Onderzoeksmethoden nieuwe tijd hfdst drie vier

Document Sample
Onderzoeksmethoden nieuwe tijd hfdst drie vier Powered By Docstoc
					                               [Onderzoeksmethoden nieuwe tijd]
                                           [2011-2012]




Professor: Prof. Violet Soen
Handboek: niet opgegeven

Gemaakt door: Eline Vanreyten
Opmerkingen: Samenvatting van de cursus, enkel hoofdstuk drie en vier plus een ruwe schets van
de examenopdracht.


Noch Project Avalon, noch het monitoraat, noch Historia of eender ander individu of instelling zijn
verantwoordelijk voor de inhoud van dit document. Maak er gebruik van op eigen risico.
HD 3: Archivalische bronnen
2 grote soorten:
     Strictu sensu= geschreven bron opgesteld door een officiële persoon voor de
        uitoefening van zijn ambt (instellingengeschiedenis)
     Lato sensu= geschreven bron die in een archief bewaard word(verhalende bronnen)
Om in een archief een bron te vinden volstaan enkele basisregels om ARCHIVAL
INTELLIGENCEzie volgende pagina op te bouwen.
3.1 Archivistiek
A. het archief in de Nieuwe tijd
Pas in de Nieuwe tijd ontstaan en staatsarchieven los van de residentieplaats van de
Koning
(Keizer Karel V in 1523 in kasteel Simancas permanent archief vastleggen met staatsdocumenten)
OF(1749 richtte Maria-theresia het Haus-hof- und staatsarchiv in Wenen op als centraal achief voor het
Habsburgse rijk)
DUS: archieven die zich voordien verspreid bevonden werden samengebracht in 1
gecentraliseerd archiefdepot. In deze periode groeiden ook de eerste theorieën over
archivistiek
B. Archivistiek
Oorspronkelijk een hulpwetenschap vandaag is het een discipline.
De Archivaris zorgt voor eenoptimale bewaarplaats voor de documenten, laat ze
restaureren, inventarisseren en stelt ze ter beschikking.
DUS: de archivaris is conservator,erfgoedbeheerder, cultuurdrager en cultuurmanager.
C. tijdschriften en reeksen
Vooral gericht op archivarissen maar bevatten ook nuttige artikels en bibliografieën.
p 52 in acco cursus

3.2 historische kritiek en methode
het humanisme zorgde voor de basis van de historische kritiek op archivalische
bronnen. Lorenzo Valla zorgde voor een doorbraak in de kritische omgang met
archivalische bronnen door te bewijzen dat de Donatio Constantini een falsum is. Op
basis van filologisch onderzoek kon hij aantonen dat de stijl en de vorm anachronistisch
waren, het latijn uit de 8e eeuw komt ipv 4e en dat de tekst inhoudelijk vol zat met
anachronismen uit legendes.

       Vormelijke kritiek
        is het een minuut? Origineel? Kopie?
       Inhoudelijke kritiek
        Bevat het ambtstaal of een bepaalde jargon?
       Historische methode
        De vraagstelling zal waarschijnlijk herwerkt moeten worden in dit stadium (trial
        and error). Deze herwerking kan een verandering van tijdsbestek, geografisch
        afbakening of een basis van andere gevalstudies zijn.
        LET WEL: iedere error is een stap vooruit naar een duidelijkere afbakening.

