; Hoofdstuk 12_ Pricing products_ pricing considerations
Documents
Resources
Learning Center
Upload
Plans & pricing Sign in
Sign Out
Your Federal Quarterly Tax Payments are due April 15th Get Help Now >>

Hoofdstuk 12_ Pricing products_ pricing considerations

VIEWS: 5 PAGES: 16

  • pg 1
									Samenvattingen, scripties en boekverslagen op Internet: http://leden.tref.nl/robertpl/

Hoofdstuk 12: Pricing products: pricing considerations and approaches
Aanbieders en vragers Aanbieders bieden niets aan beneden een bepaalde bodemprijs. Vragers daarentegen kopen niets boven een bepaalde prijs (plafond). Tussen de bodem- en de plafondprijs wordt de prijs bepaald door de vrije marktwerking. De marketing besteed voornamelijk aandacht aan de prijs als instrument om marketing- en ondernemingsdoelstelling te verwezenlijken. De prijs wordt beïnvloed door: a. interne factoren; b. externe factoren. Ten eerste zullen de interne factoren behandeld worden:
PRIJS

 Marketing doelstellingen  overleven;  korte-termijn-winstmaximalisatie;  marktaandeel;  produkt-kwaliteit leiderschap;  andere marketing doelstellingen:  lage prijzen om concurrentie te verminderen;  lage prijzen ter voorkoming van overheidsingrijpen;  etc.  Marketing mix strategie Prijs vaststellen in samenhang met andere mix-instrumenten. (consistentie/synergie) Bijvoorbeeld:  produkt: kwaliteit, merk (Rolex): veel goud enz.;  promotie: exclusieve bladen;  plaats: distributie: exclusieve juwelier;  prijs: hoog. Zij bepalen samen het imago van het horloge bij de consument (=positioneren).
KOSTEN

De kosten bepalen meestal de bodemprijs van een produkt. De totale kosten (TK) bestaan uit twee elementen. Dit zijn de Constante Kosten (costs oftewel CK) en de Variabele Kosten (VK). Samenhang tussen de Totale Kosten en het produktieniveau:  short (long) run average cost  ervaringscurve (“learning curve”)
SOORT ORGANISATIE

In de organisatie spelen een aantal vragen. Zoals bijvoorbeeld wie de prijs vaststelt. Het topmanagement? De marketing afdeling? Of is het de taak van de product manager?

Samenvattingen, scripties en boekverslagen op Internet: http://leden.tref.nl/robertpl/

Het soort organisatie wordt mede bepaald door de “overall” doelstelling van de onderneming. Ten tweede zullen de externe factoren behandeld worden:
SOORT MARKT (structuur / marktvorm)


Zuivere concurrentie (volledige mededinging / homogeen polypolie) kenmerken van deze marktvorm zijn:  veel aanbieders;  produkt: homogeen (bijvoorbeeld tarwe);  prijs: voor individuele onderneming gegeven. Monopolistische concurrentie (heterogene polypolie) kenmerken van deze marktvorm zijn:  veel aanbieders met eigen deelmarkt;  produkt is heterogeen;  prijs is beheersbaar. Oligopolistische concurrentie  enkele aanbieders;  produkt kan homogeen en heterogeen zijn;  prijs is bij een homogeen produkt star; bij een heterogeen produkt is de prijs beheersbaar. Zuivere monopolie  één aanbieder;  produkt heeft vele soorten;  prijs kan zelf bepaald worden (er is wel controle door de overheid). Bij een overheidsmonopolie spelen de doelstellingen een grote rol. Je kan hier bijvoorbeeld denken aan de sociale doelstellingen.







PERCEPTIE VAN DE CONSUMENT

De consument beslist in de ruil:  analyse prijs/vraag-relatie  duidelijke verschillen elastische / inelastische en prestige goederen  ook andere inlvoeden spelen een rol (reclame, recessie enz.)
ELASTICITEIT

Dit wordt beïnvloed door:  afwezigheid van substituten / concurrenten;  het niet herkennen van prijsveranderingen door de consumenten;  kopers passen langzaam hun koopgewoonten aan;  prijsverhogingen worden door consumenten als rechtvaardig gezien. (Opmerking: weinig bedrijven hebben inzicht in de prijselasticiteit van hun produkten)
INVLOED VAN DE CONCURRENT

 hoge prijs trekt concurrent aan;  de prijs wordt, samen met andere mix-elementen, gebruikt om te positioneren.

