The Future of Public Space Beyond Invented Streets and Reinvented

Document Sample
The Future of Public Space Beyond Invented Streets and Reinvented Powered By Docstoc
					       The Future of Public Space: Beyond Invented Streets and Reinvented Places.
                                       Banerjee, T.

Samenvatting.
Dit artikel draait om de vraag: wat is de toekomst van de publieke (openbare) ruimte? Is het iets van
het verleden? Zullen we verder ons terugtrekken in „cyberspace‟ door de komst van het Internet?
Zullen de enige publieke ruimtes die overblijven met een commercieel doel ontwikkeld zijn? En wat is
de rol van de planner in het vaststellen van de toekomst van publieke ruimte?
We maken ons zorgen dat de publieke ruimte (en zelfs het publieke in het algemeen) afneemt. De
oorzaken hiervan worden in dit artikel besproken in een historische context en in recente
transformaties in sociale waarden en de publieke ethos. Er lijken drie grote trends te zijn die de
toekomstige vraag en aanbod van publieke ruimte vormgeven:
    - Privatisering;
    - Globalisering;
    - Communicatie revolutie (technologische revolutie).
Planners moeten op de effecten van deze trends anticiperen, maar ook focussen op het concept van
het publieke leven, welke het publieke en het private omvat. Aan het einde van het artikel worden er
punten aangegeven waarin de planners kunnen bijdragen aan publieke ruimte en de mogelijkheden
en initiatieven voor de toekomst.

De rest is een uitgebreidere samenvatting van het artikel. Het taalgebruik is niet optimaal, omdat het
soms wat lastig is om van het Engels naar het Nederlands te vertalen. Succes!

Wat is de toekomst van publieke ruimte?
Honderd jaar geleden maakten de stads parken nog een grote groei door in de VS (het hele artikel
gaat over de VS!). In tegenstelling hiermee is er in de laatste decennia weinig groei van parken en
open ruimte geweest. Aan (gemaks-) voorzieningen die bijdragen aan de leefbaarheid van steden is
nu een tekort en het aantal open ruimtes heeft de bevolkingsgroei niet bij kunnen houden, met name
in oudere kern steden. Hoewel de hoeveelheid open ruimte wel is toegenomen in suburbs, is het
algemene plaatje van de metropool dat hierin ongelijkheid heerst. Er is een verschil ontstaan tussen
de rijke suburbs en de meer modale inkomens in de oudere en binnenstedelijke gemeenschappen.
Het tekort en de ongelijkheid in de distributie van stedelijke open ruimte zijn symptomen van grotere
transformaties van de publieke ruimte en het publieke in het algemeen. Deze (sleutel) veranderingen
(en onderling verbonden trends) zijn politieke, economische en technologische veranderingen.
    - Het verdwijnen van het publieke, door markt liberalisme en vermindering van
         overheidsbemoeienis. De rol van privaat en de non-profit sector zijn gegroeid;
    - Conflicten en spanningen op lokaal niveau over economie, de omgeving en ongelijkheid zijn
         een bijproduct van een grotere herstructurering van de globale economie, die gekenmerkt
         wordt door de groei van transnationale corporatie macht, internationale werk mobiliteit,
         gepolariseerde lokale en globale economieën en de ondergeschiktheid van het lokale belang
         aan het belang van het globale kapitaal;
    - De snelle groei van de informatie en communicatie technologie revolutie draagt bij aan
         veranderingen in traditionele concepten van plaats en gemeenschap, lokale versus globale
         belangen, individu en groep identiteiten en de natuur van de dagelijkse handel en de sociale
         relaties.
Deze trends representeren fundamentele verschuivingen in de manier waarop het publieke leven en
de ruimte worden geconceptualiseerd en in de waarden die daaraan geassocieerd zijn.
De ontwerpen en plannen voor publieke ruimte moeten gebaseerd zijn op het begrijpen van de
oorzaken en de gevolgen van deze trends en de veranderende natuur van het publieke leven.

