Naar een gemengde

Document Sample
Naar een gemengde Powered By Docstoc
					Naar een gemengde Studentenfanfare?
David Proot v. Plateau De auteur is proscriptor 2004-2005 van de Fanfare der Vlaamse Studenten te Leuven (anno 1911) maar schrijft deze bijdrage in eigen naam.

Naar een gemengde Studentenfanfare!
Bert Neve v. Berten De auteur is proscriptor 2006-2007 van de Fanfare der Vlaamse Studenten te Leuven (anno 1911) maar schrijft deze bijdrage in eigen naam.

1. Inleiding We weten dat we een gevoelig onderwerp aankaarten met dit artikel over vrouwelijke muzikanten in de Fanfare maar we moeten pogen het gaande discours over een gemengde Fanfare te analyseren om zo trachten een basis te vormen voor een meer onderbouwde en constructieve discussie. Dit discours draait grotendeels om volgende veralgemeende vragen van verschillende strekking: verbieden wij ongeveer 50% van de muzikale studenten het lidmaatschap door de Studentenfanfare een exclusieve mannenclub te houden en doen we onze eigen muziekvereniging zo niet een beetje dood? Wat zijn de geschiedkundige/sociologische redenen hiervoor vanuit standpunt van de mannelijke en de vrouwelijke studenten? Is deze scheiding tussen mannen en vrouwen in de huidige tijdsgeest nog haalbaar? Horen meisjes eigenlijk wel thuis in een mannen- of een gemengde club Überhaupt? Moeten we er toch aan denken vrouwen toe te laten indien de werving van mannelijke leden slabakt? Wat met eigen initiatieven van de vrouwelijke muzikanten? We trachten de inhoud van het discours toe te lichten in een traditionele, muzikale, ―economische‖, en organisatorische context. Om af te sluiten kan iedereen die wil zijn (of haar) mening geven door een antwoord achter deze tekst te plaatsen. Zo trachten we een volledig beeld te scheppen van dit onderwerp zonder over te gaan tot platvloerse polemiek – daarvoor zijn er gelukkig andere plaatsen en momenten. U volgt hiervoor de instructies onder de tekst.

1. Inleiding Ongelofelijk maar waar, dat de discussie over het al dan niet toelaten van vrouwelijke leden in een tijd als vandaag nog steeds een gevoelig onderwerp is, we leven ten slotte in de eenentwintigste eeuw. Toch stelt het sekseverschil de ―fanfare der fanfares‖ nog steeds voor een levensgroot dilemma. In dit artikel zullen we onder meer het bestaande discours analyseren en ingaan op de mogelijke redenen en drogredenen waarom onze vrouwelijke medemens al dan niet zou mogen toetreden tot de Leuvense Studentenfanfare. Uiteraard zullen we hierbij de –constructievediscussie niet uit de weg gaan. Ik pretendeer niet dat mijn bijdrage absoluut neutraal is. Ik ben ervan overtuigd dat zoiets als 100% objectiviteit niet te garanderen valt, aangezien er altijd wel iets van de mening van de auteur doorschijnt. Ik zal tevens niet ontkennen dat de reden voor deze bijdrage is om tevens te proberen een soort tegenwind te vormen tegen het overduidelijk anti-‖vrouwen in de fanfare‖pamflet van de hand van voornoemde scriptorvoorganger. Dit artikel kan zowel als een respons op de ingezette discussie gelezen worden, of als een stand-alone werkstuk gezien worden. In ieder geval, de hoofdbedoeling van deze tekst is zo objectief en rationeel mogelijk met degelijke en realistische argumenten tot een goed onderbouwde conclusie te komen.

2. De traditionele mannenclub Om het feit te begrijpen dat er tot voor kort alleen goed georganiseerde mannenclubs met een clubgeschiedenis waren, zijn er verschillende redenen en moeten we teruggaan in de tijd. De vroeger in aantal ondervertegenwoordigde vrouwelijke studenten waren niet in clubverband georganiseerd tot de oprichting van het Meisjesseniorenkonvent (MSK) in 1997. Het Seniorenkonvent (SK) overkoepelde de mannenclubs en gilden daarentegen al vanaf 1929.

