Docstoc

Downloaden - KNR

Document Sample
Downloaden - KNR Powered By Docstoc
					het lot




Karim Traïdia
Nijmegen, 3 oktober 2007
….Aan alle grote mensen ook is het maar omdat ze vroeger kinderen zijn gewest…

HET LOT.


“Wat wil je later worden als je groot bent?”
Ik was 8 jaar oud en zat op school.
“Wat God voor je heeft voorgeschreven zal geschieden…inshallah!”
Dat zei mijn grootmoeder.
“Ik mag toch worden wat ik wil.”
“Als Allah het wilt…inshallah!”
“En als Allah het niet wil?”
 “De wil van Allah kan je niet aanvechten. Het is je Mektoeb, je lot, en het staat op je
voorhoofd gegriefd.”
 “Stond op je voorhoofd dat je oma zal worden?”
“Dat heeft er mijn vader voor gezorgd. Hij heeft mijn lot aan die van je opa
geketend.”
“Stond ook op het voorhoofd van oom Ahmed dat hij tuberculeus wordt? En op het
voorhoofd van mijn broers, stond het ook op dat zij worden getroffen door de polio
en wat stond op het voorhoofd van onze huis, oma?”
“Kind, wat zijn dat voor vragen?

Ik ben in een klein dorp geboren, in Algerije en ik groeide op in het huis van oma.
Mijn tandeloze oma die een kunstgebit deelde met de buurvrouw. “Ga de mond
halen’ riep ze ieder avond voor het eten.
We sliepen met zijn acht in een kamer, mijn vier broers, mijn moeder, mijn oom en
oma. Soms, midden in de nacht, krabbel ik aan het been van mijn broer en vraag me
af of het mijn been is waaraan ik krabbel of die van mijn broer; en soms vraag ik me
af of de jeuk die ik had, wel of niet van mij. Het huis van oma dat aan de ene kant
naar een berg keek en aan de andere kant naar een rivier. Het huis van oma waar ik
alles deed voor de eerste keer. De eerste keer dat ik verliefd werd, op Juliette, de
tweelingzus van Georgette. Ik heb Juliette gekust en kreeg een klap van Georgette op
mijn gezicht; of misschien was het Georgette die ik heb gekust en Juliette die me een
klap verkocht.

Ik was 8 jaar oud. Het ging niet goed huis. De tuberculose van oom Ahmed werd
steeds erger, mijn broer Kamel werd, net als mijn andere broer Mohamed, getroffen
door de polio en mijn vader was al lang weg bij ons.
Ik dacht dat het tijd was een goed gesprek te voeren met Allah. Hij die over mijn lot
en over het lot van onze huis schikt. Alleen ik wist niet waar Allah woonde.
Achter de berg, waarachter de zon opgaat en waarnaar oma bidt. Ieder keer aan het
einde van haar gebed richtte ze haar blik naar de berg en smeek Allah om goed voor
ons te zorgen en oom Ahmed een betere gezondheid te gunnen.
Achter de rivier, waarachter de zon onder gaat en waarnaar mijn moeder tegen haar
lot zich beklaagt. “O God, wat heb ik je aangedaan? Heb ik moskeeën in brand
gestoken? Waaraan heb ik dit lot verdiend?”

Of daarboven, achter het plafond. Oom Ahmed lag ieder dag op het bedje in de
woonkamer. Als hij heftige en hevige hoestbuien kreeg, richtte hij zich tot het
plafond. ´O God, maak er een einde aan mijn leven, mijn dood is beter dan dit leven.
Ik ben nog een man nog een kind, ik ben nutteloos en mijn leven heeft geen zin, ik
smeek je, genees me of laat me dood gaan.´
Ik moest met Allah gaan praten alleen ik wist nog niet waar ik er naar toe moest.
Naar de berg, met de God van oma, naar de rivier, met de God van mijn moeder of
op het plafond, met de God van oom Ahmed?