Samenvattingen, scripties en boekverslagen op Internet: http://leden.tref.nl/robertpl/

ANDERE EXTERNE FACTOREN

  

conjunctuur: bij recessie is prijsstijging moeilijk; inflatie, renteontwikkeling enz.; overheid (BTW, accijnzen, minimum prijzen enz.)

Methoden van prijsstelling

A. cost-based pricing (kosten georiënteerd) B. buyer-based pricing (afnemers georiënteerd) C. competition-based pricing (concurrentie georiënteerd)

Samenvattingen, scripties en boekverslagen op Internet: http://leden.tref.nl/robertpl/

Hoofdstuk 13: Pricing products: pricing strategies
Afroomprijsstrategie

Deze strategie wordt gehanteerd wanneer er een nieuw produkt geïntroduceerd is. Het afromen is echter wel aan een aantal voorwaarden verbonden:  produkt moet beschermd zijn en / of niet gemakkelijk na te maken;  produkt moet iets nieuws te bieden hebben (perceptie van de consument);  weinig prijsgevoelige vraag (inelastisch) (eerste segmenten: - innovators; - early adopters) Voordelen van afroomprijsstrategie:  hoge winst op korte termijn binnenhalen;  produktie kan langzaam uitgebreid worden. Nadelen van afroomprijsstrategie:  de concurrentie wordt aangetrokken;  het lange-termijn martktaandeel is onzeker.
Direct tegen lage prijs introduceren

Een nieuw produkt kan ook direct tegen een lage prijs geïntroduceerd worden. Voorwaarden hiervoor zijn:  prijsgevoelige vraag (elastisch);  kostprijs kan snel dalen als snel en massaal geproduceerd kan worden;  concurrentie moet op afstand blijven. Voordelen van direct een lage prijs:  je verwerft snel een groot marktaandeel (+ de vervanging) Nadelen van direct een lage prijs:  langere tijd nodig om het break-even-punt te halen (problemen bij een recessie);  mist klein segment dat meer wil betalen.
Prijsdiscriminatie

Verkoop van een produkt tegen uiteenlopende prijzen waarbij de prijzen niet direct gebaseerd zijn op kostenverschillen (verschillende segmenten met verschillende prijselasticiteit). De discriminatie kan gebaseerd zijn op:  Produkt: nauwelijks van elkaar verschillende produkten;  Afnemer: 65+ers, studenten, CJP’ers;  Plaats: voetbalstadion / schouwburg;  Tijd: bijv. hoog / laag seizoen, PTT met piek en dal tarief De voorwaarden voor effectieve prijsdiscriminatie zijn:  geen doorverkoop naar duurder segment;  segmentatie moet mogelijk zijn;  geen prijsconcentratie in het duurste segment.

Samenvattingen, scripties en boekverslagen op Internet: http://leden.tref.nl/robertpl/

Prijsdifferentiatie = Product-Line-Pricing

Verschillende prijzen voor verschillende produkten (binnen een produktgroep), gebaseerd op kostenverschillen en produkteigenschap-verschillen.
Prijsrange

De prijsrange is de ruimte tussen de laagste en de hoogste prijs in een produktgroep.
Differentiële prijszetting
 

voor het benutten van tijdelijke overcapaciteit wordt de prijs tijdelijk voor speciale klanten verlaagd (variabele kosten + opslag) pas op voor vaste klanten!!!

Passieve prijsstrategieën

 Prijs volgen Dit zijn bijvoorbeeld kartelafspraken maar ook bij banken de hypotheekrente.  Me-too-pricing Homogene oligopolie. Positioneren op basis van andere elementen dan de prijs (nonprice-competition)  Fair pricing Veelal toegepast door overheidsinstellingen. Bijvoorbeeld het Openbaar Vervoer.
Prijs-assortiments strategieën

1) Product-line pricing (full-line-pricing) Prijsverschil o.b.v.  kostprijsverschil (voornamelijk)  perceptie van de consument  concurrentie gevolg: prijssprongen 2) Price Lining Indeling van een produktgroep in een aantal prijsklassen (detailhandel). Een voorbeeld hiervan zijn overhemden. 3) Optie-prijs-strategie Accessoire bij standaard produkt. Prijs: aantrekkelijk en concurrerend. 4) Complementaire prijsstelling (captive product pricing) Hoge marge indien geen me-too-produkten. 5) Bijprodukten Dit soort produkten verlaagt vaak de prijs van het “hoofdprodukt”. 6) Product-bundle-pricing Een combinatie van produkten tegen een voordelige prijs.

