kracht naar voren en vervolgens
naar achteren en weer naar voren.
Geen bewustzijnsverlies en amnesie, hoogstens even dizzy. Meestal nog klachtenvrij,
volgende dag spierpijn (nekpijn), niks te zien op rontgenfoto‟s en dan dragen soft collar.
Binnen enkele weken verhoogd vermoeibaar, emotioneel labiel en verstrooid. Vergeetachtig
en concentratie vermindering. Langer dan halfjaar: Laat whiplashsyndroom (LWS).
Twee opvattingen: 1) organisch-cerebraal: forse slingerbeweging letsel aan hersenen, volgens
patroon contusio cerebri, maar geen bewustzijnsverlies en amnesie en situatie verslechterd en
ook op EEG en MRI geen echte aanwijzingen.
2) psychogeen: sterke emotionele reactie op triviaal letsel. Emotionele draagkracht klager
schiet te kort, en altijd neurotisch labiel, maar dit hoeft niet zo te zijn! Toch heeft het
overhand want geen aanwijzingenop SPECT-scans, en in sommige landen geen whiplash:
cultureel bepaald!
Ferrari: biopsychosociaal model: symptomen, symptoomverwachting (verwachtingen door
kennis whiplashsyndroom leidt tot hypervigilantie), versterking en attributie (klachten aan
whiplashletsel die in feite andere oorzaak hebben).

Mensen met whiplashsyndroom vertonen geen defecten in intelligentie en conceptformatie
maar presteren meestal significant slechter dan controles op tests van aandacht en
concentratie: werkgeheugen, aandacht, directe en uitgestelde herinnering, visuomotorische
coordinatie en cognitieve flexibiliteit. Vaak toch terug te leiden op traagheid. Cognitieve
presteren door veel factoren worden ontregeld.
Bij LWS zeven factoren die aanwijsbaar cognitieve functioneren kunnen ontregelen.
1) pijn, slechter aandachtstests
2) slaaptekort, ten dele door pijn
3) depressie, vooral voor bij overactieve mensen met hoog streefniveau
4) medicatie, slechter presteren door centraal werkende medicatie
5) aggravatie, voelen zich miskend en daarom demonstratieve body language.
6) Zelfbescherming, weten dat ze als ze te veel doen het moeten bezuren.
7) Winstbejag, klagen gericht op financieel gewin, angstige verwachtingen
8) Secundaire ziektewinst, prestigestrijd omdat ze niet geloofd worden

Langetermijnprognose weinig over te zeggen, geen adequate somatische behandeling.


                                                                                              29
Hoofdstuk 22: Neurotoxiciteit
Chemicalien verstoren direct of indirect functioneren van zenuwstelsel. Risico
zenuwbeschadiging bepaald door mate van blootstelling gecombineerd giftigheid stof.
Vaak eerst functiestoornis voor bepaald deel zenuwstelsel. Soms CZS, PZS, of specifieke
hersenzenuwen en autonome zenuwstelsel. Zeer divers echter.

Organische oplosmiddelen
Vloeibare koolwaterstoffen: hoog vetoplossend vermogen (lipofiel) en relatief hoge
vluchtigheid.
Via luchtwegen en in mindere mate via huid of via maag-darmkanaal. Doordat lipofiel
makkelijk door celmembraan. Vooral door organen met rijke bloedtoevoer, die rijk aan
lipiden zoals lever, nieren en hersenen. Uitscheiding via nieren of longen.
Relatief korte halveringstijden in bloed maar in vetweefsel is dit anders!
Mogelijk bestaat er naast dik zijn een individueel verhoogde gevoeligheid die deels erfelijk
bepaald (snelheid afbraak). Bij detoxificatie zijnbiotransformatieenzymen betrokken. Ook kan
bestaan diabetus mellitus alcoholabusus of vroeger doorgemaakt hersenletsel tot verhoogde
gevoeligheid leiden.

Acute intoxicatie door oplosmiddelen
Aspecifieke effecten, zoals suf, licht gevoel, duizelig, hoofdpijn, abnormaal moe. Meeste
gevallen reversibel. Maar soms kan het met hoge concentraties leiden tot zelfs coma en dood!
Overeenkomsten effecten anaesthetica. Remming op CZS.
Acute klachten veroorzaakt door verandering toegankelijkheid celmembraan. Maar kan ook
door interactie type oplosmiddel en specifieke receptorsystemen zijn.

Chronische intoxicatie door oplosmiddelen
Hangt af van halfwaardetijden, vaak om combinaties oplosmiddelen met synergetische en
antagonistische effecten. Verschillende hersenstructuren, trichloorethyleen: fronto-temporaal
en koolstofdisulfide subcorticale structuren (basale ganglia).

Chronische toxische encefalopathie (CTE)
Vermoeidheid, hoofdpijn, prikkelbaarheid, depressiviteit, mentale vertraagdheid,
geheugenproblemen en concentratieproblemen. Hoogte blootstelling en individuele
gevoelheid en mate fysieke activiteit tijdens blootstelling. CTE:1) relevant klachtenpatroon 2)
substantiele blootstelling 3) plausibele relatie blootstelling en klachten 4) andere verklaringen
voor klachten uitgesloten

Aangezien meest voorkomende klachten op gebied psychomotorisch tempo, reactievermogen,
aandacht en geheugen liggen.

Pesticiden
Subgroepen organofosfaten, gechloreerde koolwaterstoffen, carbamaten. Specifieke toxische
werking. Meerdere studies aangetoond dat blootstelling aan hoge doses pesticiden kan leiden
tot gezondheidseffecten zoals verstoorde motoriek, verminderd intellectueel functioneren en
geheugenproblemen.
Blootstelling organofosfaten en carbamaten leidt to inhibitie van achetylcholinesterase. Acute
blootstelling aan organofosfaten kan leiden tot perifere neuropathie. Chronische met



                                                                                               30
problemen in volgehouden aandacht en snelheid werkgeheugen. Lage doses lindaan leiden tot
subtiele problemen werkgeheugen.
Blootstelling pesticiden geassocieerd met vergroot risico voor MCI (mild cognitive
impairment)

Metalen
Zware metalen lood, cadmium en kwik.
Lood: inademen dampen, oraal is gering. Symptomen afhankelijk dosis en duur en bestaan uit
neurologische hematologische gastro intestinale en cardiovasculaire effecten en effecten op
nieren en vruchtbaarheid. Eerst aspecifiek zoals moe apathie mindere eetlust, daarna
slapeloosheid, verwardheid en concentratie en geheugenproblemen. Langdurig: distale
motorische polyneuropathie met dropping hand, heel soms insulten en coma. Afwijkingenop
geheugen en leren, aandacht, visueel ruimtelijke informatieverwerking en psychomotoriek.

Cadmium
Lange halfwaardetijd. Beenderweekheid en skeletmisvorming, groot risico op kanker.

Kwik
Tast zenuwstelsel aan. Verminderd gevoel extremiteiten lippen en tong. Daarna tremoren en
ataxie, gezichts en gehoorsvermindering. Micrografie, daarna ernstig dementieel beeld en
lichamelijke invaliditeit.



CO
Bindt aan hemoglobine dus verminderde zuurstofopname. In hersenen hypoxie. Met name
acute demyelinisatie subcorticale witte stof globus pallidus thalamus en hippocampus maar
ook coricale atrofie.
Acuut ademhaling, bewustzijnsverlies, neurologische, coma en dood. Na acute fase nog
epileptische aanvallen, extrapiramidaal syndroom corticale blindheid dementie en
gedragsstoornissen.
Ook cognitieve stoornissen: executieve functies, mentale snelheid, visuospatiele
vaardigheden.

Alcohol
Bevordert inhibitoire neurotransmissie en emt exitatoire neurotransmissie. Amnesie en ataxie.
Chronisch alcoholisme leidt tot celversterf of krimping grijze stof in corticale (bilateraal
fronto-tempo-pariet) als subcorticale structuren (diencephalon, nucleus caudatus)
Soms ernstig tekort B1. Laesies specifieke kernen thalamus corpora mammillaria en andere
limbische structuren en deficienties in cholinerge neurotransmittersystemen.

Alcoholgerelateerde symptomen
Persisterende amnestische stoornis Wernicke-Korsakoffsyndroom, en persisterende dementie.
Ernstige cognitieve stoornissen. WKS verwardheid of delerium abnormale oogbewegingen
en ataxie.
Veel B1 dan alleen nog neuropathie amnesie, ook vaak confabulatie. Bij full-blown
Korsakoff: 3 tot 5 minuten en apathisch emotioneel vlak initiatiefloos en totaal gebrek aan
interesse heden verleden en toekomst.

Neuropsychologische afwijkingen door alcoholgebruik


                                                                                            31
Persisterende dementie door alcohol moet er sprake zijn van geheugenstoornissen en een of
meer van volgende cognitieve stoornissen: afasie, apraxie, agnosie of stoornissen in
uitvoerende controlefuncties.

Drugs kan geheugeneffecten hebben.

Behandeling CTE is beperkt, de blootstelling verminderen, soms farmacologische therapie,
drie factoren lijken van invloed op beloof CTE:
1) persoonlijke factoren zoals ernst cognitieve stoornis individuele copingstijl en cognities
    ten aanzien van CTE
2) inbedding sociale systeem
3) maatschappelijke systeem preventie diagnostiek en compensatie arbeidongeschiktheid.

Behandeling alcohol
Voorlichting etc, praat groepen.




       Taal (9) [16]
Languages and the brain (9)
Theories of Languages
- The storage of words and concepts: the metal lexicon
        Mental lexicon: bevat semantische informatie (wat het woord betekent), de
        syntactische informatie (hoe worden woorden gecombineerd tot een zin) en de word
        forms (hoe woorden gespeld en uitgesproken worden. Een normale volwassene kent
        50.000 woorden. Kan er drie per seconde produceren/herkennen. Woorden kunnen
        worden vergeten en geleerd, vaker gebruikte woorden komen sneller in je op. Een
        phoneme is het kleinste gedeelte van een geluid dat de betekenis bepaald.
        Volgens het Levelt model zijn er verschillende niveau‟s, het lexeme of geluiden level,
        het lemma level voor de grammaticale proporties van een woord en het conceptuele
        level. Ondersteuning voor deze theorie komt van de semantische priming studies
        wanneer er een verband is, is de reactie sneller.
      - Neural substrates of the mental lexicon and conceptual knowledge
       Mensen met de afasie van Wernicke kunnen paard zeggen terwijl ze koe bedoelen, dit
       gebeurd ook bij mensen met erge dyslexie wanneer ze lezen. Mensen met progressieve
       mentale dementie noemen vaak de categorie ipv het object. Ook kunnen er problemen
       zijn bij bepaalde semantische categorieën. Met behulp van PET-scans kan er worden
       onderzocht welke hersengebieden beschadigd zijn: dieren: beschadiging ventrale
       temporale kwab; personen: beschadiging temporalepool; gereedschap: beschadiging
       deel van temporale kwab en laterale occiputale gebied.

Perceptual Analyses of the Linguistic Input
      Lexical selection; na dat het akoestische geluid is vertaald in een fonologisch formaat
      wordt de lexicale representatie die het beste overeenkomt geselecteerd. Het
      geselecteerde woord activeert de lemma (opslag grammaticale informatie) en dan de
      betekenis van het woord.
     - Spoken input


                                                                                                32
       Het begrijpen van gesproken taal en het lezen van taal deelt sommige processen, maar
       er bij spraak zijn de zinnen minder goed opgedeeld, de luisteraar moet zelf de pauze‟s
       inbrengen, wel is hier een ritme en intonatie aanwezig. De kleinste eenheden zijn
       fonemen dit zijn de kleinste eenheden die een verschil betekenen voor de betekenis.
       We kunnen op verschillende manieren geluiden maken, de drie hoofdfactoren hierin
       zijn voicing; klinkers bv. De stand van de tong, vorm van de lippen en de manier
       waarop de lucht veranderd wordt beïnvloeden welke klank er gemaakt wordt. Voor de
       perceptie van geluiden is de superiore temporale cortex belangrijk.
      - Written input
       Bij lezen moet er een visueel patroon herkend worden. Sommige talen hebben een
       grote overeenkomst tussen een letter en de uitspraak ervan, bv in Engels is er een deep
       orthography, er zijn meerdere uitspraken van eenzelfde letter of deel van een woord.
       De kleinste eenheid waarin een woord betekenisvol kan worden opgedeeld is een
       morpheme, (sign//ing). In Japan wordt een syllabic systeem gebruikt, elk symbool
       reflecteert naar een syllabi. Een derde geschreven systeem is het logograpische
       systeem, voor elk woord of morfeem is een apart symbool (chinees).
       Een letter kan bestaan uit horizontale, verticale lijnen en ronde vormen, het
       pandemonium model van Selfridge bestaat uit een aantal „demonen‟ die refereren naar
       een stadium waarin de informatie verwerkt wordt.
       Het word superiority effect houdt in dat de een bepaalde letter via een woord beter
       onthouden wordt, dit zou betekenen dat woorden niet letter voor letter worden
       ontvangen maar als een geheel woord.

