Samenvatting Levensbeschouwing: Over normal gesproken

Document Sample
Samenvatting Levensbeschouwing: Over normal gesproken Powered By Docstoc
					Samenvatting Levensbeschouwing: Over normal gesproken
Hoofdstuk 1: De groep en de regels

Paragraaf 2: Regels en afspraken

Mondelinge afspraken zijn bedoeld voor een kleine groep.
Schriftelijke afspraken zijn bedoeld voor een grote groep; bijv. het burgerlijk wetboek

Paragraaf 3: Normen, waarden en moraal

Doel van regels en wetten, rechten en plichten in een democratie: een goede en rechtvaardige samenleving.

Waarden: opvattingen en voorstellingen binnen een maatschappij omtrent hetgeen goed, correct en daarom waard
om na te streven is; rechtvaardigheid, eerlijkheid enz.
Normen: wetten, regels en gewoonten waar mensen zich aan behoren te houden en die gebruikt worden om
waarden na te streven.
Waarde: gezondheid norm: niet roken

Moraal: geheel van normen en waarden

Individuele moraal: alle mensen zijn uniek; iedereen heeft dus zijn eigen moraal
Groepsmoraal: moraal van kleinere of grotere verbanden zoals de samenleving, godsdienstige groepering, klas, enz.

Moraal, normen en waarden streven naar een goede samenleving.
Wat mensen een goede samenleving vinden wordt bepaald door hun levensbeschouwing: hun idealen en hun geloof
in datgene ‘wat het leven waardevol maakt’.
Levensbeschouwing vormt de basis van ieder moraal. Als deze levensbeschouwing veranderd, veranderen dus ook
de waarden en normen.

Twee basisvormen van levensbeschouwing:

Godsdienstige levensbeschouwingen: deze zijn gebaseerd op ‘van God ontvangen waarheid’. Ook zijn deze
gebaseerd op heilige boeken: Christelijke moraal, hierbij staat de bijbel centraal en wordt uitgegaan van de bijbelse
waarden, zoals vrede, gerechtigheid en solidariteit.
Andere godsdienstige moraal is de Islam, hierbij beschouwen de Moslims de koran als een boek waarin Allah hen
rechtstreeks toespreekt.

Niet-godsdienstige levensbeschouwingen: deze zijn gebaseerd op de mens. Een voorbeeld hiervan is de
‘humanistisch moraal’, uitgangspunt: de vrijheid en gelijkheid van de mens.

Paragraaf 4: Ethiek in de praktijk

Ethiek: het systematisch nadenken over moraal, over de normen en waarden van menselijk gedrag.
Morele uitspraken drukken altijd een positieve of negatieve waardering over het menselijk gedrag.
Ethische discussies: onderscheid maken tussen heldere en onheldere argumenten, logisch en onlogisch denken,
juiste en onjuiste conclusies.
Niet-moreel: constatering van een feit
Moreel: dilemma, normen en waarden

Als je in een discussie een bepaalde morele opvatting wil verdedigen, waarbij je iemand duidelijk wil maken wat jou
normen zijn, moet je met heldere argumenten komen.
Zie achterin boek: argumentatiemodel
Hoofdstuk 2: Mensen en rechten

Paragraaf 1: Moraal is veranderlijk

Moraal is afhankelijk van de tijd:
Vroeger dacht men dat heksen bestonden, om vast te kunnen stellen of iemand een heks was werd of de waterproef
of de weegproef toegepast. Hiermee werd vaak gesaboteerd om toch te kunnen bewijzen dat iemand een heks is.

Moraal is afhankelijk van plaats, land en cultuur:
Er zijn tallozen voorbeelden te noemen dat de moraal van een samenleving per land en per cultuur verschilt.
Bijvoorbeeld het feit dat een kleine hoeveelheid softdrugs in Nederland niet verboden is en in andere landen wel.
Vooral op het gebied van relaties tussen mannen en vrouwen, tussen ouders en kinderen, tussen burgers en
overheid, zijn er over de wereld grote culturele en godsdienstige verschillen aan te wijzen.

Paragraaf 2: Moraal en wetgeving

Als mensen samen moeten leven zijn er regels en wetten nodig. Deze regels en wetten staan boven het familierecht.

