Docstoc

Darwin scriptie

Document Sample
Darwin scriptie Powered By Docstoc
					Sociobiologie en politiek in de jaren zestig en zeventig in de
              Verenigde Staten van Amerika



  Wat voor gevolgen heeft de sociopolitieke context in de Verenigde
  Staten van de jaren zestig en zeventig gehad op het begin van het
  academische debat rond sociobiologie in de jaren 1975 tot 1980?




Naam:                Ernst-Jan Woudenberg
Studentnummer:       3400131
Vak:                 Onderzoeksseminar III: Darwin
Docenten:            Dr. Janneke van der Heide en Kariin Sundsback

                                                                      1
Inhoudsopgave


Inleiding                                            3

Politieke context                                    6

Ontstaan van een debat                               11

Sociobiology Study Group of Science for the People   15

Sociobiologie en de politieke wetenschappen          20

Conclusie                                            24




                                                          2
Inleiding


Op 24 november 1859 werd de academische wereld wakker geschud door de publicatie van
On the origin of species or the preservation of favoured races in the struggle for life,
geschreven door de naturalist Charles Darwin. Tijdens zijn reis met de Beagle had hij op de
Galápagoseilanden een aantal vogels meegenomen. Terug in Engeland was Darwin verrast
door het nieuws dat de vogels allemaal vinken waren, terwijl ze er verschillend uitzagen.1 Dit
was een uitstekend voorbeeld van variatie. Dat zette hem aan het denken. Hij ontwikkelde de
theorie van natuurlijke selectie. Dieren zagen zich gedwongen zich aan te passen aan
veranderende omgevingen. Een theorie die Darwin hielp bij het ontwikkelen van zijn
evolutietheorie was die van Thomas Malthus. Malthus stelde dat de bevolkingsgroei altijd
sneller zou gaan dan de groei van het voedselaanbod. Daardoor zou er een “struggle for
existence” plaatsvinden, waarin de sterkste zouden overleven. Deze “struggle for existence”
zag Darwin ook bij dieren. Alleen degenen die het best waren aangepast aan de omgeving
zouden overleven. Darwin had nu de thema’s “variatie” en “natuurlijke selectie” met elkaar
verbonden. Hij dacht ook dat variatie erfelijk was, maar was nog niet in staat om dat aan te
tonen. Darwins evolutietheorie verklaart dat nieuwe soorten ontstaan en verdwijnen door een
voortdurend proces van variatie, natuurlijke selectie en erfelijkheid. Tussen variatie en
natuurlijke selectie vindt zich de “struggle for existence” plaats.
           Darwins evolutietheorie sloeg in als een bom. Zijn evolutietheorie zorgde voor verhitte
discussies, nieuwe ideologieën en opvolgers met net andere interpretaties over evolutie. Meer
dan honderd jaar later publiceerde Edward O. Wilson een boek met de titel Sociobiology: the
new synthesis. Had On the origin of species al baanbrekende gevolgen, dan zorgde Wilsons
publicatie voor een ware hetze tegen zijn persoon en theorie. Er valt een redelijk rechte lijn te
trekken die van Darwins evolutietheorie naar Wilsons sociobiologische ideeën gaat. Zo
schreef Julian Huxley in 1942 over de moderne synthese die hij in de evolutionaire biologie
herkende. De synthese was die tussen de evolutietheorie van Darwin en de erfelijkheidsleer
van de monnik Gregor Mendel. Voorgaande jaren was er hard gewerkt om die twee theorieën
met elkaar te verenigen. Darwins uitgebreide evolutietheorie had namelijk een mankement:
het mechaniek van erfelijkheid ontbrak. Huxleys boek Evolution: the modern synthesis liet
zien hoe de evolutietheorie was verenigd met de erfelijkheidsleer. De “new synthesis” van
Wilson liet zien dat het niet alleen mogelijk was, maar ook gewenst was, evolutionaire


1
    Chris Buskes, Evolutionair denken. De invloed van Darwin op ons wereldbeeld, (Amsterdam 2009), 20.

                                                                                                         3
biologie te verenigen met de sociale wetenschappen. Het was maar de vraag hoe sociale
wetenschappers daarop zouden reageren.
           De onderzoeksvraag die hier wordt behandeld is: wat voor gevolgen heeft de
sociopolitieke context in de Verenigde Staten van de jaren zestig en zeventig gehad op het
begin van het academische debat rond sociobiologie in de jaren 1975 tot 1980? Wilson
definieert sociobiologie als volgt: ‘[…] as the systematic study of the biological basis of all
social behavior.’2 Deze definitie zal worden aangehouden in dit artikel. De publicatiedatum
van Sociobiology viel in 1975 en het academische debat vindt in dat jaar ook zijn begin. De
politieke context zal ook de jaren zestig beslaan omdat daar enkele belangrijke gebeurtenissen
plaatsvinden, zoals de Voting Rights Act in 1965. De Verenigde Staten is het land waar het
academische debat rond sociobiologie verreweg het felst is geweest. Het is het doel van dit
artikel om uit te zoeken of, en hoe, de politieke context daaraan heeft bijgedragen.
           Het artikel zal in vier delen worden gesplitst. Het eerste deel zal gaan over de politieke
context van de Verenigde Staten en zal de periode van grofweg 1965 tot 1980 beslaan. De
nadruk zal worden gelegd op spanningen tussen Afro-Amerikanen en blanke Amerikanen.
Hiervoor is gekozen omdat een terugkerende beschuldiging aan het adres van Wilson was dat
hij biologisch determinisme zou prediken. Een beschuldiging die veel emotie bij Wilson
losmaakte, aangezien hij en zijn theorie in een hokje werden gezet waar ook de
eugeneticapraktijken van de Nazi’s en de zeer strenge immigratiebeperkingen van de jaren
twintig en dertig in de Verenigde Staten toebehoorden.
           Het tweede deel zal gaan over de ontstaansgeschiedenis van het debat. De vraag, hoe
heeft het academische debat rond sociobiologie kunnen escaleren? Er zullen antwoorden
komen op vragen als wat een man als Edward O. Wilson dreef om zo’n omvangrijke theorie
te schrijven en wat de eerste negatieve reacties waren en waarom het zoveel emotie bij Wilson
teweeg bracht. Alle artikelen die hier worden behandeld zijn in 1975 geschreven, het jaar van
publicatie.
           Het derde deel zal een vervolg zijn op de voorgaande deelvraag. De derde deelvraag
zal luiden: hoe verliep het debat na 1975? De rol van de Sociobiology Study Group of Science
for the People als tegenstander van Wilson zal worden behandeld. De aanvallen worden aan
de ene kant professioneler, aan de andere kant wordt de toon van de artikelen een stuk feller.
Te merken is dat de moedeloosheid erbij Wilson insluipt als hij beseft dat zijn verdedigende
uitleggen geen effect hebben op zijn academische vijanden.


2
    Edward O. Wilson, Sociobiology, the new synthesis, (Cambridge 2000), 4.

                                                                                                   4
        Het vierde deel zal gaan over politiek, maar niet over de politieke context. Wat voor
rol heeft sociobiologie op de politiek en op de politieke wetenschappen in de jaren zeventig?
Om deze vraag te kunnen beantwoorden worden de visies van de tegenstanders in kaart
gebracht en van twee wetenschappers, Steven A. Peterson en Albert Somit, die op neutrale
wijze naar de impact van sociobiologie op de politieke wetenschappen kijken. In de conclusie
zullen de bevindingen met elkaar vergeleken worden en moet blijken hoeveel invloed de
politieke context van de Verenigde Staten in de jaren zestig en zeventig heeft gehad op het
begin van het sociobiologische debat.
        Om het begin van het debat rond sociobiologie te kunnen analyseren is het
noodzakelijk om een historiografisch onderzoek te doen. Er is gekozen voor artikelen
geschreven door wetenschappers die horen bij de Sociobiology Study Group of Science for
People, omdat de groep de felste tegenstander is van Wilson en omdat de kritiek een
duidelijke politieke toon heeft. Deze aanvallen zijn naast de reacties van Wilson gezet om zo
het debat vorm te geven. Hiervoor wordt de bundel gebruikt die is samengesteld door Arthur
C. Caplan: The sociobiology debate. Readings on ethical and scientific issues. In deze bundel staan
alle artikelen die met sociobiologie te maken hebben en is daardoor een waardevol naslagwerk. Het
weergeven van het debat is het historiografische deel van het onderzoek. Dit deel wordt
vergeleken met de analyse van de politieke context van de Verenigde Staten in de jaren zestig
en zeventig. Zoals gezegd zal de nadruk liggen op raciale spanningen in de samenleving,
deels omdat het kenmerkend is voor de politieke situatie en deels omdat het op het eerste
gezicht goed samenvalt met het sociobiologische debat. Hiervoor wordt er gebruik gemaakt
van de boeken van Brian J. Schulman, The Seventies. The great shift in American culture, society,
and politics, en John Mortum Blum, Years of discord. American politics and society, 1961 – 1974. Zij
schrijven allesomvattend over de jaren zestig en zeventig en zijn daardoor zeer bruikbaar voor dit
onderzoek.




