Het is niet zozeer dat de positie van Latijn in deze maatschappij verschoof by Inkibj4H

VIEWS: 49 PAGES: 102

									                        “Se hehsta cræft”*
                      Het doel van vertaling in
            het plan tot onderricht van Alfred de Grote




                                     doctoraalscriptie
                                studierichting geschiedenis
                                  Universiteit van Utrecht




Joost van Dijk
studentnummer 9006591
J.P.vanDijk1@students.uu.nl
Van Rijckevorsel van Kessellaan 56
5212 EG ’s-Hertogenbosch
073-6419018




                                                ’s-Hertogenbosch,17 januari 2007
*
    Oudengels voor “de hoogste deugd”.


                                                                               1
Inhoudsopgave




Inleiding                                             3


I De Angelsaksische schriftcultuur
Latijn en Oudengels in de tijd van Alfred            10
Een vergelijking met andere (Germaanse) volkstalen   16
De vertaalde werken en de heersende schriftcultuur   24


II Alfred als wereldlijk vorst
De positie van Alfred                                42
De Vikingen                                          49
Bestuur                                              57


III Alfred de christelijke vorst
Alfreds situatie                                     72
Alfreds doel                                         80
Alfreds cræft in de tiende eeuw                      87


Conclusie                                            93


Bronnen                                              99
Literatuur                                           99




                                                          2
Inleiding

                                                                                                         1
“…ðæt ðu ðone wisdom ðe ðe God sealde ðær ðær ðu hiene befæstan mæge…”
Aanleiding voor mijn onderzoek is de inleiding die Alfred de Grote schreef bij de
vertaling van de Cura Pastoralis2 van Gregorius de Grote. Hierin verklaarde Alfred
waarom hij liet vertalen en ontvouwde hij bovendien een kader waarin hij die
vertalingen plaatste, namelijk een groots plan tot onderricht. In de negende eeuw
werd er in Engeland namelijk vertaald van Latijn naar Oudengels. Het vertalen naar
de gesproken volkstaal was in deze tijd uitzonderlijk, niet alleen in Engeland maar in
geheel Europa.3 Er werd überhaupt weinig geschreven en dan nog hoofdzakelijk
door geestelijken. Die hadden in het klooster of in de kathedraal een opleiding hierin
genoten. Echter, ze schreven in het Latijn, de taal waarin de kerk van Rome
communiceerde en waarin veel kerkvaders hadden geschreven. Een enkele keer
werd er in West-Europa ook in Grieks geschreven buiten het Griekstalige Byzantijnse
Rijk maar dat gebeurde door hen die daar vandaan kwamen en altijd naast het Latijn.
Hebreeuws was helemaal een dode taal geworden en stond ook voor de meeste
geestelijken veraf.
        Het westen van Europa bevond zich in de tweede helft van de negende eeuw
in een turbulente tijd, in het bijzonder in bestuurlijk opzicht. Het rijk van Karel de
Grote was uiteen gevallen na de dood van diens zoon Lodewijk de Vrome in 840. In
het West-Frankische Rijk kreeg de adel veel macht en was de koning, ondanks zijn
Karolingische afkomst, “slechts” één van de machthebbers. De geestelijkheid, in de
vorm van de machtige aartsbisschoppen van Reims, had een grote lepel te brokkelen
in de pap. In het Oost-Frankische Rijk hadden de Karolingen meer macht behouden.
De koningen probeerden de bisschoppen en de abten bij het bestuur van zijn rijk te
betrekken maar dan liefst in een wat ondergeschiktere positie. Het Oost-Frankische
Rijk verschilde in een belangrijk opzicht met het West-Frankische: er werd in de
eigen (volks)taal gesproken, en later geschreven, en Latijn was de bestuurlijke taal.
In West-Francië was het Oudfrans voortgekomen uit het vulgair Latijn. De verschillen
1
  “(zo)dat je de wijsheid je door God gegeven gebruikt daar waar je kan”, in: Dorothy Whitelock, rev.,
Sweet’s Anglo-Saxon Reader (Oxford (1876) 1967), 5. Uit Alfred de Grote’s voorrede bij de Regula
Pastoralis van Gregorius de Grote. De vertaling is de mijne, JvD.
2
  In de Engelstalige wereld ook vaak Regula Pastoralis geheten. De volledige titel luidt Liber Regulae
Pastoralis.
3
  Met “Europa” wordt een geografisch begrip bedoeld. Zo was er bijvoorbeeld in Syrië, in de oude iets
grotere betekenis dan het moderne land, een levendige schriftcultuur in de taal Syriac, die, ironisch
genoeg, als term niet te vertalen is.


                                                                                                         3
waren toen nog bijzonder klein tussen Oudfrans en Latijn zodat Latijn zich zonder
veel moeite kon handhaven als bestuurstaal voor het gehele rijk. Bovendien waren
de laatste Germaanse dialecten van de van oorsprong Germaanstalige Franken
verdwenen.
       In Engeland was de situatie anders. De kerk was goeddeels met de Romeinen
in het begin van de vijfde eeuw verdwenen en daarmee ook het Latijn als primaire
bestuurstaal. Daarna kwamen er Germaanstalige volken naar de Britse eilanden. Na
verloop van tijd hadden deze Angelen, Saksen en Juten, gezamenlijk de
Angelsaksen, de oorspronkelijk Keltische bevolking onderworpen in het grootste deel
van Engeland. Na verloop van tijd raakten de Kelten in het onderworpen gebied
langzaamaan geassimileerd met de Angelsaksische bevolking. Dit proces hield in dat
de oorspronkelijke, Keltische dialecten langzaamaan verdwenen ten gunste van
Oudengels dat door de Angelsaksen werd gesproken. Er was echter niet een enkel
Angelsaksisch rijk: er waren er vele. Beroemd is het getal van Beda, die zeven rijken,
de heptarchie, onderscheidde. Het is wel zeker dat Beda’s beroemde heptarchie niet
geheel conform de werkelijkheid was, maar het is een indicatie voor de veelheid aan
rijken die er binnen het grondgebied van het huidige Engeland bestond. Gewoonlijk
had elk van deze staatjes een koning, met een bisschop naast zich voor het kerkelijk
bestuur. Vorst en kerkvorst waren zo nauw op elkaar aangewezen. En zo ook waren
er meerdere dialecten van het Oudengels4: de dialecten van Northumbrië, Mercia,
Wessex en Kent, althans zo worden ze tegenwoordig onderscheiden. Elk van de
dialecten kon in meer rijkjes gesproken worden. Maar het staat buiten kijf dat het
succes van een dialect afhankelijk was van de macht van de sprekers ervan.
       Aan het eind van de achtste eeuw maakten de Vikingen hun opwachting in
Engeland. Zij veroverden binnen korte tijd een groot deel van het noorden en oosten.
Hiermee werd eerst het lot van Northumbrië (in het noorden) bezegeld en daarna het
lot van Mercia (in het midden), ten gunste van Wessex (in het zuidwesten). De
tendens van de verschuiving van de macht in zuidelijke richting was al zichtbaar
maar werd door de Vikingen versterkt. Aan het eind van de achtste eeuw was

4
  Oudengels is de taal van de Angelsaksen die tot ongeveer 1100 gesproken werd. De Engelsen van
heden refereren aan die taal als Anglo-Saxon, een enkele keer als Old English. Ik gebruik hier
Oudengels. De spelling van “Oudengels” is volgens het Groene Boekje “Oudengels”. (Ik zou de
voorkeur geven aan het lostrekken van het voorvoegsel “oud” en de taal spellen als “Oudengels” (veel
mooier en duidelijker) ware het niet dat dit inconsistent is met de spelling van het woord
“Middelengels”; derhalve gebruik ik het Groene Boekje conform het lelijkere “Oudengels”. Bovendien
refereert “Oudengels” aan iets dat Engels is maar van voorbije tijd in het algemeen.)


                                                                                                   4
Northumbrië al niet meer het culturele centrum van Engeland maar Mercia.
Desalniettemin gaven de Vikingen de genadeslag aan Northumbrië en, naar later zou
blijken, ook aan Mercia, al ging dat laatste niet ineens en speelden de koningen van
Wessex hierin ook een grote rol. De ontwikkeling van de verschuiving van het
culturele centrum naar het zuiden en de ontwikkeling van de groeiende weerslag van
de Vikingen op de Angelsaksen speelde zich tegelijkertijd af en bracht Wessex in het
centrum van de Angelsaksische culturele en politieke macht.5
        Wanneer Alfred de Grote in 871 koning van Wessex werd, was dat rijk nog het
enige onafhankelijke Engelse koninkrijk, wat noodgedwongen leidde tot een nieuwe
visie op de staatszaken. In bestuurlijk opzicht was Alfred de leider van de Angelen,
Saksen en Juten die niet in Vikinggebied leefdeen. Mercia was al ernstig verzwakt na
de slag van Eddington in 825 waarbij de West-Saksen6 (van Wessex) overwonnen.
Nu was Mercia door de Vikingen, een eigen onhandige koning én Wessex
gereduceerd tot een rudimentair koninkrijkje waarvan de westelijke helft onder
suzereiniteit van Wessex viel en de oostelijke helft de Vikingrijkjes was toegekomen.
Uiteindelijk vielen vrijwel heel zuidelijk en westelijk Engeland 7 onder Wessex, dus
ook de bisdommen die niet in de noordelijke en oostelijke delen van Engeland lagen.
Die bisdommen raakten door de Vikingen ernstig in verval. Maar voor de bisdommen
in Wessex zou er ook iets veranderen. Één enkele bisschop naast een koning kon
niet meer: Wessex was te groot en omsloot meerdere bisdommen. De oude
coëxistentie van koning en bisschop stond hiermee op het spel. Zouden de
geestelijken in staat zijn het primaat van het nieuwe rijk Wessex naar zich toe te
trekken? Hoe wilde Alfred zijn gezag doen gelden? Hoe zou hij zich gaan handhaven
in de nieuwe bestuurlijk positie waarin hij en Wessex zich bevonden?
        Alfreds oplossing was ingewikkeld maar goed doordacht. Het Oudengels als
volkstaal speelde een cruciale rol. Alfred liet enkele bekende boeken van kerkvaders,
met name op het gebied van bestuur en de geestelijke legitimering daarvan, vertalen
en hij vertaalde zelf mee. Om zijn greep op kennis te vergroten leerde Alfred, toen hij
al koning was, zelf Latijn. Vervolgens propageerde hij de kennis uit de boekwerken

5
  Met nadruk wordt er van Angelsaksisch gesproken in plaats van Brits in deze context. Angelsaksisch
slaat op de Angelsaksen, Brits op de Kelten. Wat men nu onder Brits verstaat is pas van later tijd, vér
na de middeleeuwen.
6
  Hier “West-Saksen” in plaats van “Westsaksen”, om het onderscheid met de Saksen in Duitsland
duidelijk te laten blijken.
7
  Bewoond door de Angelen, Saksen en Juten, en grotendeels overeenkomend met het huidige
Engeland.


                                                                                                      5
die hij zelf vertaalde, of liet vertalen, aan zijn volk. Hij had hiermee meerdere doelen
op het oog, want de deplorabele staat van de kennis van het Latijn leidde tot
problemen bij de geestelijkheid in het naleven van haar taken voor ’s lands zielenheil.
Alfreds oplossing was even simpel als vérstrekkend: men diende zich eerst in het
lezen en schrijven van het Oudengels te bekwamen om daarna, eventueel, verder te
gaan in de studie van en in Latijn. De beheersing van het Oudengels was niet enkel
voor de geestelijkheid bedoeld maar voor iedere vrije man. Het bestuur van zijn rijk,
dat inmiddels in meerdere delen verdeeld was, berustte in toenemende mate bij het
lokale bestuur waar het lokale aangelegenheden aanging. Het rijk was te groot
geworden voor Alfred om overal zijn aanwezigheid te tonen. Hij schreef derhalve
instructies voor het bestuur die gelezen moesten kunnen worden door een lokale
ealdorman.8 Deze voorloper van de latere graaf werd hiermee impliciet aan Alfred
verbonden en hem werd zo minder de ruimte gelaten zelf maatregelen te initiëren. In
de praktijk betekende dit dat vooral de edelen zich moesten bekwamen in het leren
lezen en schrijven van de eigen taal. De volkstaal werd zo een symbool van de
wereldlijke en geestelijke eenheid van Alfreds rijk.
        De hoofdvraag die zich laat stellen is de volgende: Waarom liet Alfred de
Grote van Latijn naar Oudengels vertalen? Latijn was de taal van de Schrift,
algemeen gebruikt door de kerk en door vele bestuurders in Europa, getuige
bijvoorbeeld het voorbeeld van Karel de Grote, die overigens zelf niet schreef in
Latijn, maar het wel kon lezen. Wat verordonneerd werd, werd vaak gesteld in Latijn.
Slechts enkele wetten werden al in verschillende volkstalen opgesteld, in ieder geval
in de vele koninkrijkjes van de Angelsaksen zo getuigen ons enkele voorbeelden.9
Alfred had redenen om van de gesproken volkstaal de bestuurstaal te maken. Het
kan zijn dat er een ontwikkeling was die hij slechts voortzette, maar dat deed hij dan
wel krachtdadig en met zeer veel overtuiging. De deelproblemen die behandeld
worden omvatten derhalve de schriftcultuur in Engeland, de bestuurlijke positie die
Alfred innam zoals ontvouwd in de ideeën over bestuur die hij in zijn program tot
onderricht poneerde en de vooronderstellingen die Alfred had ten opzichte van zijn
taak als christelijk vorst en de context in welke hij die vooronderstellingen wilde
plaatsen om zijn herderlijke taak vorm te kunnen geven.

8
  Ealdorman is dan nog de enige min of meer adellijke titel die er circuleert. Uit vele functies aan het
hof ontstaan geleidelijk, maar later, de andere adellijke titels en functies.
9
  Dat er nog enkele voorbeelden over zijn kan wellicht duiden op een groter aantal, maar misschien
was er simpelweg de tijd niet aan een koning deze te codificeren.


                                                                                                           6
Het is niet dat er gestreefd wordt naar het zoeken van een eenduidig antwoord op de
vraagstelling. Er zijn veel gezichtspunten die alle een rol spelen. Het gaat erom een
constellatie van al die ontwikkelingen te vinden die plausibel is. Het ligt daarom in de
bedoeling deze vragen vanuit meerdere perspectieven te bekijken. In mijn scriptie
neem ik drie verschillende uitgangspunten om zo Alfreds program en de gevolgen
daarvan op wereldlijk en geestelijk gebied gescheiden te kunnen behandelen.
Bovendien wil ik voorwaardelijk voor de rest van de scriptie in het eerste deel de
Angelsaksische schriftcultuur behandelen en die vergelijken met de schriftcultuur in
enige buurlanden en buurvolkeren zoals onder meer in West-Francië, in Oost-
Francië en bij de Vikingen. Daarnaast wil ik kijken naar de praktische kant van
vertalen en welke problemen hierbij kunnen optreden. De in dit deel behandelde
periode begint met een schets van de schriftcultuur die al bestond vóór Alfred de
Grote en eindigt tegen het eind van de tiende eeuw wanneer er enkele gevolgen van
Alfreds onderricht10 en vertaalwoede duidelijk zijn geworden, maar het zwaartepunt
ligt bij Alfreds tijd en het programma tot onderricht.
       Het tweede deel handelt over de positie van Alfred als Angelsaksisch vorst. Ik
kijk naar welke bestuurlijke en organisatorische problemen met Alfreds plan tot
onderricht werden aangepakt. Er zijn                 hiervoor    verschillende     redenen. De
binnenlandse redenen concentreren zich op de nieuwe bestuurlijke eenheid van
Wessex en de rol van de lokale edelen hierin. Als belangrijke buitenlandse reden
gelden de Vikingen, zowel als reële entiteit met rondtrekkende en plunderende legers
als de superreële entiteit van de Viking als onzichtbaar, permanent gevaar in het
perspectief van volk en vorst. De rol die het vertalen naar Oudengels hierin speelde,
laat enig licht schijnen op de ideeën van Alfred over bestuur in zware tijden.
Bovendien wordt hier ook kort de inhoud van de vertaalde werken besproken in het
licht van de functie die zij voor Alfred hadden.
       Het derde deel behandelt Alfred als christelijk vorst. Hij was zeer devoot, maar
had praktische problemen aan te pakken. Om te beginnen veranderde de macht van
de bisschoppen. Het plan tot onderricht van Alfred speelde een rol in de positionering
van de bisschoppen ten opzichte van Alfred en zijn bestuur. Verder wordt er gekeken
naar de rol die de deplorabele toestand van de beheersing van het Latijn speelde

10
  Ik spreek hier van onderricht in plaats van onderwijs omdat onderricht ook het verschaffen van
voorlichting betekent. Bovendien betekent richten iemand leiden of besturen en in de bijbelse
betekenis ook recht doen. Alfred spiegelde zich graag aan de bijbelse vorst Salomo welke voorkeur
beter verwoord wordt met de term “onderricht”.


                                                                                                    7
voor de vertaaloverwegingen van Alfred ten gunste van het geestelijk welbevinden in
zijn rijk. De devotie van Alfred is een belangrijke grondslag, zo zal blijken, voor zijn
uitgangspunten en vindt zijn weerslag in de vertalingen en vooral in de
uitgangspunten die hij hanteerde voor zijn bestuur.
        Ik steun sterk op de inleiding die Alfred schreef bij de vertaling van de Regula
Pastoralis11 van Gregorius de Grote. Daarnaast is de ”biografie” van Alfred die werd
geschreven door een van zijn prominente, want bij naam genoemde, vertalers: Asser
van belang. In Assers Vita Alfredi,12 overigens in het Latijn opgetekend, wordt een en
ander over de beweegredenen van Alfreds vertaalplan ontvouwd. Verder is als een
lopende handleiding de Anglo-Saxon Chronicle van onschatbare waarde om
gebeurtenissen in een tijdkader te plaatsen.
        Door de hoge ouderdom van de primaire literatuur en het voortdurende
kopiëren ervan is het moeilijk om niet al het daarin beschrevene níét te wegen. Hoe
en door wie de zaken gepresenteerd worden is van groot belang voor de interpretatie
ervan. Het is belangrijk deze overwegingen mee te nemen in mijn betoog. Hiermee
kan worden aangetoond welke delen gekend kunnen worden als bouwstenen van dit
betoog en welke delen omstreden zijn en gekenmerkt moeten worden maar met enig
voorbehoud behandeld dienen te worden. Het kenschetsen van het waarom van de
vertalingen berust dus op sterkere en zwakkere bouwstenen die zorgvuldig in
fundament en opbouw gescheiden dienen te worden. Om dit doel beter te kunnen
bereiken zal ik veel hedendaagse auteurs over Alfred aan bod laten komen en hun
oordelen mee laten wegen. Veel is er al vertaald maar nieuwe inzichten, zowel uit de
geschiedwetenschap als uit de taalwetenschap en ook uit andere wetenschappen,
zorgen voortdurend voor een herinterpretatie van Alfred en zijn ideeën. De
wetenschap in de negentiende eeuw had heel andere uitgangspunten dan de
wetenschap van na de Tweede Wereldoorlog. In de jaren ’60 reageert de
wetenschappelijke wereld op de presupposities die eerder zijn gesteld. Dit proces
herhaalt zich voortdurend. Karl Popper gaat uit van het streven naar een zo hoog
mogelijke waarheidsvinding, ofwel corroboratiegraad.13 Dat streven als gevolg van

11
   Ik gebruik in mijn scriptie bij voorkeur de term Regula Pastoralis omdat die term door de meeste
Engelstalige schrijvers, die het leewendeel van mijn secundaire literatuur beslaan, gehanteerd wordt.
12
   Assers werk staat ook bekend als De Rebus Gestis Aelfredi, en er wordt als zodanig ook aan het
werk gerefereerd: Anton Scharer, Herrschaft und Representation, Studien zur Hofkultur König Alfred
des Großen (Wenen en München 2000), 66.
13
   Karl Popper spreekt van een zo hoog mogelijke corroboratiegraad wanneer men probeert na
weerlegging van eigen onderzoek bij de waarheid te komen. Hij erkent dat het bereiken van de


                                                                                                        8
onderzoeken is een groot goed, maar er mag niet worden vergeten dat er ook weer
kennis buiten de aandacht komt te liggen, die dan “herontdekt”, of liever opnieuw
geïnterpreteerd, moet worden. Van een lineaire ontwikkeling is zelden sprake. Men
kan de Zeitgeist maar moeilijk ontlopen. Bovendien worden er verschillende vragen
aan het materiaal gesteld in verschillende perioden. Mij is het erg vreemd dat nog
niemand de redenen van Alfreds vertaalprogramma, zoals hij die voorstelt en
postuleert in zijn begeleidend schrijven bij de vertaling van de Regula Pastoralis,
eerder onderzocht heeft op de manier die ik voorstel. Er is wel een en ander
onderzocht maar dan aan de hand van een andere, bescheidener vraagstelling. Ik
besef terdege dat men eerder aan hetzelfde materiaal andere vragen stelde en dus
andere bevindingen presenteerde dan ik in deze scriptie zal doen. Max Webers
ideaaltypering is hierop van toepassing.14 Het ideaaltype is een abstractie van
verschijnselen die waarneembaar zijn maar in een niet-empirisch geheel of model
worden gezet. Het eigentijdse materiaal over Alfred is beperkt en noopt tot het
abstraheren van de gegevens die beschikbaar zijn en het verbinden in een groter
verband. Zo een ideaaltypering kan niet zomaar weerlegd worden omdat hij van de
idee van de onderzoeker uit gaat. Hans-Georg Gadamer spreekt van “horizon” in dit
verband.15 De “horizon” is de achergrond van het handelen van iemand: zijn
vooronderstellingen en hun context. Gadamer erkent dat de “horizon” afhankelijk is
van de tijd waarin men schrijft, spreekt en leeft. Veranderingen die men incorporeert
in zijn eigen denken, en zijn eigen presupposities, kunnen nooit een geheel nieuwe
denkwijze bewerkstelligen. Dezelfde “horizon” blijft erachter liggen.
       Na de ordening van de voorwaarden en ideeën voor Alfreds vertalingen kan
het geheel in een groter verband worden gezet. In dit groter verband kunnen Alfreds
mening en idee getoetst worden aan de bevindingen die er in de loop der tijd zijn
gedaan. Dat zal in elk van de drie delen gebeuren. Het moge duidelijk zijn dat uit de
drie verschillende uitgangspunten Alfreds vertaalredenen in drie verschillende
betogen naar voren komen. Het is belangrijk niet te vergeten dat die alledrie
verschillende kanten uitdrukken van één persoon en zijn ideeën. De conclusie moet
derhalve meer zijn dan de som van de drie delen.



waarheid onmogelijk is. In: Michiel Leezenberg en Gerard de Vries, Wetenschapsfilosofie voor
geesteswetenschappen (Amsterdam 2001), 74.
14
   Leezenberg en De Vries, Wetenschapsfilosofie voor geesteswetenschappen, 146-147 en 246.
15
   Ibidem, 150-151 en 246.


                                                                                               9
I Angelsaksische schriftcultuur




Latijn en Oudengels ten tijde van Alfred


“…there were very few men on this side of the Humber who could understand their
divine services in English, or even translate a single letter from Latin into English”. 16
In zijn voorrede bij de vertaling van de Regula Pastoralis van Gregorius de Grote
lamenteert Alfred over de slechte staat van de beheersing van het Latijn door de
geestelijkheid. Hij weidt dan uit over de gevolgen die dit kan hebben gehad: de vele
aanvallen van de Vikingen op Engeland, als straf voor verzaking van religieuze
plichten. Maar hij laat het daar niet bij, want hij komt met een oplossing: het was de
bedoeling om via de studie van en in Oudengels door te stromen naar de studie van
het Latijn. Nu was dit proces van verslechterende beheersing van Latijn al langer aan
de gang maar juist Alfred stoorde zich hier bijzonder aan. Hij gebruikte deze staat
van de studie van het Latijn om orde op zaken te stellen in zijn nieuwe rijk. Het was
eigenlijk de aanleiding, maar een heel serieuze aanleiding. Er waren meerdere
redenen en overwegingen voor Alfred om de zaken op deze manier aan te pakken.
       Om te beginnen was Oudengels de taal die het volk sprak. Het Latijn was een
dode taal, misschien toen nog wel meer dan nu. Toen had men geen gymnasia of
andere scholen buiten de kloosters en hoorde Latijn niet tot het curriculum van de
edelen. De geestelijkheid had als het ware een monopolie op de bestudering van het
Latijn. Wilde men de taal leren dan was men genoodzaakt scholing te volgen bij de
clerus. Wij ontlenen een deel van onze woordenschat aan eeuwenlange bestudering
van het Latijn.17 Maar die luxe kende het Oudengels nog niet. Het Oudengels had al
wel een traditie in schriftcultuur, zij het zeer sporadisch. De discussie over het
gebruik is nog in gang omdat er weinig materiaal over is van voor Alfred de Grote.
Van voor 650 zijn er geen manuscripten over, en van voor 800 slechts enkele. 18 De




16
   Simon Keynes en Michael Lapidge, Alfred the Great, Asser’s Life of King Alfred and other
contemporary sources (Londen 1983) 125.
17
   George Hardin Brown, “The dynamics of literacy in Anglo-Saxon England”, in: Donald Scragg, ed.,
Textual and Material Culture in Anglo-Saxon England: Thomas Northcote Toller and the Toller
Memorial Lectures (Cambridge 2003) 185.
18
   R.I. Page, An Introduction to English Runes (Woodbridge 1973, 1999) 23.


                                                                                                 10
vroegere teksten zijn glossaria en van het literair getinte proza is pas vanaf 750 iets
bewaard gebleven.19
       De vroegste schriftcultuur in het Oudengels is bewaard gebleven in de vorm
van runen. Hoewel de runen al vroeg werden gebruikt en aangepast aan de
Oudengelse taal ligt het zwaartepunt van de inscripties die nog over zijn in de achtste
en de negende eeuw.20 Het is van het grootste belang om te stellen dat er gebruik
wordt gemaakt van de inscripties die ons nog resteren; het is onmogelijk om
definitieve conclusies over het materiaal dat heeft bestaan te kunnen trekken. Maar
men kan wel een en ander met grote waarschijnlijkheid duiden. Deze restrictie geldt
de gehele periode van de Angelsaksen, dat wil zeggen tot aan de invasie van Willem
de Veroveraar in 1066, en is een belangrijke, beperkende factor.
       Runen werden niet alleen in steen gehouwen maar bijvoorbeeld ook toegepast
op muntinscripties. Het zwaartepunt van het runengebruik ligt hoofdzakelijk in het
noorden en het oosten van Engeland. De kerk in het noordoosten van Engeland, die
voorkwam uit de evangelisatie door de Ieren, stond niet vijandig tegenover het
gebruik van runen. De kerk in het zuidwesten van Engeland, geïnitieerd door Rome,
waarschijnlijk veel meer, maar door het sporadische bronnenmateriaal is het
onmogelijk dat met zekerheid te kunnen stellen. De runeninscripties zijn onder meer
te vinden op de graftombe van Sint Cuthbert.21 Ook het gebruik op munten impliceert
dat de runen als onderdeel van een Angelsaksische schriftcultuur beschouwd
kunnen worden. Er zijn vrijwel geen runenstenen gevonden in het westen en het
zuiden van Engeland. En men ziet dat wanneer het centrum van de macht van de
Angelsaksen naar het zuiden opschuift in de negende eeuw er allengs minder
geschreven wordt met het runenschrift. Met de opkomst van Wessex is het gedaan
met de runen, alhoewel nog tot aan de millenniumwisseling volhard werd in het
gebruik ervan maar dat stond in geen verhouding meer tot de veelheid aan teksten in
boeken in deze tijd. Het gebruik van de Romeinse letters vervangt uiteindelijk de
runen geheel.
       De niet-christelijke gesels van Engeland, de Vikingen, hebben nog veel langer
runen gebruikt. Wanneer zij overgingen tot het christendom verdween bij hen ook de
traditie. Ook wanneer de noordoostelijke, Keltische kerk zijn positie na het concilie

19
   Angus Cameron, “The boundaries of Old English literature”, in: J. Douglas Woods en David A.E.
Pelteret, ed., The Anglo-Saxons, Synthesis and Achievement (Waterloo, ON 1985) 32.
20
   Page, An Introduction to English Runes, 21.
21
   Cameron, “The boundaries of Old English literature”, 34.


                                                                                                   11
van Whitby in 664 had verloren en die traditie langzaam maar zeker verdween, met
name na de verschuiving van het zwaartepunt van de Angelsaksische cultuur van het
noordoosten naar het zuidwesten van Engeland, verdween de rune uit de
Oudengelse cultuur. Wellicht zal de associatie met de Vikingen die ontwikkeling
hebben versterkt.
          Ook op het Germaanstalige vasteland van Europa werd het runenschrift
gebruikt. Het runenalfabet was ook prima toegesneden op de andere Germaanse
talen. In het Oost-Frankische Rijk was het runenschrift eigenlijk al verdwenen voordat
het rijk goed en wel bestond. Dat het ooit gebruikt was voor het Oudhoogduits staat
echter buiten kijf.22 Het lijkt erop dat wanneer een, in dit geval Germaanstalig, volk
zich organiseerde in een gestructureerder staatsverband de rune als middel voor
schrijven verdween. Feit is dat de ambtenarij van de nieuwe gestructureerde staten
hoofdzakelijk uit geestelijken bestond of was opgeleid door diezelfde geestelijkheid.
Het primaat van het Latijn, en enkele het christendom waardige structuren van de
Romeinse staat, werden zo onderwezen en verdrongen de minder op het
staatsbestel gerichte cultuur van de Germaanse stamverbanden. Derhalve kon het
zijn dat de overweldigende christelijk-Romeinse cultuur de minder zwaar met cultuur
en staat overladen runenschriften gewoonweg verdrong omdat het Latijn beter voor
de taak geschikt leek en bovendien de taal was van kerk en exegese. Die samenloop
is niet uit te sluiten en daarvan uitgaande was de ontwikkeling van kleine staat die
min of meer in stamverband was georganiseerd, zoals de rijkjes van de Angelsaksen
in het zuiden van Engeland van voor de overheersing en het primaat van Mercia en
vooral Wessex, naar een grotere staat met een georganiseerdere structuur een
logische ontwikkeling. Dan nog staat of valt die ontwikkeling met een krachtige
persoonlijkheid die dat kan opleggen, zoals bijvoorbeeld Karel de Grote dat deed in
het Frankische Rijk, driekwart eeuw voor Alfred de Grote.
          Het Oudnoors van de Vikingen stond het Oudengels heel na, meer nog dan
bijvoorbeeld Engels en Noors elkaar nu na staan. De verscheidene Keltische talen
van de Britse eilanden waren ook heel anders maar relateerden aan een zichtbare
cultuur. Dat was het Latijn niet gegeven. De taal bleef een vreemd element, en werd
bestudeerd met behulp van grammatica’s die veelal geschreven waren voor




22
     Wilelm Braune en Walther Mitzka, Althochdeutsche Grammatik (Tübingen 1967), 12.


                                                                                       12
Romaanstaligen.23 Ook al begonnen de verscheidene dialecten van het Latijn zich
ten tijde van Alfred de Grote te ontwikkelen tot aparte talen, ze stonden het Latijn nog
zeer na.24 Voor de sprekers van Oudengels was de bestudering van Latijn een hele
opgave, en die werd niet naar tevredenheid van Alfred uitgevoerd.
       Dat niet elke geestelijke Latijn beheerste, was een probleem dat al veel langer
bestond in Engeland. Ook Beda was zich daarvan bewust. 25 Beda had in de achtste
eeuw al een poging gedaan een enkel werk naar het Oudengels te vertalen. Het is in
het licht van de slechte beheersing van Latijn buiten de geestelijkheid al helemaal
niet vreemd dat reeds lange tijd wetten in Oudengels werden gesteld. Maar de
religieuze plichten hoorden eigenlijk in Latijn uitgevoerd te worden.
       Al voor Alfreds tijd was Latijn sterker gegrond in Mercia en Northumbrië dan in
Wessex. Toen de Vikingen in feite een eind hadden gemaakt aan deze twee rijken,
hadden ze ook een eind gemaakt aan de bestudering van het Latijn. Althans zo wil
Alfred ons doen geloven in zijn voorwoord bij de vertaling van Gregorius de Grote’s
Regula Pastoralis.26 Ooit was er een rijk religieus leven met Latijnse boeken die ook
echt gelezen én begrepen konden worden. Alfred zag in de aanvallen van de niet-
christelijke Vikingen een straf van God voor het niet voldoen aan de religieuze
plichten. En als de berg niet naar de profeet komt, zal de profeet naar de berg
moeten komen. Alfred verruimde het gebruik van de volkstaal. Ook de aanvankelijke
studie zou voortaan in Oudengels moeten geschieden. Wanneer men die taal in
schrift beheerste, kon men een aanvang nemen met de studie van Latijn. 27 Dit gold in
het bijzonder zij die zich aan de religieuze studie wilden wijden. Maar niet eerst dan
nadat men de eerste hordes in Oudengels had genomen. Alfred zorgde voor een
canon door zelf eerst de studie van Latijn en dan de vertaling naar Oudengels van
bepaalde werken ter hand te nemen. Omdat het een koning onmogelijk is alle tijd
aan vertalen te besteden, verzamelde Alfred een aantal geleerden, noodgedwongen
uit andere rijken, om zich heen. Zij konden dan met en voor hem vertalen. Aan die

23
   Helmut Gneuss, “The study of language in Anglo-Saxon England”, in: Donald Scragg, ed., Textual
and Material Culture in Anglo-Saxon England: Thomas Northcote Toller and the Toller Memorial
Lectures (Cambridge 2003), 80.
24
   In de negende eeuw beginnen de eerste geschreven documenten in het Oudfrans te ontstaan. Ook
voor de sprekers van de Romaanse talen werd het Latijn dan een dode taal. Maar voor hen was het
nog geen grote stap naar de bestudering van Latijn.
25
   Malcolm Godden, “King Alfred’s preface and the teaching of Latin in Anglo-Saxon England” in:
English Historical Review vol. CXVII, no. 472 (2002), 598.
26
   Naar de vertaling van Dorothy Whitelock in Dorothy Whitelock, ed., English Historical Documents,
c.500-1042 (Londen 1955) 31.
27
   Whitelock, English Historical Documents, 31-32.


                                                                                                 13
vertalingen zouden de opkomende clerus én de edelen zich kunnen laven. En dat
was gelijk de andere belangrijke reden om eerst studie van Oudengels te promoten:
de canon kon ervoor zorgen dat niet de geestelijken maar Alfred bepaalde wat er
bestudeerd werd door het opkomende bestuursapparaat van zijn rijk.
          Dat Alfred een verruiming van het gebruik van de volkstaal als schrifttaal
introduceerde, moge blijken uit het feit dat hij sterk de noodzaak voelde om vertalen
uit het religieus verantwoorde Latijn naar de volkstaal te verantwoorden. Hier
besteedde hij een aanzienlijk deel van zijn voorwoord van de Regula Pastoralis aan.
Dat de bisschoppen, die het nieuwe onderricht moeten uitvoeren, maar weten dat
Alfreds wil een goede, want gerechtvaardigde, wil is. Zo verhaalt hij successievelijk
van de Grieken die uit het Hebreeuws vertalen naar hun eigen taal, de Romeinen die
op hun beurt de vertaling naar Latijn ter hand nemen om vervolgens de heel logisch
beredeneerde lijn door te trekken naar Alfreds tijd en rijk. Een beetje zoals koninklijke
genealogieën teruggevoerd werden op verre, mythische maar religieus verantwoorde
voorvaderen.
          Maar vertalen is niet enkel letterlijk overnemen. Het is nog onduidelijk in
hoeverre Engelse geestelijken Hebreeuws en Grieks machtig waren.28 Maar het lijkt
er op dat Latijn, ook door de dan gangbare positie als kerktaal, verre het primaat
heeft ten opzichte van de andere twee. Bovendien hadden de kerkvaders direct in
Latijn geschreven. Enige honderden jaren later was er echter behoefte aan
interpretatie van de werken ten behoeve van een passender uitleg voor de nieuwere
tijd. Alfred kwam als koning in een unieke positie in Engeland: hij was de enige
koning die over bleef; de andere rijken waren ten onder gegaan door de Vikingen, of
door eigen sores. Die positie noopte Alfred tot onorthodoxe maatregelen.
Interpretatie van de werken van onder anderen Gregorius en Boëthius was een
geaccepteerde bezigheid, zo was Alfred bekend. Dat hij door middel van vertaling
van geselecteerde werken het initiatief naar zich toe trok, was een gebruik of idee
van een recenter datum. Een groot voorbeeld voor Alfred was Karel de Grote die in
zijn Admonitio Generalis ook onderricht sterk bepleitte, maar dan wel in Latijn. De
kern van de Admonitio Generalis behelsde de verbetering en de correctie op het
begrip van teksten. Het was niet de bedoeling om te vertalen, want voor de franken




28
     Gneuss, “The study of language in Anglo-Saxon England”, 101-102.


                                                                                      14
was Latijn de geëigende taal voor de liturgie, maar de eenheid in de liturgie kon wel
wat steun gebruiken. Voor Alfred was de idee van eenheid in het onderricht cruciaal.
          Het debat over de implicaties van vertalen op zich is nog in volle gang. Werd
er nu van Oudengels gebruik gemaakt omdat Alfred niet anders kon, of was de
bezigheid van vertalen een integraal onderdeel van de verschuiving van de positie
van Oudengels ten opzichte van Latijn? De religieuze leerboeken waren vrijwel
zonder uitzondering in Latijn geschreven en dat hield de positie van Latijn als
kerktaal sterk. Maar de kerktaal, als niet-gesproken taal, hield niet stand in een groter
wordend rijk met een groter wordend administratief apparaat. Bovendien moest naar
de huidige situatie toe gewerkt worden. Een rijk met meerdere bisschoppen,
bijvoorbeeld, vergde een sterkere sturing van de wereldlijk georiënteerde vorst als hij
zijn positie naast of zelfs boven de geestelijkheid wilde prolongeren. Bestuur vroeg in
de nieuwe situatie om een sterker bestuursapparaat ten behoeve van ’s rijks belang.
          Sommige historici en taalkundigen leggen de nadruk op de vertaalde werken
en de canon die zij representeerden. Hier ligt de nadruk sterk op eenrichtingsverkeer
naar de lezers toe. Wanneer de vorst een stevige positie in zijn rijk heeft, is daar
gemakkelijker de nadruk op te leggen. Men consolideert die positie als het ware,
maar enige interactie tussen vorst en, belangrijke, onderdanen is niet a-priori uit te
sluiten.
          Voor Alfred die aan het hoofd van een nieuw rijk in een nieuwe positie stond,
was dat niet genoeg. Daar is de andere zijde van het debat: de zijde die de nadruk
legt op vertaling als onderdeel van een nieuwe Angelsaksische schrift- en
bestuurscultuur. Misschien was dat ook wel meer geëigend voor een rijk waar men
het Latijn niet of nauwelijks machtig was.29 Robert Stanton suggereert zelfs een
dynamische Angelsaksische maatschappij waarvan vertalen en interpreteren een
belangrijke exponent was. Het is niet zozeer dat de positie van Latijn in deze
maatschappij verschoof, maar dat Oudengels een positie daarnaast kreeg, als het
ware als een verbindende schakel tussen de tot dan toe behoorlijk verschillende
waardering voor de volkstaal als schrifttaal en voor de kerktaal als schrifttaal. Dit
hoewel al in een vroeg stadium duidelijk was dat de kerktaal niet toereikend was als
bestuurstaal in Engeland, getuige onder meer de wetten die reeds lange tijd in




29
     Robert Stanton, The Culture of Translation in Anglo-Saxon England (Cambridge 2002), 4.


                                                                                              15
Oudengels werden gesteld. De wetten waren voor het alledaagse gebruik hoewel de
mozaïsche geboden daar natuurlijk een belangrijk onderdeel van vormden.30
       Uit interpretatie volgt een idee omtrent de ideeën en de aard van de bronnen
van de vertaler. De vertaler was hier Alfred, de koning, en hij had veel meer
bedoelingen met zijn canon dan enkel religieuze. Ook in andere, niet-Romaanstalige
rijken begon de afstand in grammatica en woordenschat tussen de kerktaal, die lang
synoniem was met de bestuurstaal, en de volkstaal te wringen. In het Oost-
Frankische Rijk, dat ook een groter wordend bestuursapparaat kreeg, begon de
volkstaal zich als geëigende taal voor tekst en uitleg te manifesteren. Zo was er
bijvoorbeeld in Oost-Francië de schrijver Otfrid von Weißenburg die in de volkstaal
schreef, ter vergelijking met Afreds gebruik van de volkstaal als schrifttaal.