Paragraaf 3: Cultuur, moraal en rechten

De loop van de geschiedenis toont aan dat moraal voortdurend veranderd. Er zijn nog steeds grote verschillen in
moraal tussen landen. Je kunt je afvragen of er wel normen en rechten bestaan die ‘universeel’ zijn.

Paragraaf 4: De Universele Verklaring van de Rechten van de Mens

Sinds de 18e eeuw heeft men steeds meer oog gekregen voor de rechten van mensen tegenover machthebbers. In
1789: in Amerika: Constitutie en in Frankrijk: de Verklaring van de rechten van de mens opgesteld, hierin worden de
grondrechten van de mens besproken.
Four Freedoms:
    - Vrij zijn om te zeggen wat je denkt,
    - Vrij zijn in het belijden van je godsdienst,
    - Vrij zijn van het lijden van gebrek,
    - Vrij zijn van vrees voor geweld.

10 december 1948: Universele Verklaring van de Rechten van de Mens aanvaard.
Gaat om de waarden die de mens als geheel, ongeacht culturele verschillen, het beschermen waard vind, en
waarvan de eerbiedigheid wereldwijd bevorderd dient te worden.

Belangrijkste rechten:
    - Vrijheid van meningsuiting
    - Vrijheid van godsdienst

In de mensenrechten komen waarden naar voren, die wij met elkaar belangrijk vinden.
Twee soorten waarden:
Intrinsieke waarden: iets dat in zichzelf van waarde is. Bijv. leven (waarden in UVvdRvdM)
Instrumentele waarden: hebben geen doel in zichzelf, zijn instrument voor iets anders. Deze staan meestal in dienst
van een hogere waarde. Bijv. geld; op zichzelf geen enkele waarde, maar wel van waarde voor bijv.
levensonderhoud.

Vijf hoofdwaarden:
     - leven
     - weldadigheid
     - rechtvaardigheid
     - waarachtigheid
   - vrijheid
Andere waarden worden hiervan afgeleid.

Hoofdstuk 3: Normaal doen

Paragraaf 1: Mores leren

Tussen de landen die de Universele Verklaring hebben onderschreven, bestaan soms grote verschillen in moraal. De
universele rechten (en hun achterliggende waarden) leiden blijkbaar niet bij iedereen tot dezelfde moraal. De
oorzaken hiervan zijn:
    - Mensen vinden niet alle waarden even belangrijk; ze hanteren verschillende rangorden van waarden.
    - Verschillende situaties kunnen leiden tot verschillende rangorden; wanneer iemand bijna sterft van de
        honger is recht op vrije meningsuiting minder belangrijk dan de noodzaak om voedsel te krijgen.
    - Leeftijd, opvoeding, economische omstandigheden, fysieke conditie enz. kunnen verschil maken bij het
        nastreven van waarden.

Het kind leert zich als het ware ‘behoorlijk’ te gedragen, door volwassen die het kind erop wijzen wat wel en wat niet
mag. Wat ‘behoorlijk’ is maken anderen dus voor hem uit. Jonge kinderen zullen bepaalde dingen doen of niet
vanwege de beloning of de straf die volgt van hun opvoeders. Als het ouder wordt gaat het zelf nadenken over goed
en kwaad.

Internationalisering van normen en waarden: het kind maakt zich de normen eigen die het van de opvoeders heeft
geleerd, hierdoor wordt het ‘moreel besef’ of ontwikkeld. Dit noemen we ook wel ‘gewetensvorming’. Belangrijk
aspect: socialisering.
Belangrijke waarden en normen hangen af van de omgeving waarin het kind is opgevoed.

Paragraaf 2: De moraal van de groep:

Vanaf het elfde/twaalfde levensjaar wordt het gedrag van een kind steeds sterker beïnvloed door leeftijdsgenoten
ook gaan ze in deze tijd hun onafhankelijkheid tegenover volwassenen bevechten. Ze willen hun ‘eigen’ leven
leiden. Normen en waarden van volwassenen worden zonder meer opzij gezet.

Door het naar andere verwijzen (iedereen mag het, iedereen doet het) geven jongeren aan dat de mening van
leeftijdsgenoten heel belangrijk is. Jongeren willen ergens bij horen. Zo kan het zijn dat de invloed van de groep
sterker is dan de eigen normen en waarden.

