1307047724 Crisis Hfdst1 Hfdst2 - DOC by zCcBpI7

VIEWS: 2 PAGES: 22

									Politieke Economie
       Weetjes
              BNP België: 350 miljard euro
              Je betaalt $1,3 voor 1 euro.
              BBP: Y = C + I + G + (X-M)




Financiële crisis; oorzaken, gevolgen en beleid




Financiële crisis is een sequentie. Het is niet de eerste, en ook niet de laatste.
     Prijzen van activa stijgen. Vastgoed bijvoorbeeld. Ze stijgen bovenmatig.
     Er komt een overoptimisme. De risicostandaarden worden gerelaxeerd. Er komt een opbouw van een
        lending boomi.
     Vervolgens komt een schok. Een wisselkoersdepreciatie, de huizenmarkt die ineen stort.

Politiek en financieel kader
     De Greenspan putii met enorm lage intrestvoet. Greenspan was een libertair, hij wil de bubbels niet
         vermijden maar de markten zichzelf laten corrigeren. Dit is moral hazardiii; de risico’s wegnemen waardoor
         de actoren geen verantwoordelijkheid meer tonen.
     China exporteerde massaal veel naar de VS. De dollars die ze ermee winnen steken ze in Amerikaanse
         langetermijnsobligaties. De langetermijnsrentevoeten werden historisch laag door de hoge vraag. Deze
         obligaties werden herverpakt om meer winst te proberen maken.
     Een groeiende armoedekloof in de Verenigde Staten. Om iedereen toch gelukkig te houden werd geld
         geleend aan mensen met een lage kredietwaardigheid (subprime mortgageivs). Deze leningen werden
         doorverkocht aan de overheid. Alles werd zo ontransparant, dat niemand nog de werkelijke waarde van de
         huizenmarkt geloofde.
De actoren

                                               De Banken
De volgende tabel beschrijft de kernactiviteiten van een traditionele commerciële bank. Een bank ontvangt
deposito’s van haar klanten, gaat leningen aan op de interbancaire markt en haalt kapitaal op bij haar
aandeelhouders. Met het verzamelde bedragje kan de bank leningen uitschrijven, effecten aankopen en cash
bijhouden om opgevraagd geld ‘terug te geven’. In Europa is het kapitaal gereguleerd. Het actief moet gefinancierd
worden door minimaal 8% van het kapitaal, de andere 92% mag van deposito’s en interbancaire markten komen. Dit
moet ervoor zorgen dat enige verliezen op de actiefzijde gedekt zijn door het kapitaal van de bank zodat de
depositohouders niet de pineut zijn van het verlies van de bank.

Actief                                                     Passief
Leningen aan privaat, bedrijven en overheid                Deposito’s
Effecten                                                   Interbancaire markt
Cash aanhouden om geld terug te geven                      Kapitaal



Om de ratio tussen het kapitaal en de leningen toch te verhogen vonden de banken het proces van securitisatiev uit.
Dit proces haalde risico’s af de balans en omzeilde de vereiste van een gewaarborgd kapitaal. Securitisatie verandert
banken in underwritersvi, ze geven een lening uit en verkopen ze door. Dit noemt men ook wel eens originate and
distribute.


The Shadow Banking System
Securitisatie werd gedaan door aparte vennootschappen op te richten waar de leningen werden onder gebracht. Dit
noemt men Special Purpose Vehiclesvii of SPVs. Dus eigenlijk waren zij een traditionele bank die niet onder toezicht
stonden. Het gevaar is natuurlijk dat zij ook bloot staan aan bankrisico’s.

De leningen worden dus geplaatst op de actiefzijde van de SPVs. Deze werd gefinancierd door Asset-Backed
Securitiesviii (ABS) en Collateralized Debt Obligationsix (CDO) die zich op de passiefzijde bevonden. ABSs en CDOs
leverden theoretisch een winst op, want ze worden gefinancierd met de kasstroom die voortvloeit uit de activa.
Deze financiële producten werden opgekocht door bijvoorbeeld pensioenfondsen en verzekeringsmaatschappijen.
Theoretisch wisten zij wat zij kochten en wat de verbonden risico’s waren. Bijgevolg worden risico’s dus verspreid
naar diegenen die ze kunnen inschatten. Dit kunnen we samenvatten als het traditionele proces van securitisatie.

De moderne vorm van securitisatie was meer gefocust op korte termijn. De banken richtten Structured Investment
Vehiclesx (SIV) op waar ze opnieuw hun leningen in pakjes plaatsten op de actiefzijde. De passiefzijde bestaat in deze
vennootschappen uit Asset-Backed Commercial Papersxi (ABCP) die meestal uitgeschreven worden voor een periode
tussen 90 en 180 dagen. Deze worden gestructureerd naargelang het risico dat eraan verbonden is en krijgen een
rating mee. Dit is de taak van de ratingbureaus die verder aan bod komen.