The Recognition of Words
             Het model Marslen-Wilson stelt dat er bij het herkennen van gesproken
      woorden lexical selection plaatsvindt. Bij elke letter die er uitgesproken wordt zouden
      de bijpassende woorden actief worden.
     - brain systems for word recognition

     - the role of context in word recognition
      Hoe beïnvloed de context de verwerking van woorden? Het is een vraag tussen
      moduleren en interactie. Een woord kan verschillende betekenissen hebben afhankelijk
      van de context. Het lagere niveau houdt in de representatie door sensorische
      informatie wordt geconstrueerd, representatie op het hogere niveau komt van de
      context. Volgens het modular model kunnen hogere en lagere niveau representaties
      elkaar niet beïnvloeden. Interactieve modellen zeggen dat er juist interactie is tussen
      informatie, de context kan al van invloed zijn op het proces voordat het woord zelf
      gehoord wordt. Het hybride model geeft een tussenweg voor beide voorgaande
      modellen. Onderzoek wijst uit dat lexicale selectie in ieder geval wordt beïnvloed door
      hogere niveau‟s van contextuele informatie.

Integration of Word in Sentences
              Parsing; de onmiddellijke toekenning van syntactische structuur aan
       binnenkomende woorden. Volgens het garden-path model heeft de interpretatie van
       zinnen een voorkeur voor efficiëntie. Zo zijn er de principes van minimal attachement
       en late closure, de eerste zorgt ervoor dat syntactische analyse zo min mogelijk
       (complexe) „knopen‟ nodig heeft. Het tweede mechanisme probeert de nieuwe
       woorden bij het laatste zinsdeel te passen of bij recent verwerkte woorden.
      - neural substrates of syntactic processing



                                                                                            33
       Agrammatic aphasie: patiënten produceren zinnen met 2 tot 3 woorden. Ze zeggen
       vaak alleen nog woorden die betekenis hebben voor de context. Er is dan vaak een
       leasie in Broca te vinden, maar er zijn ook anderen gebieden verantwoordelijk voor
       om bv complexiteit in zinnen te ontrafelen.

Speech Production
             Om te spreken moet je een bericht hebben, macro en microplanning zijn hierbij
      belangrijk. Wat je wil zeggen heeft met macroplanning te maken en hoe je het wil
      zeggen met microplanning. De tweede houdt zich bezig met hoe de informatie wordt
      uitgedrukt, woordkeuze en grammatica. De formulator vormt het bericht om tot in een
      grammaticale correcte zin.
     - neural substrates of speech production

Neuropsychology of language and language disorders
     - Aphasia
             Ongeveer 40% van alle beroertes veroorzaakt wel een afasie, die in ieder geval
      een paar maanden na de beroerte blijft. Primaire afasie heeft direct met het taalproces
      zelf te maken, secundaire afasie wordt veroorzaakt door geheugen, aandacht, of
      perceptuele problemen.

     - Historical findings in aphasia
             Broca‟s patiënt „Tan‟ maakte duidelijk na autopsie was het beroemde gebied
      van Broca lag. In 1870 beschreef Wernicke twee patiënten die problemen hadden
      gesproken taal te begrijpen, de bevindingen domineerde de wetenschap voor bijna 100
      jaar. Lichtheim maakte met Wernicke een model dat voorspelde welke afasie er na een
      bepaalde laesie zou zijn, dit model bleek aardig te kloppen. A (auditory) is het gebied
      van Wernicke, M (motor) is het gebied van Broca, het spraak en planningsgebied. B is
      de conceptuele informatie. Deze drie zijn met elkaar verbonden.

     - Classification of aphasia
             Een laesie met hetzelfde patroon op dezelfde plek bij meerdere personen komt
      niet vaak voor.
             Broca’s afasie: beschadiging motorische beelden, gekarakteriseerd door spraak
      problemen, soms met een nog bestaande mogelijkheid om te zingen! De spraak is vaak
      in telegramstijl. Sommige spraak problemen komen door dysarthria, het verlies van
      controle over de articuleerspieren, of door spreek apraxia, hinder in de programmering
      van de articulatie. Broca patiënten hebben ook moeite met de grammatica
      (agrammatism). De spreeksnelheid is laag.
             Broca’s area: gerelateerd aan schade in de linker ventrale-laterale frontale
      cortex, in de anatomische regio pars triangularis en pars opercularis (Brodmann‟s
      gebied 44 en 45). Later onderzoek heeft vastgesteld dat ook gebieden zoals lenticular
      nucleus van de basale ganglia, de insular cortex ook bij Broca‟s gebied horen.
             Wernicke afasie: beschadiging auditieve beelden, is primair een afwijking in
      het begrijpen van taal zowel gesproken als geschreven, ze kunnen vloeiend spreken,
      alleen is de inhoud betekenisloos.
             Wernicke gebied: posterior third van de Superior Temporal Gyrus . Maar
      taalproblemen komen voort uit schade in de omliggende gebieden. De laesie moet ook
      diep zijn.
      


                                                                                            34
     - Damage to connections between language areas
             conduction afasie: (AM) wanneer de arcuate fasciculus, de verbinding tussen
      Broca en Wernicke, beschadigd is. Deze patiënten hebben problemen met spontane
      spraak en met nazeggen, soms gebruiken ze woorden incorrect. Ze zijn bewust van de
      fouten, maar kunnen deze niet herstellen.
             Transcortical sensory afasie: (AB of BM) laesie in de supramarginal en
      angular gyrus (motorisch en sensorisch transcorticaal) veroorzaakt problemen met
      begrijpen en geen spraak. Ze kunnen ook wel grammaticale fouten verbeteren in wat
      ze horen.
             Anarthie: (M en m)
             Pure woorddoofheid: (A en a)
     - Mechanisms of aphasic deficits
      Uit onderzoek blijkt steeds vaker dat de semantische of syntactische structuren niet
      verdwenen zijn, maar dat ze niet meer gebruikt kunnen worden.

Neuropsychology of language
      Door een neuropsychologische manier van onderzoek, de neuro-imaging, komt er
      steeds meer duidelijkheid over functionele processen in de hersenen.

     - Functional neuro-imaging of language
            PET en fMRI kunnen ook bij afasie patiënten in rust worden toegepast, de
      stofwisseling wordt gemeten om de correlaties te kunnen bepalen van de taal
      dysfuncties.

     - Metabolic correlates of aphasia
             Een laesie kan gevolgen hebben buiten het getroffen gebied. 100% van de
      afasie patiënten vertoonde na onderzoek een verlaagt suiker (hypometabolism)
      verbruik gedurende een staat van rust. Maar een combinatie van methode moet nog
      over veel dingen zekerheid geven.

     Electrophysiology of language
             ERP methoden zijn belangrijk bij het kijken naar taalbegrip, hieronder volgen 2
      soorten hersengolven van ERP componenten die een index geven van semantisch en
      syntactische processen tijdens taalbegrip.

     - Semantic processing the n400 wave
             n400 is gerelateerd aan linguïstische processen, en aan zijn naam gekomen
      vanwege een negatieve polarisatie van het voltage in de hersengolven, dat een
      maximale amplitude heeft 400 msec nadat er een woord stimulus getoond is. Het blijkt
      specifiek voor semantische analyse.

     - Syntactic processing and even-related potentials
      syntactic positive shift: SPS, veronderstelt gevoeligheid voor syntactische processen.
      De P600/SPS is een grote positieve component bij woorden 600 msec. na een
      syntactische activiteit. SPS is ook gevoelig voor garden-path zinnen.

Infarcten en bloedingen in de hersenen [16]
      Treffen voornamelijk mensen ouder dan 65 jaar. In ongeveer 80% van de beroertes is
      er sprake van een herseninfarct; een obstructie in een toevoerend bloedvat (arterie) in


                                                                                            35
       de hersenen. Wanneer dit te lang duurt, ontstaat er zuurstof tekort (hypoxie) met als
       gevolg ischemie in het achterliggende verzorgingsgebied van de hersenen. In de
       overige 29% van de gevallen is er sprake van een hersenbloeding, doordat een zwakke
       plek in een vaat openspringt. Het verschil wordt door CT of MRI-scan vastgesteld.
1.1 Risicofactoren
       hypertensie, roken, diabetes en overgewicht zijn belangrijke risicofactoren. Bij oudere
       patiënten zijn problemen met het hart ook en risicofactor. De relatieve risico’s die de
       risicofactoren met zich meebrengen houden in dat de kans om een beroerte te krijgen
       vergroot is.
1.2 Neuropsychologische gevolgen
       Zijn verdeelt in stoornissen in het cognitief functioneren, emotionele en
       gedragsproblemen.
2 Neurologie
      Patiënten worden behandeld op een stroke unit door een multidisiplinair team.
2.1 arteriële verzorgingsgebieden
        De hersenen worden door vier grote arteria van bloed voorzien; de linker en rechter
        arteria carotis interna en de linker en rechter arteria vertebralis in de nek.
       Arteria cerebri anterior: frontaalkwab, diepere frontobasale structuren, klein stuk
       pariëtaalkwab.
       Ateria berebri media: grootste gedeelte van de hersenen, waaronder corticale en
       subcorticale delen van het temporaalkwab, pariëtaalkwab, basale kernen, deel
       frontaalkwab.
       Arteria cerebri posterior: occiputaalkwab, achterste deel temporaalkwab, groot deel
       thalamus.
       Cerebellum en de hersenstam wordt van bloed voorzien door de arteria basilaris en de
       arteria vertebralis.
2.2 etiologie van herseninfarcten
        Het merendeel herseninfarcten ontstaat door een embolie, bloedpropje, die bestaan uit
        samengeklonterde bloedplaatjes (trombi) of uit fragmenten atheromateuze plaques (of
        beide). Door lokale vernauwing kan een belemmering ontstaan, dit gebeurd meestal in
        de dieper gelegen structuren, de uitvalsverschijnselen kunnen hierbij horen, dit is een
        klein „lacunair‟ herseninfarct. Ook een tekortschietende perfusie (doorbloeding) kan
        een oorzaak zijn van een infarct. Een transiedent ischaemic attack (TIA) is een
        kotdurend infarct dat meestal toch blijvend letsel achterlaat.
2.3 etiologie van hersenbloedingen
        Intracerebrale bloedingen zijn het meeste voorkomend, vaak veroorzaakt door het
        barsten van enkele diepliggende arteriolen. Ook zijn er bij sommige patiënten
        bloedingen in de ruimten tussen de hersenvliezen. Slechts weinig mensen overleven
        zo‟n bloeding, of hebben ernstig blijvend letsel.
2.4 functionele uitkomstmaten
       Bijvoorbeeld het meten van de kwaliteit van het leven, het meten van de handicap na
       een beroerte.
2.5 etiologie van de neuropsychologische gevolgen van een beroerte




                                                                                              36
       Na een beroerte zijn specifieke neuropsychologische uitvalsverschijnselen het meest
       duidelijk aantoonbaar omdat de hersenen zich dan nog niet hebben hersteld, soms
       treed verslechtering op ten gevolge van complicaties.
4 Neuropsychologie
3.1 Arteria cerebri anterior
       Transcorticale afasie; communicatie tussen Broca en Wernicke en de rest van de
       hersenen is niet meer mogelijk. Er is sprake van een isolatie van de taalzone waarbij
       opvallend is dat de patiënt nog wel kan herhalen.
       Dynamische afasie: stoornissen gekoppeld aan het executieve functioneren, problemen
       bij planning en productie van complexe nieuwe zinnen. Mutisme kenmerkt zich door
       het onvermogen tot verbale communicatie, ook de intentie hiervoor ontbreekt, dit is
       anders dan bij afasie. Als een infarct in de rechterhemisfeer plaatsvindt, zijn de
       gevolgen voor de taal minder ernstig aanwezig.
3.2 Arteria cerebri media
       Gemengde afasie; een bloeding beperkt zich vaak niet alleen tot Broca of Wernicke
       maar tot een (gedeelte) van het arteriële verzorgingsgebied.
       Apraxie komt vaak tegelijk met afasie voor, en houdt krachtverlies in. Buccofaciale
       apraxia is het onvermogen om de mond en tong doelgericht aan te sturen.
       Anosognosie: gebrek aan inzicht in de uitval.
       Neglect; pariëtaalkwab. Neglect heeft een fluctuerend karakter.
       Bij een infarct in de capsula interna (witte stofbaan) wordt er onderscheid gemaakt
       tussen strategische of klassieke lacunaire infarcten. De het beeld van de eerste lijkt
       sterk op dementie, gedrag of persoonveranderingen. De klassieke variant kan in het
       hele brein voorkomen maar kenmerkt zich vooral door verminderd vermogen tot
       mentale inspanning.
3.3 Arteria cerebri posterior
       Er is bij ongeveer 25% stoornissen in het geheugen. De een stoornis in de
       linkerhemisfeer heeft meer invloed op het geheugen, mesiotemporale beschadiging
       wordt gekenmerkt door problemen in het declaratieve geheugen, met name het
       episodische geheugen.
       Ook gezichtsvelduitval is een voorkomend verschijnsel. Er worden soms hallucinaties
       ervaren in het blinde gedeelte. Bij lezen vallen soms delen van woorden weg, of moet
       de patiënt letter voor letter lezen (pure alexie), ze kunnen dan nog wel schrijven. Bij
       beschadiging van de thalamus hoort een groot aantal stoornissen omdat deze kern
       belangrijk is voor de doorvoer van velen soorten informatie.
       Abulie wordt vaak geassocieerd met fluisterspraak, utilisatiegedrag (niet te
       onderdrukken neiging om objecten om zich heen te gebruiken).
3.4 Arteria basilaris en arteria vertebralis
       Cerebellum is vooral bekend vanwege zijn motorische planning, maar het is ook een
       modulator van de hogere cognitieve functies. De hersenstam speelt een cruciale rol in
       het autonome zenuwstelsel en bij het bewustzijn. Het „locked in‟ syndroom is een
       complete verlamming, alleen de ogen zijn nog verticaal op en neer te bewegen. Soms
       is dit chronisch van aard.
3.5 Aspecifieke symptomen en cognitieve uitval
• traagheid: in informatie verwerken


                                                                                                37
•   vergeetachtigheid: kan duiden op geheugenproblemen, maar ook op vermoeidheid.
   desoriëntatie in plaat en persoon, treed op bij 40%
   delerium en verwardheid: zelden direct gevolg van een beroerte. Reduplatieve paramnesie
    is het niet meer herkennen van de eigen omgeving of zelfs de partner.
   dementie: meestal het gevolg van meerdere infarcten, juiste diagnose wordt vaak port
    mortem verkregen.

