Stof_voor_het_proefwerk_en_bijlagen_02

Document Sample
Stof_voor_het_proefwerk_en_bijlagen_02 Powered By Docstoc
					Klassen 3: Stof voor het proefwerk in PEP 4



- Tekstboek unidad 1 pag. 13 (Consultar). De zinnetjes onder Persoonlijke informatie,
  Begroeten en afscheid nemen en onder Het geslacht van woorden, staan vertaald in
  bijlage 1 verderop in dit document. Let op: de getallen tot 100 staan niet in de bijlage,
  maar moet je wel kennen naar twee kanten!

- Tekstboek unidad 2 pag. 21 (Consultar). Je hoeft NIET te doen: Zeggen wat je interessant
  vindt en Zeggen waarom je iets doet. Zie bijlage 2 voor alle werkwoorden en andere
  woorden die je moet kunnen vervoegen / vertalen.

- Tekstboek unidad 3 pag. 29 (Consultar). Je hoeft NIET te doen: Onbepaalde telwoorden
  en Het klimaat en De overtreffende trap. Zie bijlage 3 voor alle zinnetjes die je moet
  kunnen vertalen.

- Tekstboek unidad 4 pag. 37 (Consultar). Je hoeft NIET te doen: Getallen. Zie bijlage 4
  voor alle zinnetjes die je moet kunnen vertalen.
BIJLAGE 1 bij consultar unidad 1 pag 13.

PREGUNTAS (vragen)

1.      ¿Cómo te llamas /se llama?                    Hoe heet je /u?                        (EL NOMBRE)
        ¿Cuál es tu /su nombre?
2.      ¿Cuál es tu /su apellido?                     Wat is je/ uw achternaam?              (EL APELLIDO)
3.      ¿De dónde eres/ es usted?                     Waar kom je/ komt u vandaan?           (EL LUGAR DE ORIGEN)
4.      ¿Eres/ es usted español(a)?                   Ben je / bent u Spaans(e)?             (LA NACIONALIDAD)
5.      ¿Cuántos años tienes/ tiene usted?            Hoe oud ben je/ bent u?                (LA EDAD)
6.      ¿En qué trabajas/ trabaja usted?              Wat voor werk doe je/ doet u?          (LA PROFESIÓN /
        ¿A qué te dedicas/ se dedica?                 Wat doe je /doet u (als bezigheid)?    EL TRABAJO/ESTUDIO
7.      ¿Cuál es tu/su número de teléfono?            Wat is jouw telefoonnummer?            (EL TELÉFONO)
8.      ¿Tienes móvil/ tiene móvil?                   Heb je/ heeft u (een) mobiel (nr)?     (EL MÓVIL)
9.      ¿Tienes correo electrónico?                   Heb je/ heeft u e-mail?                (EL CORREO
                                                                                             ELECTRÓNICO)
RESPUESTAS (antwoorden)
1.    Me llamo Flip. / Mi nombre es Flip.             Ik heet Flip. / Mijn naam is Flip.
2.    Mi apellido es de Braak.                        Mijn achternaam is de Braak.
3.    Soy de Haarlem.                                 Ik kom uit Haarlem.
4.    No, soy, holandés / holandesa.                  Nee, ik ben Nederlander (-se)
5.    Tengo 24 años.                                  Ik ben 24 jaar oud.
6.    Trabajo en un banco. / Soy enfermero (/-a)      Ik werk bij een bank. / Ik ben verpleegkundige.
7.    Mi número es el 023- 1213145.                   Mijn nummer is 023- 1213145.
8.    Sí, es el 06-12345678                           Ja, het is 06-12345678.
9.    Sí, Pedro86@aula.com.                           Ja, Pedro86@aula.com.