        De benadering en de vraagstelling zijn vaker terug te leiden op sociale
        geschiedenis, comparatieve geschiedenis of transnational history.
        De bewaringstoestand en het bronnensoort spelen ook een rol!!!! (zie typologie
        vanaf p71)
      Bibliografische referentie
       Bekijk altijd eerst de bronnenlijsten van auteurs die dezelfde vaststellingen
       gedaan hebben. Noteer dan de signatuur van bronnen die steeds terugkomen en
       werk daarop verder.
3.3 zoekstrategieën.
KORT:
Maak en selectie en heuristiek van de bronnen DOOR:
                    Wat zijn relevante bronnen voor mijn vraagstelling?
                    Hoe vind ik de bewaarplaats van deze relevante bronnen?
                    Moet ik via de staat van bewaring/ontlsuiting mijn vraagstelling
                      herformuleren?
                    Controleer of er bronnen uitgegeven zijn via
                                                       o Historische studies
                                                       o Bronnencomentaren/edities
                                                       o Typologische en
                                                           methodologische studies
                                                       o Beschrijvingen van
                                                           archieffondsen
3.4 Archieven.
Verschillende soorten archieven:
          o Openbare bewaarplaatsen
                    Staatsarchieven (zie volgende pagina)
                    Stads-gemeente-dorpsarchieven
                    Musea en bibliotheken
                    Notariaatarchieven (tussenvorm)
          o Private bewaarplaatsen
                    Archieven van kerken of private instellingen
                    Universiteitsarchieven
                    Familiearchieven
MAAR: tussen deze archieven is er institutionele samenwerking (p 59 in acco cursus)

   A. Archival intelligence
   Stel de volgende vragen:
                  Wie is /was bevoegd?
                              o Archiefvormer
                              o Instellingengeschiedenis
                              o Bevoegdheden van de archiefvormer
                  Is er een archief gevormd en is dat bewaard?
                              o Mondeling procedures
                              o vernieteging
                  Waar wordt het archief bewaard?
                              o Archievenoverzichten en archiefgidsen
                              o Archiefbewaarplaats( herbergt verschillende
                                   archieffondsen)
                    Is het archiefbestand ontsloten en beschreven?
                                o Inventarissen(systematisch ingedeeld geheel van
                                   beschrijvingen van de bestanddelen van een archief)
                              o Nadere toegang= ontsluiten van archiefbestanddelen
                    Welke soorten bronnen produceerde de instelling?
                                o THEMA bibliotheek versus archief
                                o BIB/DATABANK catalogus versus inventaris
                                o HEURISTIEK vindplaats versus inhoud
DUS: je stelt vragen naar het herkomst-bestemmingsbeginsel en het structuurbeginsel.

   B. Staatsarchieven, stads archieven en dorpsarchieven, musea en bibliotheken,
      notariaatsarchieven,private bewaarplaatsen
   Vanaf p 66 in acco cursus tot p 69
   LETWEL: bij familiearchieven, die kunnen op 1001 mogelijkheden bewaard zijn.

3.6 Terminologie
glossarium= alfabetische lijst woorden gelinkt aan een onderwerp
autograaf= een manuscript in het handschrift van de auteur
apograaf=
minuut= kladversie van een document
origineel= originele document
kopie= kopie van het originele document
archiefstuk= de archivalische bron
archief(fonds)= geheel van archiefstukken ontvangen of opgemaakt door een instelling,
persoon, groep
collectie=samengevoegd archieffonds volgens de wensen van de collectievormer
archiefdepot/bewaarplaats=plaats waar de stukken worden bewaard
3.7 Typologie
te beginnen met 4 grote groepen:
    Correspondentie
Verschillende vormen van correspondentie:
          o Diplomatieke bronnen vooral bedoeld om info over te brengen en
              staatszaken te regelen in de vorm van staatsbrieven die vaak door
              secretarissen of excerpten geschreven werden waardoor de authentieke
              correspondentie onderzocht moet worden.
          o 10% van de bevolking was in de Nieuwe tijd geletterd en edellieden
              schreven in hannenpoten terwijl de humanistische geleerden in
              humanistisch cursief schreven.
          o De brieven werden bewaard bij de ontvanger , enkel het minuut of de klad
              bleef in een archief bewaard (p 70-72 in reader)
          o In de 19e eeuw werden ze vaak uitgegeven maar men liet vaak details weg
              dus de originele zijn beter voor gebruik.
          o Problemen van tijdsverschil tussen opstelling en ontvanging
          o Soorten:
                           Gezantschapsberichten
                           Nuntiatuurberichten
          o Verschillen doorheen de tijd:
                  15-16E eeuw: in latijn, humanistisch, gestileerd, uitgaven in
                      brievenverzamelingen, ambtelijke/diplomatieke brieven
                  einde 16e eeuw: in volkstaal
                  18e eeuw: beroep van briefschrijver, iedereen begint met brieven
                      te schrijven en te sturen (post systeem)


          o De brief:
                              Omslag           Brief
                              bestemmeling     Andere brieven
                                               vermelden om te
                                               weten welke dag ze
                                               schrijven.

