Hfdst 1: Waarover en hoe denken economen by 3RSlbgu

VIEWS: 7 PAGES: 53

									                                [Inleiding tot de economie]
                                         [niet opgegeven]




Professor: Prof. Dr. Erik Buyst
Handboek: niet opgegeven, waarschijnlijk DECOSTER, A. (eds.), Economie. Een inleiding, Leuven,
2005.

Gemaakt door: niet opgegeven
Opmerkingen: niet opgegeven

Noch Project Avalon, noch het monitoraat, noch Historia of eender ander individu of instelling zijn
verantwoordelijk voor de inhoud van dit document. Maak er gebruik van op eigen risico.
DEEL I: MICRO-ECONOMIE

Hoofdstuk 1: Waarover en hoe denken economen?
§1 Onvoorstelbare welvaartstijging
De overgrote bevolking in diep 19de E is afhankelijk van landbouw, wat leidt tot
bestaansonzekerheid voor 80% van de bevolking. Dit heeft plaats gemaakt voor relatieve
weelde (toch nog 6% van de bevolking is arm in België).

§2 Werkgelegenheidsstructuur
Aandeel in werkgelegenheid (%)
100
                                                   Diensten

                                                   Industrie
                                                   Landbouw

0      1850                          2000                Tijd (j)
     geëvolueerd naar een dienstverlening
    Hoe is men geëvolueerd van landbouw naar dienst? De economen zijn ermee bezig.
    = productiefactor arbeid
    herallocatie van de arbeid, weg van de landbouw, maar toch nog voedseloverschotten.

§3 Onvergelijkbaar consumptiepatroon
                       1853                                             1997-1998
                                duurzame
                                goederen                                            duurzame
                                                                                    goederen
                                verwarming en
                                verlichting                                         verwarming en
               1% 8%                                                  11%           verlichting
                       8%                                                    5%
                                woning                          15%                 woning

                  9%
                                kleding                                22%
         68%            6%                                                          kleding
                                                               41%

                                andere                                      6%      andere


                                voeding en drank                                    voeding en drank


In 1850 gaat 2/3 budget van een arbeidersgezin naar voeding en drank; in 2000 20%.
Dit is gebaseerd op consumptie-enquêtes. De dingen waar men meer gaat geld gaat aan geven
zijn ‘woningbouw’ en ‘andere’ (verschillende vormen van diensten (kapper,verzekering,…)).
Er zijn wel nieuwe producten op de markt gekomen, bv. TV,Cd,GSM,… .
     verschuiving + vernieuwing van consumptiepatroon
    zelfstudie: videospelletjes, pizza’s, kabelindustrie, auto, autobrandstoffen, microgolfoven,
    zelfs de FIETS.




                                                                                                       2
§4 Economische activiteit als maatschappelijk verschijnsel
  Economische activiteit: alle activiteit die gericht is op materiële aspecten van de
   behoeftebevrediging.
Hoe organiseren?
   1. Elk gezin organiseert zelf de productie, staat er zelf voor in (kleding, huisvesting,…)
      Gevolgen:
           a. Lage kwaliteit van de afgeleverde productie
           b. Lage productie
    lage levensstandaard
   2. Specialisatie = arbeidsverdeling. Totale hoeveelheid arbeid verdelen over
       verschillende productieactiviteiten.
      Voordelen:
           a. Producenten ontwikkelen specifieke vaardigheden en kennis
           b. Rendabel om gespecialiseerde uitrusting te ontwikkelen en in te zetten
      Effecten:
          a. veel meer produceren
          b. betere kwaliteit
    betere levensstandaard
      Niet alleen personen, ook regio’s, landen specialiseren zich
    internationale handel
      Nadelen:
      a. individuele producenten produceren grote overschot (overschot aan zelfproductie)
      b. individuele producenten hebben groot tekort aan wat ze niet produceren
          (=mismatch)
    moeten diensten herverdelen
      c. geen direct contact tussen producenten en consumenten
    moeten mechanisme vinden voor coördinatie
      hoe productie en behoefte op elkaar afstemmen (als we elkaar niet kennen)

Enkel op te lossen via organisatiestructuren:
1. Tradities:
    a. Bepalen wie wat produceert en op welke manier
    b. Bepalen hoe geproduceerde goederen en diensten worden verdeeld over de
        gemeenschap.
       Bv.A. Zoon oefent beroep van vader uit.
       Bv.B. Feodaliteit bepaalt dat boer deel van de oogst moet afstaan.
               Feodaliteit zorgt dat er karweien worden uitgevoerd.(verplichte opdrachten)
     Nadeel:
       a. geen rekening met specifieke vaardigheden
       b. marges voor aanpassing is beperkt (steden komen tot ontwikkeling buiten
            feodaliteit)

2. Bevelsystemen: overheid bepaalt wie, wat, voor wie, hoe.
Experiment in communistische landen
     Problemen:
                     1. De economie is bijzonder complex.
-> zeer doorgedreven arbeidsspecialisatie -> veel coördinatieproblemen -> veel beslissingen
                      Centraal Plan Bureau neemt beslissingen (veel informatie).
                      = grote bureaucratie
Zal na een tijd informatie niet meer kunnen verwerken


                                                                                                3
    bevolking mens andere producten dan andere bepaalde producten.
    lange wachtrijen voor lege winkels
                 2. onvoldoende in staat om nieuwe technologie te absorberen
    producenten worden niet gestimuleerd
                   Bureaucratie: regels, procedures
                 3. gebrekkige informatiedoorstroming tussen top en basis
                 4. geen stimulans om vele en goede producten te produceren

    verklaart ineenstorting

Bevelstructuren kunnen niet worden genegeerd. Ook in eigen economie. Het bevel van een
baas kan men niet negeren, anders volgt het ontslag. De baas is het directiecomité dat de
dagelijkse leiding op zich neemt. Op dezelfde hoogte bevindt zich de Raad van Bestuur met
de aandeelhouders. Zij zijn de vertegenwoordigers van de eigenaars. Zij bepalen de
langetermijnstrategie en voeren toezicht op het directiecomité op de uitvoering van de
langetermijnstrategie.

3. Marktsysteem: beslissingen om te produceren en consumeren worden vrij genomen.
     het lijkt wanordelijk en chaotisch.
     in realiteit worden alle beslissingen geordend volgens het algemeen ordeningsprincipe.
Dit is dat iedereen zijn eigenbelang nastreeft. Toch ook nog ruimte voor altruïsme.
A. Eigenbelang van gezin: zo hoog mogelijke welvaart
- arbeid zo duur mogelijk verkopen
- consumptieprijs zo laag mogelijk houden
B. Eigenbelang van ondernemingen: zo hoog mogelijke winst (winstmaximalisatie)
- arbeid zo goedkoop mogelijk aantrekken
- diensten een goederen zo duur mogelijk verkopen

Op de markt gaan A en B, de tegenstellingen elkaar ontmoeten. Er wordt onderhandeld en ze
komen tot een prijs, de evenwichtsprijs. Tijdens de onderhandelingen probeert iedereen
zoveel mogelijk eigenbelang na te streven.
De prijs is fundamenteel voor de markteconomie. Hij bevat veel informatie voor gezinnen en
ondernemingen. Bijvoorbeeld de prijs voor een bepaald product stijgt. De informatie voor de
producent is dat het product schaars is en dat hij meer moet produceren. De informatie voor
het gezin is dat er een tekort is en dat men minder moet consumeren. In geval van prijsdaling
is het omgekeerd.

Besluit: prijzen zijn de coördinatiefunctie in onze economie tussen ondernemingen en
gezinnen.
Geen pure vrijemarkteconomie. Ook nog bevelsysteem en overheid. Vandaar dat men spreekt
over een gemengde economie of een sociale markteconomie (marktsysteem en bevelsysteem).




                                                                                            4
§5 Concepten
   Economisch agent: personen of instellingen die beslissingen nemen over de grootte van de
    productie, consumptie, sparen, e.d..

Drie soorten:

1. Gezinnen (= consumenten)
- we beschikken allemaal over productiefactor arbeid
- ook kunnen we eigenaars zijn van andere productiefactoren (bv. land -> grond,
bodemrijkdommen; kapitaal)
- arbeid en andere productiefactoren tegen betaling -> inkomen -> sparen

2. Ondernemingen (= producenten)
- in beginfase bezitten ze niet, ze moeten alles aankopen (arbeid, land, kapitaal,...)
- ze gebruiken productiefactoren om diensten en goederen te produceren
- productie verkopen
- wat ze produceren = OUTPUT

3. Overheid (federaal, gewestelijk,...: alles samen)
- produceren goederen en diensten voor ons

   Sparen = niet consumeren -> vermogen gaat stijgen
       Vermogen bestaat niet enkel uit de financiële activa. Ook alle goederen en diensten
       die u bezit. Sparen = uitgestelde consumptie.


 Consumptiegoederen:
- niet duurzame = goederen die na verbruik verdwijnen, bv. levensmiddelen.
- duurzame = goederen die verschillende keren kunnen gebruikt worden, bv. hifiketen.

   Productie: alle activiteiten waardoor goederen en diensten tot stand worden gebracht en
    op de gepaste tijd en plaats ter beschikking worden gesteld van de consumenten.
        niet enkel productiegoederen, maar ook diensten (klein- en groothandel)

Wie produceert er? Ondernemingen en overheid
- Ondernemingen:
Ze hebben de autonome beslissing over wat ze produceren. En over INPUTS: nodig om te
kunnen produceren (arbeid, grond, machines,...).
Intermediaire goederen: vormen output van een onderneming en de input van een andere
onderneming.
Bv. in de software-industrie is elektriciteit de input, terwijl elektriciteit de output van
Electrabel is.
MAAR appels zijn de output van een tuinboer. Als wij de appels kopen, zijn de appels
consumptiegoederen. Als de conservenindustrie ze koopt dan zijn de appels intermediair.

Hoe produceert een economie?
Door productiefactoren in te zetten. Idem input (term voor individuele ondernemingen)




                                                                                              5
Productiefactor kapitaalgoederen: door de mens gemaakte productiemiddelen
- duurzame: kan verschillende keren worden ingezet, bv. machines, gebouwen
- niet duurzame: volledig opgewerkt in een productiecyclus, = voorraad intermediair goederen

Aankoop van nieuwe duurzame kapitaalgoederen = investeren.

- Overheid:
       - reglementair kader (vrije markt aan banden)
       - inkomensherverdeling (sociale zekerheid, subsidies, belastingen, diensten die de
       overheid aanbiedt, onder kostprijs)
       - deelnamen aan productieproces:
        private goederen: consumptie door een persoon, sluit de consumptie van een
           andere persoon uit. Bv. zitplaats bij theater (= private toe-eigening)
              Alleen goederen en diensten vatbaar voor private toe-eigening kunnen niet
              echt verhandeld worden. Enkel voor die goederen kan men een prijs vragen.
              -> kosten dekken
              -> normale winstmarge
        publieke goederen: Geen private toe-eigening, consumptie door een persoon sluit
           de consumptie van een andere niet uit. Bv. straatverlichting, defensie.
               -> Moeilijk om een prijs aan te rekenen
              -> gefinancierd door de belasting.
   Overheid produceert niet enkel publieke, ook private goederen, bv. afvalophaling.

§6 Beslissen is kiezen
We worden geconfronteerd met schaarste. Het is onmogelijk om aan alle materiële behoefte te
voldoen. Men moet keuzes maken. Kiezen is een stukje verliezen.
Bv. In Zuid-Limburg is de kans groot dat de grond bestemd is voor fruitteelt, dus niet voor
veeteelt en autosnelweg.
Aan elke keuze is er een kostprijs verbonden. De keuze voor 1 bepaalde aanwending
impliceert de opoffering van andere aanwendingen.
 Opportuniteitskosten: ze vertegenwoordigen de waarde van de verloren gegane best
   mogelijke alternatieve aanwending van middelen. Dit is verschillend van persoon tot
   persoon. Bv. grond toegewezen aan fruitteelt, is voor de veeboer het niet gerealiseerde
   veeteeltgebied.
   Personenwagenproductie
G                     Z

E             X

C             M      T




O              D      F      B      Graanproductie
Voor D -> F, moeten we E -> C personenwagens opofferen = opportuniteitskost.
Waarom is de curve bolvormig? In de realiteit hebben we het fenomeen van de stijgende
opportuniteitskosten. Hoe langer hoe meer personenwagens opofferen om een beetje meer
graan te krijgen.
=> Productiemiddelen overhevelen van wagens naar graan, die er niet voor geschikt zijn.


                                                                                            6
Productiecombinatie M: Er zijn problemen, er wordt minder geproduceerd dan mogelijk.
Redenen:      1) Onvolledige benutting van productiefactoren, bv. werkloosheidsprobleem
              2) Inefficiënte allocatie van, inefficiënte inzet van productiefactoren, bv.
              inzetten van arbeiders die onhandig zijn met de machines.
Productiecombinatie Z: boven de curve, is niet te bereiken (momenteel). In de toekomst is het
misschien wel mogelijk, met meer productiefactoren (arbeidskrachten en kapitaal
(=machines)). Zo komt men tot een economische groei.
Is een economische groei enkel afhankelijk van productiefactoren? Neen, ook met een betere
technologie en organisatiestructuur is het mogelijk.