3.6 Emotionele veranderingen
    Linkerhemisfeer speelt een rol bij het inhiberen en controleren van emoties, terwijl ze in
    de rechterhemisfeer ontstaan. Bij 25 tot 60% is er sprake van een depressie na een
    beroerte. Maar door bv het niet meer kunnen uiten van taal wordt deze niet altijd erkend.
4   De klinische praktijk
    Vroeg onderzoek na een infarct blijkt een goede prognose voor verder verloop te bieden.
    Onderzoekers dienen rekening te houden met de taalstoornissen die er mogelijk kunnen
    zijn, daarom met er zowel verbaal als non-verbaal getest worden.


H9
Cerebral lateralisation and specialization
Centale vragen in dit hoofdstuk zijn: Hoe denken personen met een split brain en kunnen de 2
hersenhelften een andere kijk op de wereld hebben?
Tijdens een test met een van de eerste split brain patiënten bleek dat deze niet in staat was
blokjes met de rechter hand (linker hemisfeer) in het goede patroon te leggen terwijl dit met
de linker hand geen probleem was.

Dividing the mind
Men zou verwachtten dat door natuurlijke selectie de 2 brein helften meer van elkaar zouden
verschillen, dit is niet het geval. Ze verschillen alleen in sommige specifieke functies. Dit
komt misschien door de fundamentele symmetrie van het lichaam. Men denkt dat door
plotselinge snelle ontwikkelingen toch verschillen zijn ontstaan, of dat er enorme voordelen
zijn aan sommige asymmetrische gebieden.

Principles of cerebral organisation.
De grote lobes (occipal, parietal, temporal, frontal) zijn grotendeels symmetrisch. Het grootste
verschil tussen de 2 helften is het taal gebied.

Anatonical correlates of hemispheric specialisation.
De linker hemisfeer zorgt voor de taal bij alle rechtshandige en de helft van de linkshandigen.
De sylvian fissure, de grote lijn die de grens tussen de superior border en de temporal lobe
definieert, is bij de rechterhemisfeer hoger opstaand dan bij de linker. De planum temporale,
wernickes area was groter links dan rechts dit geldt ook voor andere taalfuncties hierdoor
wordt de sylvian fissure omlaag gedrukt.

Microanatomical investigations of anatomical asymmetries.
Kan het zijn dat specialisatie tot stand is gekomen door verschil in aantal synaptische
connecties? De cel kolommen in de linker hemisfeer van het taalgebied liggen verder van


                                                                                             38
elkaar en zijn beter gestructureerd en hebben meer dendrieten dan in de rechter (meer
tussenruimte links).

How the two hemispheres communicate.
De verbinding tussen de 2 hemisferen heet de corpus callosum. Een vezel verbinding, een
bundel van witte massa die bestaat uit meer dan 200 miljoen axonen. Bij het sturen van
projecties naar de eigen hersenhelft worden vaak ook dezelfde projecties gestuurd naar
hetzelfde gebied in de contalaterale hemisfeer, wel in mindere mate. Dit gebeurt door de
corpus callosum. Dit kan het synchroon laten lopen van bepaalde processen verbeteren,
andere denken dat dit gebeurt om de selectie tussen verschillende mogelijke reacties tot stand
te brengen. Dit omdat de corpus callosum een inhibitoir effect heeft.
Over de betekenis van de dikte van de cc is weinig bekend.

Cortical disconnection.
Split brain operations veroorzaken geen beschadigingen aan corticale onderdelen, maar
zorgen alleen voor een disconnectie tussen de 2 hemisferen.
Split brain operaties worden uitgevoerd bij epilepsie patiënten, als medicatie ea. niet werkt,
hierdoor nemen de aanvallen onmiddellijk af.
In onderzoek naar split brain zijn er alleen pp die epilepsie hadden, de mensen worden
uitgezocht die het minst tot geen bijeffecten hebben.
Het is ook belangrijk na te gaan of de patiënten volledig gesepareerde hersenheften hebben, of
dat er nog wat vezels intact zijn gebleven.
De methoden van testen richten zich vooral op visuele stimulans omdat deze meer
gelateraliseerd is en omdat deze meer ontwikkeld is in mensen.

Functional concequences of the split brain procedure.
Bij scheiding treedt er een defect op in de interhemisfere transfer van sensorische en
motorische informatie. Visuele en tast informatie die aan 1 helft wordt getoond komt niet door
bij de andere helft. Een oké signaal voor rechteroog, kon nagedaan worden met rechter maar
niet met linkerhand.
De linker helft is dominant in: taal, spraak, oplossing van grote problemen,
De rechter helft is dominant in: visiospatial tasks (tekenen van driedimensionale patronen).


Specificity of callosal function

Spenial region = posterior area of the callosum die de occipital lobe verbind. Deze zorgt voor
de transfer van visuele informatie. Informatie over patroon, kleur en taal wordt verzonden
maar de transfer van tast en geluid komt niet tot stand. Al alleen de anterior regions werken
dan is er alleen transfer van higher order semantische informatie. De linker hemisfeer
ontvangt alleen higher order cues over de stimulus terwijl er geen sensorische informatie
wordt ontvangen.

Hemispheric specialisation.

Language and speech


                                                                                            39
Er is een verschil tussen het grammar-lexicon onderscheid en het syntax-semantic
onderscheid.
Grammar is een op regels gebaseerd systeem dat mensen gebruiken om het spreken te
vergemakkelijken. Lexicon is het brein zijn woordenboek waarin woorden worden
geassocieerd met specifieke betekenissen. Syntactic-semantic systems maken gebruik van
deze basis (denk ik).
Bij enkele (weinig) split brain patiënten is een kleine taalkundige capaciteit gevonden in de
rechter hemisfeer. Deze helft vertoond bijvoorbeeld ook het word superiority effect (WSE).
Hiermee wordt bedoeld dat mensen beter zijn in het onthouden van echte woorden dan van
pseudowoorden of onzin woorden, omdat deze geen lexical acces hebben.
Met een priming test (h-H) (t-H) (h-T) (t-T), bij het aanwijzen van de hoofdletter gebeurd dit
sneller bij de eerste en de laatste dan bij de andere twee, dit was niet het geval voor de rechter
hemisfeer, dus geen priming daar. Als er geen priming is, is er waarschijnlijk te weinig letter
herkenning.  lexicon bij bijna alle mensen links, bij sommigen rechts maar dan wel minder
ontwikkeld en slechter georganiseerd.
De patiënten die een lexicon in de rechter hemisfeer hebben kunnen grammaticale oordelen
maken. Ondanks weinig begrip van de zin kan men toch de grammatica kloppend maken, dit
betekend dat de patronen van de spraak misschien wel machinaal werken.
Bij sommige split brain patiënten is na verloop van tijd spraak productie in de rechter
hemisfeer op gang gekomen. Uit testen is gebleken dat de rechter kant capabel was geworden
voor spraak productie.


Visiospatial processing

De rechter hersenhelft is in veel gevallen beter in ruimtelijke inzicht tests, alhoewel hier enige
twijfel over is.
Monitoring en het produceren van hersenhelften worden ook gemanaged vanuit verschillende
helften. De rechter helft is gespecialiseerd in de perceptie van gezichten van recht vooruit dit
vooral voor onfamiliaire gezichten. De linkerkant is beter herkennen van familiaire gezichten,
deze kant is onverwacht ook beter in het lezen van expressies.


Attention and perception

Ondanks dat er geen visuele perceptie transfer is, interacteren supporting cognitieve processen
van attentie mechanismes soms wel. In een test waarin split brain personen met hun ogen naar
een gemarkeerd punt in hun linker visuele veld moesten gaan, konden ze daarna makkelijk die
zelfde plek aan de rechterkant aanwijzen. Dit ongeacht waar de marker stond. Dit lijkt een
aanwijzing voor samenwerking tussen de helften. Uit vervolg onderzoek bleek dat beide
helften berusten op een gezamenlijk oriëntatie systeem.
De split brain patiënt is niet in staat om de ruimtelijke informatie voor de twee helften te
verschillen of anders te besturen. Het attentiesysteem is unifocal. Als beide toch afzonderlijk
voor attentie zorgen dan komt dit niet goed tot uiting doordat het brein te weinig bronnen
heeft om zowel proces A als proces B te stimuleren.
Onderzoek naar de limieten van de bronnen is bijv. the mixed of hard condition, informatie
van de andere hersenhelft had wel invloed op het beslissingsproces, maar als bijrol. De
reactietijd wordt wel korter.



                                                                                                40
Converging evidence of hemispheric specialisation

Functional Asymmetries in patients with unilateral cortical lesions

Naast onderzoek bij split brain patiënten is er ook onderzoek gedaan bij mensen met een
unilaterale lesie, waardoor een bepaalde functie in 1 hersenhelft uitviel. In dit soort onderzoek
zijn echter fouten gemaakt doordat men mensen met ongeveer dezelfde lesies maar niet
precies dezelfde lesies in één groep hebben gestopt.


Functional asymmetrisch in the normal brain

Uit onderzoek bij mensen zonder beschadiging bleek dat niet alle informatie getransporteerd
wordt tussen de beide helften. Sommige signalen worden eerder of beter herkend door de
contralaterale zijde. Dit geldt ook voor auditieve signalen die voor beide oren tegelijk worden
aangeboden. Er is wel een right ear adventage (links dominant voor taal).
De limieten van lateralisatie onderzoek bij normale personen moeten wel in acht worden
gehouden:
- De effecten zijn klein en tegenstrijdig.
- Er wordt meer gerapporteerd over verschillen dan overeenkomsten. (omdat dit
    interessanter is om te rapporteren).
- Interpretatie problemen, komt het verschil in effect door verschil in hemisferen of verschil
    in perceptiesterkte.

What is lateralisized?
         Hoewel sommige taken als taal en ruimtelijk inzicht beter vervuld worden door de ene
dan door de andere kant zijn ze niet geheel eenzijdig. Uit split brain onderzoek is getoond dat
de meeste taken ook door de andere helft gedaan kunnen worden.
         Als men kijkt naar verschil in procedure stijl dan wordt links onschreven als analytisch
en opeenvolgend (sequential) „power‟ rechts als holistisch en parallel, „think‟. Deze
hemisferische specialisatie kan ontstaan omdat het voor bepaalde taken een andere procedure
stijl handig is.
         Men denkt dat de verschillen tussen de helften tot stand is gekomen door een
fundamentele dichotomie (tweedeling). Dit kan ook fictie zijn. De specialisatie kan ook
ontstaan zijn door een evolutieproces, omdat asymmetrie bijv. flexibeler is.
         De cognitieve functies van beide helften zijn aanvullend en competitief met elkaar. Ze
doen beide mee in het vervullen van taken. Spraak is hier een uitzondering op.


Asymmetries in perceptual representations

Visuele input komt binnen in beide hersenhelften, alleen wordt de informatie in beide helften
anders verwerkt.


A model task for the perception of hierarchical stimuli
Een voorbeeld van een hiërarchische structuur is een huis dat op zijn beurt weer opgebouwd is
uit ramen, deur, dakgoot, etc. In onderzoek werd gebruik gemaakt van grote letters (bv. H) die

                                                                                              41
op hun beurt weer bestonden uit een aantal kleine andere letters (bv. f). De grote letter H werd
sneller herkend dan de f‟s waaruit hij opgebouwd was. Bij het kort laten zien van dit plaatje
aan LH of RH (zo geen transfer) bleek dat LH de globale figuur (H) eerder zag en de RH de
locale figuur (veel f-jes) eerder zag. Dit zelfde fenomeen trad ook op met lesie en split brain
patiënten.


Computational basics of local and global asymmetries
Wat definieerd het verschil tussen een globale en een locale stimulus? Een voor de hand
liggend idee is dat ze verschillen in grootte. Bij perceptie letten we op contrast en sterkte van
het licht. Neuronen zorgen ervoor dat een bepaalt gebied versterkt wordt en een ander gebeid
geïnhibitioneerd. Het kleine receptieve veld is niet instaat een grote streep te zien omdat
zowel de exibitoire als de inhibitoire regionen geprikkeld worden en hierdoor het totaal effect
nul is.
Spatial frequentie filters van neuronen: de lichtsterkte van een visueel patroon varieert als
functie van de ruimte. Bij een kleinere ruimte wordt een signaal als sterker ervaren.
Een narrow center surround regio geeft respons op hoge frequentie patronen (veel keer het
patroon / ruimte) en een wide center surround regio geeft respons op lage frequentie patronen.
De locale structuur van een hierarchisch patroon is meer opgebouwd uit hogere frequenties
dan een globale structuur. Het is veronderstelbaar dat de LH meer narrow center surround
regionen heeft, en de RH meer wide center surround regionen heeft. Dit werd bewezen door
computer onderzoek met dikke (wide) en dunne (narrow) strepen die links en rechts op het
beeld werden getoond. De persoon zijn reactietijd werd gemeten voor zijn keuze voor dik of
dun.