Politieke context

De jaren zestig waren de jaren van burgerrechtenbewegingen in de Verenigde Staten.
Inspirators als Martin Luther King en Malcolm X riepen op voor meer gelijkheid voor de
zwarte burgers van het land. Begin jaren zeventig was de burgerrechtenrevolutie een feit.3
Afro-Amerikaanse studenten werden toegelaten tot universiteiten. Een markant voorbeeld is
3
 Bruce J. Schulman, The Seventies. The great shift in American culture, society, and politics, (New York 2002),
54.

                                                                                                              5
de opening van de Universiteit van Alabama voor zwarte studenten. De universiteit was
eerder juist een bolwerk voor het racisme in het zuiden. Toevallig is dit dezelfde universiteit
als waar Edward O. Wilson heeft gestudeerd. Niet alleen de jongeren kregen profijt van het
succes van de burgerrechtenbeweging. Door het aannemen van de Voting Rights Act in 1965
konden Afro-Amerikanen na bijna honderd jaar weer stemmen. Dit had gevolgen voor het
ambtenarenapparaat in de Verenigde Staten: het aantal zwarte ambtenaren groeide explosief.
Ook het publieke leven voor de Afro-Amerikanen veranderde. Voorheen verboden plekken
als hotels, restaurants, theaters en andere publieke accommodaties openden hun deuren. Zelfs
het presidentschap was in theorie open voor een Afro-Amerikaan. Het duidelijkste bewijs is
de groei van het aantal zwarte middenklassers. Schulman legt uit hoe belangrijk dit gegeven
is:


Historically, the term black bourgeoisie had applied to African Americans at the top of a segregated and
degraded community […]. By the end of the 1970s, “black middle class” denoted simply “that segment of the
nation’s middle class that happen to be black,” one no longer dependent on the patronage of segregated black
economy. The civil rights revolution had won a great triumph. 4


Maar dit grote succes had een even grote kantzijde . Niet in alle delen van de maatschappij
wisten Afro-Amerikanen te integreren. Hoewel universiteiten open gingen voor zwarte
studenten bleven middelbare en basisscholen nog gesegregeerd. Daarnaast was het verhaal
over de zwarte middenklasse ook niet zo rooskleurig als de cijfers vertelden. Wijken
veranderden vaak van kleur. Of er woonden alleen Afro-Amerikanen of alleen blanken.
Segregatie in de samenleving was nog springlevend. Dit zag het Hooggerechtshof ook. Door
een reeks besluiten trachtte het hof scholen te dwingen om met elkaar te mengen. Dit deden ze
door middel van “busing”, wat het transporteren van kinderen met verschillende raciale
afkomsten betekent.5 Het begon in het zuiden van de Verenigde Staten, waar de raciale
vijandschap het grootst was. Scholen werden verplicht om zich in gemengde scholen te
veranderen. Het noorden voerden twee jaar later, in 1973, dezelfde verplichtingen in. In 1974
was er een plan om via busing het overwegend zwarte Detroit te ‘mengen’ met de blanke
inwoners van de omliggende buitenwijken, door blanke leerlingen naar scholen in de stad te
sturen en Afro-Amerikaanse leerlingen naar die in de buitenwijken. Het Hooggerechtshof
besloot met een minimale meerderheid om dit plan niet uit te voeren. Door gedwongen busing
waren de relaties tussen de blanken en (voornamelijk) de Afro-Amerikanen ernstig

4
    Ibidem, 56.
5
    Ibidem, 57.

                                                                                                          6
verslechterd: ‘Frustration, disappointment, and feelings of betrayal increasingly gripped black
America.”6
        Het integratie-ideaal leek terug bij af te zijn. Dit ideaal was voortgekomen uit het
liberale universalisme, een stroming die geloofde in de fundamentele eenheid en gelijkheid
van de mens:


Nazism in Europe and segregation in the Jim Crow South had made liberal Americans suspicious of any claims
of racial and ethnic difference. Beliefs that blacks or Latinos or women possessed distinctive natures or cultures
were dismissed as prejudiced. Remaining differences were but an unfortunate legacy of discrimination and
oppression.7


Dit eenheidsideaal had echter met het gebruik van busing een te radicale stap genomen.
Minderheden in Amerika hadden nu wel meer rechten, maar waren weer net zo buitengesloten
als vroeger. Deze sfeer was een voedingsbodem voor het culturele nationalisme. Minderheden
begonnen hun afkomst te benadrukken. Een van de bekendste culturele nationalisten is
Malcolm X, wiens moord de Black Panther beweging inspireerde om Afro-Amerikanen op te
roepen om hun ‘zwartheid’ te omarmen.8 De bekende slogan van de beweging was “black
power”. Hoewel black power op verschillende manieren uitgelegd kan worden was politieke
macht de belangrijkste en centrale boodschap.9 De “Black Panther party’ legde de nadruk op
culturele ontwikkeling van de Afro-Amerikanen en op sociale controle, waarmee wordt
bedoeld dat zwarten op elkaar letten. Dat laatste zorgde regelmatig voor onrust, omdat
sommige van de Blank Panthers een gewapende revolutie wilden ontketenen. Het is juist deze
vorm van cultureel nationalisme waar Amerikanen, en dan voornamelijk de blanke bevolking,
angstig naar keken en niet de vreedzame tak van de Black Panther partij die Afro-Amerikanen
juist een positiever imago wilde geven.10
        De Afro-Amerikaanse woede over de samenleving zorgde ook voor een breuk tussen
burgerrechtenbewegingen. Het beste is dit te zien in de verschillende karakters en werkwijzen
van Malcom X, zijn volgelingen Stokely Carmichael en Floyd McKissick, en Martin Luther
King, Jr.11 Malcom X, geboren als Malcom Little, was de propagandist van Elijah
Muhammad, de leider van de Lost-Found Nation of Islam. Deze separatistische groep vond


6
  Ibidem, 57-58.
7
  Ibidem, 58.
8
  Ibidem, 62.
9
  Ibidem.
10
   Ibidem, 63.
11
   John Mortum Blum, Years of discord. American politics and society, 1961 – 1974, (New York 1991), 254.

                                                                                                                7
het christendom een blank geloof die de zwarte minderheden bedroog.12 Volgens Malcolm X
moesten de zwarten zich afscheiden van de blanke samenleving, zo nodig door middel van
een bloedige revolutie. Hij is mede hierdoor een voorbeeld van hoe ver cultureel nationalisme
kan gaan. Hoewel Malcolm X zich later zou afkeren van gewelddadig ingrijpen en voor een
aanpak koos die zich richtte op integratie, bleven zijn vroegere ideeën bij zwarte militanten
als Carmichael en McKissick tot de verbeelding spreken. Martin Luther King, Jr. was juist
wars van een gewelddadige aanpak. Zo was hij een geweldloze campagne begonnen om
segregatie en armoede in Chicago tegen te gaan. Ook sprak hij zich uit tegen de oorlog in
Vietnam, niet alleen vanwege zijn pacifistische idealen maar ook omdat de uitgaven aan de
oorlog het budget om armoede te bestrijden ernstig verlaagden.13 King zag zich genoodzaakt
om in 1962 deel te nemen aan de Meredith Mars, vernoemd naar een Afro-Amerikaanse
integrationist, James Meredith, die tijdens een zelfgeorganiseerde mars werd neergeschoten.
De mars werd georganiseerd door Carmichael en McKissick en was vooral als provocatie
bedoeld naar niet- of minder radicale burgerrechtenbewegingen. King voorzag problemen en
had geen keus dan om deel te nemen aan de mars. Hij stelde nog voor om ook blanken toe te
laten, maar dat voorstel werd door Carmichael en McKissick afgewezen. De Meredith Mars
eindigde in een deceptie voor King. Carmichael gebruikte voor het eerst in de openbaarheid
de slogan “we want black power”, wat al snel werd overgenomen door de menigte. 14 Het
zorgde ervoor dat de samenwerking tussen King en de NAACP, de National Association for
the Advancement of Colored People, werd beëindigd. De NAACP was een gematigde
burgerrechtenbeweging en vond dat King zich te veel had ingelaten met de radicalere
bewegingen, zoals de SNCC, de Student Non-violent Coordinating Committee. King op zijn
beurt zegde de samenwerking met de laatstgenoemde groep op, die werd geleid door
Carmichael. Ook CORE, het Congress of Racial Equality, met als stuurman McKissick,
behoorde tot de radicalen en hoefde niet op de samenwerking met de NAACP of King te
rekenen. De burgerrechtenbewegingen die opkwamen voor de zwarte minderheden waren dus
ernstig versplinterd geraakt door de onenigheid over de manier waarop ze de Afro-
Amerikanen konden helpen.
        Afro-Amerikanen waren uiteraard niet de enige minderheden die beïnvloed werden
door het cultureel nationalisme. Ook Latino’s, Japans-Amerikanen en andere minderheden
hadden elk hun vorm van culturele nationalisme. Zo komt de kreet “black power” qua kracht