Sociale waarden van open stadsruimten.
Beginnen met kijken naar de evolutie van waarden en symboliek geassocieerd met open stadsruimten
in het verleden. In de tweede helft van de 19e eeuw transformeerden de meeste grote steden in de
VS grote stukken grond in de stad tot grote stadsparken of stadspark systemen, welke vandaag de
dag nog steeds belangrijk zijn. De stadspark systemen zijn de enige uitzondering op de verder
geprivatiseerde wereld van de stadsgebouwen. Deze systemen zijn een poging om de
nuttigheidsvormen van de Amerikaanse stad menselijk te maken.
(Olmsted -> creëren van orde en structuur in de uitbreidende industriële steden van de late 19 e,
vroege 20e eeuw. De burgerlijke deugden in de ontwerpen voor publieke parken van Olmsted
bevatten democratische idealen, goed burgerschap, burgerlijke verantwoordelijkheden en het sociale
verdrag dat de grondlegger is van de kern van de samenleving.)
(Rosenfield -> het publieke park diende als functie voor de democratie om de instituties en de
ideologische principes van deze culturen te vieren en om tot republikeinse deugdelijkheid te
inspireren: burgerlijke trots, sociaal contact (vooral tussen mensen met verschillende achtergronden),
een gevoel van vrijheid en common sense (op het gebied van esthetische standaarden en publieke
smaak).
Zulke retorische interpretaties van het stadspark (hoewel positief) leiden tot de vraag naar klasse,
etniciteit en inkomens ongelijkheid. Sociaal contact was een van de nagestreefde waarden van open
ruimte, maar negeerde de dagelijkse realiteit van de klasse en etniciteit verschillen in Amerika.
In de vroege 20e eeuw waren gezondheid, hygiëne en recreatieve mogelijkheden voor het publiek de
principale redenen voor open ruimte. Dit gold voor elk schaal niveau (van metropool tot buurt). Deze
redenen zijn geïnspireerd op Ebenerzer Howard en de tuinstad, als tegengif tegen de overvolle en
vervuilde omgeving van de industriële stad. Zo transformeerde de visie van Olmsted van burgerlijke
trots en republikeinse deugden in een gemeenschappelijke kijk op het publieke. Sindsdien worden
parken en open ruimte in Amerikaanse steden geïdentificeerd met recreatie, lichamelijke en
geestelijke gezondheid, verbinding met de natuur en dergelijke en worden zij als publiek goed gezien.
Dit werd in standaards opgenomen en natiewijd overgenomen. Bij het promoten van het publieke
service aspect werden park afdelingen nu meer betrokken bij de programmering en organisatie van
recreatieve gebeurtenissen. De focus lag nu meer op de sociale nuttigheid van de parken dan op de
esthetische waarden en de burgerlijke doelen. Zo werd het plannen van een park meer
geïnstitutionaliseerd en meer bureaucratisch. Maar door gebrek aan budget bleven vele plannen
slechts bij advies en werden zij niet gerealiseerd. Door de bezuinigingen in 1970s kon de stad de
parken niet meer onderhouden, waardoor ze kwetsbaar werden voor misbruik en werden gemeden
door het publiek.
In de laatste jaren ligt de nadruk vooral op de veronderstelling of dat het park en de open ruimten
een publiek goed dienen te zijn. De financieel uitgeklede steden zijn afhankelijk van private middelen
om open ruimten te creëren.