2. Traditie

Toen op een mooie dag in 1911 Miele Kardoens, Lowietje Mesjeu, en Den Busschie het lumineuze idee hadden een groepje te beginnen, konden ze waarschijnlijk niet vermoeden dat dit groepje bijna honderd jaar later nog zou bestaan. De drie ―founding fathers‖ hadden hoogstwaarschijnlijk niet de intentie een egoïstisch ―men only‖ clubje te stichten, maar beoogden gewoon een club waar plezier en muziek gemaakt wordt. Dat deze studentenfanfare toen enkel uit mannelijke studenten bestond was niet de uitdrukkelijke wens van de stichters, maar gewoon doordat er toendertijd gewoonweg geen vrouwelijke Vrouwelijke studenten konden ―in den studenten waren. Net zoals er ook geen beginne‖ immers zelfs geen lid worden van vrouwelijke muzikanten bestonden. Laat staan dat de clubs, enerzijds omdat de universitaire er vrouwelijke muzikale studenten zouden zijn. regelgevingen dat niet toestonden, Dat was toen gewoon not done. Het dilemma anderzijds omdat het sociale leven voor stelde zich dus gewoon niet. deze studenten sterk beperkt werd. Na het avondeten mochten de vrouwen hun peda‘s Mannen van Mars en vrouwen van Venus? niet meer verlaten en was winkel-, Het duurde nog jaren vooraleer studentes restaurant- en cafébezoek simpelweg toegelaten werden op de universiteit, en dan nog verboden. Zo vonden de vrouwelijke waren er duidelijke grenzen die het hen niet studenten traditioneel gedurende de jaren mogelijk maakten te melangeren met de meer hun weg naar de faculteitskringen mannelijke studentenpopulatie (in de aula‘s zaten waar ze ook hun ding konden doen. De de meisjes afgeschermd van hun mannelijke heren langs de andere kant zagen de dames collega‘s door een rij geestelijken), of te simpelweg liever nietin hun club verschijnen. participeren aan avondlijke activiteiten (door het gebruikt van de avondklok in de residenties). Halverwege jaren '80 begonnen de vrouwen echter zelf hun clubs op te richten, met Of komen ze beide van de Aarde? succes trouwens. Zo is de huidige situatie Pas eind jaren vijftig en in de jaren zestig met het ontstaan van een 95-jarige Fanfare met begin van de vrouwen-emancipatie begon er wat mannelijke leden met geen zelfstandig schot in de zaak te komen, en namen meisjes vrouwelijk muzikaal initiatief in clubverband voorzichtige stappen in het studentenleven. Tot daartegenover—alhoewel sommige auteurs in de jaren ‗70 telden verschillende clubs stellen dat de Fanfare (en andere eminente vrouwelijke leden in hun rangen: Moeder Mandel clubs) heel lang gemengd geweest zijn. (Roeselare), Moeder Tieltse, Moeder Meer onderzoek is hiervoor nodig. Waregemse, Mechlinia-Reynaert, Meetjesland, Moeder Domper (Aalst), Maaslandia, Mijnlamp Zo is aan te tonen dat, nu de (Genk), Hasseleta, Mastentop (Antwerpse bovengenoemde restricties al lang Kempen), Moeder Geelse, Omnia (Antwerpen) en weggevallen zijn, er wel degelijk een zeer ook... de Leuvense Studentenfanfare. In die grote vraag van vrouwelijke muzikanten om periode waren alle gildes gemengd. Geen enkele toe te treden bij de Fanfare moet bestaan. van deze verenigingen is daarvoor ooit uit het SK Of toch niet? Wat zijn precies de gezet. Zelfs het KVHV (waarvan het SK Leuven beweegredenen tot het lid worden, zijn en een pijler is), die nochtans conservatief is, laat wel blijven van een traditionele club? Is dat niet vrouwen toe. Primaire bronnen bevestigen dat de precies het onder gelijkgestemde clubleden fanfare nog vrouwen onder zijn leden heeft geteld. verkeren, of ze nu enerzijds mannelijk of Zo getuigt oud-senior Bokal dat er zelfs eind jaren anderzijds vrouwelijk zijn? 80 verschillende vrouwelijke blazers lid waren. Nadat deze er door Alain Ide buiten gegooid

Kan er peis en vree heersen in de club met gemengde leden als er verschil in mentaliteit en interesse bestaat? De meeste vrouwelijke clubleden zijn zelf niet voor gemengde clubs (!). Algemeen aanvaard wordt dat het typische aan de club het net dat is dat een bende mannen of vrouwen er samen op uit kan trekken. Vaak gehoord is het feit dat gemengde clubs het moeilijker hebben om te overleven door relatieperikelen onder de leden. Dat onze leden gebonden zijn door muziek en niet door afkomst of geslacht zal echter vlug vergeten worden bij dergelijke mogelijke crisissen. Anderzijds kunnen we toch merken dat er een toch vraag bestaat van de dames om te mogen toetreden. De gemiddeld drietal aanvragen die per academiejaar binnenkomen kunnen hypothetisch gezien na een universitaire generatie van vier jaar uitgroeien tot een steeds zelfvernieuwende groep van zo‘n 12 vaste vrouwelijke muzikanten in de Fanfare.

