1338717820 942 Maatschappijwetenschappen Criminaliteit en Rechtsstaat

Document Sample
1338717820 942 Maatschappijwetenschappen Criminaliteit en Rechtsstaat Powered By Docstoc
					Maatschappijwetenschappen Criminaliteit en Rechtsstaat.

Hoofdstuk 1 Wat is criminaliteit?

Crimineel gedrag is de verzamelnaam voor alles waarbij mensen rechtsregels
overtreden die de overheid namens de samenleving stelt.

1.1 Rechtsregels.
Aan basis van elke regel staat steeds een waarde: een principe dat mensen
belangrijk vinden om na te streven. ( vrijheid, gelijkheid en rechtvaardigheid).
Van waarden komen er normen: gedragsregels (niet liegen, niet roken enz.) Er zijn
verschillende soorten normen, zoals religieuze normen (zondagsrust), morele
normen (mensenrechten), fatsoensnormen (niet eten met volle mond en
rechtsnormen (wetten).
Normen worden overtreden?        Normoverschrijdend gedrag.

Sommige normen zo belangrijk dat ze als rechtsregels zijn vastgelegd. Dit in
rechtsbronnen, zoals wetten, gemeentelijke verordeningen, Algemene Maatregelen
van Bestuur en ministeriële regelingen. (Voorrang boven andere normen en gelden
voor iedereen).
Je vertoont crimineel gedrag en onmaatschappelijke gedrag als je zulke
rechtsregels overtreed.
Een andere rechtsbron is jurisprudentie: het geheel aan rechtelijke uitspraken. Hier
kijken rechters naar om te kijken hoe een bepaalde wet in een bepaalde situatie is
bedoeld. Kijken naar rechtszaken van hetzelfde onderwerp.

Functies van rechtsregels.
   - Rechtszekerheid bieden. Regelen de verhoudingen tussen mensen.
   - Orde aanbrengen in de maatschappij.
   - Onafhankelijke rechtspraak te waarborgen. Gelijke en onafhankelijke
       rechtspraak.
   -
Een belangrijk deel van de rechtsregels zijn vastgelegd in het Wetboek van
Strafrecht (1886). Reden voor aanpassingen:
   - Normen en waarden wijken af van wat maatschappelijk aanvaardbaar is.
       Mensen vinden het onzin dat iets strafbaar is (spugen op straat en overspel).
       Deze aanpassingen belangrijk, want mensen zullen zich er eerder aanhouden
       als het ook hun eigen opvattingen zijn over goed en kwaad.
   - Samenleving is complexer geworden. Er zijn meer regels nodig. Nieuwe
       gedragingen ontstaan waarvan men vind dat het strafbaar moet zijn (hacken).
       Ook bescherming van het milieu en meer recht op privacy.

Rechtsregels zijn tijd en plaats gebonden. Elk land heeft zijn eigen strafrecht.

1.2 Strafbaar gedrag en criminaliteit.
Strafrechtelijk : Criminaliteit: door de overheid bij wet strafbaar gesteld gedrag.
Onderscheid in het Wetboek van Strafrecht.
  - Misdrijven: meer ernstige strafbare feiten (diefstal, moord, vernielingen enz.)
     Max. straf is dertig jaar vrijheidsstraf of levenslang.
  - Overtredingen: minder ernstige strafbare feiten (rijden door rood). Max. straf
     is één jaar in hechtenis.

   Overtredingen       kantonrechter.
   Lichte misdrijven      politierechter.
   Zware misdrijven      meervoudige kamer (rechtbank met drie rechters).

   Justitiële documentatie: hier komen de misdrijven te staan waarvoor je
   veroordeeld bent en waarvan je verdacht bent geweest. (Overtredingen erin bij
   vrijheidsstraf en/of taakstraf of boete min. 100 euro.

   Spraakgebruik : Criminaliteit: alle misdrijven die in de wet omschreven staan.

   Als er in de samenleving voldoende overeenstemming is over iets dat strafbaar
   moet zijn, dan na verloop van tijd in het Wetboek van Strafrecht.
   Criminalisering: het strafbaar worden van bepaald gedrag.
   Andersom kan ook         decriminalisering: als strafbaar gedrag uit het Wetboek
   van Strafrecht wordt gehaald.

   Soorten criminaliteit verdeeld naar soort delict.
   - Delicten tegen de openbare orde en het gezag.
   - Gewelddelicten tegen leven en persoon.
   - Ruwheiddelicten. (vernieling).
   - Vermogensdelicten (diefstal).
   - Seksuele delicten.
   - Verkeersdelicten.
   - Drugsdelicten.
   - Economische delicten (omschreven in Wet economische delicten).
   - Milieudelicten.

   Andere indeling.
   Veelvoorkomende criminaliteit (kleine criminaliteit): winkeldiefstal, vandalisme,
   fietsendiefstal, vernielingen, te hard rijden enz.
   Zware criminaliteit: moord, inbraak, verduistering, afpersing, overvallen en
   verkoop harddrugs. Bijzondere vorm : georganiseerde criminaliteit: misdrijven
   begaan door een groep mensen die zich verenigd hebben in een organisatie.
   Deze misdrijven beperken zich niet tot één categorie.

   Materiële schade van criminaliteit:
   - Directe financiële schade aan burgers, bedrijven en overheid.
   - Indirecte financiële schade. Stijging verzekeringspremies.
   - Kosten voor de bestrijding van criminaliteit, door de overheid, burgers en
     bedrijven.
   Immateriële gevolgen:
   - Gevoelens van onveiligheid.
   - Problemen door inbreuk op de geestelijke en lichamelijke integriteit of op de
     persoonlijke levenssfeer.
   - Vermijdingsgedrag.
   - Psychosomatische problemen.
   - Aantasting van rechtsgevoel van mensen.