De risico’s zijn echter niet verspreid geraakt, deze gestructureerde effecten kwamen in de handen van een kleine
groep investeerders. Het kwam er op neer dat banken elkaars producten gingen opkopen. (zie volgende figuur)
                                       De Ratingbureaus
De drie grote ratingbureaus zijn: Standard&Poor’s, Moody’s, Fitch.

De ratingbureaus raten de CDOs en ABCPs. Zij hebben foute ratings toegekend aan deze effecten. Deze effecten
werden gestructureerd van veilig naar niet veilig. Dit gaat van een rating van AAA tot BBB. Deze gestructureerde
effecten werden opnieuw verpakt en kregen opnieuw een rating. Hierdoor konden ratingbureaus heel veel geld
verdienen. De lage ratings werden keer op keer opnieuw verpakt en er werd met AAA’s gegooid. Men ging bewust
slechte pakketten gaan opnieuw verpakken, ze minder transparant maken en ze opnieuw een rating geven die veel
hoger ligt dan de originele rating (zie volgende afbeelding).
                                             Hedgefunds
Een hedgefund is niet zoals een bank met veel deposito’s en eigen vermogen. Zij deden dat omgekeerd, er werd zo
weinig mogelijk eigen vermogen ingestoken en ze staken het vol met leningen. Een bank kan een ratio van 12,5
leverageratio hebben (100/8). Bij hedgefunds ligt deze ratio véél hoger. Via hedgefunds kunnen banken een hoog
risico nemen zonder dat dit zichtbaar is op hun balans. Deze hoge risico’s bestonden uit het opkopen van ABSs, CDOs
en ABCPs. Er ontstond een cirkeltje waartussen het geld tussen bewoog.


Conclusie
Kortgezegd ontstond er een nieuwe soort van bankieren. De banken gingen structureel aan ‘originate and distribute’
doen. De bank werd opgebroken in verschillende vennootschappen die elk hun financiële producten verkochten. Er
was dus een belangrijke rol weg gelegd voor de rating agencies. Deze genoten een enorm aanzien en er was een
sterk geloof in hun ratings. De bedoeling was dat deze pakketten (ABSs) zeer liquide waren zodat ze snel konden
verhandeld worden.

In realiteit handelden de ratingbureaus op een oligopolische markt en schreven ze verkeerde ratings uit. Dit
handeltje was bedoeld om zeer transparant te zijn maar evolueerde al snel naar een obscuur lucratief zaakje. Dit
systeem heeft dus gefaald.



Shocks
Fase 1

Het systeem werkte zoals hierboven beschreven tussen de verschillende
actoren. Maar er was ook een ideologische inslag. In de Verenigde Staten
was er al een tijdje een groeiende inkomensongelijkheid aan de gang. De
Amerikaanse leiders wou de armere bevolking sussen door ze een dak
boven hun hoofd te bieden. De Amerikaanse Centrale Bank hield haar rente
enorm laag waardoor geld zo goed als gratis was. Banken schreven leningen
uit aan mensen met No Income, No Jobs and No Assets (NINJA).

In de Verenigde Staten worden hypotheken voor 100% op het huis
genomen en moet er niets cash op tafel gelegd worden. Tevens ben je
persoonlijk niet aansprakelijk. Als een lener het huis niet kan afbetalen is hij
      zijn huis kwijt maar moet zelf niets betalen. Dit systeem werkt
      allemaal zeer goed zolang de huizenprijzen blijven stijgen. Een daling
van de huizenprijzen zet een kettingreactie in werking. De ‘winst’ op leningen is niet meer verzekerd waardoor de
SPVs en SIVs en hun pakketten geen gegarandeerde winst meer opleveren en de risico’s eigenlijk hoger zijn dan dat
hun rating aangeeft. Ze leveren minder winst op dan verwacht.




Fase 2
                                Figuur 1 Hoe de ratings liegen over de gegarandeerde winst.

Door de intransparantie en het feit dat de banken zo verstrengeld zijn met elkaar en ze elkaars ‘rommel’ opkochten
ontstond wantrouwen op de interbancaire markt. Banken krijgen liquiditeit- en solvabiliteitsproblemen.

Northern Rock is een hypotheekbank in Newcastle Ze schreef standaardhypotheken uit met vaste rentes van 6%.
Deze bank begon meer en meer te lenen op de interbankenmarkt. Vanaf 2007 gaat de rente op de interbankenmarkt
omhoog, boven die 6%. Die bank maakt uiteraard verliezen, die verliezen gaan naar het kapitaal en vervolgens naar
de deposito’s. Er volgde een bankrunxii en een contagion effect ontstaat. Dit contagion effect ontstaat door de
redenering dat “als alle banken dezelfde activiteiten doen, dan kunnen zij niet de enige zijn die in de problemen
zitten.”

Het is belangrijk een onderscheid te maken tussen liquiditeitsproblemen en solvabiliteitsproblemen. De eerste houdt
in dat banken niet meer aan elkaar lenen, er komt niet genoeg geld binnen om nog geld naar buiten te laten gaan.
Het probleem oplossen is een taak voor de Centrale Bank die de rente laat dalen waardoor banken heel goedkoop
kunnen lenen en de rente op de interbancaire markt daalt. Het solvabiliteitsprobleem houdt in dat banken hun
klanten niet kunnen terugbetalen (te weinig kapitaal). Hier treedt de overheid op door middel van kapitaalinjecties
in banken te doen.