werden, werd er het jaar daarna toch terug een vrouwelijk lid toegelaten die lange tijd gebleven is. Dat was begin jaren ‗90. Men ziet, de fanfare kent geen totaal vrouwloze geschiedenis. De voornaamste beweegredenen om lid te worden van de fanfare is zeer simpel, namelijk om muziek en ambiance te maken. De filosofie van de fanfare er één van genot, en zoals op de website staat te lezen ―houden wij geen rekening met het dialect dat u spreekt, het dorpje waar u ‘s weekends verblijft of het diploma dat u probeert te behalen‖. Deze hoog in het vaandel gehouden filosofie vermeldt echter niet dat er één groot voorbehoud tot lidmaatschap wordt gemaakt: Namelijk hetgeen er zich al dan niet in uw broek bevindt.. Of men nu een gemengde fanfare is of niet, ik denk niet dat dit potentiële leden zal afschrikken. Gemengde clubs zijn zowat de algemene regel in Gent, Antwerpen, Oostende,.. Ieder jaar zijn er wel enkele aanvragen, spontane sollicitaties, van geïnteresseerde en gemotiveerde vrouwelijke muzikanten die botweg geweigerd worden, enkel en alleen omdat ―de traditie‖ dit wil. Sorry voor mijn taal, maar dat is dikke bullshit. Als dan toch zo nostalgisch is naar aloude studententradities, wordt dan lid van een naar Duits model ingericht Studentenkorps waar men cantust in kostuum met sabel en al. Men moet meegaan met zijn tijd, en niet conservatiever proberen te zijn dan de paus (nuja, het Vaticaan is ook een toffe mannenclub naar‘t schijnt, alle dagen miswijn à volonté). Waarom zou in een gemengde club, net zoals in een gelijk welke andere vereniging, geen goede verstandhouding tussen de leden kunnen heersen? Relatieperikelen zijn natuurlijk mogelijk, maar ruzie en onenigheid in de rangen kan evengoed ontstaan in een vereniging met alleen mannelijke leden. En daarbij, sinds de fanfare een getrouwd koppel kent gaat deze tegenwerping ook niet meer op. Ik denk niet dat men Duke of Bart zou buitengooien omdat eventuele mogelijke relatieperikelen de atmosfeer zou verpesten; Maar laten we vooral het alom geprezen eenheidscreërende karakter van het gezamenlijk muziekmaken niet vergeten, en niet alleen potentiële negatieve zijden van relaties bekijken. Er kunnen ook positieve dingen uitgroeien, koppels die ontstaan, mogelijk zelfs fanfarebabies,..

3. Muzikaliteit Eén van de meest gehoorde redenen in de Fanfare tot het weren van meisjes handelt ongetwijfeld over hun muzikale bijdrage. Volgens vele clubleden bespeelt menig vrouwelijk muzikant een instrument dat in mindere mate geschikt is voor onze Fanfare -we denken aan verschillende soorten fluit of houtblaasinstrumenten zoals hobo. Als ze dan al een koperblaasinstrument bespelen zou volgens dezelfde clubleden hun volume veel lager liggen als de stevig doorblazende mannelijke muzikanten. Maar zijn deze uitspraken wel te onderbouwen? Onze collega‘s van de gemengde Ghendtse Studentenfanfare (anno 1972) bevestigen het cliché slechts heel gedeeltelijk: het is waar dat daar meer vrouwen dan mannen de typisch ―fijnere‖ instrumenten bespelen, maar de meisjes die dan wel op een koperblaasinstrument spelen (we zien daar trompetten, saxen, tuba‘s en zelfs een hoorn) kunnen toch hun mannetje staan. Bovendien kunnen we zelfs uit ervaring stellen dat vrouwelijke muzikanten over het algemeen preciezer, nauwgezetter en genuanceerder kunnen spelen dan de mannen, dit zonder weer in clichés te willen hervallen. Dat dit laatste geen echt pluspunt zou zijn tijdens traditionele optredens waar men liefst veel en hard geluid tout court verwacht, mag echter niet in de weg staan dat tijdens de voorbereidingen, de muziekkeuze en de repetities de vrouwelijke muzikanten volgens ons meer zorg en inzet voor hun werk zullen tonen.