In de wereld van jongeren komen verschillende groepen en ‘subculturen’ voor, deze zijn vaak te herkennen aan een
eigen levensstijl. Je aanpassen aan de gewoonten van de groep is belangrijker dan algemene regels. Toch worden
jongeren zich ook van deze normen en waarden die in de samenleving spelen bewust. Ook leren ze rekening te
houden met anderen.

Paragraaf 3: Volwassen en zelfstandig

Kenmerken van volwassen gedrag:
   - Respecteren dat er in een land wetten en regels zijn, die in een samenleving de orde garanderen.
      Volwassen mensen zien in dat er naast rechten ook plichten zijn.
   - Respecteren dat elk mens rechten heeft. Elk mens in de samenleving, op grond van de mensenrechten, een
      aantal basisrechten. Als volwassen accepteer je dat er een overheid is die deze rechten beschermt, ook al
      gaat het soms tegen je eigen belangen in.

Morele ontwikkeling kind, via puberteit en adolescentie naar volwassenheid.
Morele of ethische ontwikkeling houdt echter niet op bij volwassenen. Ieder mens moet blijven oefenen in moreel
handelen. Je hebt elke dag met ethiek te maken.
We worden in onze samenleving op het gebied van normen en waarden dagelijks beïnvloed door de massamedia.
We hebben zelf op deze stroom van informatie nauwelijks invloed. De invloed van massamedia is erg groot, hier
spelen reclamemakers heel bewust op in.
Er is niet alleen open reclame, zoals commercials, maar ook verborgen reclame. Verborgen reclame is bijvoorbeeld
het nadoen van soapsterren, waardoor een bepaald kledingstuk helemaal hip wordt.

Hoofdstuk 4

Elk mens maakt keuzes, bij een keuze weeg je af wat voor jou op dat moment het belangrijkste of het meest
waardevolle is.
Bij een keuze zijn bepaalde waarden voortdurend in het geding.

In de ethiek noem je een denkwijze waarbij één waarde heel duidelijk centraal staat een ethische stroming. Hierbij
zijn er 5 (voor ons voor de toets) van belang:
      Verlangen naar genot; hedonisme
      Streven naar wat nuttig is; utilisme
      Besef van plicht; Immanuel Kant
      Persoonlijke verantwoordelijkheid; SØren Kierkegaard
      Respect voor het leven; Albert schweitzer.

Deze worden nader uitgelegd:
Verlangen naar genot; hedonisme, een van de eerste die heer mee begon was Epicurus (Griekse filosoof). Hij zei: de
mens streeft bij alles wat hij doet naar geluk en genot. De mensen die in die tijd leefden waren geen fan van de
theorie en vielen hem persoonlijk aan; vooral over het feit dat hij over genot sprak. Maar hij bedoelde iets veel anders
met genot dan seks; een toestand waarin de mens lichamelijk en geestelijk in evenwicht is, voorwaarde om dit te
bereiken is een sobere levensstijl. Ook met genieten bedoelde hij niet zomaar erop los leven maar een innerlijke
harmonie waardoor een mens niet heen en weer geslingerd wordt door verlangens en gevoelens. 3 soorten
verlangens:
    1. natuurlijke en noodzakelijke verlangens; lichamelijke behoeften eten drinken etc; echter een mens moet niet
         meer willen dan nodig is.
    2. natuurlijke maar niet-noodzakelijke verlangens; dit zijn alle verlangens van de mens naar ‘meer’, dit moet je
         wel nuanceren en je moet niet al je lusten willen bevredigen
    3. niet-natuurlijke en niet-noodzakelijke verlangens; hieraan moeten we helemaal niet toegeven, deze
         verlangens worden door anderen opgewekt.
Epicurus hecht ook groot belang aan vriendschap, naast wijsheid is het volgens hem het belangrijkste bezit voor een
gelukkig mens. Zuivere hedonist: iemand die het geestelijk genot zoekt boven alles.
Tegenwoordig wordt het woord hedonist gebruikt voor mensen die er maar op los leven: zoveel mogelijk en zo lang
mogelijk doen waar je zin in hebt, als het maar lichamelijk genot geeft. (vb: blz 56)