Samenvattingen, scripties en boekverslagen op Internet: http://leden.tref.nl/robertpl/

Prijsaanpassingsstrategieën

I. Kortingen  contante betaling;  (cumulatieve) kwantumkortingen;  seizoenskorting;  functionele korting (rabat);  inruilkorting. II. Psychologische prijzen
hogeprijs: - kwaliteit

- prestige prijs - prijsdrempel (ƒ10,- => ƒ9,98). III. Promotionele prijzen “Nu drie halen twee betalen!” (soms onder de kostprijs) Loss Leader Pricing: lokkertje om “traffic” te vergroten. IV. Financieringskorting Auto’s => “Nu halen, volgend jaar betalen!” V. Value Pricing Tijdens recessies e.d. passen vele ondernemingen hun prijzen aan of komen ze met een minder dure versie op de markt. VI. Geografische prijsproblematiek  f.o.b. prijs transportkosten komen voor de rekening van de afnemer (moeilijk om verre markten te penetreren)  uniforme afleveringsprijs f.o.b. prijs + gemiddelde transportkosten  makkelijk voor de administratie  dichtbij gelegen afnemers betalen relatief veel  zone pricing bijvoorbeeld leveranties aan België zijn goedkoper dan leveranties aan Frankrijk  basic-point-pricing combinatie van zone en f.o.b. pricing  freight absorption pricing leverancier neemt zelf deel van of gehele transportkosten voor zijn rekening
Prijsveranderingen

 Redenen voor prijsverlaging  overcapaciteit  marktaandeelvergroting  concurrentie heeft ook lagere prijzen  lagere kosten  Redenen voor prijsverhoging  winstverhoging  grotere vraag (demand-pull-inflation)  gestegen kosten (cost-push)

Samenvattingen, scripties en boekverslagen op Internet: http://leden.tref.nl/robertpl/

 Reactie van de concurrent
De reactie is afhankelijk van de marktstructuur. Bij een homogene oligopolie is dit een complex vraagstuk.

Samenvattingen, scripties en boekverslagen op Internet: http://leden.tref.nl/robertpl/

Hoofdstuk 14: Placing products: distribution channels and physical distribution
Distributie

Belangrijk principe: Op de juiste plaats en op het juiste tijdstip de doelgroep benaderen, ofwel door overbrugging van tijd, plaats en bezit de vraag en het aanbod op elkaar afstemmen.
Tussenhandel

De tussenhandel heeft de volgende functie: overbrugging van verschillen in:  tijd;  hoeveelheid;  plaats;  geld / vermogen;  informatie;  assortiment. Inschakeling van tussenhandel is afhankelijk van:  kosten;  commercie;  efficiency.
Beslissingen m.b.t. distributie kanalen

Uitgangspunt:  afnemerssegmenten zo goed mogelijk voorzien;  verschillende wensen per segment honoreren.
Beperkingen t.a.v. distributie

A. B. C. D. E.
 

type produkt; bedrijf zelf; tussenschakels; concurrentie; omgevingsfactoren. directe distributie: geen tussenschakels (BATA, AVON Cosmetica) indirecte distributie: één of meerdere schakels (tussenschakels)

Vormen van distributie

Distributie concurrentie

Duale distributie = multiple distribution FABRIKANT
GROSSIER

WARENHUIS

DETAILLIST 1

DETAILLIST 2 DETAILLIST 3

Samenvattingen, scripties en boekverslagen op Internet: http://leden.tref.nl/robertpl/

Een voorbeeld van het schema is de elektronica branche. Hier hebben kanaalconflicten in de laatste decennia tot vele ontwikkelingen geleid in de distributie.
Organisatie in het distributiekanaal

A. Conventioneel marketing kanaal  onafhankelijke schakels  onderhandelingen tussen partijen centraal
B. Horizontale marketing systemen