3. Muzikaliteit Wat betreft instrumentkeuze is het een onweerlegbaar vaststaand en verifieerbaar feit dat meisjes over het algemeen minder vaak voor tuba of ander ―zwaar koper‖ kiezen dan hun mannelijke collega‘s, en het vaker bij saxofoon, klarinet of fluit houden. Het is inderdaad ook zo dat, aangezien een fanfare per definitie uit koperblazers en slagwerk bestaat (aangevuld met saxofoons), instrumenten zoals klarinet en dwarsfluit niet echt in thuishoren in een fanfare. Maar vrouwelijke saxofonistes, trompetistes en trombonistes bestaan wel degelijk, dus dit argument gaat niet op voor hen. Laat er ons geen doekjes rond winden, zij worden uitgesloten van lidmaatschap vanwege hun geslacht, niet op basis van het instrument dat ze spelen. Dit heeft niks te maken met muzikaal puritanisme en het strikt vasthouden aan de bezetting van een fanfare. Bij potentiële mannelijke leden steekt dit niet zo nauw, en is het soort instrument nooit een breekpunt geweest: We hebben reeds klarinetten en zelfs een doedelzak tot onze rangen toegelaten, niet echt stereotype fanfareinstrumenten. Volume In een cantuszaal is het belangrijk om boven het rumoer uit te komen. Zonder hierbij de longcapaciteiten van de gemiddelde vrouw te onderschatten kunnen we veronderstellen dat mannelijke muzikanten qua volume hun voordeel kunnen halen met hun fysiek. Maar we kunnen evengoed opmerken dat in de huidige mannenfanfare ook niet iedereen even sterk speelt. Is dat ooit een reden om iemand niet toe te laten? Omdat iemand niet de vereiste decibels kon produceren? Ik dacht het niet. Kwalitatief Muzikaal gezien heeft het geslacht van de bespeler eigenlijk geen belang. Een klein voorbeeldje ter illustratie: Bij het beluisteren van een willekeurige bandopname is het zo goed als onmogelijk het geslacht van een muzikant te raden door enkel en alleen naar de klank van het instrument te luisteren. Dat deze of gene muzikant kwalitatief beter is dan een andere is meer een kwestie van individuele kwaliteiten dan van geslacht. De suggestie dat preciezer spelen geen pluspunt is houdt al helemaal geen steek. Volume is

inderdaad belangrijk, maar goed spelen kan toch alleen maar positief zijn. Van een studentenfanfare wordt niet verwacht dat er muziek van de bovenste plank gebracht wordt, of zelfs dat er echt ―just-just‖ gespeeld wordt, er moet in de eerste plaats sfeer gemaakt worden. Maar iedereen die ooit meegespeeld heeft weet dat enkele goeie trekkers waarop de mindere goden kunnen steunen van levensbelang zijn. De nood aan nieuwe leden laat zich jaar na jaar stringenter voelen. En deze zal, gezien de dalende trend van de leerlingen die een fanfareinstrument leren in de muziekscholen, niet snel verbeteren. De ledenschaarste is zelfs zo erg dat mensen met beperkte of zelfs zonder enige muziekkennis aangeworven worden. De laatste flyers zeggen letterlijk ―geen ervaring noodzakelijk‖. Die krijgen dan maar een trommel, tuba of sax ofzo in de handen gestopt. Waar zijn we dan nog mee bezig? Met alle respect voor de inzet van deze leden, maar daarmee alleen zal de fanfare het niet redden. In de tijd van Neuze werd tenminste nog gevraagd ―U hebt een basiskennis van slagwerk of een blaasinstrument‖. De liedjes die we spelen zijn niet aartsmoeilijk, men moet geen professionele beroepsmuzikant zijn of Lemmensinstituut gedaan hebben om mee te kunnen doen, maar iemand die geen muziekkennis heeft leer je op enkele maanden tijd geen instrument bespelen. Men moet juist op zoek naar meer muzikale schachten! En dit onafhankelijk van hun geslacht!

4. Economisch scenario De Fanfarienses krijgen natuurlijk geen rechtstreekse geldelijke vergoedingen voor hun prestaties maar het ontvangen van beloningen in natura zoals drank en gratis toegang tot evenementen is een welbekend verhaal. Dit zal misschien vlug veranderen tot een wellicht onhoudbare situatie indien plots het andere geslacht mag toetreden. Deze financiële zijde van het verhaal is een heikel punt waarover misschien niet graag gepraat wordt of misschien wel niet zo vaak bij nagedacht wordt, maar toch even vermeld moet worden: een plotse vermeerdering van het aantal leden betekent automatisch dat de Fanfare met dezelfde middelen meer monden zal moeten voeden indien het ―verbruik‖ op hetzelfde niveau blijft. De koek zal in meer en kleinere delen

4. Economisch scenario Lid zijn van de studentenfanfare zal u persoonlijk financieel niets opbrengen. Toch zijn er enkele voordelen aan verbonden. Men kan gratis naar cantussen, sportwedstrijden (zowel voetbal, basketbal als volleybal), .. waar men naast gratis drankjes ook steevast enthousiaste supporters aantreft. Men komt op plaatsen waar een gewone student maar van kan dromen: Een privé-bezoek met receptie aan het rectoraat, VIP-kaarten voor Gent-Wevelgem, het houden van een serenade op het belfort van de Universiteitsbibliotheek, de Ghendtse broeders (en zusters) bezoeken tijdens de Gravensteenfeesten, en verscheidene stoeten en braderieën doorheen het vlaamse land. Heden ten dage moet er voor een standaardweekendactiviteit steevast gezocht worden om genoeg muzikanten bijeen te krijgen (iets waar