Hoofdstuk 2: Prijsvorming in de markt
§1 Marktsysteem
 Goederenmarkt: outputs worden er verhandeld (goederen en diensten)
 Factorenmarkt: inputs worden er verhandeld (productiefactoren)
Er bestaan oneindig veel soorten.
     Markt:
         1) Er wordt geruild tussen 2 partijen (kopers en verkopers)
         2) Uit de interactie van de 2 partijen vloeit een marktprijs voort waartegen goederen,
         diensten en productiefactoren worden verhandeld.
Oorspronkelijk was de markt op een bepaalde plaats en op een bepaalde tijdstip. Dit gaat
verloren. Er is dan een evolutie naar een regionale en internationale markten. Er ontstaan
abstracte markten. Ze zijn tijdloos (24 op 24, bv. wisselmarkten) en ruimteloos (koper en
verkoper kennen elkaar niet, via beeldschermen) geworden.
De markten gaan elkaar beïnvloeden, maar als er een crash is dan heeft die ook gevolgen voor
andere markten.
Op de markt komt men tot een evenwichtsprijs (de aanbodhoeveelheid en vraaghoeveelheid is
gelijk).
Stel dat alle prijzen constant zijn, en er is 1 product dat stijgt, wil dan zeggen dat het product
schaars is. De aanbieders worden aangezet om meer te produceren en de consumenten gaan
afhaken. De vraag daalt en het aanbod stijgt.
Conclusie: prijzen zijn een essentieel signaalfunctie in de economie

§2 Typologie van de markten
Toch hebben de markten gemeenschappelijke kenmerken:
1) Vragers en aanbieders ruilen tegen vrijwillig overeengekomen prijs.
2) De transactie gebeurt uit eigenbelang.
Opm.: Best mogelijk dat 1 van de partijen er meer beter van wordt, het is niet symmetrisch
verdeeld. Het komt doordat er partijen zijn met een sterke marktmacht.
Wat bepaalt marktmacht?
a. Aantal aanbieders en vragers op de markt.
    Hoe meer vragers en aanbieders hoe kleiner de mogelijkheid dat 1 partij de prijs kan
    bepalen. Iedereen wordt dan prijsnemer (pricetaker). (<-> veel marktmacht, prijszetter
    (pricemaker), zoals NMBS)
    We gaan uit van volmaakte mededinging:
    1. Groot aantal kopers en verkopers aanwezig op de markt die individueel optreden ( =
        marktatomisme)
    2. Iedereen heeft zelfde toegang tot de markt ( = marktopenheid)
    3. Iedereen beschikt over volledige marktinformatie ( = transparantie)


                                                                                                 7
   4. Er wordt perfect substitueerbare (gemakkelijk verwisselbare) goederen en diensten
      verhandeld ( = homogeniteit)

MARKTVORMEN                 Aantal vragers
                            één                  enkele            Veel
Aantal aanbieders één       bilateraal monopolie                   Monopolie
                  enkele                                           Oligopolie
                  veel      monopsonie          oligopsonie        Mededinging

b. Graad van informatie.
     Perfecte informatie: vragers en aanbieders hebben dezelfde informatie over aard van
     het goed en over de prijs.
     In realiteit is dit zelden het geval, bv. studentenkamers. Wel het geval is het in
     wisselmarkten.

c. Homogeniteit van markten
     Bv. tarwe, relatief weinig soorten
     <-> Heterogeniteit van markten, bv. auto’s: Lada vs. RR => deelmarkten ontstaan
     Aanzwengelen van reclame, merknamen. De automobielproductenten streven naar
     productiedifferentiatie om deelmarkten zo klein te maken, om te komen tot
     monopolistische mededinging (er is wel concurrentie maar een bepaald aantal spelers
     in het verhaal).

§3 Marktvraag
1. De Individuele vraag
De som van de individuele vraagschema’s van de kopers op de markt geeft de marktvraag.
Iedereen heeft een ander consumptiegedrag. Het is afhankelijk van:
 voorkeuren ( daar houdt de economie geen rekening mee)
 inkomen (= y)
 de prijs voor product X (= px)
 de prijs voor andere producten (= pw, pz)
Dit alles vormt de gevraagde hoeveelheid. Men moet dan het verband leggen tussen de
gevraagde kwantiteit en de determinanten:
De vraagfunctie:
qvi = f (y, px, pw, pz) [de gevraagde individuele hoeveelheid=afhankelijk van…]
Verondersteld wordt dat y, pw en pz constant zijn.

          qvi = f (px)

Verband tussen gevraagde hoeveelheid en de prijs op de goederenmarkt.
Als de prijs van product X verandert, welke invloed heeft het dan op het gevraagde product?
       P (prijs,          Q (kwantiteit,
bovenaan)          onderaan)
               50                        0
               40                        2
               30                        4
               20                        6
               10                        8
                 0                     10


                                                                                              8
Conclusie:
De helling is negatief. Er is dus een invers verband tussen de prijzen en hoeveelheden.
De verklaring ligt in:
                     1. substitutie-effect: analoge en goedkopere producten
                     2. inkomens-effect: prijsstijging leidt tot daling van koopkracht

2. Prijselasticiteit van de vraag
De prijselasticiteit is een maatstaf voor de prijsgevoeligheid.
De prijselasticiteit van de vraag = relatieve wijziging in de gevraagde hoeveelheid
                                               relatieve wijziging in de prijs

Als de prijs met 10% stijgt, met hoeveel % neemt dan de vraag af?
       qv
vp =__q1_____= qv . p1
       p        q1     p
       p1

Vb.     6 -> 4 = -2      = q
        20 -> 30 = +10 = p
        q = 6 (vandaar vertrokken)
        p = 20 (vandaar vertrokken)
     -2 . 20 = -40 = -2 = -0.66…6…= -0.67 = prijselasticiteit
         6 10      60 3
Interpretatie:
    1. p = negatief => tegengestelde wijziging van prijzen en gevraagde hoeveelheden
    2. –0,67 => prijsdaling met 10%, lokt een toename van de gevraagde hoeveelheid met
        6,7%
        Stel p = -2 => prijsdaling met 10%, toename met 20%
Soorten:
    1. prijsinelastische vraag: [vp] < 1
    2. prijselastische vraag: [vp] >/= 1
                    1. wanneer prijs stijgt, zal weinig effect hebben op gevraagde hoeveelheid
                       (minder dan evenredig)
                    2. wanneer prijs stijgt, zal er een groot effect zijn op de gevraagde
                       hoeveelheid (meer dan evenredig)
Toepassing: Bv. vraag naar graan in Ancient Regime -> Prijsinelastische vraag? Of elastisch?
Prijsinelastische vraag. Tot diep in de 17de eeuw waren er geen substituten voor brood, later
kwamen er dan aardappelen.

GRIFFENgoederen = als de prijs stijgt, stijgt uitzonderlijk ook de vraag.
Bv. in de 19de eeuw: vraag naar brood steeg. Dit geldt alleen voor de armere bevolking. Als
het brood duurder wordt, kunnen ze geen andere etenswaren kopen (bv. vlees) en men gaat
alles toespitsen op brood.

      p


                      q


                                                                                              9
   p

                U        prijsinelastische vraag             volkomen prijsinelastische vraag
                                                                           : niemand reageert
                                                                           op een
                                                                           prijswijziging
   p2 - - - - - - - - - -

   p1 - - - - - - - - - - - - - -

       O                 q1         q2               q

De prijsstijging heeft weinig effect op de gevraagde hoeveelheden.


   p

              U         prijselastische vraag        volkomen prijselastische vraag
   p2 - - - - - - - - -                                                    men koopt meer of
   p1 - - - - - - - - - - - - - -                                          minder maar de
                                                                           prijs blijft hetzelfde.


       O                 q1         q2               q

Wanneer neemt de prijselasticiteit toe?
   1. Naarmate er meer vervangproducten beschikbaar zijn.
      Verklaring: als de prijs stijgt, zoekt men naar analoge andere producten.
   2. Naarmate de vraag minder levensnoodzakelijk is.
      Bv. Duurzame consumptiegoederen: de aankoop kan gemakkelijk uitgesteld worden.
   3. Naarmate de aandelen van de bestedingen aan het product in het totaal van het budget
       relatief hoog ligt.
      Als een bepaalde uitgave veel van het budget opgeslorpt en het stijgt van de prijs ->
      budget problemen.
   4. De prijselasticiteit op lange termijn is groter dan op korte termijn
      Bv. Olieshock ’70: vraag inelasticiteit (korte termijn), vraag elasticiteit (lange termijn).
      Men gaat pas na een tijd overschakelen op elektrische verwarming en zuinigere
      toestellen creëren.
Boek p. 125




                                                                                               10
3. Verschuivingen van de vraag

    qvi = f (y, px, pw, pz)   Verondersteld wordt dat px, pw en pz constant zijn.
Stel dat het inkomen stijgt, welk effect heeft dat op de gevraagde hoeveelheid?
De gevraagde hoeveelheid zal toenemen (vnl. luxeproducten).

     p

               U      V


     px   ---------------


          O             q1       q2          q

U = uitgangspunt
V = met een hoger inkomen kan men meer kopen
We zien een toename van de gevraagde hoeveelheid

Bij elke gegeven prijs wordt meer geconsumeerd dan oorspronkelijk wanneer het inkomen
stijgt.

Stel dat het inkomen daalt: het omgekeerde: V (lager gelegen) <- U
Definitie: de inkomenselasticiteit relateert de relatieve verandering in de gevraagde
hoeveelheid tot de relatieve wijziging in het inkomen (en dit bij gelijkblijvende prijzen)

       qv
 y =__q____ = qv . y
 v

       y      q    y
       y

       Als het gemiddeld inkomen van de consument met 10% stijgt, met hoeveel procent
       neemt dan de vraag naar een bepaald product toe?
2 mogelijkheden:
1. goederen met een positieve inkomenselasticiteit = normale goederen
2. goederen met een negatieve inkomenselasticiteit = inferieure goederen
Betekenis: Als het inkomen stijgt, zal de vraag naar een inferieur goed dalen.
Bv.    In de jaren ’70-’80: zwart-wit TV
       In de jaren ’00: oudere PC’s verdwijnen, omdat iedereen een nieuwe kan kopen.
2 mogelijkheden:
1. inkomensinelastische goederen = [vy ] < 1
2. inkomenselastische goederen = [vy ] >/= 1
Betekenis:     Als het inkomen stijgt, gaat de vraag minder dan evenredig toenemen =
               inkomensinelasticiteit. Bv. levensmiddelen
               Als het inkomen stijgt, gaat de vraag meer dan evenredig toenemen =
               inkomenselasticiteit. Bv. vrije tijd
Boek p. 129




                                                                                             11
4. Kruislingse elasticiteiten

        qvi = f (y, px, pw, pz)        Verondersteld wordt dat y en pz constant zijn.
Wat is het effect van de prijsveranderingen van de andere goederen?
3 mogelijkheden (bij prijsverandering van product Z):
         De gevraagde kwantiteit vermeerdert bij een prijsdaling van product Z (of
            omgekeerd).
         X en Z zijn dan complementaire goederen. Bv. De vraag naar auto’s stijgt, als de
             brandstofprijs daalt. De vraag naar cd-spelers stijgt als de prijs van cd’s daalt.
         De gevraagde kwantiteit vermeerdert bij een prijsstijging van product Z.
         X en Z zijn dan substituten (vervangproducten). Bv. De vraag naar rijst stijgt, als
             de prijs van aardappelen stijgt.
         De gevraagde kwantiteit blijft onveranderd bij een prijswijziging van product Z.
         X en Z zijn onafhankelijke goederen. Bv. De vraag naar schilderijen is
             onafhankelijk van de prijs naar benzine.
Het verband tussen de gevraagde hoeveelheid van product X en de prijs van product Z is de
kruislingse elasticiteit.

        qv
vx,z =__q____ = qv . pz
        pz      q     pz
        pz

            Bij complementaire goederen is de kruislingse elasticiteit negatief. <
            Bij substitute goederen is de kruiselingse elasticiteit positief. >
            Bij onafhankelijke goederen is de kruiselingse elasticiteit gelijk aan 0. = 0

Toepassing: Stel dat de prijs van boter stijgt, welk effect heeft dat op de gevraagde
hoeveelheden.

   Pb
            Ub

   p2 - - - -

   p1 - - - - - - - -

        O        q2     q1             Qb

Als de prijs stijgt, daalt de vraag.
Stel dat de prijs van boter stijgt, welk effect heeft dat op de gevraagde hoeveelheid margarine.

   Pm
               Um               Vm
   p2 - - - - - - - -
   p1 - - - - - - - - - -

       O           q2 q1                        Qm
Als de prijs van boter stijgt, stijgt de vraag naar margarine.


                                                                                             12
Boter en margarine zijn substituten en dus is er een positieve kruiselingse elasticiteit.

§4 Het marktaanbod
1. Aanbodcurve van de producent
2 categorieën:
    1. goederenmarkt: producenten bieden goederen en diensten aan
    2. factorenmarkt: gezinnen bieden productiefactoren aan.
Marktaanbod = som van de individuele aanbodschema’s van de verkopers op de markt.
De productiekosten verschillen van aanbieder tot aanbieder omdat:
    1. de prijzen van de productiefactoren verschillen
    2. de prijzen van de gebruikte technologie
    3. de organisatorische kosten verschillen (1-persoonszaak vs. grote multinational)
    4. het belastingsregime verschilt (zelfstandige vs. vennootschap)

Stel dat de productiekosten constant zijn, dan is de aanbodsfunctie het verband tussen de
aangeboden hoeveelheid en de prijs van een goed op de goederenmarkt. Dit verband is
positief: hoe hoger de prijs op de goederenmarkt, hoe meer winstmogelijkheden bij constante
productiekosten en dus hoe hoger het aanbod.

   p                     Ad
   60 - - - - - - - - - - - - - - - - - - - - - - - - Ac

   50 - - - - - - - - - - - - - - - - - - -

   40 - - - - - - - - - - - - - -

   30 - - - - - - - - -

   20 - - - -

   10

         0      2         4         6         8      10    q

Appels              p           q
                    10           0
                    20           2
                    30           4
                    40           6
                    50           8
                    60          10

   1. Een aanbodscurve gaat zelden door het nulpunt -> men begint pas te produceren als
      minstens de productiekosten worden gerecupereerd.
   2. Aanbieder D heeft hogere productiekosten dan aanbieder C
   3. De helling van een aanbodscurve is bijna altijd positief: hoe hoger de prijs op de
      goederenmarkt, hoe hoger het aanbod.