Een vergelijking met andere (Germaanse) volkstalen


Om het Oudengels als schriftstaal in perspectief te zetten wil ik kijken naar de
volkstalen van de landen en gebieden rondom Wessex. Dat is niet voor elke taal te
doen door gebrek aan schriftcultuur, maar over de situatie van enkele andere,
Germaanse talen kan wel een en ander gezegd worden. De talen die worden
behandeld zijn het Oudhoogduits uit Oost-Francië en het Oudnoors van de Vikingen.
De situatie is voor beide talen heel verschillend. Het Oudhoogduits wordt in een groot
rijk gesproken en geschreven en rond de tijd van Alfred woonde het gros van de
sprekers ook in dat rijk. Het Oudnoors daarentegen werd door de nog losjes
georganiseerde Vikingen gesproken en had dus niet een rijk, of de machtigen van
een rijk, achter zich staan. Het is interessant de twee talen te kenschetsen in hun
gebruik en te vergelijken met de positie van Oudengels die Alfred die taal toebedacht
had. Ook wil ik even tippen aan de Keltische talen omdat die andere volken
representeren die in de buurt van Wessex leefden.


30
  D. van Hinloopen Labberton, De Angelsaksische Witena-Gemot en de Magna Carta Libertatum. De
Middeleeuwsche Oorsprong en Geschiedenis van het Engelsche Parlementaire stelsel. (Huizen
(1931), 120-121. Op de rug van het boek wordt, overigens, als titel genoemd: Het Engelsche
Parlementaire stelsel (schrijver: “Labberton”), terwijl op de voorkant D. van Hinloopen Labberton zijn
werk Magna Carta Libertatum en Witena Gemot. De Middeleeuwsche Oorsprong en geschiedenis van
het Engelsche Parlementaire stelsel noemt. Van belang voor mijn scriptie zijn voornamelijk de
opsommingen die hij geeft van de verschillende wetten. Derhalve is de haastklus die het proefschrift
werd, zoals Van Hinloopen Labberton zelf erkent in zijn voorwoord, voor mij niet zo een probleem.


                                                                                                   16
        Een aantal Germaanse volken werd door missionarissen uit Engeland bezocht
en het kan haast niet anders dan dat zij met hun bekeerlingen of toekomstige
bekeerlingen in de volkstaal spraken. De Germaanse talen waren in deze tijd nog
niet zo ver uit elkaar gegroeid. Het is helaas nog onduidelijk in hoeverre de Engelse
missionarissen, onder anderen Willibrord en Bonifatius, sporen van hun eigen taal in
bijvoorbeeld het Oudhoogduits hebben nagelaten.31
        De situatie van de volkstaal in de Frankische rijken was echter anders dan in
Engeland. In Engeland deelden de verschillende rijkjes van voor Alfred een
gemeenschappelijke taal. In Wessex speelde dus alleen Oudengels een rol.32 Zoniet
in Oost-Francië waar sprake was van een veelvoud aan Germaanse, en in zeer
mindere mate andere, volkstalen.33 Daar werden veel dialecten van het
Oudhoogduits en het Oudnederduits gesproken naast het Oudfries dat sterk verwant
is aan het Oudengels, en naast enkele Slavische talen in de randgebieden van het
rijk. Ook werd er aan de randen van het rijk een Romaanse taal gesproken die in die
tijd waarschijnlijk nog in de overgang van dialect van vulgair Latijn naar zelfstandige
taal zat: het Reto-Romaans.34 Latijn bleef een veel noodzakelijker positie in termen
van bestuur van het rijk houden dan in Wessex het geval was en kon zijn.
        In het Oost-Frankische Rijk werden veel Duitse dialecten gesproken. Deze
onderscheidden zich in twee groepen van dialecten ten tijde van Alfred. De eerste
groep was die van de Oudnederduitse dialecten. Hiertoe behoren het Oudsaksisch
en het Oudnederfrankisch, waaruit ook het Nederlands is voortgekomen. De andere
groep    bestond      uit   de   Oudmiddelduitse         en    Oudhoogduitse        dialecten.     Het
Oudmiddelduits was een aparte groep van dialecten maar is in deze tijd het
Oudhoogduits zeer nader gekomen zodat ze één groep gingen vormen. Het verschil



31
   Gneuss, “The study of language in Anglo-Saxon England”, 101-102.
32
   Wessex had hoogstwaarschijnlijk Cornwall al geannexeerd ten tijde van Alfred. Het Keltische
Cornish werd dan binnen de rijksgrenzen gesproken. Maar dat lijkt me eerder een versterking van de
noodzaak tot een stevig gezadelde rijkstaal voor Alfred dan een nadeel, des te meer omdat de Kelten
numeriek een kleine minderheid vormden waar het de sprekers van hun talen betrof, want verdwenen
Kelten geenszins, hun talen echter wel. Het is niet onwaarschijnlijk dat een gedeelte van hun
gebruiken is overgenomen door de Angelen, Saksen en Juten, of ten minste is blijven voortbestaan
naast die culturen, getuige onder meer het feit dat de taal Cornish nog tot in de achttiende eeuw werd
gesproken in Cornwall.
33
   Wolfgang Haubrichs, Die Anfänge: Versuche volkssprachiger Schriftlichkeit im frühen Mittelalter (ca.
700-1050/60) in: Joachim Heinzle, ed., Geschichte der deutschen Literatur van den Anfängen bis zum
Beginn der Neuzeit, Band I: Von den Anfängen zum hohen Mittelalter, Teil 1 (Frankfurt am Main
1988), 17.
34
   Gneuss, “The study of language in Anglo-Saxon England”, 17.


                                                                                                    17
tussen Oudhoogduits en Oudnederduits werd in de negende eeuw juist groter.35 De
grens tussen de twee groepen lag rond 1000 nog ten zuiden van Keulen maar is
daarna verschoven naar het zuiden van het Ruhrgebied.36 Dit suggereert dat het
Oudhoogduits terrein won op het Oudnederduits. Dat gebeurde onder meer in de
literatuur. Het zorgde er in elk geval wel voor dat er geen eenheid van taal was onder
het volk van het Oost-Frankische Rijk. Tezelfdertijd verloor Latijn het monopolie als
bestuurstaal. Formeel veranderde er niets, maar dat er in verschillende dialecten
gepubliceerd werd, ondermijnde de positie van het Latijn wel degelijk. Verder werden
er Slavische dialecten aan de randen van het rijk gesproken. Maar deze spelen geen
rol in de omwenteling van het Latijn als enige taal naar Latijn als één van de talen
waarin geschreven werd. Latijn werd immers niet gesproken in het Oost-Frankische
Rijk, zij het dat er zogenaamde taaleilandjes waren in de gebieden die het sterkst
door de Romeinen waren gekoloniseerd, zoals in en rondom Trier.37
       In een geheel andere situatie bevond zich het West-Frankische Rijk. Hier
hadden het Westfrankische dialect, dat gerekend wordt tot de Oudmiddelduitse
dialecten, het moeten afleggen tegen het Oudfrans. Het Oudfrans werd in deze tijd
voor het eerst opgetekend, althans de oudste ons bekende fragmenten stammen uit
deze tijd.38 En juist in deze negende eeuw hield het Westfrankische dialect als
Germaanstalige representant van de oorspronkelijk Germaanstalige Franken in
West-Francië op te bestaan. Lange tijd heeft er in het noorden van Frankrijk, België
en Lotharingen tweetaligheid bestaan. Het Oudfrans nam het uiteindelijk over van de
Oudhoogduitse en Oudnederduitse dialecten, maar dit was geen snel proces en
duurde van de zevende tot de negende eeuw. 39 Taalveranderingen worden snel
geïnitieerd door verandering in de politieke situatie maar in de praktijk wordt die
politieke wens pas veel later overal werkelijkheid, getuige ook de lange tijd die het
Engels nodig had om uiteindelijk in alle delen van het vergrote Wessex door te
dringen, met name in Cornwall.




35
   Gneuss, “The study of language in Anglo-Saxon England”, 36.
36
   Braune en Mitzka, Althochdeutsche Grammatik , 3.
37
   Gneuss, “The study of language in Anglo-Saxon England”, 35. Hier hield Latijn langer stand dan
elders maar het einde was evident.
38
   Kenneth Katzner, The Languages of the World (Londen 1977) 13. Het eerste document in het
Oudfrans dateert van 842.
39
   Gneuss, “The study of language in Anglo-Saxon England”, 66.


                                                                                                    18
       In het noorden van Italië werd er Lombardisch40 gesproken, een Oudhoogduits
dialect. Uiteindelijk werden de Lombarden, net als de West-Franken, geromaniseerd,
dat wil zeggen dat ze het Romaanstalige dialect van de streek overnamen, hoewel zij
de leiding, althans ten dele, overnamen van het nieuwe, Lombardische rijk. De
Angelsaksen daarentegen namen de leiding over van de Kelten maar behielden ook
hun taal. Dit zou er op kunnen wijzen dat hun aantal procentueel groter was. Hoe het
ook zij, de Angelsaksen hadden aanvankelijk wel degelijk te maken met
anderstaligen, namelijk de Kelten die nog lang hun culturele identiteit konden
handhaven.41 De Kelten verging het als de Romaanstaligen in het Oost-Frankische
Rijk: de laatste eilandjes van sprekers van de oude taal gingen op in de
vermoedelijke meerderheid van de sprekers van de nieuwe taal. In ieder geval
zorgde het primaat in bestuur van het nieuwe volk van de Angelsaksen en diens taal
daarvoor, want de Kelten gingen voor een groot deel op in de Angelsaksische
cultuur, hoewel nog niet vaststaat hoeveel van hun eigen cultuur was geassimileerd
met de Angelsaksische cultuur. Dit proces was in Engeland goeddeels voltooid rond
800. Rond 650 was al het grootste deel van Engeland op de Kelten veroverd, althans
wanneer men van taal spreekt.42 De Angelsaksen waren er redelijk succesvol in
geslaagd hun taal, en hun eigen cultuur, op te leggen aan de oorspronkelijke
bewoners van het gebied. De West-Franken verging het niet zo, evenals de
Lombarden: zij raakten juist geassimileerd in de bestaande culturen, misschien
omdat zij met een degelijker, Romeins-georiënteerd staatsbestel te maken kregen.
Ten tijde van Alfred hadden de Angelsaksen op de Kelten een voorsprong waar het
de organisatie van hun rijk betrof.
       De eerste literatuur in het Oudhoogduits verschijnt in de jaren ’60 van de
achtste eeuw. Otfrid von Weißenburg, een monnik, schrijft over de evangeliën in zijn
eigen taal. En dat is geen sinecure voor hem, want hij moet zich hiertoe van het
Latijnse schrift bedienen voor een taal waarvoor het Latijnse schrift niet geëigend
was.43 Maar, en dit is van belang, hij verklaart zijn keuze voor de volkstaal kort:



40
   Ook “Langobarden” of “Longobarden” genoemd.
41
   Derek Gore, “Britons, Saxons, and Vikings in the South-West” in: Jonathan Adams en Katherine
Holman, ed., Scandinavia and Europe 800-1350, Contact, Conflict, and Coexistence (Turnhout 2004),
36.
42
   David Graddol, Dick Leith en Joan Swann, English, History, Diversity and Change (Londen 1996),
106.
43
   Braune en Mitzka, Althochdeutsche Grammatik, 12.


                                                                                              19
“Nu es fílu manno inthíhit, in sína zungun scríbit,”
(Nu er veel volkeren ondernemen, in de eigen taal te schrijven.)44
Er was dus niet alleen sprake van het gebruik van volkstalen als schrifttaal door
verschillende volkeren, het gebruik ervan buiten het eigen taalgebied was bekend. In
ieder geval wist Otfrid ervan en hij schroomde niet dit feit te gebruiken als
verantwoording: hij ging ervan uit dat hij op bijval zou kunnen rekenen. Het motief
voor het gebruik van de volkstaal ligt nog dieper en vertoont overeenkomst met de
motieven van Alfred. Otfrid vervolgt :
“Wánana sculun Fránkon éinon thaz biwánkon,
ni sie in frénkisgon bigínnen, sie gotes lób singen?”
(Waarom zouden alleen de Franken ervan afzien, in de Frankische taal Gods lof te
bezingen?)45
       Ook Alfred noemt dit religieuze aspect als de belangrijkste reden om de
volkstaal als schrifttaal te gebruiken. Helmut Gneuss noemt als mogelijke oorzaak
voor de roep om meer gebruik van eigen taal het feit dat naast Romaanstaligen de
Franken zelf de bisschopszetels bekleden in het Frankische Rijk. 46 Blijkbaar stond
het Latijn de Frankische bisschoppen te veraf, want het leidt geen twijfel dat zij het
Latijn machtig waren. Maar hun machtsbasis is zeker ontleend aan het feit dat zij uit
de geledingen van het volk kwamen. De loyaliteit van het volk bestond in die tijd uit
een beperkt gebied. Zo een gebied had in Engeland de grootte van een hedendaags
Engels graafschap.47 Romaanse talen versterkten een lokale machtsbasis niet. De
macht van een Romaanstalige bisschop zou van bovenaf moeten komen. Hij kon
eenvoudigweg niet zonder de steun van de regerende vorst. Misschien dat dit proces
ook in Engeland de achteruitgang van het Latijn heeft bevorderd. Overigens heb ik in
de literatuur over de Oost-Frankische gebieden geen lamentaties over de slechte
staat van bestudering en beheersing van het Latijn gevonden. Voor het West-
Frankische Rijk gold eerder het tegenovergestelde: Alfred nodigde menig West-
Frankische geestelijke uit naar zijn koninkrijk om met hem de vertaling naar
Oudengels ter hand te nemen.



44
   Gneuss, “The study of language in Anglo-Saxon England”, 18.
45
   Gneuss, “The study of language in Anglo-Saxon England”, 18.
46
   Ibidem.
47
   Eric John, “The age of Edgar”, in: James Campbell, ed., The Anglo-Saxons (Londen 1982, 1991),
173.


                                                                                                   20
       Wat kon het belang zijn van de teksten van Otfrid von Weißenburg en de
zijnen waarmee zij hun landgenoten verblijdden? De Evangeliën speelden een
hoofdrol in die literatuur van Otfrid, maar belangrijker was het feit dát zij zich in
volkstaal ging uitdrukken. De taal werd door de literatuur een bindend element voor
de lokale eenheden die als basis golden voor het grotere rijk. De dialecten waren in
deze tijd nog legio en helemaal niet afgebakend en vastgelegd; de schrijvers
waagden zich op nieuw terrein. De volkstaal moest als het ware ontdekt worden: er
was geen grammatica voor de volkstaal, er was geen referentie in de volkstaal. Otfrid
von Weißenburg geldt nu als een literair hoogtepunt, maar hij was zeker niet de
enige schrijver in de volkstaal. Zo was er bijvoorbeeld de elfde-eeuwse monnik
Notker Labeo.48
       Die monniken-schrijvers waren allemaal opgeleid in Latijn en die taal heeft
derhalve veel vertalingen en literaire stijlfiguren gedicteerd. Dit was zowel een nadeel
als een voordeel. Het nadeel zit hem erin dat structuren van het Latijn niet altijd even
geëigend waren voor de ontdekking van en de vertaling naar de Germaanse
volkstaal. Het voordeel was dat Latijn een gedegen literatuur met zich meebracht die
veel verder ging dan enkel het christendom. De boeken in die taal verschaften de
nieuwe, volkstalige literatoren een heel canon, ook voor de staatsinrichting. Het is
dan ook niet vreemd dat er vaak gerefereerd werd door de monniken-schrijvers aan
werken in het Latijn. Zij deden dat zozeer dat de noodzaak tot vertaling naar de
volstaal werd ervaren om het eigen volk een bindende, culturele basis te verschaffen
die Latijn niet kon bieden.
       In een heel andere situatie bevond zich het Oudnoors. Rond het jaar 900
begonnen de aanvankelijk dicht bij elkaar staande dialecten van het Oudnoors uit
elkaar te groeien.49 Deze dialecten zouden te zijner tijd uitgroeien tot de moderne
Scandinavische talen. Het Oudnoors bestond in deze tijd uit het Oudnoorweegse50,
het Oudijslandse, het Oudzweedse, het Ouddeense en het Oudgutnische51 dialect.
Het laatste werd gesproken op het eiland Gotland. De deling suggereert politieke
eenheden in het Scandinavische gebied, maar die waren in Alfreds tijd nog zeer los.
48
   Gneuss, “The study of language in Anglo-Saxon England”, 14-16.
49
   Friedrich Ranke en Dietrich Hofmann, Altnordisches Elementarbuch (Berlijn, New York 1988) 11.
50
   Wanneer er aan het dialect van het Oudnoors gerefereerd wordt dat in Noorwegen werd gesproken,
gebruik ik de term Oudnoorweegs om verwarring met de taal als geheel te voorkomen. Jan de Vries
gebruikt de term bijvoorbeeld regelmatig in: Jan de Vries, Studiën over Færösche balladen (Haarlem
1915), passim.
51
   De Nederlandse Taalunie adviseert mij de namen Oudgutnisch of Oudgotlands te gebruiken voor dit
dialect waarvoor eigenlijk nog geen Nederlandse naam was (d.d. 6-12-2006).


                                                                                               21
Weliswaar werd er meer en meer geprobeerd de handen ineen te slaan, maar de
ontwikkelingen waren van dien aard dat een groter rijk in de praktijk steeds tijdelijk
was omdat de regering bij één persoon lag en teveel op diegeen berustte.
       De runen hebben een lange geschiedenis in het Oudnoors, veel langer dan in
de andere Scandinavische talen. Waar ze in het Oudhoogduits al ten tijde van Alfred
zo goed als verdwenen waren en in Engeland nog slechts sporadisch werden
gebruikt, bijvoorbeeld bij muntslag, werden ze in Scandinavië steeds aangepast en
zijn er drie, steeds verbeterde, versies. Rond 900 werd zichtbaar waar het met de
runen naar toe ging. Engeland fungeerde als een voorbode voor het Oudnoorse
runengebruik. De omzetting naar het Latijnse schrift geschiedde in Scandinavië later;
de wortels werden gelegd door het christendom en het daarbijbehorende Latijn. Toen
kwam de ontwikkeling van het runenschrift tot stilstand. In afgelegener gebieden
kwam die ontwikkeling echter pas na de tijd van Alfred de Grote.52
       In Engeland ontstond na de vrede van Alfred met Guthrum 53 een afgebakend
gebied waar de Vikingen heersten, de zogenaamde Danelaw.54 Deze Vikingen
kwamen hoofdzakelijk uit Denemarken. Schotland en de eilanden om Schotland
werden voornamelijk bezocht en bewoond door Vikingen uit Noorwegen. De exacte
grens tussen de gebieden waar het Oudnoorweegse en het Ouddeense dialect
prevaleerden is moeilijk te bepalen, maar gemakshalve kan men aannemen dat de
Vikingen in de Danelaw Deens van origine waren. De term Danelaw laat zien dat de
Angelsaksen de Denen de benaming Vikingen lieten invullen, alhoewel ook de term
Nortmanni voor de Vikingen regelmatig opduikt.55
       De Deense origine van de Vikingen in het gebied van de Danelaw zorgde er
geenszins voor dat zij perse dominant waren. Verschillende delen van het gebied
werden door verschillende hoeveelheden nieuwkomers gekoloniseerd. Niet in elk
gebied was de aanwezigheid van de Denen even sterk. En het is dan ook de vraag
in hoeverre Oudnoors, in het bijzonder het Ouddeense dialect, werd gesproken op de
langere termijn. De wetten in het gebied worden nu niet meer als enkel Deens,

52
   Marius Hægsted en Alf Torp, Gamalnorsk ordbok, med Nynorsk tyding (Oudnoors woordenboek
met modern-Noorse verklaring) (Kristiania (Oslo) 1909), ix-x.
53
   Ook: Gudrum.
54
   De term Danelaw werd voor het eerst gebruikt door aartsbisschop Wulfstan van York in 1002 en
1008. Dus ruim honderd jaar na de tijd van Alfred. Katherine Holman, “Defining the Danelaw” in:
James Graham-Campbell, Richard Hall, Judith Jesch en David N. Parsons, ed., Vikings and the
Danelaw. Select Papers from the proceedings of the thirteenth Viking Congress, Nottingham and York,
21-30 August 1997 (Oxford 2001), 2.
55
   Anglo-Saxon Chronicle, MSA (Parker Chronicle), passim .


                                                                                                22
waarop de term Danelaw gebaseerd is, gezien. De wetgeving van de Denen was
daarnaast behoorlijk flexibel en veranderde voortdurend, naar men aanneemt
wanneer de situatie zich daartoe voordeed. Het is daarom waarschijnlijker dat er
vanuit een Anglo-Scandinavische combinatie een nieuwe, daarvan afgeleide,
wetgeving ontstond die in de loop van de tijd aangepast werd.56
       De vraag rijst in hoeverre het Oudnoors aan deze ontwikkeling onderhevig
was. Het lijkt erop dat de invloed van de geïmmigreerde Denen in zekere mate gold
maar niet de enige factor was. De hybride Anglo-Scandinavische cultuur domineerde.
Vaak wordt er uitgegaan van de vele plaatsnamen in Engeland, met name in het
gebied van de Danelaw, die van Scandinavische origine zijn. Dit is echter een lastig
bewijs. De naamgeving sluit niet uit dat er in een dorp ook Angelsaksen woonden.
Het is zelfs zeer waarschijnlijk dat anderen de namen aan een plaats gaven. Dat zou
dan betekenen dat degenen die de macht over het gebied van de plaats uitoefenen
van Scandinavische origine waren, en dat was waarschijnlijk ook het geval. Verder
was het mogelijk dat er meerdere namen voor een plaats in omloop waren. 57 Het is
nogal lastig om uit een enkel element de situatie van de Angelsaksen versus de
Vikingen te kenschetsen. In de Anglo-Saxon Chronicle wordt ook meer verhaald van
de Vikingaanvallen vanuit het Scandinavische gebied en niet zozeer vanuit de
Danelaw. Er lijkt sprake te zijn van een zekere assimilatie, zeker omdat de nieuwe
inwoners van Deense origine net zo goed werden aanvallen door de plunderende
Vikingen. De aandacht voor het gevaar van de Vikingen in de Anglo-Saxon Chronicle
richt zich meer naar Alfreds belang van het aantonen van een blijvend gevaar van de
Vikingen, uit Scandinavië, die de Angelsaksische natie onder Alfred moet bestrijden.
        Dat er nog lang in delen van Engeland Oudnoors gesproken werd, zelfs tot
circa 1100,58 zegt nog niet veel over de verspreiding ervan. De bewijzen voor het
lange gebruik zijn legio, vooral in schrift, maar zeggen helaas niets over het aantal
sprekers ervan. David N. Parsons noemt veel redenen op die mogelijk zijn maar
ordent eigenlijk de vraagstukken die hieromtrent bestaan. Vermoedelijk is het het
Oudnoors vergaan zoals de Keltische talen: langzaamaan verdween de taal ten
gunste van het Oudengels. Misschien dat de voortdurende toestroom van nieuwe

56
   Katherine Holman, “Defining the Danelaw”, 4.
57
   D.M. Hadley, “”And they proceeded to plough and to support themselves”: The Scandinavian
settlement of England” in: Anglo-Norman Studies XIX (1997), 74.
58
   David N. Parsons, “How long did the Scandinavian Language Survive in England? Again.” In:
Vikings and the Danelaw. Select Papers from the Proceedings of the thirteenth Viking Congress,
Nottingham and York, 21-30 August 1997 (Oxford 2001), 302.


                                                                                                 23
Vikingimmigranten op bepaalde plaatsen de taal nog lang in stand heeft kunnen
houden, maar ook dan zullen de taal en de cultuur sterk onderhevig geweest zijn aan
de hybride, Angelsaksisch-Scandinavische vorm. Het gevaar voor Alfred kwam
vooral uit Scandinavië zelf en het is niet vreemd dat in de Anglo-Saxon Chronicle
daar vooral de aandacht op gevestigd wordt of dat nou reëel was of dat Alfred de
zaak zwaarder voordeed ten behoeve van dynastieke en staatkundige verlangens
doet er dan eigenlijk niet zoveel toe.
       D.M. Hadley brengt de vraag te berde in hoeverre de Angelsaksen in de
negende eeuw christelijk waren en in hoeverre zij nog de Germaanse goden
aanhingen.59 Was er een duidelijk onderscheid tussen de geloven en werd die ook
als zodanig opgevat? Het is bekend dat er enkele heidense riten tot ver in de
twintigste eeuw hebben voortbestaan, en soms zelfs nu nog bestaan denk maar aan
de Keltisch-geïnspireerde druïden van Stonehenge. In hoeverre die gebruiken als
heidens werden gezien of als geïntegreerd gebruik in de christelijke maatschappij is
niet duidelijk en vrijwel niet te achterhalen. Het lijkt erop dat Alfred in ieder geval een
duidelijk onderscheid wilde maken tussen zijn volk en de Vikingen. Dit kwam tot
uiting in de keuze van de werken die werden vertaald.




De vertaalde werken en de heersende schriftcultuur


        Voordat Alfred liet vertalen naar het Oudengels was er in beperkte mate een
schriftcultuur in die taal. Al lange tijd werden er wetten in de volkstaal opgetekend,
onder anderen door Alfreds voorganger als koning van Wessex, Ine (regeerperiode:
688-726). Naast een traditie in Wessex had Kent ook een traditie in het codificeren
van wetten, die zelfs nog ouder was. We hebben heden ten dage maar een beperkt
aantal codificaties over. In de kronieken wordt melding gemaakt van het feit dat
bijvoorbeeld de niet te geringschatten koning Offa van Mercia wetteksten op schrift
zou hebben laten stellen. Daar is helaas niets van over, hooguit kan het zijn dat
enkele wetten opgenomen zijn in latere codificaties.60 Na de verovering van Mercia
door Wessex werd de traditie van Mercia opgenomen in Alfreds codificatie naast


59
   D.M. Hadley, ““And they proceeded to plough and to support themselves”: The Scandinavian
settlement of England”, 92.
60
   D. van Hinloopen Labberton, Magna Carta Libertatum en Witena Gemot, 117.


                                                                                              24
oud- en nieuwtestamentische voorbeelden.61 Maar de hoofdmoot bestaat toch uit de
wetten van Ine. Deze behelzen onder meer wat men aan weergeld, “vergoeding”,
verschuldigd was naar gelang de rang van het slachtoffer in de maatschappij. Voorts
bestaan de wetten uit vele geboden. Ze hebben een sterk a-prioristisch karakter, wat
overeenkomt met de leeftijd van de wetten; ze zijn immers veelal gewoon
overgenomen terwijl de situatie in Engeland in 150 jaar behoorlijk veranderd was.
Misschien was die verandering in het alledaagse leven minder te bespeuren. Alfred,
echter, begint met de Tien Geboden van Mozes. Dat is een mooi, vast punt om mee
te beginnen voor een wettekst en bovendien christelijk verantwoord. Alfred vervolgt
met de opname van enige wetten van koning Æthelberht (Aedhelbyrht) van Kent.
Tijdens diens      bewind werd het aartsbisdom Canterbury gesticht en het bisdom
Rochester, beide in Kent. Augustinus de eerste aartsbisschop der Angelsaksen en
gerenommeerd voorbeeld, wordt hiermee verbonden met het rijk van Alfred en diens
wetgeving.
        Overigens moet vermeld worden dat wetgeving niet alleen door de koning
werd gemaakt. De witan, of gewitan, een raadgevende vergadering, had hier een
belangrijke rol in. In de witan zaten de edelen, ealdormen, en bisschoppen en ’s
konings dienaren, de thegn. Bijvoorbeeld bij opvolging van de koning had de witan
een belanghebbende, misschien beslissende, stem. In wetgeving was het een
belangrijk adviserend orgaan.62
        Alfred creëerde uit verschillende bronnen een amalgaam aan wetteksten, dat
was gebaseerd het voorbeeld van de wetten van koning Ine. Het is niet
onwaarschijnlijk dat Alfred bewust een amalgaam creëerde van wetteksten, want hij
had immers een nieuw en groter rijk met verschillende tradities om rekening mee te
houden. Kent en gedeeltelijk Mercia waren in Alfreds tijd geïncorporeerd in Wessex.
Mercia stond op iets grotere afstand, maar Kent was helemaal West-Saksisch
geworden. Om een koning van alle Angelsaksen te zijn moest hij de tradities van de
verscheidene volken63 eren, in het bijzonder die van het voorheen machtige Mercia

61
   Simon Keynes, “The power of the written word: Alfredian England 871-899” in: Timothy Reuter, ed.,
Alfred the Great (Papers from the Eleventh-Centenary Conferences) (Aldershot en Burlington, VT
2003), 189.
62
   D. van Hinloopen Labberton, Magna Carta Libertatum en Witena Gemot, 125.
63
   Ik spreek hier bewust van verscheidene Angelsaksische volkeren. Het zou eigenlijk beter zijn te
spreken van stammen binnen een volk. Maar in deze tijd is zelfs Alfred nog niet helemaal zeker van
het feit dat de volken één zijn. Ze spreken wel dezelfde taal, maar deze definitie van volk is een
negentiende-eeuwse. In deze tijd, en in de latere historiografie, wordt gewoonlijk van de verschillende
Angelsaksische volkeren gesproken. Het lijkt mij gerecht dit hier vol te houden.


                                                                                                    25
daar dat rijk met Alfreds goedkeuring door een ealdorman uit Mercia bestuurd werd.
Naast de lokale traditie wilde Alfred zich graag associëren met de bijbelteksten
inzake wetgeving, als het ware om zich door God te laten legitimeren. Hoe het ook
zij, het lijkt er sterk op dat Alfred een nieuwe, grotere éénheid wilde maken van zijn
land en dat de wetteksten daarvan een voorbeeld waren.
        In zijn voorwoord bij de Regula Pastoralis refereert Alfred aan het gebrek aan
kennis dat men heeft van Latijn. Maar de traditie van wetteksten die in Engels zijn
opgesteld suggereert dat Engels, en niet Latijn, de omgangstaal was voor het
bestuur, al sinds vroeger dagen. De koning gaf zijn directieven in de vorm van de
zogenaamde charters. De vorm van direct bestuur lijkt dus voorheen veel minder
geënt te zijn op de Romeinse traditie dan Alfred graag zou willen doen geloven.
        Beda noteert dat koningen die een aanzienlijk deel van Angelsaksisch
Engeland onder hun bestuur hadden bretwalda genoemd werden.64 Zo een
bretwalda had een grote invloed maar die vervlood gewoonlijk na diens overlijden.
Zelden kon een dynastie zich handhaven. Dat betekende dat rijken afwisselend sterk
en zwak waren en op een gegeven moment opgingen in andere rijken. Dan werden
familieleden van de koning soms beloond met het bestuur over zo’n geannexeerd
rijksdeel, zoals Alfreds oudste broer ook te beurt was gevallen. Een enkele maal
ontving zo’n deelrijk dan weer zijn onafhankelijkheid. Dit kon doordat alle koningen,
naar traditie, van de eerste Angelsaksische immigranten en koningen Hengist en
Horsa afstammen. Kon een koning zijn bloedlijn, eventueel met kunst en vliegwerk,
herleiden tot deze twee, dan was hij gelegitimeerd koning van een van de
Angelsaksische rijken te zijn. Het probleem was dat de families steeds schaarser
werden naarmate het aantal rijken en rijkjes in aantal afnam.
        Probleem voor Alfred was dat door de Vikingen er nog maar één echt
Angelsaksisch rijk over was, namelijk het zijne. Een dynastie voortzetten door te
trouwen met leden van andere koninklijke families werd zo een groot probleem.
Alfred laat zijn dochter, Æthelswith, huwen met een telg uit het geslacht van Mercia,
maar dat is nog een van de weinige mogelijkheden. Hierdoor verbindt hij wel twee


64
  Bretwalda, ook brytenwalda, betekent “brede regeerder” of vrijer vertaald “groot-koning”. (Vergelijk
ook het onderscheid in Arisch (=Indo-Europees, waartoe ook de Germanen horen) India tussen raja,
koning, en maharaja, groot-koning.) Beda classificeerde de bretwalda’s niet als een familie maar als
enkele koningen die eigenlijk een groter status hadden dan de andere contemporaine koningen. Een
bretwalda is in dit geval een eretitel. Zie: James Campbell, Eric John en Patrick Wormald, ed., The
Anglo-Saxons (Londen 1982, 1991), 53.


                                                                                                     26
huizen aan elkaar: het huis Mercia aan dat van Wessex. Hij brengt hiermee ook
tradities onder de noemer van Wessex samen.
        Uit de Anglo-Saxon Chronicle spreekt zeer sterk een legitimatie van Alfreds
regering en zijn dynastie. De Anglo-Saxon Chronicle is waarschijnlijk opgesteld
tijdens de regeerperiode van Alfred. Alle tekenen van de verschillende versies die er
nog zijn wijzen hierop. Tot het jaar 891 hebben de zes versies veel gemeen. 65 Over
de hele linie leidden de gebeurtenissen altijd naar de regeerperiode van Alfred, alsof
de geschiedenis dan pas echt begon. De opzet is veelal in retrospectief. De
gebeurtenissen uit Alfreds leven worden als belangrijke historische gebeurtenissen
aangemerkt. Bovendien wordt er ook naar een verder, mythischer verleden
verwezen. Een voorbeeld hiervan is de genealogische lijst die de voorvaderen van
Alfreds vader opsomt.66 Uiteindelijk gaan de werkelijke voorvaderen over in
mythische voorvaderen.67
        Een ander aspect aan de Anglo-Saxon Chronicle is dat er veel aandacht is
voor de Vikingaanvallen. Hun legers worden op de voet gevolgd, ook als ze in West-
Francië zijn. Het is moeilijk uit de gegevens op zich te halen of het gevaar van de
Vikingen werd benadrukt omdat het de noodzaak van eenheid van de Angelsaksen
onder Alfred weerspiegelde of dat er een werkelijk gevaar was dat iedereen
voortdurend bezighield, of zelfs dat beide mogelijkheden tegelijk golden. Het geeft
het belang aan van de Anglo-Saxon Chronicle voor dit onderzoek. De rol die de
Vikingen speelden voor Alfred en zijn uiteindelijke vertaalwoede kan zeer oorzakelijk
zijn; het tegendeel is moeilijker te bewijzen.
        De Anglo-Saxon Chronicle bestaat nog in zes versies. Enkel de eerste versie,
MSA, is eventueel contemporain. Die versie werd oorspronkelijk in Wessex, in het
bijzonder in de hoofdstad Winchester,68 geschreven, maar is later waarschijnlijk
elders voortgezet getuige de latere gebeurtenissen die meer op Engeland als geheel


65
   A.H. Smith, ed., The Parker Chronicle 832-900 (Londen 1935, 1951) 6-7
66
   Anton Scharer, “The writing of history at King Alfred’s court” in: Early Medieval Europe, 5 (1996),
178. Scharer onderstreept het belang van de publicatie hiervan in het Oud-Engels. De genealogie
hoefde geen geheim te blijven voor de Angelsaksen, en zeker niet voor hen die konden lezen. Alfred
wist dat hij hiermee niet het hele volk zou bereiken, maar wel diegenen die er in eerste instantie voor
hem toe deden: de edelen en de geestelijkheid.
67
   Anglo-Saxon Chronicle MSA (Parker Chronicle), 855.
68
   Winchester was de belangrijkste stad van Wessex en bleef dat ook na de verovering van Londen op
de Vikingen door Alfred in 886. Een hoofdstad in de moderne zin van het woord was Winchester
echter niet, zo werden de koningen van Wessex gekroond op een steen (vergelijk de Schotse Stone
of Scone) in Kingston-upon-Thames nabij Londen. Bovendien trok het hof in deze tijd nog rond en had
verscheidene pleisterplaatsen in koninklijke residenties of bij een lokale ealdorman.