12
   Ibidem.
13
   Ibidem, 256-257.
14
   Ibidem, 257.

                                                                                           8
en intentie overeen met “Goodbye America”, de kreet van Mexicaans-Amerikanen, ook wel
Chicano’s genoemd.15 De slogan was bedacht door Rodolfo Acuna en gaf de
gemoedstoestand van de Chicano’s weer. Ze zagen dat hun harde werk, bedoelt om goed in de
samenleving mee te draaien, niets had uitgehaald. Ze hadden er genoeg van en zeiden de
Verenigde Staten vaarwel. In andere woorden zegden ze het integratie-ideaal vaarwel. In
tegenstelling tot de Afro-Amerikaanse burgerrechtenbewegingen die zich eerst op integratie
richtten, hadden de nieuw opgekomen Mexicaans-Amerikaanse bewegingen vanaf het begin
een opstandige houding tegenover integratie en blanke onderdrukking. 16 Bij de Chicano’s was
het cultureel nationalisme vanaf het begin al sterk vertegenwoordigd. Deze situatie was ook te
zien bij de Amerikaans-Indianen en Amerikanen van Aziatische afkomst. Beide groepen
kwamen erachter dat conventionele methoden om meer vrijheid en gelijkheid te krijgen niet
werkten en dat ze meer op een gewelddadige manier aandacht moesten vragen. Kortom, de
Amerikaanse cultuur en samenleving was erg gefragmenteerd en het integratie-ideaal leek niet
de juiste oplossing te zijn. Hoe moest de politiek hier op reageren? Een nieuw
integratieprogramma was onrealistisch en ongewenst. Volgens Schulman waren er twee
belangrijke vragen die beantwoord moesten worden: ‘Could America succesfully combine
several types of cultural nationalism? Could Americans acknowledge difference and still
share the same city, the same university, the same polity?’17
        Het antwoord op die vragen was “diversiteit”. Het integratie-ideaal had plaatsgemaakt
voor het ideaal van diversiteit. Het gefaalde integratiebeleid was niet de enige oorzaak van
deze verschuiving. In deze jaren was er sprake van een immigratiegolf. Uit Latijns-Amerika
en Azië kwamen de meeste immigranten. Grote groepen Cubanen, Vietnamezen en Koreanen
stroomden legaal of illegaal het land binnen.18 Het totale aantal minderheden groeide tot zulke
proporties dat in steden als Chicago en Los Angelos minderheden bij elkaar een grotere groep
vormden dan de blanke bevolking. Beleidsmakers werden min of meer gedwongen om de
nadruk te geven aan diversiteit, maar verloren niet hun doel uit ogen. Hun doel bleef om
minderheden een kans op goed onderwijs en een goede baan te geven en gebruik te maken
van dezelfde instituties als blanke Amerikanen deden. Nu legde beleidsmakers de nadruk op
de multiculturele cultuur van Amerika, een gegeven waar Amerikanen trots op mochten zijn
in plaats van bang of boos. Dit was een complete ideologische verschuiving. Amerikanen
moesten hun samenleving niet meer zien als ‘[…] a melting pot where many different peoples

15
   Bruce J. Schulman, The Seventies, 64.
16
   Ibidem.
17
   Ibidem, 67-68.
18
   Ibidem, 68.

                                                                                             9
and cultures contributed to one common stew, but as a discrete peoples and cultures sharing
the same places – a tapestry, salad bowl, or rainbow.’19
         Er was geen Amerikaanse cultuur meer. De Verenigde Staten bestond uit meerdere
culturen. Deze opvatting werd de manier waarop mensen in de jaren zeventig en de jaren
tachtig naar raciale relaties keken. Het beleid van “seperate-but-equal” dat erkende dat Afro-
Amerikanen volgens de wet gelijk waren, maar in de praktijk nog steeds apart werden
genomen evolueerde in een beleid van “plural-but-equel’, verschillend maar toch gelijk.20 In
de jaren zeventig kwam daarmee de nadruk te liggen op culturele autonomie en diversiteit.
         De oorlog in Vietnam liet zijn sporen na in de Amerikaanse politiek en in de
samenleving. De oppositie tegen de oorlog zorgde voor een nieuwe stroming in het politieke
spectrum, New Left genaamd.21 Eerdergenoemde radicale burgerrechtenbewegingen als
CORE en SNCC behoorden tot deze nieuwe stroming. Het had als basis het marxistische
gedachtegoed en beschouwde de oorlog als het product van het liberale corporatisme.


By corporatism the New Left meant the cluster of institutions, political and economic, that corporate capitalism
had allegedly generated to dominate the state, the United States in particular. […] Corporate capitalism had
turned imperialistic so that war would provide an expanding market for its goods. Thus Vietnam, a war for
which corporations supplied napalm and various defoliants, as well as conventional weapons. And thus the
                                                                                       22
persisting cold war, for which continuing preparedness guaranteed a growing market.



De nadruk op de gevaren van kapitalisme en imperialisme hadden een sterke marxistisch-
leninistische achtergrond. Een verschil tussen de twee is dat de New Left geen enkele
autoriteit erkende, zoals de Communistische Partij. De visies van New Left benadrukten de
onderdrukking van de Amerikaanse samenleving door de regerende, liberale politiek van het
land. Het marxisme was ook sterk vertegenwoordigd in de academische wereld. De eerste,
echte tegenstander van sociobiologie, Richard Lewontin, was een aanhanger van het
marxisme.23 Voor Lewontin was het marxisme niet alleen een politieke en filosofische
ideologie, maar ook een manier om de samenleving te kunnen begrijpen.




19
   Ibidem, 71.
20
   Ibidem, 72.
21
   John Mortum Blum, Years of discord, 272.
22
   Ibidem.
23
   Ullica Segerstråle, Defenders of the truth: the battle for science in the sociobiology debate and beyond,
(Oxford 2000), 40.

                                                                                                               10
Ontstaan van een debat


Toen Wilson in Harvard ging studeren, na eerst zijn masterdiploma aan de Universiteit van
Alabama te hebben behaald, kwam hij onder de invloed van de ideeën van L.J. Henderson en
W.M. Wheeler. Het ideaal van deze twee mannen was om de sociale en de
natuurwetenschappen met elkaar te integreren op basis van de evenwichtstheorie.24 Wilson
zag het als zijn taak om hiermee door te gaan en legde in zijn werk de nadruk op sociaal
gedrag van verschillende soorten dieren, voornamelijk van insecten. Naast deze
wetenschappelijke filosofie, erfde hij nog een andere filosofie die hem ertoe bracht om
Sociobiology te schrijven: het integreren van wetenschappelijke en morele ideeën.25 Een
voorbeeld hiervan is dat Wilson het ‘probleem van altruïsme’ centraal maakt in zijn
sociobiologie. Ook deze filosofie erfde Wilson van een van zijn voorgangers in Harvard, de
eerdergenoemde Wheeler. Het probleem van de gedachte om wetenschappelijke en morele
ideeën met elkaar te koppelen was dat hij: ‘[…] cheerfully ignored the barrier separating facts
from values.’, aldus Segerstråle. Een voorbeeld van deze situatie is al te vinden in de inleiding
die Wilson schreef in Sociobiology. Daar legt hij meteen de vinger op de zere plek door
religie in het verdomhoekje te plaatsen, zonder het expliciet zo te verwoorden, en door het
menselijk moraal te bagatelliseren tot iets biochemisch:


Camus said that the only serious philosophical question is suicide. That is wrong even in the strict sense
intended. The biologist, who is concerned with questions of physiology and evolutionary history, realizes that
self-knowledge is constrained and shaped by the brain. These centers flood our consciousness with all the
emotions – hate love, guilt, fear, and others – that are consulted by ethical philosophers who wish to intuit the
standards of good and evil. What, we are then compelled to ask, made the hypothalamus and limbic system?
They evolved by natural selection. That simple biological statement must be pursued to explain ethics and ethical
philosophers, if not epistemology and epistemologists, at all depths. 26


Dit is een statement met biologisch deterministische trekken, waarschijnlijk tegen de
bedoeling van Wilson in. Dat was echter een gevaar waarmee Wilson moest leven. Zijn doel
was om een kwantitatieve uitleg te geven over alle aspecten van de menselijke natuur.27 Hij
gebruikte daarvoor populatiegenetica, naar eigen zeggen een ‘harde’ vorm van
evolutiebiologie. Hij wilde namelijk de morele implicaties die zijn bevindingen aan het licht

24
   Ullica Segerstråle, Defenders of the truth, 37.
25
   Ibidem, 37.
26
   Edward O. Wilson, Sociobiology, 3.
27
   Ullica Segerstråle, Defenders of the truth, 40.