                                                                                            13
2. Aanbodelasticiteit
Aanbodselasticiteit = maatstaaf voor de prijsgevoeligheid van het aanbod. Ze neemt
doorgaans slechts positieve waarden aan.

       qA
Ap= __q ___ = qA . p
       p       q    p
       p

Als de prijs met 10% stijgt, stijgt de aangeboden hoeveelheid met 14%.
2 mogelijkheden:
1. prijsinelastisch aanbod = [Ap ] < 1
2. prijselastisch aanbod = [Ap ] >/= 1

Opmerking: De prijselasticiteit van het aanbod is groter op lange termijn dan op korte termijn
omdat de productiemiddelen uitbreiden tijd vergt.

3. Verschuivingen van het aanbod
De productiekosten variëren; de prijs op de goederenmarkt is constant.
Bv. stijging van de loonkosten (hogere productiekosten) A
Bv. de petroleumprijzen zijn gestegen => productiekosten stijgen => aanbodcurve verschuift
naar links.
p
                             A

                             Uitangspositie        cte= p
                             A’




o                                             q

A’: technologische middelen verminderen de productiekosten. De overheid verlaagt de
werkgeverskosten




                                                                                            14
§5 Prijsvorming
1. Het marktevenwicht
We gaan aanbod en vraag samenbrengen. Zo krijgen we zicht op de interactie tussen de
kopers en de verkopers.
Markt met volledige mededinging: we zoeken naar een evenwichtsprijs (p*) (p*: totale
marktaanbod = totale marktvraag).
p

p1 - - - - - - - - - - - - - - - - - - - - A

p* - - - - - - - - - - - - - E



                                               V


O                 q1v q                 q1a           q
                  : vraag
                                               : aanbod

q1v < q1a : aanbodsoverschot of vraagtekort
Enkel bij p* gaat er marktruiming plaatsvinden (definitieve transacties plaatsgrijpen).

2. Veranderingen in het marktevenwicht
Waarom? Het marktevenwicht is een momentopname. In werkelijkheid verschuiven vraag en
aanbod. => grafieken verschuiven
VRAAG omdat          1) het inkomen verandert
                     2) de prijzen veranderen
AANBOD omdat         1) de prijzen van de productiefactoren veranderen
                     2) de aanbieders veranderen

Stel de aanbodcurve blijft stabiel maar de vraagcurve kan verschuiven.
Stel het inkomen stijgt => vraag stijgt
p

         V1          V2



p2 - - - - - - - - - - - - - - - - E2                A
p1 - - - - - - - - - -       E1


o                  q1       q2              q
A: elastisch aanbod
    1. prijsstijging en hoeveelheidstijging
    2. We zien dat het hoeveelheidseffect domineert: q2-q1 > p2-p1




                                                                                          15
p                             A
        V2
p2 - - - - - - - - E2

         V1
p1 - - - - - E1




o        q1         q2                       q

A: inelastisch aanbod
    1. prijsstijging en volumestijging
    2. prijseffect domineert over volume

Concrete Toepassing p.100 in het boek

De 2 bovenstaande grafieken zijn boven elkaar geschoven.
Wat gebeurt er in een economische herneming? De vraagcurve verschuift naar rechts.
Als het economisch slecht gaat, de curve evolueert naar links.
Conclusie: Deze grafieken leren ons dat de grondstoffenprijzen zeer onderhevig zijn aan
schommelingen.
Stel dat er de vraagcurve constant blijft en de aanbodcurve verandert.
Stel dat er een stijging is van de productiefactoren
p
                        A2
                                       A1


p2 -
p1 - - - - - - - - - -                       V


o     q2                 q1                  q

V: elastische vraag. De kwantiteit domineert.

p
                                  A2
                                       A1


p2 - - - -


p1 - - - - - - - - - -
                       V
o       q2      q1                           q
V: inelastische vraag. Het prijseffect domineert.


                                                                                          16
Wat zijn de gevolgen voor de inkomensverandering voor de producent: p. 96

Prijzen van asperges/kg

V: Prijsinelastische vraag

p

               A1                A

p1             E1



p-------------                   E

                                     V
o              q1            q                     q

We gaan uit van een volkomen inelastisch aanbod (A)
En we veronderstellen een misoogst (A1)
We kijken naar de ontvangsten van de producent = p . q

Conclusie: Visueel ziet u dat het inkomen van de producent na de misoogst groter is, dan na
een normaal jaar. Waarom is dat zo? De prijsstijging overcompenseert de vermindering in de
verhandelde hoeveelheid.

V: Relatief elastische vraag

p

               A1                A


p1             E1

p-------------                   E

                                     V
o              q1            q                     q

We kijken naar de ontvangsten van de producent = p . q

Conclusie de ontvangsten van de producent dalen, omdat de prijsstijging de vermindering in
de verhandelde hoeveelheden NIET compenseert.

DUS: het is dus belangrijk om de vraagcurve na te gaan.




                                                                                          17
§6 Prijsbeleid van de overheid
1. Waarom?
De overheid vindt dat het marktevenwicht dat spontaan tot stand komt, sociale ongewenste
bijwerkingen heeft.
    1. prijs is voor de gebruiker te hoog => de overheid gaat subsidiëren
    2. de aanbieder van productiefactoren ontvangt te lage prijzen (bv. minimumlonen)
    3. het verbruik van bepaalde goederen moet gestimuleerd (bv. cultuur) of afgeremd
       worden (bv. tabak).
De overheid heeft verschillende methodes om tussen te komen.
    1. het rechtstreeks ingrijpen in de prijzen (economen zijn tegen)
    2. belastingen (ok voor de economen)

2. Rechtstreeks prijzenbeleid

Maximumprijzen: de verbruiker beschermen tegen te grote prijzen => p max < p*
Huurmarkt
                                  Vraagoverschot/Aanbodtekort Qa < Qv
p
                                  A
p*- - - - - - - - - - - - - -E

pmax - - - - - - - - - - - - - - - -
                                           V



O             q1a q          q1v          q
Welke reacties?
  1. wachtlijsten (een tekort aan aanbod)
  2. de verhuurder vindt de prijs te laag
   geen onderhoud
   verkrotting (zie NY)
  3. ontstaan van zwarte marktpraktijken: in theorie leven ze het na, maar niet in de
      praktijk.

Minimumprijzen: de inkomens van de productiefactoren te beschermen
                    P min > p*
Europees landbouwbeleid
                           Aanbodoverschot/Vraagtekort Qa > Qv
p            V

pmin- - - - - - - - - - - - - - - -    A
p* - - - - - - - - - - - - - -E


                                           V


O                 q1v      q q1a               q



                                                                                           18
Welke risico’s ?
   zwarte markt: producten aanbieden beneden de wettelijke aangestelde prijs te verkopen.
    om dit tegen te gaan gaat de overheid de overschotten opkopen
    de vraagcurve verandert (blauw)
    de vraagcurve wordt perfect elastisch vanaf p min
    melkplassen, boterbergen, …: omdat de producten niet geconsumeerd worden
Problemen:
   1. het opkopen kost veel geld (belastingen)
   2. omdat Europa boven het evenwichtsprijsniveau zit => invoer uit Amerika
    protectionistisch beleid door hoge invoerrechten zodat minimaal de prijs p min betaald
       moet worden
    we betalen te hoge prijzen
      De overschotten worden gedumpt (verkopen benenden de kostprijs) op de 3de
      wereldmarkt.
           o export moet betaald worden (belastingen)
           o de inheemse 3de wereld-landbouwproductie wordt ontmoedigd

3. Quota’s

= door de overheid opgelegde beperkingen van de verhandelde hoeveelheid

Beperking van de visvangst

p                    A
pV- - - - - - - - -               A
p*- - - - - - - - - - - - - -E*

pA - - - - - - - -

                                      V

O                    qmax q*                 q

Q* is een gevaar voor het ecologisch leven (leegvissen van de zee)
    prijs stijgt
De overheid verwringt de aanbodcurve (blauw).
Reacties: onwettelijk vissen: door de hoge prijzen en ook zo verkopen
    fraude

4. Indirecte belastingen
     Accijns: vast bedrag per fysische eenheid
     BTW: waardebelasting, m.a.w. in verhouding tot de prijs van het goed
    21% voor luxeproducten, 6% voor levensnoodzakelijke producten
        p              A’
                       A
        p2      E’
        p1             E
                       V
        o       q2     q1             q
Zelfde effect als quota’s.Voordeel: indirecte belasting gemakkelijker te controleren dan quota


                                                                                            19
Hoofdstuk 3: Consumententheorie
§1 Inleiding
De consumententheorie onderzoekt het bestedingsgedrag van gezinnen. Het bestedingsgedrag
is afhankelijk van de productiefactor arbeid dat zij leveren.
Gesteld wordt dat het inkomen constant is, de gezinnen als 1 individu optreden, nl. de
consument en dat de consument het verbruikspakket zo gaat samenstellen om een maximale
voldoening te realiseren. Maar het probleem is de schaarste, nl. het inkomen is beperkt. Men
moet dis streven naar een zo hoogmogelijke voldoening binnen een bepaald beperkt budget.

§2 De theorie van de consumptiebeslissingen
De consument is in staat om een rangorde van goederen op te stellen. Het ordeningsprincipe
dat hij gebruikt is het nut dat een goed oplevert. Zo ontstaan goederenbundels, combinatie van
goederen (bv. gevuld karretje uit de supermarkt). Men moet rekening houden met:
                                1. welke bundel kiest de consument? (voorkeuren)
                                2. welke bundel kan de consument betalen? (budgetbeperking)

1. Indifferentiecurve (p.140)
   Stel:
       a. 2 goederen te koop
       b. niet verzadigingsprincipe: meer is beter
       c. rationele consument gaat winkel binnen met rangorde
       d. consument kan neutraal staan tov keuzemogelijkheid
              = indifferent (economisch gezegd: keuzemogelijkheden geven zelfde
              voldoening)
       Bv.    6 boeken en 2 Cd’s : stel dat we daarvoor indifferent zijn
              4               3
              3               4
q2
Boeken
   6

   4
                              I
   2
                                    q1
   0 1        2       3      4      Cd’s

   Ze liggen op dezelfde indifferentiecurve, omdat ze dezelfde voldoening geven. Het zijn
   evenwaardige combinaties.

Kenmerken van indifferentiecurve:
                 1. verbindt alle bundels waartussen de consument indifferent is.
                 2. alle bundels boven de curve, vindt de consument beter dan op de curve.
                 3. alle bundels benenden de curve, zijn minderwaardig dan de bundels op de
                     curve.
Verzameling van indifferentiecurven = INDIFFERENTIEKAART
(in principe oneindig)
Ze mogen elkaar niet snijden.


                                                                                            20
q2



                   W
                                  X
                              Z
                                      q1

Toepassing definitie:
   W & X zijn evenwaardige combinaties
   W & Z zijn evenwaardige combinaties
    X & Z zijn dan ook volgens de wiskunde evenwaardig

Maar dit is NIET zo. X is beter want heeft meer van de 2 producten tegelijk.

Eigenschappen van indifferentiepunten:
q2

     A     X
     B         Y

     K                 Z
     J                        W
                                      q1
     0    EF           G      H

     Afstand AB is gelijk aan afstand KJ.
     AB opgeven om EF te krijgen.

     KJ: je begint je favoriete boeken op te geven, daarvoor een serieuze compensatie nodig.

     Conclusie:
     Marginale substitutievoet (MSV) (p.144):
     = mate waarin q2 vervangen wordt door q1 bij overgang van X naar Y op dezelfde
     indifferentiecurve.
     Kenmerken:
         1. is negatief, omdat de afname van hoeveelheid van een goed moet gecompenseerd
             worden door een toename van hoeveelheid van een ander goed.
         2. daalt in absolute termen langs de indifferentiekrommen. Omdat in X (veel boeken
             en weinig Cd’s) een kleine toename van Cd’s voldoende moet zijn om het verlies
             aan boeken te compenseren. Omdat in Z (weinig boeken en veel Cd’s) een zelfde
             toename van afname van aantal boeken zal moeten gecompenseerd worden door
             grotere toename van aantal van Cd’s.
         3. is de richtingscoëfficiënt van de raaklijn.
         Zie grafiek p.146




                                                                                               21
2. Budgetbeperking
   Het inkomen is beperkt.
q2
Boeken
            Z
   A

     F         W
          X
                                      q1 Cd’s
     0         G        D

     A = al het inkomen gegeven aan boeken (OA)
     D = al het inkomen gegeven aan Cd’s (OD)
     (AD) = budgetrechte, geeft idee van tusenmogelijkheden
        a. Zolang u op de budgetrechte zit, geeft u uw gehele budget uit.
        b. Bv. punt X, u koopt Cd’s en boeken, u hebt nog een deel van uw inkomen
        c. Bv. punt Z, combinatie is niet te betalen

                   1. Verschuiven door inkomensstijging
q2



               Y stijgt

               Ydaalt
                                      q1
      0
inkomen stijgt, verschuiving naar rechts
inkomen daalt, verschuiving naar links PARALLEL

                   2. Verandering in de relatieve prijzen
q2
Boeken
   A



    0          B’ B                    q1
Prijs q2 = Cte, prijs q1 stijgt, minder consumeren van q1 !!!
Helling gaat veranderen. Het gebied tussen B en B’ is onhaalbare combinaties.
Analytisch si het belangrijk om naar de helling te kijken. Deze is steiler geworden. Relatieve
verhouding van de prijzen worden weerrgegeven. Q1 is duurder geworden.