verdeeld moeten worden. We kunnen momenteel gerust met een 15- koppige groep voor en na een optreden in de stamkroeg iets consumeren dankzij het geld dat we verdienen, wellicht tijdens het optreden –neem een cantus als voorbeeldook nog een groot deel. Kan dit nog op kleinschalige optredens met een vaste 30- koppige gemengde groep? Worden we dan in de toekomst nog gevraagd te spelen met zo een grote groep? Wat dan met de verhouding tussen onze inkomsten en uitgaven? We mogen natuurlijk zeker de vele indirecte kosten zoals de aankoop van instrumenten, kledij, vervoer en reparaties niet uit het oog verliezen. Momenteel beschikt de Fanfare maar over genoeg eigen instrumenten om vlot te kunnen beantwoorden aan de vraag van een 15 tot 20-tal muzikanten. Dit economisch item kan tevens de discussie op gang brengen van de ideale verhouding tussen ledenaantal en financiële middelen, hoe nuchter economisch het ook moge klinken, zelfs zonder het verschil in geslacht in beschouwing te nemen. Andere clubs leven immers van hun lidgeld en eenmalige opbrengsten zoals fuiven en galabals, de Fanfare grotendeels van haar optredens. We zullen ook op dit laatste punt niet verder ingaan aangezien ons dat te ver weg brengt van het originele onderwerp.

Plateau intussen kan van meespreken). Dat deze vooral uit oud-leden bestaan tot daar aan toe. Misschien dat de door Plateau gegeven cijfers aan een soort omgekeerde inflatie onderhevig zijn, maar ik heb mijn vragen bij enkele getallen. Met de aanwezighedenlijst van vorig jaar erbij constateer ik dat er amper 3 activiteiten waren waarop 15 man aanwezig was, namelijk de trouw van Duke, de Lustrumcantus (duh), en GentWevelgem (als ge de oud-oud-leden erbij telt). Ook de veronderstelling dat er plotseling 15 extra muzikanten uit de lucht zouden komen gevallen is totaal uit de lucht gegrepen. Akkoord, 50 procent van de populatie is van de andere geslacht, maar mocht het verbod voor ―vrouwmenschen van het andere geslacht‖ opgeheven worden, dan zal de deelnemingsratio hoogstwaarschijnlijk eerder een geleidelijke evolutie kennen dan de explosieve invasie die beschreven wordt. Meerkost? Een stijging van de leden zal ongetwijfeld een stijging van de kosten met zich meebrengen. Zo kun je evengoed beweren dat je om kosten te drukken best zo weinig mogelijk leden hebt (dwz optimale schaal = 0). Er is nog een financieel aspect, maar dan in de omgekeerde richting. We moeten ook zorgen dat er voldoende instroom, rekening houden met komende jaren. Want met te weinig leden is de fanfare ook niet meer leefbaar. Een fanfare van twee man en een paardenkop is geen fanfare meer. Teruggrijpend naar de door Plateau aangehaalde muzikale argumenten kunnen we eveneens stellen dat, als er meer vrouwen nodig zijn om een zelfde hoeveelheid lawaai te produceren, we ook de cliché-assumptie moeten aannemen dat die vrouwen ook minder drinken, en dat de meerkost dus eigenlijk nihil is. Gewoon de redenering doortrekken dus. Instrumenten Uitgaande van Plateau‘s cijfers mbt het aantal beschikbare fanfare-instrumenten, kunnen we stellen dat deze momenteel drastisch onderbenut worden. Daarbij, mochten toch extra instrumenten nodig zijn, tegenwoordig beschikt men met Ebay over een platform om degelijke instrumenten goedkoop op de kop te tikken.