Handelen vanuit het streven naar wat ‘nuttig’ is; utilisme, Jeremy Bentham wordt gezien als de grondlegger hiervan:
ieder individu streeft zijn eigen geluk na. Maar een mens zal dat persoonlijke geluk pas ten volle ervaren, indien hij
bij zijn streven naar geluk rekening houdt met het algemene welzijn.
Bij deze stroming gaat het om de vraag: welke handeling levert meeste nut op voor meeste mensen?
Dit algemene belang helpt ons volgens Bentham bij het maken van keuzes.
Bentham: geluk is een zaak van genot, genot hangt af van 2 dingen:
     1. niet ervaren van pijn
     2. wel ervaren van lust
Hier kwam kritiek op door John Stuart Mill: geluk is meer dan menselijke gevoelens van lust of genot; kwaliteit van
verlangens bepaalt ook kwaliteit van geluk. Daarnaast legt hij veel meer nadruk op sociale verbanden, algemeen
moreel doel: geluk voor alle leden van samenleving.

Handelen uit moreel plichtsbesef; Kant, Kant moet in zijn filosofie niets hebben van de doel-ethiek, wat wil men
bereiken met handelen (wel bij utilisme en hedonisme). Volgens Kant kun je dan niet vaststellen wat moreel goed is;
noemt de visie van utilisme en hedonisme daarover  beschaafd egoïsme. Kant over moreel goed: alleen de
innerlijke vastbeslotenheid om altijd en onder alle omstandigheden te doen waarvan ik weet dat het gedaan behoort
te worden, mag ‘moreel’ genoemd worden.
Volgens hem heeft elk mens een morele grondwet  geweten  door verstand te gebruiken herken je je eigen
grondwet.Bij het maken van een keuze (moreel goed) moet je niet laten leiden door een doel maar door de plicht het
goede te doen. Je moet je afvragen: wat zou er gebeuren als vanaf nu iedereen naar mijn beeld zou handelen?

Handelen uit persoonlijke verantwoordelijkheid; Kierkegaard; heeft veel kritiek filisofen spreken alleen maar in
theorieën en abstracte beelden, nooit over het concrete leven. Hij zegt: filosofische theorieën over de mens kunnen
je niet helpen wanneer je in de praktijk beslissingen moet nemen. Het morele handelen in dagelijks bestaan is van
groter belang dan elke levensbeschouwing over de mens. Gaat juist om waarheid, ‘eigen waarheid’. Ook zegt hij dat
de meeste mensen niet eigen leven leiden maar zich laten leiden. Volgens hem moet je juist een individu zijn.
Dit moet je leren en gebeurt in 3 stadia:
     1. mens is vooral gericht op zichzelf, ze zijn nog geen individu
     2. mens wordt ontevreden met zijn leven, gaat zelf keuzes maken en wordt een individu
     3. mens kiest bewust om zijn leven vorm en inhoud te geven en is een echt individu

Handelen vanuit respect voor het leven: Schweitzer
Respect voor alles wat leeft, Albert Schweitzer (studeerde veel, waaronder geneeskunde) reden hiervoor: mens leeft
niet alleen voor zichzelf, maar altijd in verbondenheid met anderen. Schweitzers opvattingen met ethiek hebben alles
te maken met situatie op dat moment in europa (leefde tot 1965). Europa maakte een snelle ontwikkeling door, maar
raakte in ethisch opzicht achterop. Volgens schweitzer hadden we een krachtige universele levensbeschouwing en
ethiek nodig. Zocht een ethiek gericht op het totale leven. Zijn uitgangspunt: het begrip eerbied voor het leven omvat
respect voor alle levenssoorten, als mensen dit uitgangspunt accepteren zijn er mogelijkheden deze wereld te
redden van barbarij en onmenselijkheid. De mens zal zijn verstand moeten gebruiken, niet om te beheersen, maar
om ervaringen krachtiger te maken. Je moet je verstand gebruiken. Hij leidt uit zijn uitgangspunt eerbied voor het
leven van het volgende af:
      goed is: leven beschermen en behouden etc
      kwaad is: leven benadelen, beschadigen etc.

				
DOCUMENT INFO
Shared By:
Categories:
Tags:
Stats:
views:16
posted:6/24/2012
language:
pages:5