samenvatting Nederlands 3 havo vwo by GqXAAB4

VIEWS: 379 PAGES: 30

									Samenvatting ‘Op nieuw Niveau’ 3 havo-vwo                                                             1


Onderdeel:                 Uitleg:                                             Voorbeeld:
Beeldspraak           Figuurlijk taalgebruik. Alle uitdrukkingen en            Hij is snel op zijn
                      gezegdes zijn beeldspraak.                               teentjes getrapt.
Letterlijke betekenis Je bedoelt precies wat je zegt.                          Ik zit op een stoel.
Figuurlijke                Je gebruikt beelden om te zeggen wat je bedoelt.    Hij is een sluwe vos.
betekenis                                                                      Je gebruikt dan een
                           Het gebruik van beelden noemen we                   beeld van een sluwe
                           beeldspraak.                                        vos om aan te geven dat
                                                                               iemand heel slim is.
Massamedia en              Radio, tv, kranten, tijdschriften en internet
reclame                    worden massamedia genoemd, omdat ze grote
                           groepen mensen bereiken.
                           Je vindt er verschillende vormen van reclame,
                           zoals:
                            commercials,
                            advertenties,
                            sponsoring
                            banners.
Tijdschriften              Specialistische tijdschriften: voor kleine          Tandartsen,
 specialistische          doelgroep. Kleine oplage en verschijnt slechts      atletiekliefhebbers
 algemene                 enkele keren per jaar.

                           Algemene tijdschriften: voor grote doelgroep.       Tros Kompas, Privé,
                           Grote oplage en verschijning is wekelijks.          opiniebladen als
                           Deze behoren tot de massamedia. Ze liggen ook       Elsevier en
                           in kiosken en supermarkten.                         lifestylemagazines als
                           Ze besteden veel aandacht aan de teksten en         Vt-wonen
                           koppen op hun voorblad.
Kranten                    Regionaal en landelijk

                           Populair:                                         Telegraaf, Spits
                           Intellectueel: doelgroep meer ervaren lezers, met NRC Handelsblad en
                           hogere opleiding.                                 Trouw

                           Voorpagina = belangrijkste, vanwege de verkoop.
                           Koppen moeten pakkend zijn. Foto’s opvallend.

                           Adverteerders: kiezen krant die past bij hun
                           doelgroep, maar ook wat past bij hun bugdet.
Commercials                Reclameboodschappen met beeld en / of geluid         Reclameblokken op tv
                           (Kijkcijfers zijn hierbij belangrijk.)
Advertenties               Reclame met tekst en / of foto’s in tijdschriften en
                           kranten
Sponsoring                 Een bedrijf geeft geld of spullen om een product T-shirts van
                           in beeld te krijgen                                  voetbalspelers, bier in
                                                                                soaps
Banners                    Klikbare vakjes of buttons op het internet met een
                           link naar de site van de fabrikant of reclamemaker
Samenvatting ‘Op nieuw Niveau’ 3 havo-vwo                                                       2


Misleiding          Als je bijvoorbeeld denkt dat je naar een site gaat
                    die je een eerlijke mening en advies geeft, en je
                    krijgt alleen maar een bepaald merk geadviseerd.
Beeld               Beeld en geluid kunnen in korte tijd veel
                    informatie overbrengen. Een beeld kan veel meer
                    emoties overbrengen dan een gesproken of
                    geschreven tekst.
Publiek             Elk medium maakt een programma of schrijft een                 Ouderen
Doelgroep           artikel voor een verschillend publiek.                         Kinderen
                    Dit noem je de doelgroep.                                      Zwangere vrouwen
                                                                                   Sportliefhebbers
Publieksgerichtheid Een tekst is bedoeld voor een bepaald publiek.      
                    Hoe weet je voor welk publiek het bedoeld is?

                           1) Let op manier waarop de lezer wordt
                               aangesproken, diepgang van de tekst en de
                               voorkennis die wordt verondersteld.
                           2) Is de tekst verschenen in een tijdschrift of
                               krant voor een algemeen publiek of in een
                               blad voor een bepaalde (beroeps)groep?
                           3) Wordt er vaktaal of groepstaal gebruikt?
                           4) Worden er lange, ingewikkelde zinnen en
                               moeilijke woorden gebruikt?
                           5) Bevat de tekst veel figuurlijk taalgebruik?
Opmaak / layout            Alle uiterlijke kenmerken van een tekst samen.
                            Soort, grootte en manier van drukken (vet,
                               cursief)
                            Lettertype
                            Kleuren
                            Tekeningen en foto’s
                            Lengte van de regels
                            Kolommen

                           Hoe de layout eruit ziet, hangt af van je publiek.
Onderdeel:                 Uitleg:                                               Voorbeeld:
Manieren van lezen

Zoekend lezen                  Doel = informatie zoeken
                               Je let op: titel, kopjes, zoekwoorden
Globaal lezen                  Doel = een eerste indruk krijgen, de
                                hoofdzaak bekijken
                               Je let op: titel, kopjes, inleiding, vette en
                                cursieve tekst, schrijver, bron
Intensief lezen                Doel = een tekst helemaal begrijpen
                               Je let op: betekenis van woorden,
                                verwijswoorden, tekstopbouw,
                                alineaverbanden, tekstdoel
Studerend lezen                Doel = een tekst zo lezen, dat je onthoudt wat
                                erin staat
Samenvatting ‘Op nieuw Niveau’ 3 havo-vwo                                                          3


                             Je let op: tekst nog een keer doorlezen,
                              hoofdzaken stap voor stap inprenten
Kritisch lezen              Een tekst beoordelen op zijn juistheid
                            Je let op: klopt de informatie? Is de informatie
                              volledig? Zijn de argumenten overtuigend?
                              Zijn de argumenten eerlijk?
Soorten publiek            1) Een persoon
                              a) die je kent                                    a) vriendin, oom
                              b) die je niet persoonlijk kent                   b) burgemeester
                           2) Een groep
                              a) Zonder bepaalde kenmerken                      a) lezers van een krant
                              b) Met bepaalde kenmerken                         b) jongeren,
                                                                                muziekliefhebbers
Opmaak / layout

Titel                      Geeft meestal aan waar de tekst over gaat en
                           maakt je nieuwsgierig naar de inhoud. Grote letter
                           en is vetgedrukt.
Ondertitel                 Iets kleinere letter en geeft nog wat meer
                           informatie over de inhoud van de tekst.
Tussenkopjes               Zeggen iets over de tekst daaronder. Ze helpen je
                           de tekst snel te overzien.
Illustraties               Mogelijke bedoelingen:
                           1. hulp om de tekst beter te begrijpen;
                           2. aandacht trekken;
                           3. noodzakelijke toevoeging (iets dat niet in
                               woorden uit te leggen is)
                           4. versierende functie.
Lettertypes                 verschillende lettertypes kan helpen om tekst
                               overzichtelijker te maken (maar ook drukker)
                            Aandacht trekken
Bladspiegel                De manier waarop alle tekst en illustraties op de
                           bladzijde staan. Een bladspiegel met veel tekst
                           nodigt niet uit tot lezen.
Tekstblokjes               Op een bladzijde kunnen aparte tekstblokjes
                           staan. Daarin kan aanvullende informatie worden
                           gegeven die wel met de tekst te maken heeft,
                           maar er niet in is opgenomen.
Onderdeel                  Uitleg                                             Voorbeeld:
Kolommen                   Een tekst die in kolommen verdeeld is, leest
                           plezieriger.
Aparte                     Waarom? Mogelijkheden:
tekstblokjes               1. Teksten hebben weinig met elkaar te maken.
                               Ze gaan over verschillende onderwerpen.
                           2. Er is een hoofdtekst en in aparte tekstblokjes
                               staan een paar aanvullende teksten die met het
                               onderwerp van de hoofdtekst te maken
                               hebben.
                           3. Er kunnen verschillende teksten over
Samenvatting ‘Op nieuw Niveau’ 3 havo-vwo                                                           4