5. Naar de oprichting van een nieuwe Fanfare voor vrouwen? Moeten de mannelijke muzikanten -nu ze toetreding van vrouwen uitgesloten hebbenzich dan ook automatisch tegen elk initiatief van een uit vrouwelijke leden bestaande fanfare in clubverband keren? Er zijn immers verschillende structuren mogelijk waarbij de mannelijke en vrouwelijke muzikanten los van elkaar toch in clubverband kunnen bestaan. Zo richtte het Katholiek Studentencorps Brussel (KSC), één van de traditionele clubs in Leuven, in 1941 een meisjesafdeling op, namelijk het SintGoedeleconvent. Dit convent zat niet in de clubstructuur maar bestond naast Bezem Brussel, de club van het KSC. De vrouwen waren dus ook niet vertegenwoordigd in het SK (ondertussen wel in het MSK). Zou het aangewezen zijn zo een structuur van een zusterorganisatie over te nemen, zonder weliswaar te beschikken over een overkoepelende organisatie? De mannenclub blijft zo immers gescheiden en er komt een mogelijkheid om onrechtstreeks vrouwen te laten toetreden in een onafhankelijk muzikaal gezelschap. Gezien het ontbreken van enig initiatief vanuit de Fanfare echter en aan de andere kant gezamenlijk initiatief van vrouwen die in een fanfare willen spelen zijn plannen voor zo een onafhankelijke vrouwelijke fanfare als zusterclub zo goed als onbestaand. Het zich jaarlijks aanbieden van een gemiddeld drietal vrouwelijke schachten bij zo'n fanfare zal de eerste jaren bovendien moeten betekenen dat in het beste geval er na vier jaar pas met voldoende leden (twaalf?) kan gestart worden… Wat te doen met het materiaal, muzikale voorkennis van partituren en de financiële reserve van de Fanfare indien er toch een zusterorganisatie komt? Moeten de twee doelgroepen niet onafhankelijk van elkaar opereren? Alhoewel dit niet anders kan, lijkt ons dit zeer moeilijk gezien ook het nodige beginkapitaal en materiaal aanwezig moet zijn –de leden zorgen zoals gezegd slechts voor een klein percentage van de instrumenten. Ook een stevig doelpubliek vinden om bij op te treden kan geen makkelijke zaak zijn. Fundamenteler nog is de problematiek rond nieuwe clubs: weliswaar blijven huidig nieuw

5. Organisatorisch De veronderstelling dat een volwaardige vrouwelijke fanfare uit de grond wordt gestampt is klein maar niet onbestaand. Enkele muzikale studentes die samen afspreken om een groepje te vormen, veel meer moet dat niet zijn. Of enkele leden van het MSK, de universitaire harmonie of één of andere kring die een gelegenheidsbandje vormen,.. Veel beginkapitaal of grote investeringen komen daar niet bij kijken hoor: Instrumenten kan men veelal zelf van thuis meenemen (tenzij men bombardon speelt natuurlijk), orkestpartituren kosten geld maar melodietjes zoals wij spelen zijn terug te vinden op het internet of in de plaatselijke bibliotheek. En wie zegt dat een vrouwelijke fanfare niet meer succes zou hebben op Leuvense cantussen en galabals? Gewoon effe de praesesen van alle kringen mailen en informeren over het bestaan van een alternatieve fanfare. Onze populariteit zou ongetwijfeld een knauw krijgen. Wat het nut zou zijn van een tweeledige structuur met een onafhankelijk vrouwengezelschap is me totaal onduidelijk. Dan blijven er toch twee naast elkaar opererende organisaties en bestaat er niksmendal geen synergie. Dan blijft men zitten met het probleem van een kleine mannelijke fanfare, en komt er enkel een kleine vrouwelijke fanfare bij (want zij vissen in de andere 50% van de poel). Tenzij de andere fanfare zich niet beperkt tot vrouwelijke leden, dan zou deze de huidige fanfare best wel boven het hoofd kunnen groeien. Qua concurrentie zou dit wel tellen. Nee, waarom zou één gemengde fanfare niet kunnen. De Ghendste laat vrouwen toe, maakt dit hen een minder ―echte‖ studentenfanfare? Is dit echt een bepalende factor? In feite niet. Laten we de vraag omdraaien, waarom zou een studentenfanfare überhaupt enkel mannelijke studenten mogen tellen? Vrouwen zijn minstens even muzikaal, en kunnen even goed plezier maken. Liever dat dan een fanfare die uit 5 man bestaat, maar wat aanmoddert en rondbroebelt en de naam fanfare eigenlijk niet meer waard is. Dat het muzikale spel niet volledig volmaakt klinkt, daar kan iedereen perfect mee leven, maar de melodie moet toch min of meer herkenbaar blijven ook! Als alles in de zak valt, of -erger nog– eens de muziek niet eens meer van de grond geraakt, dan is het te laat. Geen enkele kring zal nog enkele tientallen euro‘s (en bijhorende drankjes)

gestichte vrouwenclubs relatief langer bestaan dan hun mannelijke tegenhangers, toch geven ze na een generatiewissel van de stichtende leden meestal de geest. Anderzijds, hoewel er minder meisjesclubs zijn, draaien ze over het algemeen beter en hebben ze meer leden dan de meeste SKclubs. Bovendien ligt het aantal schachten relatief hoger bij de clubs met enkel vrouwelijke leden.