De neergang van het publieke leven. (A narrative of loss.)
Niet alle open ruimten zijn publiek en niet alle publieke ruimten zijn open. Zijn ruimten zowel
lichamelijk als geestelijk toegankelijk? Zijn ze ruim beschikbaar? Zijn ze gelijk verdeeld in een
stadsregio? Zo niet zijn het dan wel publieke of democratische ruimten?
De laatste jaren bestaat er de zorg dat er een algemene neergang van het publieke leven is. Sommige
zeggen dat de sociale cohesie die belangrijk is voor een duurzaam publiek leven typisch voor vele
homogene culturen moeilijk in de VS te behouden is omdat het publiek heterogeen en pluralistisch is.
Ook wordt er gezegd dat de neergang van het publieke leven samengaat met een neergang in de
publieke „spirit‟ (welke plaatsvindt in de kern van onze collectieve intuïties van de maatschappij).
Burgerlijke formaties (zoals voetbalclubs) dragen bij aan ons sociaal kapitaal en kunnen een positieve
bijdrage leveren aan de lokale overheid in moderne samenlevingen. Maar sinds de Tweede
Wereldoorlog is deze „spirit‟ mede door toedoen van de toename van onze blootstelling aan de
televisie en de privatisering van vrijetijdsactiviteiten gedaald. Tevens is deze „narrative of
loss‟/teruggang van de kwaliteit van de publieke ruimten en het vertrekken van het publiek uit deze
ruimten gevolg van een algemene terugloop van de „beschaafdheid‟ en door gebrek aan territoriale
controle (met als gevolg vandalisme en dergelijke).

Privatisering van het publieke leven en ruimten
Deze „terneergang‟ van publieke ruimten is verbonden met de trend van geprivatiseerde publieke
ruimten. De geprivatiseerde ruimten zijn niet meer echt publiek (ze zijn privé eigendom en
gemanaged) hoewel ze dit wel vaak pretenderen en hoewel ze gecreëerd kunnen zijn door „incentive
zoning programs‟ (dit is bouwen/voldoen aan bepaalde eisen, bv voorzien in publieke ruimte, in ruil
voor extra bouwruimte – in de hoogte). Vaak is toegang tot een ruimte een privilege en niet een
recht. Veelal worden deze ruimten bewaakt (camera‟s, bodyguards, etc.). Dit wordt ook wel “fortress”
environments genoemd (Davis). Maar door het ontwerp, de locatie, en het management beleid,
blijven veel van deze open ruimte van corporaties leeg (geen publiek). Deze ontwikkeling wordt in
veel steden for granted genomen.
Shopping malls zijn echter een ander verhaal. Zij zijn het nieuwe downtown. Maar toen de publieke
activiteiten die typisch zijn voor de downtown van publieke ruimten (uitdelen van flyers, discussies en
speeches, enz) ook voor begonnen te komen in de shopping malls, reageerden de managers van de
shopping malls hierop met het uitsluiten van zulke activiteiten en mensen. Shopping malls zijn niet
geconstrueerd als publiek forum, hetzelfde geldt voor corporatie plazas.
Vele van deze gethematiseerde ruimten creëren een illusie van publieke ruimte, waar de risico‟s en de
onzekerheden van het alledaagse leven „uitgeknipt‟ zijn (zoals zwervers e.d.). Zo wordt een
onderscheid gemaakt tussen het private en het publieke (het heilige en het heidense – Eliade – of de
verhandeling van puurheid en gevaar als basis voor de scheiding tussen het ongewenste en onze
publieke ervaring – Douglas). Analogous city (Boddy) = een stad van aangelegde stads ruimten die de
armen en de ongewensten buiten houdt. Deze uiting van geïsoleerde en beschermde ruimten heeft
zich uitgebreid buiten de handel en shopping districts van de stad. Een voorbeeld in de VS hiervan zijn
de gated communities. Deze zijn ontstaan door een behoefte aan veiligheid, een zoektocht naar een
gemeenschap (waarschijnlijk gebaseerd op homogeniteit en cohesie, bv. Blank, rijk, enz.). Het gevolg
is een “club phenomenon”: een metafoor (van Tiebout) om de politieke economie van metropole
fragmentatie betrokken bij multi autonome gemeenten uit te leggen. Volgens Blakely en Snyder is
deze tendens om te leven in club-achtige gemeenschappen met gezamenlijke ruimten en faciliteiten
door de angst voor onbekenden (vooral diegenen van een andere klasse, cultuur of etniciteit of
nationaliteit) niet alleen een bezorgdheid voor persoonlijke veiligheid (en die van het bezit/eigendom).
De zoektocht naar een utopie in zulke gecontroleerde gemeenschappen is een object en subject
geworden om het domein van de entertainment industrie uit te breiden (The Disney Corporation met
bv. Celebration: een corporatie dorp/stad gebaseerd op een entertainment gebaseerde corporatie
visie welke zelfs het script levert voor het gebruik van de publieke ruimte). Als deze ontwikkeling
werkelijk de gemeenschappelijke idealen combineert, wat zegt dat dan over de toekomst van de
publieke ruimte? Er wordt gedacht dat deze trend gevolgd gaat worden, maar de echte vraag dan is:
worden deze producten dan alleen gemaakt in de vorm van een geïsoleerde gated community? Als dat
de trend is dan zullen de democratische ideeën van de publieke ruimte verder wegkwijnen. Men moet
dan gaan betalen voor een publiek leven.