Tevens bestaat zoiets als depositogarantie. Deze is tijdens crisis verhoogd van 20.000 naar 100.000. Alles op een
zichtrekening en spaarrekening tot €100.000 is gegarandeerd door de overheid. Dit is absurd want Fortis had een
balans van 600 miljard, dat is bijna twee keer zoveel als het Belgisch BNP.


Fase 3

Een wereldwijde crisis volgde en de historische gebeurtenissen volgden elkaar op.
     Bear Sterns overgenomen door JP Morgan Chase
     Merril Lynch overgenomen door Bank of America
     Lehman Brothers ging over kop. De conclusie momenteel was dat de overheid eigenlijk had moeten
       optreden. Toen had men het gevoel van “genoeg is genoeg” maar de kans bestaat dat het redden van
       Lehman Brothers de crisis ingeperkt zou hebben.
     Goldman Sachs en Morgan Stanley worden commerciële banken.
      Federal National Mortgage Association - FNMA (Fannie Mae) en Federal Home Loan Mortgage Corporation –
       FHLMC (Freddie Mac). Beiden bedrijven die door de overheid werden opgericht maar later verkocht werden.
       De twee bedrijven werden in 2008 onder curatele geplaatst van de Federal Housing Finance Agency nadat
       bekend geraakte dat ze niet over genoeg eigen vermogen beschikten. De overheid heeft enorme bedragen
       in de twee banken gepompt waardoor ze deels genationaliseerd werd.
      De herkapitalisatie van de AIG.
      Banco Santander koopt stukken van Bradford & Bingley op, de leningen worden genationaliseerd.
      LLoydsTSB koopt HBOS op.
      Hypo Real Estate/Depfa krijgt een bailout door een reeks van banken en de overheid.
      Commerzbank koopt Dresdner Bank over van Allianz.
      De Ierse overheid garandeert terugbetaling deposito’s.
      Ijsland redt haar banken die al jaren slecht gereguleerd waren en in Europese landen torenhoge intrest
       beloofden.
      Fortis, die eigenlijk een gezonde bank was, verslikt zich in de aankoop van ABN-AMRO. Ze worden deels
       genationaliseerd door een samenwerking van Belgische, Nederlandse en Luxemburgse overheden. De
       Nederlanders halen ABN-AMRO er weer uit en in België wordt Fortis verkocht aan BNP-Paribas.
      Dexia krijgt herkapitalisatie en moet een aantal delen laten gaan door een beslissing van de Europese
       Commissie die moet toezien op overheidssteun en protectionisme.
      KBC liegt 3 maal over haar CDOs en krijgt een kapitaalinjectie. De EU Commissie verplicht verkoop van
       onderdelen van de bank.
      ING krijgt geld van de Nederlandse overheid en ook hier een verplichte verkoop van onderdelen.

Om het vertrouwen in de bankwereld te herstellen en de economie niet volledig op zijn gat te laten vallen konden de
verschillende overheden verschillende maatregelen nemen. (Confidence rebuilding)
     Het herstellen van de liquiditeit.
     Het herstellen van de solvabiliteit en het herkapitaliseren van de banken.
     Het oprichten van bad banksxiii om de slechte effecten van banken op te kopen en onder te brengen.
     (her)regulatie


Fase 4

                             Herstellen van de liquiditeit
Liquiditeit creëeren is een taak van de centrale banken. Zij worden ook wel eens de lender of last resortxiv of LOLR
genoemd. Zij verschaffen leningen aan banken, op heel korte termijn. De centrale banken verlagen ook de rente
zodat geld lenen goedkoper wordt. Ook werden een aantal onbevaren waters verkend om de crisis te lijf te gaan. Tal
van nieuwe maatregelen werden genomen. Een kort overzicht:


The Federal Reserve (Fed)
    De Fed heeft voor het eerst financiële papieren opgekocht van niet-bancaire instellingen.
    Daarbovenop heeft ze voor het eerst geld geleend aan een onderneming en niet aan de Amerikaanse
       overheid. GM werd gered met geld van de Federal Reserve.
    Zowel de Bank of England als de Fed hebben aan quantitative easing gedaan, ze pompten meer geld in de
       economie door overheidspapieren op te kopen.
    Zie ook gekleurde grafiekjes. De FED heeft herverpakte hypotheekleningen opgekocht van Federal Agencies
       (FNMA).
           Op de linkse grafiek zien we hoe bij het vallen van Lehmann Brothers de Fed MBSs van de federal agencies
            (Fannie Mae, Freddie Mac) is beginnen opkopen.