                                                                                                              11
zouden brengen wel op ‘harde’, wetenschappelijke wijze onderbouwen, om zo te voldoen aan
het “hard science ideal”.28
         De sociobiologie van Wilson begaf zich moreel gezien op glad ijs. Niet lang nadat
Sociobiology: the new synthesis was gepubliceerd kwam er een gebundelde reactie uit van een
groep wetenschappers, uitgebracht in The New York Review of Books. De titel van de brief
luidt ‘Against “Sociobiology”’. De toon wordt al meteen gezet door een uiteenzetting van de
geschiedenis van het biologisch determinisme dat de oorzaak is van de beperkende immigratie
wetten in de Verenigde Staten in de jaren twintig en dertig, en het eugeneticabeleid van de
Nazi’s ten tijde van de Tweede Wereldoorlog.29 Wilson zou de nieuwste zegsman zijn van het
biologische determinisme. In de laatste zinnen van de brief waarschuwen de schrijvers voor
de sociale en politieke gevaren van deze nieuwe vorm van biologisch determinisme:


From what we have seen of the social and political impact of such theories in the past, we feel strongly that we
should speak out against them. We must take “Sociobiology” seriously, then, not because we feel that it provides
a scientific basis for its discussion of human behavior, but because it appears to signal a new wave of biological
determinist theories.30


De wetenschappers zien vijf problemen met Wilsons sociobiologie. Op het eerste gezicht zijn
het allemaal gegronde wetenschappelijke kritiekpunten. Ten eerste zou Wilson genen
verzinnen die met moreel gedrag te maken hebben. Je kunt duidelijk opmaken dat de
schrijvers niets op hebben met genen die voor homoseksualiteit, creativiteit, ondernemerschap
en gedrevenheid zorgen, want zeggen ze, er is geen enkel bewijs van het bestaan van zulke
genen. Daarnaast maakt hij de fout door te zeggen dat alles wat zich kan aanpassen per
definitie goed is.31 Negatief moreel gedrag, zoals xenofobie, is dan een stukje gedrag wat in
de evolutie er niet in geslaagd is te verdwijnen, of tot iets goeds is geëvolueerd. Deze
gedachte vinden de auteurs maar niets. Door het zo te zeggen maakt Wilson het zichzelf
gemakkelijk door te verklaren dat elk gedrag kan evolueren en daarmee natuurlijk is,
waardoor hij de sociale orde op zijn manier kan uitleggen. Wilsons aanpak is daarmee niet
wetenschappelijk, maar juist een manier om zijn eigen speculaties waarheid te laten worden.
Ten tweede maakt Wilson volgens de auteurs gebruik van zogeheten ‘leap-of-faith-



28
   Ibidem.
29
   Elizabeth Allen, et al, ‘Against “Sociobiology”’, in: Arthur C. Caplan, (ed.) The sociobiology debate.
Readings on ethical and scientific issues, (New York 1978), 260.
30
   Ibidem, 264.
31
   Ibidem, 261.

                                                                                                               12
redeneringen’.32 Wilson stelt bijvoorbeeld dat de oorsprong van bepaalde vormen van dierlijk
gedrag overeenkomt met vormen van menselijk gedrag. Alleen heb je dan niet alleen met
biologische evolutie te maken, maar ook met culturele evolutie. De auteurs lezen dan hoe
Wilson eerst cultuur boven de genen plaatst, dan suggereert dat het misschien wel andersom
is, om dan te roepen voor de noodzaak van antropologische genetica. De schrijvers van deze
brief leggen dit uit als het oproepen tot een studie om te kijken of cultuur geërfd is van de
genen. Ook bij dit tweede punt laat Wilson zijn voorkeur doorschijnen. Ten derde zijn de
auteurs er niet van overtuigd of Wilsons analyse van niet-menselijk gedrag hem een basis
geeft    om      menselijk      gedrag      te    begrijpen.33       Ze    vinden      vergelijkingen        tussen
insectensamenlevingen en menselijke samenlevingen niet toepasbaar. Ten vierde maakt
Wilson gebruik van ad hoc argumenten om de relatie tussen niet-menselijke en menselijke
samenlevingen te verklaren. Tenslotte zien de ze ook een probleem in de wetenschappelijke
methode van Wilson.34 Ze zeggen dat veel van Wilsons stellingen niet zijn gebaseerd op
objectieve observaties, maar dat ze voortkomen uit speculaties omtrent prehistorische
samenlevingen van mensen. Dat het doel van deze brief was om de gevaren van deze nieuwe
vorm van biologisch determinisme te neutraliseren, wordt duidelijk gemaakt in de volgende
zin. ‘What we are left with then is a particular theory about human nature which has no
scientific support, and which upholds the concepts of a world with social arrangements
remarkably similar to the world which E.O. Wilson inhabits.’35


         Een reactie van Wilson kon niet uitblijven. Zijn theorie was immers zowel op
wetenschappelijk, als persoonlijk vlak afgebrand en afgedaan als een poging om zijn
persoonlijke ideeën over het menselijke, morele gedrag te kunnen ventileren. Zoals de brief
een persoonlijk karakter had zo komt ook in Wilsons reactie een zekere mate van vijandschap
voor. De brief is volgens hem een:


“[…] openly partisan attack on what the signers mistakenly conclude to be a political message in the book. Every
principal assertion made in the letter is either a false statement or a distortion. On the most crucial points raised
by the signers I have said the opposite of what is claimed. To date, none of the many other scientists who have
reviewed the book in scientific and popular journals have misinterpreted it in this or any other important way.36


32
   Ibidem, 262.
33
   Ibidem, 263.
34
   Ibidem..
35
   Ibidem, 264.
36
   Edward O. Wilson, ‘For Sociobiology’, in: Arthur C. Caplan, (ed.) The sociobiology debate. Readings on
ethical and scientific issues, (New York 1978), 265.

                                                                                                                  13
Niet Wilson maar de ondertekenaars van de brief zijn degenen geweest die er helemaal naast
zitten. Het zijn zij die leugens verspreiden. Wilson geeft een paar voorbeelden van de
verdraaiingen, ontstaan door het foutief bij elkaar zetten van fragmenten, die in de brief
voorkomen. De beschuldiging dat hij slavernij als een natuurlijk fenomeen beschouwt doordat
het in het dierenrijk voorkomt verwijst hij naar het land der fabelen. Hij gaat hier tegenin met
het argument dat hij het alleen had over slavernij bij mieren en dat hij zich afvroeg of je die
slavernij kan vergelijken met de menselijke slavernij. Het antwoord wat Wilson gaf was
negatief. Een ander voorbeeld wat hij aanhaalt is dat hij gezegd zou hebben dat cultuur
ondergeschikt is aan de genen. Het citaat wat ze daarbij gebruiken, ‘The opposite could be
true’, slaat echter op een ander deel van de tekst.37 De ondertekenaars van de brief hebben
twee fragmenten op foutieve wijze bij elkaar gevoegd, zegt Wilson.
           Hij eindigt zijn reactie op een meer persoonlijke toon. Hij betreurt het dat hij niets van
het plan wist om een brief met deze inhoud naar The New York Review of Books te sturen,
anders had hij hen een artikel gegeven waarin hij het een en ander uitlegt over zijn theorie van
sociobiologie. Hij eindigt dan door te zeggen:


[…] I feel that the actions of Allen et al represent the kind of self-righteous vigilantism which not only produces
falsehood but also unjustly hurts individuals and through that kind of intimidation diminishes the spirit of free
inquiry and discussion crucial to the health of the intellectual community.38


           We hebben nu gelezen wat Wilson er toe bracht om een werk als Sociobiology te
schrijven. Zijn idealen brachten hem echter in een hoek die hij van te voren waarschijnlijk
niet had zien aan komen. De wetenschappelijke kritiek die hij kreeg van Allen en de andere
wetenschappers leek vaak meer gericht op de persoon Wilson dan op de gevaren van
biologisch determinisme voor de samenleving. Ook de reactie van Wilson loog er niet om.
Allen et al. waren leugenaars door hem van biologisch determinisme te beschuldigen. Wilsons
ideaal om de sociale en natuurwetenschappen met elkaar te integreren leek nu verder weg dan
ooit.