                               hetzelfde onderwerp in aparte tekstblokjes
                               zijn afgedrukt die allemaal even belangrijk
                               zijn.
Standaardtaal              1. Vroeger in Nederland alleen dialecten;
                           2. In 17e eeuw was Holland het belangrijkste
                               gewest op politiek, cultureel en economisch
                               gebied. Daarom werd het Hollandse dialect de
                               basis voor het algemene Nederlands
                           3. De taal van ontwikkelde burgers,
                               overheidspersonen en rijke kooplieden werd
                               de norm. De taal verspreidde zich naar alle
                               gewesten.
                           4. 1900 leerplichtwet  alle kinderen naar
                               school. Analfabetisme werd minder. Kinderen
                               leerden het Standaardnederlands.
                           5. toenemend verkeer, betere verkeersmiddelen,
                               forensen  iedereen spreekt steeds meer
                               dezelfde taal.
                           6. invloed van media. Radio, tv en krant.
Open plekken               Plaatsen in verhalen (en ook in films en                'Ze wist dat het niet
(spanning)                 televisieseries) die vragen en vermoedens               mogelijk was, maar nu
                           oproepen, noemen we open plekken. Open                  zag ze hem toch
                           plekken zorgen voor spanning in het verhaal.            duidelijk in de tuin
                                                                                   staan.'
                           In detectiveverhalen zitten vooral veel open
                           plekken: de belangrijkste is natuurlijk de vraag
                           wie de dader is. Meestal wordt die open plek pas
                           op het eind van het boek ingevuld.
Globale spanning           Globale spanning is de soort spanning die de
                           lezer door het hele boek heen trekt; het is de
                           vraag die de lezer het hele boek door bezighoudt.
                           Dat zie je bij misdaadboeken en -series op de
                           televisie heel duidelijk.

                           1. op het verleden gerichte globale spanning:
                               Er is in het verleden iets gebeurd en het hele
                               boek gaat over de vraag wat er is
                               voorgevallen.
Onderdeel:                 Uitleg:                                                 Voorbeeld:
                           2. op de toekomst gerichte globale spanning:
                              Hierbij gaat het niet om wat gebeurd is, maar
                              om wat er gaat gebeuren. Er hangt iets in de
                              lucht, er dreigt iets, de lezer voelt dat en raakt
                              nieuwsgierig.

                           Deze soorten spanning kunnen gecombineerd
                           worden.
Lokale spanning            Lokale spanning is de spanning op een bepaalde Een achtervolging, een
                           plaats in het boek en op korte afstand, dat wil schietpartij, het horen
Samenvatting ‘Op nieuw Niveau’ 3 havo-vwo                                                           5


                           zeggen dat een beschreven situatie spannend is en van een vreemd geluid
                           dat die spanning vrij snel wordt opgelost.        's nachts of een
                                                                             merkwaardige
                            Vrij kort na het ontstaan van die spanning      gebeurtenis
                               wordt die ingelost, meestal binnen enkele
                               bladzijden.
                            Om de aandacht van de lezer vast te houden,
                               bevatten veel boeken diverse scènes waarin
                               die lokale spanning voorkomt.
                            Meestal is lokale spanning op de toekomst
                               gerichte spanning: je wilt weten wat er gaat
                               gebeuren.



Spanningsboog              De periode tussen het begin en het einde van de
                           spanning.

                               Situaties met een lokale spanning hebben een
                                korte spanningsboog: meestal enkele
                                bladzijden.
                               De spanningsboog van de globale spanning
                                duurt het hele boek voort.

Uitstel en                 De schrijver wil spanning opwekken. De schrijver
vertraging                 doet dit door niet alle informatie meteen te geven.

(Trucs om spanning             Spanning is dus een spel van informatie geven    Op het moment dat je
op te wekken)                   en achterhouden. Bij het achterhouden van        denkt een antwoord op
                                informatie spelen de trucs uitstel en vertra-    je vraag te krijgen,
                                ging een grote rol.                              volgen er eerst allerlei
                               Een andere uitsteltruc is de zogenaamde          gebeurtenissen of
                                cliffhanger.                                     worden gedachten van
                                                                                 de personen
                                                                                 beschreven.



Onderdeel:                 Uitleg:                                               Voorbeeld:
Cliffhanger                Het verhaal breekt op een spannend moment af.
                           Dan volgt bijvoorbeeld een terugblik of een
(Truc om spanning          herinnering. Ook kan het verhaal overstappen op
op te wekken)              een andere verhaallijn. De cliffhanger wordt
                           veel gebruikt in soaps

Dwaalsporen of             De lezer wordt als het ware op het verkeerde been Het lijkt er bijvoorbeeld
verkeerde                  gezet.                                            sterk op dat persoon x
vermoedens                                                                   de dader is, maar
                                                                             uiteindelijk blijkt dat
Samenvatting ‘Op nieuw Niveau’ 3 havo-vwo                                                       6


(Truc om spanning                                                          niet zo te zijn.
op te wekken)                                                              Of je denkt te weten
                                                                           wat er in het verleden is
                                                                           gebeurd, maar later
                                                                           blijkt dat het allemaal
                                                                           heel anders was. De
                                                                           schrijver heeft je
                                                                           natuurlijk bewust een
                                                                           verkeerde kant op
                                                                           gestuurd
Vooruitwijzing             Het gebruik van vooruitwijzingen zorgt ook voor Een zin als 'Maar later
                           spanning.                                       die dag zou hij enorm
(Truc om spanning                                                          spijt krijgen van deze
op te wekken)                                                              beslissing' zorgt voor
                                                                           nieuwsgierigheid en
                                                                           bepaalde
                                                                           verwachtingen en dus
                                                                           spanning. Je vraagt je
                                                                           af wat er later op die
                                                                           dag dan gaat gebeuren
                                                                           en daarom lees je
                                                                           verder.
Informatie-                De lezer weet meer dan de personen in het       De hoofdpersoon gaat
voorsprong                 verhaal.                                        een huis binnen en de
                                                                           kijker / lezer weet al dat
(Truc om spanning                                                          daar iemand staat te
op te wekken)                                                              wachten.
Soorten beeldspraak


Vergelijking               Als er overeenkomst is tussen twee zaken.         Jouw kamer is echt een
                                                                             paleisje.
                           De twee delen van de vergelijking kunnen met       kamer = verbeelde
                           elkaar worden verbonden door:                         (dat waar een beeld
                            Vorm van werkwoord zijn;                            van gemaakt wordt)
                            Vorm van werkwoord lijken; (jouw kamer           paleisje = beeld
                               lijkt wel een paleisje)
                            Woorden als als of zoals; (hij heeft een kamer
                               als een paleisje)
                            Woord van; (hij heeft een paleisje van een
                               kamer)
                            Soms staan ze naast elkaar zonder
                               verbindingswoord. (in zijn kamer, een echt
                               paleisje, hangen prachtige posters)
Onderdeel                  Uitleg:                                          Voorbeeld:
Metafoor                   Bij een metafoor is het verbeelde weggelaten.     Wat een paleisje is dit!
                           Alleen het beeld is overgebleven.

                               Alle uitdrukkingen en gezegdes zijn
                                metaforen.
Samenvatting ‘Op nieuw Niveau’ 3 havo-vwo                                                           7


Personificatie             Bij een personificatie wordt een abstract begrip       De ziekte kreeg hem in
                           of iets uit de natuur als persoon voorgesteld.         haar greep.

                                                                                  Bomen fluisteren
                                                                                  zachtjes haar naam.
Bedrijvengids /            Hierin staan adressen en telefoonnummers van           Gouden gids
rubriekengids              winkels, bedrijven, vakmensen en organisaties.