willen dokken aan enkele tsjoolders die niet kunnen spelen? Hetzelfde geldt voor weekendoptredens. Welke onnozelaar zal een fanfare inhuren die geen muziek kan brengen, en de boel alleen maar komt afzuipen? Momenteel kan er nog gerekend worden op een schare oud-leden, maar wat binnen hier en 5 jaar? Mensen werken, trouwen, krijgen kinderen, verhuizen naar Australië,... Een mogelijke tegenreactie van het SK is niet uit te sluiten. Maar als men duidelijk maakt dat het dit is of langzaam uitdoven tot er geen muzikanten meer over zijn, zal met wellicht wel begrip tonen voor de situatie. Desnoods is een soort gedogende uitzonderingsprocedure mogelijk, tenslotte is de fanfare al een buitenbeentje in het SK. Ons buitengooien zou kras zijn, want zoals eerder gesteld werden vrouwelijke vroeger oogluikend toegestaan, en vrouwelijke KVHVleden worden getolereerd op SK-activiteiten. En zelfs al mocht de studentenfanfare haar positie in het SK kwijtgeraken, zoveel is er niet verloren. Men kan nog steeds even goed bevriend zijn met regionale clubs, of gaan spelen op SK-cantussen zoals op andere cantussen. Er zijn verschillende clubs die niet in het SK vertegenwoordigd zijn (club xvii, moeder feeste,..), en evengoed plezier maken. Het enige dat men mogelijk kwijtraakt is de traditionele positie van SK-sportführer, niet iets waar men tranen om hoeft laten. En daarbij, tot spijt van wie‘t benijdt, deze post was dit jaar toch al niet in fanfarehanden.

6. Slotbeschouwingen Gezien de onderling praktisch onverdeelde mening binnen de Fanfare bestaat er geen onmiddellijke tendens tot het toelaten van vrouwelijke leden. De Fanfare blijkt immers een club te zijn waar mannelijke muzikanten willen blijven doen wat ze in een bijna honderdjarige traditie al gedaan hebben. Een gemengde Fanfare is dus voorlopig niet aan de orde. Voor de oprichting van een Studentinnenfanfare‖ binnen een Bezemstructuur of zelfs van een geheel onafhankelijke Fanfare voor dames, zullen we hoogstwaarschijnlijk moeten wachten totdat er een gunstiger klimaat terugkeert voor het studenten(club)leven en voldoende vraag en inzet van de studentinnen tot een kwalitatief hoogstaand en duurzaam gezamenlijk initiatief komt. Omdat we dit

6. Concluderend slotbesluit en nabeschouwing De enige min of meer valabele reden die tot nog toe aangehaald werd is dat het enkel toelaten van mannen in de fanfare toch al verscheidene jaren de gewoonte is. Voor een deel kan dit beschouwd worden als een stuk identiteit die men opgeeft, men verliest het mannen-onder-elkaar-gevoel. Maar als het enige geldige argument het conformeren met een zogenaamde traditie is, dat zegt toch al iets. Ik vind dat zoiets in vraag moet kunnen gesteld worden. Zeker als dit de kwaliteit, de kwantiteit en de overlevingskansen ten goede kan komen, waarom niet? Indien men vraagt of vrouwen toch toegelaten moeten worden als een soort laatste redmiddel indien de werving van mannelijke leden slabakt, verkiest zowat iedereen het toelaten van vrouwen

mogelijke initiatief niet rechtstreeks kunnen steunen, mogen we zeker niet nalaten alle mogelijke indirecte en morele steun te verlenen aan vrouwelijke muzikanten die hun eigen Fanfare als (zuster)club willen oprichten.