                                                                                             22
                   3. prijzen van beide producten veranderen in gelijke proportionele mate
q2


                                    q1
prijsdaling analoog voor de boeken en de Cd’s

3. Evenwicht van de consument
q2



               E                       I2
                               I1

                                       q1

     E= evenwichtspunt voor de consument, = helling van de budgetrechte = helling van de
     raaklijn aan de indifferentiecurve, m.a.w. relatieve verhouding van de prijzen = MSV

4. Inkomenswijziging
q2


     D’                 E’
               E                       I2
     D                         I1

                                       q1
     0         C        C’

Inkomen neemt toe -> nieuwe budgetrechte, rechts van originele
Nu krijgen we een inkomensoverschot, niet goed: meer is beter
     nieuwe indifferentiekromme (I 2)
     nu kunnen we van de 2 producten meer consumeren
Dit geldt enkel voor NORMALE GOEDEREN.
NIET voor INFERIEURE GOEDEREN.

Inferieure goederen
Zie grafiek cursus: E’ ligt lager dan E, q’> q, (horizontaal), r’< r (verticaal)




                                                                                             23
Wet van Engel: (p.127-128)
Engel verdeelde de goederen in 3 groepen volgens de inkomenselasticiteit van de vraag:
   1. Inferieure goederen vy < 0
       Als het inkomen stijgt, dan daalt de consument van inferieure goederen.
q




                                   Y

Budgetaandeel
q




                                   Y
       Bij een inkomensstijging neemt de vraag naar aardappelen sterk af.

    2. Noodzakelijke goederen 0 < vy < 1
       Als het inkomen stijgt, dan neemt de consumptie toe
q



                                   Y

Budgetaandeel
q



                                    Y
    Bij een inkomensstijging neemt het budgetaandeel af. De consumptie neemt minder dan
    evenredig toe t.o.v. het inkomen.


    3. Luxegoederen vy > 1
q


                                   Y

Budgetaandeel
q

                                   Y


                                                                                          24
Als het inkomen stijgt, neemt de consumptie fors toe. Bij een inkomensstijging gaan de
budgetaandelen toenemen. Waarom? De consumptie neemt met meer dan evenredig toe t.o.v.
het inkomen.

Inferieure goed        y < 0                  Consumptie neemt af Budgetaandeel neemt
                                               als inkomen toeneemt af als inkomen
                                                                    toeneemt
Noodzakelijke goed     0 < y < 1              Consumptie neemt toe Budgetaandeel neemt
                                               als inkomen toeneemt af als inkomen
                                                                    toeneemt
Luxegoed               y > 1                  Consumptie neemt toe Budgetaandeel neemt
                                               als inkomen toeneemt toe als inkomen
                                                                    toeneemt


Conclusie: Engels ideeën blijven ideaal om consumptieveranderingen te bestuderen.


Hoofdstuk 4: Producentengedrag
§1 De onderneming
1. De onderneming als productie-eenheid
Beslissingen worden in georganiseerd verband genomen. De onderneming wordt bestudeerd
door:
    1. bedrijfseconomische invalshoek: praktijkgericht: bestudeert de werking.
    2. microeconomische invalshoek: bestudeert de onderneming als schakel tussen de
        inputmarkt en de outputmarkt.
Kenmerken:
    1. onderneming koopt productiefactoren op inputmarkt tegen geldende prijs
    2. onderneming transformeert de productiefactoren tot concreet product op basis van
        marktkennis en technologische kennis (= productieproces)
    3. output wordt verkocht op de outputmarkt tegen de geldende prijs

2. Doelstellingen van de onderneming
Dit is het streven naar maximale winst, door het produceren tegen zo laag mogelijke kosten en
hoogst mogelijke opbrengsten realiseren.
Opnies van:
     de boekhoeders: volgens hen moeten we enkel rekening houden met de expliciete
        kosten (vergoeding voor de aanwending van de productiefactoren), bv. lonen,
        grondstoffen, huur, rentebetalingen van een lening
        boekhoudkundige winst = totale ontvangsten – expliciete kosten
     de economen: economische winst = totale ontvangsten – expliciete – impliciete kosten
        impliciete kosten = verbonden aan de inzet van eigen middelen (kapitaal en
        ondernemerschap) = opportuniteitskosten (zie supra)
Bv. erfenis van 100.000 euro
         staatsobligatie voor 7 j. tegen 6%
         eigen onderneming -> 6% winst: Boekhouder is tevreden, maar de econoom niet.
             Voor een staatsobligatie moet je niets doen, voor een onderneming: stress. Is dat
             het waard voor 6%?
Conclusie:

                                                                                           25
Als expliciete en impliciete kosten, niet gedekt zijn, maken we verlies.
VERLIES (economisch) = er zijn andere, betere aanwendingsmogelijkheden
WINST (economisch) = stimulans om meer middelen aan te zetten voor dezelfde aanwending
    streven naar maximale winst = zoeken naar beste aanwendingsmogelijkheden van
       schaarse middelen.
Gevolgen:
W(q) = TO(q) – TK(q) [winst = totale ontvangst – totale kosten van een bepaald product]

Totale kosten = impliciete + expliciete kosten
Algemeen: onderneming gaat productievolume q zodanig kiezen, dat W een maximum
bereikt.
Specifiek: onderneming gaat voor elke bijkomende geproduceerde eenheid die de additionele
ontvangsten afwegen tegen additionele kosten.
MO = marginale ontvangsten
MK = marginale ontvangsten
Marginaal = wat is het effect van het laatste geproduceerde element op de ontvangsten en
kosten.
           1. MO(q) > MK(q) => meer produceren om meer winst te maken
           2. MO(q) < MK(q) => winst vergroten door productie te verlagen
           3. MO(q) = MK(q) => winstmaximaliserende productie is bereikt

W
Wmax             3


         1              2

                                     q
   0            q*

Kritiek:
1. Als we naar Wmax kijken in enge zin, kan dat aanleiding geven tot minderwaardige
    producten.
2. BAUMOL: “als er een scheidng komt tussen aandeelhouders en managers,is er een
    tendens om voorbij punt (q*,Wmax) te gaan. Managers streven naar omzetmaximalisatie.
    Omdat:
        a. Hoe groter de omzet, hoe groter het bedrijf, hoe meer carrièremogelijkheden
        b. Door grotere omzet, een groter marktaandeel verworven wordt, hoe groter de
           marktmacht, om zo de prijzen te beïnvloeden.
        c. Hoe groter de onderneming, hoe verspreider de aandeelhouderschap, hoe minder
           de controle op de managers.

3. Productiefunctie en Productieverzameling
Productie = menselijke activiteit die de inputs m.b.v. productiefactoren en d.m.v. een
technisch transformatieproces omzet in outputs, die beter geschikt zijn voor materiële
behoeftebevredeging.
Primaire sector: landbouw, visvangst, bosbouw
Secundaire sector: extractieve nijverheid (mijnbouw), be- en verwerkende nijverheid
     Primaire en Secundaire: fysisch transformatieproces
Tertiare sector: geen fysisch transformatieproces


                                                                                         26
  1. Handel, transport, distributie: zorgen ervoor dat een product van de primaire en
       secundaire sector, op de geschikte plaats, in geschikte hoeveelheid en op geschikt
       moment komt.
  2. Dienstverlening aan producten of consumenten: financiële en adviesverlening
  3. Brede non-profit sector: onderwijs, gezondheidszorg, een andere diensten die niet tot
       doel hebben winst te maken. (= Kwartaire sector)
Opm.: In de VS zijn de non-profit activiteiten wel porfit.

Hoeveelheid productie (output) is afhankelijk van:
     Hoeveelheid ingezette productiefactoren
     Aanwending van productietechniek
Bv. typen van een tekst:
input = aantal gewerkte uren
output = aantal afgewerkte pagina’s
  Input Output Typmachine Tekstverwerker
      0                     0               0
      1                     5               8
      2                     8              15
      3                    11              20
      4                    13              24
Conclusies:
    1. als er meer gewerkt wordt, is er meer output
    2. met de tekstverwerker (betere technologie) is de output hoger

q
                     Tekstverwerker
16     Z

12                           Typmachine

8
                     D
4
                                    qA
      1       2       3      4
Productiefunctie = functieverband tussen hoeveelheid ingezette productiefactoren en
maximale hoeveelheid output, die technisch mogelijk is.
   1. punt Z: met huidige technologie is het niet te bereiken = productieverzameling (P)
   2. punt D: geen optimale werk(st)er: inefficiënt (met zelfde input meer output)
   3. door betere technologie verschuift de grafiek hoger => P wordt groter

q = f(qA)

q = f(qA,qK)




                                                                                           27
4. Productiviteit van productiefactoren
productiviteit = bijdrage van een productiefactor tot de productie van een goed.
Soorten:
1. Arbeidsproductiviteit: bijdrage van de productiefactor arbeid tot de productie van een
    goed. Kapitaalproductiviteit.
2. Fysische productiviteit: bijdrage tot de productie uitgedrukt in fysische eenheden.
    Waardeproductiviteit
Bv. kleermaker: Fysische productiviteit
                                                   Gemiddelde Fysische Productiviteit van Arbeid
           qA        Q                             (q/qA)
                     2 gewone
    1900           1 broeken                                   2     +25%
    1905           2 5 gewone broeken                        2,5

Waardeproductiviteit
       qA q                GFPA       Waarde/stuk Geproduceerde waarde      GWaardePA
                           (q/qA)     (p)         (p x q)                   (p x q / qA)
1900     1 2 luxebroeken            2 200 pond                          400      +50%        400
1905     2 4 luxebroeken            2 300 pond                         1200                  600
Meer waardevolle goederen per ingezette productiefactor geproduceerd
3. Gemiddelde productiviteit: productie per eenheid ingezette productiefactor
    Marginale productiviteit: hoeveel neemt de productie toe als de betrokken productiefactor
    met 1 eenheid toeneemt.
  Input Output Tekstverwerker GPA              MFPA (Dq/DqA)

                           q            0
qA      0                                  -         -
         1                               8         8                 8
         2                              15       7,5                 7
         3                              20       6,7                 5
         4                              24         6                 4

Conclusie: MFPA: daalt hoe langer hoe meer
q


                GFP                  f(qA) = q




                                          qA

Gemiddelde productiviteit = de helling van de voerstraal (vertrekt vanuit de oorsprong) t.o.v.
elk punt van de productiefunctie.




                                                                                                   28
Gemiddelde MFP = de helling van elke raaklijn in elk punt van de productiefunctie
q


              MFP              f(qA)




                                   qA


5. Variabele meeropbrengsten
Wet van de variabele meeropbrengsten
Bv. Huisvuilophaaldienst
1 persoon per vuilniswagen -> lage productiviteit
2 personen per “            -> productiviteit schiet omhoog
3 personen per “            -> “ stijgt
5 “          “    “         -> “ DAALT
q


                               f(qA)




                                   qA

Dit is een typisch probleem voor de landbouwsamenlevingen
Waarom? De productiefactor huisvuilophaalwagen = Cte
     ergens is er een optimaal verband, er voorbij = -, er voor = -
GRAFIEK P.182 GRONDIG KENNEN
In punt B bereikt het een maximum omdat de helling van de raaklijn het hoogst is.
In punt Q bereikt de marginale fysische productiviteit 0. Daarna is de marginale fysische
productiviteit negatief geworden.
Conclusies:
1. Marginale Fysische Productie van Arbeid > Gemiddelde Fysische Productie van Arbeid
     GFPa stijgt (O -> G)
2. MFPa < GFPa -> GFPa daalt (G->)
3. MFPa = GFPa -> GFPa bereikt een maximum (punt G)

Waarom vertoont de grensproductiviteit een dalen verloop? Eén of meerdere
productiefactoren blijven constant. De technische optimale verhouding tussen de
productiefactoren worden overschreden. De meeropbrengst gaat dalen. (=marginale
productiviteit)



                                                                                            29
6. Schaalopbrengsten
Op lange termijn kan men de productiefactoren aanpassen.
Op korte termijn is de productiefactor constant.

Wanneer alle productiefactoren veranderd, zegt men dat schaal van de ondernemingen
veranderd. Schaalvergroting: gelijke proportionele toename van alle productiefactoren.
Welk effect heeft dit op de productievolume?
1. de productie neemt minder dan evenredig toe = afnemende schaalopbrengsten
2. de productie neemt evenredig toe = constante schaalopbrengsten
3. de productie groeit meer dan evenredig = toenemende schaalopbrengsten

Waren niet altijd constante schaalopbrengsten?
Waarom toenemende schaalopbrengsten?
   Ondeelbaarheid van de productieprocessen. Grote machines zijn dikwijls efficiënter dan
     kleine machines maar grote machines moeten een grote minimumproductie hebben.
   Hoe meer je hetzelfde doet, hoe meer je specialisatievoordelen hebt
Afnemende schaalopbrengsten
   Technische begrenzingen (beperkt geheugen van de pc)
   Organisatorische beperkingen: wanneer de onderneming te groot is geworden, krijgen
     we problemen met de informatiedoorstroming. (GM-syndroom)

7. Kostenanalyse
1. Korte termijn: dit is geen zuivere tijdsdimensie: dit is de periode waarin meerdere
    productiefactoren van een onderneming een vast karakter hebben.
2. Lange termijn: dit is de periode waarin alle productiefactoren veranderd kunnen worden.
Dus verschillen deze termijnen van sector tot sector en van verschillend productieproces.
1. Kosten op Korte Termijn
Productiefactor kapitaal blijft Cte = QK
Productiefactor arbeid en land, en Energie zijn veranderlijk.
Kostenfunctie: TK(q) = PA . QA(q) + PK . QK
Totale kosten = prijs van eenheid arbeid . ingezette arbeid om q te kunnen produceren + …
PA . QA(q) = VARIABELE KOSTEN, = VK
PK . QK = VASTE KOSTEN, = FK
TK(q) = VK + FK
        Vaste kosten
           Geen functie van de geproduceerde hoeveelheid, m.a.w.als je niet produceert, moet
           je toch nog betalen. Bv. huur, intrestlasten, afschrijving van gebouwen, … .
           FK



           0                         Q
          Variabele kosten
           Hoe meer er geproduceerd wordt, hoe meer variabele kosten. Bv. electriciteit,
           grondstoffen, arbeid, … .
           Gerelateerd met het productieverloop:
               i. Hoeveel extra output wordt geproduceerd indien we additionele eenheden
                  arbeid toevoegen?
              ii. Hoeveel extra eenheden arbeid zijn er vereist per additionele eenheid
                  output?