Applying the frequency hypothesis
        Het is moeilijk te bevestigen dat er een dychromie bestaat dit komt door stimulus
karakteristieken (local-global) en proces modellen (analitisch-holitisch). Daarom richt de
hypothese zich meer op de expliciete bron van informatie in de stimulus.
        De frequentie hypotheses dat het visuele systeem bestaat uit spatial frequentie filters
die op een asymmetrisch manier gebruikt worden door de beide hemisferen. Deze hypothese
is gebruikt om een perceptionele asymmetrie te ondekken bij verschillende andere taken.
In onderzoek naar herkenning van familiaire gezichten, werd een foto links of rechts
aangeboden de pp moest zeggen of op de foto een man of vrouw stond en wie. De LH was
beter in gezichtsherkenning „wie‟. De RH was beter in het vrouw man onderscheid. De vraag
was of dit tot stand kwam doordat bij gezichtsherkenning meer higher spatial frequentie
patronen een rol spelen en bij geslacht meer lower spatial frequentie patronen. Bij een tweede
test weden de fotos alleen met een lage frequentie gegeven, hierdoor werd gezichtsherkenning
moeilijker. Processing mode hypothese zegt hierop: switchen van analitisch naar holistische
procedure. Frequentiehypothese zegt: critische informatie verschil bij beide onderzoeken.
        De frequentiehypothese is ook getesst voor geluid. Aan de beide oren werden signalen
verschillend van hoogte tegelijk aangeboden. Ondanks dat zowel links als rechts hoge en lage
tonen werden gegeven, hoorde de persoon de lage tonen links (RH) en de hoge tonen rechts
(LH).
        De frequentie theorie kan ook toegepast worden op spraak perceptie. De linker
hemisfeer is hier dominant voor. Behalve voor prosodie. Hiermee wordt het betekenis aspect
van gesproken taal bedoelt voor de manier waarop we articuleren en intoneren. Dit is een lage
frequentie taak. Mensen met een lesie in de RH zijn hier slecht in. Dus ook hiervoor zou de
frequentie hypothese kunnen worden aangehaald. Ook kan er een taak gerichte verklaring


                                                                                              42
worden gegeven dat de lateraliteit heeft veroorzaakt dat links gespecificeerd is in linguïstische
taken en rechts in paralinguïstische taken als prosodie.


Asymmetries in representing spatial relations

Hiervoor hebben we gekeken naar problemen over wat zien we met elke hersenhelft. Nu gaan
we de vraag stellen hoe de hersenhelften verschillen in bepaling waar in de omgeving het
object zich bevind.


Categoricaland coordinate representations in memory
        Er bestaan twee soorten ruimte representaties. De eerste is essentieel voor het
specificeren van objecten of delen van objecten. Het gaat hier om een relatieve ruimtelijke
positie tussen twee objecten. Deze representatie wordt categoriaal genoemd omdat het de
relatie beschrijft van een grote equivalente groep (bv. iets ligt links naast het ander). Deze
manier van representatie wordt gebruikt om bijvoorbeeld de letters d en b te onderscheiden.
        De tweede is de gecoördineerde representatie die de exacte locatie van objecten
specificeert. Zowel de relativiteit tussen objecten als de relatie met de ontvanger worden
omschreven. De precieze locatie wordt beschreven. Deze representatie hebben we nodig voor
actie.
        Kosslyn had de hypothese dat de LH beter zou zijn in de categorische representaties en
de RH in de coördinatie representaties. Dit omdat bij categorische representaties meer
aandacht ligt op de taal terminologie. Om dit te onderzoeken werd aan pp links of rechts een
combinatie van een horizontale lijn en een stip getoond. Men moest zeggen of de stip boven
of beneden de lijn lag en hoe groot de afstand was. De categoriale taak (boven-onder) werd
beter gedaan door de LH en de coördinatie taak (ver-dichtbij) beter door de RH. Dit is
consistent met de hypothese.
        Er zijn een paar kanttekeningen bij dit onderzoek. Ten eerste is het moeilijk een
replicaat te maken van het onderzoek, zelfs in het originele onderzoek verdwenen de effecten
na een paar blokjes. Ten tweede zijn er alternatieve hypothesen mogelijk. De frequentie
hypothese kan ook gelden omdat low frequentie voldoende kan zijn voor te ontdekken of de
stip boven of onder is en niet hoe ver.
        Bewijs voor de categorie-coördinatie verschillen is gevonden bij patiënten met een
lesie. Dit dmv een experiment met een foto van twee katten en hun positie van elkaar.

Generalizing categorial and coordinate distinctions to other processing domains
Geldt het categoriale-coördinatie principe ook voor geheugen. Slaat de LH meer categoriale
informatie op over bijv. honden en de RH meer informatie over de afmetingen. Bij onderzoek
hiernaar komt ook de vraag kijken worden in ons geheugen exemplaren of prototypen
opgeslagen. De LH kan prototypische beelden bewaren omdat dmv categorisatie een
generaliserende equivalente groep ontstaat. De RH zou gebruik kunnen maken van een
exemplaar specifiek formaat.
        In 2 onderzoeken wordt dit verschil duidelijk gemaakt. Bij het eerste werd gebruik
gemaakt van symbolen die of prototypisch of exemplaren behorende bij het prototypen waren.
De LH was beter in het onderverdelen van de nog niet eerder geziene prototypes, terwijl de
RH beter was in het onderverdelen van de exemplaren behorende bij de prototypen. In het
tweede onderzoek werd gebruik gemaakt van priming. In de priming werden woorden of met
hoofdletters getoond. In de test situatie herkende de RH de woorden in hoofdletters eerder dan
die in kleine letters (exemplaren). In de LH maakte dit geen verschil.


                                                                                              43
       Volgens kosslyn is taal gecentreerd omdat hier zoveel spieren voor nodig zijn dat er
een centraal controlepunt nodig was.

Variations in hemispheric specialisation
The relation between handedness and left-hemisfere language dominance

De vraag is of er een causale relatie is tussen de predominantie van rechtshandig zijn en de
linker hemisfeer specialisatie voor taal. Sommige zeggen dat er behoefte is aan een enkel
motorisch systeem. Als actie en planning in 1 hemisfeer voltrekken dan kan het brein voldoen
aan unificatie.
Een hypothese is dat de LH gespecialiseerd is in het produceren van opeenvolgende
bewegingen. Spraak heeft dit soort bewegingen nodig. LH wordt ook gekoppeld aan
opeenvolgende nonlinguistische domeinen. Lesies in de LH veroorzaken vaker apraxie die
niet toegekend kan worden aan problemen in het controleren van de spieren. Een andere
motivatie voor dit idee is dat ook mond bewegingen een linker dominantie hebben.
Een tweede hypothese is dat het samengaan van rechtshandigheid en de LH specificatie voor
taal op evolutionaire wijze is ontstaan. De linker hemisfeer heeft namelijk het generatieve
assembling device (GAD), een middel dat genereerd de complexe representaties vanuit een
klein vocabulair van primitieve units. Corballis beweerd dat het GAD ook capaciteiten heeft
om de motorische controle te regelen over bijv. de rechterhand. Als er bipedalitism zou zijn
dan zouden de handen onafhankelijk van elkaar bestuurd worden en zou het symmetrisch
besturen van de handen onmogelijk zijn.
Het ontstaan van taal links kan ook komen door de voorkeur van de rechterhand. Dit omdat de
oorspronkelijke functie van taal vaak tezamen ging met rechterhand bewegingen.
Het kan ook zijn dat beide begrippen ongerelateerd zijn aan elkaar. Dit omdat de helft van de
linkshandige toch LH dominantie voor taal heeft.
Er is ook een biologische hypothese namelijk dat het oorbot links groter is waardoor het
gehoor slechter is. Daardoor zal de LH beter zijn in het verwerken van gehoorsinformatie en
dan ook daar zich specialiseren voor taal.
Ook wordt er gezegd dat de foetushouding invloed heeft. Doordat de foetus meestal met het
linkeroor naar buiten ligt zal deze kant zich meer ontwikkelen voor taken als balans en
daardoor heeft de rechterkant meer vrijheid om zich later te ontwikkelen voor schrijven.

Gender differences in hemisferic specialisation

Uit onderzoek blijkt dat mannen en vrouwen verschillen op gebieden van taal en visueel
ruimtelijke skills. Meisjes hun taalontwikkeling start eerder dan die van jongens. Mannen zijn
beter in ruimtelijk inzicht. Toch zijn er geen bewijzen voor verschil in hemiseer dominantie
wel in hemisfeer specialisatie.
Een alternatieve hypothese is dat het cerebrellum bij vrouwen meer gemarkeerd is.
Een andere hypothese is dat het verantwoordelijke gen reccesief is op het X chromosoom.
Ook kan het zijn dat hormonen invloed hebben op het verschil in deze ontwikkeling.
Een laatste hypothese is dat mannen door de evolutie meer ruimtelijk inzicht hebben
gekregen, omdat oorspronkelijk dit voor mannen belangrijker was dan voor vrouwen.

Hemisferic specialisation in nonhumans

In dieren is ook een hemisferische specialisatie. Deze specialisatie is dus niet tot stand
gekomen door de taal ontwikkeling. Er is een visuele specialisatie bij vogels gevonden, deze


                                                                                              44
beesten hebben geen corpus callosum. Vogels hebben wel een hoog ontwikkelde manier van
communiceren dmv fluiten. Zou hierdoor de specialisatie komen? Er is geen rechtshandigheid
bij dieren.




Executieve functies (12) [20]
Executive Functions and Frontal Lobes (12)
       Goal-oriented behaviour: plan maken, op basis van ervaring en het passen in het
       heden, de acties moeten flexibel en aangepast zijn.
       Executieve functies: om te kunnen switchen van het ene plan naar het andere, moet je
       kunnen informatie reguleren en controleren. Dit brengt ons naar de prefrontale cortex.

Subdivisions of the frontal lobes
      De frontale cortex neemt bij mensen een derde deel van de totale hersenen in beslag.
      De posteriore grens met het parietale lob wordt gemarkeerd door de centrale sulcus.
      De frontale en de mediale lobs zijn gescheiden door de laterale fissure. De prefrontale
      cortex neemt de helft van het frontale lob in beslag. Het vormt een groot netwerk dat
      gerelateerd is met de motorisch, perceptuele en limbische gebieden. Bijna alle (sub)
      corticale gebieden leiden wel naar de prefrontale cortex. De laterale prefrontale cortex
      bevat de gebieden 9 t/m 12 en 45, 46. Een tweede regio, de anteriore cingulate bevat
      de gebieden 24,25 en 32.

The lateral prefrontal cortex and working memory
       Laesies in de prefrontale cortex brengt een paradox met zich mee, de mensen
       functioneren normaal in het dagelijkse leven en scoren normaal op IQ-tests. Er is vaak
       sprake van een verlies van het doelgeoriënteerde gedrag. Het gedrag wordt meer
       stimuli afhankelijk, de reden voor een doel is er niet langer meer.

- Distinguishing between stored knowledge and activated information
        Ons korte termijn geheugen heeft een beperkte capaciteit. We kunnen maar een paar
        informatie delen onthouden. Het werk geheugen is de term die gebruikt wordt voor het
        gedeelte dat zich bezig houdt met taak gerelateerde informatie. Dit onderdeel van het
        korte termijn geheugen hangt waarschijnlijk ook nauw samen met wat er in de
        omgeving gebeurd en aanwezig is.

- Working memory versus associating memory
      Bij dieren kan de delayed-response task worden gebruikt om te kijken of een laesie
      effect heft op het associatie geheugen, of werk geheugen.

- Human studies of working memory
      Zo‟n test kan bij kinderen ook worden gedaan, Piaget had dit ook al bedacht. Kinderen
      jonger dan 1 jaar hebben de regel die inhoud wanneer iets dat buiten hun zicht is ook
      niet bestaat. Persevation is een van de meest vertoonde symptomen van het frontale
      lob syndroom, bij de Wisconsin Card Sorting Test moet een patiënt dan de juist
      kaarten sorteren op kleur, vorm en aantal. Alleen de experimentleider kent de regels en


                                                                                            45
       de criteria wijzigen dus steeds, persevation is het principe van steeds terugkeren nar de
       succesvolle plek.

- Cellular mechanism of working memory
        Er moeten twee systemen actief zijn om het werkgeheugen te laten werken. De
        informatie moet worden opgeslagen worden en actief worden gehouden.

The prefrontal cortex participates in other memory domains
- The frontal lobes and the temporal organization of memory
        Het is onmogelijk alle details van je leven te onthouden. Informatie gaat niet per
        definitie verloren, maar wordt „overgeschreven‟ door andere herinneringen. Doen en
        herhalen is een goede manier om te leren. Mensen met een laesie in de frontale lob zijn
        niet altijd in staat om gebeurtenissen te organiseren in het recency geheugen. Iemand
        weet wel wat er moet gebeuren, maar de volgorde kan bv verdwijnen.

- Source memory
       Herinneren wat we geleerd hebben is een deel van het episodische geheugen, onze
       kennis houdt niet op bij het geleerde, maar we weten vaak ook nog de context waarin
       we iets geleerd hebben. De tijd, plaats en de episode zelf; wie er was, wat ze droegen,
       welke dag het was. Het oorzakelijke geheugen (source) hangt van de eenheid van de
       frontale lobs af.