Uitgevonden straten: een publiek leven van flaneren en “Third places”.
Het idee van „‟loss‟ geassocieerd met de teruggang van publieke ruimte verondersteld dat een effectief
publiek leven samenhangt met een levensvatbare publiek‟heid‟. Het publieke leven is onlosmakelijk
verbonden met de publieke “sphere” en de notie van de samenleving dat publieke aangelegenheden
bediscussieerd worden in publieke ruimten. Deze publieke sfeer lijkt te bestaan tussen de privacy van
ons individuele en huiselijke leven en de overheid. Onze individuele sfeer van het publieke leven is
gevormd door de consumenten cultuur en de “experience economy‟ (belevingseconomie). De settings
voor dit publieke leven is niet noodzakelijk een publieke ruimte, maar “Third places”, als in
tegenstelling tot de eerste plaats van het huis/thuis en de tweede van het werk of school (bars,
beauty salons, pool halls). Er zijn ook cultuur specifieke derde plaatsen, die historisch geassocieerd
worden met de cultuur en stedelijkheid van verschillende steden (Irisch pubs enz.).
Thema parken zijn uitgevonden plaatsen die sommige aspecten van ons collectieve publieke leven
proberen te vangen, dit zijn geen derde plaatsen. Thema parken zijn corporatie producties in de
toeristen en entertainment industrie, een bijproduct van de film industrie (en gemanaged door bv.
Disney). Er is hierover veel geschreven (de rol van corporatie thema parken als leidraad voor het
inpakken en verkopen van stadsruimten). Er is minder geschreven over de redenen waarom deze
settings zo succesvol zijn in het aantrekken van publiek (behalve dat ze entertainment bieden, een
essentieel onderdeel van de experience economy).
Ook de culturele en sociale context van ons gedrag heeft veel aandacht gehad in de literatuur over
„the urbanism of modernity‟. Er wordt gefocust op de relatie tussen de observant en de omgeving, en
hoe de gebouwde vorm gecreëerd is om handel van massa consumptie te faciliteren. Parijs (in de late
19e eeuw) wordt hier vaak gebruikt als setting om dit te verduidelijken. Het flaneren komt hier
vandaan (de arcades van Parijs zijn de vroegste vorm van geprivatiseerde publieke ruimten en
voorloper van shopping malls e.d.)
Vandaag de dag is het een mix van flaneren en derde plaatsen dat het script is voor een succesvol
publiek leven. Shopping malls zijn bijvoorbeeld gemaakt om flaneren te bevorderen (hanging out).
Deze formule wordt ook toegepast in opnieuw uitgevonden straten en ruimten: namelijk de
gethematiseerde omgeving. Deze opnieuw uitgevonden plaatsen danken hun design metaforen aan
hun historisch plaats. (bv. Oude haven plaatsen). Er wordt geprobeerd om een publiek leven te
creëren van flaneren en consumptie. Of dit plaats vindt in een private of publieke ruimte doet er niet
toe. De lijn tussen publiek en privaat is vaag.
Vroeger was de veronderstelling dat als we een ruimte ontworpen er vanzelf activiteiten plaats zouden
vinden. Dit fysisch determinisme bleek niet te kloppen, maar wordt wel nog veel toegepast.
Het succes van de opnieuw uitgevonden straten en ruimten laat een verschuiving zien van een nadruk
op vorm naar een nadruk op functie (flaneren). De vorm is alleen maar een stage set en kan
makkelijk veranderd worden.