                                               Aanspreektitels.

                                               Datum van opstel.

                                               Bestemmeling.
              Brieven hebben vereisten (Ars epistolaria):
              Voorschriften, stijlfiguren, retorisch, voorbeelden, vraag naar oorsprong
              en ontlening
      Juridische bronnen/ normatieve bronnen
           o NORMATIEVE:(wetgevende bronnen)
                   Costumen/plakkaten/ ordonnanties
                   Resolutie/besluit/notulen= beslissing door functionaris of
                     instelling genoteerd in resolutieboeken
                   Beschikking= besluit dat enkel geldt op ingezonden
                     verzoekschriften aangeboden door privé personen/instellingen
                     met bestuurlijk/rechterlijk gezag als doel die om een speciale
                     regeling te verzoeken in een bepaalde problematiek
      Statuten van verenigingen
      Kerkelijke voorschriften
o JURIDISCHE: hebben een bewijskarakter en bevatten 2 grote soorten
      Akte= algemene benaming voor een archiefstuk opgesteld om te
        dienen als bewijs voor wat erin is vastgelegd. Als er geen
        tussenkomst van ambtenaren is spreekt men van onderhandse
        akten (opgesteld door schepenen of notaris maar heeft ook
        mengvormen)
      Processen= zekere norm wordt overtreden dus geeft info van
        gebeurtenissen aan de rand van de samenleving
o Formularium= verzameling van afschriften van oorkonden
      Oorkonde= plechtige akte opgetekend in een oorkondeboek
      Cartularium= oorkondeboek of register van akten bijgehouden
        door de persoon die ze als bewijsstukken gebruikt
      Privileges= oorkonden waarmee de soeverein aan een bepaalde
        groep mensen rechten toekent
      Schepenbrief= akte verleden voor een schepenbank waarin de
        meest voorkomende rechtshandelingen staan zoals:
                   o Verkoopt van onroerende goederen
                   o Verpachtingen
                   o Betalingsbeloften
                   o Ontvoogdingsverklaringen
                   o Boedelbeschrijvingen
                   o Aanvragen tot poorterschap
                   o Testamenten
      Schepenregisters= register met minuten en afschriften van
        schepenbrieven
      Notarisakte= akte verleden voor een notaris die de minuut bijhoud.
        Betreffen een uiteenlopend aantal onderwerpen
             Huwelijkscontract
             Pachtconract
             Testamentenboedelinventarissen (p 80 reader)
             Staten van goed/ wezerijregisteren
o RECHSTSPRAAK:
      Enkwesten/ informatieen preparatoire= voorafgaande
        onderzoeken door de rechters uitgevoerd naar aanleiding van een
        klacht (bevat vooral getuigenverklaringen)
      Procesdossier= verzameling van documenten die naar aanleiding
        en gedurende een proces zijn opgesteld
      Rol/ferieboek= register van zaken/zittingen die door de griffier
        aan de rechtbank worden aangeboden
      Sententieboek/vonnisboek/registers van gewijsde= registreren
        van vonissen van een bepaalde rechtbankn( uiteindelijke uitspraak
        in een vonnisboek)
      Gratiebrief= vorm van opschorting van een straf
      Appointement= rechterlijke beslissing op een verzoekschrift
      Rekeningen van de gerechtofficier= bewijzen van de betaling van
        boeten