   Maatschappelijke instellingen die de belangen van daders als slachtoffers van
   criminaliteit behartigen.
        Coornhert Liga: humanisering van het strafrecht en houdt zich bezig met
          de belangen van verdachten en (ex)gedetineerden. (idee van taakstraffen).
        Reclassering: vorm van maatschappelijk werk voor verdachten en (ex)-
          gedetineerden met drie hoofdtaken:
         1. Hulpverlening aan mensen die met justitie in aanraking zijn gekomen.
         2. Onderzoek en voorlichting over de achtergronden van een verdachte
         van behoeve van officier van justitie en rechter.
         3. Het voorbereiden en begeleiden van de uitvoering van taakstraffen.

Rechten van het slachtoffers.
  - Recht op informatie.
  - Spreekrecht.
  - Recht op schadevergoeding. Niet elk slachtoffer kan beroep doen op een
      veroordeelde. Dan kan een slachtoffer beroep doen op het Schadefonds
      Geweldsmisdrijven.

   Hulp voor slachtoffers:
   - Slachtofferhulp.
   - Stichting Blijf-van-mijn-lijf.
   - Meldpunt Discriminatie.
   - Stichting tegen Zinloos Geweld.

Hoofdstuk 2 Hoe veilig is Nederland?
2.1 Het meten van criminaliteit.

Kwantitatieve methoden: er wordt een groot aantal gegevens verzameld of worden
grote groepen mensen ondervraagd, waarna het onderzochte in cijfers en
percentages kan worden weergegeven.
Bijvoorbeeld: politie- en rechtbankstatistieken en dader- en slachtofferenquêtes.

Kwalitatief onderzoek: er is meer diepgaande informatie nodig. Meningen,
ervaringen en behoeften van een bepaalde doelgroep door middel van diepte-
interviews met daders, slachtoffers en andere betrokkenen.

Niet alle onderzoeksmethoden zijn even geschikt. Elke methode heeft voor en
nadelen. Je hierbij naar.
   - Betrouwbaarheid. Is er goed gemeten? Zijn er de juiste vragen gesteld?
   - Validiteit. Meet het onderzoek precies wat het zou moeten meten. Wat vind
        iemand geweld?
   -   Generaliseerbaarheid. De mate waarin een onderzoek als algemeen geldig
       kan worden beschouwd. Let goed op de samenstelling van de onderzochte
       groep.

Politiestatistieken geven alleen een beeld van de geregistreerde criminaliteit:
misdrijven die door mensen bij de politie zijn aangegeven of die door de politie zelf
zijn ontdekt. Redenen hiervoor:
        Mensen doen niet altijd aangifte van misdrijven.
        Sommige delicten worden niet ontdekt.
        Minder zichtbare delicten komen moeilijker bij de politie terecht (fraude).

Rechtbankstatistieken laten ook niet alles zien, want niet alle door de politie
onderzochte strafzaken komen voor de rechter. Redenen daarvoor:
    Seponeren: er wordt niet vervolgd. Bij First offenders en bij mensen die al
      genoeg zijn gestraft.
    Transactie (schikking): dader betaalt een geldbedrag en voorkomt een
      strafvervolging.

Het is lastig om door middel van de geregistreerde criminaliteitcijfers te bepalen of de
criminaliteit toe of afneemt.          Redenen hiervoor:
     Selectieve opsporing. Als de politie meer surveilleert, wordt er meer ontdekt
        en geregistreerd. Ernstige delicten zoals moord en doodslag worden als
        prioriteit gesteld door de politie en worden dus eerder geregistreerd dan
        minder ernstige delicten.
     Toename van regels en wetten zorgt voor een groei van het aantal delicten
        met zich mee en dus nieuwe strafzaken.
     Subjectieve beoordelingen: de ene officier van justitie noemt iets
        mishandeling en de andere poging tot doodslag. Iedereen noemt dat anders
        en registreert het dus anders.

Slachtofferenquêtes: om een beeld te krijgen van de niet-geregistreerde
(verborgen) criminaliteit zijn er slachtofferenquêtes.
Voordelen:
 - Misdrijven te weten, waar mensen niet snel aangifte van doen.
 - Inzicht in de omstandigheden en plaatsen waar delicten plaatsvinden.
 - De risico’s die bepaalde bevolkingsgroepen lopen.

Nadelen:
 - Sommige categorieën mensen worden niet ondervraagd.
 - Sommige delicten worden vaak verzwegen (seksuele delicten).
 - Subjectieve meting. (Afhankelijk van de persoonlijke beleving).
 - Meet alleen veelvoorkomende delicten. De kans is groter dat er mindere
   ernstige delicten hebben plaatsgevonden bij de steekproef.
 - Slachtofferloze criminaliteit valt buiten deze methode.

Daderenquêtes (self report studies): er wordt aan mensen gevraagd of zij bepaalde
misdrijven hebben gepleegd.(Belastingfraude).
2.2 Beeldvorming.
Media, kranten en tijdschriften, verschillen ook in de manier waarop ze over
criminaliteit berichten. Telegraaf veel aandacht aan criminaliteit (sensationeel). Trouw
en NRC Handelsblad meer zakelijke berichtgeving. Het referentiekader van burgers
bij hun beeldvorming over criminaliteit wordt niet alleen bepaald door de media.
Burger kunnen tegenwoordig steeds gemakkelijker zelf kennisnemen van
rechtszaken en stafvonnissen.
Er ontstaat door de media een generaliserend en stereotiep beeld van criminaliteit.
    1. Criminaliteit heeft vooral met geweld te maken.
    2. Het aandeel van zware criminaliteit is groot.