                                                                                                    27
gericht zijn.69 De overige vijf versies zijn kopieën of kopieën van kopieën, etc.
Werken met de Anglo-Saxon Chronicle betekent in feite naar achteren werken; alles
herleiden, deduceren, naar een niet meer bestaand origineel. En het is zelfs niet
zeker dat er maar één origineel was.
        De latere versies van de Anglo-Saxon Chronicle zijn trouw voortgezet,
sommige tot na de invasie van Willem de Veroveraar in 1066. De vijfde versie, MSE
(de Bodleian MS) is voortgezet tot 1154. Weliswaar kennen we veel versies weer
alleen in kopieën, maar doordat die al in de middeleeuwen werden gepubliceerd
weten we er veel over. Wonderlijk is het dat de officieuze Anglo-Saxon Chronicle
werd voortgezet tot na 1066.70 Toen moest er een heel nieuwe wind over Engeland
gaan waaien, althans in bestuurlijk opzicht. Willem de Veroveraar wilde graag zijn
macht over het rijk versterken door zijn getrouwen op de belangrijkste posten te
benoemen, wellicht vanwege een zwakke dynastieke aanspraak. De Angelsaksische
edelen die de slag bij Hastings hadden overleefd werden systematisch uit het gezag
gewerkt ten gunste van de Normandische edelen. Eenzelfde lot was de
Angelsaksische bisschoppen beschoren. Dit had tot gevolg dat nog tijdens de
regeerperiode van Willem de Veroveraar het Engels verdween als bestuurstaal ten
gunste van het Frans. Desondanks hielden enkele Angelsaksische monniken vast
aan de Anglo-Saxon Chronicle, in het Oudengels. Dit lijkt erop te wijzen dat Alfred
een schriftcultuur in het de volkstaal gevestigd had met een tamelijk stevige basis,
zozeer dat men 250 jaar later in de periferie tegen de overmacht van een andere taal
en een ander soort bestuur stand kon houden. Dat was een niet geringe prestatie
van Alfred. Wel moet gezegd worden dat er allerlei lokale omstandigheden een rol in
het volharden van de monniken gespeeld kunnen hebben. Immers als zij
Angelsaksen waren, dan waren zij niet direct de gewilde medewerkers in Willems


69
  A.H. Smith, ed., The Parker Chronicle 832-900, 3-5.
70
  De Bodleian MS, of MSE, is voortgezet tot 1154. Maar niet geheel in het Oudengels. Tot 1132 is
MSE in Oudengels voortgezet, daarna is er een onderbreking geweest tijdens de turbulente jaren van
de regering van koning Stephen. Waarschijnlijk zijn de stukken voor de laatste jaren geschreven ná
1154. Toen was men het Oudengels niet meer machtig. Derhalve zijn de laatste paar jaren
geschreven in een amalgaam van het oudere Oudengels dat men zich nog kon herinneren en de
volkstaal van dat moment, die zal leiden tot het Middelengels. Peterborough ligt in het gebied van het
Middelengelse dialect waaruit later het officiële Middelengels zou groeien maar waarbij niet echt een
schriftcultuur was gedurende de Oudfranstalige periode aan het hof. Er blijkt wel de geest van Alfreds
aanzet uit die hier nog lang is voortgezet, ook al werd het Oudengels een klassieke taal, en was het
dialect van Wessex helemaal niet meer geëigend voor de tijd (voor de monniken van Peterborough).
Zie: Bruce Dickins en R.M. Wilson, Early Middle English Texts (New York 1951) 3-4. (Op de kaft van
Early Middle English Texts staat waarschijnlijk foutief vermeld “Bruce Dickens”.)


                                                                                                    28
ogen.71 Omdat de MSE uiteindelijk voortgezet is in het relatief afgelegen
Peterborough was dat voor de monniken makkelijker dan wanneer ze het hadden
geprobeerd in Canterbury, de aartsbisschoppelijke zetel.72 Willem de veroveraar was
niet uit op een breuk met de Angelsaksische traditie, integendeel, hij wilde die
gebruiken om zijn aanspraken te versterken en wellicht te legitimeren. Dat de edelen
en de bisschoppen wel het veld moesten ruimen was meer om de directe controle
over het Angelsaksische volk over te nemen. De monniken zetelden in de periferie en
werden waarschijnlijk zodanig gezien dat ze geen bedreiging voor het bestuur
vormden. Dat kan verklaren waarom zij nog zo lang in het Oudengels optekenden
alhoewel het steeds sporadischer werd naarmate de twaalfde eeuw voorbijging.
        Dynastieke consolidatie en verantwoording in geschriften waren de eerste
stappen in Alfreds bevestiging van zijn nieuwe rijk. De volgende stappen lagen in de
verdieping ervan. Hij zou enkele grote christelijke werken vertalen of laten vertalen.
In zijn voorwoord bij de vertaling van Gregorius de Grote’s Regula Pastoralis geeft hij
enkele redenen hiervoor. Centraal voor hem was het christendom en de verzaking
van de christelijke plichten. Alfred suggereerde dat de Vikingaanvallen hier een straf
voor waren.73 Wanneer de geestelijkheid de taal van de schrift niet meer machtig
was, kon hij niet meer fatsoenlijk voor het zielenheil van het rijk bidden. Omdat dit
heel belangrijk was, stelde Alfred dat er dan in het Engels gebeden diende te
worden. Dat was niet zijn eerste optie maar een noodzakelijke tussenstap naar de
bestudering en gebruik van Latijn dat het doel bleef.
        Alfred was duidelijk in zijn program tot onderricht dat er eerst een degelijke
studie van de eigen taal gemaakt diende te worden. Alfred ging er niet vanuit dat
iedereen zich verder zou bekwamen in Latijn: niet voor niets liet hij werken naar
Oudengels vertalen. Dit suggereert sterk dat de bestudering van de werken die hij


71
   De laatste koning uit het huis van Wessex, Edward the Confessor (Edward de Belijder), de
achterachterachterachter-kleinzoon van Alfred, was half Normandisch, van moederszijde, en was in
Normandië opgegroeid. Hij was koning van Engeland maar een Normandiër in hart en nieren. De toon
was door hem al gezet, overigens na een regeerperiode van Deense koningen. Willems nieuwe
edelen stonden derhalve al in een langere ontwikkeling van verval van macht van de Angelsaksische
cultuur ten gunste van de Normandische cultuur.
72
   A.H. Smith, ed., The Parker Chronicle 832-900, 5.
73
   Met “Vikingen” wordt hier bedoeld: zij die plunderden en uit Scandinavië kwamen. De Vikingen die
zich reeds in Engeland gevestigd hadden, werden zelf ook aangevallen door de Vikingen uit
Scandinavië. Dat die niet meer als Vikingen gezien werden kan betekenen dat zij behoorlijk
geassimileerd waren, maar kan ook betekenen dat zij niet meer interessant waren om als zodanig
gezien te worden door de Scandinavische Vikingen: een vijand moest immers niet te genuanceerd
bekeken worden, zeker niet als men het rijk één probeert te maken in de strijd tegen diezelfde vijand.


                                                                                                   29
uitzocht ter vertaling74 door anderen dan enkel geestelijken diende te gebeuren. Voor
Alfred leek de educatie van zijn toekomstige bestuurders, voor een belangrijk deel
geestelijken, net zo belangrijk als de educatie van de geestelijkheid die zich aan de
christelijke taken en plichten zou wijdde.
       Maar waarom was dat dan nog niet eerder gebeurd?, vraagt Alfred zich
hypothetisch af in zijn voorrede van de Regula Pastoralis.75 Hij antwoordt dan zelf dat
men het in vroeger dagen voor onmogelijk hield dat men de taal Latijn eens niet
meer machtig zou zijn. Alfred voelde zelf aan dat hij niet zomaar zijn eigen,
gesproken, taal naast het voorname Latijn kon zetten. Hij verantwoordde derhalve
zijn pragmatische keuze heel elegant in zijn voornoemde voorrede. De Wet was
oorspronkelijk vastgelegd in Hebreeuws, maar de Grieken hadden die vertaald naar
hun eigen taal. Toen de Romeinen de Wet tot zich namen, vertaalden zij naar hun
eigen taal, uiteraard, volgens Alfred, door geleerde christenen. Ook alle andere
christelijke volken deden dat, met delen van de Wet. Bij de Grieken vermeldde hij dat
zij ook andere boeken naar het Grieks vertaalden. Alfred trok hiermee een directe lijn
van de klassieke talen (Hebreeuws, Grieks en Latijn) naar zijn eigen taal en
vermeldde dat hij geen hedendaagse uitzondering was, want andere volken deden
dat ook. Op welke werken hij dan precies doelde, is onduidelijk maar het is niet
onmogelijk dat hij wist van de Oost-Frankische schrijvers.76 Een van zijn vertalers
kwam uit die streek. Het beste argument dat hij kon gebruiken ter verdediging van
het gebruik van de eigen taal kende hij helaas niet. Dat was namelijk de vertaling van
delen van de bijbel naar het Gotisch door bisschop Ulfila77 in de vierde eeuw.
Desalniettemin toonde Alfred aan dat vertalen for all practical purposes in de loop der
tijd meer is gedaan en dat het voorname Latijn eerst ook een gebruikstaal was.
       Vertalen deed men niet zomaar. Omdat er in heel Engeland nog maar
weinigen Latijn echt machtig waren, haalde Alfred schriftgeleerden uit het buitenland.
Buitenland was toen nog niet zo ver weg als nu: ook geleerden uit Mercia en Wales


74
   “…ða ðe niedbeðearfosta sien eallum monnom to wiotonne…”, uit: Rolf Kaiser, Medieval English, an
Old English and Middle English Anthology (Berlijn 1954, 1961), 50. “De belangrijkste (boeken) door
iedereen te kennen.” Het is hier niet duidelijk op welke “mannen” Alfred doelde, maar naar alle
waarschijnlijkheid waren zij de vrije mannen, de ceorls, in het algemeen, en de lokale bestuurders in
het bijzonder.
75
   Keynes en Lapidge, Alfred the Great, 295. Keynes en Lapidge stellen dat Beda al had gepoogd het
Evangelie van Johannes te vertalen maar slechts ten dele. Bovendien is het onduidelijk in hoeverre
Alfred hiervan op de hoogte was.
76
   Keynes en Lapidge, Alfred the Great, 295-296.
77
   Ook Wulfila genoemd.


                                                                                                  30
waren welkom. Hier kan men van Mercia als buitenland spreken: aartsbisschop
Plegmund was afkomstig uit Mercia waar men Latijn nog enigszins machtig was. 78
Voordat in de negende eeuw de kunde van Latijn ten onder was gegaan, had het nog
gebloeid in Mercia, in de achtste eeuw. Andere helpers kwamen van verder. Het was
niet zo dat zij na een eventueel verzoek van Alfred op stel en sprong de boot namen
naar Engeland. Grimbald, bijvoorbeeld, werd, zo suggereren Keynes en Lapidge,
door zijn aartsbisschop in Reims verzocht te gaan naar Alfred.79 Politiek en
diplomatie speelden een belangrijke rol. Het aanhalen van banden met het
Angelsaksische rijk door de West-Franken geeft het relatieve belang van Alfred aan
buiten Engeland. Al met al verzamelde Alfred een aardige groep geleerden om zich
heen en kon hij zijn plan tot onderricht, en in eerste instantie vertaling, uitvoeren.
        Alfred suggereerde in zijn voorrede van de Regula Pastoralis dat de komst
van de Vikingen eigenlijk gezien moet worden als de wrake Gods voor het verval van
de religieuze plichten en de studie van christelijke werken in Latijn.80 Dramatisch
misschien maar het zet zijn claims wel kracht bij. Het is handig even te kijken naar de
werken die hij liet vertalen.
        Het boek om mee te beginnen was voor Alfred de Regula Pastoralis van
Gregorius de Grote.81 Gregorius de Grote was paus van 590 tot 604. Snel na zijn
benoeming schreef hij dit werk. Het is een leidraad voor iedereen die zielenherder wil
zijn, dus in het bijzonder voor de bisschoppen. Een handboek als het ware, niet
alleen voor de geestelijkheid maar ook voor andere leiders, gezien de algemene
strekking van de tekst. Alfred zag het werk als dé leidraad voor de (beginnende)
rector, geestelijk of wereldlijk leider, alhoewel dat verschil in de vroege
middeleeuwen niet zo groot was als nu wordt verondersteld. De Regula Pastoralis
was van meet af aan een populair werk, ook buiten de Romeins-georiënteerde
geestelijkheid. Het werd reeds in 602 vertaald naar het Grieks door patriarch
Anastasius II van Antiochië.82 Weliswaar was Grieks ook een van de erkende


78
   Keynes en Lapidge, Alfred the Great, 259.
79
   Keynes en Lapidge, Alfred the Great, 260.
80
   James Campbell, “Placing King Alfred” in: Timothy Reuter, ed., Alfred the Great (Papers from the
Eleventh-Century Conferences) (Aldershot en Burlington, VT 2003) 19.
81
   Dit is niet het eerste stuk dat Alfred van een voorrede vergezeld liet gaan. Bij de wetten van Ine
heeft hij ook zo een preface geschreven. Maar voor de vertaalde werken was dit de eerste. Allen J.
Frantzen, “The form and function of the preface in the poetry and prose of Alfred’s reign” in: Timothy
Reuter, ed., Alfred the Great (Papers from the Eleventh-Century Conferences) (Aldershot en
Burlington, VT 2003) 121.
82
   Keynes en Lapidge, Alfred the Great, 29.


                                                                                                     31
klassieke talen door Alfred maar hij liet, zoals eerder vermeld, die opeenvolging van
klassieke talen die als volkstaal begonnen, doorlopen naar Oudengels. Alfred wordt
zelf verantwoordelijk gehouden voor ten minste een groot deel van de vertaling van
dit werk. In hoeverre hij hulp heeft gehad, blijft onduidelijk maar dat daar welhaast
niet aan te ontkomen was, is nauwelijks te betwisten. Niet zozeer de beheersing van
Latijn door Alfred speelt hier een grote rol als wel zijn koningschap. Hoewel de
Anglo-Saxon Chronicle de tijd van het ontstaan van de vertalingen (vanaf 885 tot
ongeveer 890) als een relatief rustige tijd voorstelt, kwamen de Vikingen al weer
voordat het programma ook maar in de verste verte voltooid kon zijn. Alleen al de
bereidheid om zulk een vertaaloffensief op te nemen geeft aan dat Alfred niet zeker
was van de toekomst, of juist veel zekerder wilde zijn, en een bestuurlijk stelsel wilde
creëren voor het toekomstige welzijn van het rijk. Asser wijst in zijn Vita Alfredi op
het belang dat Alfred hechtte aan de woorden van Gregorius en citeert Alfred: “…in
so far as human judgement could make provision, the opinion of the holy pope
Gregory ought to be followed…”83
       Een ander werk van Gregorius de Grote is de Dialogi (de Dialogen) uit 593. Al
direct na zijn aantreden gaf Gregorius veel richtlijnen uit die ervoor zorgden dat de
kerk in bestuurlijk opzicht vlotgetrokken werd van het barbaarse juk. 84 De Dialogi
behandelt veel heiligen in en uit de omgeving van het Apennijns schiereiland.
Gregorius’ probleem was dat er veel voor het christendom belangrijke heiligen waren
die in het oosten (nu Midden-Oosten) leefden. Met name Egypte kende veel heiligen
die het christendom uit de obscuriteit naar de dorpen, en later de steden, van de late
oudheid hadden gebracht. Het christendom werd door hen van de hemelse sferen
naar de aardse sfeer gebracht, waarmee zij het fundament legden voor de
maatschappelijke waarde van het christendom, ook in bestuurlijk opzicht. 85 Gregorius
had gepoogd deze lijn door te trekken naar zijn eigen tijd. Alfred vertaalde het boek
niet zelf maar verordonneerde de vertaling aan bisschop Wærferth van Worcester,
een geestelijke uit Mercia. Ook de tekst die bewaard is gebleven van die voorrede
was gericht aan deze geestelijke.86 Een bisschop uit Mercia had een zeker belang
voor Alfred om dat gebied actief bij zijn nieuwe, grotere Angelsaksische rijk te
betrekken. Deze bisschop viel ook niet onder Alfreds lamentatie over de gebrekkige

83
   Keynes en Lapidge, Alfred the Great, 107.
84
   Ibidem, 29.
85
   Peter Brown, The Making of Late Antiquity (Cambridge, MA en Londen 1978, 1996), 81-101 passim.
86
   Keynes en Lapidge, Alfred the Great, 294.


                                                                                              32
kennis van het Latijn. Hoewel daar tegenwoordig wel wat op valt aan te merken.87
Desalniettemin neemt dit werk een belangrijke plaats in omdat Alfred ook hiervoor
een voorrede liet schrijven.88 De inhoud daarvan is beperkt en is meer als een
voorwoord dan als een voorrede te zien. Alfred ontvouwt geen grootse plannen
anders dan de wens dat iedereen sterkte en leidraad zal vinden in deze
heiligenlevens. De voorrede van de Regula Pastoralis kan al zijn van 890 waardoor
dit voorwoord, uit 893, als een aanvulling op de eerdere voorrede gezien moet
worden.89 Wellicht zelfs als de explicatieve noot bij zijn plan tot onderricht.
        Orosius’ Historiae adversum Paganos ((universele) geschiedenis tegen de
heidenen) uit het begin van de vijfde eeuw was bedoeld als een verhandeling tegen
het dan gangbare geloof onder de heidenen dat de problemen van het Romeinse
Rijk (ondermeer na de plundering van Rome in 410 door de Goten onder leiding van
Alaric) voortkwamen uit het veronachtzamen van de heidense goden. (Die goden
waren alomtegenwoordig en leefden in hun goddelijke zijn bij en tussen de bevolking,
althans bij diegenen die een direct contact met de hemel vormden. 90) De vertaling
werd door een onbekende uit Wessex verzorgd met hulp van Alfred. Die hulp moet
gezien worden als het geven van directieven. De vertaling is nogal losjes en voorzien
van enkele addenda.91 Het is niet vreemd in het laatste de hand van Alfred te zien.
Hij had immers belang bij een bepaalde interpretatie van de te vertalen werken. Die
addenda waren Alfreds directieven ter versterking van het plan van onderricht en
daarmee de creatie van zijn staatsapparaat en kwijting van religieuze plichten.
        Beda Venerabilis’ Historia Ecclesiastica (Kerkelijke geschiedenis (van het
Engelse volk)) uit 731 handelt over de stichting, vestiging en inrichting van de kerk in
de Angelsaksische gebieden. Het werk geeft daarmee ook een groot deel van de
geschiedenis van het Angelsaksische volk want dat kwam anderhalve eeuw eerder

87
   Katherine O’Brien O’Keeffe, “Listening to the scenes of reading: King Alfred’s talking prefaces” in:
Mark Chinca en Christopher Young, ed., Orality and Literacy in the Middle Ages. Essays on a
Conjunction and its Consequences in Honour of D.H. Green. (Utrecht Studies in Medieval Literacy)
(Turnhout 2005), 26.
88
   Alfred had de tekst hoogstwaarschijnlijk niet zelf geschreven. Malcolm Godden, “Wærferth and King
Alfred: the fate of the Old English Dialogues” in: Jane Roberts, Janet L. Nelson en Malcolm Godden,
ed., Alfred the Wise: Studies in Honour of Janet Bately on the Occasion of her Sixty-Fifth Birthday
(Cambridge 1997), 38. Malcolm Godden geeft hiervoor geen duidelijke argumenten, maar indirect
suggereert hij dat het Oudengels van een dermate slechte kwaliteit was dat het niet van Alfred kon
komen. Op pp. 39 behandelt Malcolm Godden de discussie die woedt over de suggestie dat bisschop
Wulfsige van Sherborne het voorwoord, of de voorrede, van Alfred zou hebben vervangen door zijn
eigen voorwoord. Die discussie is nog niet over.
89
   Keynes en Lapidge, Alfred the Great, 123-124.
90
   Peter Brown, The Making of Late Antiquity, 1-26 passim.
91
   Keynes en Lapidge, Alfred the Great, 33.


                                                                                                    33
aan in Engeland dan de kerk (in 593). Hierin verhaalt Beda van zijn beroemde
heptarchie. Hoewel die heptarchie sterk valt te betwijfelen, is het werk als een
geschiedenis van Alfreds volk te lezen. Niet de waarheidsgetrouwe werkelijkheid is
van belang maar de gesuggereerde werkelijkheid. In dit werk gelden de
Angelsaksische gebieden als één. Juist dit gezamenlijke aspect is van belang voor
Alfred. Ook hier is de vertaler onbekend maar het dialect waarin het boek is
geschreven verraadt een vertaler uit Mercia.92 Thematisch gezien wordt de kerk
voorgesteld als leidraad voor het wereldlijke welzijn, met andere woorden, voor
Alfred, voor het welzijn van de staat. Keynes en Lapidge suggereren een verband
met Orosius’ Historiae adversum Paganos.93 Mij lijkt de Historia Ecclesiastica veel
meer van belang door de verantwoording voor de eenheid van Alfreds rijk op
historische gronden. Enige kerkelijke aspecten komen dan op de tweede plaats.
Misschien op een hoger plan, maar die liggen niet aan de basis die Alfred zo nodig
heeft en bevestigd wil zien.
       Boethius schreef zijn De Consolatione Philosophiae (Van de troost door de
wijsbegeerte) toen hij gevangen zat en wachtte op zijn executie. Hij had een hoge
functie gehad onder koning Theodoric maar die had hem van verraad beschuldigd.
Het werk is in of net voor 525 geschreven. Boethius was een christen maar de De
Consolatione Philosophiae is niet expliciet christelijk georiënteerd alhoewel het wel
zo gelezen kan worden. Het verhaal is gesteld in de vorm van een dialoog tussen
Boethius en Vrouwe Wijsbegeerte. Terwijl Boethius meelij met zichzelf toont, laat
Vrouwe Wijsbegeerte hem de goddelijke orde van het universum zien. Het werk bleef
gedurende heel de middeleeuwen populair. Alfred was er bijzonder gecharmeerd
door: hij haalde een van zijn favoriete woorden, virtus, uit dit werk dat hij vertaalde
met cræft.94 Dat valt naar het Nederlands te vertalen als “kracht” maar daarbovenop
ook als “deugd”. Die ruimere betekenis is essentieel voor Alfreds ideeën, niet alleen
in wereldlijk opzicht: kracht tegen de Vikingen, maar ook als kracht voor het bestuur
door een deugdelijk vorst. Boethius’ werk is hoogstwaarschijnlijk vertaald na de
Regula Pastoralis. Alfred ging in de De Consolatione Philosophia veel verder: hij
vertaalde niet alleen losjes, hij voegde ook flinke stukken tekst toe. De boodschap

92
   Keynes en Lapidge, Alfred the Great, 33.
93
   Ibidem.
94
   Paul E. Szarmach, “Alfred’s Boethius and the four cardinal virtues” in: Jane Roberts, Janet L.
Nelson en Malcolm Godden, ed., Alfred the Wise: Studies in Honour of Janet Bately on the Occasion
of her Sixty-Fifth Birthday (Cambridge 1997), 233-234.


                                                                                                34
die hij in de voorrede van de Regula Pastoralis verwoordde moge op dit moment
onder de bisschoppen bekend zijn, Alfred neemt in de De Consolatione Philosophiae
de ruimte uit te weiden over zijn christelijke idealen. De stukken die hij toevoegde zijn
geen verbreding van het oorspronkelijke plan tot onderricht maar een verdieping
ervan.95 De stukken gaan vooral over het begrip van de mens voor de wereldorde en
Gods bedoeling. Deze passages zijn sterk autobiografisch en laten de persoon Alfred
misschien wel het meest van alles zien.96 Alfred veranderde Vrouwe Wijsbegeerte in
“Wijsheid” en voelde zich sterk genoeg om zijn eigen grenzen door haar te laten
aangeven: “There (your native land) your mind and intelligence may see clearly what
now is in doubt, either with respect to divine providence, (…) or to our own free will,
or to all other things.”97
        De Soliloquia (Alleenspraak) van Augustinus (354-430) zijn ook gegoten in de
vorm van dialogen. De dialogen handelen tussen Augustinus’ geest en de Ratio. In
deze vertaling ging Alfred nog verder dan bij Boethius: hij voegde meer stukken toe
en laat daarmee meer van zichzelf zien. Dit doet vermoeden dat de vertaling van een
later datum is dan die van de De Cosolatione Philosophiae. Het werk wordt
tegenwoordig zeker niet gerekend tot de beste werken van Augustinus, maar het laat
wel zien dat Alfred een spiritueel leven had en dat hij bezig was met zielenheil in het
algemeen (de staat) en die van hemzelf in het bijzonder.98 Bij deze vertaling zit ook
een voorrede. Hierin spreekt Alfred de wens uit om goede voorwaarden voor zijn
eigen leven te creëren, zoals iedereen dat zou moeten doen. Dit is ook metaforisch
naar God toe bedoeld. Alfred zag zichzelf graag als bouwer. Zijn metaforen haalt hij
uit veel voorbeelden: zo haalt hij enerzijds regelmatig de kerkvaders aan, 99 maar is
hij anderzijds dol op nautische analogieën.100 Alfred trok de Soliloquia het meest naar
zich toe, alsof hij zeker was van zijn wereldlijke zaak maar nog een en ander had toe
te voegen aan het geestelijk welzijn.




95
   Hier ga ik ervan uit dat de verspreiding van de Regula Pastoralis, en in ieder geval de voorrede, al
geschied was. Zou Alfred het wagen zo maar enkele toevoeging aan een werk “…most necessary for
all men to know…” te doen zonder context? Hij moet zich in ieder geval zeker genoeg gevoeld hebben
om dat te doen, en misschien ook wel de zekerheid dat er met zijn plan tot onderricht een goed begin
was gemaakt. In ieder nam Alfred voor zich de ruimte deze veranderingen en toevoegingen te doen.
96
   Keynes en Lapidge, Alfred the Great, 30-31.
97
   Ibidem, 135.
98
   Ibidem, 31 en 138.
99
   Ibidem, 138.
100
    Ibidem, 300.


                                                                                                    35
       Voorts heeft Alfred nog de eerste vijftig psalmen uit het psalter vertaald. In
haar boek uit de jaren vijftig laat Dorothy Whitelock nog enige twijfel bestaan of Alfred
hiervoor verantwoordelijk was,101 maar Keynes en Lapidge melden dat er
tegenwoordig op stilistische gronden geen twijfel meer over bestaat dat Alfred zelf die
psalmen heeft vertaald102; althans er in ieder geval de laatste zeggenschap over de
uiteindelijke vertaling had.
       Een martyrologium (lijst of geschiedenis van martelaren) werd ook in deze tijd
samengesteld. In dit martyrologium worden zo’n tweehonderd heiligen beschreven.
Er is enige twijfel of dit werk bij Alfreds plan tot onderricht gerekend moet worden. De
discussie spitst zich toe op de tijd van de samenstelling. Het werk wordt aan iemand
uit Mercia toegeschreven op grond van stilistische kenmerken. Het is van na 800 en
van voor 900.103 Is het van voor Alfreds troonbestijging, dan moet het werk gezien
worden in het licht van de kennis en het onderwijs in de kloosters van Mercia, als een
laatste krachttoer van de geestelijkheid van Mercia. Is het werk van na de
troonsbestijging van Alfred, dan kan het heel wel gezien worden in het licht van zijn
grootse plan, temeer daar de samensteller het dialect van Mercia gebruikte net als
bijvoorbeeld bisschop Wærferth. Het is bekend dat Alfred meerdere geestelijken uit
Mercia haalde voor zijn vertalingen.
       De fameuze Dorothy Whitelock liet het in haar bespreking van Alfrediaanse
literatuur bij deze negen werken.104 Keynes en Lapidge associeren echter nog een
werk met Alfred: het Leechbook.105 Dit werk handelt over medicinale recepten. Het is
hoogstwaarschijnlijk samengesteld ten tijde van Alfreds regeerperiode maar heeft
ogenschijnlijk geen relatie tot Alfreds plan tot onderricht. Wel zou de sfeer van
onderricht ertoe bij hebben kunnen dragen dat het werk in die tijd werd
samengesteld.
       Alfred laat een aantal van deze werken vergezeld gaan van een preface. De
vertaling van het woord is ingewikkeld. Enerzijds kan het duiden op een informeel
voorwoord, anderzijds kan het duiden op een veel formelere voorrede. Elke vertaling
ervan plaatst ogenblikkelijk deze teksten in een bepaald daglicht. Ik neig in de
meeste gevallen naar voorrede. De preface van de Regula Pastoralis is bij uitstek het

101
    Dorothy Whitelock, The Beginnings of English Society (The Anglo-Saxon Period) (The Pelican
History of England) (Harmondsworth 1952, 1954), 216.
102
    Keynes en Lapidge, Alfred the Great, 301.
103
    Ibidem, 34.
104
    Dorothy Whitelock, The Beginnings of English Society, 216-217.
105
    Keynes en Lapidge, Alfred the Great, 33-34. (Een leech is een bloedzuiger.)


                                                                                                 36
voorbeeld van een voorrede. Hierin wordt zoveel ontvouwt dat de tekst die Alfred
vertaalde en liet vertalen bijna gezien kan worden als de uitleg bij deze voorrede.
Andere prefaces hebben een veel intiemer karakter. Dat hoeft niet automatisch te
betekenen dat ze ook veel informeler zijn. Gewoonlijk maakte Alfred een circulaire
van de teksten. Hij wist dus heel goed dat die door menigeen gelezen zouden
worden. Maar omdat de geestelijkheid, en de bisschoppen in het bijzonder, in eerste
instantie de teksten zou lezen, zou men kunnen stellen dat er van een informeler
karakter sprake is maar niet sprake van een informeel karakter op zich.
        De prefaces hebben een meerwaarde om de vertaalwoede te beoordelen, niet
alleen als een apologie, maar ook als een persoonlijke noot, of beter gesteld:
persoonlijke directieve van de koning.106 Naderhand zou ervan geleerd moeten
worden, onder de bezielende leiding van de bisschoppen. Voor hen gaf Alfred de
spirituele directieve over de reflectie op de boeken, met name in de prefaces bij De
Consolatione Philosophiae en bij Soliloquia. De Dialogi werd in eerste instantie
waarschijnlijk zonder preface rondgezonden. Later bleek die dan toch nodig te zijn.
Het is duidelijk dat Alfred in eerste instantie de pefaces voor de bisschoppen schreef
of liet schrijven.107 Dat zij van Alfreds plan tot onderricht doordrongen waren scheen
Alfred het fundament van zijn organisatie.
        De vertalingen waren van matige kwaliteit in de visie van Dorothy
Whitelock.108 Dat kon volgens haar niet anders, Alfred was niet geletterd groot
geworden zoals menigeen voor hem in vroeger tijden.109 Dat voorrecht was wel zijn
opvolgers beschoren. Dorothy Whitelock had een bepaald idee over Alfred dat nu
niet altijd meer geaccepteerd zou worden waarin zij Alfred als seksueel wezen
probeerde te vermijden.110 Zij was echter overtuigd van Alfreds bedoelingen analoog
aan de voorrede bij de Regula Pastoralis met de vertalingen.111 De matige kwaliteit

106
    Jennifer Morrish, “King Alfred’s letter as a source on learning in England in the ninth century”, in:
Paul E. Szarmach, ed., Studies in Earlier Old English Prose (Albany, NY 1986), 87. Morrish noemt hier
de bijzondere rol in instructie die uitging van de voorrede bij de Regula Pastoralis. De addenda hierop
laten zich kennen in de teksten van de hieropvolgende vooredes of prefaces. Morrish gaat echter
verder en spreekt van meer dan een voorrede en ziet de tekst als een brief op zichzelf, wat heel
logisch en waar is maar de voorrede is niet zonder reden juist bij de Regula Pastoralis geschreven en
kan en moet ook in dat licht bekeken worden voor deze scriptie.
107
    Katherine O’Keeffe O’Brien, “Listening to the scenes of reading: King Alfred’s talking prefaces”, 25-
26.
108
    Dorothy Whitelock, The Beginnings of English Society, 216.
109
    Ibidem, 216.
110
    Janet L. Nelson, "Review article : Waiting for Alfred”, in: Early Medieval Europe vol. 7 nr. 1 (1998),
123.
111
    Ibidem, 115.


                                                                                                       37
moet gezien worden in het licht van de bestudering van de werken van de monnik
Ælfric die getraind was in het gebruik van Latijn en die een eeuw later het voordeel
had gehad van Alfreds program tot onderricht. Bovendien had hij een ander doel met
zijn vertalingen dan Alfred, waar Dorothy Whitelock wat aan voorbij ging. Dorothy
Whitelock scheen ook uitgegaan te zijn van het zedelijke verstand van de mens waar
zij de oorkonden behandelde en vervalsingen om wereldlijk gewin moeilijk kon of
wilde zien.112 Zij was dan ook van een andere tijd waarin andere vragen aan het
materiaal werden gesteld dan nu, of helemaal niet gesteld.
       Voorloper voor Alfred was Beda. Beda was de eerste die vertaalde in
Engeland. Maar belangrijker is dat hij het idee van een volk creëerde met zijn idee
van een heptarchie. Nadat dit was vastgesteld, en eventuele andere volken zoals de
Kelten buiten de situatie geplaatst waren, kon er een begin gemaakt worden met de
idee van vertaling. Isidorus van Sevilla stelde dat zowel Hebreeuws als Grieks als
Latijn een talige meerwaarde hebben doordat zij het goddelijke vertalen. Het belang
van de bestudering van die talen zorgde ervoor dat men de schrift kon begrijpen en
interpreteren op de juiste wijze.113 Let wel: het was dus niet gelijk de bedoeling dat
gesproken talen aan de orde zouden komen bij de interpretatie. Maar al in Isidorus’
tijd had men enorme problemen om het Latijn in voldoende mate machtig te worden
dat de grote Romeinse schrijvers geëvenaard konden worden in hun taalvirtuositeit.
Latijn was zich toen al aan het onttrekken aan de maatschappij als gesproken taal.
Wat restte was een afspiegeling van het vulgair Latijn, of ten minste het Latijn zoals
dat eeuwen later werd gesproken. Dat was Isidorus niet ontgaan. Robert Stanton
stelt dan ook dat Isidorus’ taalfilosfie impliceerde dat gesproken talen gebruikt
zouden kunnen worden om de schrift deugdelijk uit te kunnen leggen.114 Beda was
zich dit bewust, maar hij zou er niet ver mee komen. Zijn geschriften zijn vooral in
Latijn geschreven, slechts één werk zou hij hebben vertaald.115 Genoodzaakt tot het
gebruik van de eigen, gesproken, taal, en gemachtigd door Beda, stelde Alfred in zijn
voorrede bij de Regula Pastoralis dat ook deze talen (Hebreeuws, Grieks en Latijn)
ooit tot de gesproken talen werden gerekend.



112
    Anton Scharer, Die angelsächsische Königsurkunde im 7. und 8. Jahrhundert (Wenen, Keulen en
Graz 1982), 14.
113
    Robert Stanton, The Culture of Translation in Anglo-Saxon England (Cambridge 2002), 68.
114
    Ibidem.
115
    George Hardin Brown, “The dynamics of literacy in Anglo-Saxon England”, 191.


                                                                                              38
        De eigen taal beheersen in schrift is één ding, maar vertalen naar de eigen
taal is nog iets heel anders. Retorica was geen vak in Alfreds tijd. En de Angelsaksen
hadden met retorica klaarblijkelijk moeite.116 Desalniettemin gingen zij onder Alfreds
leiding toch de uitdaging aan met behulp van het amalgaam aan clerici dat Alfred had
verzameld uit het buitenland.
        In hoeverre Alfred daadwerkelijk zelf aan de vertalingen deelnam, blijkt
moeilijk vast te stellen. Alfred was een koning met een geduchte vijand, de Vikingen.
Naast de Vikingen besteedde hij ook aandacht aan de Kelten in en rondom zijn rijk.
De bewijzen daarvoor zijn marginaal en indirect. Toch kan niet ontkent worden dat in
de negende eeuw de inwoners van Cornwall een sterke maar gedwongen band
hadden met Wessex.117 Dat Alfred, ook in ’s lands toekomstige belang, benadrukte
dat de Vikingen zijn aandacht opeisten en moesten opeisen lijkt relevant. Alfred had
met de opbouw van een groot rijk te doen wat moeilijk genoeg is wanneer je de
koning bent, maar moeilijker is wanneer je de rol van bretwalda moet vervullen. De
discussie is nog gaande over hoeveel tijd Alfred over had om intensief aan zijn
vertaaloffensief deel te nemen. De balans lijkt nu door te slaan naar Alfred als
toezichthouder op het geheel. Waar men voorheen Alfreds gekende vertaalwerk als
de maatstaf nam, lijkt de historiografie zich heden meer de omstandigheden aan te
trekken. Zoals eerder betoogd, kan Alfred niet een sterk toezicht ontkend worden,
maar daar zal het in hooglijke mate bij gebleven zijn. Men kan ook vertalen door
toezicht te houden en daar waar nodig een toets te zetten. Een beetje zoals een
renaissanceschilder zelf het werk opzette en de leerlingen het werk liet invullen
waarna hijzelf het werk af maakte met enkele rake toetsen, en eventueel enkele
essentiële delen zelf uitwerkte. De koning moet bepalen wat hij laat rondzenden en
hij moet derhalve een significante invloed hebben op de vertaling van wat hij laat
rondzenden.118



116
    Robert Stanton, The Culture of Translation in Anglo-Saxon England , 76.
117
    Derek Gore, “Britons, Saxons, and Vikings in the South-West”, 37. Derek Gore betwijfelt of
Cornwall wel bij Wessex hoorde. Zelf neigt hij naar een vrij Cornwall, hoewel hij een vazalstaat niet
uitsluit. De argumenten die hij aanvoert lijken mij te spreken voor een vazalstaat, in ieder geval het
oostelijke deel van Cornwall.
118
    Robert Stanton, The Culture of Translation in Anglo-Saxon England, 99. Stanton benadrukt dat
Alfred dit deed om de gehele natie hierin te onderrichten. Op zichzelf beziet hij de abstractere rol van
Alfred juist ten aanzien van het vertaalwerk, maar hij neigt ernaar in de implicaties ervan wat te
induceren wat mij niet bevestigd genoeg lijkt maar daarover is discussie mogelijk. Alfred was, zoals uit
zijn tekst ook blijkt, een realist. Hij moet zich dus bewust zijn geweest van de beperkingen die een
program tot onderricht moet hebben gehad.