                                                                                         30
                 GRAFIEK P.196 GRONDIG KENNEN
(1) q




o                              qA

(2) qA




o                              q

(3) VK




o                              q

(4) FK




o                              q

(5) TK




                               q

           Gemiddelde kosten
                                                GK = TK(q)
                                                         q
            Grafische is dit de helling van de voerstraal door een punt van de totale
            kostencurve.

           Marginale kosten
                                              MK(q) = K(q)
                                                 q
            We kijken aar de bijkomende totale kosten doe voortvloeien uit de productie van
            één bijkomende eenheid.
            Grafisch is dit de helling van de raaklijn aan de totale kostencurve.




                                                                                          31
       Conclusies:
        MK < GK -> GK daalt (O ->R)
        MK > GK -> GK stijgt (R ->)
        MK = GK -> GK bereikt een MINIMUM (punt R)

2. Kosten op Lange Termijn
Op lange termijn van alle productiefactoren worden aangepast.
Constante schaalopbrengsten: de totale productiekosten evolueren evenredig met het
productievolume.
Toenemende schaalopbrengsten: de totale productiekosten evolueren minder dan evenredig
met het productievolume.
Afnemers schaalopbrengsten: de totale productiekosten evolueren meer dan evenredig met het
productievolume.

8. Opbrengstanalyse
Tot nu toe spraken we over de kosten maar niet over de afzet van de producten.(productie
moet ook verkocht kunnen worden). Als het goed verkoopt, krijgt u ontvangten.
 Totale ontvangsten = waarde van de geproduceerde hoeveelheid geëvalueerd tegen de
   marktprijs waartegen de productie verkocht kan worden.
                                      TO(q) = p(q) . q
 Gemiddelde ontvangsten = opbrengst per geproduceerde eenheid.
                               GO'q) = TO(q) = p(q).q = p(q)
                                       q           q
 Marginale ontvangsten = additionele ontvangsten die voortvloeien uit de verkoop van één
   bijkomende eenheid.
                                     MO(q) = TO(q)
                                            q

BESLUIT: het kan gebeuren dat de verliezen zijn bij de afweging TK en TO. Als er verlies is
op de lange termijn kan je beter de zaak sluiten omdat het verlies is van het schaarse
middelen. Op korte termijn willen we geconfronteerd met FK en VK. Eerste optie: niet meer
produceren. => men moet de FK blijven betalen. Dus het verlies is FK. Tweede optie:
blijven produceren op voorwaarde dat TO > VK.




                                                                                         32
DEEL II: MACRO-ECONOMIE
Hoofdstuk 1: Inleiding
In de micro-economie maakten we een analyse van de beslissingen van individuele
ondernemingen en gezinnen en een analyse van het prijsmechanisme (de producenten en
consumenten).

§1 Wat is macro-economie?
Wij kijken naar de grote nationale of regionale prijzen, bv. Bruto nationaal product, algemeen
prijspeil, lonenniveau, werkloosheid, investeringen van iedereen, overheidsfinanciën, … . We
handelen ook, nl. het economisch beleid sturen, wat moet de overheid doen, wanneer en
effecten inschatten, vooral bij grote gebeurtenissen zoals de aanslagen van 11 september,
Golfoorlog, … .
Sommigen denken dat je voor de macro-economie enkel de micro-economie moet optellen,
maar dit heeft niet noodzakelijk hetzelfde resultaat. Bv. de Spaarparadox. We kunnen rijker
worden door veel te sparen en goed te beleggen (micro). Maar als iedereen tegelijkertijd
begint te sparen, gaat de consumptie dalen en zal men minder produceren en heeft men
minder arbeiders nodig, waardoor je een verarming van de bevolking krijgt (macro).
We moeten de macro-agregaten gaan meten. Dit heeft weinig zin voor een land afzonderlijk.
We doen dit dus op internationaal vlak, we gaan internationale vergelijkingen maken. Dit
veronderstelt dat men dezelfde definities en dezelfde methodologie gebruikt, zodat men tot
internationale regels komt. Bv. Eurostad.

§2 Nationale boekhouding
 1. Centraal Concept
Doelstelling van de nationale boekhouding? We willen nagaan hoe snel de binnenlandse
economie groeit? Dit is het Bruto Binnenlands Product (BBP). Welke sectoren beïnvloeden
het?
Daarnaast is het BBP een maatstaf voor het macro-economisch beleid. Het BBP wordt
gebruikt als ijkpunt. Bv. bij het verdrag van Maastricht: de staatsschuld mag max. 60% van
het BBP bedragen om toe te treden. Een ander vb. is het Stabiliteits- en groeipact. Overheden
moeten het begrotingsevenwicht nastreven op lange termijn. Het overheidstekort mag max.
3% van het BBP bedragen. Ook de boetes die worden gegeven bij een overtreding zijn
uitgedrukt in % van het BBP.
Het BBP wordt berekend vanuit 3 verschillende invalshoeken:
    1. productiebenadering (punt 2)
    2. inkomensbenadering (punt 3)
    3. bestedingsbenadering (punt 4)
Het doel ervan is het BBP nauwkeurig te berekenen en de macro-economische samenhang
vast te leggen.
BBPm (tegen marktprijzen) is de som van de marktwaarde van alle finale goederen en
diensten die binnen een economie gedurende een bepaalde periode wordt voortgebracht.
 Altijd kijken naar de prijzen op de markt
 Finale goederen zijn alle goederen die bestemd zijn voor:
         1. consumptie (gezinnen/overheid)
         2. investeringen (gezinnen/overheid/bedrijven)
         3. uitvoer
     intermediaire goederen worden NIET meegerekend (output als input)



                                                                                            33
     Eén uitzondering: behalve bij uitvoer. Als een Belgische staalbedrijf stalen platen
       uitvoert naar het buitenland is dit een finaal goed. Als het binnen België gebruikt
       wordt, is dit een intermediair goed.
   Vroeger wordt het BBP berekend op jaarbasis, nu op kwartaal-basis.

2. Productiebenadering
de centrale vraag is: Hoe groot is de totale waarde die de bedrijven(, gezinnen) en overheid
door hun productie in de loop van een bepaalde periode hebben gerealiseerd.
Bruto Toegevoegde Waarde. We veronderstellen een economie met 3 ondernemingen.
    1. landbouwbedrijf
    2. molen
    3. bakkerij
En ook nog dat het zaaigoed wordt geïmporteerd uit het buitenland.
 De landbouwer koopt zaaigoed uit het buitenland voor 200 Euro, verkoopt tarwe aan de
    molenaar tegen 1000 Euro.
             Toegevoegde Waarde (TW) = 1000 – 200 = 800 Euro
 De molenaar koopt de tarwe van de boer tegen 1000 Euro, verkoopt de meel aan de
    bakker tegen 1600 Euro.
             TW = 1600 – 1000 = 600 Euro
 De bakker koopt het meel van de molenaar tegen 1600 Euro, verkoopt het brood aan ons
    tegen 2000 Euro.
             TW = 2000 – 1600 = 400 Euro

Wat is het BBP van deze economie?
                                         BBP = TW
BBP = 800 + 600 + 400 = 1800 Euro // 2000 – 200 = 1800 Euro
FOUT =
Omzet = 1000 + 1600 + 2000 = 4600 Euro, bevat dubbeltellingen doordat de verschillende
sectoren aan elkaar leveren (graan wordt 3x geteld; meel 2x).
“Bruto” : er wordt rekening mee gehouden met de afschrijvingen. De afschrijvingen (voorzien
bedrag voor technische slijtage en economische veroudering van bv. de oven van de bakker)
zijn opgenomen in het BBP.

Toepassing: aandeel van de verschillende sectoren in BBP in %
                        1966                   1999                      Economische
                                                                         structuurveranderingen
Landbouw                  7,4                    1,7
Be- en verwerkende        36,5                   22,5                    Desindustrialisering
nijverheid
Bouw                       7,0                     4,5
Diensten                   49,1                    71,3                   Tertialisering
                           100 %                   100 %
Men moet voorzichtig zijn met aandelen, het is gebaseerd op een waardecijfer, wat gelijk is
aan het product van prijzen en hoeveelheden (W= P x Q).
De prijzen stijgen veel trager in de industrie dan in de dienstensector, m.a.w. de prijzen van de
dienstensector stijgt sneller dan die van de industrie. Redenen?
    1. Industrie is veel meer blootgesteld aan de internationale concurrentie. De prijsstijging
        in de industrie is moeilijker door te drukken, anders wordt men weggeconcurreerd.




                                                                                                34
    2. Industrie kent meer productiviteitswinsten, bv. arbeidsproductiviteit. Bv. een hotel
       kent nog geen machine om bedden op te maken. Link met internationale concurrentie
       dwingt de bedrijven tot productiviteitwinsten.
       Voorbeeld:
       Loonkosten in de industrie stijgen met 5%/jaar. De productiviteit in de industrie stijgt
       met 4%/jaar. => loonstijging wordt grotendeels gecompenseerd door de
       productiviteit. +/- = 1%
       Loonkosten in de dienstensector stijgt met 5%/jaar. De productiewinst met 1%.
       +/- = 4%
       Een zelfde initieel kostenstijging dienst > industrie.
    3. Verschil in de inkomenselasticiteit van de vraag. De inkomenselasticiteit van de vraag
       naar diensten > dan de inkomenselasticiteit van de vraag naar industrie. Zo krijgt men
       een sterk expanderende markt, zodat een prijsstijging gemakkelijker door te drukken
       is.
    4. Bedrijfsorganisatie is veranderd. Vroeger had men in de industrie eigen ‘suborganen’:
       boekhouding, catering, poetsploeg, bewaking, … De activiteiten zijn uitbesteed:
       outsourcing. Dit is de dienstensector. Waarom besteed men die uit? De wedden zijn
       veel lager in gespecialiseerde ondernemingen, is goedkoper, kostenbesparend. Men
       hoopt ook op specifieke voordelen, men moet professioneel zijn, men is normaal
       gezien beter dan een ander bedrijfsploeg.
            Q blijft stijgen.
            We maken ons druk om een non-event, stuk schijn.

3. Inkomensbenadering
verband met productiebenadering: wie produceert, moet ook verloond worden.
Bv. de bakker zal loon moeten betalen -> productiefactor arbeid wordt beloond.
         “     “ huur moeten betalen -> “                   kapitaal wordt vergoed.
        “      “ rentebetaling betalen -> “                   “    “       “.
Wat overblijft is de Bruto Winst (afschrijving zit daarin)
 BBPf (tegen factorenkosten) hierin zitten alle factorvergoedingen in. Hoe komt men aan
    BBPm?
    Men moet de overheid erbij betrekken: Tind (indirecte belastingen) moet men optellen bij
    BBPf zodat de marktprijs verhoogd werd voor de consument. Die verhoging wordt niet
    uitbetaald aan de productiefactoren, maar een vadertje staat. Men moet wel de subsidies
    aftrekken. Ze verlagen de marktprijs, niet ten koste van de vergoeding van de
    productiefactoren.
                                    BBPm = BBPf + Tind - Sub

   Beschikbaar inkomen van de gezinnen: = bedrag dat der gezinnen vrij kunne besteden
    voor de aankoop van goederen en diensten. Om er toe te komen:
    Men moet het inkomen uit arbeid (wedden) optellen bij het inkomen uit vermogen (huur,
    rentebetalingen, dividenden = winst dier door de bedrijven worden uitgekeerd aan de
    particuliere aandeelhouders) en bij het ondernemersinkomen (= inkomen van de
    zelfstandigen). Dit vormt het Primair Inkomen van de gezinnen, het inkomen voordat de
    staat tussenkomt. Na de tussenkomst van de staat, moet men de direct belastingen, sociale
    werknemersbijdrage aftrekken en de overdrachten (kinderbijslag, werkloosheids-
    uitkeringen, pensioenen) bijtellen. Dit is het beschikbaar inkomen van de gezinnen.




                                                                                             35
Toepassing: Primair inkomen verdeling in %:
                         1973                   1980                     1990
Lonen en wedden          67,5                   72,5                     64,8
Zelfstandigen            18,8                   13,9                     13,8
Tot. inkomen arbeid 86,3                        86,6                     78,5
Intresten                6,2                    8,0                      9,8
Huren                    3,3                    2,9                      4,2
Dividenden               4,1                    2,3                      7,6
Conclusie:
1980:
De stijging van lonen en wedden is te verklaren door de 2 grote olieschokken. De olieprijs
gaat de prijzen van alle goederen beïnvloeden, door o.a. het transport e.d.. In België treedt dan
het automatisch loonindexeringsmechanisme in werking. Als de consumptieprijs stijgt,
worden de lonen aangepast. Het “slachtoffer” zijn de dividenden, die dalen; de bedrijven
maken minder winst. Dit is het begin van de “Belgische ziekte”. Ook de intresten stijgen door
de hoge rentevoeten door de hoge staatsschuld. De zelfstandigen dalen door de opkomst van
de supermarkten.

1990:
Loonmatiging in de jaren ’80. De lonen worden gematigd, waardoor de dividenden stijgen.
De intresten stijgen o.w.v. hogere rente door stijging van de staatsschuld. De huur stijgt door
de ineenstorting van de bouwactiviteiten in de vroege jaren ’80.