2.3 Criminaliteit vroeger en nu.
Hoewel er allerlei vertekeningen in de misdaadstatistieken kunnen optreden, zijn ze
wel redelijk geschikt om bepaalde ontwikkelingen op de lange termijn weer te
geven. Uit deze cijfers blijkt dat de criminaliteit in Nederland klink is toegenomen.
Deze toename komt door andere maatschappelijke ontwikkelingen. Dit zijn de
volgende:
    Afnemend gezag van de overheid. Dit komt, omdat burgers de regels niet
       meer serieus nemen doordat overheidsambtenaren de fout in gaan.
    Afnemende betekenis van het maatschappelijk middenveld, zoals school,
       kerk en verengingen. Dit komt door de individualisering en de hierdoor minder
       sociale controle.
    Vervaging van maatschappelijke normen en waarden. Traditionele
       waarden gelden minder sterk dan vroeger.(ontzuiling).
    Sterk toegenomen welvaart. Er valt meer te halen dus meer diefstal en
       toename alcohol en drugsgebruik.
    Afgenomen straf en pakkans: de kans dat een strafbaar feit wordt
       opgemerkt en dat je wordt aangehouden door de politie. Dit komt omdat
       sommige delicten niet worden ontdekt, te kort aan politie en veranderde
       normen.
    Toegenomen werkloosheid. Zwartwerken en verveling leidt tot criminaliteit.
    Technologische ontwikkelingen. Nieuwe soorten criminaliteit mogelijk.
    Internationalisering. Open grenzen zorgen voor buitenlandse criminelen.

Recente ontwikkelingen.
  - Daling aantal geregistreerde vermogensdelicten. (betere beveiliging).
  - Geweldsmisdrijven zijn toegenomen. Gevolg toegenomen welvaart en
     alcoholconsumptie.
  - Aantal gewone inbraken gedaald en gewapende roofovervallen gestegen.

Hoofdstuk 3. Oorzaken van criminaliteit.
3.1   Wie is crimineel?
    Geslacht. Meer criminelen zijn man. Toch neemt het aantal criminele vrouwen
      toe. Hoe dit komt, zou je kunnen denken aan ongelijke machtsverdeling,
      verschillen in opvoeding en aangeboren verschil in agressiviteit.
    Leeftijd. Mensen plegen in hun adolescentieperiode (16-23 jaar) delicten.
      Sommige jongeren plegen ook veel en verschillende delicten. Dit zijn
      chronische delinquenten of recidivisten.
      Hoezo plegen zoveel jongeren delicten?
       Opzoeken van grenzen en het overschrijden van maatschappelijke
          normen hoort bij het opgroeien.
       Veel jongeren worden geconfronteerd met tal van sociale problemen en
          de sociale vaardigheden om dit op te lossen ontbreken.
       Segregatie: iemand heeft geen kans heeft op een normale baan. Dit
          vergroot de kans om met politie en justitie in aanraking te komen.
          Jongeren zonder diploma moeten daarom hulp krijgen bij het vinden van
          een baan.
    Maatschappelijke positie. Mensen met lagere maatschappelijke positie
      worden oververtegenwoordigd. En werklozen vaker aangehouden dan
      mensen met een baan. Dit betekent dat deze groep vaker in aanraking komt
      met de politie en justitie. Niet dat deze meer criminele feiten plegen.
      Vermogensdelicten komen vooral voor in de hogere en middenklasse. Helaas
      komt deze witteboordencriminaliteit niet vaak aan het licht.
    Etnische afkomst. Verschillen tussen allochtonen en autochtonen
      genuanceerd. (Toch allochtonen vaker diefstal en drug, maar geen fraude)
       Er komen evenveel autochtonen als allochtonen bij de jeugdcriminelen
          voor.
       Allochtonen vormen niet één groep. Marokkaanse en Antilliaanse jongens
          komen vaker met politie en justitie in aanraking dan andere etnische
          groepen. Ook de tweede generatie allochtonen hogere criminaliteitsscore
          dan hun ouders.
       Meeste allochtonen behoren tot de lagere maatschappelijke klassen.
          Allochtoon niet doorslaggevende factor, maar hun lage maatschappelijke
          positie.
     Locatie. Inwoners van grote steden plegen vaker delicten dan inwoners van
      kleine steden en dorpen. De steden hebben meer kansarme jongeren, minder
      sociale controle en meer gelegenheid tot criminaliteit.

3.2 Criminologie.
Beschrijvende criminologie: richt zich op de aard, de omvang, de spreiding en de
ontwikkeling van crimineel gedrag en criminaliteit. (Beschrijving type daders, bepaald
typen slachtoffers en doelwitten van criminaliteit). En onderscheid tussen de
schillende soorten criminaliteit.
Theoretische criminologie: probeert crimineel gedrag te verklaren.
Drie soorten benaderingen van de theorieën.
   1. Microniveau: theorieën die criminaliteit proberen te verklaren uit de
       individuele situatie en motieven van mensen. ( Bio +psy factoren).
   2. Mesoniveau: theorieën die criminaliteit benaderen vanuit het individu in relatie
       tot zijn directe leefomgeving. (sociaalpsy).
   3. Macroniveau: theorieën die criminaliteit bekijken vanuit structurele en
       culturele kenmerken van samenlevingen als geheel. (sociologische).

Individueel/ microniveau: waarom vertoont de een wel en de ander geen crimineel
gedrag? Biologische en psychologische verklaringen.
     Biologische verschillen zoals genetische en neurofysiologische
      kenmerken. Erfelijke factoren of bij neurotransmitters: emoties en hormonen
      Psychologische verschillen zoals cognitieve en functionele
       persoonlijkheidskenmerken. Impulsiviteit, sensatiezucht, extravert gedrag en
       lage intelligentie. Psychische stoornissen bij delinquenten .
Toch niet iedereen met een psychische stoornis vertoont crimineel gedrag. Bij ADHD:
veel jongens die bij de kinderrechter komen hebben ADHD, maar van alle kinderen
met ADHD komen er nog altijd meer niet in aanmerking met politie en justitie. ADHD
is niet determinerend. Andere factoren, opvoeding, zijn net zo belangrijk.
Dit zijn de risicofactoren: omgevingsfactoren zorgen ervoor dat erfelijke factoren
zich negatief ontwikkelen. Denk aan gezin, school en vrienden.