                                                                                                     39
       Niet direct zichtbaar was het resultaat van Alfreds vertaalpogingen in de
Angelsaksische wereld. Na zijn overlijden volgt er een tijd niets, slechts uit
opgetekende verhalen kunnen we vermoeden dat er wel een en ander werd
geschreven maar dat was stilistisch gezien van slechte kwaliteit. 119 Alfreds opvolgers
boekten succes met het veroveren van delen van Engeland op de Vikingen.
Hoogstonwaarschijnlijk leidden zij eenzelfde literaire leven als Alfred. Er mag niet
vergeten worden dat de zoon van Alfred in een literair milieu opgegroeid was. Maar
hij wellicht weinig keuze omdat hij zich tegen het toegenomen Vikingoffensief teweer
moest stellen. Alfred had het voordeel dat hij een lange regeerperiode had. Hierin
kon hij zijn macht, ook die ten opzichte van de ealdorman, consolideren. Vertalen
was pas in het latere gedeelte van zijn regeerperiode aan de orde. De vraag is of zijn
opvolgers wel over een latere regeerperiode beschikten. Zelden was hun die luxe
gegund en dan moesten zij nog eenzelfde liefde voor teksten aan de dag leggen als
Alfred, wat niet altijd het geval was en kon zijn geweest.
       Rond 960 laten Alfreds inspanningen zich kennen. Verschillende geestelijken
vertalen en schrijven in Oudengels net zo makkelijk als in Latijn.120 Ælfric van
Eynsham (ongeveer 955-1010) was de bekendste van hen. Ook Ælfric maakt gebruik
van voorredes en hij had dezelfde doelen met vertalen als Alfred. Hij zorgde ervoor
dat studie verbreidt werd door preken en teksten, probeerde retorica in de
Angelsaksische literatuur te voegen en propageerde een simpele stijl teneinde de
kerkelijke teksten zo duidelijk mogelijk te laten spreken.121 Maar vooral interpretatie
van de door hem vertaalde werken maakt hem de voornaamste opvolger van Alfred.
Het was hem onmogelijk níét te interpreteren. Voor Alfred was er een staatkundige
noodzaak, maar voor Ælfric niet. De maatschappij veranderde steeds en het was
voor Ælfric noodzakelijk om de teksten in die context te zien, net zoals dat voor ons
het geval is. Voor Ælfric stond het devote voorop maar hij vond net als Alfred dat
ideeën en interpretaties van de religieuze teksten het beste via de Oudengelse taal
duidelijk gemaakt konden worden. Bovendien schreef hij ook zelf preken in
Oudengels om zijn doel van helderheid kracht bij te zetten. Ælfric beheerst Latijn
uitstekend wat zijn vertaalwerk goed van pas kwam. En zo zette hij Latijnse teksten
om in Oudengelse woorden die beter recht deden aan het (religieuze) doel maar

119
    Dorothy Whitelock, The Beginnings of English Society, 219.
120
    George Hardin Brown, “The dynamics of literacy in Anglo-Saxon England”, 209 en Dorothy
Whitelock, The Beginnings of English Society, 221.
121
    Robert Stanton, The Culture of Translation in Anglo-Saxon England, 145.


                                                                                             40
bovendien in de geest van de oorspronkelijk Latijnse tekst bleven. 122 De geest van
de oorspronkelijke tekst overbrengen was nog meer Ælfrics doel dan Alfreds doel.
           Na de verovering van Engeland door Willem de Veroveraar in 1066 kwam er
een       nieuwe     wereld   op   de   Angelsaksen   af.   De   strakker   georganiseerde
staatsinrichting kwam uit het goed georganiseerde Normandië, nam Franse riten mee
en gebruikte vooral Oudfrans als voertaal. Van staatswege was er geen rol meer
weggelegd voor Oudengels. Daarbij kwam dat een significant deel van de
Angelsaksische edelen op de twee slagvelden van dat jaar het leven had gelaten,
eerst in de slag bij Stamford Bridge tegen de Vikingen, daarna in de slag bij Hastings
tegen de Normandiërs. Voorts verving Willem een groot deel van de Angelsaksische
bisschoppen ten gunste van Normandische bisschoppen. De elite van de
Angelsaksen had zo goed als opgehouden te bestaan en dat bleek ook het einde van
de Angelsaksische schriftcultuur die immers door de elite gedragen werd. Al werd er
in een afgelegen plaats een versie van de Anglo-Saxon Chronicle bijgehouden, het
was niet genoeg. Als reactie op de Franstalige overheersing ontwikkelde zich uit het
dialect van de oostelijke Midlands het Middel-Engels, met als een van de bekendste
literatoren Chaucer. Exit Oudengels en Alfreds linguïstische legaat, maar niet Alfreds
legaat voor de inrichting van het rijk van de Angelsaksen dat door Willem goeddeels
werd overgenomen. Willem kon immers geen nieuwe staat opbouwen uit niets. Het
was zijn bedoeling zijn goed georganiseerde wil op te leggen aan zijn nieuwe rijk en
daarvoor liet hij in stand wat hij kon gebruiken. Hij liet zich kronen in de Westminster
Abbey, die door Edward de Belijder, de laatste koning uit het huis van Wessex, was
gebouwd en zocht daarmee aansluiting bij een gebruik, dat weliswaar pas was
begonnen, maar ook de onafhankelijkheid van de Engelse koningen ten opzichte van
de kerk toonde, want geen koning werd in een kathedraal gekroond. Deze Edward
de Belijder had zelf veel in Normandië verbleven en was de Normandische cultuur
niet onwelgevallig, wellicht was hij in zekere zin de wegbereider voor Willem de
Veroveraar, en daarmee ook de wegbereider voor de overgang van de
Angelsaksische cultuur, en Alfreds wapenfeiten, naar een Angelsaksische wereld die
door Normandische edelen gedomineerd zou worden.




122
      Ibidem, 175.


                                                                                       41
II Alfred als wereldlijk vorst




De positie van Alfred


Wessex was een van de rijken in de fameuze, maar discutabele, heptarchie van
Beda. Lange tijd was Wessex slechts één van de Angelsaksische rijkjes en maar
weinig koningen hadden enige faam. Ine was een uitzondering, voornamelijk door
zijn wetteksten. De opkomst van Wessex begon eigenlijk met de grootvader van
Alfred, Ecgberht123, die regeerde van 802 tot 839.
        Gedurende zijn gehele regeerperiode breidde Ecgberht zijn rijk uit. Dat begon
al gelijk in het jaar 802. Ecgberht kwam terug uit Francië waar hij in ballingschap was
onder de hoede van Karel de Grote.124 De Anglo-Saxon Chronicle vermeldt dat
Wessex op dezelfde dag van Ecgberhts troonsbestijging125 al werd aangevallen door
ealdorman Æthelmund van de Hwicce.126 De Hwicce waren een Keltisch volk. Beda


123
    In veel tegenwoordige teksten is de naam Ecgberht versimpeld tot Egbert. In deze scriptie wil ik mij
zoveel mogelijk aan de oorspronkelijke namen houden. Alleen voor namen, zoals Alfred, die in hun
andere spelling, en uitspraak, heel erg bekend zijn maak ik een uitzondering en gebruik ik de spelling
die het bekendst is.
124
    Patrick Wormald, “The age of Offa and Alcuin” in: James Campbell, ed., The Anglo-Saxons
(Londen 1982, 1991) 106. De Angelsaksische koninklijke families, die alle hun genealogie op Hengist
en Horsa, de legendarische eerste Angelsaksische leiders in Engeland, konden herleiden, waren dus
goed bekend met de continentale situatie en hadden een goed contact met het vasteland. Van zijn tijd
in ballingschap, dertien jaar, verblijft Ecgberht er drie in Francië. The Anglo-Saxon Chronicle,
translated with an introduction by G.N. Garmonsway (Londen en New York 1953), 62, noot 2.
125
    In deze tijd bestegen koningen nog helemaal geen troon op de Britse eilanden; de tekst is
metaforisch bedoeld. De koningen van Wessex bestegen een steen die in het huidige Kingston-upon-
Thames bij Londen lag, een beetje zoals de koningen van Schotland deden met de Stone of Scone
(die tijdens een troonsbestijging van moderne Britse vorsten geplaatst wordt in de Britse troon maar
tegenwoordig bewaard wordt in Schotland).
126
    Anglo-Saxon Chronicle MSA en MSE, foutief vermeld in het jaar 800, zowel MSA als MSE, The
Anglo-Saxon Chronicle, translated with an introduction by G.N. Garmonsway, 58-59.


                                                                                                     42
rept in zijn tijd al niet meer over Keltische vorstendommen buiten de Angelsaksische
heptarchie. Uit de vermelding in de Anglo-Saxon Chronicle blijkt dat de Hwicce zich
langere tijd staande hebben weten te houden temidden van de Angelsaksen. Of ze
helemaal onafhankelijk waren, valt te betwijfelen. Waarschijnlijk waren zij een deel
van het grotere rijk van Mercia. De assimilatie met de Angelsaksen was een
langdurig proces en de Hwicce waren bij uitstek het Britse volk dat stand kon houden
temidden van de Germaanstaligen. Ze hadden zelfs een eigen bisschop.127 Ten tijde
van de grootste koning van Mercia, Offa (regeerperiode 757-796) zullen de Hwicce
zeker een deel van Mercia zijn geweest, weliswaar met een eigen ealdorman, maar
die droeg een Angelsaksische naam en zal hun hoogstwaarschijnlijk van bovenaf
opgelegd zijn. Dit was de eerste aanval van Mercia op Ecgberhts Wessex. In 825
versloeg Ecgberht koning Beornwulf van Mercia in de slag bij Ellendun. Datzelfde
jaar kwam Beornwulf om bij de onderdrukking van een opstand van de Oost-
Angelen. Daar zag Ecgberht zijn kans schoon en veroverde Kent, Sussex en Essex.
Hiermee was de hegemonie van Mercia over de Angelsaksen voorbij en die van
Wessex begonnen. In de Anglo-Saxon Chronicle werd Ecgberht bijgeschreven als
bretwalda.128 Opvallend is dat Offa geen bretwalda wordt genoemd.129 Misschien was
dat om hem geen groter aanzien te geven dan nodig was omdat Mercia pas ten tijde
van Alfred ernstig verzwakt raakte en op dat moment nog eventueel uit het dal had
kunnen kruipen.
       Ecgberht veroverde Mercia niet, maar wel geheel Zuidoost-Engeland, en zelfs
één jaar Londen waar hij onmiddellijk zijn kans waarnam en munten met zijn
beeltenis als koning van Mercia liet slaan.130 Wessex zelf besloeg ongeveer het
zuidwesten van Engeland, op Cornwall na. Tijd om op zijn lauweren te rusten had
Ecgberht niet: de Vikingen vielen zijn vergrote rijk regelmatig vanaf 832 aan. Dit
gebeurde zowel in het oude Wessex als in de nieuwe rijksdelen die toen net onder

127
    D.P. Kirby, The Earliest English Kings (Londen, Cambridge, MA, North Sydney en Wellington
1991), 6. De Hwicce hadden ook een eigen koninklijke dynastie, maar die zal eerder verdwenen zijn
dan het bisdom. De Anglo-Saxon Chronicle vermeldt geen van beide.
128
    Anglo-Saxon Chronicle MSA en MSE: 828, bij het jaartal 829. In MSA en MSE overigens fout
vermeld als het jaar 827. De Angelsaksen rekenden het nieuwe jaar vanaf 24 september.
129
    De lijst van bretwalda’s stamt van Beda. De chroniqueurs van de Anglo-Saxon Chronicle hervatten
de lijst maar dan wel ten gunste van de koningen van Wessex. Overigens kan Ecgberht terecht tot de
bretwalda’s gerekend worden.
130
    Patrick Wormald, “The ninth century” in: James Campbell, ed., The Anglo-Saxons (Londen 1982 en
1991), 139. Ecgberht kwam zelfs voor op een lijst van koningen van Mercia vermeldt Wormald, wat
wel als zuiver manipulatief gezien moet worden. Één jaar aan de macht en dan in een genealogie
genoemd worden lijkt me hooguit een bewijs voor de zeer tijdelijke macht van Ecgberht in Londen,
meer niet.


                                                                                                43
zijn bewind vielen. Niet alleen de Vikingen vielen aan, ook de Kelten lieten van zich
horen. Van de Hwicce wordt geen melding meer gedaan in de Anglo-Saxon
Chronicle, maar het jaar 838 vermeldt een gelegenheidsverbond tussen de Vikingen
en de inwoners van Cornwall in een gezamenlijke strijd tegen Wessex.131 Bij het
overlijden van Ecgberht in 839 na een regeerperiode van maar liefst 37 jaar stond
Wessex er heel anders voor dan bij zijn aantreden. Vanaf dit moment begint de
dynastie uit het huis Wessex:132


        Ecgberht (802-839)
        I
        Æthelwulf (839-855)
        I------------------------------l---------------------------------l------------------------------l
        Æthelbald (855-860) Æthelberht (860-866)                        Æthelred (866-871)              Alfred (871-899)
                                                                                                        I
                                                                                                        Edward (899-924)
                                                                                                        I
                                                                                                        Æthelstan (925-939)


        Ecgberhts zoon Æthelwulf werd door de witan gekozen als zijn opvolger. Een
bijzonder feit, want het was al tweehonderd jaar niet meer voorgekomen dat een
koning van Wessex werd opgevolgd door diens zoon.133 Æthelwulf, die regeerde van
839 tot 855, had een heel ander probleem. Hij had vijf zoons en ieder van die zoons
had eigenlijk recht op een deel van Wessex. De regeling die Æthelwulf trof, is niet
helemaal duidelijk. De oudste zoon, Æthelstan, werd koning, of onderkoning, van
een deel van het rijk. Hij overleed echter in 851 vóór Æthelwulf dus hij volgde zijn
vader nooit op als koning van geheel Wessex. De overige zoons werden
successievelijk koningen van Wessex. Primogenituur, waarbij de oudste zoon zijn


131
    De Anglo-Saxon Chronicle, MSA en MSE, vermeldt verder dat in het jaar 825 de mannen van
Devon, een deel van Wessex, vochten met Britons (in dit geval inwoners van Cornwall). Deze slag bij
Galford had waarschijnlijk plaats vóór de slag bij Ellendun gezien de vermelding bij dat jaar voor die
belangrijke slag. Het verbond tussen de Vikingen en de mannen van Cornwall lijkt dus geïnitieerd te
zijn door de inwoners van Cornwall, waarschijnlijk om sterker te staan ten opzichte van Wessex. Het
blijkt uit geen enkel werk dat de Vikingen zich heel erg druk maakten om de Kelten wanneer zij bezig
zijn met Angelsaksen.
132
    De huidige vorstin, Elizabeth II, kan haar stamboom in de vrouwelijke lijn herleiden tot Ecgberht.
133
    In 642 volgde Cenwalh zijn vader Cynegils op als koning van Wessex. Anglo-Saxon Chronicle
MSE. MSA noemt het jaar 643. MSB en MSC plaatsen de gebeurtenis in het jaar 641. Campbell, ed.,
The Anglo-Saxons kiest voor 641. Normaal ben ik geneigd MSA te volgen omdat die het dichtst bij de
tijd van Alfred staat, maar MSE wijdt er een veel groter stuk tekst aan. Bovendien vermeldt MSE dat
Cenwalh de zoon is van Cynegils.


                                                                                                                           44
vader opvolgt, bestond niet in deze tijd in Engeland: elk van de zoons zou in theorie
zijn vader kunnen opvolgen. In de praktijk kwam men aardig dicht in de buurt van
primogenituur maar de witan bepaalde uiteindelijk wie de koning zou opvolgen.
Waarschijnlijk lag er een idee van Æthelwulf aan de successievelijke opvolging ten
grondslag. Maar het kan ook zijn dat de regerende koning steeds zoveel invloed had
op de witan dat die naar de wensen van de koning luisterde. Beide mogelijkheden
kunnen ook gelijktijdig plaats gehad hebben. De lijn van opvolging is uiteindelijk als
volgt: Æthelbald (855-860), Æthelberht (860-865)134, Æthelred (865-871).135 De vijfde
zoon, en de vierde zoon die koning van geheel Wessex werd, was Alfred (871-899).
        De regeerperiode van Ecgberhts zoon en van drie van zijn kleinzoons is
relatief kort. In hoofdzaak zetten zij Ecgberhts strijd voort maar breidden Wessex niet
noemenswaardig uit. Dat Alfred geboren werd in Wantage op de grens van Mercia en
Wessex geeft aan dat Æthelwulf aanzienlijke macht had ten opzichte van Mercia.
Æthelwulf stuurde ook samen met Burhred136, de koning van Mercia, een expeditie
naar Wales.137 Één vijand kwam voor alle andere. Gedurende de regeerperiodes van
deze koningen volgt de Anglo-Saxon Chronicle de tochten van de Vikingen op de
voet wat onverminderd doorging gedurende Alfreds koningschap, ook wanneer de
Vikingen zich op het Europese vasteland bevonden. Dat laatste geeft aan hoezeer
de Vikingen als bedreiging werden gezien door de chroniqueurs van de Anglo-Saxon
Chronicle, maar ook hoezeer ze gezien moesten worden. Ondanks andere
problemen kregen de Vikingen de meeste aandacht. Alfred zag hun als straf van God
voor het verzaken van de religieuze plichten zo liet hij in zijn voorrede bij de Regula
Pastoralis weten.
        De Vikingen waren niet het enige probleem dat Alfred erfde van zijn broers en
zijn vader. Maar zijn lange regering stelde hem in staat de problemen op een breder
en dieper niveau aan te pakken. Sinds de tijd van Ecgberht bestond Wessex uit veel




134
    Ook genoemd Aethelberht, Aethelbert, Ethelbert, etc.
135
    Soms wordt het jaar 866 genoemd. Dit heeft te maken met de gewoonte van de Angelsaksen het
jaar op 24 september te laten beginnen.
136
    Ook “Burgred”, vooral tegenwoordig zo gespeld.
137
    Van marginaal belang voor Wessex. Asser geeft in zijn Vita Alfredi aan dat Æthelwulf door Burhred
wordt gevraagd hem te helpen. Dit lijkt meer om redenen van goede verstandhoudingen tussen
Wessex en Mercia te zijn dan dat Wessex zoveel lastig wordt gevallen door de Welshmen. Na de
overwinning, verpletterend volgens Asser, worden de Welshmen onderworpen door Mercia, niet door
Wessex. Asser volgt hierbij vaak de Anglo-Saxon Chronicle, wat impliceert dat zijn Vita Alfredi van na
het begin van de compilatie van de Anglo-Saxon Chronicle is.


                                                                                                   45
shires.138 Dat waren grotendeels dezelfde eenheden die nu nog de graafschappen
vormen. Aan het hoofd van een shire stond een ealdorman. In dit opzicht is die een
beetje te vergelijken met een graaf. Veel ealdormen waren verwant aan de
koningshuizen van de Angelsaksen en veel van hun namen beginnen met het prefix
Æthel- wat ongeveer “edel” betekent.139 Soms werden die eenheden samengevoegd
en onder een koning, eigenlijk onderkoning, geplaatst. Dat gebeurde vaak met zoons
van regerende vorsten. Alfred viel dit nooit ten deel hoewel hij wel samen met zijn
broer Æthelred op het slagveld vocht, wat hem op zijn minst eenzelfde aanzien gaf
als een (onder)koningschap. Wanneer Alfred koning is, moet hij een systeem
verzinnen om het dan behoorlijke aantal ealdormen in het gareel te houden. Voor het
volk dat in een shire woonde, was de ealdorman in eerste instantie degene aan wie
zij trouw waren. Voor Alfred was het van wezenlijk belang dat hij de trouw van die
ealdormen aan hem verbond.
        De shires die oorspronkelijk Wessex vormden, Hampshire, Wiltshire, Dorset
en Somerset, hadden al een bestuur sinds de tijd van Ecgberht en waren
waarschijnlijk nog ouder.140 Alfred veranderde weinig aan het bestuurlijk systeem dat
al bestond. Het lijkt er op dat hij dat systeem uitbreidde naar de nieuwe shires. Het
ging er Alfred niet om een nieuw bestuursapparaat te creëren, het ging hem erom
meer uit het bestaande bestuursmodel te halen. De reden hiertoe was niet alleen om
het makkelijker te maken een groot rijk te besturen, maar ook om het te kunnen
behouden. Een leger, bestaande uit ealdormen, andere edelen, thegns, hoge
functionarissen aan het hof, en ceorls, “vrije mannen”, moest effectief zijn tegen
welke aanvaller dan ook en in het bijzonder tegen de aanvallen van de Vikingen
omdat die zich schijnbaar overal en nergens bevonden.141 Een proeve van zijn
kunnen gaf Alfred in de voorrede bij de Regula Pastoralis. Daar ontvouwde hij zijn
plan tot onderricht dat met het streven naar de bestudering van de canon gericht was
op de bisschoppen en vooral ealdormen, thegns en de ceorls. Deze mannen
moesten de instructies van Alfred kunnen lezen om ze vervolgens zo goed mogelijk

138
    De term shire heeft in het Nederlands de vertaling “graafschap”. Het woord county heeft ook de
vertaling “graafschap”, maar dat woord stamt ook uit de tijd dat er graven waren. Omdat “graafschap”
in de tijd van Alfred een anachronisme is, zal ik gebruik maken van het onvertaalde Engelse woord
shire.
139
    Æthel-, Æþele. Bruce Dickins en R.M. Wilson, ed., Early Middle English Texts, 246.
140
    Nicholas Brooks, “Alfredian government: the West Saxon inheritance” in: Timothy Reuter, Alfred
the Great (Studies in Early Medieval Britain) (Aldershot en Burlington, VT 2003) 154-155. Brooks trekt
de lijn terug naar de jaren ’50 van de achtste eeuw.
141
    Nicholas Brooks, “Alfredian government: the West Saxon inheritance”, 173.


                                                                                                    46
naar Alfreds wens uit te kunnen voeren. In zijn rijk had Alfred niet, zoals Ecgberht bij
het begin van zijn regering, de mogelijkheid om zeer regelmatig langs zijn ealdormen
en andere edelen te reizen. Om de bestuurslijn toch kort te houden waren charters of
handvesten een uitstekend middel. Bovendien waren te bestuderen boeken voor
allen gelijk, want “…most necessary for all men to know.” Zo poogde hij alle neuzen
een kant op te krijgen. In hoeverre dat gelukt is valt nog te bezien, maar de aanzet
was er.
        Hiernaast had Alfred veel wetten opnieuw laten codificeren in het dialect van
Wessex van het Oud-Engels. De wetten van Ine nam hij vrijwel zonder uitzondering
over. Voor zijn eigen wetten nam Alfred eerst de Tien Geboden op en daarnaast
voegde hij nog 40 artikelen aan de 76 van Ine toe. Voor zijn wetten schrijft Alfred ook
een voorrede waarin hij zichzelf als koning van de West-Saksen bestempelde.142
Alfred gaf zelf aan dat hij zijn wetten modelleerde naar de wetten van Æthelbyrht143
die koning was van Kent ten tijde van de komst van Augustinus, de eerste
aartsbisschop van Canterbury.144          145
                                                Hiermee verantwoordde Alfred zijn gebruik van
de volkstaal als schrifttaal door de wetten indirect als Angelsaksisch gebruik en legde
hij tegelijkertijd een verband met christelijke uitgangspunten.
        Belangrijker voor het bestuur was de relatie die Alfred had met zijn witan.
Deze witan speelde een rol in de totstandkoming van de wetten. Maar die rol lijkt
enigszins beperkt te zijn geweest, zeker bij een sterke koning als Alfred. Het is niet
zo dat de witan door Alfred de rol van klapvee bedacht werd, maar de verhouding
was wel hiërarchisch te noemen. Alfred liet, wanneer hij het niet met hun besluiten
eens was, die opnieuw bespreken door de witan. Het zal geven en nemen zijn
geweest, maar D. van Hinloopen Labberton suggereert, hoe summier ook, dat Alfred
de leiding nam en had.146 Evenwel is er te weinig materiaal om het tegendeel te
kunnen aantonen.




142
    E.G. Stanley, “On the laws of King Alfred: the end of the preface and the beginning of the laws” in:
Jane Roberts, Janet L. Nelson en Malcolm Godden, ed., Alfred the Wise: Studies in Honour of Janet
Bately on the Occasion of her Sixty-Fifth Birthday (Cambridge 1997) 211-212. Alfred laat zijn wetten
dus in eerste instantie opgaan voor het volk van Wessex, maar hij laat duidelijk blijken dat hij zich
verwant voelt met andere Angelsaksische volkeren. Opvallend is dat hij ook koning Offa van Mercia
noemt naast koning Æthelbyrht van Kent.
143
    Ook: Aedhelbyrht, Æthelbert, etc.
144
    D. van Hinloopen Labberton, Magna Carta Libertatum en Witena Gemot, 124.
145
    Canterbury was de hoofdstad van Kent, vandaar dat de aartsbisschop juist daar zetelde.
146
    D. van Hinloopen Labberton, Magna Carta Libertatum en Witena Gemot, 124-125.


                                                                                                      47
        Niet alleen was de Angelsaksische wereld verdeeld in shires, ze was ook
verdeeld in bisdommen. Er waren twee aartsbisdommen:van Canterbury en van
York. Onder het aartsbisdom York ressorteerden de Northumbrians. De Angelsaksen
en Kelten die ten zuiden van de Humber woonden vielen onder de aartsbisschop van
Canterbury, dat wil zeggen alle Saksen, Juten en minstens de helft van de Angelen,
terwijl de zetel van de aartsbisschop in Kent stond, waar de Juten, de kleinste groep,
leefden. Offa had reeds geprobeerd de aartsbisschoppelijke macht naar zich toe te
trekken door een nieuw aartsbisdom te stichten voor de inwoners van Mercia,147
namelijk door het bisdom Lichfield te verheffen tot aartsbisdom. De reden was
eigenlijk van politieke aard maar hij was ook praktisch, want het aartsbisdom
Canterbury, dat de veer moest laten, was erg groot en bestreek veel volken. 148
Gewoonlijk was een volk uit de heptarchie verdeeld in een of twee bisdommen.149 De
bisschop stond zo naast de koning en zij hadden ongeveer eenzelfde gebied te
besturen. De eenheid van volk en bisdom begon met de opkomst van Wessex’
dynastieke ontwikkeling te vervagen. De koningen waren voorheen zelden in staat
een dynastie te prolongeren. Dat betekende dat sterke koningen werden afgewisseld
door zwakkere. Met die afwisseling werd een koninkrijk gewoonlijk groter of kleiner.
Dat betekende dat het bijbehorende bisdom ook in omvang toe- dan wel afnam. In
Alfreds tijd veranderde dit doordat enerzijds meerdere bisdommen in Wessex waren
gelegen en dooradat er anderzijds een dynastie gevestigd werd die ervoor zorgde
dat bisdommen niet meer in omvang veranderden door een oorlogssituatie, hooguit
door bewuste opdeling dan wel samenvoeging maar die had dan eerder een politieke
oorzaak. Wessex telde onder Ecgberht nog twee bisdommen: Winchester en
Sherborne. Echberht riep de bisdommen van alle Saksen, dus zijn nieuw veroverde
rijk, op om hem te steunen, dus ook: Selsey van de Zuid-Saksen (Sussex) en Londen
van de Oost-Saksen (Essex).150 Kents twee bisdommen, Canterbury en Rochester,
liet hij blijkbaar met rust. Alfred nam geen afwachtende houding aan en onderhield
een innig contact met de aartsbisschop van Canterbury.


147
    D. van Hinloopen Labberton noemt de inwoners van Mercia “Marken”. Ik weet niet of dat een
algemeen gebruikte term was in die tijd, 1931, in het Nederlands, maar het is niet meer term die nu
nog in gebruik is. Ik beperk mij dan ook tot omslachtige omschrijvingen als: het volk van Mercia,
Mercians e.d.
148
    Patrick Wormald, “The age of Offa and Alcuin”, 106.
149
    Dit gold ook de Keltische Hwicce, maar dat was uitzonderlijk. D.P. Kirby, The Earliest English
Kings, 6.
150
    Nicholas Brooks, “Alfredian government: the West Saxon inheritance”, 156.


                                                                                                      48
       De voorrede van Alfred bij de Regula Pastoralis impliceerde dat het
bisschoppelijk bestuur sterk gelieerd werd aan Alfred, de koning. Hij noemde
evenwel geen van de bisschoppen van Wessex in zijn voorrede. Dat die het Latijn
nauwelijks machtig waren was in dit opzicht een bruikbaar gegeven om Alfreds
macht ten opzichte van de bisschoppen te postuleren. Zo dicteerde Alfred hun de
boeken die hij nodig achtte ter bestudering. Hiermee bond hij ook de geestelijken
direct aan zij bestuurlijke ideeën. Dat was noodzakelijk doordat Alfred vijf
bisschoppen, waaronder een aartsbisschop, in zijn rijk had. Bovendien viel een
zesde, belangrijk bisdom, van Londen, af en toe onder Wessex. Het was dus in het
belang voor het bestuur van Alfred dat hij de bisschoppen niet naast zich had staan
maar onder zich, liefst in hiërarchisch verband. Zij waren bovendien de geletterden
op wie Alfred onvoorwaardelijk moest kunnen steunen bij de verbreiding van zijn plan
tot onderricht.
       De situatie die leidde tot een strakkere bestuurlijke organisatie werd des te
prangender door de Vikingenaanvallen. Was een groot rijk geen reden genoeg om
de bestuurlijke touwtjes harder aan te trekken, dan zag Alfred die reden zeker in de
Vikingen, owant die hebben een prominente rol in de door Alfred geïnstigeerde
Anglo-Saxon Chronicle en in de Vita Alfredi van Asser komen ze ook veelvuldig voor.
Welke rol de Vikingen speelden voor Alfred wordt onderzocht in het volgende
hoofdstuk.




De Vikingen


De Vikingen hadden op de vergroting van Alfreds rijk een indirecte invloed. Door hun
consequente aanvallen op Northumbrië en Mercia hadden zij die rijken vrijwel
vernietigd. Vooral de decimering van Mercia zorgde er indirect voor dat Alfreds
Wessex werd geconsolideerd als leidend rijk van de Angelsaksen. De Vikingen
hadden koning Ceolwulf van Mercia zo een zware slag toegebracht dat hij
gedwongen was Mercia op te delen: het oosten kwam aan de Vikingen, het westen
was kon hij behouden. Die overwinning was de Vikingen niet genoeg. Ze trokken met
hun micel hæðen here (groot heidens leger) naar Wessex. Van een echt leger was in




                                                                                 49
de negende eeuw nog geen sprake.151 De micel hæðen here gold ook niet als een
negende-eeuws leger, hij bestond meer uit gelegenheidscoalities van verschillende
Vikinggroepen.152 In dit geval was het een bijzonder grote groep. Wanneer de
Vikingen door Alfred in de slag bij Edington in 878 verslagen worden, was hun macht
voorlopig gebroken. Als gevolg hiervan werd er in latere jaren een verdrag gesloten
tussen Alfred en de Vikingleider Guthrum.153 Waarom dat verdrag pas een slordig
decennium na de overwinning werd afgesloten is onduidelijk. Wellicht was er iets
gebeurd in de verhouding tussen Alfred en de Vikingleider,154 of misschien kon Alfred
pas later het verdrag echt afdwingen. Het verdrag was ongunstig voor de Vikingen.
Op het eerste gezicht werd de macht van de Vikingen over het oostelijke gedeelte
van Mercia geconsolideerd, maar daaruit volgde impliciet dat zij de macht van Alfred
over het overige deel van Mercia moesten erkennen. De Mercians doen dat ook,
evenals de andere, “vrije” Angelsaksen: het primaat van Wessex155 in de
Angelsaksische wereld werd hiermee bevestigd. Er werd een grens afgesproken
tussen Wessex en het Vikinggebied die liep vanaf Londen, dat aan Alfred bleef, naar
het noordwesten langs de rivier de Lea en daarna langs de Watling Street. Voorts
weten we dat Guthrum bij dit Verdrag van Wedmore ermee akkoord ging dat hij
gedoopt zou worden en een nieuwe naam moest aannemen: Æthelstan.156 Het
gebied dat de Vikingen toekwam, staat bekend als de Danelaw.
        De term Danelaw is wat ongelukkig, want deze impliceerde dat er een gebied
was waar de wetten van de Denen overheersten maar dat was niet helemaal het
geval. Ten eerste was de benaming “Denen” een gebruikelijke voor alle nieuwkomers
van Scandinavische origine. De meeste inwoners van de Danelaw waren weliswaar
van Deense origine, maar dat er andere Vikingen bij waren, kan niet worden
uitgesloten. Ten tweede impliceerde de term dat de wetten van Deense origine
waren, of Scandinavische. Dat bleek wel mee te vallen, want de Deens-



151
    Richard Abels, “Alfred the Great, the micel hæðen here and the viking threat” in: Timothy Reuter,
ed., Alfred the Great (Papers from the Eleventh-Century Conferences) (Aldershot en Burlington, VT),
266-267.
152
    Ibidem, 265.
153
    Het jaartal van het afsluiten van het verdrag is onduidelijk. Sir Frank Stenton suggereerde als
eerste de jaartallen 886 tot 890. Londen wordt in het verdrag genoemd en werd in 886 veroverd door
Alfred. Guthrum overlijdt in 890. Keynes en Lapidge, Alfred the Great, 311.
154
    David N. Dumville, Wessex and England, from Alfred to Edgar (Woodbridge 1992), 2.
155
    Eric John, Reassessing Anglo-Saxon England (Manchester en New York 1996) 76. Er is op dit
moment dus nog geen sprake van Alfred als vorst, of bretwalda, van de (“vrije”) Angelsaksen.
156
    Keynes en Lapidge, Alfred the Great, 22.


                                                                                                    50
Scandinavische invloed bleek meer terminologisch te zijn dan inhoudelijk.157 Ook
wanneer er later een Deense koning op de Angelsaksische troon zit is er geen
sprake van dat de wetten Deens georiënteerd waren.158 Een hybride juridisch
systeem lijkt tegenwoordig de betere benaming te zijn voor de juridisch situatie in de
Danelaw. Noch enkel geënt op de wetgeving van de Denen, noch enkel geënt op de
wetten van de Angelsaksen lijkt de wetgeving meer van praktischer aard te zijn
geweest.159
        In hoeverre de Vikingen zich vestigden in het gebied van de Danelaw is
onduidelijk. Er zijn veel inscripties gevonden maar of die ook bevestigen dat er
sprake was van (grootscheepse) Vikingimmigratie is nog maar de vraag. Er is veel
onderzoek gedaan naar linguïstische overeenkomsten tussen Oudengels en
Oudnoors, maar omdat die twee talen erg op elkaar lijken, is het moeilijk onderscheid
te maken tussen de woorden die gewoon op elkaar lijken omdat ze dezelfde
Oudgermaanse origine hebben en tussen de woorden die uit het Oudnoors
komen.160 Als er woorden overgenomen waren in Oudengels is het niet
onwaarschijnlijk dat er sprake was van een zekere assimilatie door de Vikingen. De
informatie is echter te summier om er een eenduidig antwoord op te kunnen
geven.161 Een assumptie is dat er zich in ieder geval een aantal Vikingen in de
Danelaw vestigde.
        De centrale vraag over de Vikinginvloed op de Angelsaksische maatschappij
in de Danelaw gaat over de etnische identiteit van de immigranten in verhouding tot
de Angelsaksen die er al woonden. Etniciteit is echter geen gemakkelijk begrip. De
discussie is hierover in volle gang. Simon Trafford analyseert de discussie in het licht
van hedendaagse vraagstukken omtrent identiteit en extraheert uit de discussie de
centrale term Zusammengehörigkeitsgefühl.162 Er is een scala aan bronnen
aangeboord in de afgelopen decennia die etniciteit opnieuw definiëren.163 Pas recent
wordt de grote hoeveelheid van Weberiaanse ideaaltyperingen164 gebruikt in het

157
    D.M. Hadley, The Northern Danelaw: its Social Structure, c. 800-1100 (Studies in the Early History
of Britain) (Londen en New York 2000) 300.
158
    Katherine Holman, “Defining the Danelaw” 3.
159
    Katherine Holman, “Defining the Danelaw”, 4.
160
    David N. Parsons, “How long did the Scandinavian language survive in England? Again.”, 306.
161
    Ibidem, 308.
162
    Simon Trafford, “Ethnicity, migration theory, and the historiography of the Scandinavian settlement
of England”, in: Dawn M. Hadley en Julian D. Richards, ed., Cultures in Contact, Scandinavian
Settlement in England in the Ninth and Tenth Centuries (Turnhout 2000), 29.
163
    Ibidem, 26.
164
    Leezenberg en De Vries, Wetenschapsfilosofie voor geesteswetenschappen, 146.


                                                                                                     51
onderzoek naar de Vikingen en hun rol in de Danelaw, en daarmee ook naar de rol
van de Angelsaksen in de Danelaw. D.M. Hadley verstaat onder een etnische groep
een gemeenschap die bijeengehouden wordt door gemeenschappelijke belangen,
eventueel in tegenstelling tot andere groepen. Daarbij hoeft dus niet noodzakelijk een
onderscheidende taal, dialect, cultuur, territorium of religie te passen.165 Deze
karakteriserende factoren zijn in wisselende mate van belang voor de bepaling van
etniciteit, maar hebben het Zusammenghörigkeitsgefühl als omvattend kader. Uit
D.M. Hadleys betoog valt op te maken dat deze ook in de loop van de tijd kunnen
veranderen terwijl de etnische groep dezelfde blijft. De beperking zit dan ook in de
tijd. Op een bepaald moment valt een etnische groep te definiëren uit verschillende
factoren en die kunnen ook politieke en sociale omstandigheden behelzen. Elke
etnische groep houdt op een gegeven moment op te bestaan volgens die definitie.
Interessant is dat ook een andere etnische groep een bepaalde groep kan definiëren:
etniciteit by proxy. Dat is voor een periode waarover maar weinig bronnen bestaan
een belangrijk gegeven. Walter Pohl ziet de relevantie van etniciteit in Europees
verband in de verschillende (Germaanse) koninkrijken die er waren. In dat licht is
etniciteit een bindende én onderscheidende factor.166 De beschouwer bepaalt als het
ware de etniciteit. Voor deze scriptie is dat van groot belang omdat het probleem er
een van nu is. Voor Alfred was het duidelijk dat de Vikingen anders waren. De mate
van bedreiging door de Vikingen voor zijn Angelsaksische rijk valt enigszins af te
leiden uit de mate van assimilatie door de Vikingimmigranten in de Danelaw. Oftewel:
hoezeer waren de Vikingen voor Alfred een gecreëerd gevaar? In hoeverre had hij
de perceptie van de Vikingen als gevaar nodig voor het creëren van een sterke
structuur binnen zijn rijk en in hoeverre waren zij een reëel gevaar? Het is niet
makkelijk deze vragen te beantwoorden, maar enige suggesties in die richting zijn
gerechtvaardigd.
       Nu de Vikingen los zijn gemaakt van hun afkomst kunnen zij nader bekeken
worden. Zoals vermeld is de term Danelaw er een van ruwweg een eeuw na Alfred.
Dat suggereert dat Alfred er niet van uitging dat de verdeling van de Vikingrijken en
zijn rijk langs de Watling Street een permanente was, althans voor langere tijd.
Gezien de snel elkaar opvolgende Vikingrijkjes en hun koningen was het geen

165
   D.M. Hadley, The Northern Danelaw: its Social Structure, c. 800-1100, 299
166
   Walter Pohl, “Introduction: strategies of distinction” in: Walter Pohl en Helmut Reimitz, ed.,
Strategies of Distinction: The Construction of Ethnic Communities, 300-800 (Leiden, Boston en Keulen
1998), 5.