De Europese Centrale Bank (ECB)
De ECB mag geen overheden financieren en dus geen overheidsobligaties kopen. ’t Probleem is dat als er meer geld
in de economie wordt gepompt dat het leidt tot potentiële inflatie. (Zie de verkeersvergelijking van Fischer1) Dus wat
waren de maatregelen van de Europese Centrale Bank om de crisis te lijf te gaan?
     De ECB verlengde haar leentermijnen aanzienlijk. Van één of twee weken tot zelf een jaar. Heel veel banken
        gebruiken hun geld niet om leningen te verschaffen, het blijft gewoon als deposito staan bij de ECB.
        Hierdoor miste deze maatregel haar doel.
     Er werden toch overheidsobligaties gekocht, zij het in beperkte mate. Tevens koopt zij die niet op van
        overheden die obligaties uitschrijven maar koopt ze de obligaties van banken. Hierdoor gold het excuus dat
        de ECB de markten stimuleerde en niet rechtstreeks overheden financierde.




                                                      Bad Banks
           In plaats van liquiditeit te herstellenen kapitaal de injecteren worden slechte effecten opgekocht. In plaats
            van de brand te blussen wordt de brandhaard dus weg gehaald. We vertrouwen banken niet omdat er
            slechte rommel in zit. Als we die eruit halen worden de banken weer goede banken.
           De overheid financiert deze portefeuille slecht activa waardoor ze opnieuw kunnen lenen. De overheid kan
            kiezen om deze slechte activa over te kopen aan de marktprijs oftewel hoger of lager. Door erboven te gaan
            financiert ze de financiële markt, maar door eronder te gaan straft ze deze. Hoedanook koopt de overheid
            tijd voor de financiële instellingen. Als deze pakketten terug in waarde gaan stijgen (lees: als de
            huizenprijzen gaan stijgen) stijgen de CDOs terug in waarde.
           Dit lijkt een zeer adequate oplossing te zijn. Zie vergelijkende grafiek met landen die bad banks oprichten
            hieronder.




1
    http://nl.wikipedia.org/wiki/Fishervergelijking
                            Herstellen van de solvabiliteit
Solvabiliteit herstellen is een taak van de overheden. Ze kan dat op verschillende manieren doen:
     Nationalisatie. Verschillende banken zijn tijdens de crisis tijdelijk of gedeeltelijk genationaliseerd geweest.
     Bad Banks. Dit werd eerder al beschreven.
     Kapitaalinjecties. Eigenlijk is dit de facto nationalisering.
     Garantie bieden voor obligaties die banken uitgegeven.
     Depositogarantie uitbreiden.

European Stress Tests
    Er wordt gesimuleerd hoe 91 grote Europese banken zouden reageren op een aantal “what if”-scenario’s.
      Deze scenario’s zijn eerst en vooral een recessie waardoor verschillende bedrijven over kop zullen gaan en
      banken een aantal van hun leningen zien verliezen. Het tweede scenario houdt in dat overheidsobligaties in
      waarde dalen. De percentages in de tabel geven weer hoeveel kapitaal wordt verloren per land.
…meanwhile, in the United States
The Geithner Plan was de reactie van de Amerikaanse overheid. Het gebeurt niet veel maar deze keer deed de VS
Europa na.
     Er werden tal van belastingsverminderingen doorgevoerd.
     Kapitaalinjecties in tal van banken gebaseerd op stress-tests.
     De Fed leende aan de financiële markten.
     De oprichting van bad banks.
Een nieuw systeem dat in het Geithner Plan zat was het Public-Private Investment Programme. De bedoeling was om
slechte effecten van de balans te halen maar dat niet enkel de overheid deze opkocht. De hulp van hedgefunds was
nodig en omdat de prijs van deze effecten moeilijk te bepalen was werden ze geveild. Dit plan is grotendeels mislukt.



                                               Regulering

Regulatie banken
Om het kapitaal en de liquiditeit van de banken te versterken zijn er de Basel II regels. Momenteel wordt er gewerkt
aan de Basel III akkoorden. Een kleine vergelijking:

Basel II                                  Basel III
Totaalkapitaal minimum 8% van de activa.  Totaalkapitaal minimum 10,5% van de activa.
Van die 8% moet 4,5% geleverd worden door Van die 10,5% moet 7% geleverd worden door
aandeelhouders.                           aandeelhouders.
Geen contracyclische buffers.             Men kan banken opleggen om tot 2,5% contracyclische
                                          buffers aan te leggen.
’t Probleem met de Basel III akkoorden is dat ze pas in 2019 volledig in werking treden. Ze worden langzaamaan
opgebouwd. Maar als het heel plots zou gebeuren zouden banken geen leningen kunnen uitschrijven omdat ze al
hun kapitaal moeten bijhouden om die 10,5% te halen en meer lenen zou deze ratio enkel nog moeilijker maken.
Extra: In Zwitserland gaat men binnenkort te werk met Contingent Convertible Bonds2 (CoCos) waardoor de
kapitaalbuffer bij de Zwitserse banken 19% zal bedragen.