37
     Ibidem, 266.
38
     Ibidem, 268.

                                                                                                                14
Sociobiology Study Group of Science for the People

Ongeveer een jaar na de kritiek van Allen en de andere wetenschappers wordt Wilson weer
door een groep wetenschappers onder vuur genomen. De groep noemde zichzelf
“Sociobiology Study Group of Science for the People”. Het eerste stuk van de naam
suggereert een groep die als doel heeft sociobiologie verder te bestuderen, maar het tweede
deel maakt duidelijk dat daar geen sprake van is. De groep bestond grofweg uit dezelfde
personen die een jaar eerder de brief hadden ondertekend, die naar The New York Review of
Books werd gestuurd. Het artikel heeft de titel ‘Sociobiology – another biological
determinism’. De bedoeling is nog steeds hetzelfde en suggereert dat er tussen de schrijvers
en Wilson niet veel contact is geweest. Het belangrijkste is nog steeds dat sociobiologie als
een vorm van biologisch determinisme wordt beschouwd, een stroming die moeten worden
tegenhouden. De eerste twee woorden zijn dan ook “biologic determism”.39 De toon is wel
anders. Het artikel is logischerwijs fel gekant tegen het gebruik van biologisch determinisme
en alles wat daar mee te maken heeft. Het heeft daarentegen geen zweem van een persoonlijke
aanval, die de brief van Allen kenmerkte, en richt zich nu echt meer op de gevaren van
denken en handelen op een biologisch deterministische manier. Dat denken en handelen via
de biologisch deterministische methode fout is wordt al snel duidelijk gemaakt. Het begint
nadat ze Wilsons sociobiologie hebben beschuldigd van biologisch determinisme. De groep
zegt dan:


For more than a century the idea that human social behavior is determined by evolutionary imperatives operating
on inherited dispositions has been seized upon and widely entertained not so much for an alleged correspondence
with reality as for its more obvious political value. 40


Biologisch determinisme en politiek zijn in de geschiedenis zo verbonden dat het niet meer
los van elkaar gezien kan worden. Dat heeft als consequentie dat als je het over biologisch
determinisme spreekt de politiek erbij wordt gehaald. Vervolgens wordt Wilsons theorie
vergeleken met die van Herbert Spencer die zei dat armoede en hongersterfte natuurlijke
omstandigheden zijn die de minst aangepaste mensen uit de samenleving verwijdert en het
idee dat in Nazi Duitsland voet aan wal kreeg om de ongewenste elementen uit de
maatschappij te elimineren. Beide zijn ideeën of theorieën die met biologisch determinisme te

39
   Sociobiology Study Group of Science for the People, ‘Sociobiology – another biological determinism’, in:
Arthur C. Caplan, (ed.) The sociobiology debate. Readings on ethical and scientific issues, (New York 1978),
280.
40
   Ibidem, 281.

                                                                                                               15
maken hebben. Kort daarna vatten ze in een kernachtige alinea hun kritiek samen over hoe
biologisch deterministen hun zaak bepleiten.


In order to make their case, determinists construct a selective picture of human history, ethnography, and social
relations. They misuse the basic concepts and facts of genetics and evolutionary theory, asserting things to be
true that are totally unknown, ignoring whole aspects of the evolutionary process, asserting that conclusions
follow from premises when they do not. Finally, they invent ad hoc hypotheses to take care of the contradictions
and carry on a form of “scientific reasoning” that is untestable and leads to unfalsifiable hypotheses. 41


Uiteraard valt ook Wilsons Sociobiology onder deze kritiekpunten. De inhoud van het artikel
is niet veel anders dan die van de eerder behandelde brief. Het komt er wederom op neer dat
Wilson niet de kennis en de theorie heeft om iets zinnigs te kunnen zeggen over sociale
verbanden, laat staan dat die sociale verbanden iets met de menselijke genen te maken
hebben.


Het antwoord van Wilson liet niet lang op zich wachten. Naar eigen zeggen reageert hij op
een politieke aanval van de Sociobiology Study Group. Een politieke, en geen
wetenschappelijke aanval. Doordat hun artikel zo de nadruk heeft gelegd op biologisch
determinisme, is het een politiek artikel geworden. Wilson geeft dan ook een opvallende,
politieke nadruk aan zijn tegenaanval en geeft zijn commentaar de titel ‘Academic vigilantism
and the political signifance of sociobiology’ . In de tweede helft van het artikel heeft hij het over
het politieke belang van sociobiologie. Zijn inleiding begint eerst met evaluatie van de manier
waarop de Sociobiology Study Group haar boodschap uit. Naast de psychische stress die deze
aanvallen hem heeft bezorgd signaleert hij nog een ander, groter probleem.


The issue at hand, I submit, is vigilantism: the judgement of a work of science according to whether it conforms
to the political convictions of the judges, who are self-appointed. The sentence for scientists found guilty is to be
given a label and to be associated with past deeds that all decent persons will find repellent. 42


Wilson had het in zijn voorgaande reactie ook al gezegd. Aanvallen van de aard van de
Sociobiology Study Group zorgen ervoor dat het bedrijven van de wetenschap in gevaar
komt. Wilson heeft het niet alleen over zichzelf als hij zegt dat wetenschappers bij voorbaat
schuldig zijn bevonden als ze worden beschuldigd met voorgaande gebeurtenissen in de

41
  Ibidem.
42
  Edward O. Wilson, ‘Academic vigilantism and the political signifance of sociobiology’, in: Arthur C. Caplan,
(ed.) The sociobiology debate. Readings on ethical and scientific issues, (New York 1978), 291.

                                                                                                                  16
geschiedenis die elk mens verafschuwt. Wilson analyseert dan de ideologie van de
Sociobiology Study Group en hij geeft aan hoe hun paradigma de mening over Sociobiology
corrumpeert.


[…] the belief system they promote is clear-cut and rigid. They postulate that human beings need only decide on
the kind of society they wish, and then find the way to bring it into being. Such a vision can be justified if human
social behavior proves to be infinitely malleable. In their earlier New York Review statement (Allen et al. 1975)
the group maintained that although eating, excreting, and sleeping may be genetically determined, social
behavior is entirely learned; this belief had been developed further in the Bioscience article. In contrast, and
regardless of all they have said, I am ideologically indifferent to the degree of determinism in human behavior. If
human beings proved infinitely malleable, as they hope, then one could justify any social or economic
arrangement according to his personal value system. If on the other hand, human beings proved completely
fixed, then the status quo could be justified as unavoidable.
Few reasonable persons take the first extreme position and none the second. On the basis of objective evidence
the truth appears to lie somewhere in between, closer to environmentalist than to the genetic pole. That was my
wholly empirical conclusion in Sociobiology: the new synthesis and continues to be in later writings. 43


Waarom is dit lijvige citaat zo belangrijk? Om te beginnen legt Wilson duidelijk uit wat de
ideeën van de Sociobiology Study Group over het sociale gedrag van de mensen inhoudt. Dan
weerlegt hij de aanklachten van de groep dat hij biologisch determinisme predikt door te
zeggen dat hij “ideologisch onverschillig” is tegenover elke vorm van determinisme, waarvan
hij de gevaren kort beschrijft. In de laatste zinnen maakt hij vervolgens duidelijk wat zijn
eigen bevinding zijn over de oorsprong van het sociale gedrag bij mensen. Zijn conclusie is
niet dat het menselijke gedrag volledig genetisch is bepaald, maar dat de omgeving, de
cultuur, een grotere invloed heeft op het menselijke, sociale gedrag dan de genen. Daarmee
verwijst hij beschuldigingen van de Sociobiology Study Group naar het land der fabelen en
bewijst hij dat zijn tegenstanders zijn boek niet helemaal hebben gelezen. Of ze dat met
voorbedachte rade hebben gedaan is niet met zekerheid te zeggen, maar het maakt de
aanvallen wel minder geloofwaardig.
           Het middenstuk van dit artikel bestaat uit korte onderdelen die Wilson nader verklaart
en verdedigt tegen de beschuldigingen van zijn tegenstanders. Het is hier helaas niet de
geschikte plaats om die punten te beschrijven. Net als in zijn respons op de brief van Allen et
al. verdedigt hij zijn manier van wetenschap bedrijven en verweert hij de beschuldigingen die
hem linken aan het biologisch determinisme. Het is het laatste deel dat de aandacht vraagt.
Het heeft de kop “The political significance of sociobiology”. De kop geeft de indruk dat
43
     Ibidem, 295.