                                                                                                 52
onmogelijkheid te denken in termen van etniciteit van wisselende aard. De
Angelsaksen waren immers honderden jaren voor Alfreds regeerperiode ook op deze
manier      te   definiëren.167      De     verschillende       Vikinglegertjes       in   wisselende
samenstellingen bevestigen dit idee van etniciteit. De Vikingen waren weinig
consistent in hun veroveringen en vielen andere Vikingen ook aan.168
        Een groot manco is de beperking van de bronnen. Het is bekend dat er in
Middelengels veel meer woorden uit het Oudnoors zijn overgenomen dan in het
Oudengels.169 Maar er zijn veel minder bronnen uit de vroege middeleeuwen over en
Oudengels en Oudnoors staan elkaar veel meer na dan Middelengels en Oudnoors,
dus het onderscheid is makkelijker te maken met Middelengels en dat beperkt het
belang van de vaststelling van de leenwoorden in het Middelengels. Van de
regeerperiode van Æthelred is het bekend dat de Vikingen die de aanvallen deden
zowel uit Denemarken, Noorwegen en het oosten van Zweden kwamen. 170 Hoewel
ze elkaar zonder meer konden verstaan, spraken ze verschillende dialecten. Van een
Oudnoorse eenheidstaal was geen sprake. Doordat we weten dat die dialecten
uitgroeiden tot verschillende talen en basis waren voor verschillende koninkrijken in
de hoge middeleeuwen kunnen we stellen dat de Vikingen zichzelf niet als eenheid
zagen.171 De Vikingen die zich in Engeland vestigden hadden er belang bij om de
nieuwe omgeving de hunne te maken. Ook de Angelsaksen moesten met de nieuwe
situatie klaarkomen. D.M. Hadley stipt de naamgeving van kinderen aan. De
Angelsaksen gaven hun kinderen nogal eens Vikingnamen. Dat suggereert dat de
Vikingen op dat moment heersers waren. Zij trekt een vergelijk met de Normandische



167
    Simon Trafford, “Ethnicity, migration theory, and the historiography of the Scandinavian settlement
of England”, 22 en 26.
168
    D.M. Hadley, The Northern Danelaw: its Social Structure c. 800-100, 306.
169
    D.M. Hadley, The Northern Danelaw: its Social Structure c. 800-100, 336.
170
    P.H. Sawyer, Kings and Vikings: Scandinavia and Europe AD 700-1100 (Londen en New York
1982), 80.
171
    Het is niet helemaal duidelijk of het onderscheid tussen de verschillende dialecten gebaseerd is op
de situatie die nu in Scandinavië heerst met de verschillende landen of dat die juist daartoe geleid
heeft. Wij kennen de verschillende landen als verschillende identiteiten, maar vooral in Noorwegen is
er veel ruimte voor de dialecten. In de late negentiende eeuw werd, als gevolg van de personele unie
van Noorwegen en Zweden, waarbij de Zweedse koning ook de Noorse koning was, en waarbij
Zweden veel meer inwoners had dan Noorwegen, er een amalgaam van verscheidene dialecten
gemaakt dat tegenwoordig bekend staat als Nynorsk. De op de Deense en Noorse taal gebaseerde
officiële Noorse taal, Bokmål, drukte blijkbaar niet genoeg de eigen identiteit uit. Bokmål is nog steeds
de omgangstaal en Nynorsk is nooit verder gekomen dan een geforceerd amalgaam van dialecten.
Wel is het zo dat er veel aandacht is voor dialecten in Noorwegen en dat die elk op zich veel ruimte
krijgen in de media. Ik stel “elk op zich” omdat niet één enkel dialect precies overeenkomt met
Nynorsk.


                                                                                                      53
invasie waarbij hetzelfde gebeurde.172 Het lijkt logisch dat de voorname families dit
gebruik eerder overnamen, want voor hen was er een economisch belang. Dat lijkt te
worden bevestigd doordat heidendom nauwelijks een rol leek te spelen bij de relatie
tussen de Vikingen en de Angelsaksen in de Danelaw.173
       Waarom de Vikingen zich elders vestigden, is onduidelijk. Ons mag het
vreemd voorkomen dat zij dat deden, want in vergelijking met bijvoorbeeld Nederland
is Scandinavië zelfs tegenwoordig zo goed als onbewoond: negentien miljoen
Scvandinavischtaligen tegen zestien miljoen Nederlanders en ruwweg tweeëntwintig
miljoen Nederlandstaligen. Politieke redenen lijken de oorzaak te zijn geweest. In het
licht van het plundersucces van de Vikingen kan ik me voorstellen dat vooral jonge
Vikingen zichzelf een deel van de buit wilden gunnen. Niet alleen leidde dat tot
telkens weer nieuwe legertjes, ook vestigden de Vikingen zich in deze tijd in lege
gebieden als IJsland, dat vanaf circa 870 gekoloniseerd werd.174 Een eeuw later
probeerden ze het zelfs in Groenland. Wanneer de Vikingen gesetteld raken in een
gebied hielden de aanvallen op. Of dit in relatie tot de ontwikkeling van een staat
gebeurde, is een interessante vraag. Wanneer de Vikingen, in Scandinavië en
elders, een staat begonnen te vormen was er minder behoefte aan aanvallen en
plunderingen elders, lijkt het. Heeft de Vikingelite dan meer belang bij interne
“verovering” van de staat? De mogelijkheden in een staat, en zeker in een groter
wordende staat, zijn legio. In IJsland waar wel een rechtssysteem ontstond, maar
geen staat werd gecreëerd, was de vete, en usurpatie nog veel langer het geval dan
op het Scandinavisch schiereiland en in Denemarken. Dat neemt overigens niet weg
dat die staat (=de wetten) zonder staat wel werkte op IJsland, maar dat was op een
kleine schaal. Met de bekering tot het christendom kwamen er nieuwe vormen voor
de wetgeving bij de bestaande normen en waarden. Deze waren buitengewoon
geschikt voor een grotere, georganiseerde staat, neem bijvoorbeeld het voorbeeld
van Gregorius de Grote’s Regula Pastoralis.
       De taal blijft een gemakkelijke inleiding tot etnische identiteit. D.M. Hadley stelt
voor om van Angelsaksisch, Oudnoors én “Anglo-Scandinavisch” te spreken.175
Politieke verhoudingen bepalen de identiteit daarenboven veel preciezer. Welk

172
    D.M. Hadley, “And they proceeded to plough and to support themselves”: The Scandinavian
settlement of England”, 89.
173
    Ibidem.
174
    P.H. Sawyer, Kings and Vikings: Scandinavia and Europe AD 700-1100, 1.
175
    D.M. Hadley, The Northern Danelaw: its Social Structure, c. 800-1100, 337.


                                                                                              54
belang er was voor een bepaalde groep kon in sterke mate de etnische identiteit
bepalen. Verder wil ik voorstellen om klasse, in zijn meest ruime betekenis, toe te
voegen als één van de wisselende factoren die van invloed zijn op de etnische
identiteit. Dit geldt in het bijzonder voor het geval van de Danelaw die niet uit één rijk
bestond maar uit telkens wisselende rijkjes die verschillend van grootte waren. Een
stad als York, bijvoorbeeld, was vaak het centrum voor een rijk in de Danelaw. In
tegenstelling tot Londen lag York veel centraler ten opzichte van het gebied waar het
politieke invloed op uitoefende.176 Walter Pohls concept van etniciteit als verbindende
én onderscheidende factor is zeer van toepassing op de Danelaw, maar ook Simon
Traffords concept van Zusammengehörigkeitsgefühl. Tekenen van identiteit, als
kleding, wapenkeuze, haardracht, geven op een moment weer dat mensen tot een
bepaalde groep behoren. Wanneer er veel factoren veranderd zijn, kan men van een
andere identiteit spreken. Dit proces kan heel snel gaan, vooral in tijden van sociale
onzekerheid als oorlog, maar kan ook langer duren, bijvoorbeeld wanneer er sprake
is van geconsolideerde sociale voorspoed. Het leidt geen twijfel dat de elite,
bestuurlijk, kerkelijk en militair, het voortouw had, en heeft, in de perceptie van
andere volken.177 De situatie in de Danelaw was heel complex, en sociale en
politieke verandering was nooit eenduidig.178 Etnische identiteit zoals wij die kennen
is een negentiende-eeuwse vinding.179 Alfred had niets aan de moderne nuance op
de negentiende-eeuwse ideeën over etniciteit, want hij kon in het licht van de vele
aanvallen en de daaropvolgende immigratie van de Vikingen, ook buiten Wessex,
verwachten dat Wessex hetzelfde lot beschoren was als de koninkrijken die ten
onder waren gegaan. Bovendien was het moeilijk voor Alfred als buitenstaander vast
te stellen hoe de Vikingen zich verhielden in de Danelaw ten opzichte van de
Angelsaksen. Dat de Vikingen niet christelijk waren zal zijn beeld nog enigszins
gekleurd hebben. Voor Alfred heersten de Vikingen formeel in het gebied van de


176
    Londen als stad is nooit weggeweest in Engeland, maar Londen als politiek centrum bleef een
precaire zaak. Formeel lag Londen binnen het gebied van de Oost-Saksen, Essex, maar altijd op de
grens. Wessex, Kent en Mercia, bijvoorbeeld, hadden hun grenzen nooit ver van Londen. Het bisdom
Londen was door de Danelaw zijn achterland kwijtgeraakt en de stad Londen werd na de verovering
van Alfred in 886 min of meer een grensstad van Wessex.
177
    Walter Pohl, “Telling the difference: signs of ethnic identity”, in: Walter Pohl en Helmut Reimitz, ed.,
Strategies of Distinction: The Construction of Ethnic Communities, 300-800 (Leiden, Boston en Keulen
1998), 65-66.
178
    D.M. Hadley, “And they proceeded to plough and to support themselves”: the Scandinavian
settlement of England”, 95, en: D.M. Hadley, The Northern Danelaw: its Social Structure, c. 800-1100,
341.
179
    Walter Pohl, “Telling the difference: signs of ethnic identity”, 69.


                                                                                                         55
Danelaw en hij had een staat nodig die zich kon verweren tegen een duidelijk
gedefinieerde vijand.
        De Anglo-Saxon Chronicle volgt de Vikingen op de voet omdat zij als de vijand
van Wessex beschouwd werden. Opvallend is dat enkele van de jaartallen die
Alfreds regeerperiode bestrijken enkel worden ingevuld door de trek van de
Vikinglegers door Engeland. Opvallender is dat hun route ook door de Frankische
Rijken wordt gevolgd. De Anglo-Saxon Chronicle laat zich in dit geval lezen als een
kroniek van een voortdurende oorlog tussen Wessex, en andere christelijke rijken, en
de Vikingen, als niet-christelijke entiteit. In de Anglo-Saxon Chronicle MSA,
bijvoorbeeld, wordt in vrijwel alle jaren van Alfreds regeerperiode (871-899) melding
gemaakt van de Vikingen. De jaren 888, 889 en 892 zijn de uitzondering. Ook alle
jaren voor Alfred vanaf 839 (foutief vermeld als 836) kennen referenties aan de
Vikingen (regelmatig, vaker wel dan niet, heidenen genoemd). De jaren dat Alfreds
vader en broers regeerden worden zonder uitzondering in Vikinglicht bekeken.180 Het
geeft het belang van de Vikingen aan voor de samenstellers van de Anglo-Saxon
Chronicle. Aangezien Alfred hier belangrijk aandeel had in de initiatie van de Anglo-
Saxon Chronicle is die aandacht te beschouwen als zijn perceptie op de gevaren
voor de koning en het koninkrijk. Ook het gevaar van de Vikingen overzee wordt ten
overvloede benadrukt en het lijkt Alfred eraan gelegen vooral hierin te overdrijven.
        Alfred leidt zijn voorrede tot de Regula Pastoralis in met een geïdealiseerd
beeld van de geschiedenis, toen men goede tijden beleefde en zijn christelijke
plichten nakwam.181 Als oorzaak de hedendaagse ellende noemt Alfred het verval
van geleerdheid, waardoor men zijn geestelijke plichten niet meer naar behoren kon
nakomen.182 Opvallend is dat Alfred lijkt te verwijzen naar het leren onder alle
Angelsaksen. Wessex was voor de grote Vikingaanvallen geenszins het centrum van
geleerdheid in de Angelsaksische wereld. Laat dit zien dat Alfred alle Angelsaksen
als één volk zag? Of dat hij nu koning was geworden van de geschiedenis van alle


180
    Dat doet vermoeden dat de Anglo-Saxon Chronicle inderdaad rond 890 voor het eerst
gecompileerd is. Immers, Alfred kan van hen uit eerste hand hebben vernomen welke invloed de
Vikingen op hun regeerperiodes hadden. Misschien dat zijn perceptie van de Vikingen daardoor ook
gevoed is.
181
    Keynes en Lapidge, Alfred the Great, 124. Alfred benoemde ook het oorlogssucces dat men kende,
alsof daar in zijn tijd geen sprake van was. Ook hier overdreef Alfred lichtelijk maar ik moet bekennen
dat het winnen van een veldslag, of zeeslag tegen de Vikingen of Kelten niet wil zeggen dat de oorlog
ook was gewonnen. Het lijkt me dat dit het gevoel van Alfred opsomt over de steeds weer in
wisselende samenstelling terugkerende Vikingbendes.
182
    Keynes en Lapidge, Alfred the Great, 294.


                                                                                                    56
Angelsaksen en derhalve de geschiedenis van buiten Wessex ook als die van zijn rijk
kon beschouwen? In zijn voorrede heeft hij het steeds over héél Engeland, of
eigenlijk het volk van de Angelen (Angelcynn). Dat is opvallend, want zelf is hij
koning van een rijk van de Saksen. Blijkbaar was er niet veel verschil (meer) tussen
de Angelen en Saksen in Alfreds ogen. Bovendien waren de eerste bekeerlingen na
de missie van Gregorius de Grote de Juten uit Kent aan wie Gregorius steevast als
Angli refereerde. Alfred leek zich zeer bewust te zijn van het feit dat hij de enig
overgebleven Angelsaksische koning is. Verder was hij de enige die nog het recht
had “de troon te bestijgen” (eigenlijk de steen in Kingston-upon-Thames). Immers,
volgens de oude gebruiken konden alleen afstammelingen van de koninklijke
families, dus afstammelingen van Hengist en Horsa, koning worden.
      Geleerdheid was volgens Alfred tot zo een tranendal verworden dat men op
een gegeven moment slechts christen in naam was, niet in de praktijk. De Vikingen,
als heidenen, waren de straf voor het verzaken. Waar grepen zij als eerste naar
tijdens hun plunderingen? Naar de boeken, die, zo lamenteert Alfred, zij niet eens
konden lezen. Alfred zag het als een terechte straf voor de religieuze verzaking.
Wanneer men dit omkeert, kan men lezen dat geleerdheid hét wapen tegen de
Vikingen was. Geleerdheid was ten minste het morele wapen, wat impliceert dat de
Vikingen ook in de praktijk bestreden moesten worden.
      Alfred was nu de enige Angelsaksische koning, met een groot rijk. Om de
Vikingen in oorlog te bestrijden moest er een en ander gebeuren aan militaire
tactieken, waarvoor Alfred een systeem ontwikkelde. Daarnaast werd een goede
organisatie voor het bestuur in zijn grote rijk van wezenlijk belang, niet alleen om de
Vikingen te bestrijden, maar vooral om een krachtige koning te zijn en te blijven. De
perceptie van de Vikingen als geestelijke vijand had nogal wat gevolgen voor de
staatsinrichting van Alfred. Daarnaast leek Alfred ook een dynastieke agenda te
hebben bezeten die de noodzaak van een goed georganiseerde staat nog
benadrukte.




Bestuur


Net als Karel de Grote ontwikkelde Alfred een systeem voor het bestuur van zijn rijk
met behulp van een idee over onderricht voor de jeugd die het land zou moeten


                                                                                    57
helpen leiden. Of moet ik schrijven: experimenteerde?183 Er was geen kant-en-klaar
systeem voor handen. Janet L. Nelson noemt hiermee in één adem de dynastieke
aspiraties van deze koningen. Een staat van enig formaat vergt niet alleen een
bestuurlijke organisatie, hij heeft ook een verleden en een toekomst nodig. Het
verleden is er al maar wordt gewoonlijk bekeken in het licht van de huidige situatie.
Dat wat in het heden speelt, zal men willen bevestigd willen zien in het verleden,
getuige bijvoorbeeld de aandacht voor de Vikingaanvallen in de Anglo-Saxon
Chronicle. De toekomst is een onzekere zaak. Een nieuwe staat heeft als prioriteit
zich te consolideren. Een van die mogelijkheden is het creëren van een dynastie.
Alfred had het geluk dat zijn rijk was voortgekomen uit de dynastieke aspiraties van
zijn grootvader Ecgberht, daarom had hij al een organisatie om mee te werken. Dat
betekende dat hij bestaande structuren kon omvormen en aan kon passen aan de
nieuwe situatie.
       Eerst wil ik de militaire situatie bespreken. Alfred paste het oude systeem van
de fyrd aan. De fyrd was een onderverdeling van de shires.184 Alfreds systeem
betekende in de praktijk dat er twee legergroepen waren die elkaar opvolgden
gedurende het jaar. Zo kon een gemeenschap doorgaan als een gedeelte van huis
was. Dit had dan niet zo een dramatisch effect als een ad hoc leger dat have en
goed tijdelijk, maar vaak voor onbepaalde tijd, niet kon verzorgen. Bovendien had
Alfred nu iets dat op een staand leger leek. Dat was wel zo adequaat voor de
Vikingaanvallen die het karakter droegen van een guerrilla. Alfred begon hiermee in
Wessex maar breidde het systeem later uit naar Mercia. Daarnaast creëerde hij,
weliswaar ad hoc, een vloot. Daar is veel om te doen geweest, want Alfred wordt
graag gezien als de vader van de Engelse marine, maar dat lijkt bezijden de
waarheid te zijn: er is geen bewijs voor een continue gehandhaafde vloot. Het is
waarschijnlijk beter deze vloot als een onderdeel van de bestrijding van de
Vikingaanvallen te zien, als versterking voor de strijd op het vasteland.185 Daarnaast
moesten de fyrds beschikken over een bereden contingent om de Vikingen snel te


183
    Janet L. Nelson, "Alfred’s Carolingian contemporaries" in: Timothy Reuter, ed., Alfred the Great
(Papers from the Eleventh-Centenary Conferences) (Aldershot en Burlington, VT 2003), 297.
184
    De term county, graafschap, is van na de Normandische verovering in 1066. De vertaling
“graafschap” is in die zin wat ongelukkig, daarom spreek ik voor de duidelijkheid van shire.
185
    Eric John, “The age of Edgar”, in: James Campbell, ed., The Anglo-Saxons (Londen 1982 en
1991), 172-173. Er is te weinig informatie in de bronnen om het belang van de vloot aan te geven voor
Alfred. Bovendien is de voortzetting ervan na Alfred niet duidelijk. Campbell cum suis geven aan dat
het mogelijk was.


                                                                                                  58
kunnen achtervolgen.186 Alfred probeerde zich te richten op het offensief, en zorgde
daarmee op militair gebied voor een cesuur in de perceptie van de aanvallen door de
Vikingen, althans dat was zijn bedoeling.
        De fyrd had de vele burhs als bases. De burhs waren verspreid gesitueerd in
de shires en zo een burh was een versterkte stad.187 Aanvankelijk ging men uit van
een fortachtige situatie, maar opgravingen laten zien dat de burhs ook een min of
meer stedelijke functie hadden.188 Ze waren gecreëerd uit oude Romeinse plaatsen,
maar ook uit Romeinse forten en versterkingen uit de IJzertijd. Daarnaast werden er
nieuwe gecreëerd en zelfs kwamen ze voort uit koninklijke verblijven. 189 Ze waren
goed verspreid over de shires zodat ze niet alleen als goed verspreide uitvalsbases
tegen de Vikingen dienden maar ook als refugium voor de bevolking.190 Het systeem
was niet uniek en waarschijnlijk tevoren al niet onbekend aan Alfred. De West-
Franken hadden reeds zo een systeem met succes gebruikt tegen de Vikingen. De
Vikingen gebruikten ook uitvalsbases als zij op landinwaartse tochten gingen in
Engeland.191 De kracht van Alfred was dat hij er een staatsomvattend systeem van
maakte. Bovendien maakte hij goed gebruik van de verbondenheid die het volk in
eerste instantie voelde met de shire en diens leider, de ealdorman. Alfred wist heel
goed dat de vrije mannen, die de fyrd vormden, loyaal waren aan hun shire.192 Nu
Wessex uit veel meer dan enkele shires bestond, moest hij hun loyaliteit
onderbrengen in de grotere staat.
        De shire was al een oude eenheid ten tijde van Alfred. Vermoed wordt dat de
shires van Wessex al rond het jaar 900 bestonden en waarschijnlijk nog veel ouder
waren. Enkele van de andere, kleinere koninkrijken werden uiteindelijk shires in
Alfreds Wessex terwijl de shires van Mercia pas in de tiende eeuw hun vorm
kregen.193 Het systeem van de shires bestaat nu al meer dan duizend jaar,194 wat het


186
    Richard P. Abels, Royal Lordship and Military Obligation in Anglo-Saxon England, 63. De Vikingen
hadden óók bereden brigades.
187
    Een burh wordt veel vertaald als town. De town ligt tussen de stad en een dorp in. Waarschijnlijk is
klein stadje de beste vertaling in het Nederlands. Ik gebruik de term “stedelijk” in dit opzicht omdat de
burhs zich, waarschijnlijk net na de regeerperiode van Alfred, ontwikkelen tot echte stadjes met de
activiteiten die daarbij hoorden. Bovendien leek de burh ook op een latere, middeleeuwse stad door
de versterkingen. James Campbell, ed., The Anglo-Saxons, 153.
188
    Patrick Wormald, “The ninth century”, 152-153.
189
    Ibidem.
190
    Richard P. Abels, Royal Lordship and Military Obligation in Anglo-Saxon England , 69.
191
    Ibidem, 68.
192
    Eric John, “The age of Edgar”, 173.
193
    Ibidem, 172.


                                                                                                       59
belang van de shires voor Alfreds rijk aangeeft. Door het systeem te modelleren naar
zijn eigen tijd kon Alfred zich een basis voor zijn bestuur vormen.
        De shire was de basis van de ealdorman. Voor Alfred hadden zij min of meer
de rol van gouverneur. Zij waren niet alleen zijn ogen en oren buiten het hof, ze
waren ook degenen die zijn instructies moesten uitvoeren. De wetten waren door
Alfred gecodificeerd zodat in heel zijn rijk dezelfde wetten konden gelden. In die
wetten werd heel duidelijk vermeld wat de vergelding voor welk misdrijf was waarmee
een teveel aan eigen interpretatie werd voorkomen. De charters waren expliciet aan
de ealdormen gericht ter uitvoering door hen. Bovendien konden zij de “garnizoenen”
van de burhs aansturen. Om hen te binden aan zich gaf Alfred hun, in ruil voor
bewezen diensten, land.195 De wereldlijke dienaren waren vaak aan het hof
verbonden. Zo waren er de thegns, hofedelen, en gerefa’s die juridische taken
hadden in de shires.196 Op enige tijd verschuift de functie van de ealdorman naar die
van militair gouverneur en die van gerefa naar magistraat.197 Het lijkt me
waarschijnlijk dat de veranderingen van Alfred deze functies in hun meer specifieke
vorm bevestigen; de rolverdeling zal dan ten tijde van het einde van Alfreds
regeerperiode zo zijn geweest. Werden zij voorheen gekozen door de witan, de raad
van edelen, onder Alfred werden zij benoemd, door de koning. 198 Ealdormen kregen
de rol van “officieren” in de zin van von Clausewitz’ betekenis als intermediairs
tussen het volk en de koning, waar nodig zelfs de perceptie van hen als
vertegenwoordiging van het volk óf van de koning.199
        Asser geeft een wat minder positief beeld van de edelen. Op het eind van zijn
Vita Alfredi stelt hij hun voor als mannen die vooral voor zichzelf opkomen: wie arm
was had niets van hen te verwachten. Zo niet de koning, die zich, heel christelijk,
over ieders lot ontfermde;200 naast de goede koning speelde Alfred ook de rol van

194
    Sinds de jaren ’70 van de twintigste eeuw zijn er enkele aanpassingen gekomen. Die liggen
voornamelijk in het creatie van enkele stedelijke counties (shires) en de deling van shires met een erg
groot bevolkingsaantal in het zuiden van Engeland. In dunbevolkte gebieden werden enkele shires
juist samengevoegd, maar dat was hoofdzakelijk buiten het gebied van Alfreds rijk.
195
    D. van Hinloopen Labberton, Magna Carta Libertatum en Witena Gemot , 113.
196
    Idem, 115. Het woord sheriff is een samentrekking van shire gerefa. Maar dat was pas van na de
verovering door de Normandiërs, en de functie verschoof van de magistratuur naar de politionele
taken in de shire. Bovendien werd de Latijnse titel vice comes (burggraaf),dus staande onder de
comes (graaf), de ealdorman. De zetel werd in de burh derhalve “burggraaf”.
197
    D. van Hinloopen Labberton, Magna Carta Libertatum en Witena Gemot , 115.
198
    Idem. Van Hinloopen Labberton geeft wel aan dat hij dit vermoedt.
199
    Carl von Clausewitz, On War, Tom Griffith, ed. (Ware 1997), 70.
200
    Asser, Vita Alfredi, hoofdstuk 105, in: Keynes en Lapidge, Alfred the Great, 109. Asser bleef een
geestelijke die de biografie van Alfred schreef.


                                                                                                     60
controleur van de edelen. Zo kon hij een ealdorman van zijn functie en grond
ontheffen als deze de staat in de steek had gelaten.201 Al met al dicht Asser Alfred
een vaderlijk, meer dan een herderlijk, gezag over de edelen toe. De ceorls, de vrije
mannen, die van Alfreds program tot onderricht zouden gaan profiteren, lijken in
eerste instantie de zonen van de edelen te zijn geweest. Voor hen, vanzelfsprekend,
is de instructie in het leren in het Engels, zij hoeven ook niet Latijn te leren zolang zij
geen geestelijke functies ambiëren.202 Alfreds doel was hun te onderrichten in zijn
ideeën omtrent de staat en hun als dienaren voor die staat te gebruiken. De
methoden van Alfred waren de Karolingen, West- én Oost-Franken, niet vreemd.203
Maar Alfreds systeem was geen exacte kopie, want hij had met een andere situatie
te maken. Zijn rijk was veel kleiner en dus makkelijk te bereizen in een dag, althans,
wanneer men het over het oude Wessex heeft. Dat had gevolgen voor het bestuur,
want door de geringere afstanden kon het vrij direct zijn: er waren bijvoorbeeld
minder edicten nodig omdat de koning zich sneller kon laten zien wanneer dat nodig
was. Het grotere Wessex met Kent (binnen Wessex) en met Mercia, goeddeels
buiten Wessex in de organisatie, vergde meer van het indirecte bestuur, maar in
verhouding tot de Frankische rijken waren de afstanden nog altijd gering, letterlijk en
figuurlijk.204
        In de bestuurlijke organisatie speelden de shires ook een belangrijke rol omdat
zij gewoonlijk ook bestonden uit één bisdom. Verder zag Alfred de bisschoppen ook
als thegns.205 Niet alleen Alfred moest zich aan de nieuwe situatie aanpassen, ook
de geestelijken hadden een nieuwe organisatie nodig. Door de Vikingaanvallen
moesten veel van hen hun kerk of klooster verlaten. Hierdoor was de kerkprovincie
York bijna in ontbinding geraakt, en ook Canterbury moest enkele bisdommen aan
de Vikingen laten. Enkele van de bisdommen werden niet meer hersteld maar na de
Vikingtijd opnieuw georganiseerd. Wanneer zo iets gebeurde, gaf dat aan dat de
oorspronkelijke structuur helemaal vernietigd was. Omdat de Vikingaanvallen ad hoc
waren, is er een vreemd patroon ontstaan in de verdrijving van de kerk uit zijn



201
    Janet L. Nelson, "Alfred’s Carolingian contemporaries", 304.
202
    David Pratt, "Persuasion and invention at the court of Alfred the Great" in: Catherine Cubitt, ed.,
Court Culture in the Early Middle Ages. The Proceedings of the First Alcuin Conference. (Studies in
Early Middle Ages) (Turnhout 2003), 192 en 194.
203
    Janet L. Nelson, "Alfred’s Carolingian contemporaries", 304 en 307-308.
204
    Ibidem, 308-309.
205
    Ibidem, 307.


                                                                                                          61
machtspositie.206 Op sommige plekken was er geen redden meer aan en “verdween”
het bisdom om niet meer terug te keren. Op andere plekken kon een bisdom blijven
bestaan, bijvoorbeeld York, maar was men door de immigratie van de niet-christelijke
Vikingen die de macht hadden van zijn sociale machtsbasis beroofd.207 Dit alles had
ook een effect op de bisdommen van Wessex. Stond die eenzelfde lot te wachten?
moet de gedachte zijn geweest van Alfred en de Angelsaksen. Het was niet vreemd
dat de kerk zich onder Alfreds bescherming stelde waarmee de kerkorganisatie
onderdeel ging vormen van de nieuwe bestuurlijke organisatie van Alfred.
       De geestelijken dienden zich, naar de voorrede van Alfred bij de Regula
Pastoralis, te bekwamen in Latijn. Maar dat was de geestelijk kant van hun ambt en
kunnen, voor de wereldlijke taken had Alfred liever dat zij zich in Oudengels
uitdrukten, want zij moesten immers de edelen onderrichten namens Alfred. Derhalve
moesten zij zich laten inlichten in Alfreds plannen door middel van de vertalingen. Zo
werd Oudengels de taal van het politieke en filosofisch-theologische discours.208 Aan
die vertalingen hadden betrekkelijk weinig bisschoppen uit Wessex meegedaan; de
meeste bisschoppen die Alfred noemt, kwamen uit het buitenland. Dat kan aangeven
dat Alfred niet dezelfde bisschoppen die onderdeel waren geworden van zijn
bestuurlijke organisatie wilde betrekken bij zijn directieven. Het kan echter ook
Alfreds lamentatie over de slechte staat van het Engels bevestigen. Hun bestuurlijke
rol valt niet te onderschatten voor Alfred nieuwe systeem.
       De functies en taken van het rijk kwamen samen in de persoon van Alfred. Het
is heel aannemelijk dat er van een hofleven rondom Alfred sprake was, maar de
bronnen zijn heel erg beperkt en er moet op een indirecte wijze informatie verkregen
worden.209 Een manier is om te kijken naar de royal vills, de koninklijke verblijven.
Deze verblijven waren over heel het rijk verspreid, maar in het bijzonder in Wessex.
Het hof reisde in deze tijd nog rond en had geen vaste verblijfplaats, enkel semi-
vaste verblijfplaatsen in de vorm van de royal vill.210 Wat wij er van weten is weinig:
er worden er veel genoemd in de Anglo-Saxon Chronicle, maar dáár blijft het meestal
bij een naam en slechts van een gedeelte weten we waar die zich bevonden. Een

206
    David N. Dumville, Wessex and England, from Alfred to Edgar, 33.
207
    Ibidem, 31.
208
    David Pratt, “Persuasion and invention at the court of Alfred the Great”, 193-194.
209
    James Campbell, “Anglo-Saxon Courts” in: Catherine Cubitt, ed., Court Culture in the Early Middle
Ages. The Proceedings of the First Alcuin Conference. (Studies in Early Middle Ages) (Turnhout
2003), 155.
210
    Ibidem, 157.


                                                                                                   62
vergelijking met de Franken kan gedeeltelijk soelaas bieden. Het is niet
onwaarschijnlijk dat Alfred tot eenzelfde inrichting van zijn hof kwam als de Franken.
Dat kon hij zelf geïnitieerd hebben, maar hij kan het ook hebben afgekeken van die
Franken. Een combinatie van beide is waarschijnlijk, want Alfred zal niet onbekend
zijn geweest met de Frankische gebruiken, want als kind was hij met zijn vader aan
het hof van de West-Franken geweest.211 Aan de andere kant is al gesuggereerd dat
een vergelijking met de Franken tot op zeker hoogte mank gaat. Alfreds rijk was veel
kleiner en het grotere Angelsaksische rijk is pas in zijn tijd ontstaan. De Karolingen
konden op Karel de Grote buigen (zelfs diens voorvaderen) in het bewaren en
appreciëren van een hofcultuur. Asser maakte hiervan gretig gebruik.212 Hier moet
wel gezegd worden dat Asser niet de bedoeling had een biografie van Alfred te
schrijven zoals wij die kennen. Zijn doel was om Alfred te bevestigen in diens rol, en
daarvoor te pareren aan de grote Frankische voorbeelden, niet in de laatste plaats
Karel de Grote in Einhards213 Vita Karoli.214 Desalniettemin doet een vergelijking met
de hoven van de Franken het meeste voor de verbeelding. De franken hadden
immers tot op zekere hoogte dezelfde problemen als Alfred. Aartsbisschop Hincmar
van Reims schreef een handleiding voor de jonge Frankenkoning Karloman
genaamd De Ordine Palatii. Hoewel Hincmar literair begaafd was, was dat geenszins
de reden voor het geschrift; er was een noodzaak toe omdat het West-Frankische
Rijk op lemen voeten leek te rusten.215 In de De Ordine Palatii schrijft Hincmar hoe
de staat er vroeger uitzag waarmee hij het verleden idealiseerde, zoals Alfred ook
deed, waarbij Hincmar bovendien elke toespeling op het heden vermeed, zo
zorgwekkend scheen de situatie voor de kerkvorst.216 Daarnaast gaf Hincmar een
moralistisch betoog zonder welke regels geen staat volgens hem zou kunnen
functioneren.
        De hofcultuur is maar aan een paar voorbeelden te kennen en, op een enkel
voorbeeld na, ook weer indirect. Het duidelijkste voorbeeld is het fameuze Juweel
van Alfred (Alfred Jewel). Dit kleinood is recent opgegraven en heeft als inscriptie
AELFRED MEC HEHT GEWYRCAN (Alfred heeft me laten maken (bewerken)).

211
    Asser, hoofdstuk 11, in: Keynes en Lapidge, Alfred the Great, 69-70.
212
    Paul Kershaw, “Illness, power and prayer in Asser’s Life of King Alfred”, in: Early Medieval Europe
vol. 10 nr. 2 (2001), 208.
213
    Ook wel Eginhard genoemd.
214
    James Campbell, “Anglo-Saxon Courts”, 160.
215
    Jakob Schmidt, Hinkmars “De ordine palatii” und seine Quellen (Gelnhausen 1962), 7.
216
    Ibidem, 52.


                                                                                                     63
Weerlegging van deze “AElfred” als Alfred de Grote is moeilijk.217 Er zijn drie
soortgelijke “juwelen” gevonden en die hebben veel met het Juweel van Alfred
gemeen.218 In het licht hiervan wordt het “Juweel” meestal als de æstel uit de
voorrede bij de Regula Pastoralis gezien. Æstel wordt gewoonlijk vertaald als
“boekwijzer” maar de exacte betekenis is niet bekend.219 Uit de context in de
voorrede valt te halen dat de æstel gebruikt kon worden als de jad bij het lezen van
de thora. De æstel geeft aan dat er zeer waarschijnlijk van een brede hofcultuur
sprake geweest was.
        Een andere manier om iets van het hofleven te suggereren, is door naar een
Oud-Noorse tekst te kijken. Deze tekst, Konings Skuggsjá (“des konings spiegel”),
stamt uit de jaren ’40 van de dertiende eeuw. In deze tijd kwam het hofleven bij de,
inmiddels tot het christendom bekeerde, Noormannen tot leven.220 Er begon toen een
staat rondom een koning te ontstaan met een hofleven. Het hof wordt in het verhaal
beschreven als een complex geheel en, belangrijker, als een instituut dat een
centrale rol heeft als vergadering en tegelijk het hoogste gerecht is.221 Aartsbisschop
Hincmar van Reims in West-Francië gaf bovendien in een brief aan Karloman weer
hoe het hof een instituut van representatie voor de staat werd.222 Het is niet
ondenkbaar dat Alfred zijn semi-permanente hof ook zo een rol had toebedacht; dat
zou zijn grootse plan tot onderricht visueel concretiseren en daarmee versterken,
zeker naar de edelen en de ceorls toe. Om extra waarde te hechten aan Hincmars
woorden moet ik vermelden dat zijn opvolger, aartsbisschop Fulco223, een brief
schreef aan Alfred naar aanleiding van diens verzoek tot het zenden van een
geestelijke om hem te helpen met de vertalingen. Fulco zal, gezien de rol die de
aartsbisschoppen aan het hof van de West-Franken speelden, zeker weet gehad
hebben van hof en hovelingen. In dit licht is hij een bevestiging van de bevindingen
die men uit Hincmars woorden kan halen. Alfred zal meer dan waarschijnlijk


217
    Keynes en Lapidge, Alfred the Great, 203. Mec en heht zijn vormen uit het dialect van Mercia,
maar Alfred had veel mensen uit Mercia in dienst. Dat is toch opvallend: het suggereert dat Alfred niet
alleen vertalers uit Mercia in dienst had maar ook goed opgeleide mensen voor andere ambachten.
218
    David Pratt, “Persuasion and invention at the court of King Alfred the Great”, 195 en 197.
219
    Keynes en Lapidge, Alfred the Great, 205.
220
    De term “Vikingen” gebruik ik liever voor de periode van vóór het christendom en “Noormannen”
voor de periode erná. Dit komt ook enigszins overeen met het beeld dat er van de Vikingen is
ontstaan en dat maar blijft hangen. De term “Noormannen” wordt overigens voor beide periodes
gebruikt.
221
    James Campbell, “Anglo-Saxon Courts”, 166.
222
    Ibidem, 167.
223
    Ook Fulk.