                              Ingedeeld in rubrieken;                            Voorbeeld rubriek:
                              Rubrieken staan op alfabetische volgorde            Fietsen en
                              Er is sprake van hoofdrubrieken (bijv.                bromfietsen
                               huisarts valt onder hoofdrubriek ‘artsen’)          Hoefsmeden
                            Je kunt zoeken in de index of                         Hulpverlenings-
                               trefwoordenregister, die je verwijst naar de          organisaties
                               hoofdrubriek (bijv. mannequin: zie                  Kappers
                               modellenbureaus)                                    Mobiele telefonie
Tekstdoelen                • Informeren:
                           de schrijver verstrekt informatie aan de lezer; in
Schrijvers kunnen          de tekst staan veel feitelijke gegevens, zoals in
verschillende              nieuwsberichten.
bedoelingen met
                    • Uiteenzetten:
hun teksten hebben.
                    De schrijver legt uit hoe iets in elkaar zit; hij leert
                    je iets nieuws. (objectief en betrouwbaar; school-
                    en studieboeken)
                    • Beschouwen:
                    De schrijver belicht verschillende kanten van het
                    onderwerp of probleem.
                           • Overtuigen:
                           de schrijver geeft zijn mening over een
                           onderwerp en gebruikt argumenten (redenen) met
                           de bedoeling dat de lezer er ook zo over gaat
                           denken.
                           • Een mening geven:
                           de schrijver brengt alleen zijn mening en/of die
                           van anderen naar voren, zonder de lezer te willen
                           overtuigen.
                           • Tot handelen aanzetten (overhalen, aansporen,
                           activeren):
                           de schrijver probeert de lezer over te halen iets te
                           gaan doen, bijvoorbeeld iets te kopen of lid te
                           worden van een vereniging.
                           • Gevoelens uitdrukken:
                           de schrijver geeft zijn gevoelens weer. Hij maakt
                           duidelijk waarom iets hem bijvoorbeeld boos,
                           gelukkig, verdrietig, vrolijk of angstig maakt.
                           • Amuseren:
                           de schrijver wil de lezer vermaken, boeien of
                           ontroeren.
Samenvatting ‘Op nieuw Niveau’ 3 havo-vwo   8
Samenvatting ‘Op nieuw Niveau’ 3 havo-vwo                                                           9



Onderdeel:                 Uitleg:                                               Voorbeeld:

Tekstdoelen:       Veel teksten zijn mengvormen van voorgaande
mengvormen         tekstdoelen. Meestal kun je wel één tekstdoel als
                   het belangrijkste aanwijzen.
Feiten en meningen In teksten kunnen feiten en meningen voorkomen.

                           Feiten = controleerbare gegevens                      Die deur is groen.
                           Mening = iets wat je vindt                            Ik vind die kleur niet
                                                                                 mooi.
                           Pas op: meningen worden vaak verpakt in
                           feitelijke uitspraken. Zo zal iemand kunnen
                           zeggen: die kleur is lelijk. Dit is natuurlijk zijn
                           mening.
Objectief en               Objectief = feiten (controleerbaar, net afhankelijk
subjectief                 van een persoon)
                           Subjectief = persoonlijk, afhankelijk van wat
                           iemand vindt. Een ander kan er anders over
                           denken.
Tekstdoel                  Objectief
informeren
Andere tekstdoelen         Subjectief

Tekstopbouw                 Inleiding
                            Middenstuk / kern
                            Slot
Inleiding                  De inleiding, die meestal uit een of twee alinea's
                           bestaat, heeft als voornaamste functie de
                           aandacht van de lezer te trekken. Dat kan onder
                           andere op de volgende manieren:
                           1. Een kort grappig of bijzonder verhaal
                               vertellen (een anekdote) om je voor te
                               bereiden op het onderwerp.
                           2. De aanleiding voor het schrijven van de tekst
                               noemen: bijvoorbeeld een nieuwsfeit, een
                               verschenen boek of een gebeurtenis.
                           3. Het onderwerp van de tekst noemen en/of de
                               centrale vraag naar voren brengen.
                           4. Vooraf een samenvatting geven van de
                               inhoud of een conclusie noemen.
                           5. Een deskundige voorstellen die verderop aan
                               het woord komt over het onderwerp.
                           6. Een voorbeeld geven van het in de tekst
                               gestelde probleem.
                           7. Vertellen hoe de tekst is opgebouwd.
                           8. Vragen stellen.
                           Het komt regelmatig voor dat er een combinatie
                           van deze manieren is gebruikt.
Samenvatting ‘Op nieuw Niveau’ 3 havo-vwo                                                        10


Middenstuk / kern          Het middenstuk of de kern beschrijft het
                           onderwerp of het centrale probleem van de tekst.

                           Het middenstuk is verdeeld in alinea's. Daarin
                           worden de deelonderwerpen of tekstdelen
                           uitgewerkt. Een deelonderwerp kan in meerdere
                           alinea’s worden uitgewerkt.
Onderdeel:                 Uitleg:                                             Voorbeeld:

Deelonderwerpen in Een deelonderwerp kan in één alinea aan bod ko-             Zo kunnen bijvoorbeeld
alinea’s           men, maar kan ook zijn verdeeld over meer                   twee alinea's van het
                   alinea's.                                                   middenstuk gaan over
                    Je moet een passend kopje boven een alinea                het beschrijven van een
                       of een groepje alinea kunnen plaatsen.                  onderzoek naar
                    Zo'n kopje vat de inhoud van de alinea('s)                voetbalvandalisme,
                       samen: het geeft de hoofdzaak weer.                     daarna drie alinea's
                    Je moet een alinea of groepje alinea's samen              over de resultaten en tot
                       kunnen vatten in één zin.                               slot twee alinea's over
                                                                               de reacties op die
                                                                               resultaten.
Slot                       Het slot sluit de tekst af. (meestal 1 alinea)

                           Dat kan onder andere op de volgende manieren:
                           1. Een samenvatting van het voorafgaande
                              geven.
                           2. Een conclusie uit het voorafgaande trekken.
                              Dit gebeurt vaak bij teksten waarin de
                              schrijver zijn/haar mening naar voren brengt.
                           3. Een advies geven over de aanpak van het
                              probleem dat in de tekst is besproken.

Activerende tekst    Doel van activerende tekst:                               Voorbeeld: affiche
                     de lezer overhalen iets te gaan kopen of iets te
(voorbeeld: affiche) gaan doen.                                                   Korte zinnen of één
                                                                                   woord
                               Rekening houden met je publiek;                 Tekst over hele
                               Aandacht besteden aan opmaak van de tekst.         bladzijde verdelen
                                                                                Belangrijke zaken
                                                                                   moeten opvallen
                                                                                   (groot,
                                                                                   onderstrepen)
                                                                                Gekleurde letters en
                                                                                   plaatjes
Leestekens                 Komma’s, punten, uitroeptekens                      Zie blz. 258

Spreekdoel                 Ook sprekers kunnen verschillende bedoelingen       Zie opdracht 32 blok 2
                           hebben. Om zijn spreekdoel te bereiken moet hij
                           rekening houden met zijn publiek
Tweelingfouten             Bepaalde woorden worden vaak door elkaar            Kennen – kunnen
                           gebruikt. Als je zulke woorden door elkaar haalt,   Liggen – leggen
Samenvatting ‘Op nieuw Niveau’ 3 havo-vwo                                                       11


                           noemen we dat een tweelingfout.                     Als – dan
                                                                               Met behulp van – met
                                                                               de hulp van
                                                                               Omdat – doordat
                                                                               Rede – reden
Figuurlijk                 Soms kun je een uitdrukking gebruiken om taal
taalgebruik                levendiger te maken. Soms is beeldspraak storend
Onderdeel                  Uitleg                                           Voorbeeld

Hoofdpersonen              Je kunt personages in fictie verdelen in
                           hoofdpersonen en bijfiguren.
                            Van hoofdpersonen kom je veel te weten:
                               wat zij denken en voelen, waarom zij iets
                               doen, hoe zij zich ontwikkelen.
                            Het verhaal draait altijd om het probleem van
                               de hoofdpersoon en om de manier waarop hij
                               dat probleem probeert op te lessen.

Bijfiguren                 Van bijfiguren kom je veel minder te weten.

                              Zij kunnen verschillende rollen spelen en die
                               hebben allemaal met hun verhouding tot de
                               hoofdpersoon te maken.
                            Bijfiguren kunnen optreden als helper of als
                               tegenstander van de hoofdpersoon.
                            Er zijn ook bijfiguren die alleen maar zorgen
                               voor de vulling van de verhaalwereld en geen
                               enkele rol spelen.
                            De relaties tussen de hoofdpersoon en de
                               bijfiguren kunnen gedurende het hele boek
                               hetzelfde blijven, maar er kan ook
                               verandering in optreden. Zo kan een helper
                               een tegenstander worden of omgekeerd. Dat
                               zorgt dan voor verrassingen
Karakter                   Van sommige personages kom je zoveel te weten
                           dat ze haast uitgroeien tot echte mensen. Ze
                           hebben veel verschillende en soms ook wel te-
                           genstrijdige eigenschappen. Zulke complexe
                           personages noemen we karakters.