                                                                                                                 17
Wilson ingaat op het belang van het gebruik van sociobiologisch denken op de politiek. Hij
legt hier niet uit dat sociobiologisch denken in de politiek belangrijk is, maar dat het wel heel
belangrijk kan worden. Wilson signaleert de volgende kwestie: “The question that science is
now in a position to approach is the very origin and meaning of human values, from which all
ethical pronouncements and much of political practice flow.”44 Dit laatste hoofdstuk is
filosofisch van aard. Het gaat om de vraag wat de oorsprong is van de menselijke natuur en
het menselijke moraal. Wilson merkt op dat de Sociobiology Study Group die vraag ook niet
eenduidig heeft beantwoord. Dat kunnen ze ook niet, omdat ze volgens hem de invloed van de
genen uitsluiten: “The solution to the conundrum must be that their premise of complete
evironmentalism is wrong.”45 Wilson meent dat zijn opvatting om genetische en
omgevingsfactoren in samenhang te erkennen kan helpen te verklaren hoe de menselijke
natuur in elkaar steekt. Hij zegt hierover:


The challenge of human sociobiology, shared with the social sciences, is to measure the degree of these
constraints [de genetische leiband van de menselijke natuur] and to infer their significance through the
reconstruction of the evolutionary history of the mind. The enterprise is the logical complement to the continued
study of cultural evolution.46


Aardig om op te merken is dat de bioloog Wilson wel een handreiking doet naar de sociale
wetenschappen, maar dat omgekeerd vele sociale wetenschappers hard in de aanval gaan.
Daarnaast zegt Wilson hier dat de menselijke natuur wel degelijk aan een soort genetische
leiband vastzit, maar dat het de taak is van biologen en sociale wetenschappers om te
onderzoeken hoe sterk en invloedrijk die genetische leiband is. Dat onderzoeksresultaat kan
dus alle kanten op.
         Het laatste hoofdstuk van zijn artikel is op te vatten als verkooppraatje van Wilson
over sociobiologie. Dat gebeurt niet op een verwerpelijke manier, maar het is een reactie op
de verhitte pogingen van de Sociobiology Study Group om zijn theorie te ondermijnen door
het onder andere te beschuldigen van biologisch determinisme. Wilson eindigt zijn artikel met
een meer algemene boodschap, dat te herleiden is naar het contemporaine debat over
sociobiologie:


All political proposals, radical and otherwise, should be seriously recieved and debated. But whatever direction
we choose to take in the future, social progress can only be enhanced, not impeded, by the deeper investigation

44
   Ibidem, 299.
45
   Ibidem, 300.
46
   Ibidem.

                                                                                                              18
of the genetic contraints of human nature, which will steadily replace rumor and folklore with testable
knowledge. Nothing is to be gained by a dogmatic denial of the existence of the constraints or attempts to
discourage public discussion of them. Knowlegde humanely acquired and widely shared, related to human needs
but kept free of politcal censorship, is the real science for the people.47


De Sociobiology Study Group of Science for the People krijgt in de laatste zin lik op stuk, als
Wilson zegt dat kennis, vrij van politieke censuur. de echte wetenschap voor de mensen is.




Sociobiologie en de politieke wetenschappen

In het vorige hoofdstuk hebben we kunnen lezen hoe Wilson benadrukt de mogelijkheid dat
sociobiologie en de sociale wetenschappen samen belangrijke politieke vraagstukken kunnen
oplossen. De band tussen sociobiologie en de sociale wetenschappen is al vaak genoemd.
Politiek is echter ook een steeds terugkerend thema. Dan rijst de vraag of sociobiologie niet
alleen voor de sociale wetenschappen belangrijk kan zijn, maar of het ook bruikbaar is voor
politieke wetenschappers en hun theorieën. .
         Het sociobiologisch debat heeft dus een voornamelijk politiek karakter. Dat signaleren
Joseph Alper, Jon Beckwith and Lawrence G. Miller ook. En daar zijn ze niet blij mee. De
toon van hun artikel, ‘Sociobiology is a political issue’, is hetzelfde als van de Sociobiology
Study Group en het wordt dan ook duidelijk gemaakt dat de schrijvers van het artikel tot deze
groep behoren. Zij vrezen de invloed van sociobiologie op het politieke debat en zien dat
sommige conclusies van Wilsons Sociobiology een negatieve invloed hebben, of kunnen
hebben, op de samenleving.48 Ze concentreren zich vooral op de gevolgen van de
sociobiologische theorie op de relatie tussen mannen en vrouwen en vinden dat Wilson in
Sociobiology seksisme predikt.
         Ze beginnen hun artikel door te onderstrepen dat de samenleving op een
sociobiologische manier uitleggen verkeerd is. De gelijkwaardigheid tussen mensen zou
schade oplopen door het genetisch verklaren van bepaalde menselijke eigenschappen, zoals
intelligentie. De schrijvers irriteren zich ook aan de manier waarop Sociobiology aandacht
kreeg in de media.49 Ze zijn vooral verbolgen over hoe sociobiologie het onderwijs
beïnvloedt. Want, zeggen ze:

47
   Ibidem, 302.
48
   Joseph Alper, Jon Beckwith, en Lawrence G. Miller, ‘Sociobiology is a political issue, in: Arthur C. Caplan,
(ed.) The sociobiology debate. Readings on ethical and scientific issues, (New York 1978), 476.
49
   Ibidem, 478.

                                                                                                                  19
One of the areas where, in the past, biological determinist theories have had their most immediate impact is
education. This has been no less true for sociobiology. College and university sociobiology courses have
proliferated. […] The curriculum is constructed so as to play down the role of cultural factors and cultural
evolution in such behaviors.50


Ook Alper, Beckwith en Miller schuwen niet om Wilson van biologisch determinisme te
beschuldigen. Of sociobiologie wel of niet de reden is geweest dat universiteiten cultuur een
minder grote rol gaven, het is in ieder geval een ideale zondebok.
         Het hoofdthema van hun artikel is seksisme. Ze baseren zich hier niet op Sociobiology
maar op een boek van D.P. Barash, een sociobioloog, getiteld Sociobiology and behavior. Ze
citeren Barrash als hij zegt dat sociobiologie sterk leunt op de verschillen tussen mannen en
vrouwen en dat moeder natuur een seksist blijkt te zijn.51 Dat grapje viel niet in goede aarde
en Alper, Beckwith en Miller concluderen dat het niet mogelijk is om sociobiologie en
seksisme los van elkaar te zien. Barash en Wilson ‘[…] ignore the realities of our society
which has discriminated against women and minority peoples for so many years.’ en later
menen ze dat:


Sociobiology cannot be divorced from its seksism. Not only are the postulated human universals sexist, but the
asserted mode of their propagation in evolution is sexist as wel. This pervasiveness of the sexism by the
sociobiologists is camouflaged by the careless and sexist language used by the sociobiologists. […] Once the
sexism of the language is exposed and the ambiguous use of het word “man” made clear, it becomes manifest
that sociobiology carries with it the implication that human social behavioral traits evolved primarily through the
selection of male traits.52


Kortom, alles is seksistisch aan de theorie van Wilson. Het benadrukken van het woordje
“man” verwijst naar het laatste hoofdstuk van Sociobiology, dat Wilson de titel ‘Man: from
sociobiology to sociology’ gaf. Alper, Beckwith en Miller zien dat Wilson zich alleen op de
mannen concentreert en daarmee het sociale gedrag van de vrouwen compleet negeert.
         De schrijvers van dit artikel vrezen de negatieve gevolgen op de samenleving die dit
seksisme brengen. Ze houden het voor mogelijk dat sociobiologie het sociale debat kan
beïnvloeden waardoor de vrouwen daar de dupe van worden. Zelf menen ze gegronde redenen
te hebben om deze invloed te vrezen. Nogal onheilspellend halen ze de geschiedenis aan om


50
   Ibidem, 479.
51
   Ibidem, 481.
52
   Ibidem, 485.

                                                                                                                20
aan te tonen dat ‘[…] the sociobiological theories in the present social context will have
pernicious social consequences.”53