PAíSES (landen)                 Y                     NACIONALIDADES (nationaliteiten)

España                                                español / española                     (Spaans(e))
Holanda                                               holandés / holandesa                   (Nederlands(e))
Alemania                                              alemán/ alemana                        (Duits(e))
Turquía                                               turco/ turca                           (Turks(e))
Puerto Rico                                           portorriqueño / portorriqueña          (Porto Ricaans(e))
Chile                                                 chileno / chilena                      (Chileens(e))
Colombia                                              colombiano / colombiana                (Colombiaans(e))
Argentina                                             argentino / argentina                  (Argentijns(e))
Brasil                                                brasileño / brasileña                  (Braziliaans(e))
Marruecos                                             marroquí                               (Marokkaans(e))
Estados Unidos                                        estadounidense                         (Amerikaans(e))
Bélgica                                               belga                                  (Belgisch(e))

PROFESIONES (beroepen)          Y                     LA ACTIVIDAD (de activiteit, het bijbehorende ww).

el arquitecto / la arquitecta   (architect(e)         ……..
el cantante / la cantante       (zanger(es))          cantar                                 (zingen)
el escritor/ la escritora       (schrijver /-ster)    escribir                               (schrijven)
el camarero / la camarera       (ober, serveerster)
                                                        Buenos días = goedemorgen
el enfermero / la enfermera     (verpleegkundige)
                                                        Buenas tardes / noches = goedemiddag, goedenavond
el estudiante / la estudiante   (student(e)
                                                        Hola, ¿qué tal? = hallo, alles goed?
el deportista/ la deportista    (sporter/ ster)
                                                        Adiós, hasta luego = Dag, tot later.
el actor / la actriz            (acteur/ actrice)
BIJLAGE 2: Alle werkwoorden die je moet kennen uit unidad 1 en 2 (inclusief betekenis leren NS-SN)

          -ar regelmatig:                  -O, -AS, -A; -AMOS, -ÁIS, -AN
          estudiar (studeren)
          cantar (zingen)
          cocinar (koken)                                        Persoonlijke voornaamwoorden:
          hablar (praten)                                        (1)yo                    =       ik
          trabajar (werken)
                                                                 (2)tú                    =       jij
          pasear (wandelen)
          navegar (surfen)                                       (3) él, ella, usted      =       hij, zij, u, (het)
          viajar (reizen)
          chatear (chatten)
          mejorar (verbeteren)                                   (1) nosotros(-as)        =       wij
          practicar (oefenen)                                    (2) vosotros(-as)        =       jullie
          visitar (bezoeken)
                                                                 (3) ellos,ellas,         =       zij (meervoud), u
          escuchar (luisteren)
                                                                 (meervoud)
          buscar (zoeken)
          bailar (dansen)                                           ustedes
          entrar (binnenkomen)
          comprar (kopen)
          Llamarse (heten)                 me llamo, te llamas, se llama; nos llamamos, os llamáis, se llaman
          significar ( betekenen)

          -ar onregelmatig
          aprobar (goedkeuren)             apruebo, apruebas, aprueba; aprobamos, aprobáis, aprueban
          contar (tellen; vertellen)       cuento, cuentas, cuenta, contamos, contáis, cuentan
          jugar (spelen)                   juego, juegas, juega, jugamos, jugáis, juegan.
          (Jugar al fútbol = voetballen)

          -er regelmatig:                  -O, -ES, -E; -EMOS, -ÉIS, -EN
          leer (lezen)
          aprender (leren)
          comprender (begrijpen)
          comer (eten)

          -er onregelmatig:
          ser (zijn)                       soy, eres, es; somos, sois, son
          ver (zien)                       veo, ves, ve; vemos, veis, ven           ( ver la tele = TV kijken)
          tener (hebben)                   tengo, tienes, tiene; tenemos, tenéis, tienen.
          querer (willen)                  quiero, quieres, quiere; queremos, queréis, quieren.
          hacer (doen, maken)              hago, haces, hace; hacemos, hacéis, hacen
          conocer (kennen)                 conozco, conoces, conoce; conocemos, conocéis, conocen

          -ir regelmatig:                  -O, -ES, -E; -IMOS, -ÍS, -EN
          escribir (schrijven)
          vivir (wonen, leven)
          descubrir (ontdekken)