Directe sociale omgeving/mesoniveau:als er problemen optreden in de primaire
(gezin) en secundaire (school, vrienden enz.) socialisatie is de kans groter dat
iemand crimineel gedrag vertoont. Sociaalpsychologische verklaringen:
   - Gezin: Ouders moeten crimineel gedrag corrigeren, als ze dit niet doen kan
       deze normvervaging toenemen. Ook mishandeling, verwaarlozing en incest
       leiden tot latere gedragsstoornissen.
   - School: In aanraking met nieuwe normen en omgaan met andere kinderen en
       autoriteiten. Als dit niet lukt, dan grote kans op crimineel gedrag.
   - Leeftijdgenoten: Crimineelgedrag in groepsverband. Doe je niet mee, dan lig
       je eruit. Hierdoor groepsloyaliteit en groepsdwang
       Ook neutralisatie: ontkenning van eigen verantwoordelijkheid voor het
       criminele gedrag.
   - Subculturen of conflicten tussen de dominante cultuur. Subculturen constant
       geconfronteerd met de dominante cultuur.
   - Achterstandswijk : hier is de kans veel groter dat ze crimineel worden dan in
       een meer welvarende buurt.
   - Kerk en verenigingsleven hoe meer actief in verenigingsleven, hoe minders
       kan op crimineel. Alleen afgenomen.


    Sociologische verklaringen:
    De maatschappelijke ontwikkelingen van H2. Dit leidt niet direct tot crimineel
    gedrag. Alleen als maatschappelijke ongelijkheid leidt tot
    - Sociale desintegratie: mensen voelen zich niet langer verbonden met
       anderen in de samenleving.
    - Sociale onrechtvaardigheid: als mensen onvoldoende maatschappelijke
       perspectief hebben. Behoeftes vervullen via illegale middelen.

   3.3 Theorieën over criminaliteit.
Hierboven risicofactoren, nu theorieën over crimineel gedrag.
    Sociobiologische theorie: bezig met onderzoek naar de evolutionaire
      oorsprong van sociaal gedrag bij dieren.
      Edward Wilson en zijn aanhanger Willem Buikhuisen wilden nagaan in
      hoeverre crimineel gedrag aangeboren is en samenhangt met biologische
      factoren. Door de ontdekking van DNA is de mening over de sociobiologie
      genuanceerd.
    Aangeleerd-gedragstheorie: crimineel gedrag wordt aangeleerd.
      Edwin Sutherland : gezin, buurt en vriendengroep bepalend.
       Criminelen worden alleen het verkeerde gedrag aangeleerd om dezelfde
       doelen te bereiken als alle andere mensen. Geen antwoord op waar crimineel
       gedrag begint.
      Gelegenheidstheorie: gebaseerd op de rationele keuzetheorie.
       Oorspronkelijk economische theorie door Adam Smith. Ieder individu kiest
       voor zichzelf steeds de meest gunstige optie. Marcus Felson vertaalde deze
       theorie naar de criminologie: het niveau van criminaliteit wordt bepaald door
       de aanwezigheid van potentiële daders, de aanwezigheid van geschikte
       doelwitten en de afwezigheid van voldoende sociale bewaking: de
       gelegenheid maakt de dief. Voordeel: mensen gaan zich beter beveligen.
      Anomietheorie: verklaring voor criminaliteit in de maatschappelijke
       ongelijkheid. Robert Merton: de levensdoelen die mensen hebben en de
       beperkte middelen die ze hebben om deze op legitieme wijze te bereiken.
       Iedereen wil zo hoog mogelijk op de ladder, maar de middelen zijn beperkt.
       Normloosheid = anomie.
      Etiketteringstheorie: als mensen het etiket crimineel krijgen opgeplakt,
       worden zij gestimuleerd om zichzelf als zodanig te gaan gedragen. Howard
       Becker: bestraffing heeft meer afwijkend gedrag tot gevolg.
      Bindings of integratietheorie: we hebben bindingen die we niet op het spel
       durven te zetten. Travis Hirschi : deze vormen remmen op de criminele
       neigingen die iedereen heeft.
      Socialecontroletheorie: Sampson en Laub: Zij meer nadruk op de gevolgen
       van slechte bindingen, namelijk slechte sociale controle. Hirschi vormen die
       slechte relaties of bindingen als een verklaring.

Hoofdstuk 4 De rechtsstaat.
4.1 Grondbeginselen.
Sociaal contract: De burger vertrouwt erop dat de overheidsmacht niet wordt
misbruikt en dat de burgers gehoorzaam zijn en ze erkennen de overheid van haar
gezag.

Geweldsmonopolie: de overheid mag als enige geweld gebruiken.
Een Rechtsstaat hanteert regels voor burgers en voor de overheid. De overheid
heeft twee taken.
   - Rechtshandhaving: de wet bepaalt wat burgers allemaal wel en niet mogen.
   - Rechtsbescherming: beschermt de burgers ook tegen willekeurig optreden
       van de overheid. (Om individuele vrijheid van burgers te garanderen).

Beginselen van de rechtsstaat:
    Er is een politieke machtenscheiding.
    De overheid is gebonden aan de wet en moet zich bij uitvoering van haar
      taken houden aan wettelijke regels.
    Een onafhankelijke rechter beslist in geschillen tussen burgers onderling en
      tussen burgers en overheid.
    Grond- of vrijheidsrechten van burgers zijn in de wet omschreven en
      gewaarborgd.
Deze beginselen zijn vastgelegd in de grondwet en in internationale verdragen zoals
Europese Verdrag tot Bescherming van de Rechten van de Mens en Universele
Verklaring van de Rechten van de Mens. Het UVRM heeft geen juridische
consequenties; het is eerder een morele intentieverklaring.
4.2 Rechtsstaat en criminaliteit.
Machtenscheiding/trias politica: heeft als doel machtsmisbruik door de overheid te
beperken.
- Wetgevende macht: Regering en parlement. Wetten op gebied van strafrecht en
   drugs (Opiumwet).
- Uitvoerende macht: regering,maar uitvoering door ambtenaren. Opsporen van
   strafbare feiten en het vervolgen van verdachten.
   Opsporing: Openbaar Ministerie: alle officieren van justitie samen. Krijgen hulp
   van politie en buitengewone opsporingenambtenaren.
   Ministerie van Justitie: verantwoordelijk voor het werk van het OM en voor een
   deel het werk van de politie.
- Rechterlijke macht: rechtspraak door onafhankelijke rechters. Om deze
   onafhankelijkheid te waarborgen is deze verder uitgewerkt in een aantal regels en
   wetten, zoals artikel 117 van de grondwet.
    Een rechter wordt voor het leven benoemd. Regering geen invloed op de
       selectie van de rechters.
    Een rechter kan niet ontslagen worden door regering of parlement. Wel
       ontslagen door Hoge Raad.
    Rechtspositie (salaris) is bij de wet geregeld.
    Het aantal rechters staat in elke rechtszaak tevoren vast.