                           Hoofdpersonen zijn vaak karakters.
Type (stereotiep)          Vast en onveranderlijk.                             Voorbeelden van types
                                                                               zijn de domme boef, de
                  Personen die maar één opvallende eigenschap                  verstrooide professor of
                  hebben en vaak op dezelfde manier (stereotiep)               de heldhaftige helper.
                  reageren, noemen we een type.
Normen en waarden Net als echte mensen hebben personen in                      In het verhaal 'Het
                  verhalen normen en waarden.                                  strandfeest' heeft
                                                                               mijnheer Asian heel
                               Zij doen iets wel of niet op grond van hun     andere leefregels dan
Samenvatting ‘Op nieuw Niveau’ 3 havo-vwo                                                        12


                                leefregels (hun opvattingen over goed en        Astrid en haar ouders.
                                kwaad).                                         De normen en waarden
                                                                                van personages kunnen
                                                                                overeenkomen met die
                                                                                van jou, maar er ook
                                                                                sterk van afwijken
Onderdeel                  Inhoud                                               Voorbeeld

Identificatie              Meeleven met de hoofdpersoon. Je herkennen in
                           de hoofdpersoon.

                              Bij het lezen van een boek of het bekijken van
                               een film heb je vast wel eens het gevoel gehad
                               datje met de hoofdpersoon ging meeleven.
                               Dat noemen we identificatie.
                            Veel lezers vinden het fijn als ze zich kunnen
                               identificeren met een personage. Ze staan
                               voor een tijdje in andermans schoenen.
                            Je kunt je afvragen hoe het komt dat je je
                               identificeert. Gedraagt de persoon zich heel
                               herkenbaar? Zou je willen meemaken wat die
                               persoon beleeft?
Personages leren           Je leert de personages kennen door:
kennen
                               Wat zij doen en zeggen;
                               Wat zij denken en voelen;
                               Wat anderen over hen zeggen en denken.

                           Meestal ligt de nadruk op het leren kennen van
                           het innerlijk van de hoofdpersoon.

                           Bij bijfiguren ligt de nadruk op de buitenkant.
                           Dat betekent wel dat zij verrassende dingen
                           kunnen doen. (je weet immers niet wat zij
                           denken)
Karaktertrekken            Personages hebben allerlei karaktertrekken.          Betrouwbaar, druk,
                                                                                lomp, slim, gevoelig,
                              Hoofdpersonages hebben er meer dan               herkenbaar,
                               bijfiguren.                                      vergevingsgezind,
                            Karaktereigenschappen kun je beschrijven           idealistisch enz.
                               met behulp van de lijst op bladzijde 102, 103
                               (havo) en 109, 110 (vwo)
Thema                      Onderwerp.
                           Meestal kun je het in één woord of een paar
                           woorden zeggen.’
                           Het thema is een kwestie van interpreteren:
                           betekenis geven.

                               Niet iedereen wijst hetzelfde thema aan: voor
                                elk thema zijn vaak wel argumenten te
Samenvatting ‘Op nieuw Niveau’ 3 havo-vwo                                                        13


                                noemen.
                               Het thema gaat over het hele verhaal;
                               In het thema komen deelonderwerpen voor.
                                Deze noemen we de motieven.

                           Twee verschillende lagen:
                            Verhaallaag: concrete gebeurtenissen
                            Betekenislaag of thematische laag: dit geeft
                               de betekenis van het verhaal, de diepere
                               bedoeling ervan, datgene waar het eigenlijk
                               om gaat.
Motieven /                 Situaties, gebeurtenissen of gedachten die        Onderdrukking,
deelonderwerpen            regelmatig in een verhaal terugkeren. De motieven vriendschap, liefde,
                           vormen samen het thema van het hele boek.         vluchten,
                                                                             machtsmisbruik,
                                                                             vrijheidsgevoelens,
                                                                             natuurgeweld
Onderdeel                  Uitleg                                            Voorbeeld

Stijlfiguren (1)           Beeldspraak – voorbeelden

Herhaling                  Hetzelfde wordt nog eens met dezelfde woorden         Dat is mooi gezegd,
                           gezegd.                                               heel mooi.
Tautologie                  Je zegt twee keer hetzelfde met andere              2 bijwoorden
                              woorden.                                           2 zelfstandige
                            De woorden behoren tot dezelfde woordsoort.         naamwoorden

                                                                                 Vast en zeker.
Pleonasme                  M.b.v. een bijvoeglijk naamwoord wordt een            Een mooie, groene
                           eigenschap genoemd die het zelfstandig                grasmat.
                           naamwoord al bezit.

                           Schots en scheef = tautologie
                           Witte sneeuw = pleonasme
                           Was op haar hoede = metafoor
                           Gerucht of geluid = tautologie
                           Vrolijke grappen = pleonasme
                           Geïsoleerd en van de wereld afgesneden = tautologie
                           Bejaarde oudjes = pleonasme
                           Visten achter het net = metafoor
                           Gaat boven mijn pet = metafoor

Hoofdonderwerp             Een tekst gaat ergens over. Dat noemen we het    De verzorging van een
                           hoofdonderwerp van de hele tekst. (in één woord, hond
                           paar woorden of een korte zin)

                           Dit wordt besproken in het middenstuk.
Deelonderwerpen            Het middenstuk is vaak verdeeld in                    De vacht
                           deelonderwerpen (delen van het                        Het gebit
                           hoofdonderwerp), die vaak in verschillende            De voeding
                           alinea’s worden behandeld.                            Parasieten
Samenvatting ‘Op nieuw Niveau’ 3 havo-vwo                                                   14


Kernzin                    De belangrijkste zin van zo’n alinea.

                             Vaak aan het begin.
                             Kan ook aan het eind staan: heeft dan vaak
                              een samenvattend of concluderend karakter.
                            Soms wordt een deelonderwerp in meer
                              alinea’s behandeld.
Hoofdgedachte              Datgene wat de tekst duidelijk wil maken,
                           samengevat in één zin.
                           De hoofdgedachte is dus het belangrijkste van
                           de hele tekst.
                            Voor de hoofdgedachte kijk je naar inleiding
                              en slot.
                            Soms staat de hoofdgedachte letterlijk in de
                              tekst, maar vaak moet je hem zelf onder
                              woorden brengen.



Onderdeel                  Uitleg                                           Voorbeeld

Samenvatten                Je geeft de hoofdzaken van een tekst in eigen
                           woorden kort weer.
Hoofdzaken                  Hoofdonderwerp
                            Hoofdgedachte
                            Bedoeling van de tekst
                            Gedachtegang van de schrijver
                            Deelonderwerpen
                            Uitspraken over deelonderwerpen
Informatie waar?            Inleiding en slot  informatie over
                               hoofdgedachte
                            Kernzinnen alinea’s  belangrijkste
                               gegevens deelonderwerpen
                            Belangrijkste gegevens: informatie,
                               standpunten en argumenten
Voorwaarde goede           De samenvatting moet de tekst kunnen              Volg aanwijzingen van
samenvatting               vervangen. Je moet alle belangrijke gegevens erin de opdracht op!!
                           kunnen lezen.
Zakelijk gesprek           Soms praat je over een meer officieel onderwerp  Bespreking
                           en voer je een zakelijk gesprek.                      proefwerk met
                                                                                 docent.
                           Je kunt een zakelijk gesprek ook voeren met een  Gesprek met
                           bekende.                                              verkoper over
                                                                                 garantie
Spreekdoelen                Informatie vragen en geven;
zakelijk gesprek            Overtuigen;
                            Iets gedaan proberen te krijgen.
Samenvatting ‘Op nieuw Niveau’ 3 havo-vwo                                                   15



Onderdeel (blok 4)         Uitleg                                               Voorbeeld

Chronologische                                                       Vaak is volgorde:
                           In een fictionele tekst wordt een verhaal verteld.
volgorde                                                             1. Beginsituatie
                    Chronologische volgorde = als de gebeurtenissen 2. ontstaan van het
(Over lezen         na elkaar worden verteld, zoals in de                 probleem
Opbouw)             werkelijkheid.                                   3. verslechtering van
                                                                          de situatie
                                                                     4. dieptepunt
                                                                     5. langzame
                                                                          verbetering
                                                                     6. afronding of
                                                                          ontknoping
Niet chronologische De gebeurtenissen zijn door elkaar gegooid en er Verhaal kan bij het
volgorde            kunnen terugblikken in zitten.                   dieptepunt beginnen.
                                                                     In flashbacks kom je te
                                                                     weten wat er is
                                                                     gebeurd.
                                                                     Reden: meer spanning
Motorisch moment In een verhaal draait alles om een conflict of een
                    probleem. Dat zorgt ervoor dat er andere dingen
                    gaan gebeuren.