4. Bestedingsbenadering
Drie grote macro-economische sectoren geven geld uit: gezinnen, ondernemingen en
overheid. Deze vormen de binnenlandse vraag of bestedingen. Een andere grote sector is het
buitenland.
 Binnenlandse vraag:
    1. Particuliere consumptie = totaal bedrag dat de gezinnen in de loop van een bepaalde
        periode besteden aan consumptiegoederen en diensten.
    2. Bruto Binnenlandse kapitaalvorming = alle investeringsuitgaven voor
        bedrijfsuitrusting, infrastructuur en gebouwen met inbegrip van voorraadwijzigingen.
            a. Bedrijfsinvesteringen: machines en bedrijfsgebouwen
            b. Overheidsinvesteringen: openbare werken
            c. Gezinsinvesteringen: woningbouw
            “Bruto” : afschrijvingen zitten erin !!
            “Voorraadverandering”is een goede indicator van omslagen in de economische
            activiteit. Als de voorraden stijgen, vertraagt de economische activiteit.
            Ondernemingen gaan eerst hun voorraad verkopen, productie daalt, er volgen
            ontslagen. Voorraadwijziging = inkrimping/uitbreiding van voorraden afgewerkte
            en niet-afgewerkte goederen.
    3. Overheidsconsumptie = alle lopende aankopen van goederen en diensten door
        overheid, met inbegrip van de bezoldiging van de ambtenaren.
        Opgelet: overdrachten zitten NIET in de overheidsconsumptie.
        Overdrachten = betalingen van de overheid aan de gezinnen zonder tegenprestatie.
 Buitenland: België is geen gesloten economie, d.i. wanneer de handelsstromen = 0 of
    onbeduidend. België is een open economie. Invoer = goederen en diensten gekocht van
    buitenlandse producenten. Uitvoer = goederen en diensten geleverd aan het buitenland.
    Netto-uitvoer = X – M (export – import).
BBPm= C + I+ G + (X–M)(= partic.consumptie+invest.+overheidsconsumptie+netto-uitvoer)


                                                                                              36
Toepassing:            Bestedingsstructuur van de Belgische economie (in %)
                                                1980       1990
Particuliere consumptie                         63,4       63,7
Overheidsconsumptie (loon, gerecht, e.d.) 17,9             14,0
Bruto Binnenlands Kapitaal Vorming              22,0       20,3
- ondernemingen                                 11,0       13,6
- overheid                                      3,7        1,7
- gezinnen                                      6,6        5,4
- voorraden                                  + 0,9         0,0
Binnenlandse vraag                              103,3      98,0
eXport                                          67,7       94,3
IMport                                       - 73,0        92,3
Netto-uitgave                                + - 3,3       + 2,0
BBPm                                            100        100
1980
De stijging van de voorraden is de voorbode van de crisis geweest. De binnenlandse vraag is
groter dan het BBPm, waardoor import groter is dan de export. D.w.z. dat België een
buitenlandse schuld opbouwde. Het gevolg is dat men rente moet betalen en de schuld moet
afbetalen, maar België krijgt er niets in ruil voor terug.
1990
De daling van de overheidsconsumptie zorgt voor een slechte motivatie en een slechte
dienstverlening, wat leidde tot de Belgische ziekte.
De bezuiniging in investeringen, omdat die pas na een tijd merkbaar zijn, bv. wegen en
overheidsgebouwen.
De voorraad is nu in evenwicht.
De binnenlandse vraag is kleiner dan het BBPm, met als gevold dat de export groter is dan de
import. België kan nu zijn buitenlandse leningen afbetalen (niet de overheidsschulden) en zelf
leningen geven.
Zowel de export als de import is gestegen. De economie is opener geworden. België is ook
kwetsbaarder geworden in de conjunctuurschommelingen.


§3 BBP en Algemeen prijspeil
Tot nu toe heeft men enkel naar aandelen gekeken. Nu gaan we kijken naar absolute getallen.
BBPm 1980: 3.400 mld BEF
       1990: 6.700 mld BEF
De prijs is verdubbeld. Dit is een probleem want er zit een prijs- en volumecomponent in.
W=PxQ
         algemene prijsstijging
         meer goederen en diensten verkregen
1. BBP in lopende prijzen / nominale prijzen: uitgedrukt in prijzen van dat jaar
2. BBP in vast prijzen / constante prijzen: uitgedrukt in prijzen van een basisjaar


1. BBP in lopende prijzen in 1990:
     P191 x Q191 + P291 x Q291 + P391 x Q391 + … + Pn91 x Qn91 = Pi91 x Qi91
                            1980:
     P1 x Q1 + P2 x Q280 + P380 x Q380 + … + Pn80 x Qn80 = Pi80 x Qi80
        80    80     80




                                                                                           37
2. BBP in 1991 in prijzen van 1980:
     P180 x Q191 + … + Pn80 x Qn91 = Pi80 x Qi91

1. Groeivoet in nominale prijzen: (( Pi91 x Qi91) –1) x 100 = ((6700)-1) x 100= 97%
                                    Pi80 x Qi80                3400
       (= waardestijging)
2. Groeivoet in prijzen van 1980: (( Pi80 x Qi91) –1) x 100 = ((4200)-1) x 100= 23,5%
                                    Pi80 x Qi80                3400
       ( = volumestijging)


Volumecijfer is niet gelijk aan waardecijfer

Defileren = corrigeren van prijsstijgingen
Impliciete deflator =
((nominale BBP) –1) x 100 = (( Pi91 x Qi91) –1) x 100 = ((6700)-1) x 100= 59,5%
   reële BBP                     Pi80 x Qi91              4200
        (= prijsstijging)


§4 Kritische randbemerkingen
BBP dient om internationale vergelijkingen te maken. Niet zo maar naast elkaar, rekening
houden met:
   1. bevolkingsomvang. Voor de economische groei moet men kijken naar de reële BBP
      per capita.
   2. alles uitdrukken in gemeenschappelijke munt. (Dollar of Euro)
   3. BBP is maar een indicator van welvaart, andere zijn scholingsgraad,
      levensverwachting, …
   4. BBP per capita is slechts een gemiddelde, het zegt niets over de verschillende regio’s,
      groepen, … ook niets over de zekerheid van het inkomen.
   5. BBP bevat in principe enkel goederen en diensten waarvoor een marktprijs bestaat,
      aangeboden op de markt. Het BBP gaat stijgen als iedereen in een restaurant gaat eten.
   6. BBP houdt geen rekening met niet-economische kosten (bv. vervuiling, stress,
      lawaaihinder, …). Als bedrijven maatregelen nemen om dit tegen te gaan is een
      investering, waardoor het BBP gaat stijgen.
   7. BBP zegt niets over vrije tijd (aantal werkuren).

Hoofdstuk 2: De macro-economische kringloop
Er zijn 4 grote macro-economische sectoren:
    1. gezinnen
    2. ondernemingen
    3. overheid
    4. buitenland
De 2 laatsten bespreken we niet.




                                                                                           38
§1 Inleiding
1. Zonder Sparen
= Alles wordt uitgegeven
Gezinnen staan centraal omdat ze productiefactoren ter beschikking stellen aan de
ondernemingen. Hierdoor kunnen deze goederen en diensten produceren die ze verkopen aan
de gezinnen, dus betalend.

                                                               inkomens
                      productiefactoren
Gezinnen                                             Onderneming

                      Goederen en diensten                     betalen

Er zijn geen coördinatieproblemen in deze kringloop. Het gehele inkomen van de gezinnen
wordt uitgegeven voor de kringloop = gesloten kringloop. Typisch hiervoor is dat het macro-
economisch evenwicht altijd gegarandeerd is, = de toestand waarin de vraag naar finale
goederen en diensten gelijk is aan aanbod van finale goederen en diensten.
Franse econoom SAY: ‘Elk aanbod creëert zijn eigen vraag.’ = Wet van SAY.
Is dat wel zo? Stel dat de productie stijgt, dan moeten de ondernemingen meer
productiefactoren inzetten (arbeid), dan stijgt het inkomen van de gezinnen, door gestegen
inkomen hun gestegen productie volledig absorberen (want ze sparen niet)

2. Met Sparen
een gesloten kringloop is niet realistisch. In realiteit gaan gezinnen ook sparen. Probleem:
extra dimensie nodig in kringloop.

                                                               inkomens
                   productiefactoren
Gezinnen                                             Onderneming
      Consumptie en Sparen                                          Consumptie en Investeren
                   Goederen en diensten
                   betalen
         Bank

= een spaarlek: vloeit weg uit kringloop, zal de kringloop stilvallen na verloop van tijd?
Moeilijkheid voor ondernemingen: maar een stuk inkomen van onderneming vloeit terug
Inkomen > productie van finale goederen en diensten
Ondernemingen produceren niet enkel consumptiegoederen ook kapitaalgoederen
 oude uitrusting wordt vervangen (= vervangingsinvesteringen)
 productiecapaciteit wordt uitgebreid (= uitbreidingsinvesteringen)
Kapitaalgoederen worden gefinancierd door leningen, dat gefinancierd wordt door het
spaargeld van de gezinnen.


Het aanbod in onze kringloop = inkomen = output van ondernemingen = consumptie + sparen
                             =C+S
Vraag = C + I = consumptie + investeringen door ondernemingen
Vraag en Aanbod moeten gelijk zijn. C + S = C + I
=> S = I om macro-economisch evenwicht te bekomen



                                                                                               39
De beslissing tot sparen (gezinnen) en tot investeren (ondernemingen) worden door 2
verschillende economische agenten ondernomen.

Hier kunnen coördinatieproblemen ontstaan!!
Toepassing:
1. Stel gezinnen gaan sparen, en ondernemingen veranderen NIET van investeringsgedrag.
            Productie > vraag (gezinnen beslissen om niet te consumeren)
            Onderneming schroeft productie terug totdat de productie gelijk is aan de vraag
            Gezin moet minder productiefactoren geven
            Gezin heeft minder inkomen
            Gezin vermindert sparen en consumptie, sparen vermindert totdat sparen gelijk
              is aan investeren
Ondertussen gaat het BBP dalen.
2. Stel gezinnen gaan sparen bij de banken, en de ondernemingen gaan lenen bij de banken.
   Gezinnen verhogen hun sparen, ondernemingen veranderen NIET van investeringsgedrag
            Gezinnen sparen; vraag naar leningen blijven constant want ondernemingen
              veranderen niet
            Overaanbod van spaargelden
            Rentevoet gaat dalen (prijs van geld gaat dalen), lenen wordt goedkoper
            Ondernemer gaat meer lenen
            Meer investeringen
            S=I
Dankzij de bank krimpt het BBP niet.

Hoofdstuk 3: Aggregatieve vraag en aggregatief aanbod
Waty is het effect van bepaalde gebeurtenissen en beleidsmaatregels op de macro-economie

§1 Aggregatieve vraag
= verband tussen niveau van de totale reële bestedingen en het algemene prijspeil

Totale reële bestedingen= totale vraag naar finale goederen en diensten door de 4 grote
sectoren in volumetermen.


   P

   P2 - - - - -

   P1 - - - - - - - - - -

       O       Q2       Q1                    Q

Waarom is de functie dalend?
1. nationaal : als het algemeen prijspeil stijgt, daalt de koopkracht van het geld dat de
   gezinnen en bedrijven aanhouden. We houden geld aan door cash en zichtrekening. Het
   geld wordt minder waard, en kunne zo minder producten kopen.
2. internationaal: als het algemeen prijspeil in België stijgt, en bij de buurlanden blijft het
   hetzelfde, dan :




                                                                                                  40
       a. worden de binnenlandse producten duurder (dan buitenlandse). De binnenlandse
          kopers gaan meer buitenlandse producten kopen, waardoor de vraag naar
          Belgische producten daalt.
       b. Zullen de buitenlandse afnemers meer buitenlandse producten opnemen, waardoor
          de vraag naar Belgische producten daalt.

§2 Aggregatieve aanbod
= geheel van finale goederen en diensten door in België gevestigde ondernemingen en de
overheid worden aangeboden.
We bepreken hier enkel de ondernemingen en niet de overheid.
Als het algemene prijspeil stijgt, terwijl de prijzen van inputs onveranderd blijven, gaan de
ondernemingen meer produceren, m.a.w. het aggregatieve aanbod stijgt.

   P                              AA
                              2


          1

        O                                   Q
1: ondernemingen kunnen ongebruikte productiecapaciteit inschakelen
         Marginale kosten zijn constant
2: steedse meer productiefactoren in gebruikt genomen, reserve is uitgeput
         Marginale kosten beginnen te stijgen

=> ondernemingen willen alleen nog meer produceren als algemeen prijspeil stijgt
Ze moeten hun kosten recupereren.

§3 Het evenwicht op de outputsmarkt

   P           AV                 AA



   P0 - - - - - - - - - - E

        O            Q0                   Q
Marktruiming in het evenwichtspunt E, niemand blijft met ongewenste voorraden zitten.
In E is AA = AV

§4 Toepassingen
1. Olieschokken van 1973-74 en 1979-80
Er is een toename van de petroleumprijzen. De ondernemingen willen hun gestegen kosten
doorrekenen.




                                                                                                41
   P           AV          AA’ AA



   P1             E’
   P0 - - - - - - - - - - E

        O      Q1      Q0                   Q

STAGFLATIE = stagnatie + inflatie

2. Huidige recessie (= forse vertraging van de economische activiteit) in de VS
   P AV’ AV                    AA



   P0 - - - - - - - - - - E
   P1         E’

        O      Q1      Q0                   Q

De effecten zijn dat het algemeen prijspeil daalt en dat er een daling van de totale reële
bestedingen is. Zodat de stijging van de algemene prijzen gaat afzwakken en wij worden
geïnfecteerd door de VS-recessie.