Steven A. Peterson en Albert Somit hebben ook geschreven over sociobiologie in relatie met
politiek. Hun artikel ‘Sociobiology and politics’ heeft een heel andere toon dan het hierboven
genoemde artikel van Alper, Beckwith en Miller. Peterson en Somit schrijven over
“biopolitiek”, het integreren van biologie met politiek. Ze vragen zich af of en hoe
sociobiologie een aanwinst kan zijn voor de politicologie. Peterson en Somit schrijven op
neutrale wijze over sociobiologie en, hoewel ze op en aanmerkingen hebben over Wilsons
methode, het gebruik van te grote concepten en het daardoor gebruik van soms te vage
hypotheses, om sociobiologie te gebruiken voor de politieke wetenschap, blijft de toon
wetenschappelijk en niet aanvallend.54
        Ze beginnen met de mogelijke invloed van sociobiologie op de politieke filosofie. De
politieke wetenschappers noemen de vier voornaamste politieke ideologieën. De eerste is het
klassieke conservatisme, gevolgd door het liberalisme, het socialisme en het anarchisme.
Peterson en Somit vragen zich af hoe sociobiologie in verhouding staat met deze vier
concurrerende ideologieën. Ze merken op dat alle vier de stromingen een link hebben met
sociobiologie.55 Klassiek conservatisme benadrukt het behouden van gebruiken die een lange
traditie kennen. Sociobiologie leert hoe gedrag voortkomt uit de noodzaak van de mens om
zich aan te passen en dat gedrag bedoelt is om voor een lange tijd mee te gaan om zo voor
stabiliteit te zorgen. Omdat sociobiologie het ook heeft over wederzijdse altruïsme, geeft het
ook een draagvlak voor het deel van het liberalisme dat een vrijemarkteconomie benadrukt.
Door in een vrijemarkteconomie op een ander te vertrouwen bestaat de kans dat de ander later
iets teruggeeft. Socialisme benadrukt de coöperatie van mensen, dat onderbouwd wordt omdat
de mens het grootste deel van zijn bestaan in kleine, tribale verbanden leefde waar men op
elkaar kon vertrouwen. Peterson en Somit erkennen dat dit argument op losse schroeven staat
omdat de mens tegenwoordig niet meer in kleine groepen leeft. De sociobiologische nadruk
op coöperatie bij de vroege mens slaat ook een brug naar de anarchistische ideologie.
Anarchisten menen dat de mens in staat is om voor zichzelf te zorgen zonder dat daar een
overheid voor aan te pas hoeft te komen.


53
   Ibidem, 486.
54
   Steven A. Peterson en Albert Somit, ‘Sociobiology and politics’, in: Arthur C. Caplan, (ed.) The sociobiology
debate. Readings on ethical and scientific issues, (New York 1978), 457-458.
55
   Ibidem, 454.

                                                                                                              21
         Ondanks dat sociobiologie met alle vier de ideologieën een overeenkomst heeft, zijn
Peterson en Somit terughoudend over de mogelijke invloed van de theorie op politieke
filosofie. Ze zeggen daarover:


A logical future step would be to attempt the construction of a philosophical edifice resting on a coherent
sociobiological foundation, rather than by using building blocks drawn from widely varying theories. While such
an effort would be premature now, there is the potential for such an undertaking if sociobiology’s promise can be
realized.56


         Peterson en Somit kijken ook naar de mogelijke invloed op de politieke wetenschap in
het algemeen. Sociopolitieke instituties moeten bestand kunnen zijn tegen veranderingen van
de omgeving, en moeten zich dus als het ware aanpassen aan de omgeving, net als mensen en
dieren. Sociobiologie kan helpen bij het creëren van zulke instituties. Sociopolitieke
instituties kunnen dan wel op dezelfde manier evolueren als mensen, maar die evolutie gaat
veel sneller. Peterson en Somit halen hier het voorbeeld aan dat de mens genetisch nog niet is
aangepast aan het leven in de stad.57 Sociobiologie zou licht kunnen werpen op de antisociale
gedragsproblemen van de mens. Ten derde kan sociobiologie ook helpen bij andere politieke
kwesties waar gedrag een rol speelt. Een voorbeeld is dat er altijd politieke facties hebben
bestaan. Om dat te onderzoeken halen Peterson en Somit een voorbeeld aan van een
wetenschapper die een primatensamenleving heeft onderzocht. Als laatste denken ze dat
sociobiologie implicaties heeft voor politieke wetenschappers die zich bezighouden met
publiek beleid.58 Sociobiologie kan mogelijk de interactie tussen individueel gedrag en
politieke structuren als de staat verduidelijken, door gebruik te maken van sociobiologische
concepten.
         Peterson en Somit staan niet afwijzend tegenover het gebruik van sociobiologie in de
toekomst. Maar sociobiologie in de jaren zeventig vonden ze nog onvoldoende onderzocht om
het toen al te gebruiken voor de politieke wetenschap. Ze sluiten af met een mededeling die de
Sociobiology Study Group ongetwijfeld een doorn in het oog is:


[…] this new field will eventually compel political scientists to take in to consideration the biological factors
which may influence our political behavior; and, there is good reason to believe, it may in the future contribute




56
   Ibidem, 455.
57
   Ibidem, 456.
58
   Ibidem, 457.

                                                                                                              22
significantly to the ability of the political scientists to understand and explain, if not predicts and control, the
phenomena and problems which are his professional province. 59



Peterson en Somit staan dus heel anders tegenover sociobiologie dan Alper, Beckwith en
Miller. Die legden een directe lijn die liep van eugenetica in Nazi-Duitsland naar Wilsons
sociobiologie. De theorie was volgens hen geheel seksistisch en vormde zo een gevaar voor
de samenleving. Peterson en Somit behandelen sociobiologie op een andere manier, zowel in
toon als in hun onderwerp, en kijken naar de mogelijkheid of sociobiologie de politieke
wetenschappen kan helpen. Zijn zien een gouden toekomst voor sociobiologie en stellen zelfs
al voor dat politieke wetenschappers in de toekomst biologische factoren in overweging
moeten nemen.



Conclusie

De sociopolitieke verhoudingen van de Verenigde Staten waren aan veranderingen
onderhevig, zo ook de bijpassende idealen. Het integratie-ideaal werd op het hoogtepunt te
rigide uitgevoerd wat er voor zorgde dat Amerikaanse minderheden steeds minder met
integratie te maken wilden hebben. De samenleving zat in de knel, kreten als “black power”
en “goodbye America” zorgden voor vraagtekens bij de beleidsmakers. Hun antwoord was
simpel en elegant. Het cultureel nationalisme werd de wind uit de zeilen genomen doordat de
politiek de nadruk legde op “diversiteit”. Amerikanen mochten trots zijn op hun
multiculturele samenleving. Ondertussen werd de linkerkant van het politieke spectrum
vernieuwd met de New Left, een politieke stroming die was geëvolueerd uit het oude, meer
stricte marxistisch-leninisme, en waarschuwde de samenleving voor het liberale corporatisme.
           In deze context besloot Wilson zijn ideaal te verwezenlijken en de sociale en
natuurwetenschappen met elkaar te verenigen door middel van sociobiologie. Sociale
wetenschappers waren daar echter niet van gediend en gingen in de aanval. De brief van Allen
was uitzonder fel en persoonlijk en ook de reactie van Wilson loog er niet om. De aanvallen
professionaliseerde met de oprichting van Sociobiology Study Group of Science for the
People. De klachten waren nog steeds hetzelfde; Wilson was een biologisch determinist en
zijn theorie was te onwetenschappelijk om zelfs maar een beetje te kloppen. Politieke
wetenschappers uit dezelfde groep bestempelden sociobiologie als een gevaar voor de
samenleving doordat het seksisme zou bevorderen en het zelfs al had gedaan. Politieke