                           De gebeurtenis waarin het conflict of probleem
                           ontstaat, is de motor van het verhaal: alles komt
                           dan om gang.

                           Wanneer is dat motorisch moment?
                            Bij chronologisch verhaal: vaak aan het begin
                            Bij niet-chronologisch verhaal: vaak later
Verhaallijnen              Een verhaal kan draaien om de belevenissen van
                           één persoon. Dan is er één verhaallijn.

                           Er kunnen ook meer verhaallijnen zijn: dan zijn
                           er meer personen met problemen en volg je
                           afwisselend die personen en hun belevenissen.

                           Waarom meer verhaallijnen?
                           Meer afwisseling en spanning. ( bij overgang
                           van de ene verhaallijn naar de andere wordt vaak
                           een cliffhanger gebruikt (blok 2, blz. 56)
Afloop                      Happy end
                              (alle vragen zijn beantwoord en het loopt
                              goed af)
                            Droevig einde
                            Open einde
                              (er blijven nog vragen over en het is niet
                              duidelijk of het probleem is opgelost. Veel
                              mensen vinden dit een onplezierig einde).
Samenvatting ‘Op nieuw Niveau’ 3 havo-vwo                                                    16


Onderdeel (blok 4)         Uitleg                                                Voorbeeld

Tijd waarin het            De tijd waarin het verhaal speelt, is belangrijk om Gedrag en gedachten
verhaal speelt             de gebeurtenissen te kunnen begrijpen.              waren in de
                                                                               Middeleeuwen anders
                           De tijd heeft te maken met de cultuur en            dan tegenwoordig.
                           gewoonten van die tijd.

                           Er zijn ook verhalen waarbij het niet uitmaakt in
                           welke tijd het speelt. Dan is het thema zodanig dat
                           het voor iedere tijd hetzelfde gevoel oplevert.
Verteltempo                 Hoog verhaaltempo:
                               er wordt veel tijd verteld in weinig woorden.
                               Er wordt niet lang stilgestaan bij een
                               gebeurtenis of een gedachte.
                            Laag verhaaltempo:
                               Er wordt weinig tijd verteld in veel
                               bladzijden.

                                Binnen een verhaal komen beide tempo’s
                                vaak voor. In een verhaal kan nooit alles
                                (uitgebreid) verteld worden. Dat zou saai
                                worden.

                               Versnelling:
                                Als het tempo van het verhaal wisselt en er
                                veel gebeurtenissen in een paar zinnen of
                                een kort stukje verteld worden. Dit is dan
                                meestal minder belangrijk.
                               Vertraging:
                                Als het tempo van het verhaal wisselt en er in
                                veel woorden één gebeurtenis verteld wordt.
                                Dit is meestal iets belangrijks.

                           Tijdsprong:
                           Om het verhaal niet saai te laten worden slaat
                           men regelmatig tijd over. Dit noemen we een
                           tijdsprong.
Terugblik /                Stukken verhaal waarin de gebeurtenissen worden
flashback                  onderbroken en we een tijdje naar een andere tijd
                           teruggaan.
Terugwijzing               Er wordt terugverwezen naar iets dat eerder is    Korte gedachte of
                           gebeurd, maar zonder dat het verhaal wordt        herinnering.
                           onderbroken.
Vooruitwijzing             Er wordt vooruitgewezen naar iets dat nog gaat     Gedachte of
                           komen.                                                uitspraak van
                                                                                 verhaalpersoon
                                                                              of van de verteller.
Samenvatting ‘Op nieuw Niveau’ 3 havo-vwo                                                      17


Onderdeel (blok 4)         Uitleg                                              Voorbeeld

Tegenstelling of           Zaken worden tegenover elkaar gesteld.              De eerste was groot,
antithese                                                                      maar de volgende was
                           Zowel in fictie als in dagelijks taalgebruik komt   heel klein.
Stijlfiguren (2)           dat heel vaak voor.

Overdrijving of            Iets wordt sterker of groter gemaakt dan het in     Ik schrok me dood.
hyperbool                  werkelijkheid is.

Stijlfiguren (2)


Schema                     Je kunt gegevens ordenen, bijvoorbeeld onder
                           brengen in hoofdstukken, paragrafen en
                           subparagrafen.
                           Soms is een schema handig: vakjes met lijnen en
                           pijlen.
Formulier                  Als mensen gegevens moeten invullen in een
                           tabel of een schema, spreek je van een formulier.

                           Waaruit bestaat een formulier?
                            Open tekstvakken (bijv. voor naam en adres)
                            Blokvakjes voor gegevens met vaste lengte
                             (bijv. postcode , geboortedatum)
                            Aankruisvakjes (bijv. man / vrouw)

                           Digitale formulieren:
                            Keuzerondjes (radiobuttons)
                            Selectievierkantjes (je kunt meerdere dingen
                              selecteren)
                            Keuzelijsten (je kunt op een pijl klikken en uit
                              lijst kiezen)
Boomdiagram                Een soort schema waarin je kunt zie wie (of wat) Stamboom  hierin
                           met elkaar te maken heeft.                         kun je zien welke
                                                                              kinderen van welke
                                                                              ouders afstammen.
                                                                              De x geeft aan dat twee
                                                                              mensen met elkaar
                                                                              getrouwd zijn.
Mening                     Wat je van iets vindt.
(bewering,
standpunt, stelling,       Meningen kunnen in teksten op de volgende
opvatting, visie,          manieren aan de orde komen:
kijk)                       De schrijver geeft alleen zijn eigen mening;
                            De schrijver vertelt alleen de mening van
                              anderen;
                            De schrijver vertelt meningen van anderen
                              en voegt zijn eigen mening er aan toe.
Samenvatting ‘Op nieuw Niveau’ 3 havo-vwo                                                          18


Onderdeel (blok 4)         Uitleg                                                Voorbeeld

Argument                   Reden voor een mening.                                In vind de les saai, want
                                                                                 we moeten alleen maar
                                                                                 luisteren.
Soorten argumenten 1. Objectieve of zakelijke argumenten                         Bewering: we moeten
                      Als argument wordt een feit gebruikt (bijv.                meer tijd besteden aan
                      onderzoek)                                                 de oefeningen.

                                DEZE HEBBEN DE MEESTE KRACHT.                    Argument: de hele klas
                                                                                 heeft op dat onderdeel
                                                                                 een onvoldoende.
                           2. Subjectieve of persoonlijke argumenten             Bewering: we geven te
                                 a. Morele argumenten                            weinig geld aan
                                    Het argument is gebaseerd op een             ontwikkelingsgeld.
                                    mening over goed en kwaad / juist en
                                    onjuist.                                     Argument: we hebben
                                    Hierbij spelen persoonlijke                  het zelf zo goed dat we
                                    overtuiging, ideaal of                       best meer kunnen
                                    levensovertuiging een belangrijke rol.       geven.

                                     b. Ervaringsgestuurde argumenten            Bewering:Dat boek kun
                                        Als argument wordt een eigen             je beter niet lezen.
                                        ervaring of de ervaring van een ander    Argument: Ik vond er
                                        gebruikt.                                niks aan.

                                     c. Emotionele argumenten                    Bewering:
                                        Als argument worden persoonlijke         Kindermoordenaars
                                        gevoelens gebruikt.                      moeten de doodstraf
                                                                                 krijgen.
                                                                                 Argument:
                                                                                 Ze hebben zoiets
                                                                                 verschrikkelijks
                                                                                 gedaan, dat ze niet
                                                                                 meer verder mogen
                                                                                 leven.
Tegenargument              In discussie’s bestrijd je argumenten van de
                           ander. Dat kan door:
                            Argument van de ander ontzenuwen;
                            Door te laten zien dat een argument niet sterk
                               is;
                            Door met tegenargumenten te komen
Nieuwsbericht              Vooral in de krant. Gaat over wat kort geleden is
                           gebeurd.
                            Het bericht is objectief en geeft feiten weer.
                            Begint vaak met dikgedrukte alinea (lead).
                               Hierin staat het belangrijkste kort samengevat.