Regulatie banksysteem
Ook het hele systeem kan gereguleerd worden. Zo ontstond in 1933 de Glass-Steagal act die de splitsing tussen
commerciële en investeringsbanken verplichtte. In de jaren ’90 is dit verbod opgehoffen na tal van lobbywerk.
Hersplitsing was een optie tijdens de huidige crisis maar werd door het zware lobbywerk van de banken niet
gerealiseerd.

Supervisie
Een belangrijk strijdpunt is nationale versus Europese supervisie. Elke bank werd afzonderlijk gecontroleerd en er
bleek geen vuiltje aan de lucht. Micro-toezicht moet op macroniveau gevoerd worden. Dit is werk voor de European
Systemic Risk Board, er zijn 3 authoriteiten die zich hiermee bezig houden.

We hebben al heel wat geleerd uit de crisis; De wetgeving gaat buiten de banken, Basel III akkoorden zorgen voor
kapitaal, stress tests om de liquiditeit te testen, snel ingrijpen en regulatie op supranationaal niveau.

Wat missen we nog? Sommige banken zijn too big to fail (TBTF) maar ook too big to rescue en al helemaal niet te
superviseren. We missen nog een faillisementsregime. De banken vragen een living wills, een soort “testament bij
leven”. Dit is momenteel in voege in Engeland. Elke bank moet een testament indienen waarin hun structuur
duidelijk uitgeschreven staat. De bank moet in 1 weekend uit elkaar kunnen getrokken worden en investment banks
moeten op een ordentelijke manier kunnen falen.

The European Financial Stability Facility
Een Europees systeem om financiele steun te lenen aan landen die in moeilijkheden komen. Het fonds moest
voldoende groot zijn en werkt ongeveer op de zelfde manier als het IMF. 440 miljard dat opgehaald wordt op de
financiële markten. 60 miljard komt van de Europese commissie. Ook het IMF leent nog eens 250 miljard. Een
totaalbedrag van 750 miljard euro. Wie aanspraak wil maken op een lening uit dit fonds moet tal van
herstructureringen doorvoeren.

De mediterrane landen staan recht tegenover Duitsland en een aantal andere gezonde staten. De eerste willen het
fonds uitbreiden terwijl de laatste dat niet zien zitten en regels nog strenger willen maken. Het geld uit dit SPV wordt
gegarandeerd door de overheid. Hoe groter het fonds, hoe gevaarlijker deze garantie wordt. Aangezien de Duitsers
de grootste bijdragers zijn staan ze niet te springen om met meer geld te gooien. Het pact voor stabiliteit en groei
dat in maart afgesproken wordt zal een permanente regeling kennen.

De obligaties die het EFSF uitschrijft zijn voornamelijk opgekocht door Aziatische landen. De obligaties hebben een
lage intrest maar hebben een sterke AAA rating.




2
    http://www.ft.com/cms/s/0/76bc2ae2-e34c-11de-8d36-00144feab49a,s01=1.html#axzz1EgfBmhkm
Macroeconomische Situatie
Heel belangrijk in dit hoofdstuk zijn de vele grafieken die te vinden zijn in de slides.


                                           Wereldeconomie
In 2008 en 2009 was er de grootste recessie sinds de grote depressie in 1929. In 2010 was er een licht herstel dankzij
een aantal maatregelen. Er was een monetaire versoepeling (lage rente) en tal van begrotingsimpulsen die de
binnenlandse economie moesten aanzwengelen.
Er is een groot verschil in groei tussen
de ontwikkelde landen (die verenigd
zijn in de OESO) en de BRIC’s.

Ook noemenswaardig is het feit dat
de Amerikanen een zachtere BBP-
daling kenden dan de Europese Unie,
en dat ondanks het feit dat zij de
oorzaak zijn van de economische
crisis.

De motoren van het herstel is China.




                                          De Europese Unie
De EU had een recessie van 4,2% in 2009, en een matig herstel in 2010. De EMU zit onder grote stress. Er is een
groeiverschil tussen de verschillende leden. Opmerkelijk is Griekenland die nog altijd een negatieve groei kent en
blijft kennen. Ierland heeft een enorme daling in BBP gekend maar het ziet er naar uit dat Ierland naar de toekomst
een betere groei kent.


Duitsland is de laatste tien jaar relatief traag gegroeid maar recent sterk beginnen groeien. Waarom is er
zo een enorm verschil tussen Duitsland en de rest van de eurozone?
    1. Duitsland heeft geen huizenprijsmanie gekend. Een enorme divergentie tussen Duitsland en de rest.
       Duitsland heeft zelf licht dalende huizenprijzen gekend.
    2. Een verschil in loonkosten per eenheid product. Bij Duitsland ligt deze veel lager.
    3. Duitsland is sterk gericht op export en heeft betalingsbalansoverschotten.




Rentevoeten
Nominale rente op lange termijn = Reëele rente + Inflatie     + Default (=potentiële falingsrisico)
Hoe hoger het falingsrisico hoe hoger de rente. Bij Griekenland ligt dit enorm hoog. Tegen dit falingsrisico is het
mogelijk om zich in te dekken door middel van Credit Default Swapsxv. Bij Griekenland, Ierland en Portugal swingen
deze default swaps de pan uit.