          -ir onregelmatig:
          ir (gaan)                        voy, vas, va;, vamos, vais, van
          salir (uitgaan)                  salgo, sales, sale; salimos, salís, salen.
          traducir (vertalen)              traduzco, traduces, traduce; traducimos, traducís, traducen.
Zinnetjes en woorden van unidad 2 , consultar pag. 21:

Quiero ir/ salir a la playa.                 Ik wil naar het strand gaan.
Quiero ir / salir al cine.                   Ik wil naar de bioscoop gaan.
Quiero ir / salir a bailar.                  Ik wil gaan dansen .
Quiero ir / salir de compras.                Ik wil gaan shoppen.
Quiero ir / salir con mis amigos.            Ik wil (uit)gaan met mijn vrienden.
Quiero salir de noche.                       Ik wil ’s avonds uitgaan.

el pueblo                                    het dorp
el museo                                     het museum
el curso                                     de cursus, het (school)jaar
la playa                                     het strand
la fiesta                                    het feest
la discoteca                                 de discotheek
el idioma                                    de taal
la mano                                      de hand
la moto                                      de motorfiets
el padre                                     de vader
la gente                                     de mensen
el/ la estudiante                            de student(e)
el aula                                      het klaslokaal
el ave                                       de vogel
BIJLAGE 3 bij consultar unidad 3 pag. 29: vertaling van de zinnetjes die je moet kennen

Er is /er zijn : hay

En Asturias hay muchas montañas.                               Er zijn veel bergen in Asturias.
En España hay cuatro lenguas oficiales                         In Spanje zijn er vier officiële talen.
En la Rioja hay unos vinos muy buenos.                          In de Rioja zijn (er) veel goeie wijnen.
En Barcelona hay un estadio de fútbol muy grande.               In Barcelona is (er) een heel groot
                                                               voetbalstadion.
En Venezuela hay petróleo/selvas.                               In Venezuela is er/zijn er aardolie/oerwouden.
En España no hay petróleo/selvas.                               In Spanje is /zijn geen aardolie/oerwouden.
Aquí hay un lago precioso.                                     Hier is een prachtig meer/Er is hier een prachtig
                                                               meer.
En Lima hay una catedral.                                        In Lima is er een kathedraal.

Plaatsen, personen of dingen beschrijven: het werkwoord ser

Perú es muy bonito.                                            Perú is erg mooi.
Los Peruanos son muy amables.                                  De Peruanen zijn heel aardig.
Mexico es un país muy turístico.                               Mexico is een heel toeristisch land.
Las rancheras son canciones populares mexicanas.               Rancheras zijn Mexicaanse volksliedjes.

Congruentie: lidwoorden (mannelijk/ vrouwelijk ; enkelvoud /meervoud) en bijvoeglijke naamwoorden

Un lugar turístico / una playa turística                       Een toeristische plek / een toeristisch strand
Unos lugares turísticos / unas playas turísticas               Een paar toeristische plekken / een paar
                                                               toeristische stranden
Un país grande /una ciudad grande                              Een groot land / een grote stad
Unos países grandes /unas ciudades grandes                     Een paar grote landen / een paar grote steden

un plato tradicional / una bebida tradicional                  Een traditioneel gerecht /een traditioneel
                                                               drankje
unos platos tradicionales / una bebida tradicionales           Een paar traditionele gerechten /een paar
                                                               traditionele drankjes
Vragen stellen en beantwoorden :
NB: deze zinnetjes zijn bedoeld als voorbeeld voor het gebruik van ser (es), estar (está) en hay. Je moet alleen
begrijpen wanneer je welk werkwoord gebruikt. De zinnetjes zelf hoef je niet letterlijk te kennen.