                           Doel nieuwsbericht:
                           Betrouwbare informatie geven.
Samenvatting ‘Op nieuw Niveau’ 3 havo-vwo                                                        19



Onderdeel (blok 4)         Uitleg                                               Voorbeeld

Verslag                    Een tekst waarin gebeurtenissen of activiteiten         Sportwedstrijd
                           worden beschreven.                                      Vergadering
                            Een verslaggever beschrijft de feiten                 Werkweek
                              objectief.                                           Discussie
                            De informatie moet betrouwbaar zijn.                  Stage
                            Als de schrijver zijn mening er bij zet, moet         Onderzoek
                              duidelijk zijn dat dit zijn persoonlijke mening
                              is.
                            (Vaak zit er wél een persoonlijke mening in
                              verwerkt!)
Betoog                     Mening van de schrijver staat centraal. Het
                           verhaal is dus subjectief.
                           De schrijver geeft zijn mening en en geeft
                           daarvoor argumenten.

                           Opbouw:
                           1. inleiding met vraag of stelling
                           2. middenstuk met argumenten
                           3. slot met conclusie
Tekstsoorten en            Tekstsoort              Tekstvorm
tekstvormen                Informerende teksten     Nieuwsbericht
                                                    Artikel in de krant of tijdschrift
                                                    Verslag
                                                    Zakelijke brief
                                                    Instructie
                                                    Folder
                                                    Brochure
                                                    Gebruiksaanwijzing
                                                    Teksten in school- of studieboeken
                           Overtuigende of          Commentaren in opinietijdschriften of kranten
                           betogende teksten            (betoog)
                                                    Artikelen in kranten of tijdschriften (betoog)
                                                    Ingezonden brief
                                                    Recensie (bespreking)
                                                    Beschouwing (onderwerp wordt bekeken van
                                                        verschillende kanten)
                           Activerende of           Advertentie
                           aansporende teksten      Reclame
                                                    Folder
                                                    Brochure
                                                    Pamflet
                                                    Sollicitatiebrief
                                                    Recensie (bespreking)
                           Amuserende teksten       Jeugdboek, Roman
                                                    Gedicht
                                                    strip
                                                    cabarettekst, toneeltekst
Samenvatting ‘Op nieuw Niveau’ 3 havo-vwo                                                         20


                                                         filmscenario
Onderdeel (blok 4)         Uitleg                                                 Voorbeeld

Klachtenbrief              Een zakelijke brief waarin geklaagd wordt over
                           iets of iemand.

                              Doel van klachtenbrief is de lezer ervan
                               overtuigen dat je klacht terecht is.
                            Toon moet netjes zijn.
                            Vorm is dezelfde als die van een zakelijke
                               brief.
                            Drie delen:
                                   o Inleiding (aanleiding klacht)
                                   o Middenstuk (precieze beschrijving
                                      klacht + oorzaak + eventuele
                                      oplossing)
                                   o Slot (beleefde afsluiting)
Het invullen van           Doel: vaak gebruikt bedrijf een formulier om           Belastingformulier
een formulier              informatie snel te kunnen verwerken.                   Verzekeringsformulier
                                                                                  Adreswijzing
                           Hoe invullen?                                          Sollicitatieformulier
                           1. doorlezen                                           Aanmeldingsformulier
                           2. binnen ruimte schrijven
                           3. alleen invullen wat moet
                           4. als het niet van toepassing is, schrijf je n.v.t.
                           5. nogmaals doorlezen.


Spreekdoelen bij     1) informatie verkrijgen
het zakelijk gesprek 2) overtuigen
                     3) iets gedaan proberen te krijgen

                           Bij 2 en 3 moet je goede argumenten geven.

                           Wat is nog meer belangrijk?
                            De toon waarop je praat
                            Je lichaamshouding
                            Oogcontact
Samenvatting ‘Op nieuw Niveau’ 3 havo-vwo                                                            21



Onderdeel (blok 5)         Uitleg                                                  Voorbeeld

Vertelsituaties            Je bekijkt en beleeft de gebeurtenissen in een
                           verhaal op een bepaalde manier. Dat noemen we
                           de vertelsituatie of perspectief. Er zijn drie
                           voorkomende vertelsituaties:
1. de                      Je ziet de gebeurtenissen door een ikpersoon,           Ik voel me echt niet op
ikvertelsituatie           meestal de hoofdpersoon.                                mijn gemak tijdens de
                            Als lezer weet je niet meer dan de ik-persoon         toets. Waarom kijkt de
                               weet.                                               leraar op zo’n
                            Je leert deze persoon goed kennen, want je            eigenaardige manier
                               leest gedachten en gevoelens. Je zit als het        mijn kant op?
                               ware in diens hoofd.
                            Het innerlijk van de andere personages blijft
                               voor je verborgen, waardoor zij verrassend
                               kunnen reageren.
2. de personale            Net als bij de ikvertelsituatie zien we de              Hij voelde zich niet echt
vertelsituatie.            gebeurtenissen door de ogen van één persoon.            op zijn gemak tijdens
                           Het verschil is: het verhaal staat in de hij- of zij-   de toets. Waarom keek
                           vorm.                                                   de leraar op zo’n
                                                                                   eigenaardige manier
                                                                                   zijn kant op?
3. de alwetende            De verteller is iemand die alles weet van alle          Jan voelde zich niet
vertelsituatie             personages. Hij weet wat wij zien, horen, denken        echt op zijn gemak
                           en voelen.                                              tijdens de toets. Als hij
                           Hij kan in alle hoofden kijken.                         echter had geweten dat
                           Hij kent de toekomst en het verleden.                   de leraar op zo’n
                           Deze verteller is geen personage van het verhaal.       eigenaardige manier
                                                                                   keek doordat hij last
                                                                                   van zijn nierstenen had,
                                                                                   dan zou hij zich
                                                                                   wellicht beter hebben
                                                                                   gevoeld.
Understatement             Als iets op een afgezwakte manier wordt gezegd.         Als je bijvoorbeeld van
                                                                                   de tsunami zou hebben
Stijlfiguren (3)           Het is dus het tegenovergestelde van een                gezegd: dat was een
                           overdrijving (hyperbool)                                aardig golfje.
Eufemisme                  Je zegt iets op een verzachtende manier, als iets       Als iemand overleden
                           minder aangenaam is.                                    is, kun je zeggen:
Stijlfiguren (3)                                                                   Hij is ontslapen.
Versterkingen              Dit zijn woorden die voor een bijvoeglijk               Koud  steenkoud
                           naamwoord staan. Zij versterken dat bijvoeglijk         (heel erg koud)
                           naamwoord.                                              Wit  spierwit of
                                                                                   sneeuwwit (heel erg
                                                                                   wit)
Samenvatting ‘Op nieuw Niveau’ 3 havo-vwo                                                  22



Onderdeel (blok 5)         Uitleg                                             Voorbeeld

Tabel                      Een manier om gegevens overzichtelijk bij elkaar Zie blz. 190
                           te zetten is een tabel.
                            Een tabel bestaat uit rijen (horizontaal) en
                               kolommen (verticaal).
                            In de vakken die zo ontstaan wordt informatie
                               geplaatst.
                            Een goede opmaak zorgt voor een
                               overzichtelijke tabel.
Digitale tabel             Je kunt ook zelf tabellen maken. Een voorbeeld
                           van een handige tabel is een tabel voor de NAW-
                           gegevens (naam, adres, woonplaats) van familie
                           en vrienden.
Tekstsoorten en            Bedoelingen van schrijvers bijv.:
tekstvormen (2)
                            Informeren
                            Overtuigen
                            Aansporen tot handelen

                           Voorbeelden van tekstvormen (blok 4)
                            Informerende tekstvormen (nieuwsbericht,
                              verslag)
                            Overtuigende tekstvormen (betoog)
                            Aansporende teksten (reclame)

Advertentie en             Hierin wordt een lezer aangespoord iets te kopen
reclame
                           of te gaan doen.