                                                                                                     64
eenzelfde hofleven gehad hebben. Bovendien was Fulco goed bekend met de
situatie van de Angelsaksen en stuurde hij Grimbald met als doel hem ook een
bisschopszetel224 te laten bezetten en waarschijnlijk ter versterking van Alfreds
positie, maar ook ter bevestiging van diens koningsschap en vooral diens plan tot
onderricht ter hervorming van de staat.225 Hincmar was in ieder geval overtuigd van
het hof als het actieve centrum van de staat.226 Hincmar had echter dezelfde
problemen die de bisschoppen van Alfred hadden: ze moesten zich onafhankelijk
tonen van de koning. Hincmar had hier het voordeel van zijn ervaring en kon
bisschopsbenoemingen doordrukken ten opzichte van de zwakkere koningen van
West-Francië.227 Tegelijkertijd besefte Hincmar dat een zwakke staat niet goed kon
functioneren voor het geestelijk leven in die staat. Hij entte de De Ordine Palatii op
een werk van de abt Adalhard van Corbie die tijdens een verbanning Ad Memoriam
et Instructionem Futurorum (tussen 814 en 821) schreef over de toekomst van de
zedelijke staat.228 Met het zedelijk leven van de staat hield Alfred zich ook bezig maar
dan vanuit het standpunt van de wereldlijk heerser, wat betekende dat Alfred de
bisschoppelijk macht ondergeschikt aan de zijne moest maken. Alfreds situatie kan
dus redelijk verondersteld worden, maar is niet meer dan naar alle waarschijnlijkheid
te reconstrueren.
        Een glimp van Alfreds positie aan het hof is te zien in zijn woorden in de
wetboeken. Daar verordonneerde hij dat de witan, de raad der wijzen, zich moest
uitlaten over de wetten die Alfred niet bevallen of niet geëigend vond voor zijn tijd,
dat heeft hij samen met de witan beslist.229 Het is duidelijk dat Alfred de aanzet
hiertoe gaf.230 Echter, meerdere vroeg-Germaanse wetteksten stellen op deze
wijze.231 Alfred baseerde zich niet alleen op de klassieken van de kerkvaderen en de
oudheid, hij liet zich ook leiden door bestaande idiomen in de Germaanse wereld.
Soms is het lastig de positie van Alfred ten opzichte van de witan te bepalen maar hij

224
    Een bisschopstroon, of katheder. De bisschop spreekt in officiële documenten ex cathedra. De
kathedraal is het bouwwerk om zijn bisschoppelijke waardigheid.
225
    Janet L. Nelson, ""…sicut gens Francorum…nunc gens Anglorum": Fulk’s letter to Alfred revisited",
in : Jane Roberts, Janet L. Nelson en Malcolm Godden, ed., Alfred the Wise: Studies in Honour of
Janet Bately on the Occasion of her Sixty-Fifth Birthday (Cambridge 1997), 139 en 141.
226
    James Campbell, “Anglo-Saxon courts”, 167.
227
    Jakob Schmidt, Hinkmars “De ordine palatii” und seine Quellen, 13.
228
    Ibidem, 52-53. Het grotere deel van de De Ordine Palatii nam Hincmar over van Adalhard. De
staatkundige stukken zijn wel de zijne terwijl de moralistische duidelijk geënt zijn op Adalhards werk,
maar opgetekend zijn met enige toevoegingen van Hincmar zelf.
229
    Keynes en Lapidge, Alfred the Great, 164.
230
    D. van Hinloopen Labberton, Magna Carta Libertatum en Witena Gemot, 121-122.
231
    Keynes en Lapidge, Alfred the Great, 305.


                                                                                                    65
was er hoe dan ook de voorzitter van, en als zodanig bekleedde hij de centrale
positie. Dat die positie in de loop van Alfreds regeerperiode versterkt werd, blijke uit
het feit dat hij vanaf circa 885, dus na de eerste helft van zijn regeerperiode, veel,
heel veel, instigeert.
        De vertalingen zijn allemaal van de tweede helft van Alfreds regeerperiode,
ook veel van zijn andere regeringsdaden stammen uit die tijd. Sommige boeken
kunnen met zekerheid aan die periode worden toegeschreven, andere niet met
zoveel zekerheid maar konden niet anders dan toen zijn ontstaan. Veel van wat is
overgebleven stamt júíst uit deze tijd. Van daaruit redenerend kunnen we weer
eerdere acties vermoeden. Zo stamde Fulco’s brief van circa 890, maar deze
suggereert dat er al van een langere correspondentie tussen Wessex en West-
Francië sprake was.232 Wat er eerder werd bewerkstelligd door Alfred werd na 885
bevestigd door het succes daarvan. Alfreds plan tot onderricht, waarvan de
vertalingen het essentiële onderdeel zijn, liet dat duidelijk zien.
        Alfred moest zijn koningschap herdefiniëren, want hij wilde dat nieuwe situatie
waar hij zich voor gesteld zag, en zichzelf voor had gesteld, bij hem begon. De
vertalingen hadden dan ook als eerste doel om Alfred te bevestigen in zijn rol met “se
hehsta cræft" als de verwoording van Alfreds ideaal. Maar niet alleen in de
geestelijke wereld moest die cræft zich laten zien, hij moest ook de middelen die
Alfred zich verwierf met zijn tot onderricht kunnen realiseren.233 Alfred zag voor zich
een bepaalde rol weggelegd in het bestuur, en die rol moest uit de vertalingen, plus
de addenda, blijken.
Wanneer hij zijn koningschap definieerde, keek Alfred eerst naar zijn volk. De
eenheid hiervan creëerde hij door de vertalingen, want alle potentiële lezers konden
het Angelsaksisch begrijpen. Er waren weliswaar dialecten, maar ook die waren niet
gebonden aan enkele rijken in Alfreds tijd. Bovendien oversteeg Alfred de dialecten
door naast zijn eigen dialect van Wessex het dialect van Mercia te dulden bij de
vertalingen.234 Alle sprekers hoorden bij de Angelsaksen en hun verleden was een
gezamenlijk verleden, al had Wessex hierin het primaat. In zijn voorrede bij de
Regula Pastoralis refereerde Alfred aan een glorieus verleden toen wijsheid nog

232
    Janet L. Nelson, ""…sicut olim gens Francorum…nunc gens Anglorum": Fulk’s letter to Alfred
revisited", 137.
233
    Susan Irvine, “Wrestling with Hercules: King Alfred and the classical past”, in: Catherine Cubitt, ed.,
Court Culture in the Early Middle Ages. The Proceedings of the First Alcuin Conference. (Turnhout
2003), 175.
234
    Robert Stanton, The Culture of Translation in Anglo-Saxon England, 56-57 en 73.


                                                                                                        66
alomtegenwoordig was. Dat was het doel voor Alfred en dat moest ook het doel voor
de nieuwe Angelsaksische natie zijn.
       Gregorius de Grote werd gezien als de stichter van de Angelsaksische kerk.
Zijn missie naar Kent resulteerde rond 600 in de oprichting van de kerkprovincie van
Canterbury. Daarom werd hij als één van de geestelijke vaders van de
Angelsaksische natie gezien. Omdat het West-Romeinse Rijk was verdwenen en er
geen centrale wereldlijke macht meer was, had Gregorius de Grote een zekere
vrijheid om zich met de idee van bestuur bezig te houden. Voor hem was bestuur ook
een praktische zaak geworden. Bovendien kon hij er de wereldlijke positie van de
kerk mee versterken. Vaak wordt de Regula Pastoralis gezien als het hoofdwerk van
de vertalingen.235 Dat Alfred juist in de voorrede bij de Regula Pastoralis zijn plan tot
onderricht ontvouwde, lijkt geen toeval. Gregorius zocht verantwoording bij de
bijbelse koningen. Alfred haalde graag koning Salomo aan als voorbeeld van
wijsheid.236 Asser liet Alfred zijn wijsheid van hoger hand toebedeeld krijgen via
Salomo.237 De perceptie van Salomo als wijs man én vorst gaf de grenzen voor
Alfred aan. Alfred had veel macht nodig, en legitimeerde die met de wijzen uit de
bijbel, maar hij moest zich tegelijkertijd nederig opstellen teneinde die macht via
wijsheid te verdienen. Het centrum van de nieuwe wijsheid moest dan ook het hof
zijn,238 en vanuit het hof zou die wijsheid verbreid moeten worden. De bisschoppen
hadden een instructieve rol in het geheel, de initiator moest de koning zijn. Waar
nodig werden de vertalingen dan ook aangepast, of beter gezegd: geïnterpreteerd.
Alfred moest wijsheid hebben in de praktische zin van het woord. Dus interpretaties
moesten de teksten bruikbaar maken voor het onderricht. Een zekere begrijpende,
hermeneutische, interpretatie als die van Gadamer is hier op zijn plaats. Hans-Georg
Gadamer ging uit van interpretatie en propageerde een zelfstandige beleving van
boeken, kunstwerken en dergelijke, maar erkende tegelijkertijd dat het onmogelijk is
om de eigen beleving niet mee te laten spelen.239 Ook taalbeleving, die de mens
maakt tot wat hij is, is essentieel voor Gadamer.240 In dat licht past de vertaalwoede
van Alfred volledig, althans als we zijn plan tot onderricht als centraal thema nemen.
Om het overzicht te houden, kon het niet anders zijn dan dat Alfred elke vertaling
235
    Robert Stanton, The Culture of Translation in Anglo-Saxon England, 69 en 95.
236
    David Pratt, “Persuasion and invention at the court of Alfred the Great”, 190-191.
237
    Asser, hoofdstuk 99, in: Keynes en Lapidge, Alfred the Great, 105-106.
238
    David Pratt, “Persuasion and invention at the court of Alfred the Great”, 192.
239
    Robert Stanton, The Culture of Translation in Anglo-Saxon England, 79.
240
    Leezenberg en De Vries, Wetenschapsfilosofie voor geesteswetenschappen, 148-151.


                                                                                         67
overzag, want het ging om zíjn interpretatie. Het overzicht dat Alfred wilden houden
moet ook uitgelegd worden als uiting van de verantwoordelijke rol die Alfred zichzelf
had toebedeeld. Alfreds addenda op en interpretaties van de teksten waren
ongebruikelijk in de vroege middeleeuwen.241 Om zich niet als machtsbeluste koning
te profileren was Alfred er alles aan gelegen zich als nederig dienaar van God en de
Angelsaksen te laten kennen. Ziekte speelde een centrale rol bij de nederigheid van
Alfred en Asser werd niet moe dat te benadrukken.242 De perceptie van ziekte leidde
tot meer bidden, waar de bisschoppen een spirituele rol in hadden. Zo verstevigde
Alfred zijn centrale positie in het Angelsaksische rijk.
        Op wereldlijk vlak probeerde Alfred zich ook te spiegelen aan vroegere
heersers waarin Rome de crux was. Naast slechte regeerders, zoals Nero en
Theoderic, zette hij goede bestuurders, zoals Boethius en Cicero.243 Opvallend is dat
Alfred geen onderscheid maakte tussen heidenen en christenen, en verder dat de
wijzen eerder literatoren waren van vorsten, tenminste zo stonden ze bekend in de
vroege middeleeuwen. Wijsheid kwam dan ook uit een mythisch besef van Rome.
Alfred was in zijn jeugd twee keer in de stad geweest, althans in de pauselijke stad
Rome. De Romeinse stad was eigenlijk een bestuurlijk ideaal, maar omnipotent in de
vertaalde werken. Gregorius’ Regula Pastoralis was gebaseerd op ontwikkelingen in
de pauselijke stad die de klassieke, Romeinse stad moest evenaren. De persoonlijke
geschiedenis zal hebben bijgedragen aan het metafysische belang dat Alfred in het
begrip van Rome stelde. Bovenal was Rome hét strijdtoneel geweest, in de voor
Alfred recente geschiedenis, tussen de heidenen en de christenen.244 Uit die strijd
bleek dat een eenduidig antwoord op het Vikingprobleem niet te verkrijgen was. De
heidenen hadden ook goede kanten maar enkel op geestelijk niveau en in de
verleden tijd, neem bijvoorbeeld de waardering voor het algemeen in de vroege
middeleeuwen als superieur beschouwde Latijn van Cicero. De strijd werd op



241
    Paul Kershaw, “Illness, power and prayer in Asser’s Life of King Alfred”, 218.
242
    Asser, hoofdstuk 25, in: Keynes en Lapidge, Alfred the Great, 75-76. Ziekte dook dus al vrij vroeg
op in Assers biografie.
243
    Susan Irvine, “The Anglo-Saxon Chronicle and the idea of Rome in Alfredian literature”, in: Timothy
Reuter, ed., Alfred the Great (Papers from the Eleventh-Century Conferences) (Aldershot en
Burlington, VT 2003), 70-71.
244
    Malcolm Godden, “The player king: identification and selfrepresentation in King Alfred’s writings”,
in: Timothy Reuter, ed., Alfred the Great (Studies in Early Medieval Britain) (Aldershot en Burlington,
VT 2003), 149. In dat strijdtoneel, curieus genoeg dwars door de eeuwen heen, zocht Alfred naar een
oplossing voor zijn problemen. De verantwoording voor de oplossingen die hij vond, lag in de keuze
voor Rome en waar de stad voor stond in de vroegmiddeleeuwse geestelijke wereld.


                                                                                                    68
wereldlijk niveau veel harder gevoerd in zesde-eeuws Italië.245 Alfred probeerde
lering uit de lessen van de wijzen te trekken teneinde zijn situatie het hoofd te
kunnen bieden en in ieder geval zijn poging daartoe te verantwoorden met deugdelijk
klassieke verwijzingen.
        Alfred zag zich steeds als de koning van Wessex, maar in de jaren ’80 van de
negende eeuw werd er aan hem gerefereerd als koning der Angelsaksen.246 Dat
duidt erop dat Alfred dit als doel had, maar kan ook betekenen dat Alfred zich met
een voldongen feit geconfronteerd zag omdat hij nu eenmaal de laatste
Angelsaksische koning was. Bij Wessex rekende hij gewoonlijk Kent en andere al
eerder onderworpen Angelsaksische rijken maar Mercia werd pas later toegevoegd
en nooit als een deel van Wessex erkend. Opvallend is dat Alfred misschien zelf niet
de titel van koning van de Angelsaksen heeft gebruikt, maar dat die hem toegedicht
is door kopiisten van de oorkonden.247 Misschien hield Alfred sterk aan Wessex vast
omdat dat zijn initiële machtsbasis was: per slot van rekening was zijn koninklijke
genealogie gericht op het verleden van Wessex, welhaast als dynastieke
verantwoording.248 Een opvallende derde mogelijkheid voor het gebruik van de titel
van koning der Angelsaksen wordt door Anton Scharer gegeven. Hij ziet de titel in
het licht van de benaming van de Angelsaksen door Gregorius de Grote die steeds
sprak van de Angli. De eerste christelijke koning in de missie van Gregorius naar
Engeland was koning Æthelberht van Kent, aan wie door Gregorius gerefereerd werd
als koning van de Angli. Alfred was een West-Saks en stelde zich met de betiteling
van koning der Angelsaksen in de traditie van Wessex én de traditie van de
Gregorius, die door Alfred zeer hoog geacht werd getuige het ontvouwen van Alfreds
plan tot onderricht in de voorrede bij Gregorius’ Regula Pastoralis.249
        In het licht van zijn West-Saksische afkomst kijkt Nicholas Brooks naar de
verhouding tussen de hervormingen van Alfred en de bestaande bestuursstructuur in
Wessex. Hij stelt dat Alfred waarschijnlijk zijn machtsbasis heeft veranderd maar niet



245
    M.R. Godden, “Wærferth and King Alfred: the fate of the Old English Dialogues”, 48.
246
    Anton Scharer, Herrschaft und Representation, Studien zur Hofkultur König Alfred des Großen
(Wenen en München 2000), 119.
247
    E.G. Stanley, “On the laws of King Alfred: the end of the preface and the beginning of the laws”,
213.
248
    Anton Scharer, “The writing of history at King Alfred’s court”, in: Early Medieval Europe vol. 5 nr. 2
(1996), 177.
249
    Anton Scharer, Herrschaft und Representation, Studien zur Hofkultur König Alfred des Großen,
132.


                                                                                                        69
nieuw heeft gecreëerd.250 Dat was ook haast niet anders mogelijk, want het nieuw
creëren van een bestuurlijk stelsel lag niet voor de hand wanneer men de
voorbeelden die Alfred gebruikte uit Rome beschouwt in dit licht. Het bestuurlijk
geheel was er op gericht om de bestaande situatie beter het hoofd te kunnen bieden.
Brooks’ veronderstelling dat Alfred niet als de stichter van een Angelsaksisch
bestuurssysteem gezien kan worden, moet derhalve als juist gezien worden. Het is
daarnaast moeilijk de maatregelen die Alfred nam als langlopende zaken te zien,
want informatie over de directe gevolgen van Alfreds handelen na zijn regeerperiode
ontbreken.251 Later in de tiende eeuw werd pas duidelijk dat Alfred met zijn
maatregelen het voor zijn nazaten makkelijker maakte hun positie als koning der
Aneglsaksen       te   consolideren.     Alfred    gaf   zijn   nakomelingen       een    gerichte
geschiedenis voor de Angelsaksen. Alfred bezag de etnische identiteit enerzijds als
het begin van een Angelsaksische dynastie, en hij moest wel, want hij was de enig
overgebleven vorst, en anderzijds als de koning die zijn West-Saksische achtergrond
vergrootte en prolongeerde tegen een duidelijk gevaar met een andere etnische
identiteit, namelijk de Vikingen, ofwel de perceptie van hen. Dat de Vikingen anders
waren dan de Angelsaksen was voor Alfred makkelijker vol te houden omdat de
nuance die de Danelaw kenmerkte niet voorhanden hoefde te zijn in het door
Wessex gedomineerde gebied, want daar waren immers geen Vikingimmigranten.
Door de perceptie van de Viking als vijand ongenuanceerd hoog te houden creëerde
Alfred een Angelsaksische identiteit.252 Of Alfred zich dat bewust was, is de vraag.
Het lijkt erop dat zijn ideeën hierover in transitie verkeerden, wat kan verklaren
waarom hij geen afstand nam van zijn West-Saksische koningstitel. Wellicht waren
de gevolgen ook niet goed te voorzien voor hem gezien de onzekere staatkundige
toekomst waarin hij verkeerde. Die situatie zou pas later in de tiende eeuw duidelijk
afgetekend worden. Politieke identiteitsvorming werd veel later duidelijk dan men zou
willen vermoeden gezien het bewuste gebruik van identiteitsvorming (van volken)
door Alfred.253 Desondanks profileerde Alfred zich, gericht naar de toekomst, als de
koning van álle Angelsaksen.



250
    Nicholas Brooks, “Alfredian government: the West Saxon inheritance”, 153-154.
251
    Nicholas Brooks, “Alfredian government: the West Saxon inheritance”, 155.
252
    Anton Scharer, Herrschaft und Representation, Studien zur Hofkultur König Alfred des Großen,
124.
253
    Walter Pohl, “Telling the difference: signs of ethnic identity”, 67.


                                                                                                   70
        De lerende en geleerde koning was de rol die bij Alfreds interpretatie van het
koningschap hoorde. Met lerend bedoel ik beide betekenissen, zowel leren ván als
leren áán. Bij Alfred, als een goed doortastend maar nederig koning, komen beide
tegelijk aan bod en versterken elkaar als meer dan de som der delen, in één woord
als geleerdheid.254 Hij leerde van zijn vertalers de betekenis van Latijn en
verordonneerde de verbreiding van de ideeën die in die taal gesteld waren in Oud-
Engels waar nodig aangepast door hemzelf.255 Daarmee creëerde Alfred een
vertaalcultuur.256
        De vertalingen hadden voor de wereldlijke bestuurder Alfred als doel het
creëren, dan wel consolideren, van een identiteit voor de Angelsaksen in het
algemeen en de West-Saksische dynastie in het bijzonder. Door het vestigen van
een identiteit in de boeken, door alle vrije mannen te kennen, gaf hij een theoretisch
onderbouwing voor zijn strijd tegen de Vikingen en het heidendom en voor het
behoud van zijn dynastie. Alle maatregelen die hij in de praktijk trof, zoals de creatie
van de burhs en het verbeterde systeem van de fyrd, kregen een breder kader. Als
de ealdormen overtuigd waren van zijn ideeën, en dat werden ze door de literaire en
bestuurlijke scholing die Alfred hun kinderen en opvolgers bood, kon de loyaliteit
naar het de Angelsaksische natie en de Alfrediaanse dynastie zich prolongeren.




254
    Robert Stanton, The Culture of Translation in Anglo-Saxon England, 99.
255
    Malcolm Godden, “The player king: identification and selfrepresentation in King Alfred’s writings”,
137.
256
    Robert Stanton, The Culture of Translation in Anglo-Saxon England, 3.


                                                                                                          71
III Alfred de christelijke vorst




Alfreds situatie


Beda schreef een historie van het Angelsaksische volk en slingerde daarmee het
begrip geschiedenis de Angelsaksische identiteit binnen.257 Geschiedenis was voor
Beda nauw verweven met de kerk. Zijn discutabele historische indeling in de
heptarchie, de zeven rijkjes, geeft slechts aan dat elk van de door hem genoemde
rijken er was en zijn positie had veroverd in Engeland, en daarnaast mede geregeerd
werd door een bisschop omdat die rijkjes elk uit een bisdom bestonden. Natuurlijk
was dit een ideaalbeeld. Elk rijk was daar een element van. De positie van een rijk
kon veranderen waarmee ook de invullen van het ideaalbeeld zou veranderen.
       Beda was niet de enige die een ideaal had, want Paus Gregorius de Grote
had een Engeland in gedachten met twee provincies, waarvan Canterbury en York
waren de centra waren, die elk uit meerdere diocesen bestonden.258. De kerk moest
zijn positie veroveren, zoals Rome ook onder vuur lag ten tijde van Gregorius. Het
heidendom moest van zijn plek in de maatschappij gestoten worden. Op zich was de
indeling van de diocesen per volk geen gekke gedachte.
       Om de heidense Angelsaksen aan de christelijke kerk te binden moest er een
paradigmaverandering plaatsvinden in de beleving van het goddelijke. In de vierde
eeuw had die omslag plaatsgevonden in het Oost-Romeinse Rijk. Uiteindelijk hadden
de christenen de geestelijke beleving van de wereld naar zich toe getrokken en
domineerden zij die ten koste van de heidense geestelijke beleving. Dat kwam door
omstandigheden, want de staat waarin de steden, of stadjes, verkeerden in het rijk
was deplorabel te noemen. Tegelijkertijd bood de kerk in de vorm van bisschoppen

257
   F.M. Stenton, Anglo-Saxon England (Oxford 1943 en 1947), 149.
258
   Kent was ten tijde van de hervestiging van de kerk van Rome in Engeland het heersende rijk in het
zuiden. Londen, gelegen in Essex, was in niet-christelijke handen. Toen Londen eindelijk
geconsolideerd was voor het christendom was het al te laat: Canterbury was inmiddels al bevestigd in
de aartsbisschoppelijk waardigheid. Dorothy Whitelock, The Beginnings of English Society, 163.


                                                                                                  72
bekwame bestuurders die zich richtten op de lokale bevolking. Dt systeem was een
laat-antiek systeem, want waar voorheen de lokale stedelijke trots prevaleerde, had
die in de vierde eeuw plaatsgemaakt voor stedelijke periferie in het Oost-Romeinse
Rijk. Door de geringe omvang van de steden kwam het platteland steeds dichterbij in
de hoofden van de mensen. Het was duidelijk dat de deplorabele toestand door geen
heidense godheid of heidens pantheon het hoofd kon worden geboden: er moest iets
aan de situatie veranderd worden. De bisschoppen zouden het bestuurlijk evenwicht
herstellen en de monniken maakten de geestelijke omslag. Zij haalden God naar de
mensen toe en lieten Hem tegelijk op afstand zijn. Door ascese werd godvruchtigheid
bereikt. De asceet werd zo de intermediair tussen God en de wereld. God bleef op
afstand en de mensen waren vrij hun rijken te besturen en in te richten naar
christelijk model.259 Peter Brown noemt het een wereld die geleegd is van de goden
en gevuld met één God op afstand.260 De heidense godenwereld verdween, maar die
wereld was nog in de achtste eeuw in Engeland present, in de hoofden van de
boeren en waarschijnlijk ook in de hoofden van de thegns in die tijd.261 De
plattelandswereld die het overnam van de stedelijk wereld, in de hoofden van de
mensen, was een situatie die al bestond in het West-Romeinse gebied waar al niet
meer van één rijk sprake was. In werkelijkheid had het platteland de wereld van de
stedelingen al langer overgenomen, maar de acceptatie van het besef daarvan zou
nog wat langer duren. Ook in het Angelsaksische gebied zou die verandering van
heidendom naar christendom komen. Dat die verandering echter lang duurde valt af
te leiden uit het bestaan van de heidense godenwereld in het epos Beowulf. Ik
vermoed dat de mensen lang vasthielden aan de tekenen van hun oude, niet-
christelijke wereld hoewel ze al tot het christendom waren overgegaan. De
christelijke wereld was hun grotendeels abstract of beschreef een verre wereld en
pas wanneer het christelijk geloof de wereld van de mensen om hun heen
incorporeerde, nam de noodzaak tot uitvoering van heidense rituelen af.
        De kerk van Rome, in tegenstelling tot die van Byzantium, had al ervaring met
de praktische, bestuurlijke kant te maken gehad van een gedecentraliseerde wereld

259
    Peter Brown, The Making of Late Antiquity, passim. Ik begrijp dat het link is om een these over de
vierde eeuw zonder meer toe te passen op een latere tijd en een andere plek. Het is echter zo dat de
Angelsaksen van oorsprong niet-christelijk waren. Bovendien is het zo dat grotere rijken meer
organisatie vergen wat mogelijkheden biedt aan bisschoppelijke inspraak. De theorie is interessant
genoeg om tenminste gedeeltelijk, en met veel behoudens, te noemen.
260
    Peter Brown, The Making of Late Antiquity, 100-101.
261
    F.M. Stenton, Anglo-Saxon England, 195.


                                                                                                    73
en Gregorius had enige ideeën hieromtrent te boek gesteld, waaruit Alfred citeerde
door zijn vertaling van de Regula Pastoralis. Misschien had Gregorius zijn theorieën
al willen praktiseren in Engeland, want het idee in het begin voor kerkelijk bestuur
was gelijk groots opgezet met twee provincies en (liefst) veel diocesen.
        Een probleem was dat de rijkjes steeds groter werden en de bisdommen
derhalve ook.262 De afstand die een diocees besloeg was enorm, zeker gezien de
reismogelijkheden van die tijd. Aartsbisschop Theodorus gaf blijk van de bestuurlijke
macht van de kerk door veel bisdommen op te delen in kleinere.263 Op een gegeven
moment werden de bisschoppen niet meer als de bisschop van een volk aangeduid
maar als de bisschop van een bepaalde plaats. Dat gaf de bisdommen meer
standvastigheid in een tijd van rijken en rijkjes van wisselende omvang en,
belangrijker, van wisselende invloed en machtsbeheersing. Zo werd Wessex door
Theodorus’ opvolger verdeeld in het oude bisdom Winchester en het nieuwe bisdom
Sherborne.264 De verdeling die door een opvolger van de eerste aartsbisschop werd
voortgezet staafde het primaat dat de kerk in eigen en wereldlijk bestuur kon worden
toegedicht. De overgang van landelijk bisdom naar gecentreerd bisdom had hiermee
ook plaats.
        Meerdere bisschoppen naast één koning betekende, ook in geval van een
sterke koning, meer macht en kracht aan de kerk ten opzichte van één koning. In het
Frankische gebied had een koning veel te maken met de afstand die hij had tot het
volk en ik bedoel niet alleen de afstand tot de verschillende volkeren die er in hun
staat leefden maar ook de afstand tot het “eigen” volk. Men was simpelweg te veel op
afstand, letterlijk, om dagelijkse vergaderingen voor te zitten, of tenminste zijn macht
daarin te laten gelden. Voor de monniken en de bisschoppen was hier een rol als
intermediair weggelegd tussen koning en (lagere) bestuurders. De geestelijkheid
vertaalde bijvoorbeeld de wetten die in Latijn waren gesteld naar de volkstaal, in
West-Francië bijvoorbeeld naar Oud-Hoogduits.265 Dit had tot gevolg dat de
geestelijkheid in een bepaald gebied de autoriteit werd voor juridische zaken.

262
    Het blijft giswerk in hoeverre de rijkjes enige continuïteit hadden. Al eerder is vermeld dat het een
komen en gaan was van koningen. Moeten de bisdommen aan het succes van koningen, en hun
rijkjes van wisselende omvang, gepareerd worden? Er is vooralsnog niet veel keus dan dat voorlopig
te doen. Dorothy Whitelock lijkt dat enigszins te bevestigen. Dorothy Whitelock, The Beginnings of
English society, 163.
263
    Dorothy Whitelock, The Beginnings of English Society, 163-164.
264
    Ibidem, 164.
265
    Matthew Innes, State and Society in the Early Middle Ages: the Middle Rhine Valley, 400-1000
(Cambridge 2000), 117-118.


                                                                                                        74
Bovendien werd zij een belangrijke factor in de verbinding tussen de nieuw
gecreëerde lokale verbintenissen en de staat als geheel.266
       In Engeland begon die problematiek pas later te spelen, want de rijken kregen
pas later een omvang die deze ontwikkeling plaats kon laten hebben. Offa liet al zien
door zijn elevatie van het bisdom Lichfield tot aartsbisdom dat de koning wel degelijk
macht kon laten gelden ten opzichte van de kerk.267 Maar de Angelsaksische rijken
waren relatief klein. Directe invloed en wisselwerking tussen de bisschoppen en de
koning konden nog veel voorkomen. Alfred had inmiddels met de erfenis van Mercia
een zo groot rijk dat herbezinning een niet onwelkom idee was, zeker naar de
toekomst toe. Dat betekende ook een herbezinning op de status van de lokale
loyaliteiten. Bepaalde politieke etniciteit en identiteit moesten worden ondergebracht
in een groter geheel en de signifiant (betekenisgevende beschouwer),268 oftewel
degeen die de etniciteit en de tot dan toe daarbijbehorende identiteit als
problematisch in de staatsstructuur passend signaleerde (en daar vanzelfsprekend
baat bij had), moest een andere vorm en uitleg vinden voor de signifié (de
gesignaleerde entiteit)269 en die opnieuw formuleren naar de nieuwe rol die de
etnische identiteit moest krijgen in de ogen van de signifiant.270 Dat betekende voor
de Franken dat de koning zich moest hervinden en herplaatsen in zijn relatie met de
geestelijkheid. De lokale kerkelijke elite kwam voort uit de adellijke elite en had
daardoor bijna erfelijke aanspraken op bisschopszetels.271 Het precedent dat de
koning had in staatszaken moest bevestigd worden voor de kerk en voor de
edelen.272 Mattew Innes concludeert in zijn casusonderzoek over de Karolingische
maatschappij dat de Karolingische Hervorming niet bedoeld was om de staatsmacht
te centraliseren maar om de machtsmogelijkheden te integreren in de staat en de
macht van de koning.273 Dit voorbeeld diende als een mooi exempel voor de situatie

266
    Ibidem, 118.
267
    Catherine Cubitt, Anglo-Saxon Church Councils c.650-c.850 (Londen en Cranbury, NJ 1995), 218.
Catherine Cubitt vermeldt dat zijn opponent, Jaenberht, enigszins verzwakt was door een verzet uit
Kent, maar laat helaas in het midden hoe de vork precies volgens haar in de steel zit.
268
    De voor de taalkunde gebruikte term “signifiant” van de taalkundige de Saussure vertaal ik met
“betekenisgevende beschouwer” wat vrij om de betekenis overduidelijk te maken en niet een
taalkundig-filosofische discussie door te voeren. Carol Sanders, “Introduction: Saussure today”, in:
Carol Sanders, ed., The Cambridge Companion to Saussure (Cambridge 2004), 5.
269
    Carol Sanders, “Introduction: Saussure today”, 5.
270
    Walter Pohl, “Telling the difference: signs of ethnic identity”, 66.
271
    Catherine Cubitt, Anglo-Saxon Church Councils c.650-c.850, 228
272
    Matthew Innes, State and Society in the Early Middle Ages: the Middle Rhine Valley, 400-1000,
260.
273
    Ibidem, 259-260.


                                                                                                  75
van Alfred, want hij zal zeker niet onbekend geweest zijn met het systeem van Karel
de Grote en diens voorgangers. Bovendien hadden de Frankische koningen hun
dominantie over de kerk al bevestigd op het eind van de achtste eeuw en op zijn
laatst in het begin van de negende eeuw. Zij die intermediair waren tussen volk,
lokale macht, en rijksbestuur, superlokale macht, hadden de politieke macht in
handen en waren bovendien intermediair tussen God en de mensen. Deze rol was
de elite in de vorm van de edelen en de geestelijken toebedacht. De geestelijke
kracht van een koning speelde in dit systeem een grote rol. Zolang hij krachtdadig
kon aansturen werkte het, maar als de elite, die over het algemeen lokaal gebonden
was, een sterke positie innam, verzwakte de grotere staat dientengevolge. Wanneer
een koning, zoals in de vroegere Angelsaksische tijd, lokaal georiënteerd was
vanwege zijn kleinere rijk speelde dat probleem heel wat minder. Toen lag zijn macht
in de relatie die hij had met én over de lokale bisschop en de lokale abten. In Alfreds
tijd was die simpele relatievorm, en dus bestuursvorm, een onmogelijkheid
geworden. Innes noemt de Karolingische Hervorming dan ook eerder een
mentaliteitsverandering dan een administratieve verandering.274 Met recht valt hier
van een paradigmawisseling te spreken. Deze paradigmawisseling gold ook voor
Alfreds situatie aangezien de elementen die tot de paradigmawisseling moesten
leiden reeds aanwezig waren, maar nog niet als zodanig omgezet waren naar een
ander, hervormd systeem.
       Het voorbeeld van Offa geeft aan dat dit wel een mooie theorie is maar dat die
in de praktijk lastig waar te maken is. Catherine Cubitt geeft duidelijk aan dat de mate
van invloed op de gebieden in Zuid-Engeland die Offa veroverd had, wisselend
was.275 De mate van erkenning van ’s konings macht door de bisschoppen hing ook
af van een zekere consolidatie van de situatie. Naarmate de koning langer hun
koning was, en zich goed kon laten gelden, waren zij meer en meer zijn onderdanen.
Zelf organiseren van een opvolger voor een bisdom door de koning hielp
bijvoorbeeld erg, maar een nieuwe bisschop kwam nooit zomaar, want die had altijd
een achtergrond. Het was dan ook van belang de opvolger zorgvuldig te kiezen. Zo
vroeg Alfred aartsbisschop Fulco van Reims iemand te zenden voor zijn program tot
onderricht. Fulco dirigeerde vervolgens Grimbald naar Alfred. Het is onduidelijk in


274
    Matthew Innes, State and Society in the Early Middle Ages: the Middle Rhine Valley, 400-1000,
262-263.
275
    Catherine Cubitt, Anglo-Saxon Church Councils c.650-c.850, 231.


                                                                                                    76
hoeverre het Alfreds intentie was om Grimbald naast het vertaalprogramma een
bisschopszetel te geven.276 Aangezien hij zijn plannen tot onderricht wilde laten
uitvoeren door bisschoppen lijkt dat niet onwaarschijnlijk maar in eerste instantie zal
Alfred naar een vertaler gezocht hebben. Hoe het ook ware, Fulco had wel
bisschoppelijke aspiraties voor Grimbald.277 Men moet niet vergeten dat Fulco als
aartsbisschop van de West-Franken een machtig man was die veel invloed had en
die ook liet gelden. Misschien onderkende Alfred het gevaar van een te sterke
opponent op een bisschopszetel maar aan de andere kant kon een sterke
persoonlijkheid, zeker op de aartsbisschoppelijke zetel van Canterbury, ook
versterkend werken voor het bestuur van Alfred. De keuze voor geleerdheid zou
Alfred zeker niet uit de weg zijn gegaan, maar het welslagen van zijn bestuur hing
erg af van de keuze van de bisschop, die moest niet te dociel zijn maar ook niet te
zelfstandig. De positie van de bisschoppen in Mercia was voor Offa ook lastig. De
bisschoppen hadden sterke banden met de elite en met elkaar door de concilies die
veel werden gehouden in die tijd. Waarschijnlijk waren Offa’s bisschoppelijke
opponenten een harde noot om te kraken voor hem.278 Offa wist hoe hij hun moest
aanpakken, maar latere koningen van Mercia hadden daar grotere problemen mee.
Na Offa’s succes werd de oude situatie geleidelijk weer hersteld. Ook het
aartsbisdom Lichfield, het aartsbisdom van Mercia eigenlijk, werd weer het gewone
bisdom Lichfield.
       Alfred benoemde Plegmund in 890 op de aartsbisschoppelijke zetel.
Plegmund was niet alleen onderdeel van zijn programma tot onderricht maar ook een
belangrijk uitvoerder ervan. Dat laatste zou nog belangrijk worden aangezien
Plegmund Alfred 24 jaar overleefde en op één jaar na diens zoon, Edward, 279 diende
tijdens diens regering.280 Alfred had niet alleen een hervormd bestuurlijk systeem
voor de kerk voor ogen, hij had ook met een verzwakte kerk te maken die versterkt
diende te worden om zijn plan tot onderricht te doen slagen. De reconstructie van de
kerk in het Angelsaksische gebied was geen kleine taak. De deplorabele staat waarin
de kerk en de vergaring van kennis waar zij voor stond verkeerde, werd dé reden

276
    Janet L. Nelson, ""…sicut olim gens Francorum…nunc gens Anglorum": Fulk’s letter to Alfred
revisited", 138.
277
    Janet L. Nelson, ""…sicut olim gens Francorum…nunc gens Anglorum": Fulk’s letter to Alfred
revisited", 142.
278
    Catherine Cubitt, Anglo-Saxon Church Councils c.650-c.850, 232.
279
    “Eadweard” in Anglo-Saxon Chronicle MSA, foutief in het jaar 900 geplaatst.
280
    David N. Dumville, Wessex and England, from Alfred to Edgar, 198.