Zelfde niveau in de bedrijfstak (bijvoorbeeld inkoopcombinatie) C. Verticale marketingsystemen Samenwerking tussen twee schakels in bedrijfstakken.  centraal, professioneel geleid  operationeel voordeel  maximale marktinvloed (bijvoorbeeld: Vrijwillig Filiaalbedrijf – Spar en de Franchise organisaties zoals Blokker) D.w.z. dat men gaat samenwerken, waarbij een onderdeel in de kolom “channel captain” is (machtspositie). Vormen van verticale marketingsystemen: a) Contractueel VMS  franchising (handel in de goede naam)  vrijwillig filiaal bedrijf door detaillisten (Spar) of door grossiers (Unigro)
b) Administratief VMS (geleid VMS)

een distributiekanaal, waarbij de “channel captain” bepaalt wat er in het kanaal gebeurt. Bijvoorbeeld de invloed van Albert Heijn bij veel produkten van Unilever. c) Corporate VMS (bedrijfs VMS) O.b.v. integratie ontstaat er samenwerking. Bijvoorbeeld de overname van leasebedrijven door Chrysler.
Alternatieven m.b.t. tussenschakels

 eigen vertegenwoordigers;  agenten;  zelfstandige tussenschakels.
Alternatieven m.b.t. distributie-intensiteit

 intensief;  selectief;  exclusief.

Specialty

Exclusief

Shopping

Selectief

Intensief
Convenience Weinig koopinsp. Enige koopinsp. Veel koopinspanning

Samenvattingen, scripties en boekverslagen op Internet: http://leden.tref.nl/robertpl/

Alternatieven m.b.t. voorwaarden en verantwoordelijkheden van de tussenschakels     prijsbeleid verkoopvoorwaarden marktverdeling onderlinge taken (service)

Evalueren van de alternatieven Criteria:  economische (BEP-analyse)  beheersbaarheid van het kanaal  flexibiliteit Management beslissing over distributie 1) Selectie van tussenschakels; 2) Motivatie van de tussenschakels, d.m.v.:  kortingenbeleid;  push-strategie  account management (Lange Termijn relatie opbouwen). 3) Evaluatie van de tussenhandel. Fysieke distributie De fysieke distributie zijn de goederen- en informatiestromen. Doelstellingen zijn:  juiste plaats;  juiste tijdstip;  laagste kosten. De consument wil service, snelheid en beschikbaarheid. Dit brengt diverse kosten met zich mee. De kosten van fysieke distributie zijn meestal zo’n 22%. Andere kosten zijn veelal:  administratie: 8%  opslag: 16%  voorraadkosten: 44%  transport: 32% Zoals gezien kan worden maken de voorraadkosten een groot deel uit van het totaal. Daarom moeten op de volgende terreinen goede beslissingen gemaakt worden: 1. Orderverwerking (doorlooptijden); 2. Opslag: vragen als hoeveel en waar, en moet ik kopen of huren?; 3. Voorraadomvang Voorraadkosten vs. bestelkosten Neen-verkoop is zeer schadelijk voor een bedrijf. (service-graad) 4. Transport: snelheid, afhankelijkheid, bereikbaarheid, toepassingsmogelijkheden, prijs per ton/km. Soorten van transport zijn: trein / truck / schip / lucht / pijplijn Tussen bovenstaande soorten van transport bestaat veel concurrentie. Dit bevordert lagere prijzen.

Samenvattingen, scripties en boekverslagen op Internet: http://leden.tref.nl/robertpl/

Hoofdstuk 15: Placing products: retailing and wholesaling
Indelingscriteria winkels O.B.V.








Soort service  zelf-service  beperkte zelf bediening  veel service Assortiment  consistent  smal / breed  diep / ondiep  bedrijfseconomisch (bruto-marge) Prijspolitiek  duur of goedkoop imago  prijsrange Vestigingsplaats verzorgingsgebied (buurt – wijk – stad – regionaal)