Ik had ook geen idee hoe Allah eruit zou zien. Is hij mens of geest? Enss oualla Sjenss?
Zo zegt men altijd wanneer je iemand tegenkomt waarvan je niet weet of hij een
mens is of een geest. Wat ben jij God? Enss of Sjenss? Is het waar dat je over het lot
van de mensen beslist? Ben jij de schrijver van het lot van mijn broers, mijn oom en
mijn moeder? Heb jij het zelf geschreven op hun voorhoofd? En wat heb je op de
mine geschreven? Wat voor inkt heb je gebruikt? Mijn voorhoofd is maagd, glad
ongerimpeld en onbezorgd.

Mijn moeder, uitgehuwelijkt toen ze maar veertien en een half was, aan een man die
ze nooit eerder heeft gezien, mijn vader, vervloekte de dag dat oma het ja woord
heeft uitgesproken.
Ze was buiten aan het spelen, heeft ze me ooit verteld, toen ze haar ten huwelijk
kwamen vragen. ´Ik was aan het spelen, achter het huis, toen mijn moeder mij kwam
ophalen. Hou op met spelen, riep ze boos en verdrietig tegelijkertijd, je bent geen
kind meer. Ik moest mee naar binnen, Ze heeft mijn gezicht gewassen en mijn haar
gekamd, vervolgens gaf ze me schone kleren en ik moest mijn tanden en vleestanden
poetsten met Soek. Ze had koffie gezet en ik moest het naar de mannen brengen.
Kijk ze niet in de ogen, wees nederig en hou je mond dicht, ook als ze tegen je
praten. Ik wist niet waar zij het over had maar ik gehoorzaamde. Die dag werd mijn
lot aan die van je vader gebonden. Mektoub! Allah heeft het zo gewild!”

Ik liep in het dorp, in mijn vragen gezonken, toen de stem van de moeadhien (de man
die vanuit de minaret van de moskee, de mensen oppoept tot het gebed) klonk.
Waarom heb ik er niet eerder aan gedacht? De imam natuurlijk!
Ik ging voor de deur van de moskee staan en wachtte. De wanden en de vloer van de
binnenplaats van de moskee waren van wit marmer en er stroomde een gulle fontein
in het midden.
Ik wachtte de afloop van het gebed en liep op de imam af.
-Menner de imam, weet u waar Allah woont?, vroeg ik.
Wat?, reageerde de imam, verrast en verbaast, Wat?
Ik keek hem onschuldig aan en herhaalde mijn vraag.
-Hoe durf jij zoiets te vagen? Schaam je je niet?
Hij hield me vast bij mijn arm en gaf me een klap op mijn gezicht en nog een. Hij
dreigde nog eens te slaan maar ik rukte me los en liep, huilend van hem weg.
Mihoub Saucisse, een klein dik mannetje, Saucisse genoemd omdat hij broodjes met
gegrilde saucijzen en vlees verkocht, stond voor zijn rokende barbecue en riep me bij
zich. Ik veegde mijn tranen en liep naar hem toe. Hij draaide een paar saucijzen en
prikte ze met een deskundige beweging. Vlammen kwamen er uit de barbecue en ik
krijg water in mijn mond. De broodjes van Mihoud Saucisse heb ik nog nooit gegeten
maar ik wist zeker dat ze lekker waren en heb er vaak van gedroomd.
-Waarom huil je?, zei hij zonder naar mij te kijken.
-De imam heeft me geslagen, zei ik mijn ogen op de barbecue gericht.
-Die imam deugt niet. Hij moet zich schamen dat hij kinderen zomaar slaat. Ik heb al
een appeltje met hem te schillen, zei hij tegen de drie mannen die op hen broodjes
stonden te wachten.
- Hier ga maar wat snoep kopen, ik ga met die deugniet een paar woorden hebben,
zei hij tegen mij en hij gaf me twee centen.
Ik had gehoopt dat hij me een van zijn veel begeerde broodjes zou geven maar ik nam
het geld aan en maakte aanstalt weg te gaan toen hij me bij mijn overhemd greep.
-Zeg, waarom heeft hij jou geslagen, die deugniet.
-Ik vroeg hem waar Allah woont.
-Wat? Hoe durf je zoiets te vragen.
Hij hield me vast bij mijn overhemd en eiste zijn snoep terug. Ik verzette me en met
een plots gebaar maakte ik me vrij. Een paar knopen vloog uit mijn overhemd
“Slecht opgevoed kinderen,” riep Mihoub Saucisse tegen zijn klanten.