Feestelijke steden en oproerig burgerschap in een globaliserende tijd.
(Peattie) Planners zijn meestal te obsest met het creëren en de wederopbouw van een gemeenschap,
maar zij hebben weinig aandacht voor de feestelijkheid (of vrolijkheid, gezelligheid) van het te
plannen doel. Feestelijkheid (conviviality) = autonome en creatieve interactie tussen personen, en de
interactie met hun omgeving. Veel van deze gemeenschappelijke acties gebeuren typisch in bestaande
publieke ruimten (straten, parken, publieke gebouwen als scholen) en herbevestigen de rol van het
publieke. Democratische feestelijkheid bindt mensen in gemeenschappelijke publieke acties. Door de
globaliserende economie die spanningen en tegenstrijdigheden is er nog hoop voor dit ideaal.
Spanningen symboliseren namelijk machteloosheid van het lokale publiek tegenover de globale
corporatie interesses. (Trends van culturele homogenisering, groeiende polarisatie van inkomen, enz.)
Demonstraties zijn een uiting van frustratie over een gebrek aan lokale controle, wat leidt tot een
toenemende mobilisatie op een lokaal en buurt niveau. Dit lokale activisme/community activisme leidt
tot (mag verwacht worden) een focus op het verbeteren van de leefbaarheid van straten, buurten en
de gedeelde publieke ruimte. Deze non-profit groepen nemen toe en zorgen voor feestelijkheid en
creëren derde plaatsen in arme wijken, waar de markt niet in durft te investeren. De claim van lokaal
publieke ruimte kan ontstaat uit verschillende oproerige burger en buurt initiatieven. Is dit het begin
van het terugeisen van het publieke domein op een buurt niveau?

De communicatie en informatie technologie revolutie.
Deze revolutie heeft het mogelijk gemaakt om ons zelf verder te isoleren van het publiek
leven/ruimten. We zijn burgers van cyberspace/cybercommunities (cyborgs). Maar maakt dit het
sociale leven en de echte plaatsen en gemeenschappen overbodig (doordat het mogelijk is om al onze
dagelijkse activiteiten te doen met deze technologie, face-to-face contact, communicatie en reizen
minimaliserend)? De transactie kosten van het leven in steden kan geminimaliseerd worden door het
behoren tot een netwerk maatschappij, welke het belang van publieke aangelegenheden verder
vermindert. Of zal het leiden tot een sterker gevoel van „localities‟ en lokale publieke ruimten? Zal het
een heropleving van de gemeenschap in de straten en derde plaatsen tot gevolg hebben?
Het cyborgische leven kan ook leiden tot verdere isolatie en terugtrekking. De dualiteit van een
publieke stad van armen en afhankelijken en een private stad voor de succesvollen zal blijven bij deze
twee zijden van deze digitale verdeling.