Overheid is gevonden aan de wet (Wetboek van Strafrecht).
 -    Legaliteitsbeginsel: je kunt alleen worden gestraft voor iets wat in de wet
      strafbaar is gesteld.
 -    Maximumstraf: per delict is wettelijk vastgelegd wat de maximumstraf is die
      de rechter mag opleggen.
 -    Ne bis in idem-regel: wanneer een rechter in een zaak een onherroepelijke
      uitspraak heeft gedaan, kan de betrokkene niet voor hetzelfde stafbare feit
      voor een tweede keer worden vervolgd.
 -    Geen straf zonder schuld: niet straffen als de verdachte geen schuld heeft
      aan het delict (ontoerekeningsvatbaarheid).
 -    Verjaring: recht om iemand te straffen kan verjaren.

 Enkele regels uit Wetboek van Strafrecht:
  - Iedereen heeft recht op een eerlijk proces door een onafhankelijke rechter en
      onpartijdige rechter.
  - Onschuldpresumptie: je bent onschuldig, totdat het tegendeel is bewezen.
  - De hele procedure van vooronderzoek tot terechtzitting is gebonden aan
      wettelijke voorschriften.
  - Dwangmaatregelen zoals het vasthouden van een verdachte zijn aan
      wettelijke grenzen en waarborgen gebonden.
  - Iedereen heeft recht op een adequate verdediging.
  - Ook slachtoffers hebben rechten.

4.3 Dilemma’s en spanningen.
Dilemma van rechtsstaat: botsende belangen van rechtsbescherming en
rechtshandhaving. Aan de ene kant willen we beschermd worden tegen criminaliteit,
aan de andere kant willen we dat de overheid ook onze vrijheden respecteert.
Bevoegdheden die voor spanningen zorgen zijn.
    - Identificatieplicht.
   -   Wet bijzondere opsporingsbevoegdheden. Heeft de politie niet teveel
       bevoegdheden zoals infiltratie.
   -   Aan de ene kant werkt het OM in opdracht van de minister van Justitie, maar
       maakt ook deel uit van de rechterlijke macht. IM bepaalt welke zaken wel of
       niet bij de rechter komen.
   -   Tussen politie en OM. Politie pakt iemand op, maar wordt weer vrijgelaten
       vanwege het opportuniteitsbeginsel: vervolging is niet het algemeen belang.
       Een andere zaak heeft prioriteit.
   -   Onafhankelijkheid van de rechter komt in gevaar, door publiciteit of
       toegenomen werkdruk.
   -   Spanning tussen wetgeving en rechtspraak. Rechter interpreteren een wet
       anders dan het is bedoeld.

4.4 Klassenjustitie.
Klassenjustitie: het sociale milieu speelt een rol bij de opsporing, vervolging en
berechting van verdachten. Met het Wetboek van Strafrecht wilde men
klassenjustitie voorkomen. Twee beginselen:
      Iedereen is voor de wet gelijk
      Iedereen heeft recht op een eerlijk proces.

Selectief optreden. De politie kan voor een deel zelf bepalen wie ze aanhouden en
waarvoor ze mensen bekeurt.
Personen uit een lagere klasse hebben voor hetzelfde delict een grote kans om door
de officier van justitie vervolgd te worden dan personen uit een hoger milieu.
Ook uit jurisprudentie is gebleken dat mensen uit lagere milieus, recidivisten,
werklozen en allochtonen zwaardere straffen krijgen.

Verklaringen.
Verdachten uit betere kringen zijn beter in staat om hun belangen te behartigen. Zij
kennen beter de weg naar goede rechtsbijstand, weten beter wat hun rechten zijn en
begrijpen juridische formuleringen beter.
Ook zijn officieren van justitie en rechters zelf afkomstig uit de hogere en
middenklasse. Zij zullen een verdachte die uit hetzelfde milieu komt beter begrijpen.
Er ontstaat selffulfilling prophecy: politie, OM en rechters verwachten crimineel
gedrag bij bepaalde bevolkingsgroepen en handelen daar vervolgens naar.

Hoofdstuk 5 Overheidsbeleid.
Criminaliteitsbestrijding: beleid dat zich niet alleen richt op zware criminelen of
veelvoorkomende criminelen, maar ook tegengaan van overlast en de strijd tegen
terroristische dreiging.
Centraal staat voorkomen en reduceren van criminaliteit en overlast. Het kent een
tweesporenbeleid: afhankelijk van het soort criminaliteit wordt telkens gekeken
welke preventieve of repressieve maatregelen nodig zijn en wat er het beste bij past.
Preventieve maatregelen: voorkomen van criminaliteit. Deze maatregelen worden
genomen voordat het delict heeft plaatsgevonden. Vooral bij veelvoorkomende
criminaliteit. Voorbeelden:
    - Meer (sociale) controle.
    - Voorlichting.
    - Aanpassing van bebouwde omgeving.
    - Structurele maatregelen. Zorgen voor goede scholing en werkgelegenheid.
Repressieve maatregelen: strafrechtelijk optreden. De criminaliteit heeft al
plaatsgevonden. Vaak bij recidivisten en zware, georganiseerde misdaad.
Politie en justitie moeten optreden. Capaciteit van politie en justitie is uitgebreid, cellen
uitgebreid en politie en justitie extra bevoegdheden. Denk aan wet bijzondere
opsporingsbevoegdheden. Ook inkijkoperaties en infiltranten inzetten.
Repressieve maatregelen kunnen een preventief effect hebben: mensen gaan uit
angst voor een gevangenisstraf beter gedragen.