   Financiële bronnen (zowel publieke als private documenten over het beheer en
    de belastingen op roeren en onroerend goed)
       o Manuaal= register waarin onder hoofde van rekening gegevens over de
           inkomsten en uitgaven werden vastgelegd
       o Rekening= functionaris ie verantwoording aflegt van zijn financiële
           handelingen over een bepaalde periode
       o Verantwoordingsstukken= bewijs van bepaalde ontvangsten/uitgaven
           vaak aangeduid als kwintanties en worden meestal bewaard in de vorm
           van liassen ( aaneengebonden hampels documenten)
       o Dagboek/journaal= gegevens in chronologische volgorde over de evolutie
           van een vermogen vastgelegd
       o Poortersboeken= registreren alle poorters van een stad die bepaalde
           rechten extra hadden
       o Kohier= nog te innen belastingen per fiscale eenheid met pachters,
           eigenaars en onroerend bezit.
       o Overheidsstatistieken en tellingen
       o Lijsten van hoofdgeld= hoofdelijke belasting door iedereen vanaf de
           communicantenleeftijd moest betaald worden.
       o Lijsten van haard- of familiegeld= belasting op de huishouding als geheel
       o Landboeken/legger/bundelboeken/ommelopers/caertboeken= per
           fiscale eenheid een opsomming van alle percelen met oppervlakte en
           namen van eigeneers/pachters voor het berekenen van grondbelasting
       o Pachtboek= beheer van onroerende goederen
       o Cijnsboeken/ blaffaard/cijnsrol/censier/censuel= namen van
           cijnsplichtigen per heerlijkheid met vermelding van ontvangen of niet
       o Boekhouding-handelaar
       o Wisselbrief/wissel
   Kerkelijke bronnen geloven werden meer en meer gecontroleerd en registers
    werden aangelegd vanaf het concilie van Trente.
       o Visitatieverslagen
       o Parocheregisters
       o Communicantenlijsten
       o Kerkrekeningen/rekeningen van de kerkfabriek
       o Parochierekeningen
       o Tiendenregisters
       o Disrekeningen
   ANDERE VORMEN:
       o CORRESPONDENTIE
                       Persoonlijke correspondentie
                       Diplomatieke correspondentie
       o VERHALENDE BRONNEN
                       Kronieken
                       literatuur
       o EGO-DOCUMENTEN
                       Dagboek/autobiografie/memoires
                       reisjournalen
HD 4: Iconografische en materiële bronnen
Zijn eigen aan de kunstproductie in de Nieuwe Tijd en werden beïnvloed door de
staatsvorming en de kunst. Er is echter een confessionele strijd in de kunst terug te
vinden. Dit leidde tot de ontwikkeling van iconografische themata, iconoclasmes en tot
de beeldtaal van het Concilie van Trente. In dieze bronnen zijn ook sociale relaties terug
te vinden en het fenomeen van verburgelijking en moraliserende kunst. De ontdekking
van de Nieuwe wereld is ook in de kunst terug te vinden vooral door de mondiale export
en import van motieven
4.1 Visual and material culture (excursie Museum M)
Objecten zijn nodig om een verhaal te maken zo onderzoekt de iconografie1 visuele
bronnen uit de Nieuwste Tijd en iconografische /materiële bronnen uit de Nieuwe Tijd.
Deze Nieuwe Tijdse bronnen zijn terug te vinden in een museum (vooral in de
catalogus) als thematisch ontsluiting van een collectie.
LET WEL: beelden bedriegen en geven dus geen uitsluitend objectieve weergave weer.
 Via de basisregels van de historische kritiek kunnen we dit wel bepalen.