                                                                                                 77
voor Alfred om aan zijn programma tot onderricht te beginnen. De door Alfred
bewonderde       geleerde      Aldhelm      was    een     groot    voorbeeld      vanwege       diens
buitengewone kennis en macht van het woord.281 Geleerde woorden waren echter
niet genoeg. De versterking van het episcopaat moest gemene zaak maken met de
geleerde woorden. Het lijkt erop dat het episcopaat floreerde onder Alfreds opvolger,
evenals de influx van buitenlandse geestelijken als continue herinterpretatie van de
werken van Alfred.282 Daarmee leek een korte-termijnsucces voor Alfreds plannen
bevestigd te zijn.
        Hoe zat het met de piëteit283 van Alfred? Hij lamenteert over de slechte staat
van de geestelijke geleerdheid en de verwaarlozing van de religieuze plichten
dientengevolge. Om te beginnen moest Alfred, als koning, zelf zijn religiositeit tonen.
Hij had daar verschillende middelen toe. Al eerder hebben we gezien dat er zeer
waarschijnlijk sprake was van een hofleven van enige omvang. Als geleide bij zijn
voorrede bij de Regula Pastoralis laat Alfred een æstel meezenden. Dit artefact moet
het belang van zijn religieuze boodschap ondersteunen. David Pratt heeft al
aangetoond dat er waarschijnlijk meer æstels waren en dat zij waarschijnlijk dezelfde
functie gehad hebben.284 Er werd geld noch moeite gespaard voor de uitvoering van
de religieuze plichten, waartoe het plan tot onderricht ook gerekend mag worden,
althans de implicaties daarvan. In de vertalingen had Alfred een hoofdrol. De Anglo-
Saxon Chronicle heeft ook een sterke neiging Alfreds daden en leven te belichten en
de geschiedenis in het licht daarvan te zien. Daarnaast had Alfred een biograaf in de
vorm van Asser en diens Vita Alfredi was ook op het leven van de devote en
plichtsgetrouwe vorst Alfred gericht. Alfred postuleerde zichzelf als de gangmaker
voor een religieuze heropleving van geleerdheid. Zijn voorbeeld moest anderen doen
volgen hierin.285
        Assers biografie staat in het teken van de piëteit van de koning. Die piëteit
moest al blijken in de Anglo-Saxon Chronicle, bijvoorbeeld de referentie aan het
bezoek dat Alfred tweemaal als kind aflegt aan de paus in Rome. Daar werd hij al de

281
    F.M. Stenton, Anglo-Saxon England. 182-183.
282
    David N. Dumville, Wessex and England, from Alfred to Edgar, 203.
283
    Piëteit komt van pietas dat voor zowel “plicht” als “devotie” staat. Voor Alfred golden de
betekenissen simultaan.
284
    David Pratt, "Persuasion and invention at the court of Alfred the Great", 197. Op pp. 199 wordt
bovendien vermeld dat de intrinsieke waarde van de æstel doet vermoeden dat deze specifiek
bedoeld was voor geestelijken die het plan tot onderricht moesten waarborgen. De overige æstels
waren misschien ook voor leken bedoeld.
285
    David Pratt, "Persuasion and invention at the court of Alfred the Great", 221.


                                                                                                      78
eerste keer tot koning “gewijd” door de paus.286 De chroniqueur van de Anglo-Saxon
Chronicle, waar Asser het begin van Alfreds leven grotendeels vandaan lijkt te
hebben gehaald, doelde er op dat Alfred voorbestemd was om koning te worden.287
Het geeft aan dat de perceptie van Alfred diens levensgeschiedenis in de boeken
bepaalt, alsof alles in het teken stond van de koning die hij later zou worden. 288
Daarmee ding ik in het geheel niet af op de piëteit van Alfred maar wil ik aangeven
dat er redenen waren die kant van hem nadrukkelijk te vermelden.
        Scott DeGregorio stelt dat Alfreds spiritualiteit, of eigenlijk de perceptie ervan,
gevolg is van het tekstuele amalgaam dat er tijdens diens leven is ontstaan. 289 Mijn
voorkeur gaat uit naar de oprechte spiritualiteit van Alfred waaruit diens
levensbeschrijving is ontstaan en is doen ontstaan door Alfred zelf. Meerdere doelen
mogen ons niet afhouden van de idee dat Alfred werkelijk het spirituele leven wilde
verbeteren. Immers, hoe kan zo een drive zich manifesteren als er geen geestelijke
overtuiging daartoe is? Natuurlijk is er een werkelijke reden in de Vikingaanvallen om
het rijk goed te organiseren. Maar dat verklaart niet de vertalingen en het program tot
onderricht dat na de ergste aanvalsperiode is ontstaan op instigatie van Alfred. Hij
wilde duidelijk meer. Het is echter mogelijk dat die geestelijke drive pas na het
afslaan van de ergste aanvallen is ontstaan. In ieder geval kon hij zich toen pas
manifesteren. De bronnen kunnen daarover moeilijk uitsluitsel geven omdat ze te
eenzijdig zijn in dezen.290 Alfreds spiritualiteit moet blijkens de werken uit de tweede
helft van zijn regering in relatie staan tot de wijsheid die uit de vertaalde teksten
vergaard kan worden.291 Die spiritualiteit mocht best praktisch vertaald worden voor
de parochies. Boetedoening was daar een voorbeeld van. Alfred was met zijn
vertalingen een wegbereider voor de boetedoening in Oudengelse teksten.292 Helaas
zijn de bronnen hiervoor beperkt en zijn ze bovendien van toepassing op de periode
na Alfred, met name de late tiende en elfde eeuw. Het succes van Alfreds eigen
voorbeeld is dan ook moeilijk te meten op alledaags niveau en kan alleen indirect
vastgesteld worden waarbij de vermoedens zozeer de overhand hebben dat er

286
    Asser, hoofdstuk 8, in: Keynes en Lapidge, Alfred the Great, 69.
287
    Keynes en Lapidge, Alfred the Great, 232.
288
    Scott DeGregorio, “Texts, topoi and the self: a reading of Alfredian spirituality”, in: Early Medieval
Europe vol. 13 nr. 1 (2005), 82.
289
    Ibidem.
290
    James Campbell, “Placing King Alfred”, 4.
291
    Scott DeGregorio, “Texts, topoi and the self: a reading of Alfredian spirituality”, 95.
292
    Catherine Cubitt, “Bishops, priests and penance in late Saxon England”, in: Early Medieval Europe
vol. 14 nr. 1 (2006), 44.


                                                                                                        79
slechts een lage corroboratiegraad is. Wat betreft de vertalingen en teksten in
volkstaal is dat en ander verhaal. Ælfric gebruikte veel Oudengels in plaats van
Latijn. Het inbrengen van de volkstaal voor het gebruik van religieuze teksten is
aardig gelukt, althans culmineert in ieder geval in een persoon: Ælfric.293
        Alfreds spiritualiteit en piëteit worden verder bevestigd in                        de vele
ziekteverschijnselen die Asser meermaals belicht, ondermeer tijdens Alfreds
huwelijk.294 Maar ziekte heeft zijn grenzen. Een zekere nederigheid is niet verkeerd
als men zich als geestelijk instigator probeert op te werpen, met welk doel dan ook.
In de wereld van de Angelsaksen, net zoals bij andere Germaanstaligen, was strijd
een belangrijke factor in de waardering die men opbracht voor een koning.295 Asser
kan dan ook gelezen worden als de spirituele verantwoording voor Alfreds
koningschap. De Anglo-Saxon Chronicle is dan tot op zekere hoogte de
verantwoording voor het militaire leiderschap van Alfred. Het geheel maakt Alfred tot
een bretwalda, een “groot-koning”, der Angelsaksen. Het is niet verwonderlijk dat
Alfred die lijst weer tot leven bracht. Of hij dat nou zelf instigeerde of niet doet er niet
zoveel toe. De perceptie van de bretwalda is het resultaat van de militair succesvolle
koning die zich ook geestelijk heeft gescherpt en heeft laten scherpen.




Alfreds doel


In de vertaling van de Regula Pastoralis is duidelijk te zien wat Alfred wilde met
betrekking tot de herderlijke eigenschappen die hij zichzelf en de bisschoppen
toedacht.296 Er is een sterk vermoeden dat de woorden die geschreven werden ook
echt aan de persoon Alfred toegewezen kunnen worden. De voorredes die hij
schreef hebben een linguïstische overeenkomst. Bovendien zijn de zorgen die geuit


293
    Catherine Cubitt, “Bishops, priests and penance in late Saxon England”, passim. Catherine Cubitt
geeft duidelijk aan dat het onderwerp boetedoening goed beschreven werd in de late tiende en elfde
eeuw (pp. 62). Maar daar valt helaas weinig uit te halen voor de tijd van Alfred anders dan een
voorzichtige vraag omtrent Alfreds tijd.
294
    Asser, hoofdstuk 74, in Keynes en Lapidge, Alfred the Great, 88-90. Opvallend is dat het huwelijk
van Alfred eerder werd genoemd in hoofdstuk 29 (Keynes en Lapidge, 77) maar er dan geen ziekte
wordt genoemd. Het lijkt of Asser eerst de dynastieke en morele aanspraak op het koningschap van
Alfred wilde bevestigen want in dat hoofdstuk noemt hij wel de moeder van Alfreds vrouw maar laat
haar naam in het ongewisse. Later in de Vita Alfredi komt Asser pas goed op gang met de spirituele
claims op Alfreds welbevinden.
295
    Paul Kershaw, “Illness, power and prayer in Asser’s Life of King Alfred”, 222-223.
296
    Robert Stanton, The Culture of Translation in Anglo-Saxon England, 95.


                                                                                                    80
werden ’s konings zorgen, anderen zouden zich slechts ten dele om die zaken
zorgen maken.297 Dat is echter niet te rijmen met de overeenkomst in woordgebruik
in de voorredes. Het woord van een ander, Asser, lijkt veel te bevestigen, maar
daarbij moet wel aangemerkt worden dat hij een van de dienaren van de koning was
en een succesvolle bovendien, want hij werd uiteindelijk bisschop van Sherborne,
een van de twee diocesen die in het oorspronkelijke Wessex lagen. Het is
onwaarschijnlijk dat hij Alfred zal zijn afgevallen. De Vita Alfredi is rond 893
geschreven op het hoogtepunt van Alfreds (geestelijke) productie.298 Waarschijnlijk
zal Asser als hulp op dat moment een en ander hebben vertaald voor Alfred. De
kennis van de klassieke, kerkvaderlijke literatuur van Asser is waarschijnlijk beperkt
geweest bij Asser: mogelijk heeft hij de Regula Pastoralis pas gelezen bij Alfred en
niet tijdens zijn opleiding.299 Geleerd was hij, maar die geleerdheid zal misschien niet
veel meer geweest zijn dan de kennis van Latijn en het hoogst noodzakelijke in de
canonieke werken. Kennis van Latijn was voor Alfred al heel wat. Scott DeGregorio
neemt aan dat Asser met meerdere werken bekend was. 300 Michael Lapidges ideeën
zijn wat explicieter over de kennis van Asser, want het is volgens hem niet
onaannemelijk dat Asser de Vita Karoli van Einhard kende en wellicht nog enige
andere werken in Latijn, van onder anderen Beda en Aldhelm. 301 Alfreds woorden
kunnen ook in Asser gelezen worden door diens sterke drang tot vertalen en
instigeren waarin Asser een helpend onderdeel is.
        Alfreds intentie tot het vertaalprogram was uit zijn piëteit voortgekomen. De
bisschoppen konden hun geestelijke taken niet meer naar behoren uitvoeren door
hun beperkte kennis van Latijn en dus de werken die in die taal zijn geschreven. De
vertalingen geven aan dat het Alfred onmogelijk enkel te doen kon zijn geweest de
kennis van die taal te propageren, want hij koos zorgvuldig werken uit om te vertalen
en te laten vertalen. Dat hij uit werken kon kiezen geeft aan dat enkele van zijn

297
    David Pratt, "Persuasion and invention at the court of Alfred the Great", 189.
298
    Scott DeGregorio, “Texts, topoi and the self: a reading of Alfredian spirituality”, 79.
299
    Michael Lapidge, “Asser’s reading”, in: Alfred the Great (Papers from the Eleventh-Century
Conferences) (Aldershot en Burlington, VT 2003), 28.
300
    Scott DeGregorio, “Texts, topoi and the self: a reading of Alfredian spirituality”, 82. Scott
DeGregorio’s aanname is van wezenlijk belang voor zijn artikel. Daarin gaat het over de spiritualiteit
van Alfred, wat een interessant gedachte-experiment is. Maar mijn vraagstelling bij het artikel is nu
een andere dan dievan Scott DeGregorio.
301
    Michael Lapidge, “Asser’s reading”, 28. Opvallend is dat bij het lijstje dat Michael Lapidge geeft er
weinig kerkvaders staan. Misschien geeft het aan dat bijvoorbeeld de werken van Beda en Aldhelm
meer circuleerden in Engeland en Wales dan die van de kerkvaders, met eventuele uitzondering van
het werk van Gregorius de Grote. Het blijft de vraag of Asser direct bekend was met de kerkvaders of
dat hij citeerde uit andere werken.


                                                                                                       81
helpers, met name die uit het buitenland, wél bekend waren met een zeker canon.
Naast een overwogen keuze wil Alfred ook de inhoud van die werken propageren.302
Dat doet hij door niet enkel te vertalen maar ook delen aan de werken te veranderen
en toe te voegen wanneer hij dat nodig achtte.
        Voortkomende uit de praktijk van Wessex waar de eigen taal al langer werd
gebruikt om bijvoorbeeld wetten te staven, men denke aan Alfreds grote voorganger
Ine, bezorgde Alfred het Oudengels een literaire opbloei. Niet de wereldlijke
problemen       maar     de    spirituele    problemen       lagen     ten    grondslag      aan    het
vertaalprogramma, en om zijn doel veilig te stellen moest Alfred meer doen dan
simpelweg vertalen. Tegelijkertijd ondernam Alfred een aantal andere dingen, zoals
het stimuleren van de kunstnijverheid, waar het Juweel van Alfred een voorbeeld van
is. Dat geheel aan ondernemingen is uitermate belangrijk voor Alfred en voor ons om
hem te beschouwen.303
        Theodorus, de aartsbisschop van Canterbury, kwam uit een andere wereld. Hij
sprak van huis uit Grieks en had waarschijnlijk gestudeerd in de tweetalige stad
Antiochië.304 In Theodorus’ tijd werden Latijn en Grieks al slecht begrepen. Voor
Grieks week men uit naar Ierland waar overigens ook geweldige grammatici voor de
studie van Latijn vandaan kwamen.305 Het is niet ondenkbaar dat Theodorus even
grote plannen had als Alfred, maar hij schreef niet in de taal van de Angelsaksen.
Gezien de slechte staat van de beheersing van Latijn destijds was dat misschien een
obstakel geweest om een literaire cultuur voor het Angelsaksische volk te creëren.
Wellicht had hij die intentie ook niet. Er is een werk bekend waarin Theodorus’
antwoorden inzake boetedoening en canoniek recht zijn vastgelegd.306 Dat kan
duiden op de preoccupatie, althans van de optekenaar, met kerkelijke zaken. Dat is

302
    Robert Stanton, The Culture of Translation in Anglo-Saxon England, 3. Robert Stanton gaat zelfs
nog een stapje verder en spreekt van het ontstaan van een tweetalige cultuur. In die cultuur waren er
voor Oudengels en Latijn weliswaar verschillende rollen weggelegd, maar belangrijker is dat Stanton
het Oudengels, als volkstaal, boven het initiële doel als instrument voor vertaling uit laat rijzen.
303
    Simon Keynes, “The power of the written word: Alfredian England 871-899”, 197.
304
    Robert Stanton, The Culture of Translation in Anglo-Saxon England, 24-25. In Antiochië werden
Grieks en Syriac gesproken. Syriac is een literaire, kerkelijke vorm van Aramees. De naam Syriac is
niet te vertalen als Syrisch, want dat staat voor een heel ander gebied, met name in culturele
betekenis. Syrië staat meer voor het gebied van de Syrische woestijn en de aangrenzende gebieden
in die tijd, maar niet noodzakelijk voor de christelijke cultuur. Syriac geeft wel aan dat er naast het
klassieke Grieks een volkstaal was die tot de status van literaire taal kon uitgroeien. Er werd
uiteindelijk zelfs náár Grieks vertaald, en ook Armeens, Arabisch en Georgisch.
305
    F.M. Stenton, Anglo-Saxon England, 181.
306
    Dorothy Whitelock, The Beginnings of English Society, 195-196. Frappant is dat de optekenaar
zich de dienaar van de Humbrians noemde hoewel hij optekende van een aartsbisschop van
Canterbury.


                                                                                                     82
echter niet zo vreemd want Theodorus zat destijds in Canterbury ver van het
toenmalige cultureel-kerkelijke centrum van de Angelsaksen in Northumbrië.
Daarnaast moest hij zich verhouden tot belangrijke Angelsaksen zoals Beda, die in
de naburige kerkprovincie York werkte. Alfred moest verder gaan dan Theodorus,
want hij had in de vertaalde werken de link te leggen naar het Angelsaksische volk in
het algemeen en diens belevenis van de geestelijke wereld in het bijzonder. Hij was
ten slotte geen kerkvorst maar een (weliswaar zeer spirituele) wereldlijk vorst.
       Taal is een lastig gegeven, want vertalen houdt altijd in dat men aan het
interpreteren is. De taalkundige Ferdinand de Saussure stelde dat veranderingen in
de taal altijd uit het individuele gebruik, het parole, voortkomen,307 waaruit volgt dat
vertalen ook de taal kan veranderen. De verandering is in zo een geval in eerste
instantie een interpretatie van het oorspronkelijke parole. Interpretatie is sterk
afhankelijk van de kennis van de vertaler van de cultuur rondom de oorspronkelijke
taal, of ten minste de cultuur die de schrijver van het oorspronkelijke werk
toebehoorde. Vergelijk hier Virgilius’ Latijn met dat van Gregorius de Grote, wat in
oorsprong dezelfde taal is maar in verschillende tijden geschreven en dus
verschillend in de betekenis en het begrip van bepaalde termen, zoals pietas, piëteit,
dat in Virgilius’ tijd geen christelijke context bezat.308 Om niet tot een strikt
individualistisch taalbegrip te vervallen contraposteert de Saussure zijn stelling over
de taalverandering via het parole met het gemeenschappelijke, sociale begrip van de
vorming van ideeën die uitgedragen worden door de sprekers van een taal, de
langue oftewel het abstractere systeem van taalregels.309 Het parole is echter altijd
de langue voor door de veranderingen die hier ontstaan en in eerste instantie zelden
voldoet aan de regels van de langue.310 Dit a-prioristische idee van het gesproken
woord dat de theorie voorgaat, is van toepassing op Alfreds gebruik van zijn taal, het
Oudengels. Hij benadrukte zijn sociale, communicatieve wens naar zijn volk door in
de voorrede bij de Regula Pastoralis te refereren aan een mythisch verleden van
geweldige geleerdheid dat de Angelsaksen gezamenlijk hadden, althans hij maakte

307
    Leezenberg en De Vries, Wetenschapsfilosofie voor geesteswetenschappen, 170.
308
    Virgilius gold in de vroege middeleeuwen als dé, helaas heidense, autoriteit op het gebied van
beheersing van Latijn. Dat Gregorius de Grote ander Latijn schreef, is niet enkel te wijten aan de
veranderingen die taal ondergaat (de Saussures parole) maar ook aan de verschillende tijden, en dus
omstandigheden, waarin de schrijvers leven.
309
    Leezenberg en De Vries, Wetenschapsfilosofie voor geesteswetenschappen, 170-171. De
Saussures begrip voor de menselijke rede in verband met taal is langage. Roy Harris, Saussure and
his Interpreters (Edinburgh 2001, 2003), 243.
310
    Roy Harris, Saussure and his Interpreters, 246.


                                                                                                 83
geen onderscheid tussen de verschillende Angelsaksische volkeren en moet
derhalve uitgegaan zijn van een gezamenlijk verleden.311 Alfreds parole werd door de
vertalingen een grote bijdrage aan de nieuw langue van het Oudengels, temeer
omdat het Oudengels nog geen evenwichtig geheel in de theoretische langue bezat,
althans die was nog in weinige mate onderkend door de schrijvers in die taal. Alfred
kon het individuele parole van zijn eigen taalgebruik niet uitschakelen en wilde dat
ook niet, want ten slotte was hij de koning en stamde hij van Hengist en Horsa af en
lag bij hem de taak van organisatie én instigatie.
       Laat Gregorius een voorbeeld zijn, althans diens Regula Pastoralis om te
beginnen: het was niet voor niets dat Alfreds plan tot onderricht ontvouwd werd in de
voorrede bij dit werk. Gregorius stelde dat niemand les moest geven eer hij zelf een
goed onderricht had genoten.312 Alfred was op de goede weg met zijn instructie aan
de bisschoppen om te instrueren in Oudengels en in Latijn in de Gregoriaanse
traditie waarin hij zichzelf had geplaatst en waarbij hij aansluiting zocht. Hoewel de
tekst niet bedoeld was voor wereldlijke heersers was hij goed te transformeren voor
hen. Asser liet bijvoorbeeld Alfred Gregoriaanse wijsheden debiteren die de
nederigheid van ’s konings oordeel naar zijn volk moesten tonen.313 Niet alleen
moesten de leidinggevenden op de hoogte zijn van de tekst, ze moesten er ook de
hand van Alfred de koning in zien.314 Als eerste vertaling leidde de Regula Pastoralis
Alfreds edelen in ‘s konings gedachtegoed in.315 Alfred postuleerde in eerste instantie
zijn ideeën naar zijn geestelijke helpers bij het program tot onderricht, want voor
Alfred was er interferentie mogelijk tussen een koning en de herderlijke aansturing
die normaliter van de bisschoppen uitging.316 Die interferentie werd bevestigd
doordat Alfred zich aan het hoofd stelde van de geloofscongregatie door te initiëren
in zaken van piëteit en daarnaast de bestuurlijke rol van de bisschoppen naar zich
toe trok door hen te instrueren. Asser refereerde in de aanhef van de Vita Alfredi


311
    Robert Stanton, The Culture of Translation in Anglo-Saxon England, 6.
312
    Keynes en Lapidge, Alfred the Great, 296.
313
    Asser, hoofdstuk 102, in: Keynes en Lapidge, Alfred the Great, 107. Hierin beschreef Asser
Gregorius’ adagium van ieder het zijne: veel voor hen die het toekomt, minder voor degenen die
minder toekomt, etc. Bovendien moeten er vooral geen fouten gemaakt worden door de begiftigde en
gevende bestuurder.
314
    Scott DeGregorio, “Texts, topoi and the self: a reading of Alfredian spirituality”, 93. Scott
DeGregorio gaat wat verder: hij stelt dat het proces van vertaling zelfs tot doel had het werk, of de
werken, naar hemzelf (Alfred) te maken. De gedachte van het proces van Alfreds persoonlijkheid die
zich manifesteert en die aan DeGregorio’s idee ten grondslag ligt, lijkt me op zich een juiste.
315
    Keynes en Lapidge, Alfred the Great, 35.
316
    Robert Stanton, The Culture of Translation in Anglo-Saxon England , 95.


                                                                                                   84
naar Alfred als rector der christenen van de Angelen en Saksen.317 Alfreds a-
prioristische instelling jegens de bisschoppen bevestigde hem ook als koning naar
bijbels voorbeeld, want een wijze wilde hij zijn, bij wie het gæstlice, geestelijke,
aspect van het koningschap voorop stond.318
        In de voorrede bij Wærferths vertaling van de Dialogen van Gregorius de
Grote refereerde Alfred aan de (geestelijke) rust temidden van de wereldlijke
problemen die hij wilde, want wijsheid staat centraal in de Dialogen.319. Malcolm
Godden laat blijken dat Alfreds intentie echter breder was dan Wærferths bedoeling.
Wærferth zocht het meer in het christelijk-ascetische terwijl Alfred meer een
filosofisch-seculiere betekenis aan het werk toedichtte.320 “Filosofisch” staat wel in de
christelijke context, maar Alfred liet die vaak vergezeld gaan van een seculiere
context, wat zijn rol als koning ook eist van hem.
        Wijsheid is boven alles de muze van Alfred. Boethius’ De Consolatione
Philosophica getuigt van Alfreds wens om dieper in te gaan op de wijsheid die hij als
de grootste der deugden beschouwde. Alfred refereerde in zijn vertaling hiervan aan
wisdom, “wijsheid”, als se hehsta cræft, “de hoogste deugd” (vaardigheid, analoog
aan kracht)”.321 Se hehsta cræft verdeelde hij weer in de vier kardinale deugden:
wærscipe (worship; godsdienstbeoefening), gemetgung (temperance; matiging), ellen
(courage; moed) en rihtwisnes (justice, rightiousness; rechtvaardigheid).322 Het
woord cræft wordt maar liefst 155 maal genoemd in de Alfrediaanse canon.323 Paul

317
    Asser, titelblad, in: Keynes en Lapidge, Alfred the Great, 66-67. En: Paul Kershaw, “Illness, power
and prayer in Asser’s Life of King Alfred”, 92. Paul Kershaw noemt hier de Gregoriaanse tonen die
weerklinken in Assers werk.
318
    Scott DeGregorio, “Texts, topoi and the self: a reading of Alfredian spirituality”, 92. DeGregorio
vertaalt gæstlice wat preciezer als “spiritualiteit”. In de engere context van Alfred als rector is die beter.
In ruimere zin voor Alfred als koning, dus rector én bestuurder van zijn rijk, lijkt “geestelijke” mij beter
vanwege de wat ruimere implicaties van “geestelijke” ten opzichte van het woord “spiritueel” zoals dat
in het moderne parole wordt gebruikt. Bovendien staat het Nederlandse “geestelijke” opmerkelijk dicht
bij het Oud-Engelse gæstlice. Het moderne Engels biedt dat onderscheid niet meer.
319
    Alfred de Grote in diens voorrede bij de Dialogen, in: Keynes en Lapidge, Alfred the Great, 123.
320
    Malcolm Godden, “Wærferth and King Alfred: the Fate of the Old English Dialogues”, 50-51.
Expliciet is Malcolms conclusie wel, maar hij geeft een aardig contrapunt voor Alfred als enkel een
spiritueel man. Hij was ten slotte koning en kon wereldlijke zaken nooit naast zich neerleggen, al heeft
hij die intentie wellicht wel gehad. Zo een intentie kon ook als drive dienen als je wist dat je hem nooit
waar oan maken en hem enkel als leidraad kon hanteren.
321
    Alfred de Grote’s vertaling van De Consolatione Philosophica, geciteerd in: Paul E. Szarmach,
“Alfred’s Boethius and the four cardinal virtues”, 224. De vertaling is van mij.
322
    Paul E. Szarmach, “Alfred’s Boethius and the four cardinal virtues”, 224. De vertalingen, en
analogieën, zijn van mij. Op pagina 232 citeert Szarmach een preek in Oud-Engels van een iets later
datum waarin ellen voorgesteld wordt als strengð, (strenth (sterkte, kracht) in modern Engels), wat
meer kracht of macht dan moed betekende. Alfred maakte dus een weloverwogen keuze in zijn
woorden.
323
    Paul E. Szarmach, “Alfred’s Boethius and the four cardinal virtues”, 223.


                                                                                                           85
E. Szarmach noemt cræft de typisch Alfrediaanse vertaling van het Latijnse woord
virtus.324 Daarmee is het woord de quintessens in de canon van Alfred, in het
bijzonder in spirituele zin en ligt daarmee aan de basis van Alfreds intenties.
       Wijsheid in de persoon van Alfred is een veel voorkomend thema in Assers
Vita Alfredi, waarmee Asser Alfreds jacht naar wijsheid uitdrukte. Alfred liet in de
voorrede bij de Regula Pastoralis zijn wens blijken om het geestelijk patrimonium
over te dragen aan de jeugd, beginnend in Oudengels waarna men kon doorstromen
naar de studie naar wijsheid in Latijn. Die studie werd wel een beetje overbodig door
de geslaagde overzetting naar de Oudengelse taal. Meermaals is betoogd dat
Alfreds program tot onderricht en de bijbehorende vertalingen een sterke impuls aan
de verbreding van de Oudengelse taal hebben gegeven. Virgilius was niet alleen een
goed voorbeeld van excellent gebruik van de Latijnse taal, de idee van een Virgilius
en diens excellente taalbeheersing, stond ook, onbewust misschien, model voor het
zoeken naar een idioom voor het Oudengels ten tijde van Alfred.325 De handeling van
het vertalen op zich was al een keuze voor wijsbegeerte. Om een tekst te vertalen
moest men hem niet alleen begrijpen, men moest hem ook naar de eigen taal en
cultuur kunnen omzetten om de idee van de tekst over te brengen.
       Alfred haalde voor zijn program tot onderricht geestelijken van buiten Wessex.
Daarmee hoopte hij een tekstueel perspectief te bieden aan de toekomst van
Wessex. Dat perspectief kwam ook, onbedoeld, voort uit de traditie van het gebruik
van de volkstaal voor het opstellen van wetten en charters. 326 Het waren Wessex en
het dialect van Wessex die in eerste instantie profiteerden van Alfreds hang naar
wijsbegeerte. Koning Ine van Wessex had de wetten voor zijn rijk opgesteld met
behulp van de twee bisschoppen van zijn rijk. 327 Bisschoppen waren ook al eerder
met onderricht in de gesproken taal in Wessex bezig geweest, wat voor Alfred
misschien een voorbeeld was, hoewel hij daar niet aan refereerde. Wessex zou in de
tiende eeuw versmelten met het Angelsaksische gebied en één koninkrijk worden,
wat ik in het volgende hoofdstuk wil behandelen.


324
    Paul E. Szarmach, “Alfred’s Boethius and the four cardinal virtues”, 224. Het woord mægen
(vermogen, kunnen) uit het dialect van Mercia, waar toch veel Oud-Engelstalige helpers voor Alfreds
vertalingen vandaan kwamen, legde Alfred naast zich neer ten gunste van zijn eigen keuze cræft, wat
het belang dat Alfred klaarblijkelijk hechtte aan die vertaling bevestigt.
325
    Robert Stanton, The Culture of Translation in Anglo-Saxon England, passim. Robert Stanton citeert
ook anderen hierover, bijvoorbeeld Martin Irvine op pp. 97.
326
    Simon Keynes, “The power of the written word: Alfredian England 871-899”, 197.
327
    D. van Hinloopen Labberton, Magna Carta Libertatum en Witena Gemot , 117.


                                                                                                  86
        Hoe de toekomst van Alfreds ideeën eruit zag en hoe zijn werk enig gevolg
had zoals het bedoeld was zijn de interessante vraagstellingen. Het volgende
hoofdstuk is te begrijpen als een testcase voor de gestelde bevindingen in dit
hoofdstuk en alle voorgaande die tot die bevindingen hebben bijgedragen. De
“beginvoorwaarden” voor de testcase moeten bevestigd worden in de resultaten van
Alfreds vertalingen die aannemelijk zichtbaar zijn in de tiende eeuw.328 Het grote
gebrek aan bronnen uit deze periode beperkt het vermogen tot het doen van
verregaande uitspraken,329 want wanneer van weinig bewijs sprake is, past het enige
terughoudendheid te betrachten in het al te gemakkelijk induceren uit de feiten.
Indirect bewijs kan als aanname dienen maar blijft indirect en als er te weinig
uitvoerig indirect bewijs is, wordt de corroboratiegraad van een stelling wel heel laag.
Als gedachte-experiment en poging tot corroboratie van de bevindingen mag het
volgende hoofdstuk echter wel gezien worden.




Alfreds cræft in de tiende eeuw


“& þa feng Eadweard his sunu to rice”,330 begint de Anglo-Saxon Chronicle de
regeerperiode van Alfreds zoon en opvolger Edward. 331 Edward regeerde tot 924.332
Aartsbisschop Plegmund, door Alfred gekozen, was tot 923 aartsbisschop. 333 Dat

328
    Karl R. Popper, De groei van kennis (Hoofdstukken uit Conjectures and Refutations: The Growth of
Scientific Knowledge (Londen 1963)) (Meppel 1978), 106. De vertaler, Zeno Swijtink, heeft de term
“beginvoorwaarden” zo vertaald naar het Nederlands.
329
    Simon Keynes, “The power of the written word: Alfredian England 871-899”, 192. In het bijzonder
doelt Simon Keynes hier op het beperkte aantal charters van Alfred waaruit niet mag worden afgeleid
dat Alfreds regering niet in staat was deze te produceren. Uitvoerig bewijs noch indirect bewijs kunnen
hier doorslaggevend zijn.
330
    Anglo-Saxon Chronicle, MSA. “En daar nam Eadweard (Edward), zijn zoon, een aanvang met het
(bestuur van het) rijk”. Abusievelijk vermeld in het jaar 900 in de MSA. Overigens worden er voor de
letters g en w andere tekens gebruikt in de transcripties. Die staan echter in geen computer. Het teken
voor & lijkt erg op 7. Voor de naam “Eadweard” wordt altijd de variant “Edward” gebruikt. Deze zal ik
ook gebruiken. Waarschijnlijk is het gebruik in die versie overgenomen omdat er latere meerdere
Engelse en Britse koningen met de naam Edward zijn geweest, die overigens na de verovering van
Engeland door Willem de Veroveraar opnieuw genummerd werden, beginnend bij Edward I in de
dertiende eeuw.
331
    Edward the Elder, of Edward I, want later, in de tiende eeuw, was er nog een Edward, the Younger,
of Edward the Confessor (Edward de Belijder), of Edward II. Alle naamgevingen worden in de
literatuur gebruikt.
332
    Anglo-Saxon Chronicle, MSA, vermeldt ook hier weer een jaar later, namelijk 925, evenals MSF.
MSS C en D noemen wel het juiste jaartal. MSE heeft beide jaartallen, waarvan het eerste, en juiste,
uitgekrast was.
333
    Een vermelding van diens overlijden is later toegevoegd in Anglo-Saxon Chronicle, MSA. De
overige MSS vermelden diens overlijden niet. Dat doet vermoeden dat invloedrijke geestelijken op een


                                                                                                    87
laatste is een indicatie dat Alfreds politiek voortgezet kon worden na zijn
koningschap, althans de voorwaarden voor een geslaagde voortzetting en uitvoering
Alfreds ideeën waren misschien wel de best denkbare daarvoor.
       Edward moest echter eerst zijn aandacht richten op de Vikingen waarna hij
zich op de consolidatie van zijn staat zou kunnen richten door tot de tegenaanval
over te gaan. In 910 won hij de slag bij Tettenhall wat ervoor zorgde dat de Vikingen
in het oosten van Engeland uiteindelijk zo geïsoleerd waren geraakt van de andere
Vikingkoninkrijkjes dat Edward die rijkjes de een na de ander veroverde. In het
heroverde Mercia werd gelijk het systeem van burhs geïntroduceerd.334 Na het
overlijden van zijn zus Æthelflæd, die de weduwe was van ealdorman Æthelred van
Mercia, bekrachtigde Edward ook een directere heerschappij over Mercia. Dit alles
gebeurde zodanig dat geheel Engeland ten zuiden van de Humber onder de
heerschappij van Edward en het huis van Wessex viel.335
       Niet alleen het bestuur van de staat werd door Edward ter hand genomen,
want in 909 reorganiseerde hij zijn bisdommen. Dit deed hij in het oude gebied van
Wessex, dus ruwweg het gebied ten zuiden van de Theems, waar Edwards basis
nog steeds lag.336 De twee bestaande bisdommen werden opgedeeld: Winchester in
Ramsbury en het restant van Winchester en het bisdom Sherborne in het restant van
Sherborne, in Wells, in Crediton en St. Germans als het diocees voor Cornwall.
Opvallend is dat de indeling bijna parallel liep aan de indeling van de shires.337 Dit
duidt er op dat Edward zijn bestuur wilde vereenvoudigen, want naast elke
ealdorman was er nu een bisschop en beider bestuursgebieden kwamen overeen.
De organisatie en de voortzetting van Alfreds bestuur leken de aandacht van Edward
te hebben opgeëist. Eric John stelt dat Edward het koninkrijk Wessex heeft
getransformeerd in het koninkrijk Engeland, maar het niet heeft geconsolideerd.338
Die taak was volgens hem zijn zoon Æthelstan vanaf 925 beschoren. Hieruit zou

gegeven moment verantwoordelijk waren voor het kopiëren van de Anglo-Saxon Chronicle, MSA, die
als de oudste kopie bekend staat. De geestelijken waren West-Saksisch omdat er specifiek West-
Saksische gebeurtenissen werden geregistreerd. (A.H. Smith, ed., The Parker Chronicle, 832-900)
Hadden zij nog de idealen van Alfreds Wessex hoog in het vaandel? Of werd het manuscript te
Winchester bewaard en werd er daardoor specifieke informatie over Wessex toegevoegd? Beide
vermoedens zijn plausibel.
334
    Eric John, “The age of Edgar”, 160-161.
335
    Ibidem, 161.
336
    David N. Dumville, Wessex and England, from Alfred to Edgar, 202.
337
    Eric John, “The age of Edgar”, 172. Ramsbury: Wiltshire en Berkshire (en een klein deel van
Oxfordshire). Winchester: Hampshire en Surrey. Sherborne: Dorset. Wells: Somerset. Crediton:
Devon(shire). St. Germans: Cornwall.
338
    Eric John, “The age of Edgar”, 164.


                                                                                             88
onterecht geconcludeerd kunnen worden (niet door Eric John overigens) dat Edward
helemaal niet zoveel voor Alfreds plan tot onderricht heeft gedaan. Niets is minder
waar, want Edward was immers opgegroeid aan zijn vaders hof en hij had
hoogstwaarschijnlijk een goede opleiding genoten.339 Het zou ook vreemd zijn dat
Alfred zijn plan tot onderricht voor de zonen van alle vrije mannen, ceorls en hogere
edelen, niet zou hebben bestemd voor zijn eigen zoon. Het kan zijn dat Edward
weinig tijd voor het studieuze leven had: pas in 909, dus na tien jaar koningschap,
waagde hij zich aan de bestuurlijke herindeling van de bisdommen, en dan alleen
nog in Wessex. Bovendien duurde de strijd met de Vikingen tot aan 920 en overleed
hij slechts vier jaar later, wat de tijd die hij kon besteden aan voortzetting van het
program tot onderricht ernstig beperkte voor hem. Het kan ook zijn dat Edwards
interesse meer gericht was op het bestuur en dat zijn plannen voor de dynastieke
toekomst meer op het gebied van de herovering van Engeland op de Vikingen lagen
en het is niet ondenkbaar dat Edward wat minder geïnteresseerd was in het geleerde
leven dan zijn vader, ondanks zijn opvoeding. Dat is heel erg moeilijk te bewijzen,
want de basis in onderricht die Edward had, kan om veel redenen niet tot uitdrukking
zijn gekomen. Het probleem blijft dat er een gebrek aan bronnen is die hierover enig
uitsluitsel kunnen geven. Edward heeft de traditie die Alfred stichtte in geleerdheid
echter niet onderbroken zo blijkt uit de rest van de tiende eeuw.
       Edwards zoon Æthelstan consolideerde Engeland als staat door in de slag bij
Brunanburh in 937 de Vikingen te verslaan. Daarmee bracht hij Engeland ten zuiden
van de Humber voor een lange periode in veiligheid voor de Vikingaanvallen.
Bovendien vochten de vrije mannen uit Mercia mee aan Engelse zijde.340 Het
noorden van Engeland was echter niet zo gemakkelijk onder Engelse supervisie te
krijgen.341
       Edward en Æthelstan droegen in hoge mate bij aan de bestuurlijke weg die
Alfred op was gegaan. Door dat zij Engeland, het vergrote Wessex, bestuurlijk
consolideerden, kwam er ruimte vrij voor een literair leven in Engeland en daarmee
voor de voortzetting, in alle veiligheid, van Alfreds program tot onderricht. David N.
Dumville relateert de Benedictijnse hervorming van de tiende eeuw aan de



339
    David Kirby, geciteerd in: David N. Dumville, Wessex and England, from Alfred to Edgar, 199.
340
    Eric John, “The age of Edgar”, 164.
341
    Ibidem.