                              Tekstvorm is subjectief
                              Er wordt wel informatie gegeven, maar dat is
                               niet het hoofddoel.
                            De opmaak van reclameteksten is heel
                               belangrijk: ze moeten de aandacht trekken!
Ingezonden brief           In een ingezonden brief kan de lezer reageren op
                           iets wat in de krant of een tijdschrift heeft
                           gestaan. De schrijver brengt dan zijn mening of
                           gevoelens naar voren.
                            Hierin kan ook een vraag op hulp of advies
                               staan: dan heeft de tekst een activerende
                               functie.
                            Zo’n brief kan ook een oproep bevatten om
                               iets te gaan doen (bijv. actie ondernemen).
                               Ook dan heeft de tekst een activerende
                               functie.
                            Tekstvorm is subjectief: er zit duidelijk een
                               mening in.
                            Soms lijkt het eerder op een artikel dan een
                               brief.
Samenvatting ‘Op nieuw Niveau’ 3 havo-vwo                                                           23



Onderdeel (blok 5)         Uitleg                                                  Voorbeeld

Folder en brochure         Dit zijn meestal teksten waarin de lezer wordt          Veel stichtingen en
                           aangespoord iets te gaan doen.                          instellingen brengen
                                                                                   brochures uit:
                               Er wordt ook informatie gegeven;                    Wereld Natuur
                               Een folder bestaat uit één blad papier (soms           Fonds, Greenpeace.
                                uitvouwbaar);                                      Maar ook bedrijven
                               Een brochure is een klein boekje;                  maken zulke
                               Aantrekkelijke, kleurrijke opmaak (aandacht        tekstvormen.
                                trekken);
                               Folders en brochures lijken heel erg op            Overheid maakt ook
                                reclameteksten;                                    brochures. Deze zijn
                                                                                   vaak wat informatiever.
                                                                                   (bijv. bureau Halt)

                                                                                   Overheidsbrochure
                                                                                   over zuinig zijn met
                                                                                   energie = activerend!
Pamflet                    Eén vel papier waarop de lezer sterk aangespoord
                           wordt om iets te gaan doen. Zeer subjectieve
                           tekst.
Verbanden tussen           Alinea’s en zinnen in een tekst staan niet los van
alinea’s                   elkaar. Er bestaan allerlei soorten verbanden. Ze
                           sluiten op een bepaalde manier op elkaar aan. Je kunt
                           het verband zien door signaalwoorden.
    opsomming             En, ook, niet alleen, vervolgens, ten eerste .. ten Zie blz. 194, 195
                           tweede, nog, bovendien, verder, daarnaast, zowel
                           … als, bovendien, tenslotte
    Middel - doel         Daarmee, het doel ervan, door middel van, om te,
                           daarmee, waarmee, met behulp van, opdat,
                           waartoe, daartoe
    Tegenstelling         Maar, echter, integendeel, daar staat tegenover,
                           toch, niettemin, hoewel, enerzijds … anderzijds
    Overeenkomst /        Net als, hetzelfde, ook, zoals, vergeleken met …
     vergelijking
    Oorzaak –             Daardoor, doordat, zodat, waardoor, ten gevolge
     gevolg                van, door, te wijten aan, te danken aan
    Uitspraak -           Bijvoorbeeld, met andere woorden, dat wil
     voorbeeld             zeggen, zo, namelijk, dat blijkt uit, dat is het
                           geval bij
    Conclusie /           Dus, daarom, kortom, dan ook, hieruit volgt,
     samenvatting          samengevat, alles overziend
    Tijd                  Toen, terwijl, wanneer, als, nadat, zodra, voordat,
                           intussen
    Reden –               Omdat, want, namelijk, immers, aangezien,
     verklaring            wegens
    Voorwaarde            Als, indien, tenzij, mits, op voorwaarde dat,
                           aangenomen dat, wanneer,
Samenvatting ‘Op nieuw Niveau’ 3 havo-vwo                                                        24


    Uitleg                Bijvoorbeeld, met andere woorden

                           1)


Onderdeel (blok 5)         Uitleg                                                Voorbeeld

    Argument              Een argument hiervoor, omdat, want

    Uitwerking            Bijvoorbeeld, zo

 Voorbeeld                Bijvoorbeeld, zo
Alinea’s –                 Er zijn 4 manieren waarop dat verband wordt
4 verbindings-             aangegeven:
manieren
                           2) Herhaling = aan het begin van een nieuwe     Kinderen houden dus
(vwo)                         alinea worden woorden of woordgroepen uit de van puppies.
                              vorige alinea herhaald.                      Puppies zijn vanwege
                                                                           meerdere redenen
                                                                           aantrekkelijk voor
                                                                           kinderen.

                           3) Overgangszinnen met verwijswoorden =               Kortom, de gemeente
                              samenvattende zinnen aan het begin of eind van     heeft een hele reeks
                              een alinea. Zij bevatten verwijswoorden als die,   voorstellen gedaan om
                              deze, hiermee, zulke, dergelijke                   de leefbaarheid te
                                                                                 verbeteren.
                                                                                 Als je deze voorstellen
                                                                                 eens betere bekijkt, …

                           4) Aankondigende zinnen = de schrijver vertelt        Eerst gaan we eens de
                              wat je in de rest van de tekst kunt verwachten.    bestaande regels voor
                              (alinea’s of hele bouw van de tekst)               de leerlingen
                                                                                 bekijken, vervolgens
                                                                                 beoordelen we die
                                                                                 maatregelen en
                                                                                 tenslotte doen we wat
                                                                                 nieuwe voorstellen.
                           5) Signaalwoorden = woorden die een verband
                              aangeven tussen de alinea’s                        Ook, bijvoorbeeld,
                                                                                 omdat enz.
Tekstdeel en               Een alinea of een groep van alinea’s. Tekstdelen
functies van               hebben een bepaalde functie (bedoeling) binnen de
tekstdelen                 hele tekst. Ze staan er niet zomaar.
Samenvatting ‘Op nieuw Niveau’ 3 havo-vwo                                                        25




Verslag maken              In een verslag beschrijf je een gebeurtenis of een
                           activiteit. Een verslag moet betrouwbaar zijn. Je
                           beschrijft de feiten dus objectief. Als iemand zijn
                           mening geeft, geef je duidelijk aan dat het om een
                           mening gaat.

                           Inleiding  je beschrijft onderwerp, plaats en tijd.
                                Waar gaat het over?
                                Wie zijn erbij betrokken?
                                Waar en wanneer gebeurde het?
                           Middenstuk  je beschrijft wat je hebt gedaan, hoe
                               je het hebt gedaan, hoe we werkverdeling was,
                               welke problemen je bent tegengekomen.
                           Slot  Je beschrijft het resultaat en de reactie van
                               anderen op dit resultaat. Je kunt je mening nog
                               toevoegen.
Het zakelijk               Je kunt ook een zakelijk gesprek met een groep       Discussie’s en
gesprek                    hebben.                                              vergaderingen.

Groepsgesprek              Doel van groepsgesprek: informatie vragen en
                           geven. Je mag ook wel mening geven, maar doel is
                           om het onderwerp van verschillende kanten te
                           bekijken.
Meningvormende             Dit is ook een groepsgesprek.                         Je geeft mening en
discussie                                                                        argumenten. Je mag
                           Doel van discussie: overtuigen. Bij een               van mening
Samenvatting ‘Op nieuw Niveau’ 3 havo-vwo                                                  26


                           meningvormende discussie zijn de meningen         veranderen.
                           natuurlijk verdeeld. Het uitgangspunt is een
                           stelling.                                         Het is verstandig
                                                                             zakelijke en
                                                                             objectieve argumenten
                                                                             te gebruiken.
Regels van een                Respect voor elkaar en elkaars mening;
discussie                     Voorzitter bepaalt wie er aan het woord is;
                              Geen ruzie
Samenvatting ‘Op nieuw Niveau’ 3 havo-vwo                                                       27



Onderdeel (blok 5)          Uitleg                                            Voorbeeld

Plaats en ruimte            De gebeurtenissen in een verhaal spelen zich op
                            bepaalde plaatsen af.                            1. bijv. een school,
                            Ruimte = al die plaatsen samen.                     bos, boerderij
                                                                             2. enge omgeving bij
                            Bedoelingen van ruimtebeschrijving:                 een eng verhaal,
                            1. het maakt de gebeurtenissen concreet: je kunt    romantische
                                je een voorstelling maken van waar het          omgeving bij liefde;
                                verhaal zich afspeelt;                       3. voetbalvandalisme
                            2. het roept een bepaalde sfeer op;                 (thema) rond het
                            3. tussen plaats en thema kan een belangrijk        stadion (ruimte);
                                verband bestaan;                             4. een ridder op zoek
                            4. ruimte en bouw van het verhaal kunnen met        naar zijn geliefde
                                elkaar te maken hebben.                         komt op
                                                                                verschillende
                                                                                spannende plaatsen
                                                                                (Shrek);
Stijlfiguren (4)            Ironie = een milde vorm van spot. Je zegt vaak   ‘Dat heb je goed
Ironie en sarcasme          het omgekeerde van wat je bedoelt.               gedaan!’ (als de glazen
                                                                             op de grond vallen)
                            Sarcasme = een harde vorm van spot, waarbij het
                            de bedoeling is iemand te kwetsen.