Component analysis of prefrontal cortex
- Content-based accounts of functional specialization within lateral prefrontal function
       de content-based modellen zijn gebaseerd op psychologisch onderzoek van het
       werkgeheugen. Het bevat twee subsystemen die concurreren om toegang bij de
       centrale executive (leidinggevende). Het ene systeem heet visuospatial sketchpad, die
       representaties over ruimte en positie daarin geeft. De andere wordt de phonological
       loop genoemd, dat van nature linguïstische is en de verbale representaties geeft.

- Process-based accounts of functional specialization within prefrontal function
       Een andere benadering vraagt zich af of er verschillende regio‟s zich met verschillende
       processen bezighouden. Niet alleen de frontale lob houdt zich bezig met executieve
       functies, ook de parietale lobs, hippocampus etc zijn onmisbaar voor de executieve
       functies.
       Het werkgeheugen moet niet alleen de informatie actief houden, er moet ook mee
       „gewerkt‟ worden, zoals bv doelen mbt gedrag stellen. Source en werkgeheugen
       hebben niet een heel duidelijke link, source geheugen houdt zich bezig met de context
       waarin iets onthouden is, het is dus lange-termijn geheugen. Maar als het
       werkgeheugen dat een soort kortstondig geheugen is, problemen heeft is het source
       geheugen soms ook aangetast. Het is mogelijk dat het source geheugen op
       verschillende manieren aan zijn informatie komt.

- The selection of task-relevant information
       Dit selectie proces is een fundamenteel onderdeel van het associëren van taken in de
       prefrontale cortex. De prefrontale cortex zou conceptueel kunnen worden gezien als
       een dynamisch filter mechanisme, wat de taak relevante informatie filtert. Het
       werkgeheugen is meer dan een passief ding wat de representaties ondersteund; het
       bevat een attentiecomponent waarmee de belangrijkheid van bronnen van informatie
       bewerkt wordt.


                                                                                              46
- Filtering as an inhibitory process
         Dynamisch filteren kan de inhoud van het informatieverwerkingsproces op twee
         manieren beïnvloeden. Een manier is het accentueren van aanwezige informatie, de
         tweede manier is om irrelevante informatie uit te sluiten van aandacht. Vergeten van
         iets dat je wilt onthouden, zoals een telnummer, gebeurd niet zomaar, je aandacht moet
         zich verplaatsen, je wordt afgeleidt.

Goal- oriented behaviour
       Onze acties zijn niet doelloos, ook zijn ze niet een reactie op alles in de omgeving. We
       kiezen acties omdat we bepaalde doelen nastreven. Doelen variëren in hun
       belangrijkheid, leren van een tentamen is een subdoel van het grotere doel om
       psycholoog te worden.

- Planning and selection an action
       Eerst moeten subdoelen gemaakt worden, daarna moet er een doel gekozen worden en
       op consequenties daarvan moet geanticipeerd worden. En als laatste moet er bepaald
       worden wat er verlangd wordt van jou om een bepaald doel te bereiken.

- The selection of appropriate subgoals
       Er kan natuurlijk van alles tussen deze subdoelen komen. Ook laesies hebben invloed
       op het plannen en goed uit kunnen voeren van doelen.

- Executive control of goal-oriented behaviour
       task-switching houdt in dat er een persoon flexibel kan overschakelen van de ene naar
       de andere taak. Frontale schade bemoeilijkt dit principe. Volgens de „schema‟
       hypothese kunnen expliciete bewegingen of activiteit van het lange termijn geheugen
       leiden tot zinvolle gedragingen. Externe inputs kunnen al leiden tot de trigger voor het
       schema (programma) van controle eenheden. Je kunt met je ogen bv een bewegend
       object volgen, of dezelfde beweging maken zonder dat de input er is. Contention
       scheduling is een vrij passieve manier van selecteren. Schema‟s worden niet alleen
       door perceptuele input gestuurd, maar concurreren ook met elkaar; je kunt niet naar
       twee dingen tegelijk kijken. Door inhiberen kan er competitie tussen schema‟s zijn, als
       het gevolg is dat er geen schema „wint‟, is er geen actie tot gevolg.
       De tweede manier van selecteren wordt veroorzaakt door het supervisory attentional
       system (SAS). SAS is essentieel om ervoor te zorgen dat gedrag flexibel is. Er zijn een
       aantal situaties waarin selectie via SAS handig is:
       - wanneer de situatie planning of beslissen vraagt
       - wanneer de link tussen de input en het schema van controle eenheden onbekend is of
       niet goed geleerd
       - wanneer de situatie concurreert met een sterke gewone reactie
       - wanneer de situatie de correctie van fouten of problemen vraagt
       - wanneer de situatie moeilijk of gevaarlijk is

- The anterior cingulated as a monitoring system
       Speelt een belangrijke rol in het coördineren van activiteit in de aandachtssystemen.
       Volgens de monitoring (toezichthouder) hypothese benadrukt dat de anterior
       cingulated een deel is van het executieve systeem, hij werkt niet alleen. Er kan gesteld
       worden dat het effect van een actieve cingulate in de prefrontale cortex tot



                                                                                             47
       selectieprocessen kan leiden, en er zo voor wordt gezorgd dat irrelevante informatie
       wordt genegeerd.


ADHD bij kinderen en volwassenen [20]
1 Inleiding
        Attention Deficit Hyperactivity Disorder is de Engelse afkorting van ADHD. Het gaat
        om een klinisch beeld dat gekarakteriseerd wordt door afleidbaarheid, hyperactiviteit
        en impulsiviteit. De diagnose wordt vaak voor het eerst gesteld op kinderleeftijd en
        komt naar schatting bij 3 tot 5% van de schoolgaande kinderen voor, veel vaker bij
        jongens dan bij meisjes. De kernsymptomen van ADHD gaan vaak gepaard met
        problemen in de sociale relaties en problemen in het dagelijkse functioneren.

1.1 Historisch perspectief en het gebruik van classificatiesystemen
       In 1902 werd er al een beeld beschreven van wat we nu ADHD noemen. Bij de
       nieuwste DSM, werd er gekozen voor een indeling in drie subtypen; een inattent type,
       met aandachtsproblemen, een hyperactief type en een gecombineerd type.

2 ADHD en levensloop
2.1 Beloop en de relatie tot leeftijd
       De hyperactiviteit en impulsiviteit zijn het meest aanwezig op de kinderleeftijd, als het
       kind ouder wordt nemen ze vaak af. De aandachtsproblemen veranderen veel minder
       onder invloed van de ontwikkeling. Een persoon met ADHD blijft gedurende zijn
       leven een grotere kans houden op bv schooluitval, problemen sociaal, op het werk of
       het ontwikkelen van middelenmisbruik.

2.2 Co-morbiditeit
       Deze term wordt gebruikt om aan te geven dat twee stoornissen/klinische beelden
       tegelijkertijd bij dezelfde persoon voorkomen. Bij ADHD komt co-morbiditeit vaak
       voor. Zo komen bij 20-30% angst of stemmingsstoornissen voor. Ook worden
       leerstoornissen, ticstoornissen, taalstoornissen etc vaker gediagnosticeerd.

2.3 Risicofactoren
       Wanneer er sprake is van co-morbiditeit tussen ADHD en een gedragsstoornis is de
       kans groot op anti sociaal gedrag.

2.4 Invloed van omgevingsfactoren
       Factoren als zwangerschapscomplicaties, blootstaan aan alcohol en nicotine tijdens de
       zwangerschap, verhogen de kans op het ontwikkelen van ADHD. Ook
       opleidingsniveau van de ouders speelt een rol, maar ook chaotischs gezinsklimaat en
       gebrek aan structuur in de omgeving.

3 Genetica
      Het krijgen van ADHD heeft ook een genetische component, er wordt een
      erfelijkheidsfactor van 80% geschat. Huidig onderzoek richt zich vooral op
      endofenotypes van ADHD. Een endofenotype kan gemeten worden op cognitief
      niveau en wordt verondersteld samen te hangen met de onderliggende genetische
      factor.



                                                                                              48
4 Neurale netwerken met betrekking tot ADHD
      Bij ADHD zijn er disfuncties in de executieve functies en het zelfsturende gedrag.
      Hier volgt een drietal netwerken die volgens Posner in het belang zijn van het
      attentiemodel:
      Het attentienetwerk: dit netwerk zorgt voor een niet-specifieke staat van de gereedheid
      of alertheid. Taken met waarschuwingssignalen activeren dit netwerk, wat er voor
      inhibitie zorgt van irrelevante activiteit. (locus coeruleus en de rechter hemisfeer)
      Het oriëntatienetwerk: zorgt voor anticipatie op specifieke ruimtelijke stimulus.
      Zorgen voor gerichte aandacht. (parietale kwab, superieure colliculus en pulvinar)
      Het executieve netwerk: zorgt voor een gecontroleerde opeenvolging van neurale
      responsen, wordt actief wanneer er doelgericht gedrag gevraagd wordt. Bestuurd
      complexe situaties waarin conflict is, inhibeerd automatisch gedrag ten gunste van
      nieuw gedrag. (anterieure cingulate gyri, frontaalkwab en basale ganglia)

4.1 Neurale netwerken in ontwikkelingsperspectief
       Gebieden die betrokken zijn bij het nemen van beslissingen laten minder activiteit bij
       ADHD personen zien. Ook blijkt er dat neurale netwerken verschillend functioneren
       afhankelijk van de leeftijd.

4.2 Executief functioneren en ADHD
       Onder executief functioneren worden de mentale controle processen verstaan die
       nodig zijn voor zelfcontrole. Domeinen zijn; responsinhibitie, werkgeheugen,
       cognitieve flexibiliteit, planning en flucency. Van deze functies is het probleem bij
       ADHD vooral het inhiberen, planning mbt motoriek. Men veronderstelt dat vooral
       dopaminerge systemen hiervoor van belang zijn.

5 Het diagnostische proces bij ADHD
5.1 Neuropsychologisch onderzoek
       Met behulp van IQ testen wordt de globale intelligentie gemeten. Oog-hand
       coördinatie, ligt vaak onder leeftijdsniveau. Ook komt aandachtsonderzoek naar voren.
       Ook worden gedragsregulatiefuncties onderzocht. Emotioneel functioneren wordt
       beoordeeld, ten slotte worden sociale en emotionele perceptie en sociaal functioneren
       onderzocht.

6 Behandeling
      Bij ADHD ligt het voor de hand om te kiezen voor medicijnen, dit hangt af van de
      mate van geassocieerde problematiek. Hoewel een combinatie van medicatie met
      gedragstherapie de voorkeur heeft.

6.1 Medicamenteuze behandeling
      Het meest bekende middel is Ritalin, symptomen verminderen daardoor bij ADHD.

6.2 Psycho-educatie
       Hier gaat het erom de patiënten een beeld te geven van ADHD, welk gedrag en welke
       problemen erbij horen etc. Dit is bedoeld om meer acceptatie van patiënt te krijgen
       zodat hij zijn verwachtingen bijstelt en er beter aan de problemen gewerkt kunnen
       worden.

6.3 Gedragsherapeutische interventies



                                                                                               49
       Behandeling is meestal niet gericht op de kernsymptomen, maar op de co-morbiditeit
       problematiek en de psychosociale aspecten.
       Cognitieve gedragstherapie: gedrag leren beheersen dmv verbaliseren. Resultaten
       generaliseren maar gedeeltelijk naar het dagelijkse leven.
       Gedragstherapie op school: aanpak heeft dezelfde elementen als oudertraining. De
       omgeving wordt ingezet om het drukke en impulsieve gedrag te reguleren. Ook wordt
       er meer structuur aangebracht. Dit lijkt een effectief onderdeel te zijn.
       Oudertraining bij kinderen met ADHD: door het gedrag van de ouders te veranderen
       hoopt men dat het gedrag van de kinderen zal verbeteren. Zo wordt er geoefend met
       het geven van betere feedback, beter observeren, structureren, hanteren eigen emoties,
       positieve aandacht geven aan het kind etc.

H 10
Motor contol
Akinesia: het niet vrijwillig kunnen bewegen.
Ziekte van parkinson: Een gradueel proces waarin de patiënt langzamerhand akinesia
ontwikkeld door de cel dood in de substantia nigra, een deel van de basale ganglia.
De substantia nigra is primair verantwoordelijk voor de neurotransmitter dopamine.
MPTP: chemische stof die de substantia nigra vernietigt.

Motor structures
Bij veel taken van het centrale zenuw (nervous) system (CNS) komt impliciet het controleren
van actie bij kijken.


Muscles, motor neurons, and the spinal cord

Effector: een deel van het lichaam dat kan bewegen. Distal effectoren zijn de ver van het
lichaam liggende delen als de handen, armen, benen. Proximale effectoren zijn de delen
dichtbij het lichaam als middel, nek en hoofd.
        Spieren bestaan uit elastische vezels die kunnen veranderen in lengte en spanning.
Normaal gesproken komen ze in antagonistische paren voor, een biceps die de spier doet
samentrekken en een triceps die als deze aangespannen is de spier doet onspannen.
        Primaire interactie tussen spieren en het CZS komt tot stand via de alpha motor
neurons (zogenoemd door hun grootte). Deze lopen van de spinal cord tot in de spier vezels.
Door het vrijkomen van de neurotransmitter acetylcholine gaan de spieren contraheren.
        De input van de alpha motor neuronen verschilt. Op het laagste niveau krijgen ze input
via de sensorische vezels in de spieren bijv. bij een automatische reflex beweging. Ook
krijgen ze input van de descending vezels van het ruggemerg (spinal cord) en van inter
neuronen in het spinal segment. Deze worden gebruikt bij vrijwillige beweging. De
descending fibers zorgen voor exhiterende en inhiberende signalen naar bi- en triceps. Dit
gebeurt na aanleiding van signale uit (sub) corticale structuren van het CZS. Bij het
aanspannen van een van deze twee zal de ander ongemerkt ontspannen worden, dit gebeurt
door de interneuronen.