¿Cómo es el clima de Cuba?                                    Hoe is het klimaat in Cuba?
Tropical.                                                      Tropisch.
¿Dónde está Panama?                                           Waar ligt Panama?
En Centroamérica.                                              In Centraal Amerika.
¿Hay selvas en México? Sí.                                    Zijn er oerwouden in Mexico? Ja.
¿Cuántas lenguas oficiales hay en Paraguay?                   Hoeveel officiële talen zijn er in Paraguay?
Dos, el español y el guaraní.                                  Twee, het Spaans en het Guarani.
¿Cuántos habitantes hay en España?                             Hoeveel inwoners zijn er in Spanje?
42 millones.                                                   42 miljoen.
¿Qué es el mate? Una infusión.                                Wat is mate? Een drank.
¿Cuál es la capital de Venezuela?                             Wat is de hoofdstad van Venezuela?
Caracas.                                                       Caracas.
BIJLAGE 4 bij consultar unidad 4 pag. 37: vertaling van de zinnetjes die je moet kennen

Naar dingen verwijzen

este jersey                             deze trui                          este          deze, dit
esta camiseta                           dit t-shirt                        esta          deze, dit
estos zapatos                           deze schoenen                      estos         deze
estas sandalias                         deze sandalen                      estas         deze

                                                                           esto          dit (verwijst niet naar
                                                                                         iets specifieks, daarom
                                                                                         onzijdig.
Este jersey es precioso.                        Deze trui is prachtig.
Pues, yo prefiero este.                         Nou, ik heb liever deze.

Estas gafas de sol, ¿cuánto cuestan?            Deze zonnebril, wat kost die?
¿Y estas?                                       En deze?
¿Qué es esto?                                   Wat is dat?

Kleuren: (vul in door achter in je boek te kijken en leer)

negro/-a (s)                                    …………………………………………………………………
amarillo/-a (s)                                 …………………………………………………………………
rojo/-a (s)                                     …………………………………………………………………
blanco/-a (s)                                   …………………………………………………………………
verde (s)                                       …………………………………………………………………
azul (es)                                       …………………………………………………………………
gris (es)                                       …………………………………………………………………
lila                                            …………………………………………………………………
naranja                                         …………………………………………………………………
rosa                                            …………………………………………………………………

Moeten

Tener que + infin.                              moeten (leer ook vervoeging op pag. 37 van het boek).



Liever willen

Preferir                                        liever willen (leer ook vervoeging in het boek op pag. 37)

Winkelen
Diálogo en la tienda p. 36

¿Tienen agua /gorros/ gafas?                    Heeft u water /mutsen / brillen?
Quería agua / un gorro / unas gafas..           Ik zou graag water / een muts / een bril willen..
¿Cuánto cuesta este gorro?                      Hoeveel kost deze muts?
¿Cuántos cuestan estas gafas?                   Hoeveel kost deze bril?
Me llevo este gorro. Me llevo este.             Ik neem deze muts. Ik neem deze.
Me llevo estas gafas. Me llevo estas.           Ik neem deze bril. Ik neem deze.
Extra woorden uit unidad 4 (vul in door achter in je boek te kijken en leer)

Kledingsstukken:
la camiseta                                    …………………………………………………………………
la talla grande                                …………………………………………………………………
la talla mediana                               …………………………………………………………………
el biquini                                     …………………………………………………………………
las bragas                                     …………………………………………………………………
el jersey                                      …………………………………………………………………
el pantalón, los pantalones                    …………………………………………………………………
las sandalias                                  …………………………………………………………………
el sujetador                                   …………………………………………………………………
las gafas de sol                               …………………………………………………………………
la ropa de deporte                             …………………………………………………………………
los calzoncillos                               de onderbroek

Toiletartikelen:
la aspirina                                    …………………………………………………………………
el cepillo                                     …………………………………………………………………
el cepillo de dientes                          …………………………………………………………………
la pasta de dientes                            …………………………………………………………………
el champú                                      …………………………………………………………………
el gel de baño                                 …………………………………………………………………
el protector solar                             …………………………………………………………………
el secador de pelo                             …………………………………………………………………
la toalla                                      …………………………………………………………………
el pasaporte                                   …………………………………………………………………
el carné de identidad                          …………………………………………………………………
la tarjeta de crédito                          …………………………………………………………………
el dinero                                      …………………………………………………………………

				
DOCUMENT INFO
Shared By:
Categories:
Tags:
Stats:
views:9
posted:9/16/2012
language:Unknown
pages:7