                   Verschil hiertussen: soms moeilijk te bepalen.
                   Het hangt van de toon en de situatie af.
Structuur van een  Site-structuur = lijkt een beetje op een
website            boomdiagram met in de vakken de paginatitels
                   van de site. Er staan ook pijlen aangegeven hoe je
                   van de ene naar de nadere pagina kunt klikken.
Probleemoplossende Discussie waarbij het spreekdoel is om de beste
discussie          oplossing voor het probleem te vinden.
                   Aan het einde van deze discussie wordt een
                   besluit genomen, waarbij alle discussianten het er
                   over eens zijn wat de beste oplossing is voor een
                   probleem.
Verwijswoorden     Je moet de juiste verwijswoorden kiezen.           Zie blz. 241 10.1

                                                                              Zie je dat kind? Het
                                                                              heeft het hartstikke
                                                                              koud.
                                                                              Als geslacht duidelijk is
                                                                              kies je voor hij / zij
                                                                              heeft het koud.
Samenvatting ‘Op nieuw Niveau’ 3 havo-vwo                                                         28

STIJLFIGUREN
1. Vergelijking               Als er overeenkomst is tussen twee zaken.          Jouw kamer is echt een
                                                                                 paleisje.
(vmbo)                        De twee delen van de vergelijking kunnen met        kamer = verbeelde
                              elkaar worden verbonden door:                          (dat waar een beeld
                               Vorm van werkwoord zijn;                             van gemaakt wordt)
                               Vorm van werkwoord lijken; (jouw kamer            paleisje = beeld
                                  lijkt wel een paleisje)
                               Woorden als als of zoals; (hij heeft een
                                  kamer als een paleisje)
                               Woord van; (hij heeft een paleisje van een
                                  kamer)
                               Soms staan ze naast elkaar zonder
                                  verbindingswoord. (in zijn kamer, een echt
                                  paleisje, hangen prachtige posters)
2. Metafoor                   Bij een metafoor is het verbeelde weggelaten.      De aasgieren zaten al te
                              Alleen het beeld is overgebleven.                  wachten op de erfenis.
(vmbo)
                                 Alle uitdrukkingen en gezegdes zijn
                                  metaforen.
3. Personificatie             Bij een personificatie wordt een abstract begrip   De ziekte kreeg hem in
                              of iets uit de natuur als persoon voorgesteld.     haar greep.
(vmbo)
                                                                                 Bomen fluisteren
                                                                                 zachtjes haar naam.
4. Metonymia                  Bij een metonymia is het gebruikte beeld niet
                              gebaseerd op een overeenkomst, zoals bij de
                              vergelijking of de metafoor, maar op een ander
                              verband:

                              1. deel – geheel                              1. hij heeft geen dak
                                                                               meer boven zijn
                                                                               hoofd.
                              2. oorzaak – gevolg                           2. zij heeft haar tong
                                                                               verloren (tong =
                              3. maker – voorwerp                              beeld voor spraak)
                                                                            3. hang die Appel
                              4. voorwerp – inhoud                             eens aan de muur
                                                                            4. Jullie lusten vast
                              5. plaats - bewoners                             nog wel een glas
                                                                            5. Rotterdam is in rep
                                                                               en roer
5. Herhaling                  Hetzelfde wordt nog eens met dezelfde woorden Dat is mooi gezegd,
                              gezegd.                                       heel mooi.
(vmbo)
6. Tautologie                    Je zegt twee keer hetzelfde met andere         2 bijwoorden
                                  woorden.                                       2 zelfstandige
(vmbo)                           De woorden behoren tot dezelfde                naamwoorden
                                  woordsoort.
                                                                                 Vast en zeker.
Samenvatting ‘Op nieuw Niveau’ 3 havo-vwo                                                          29


                                                                                  Schots en scheef
                                                                                  Blij en verheugd
7. Pleonasme                  M.b.v. een bijvoeglijk naamwoord wordt een          Een mooie, groene
                              eigenschap genoemd die het zelfstandig              grasmat.
(vmbo)                        naamwoord al bezit.                                 Witte sneeuw
                                                                                  Ronde cirkel
                                                                                  Oude grijsaard
                    Schots en scheef = tautologie
                    Witte sneeuw = pleonasme
                    Was op haar hoede = metafoor
                    Gerucht of geluid = tautologie
                    Vrolijke grappen = pleonasme
                    Geïsoleerd en van de wereld afgesneden =
                    tautologie
                    Bejaarde oudjes = pleonasme
                    Visten achter het net = metafoor
                    Gaat boven mijn pet = metafoor
8. Tegenstelling of Zaken worden tegenover elkaar gesteld.                      De eerste was groot,
     antithese                                                                  maar de volgende was
                              Zowel in fictie als in dagelijks taalgebruik komt heel klein.
(vmbo)                        dat heel vaak voor.

9. Overdrijving of            Iets wordt sterker of groter gemaakt dan het in     Ik schrok me dood.
   hyperbool                  werkelijkheid is.

(vmbo)




10. Understatement            Als iets op een afgezwakte manier wordt             Als je bijvoorbeeld van
                              gezegd.                                             de tsunami zou hebben
(vmbo)                                                                            gezegd: dat was een
                              Het is dus het tegenovergestelde van een            aardig golfje.
                              overdrijving (hyperbool)
11. Eufemisme                 Je zegt iets op een verzachtende manier, als iets   Als iemand overleden
                              minder aangenaam is.                                is, kun je zeggen:
(vmbo)                                                                            Hij is ontslapen.
12. Ironie en                 Ironie = een milde vorm van spot. Je zegt vaak      ‘Dat heb je goed
    sarcasme                  het omgekeerde van wat je bedoelt.                  gedaan!’ (als de glazen
                                                                                  op de grond vallen)
(vmbo)                        Sarcasme = een harde vorm van spot, waarbij
                              het de bedoeling is iemand te kwetsen.

                              Verschil hiertussen: soms moeilijk te bepalen.
                              Het hangt van de toon en de situatie af.
13. Parallelisme              Dezelfde woordvolgorde keert terug, in dezelfde Martin Luther King:
                              grammaticale volgorde.
                                                                              ‘I have a dream…’
14. Cliché                    Veelgebruikte en daardoor versleten
                              uitdrukking. (dus metaforen) Taalgebruik zit er
                              vol van.
Samenvatting ‘Op nieuw Niveau’ 3 havo-vwo                                                       30


15. Voorop-                   Een woord of een groepje woorden wordt           Die film, die moet je
    plaatsing                 geïsoleerd voorop geplaatst.                     zeker eens bekijken.
                              Doel: extra nadruk
16. Inversie                  Normale zinsvolgorde = onderwerp, pv,            Gisteren zijn we een
                              voorwerpen, bwb                                  dagje naar Amsterdam
                                                                               geweest.
                              Inversie = deze volgorde verandert. (onderwerp
                              komt na de pv)

                              Voorop geplaatste woord krijgt nadruk.
17. Opsomming of              Je noemt een aantal zaken achter elkaar op.      Ten eerste …, ten
    enumeratie                Hierdoor krijgt het een versterkend effect.      tweede …, ten
                                                                               derde….

                                                                               Allereerst….,
                                                                               vervolgens…,
                                                                               tenslotte…
18. Climax                    Als de onderdelen van een opsomming steeds       Fluisteren – praten –
                              sterker worden.                                  schreeuwen
19. Archaïsche                Archaïsche woorden: Ouderwetse woorden           Nimmer, weleer,
    woorden of                (doel opvallen en nadruk krijgen)                elkander
    ordinaire
    woorden                   Ordinaire woorden: grof en van een laag
                              niveau.

                              Kan een bepaalde gevoelswaarde opwekken.

								
To top