Subcortical Motor structures



                                                                                           50
        Veel neuronen structuren voor het besturen van het motorisch systeem zitten in de
hersenstam, zo ook de twaalf schedel zenuwen die essentieel zijn voor critieke reflexen als
eten, ademen, oogbewegingen en gezichtsuitdrukkingen.
        Extrapyrimidal tracts: Projecties die direct vanuit de hersenstam naar de spinal cord
worden gestuurd en dus niet ontstaan in de piramide neuronen van de motorische cortex.
        De twee belangrijkste systemen die een sleutel rol spelen in de motorische controle
zijn het cerebellum en de basale ganglia. Het cerebellum is een massieve structuur de
extensieve (op grote schaal) sensorische input ontvangt, zoals somatosensorische,
vestibulaire, visuele en auditieve informatie. Het ontvangt ook input van associatieve
gebieden in het brei. De informatie komt eerst in de cerebrale cortex die de info verbind met
het weefsel bij de cerebrale cortex. In het cerebellum worden descending en ascending
signalen van elkaar gescheiden. De output van laterale regionen beïnvloeden de motorische en
frontale cortex via verbindingen in de thalamus. Axonen van meer mediale weefsels geven
info direct door aan de spinale interneuronen.
        De basale gangia zijn een collectie van 5 nuclei. Het is hetzelfde georganiseerd als het
cerebellum. De input wordt geregeld door 2 nuclei die striatum produceren (de caudate en de
putamen). De output geschiet bijna altijd via het interne segment van de global pallidus en
deels via een deel van de substantia nigro. De rest van de componenten (de rest van de
substantia nigro, subthalamitic nucleus, externe segment van de global pallidus) kunnen de
output van de globus pallidus moduleren. Axonen van de global pallidus eindigen in de
thalamus. Vanuit daar worden projecties naar de cerebrale cortex gezonden. Basale ganglia
maken exrapiridiale trajecten, deze worden wel gecontroleerd door de thalamus. De output
van de basala ganglia is voornamelijk ascending.


Cortical regions involved in motor control

De cerebrale cortex kan de qactiviteit van de spinale neuronen direct en indirect beïnvloeden.
Directe connecties lopen vai het cortico-spinale streek ook wel pyramidal streek, die bestaat
uit neuronen die beginnen in de cortex en eindigen inde alpha motor neurons of spinale
interneuronen. De cortico-spinale vezels beginnen meestal in de premairy motor cortex (area
4), the premotor cortex (area 6), delen van de pariental cortex vooral de somatosensorische
gebieden (areas 1,2,3 ).
        Indirecte invloeden komen tot stand door cortico-corticale streken naar motor areas.
Ook dmv. extrapirimidiale streken, van corticale axonen naar de hersenstam en via de basale
ganglia of cerebellum. Als laatste ook nog via cotico-bulbar tracts, die eindigen in de crainiale
zenuwen.

The organisation of motor areas.
De anatomische organisatie volgt 2 principes. In elke motorische structuur is een
somatotopische weergave van het lichaam. Deze weergave correspondeert niet met de echte
grootte van de lichaamsdelen maar met de belangrijkheid voor het motorisch systeem. De
somatotopische weergave vooral voor distale functies is eenzijdig. Doordat de vezels in het
spinal cord kruisen (decussate) hebben ze invloed op de andere zijde van het lichaam. Een
uitzondering hierop is het cerebellum.
        Het tweede principe verwijst naar de relatie tussen de motorische gebieden onderling
die een hiërarchische structuur hebben. Op het hoogste niveau is het premotorische en
associatieve gebied, kritisch voor planning van actie. Daarna volgt de motorische cortex die


                                                                                              51
info krijgt van het hoogste niveau en de basale ganglia. Hierna komt de hersenstam die van de
twee hogere niveaus en van het cerebellum input ontvangt. Op het laagste niveau is de spinal
cord die rechtstreeks verbinding maakt met spieren en de reflexen controleert en de input
krijgt van alle hoger liggende niveaus.
        Door de hiërarchie is het mogelijk flexibiliteit in bewegingsgedrag aan te brengen


Computational issues in motor control


Peripheral control of movement and the role of feedback

Het hieërarchische model van beweging impliceert dat hogere niveaus de beweging
moduleren en lagere niveaus de beweging tot uitvoering brengen. Bij afwezigheid van hogere
systemen kan het lichaam nog reflexen uitvoeren, deze worden zelfs sterker en vaker
uitgevoerd omdat het brein ze niet meer kan inhibitioneren. Ook kan men de verwegliggende
lichaamsdelen nog laten bewegen, zoals beenbewegingen. De spinale reflex arc geeft de
essentiële componenten voor beweging. Uit deze gedachte kwam voort dat men dacht dat de
gecompliceerde bewegingen voort kwamen uit een succesvolle opeenvolging van stimuli en
responsen via een reflex systeem.
        Uit ander onderzoek bleek dat er ook beweging tot stand kon komen zonder
sensorische signalen. Zonder externe feedback kunnen de neuronen in het spinal cord toch
actie opgang brengen. Doordat 2 hogere systemen worden ontweken. Deze neuronen worden
de central pattern generatoren. Ze hebben een krachtig mechanisme voor de hiërarchische
controle van beweging. De hogere niveaus hoeven alleen deze neuronen te activeren die dan
een patroon van spier bewegingen in stand zetten. Dit patroon bestaat maar voor een aantal
soorten bewegingen, zoals locomotion.
        Een tweede factor waarvoor het hogere systeem niet nodig is, is dat beweging niet
geheel berust op periferische feedback. Dit impliceert interne representaties van
bewegingspatronen. In onderzoek met apen werd eerst de sensorische verbinding met een arm
vernietigd, de aap gebruikte de arm hierdoor niet meer. Hierna werd ook de sensorische
verbinding met de andere arm doorgesneden, met als gevolg dat beide armen weer
functioneerden.
        Neuropathies zijn verschillende neuronen defecten. Bij patiënten met neuropathies
werden toch complexe bewegingen voortgebracht ondanks dat er geen sensorische maar
alleen een motorische verbinding was. Er werden wel meer fouten in de beweging gemaakt.


Representation of movement plans

Hoe worden gekarakteriseerde delen van beweging weergegeven en omgezet in actie.


The content of motor plans
In een experiment waar een persoon zijn hand na het lichtsignaal moest bewegen naar het doel
en vervolgens dit moest doen zonder visuele feedback slaagde deze daarin. Er waren 2
hypothesen over de mogelijke weergave van dit patroon in de hersenen. De eerste hypothese
is een op afstand (distance-based) gebaseerde representatie. De andere is de location-based
hypothese, die wijst op een eindpunt configuratie waar het lichaamsdeel het doel raakt.



                                                                                           52
Uit verschillende experimenten is gebleken dat de arm niet zomaar een bepaalde geleerde
afstand aflegt, maar ook echt het beginpunt opzoekt en vanaf daar naar het eindpunt toe
beweegt.
         Als we dit in hiërarchisch perspectief zien zouden we kunnen zeggen dat het hoogste
niveau van het planningssysteem zich bezig houdt met de uiteindelijke configuratie, een
beweging die zijn doel bereikt. De lagere niveaus houden zich bezig met de uitvoering
hiervan, daarbij behoort ook de beslissing welke lichaamsdelen (hand, arm, schouder) er deel
uitmaken van het proces en welke bewegingen deze delen gaan maken.
         Een alternatieve hypothese voor het locatie-based principe is dat er twee processen
distance en location afzonderlijk van elkaar functioneren. Sommige resultaten suggereren dit.
In experimenten waar of gevraagd werd om de bewogen afstand te zeggen of de
oorspronkelijke plaats hadden verschil in uitkomst.
         Er is bewijs dat locatieplanning geïsoleerd is van cognitieve processen.

Hierarchial representation of action sequences.
Als er een tikpatroon van je vingers op de tafel wordt uitgevoerd, wordt niet het patroon in
zijn geheel aan een stuk uitgevoerd. Er worden pauzen genomen na bepaalde onderdelen. Dit
komt omdat we geen representatie maken van het geheel, maar het onderverdelen in kleinere
stukjes die apart van elkaar worden weergegeven. De hogere structuren zorgen voor het totaal
overzicht en de lagere niveaus representeren de aparte onderdelen.
        Boven aan de hiërarchie staat het conceptuele niveau, weergave van het doel van de
actie. Op het daaropvolgende niveau wordt het doel omgezet in een systeem, ook wel het
lexicale niveau. De lagere niveaus zullen dit systeem omzetten in spierbeweging.
        Bij het leren van nieuwe motorische patronen geeft men vaak de attributie van
motorisch leren aan de lagere niveaus van de hiërarchie. Hieruit blijkt dat het motorische
gedeelte langzamerhand automatisch gaat verlopen. Er is geen cognitief proces. “ik maak de
eerste beweging en de rest gaat vanzelf”.
        Er zijn wel processen die bewust verlopen, bijv processen waar al wel een motorische
representatie van is maar die door een ander lichaamsdeel gebruikt wordt dan normaal
(schrijven met voet). Het motorisch leren vind dus op verschillende niveaus plaats.

Psysiologcal analysis of motor pathways
Hoe kunnen we het best de functionele rol van de verschillende componenten van het
motorisch systeem karakteriseren? We kijken in dit gedeelte naar de neurofysiek vande
motorische controle.


The Neural representation of movement

De primaire motorische cortex is het belangrijkste signaal voor de productie van skilled
beweging. De input van deze area komt van bijna alle corticale (pariential, premotor) en
subcorticale (cerebellum, basale ganglia) gebieden. De output is het grootste signaal in de
cortico-spinal tract en heeft ook een grote extrapiramidale invloed.


Directional tuning of motor cells
De vraag heerste of de motorische cortex correleert met bewegings directie af bewegings
locatie. Uit onderzoek bij apen waarin armbewegingen werden vergeleken met de
bijbehorende activiteit inde hersenen, bleek dat de kant van beweging een zelfde patroon van


                                                                                              53
activiteit opleverde en niet van de locatie waar na toe er bewogen werd. Dus directie wordt
weergegeven in de hersenen, volgens een coderingssysteem waarin voor een bepaalde richting
een bepaald systeem actief wordt.
        Een alternatief coderingssysteem is dat een stimuli om in een bepaalde richting te
bewegen wordt verstrekt aan alle cellen die hiermee te maken hebben, vervolgens wordt de
snelheid van de respons bepaald door de mate waarin de richting geprefereerd wordt door de
cellen (de populatie vector). Dit coderingssysteem blijkt het meest overeen te komen met de
praktijk. De populatie vector staat voor de opgetelde activiteit van alle cellen samen.


Goal-based representation in motor structures
Zijn in andere areas ook population vectors en dus richting representaties of zijn er bijv. in de
associatieve gebieden wel locatie weergaven?
        In de activiteit van cellen apart is het eindpunt (doel) erg belangrijk. Ondanks dat een
beweging werd aangeleerd die eerst een beweging vooruit en daarna opzij bevatte, werd door
de cellen toch de vector tussen begin en eindpunt weergegeven. De weergave in cellen is niet
abstract maar komt tot stand met invloed van de omgeving. Receptieve velden zijn
dynamisch.


The flow of information processing in motor pathways
De stroom van informatie bereikt de niveaus zoals verwacht volgens de hiërarchische
structuur. Toch worden de niveaus niet in precies opeenvolgende stappen actief, wel ligt de
top van de activiteit na elkaar.


Comparison of motor planning and execution

Dmv SPECT single photon emision computed tomography zijn patronen van regionale
cerebrale bloed stroom (rCBF) bekeken. De resultaten hiervan zijn in overeenstemming met
het hiërarchisch controle model. Bij simpele bewegingen was de activiteit beperkt tot de
primair motorische en sensorische gebieden. Bij moeilijkere bewegingen werden de corticale
gebieden anterior (voorafgaand) aan de primaire motorische area actief. De anteriore gebieden
werden in beide hersenhelften actief. De twee redeneringen hiervoor zijn dat a) er een abstract
motorisch plan geactiveerd wordt, niet effector specifiek en b) alle mogelijkheden van actie
voor het bereiken van het doel worden actief, zo ook degene die contralateraal zijn.


Internal versus external guidance of movement
Bij complexere bewegingen worden de gebieden voorafgaand aan de primaire motorische
cortex actief. Hebben deze een additieve functie of speelt alleen de rol van complexiteit mee.
        Op basis van bloed stroom studies wordt de suggestie gedaan dat de erbij komende
motorische area kritiek zijn voor de controle van bewegingsopeenvolgingen. Een
kanttekening hierbij is dat het zou kunnen zijn dat verschillende opeenvolgende acties
verschillende processen tot stand brengen.
        Het gebied waarin de opeenvolging van beweging tot stand komt hangt af van de
interne of externe controle van de actie. Bij interne controle zal het mediale deel, het
aanvullende motorische gebied actief worden. Als de taak berust op externe cues zal het
laterale deel, de premotorische area actief worden. Onder de externe cues worden de visuele
auditieve en somatosensorische feedback bedoelt. Dit werd ook gevonden in onderzoek bij


                                                                                               54
laesies. Uit ander onderzoek bleek dat er wel enigszins onderlinge samenwerking en
overlapping tussen de gebieden is.