om het voortbestaan van de fanfare te verzekeren. Op de bestuursvergadering van 25 oktober 2004 werd besloten dat ―Vrouwen worden voorlopig om traditionele redenen niet toegelaten. Indien we in‘t tweede semester onvoldoende nieuwe schachten vinden, moet deze piste wel terug overwogen worden.‖ Dit bevestigt nogmaals dat het voortbestaan van de fanfare Verder nog dit: mogen we de denkgang van door velen belangrijker wordt geacht dan het het toelaten van vrouwelijke muzikanten koppig vast te blijven houden aan achterhaalde eigenlijk zomaar aankaarten? De Fanfare principes. bestaat immers uit leden, oudleden en de zeer in aanzien staande ―oude garde‖ De vraag is nu: ―Hoe gezond staat de fanfare er waaronder de erevoorzitter. Deze leden momenteel voor‖? Die conclusie is aan ieder om maken de club. De club is immers geen op zelf te trekken: De Senior is een niet-student, zichzelf bestaande structuur of kader geruchten over 16 schachten zijn lichtjes waarvan bijvoorbeeld een overheidsinstantie overschat, verschillende niet-muzikale leden kan zeggen dat ze van vandaag op morgen helpen het ledenaantal wel iets op te trekken van een mannenclub naar een gemengde maar dragen muzikaal maar weinig bij, en men is club zal overgaan. Zo is het zeer twijfelachtig afhankelijk van de goodwill van oudleden voor dat zonder uitgebreid overleg een bestuur weekendoptredens. Dit betekent nog niet dat de zomaar vrouwelijke leden kan toelaten. Dit fanfare op sterven na dood is, maar ze is moeilijk natuurlijk niet omdat het vrouwen zijn, wel nog in de fleur van haar leven te noemen. Precies om het feit dat we een lange geschiedenis in een echte bijna - honderdjarige. Nu ligt ze bij ere moeten houden, of deze nu achterhaald wijze van spreken aan ―life support‖, en hangt ze lijkt of niet. Onder de leden is er echter niet af van een bijspringende groep oudleden. Maar meteen een vraag bespeuren tot laten we realistisch zijn, deze zullen dit ook geen toenadering naar het idee van een gemend jaren meer kunnen blijven volhouden. De patiënt scenario. Integendeel zelfs. De vele moet meer op eigen benen kunnen staan. verschillende en vaak persoonlijke redenen hiervoor gaan wij hier niet in detail overlopen De kern van de fanfare is te klein geworden. want de algemene teneur zegt genoeg: er is Hierdoor moet druk uitgeoefend worden op de momenteel geen plaats voor vrouwen in schouders van de steeds minder overblijvende onze club, noch -helaasin de nabije leden, niet alleen op muzikaal maar ook op toekomst in een organisatie als zusterclub, bestuurlijk vlak. Leden die verplicht worden te dit laatste een idee zijnde dat misschien in komen, om dan met net genoeg leden te zijn om de toekomst -hopelijk- aan beide partijen niet af te gaan is niet plezant om spelen. tegemoet kan komen. Wordt wellicht Waardoor er nog meer mensen afhaken, en men vervolgd. in een negatieve spiraal belandt. Kortom, de kern moet verbreden. We moeten zelfs oppassen dat er de fanfare niet de geest geeft bij een generatiewissel. Aangezien een univ-of hogeschoolcarriëre normalerwijs 4 à 5 jaar duurt kent een studentenfanfare dus noodzakelijkerwijs een groot verloop. Het permanent werven van nieuwe muzikanten is een must. Enkele mindere jaren kunnen een serieuze slag betekenen, en mogelijks zelfs fataal zijn. Het zou niet de eerste club zijn die ophoudt te bestaan. En‘t is niet omdat wij ―de fanfaar‖ zijn dat‘t niet met ons kan gebeuren ook. De Titanic was ook zogenaamd onzinkbaar. En niemand dacht ook dat een bedrijf als Enron failliet kon gaan. Het is een kwestie van te overleven.

Iedereen die wat evolutieleer kent, kent het Darwinistische credo ―survival of the fittest‖: Alleen degene die zich het best aan zijn veranderende omgeving aanpast zal overleven. Met de oogkleppen iedere verandering mijden, en gewoon blijven doordoen zoals men bezig is gewoon ―omdat‖, en het negeren van negatieve signalen., dan is men niet goed bezig. Een mentaliteitswijziging dringt zich op. De fanfare is niet verplicht om als het spreekwoordelijke orkest mee ten onder gaan met het zinkend schip, daar is iedereen het in principe roerend over eens. Maar het de facto uitvoeren, dat is iets totaal anders. Misschien staat een redder des vaderlands op die genoeg ballen aan zijn lijf heeft om de fanfare uit het slop te trekken, en open te stellen voor een breder publiek. Gezien de huidige bezetting zijn we niet in de positie om erg kieskeurig te zijn. We zien dit reeds in de huidige ―geen ervaring vereist‖ rekruteringsacties. Ook andere clubs hebben het moeilijk, zo rekruteren regionale studentenclubs nu ook al ver buiten hun oorspronkelijke stad of streek. Maar de studentenfanfare is geen gewone doordeweekse club, en heeft dringend nood aan leden met ten minste een muzikale basiskennis die een instrument kunnen bespelen. Pas op, het toelaten van vrouwen is ook geen wonderoplossing. We moeten daarom niet actief vrouwen beginnen werven, maar als ze aankloppen moeten we ze toch niet direct wegjagen. Het zou toch voor een stuk de negatieve spiraal die er bestaat kunnen helpen omkeren. Maar wacht niet tot het te laat is, want dan zal zelfs de fanfare openstellen voor Jan, Piet en Klaai niet meer helpen. Gezien de taboesfeer die er nog steeds rondhangt zal de beslissing niet gemakkelijk zijn, maar ze is mijns inziens wel noodzakelijk om het voortbestaan van de fanfare op lange termijn te verzekeren. De beslissingsmacht hierover ligt uiteindelijk bij de senior en zijn bestuur. De fanfare leeft nu, en het is aan de huidige generatie om over hun lot te beschikken. Het advies en de raadgevingen van oudleden kunnen in beraad genomen worden, maar oudleden -hoe gewaardeerd hun bijdrage ook is- blijven oudleden. Mijn bijdrage heeft dus ook maar weinig politieke gevolgen, maar hopelijk blijft er toch iets van hangen van de boodschap. Uw columnist ter plaatse, Berten


				
DOCUMENT INFO
Shared By:
Categories:
Stats:
views:81
posted:12/19/2009
language:Dutch
pages:11