3. Devaluatie (= officiële waardevermindering van de eigen munt t.o.v. andere munten) van
   de Belgische frank in 1982.
Belgische producten worden goedkoper in het buitenland.
Bv. pralines 500 Bef/kg
Vóór de devaluatie: 15 Bef/DM -> pralines in DM: 500/15= 33,3 DM
Na devaluatie: 20 Bef/DM -> pralines in DM: 500/20= 25 DM
!!Devaluatie: men moet meer Bef neertellen voor 1 DM te krijgen.!!
Opm.: het is een korte termijnfunctie, in België blijft het geen 500 Bef kosten.
            Duitsers gaan meer consumeren.
   P           AV     AV’      AA’ AA




   P1                  E

   P0 - - - - - - - - - - E


      O             Q0                  Q
   1. Verschuiving naar rechts van AV door het goedkoper worden voor de Duitsers.
   2. Importprijzen in Bef woerden duurder.



                                                                                             42
België is een grote importeur van Duitse machines (100.000 DM).
Vóór de devaluatie : 100.000 DM x 15 = 1,5 milj. Bef.
Na de devaluatie: 100.000 DM x 20 = 2 milj Bef.

De ingevoerde producten worden duurder, uitgedrukt in Bef.
Ondernemingen gaan gestegen kosten doorrekenen, waardoor het algemeen prijspeil stijgt.
De AA-curve schuift naar links.

            P: de 2 curven impliceren een stijging van het algemeen prijspeil, ze versterken
             elkaar.
            Hoe dan ook inflatie
            Q:      AA schuift naar links: daling Q
                     AV schuift naar rechts: stijging Q
            onzekere uitkomst van de reële bestedingen

Kan de overheid iets doen? Ja. De overheid moet proberen om de AA-curve zo weinig
mogelijk naar links te laten evolueren.
Hoe?
De stijging van de lonen, die door de indexering gebonden zijn aan de prijsstijging, zo klein
mogelijk te houden door desindexering: wel prijsstijging maar geen loonsstijging.

Hoofdstuk 4: Economische bewegingen
§1 Conjunctuurbewegingen
1. Algemeen
Er zijn periodes van versnelling en vertraging van de economie (analyse van de AA en AV
curve), gezien de AA en AV curve voortdurend verschuiven.
Maar er zit een systeem in: CONJUNCTUURBEWEGINGEN = opeenvolgende fasen van
versnellingen en vertragingen van de economische bedrijvigheid. Het reële BBP per capita
groeit niet van jaar tot jaar met eenzelfde percentage.

reële BBP per         Hoogconjunctuur
capita in %
                expansiefaze contractiefaze
2%

       Laagconjunctuur               Laagconjunctuur

                                     Tijd
2 soorten van contractiefazes:
    1. kortstondige groeivertragingen = RECESSIE
    2. langdurige periode van negatieve econ. groei = DEPRESSIE
wil niet zeggen dat een recessie negatieve groei moet hebben, gewoon dat we beneden de
lange termijngroei zitten van 2%
In de golden 60 was het 4%/j, in laagconjunctuur was er nog een positieve groei =
GROEIRECESSIE
De effecten van recessie zijn de massale ontslagen door de faillissementen, stijgen van
werkloosheid.




                                                                                                43
2. Remedies
KEYNES (Britse econoom): “General Theory” (1936): vraagmanagement
Hoe moeten we uit die depressie geraken?
De basisoorzaak is het tekort aan aggregatieve vraag. De overheid moet tussenkomen. Die
moet de aggregatieve vraag steunen door:
    1. Begrotingsbeleid
            a. Meer overheidsuitgaven: BBP = C + I + G (overheidsuitgaven) + (X-M)
                Als de overheidsuitgaven stijgen, stijgt ook het BBP
                Bv. openbare werken
            b. Belastingverlaging
                Het beschikbare inkomen stijgt, meer geld om uit te geven.
                Als de consumptie toeneemt, stijgt het BBP, maar hier is het probleem dat het
                geen direct verband is. Men kan ook gaan sparen. In eerste instantie gaat de
                economie niet aangezwendeld worden.
In de praktijk is het echter moeilijk..
     Probleem van de timing: in WKH gaat de grafiek nog met tussenconjuncturen. Op
        welke plaats zitten we zijn op de conjunctuur? Men weet ook niet hoelang ze duurt.
     De tijdsperiode tussen het opzetten van het idee en het uitvoeren, realiseren, valt
        onverwacht lang uit. De kans is groot dat we reeds in een volgende faze zitten
        vooraleer het uitgevoerd kan worden.
     Het begrotingsbeleid is grotendeels asymmetrisch; men gaat stimuleren wanneer het
        economisch slecht gaat en weinig afremmen wanneer het goed gaat.
    België: pro-cyclisch begrotingsbeleid
        1988-89: belastingsverlaging maar midden in een hoogconjunctuur
        1993: recessiejaar: ze verhogen de belastingen

   2. Monetair beleid
   = de korte termijn rente beïnvloeden
   In periodes van recessie laten we de rentevoet dalen
        Het wordt minder interessant om te gaan sparen => consumeren en investeren
   In periodes van hoogconjunctuur moeten we de rentevoet omhoog halen om de
   consumptie af te remmen.s
   Grenzen:
            a. Beneden de 0% niet mogelijk
            b. Té lage korte rente kan op termijn inflatie creëren. Als de rente te laag is, gaan
                de banken te veel krediet geven.
Algemene conclusie:
Beleid altijd voorzichtig, maximale effecten optimaal, …
Het zijn geen wondermiddelen. We kunnen geen recessie voorkomen enkel afremmen.

§2 Seizoenbewegingen
= voorspelbare periodieke afwijkingen van het jaargemiddelde o.i.v. klimatologische of
institutionele factoren.
Klimaat:                    winter: bouwsector draait minder goed
Institutionele factoren:    Juni: massale vakantie
                            December: eindejaarsfeesten

§3 Toevallige bewegingen
= onvoorspelbare, = gevolg van stakingen, schokken door de Golfoorlog



                                                                                               44
§4 Lange golf (Kondratieff)
De lange golf duurt 50 jaar.
                               Opgang                        Neergang
 ste
1 golf                         1780 – 1815                   1815 – 1850
2de golf                       1850 – 1875                   1875 – 1895
3de golf                       1895 – 1914                   1914 – 1945
4de golf                       1945 – 1973                   1973 – ?

Verklaringsfactoren:
Waarom kennen we zoiets als een lange golf?
De oorzaak ligt bij de vraag naar basiskapitaalgoederen (grootschalige infrastructuur- en
bouwwerken).
Waarom zijn ze cyclisch?
De basiskapitaalgoederen zijn geconcentreerd in een bepaalde periode.
            Vervangingsinvesteringen ook in een bepaalde periode
            Investeringshose
            Na verloop van tijd slorpt die alle geldmiddelen op
            De rente gaat stijgen
            Investeringen gaan terugvallen, onaantrekkelijk om te beleggen
            Neergaande faze
In de neergaande faze is de economische activiteit laag.
            1. Geleidelijke accumulatie van geldmiddelen
            vol geld om een nieuwe investeringsgolf te financieren
            2. De winstgevendheid van ondernemingen daalt
            investering in nieuwe arbeidsbespaarende maatregelen, met een aanzet tot
                vernieuwing van de technologie (= INVENTIES, technologisch mogelijk)
            inventaris (nieuwe zaken worden technologisch mogelijk.) maar door de kleine
                investeringen kunnen ze nog niet geïntroduceerd worden in het
                productieproces (pas in een volgende opgaande faze kunnen ze wel toegepast
                worden = INNOVATIES, technisch mogelijk en economisch rendabel).
In hoeverre is de theorie waar?
Economen geloven er niet in. Historici wel, omdat ze die linken met historische
gebeurtenissen.
Conclusie: Kondratieff is nog altijd het voorwerp van onderzoek.

Hoofdstuk 5: De arbeidsmarkt
§1 Vraag en aanbod op de arbeidsmarkt
1. Arbeidsaanbod
De gezinnen bieden arbeid aan om een inkomen te verwerven.
Het is afhankelijk van een demografische variabele: de omvang van de bevolking op
werkbekwame leeftijd: 16 – 65 jaar oud.
= ‘Potentieel arbeidsaanbod’
Geboorten in België:
        Babyboom: 1946 – 1965
        Daling:        1965 – 1975
        Babybust:      1975 – 2000 (constant)
            Gevolgen op de instroom: Vanaf 1962 (1945 + 16): massale instroom tot 1981;
                en vanaf 1991 een forse vertraging van de instroom.


                                                                                       45
             Gevolgen op de uitstroom: Vanaf 2011 (1946 + 65): massale uitstroom uit de
                arbeidsmarkt, pensionering, m.a.w. toename van de gezondheidskosten
             Binnen 10 j.: massale inkrimping van de arbeidsbekwame bevolking
            Officieel niet meegeteld zijn: renteniers, langere scholingsgraad, huisvrouwen,
            huismannen, bruggepensioneerden. Dit is een grote groep van niet-actieven.
Potentieel arbeidsaanbod – de niet-actieve = beroepsbevolking
De beroepsbevolking is het deel van het potentieel arbeidsaanbod dat zich effectief op de
arbeidsmarkt aanbied. Ze vertoont een eigen dynamiek, omdat de participatiegraad verandert.

De participatiegraad =      Beroepsbevolking x 100
                            Potentieel arbeidsaanbod
België            1970               1980               1990               2000
Mannen            84                 79                 73                 72
Vrouwen           40                 47                 52                 58
Totaal            62                 63                 63                 65

Deze participatiegraad is in België vrij stabiel gebleven maar toch veranderingen.
        1. Vanaf 1960: participatiegraad neemt toe op vlak van de vrouwen tot vandaag.
        2. Participatiegraad van de mannen daalt (scholing, vervroegde pensionering)
             feminisering van de beroepsbevolking
De Belgische participatiegraad is laag in verhouding tot het buitenland (64%). We tellen
nogal wat inactiva. In Europa is die 70%. In Amerika is die 80%.
Hoe komt dit?
In België zijn er nog weinig mensen werkzaam tussen de 50 en 65 jaar. De overheid probeert
door het onaantrekkelijk maken van het vervroegd pensioen de participatiegraad te laten
toenemen. (actieve welvaartstaat)
In het buitenland is de deeltijds arbeid meer aanwezig, waardoor meer vrouwen gaan werken
en de participatiegraad stijgt.
Voor België zijn er nog enkele jaren hoop. De stijgende participatiegraad compenseert de
vervroegde pensionering. Maar later steven we af op een kleine beroepsbevolking, die de vele
gepensioneerden moeten onderhouden.
Steven we af op naar een arbeidstekort?
Dit moeten we zien a.h.v. het arbeidsaanbod en arbeidsvraag

2. Arbeidsvraag
Deze gaat uit van de ondernemingen (en de overheid). Het is afhankelijk van de economische
groei (groei van reële BBP per capita). Als er groei is, dan vragen de ondernemingen meer
arbeidskrachten. Maar het heeft een negatief aspect op de vraag naar arbeid. Als de
voortdurende groei van de arbeidsproductiviteit stijgt, kan men dezelfde productiviteit met
minder krachten op peil houden.
Welk effect domineert?
De arbeidsproductiviteit groeit 1,5 à 2 % per jaar.
De werkgelegenheid gaat toenemen, als de economische groei groter is dan 1,5 à 2 % per jaar.
 “      “               “       dalen, “     “               “      kleiner “    “.
De afgelopen 6 jaar is het groter geweest. De creatie van arbeid: 250.000 nieuwe jobs (niet
altijd voltijds). Nu: recessie -> werkgelegenheid brokkelt af.




                                                                                          46
3. Werkloosheid
= beroepsbevolking – werkgelegenheid
Een werkloze is iemand die niet werkt, onmiddellijk beschikbaar is voor een job, en er actief
naar zoekt.

Werkloosheidsgraad = Aantal werklozen x 100
                            Beroepsbevolking
Soorten werkloosheid:
        Frictionele werkloosheid
          = kortstondige werkloosheid te wijten aan de onvolmaakte doorzichtigheid van de
          arbeidsmarkt, m.a.w. de info over een nieuwe job is niet perfect.
          Het komt altijd voor, zelfs in perioden van hoogconjunctuur. Internet kan dit doen
          dalen.

          Verdoken werkloosheid (<-> openwerkloosheid)
           = een gedeelte van de werkende bevolking wordt gekenmerkt door een
           onbeduidend marginaal product. Als je de persoon wegneemt, gaat de productie
           niet dalen. Het komt voor in het Oostblok en in de landbouw.

          Conjuncterele werkloosheid
           = werkloosheid die te wijten is aan een vertraging van de economische groei. Er
           gaan meer arbeidsplaatsen verloren dan er worden bijgecreëerd. (<-> tot
           frictiewerkloosheid: kan ook in economische groei).

          Structurele werkloosheid
           = langdurige werkloosheid die niet opgelost geraakt bij hoogconjunctuur. Het is te
           wijten aan structurele veranderingen:
                  Kwalificatie van arbeidsaanbod beantwoordt niet aan arbeidersvraag.
                    Bv. veel laaggeschoolden (veel aanbod), maar weinig vraag
                  Gebrekkige intersectoriale en geografische mobiliteit
                    Bv. arbeidafstoot in de industrie kan niet zomaar ingezet worden in de
                    dienstensector.

          Onevenwichtswerkloosheid
           = institutionele elementen maken dat het reële loon uitstijgt boven het
           evenwichtsloon. (= wettelijk minimumloon is te hoog voor productiviteit van die
           mensen).


§2 Loonvorming
1. Loonbegrippen
Voor de vragers naar arbeid zijn lonen productiekosten. Voor de arbeiders zijn lonen
inkomsten.
* Brutoloon: loon dat de werknemer in principe zou krijgen maar ze moeten een deel afstaan
aan de belastingen.
* Brutoloon: loon dat de onderneming betaalt maar hij moet daarop kosten betalen.
Het verschil tussen die 2 is het wigloon.
* Brutoloon = nettoloon + sociale werknemersbijdrage + personenbelasting
* Loonkost = brutoloon + werkgeversbijdrage
Het verschil tussen die 2 is het loonwig.