Een beeld is geen afbeelding en niet altijd waarheidsgetrouw zo kan het vaak in scene
gezet worden door de schilder .
Embleem= volkswijsheid geillustreerd door de afbeelding en uitspraak ( epigram, motto,
beeld)
4.2 Historische kritiek en methode
               De oorsprong van de bron?
               Schilderij of gravure?
               Boekillustraties?(plaatst afbeeldingen en hun nut in een boek)
               Betrouwbaar of propaganda/spotprenten?
               Kaarten en maquetes stadssilhouet/stadskaart/maquette
4.3 Zoekstrategieen
zoeken naar iconografische/materiële bronnen via:
                             Bewaarplaats
                             Collectie en collectievormer
                             Kunstenaar
                             Tentoonstellings-of veilingcatalogi
                             Musea
                             Repertoria en databanken
4.4 Soorten iconografische en materiele bronnen
schilderijen
etsen
pentekeningen
gravures
nieuwsprenten
boekillustraties
emblemata
cartografische bronnen
stadsinzichten en maquettes
archeologische bronnen
architecturale bronnen


1   Iconografie= de identificatie, beschrijving en interpretatie van beeldmateriaal
HD5: Historiografische debatten
5.1 Politieke geschiedenis
Handelt over grote koningen, staten en oorlogen. Traditioneel enkel over de Histoire
bataille et evenementelle
MAAR: wat is het verband oorlog-staat-oorlog?
                      Koning om macht
                      Macht om staat
                      Koning om staat
Gaat niet over de middeleeuwen in veldslagen want de oorlog veranderde door buskruit
en handwapens. DUS: stadsverdedigingen en belegeringen ipv veldslagen. Voordien
korte conflicten worden oorlogen die duurder werden en dus moest men meer
belastingen heffen.

JAREN ’80: staatsvorming? Begint vanaf de Nieuwe tijd DOOR:
                                     Codificatie van recht als bescherming tegen de
                                        willekeur
                                     Instellingen en bureaucratie zorgen voor rationele
                                        beslissingen in staatszaken
                                     Belang van fiscaliteit leid naar
                                        gemeenschappelijke middelen voor het
                                        beschermen van territorium en burgers
                                     Opkomst van de diplomatie op internationaal
                                        toneel zoals vredeconferenties.
Dit geeft al een vrij modern beeld dat redelijk positief is met oorlog als de motor van
verandering. MAAR: gepaard met de administratieve revolutie werd er toch nog veel
willekeur genoteerd
LETWEL: sommige bronnen worden niet bewaard dus moeten we kritisch kijken naar
de ceremoniële positie die de koning gaat aannemen.

1990: patronage als beslissingsvorm? Geen contractensysteem meer zoals in de
middeleeuwen MAAR: vroegmodern als relatie tussen beschermheer en
gunsteling(bastardfeodalisme)= zeer verplichtend systeem van dienst en wederdienst
maar functioneert echter als een vroegmodern systeem ipv modern.
LETWEL: dynastie blijft belangrijker dan de staat als ordenend principe, loyaliteit aan de
dynastie ipv staat.MAAR dit systeem van gunsten leid tot rivaliteit en facties2
Sharon Kettering: de vorst blijft wel machtig maar de facties blijven hierbij ook een zwak
punt
BRONNEN:
               Ceremonie en festivalboeken
               Hoflijsten
               Formules in brieven
               Familiearchieven VS staatsarchieven
Echter kritiek uit de republikeinse geschiedenis door notaire uitzonderingen op
monarchieen:
               Mengvormen tussen monarchie en parlement
               Verdwijnen van de staten-generaal
               Mislukte revoluties

2   factie= groep edelmannen versus andere bende edelmannen
Namier:verschilt de politieke cultuur?
 via prosopografische methode in parlement geen onderscheid over politieke grenzen
heen enkel ideologische onderscheiden (elites komen goed overeen) hetzelfde werd
vastgesteld in de Republiek.
Staatsvormen zijn dus erg belangrijk maar hebben dezelfde politieke cultuur
Vandaag: (zie ppt)
Hoe opstanden vorm geven? Gaat terug op de kennis van mensen.
 Print and portrait= bij politieke geschiedenis alle soorten bronnen raadplegen.
Politieke geschiedenis handelt voor sommige over alle machtsituaties in de Nieuwe Tijd
op iedere niveau in de samenleving+verwevenheid met religie legt sommige
hiërarchieën bloot.

5.2Religieuze geschiedenis
in de Nieuwe tijd gekenmerkt door de uiteenvalling van het Christendom in
verschillende stromingen (zie ppt) en confessies die alle menen dat correct zijn.