Soorten beleid.
 -    Opsporingsbeleid. Welke vormen van misdaad krijgen de prioriteit van de
      politie en hoe deze delicten worden opgespoord. Gaat ook om de pakkans te
      verhogen.
 -    Vervolgingsbeleid. Voor de rechter brengen van een verdacht. Gaat om welke
      delicten worden vervolgd en welke delicten op een andere manier afgehandeld
      worden.
 -    Gevangenisbeleid. Ontwerpen van verschillende gevangenisregimes, probeert
      men invloed uit te oefenen op de resocialisatiekansen van verschillende
      groepen gevangen. Ook bouwen van cellen valt onder dit beleid, evenals het
      uitvoeren van vonnissen (geldboetes enz.)
 -    Nieuwe wetgeving. Nieuwe wetten nodig om criminaliteit effectief te bestrijden.
 -    Preventief beleid.

 Ontwikkelingen.
     Uitbreiding van bevoegdheden. Politie mag meer door wet BOB en Wet
       terroristische misdrijven. Vroegsporing: overheid heeft bevoegdheden om
       mogelijke wetsovertreders op te sporen, zonder dat er formeel sprake is van
       een verdachte. (observatie, infiltratie en inkijkoperaties).
     Toegenomen inbreuk op de persoonlijke levenssfeer. Meer zichtbaar wat er
       wordt gedaan.
     Bestrijding van overlast toegevoegd bij criminaliteitsbeleid. Burgemeester
       heeft bestuurlijke ophouding en preventieve fouillering in
       veiligheidsrisicogebieden.

 5.2 Criminaliteitsbeleid in de praktijk.

 Preventieprojecten.
 - intensivering van het functionele toezicht.
 - versterking van de binding van daders met de samenleving.
 - verbeteren en herinrichten van de gebouwde omgeving.

 Nadruk bij veelvoorkomende criminaliteit op het voorkomen ervan, toch ook
 repressieve mogelijkheden. Bijvoorbeeld; lik-op-stukbeleid. Bij straffen wordt de
 nadruk gelegd op het herstellen van ontstane schade (taak- en werkstraffen).

 Winkeldiefstal wordt bestreden met preventieve maatregelen door de bedrijven zelf,
 maar ook ondersteund met repressieve maatregelen van de overheid.
Maatregelen van de winkeliers.
- Technische maatregelen zoals camera's, monitoren, spiegels en poorten.
- In dienst nemen van winkel- en bewakingspersoneel.
- Betere training en motivatie van het personeel.

Maatregelen van de overheid.
- Stimuleren dat winkeliers een stil alarm gebruiken, waardoor ze direct verbonden
zijn met de plaatselijke politie.
- Zwaarder aanpakken van heling.
- Het optellen van klein zaken tegen veelplegers, waardoor deze wel twee jaar
opgesloten kunnen zitten.

Bij bestrijden van jeugdcriminaliteit ligt de nadruk op het voorkomen dat jeugdige
daders afglijden tot echte criminelen.
- Overtredingen en misdrijven door jongeren onder de 18 jaar vallen onder de
kinderrechter. Soms bij zware delicten en 16-18 jaar bij volwassenerechter.
- Jongeren worden bij de eerste keer in aanraking met politie doorverwezen naar
Bureau Halt. Jongeren dan taakstraf en niet naar de rechter. Voordeel: wordt niet
opgenomen in de justitiële documentatie, wel in de politieregisters.
- Werkgelegenheidsprojecten moeten jongeren perspectief bieden, zodat zij beter
gewapend zijn tegen de verleiding van het snelle geld.

Georganiseerde criminaliteit ontstaat door handel en smokkel van harddrugs. Het
zijn grote bedrijven die opereren met een miljoenenomzet en veel personeel. De
leiders laten anderen het vuile werk opknappen. Om deze misdaad te bestrijden,
hebben politie en justitie meer opsporingsbevoegdheden gekregen. Om te vervolgen
anonieme getuigen of kroongetuigen is een verdachte die in ruil voor
strafvermindering getuigd.

Om terrorisme te bestrijden: radicalisering en rekrutering aangepakt, die het risico
op terroristische aanslagen vergroten. Informatie gewonnen door:
- Algemene Inlichtingen- en Veiligheidsdienst (AIVD) van minister van
Binnenlandse Zaken.
- Militaire Inlichtingen- en Veiligheidsdienst (MIVD) van minister van Defensie.
OM geeft dan opdracht aan de politie.
Nationaal Coördinator Terrorismebestrijding gebruikt de informatie van diverse
inlichtingen voor het opstellen van dreigingsanalyses.

Witteboordencriminaliteit is moeilijk te vervolgen, omdat de controlemogelijkheden
en de specialistische kennis van politie en justitie te gering zijn. Ook te weinig
wetgeving om deze criminaliteit te bestrijden. Om te verbeteren:
- Banken hebben wettelijk geregelde informatieplicht om alle gegevens over
spaarrenten aan de FIOD te verstrekken.
- Toewijzing van sofinummer aan iedere belastingplichtige vergemakkelijkt de
controle.
- Wet meldpunt ongebruikelijke transacties (MOT) die casino's, banken en
levensverzekeraars verplicht om ongebruikelijke transacties te melden.
5.3 Politieke visies.
Links: maatschappelijke oorzaken. Nemen van preventieve maatregelen en
verbetering van maatschappelijke omstandigheden van mensen.
Rechts: verantwoordelijkheid van de individuele dader voor zijn gedrag. Meer
handhaven van rechtsregels en het belang van waarden en normen. Roep om meer
repressie.
PvdA: duidelijke grenzen stellen en misdaad bestraffen. Doel: sociaal rechtvaardige
samenleving.
VVD: Rechtsregels zijn belangrijk om je aan te houden. En als jij je er niet aan houdt,
bestraffen.
CDA: gezin, school en het maatschappelijk middenveld zijn belangrijk bij het
voorkomen van criminaliteit.
SP: lokaal aanpakken, want daar gebeurt het ook. Sterke binding met politie en
gemeente is nodig en capaciteit politie en justitie vergroten.