De spread tussen België en Duitsland is ongeveer 100 basispunten. Dit ligt niet aan het feit dat we geen regering
hebben maar omdat wij als zotten ons banken zijn gaan redden en Duitsland daar heel stabiel rustig in ingreep.
Duitsland heeft een AAA rating, België heeft “maar” een AA+ rating.



                                                     België
      België kende een herstel in 2010. Er was genoeg vraag en export en de automatische stabilisatoren deden hun
werk. België heeft een robuuste arbeidsmarkt.

De voornaamste groei komt uit een sterke toename van onze export. In volle crisis is de recessie beperkt door de
ingrepen van de overheid.

Opvallend is het feit dat er maar relatief weinig banen gesneuveld zijn. We zitten in de grootste na-oorlogse recessie
maar met het minste banenverlies. Hoe komt dat? Wij hebben een systeem van tijdelijke werkloosheid. Arbeiders
worden niet ontslaan, maar zij worden tijdelijk “op den dop” gezet. Dit heeft heel wat werkloosheid opgevangen.

In vergelijking met Duitsland is er in België een vrij groot consumenten- en producentenvertrouwen.




Inflatie
Groei en inflatie gaan hand in hand en de ECB speelt daar op in. Heel belangrijk is de invloed van de
grondstoffenmarkten. Met de onrust in het Midden-Oosten zijn de olieprijzen ferm gestegen.
Sinds 2008 zijn de energieprijzen enorm gestegen waardoor de inflatie enorm hoog werd. Bijgevolg stegen de
basisproducten in prijs omdat zij afhankelijk zijn van de energieprijzen.

De cijfers van België zijn over het algemeen het gemiddelde van de eurozone. Zo ook bij de inflatie. Behalve sinds
2008 waar onze inflatie hoger was. En ook nu is de inflatie hoger. Als ons inflatie dus uit de pas loopt is dit systeem
van indexering gevaarlijk.

Hoe komt het dat er bij ons een hogere inflatie is? De gas en elektriciteit. Het prijsmechanisme is monopolistisch en
winstoptimaal waardoor onze prijzen stukken hoger liggen dan in onze buurlanden. Maar ook de haven van
Antwerpen speelt een belangrijke rol, daar zijn veel petrochemische bedrijven gevestigd waardoor België een land is
dat sterk afhankelijk is van de grondstoffen.


Begroting
Recessies veroorzaken deficieten in de begroting.
Hoofdstuk 1
Productiefunctie Y = f(L,K)  BBP = arbeid en kapitaal. Dus Y = som van alle inkomens. En Y = C + I + G + (X-M). Of
BBP = Consumptie / Investeringen + Overheidsinvesteringen + (Export – import).
    C = 52,4%
    G = 24,7%
    I = 21,3%
    X = 73%
    I = 70,2%


Reële sector
De reële sector bestaat uit consumptie + investeringen + overheid (Totale Vraag = C + I + G). De variabelen zijn in
reële termen, niet in nominale termen.



                                     Private Consumptie
Welke factoren hebben invloed op de private consumptie?
    Het inkomen.
    De rentevoet heeft ook een invloed want consumptie is een
       afweging tussen sparen en consumeren. Sparen kan er voor zorgen
       dat men later meer kan consumeren.
    Vermogenseffecten.


          Consumptiefunctie: C = C0 + cYD
         Beschikbaar inkomen YD = Y – T
            Spaartegoeden S = Y – C
C = Consumptie
C0 = Consumptiebasis
cYD = Marginale consumptiequote
Y = Beschikbaar inkomen
T = Belastingen
S = Spaargeld

Besparingen
   De determinanten van besparingen zijn:
    De rentevoet
    Conjunctuur, inkomen, vermogen
    Sociale zekerheid. Als er een sociale zekerheid is wordt er minder gespaard.
    Overheidsschuld. Als de overheidsschuld groter is wordt er meer gespaard omdat mensen hogere
       belastingen verwachten.
                                Overheidsbestedingen
Bestedingen:
     Consumptie
     Wedden en salarissen
     Publieke Investeringen
Transfers
     Subsidies
     Sociale Zekerheid
Belastingen
     Personenbelasting (Grootste deel
        van de belastingen komt hier uit
        en is progressief met een maximum van 50%)
     Vennootschapsbelasting (Wordt belast op de winst = 33,99%)
     Onroerende Voorheffing (Wordt belast op het kadastraal inkomen en belast aan het tarief van de
        personeninkomen)
     Roerende Voorheffing (Er wordt belasting geheven op de opbrengst ervan zoals rente (15%) en dividenden
        (25%).
     Indirecte (BTW,etc)
     Sociale Zekerheidsbijdragen