Shift in control with learning
 Bij het leren van een vaardigheid (bijv. serveren bij tennis) denkt men op het begin continu
aan de basisstappen, waarvan men ook motorische feedback bekijkt. Nadat een vaardigheid is
geleerd is men meer bezig met het verfijnen van de stappen in de actie om zo het resultaat te
verbeteren, men vraagt nu specifiekere feedback op.
        Een andere hypothese over de functie van de anteriore motorische gebieden is: Bij
beginnend leren wordt de laterale premotorische area in connectie met de parientale cortex en
cerebrale wegen actief, dit voor het integreren van de externe informatie in een motorisch
plan. Later als we het plan tussen de bewegingen en de effecten kennen, dan kunnen we ons
bezig houden met de consequenties van onze acties en zullen daarvoor het meer mediale
motorische systeem gebruiken bestaande uit de prefrontale, aanvullende motorische systemen
en de basale ganglia.

Functional analysis of the motor system and movement disorders
Motoriek is een zeer gespecificeerd proces waar bij stooringen allerlei soorten dysfuncties
kunnen ontstaan.




                                                                                              55
Cortical areas

Sommige theoristen zeggen dat de gehele anteriore cortex tot de motorische cortex behoort.
Toch kunnen dieren zonder cerebrale cortex moeilijke bewegingen maken.


Hemiplegia
Hemiplegia is het verlies van vrijwillige bewegingen aan de contalaterale zijde van het
lichaam. Hemiplegia onstaat vaak na laesies in de motorische cortex, vooral door bloedingen
in de midden cerebrale slagader. Het verlies van het kunnen bewegen is het sterkste in de
distale gebieden. Reflexen zijn de eerste weken na het ontstaan van hemiplegia niet aanwezig,
daarna worden ze hyperactief
        Herstel van hemiplegia is minimaal. Beweging is wel mogelijk, maar allee als het gaat
om bewegingen die geen controle en coördinatie nodig hebben. Bij herstel kan de spasticiteit
wel minimaal worden. Laesies in de motorische area beïnvloeden de corticale-spinal en
extrapiramidale tract.


Apraxia
Apraxie betekent technisch gezien „geen actie‟ maar het wordt breder gebruikt om het verlies
van motorische skills mee aan te duiden.
         Testen voor apraxie bestaan vaak uit een aantal doelgerichte handelingen die moeten
worden verricht. De patiënten hebben vooral moeite met pantomime (net alsof je handeling
verricht). Er wordt gezegd dat een patiënt apraxie heeft als hij problemen heeft met het
coördineren dat niet tot stand komt door de controle op de spieren, toch zijn de problemen niet
altijd specifiek tov het motorisch systeem. Misschien worden motorische problemen
veroorzaakt door een gebrek in het begrijpen van instructies of een verlies van semantische
informatie.
         Er is een correlatie gevonden tussen afasieën en apraxieën. Apraxie in verschillende
hersengedeelten kan een andere invloed hebben op gedrag. Volgens een model van Liepmann
bevat de linker parientale lobe bevat representaties van skilled bewegingen, bij beschadiging
hiervan heeft de patiënt moeite met het uitvoeren en herkennen van deze acties.
Beschadigingen aan de premotorische en prefrontale areas veroorzaken ook apraxie maar niet
de vaardigheid om deze actie te herkennen  de parienale cortex vormt het hoogste
hiërchische niveau en de frontale gebieden worden gebruikt om het actie geheugen te vertalen
in patronen voor spierbewegingen.

The cortex and the selection of movement.
Uit alle mogelijkheden waarop een bepaald doel bereikt kan worden, selecteert het brein de
beste variant. Uit veel informatiebronnen van verschillende onderdelen wordt een afweging
gemaakt om de beste variant te selecteren. Door laesies kan er een verstoring in de balans van
de input optreden. Het aliën hand syndroom is hier een voorbeeld van, het reflecteert een
dominantie van de extern bestuurde laterale premotorische wegen. Een bewijs voor dit
competitieve proces is dat reacties op competitieve processen langer duren dan reacties op
oncompetitieve processen. Het competitieve proces vindt plaats in de premotorische en
motorische cortex.
        Apraxie is een verstoring vancorticale selectie voor een bewegingsplan. Patiënten met
een frontale apraxie kunnen misschien een abstract doel weergeven maar falen in het
specificeren van de effectoren die nodig zijn voor het uitvoeren van de taak. Patiënten met een


                                                                                             56
posteriore apraxie kunnen de doelen niet begrijpen, daarom is er geen activatie van een
bewegingspatroon dat de gewilde actie zou kunnen bereiken.
       Apraxie patiënten zijn beter in het maken van gebaren dan in het maken van
opeenvolgende bewegingen. Ze zijn hierin langzamer dan nonapraxie mensen. Dit komt
omdat de elementen van de beweging niet als een geheel worden gezien, maar als
afzonderlijke gebaren. Het selectieproces moet voor elk onderdeel opnieuw gebruikt worden.


Subcorticale areas: the cerebellum and Basal ganglia

De corticale areas zorgen voor de motorische plannig. De subcorticale gebieden zorgen voor
de uitvoer van functies. Als hierin laesies ontstaan verwacht men fouten in de uitvoer van de
beweging ipv in de bewegingsplanning.


Het cerebellum
Het cerebellum bestaat uit 3 delen, het vestibulocerebellum, het spinocerebellum, en het
neocerebellum. De anatomische projecties zijn voor de 3 verschillend, ook laesies in de
verschillende delen veroorzaken andere klinische symptomen. De meest oude van de 3 is het
vestibulocerebellum gevogd door het spinocerebellum. Het laatst ontwikkelde deel is het
neocerebellum.

Anatomical and functional divisions of the cerebellum
        Het vestibulocerebellum (VC) is gescheiden van de rest van het cerebellum bij de
posterolaterale fissure (spleet). Het VC wordt ontwikkeld door de hersenstam vestibular
nuclei, de output wordt daar ook op terug geprojecteerd. Het gebied is essentieel voor de
controle van balans en coördinatie van de oogbewegingen. Bij laesies kunnen de reflexen
aangetast worden die essentieel zijn voor behoud van evenwicht en stabiliteit.
        Het spinocerebellum, de kern van het cerebellum, is onderverdeeld in 3 delen, vermis,
intermediate zone en de laterale zone. Cellen in dit gebied responderen op visuele en auditieve
stimuli, zo geven ze een basis voor polisensorische intergratie. De reden van het ontsaan van
het spinocerebellum was dat er behoefte was aan meer preciezere en flexibele controle over
de lichaamsdelen. De output gaat naar de medial crebrale nuclei, die het doorgeven aan de
spinal cord en het extrapiramidale systeem.
        Laesies in het spinocerebellum creëren problemen in het gesmeerd verlopen van
bewegingen. Dit geld vooral voor laesies in het vermis. Bij chronisch alcohol gebruik wordt
het anteriore deel van het vermis vernietigd, dit zorgt voor moeilijkheden bij het lopen.
Laesies in de intermediate zone veroorzaken vooral problemen in de controle van de armen en
de benen, ze functioneren redelijk alleen hun gebaren zijn oenig. Ook vertonen ze symptomen
van hypermetria, snelle wijs bewegingen die vaak achter het doel eingigen.
        Het neocerebellum regeld de controle van vrijwillige bewegingen. Het staat in nauwe
verbinding met de frontale cortex. Laesies veroorzaken dezelfde syptomen als bij de
intermediate cerebelum, klunzige bewegingenen hypermetric.

Interpreting cerebellar function
        Er wordt gedacht dat het cerebellum de timing regelt. De timing hypothese zegt dat de
agonist en de antagonist precies met elkaar moeten samenwerken om een obect vast te pakken
op het moment dat er een laesie is in het cerebellum is dit verstoord en grijpt de persoon
achter het object. Het cerebellum is zeer belangrijk voor het goed verlopen van bewegingen.



                                                                                            57
De laatste tijd is men echter onderzoek aan het doen voor de mogelijk andere functies van het
cerebellum, bijv. perceptie.


The basal ganglia
De basale ganglia bestaan uit 5 nuclei: caudate, putamen, globus pallidus, subthalamic
nucleus, en de substantia nigra. Laesies ergens in de basale ganglia interfereren altijd met de
coördinatie van bewegingen. Alle afferente (inkomende) vezels eindigen in het caudate en
putamen, dit wordt samen het striatum genoemd. De efferente (uitgaande) vezels beginnenin
de globus pallidus en de substantia nigra.
       De basale ganglia hebben een inhiberend effect. Er is een directe en een indirecte weg.
De directe weg heeft een exiterende werking op de substantia nigra omdat het reageert op de
dopamine (D1) De indirecte weg geeft een inhiberend effect op de substantia nigra omdat het
reageert op dopamine (D2). Dit proces is essentieel voor beweging.

…. Hfst nog niet af…




Epilepsie [19]
1 Bijdrage van de studie van epilepsie aan de ontwikkeling van de neuropsychologie
       In 1870 werd door Jackson gesteld dat een epileptische aanval ontstaat door
       excessieve ontlading en niet door afsterven van zenuwcellen. Sperry onderzocht „split
       brain‟ patiënten, bij wie het corpus callosum werd doorgesneden om de heftige
       epileptische aanvallen te beperken tot een hemisfeer. Bij de beroemde patiënt H.M.
       werd een de onbehandelbare vorm van epilepsie behandeld door aan beide kanten
       delen van het temporaal kwab te verwijderen. Hierna leed hij aan ernstige globale
       amnesie.

2 Enkele basisbegrippen uit de medische epileptologie
2.1 Definitie van een epileptische aanval en van epilepsie
       Epilepsie is een chronische hersenaandoening, chronisch wil zeggen en epileptische
       aanval minstens twee keer per jaar. Een aanval ontstaat doordat er plotseling een
       groepje zenuwcellen zich excessief ontladen, andere cellen kunnen dit overnemen en
       al met al resulteert dit soms in een aanval dor het hele brein heen. De cellen vuren op
       dat moment hypersynchroon, snelle verspreiding leidt tot een primair gegeneraliseerde
       aanval die kan leiden tot gedragsverandering of een bewustzijnsstoornis.

2.2 Pathofysiologie van een epileptische aanval
       Een aanval kan ontstaan als gevolg van een verstoorde balans in de ionkanalen, of met
       de neurotransmitters. Medicijnen die het GABA versterken, leiden tot inhibitie, alleen
       is de selectiviteit beperkt.

2.3 Epidemiologie
       Onderzoek is lastig omdat epilepsie een verzamelnaam is voor een veeltal stoornissen.
       In 50% begint de epilepsie voor het 18e levensjaar. En ook vanaf 50 tot 60 jaar loopt
       het risico weer toe. Prevalentie in Nederland is 500 per 100.000 inwoners.

2.4 Classificatie van epileptische aanvallen


                                                                                             58
       Bij gegeneraliseerde aanvallen doet het hele brein mee aan de aanval, bij de partiële
       aanvallen is er ontlading in slechts een deel van het brein. Bij primaire of idiopathische
       epilepsie wordt geen oorzaak gevonden, bij de secundaire of symptomatische vorm
       wel. Als de basis op klinische kenmerken berust, heet het cryptogene epilepsie.
       Eenvoudige partiële aanvallen hebben geen bewustzijnsstoornissen.

2.5 Diagnostiek
       De diagnose is klinisch, met EEG wordt het vermoedelijke beeld bevestigd. Tussen de
       aanvallen door is het beeld soms normaal, om EEG tijdens een aanval te kunnen meten
       wordt er soms slaapdeprivatie toegepast, omdat slaaptekort een aanleiding voor een
       aanval kan zijn. Ook kunnen de biochemische oorzaken opgespoord worden door
       onderzoek van bloed of urine.

2.6 Algemene behandelprincipes van epilepsie
       Behandeling omvat ook voorlichten van patiënten en hun omgeving. Medicatie wordt
       bij voorkeur als monotherapie gegeven, in ergere gevallen kan ook polytherapie
       toegepast worden. Na een aantal aanvalsvrije jaren kan de dosis omlaag. Bij
       symptomatische epilepsie is het moeilijker om de medicijnen af te bouwen dan bij
       idiopathische epilepsie. De meeste epileptici kunnen weer een normaal leven leiden.

3 Etiologische factoren voor Neuropsychologisch disfunctioneren
       Doordat de verscheidenheid in soorten epilepsie zo groot is, is het een boeiend
       onderzoeksterrein, waarin men zich vaak afvraagt in hoeverre epilepsie cognitieve
       beperkingen met zich meebrengt. Dit leidt terug tot de vraag hoe epilepsie ontstaat,
       hier zijn drie factoren op van toepassing.

3.1 Neurobiologische factoren
       Patiënten met de symptomatische vorm presenteren cognitief als groep slechter.
       Epilepsie die op vroege leeftijd ontstaat, bleek de beste voorspeller van een lager IQ.
       Meerdere aanvallen versterkten deze trend meestal. Partiele epileptici lieten meer
       problemen zien met specifieke cognitieve problemen als geheugen. Maar ook veel
       medicijnen of schoolverzuim heeft natuurlijk invloed op de cognitieve ontwikkeling.