                                                                                                   89
mogelijkheden die door Alfred waren geschapen voor de jacht naar wijsheid. Door de
Benedictijnse hervorming werden nieuwe geestelijke in de kloosters opgeleid.
       Oda van Ramsbury werd in 941 aartsbisschop van Canterbury en de monnik
Dunstan werd in of net na 940 abt van het invloedrijke klooster van Glastonbury, 342
en na Oda aartsbisschop van Canterbury. Oda was een actieve bestuurder van de
kerk maar ook een helper van koning Edmund I (939-946), getuige Oda’s stempel op
Edmunds wetgeving.343 De Benedictijnse hervorming zorgde ervoor dat de
veranderingen die werden doorgevoerd in de Engelse kerk konden slagen. 344 Het
monastieke aspect, samen met de indeling in nieuwe diocesen, zorgde voor een
situatie die nieuwe Oudengelstalige literatuur mogelijk maakte, naast een literatuur in
Latijn. Dat laatste was ook een van Alfreds idealen, maar kon niet eerder worden
uitgevoerd dan nadat de beheersing van het Oudengels, en daarmee van
geschreven taal, en de canon in Oudengels beheerst werden.
       De kloosters werden door de hervorming weer centra van studie in Latijn. Veel
werken werden weer in Latijn geschreven ondermeer door de grote vertaler én
schrijver in de volkstaal Ælfric van Eynsham. Waarschijnlijk waren sommige van
diens werken specifiek bedoeld voor gebruik in het klooster en de kerk welke dan in
Latijn waren opgesteld.345 Buitenlandse geleerden bleven naar Engeland komen en
zorgden voor een constante die de Engelse geestelijkheid op zijn qui-vive hield wat
betreft de studie in Latijn, maar daarmee ook in de beheersing van geschreven
taal.346 Bovendien werden er veel werken uit het buitenland naar Engeland
meegenomen door de buitenlandse geestelijken.347 Uiteindelijk kwam het gehele
Angelsaksische episcopaat voort uit de kloosters en had daar zijn opleiding
genoten.348
       Latijn was niet de enige taal die in Ælfrics belangstelling stond, want hij
maakte bijvoorbeeld een Latijns-Oudengels glossarium.349 Hij leefde van circa 955 tot
1010. Zijn literaire werk begint zo rond 990.350 Aan het eind van de tiende eeuw was


342
    Eric John, geciteerd in: David N. Dumville, Wessex and England, from Alfred to Edgar, 176. Zie ook
pp. 203 (David N. Dumville).
343
    David N. Dumville, Wessex and England, from Alfred to Edgar, 184.
344
    Ibidem, 183.
345
    Dorothy Whitelock, The Beginnings of English Society, 201.
346
    David N. Dumville, Wessex and England, from Alfred to Edgar, 200.
347
    Dorothy Whitelock, The Beginnings of English Society , 202.
348
    Eric John, “The age of Edgar”, 186.
349
    Dorothy Whitelock, The Beginnings of English Society , 202.
350
    Ibidem, 220.


                                                                                                   90
tweetaligheid veel gewoner dan aan het einde van de negende eeuw.351 De
bestudering van Latijn kwam Ælfrics Oudengelse taalbeheersing zeer ten goede. Om
goed te kunnen vertalen, moest Ælfric een heel nieuwe stijl voor het Oudengels
vinden. Hij streefde naar een zo simpel mogelijk Engels om een groot mogelijk
publiek te bereiken.352 In zijn vertalingen had hij goed leren omgaan met het
omzetten naar de Oudengelse taal en hij realiseerde zich dat het gebruik van
Oudengels moest aansluiten bij de bestaande orale traditie van de Angelsaksen.
Robert Stanton noemt Ælfrics stijl een harmonie van orale teksten, retoriek en
interpretatie.353 Dat Ælfric het geschreven en gesproken woord in zijn Oudengelse
preken bijeenbracht was zijn grote verdienste.
       Waar      Dorothy     Whitelock     Wulfstan,     bisschop      van    Londen      en   later
aartsbisschop van York, roemde als van gelijk niveau aan diens leermeester
Ælfric,354 roemt Robert Stanton hem als een leerling die zijn meester oversteeg in het
persoonlijke gebruik, het parole, van de Oudengelse taal.355 Het ritmische gevoel dat
hij had en verwerkte in diens Engels is onomstreden van hoog niveau en misschien
wel de culminatie van Alfreds vertaalprogram. Wulfstans werken dateren van na
1000356 dus waarschijnlijk toen hij aartsbisschop was geworden van York in 1002.
Dat kan hem enige vrijheid hebben gegeven, want het noorden van Engeland was
niet zo sterk onder koninklijke controle als het zuiden. Dat hij toch een man in de
traditie van Wessex was, bewijst zijn gebruik van het dialect van Wessex voor zijn
werken. Doordat er alleen latere kopieën bekend zijn van zijn geschriften,
bijvoorbeeld zijn Sermo Lupi ad Anglos, is er geen duidelijkheid over het dialect
waarin hij schreef.357 Het is heel goed mogelijk dat kopiisten zijn werk hebben
overgenomen in hun dialect, het dialect van Wessex. Dat beschrijft echter wel het
primaat dat Alfred had gecreëerd voor Wessex en het dialect van Wessex.



351
    Robert Stanton, The Culture of Translation in Anglo-Saxon England, 144.
352
    Ibidem, 144 en 169.
353
    Ibidem, 170. Op pp. 166 spreekt Stanton zelfs van een hybride vorm van gesproken en geschreven
Oudengels.
354
    Dorothy Whitelock, The Beginnings of English Society , 221 en Dorothy Whitelock, ed., Sermo Lupi
ad Anglos (Londen (1938) 1939 en 1959), 30.
355
    Robert Stanton, The Culture of Translation in Anglo-Saxon England, 170.
356
    Dorothy Whitelock, The Beginnings of English Society, 220.
357
    Dorothy Whitelock, Sermo Lupi ad Anglos, 18-19. Dorothy Whitelock beargumenteert dat de vijf
versies die er over zijn niet van het zuiverste West-Saksische dialect zijn. Het ritme is echter
onveranderd door de kopiisten wat de kracht van Wulfstans ritmiek illustreert en diens beheersing van
de geschreven volkstaal.


                                                                                                  91
       De Benedictijnse hervorming en zijn invloed op de al aanwezige tendens tot
bestuurlijke hervorming in Engeland hadden als gevolg dat Alfreds program in de
eeuw na zijn heerschappij tot volle bloei kon komen. Dat niet elke koning zich even
sterk bezig hield met de geestelijke doelen die Alfred had met zijn program, kon niet
verhinderen dat de religieuze en studieuze interesse in zulk een mate aanwezig was
bij Alfreds opvolgers dat het program ook een continue weerklank vond onder hen.
De dynastie van Wessex had zich niet alleen daarmee een toekomst voor de langere
termijn gevestigd maar had ook laten zien dat Alfreds ideeën in hoge mate
verwezenlijkt werden in de tiende eeuw.358 Het verschil met Alfreds opvolgers is dat
hij een stempel op de ideeënwereld drukte en daarmee op de geschiedenis van zijn
rijk, dat later Engeland zou worden.359 In zijn vertalingen ging Alfred verder dan enkel
de overzetting naar Oudengels: hij interpreteerde, en drukte daarmee zijn stempel op
het geestelijke klimaat.360 Niet de latere koningen, maar hun kerkelijke helpers
zouden die lijn voortzetten. Hun invloed op de gang van zaken van het rijk van de
Angelsaksen was minder groot door hun ondergeschikte positie ten opzichte van de
koning. Misschien was dat ook maar het beste voor Alfreds program tot onderricht,
zeker in geestelijk opzicht, want anders was het succes ervan moeilijker gebleken.
Ondanks de beperkte hoeveelheid bronnen postuleert het literaire werk uit de tiende
eeuw Alfreds geestelijke vermogen zonder veel bezwaar als succesvol.




358
    David N. Dumville, Wessex and England, from Alfred to Edgar, 205.
359
    Ibidem, 178. David N. Dumville noemt bijvoorbeeld koning Edmund I als voorbeeld van een koning
die niet binnen één traditie stond.
360
    Robert Stanton, The Culture of Translation in Anglo-Saxon England, 174.


                                                                                                92
Conclusie


“Wovon man nicht sprechen kann, darüber muß man schweigen” luidt het laatste
punt in Wittgensteins Tractatus logico-philosophicus.361 Deze uitdagende uitspraak
verhindert helaas andere uitdagende uitspraken wat het lastig maakt voor de
geesteswetenschappen, zeker wanneer er maar weinig bronnen over zijn zoals uit de
vroege middeleeuwen; bovendien kan serendipiteit uit allerlei uitspraken nieuwe
wegen laten zien. Karl Popper zag wel een mogelijkheid voor de geestes-
wetenschappen, want hij ging uit van het falsifiëren van uitspraken. Door dit
consequent door te voeren kan men een zo hoog mogelijke corroboratiegraad
bereiken, maar absoluut bevestigen is onmogelijk. In het licht van paradigma-
wisselingen die de wetenschap kenmerken is dit een aantrekkelijk gegeven. Voor het
geesteswetenschappelijke bedrijf ga ik uit van Max Webers ideaaltypering.
Weerlegging geschiedt door middel van nuancering van een (cultureel) ideaaltype en
door het knagen aan een ideaaltypering zonder dat die in zijn geheel weerlegd hoeft
te worden. Een handleiding voor het Verstehen van Weber (begrijpen, verklaren van
uiterlijke verschijnselen met innerlijke betekenissen) geeft Hans-Georg Gadamer
door te benadrukken dat men zich nooit uit de geschiedenis kunnen abstraheren,
maar wel voortdurend interpreteren. Wat nu in Alfreds ideaaltype wordt begrepen
hoort in deze tijd, getuige het voorbeeld van de fameuze Dorothy Whitelock die in
een andere tijd leefde en anders met de bronnen omging. Gadamer voorziet een
kritische houding die de eigen vooroordelen van de wetenschapper objectiveert en
kritischer maakt. Enkel het besef dat er weinig bronnen uit de vroege middeleeuwen
over zijn anticipeert al op een kritische houding ten aanzien van die bronnen en de
stellingen van auteurs die ze gebruikt hebben. Het wegen van andermans
verantwoorde mening bepaalt dan ook samen met mijn vraagstelling de interpretatie
die ik aan Alfreds hehsta cræft geef. Om niet teveel aan beleving toe te geven moet
Poppers corroboratie hand in hand gaan met Gadamers nuance bij Webers
Verstehen. De beweegredenen van Alfred zoals verwoord in de voorrede bij de
Regula Pastoralis verklaren zijn acties en worden in het succes daarvan bevestigd.
       In zijn voorrede verhaalde Alfred dat de staat van de studie in Latijn zo
deplorabel was in Engeland dat hij zich genoodzaakt voelde de eerste stap naar

361
   Ludwig Wittgenstein, Tractatus logico-philosophicus, Logisch-philosophische Abhandlung
(Frankfurt am Main (1921) 1960), 115.


                                                                                            93
geleerdheid aan te bieden in de volkstaal, het Oudengels. Dat betekende dat die taal
een strakkere structuur kreeg, en dat bijvoorbeeld de rune verdween ten gunste van
het schrift dat ook voor Latijn werd gebruikt. De studie moest een aanvang nemen
met vertaalde werken uit het Latijn. Vertalen betekende dat niet alleen woorden,
maar ook ideeën overgebracht moesten worden in de nieuwe taal, wat inhield dat
men een redelijk idee van de eigen taal nodig had, waarbij de vraag zich aandiende
of het dan nog wel nodig was te vertalen; kon Alfred, met andere woorden, zijn
ideeën niet gewoon in Latijn (laten) optekenen? Oudengels had bepaalde voordelen
ten opzichte van Latijn, omdat Latijn niet werd gesproken in Engeland; bovendien
had het Latijn inmiddels in de Romaanstalige gebieden, waar de volkstaal van het
vulgair Latijn was afgeleid ook een enorme afstand tot de hedendaagse volkstalen
gekregen en was die in de praktijk een dode taal. Alleen het bestuur van die rijken
volhardde in het gebruik ervan, waarmee ik ook op het kerkelijk bestuur doel.
       Rondom het rijk van Alfred werden andere, niet uit het Latijn voortkomende,
talen gesproken, zoals de Keltische talen en op het continent Germaanse talen. De
Kelten hadden het na de migratie van de Angelsaksen naar Engeland moeten
afleggen tegen de nieuwkomers. Niet gelijk was hun cultuur verloren, maar de
opmars van de Angelsaksische cultuur was gestaag en onstuitbaar, want de
bevolking van het ene na het andere Keltische rijkje raakte geassimileerd met de
cultuur van de nieuwe, Angelsaksische rijken. Van enige Ketische schriftcultuur was
sprake in Ierland, Wales en Schotland, waar het Middelengels pas later door begon
te dringen. De Vikingen spraken Oudnoors, maar in hun taal werd pas veel later
geschreven, afgezien van enkele teksten in runenschrift. Zodra de Vikingen
overgingen tot het christendom verdween ook het gebruik van de runen en gingen ze
over tot het Latijnse schrift. Een op het oog vergelijkbare situatie was er in het Oost-
Frankische Rijk waar naast Latijn als bestuurstaal er in de negende eeuw in de
volkstaal, het Oudhoogduits, werd geschreven, met Otfrid von Weißenburg als
belangrijkste exponent in Alfreds tijd. Het verschil met Engeland was dat Latijn de
bestuurstaal bleef in Oost-Francië hoewel de opmars van het Oudhoogduits als
schrifttaal uiteindelijk niet meer was te stuiten.
       De werken die werden vertaald naar het Oudengels verbreedden een traditie
in het gebruik van de volkstaal voor wetten en charters. Nadat er in vroeger eeuwen
al bescheiden pogingen waren ondernomen, werd het voor Alfred een serieuze zaak
geestelijke teksten toegankelijk te maken voor alle vrije mannen, zo verhaalde hij in


                                                                                     94
zijn voorrede bij de Regula Pastoralis van Gregorius de Grote. Voor het vertalen
werden er geestelijken uit het buitenland, i.e. buiten Wessex, gehaald die het Latijn
nog wel machtig waren. Naast het vertalen van werken voor bestuur en geestelijk
welzijn voegde Alfred stukken aan de vertalingen toe die hij nodig achtte voor het
begrip van de teksten en in het bijzonder voor het begrip van de precaire situatie
waarin het geestelijk leven en het rijk van Wessex zaten. De implicaties waren
duidelijk voor Alfred: vanuit de geestelijkheid zou heel het volk, de vrije mannen,
onderricht krijgen, zodat het bestuur in de toekomst op geleerdheid kon buigen en de
geestelijkheid zijn herderlijke taak beter kon vervullen. De resultaten van het
vertaaloffensief waren echter niet direct zichtbaar in Alfreds tijd, dat zou later pas
duidelijk blijken.
       Wessex was pas in de negende eeuw opgekomen als het culturele centrum
van de Angelsaksische volkeren. Ecgberht, de grootvader van Alfred, had deze
ontwikkeling in gang gezet en Alfred volgde hem uiteindelijk op. Frappant was dat
Alfred maar liefst drie oudere broers voor moest laten gaan voor hem de kroon
toeviel. In zijn tijd viel Mercia gedeeltijk onder het gebied dat de Vikingen hadden
veroverd en het resterende deel kwam onder suzereiniteit van Wessex, wat Wessex
tot het enig overgebleven Angelsaksische rijk maakte. Dit vergrote rijk moest het
hebben van een strakkere bestuurlijke organisatie om het Vikinggevaar het hoofd te
bieden. Alfred nam veel voor het bestuur over van zijn voorgangers en bouwde dat
systeem uit teneinde het voor zijn nieuwe rijk beter te kunnen gebruiken. Hieronder
viel bijvoorbeeld een nieuwe opzet voor de militaire organisatie van het rijk.
       De Vikingen in de Danelaw waren de eerste vijand op wie Alfred zijn pijlen en
geestelijk vermogen richtte. Hoewel zij tot een ander volk behoorden, waren de
verschillen tussen de Angelsaksen en de Vikingen nog niet zo groot. Voor Alfred was
het een noodzaak om de verschillen tussen de Angelsaksen en de Vikingen te
benadrukken en hij schuwde enige overdrijving niet. Die laatste perceptie was
noodzakelijk om de eenheid onder de Angelsaksen te creëren en versterken zodat
ze zich gezamenlijk konden weren. Dé onderscheidende factor was het christendom
en het punt dat de Vikingen werd aangerekend was hun heidendom. Door de strikt
geïnterpreteerde etnische identiteit van de Angelsaksen ook te beamen met een
gezamenlijk Angelsaksisch verleden probeerde Alfred de Angelsaksen een sterk
Zusammengehörigkeitsgefühl te geven.



                                                                                   95
      Het bestuur van het rijk werd zo georganiseerd dat het gebruik maakte van
bestaande systemen, maar omdat het rijk groter was geworden was er behoefte aan
een sterkere elite, liefst afhankelijk van de wil van de koning, wat bewerkstelligd
moest worden met het onderricht voor de elite. De vertalingen zorgden dus ook voor
een herbezinning op de posities van de lokale leiders, zoals de bisschoppen en de
ealdormen. In dit idee mocht de voortzetting van het huis van Wessex niet ontbreken,
zodat Alfred over zijn eigen graf heenkeek en de dynastie in de toekomst een zekere
geestelijke en bestuurlijke basis gaf. Om Alfreds nieuwe positie te illustreren is er
gekeken naar de hofcultuur, maar daar waren weinig sporen van over. Een vergelijk
met de Frankische hofcultuur, waar ook bisschoppen belangrijke adviseurs waren,
geeft tot op zekere hoogte een idee voor een hofcultuur rond Alfred maar het blijft
gissen naar de specifieke situatie die er aan het hof bestond. Een betere illustratie
wordt gegeven in de vertaalde werken die Alfred als voorbeeld nam voor zijn bestuur,
niet in de laatste plaats de werken van Gregorius de Grote die voor de Angelsaksen
de initiatie belichaamde van het christendom in Engeland. Bovendien had Gregorius
werken geschreven die over, weliswaar kerkelijk, bestuur handelden. Daarnaast zag
Alfred een voorbeeld in de bijbelse koningen Salomo en David die wijsheid en durf
integreerden in hun bestuur. Alfred wilde zo een geestelijk leidsman zijn, of tenminste
de initiator van het spirituele leven, waarna zijn ideeën door de bisschoppen en de
ealdormen uitgevoerd konden worden.
      Ik heb geprobeerd wereldlijk bestuur en geestelijk leven te scheiden maar het
wereldlijke en geestelijke aspect van het koningschap waren in de vroege
middeleeuwen nog niet zo strikt van elkaar gescheiden. De ontvouwing van Alfreds
spirituele plan lag dan ook ten grondslag aan hervormingen in bestuur én kerk. De
nadruk lag voor Alfred bij het wereldlijke aspect, want hij was in de eerste plaats een
wereldlijk vorst en niet een kerkvorst. De herbezinning op de posities van de
ealdormen en de bisschoppen waren ingegeven door de piëteit welke door Alfred
verwoord werd als “se hehsta cræft". Alfred wierp zich op als signifiant van zijn rijk en
probeerde een geestelijke basis te vinden voor het signifié, door de gesignaleerde
problemen op te lossen met de sterke kanten van zijn bestuur. Nieuwe vormen
vinden voor het bestuur en leiderschap van zijn rijk bevestigde Alfreds titel bretwalda,
maar zorgde dientengevolge ook voor een hang naar nederigheid zoals het een
groot koning betaamde, geheel conform de bijbelse voorbeelden Salomo en David.
Die nederigheid lag niet in het uiten van geleerdheid en wijsheid maar in de rol die de


                                                                                      96
persoon Alfred moest ondergaan, alsof hij met zijn lichamelijke en geestelijke
gebreken de last van het Angelsaksische volk kon verminderen en boete kon doen
voor het verzaken van de religieuze plichten in het verleden. Hierin was de perceptie
van de Vikingen als ergste vijand van groot belang, want zij belichaamden niet alleen
de straf voor het verzaken van de religieuze plichten maar ook het kwaad dat
voortdurend afgeweerd diende te worden, liefst met spirituele leiding die men kon
vinden in de inhoud van de vertaalde werken. Alfred was initiator en voorganger
tegelijk, analoog aan de lerende koning die zich in Latijn liet onderrichten en
vervolgens zelf onderrichtte uit die taal. Deze voor ons duale positie was voor Alfred
niet anders dan de belichaming van de beide zijden van één medaille die nu eenmaal
bij het koningschap hoorde.
      Alfreds doel lag in de toekomst met de consolidatie van zijn rijk voor het
nageslacht uit het huis van Wessex. Dat kon alleen geschieden als hij zijn volk daarin
meenam. Hier blijkt de kracht van vertalen, want iemands taalgebruik verandert de
taal ook, zeker wanneer men teksten uit de ene taal overzet, en onherroepelijk
omzet, naar de andere taal. Het Oudengels was bovendien niet even behept met een
grammaticale en vocabulaire rijkdom als het Latijn. Daar lag onbedoeld een andere
opgave voor Alfred. Zijn woordgebruik, zijn parole, door hem persoonlijk gebruikt of
door anderen in hun vertalingen maar door Alfred gesanctioneerd, veranderde de
langue, het theoretisch kader van de taal. Dat betekende voor Oudengels dat de
daarvoor door Alfred geïnitieerde parole werd gevormd én bevestigd, bijvoorbeeld in
de uitdrukking van de vertaling van Latijnse begrippen als virtus in se hehsta cræft en
enige toevoegingen aan het West-Saksische Oudengels in de vorm van woorden uit
het dialect van Mercia. Hiermee introduceerde Alfred een canon in het Oudengels
maar ook een theoretisch systeem waarop voortborduurd kon worden of waartegen
toekomstige geleerde schrijvers zich konden afzetten, waarmee de verheffing van
scribent tot literator ingezet kon worden, wat uiteindelijk het doel was voor alle vrije
(jonge) mannen. Een geleerde had in ieder geval genoeg opleiding om ook
bestuurlijk te slagen was de idee hierachter.
      Wat Alfred heeft bereikt met zijn plan tot onderricht kunnen we zien in de
tiende eeuw waar zijn zoon Edward voornamelijk de bestuurlijke intenties van Alfred
voortzette en naar zich toe trok, waarmee hij het rijk consolideerde. Dat resulteerde
uiteindelijk in de herovering van de Danelaw op de Vikingen in het midden van de
tiende eeuw. De Benedictijnse hervorming en zijn invloed op de al aanwezige


                                                                                     97
tendens tot bestuurlijke hervorming in Engeland hadden als gevolg dat Alfreds
program in de eeuw na zijn heerschappij tot volle bloei kon komen. Dat niet elke
koning zich even sterk bezighield met de geestelijke doelen die Alfred had met zijn
program kon niet verhinderen dat de religieuze en studieuze interesse in zulk een
mate aanwezig waren bij Alfreds opvolgers dat het program ook een continue
weerklank onder hen vond. De dynastie van Wessex had daarmee niet alleen een
toekomst voor de langere termijn gevestigd maar had ook laten zien dat Alfreds
ideeën in hoge mate verwezenlijkt werden in de tiende eeuw. Het verschil met
Alfreds opvolgers was dat Alfred een stempel op de ideeënwereld drukte en daarmee
op de geschiedenis van zijn rijk dat later Engeland zou worden. In zijn vertalingen
ging Alfred verder dan enkel de overzetting naar Oudengels: hij interpreteerde, en
drukte daarmee zijn stempel op het geestelijke klimaat. Niet de latere koningen, maar
hun kerkelijke helpers zouden die lijn voortzetten. Ondanks de beperkte hoeveelheid
bronnen postuleert het literaire werk uit de tiende eeuw Alfreds geestelijke cræft
zonder veel bezwaar als succesvol. Het spirituele aspect van het program tot
onderricht werd het meest verfijnd in de persoon van de monnik Ælfric die een grote
kennis van Oudengels gepaard liet gaan met een streven naar het zo eenvoudig en
duidelijk mogelijk formuleren van de pietas in zijn teksten, waarmee hij het succes
van Alfred bevestigde en liet zien dat se hehsta cræft impliciet kon blijven
voortbestaan na Alfred.
      Het huis van Wessex zou, met een Deense onderbreking, blijven regeren tot
aan de invasie van Willem de Veroveraar. Die verving weliswaar de Angelsaksische
elite van ealdormen en bisschoppen met zijn eigen, Normandische edelen maar hij
bouwde voort op de staatsstructuur die Alfred had ingezet, zij het dat Willem een
sterke koning was en niet de ruimte aan de edelen en bisschoppen liet die de
opvolgers van Alfred wel eens lieten. Daarin had Willem wat gemeen met Alfred die
ook het koningschap een sterke rol had toebedeeld. De komst van de Oudfranstalige
edelen bracht de Oudengelse taal een zware slag toe die het dialect van Wessex niet
meer te boven kwam. Het Middelengels dat veel later met Chaucer tot literaire bloei
kwam, ontstond geleidelijk onder de Normandische heerschappij en kwam voort uit
het dialect van de oostelijke Midlands, waarin Londen, Cambridge en Oxford, de
latere centra voor geleerdheid en bestuur lagen. Daarmee bleef de geschreven
volkstaal uiteindelijk als mogelijkheid tot uitdrukking van het geestelijk leven
voortbestaan.


                                                                                  98
Bronnen


The Anglo-Saxon Chronicle, translated with an introduction by G.N. Garmonsway (Londen en New
York 1953)

Keynes, Simon, en Michael Lapidge, Alfred the Great, Asser’s Life of King Alfred and other
Contemporary Sources (Londen 1983)

Smith, A.H., ed., The Parker Chronicle 832-900 (Londen 1935, 1951)

Whitelock, Dorothy, ed., Sermo Lupi ad Anglos (Londen (1938) 1939 en 1959)

Whitelock, Dorothy, ed., English Historical Documents, c.500-1042 (Londen 1955)

Whitelock, Dorothy, rev., Sweet’s Anglo-Saxon Reader (Oxford (1876) 1967)




Literatuur


Abels, Richard, “Alfred the Great, the micel hæðen here and the viking threat” in: Timothy Reuter, ed.,
Alfred the Great (Papers from the Eleventh-Centenary Conferences) (Aldershot en Burlington, VT)

Braune, Wilhelm, en Walther Mitzka, Althochdeutsche Grammatik (Tübingen 1967)

Brooks, Nicholas, “Alfredian Government: the West Saxon inheritance” in: Timothy Reuter, ed., Alfred
the Great (Papers from the Eleventh-Centenary Conferences) (Aldershot en Burlington, VT 2003)

Brown, George Hardin, “The dynamics of literacy in Anglo-Saxon England”, in: Donald Scragg, ed.,
Textual and Material Culture in Anglo-Saxon England: Thomas Northcote Toller and the Toller
Memorial Lectures (Cambridge 2003)

Brown, Peter, The Making of Late Antiquity (Cambridge, MA en Londen 1978, 1996)

Cameron, Angus, “The boundaries of Old English literature”, in: J. Douglas Woods en David A.E.
Pelteret, ed., The Anglo-Saxons, Synthesis and Achievement (Waterloo, ON 1985)

Campbell, James, “Placing King Alfred” in: Timothy Reuter, ed., Alfred the Great (Papers from the
Eleventh-Centenary Conferences) (Aldershot en Burlington, VT 2003)

Campbell, James, “Anglo-Saxon courts” in: Catherine Cubitt, ed., Court Culture in the Early Middle
Ages. The Proceedings of the First Alcuin Conference. (Studies in Early Middle Ages) (Turnhout 2003)

Clausewitz, Carl von, On War, Tom Griffith, ed. (Ware 1997)

Cubitt, Catherine, Anglo-Saxon Church Councils c.650-c.850 (Londen en Cranbury, NJ 1995)

Cubitt, Catherine, “Bishops, priests and penance in late Saxon England”, in: Early Medieval Europe
vol. 14 nr. 1 (2006)

DeGregorio, Scott, “Texts, topoi and the self: a reading of Alfredian spirituality”, in: Early Medieval
Europe vol. 13 nr. 1 (2005)

Dickins, Bruce, en R.M. Wilson, ed., Early Middle English Texts (New York 1951)

Dumville, David N., Wessex and England, from Alfred to Edgar (Woodbridge 1992)



                                                                                                    99
Frantzen, Allen J., “The form and function of the preface in the poetry and prose of Alfred’s reign” in:
Timothy Reuter, ed., Alfred the Great (Papers from the Eleventh-Centenary Conferences) (Aldershot
en Burlington, VT 2003)

Gneuss, Helmut, “The study of language in Anglo-Saxon England”, in: Donald Scragg, ed., Textual
and Material Culture in Anglo-Saxon England: Thomas Northcote Toller and the Toller Memorial
Lectures (Cambridge 2003)

Godden, Malcolm, “Wærferth and King Alfred: the fate of the Old English Dialogues” in: Jane Roberts,
Janet L. Nelson en Malcolm Godden, ed., Alfred the Wise: Studies in Honour of Janet Bately on the
Occasion of her Sixty-Fifth Birthday (Cambridge 1997)

Godden, Malcolm, “King Alfred’s preface and the teaching of Latin in Anglo-Saxon England” in:
English Historical Review vol. CXVII, no. 472 (2002)

Godden, Malcolm, “The player king: identification and selfrepresentation in King Alfred’s writings”, in:
Timothy Reuter, ed., Alfred the Great (Studies in Early Medieval Britain) (Aldershot en Burlington, VT
2003)

Gore, Derek, “Britons, Saxons, and Vikings in the South-West” in: Jonathan Adams en Katherine
Holman, ed., Scandinavia and Europe 800-1350, Contact, Conflict, and Coexistence (Turnhout 2004)

Graddol, David, Dick Leith en Joan Swann, English, history, diversity and change (Londen 1996)

Hadley, D.M., “”And they proceeded to plough and to support themselves”: The Scandinavian
Settlement of England” in: Anglo-Norman Studies XIX (1997)

Hadley, D.M., The Northern Danelaw: its Social Structure, c. 800-1100 (Studies in the Early History of
Britain) (Londen en New York 2000)

Harris, Roy, Saussure and his Interpreters (Edinburgh 2001, 2003)

Haubrichs, Wolfgang, Die Anfänge: Versuche volkssprachiger Schriftlichkeit im frühen Mittelalter (ca.
700-1050/60) in: Joachim Heinzle, ed., Geschichte der deutschen Literatur van den Anfängen bis zum
Beginn der Neuzeit, Band I: Von den Anfängen zum hohen Mittelalter, Teil 1 (Frankfurt am Main 1988)

Hægsted, Marius, en Alf Torp, Gamalnorsk ordbok, med Nynorsk tyding (Oudnoors woordenboek met
modern-Noorse verklaring) (Kristiania (Oslo) 1909)

Hinloopen Labberton, D. van, De Angelsaksische Witena-Gemot en de Magna Carta Libertatum. De
Middeleeuwsche Oorsprong en Geschiedenis van het Engelsche Parlementaire stelsel. (Huizen
(1931))

Holman, Katherine, “Defining the Danelaw” in: James Graham-Campbell, Richard Hall, Judith Jesch
en David N. Parsons, ed., Vikings and the Danelaw. Select Papers from the proceedings of the
thirteenth Viking Congress, Nottingham and York, 21-30 August 1997 (Oxford 2001)

Innes, Matthew, State and society in the early Middle Ages: the Middle Rhine Valley, 400-1000
(Cambridge 2000)

Irvine, Susan, “The Anglo-Saxon Chronicle and the idea of Rome in Alfredian literature”, in: Timothy
Reuter, ed., Alfred the Great (Papers from the Eleventh-Centenary Conferences) (Aldershot en
Burlington, VT 2003)

Irvine, Susan, “Wrestling with Hercules: King Alfred and the classical past”, in: Catherine Cubitt, ed.,
Court Culture in the Early Middle Ages. The Proceedings of the First Alcuin Conference. (Turnhout
2003)

John, Eric, “The age of Edgar”, in: James Campbell, ed., The Anglo-Saxons (Londen 1982 en 1991)




                                                                                                   100
John, Eric, Reassessing Anglo-Saxon England (Manchester en New York 1996)

Kershaw, Paul, “Illness, power and prayer in Asser’s Life of King Alfred”, in: Early Medieval Europe
vol. 10 nr. 2 (2001)

Kaiser, Rolf, Medieval English, an Old English and Middle English Anthology (Berlijn 1954, 1961)

Katzner, Kenneth, The Languages of the World (Londen 1977)

Keynes, Simon, “The power of the written word: Alfredian England 871-899” in: Timothy Reuter, ed.,
Alfred the Great (Papers from the Eleventh-Centenary Conferences) (Aldershot en Burlington, VT
2003)

Keynes, Simon, en Michael Lapidge, Alfred the Great, Asser’s Life of King Alfred and other
contemporary sources (Londen 1983)

Kirby, D.P., The Earliest English Kings (Londen, Cambridge, MA, North Sydney en Wellington 1991)

Lapidge, Michael, “Asser’s reading”, in: Alfred the Great (Papers from the Eleventh-Centenary
Conferences) (Aldershot en Burlington, VT 2003)

Leezenberg, Michiel, en Gerard de Vries, Wetenschapsfilosofie voor geesteswetenschappen
(Amsterdam 2001)

Morrish, Jennifer, “King Alfred’s letter as a source on learning in England in the ninth century”, in: Paul
E. Szarmach, ed., Studies in Earlier Old English Prose (Albany, NY 1986)

Nelson, Janet L., ""…sicut gens Francorum…nunc gens Anglorum": Fulk’s letter to Alfred revisited",
in : Jane Roberts, Janet L. Nelson en Malcolm Godden, ed., Alfred the Wise: Studies in Honour of
Janet Bately on the Occasion of her Sixty-Fifth Birthday (Cambridge 1997)

Nelson, Janet L., "Review article : Waiting for Alfred”, in: Early Medieval Europe vol. 7 nr. 1 (1998)

Nelson, Janet L., "Alfred’s Carolingian contemporaries" in: Timothy Reuter, ed., Alfred the Great
(Papers from the Eleventh-Centenary Conferences) (Aldershot en Burlington, VT 2003)

O’Brien O’Keeffe, Katherine, “Listening to the scenes of reading: King Alfred’s talking prefaces” in:
Mark Chinca en Christopher Young, ed., Orality and Literacy in the Middle Ages. Essays on a
Conjunction and its Consequences in Honour of D.H. Green. (Utrecht Studies in Medieval Literacy)
(Turnhout 2005)

Page, R.I., An Introduction to English Runes (Woodbridge 1973, 1999)

Parsons, David N., “How long did the Scandinavian Language Survive in England? Again.” In: Vikings
and the Danelaw. Select Papers from the Proceedings of the thirteenth Viking Congress, Nottingham
and York, 21-30 August 1997 (Oxford 2001)

Pohl, Walter, “Introduction: strategies of distinction” in: Walter Pohl en Helmut Reimitz, ed., Strategies
of Distinction: The Construction of Ethnic Communities, 300-800 (Leiden, Boston en Keulen 1998)

Pohl,Walter, “Telling the difference: signs of ethnic identity”, in: Walter Pohl en Helmut Reimitz, ed.,
Strategies of Distinction: The Construction of Ethnic Communities, 300-800 (Leiden, Boston en Keulen
1998)

Popper, Karl R., De groei van kennis (Hoofdstukken uit Conjectures and Refutations: The Growth of
Scientific Knowledge (Londen 1963)) (Meppel 1978)

Pratt, David, "Persuasion and invention at the court of Alfred the Great" in: Catherine Cubitt, ed., Court
Culture in the Early Middle Ages. The Proceedings of the First Alcuin Conference. (Studies in Early
Middle Ages) (Turnhout 2003)



                                                                                                         101
Ranke, Friedrich, en Dietrich Hofmann, Altnordisches Elementarbuch (Berlijn, New York 1988)

Sanders, Carol, “Introduction: Saussure today”, in: Carol Sanders, ed., The Cambridge Companion to
Saussure (Cambridge 2004)

Sawyer, P.H., Kings and Vikings: Scandinavia and Europe AD 700-1100 (Londen en New York 1982)

Scharer, Anton, Die angelsächsische Königsurkunde im 7. und 8. Jahrhundert (Wenen, keulen en
Graz 1982)

Scharer, Anton, “The writing of history at King Alfred’s court”, in: Early Medieval Europe vol. 5 nr. 2
(1996)

Scharer, Anton, Herrschaft und Representation, Studien zur Hofkultur König Alfred des Großen
(Wenen en München 2000)

Schmidt, Jakob, Hinkmars “De ordine palatii” und seine Quellen (Gelnhausen 1962)

Smith, A.H., ed., The Parker Chronicle 832-900 (Londen 1935, 1951)

Stanley, E.G., “On the laws of King Alfred: the end of the preface and the beginning of the laws” in:
Jane Roberts, Janet L. Nelson en Malcolm Godden, ed., Alfred the Wise: Studies in Honour of Janet
Bately on the Occasion of her Sixty-Fifth Birthday (Cambridge 1997)

Stanton, Robert, The Culture of Translation in Anglo-Saxon England (Cambridge 2002)

Stenton, F.M., Anglo-Saxon England (Oxford 1943 en 1947)

Szarmach, Paul E., “Alfred’s Boethius and the four cardinal virtues” in: Jane Roberts, Janet L. Nelson
en Malcolm Godden, ed., Alfred the Wise: Studies in Honour of Janet Bately on the Occasion of her
Sixty-Fifth Birthday (Cambridge 1997)

Trafford, Simon, “Ethnicity, migration theory, and the historiography of the Scandinavian settlement of
England”, in: Dawn M. Hadley en Julian D. Richards, ed., Cultures in Contact, Scandinavian
Settlement in England in the Ninth and Tenth Centuries (Turnhout 2000)

Vries, Jan de, Studiën over Færösche balladen (Haarlem 1915)

Whitelock, Dorothy, ed., Sermo Lupi ad Anglos (Londen (1938) 1939 en 1959)

Whitelock, Dorothy, The Beginnings of English Society (The Anglo-Saxon Period) (The Pelican History
of England) (Harmondsworth 1952, 1954)

Whitelock, Dorothy, ed., English Historical Documents, c.500-1042 (Londen 1955)

Wittgenstein, Ludwig, Tractatus logico-philosophicus, Logisch-philosophische Abhandlung (Frankfurt
am Main (1921) 1960)

Wormald, Patrick, “The age of Offa and Alcuin” in: James Campbell, ed., The Anglo-Saxons (Londen
1982, 1991)

Wormald, Patrick, “The ninth century” in: James Campbell, ed., The Anglo-Saxons (Londen 1982,
1991)




                                                                                                  102

								
To top