De sociale zekerheid heeft 5 takken
     Werkloosheid (Vervangend)
     Pensioenen (Vervangend)
     Arbeidsongevallen (Vervangend)
     Ziekteverzekering (Aanvullen)
     Gezinsbijslag (Aanvullend)
                   Netto te Financieren Saldo NFS = G - T (+Ig)
Lopende inkomsten min de uitgaven is het primair saldo. Daarvan worden de rentelasten afgetrokken, dan bekomt
men het netto te financieren saldo Er zijn dus verschillende constraints aan de overheidsuitgaven. Opgesomd:
    Het pact voor stabiliteit en groei. Dit stelt dat een overheid 0% begrotingstekort mag hebben in een neutrale
       conjunctuur. In een slechte conjunctuur mag het deficiet 3% zijn. Impliciet wil het zeggen dat in een
       hoogconjunctuur overheden overschotten moeten genereren.
    De overheid moet haar rentelastenlasten op haar schuld betalen.
    Financiering doet ze door overheidsobligaties.
    Monetaire financiering is verboden.
De Belgische begroting




De 3% in 2011 is outdated en moet eerder op 6% gezet worden.
Consolidatie van overheidsfinanciën
Zie artikel Nationale bank in de Syllabus

Belangrijk onderscheid tussen cultuurgebonden (of automatische stabilisatoren) tekort of structureel tekort. Het
eerste is afhankelijk van de conjunctuur omdat in een recessie minder inkomsten en meer uitgaven zijn en in een
hoogconjunctuur meer inkomsten en minder uitgaven zijn.           Structureel tekort is veel belangrijker omdat het
zichzelf niet wegwerkt. Op een bepaalde manier zal men            moeten ingrijpen om dat tekort weg te werken
zijnde enerzijds door belastingen of anderzijds saneringen.

Publieke investeringen
Eigenlijk zijn dit zaken die niet in de begroting mogen zitten. Boekhoudkundig gezien schrijft men een investering
niet in 1 keer af. Daarbovenop bewijzen econometrische studies dat publieke investering een substantiële factor zijn
in de productiviteit van private investeringen. Bijvoorbeeld goede wegen zorgen voor sneller transport en minder
schade aan transportvoertuigen.

België heeft de laatste jaren zijn publieke investeringen fors teruggeschroefd. Om het argument uit vorige paragraaf
aan te vullen kunnen we stellen dat de overheid bespaard heeft op foute zaken. De wegen liggen er enorm slecht bij
door de verwaarlozing van de laatste jaren.



                                   (Private) Investeringen
Dit zijn enkel bedrijfsinvesteringen. Gemakkelijk voorbeeld is een
fabriek. Wat zijn de determinanten van bedrijfsinvesteringen?      TV
                                                                                                 E2
      De verwachte afzet. Sterk gelinkt met de conjunctuur.
      Capaciteitsbenuttiging.                                                                          TV2 = C+I2
      De kostprijs van investeringen; de rentevoet.               +G
                                                                                     E1
      De toegang tot financiering. Vandaag weigeren de                                                 TV1 = C+I1
         banken vaak geld uit te lenen.                            +G



De IS-curve                                                                   45°

                                                                     R
Op deze curve is de vraag en aanbod van goederen in evenwicht.
Investment en saving zijn in evenwicht.                              R1                   E1


                                                                     R2                            E2

                                                                                                           IS


                                                                                     Y1         Y2               Y
Hoofdstuk 2
Wat is geld?
Het is een ruilmiddel die zorgt voor een verhoogde efficiëntie van de handel, een rekeneenheid en een
vermogensvorming. Aangezien dit een vermogensvorming is, is inflatie de grootste vijand.

De ECB heeft op actiefzijde 820 miljard euro, dit is het geld in omloop, dat in onze portefeuille zit. Op haar actiefzijde
staat het goud, vreemde valuta en kredieten uitgeschreven door de centrale bank. Daarbovenop staan ook
vorderingen naar verschillende overheden (hoewel dit niet mag). Op de passiefzijde staan ook nog de revaluation
accounts, dit ontstaat door de meerwaarde van het goud op de actiefzijde.

Goud (370)                                                      Geld in omloop M0 (820)
Vreemde Valuta (230)                                            Revaluation Accounts (320)
Leningen aan banken (460)                                       Nog iets met bank (330)
Overheidsvorderingen (34)3
Effecten (Effecten)

Ons geld wordt dus voor een groot deel gedekt door de vreemde valuta, vooral de dollar. De balans van de Fed, hun
uitgifte van dollar wordt grotendeels gedekt door de euro. De verschillende landen zijn dus sterk interdependent.

De verschillende geldsoorten:
     Chartaal geld
     Giraal geld
     Betalingsverkeer                                  giraal geld
     Geldaggregaten (M1 – M3)

Het geldaanbod
                                                                                                         kasvoorraden
     De geldhoeveelheid in omloop.
                                                        chartaal geld                                    van de banken
     De centrale bank
     De omgekeerde geldpiramide
     De geldbasis (Verplicht om 2% van de
                                                                                                goud- en deviezen-
        deposito’s aan te houden bij de                                                      reserve Centrale Bank
        centrale banken)
     De geldbasismultiplicator

Voor formules zie slide 9. V = verhouding giraal & chartaal. Z =
geldbasismultiplicator.