Hoofdstuk 6 Opsporen, vervolgen en berechten.
Nederlandse politie onder twee ministeries.
  1. Ministerie van Binnenlandse Zaken (veiligheid, openbare orde en
      hulpverlening).
  2. Ministerie van Justitie (opsporingstaken).
Marechaussee valt onder Ministerie van Defensie.

Taken van de politie.
 - Handhaven van de openbare orde.
 - Hulpverlening.
 - Opsporing en aanhouding van verdachten en het verzamelen van
   bewijsmateriaal.

 Opsporing. Er moet een verdachte zijn: er is een redelijk vermoeden dat de persoon
 zich schuldig heeft gemaakt aan een strafbaar feit. (Het delict is al gebeurd).Een
 redelijk vermoeden van schuld moet iemand op heterdaad betrapt zijn of aangifte
 gedaan zijn. Komt uit legaliteitsbeginsel. Door wet op terroristische misdrijven kan
 de politie al eerder ingrijpen (delict is nog niet gebeurd).

 Vroegsporing. Opsporingsmethoden worden ingezet om voorbereidingen van
 strafbare feiten op te sporen. Er wordt bijvoorbeeld geïnfiltreerd als het vermoeden
 bestaat dat daarin ernstige strafbare feiten worden gepleegd. De wens om
 criminaliteit te bestrijden botst met de grondwettelijke bescherming van de
 persoonlijke vrijheid.

 Opsporingsbevoegdheden van de politie zijn vastgelegd in het Wetboek van
 Strafvordering en in de Politiewet.
 Bevoegdheden geen toestemming nodig:
       Een verdachte staande houden. (Vragen naar personalia).
       Een verdachte aanhouden/arresteren. Nu kan de verdachte naar de
        hulpofficier van justitie om te kijken wat er nu verder gebeurd. Als je iemand
        op heterdaad betrapt, kan iedereen deze persoon aanhouden.
       Fouilleren. Bij oplossing aan strafbaar feit of als agent zich bedreigd voelt.
       In beslag nemen.
       De vrijheid benemen.
Maximaal 6 uur vasthouden om te identificeren. Als het gaat om een misdrijf waar
min. 4 jaar gevangenisstraf op staat dan langer vasthouden. Inverzekeringstelling
duurt 3 dagen, met daarna nog 3 dagen op het politiebureau. (Vragen aan officier).
Daarna 104 dagen in hechtenis. De eerste 14 dagen in bewaringstelling
goedkeuring rechter-commissaris nodig en overige gevangenhouding goedkeuring
rechtbank.

Bevoegdheden wel toestemming nodig.
Toestemming nodig van de officier van justitie.
     Huiszoeking.
     Inzetten van infiltranten. Undercoveragenten.
     Uitvoeren van inkijkoperaties.
     Gecontroleerde doorvoer. Op laatste moment in beslag nemen.
     Informanten geld betalen.
     Preventief fouilleren. Veiligheidsrisico gebieden.

6.2 Officier van justitie.
Geeft leiding aan het opsporingsonderzoek. Als er genoeg bewijs is, gaat deze
vervolgen: zaak aan de rechter voor leggen. In een rechtszaak is de officier van
justitie de openbaar aanklager: namens de samenleving vraagt de verdachte te
straffen. Officier van justitie verantwoordelijk voor de uitvoering van de straf.

Openbaar Ministerie: alle officieren van justitie bij elkaar. Onderdeel van Ministerie
van Justitie.
Gewone rechtszaak: officier van justitie genoemd.
Gerechtshof: advocaat-generaal.

Drie keuzemogelijkheden.
 1. Seponeren. Niet vervolgd, omdat .
      - Technisch sepot: onvoldoende bewijs of verdachte is niet strafbaar.
      - Opportuniteitsbeginsel: vervolging is niet in het algemeen belang.
      - Beleidsdepot: rechters hebben zwaardere zaken af te handelen i.p.v.
      winkeldieven.
      - Klein vergrijp of verdachte is genoeg gestraft. (Ook beleidsdepot).
      Voorwaardelijk sepot: verwaarden aan het seponeren. (Hulpverlening).
 2. Transactie/ schikking. Geldboete of taakstraf. Het is een voorstel.
      Door Wet OM-afdoening mag de officier van justitie zelf een strafbeschikking
      opleggen. Als de max. vrijheidsstraf niet hoger is dan 6 jaar dan mag het OM
      het doen. Toch officier van justitie geen vrijheidsstraffen mag opleggen.
 3. Dagvaarden/vervolgen.


 6.3 De rechter.
 Er zijn 19 rechtbanken met verschillende soorten rechters.
   Kantonrechter. Huur en arbeidsgeschillen en overtredingen. Kent zowel het
       burgerlijk recht als het strafrecht.
   Politierechter. Lichtere en simpele misdrijven zoals vernieling en
       winkeldiefstal. Enkelvoudige kamer en mag max. 1 jaar vrijheidsstraf
       opleggen. Uitspraak direct
     Meervoudige Kamer drie rechters die over ernstige en meer ingewikkelde
      misdrijven rechtspreekt, zoals verkrachting en mishandeling. Uitspraak na
      twee weken.
     Kinderrechter. Overtredingen en misdrijven tussen 12-18 jaar. Zijn niet
      openbaar. Bij kinderen onder de 12 jaar Raad voor de Kinderbescherming en
      Bureau Jeugdzorg maar geen berechting.
     Gerechtshof. Hier kun je in hoger beroep gaan. Nederland heeft er 5.
     Hoge Raad. 5 of 3 raadsheren. Niet eens met uitspraak gerechtshof dan in
      cassatie: geen nieuw onderzoek, maar kijken of het recht goed is toegepast.
      Als dit niet het geval is zaak opnieuw naar een gerechtshof.

De rechtszaak.
Dagvaarding: de verdachte wordt verdacht dat hij op een bepaald moment, op een
bepaalde plaats een bepaald delict heeft begaan. Er staat ook waar en op welk
tijdstop de zitting plaatsvindt. Verstuurd door officier van justitie.