Soorten verkooppunten A. Plaatsgebonden detailhandel  Supermarkten  parallellisatie: food / non-food  assortiment: breed / ondiep  zelf-service: plus  bedieningsfactoren (vlees, brood enz.)  Verbruikersmarkt / discounter / cash and carry  lage prijzen, beperkte service  discounting: voortdurende verkoop van een groot aantal artikelen tegen lage prijzen met lage service  Voorbeelden van discounters zijn: Aldi, Zeeman en Kwantum  Cataloguswinkel (Kijkshop)  assortiment: smal en ondiep  geen service, lage prijzen  Speciaalzaak  assortiment: smal en diep  service: veel  Warenhuizen (conventioneel / zelfbediening)  assortiment: breed en diep  grote oppervlakte  geen koopdwang (fun-shopping)  non-food (belangrijkste) en food conventioneel: V&D, Bijenkorf => breed en diep zelfbediening: Hypermarkten zoals bijvoorbeeld de Maxis  Variety store  relatief klein oppervlak  eenvoudige, functionele inrichting  assortiment minder breed, minder diep Voorbeelden zijn de Hema en Woolworth B. Niet-plaatsgebonden detailhandel  Ambulante handel markt, straathandel (SRV)  Directe verkoop / direct sell party selling: Avon, Tupperware  Postorderbedrijven Wehkamp, Neckermann, ECI

Samenvattingen, scripties en boekverslagen op Internet: http://leden.tref.nl/robertpl/

 Teleshopping Wehkamp (Jimmy en Joyce)  Automatenverkoop sigaretten, bloemen, panty’s, condooms Samenwerkingsvormen van zelfstandige winkeliers
   

Inkoopcombinatie Vrijwillig Filiaalbedrijf (VFB) Groot Filiaalbedrijf Franchising franchisegever t.o.v. de franchisenemer: gever verleent het recht tot toepassing van exploitatiesysteem, de nemer verplicht zich hiertoe; de gever en de nemer zijn beide juridisch en economisch zelfstandig de gever ondersteunt de nemer met:  marketing know how  gehele assortiment  promotie en uitvoering  prijsstelling  administratie De franchisenemer betaalt een percentage van de omzet plus een vast bedrag als vergoeding. Franchise in Nederland: ca. 411 franchiseverbanden en 17600 franchisenemers. De omzet bedraagt ongeveer 13 miljard per jaar. Voorbeelden zijn de Hema, Hubo, Marskramer, Albert Heijn en de Blokker. Vormen van franchise zijn o.a.:  soft-franchise;  harde franchise;  job-franchising (bedrijfsverzelfstandiging);  fabricage-franchising (Coca-Cola, Seven-Up). Voordelen franchise-gever:  sterke groeimogelijkheden;  hoge distributiegraad;  gemotiveerde nemer;  houdt als gever het initiatief. Nadelen franchise-gever:  autonomie nemen;  beperkte zeggenschap als gever;  bedrijfsopvolging bij nemer kan leiden tot continuïteitsprobleem vestigingspunt. Voordelen nemer:  economisch zelfstandig;  verbetering rentabiliteit;  bescherming in de omgeving;  mogelijkheid tot bedrijfsvergelijking. Nadelen nemer:  knellend contract;  onevenwichtigheid contract;  soms gaan de eigen filialen voor.

Detailhandel Marktaandelen detailhandel naar distributievormen: Winkelverkoop Parallellisatie waarvan 92% 22% Niet-winkelverkoop Persoonlijke verkoop waarvan 8% 6%

Samenvattingen, scripties en boekverslagen op Internet: http://leden.tref.nl/robertpl/

Supermarkt Warenhuis Hypermarkt Speciaalzaak

15% 5% 2% 70%

Ambulante handel Directe verkoop Onpersoonlijk verkoop

6% 2%

De doelstelling van de detailhandel is winst en een maximale winkeltrouw. Dit willen ze bereiken d.m.v. de winkelformule. Eerst kijkt men naar de wensen van de doelgroep, dan komt de assortimentskeuze en dan het positioneren t.o.v. de concurrentie. Instrumenten zijn:  vestigingsplaats;  assortiment;  winkelpresentatie;  prijspolitiek;  personeel;  promotie. Deze instrumenten vormen tevens het winkelbeeld. Het winkelbeeld houdt in hoe de consument denkt en oordeelt over de winkel.