59
     Ibidem, 559.

                                                                                                                 23
wetenschappers als Peterson en Somit analyseerden sociobiologie op een neutrale manier en
kwamen er zo achter dat het wel degelijk mogelijk is dat sociobiologie bruikbaar is voor
politieke wetenschappers, maar dat de theorie nog de jong en onvolledig was om, op het
moment dat ze hun artikel schreven, al gebruikt kon worden.
           Hoe heeft het debat zo kunnen escaleren? Het antwoord daarop moet gevonden
worden in de omgevingsdeterministische sociale wetenschappen die geen enkele biologische
verklaring van menselijk sociaal gedrag accepteerde. Vreselijke voorbeelden uit het verleden
werden als argument gebruikt om sociobiologie aan te vallen en Wilson van biologisch
determinisme te beschuldigen. Wilson bleef volhouden waardoor de aanvallen ook door
bleven gaan. De vraag hoe het debat verder verliep na 1975 is dan ook niet moeilijk te
beantwoorden. Het bleef doorgaan zoals het was begonnen. Wilson werd beschuldigd van
biologisch determinisme en hij bleef zich verdedigen, al sloop de moedeloosheid er wel bij in.
Wat voor rol heeft sociobiologie op de politiek en op de politieke wetenschappen in de jaren
zeventig? Het korte antwoord is: geen. Peterson en Somit, de wetenschappers die
sociobiologie neutraal behandelden, zagen nog te veel haken en ogen aan de theorie. Ze
voorzagen echter wel dat sociobiologie later wel degelijk een grote invloed kan hebben op de
politieke wetenschappen.
           De grootste aanklacht die Wilson hoorde was dat hij een biologische determinist was.
Sociobiologie werd door de Sociobiology Study Group als een vervolg beschouwd van de
eugeneticapraktijken van de Nazi’s. Deze aantijging werd door Wilson niet begrepen, omdat
hij juist ideologisch onverschillig keek naar elke vorm van determinisme, of het om
biologisch, of omgevingsdeterminisme ging.60 De beschuldigingen onthulden de angst voor
vooral de manier waarop eugenetica door de Nazi’s werd gebruikt. Dat was een pure vorm
van kwaadaardig biologisch determinisme. Het debat over de vraag waardoor menselijk
sociaal gedrag beïnvloed wordt, wordt ook wel het “nature/nurture” debat genoemd.”Nature”
staat dan voor de biologische factoren die menselijk sociaal gedrag beïnvloeden, “nurture”
voor de omgevingsfactoren, zoals goed onderwijs. In de tijd dat Wilson Sociobiology
publiceerde, hadden de sociale wetenschappers haast het alleenrecht op het verklaren van
sociaal gedrag en sociale verschillen. De angst voor en de woede over de doorgeslagen
biologisch deterministische Nazi’s had ervoor gezorgd dat sociale wetenschappers meer en
meer omgevingsdeterministisch waren geworden.61



60
     Edward O. Wilson, ‘Academic vigilantism and the political signifance of sociobiology’, 292.
61
     Chris Buskes, Evolutionair denken,. 114.

                                                                                                   24
       Zoals gezegd is dit denkraam duidelijk te merken in de aanvallen die Wilson te
verduren kreeg van Allen et al. en de Sociobiology Study Group. De ergste beschuldiging was
dat Wilson op één lijn zou zitten met mensen als Adolf Hitler. Hoe hangen deze zware
beschuldigingen samen met de politieke context van de Verenigde Staten? De jaren zestig
kenmerkte een strijd voor burgerrechten die door het aannemen van de Civil Rights Act in
1964 en de Voting Rights Act in 1965 gewonnen leek te zijn. Het omgevingsdeterminisme
was echter ook de politiek ingeslopen. Door middel van impopulaire maatregelen als
“busing”, het geforceerd mengen van basisscholen en het liefst ook van hele wijken, kwam de
nadruk te veel op omgeving te liggen. Het integratie-ideaal was te ver doorgeschoten. Afro-
Amerikanen, Aziatisch-Amerikanen en andere minderheidsgroepen gingen meer denken over
hun eigen cultuur en afkomst. Het culturele nationalisme zorgde ervoor dat beleidsmakers
moesten gaan nadenken over hoe ze de Amerikaanse samenleving, met al die culturen die zich
steeds beter profileerden, moesten gaan vormgeven. Het antwoord was het verwerpen van het
integratie-ideaal en het benadrukken van de diversiteit en de multiculturaliteit van Amerika.
Er waren nu eenmaal verschillende culturen, maar er was nog steeds één Amerika.
       Wat voor gevolgen heeft de sociopolitieke context in de Verenigde Staten van de jaren
zestig en zeventig gehad op het begin van het academische debat rond sociobiologie in de
jaren 1975 tot 1980? Om te beginnen is er een duidelijk verschil tussen de academische
wereld en de sociopolitieke wereld. Het laatste stond in het teken van integreren gevolgd door
het benadrukken van de multiculturele samenleving. De academische wereld van de sociale
wetenschappen profiteerde van de grote wens om menselijk sociaal gedrag te verklaren door
middel van omgevingsfactoren. Wilsons sociobiologie werd niet alleen beschuldigd van
biologisch determinisme, maar tegenstanders waren ook erg sceptisch of een biologische
theorie überhaupt wel iets over sociale verbanden kon zeggen. De balans was overgeslagen
naar omgevingsdeterminisme en er was geen plaats meer voor een biologische verklaring van
menselijk sociaal gedrag, naast het feit dat een dergelijke biologische verklaring in de
negatieve schaduw stond van de eugeneticapraktijken van de Nazi’s. De politiek was ook op
een omgevingsgerelateerde manier gaan denken. Iedereen, ook Afro-Amerikanen, verdienden
het om op een gelijke manier behandeld te worden, zonder dat er naar ras of etniciteit werd
gekeken. Dat het integratie-ideaal uiteindelijk mislukte kwam doordat de aanpak te
omgevingsdeterministisch werd. Dit had echter geen gevolgen voor het verloop van het debat
rond sociobiologie. De opvolger van het integratie-ideaal, het ideaal van de diversiteit,
benadrukte nog steeds het belang van cultuur en omgeving.


                                                                                           25
           Het academische debat rond sociobiologie en de politieke context hebben elkaar niet
beïnvloed, maar zijn het product geworden van een reactie op de verschrikkingen van de
Tweede Wereldoorlog en het besef dat iedereen een gelijke kans moet hebben. De
sociobiologische theorie van Wilson kwam op een moeilijk moment. Het publicatiejaar 1975
was nog te vroeg om te zeggen dat de menselijk natuur mogelijk op een biologische,
genetische manier uitgelegd kan worden. Ruim vijftien jaar later was het geaccepteerd om te
denken over een biologische basis van menselijk sociaal gedrag en keek men terug op een
periode waar wetenschappers en publiek te veel gefocust waren op omgeving en opvoeding.
Wilson wist al vroeg waar de waarheid gevonden kon worden:


On the basis of objective evidence the truth appears to lie somewhere in between, closer to environmentalist that
to the genetic pole.62


Het is jammer dat tegenstanders deze conclusie niet goed hebben gelezen, het had ze veel tijd
en energie bespaard gebleven.




Literatuurlijst

Allen, Elizabeth et al, ‘Against “Sociobiology”’, in: Arthur C. Caplan, (ed.) The sociobiology debate.
Readings on ethical and scientific issues, (New York 1978).
Alper, Joseph, Jon Beckwith, en Lawrence G. Miller, ‘Sociobiology is a political issue, in: Arthur C.
Caplan, (ed.) The sociobiology debate. Readings on ethical and scientific issues, (New York 1978).
Blum, John Mortum, Years of discord. American politics and society, 1961 – 1974, (New York 1991).
Buskes, Chris, Evolutionair denken. De in vloed van Darwin op ons wereldbeeld’, (Amsterdam
2009).
Peterson, Steven A. en Albert Somit, ‘Sociobiology and politics’, in: Arthur C. Caplan, (ed.) The
sociobiology debate. Readings on ethical and scientific issues, (New York 1978).
Segerstråle Ullica, Defenders of the truth: the battle for science in the sociobiology debate and
beyond, (Oxford 2000).
Schulman, Bruce J., The Seventies. The great shift in american culture, society, and politics, (New
York 2002).




62
     Edward O. Wilson, ‘Academic vigilantism and the political signifance of sociobiology’, 291.

                                                                                                              26
Sociobiology Study Group of Science for the People, ‘Sociobiology – another biological
determinism’, in: Arthur C. Caplan, (ed.) The sociobiology debate. Readings on ethical and scientific
issues, (New York 1978).
Wilson, Edward O., ‘Academic vigilantism and the political signifance of sociobiology’, in: Arthur C.
Caplan, (ed.) The sociobiology debate. Readings on ethical and scientific issues, (New York 1978).
Wilson, Edward O., ‘For Sociobiology’, in: Arthur C. Caplan, (ed.) The sociobiology debate. Readings
on ethical and scientific issues, (New York 1978).
Wilson, Edward O., Sociobiology, the new synthesis, (Cambridge 2000).




                                                                                                     27

				
DOCUMENT INFO
Shared By:
Categories:
Tags:
Stats:
views:2
posted:10/13/2012
language:Dutch
pages:27