De acht stappen van de rechtszaak.
   1. Opening. Rechter controleert persoonsgegeven van de verdachte en de
      verdachte krijgt te horen dat hij goed moet opletten en niet verplicht is te
      antwoorden.
   2. Aanklacht. Officier van justitie leest de aanklacht voor.
   3. Onderzoek.
   4. Verhoor van de verdachte. Niet onder ede.
   5. Requisitoir. Officier van justitie probeert aan te tonen dat de verdachte
      schuldig is en vraagt hij de rechter om een bepaalde straf.
   6. Pleidooi advocaat verdedigd de verdachte.
   7. Laatste woord. Verdachte kan spijt betuigen enz.
   8. Vonnis. Kanton- en politierechter meteen uitspraak en meervoudige kamer na
      twee weken. Bij afwezigheid van de verdachte, kan hij/zij alsnog worden
      veroordeeld.

Wel of niet schuldig?
Procesmatige vragen.
   1. Is de dagvaarding geldig uitgereikt?
   2. Is de rechter bevoegd over de voorgelegde zaak te oordelen?
   3. Mag de officier van justitie de zaak vervolgen? Bijv. verjaard of 12 jaar zijn.
   4. Is er geen reden om de zaak te schorsen?

Dan inhoudelijke vragen.
  1. Is het ten laste gelegde feit geheel bewezen?
  2. Levert het bewezen feit een strafbaar feit op?
  3. Is de dader strafbaar? Feit moet aan de schuld van de dader te wijten zijn.
  4. Welke straf moet worden opgelegd?

Op alle vragen moet ja geantwoord worden om door te mogen gaan. Is het antwoord
nee, dan houdt de zaak daar op.

Juryrechtspraak: een groep gewone mensen oordeelt of een verdachte schuldig is
of niet. (België, Frankrijk, Groot Brittannië, VS.
Voordeel: juryleden kunnen zich beter inleven in de toestand van de verdachte en
het slachtoffer dan een beroepsrechter. Ook voelen zij beter aan hoe er in de
samenleving over criminaliteit gedacht wordt.
Nadelen: Juryleden hebben minder inzicht in het maatschappelijk belang op langere
termijn van bepaalde veroordelingen. Ook laten juryleden zich meer leiden door
gevoelens dan door rechtsbeginselen.

Hoofdstuk 7 Criminaliteit en straf.
7.1 Straf.
Strafmaat: het soort straf en de hoogte van de straf. Baseert zicht op het Wetboek
van Strafrecht. De rechter zal niet vaak de maximumstraf opleggen, want hij kijkt ook
naar de omstandigheden waaronder het strafbaar feit is gepleegd. Ook moet de
rechter meewegen of er sprake is van recidive: een verdachte is al eerder
veroordeeld.

Hoofdstraffen.
 - Geldboete van min. 370 en max. 740 000. Bij niet betalen, hechtenis.
 - Vrijheidsstraf max. bij overtredingen is één jaar hechtenis.
 - Taakstraf heeft een opvoedend karakter. Mag i.p.v. vrijheidsstraf van max. 6
    maanden of leer-/werkstraf (onbetaalde arbeid ten algemenen nutte) zijn van
    max. 240 uur. Doelen: straffen en voorkomen dat hij in een criminele spiraal
    terecht komt.
 Van elke hoofdstraf kan een deel voorwaardelijk op worden gelegd. De dader krijgt
de straf niet, als hij binnen een bepaalde proeftijd niet nogmaals een soortgelijk
strafbaar feit krijgt. Gebeurt dit wel, dan de voorwaardelijke straf + nieuwe straf.

 Bijkomende straffen.
 Relatie met gepleegde delict, bijvoorbeeld je wordt uit je beroep gezet of inname van
het rijbewijs.

 Maatregelen.
 Doel: dader beschermen tegen zichzelf of om de samenleving te beschermen tegen
de dader. Denk aan ontoerekeningsvatbaar. Bekendste maatregelen is
terbeschikkingstelling. Wordt vaak opgelegd voor twee jaar, maar kan worden
verlengd.
 Andere maatregelen is de Pluk ze-wet justitie probeert dan van een veroordeelde
geld of goederen die hij met zijn criminele activiteiten heeft gekregen, terug te krijgen.

7.2 Waarom straffen we?
  Vergelding : kwaad mag niet ongestraft blijven en misdaad mag niet lonen.
  Preventie.
    Generale preventie: Afschrikkingeffect om burgers ervan te weerhouden
    misdaad te plegen.
    Speciale preventie: om e voorkomen dat een dader in de toekomst in
    herhaling valt. (recidive afschrikken).
  Resocialisatie: een dader verbeteren, zodat hij zich aanpast aan de normen en
    waarden in onze samenleving.
  Beveiliging van de samenleving: Bij langdurige opsluiting om de samenleving
    te beschermen.
    Handhaving van de rechtsorde: overheid maakt duidelijk dat het haar taak is
     om te straffen en niet die van de burgers. Doel: voorkomen eigenrichting.
    Genoegdoening aan het slachtoffer.

Twee omstandigheden die de rechter meeneemt in zijn afwegingen:
  1. De kosten van de verschillende sancties.
  2. Mogelijke cellentekort.

Uitvoering is de taak van officier van justitie met behulp van:
    - Leger des Heils: dak- en thuislozen.
    - Stichting Verslavingsreclassering GGZ : verslaafden.
    - Reclassering Nederland: maatschappelijke (her)inpassing.

Resocialisatie:
  - Opleiding doen in de gevangenis.
  - Het laatste jaar met verlof.
  - Begeleiding reclasseringsambtenaar.

Reclassering: uitvoer en begeleiden van.
  - Dienstverleningsprojecten.
  - Dader-slachtofferleertrajecten.
  - Cursus Alcohol en Verkeer.

				
DOCUMENT INFO
Shared By:
Categories:
Tags:
Stats:
views:68
posted:10/3/2012
language:Dutch
pages:17