België is een kleine open economie. De geldhoeveelheid werd vroeger
bepaald door onze buitenlandse handel, de vreemde valuta die door
deze handel binnen kwamen. De Europese markt is relatief gesloten,
dat maakt het voor de ECB vrij gemakkelijk om de geldhoeveelheid te
controleren. De ECB heeft een vrij grote invloed op de totale
geldhoeveelheid waardoor deze dus exogeen afhankelijk en
beheersbaar is. Geldhoeveelheid is over het algemeen afhankelijk van
de groei van het BBP.

3
    Dit zit er nog in omdat bij de overstap op de euro, sommige banken nog schulden aan overheden hadden openstaan.
                     R                                      R




                     R2                       E2            R2                   E2
                                                     Md 2
                                                      p
                     R1                       E1            R1              E1
                                                   Md 1
                                                    p
                                            MS       M
                                             p       p                 y1        y2      Y




Hoofdstuk 3: Globaal Evenwicht
                                       De verschillende doelstellingen van een globaal evenwicht zijn:
                                            Economische groei
                                            Volledige tewerkstelling
                                            Lage inflate
                                            Een evenwichtige betalingsbalans
                                            Een rechtvaardige inkomensverdeling
                                            Duurzame groei



                                       Economische groei
Spreken over groei is spreken over BBP. De samenstelling van deze groei is niet altijd zichtbaar, ook negatieve zaken
zitten hierin vervat.

Men spreekt vaak over reële output en potentiële output.
    Reële groei is de effectieve groei die gegenereerd wordt.
    Potentiële output is de groei die zou kunnen gegenereerd
       worden.
    Het verschil tussen deze twee is de output gap. Dus potentiële
       output – reële output = output gap

Zoals we kunnen zien is tijdens de financiële crisis zowel de reële als de
potentiële output ferm afgezwakt.



                                        Werkgelegenheid
Om werkgelegenheid te meten ging men vroeger altijd kijken naar de werkloosheid maar dit zorgde voor tal van
meetproblemen en beïnvloeding. Nu gaat men effectief kijken naar de tewerkstelling, de efficiëntie en het sociaal
beleid.

In de Lissabondoelstellingen was het doel om 70% tewerkstelling te halen. In Europa 2020 is dat 75% geworden.
NAIRU (Non Accelerating Inflation Rate of
Unemployment) toont de evenwichtswerkloosheid aan
in de Keynesiaanse denkwijze in de Macro-economie.
Om dit aan te tonen wordt gebruikt gemaakt van het
reële loon en de machtspositie van de werknemers bij
een lage werkloosheid, ervan uitgaande dat de
arbeidsproductiviteit constant is.
Wanneer bij lage werkloosheid werknemers een hoger
loon eisen van de werkgevers, zullen deze de productie
verminderen en de vraag naar arbeid verlagen. De
werkloosheid neemt toe. Hierdoor krijgen werknemers minder macht en zullen de looneisen naar beneden worden
bijgesteld. Het reële loon daalt en de inflatie stijgt. Dit vergroot de vraag van de bedrijven naar arbeid en de
werkloosheid slinkt weer. Hiermee daalt het reële loon en daalt de inflatie. Hierdoor zal de werkloosheid naar een
bepaald percentage gaan, waarbij de inflatie stabiel blijft.
In de praktijk is er veel kritiek op NAIRU. In Scandinavie is er een sterk gereguleerde arbeidsmarkt, dat een positief
effect heeft op het loon. De evenwichtswerkloosheid zou volgens NAIRU hoger moeten zijn om het effect van een
hoger loon te compenseren met een gelijke inflatie. Toch heeft Scandinavië een zeer lage werkloosheid.
 (Bron: Wikipedia)


                                             Prijsstabiliteit
Er bestaan verschillende indicatoren om de prijsstabiliteit te meten zoals de CPI en
HICP indicator. In Europa gebruikt men de HICP index, de Harmonized Index of
Consumerprices. Ook hier zijn tal van metingsproblemen. Bijvoorbeeld computers
worden elk jaar beter maar de prijs blijft redelijk stabiel.



                          Betalingsbalans
Dit is wat gedurende 1 jaar aan goederen aan diensten wordt geëxporteerd min
hetgene wat geïmporteerd wordt.

Y = C + I + G + (X-M) en Y = C + S. Deze formules kunnen we omvormen tot:
S–I=X–M
Sparen – investeren = export – import. (Y = C + I + G + (X-M) maar is ook Y = S + C[niet dezelfde C als in andere
formule, dit is de C van consumptie van zowel gezinnen als overheid en bedrijven]) Dat wil zeggen dat een extern
tekort of overschot implicaties heeft voor de interne zaken. Het spaargedrag en overschotten of tekorten op de
handelsbalans zijn gerelateerd aan elkaar.


Globale onevenwichten
(zie Blanchard and Milesi-Ferretti, IMF, 2009)

i
ii
iii
iv
v
vi
vii
viii
ix
x
xi
xii
xiii
xiv
xv

								
To top