Wat kunnen/moeten planners doen?
Er zijn fundamentele veranderingen onderweg in de manier waarop publieke ruimte/ het publieke
domein traditioneel gezien werd. Het onderscheid tussen private en publiek blijft vaag. Het publieke
leven zal meer plaats gaan vinden in private plaatsen of in cyberspace, maar het in niet
vanzelfsprekend dat dit onze behoefte aan sociaal contact en het leven buiten de deur zal vervangen.
De vraag naar parken enz zal blijven toenemen (vooral in de binnenstad en onder schoolgaande
kinderen en ouderen).
Of de lokale overheid tegemoet kan komen aan de vraag naar zulke publieke ruimten door planning
blijft onzeker. Wel zullen non-profit en private initiatieven toenemen. De fragmentatie van politieke
ruimte van stedelijke gebieden en de strijd voor lokale controle van publiek ruimten zal ook door
blijven gaan. Dit zelfde geld voor de clubachtige gemeenten en de gated communities, deze zullen
blijven toenemen, wat tot een ongelijkheid in de toegankelijkheid van (gemaks-) voorzieningen zal
leiden. Planners die met de toekomst van publieke ruimte bezig zijn, bevinden zich in een
continuerende (en multi) spanningen veld. Wat kunnen ze doen?
      - Doorgaan met het dienen als advocaten voor publieke ruimte en het steunen van bewoners
         initiatieven. (verantwoordelijkheid nemen in lokale initiatieven, vinden van creatieve
         oplossingen). Actief betrokken zijn bij het vormen van publieke initiatieven op overheid of
         lokaal niveau die leiden tot meer gelijke uitkomsten.
    -   Bemiddelen tussen de publieke, private en non-profit sectors. Er van uitgaande dat
        oplossingen voor maatschappelijke problemen meer en meer opgelost zullen worden door
        samenwerking in al deze drie de sectoren.
    -   Vervangen van de bestaande, oude standaarden voor open ruimten (output georiënteerde
        uitvoeringen die leiden tot het betrekken van het publieke en private domein).
    -   Focussen op het concept van het publieke leven en niet zo zeer op publieke ruimten. Planners
        hebben te veel het publieke leven geassocieerd met publieke ruimten. Steeds vaker komt het
        publieke leven ook voor in private ruimten. (Planningsdoel: feestelijkheid/third places).
    -   Het gebruik van publiek ruimten om analogous cities te creëren tegengaan. Dus tegen
        systemen van ruimten en verbanden die een klasse met privileges van het publiek isoleren.
    -   Opnieuw uitvinden van oude gebieden (gebruik historie).
    -   Steunen van kleine handel/bedrijven van derde plaatsen die aan de variatie van het publieke
        leven bijdragen. (Overheid subsidies voor cafés die entertainment brengen in een
        gemeenschap met een gebrek aan levendig publiek leven. Dus combineren lokaal
        economische ontwikkeling met het stimuleren van het publieke leven en gemeenschaps
        ontwikkeling.)
    -   Creatief gebruik maken van handel als verband tussen „fees‟ (beloningen/geld) om het aanbod
        van publieke ruimten en het publieke leven te verbeteren.
    -   Focussen op het design van de straten als publieke ruimten. Om de kwaliteit van het publieke
        leven en ruimten te definiëren (voor sociale doeleinden en niet alleen maar voor transport en
        verkeersstromen).
    -   Feestelijkheid betrekken bij het publieke leven als object van het straat design. Transitie
        systemen/stations e.d. kunnen een belangrijk element van het publieke domein zijn.
    -   Reageren op de veranderingen van de vraag van een in diversiteit toenemende populatie
        (immigranten en etnische groepen met hun behoeften, bv. Straat markten). Zoning codes en
        business regulations ontmoedigen degelijke activiteiten, dus deze regels aanpassen.

Nawoord
Het lijkt dat er in de VS pogingen onderweg zijn om nieuwe open ruimte te creëren onder lokale of
nationale overheid en andere initiatieven. Economische groei en welvaart in de 1990s hebben deze
initiatieven gefinancierd. Publieke pogingen om parken en open ruimten in samenhang met veilige
buurten of land en water behoud programma‟s te creëren blijven doorgaan en worden sterker. Of
zulke initiatieven zich over het hele land zullen verspreiden als signaal van een nieuwe opleving van
burger en publieke waarden moeten we afwachten. Maar laten we er op hopen.