Thuis aangekomen werd ik gelijk door mijn moeder onderschept. Ze zag mijn
gescheurde overhemd en merkte de gemiste knopen en ging voor me staan.
-Met wie heb je gevochten?
-Met niemand. Echt waar, ik zweer het.
Ze hield me bij de arm en dreigde me een klap te verkopen.
-Lieg niet tegen me. Ik zie toch dat je gehuild hebt, en hoe ben jij je knopen kwijt
dan? Heb je weer met Naouri gevochten?
-Moeder, ik heb niet gevochten, het zijn de imam en Mihoub Saucisse die mij een paar
klappen hebben verkocht, zei ik overtuigend.
-Wat? Hoe durven ze mijn kind te slaan, wie denken ze dat ze wel niet zijn?,
reageerde ze woedend.
Ik zag daar gelegenheid om aan eventuele afstraffing te ontsnappen en voegde er aan
toe dat Mihoub Saucisse ook zei dat ik niet goed opgevoed ben.
-Mijn kinderen niet goed opgevoed? Ik ga straks bij zijn vrouw langs. Die dikke
stinkende dwerg. Hij moet voortaan zijn handen thuis houden en zijn mond dicht
houden. Iedereen weet dat ik een vader en een moeder ben voor mijn kinderen.
Ze hield me vast tegen haar lichaam en keek de lucht in.
-Niet goed opgevoed? Mijn kinderen.
Ik was opgelucht en blij tegelijk. Zij liet me los.
-Ga je gezicht wassen en trek een andere overhemd aan.
Toen ik aanstalt maakte weg te lopen vroeg ze waarom ze me hebben geslagen.
Zonder na te denken liet dezelfde zin los ‘waar woont Allah’.
-Ik vroeg waar Allah woont.
-Wat?
Ze greep haar hoofd met beide handen en keek nog eens naar de hemel.
-Mijn God! Hoe durf jij zoiets te vragen? Je bent mijn schande. En aan de imam ook
nog. Ik schaam me voor je. Wil je me vernederen of zo?
Ze pakte het stokje, een dunne olijfboomtak, dat altijd in haar buurt zit en sloeg me
op de benen. Ik sprong smekend en huilend van de ene hoek van de binnenplaats naar
het andere.
-Ik zal je leren.
Oma stormde de binnenplaats binnen en ging tussen mijn moeder en ik staan.
-Laat hem met rust. Wil je hem doden of zo!
Ze keerde mijn moeder vervolgens de rug toe en duwde me naar de woonkamer.
-Vraag hem eerst wat hij heeft gedaan, riep mijn moeder na.
-Wat hij ook heeft gedaan het is geen reden om hem zo af te rossen.
In de woonkamer gaf oma mij een doek om mijn tranen af te drogen en herhaalde
voor de zoveelste keer dat ik beter moet luisteren en niet meer vechten.
Ik zei weer en zonder over na te denken dat ik niet heb gevochten maar gevraagd
waar Allah woont.

Oma barstte in woede. Ze greep haar bezemstok maar ik gaf haar de tijd niet om het
tegen mij te gebruiken. Ik rende naar de slaapkamer en verstopte me onder het bed.
Ze dreigde me de pakslag van mijn leven te verkopen als ik niet onmiddellijk van
onder het bed kom. Ik voelde me veilig onder het bed en buiten bereik van haar
bezemstok en weigerde uit te komen.
Oma probeerde een paar keer mij van onder het bed te krijgen en staakte haar
pogingen.