                                                                                             47
* Nominaal loon: loon in desbetreffend jaar = geldwaarde van het loon
* Reeël loon: via defleren = koopkracht van het loon

Stel dat de nominale lonen constant zijn en de consumptieprijzen stijgen, dan daalt het reële
loon.

* Loonkosten per productie-eenheid (Unit Labour Costs, ULC)
      = Loonkosten
        (Bruto)Toegevoegde Waarde

       = Nominale loonkosten per uur x aantal gewerkte uren
             (Bruto)TW

         Bruto TW            = arbeidsproductiviteit
         aantal gewerkte uren



                          ULC = nominale loonkosten per uur (x 1)
                                  arbeidsproductiviteit

Conlusie: als de nominale loonkosten sneller stijgt dan arbeidsproductiviteit, stijgt de ULC
(waardoor het een van de bronnen van inflatie)
Bv. Nominale loonkosten stijgen met 3%, de arbeidsproductiviteit stijgt met 1,5 à 2%,
waardoor het ULC stijgt met 1,5 à 1%.
Als nominale loonkosten per uur stijgt en gecompenseerd wordt door arbeidsproductiviteit die
ook stijgt, dan blijft het ULC constant en de inflatie verandert dan niet.

2. Loonvorming op de arbeidsmarkt met volledige mededinging

  W/P         V              A
Reële loon V’
              E”      E
               E’



o            D       B         Hoeveelheid arbeid

A: hoe hoger loon, hoe hoger arbeidsaanbod.
B: hoe hoger loonkost, hoe minder vraag naar arbeid vanwege de onderneming.
Assumptie: Nettoloon = Loonkost
Onderneming wordt geconfronteerd met een daling van verkoopprijs van de producten, door
bv. substituten. Dit leidt tot inkomensverlies.
De vraagcurve naar arbeid verschuift naar links: V’
Het reële loon daalt, maar geen werkloosheid in dit model.
In werkelijkheid gaan de mensen zich verzetten. De vakbonden gaan druk, zetten om dit uit te
schakelen. Dit leidt tot een breuk in de aanbodscurve.
E: evenwicht: in principe bijna geen werkloosheid
E”: evenwicht na breuk -> probleem van werkloosheid (afstand D-B)


                                                                                                48
De werklozen moeten een werkloosheidsuitkering krijgen, waardoor dat het aantal uitkeringen
stijgt. De overheid betaalt dit, hierdoor moeten ze de belasting verhogen en/of de sociale
bijdrage verhogen.
             indirect gaan de werknemers verliezen op de koopkracht, m.a.w. reële loon
                moet toch inleveren.

3. Loonvorming in België
        via CAO (collectieve ArbeidsOvereenkomst)
          2 soorten:
              1. interprofessionele akkoorden op nationaal vlak
              2. professionele akkoorden op sector niveau
           onderhandelingen op 2 trappen
           CAO’s zijn wettelijk bindend
        Paritaire comités: werknemers en -gevers worden gelijk vertegenwoordigd.
          Dit speelt een belangrijke rol voor professionele akkoorden ook
          ondernemingsakkoorden (binnen 1 onderneming)

Hoofdstuk 6: Inflatie
§1 Definitie en meting
Definitie: een aanhoudende stijging van het algemene prijspeil.
Meting:
   1. Impliciete BBP-deflator (nominale BBP/reële BBP x 100)
        - nationale boekhouding opgesteld per kwartaal (4x /jaar)
       - het duurt lang voor het cijfer bekend is
       + in principe alle mogelijke goederen en diensten berekend
   2. Index van de consumptieprijzen
       + maandelijks geobserveerd (12x /jaar)
       + sneller berekend
       - gaat alleen over (selectie van) consumptiegoederen (maar meet toch 2/3 van BBP)
Waarom behandeld?
         Inflatie is een potentieel gevaarlijk iets
            Inflatie gaat over prijzen. Prijzen hebben een signaalfunctie. Als er een stijging is
            van de prijzen, is een teken van een grotere vraag. Maar als alle prijzen gaan
            stijgen, is het veel moeilijker om te achterhalen waarom de prijs van een goed
            stijgt. De signaalfunctie wordt verstoord. Dit leidt tot verkeerde beslissingen en
            beleggingen en dus tot verspillingen.
            Vanaf een bepaald niveau blijft de inflatie stijgen. Zodat we kunnen belanden in
            een hyperinflatie (een inflatie van meer dan 100%), wat leidt tot en verdubbeling
            van de prijzen. Bv. Duitsland in 1923 en ontwikkelingslanden

§2 Oorzaken van inflatie
1. Geldhoeveelheid (M)
FISHER: als alle prijzen stijgen, krijgt men problemen met de geldhoeveelheid. De waarde
van het geld vermindert dan. Er is te veel geld in omloop (geld wordt minder schaars, daarom
daalt de waarde)
MxV=PxQ
(M: geldhoeveelheid; V: omloopssnelheid; P:algemeen prijspeil; Q: productie, reeël BBP)
De omloopsnelheid = hoeveelheid keren een bepaalde geldhoeveelheid uitgeven


                                                                                                49
MAAR het reële BBP verandert niet zo hard, = +/- constant en V wordt ook beschouwd als
constant.
              M ~ P : vaste relatie tussen geldhoeveelheid en prijzen
              Vandaar dat er hyperinflatie kan komen: overheid laat bankbiljetten
                bijdrukken, omdat er een groot begrotingstekorten zijn. De hyperinflatie is
                bijna altijd puur monetair probleem.
1. De simplificatie van Fisher gaat niet altijd op. V is niet altijd constant. Er zijn financiële
innovaties die de geldsnelheid doen oplopen. Bv. geldautomaten (uitgevonden in ’80)
2. Deflatiebeleid (omgekeerde van inflatie; daling van het algemeen prijspeil). De overheid
streeft er bewust naar om het algemeen prijspeil te laten zakken. Men gaat de
geldhoeveelheid (M) verminderen om P te laten stijgen. Bv. door begrotingsoverschotten te
realiseren. Men hoopt op daling, maar in werkelijkheid is er starheid van prijzen, door de
contracten die vertragend werken. Ze dalen een klein beetje, maar de economische productie
daalt ook. Je gaat de productie (reële BBP) afremmen.

2. Vraag- of bestedingsbeleid
Stel dat de aggregatieve vraag plots stijgt (door nieuwe exportmogelijkheden).
….
….

3. Kosteninflatie
Dit is te wijten aan de stijging van productiekosten, vnl. loonkosten.
1. Loonkosten
    Loonkosteninflatie: wanneer de nominale loonkosten stijgen en als die onvoldoende
    gecompenseerd worden door de arbeidsproductiviteit.
    Opm.: Phillipscurve

    
    = inflatie       Bij hoge inflatie is de werkloosheid laag en omgekeerd.
        -----
~ loonkostenstijging
         ----------

       O                                      werkloosheidsgraad

   Als de economische activiteit groeit, stijgt de vraag naar aanbod vanwege ondernemingen.
   Als de vraag naar arbeid stijgt, stijgt het loon en stijgen de loonkosten, wat de inflatie
   aanwakkert.
   Wordt het gesteund door de empirie?
       a. ’50-’60: Philipscurve blijkt te kloppen
       b. ’70: probleem: inflatie stijgt en werkloosheid stijgt. De Phillipscurve is naar rechts
           verschoven.
       Hoe komt dit? Door het maken van verwachtingen. Als er prijspeil stijgt, gaan de
       economische agenten verwachtingen maken voor een hogere prijs voor de toekomst.
       Dit heeft dan weerslag op de arbeidsmarkt: de vakbonden gaan de inflatie
       (loonstijgingen) incalculeren in hogere looneisen. Zo kan in ’70 een hoge inflatie
       samengaan met een hoge werkloosheid.
2. Het kan ook zijn dat de overheid inflatie aanwakkert: indirecte belastingen verhogen.
3. Rekening houden met het de inflaties van het buitenland. Als er veel inflatie is, gaan we
   die importeren => “geïmporteerde inflatie”.


                                                                                                50
§3 Gevolgen van de inflatie
1. verstoring van signaalfunctie
2. hyperinflatie
3. verdeling van de inkomens: relatie schuldeiser-schuldenaar
        a. Onverwachte inflatie
            Dit is doorgaans in het voordeel van de schuldenaar. Waarom? Stel dat men een
            bedrag leent voor 1 jaar en er 100% inflatie is, waardoor prijzen verdubbelen. In
            koopkrachttermen moet men maar ½ terugbetalen.
        b. Verwachte inflatie
            Schuldeiser (banken, …) gaat zich beschermen via een rentevoet.
             i = r + 
            (i: nominale rentevoet, vergoeding in geld die je moet betalen aan de geldschieter;
            r: reële rentevoet, vergoeding die je de geldschieter moet betalen in koopkracht,
            algemeen gezegd de vergoeding die de geldschieter krijgt omdat hij zijn
            consumptie wilt uitstellen; : verwachte inflatie)
Als  stijgt, stijgt i ook. Dit geldt enkel voor de lange termijn contracten (langer dan 1 jaar).
De korte termijnrente worden bepaald door de centrale banken, de lange door het
marktmechanisme.
In welke mate wijkt de inflatieverwachtingen af van de werkelijke inflatie? 2 mogelijken:
    1. werkelijke inflatie > verwachte inflatie (‘70): relatief lage r
       herverdeling van de koopkracht t.v.v. de schuldenaar en ten koste van de schuldeiser.
    2. werkelijke inflatie < verwachte inflatie (’80-90): relatief hoge r
        herverdeling van de koopkracht t.v.v. de schuldeiser en ten koste van de schuldenaar.

Hoofdstuk 7: Het geld
§1 Algemene definitie
Via 3 verschillende functies:
   1. Als algemeen aanvaard ruilmiddel door de arbeidsspecilisatie
       Stel een wereld voor zonder geld, een vertaler Chinees-Nederlands moet dan bij een
       Chinese bakkers zoeken of hij een vertaling wilt hebben in ruil voor een brood. Geld
       herleidt dus de zoek- en informatiekosten tot een minimum. Liquiditeit: geld is een
       liquid middel omdat het onmogelijk en kosteloos kan worde omgewisseld worden
       tegen andere goederen.
   2. Als waardemeter of rekeneenheid: geld drukt de waarde uit van de te verhandelen
       goederen. Positief is dat men dan de goederen onderling gemakkelijk kan vergelijken.
   3. Als beleggingsmiddel: geld dat vandaag verdient is, kan worden gespaard en later
       uitgegeven worden. Geld is een bewaarmiddel van koopkracht. Is dat een exclusiviteit
       van geld? Neen, ook kunst, onroerende goederen, …, maar hun liquiditeit is minder.
       Men moet tijd (door de weinige transparantie van de markten) en kosten maken om dit
       om te zetten in geld. Ook het oppotten van geld is negatief. De opportuniteitskosten
       zijn eraan verbonden. Waarom heeft men dan toch de liquiditeit aangehouden? Voor
       het transactiemotief: inkomsten en uitgaven verlopen niet synchroon. Men heeft een
       bepaalde kasvoorraad nodig. Die heb je ook nodig voor je geplande betalingen.




                                                                                               51
§2 Verschillende geldsoorten
1. Binnenland
    1. Chartaal geld
       = biljetten en munten uitgegeven door de Europese centrale bank.
       Een typisch kenmerk is dat het een wettelijk betaalmiddel is, dat je moet aanvaarden.

   2. Giraal geld
      = geheel van onmiddellijke opvraagbare tegoeden bij de banken, vnl. zichtrekeningen.
      Je kan er betalingen mee doen en op verschillende manieren (cheques,
      overschrijvingen, betaalkaarten, …)
           Chartaal en giraal geld zijn economisch gelijkgesteld. In principe is giraalgeld
              onmiddellijk en kosteloos omzetbaar in chartaalgeld.
           Chartaal geld + giraalgeld = M1

            M3 = M1 + quasi geld

   3. Quasi-geld
      = geheel aan financiële activa met maximale looptijd van 1 jaar.
      Bv. deposito’s (in eigen of buitenlandse munt) op spaarrekeningen of
      termijnrekeningen. De enige voorwaarde is dat het aangehouden wordt bij financiële
      instellingen.
      Waarom “quasi”? Omdat het niet onmiddellijk opvraagbaar is, men moet bepaalde
      termijnen respecteren en omdat er geen cheques of kaart ermee verbonden is.
      Positief is dat het toch kosteloos en snel omzetbaar is in chartaal geld.
      Ontwikkeling % M3 1985                        1990                   1995
      Chartaal geld           11                    8                      6
      Giraal geld             18                    16                     17
      Quasi geld              71                    76                     77
      Het aantal chartaal geld daalt en ook het aandeel. Giraal geld blijft stabiel.

2. Buitenland
Waarom hebben we internationaal geld nodig? Omdat de internationale handel is
toegenomen.
Wat is een internationaal aanvaarde rekeneenheid/munt?
         Dollar
         STR’s: uitvloeisel van het Internationaal Munt Fonds (IMF) (’70)
           Nu als een gewogen gemiddelde van de 4 belangrijkste wereldmunten (Euro (FFr,
           DM), Yen, £, $)
           - Nooit echt doorgebroken in het internationale handelsverkeer, maar gebuikt voor
           transacties tussen centrale banken.
           - is nog schatplichtig aan de $
         Introductie van de ECU (European Currency Unit 1979)
           = gewogen gemiddelde van de meeste EU munten. Het wegingscriterium was het
           BBP.
         Euro (1 jan 1999 als vervanging van de ECU)

§3 Van metaal geld naar chartaal geld




                                                                                           52
§4 Ontstaan van giraal geld


Hoofdstuk 8: Internationale handel
§1 Betalingsbalans


§2 Wisselkoersen


Hoofdstuk 15: Macro-economische problematiek
§1 Doelstellingen van het macro-economisch beleid


§2 België in 1999: groepsfoto met de buren


§3 België, de Europese Unie, de VS en Japan 1975-1999




                                                        53

								
To top