3.2 Psychosociale factoren
       Ook de manier waarop een patiënt met de aanvallen omgaat, heeft invloed op het leven
       van deze mensen. Angst, depressie of lage zelfwaardering werd bij 15 tot 30%
       gevonden, terwijl ze daarvoor vaak geen professionele hulp zoeken. Toch leven veel
       mensen met epilepsie een normaal leven.

3.3 Behandelingsfactoren
       De bedoeling van de medicijnen is het onder controle brengen van de aanvallen,
       waarbij vaak lang gezocht wordt naar de balans tussen werking en bijwerkingen. Het
       negatieve effect van de van anti-epileptica op het cognitief functioneren is et grootste
       op psychomotorische snelheid, vigilantie en de geheugenfuncties. Ook op de
       stemming zijn een aantal bijwerkingen gevonden. Een operatie vormt vaak een goede
       manier om het leven van de onbehandelbare epilepsie patiënt te verbeteren, risico‟s
       zijn dan wel groter om een cognitieve beperking te krijgen.

4 Cognitieve effecten van epilepsie
4.1 Intellectuele functies en cognitieve deterioratie


                                                                                              59
       Het hebben van een groot aantal tonisch-clonische aanvallen is een risico voor
       cognitief disfunctioneren. Maar verder onderzoek moet nog aantonen hoe het met de
       algemene epileptici zit.

4.2 Geheugenfuncties
       Dit zijn de meest frequent gerapporteerde klachten. Het is nog niet duidelijk of
       hippocampale sclerose de oorzaak of het gevolg van de aanvallen is. Ontladingen
       kunnen het proces van long term potentiation verstoren. Een hoge aanvalsfrequentie
       laat een relatie zien met beperkingen van het verbale geheugen.

4.3 Taalfuncties
       Een idiopathische epilepsie heeft zelden een afasie tot gevolg. Wel kunnen afatische
       perioden zich voordoen als gevolg van een partiele aanval. Het syndroom van Landau-
       Kleffner kenmerkt zich door een verstoorde taalontwikkeling. Epilepsie aan de
       linkerkant kan taalproblemen met zich meebrengen, interessant is dat een vroege
       debuutleeftijd een ipsilaterale organisatie teweeg brengt, wat minder groot risico geeft
       voor problemen na een chirurgische ingreep.

4.4 Aandacht en concentratie
       Er zijn weinig aanwijzingen voor aandachtsproblemen. Het is lastig om te
       onderzoeken wat de precieze invloed is van epilepsie op bepaalde aandachtstaken. De
       medicijnen hebben vaak de meest vermelde invloed.

5 Neuropsychiatrische aspecten van epilepsie
5.1 Persoonlijkheidsaspecten
       Er zijn niet veel bewezen relaties tussen epilepsie en gedrag, wel wordt er als gevolg
       van epilepsie minder initiatief genomen tot sociaal contact.

5.2 Depressie
       De meest voorkomende stemmingsstoornis bij epilepsie. Dit kan door reacties uit de
       omgeving komen of door bv aangeleerde hulpeloosheid. Neurobiologisch komt
       depressie meer voor bij epilepsie in de limbische structuren of temporale delen van de
       linkerhemisfeer.

5.3 Psychose
       2 tot 8 % heeft psychoses, dat is hoger dan de 1% van de algehele bevolking. Anti-
       epileptica kunnen ook veroorzaker zijn van psychoses. Soms treden er schizofrenie
       achtige psychosen op.


Emotie (13)
Issues in the cognitive neuroscience of emotion
- Basic emotions
        Er zijn universele gezichtsuitdrukkingen. Verschillende neurologische systemen liggen
        ten grondslag aan emoties.

- Dimensions of emotion




                                                                                                60
       Er zijn fijne gevoelens en gevoelens die dat niet zijn. Ook kun je de arousel meten,
       hoe hoog de emotionele respons is. Door deze dimensie toe te voegen kunnen emoties
       meer concreet onderzocht worden.

Manipulating and measuring emotion
- Techniques to elicit emotion
       Door een mood induction te gebruiken (“Denk aan iets dat je verdrietig maakt”), wordt
       een bepaalde emotie gemanipuleerd. Een van de bekendste manieren is door straffen
       of belonen. Ook een veelgebruikte manier in laboratoria is het laten zien van plaatjes,
       film, hard geluid, elektrisch schok, of bepaalde woorden waarmee een emotionele
       respons wordt uitgelokt.

- Techniques to measure emotion
       Hierbij kan de emotionele staat direct gevraagd worden, hoewel dit de meest gebruikte
       manier is, werkt deze niet altijd even adequaat. Een subject hoeft niet per se bewust te
       zijn van zijn emotionele staat. Een andere manier is het subject te laten kiezen uit een
       paar mogelijkheden. Ook kan er een aandachtstaak gegeven worden waarin emoties
       voorkomen. Een heel andere benadering is de veronderstelling dat emoties ook
       lichamelijke gevolgen hebben. Als we bang zijn begint ons hart harder te slaan bv. Dit
       wordt veroorzaakt door het autonomische zenuwstelsel. Een manier om dit te meten is
       de skin conductance responce (SCR), ook wel galvanic skin responce genoemd. Kleine
       elektrodes op de vingers zenden kleine schokjes door de huid, en meten daarmee de
       activiteit van de zweetcellen, die vaak niet zo nauwkeurig bewust te voelen is. Als
       iemand liegt is dat dus ook meetbaar! Hoewel een criminele psychopaat misschien
       geen normale emotionele reacties vertoont.

Emotion and cognition
      Affective judgement: Zajonc denkt dat dit onafhankelijk en voor de cognitie ontstaat.
      Lazarus dacht dat emoties niet zonder cognities kunnen. Volgens recent onderzoek
      heeft is het idee van Zajonc logischer, de amygdala is bv gespecialiseerd in emotionele
      reacties. Maar ook wees onderzoek uit dat emotionele systemen de cognitieve kunnen
      beïnvloeden en andersom. Beiden hadden dus gelijk.

Neural systems in emotional processing
- The limbic system
        MacLean (1950) introduceerde deze naam, hoewel die niet zeer functioneel als maar
        meer beschrijvend bleek te kloppen. Nu denken we niet aan een emotioneel circuit
        voor emoties, want emoties zijn een complexe reeks van gedragingen en uitingen waar
        verscheidene circuits voor in interactie zijn. Anterior cingulate gyrus, hypothalamus,
        basale ganglia, insular cortex en de somasensory cortex.

- Orbitofrontal cortex
        Is een deel van de prefrontale cortex die de frontale lobs vormt. Soms wordt deze regio
        in twee stukken gebroken; de vertromediale prefrontale cortex en de laterale-orbitale
        prefrontale cortex. Deze structuur bevat een grote variatie aan gedrag, moeilijk om
        precies te definiëren. De functies zijn; inhiberen, evalueren, en spelen een rol in
        sociale en emotionele informatie zoals emotionele keuzes maken.

- Decision making



                                                                                            61
       Kiezen is meer dan het discrimineren van stimuli, je normen, emoties, en sociale
       situatie spelen ook een rol. Wanneer iets een automatisch proces is ben je niet bewust
       van je keuzes, tenzij er een gebeurtenis is die je aandacht trekt. De orbitofrontale
       cortex schijn belangrijk te zijn bij het proces van evalueren, en het filteren van sociale
       en emotionele informatie.

- Social decision making
       De frontale lob speelt een belangrijke rol in het selecteren van informatie. Patiënten
       hebben moeite met het onderdrukken van ongewenste sociale reacties zoals agressie.
       Ze gebruiken gebruiksvoorwerpen waarvoor ze gebruikt worden ongeacht de situatie
       (utilization behavior, een naald en hamer voor het ophangen van een poster, en een
       injectienaald wordt zonder pardon in de kont van de dokter gestoken!). Patiënten
       vertonen ook nabootsgedrag, hun persoonlijkheid verandert na de laesie, en ze lappen
       sociale regels aan hun laars; ze gedragen zich antisociaal.

- Emotional decision making
       De situatie bepaald mede hoe een keuze tot stand komt. De somatic marker theorie van
       Damasio houdt in dat de lichaamssensaties (somatics) emotionele herinneringen
       activeren, het is een link naar een fysiologische ervaring. Somatic marker opereren
       nauw met de het automatisch anticiperen door affectieve consequenties van elke actie
       af te wegen. Iemand met een laesie in de orbitofrontale cortex is dus niet in staat de
       emotionele gevolgen van zijn acties in te zien.
       We weten theoretisch wat de orbitofrontale cortex doet, maar de exacte rol is nog niet
       bekend.

Amygdala
     De amygdala is een kleine ronde structuur in de mediale temporale lob aangrenzend
     aan de anteriore van de hippocampus. De amygdala heeft met emoties te maken,
     betreffende het emotioneel leren en geheugen.

- Implicit emotional learning
       Fear conditioneren is een manier waarop de amygdala leert. Als je ooit wat engs hebt
       meegemaakt op een bepaalde plek, zou je op die plek onbewust de emotionele staat die
       bij de gebeurtenis kunnen krijgen en bang worden zonder dat je je herinnerd in eerste
       instantie waarom je zo bang bent. Als je vaker op die plek komt, kan die angst reactie
       wat afnemen omdat er misschien andere gebeurtenissen plaatsvinden met een andere
       emotionele lading.
       Er zijn twee wegen naar de amygdala, de „low road‟, die via de thalamus direct naar de
       amygdala gaat dit is een ruw signaal. De „high road‟ gaat op hetzelfde tijdstip via de
       thalamus naar de sensorische cortex en wordt daar verder geanalyseerd, deze weg is
       langzamer maar nauwkeuriger. Je zou kunnen zeggen dat de snelle weg de amygdala
       klaar maakt om te reageren, de amygdala wordt geprimed. Hoewel twee wegen
       overdreven lijken is het belangrijk om in gevaarlijke situaties snel en correct te kunnen
       reageren.

- Explicit emotional learning
       De amygdala is niet alleen belangrijk voor angstleren, ze interacteerd ook met de
       hippocampus. Er zijn twee wegen waarmee de amygdala en de hippocampus het
       declaratief geheugen uitwisselen. De amygdala is belangrijk voor de normale indirecte
       emotionele reactie op stimuli die expliciet geleerd zijn, anders dan fear conditioneren.


                                                                                               62
       Ook kan de amygdala de sterkte van expliciete of declaratieve herinneringen van
       emotionele gebeurtenissen beïnvloeden door het moduleren van deze herinneringen.
       Je kunt bang zijn van een hond die je heeft gebeten of omdat er verteld is dat deze
       hond zou kunnen bijten, het laatste is expliciet leren. De amygdala is belangrijk voor
       het moduleren van de herinneringen in de hippocampus, dit gebeurt door het
       versterken van de handhaving, niet door het eerst encoderen van de stimulus. Er wordt
       voor gezorgd door de amygdala dat de opwindende gebeurtenissen niet vergeten
       worden, en dat de lichaamsreflex op bedreigende situaties geschikt en aangepast is.

- Social responses
       Hoewel de amygdala niet belangrijk is voor de meeste vormen van expliciete
       informatie evaluatie, dat houdt in de mogelijkheid voor de bewuste labels als goed of
       fout of neutraal, is de amygdala wel belangrijk voor een onderdeel van sociale
       reacties: gezichtsuitdrukkingen. In onderzoek is aangetoond dat normale personen een
       bang gezicht als „heel bang‟ interpreteren terwijl een persoon met een beschadiging in
       de amygdala zal zeggen dat het gezicht „niet echt bang kijkt‟. Deze „handicap‟ speelt
       het meeste bij de uitdrukking „angst‟. In neuroimaging onderzoek worden plaatjes
       soms zo snel getoond dat het subject ze niet bewust ziet, nu blijkt dat de amygdala ze
       wel degelijk „ziet‟.

- Vigilance
        Attentional blink; treed op als een tweede stimulus snel achter een eerste volgt,
        doordat er een kleine herstel periode nodig is wordt het lastig om in deze periode een
        stimulus waar te nemen. Maar als het tweede woord negatief is, is het makkelijker dit
        woord waar te nemen. De rol van de amygdala is misschien het sturen van informatie
        naar systemen die hiervoor gevoelig zijn, door daar de gevoeligheid te verhogen wordt
        ook de mogelijkheid voor een emotionele respons verhoogd.

Laterality
- Emotion communication
       Er wordt gesuggereerd dat de rechter hemisfeer belangrijk is voor emotionele
       communicatie dan de linker. Om emoties te communiceren moeten er twee basis
       vermogens zijn; de emoties moeten omgezet kunnen worden in spraak en
       gezichtsuitdrukkingen, en we moeten deze van anderen kunnen begrijpen. De niet
       component die niet met taal te maken heeft maar met de uitdrukking, „de toon‟,
       noemen we de emotionele prosody.

- Affective style
       Iedereen verschilt in zijn reactie op eenzelfde emotionele gebeurtenis, dit werd oor
       Davidson de affectieve stijl genoemd. Patiënten met schade aan de linkerhemisfeer
       worden vaak beschreven als catastrofisch en huilerig over hun verwonding. Terwijl de
       beschrijvingen van patiënten met schade aan de rechterkant meer gaan over het niet
       verbaasd zijn, of bezorgd over hun verwonding. De linkerhemisfeer is meer van het
       benaderen (bij positieve doelen) en de rechter meer van het terugtrekken (bij negatieve
       situaties of doelen).




                                                                                           63

								
To top