Een uur later riep mijn oom mij bij zich.
‘Kom hier en help me overeind’ klonk de stem van oom Ahmed. Ik kwam onder het
bed vandaan en ging naar oom Ahmed.
‘Geef me mijn stok’ beviel hij.
‘Oom Ahmed, alsjeblieft, ik heb al genoeg gehad’ smeekte ik.
‘Geef me mijn stok zeg ik.’
Ik overhandigde hem zijn stok en maakte gelijk een sprong naar achter. Oom Ahmed
stond op, met behulp van zijn stok en reikte me zijn hand. Aarzelend, hield ik zijn
hand vast, mijn ogen op de stok gericht. We liepen het huis uit tot aan de Eucalyptus
bos, langs de rivier en voor de gemeentelijke begraafplaats.
Ik dacht: ‘hij wil me in het bos afrossen, zodat niemand mij te hulp kan schieten.’ Ik
smeekte nog eens maar hij hield mijn hand nog steviger in de zijne. Opeens s topte hij
en keek naar de berg.
‘Zie je die berg daar‘ zei mijn oom.
‘Ja.’
‘Daar achter woont Allah.’
‘Oom Ahmed, je neemt me in de maling, ik weet dat er daar achter een andere berg
is.’
‘Klopt, en nog een en nog een. Zeven bergen om precies te zijn. Achter de zevende
berg woont Allah.’
‘Zie ik Allah dan als ik daar naar toe ga.’
‘Ja. Hij laat zich altijd aan kinderen zien.’
‘Ik ben een kind.‘
‘Ja, je bent een kind.’
‘Ik ga morgen er naar toe’ zei ik. ’ga je ook mee oom Ahmed, je kunt hem vragen om
je te genezen‘ voegde ik toe.
‘Ik zou het wel willen maar hij laat zich nooit aan volwassenen zien. Alleen aan
kinderen.’
‘Dan ga ik alleen en ik zal hem ook over jou vertellen.’
‘Het kan erg lang duren voordat je daar aankomt.’
‘Hoe lang dan?’
‘Jaren. Misschien wel 20 jaar.’
‘20 jaar? Dan ben ik bijna dertig. Dan ben ik geen kind meer.‘
Ik was teleurgesteld en heb dagen lang naar de berg gekeken.
Ik weet nu dat wat mijn oom me toen me had verteld de mooiste oplossing was voor
het kind die ik was, op zoek naar antwoorden op zijn vragen. Misschien had ik toen
ook met hem moeten praten over de andere vragen die in mijn hoofd huisden. Ik zat
toen in een grijs gebied, tussen de dagelijkse werkelijkheid waarin ik verkeerde en
mijn fantasie, mijn dromen die mij hielpen overeind te blijven.

Onderweg naar huis vroeg mijn oom waarom ik met Allah wilde spreken.
“Ik wil hem vragen onze lot te veranderen. Alles wissen wat hij op onze voorhoofd
heeft geschreven en iets anders schrijven.’
“Wat voor lot wil je dan? Wat wil je later worden, als je groot bent?’
Ik gaf mijn oom geen antwoord, ik wilde eerst groot worden.
Ik dacht aan Zohier de schoenenpoetser. Ik dacht aan de dag dat hij de schoenen van
een priester wilde poetsen. De priester weigerde maar gaf hem wel een paar
muntjes.
‘Denk aan je toekomst, kind.’
‘Wat bedoelt u priester? Vroeg Zohier.
‘Hoe oud ben je kind?’ vroeg de priester.
’10 jaar!’
‘Je bent 10 jaar oud en je bent een schoenenpoetser. Heb je ooit gedacht aan wat je
zult zijn over 10 jaar?’
‘Een schoenenpoetser van 20!’

‘Wat wil je later worden, als je groot bent?’

Het lot en de verhalen van onze huis hebben me altijd bezig gehouden. Het huis waar
ik heb gewoond, woont nu in mij, samen het kind die ik was. Haar verhalen, wil ik
vertellen, samen met het kind in mij. Van mektoeb tot inshallah.
Ik wil ze met de hele wereld delen.
Dat is misschien mijn lot, mijn roeping. Vertellen!

				
DOCUMENT INFO
Shared By:
Categories:
Tags:
Stats:
views:0
posted:6/5/2013
language:Unknown
pages:7