Samenvattingen, scripties en boekverslagen op Internet: http://leden.tref.nl/robertpl/

Hoofdstuk 16: Promoting products: communication and promotion strategy
Communicatie mix De communicatiemix bestaat uit:  adverteren;  sales promotion (SP);  public relations (PR);  personal selling (PS). Middelen zijn o.a.:  displays;  verkooppresentatie;  adverteren;  billboards;  demonstraties;  posters;  coupons;  (beurzen en verpakking). Twee belangrijke hoofdpunten zijn:  belangrijkste stappen om een effectieve marketing communicatie te ontwikkelen;  vaststelling promotie-budget en promotie-mix. Stappen effectieve communicatie 9 elementen in communicatieproces: 2 2 4 1 partijen: zender (initiele bron) + ontvanger commmunicatie instrumenten: boodschap + medium communicatie functies: (coderen, decoderen, response, feed back) noise (ruis): verstoring tijdens communicatie proces

Voor effectieve communicatie moet een beslissing genomen worden over: a. welke doelgroep; b. welke (gewenste) reactie; c. welke boodschap; d. welk medium; e. wie vertelt de boodschap (message source); f. verzamelen feed back. Ad. a. Identificatie doelgroep  wat moeten we zeggen?;  hoe?;  wanneer?;  waar?;  wie gaat het zeggen?. Ad. b. Welke (gewenste) reactie Koopbeslissingsproces heeft 6 stadia: Buyer Readiness States: awareness – knowledge – liking – preference – conviction – purchase Dit gaat ofwel: cognitief – affectief – conatief (high involved); soms cognitief – conatief – affectief (low involved); of affectief – conatief – cognitief (experiental).

Samenvattingen, scripties en boekverslagen op Internet: http://leden.tref.nl/robertpl/

Het DAGMAR model heeft de volgende fasen in het koopbeslissingsproces: unawareness – awareness – comprehension – conviction – action Ad. c. Welke boodschap? Ideaal is AIDA (Attention Interest Desire Action), om de gewenste response te krijgen. Belangrijk van een boodschap is:  inhoud: rationeel / emotioneel / moreel;  structuur: conclusie / een- of tweezijdig / (anti) climax;  vormgeving: gedrukte / ether media. Ad. d. Welke media / mediakeuze?  persoonlijk  niet-persoonlijke communicatie kanalen  massamedia, billboards, posters  uitstraling / sfeer  “events” Massamedia: indirect eerste opinieleiders – vervolgens de consument:
Ondernemer Media Opinieleiders Consument

Two-step flow model:  via opinieleiders (soms gate-keeper);  (consument beïnvloedt ook de opinieleiders!);  informatie loopt niet van hogere naar lagere sociale klasse;  onderneming moet opinieleiders zoeken. Ad. e. Ad. f. Feed-back verzamelen Hoe doet de boodschap het?  qua herinnering?  hoe vaak wordt de boodschap gezien?  hoe is de houding t.o.v. het produkt?;  koopt men het produkt?  etc. Dit wordt nagegaan d.m.v. een marktonderzoek (bijv. Nielsen).

Marketing communicatie budgettering 1. Affordable budget (sluitpost methode) geen communicatie doelstelling, geen lange-termijn-planning, geen samenhang met andere p’s. 2. Percentage of sales (soms winst) relatie met prijs / omzet / winst lage omzet -> dalende promotie oorzaak – gevolg promotie Deze vorm wordt veelal gebruikt door de boekhoud-afdeling. 3. Competitive parity method (op de concurrentie afgestemd) collectieve wijsheid geen promotie-oorlog ondoorzichtig 4. Objective and task method (taakstellende methode) relatie doelstelling / budget

Samenvattingen, scripties en boekverslagen op Internet: http://leden.tref.nl/robertpl/

welke communicatie instrumenten? wat kost het? synergie tussen marketing instrumenten Wordt veelal door marketeers gehanteerd. 5. Anti-cyclisch budgetteren Tijdens bijvoorbeeld een recessie toch veel geld uitgeven aan reclame. Ook deze vorm wordt veelal door marketeers gehanteerd. Factoren die inzet promotie-mix beïnvloeden 1. Type markt / produkt Consumentenmarkt 1. reclame 2. sales promotion 3. persoonlijke verkoop 4. PR 2. Push- of pull-strategie? Industriële (B-T-B) markt 1. persoonlijke verkoop 2. sales promotion 3. reclame 4. PR

Producent

Producent

Handel

Reclame

Handel

Consument

Consument

Pull strategie in combinatie met een push strategie. 3. Koopfase consument A I D A

Thema reclame / PR Actie reclame / SP Persoonlijke verkoop

4. Fase PLC van het produkt Eerst thema reclame en PR, later sales promotion en actie reclame. Naarmate het produkt verder komt in de PLC, minder communicatie.


								
To top