Jaren ’50-’60: andere systemen van denken en geloof komen opzetten samen met een
andere wijze van Bijbelinterpretatie (groot onderscheid tussen ouderen en gelovigen
verdwijnt in synodes MAAR de hiërarchie in het katholicisme blijft).
BRONNEN: theologische traktaten zijn heel gekleurd dus GEEN NEUTRALE
GESCHIEDSCHRIJVING
 reacties op perspectief
Jaren ’70-’80: gelijkenissen onderzoeken(zie ppt)
BRONNEN:kerkraden en lokale synodes MAAR gaat niet meer louter om theologie maar
ook over de gewone man. De confessionalisering is nu een geaccepteerd fenomeen
MAAR bevat nadelen:
                       Gevaar van de top-down bekijken
                       Te staatsgezind
De bevolking legt mekaar regels op en vervolgt mekaar als bescherming van de sociale
orde, het is niet de bovenlaag die dit doet.
DUS: religieuze volkscultuur bevat mengvormen
BRONNEN: egodocumenten, gedichten, memoires

5.3 cultuurgeschiedenis
over de verhouding elitecultuur-volkscultuur= DE PARADOX VAN DE NIEUWE TIJD
 bijgeloof word met ander bijgeloof ondertekend (historische antropologie)
Elias: het hof is het model voor het volk (beschavingsoffensief) MAAR is niet zo
eenvoudig
Ginzburg het gewone volk kunnen de geleerde cultuur overnemen tot hun eigen
wereldbeeld door het lezen van boeken.
DUS: geen weerloos plebs KRITISCH
 fenomeen van hekserij heeft verschillende functies:
                        Geloof dat magie een gemeenschap kan beïnvloeden
                        Sociale functie om de onrust in de samenleving weg te nemen
                         (zoeken van een zondebok)
Men moet dus bestaande bronnen op een andere manier gaan lezen.
Zemon Davis:het volk beschikte over agency (gecontroleerde uitbarsting van geweld)
     volkscultuur komt in iedere bron voor om de klerk en de koning om de tuin te
        leiden (gratiedocumenten)
5.4 Sociaal-economische geschiedenis
kreeg in 1492 al globale kapitalistische trekjes.
Braudel: geboorte van het kapitalisme vind haar roots in de Nieuwe Tijd door de
wereldhandel van goederen. MAAR dit is niet het kapitalisme van de industriele
revolutie met specialisaties (kapitalisme dat weigert de specialiseren)
BRONNEN: uit handelsteden vanaf het mercantilisme pas op staatsniveau (ppt: the gift
economy patronage belangrijker dan geld)

1980:consumptie wint aan belang net zoals de middenklasse luxeproducten worden
voor iedereen bereikbaar en het is de vrouw die bepaald wat er in het gezin
geconsumeerd wordt.
LETWEL: er wordt te weinig gekeken naar de postcolonial approach en exotisme
Goederen worden goedkoper ter beschikking gesteld CONSUMER REVOLUTION= start
van de massaconsumptie.

Iedereen moet met de sociale context en cultuur rekening houden want ieder domein
zoekt andere bronnen.

HD6 : onderzoeksvoorstel
DOEL: de lezer overtuigen dat je een origineel voorstel hebt dat de moeite waard is om
verder uit te werken
 is dus een doordacht plan met een overtuigende uiteenzetting van wat je gaat doen.
KENMERKEN:
                         titel
                         onderzoeksvraag
                         bronnenselectie
                         historische bronnenkritiek
                         werkhypothese (te verwachten resultaten)

Het Examen:
Zonder handleiding een onderzoeksvoorstel maken via een casus waarvan je de
bronnen zelf moet kiezen en moet plaatsen in een historiegrafisch debat. !!! je
moet ook de relevantie van het onderzoek aanduiden en bronnentypes
bespreken via de historische kritiek

				
DOCUMENT INFO
Shared By:
Categories:
Tags:
Stats:
views:40
posted:9/12/2012
language:Dutch
pages:11