Werkblad Biologie 4H 04/05

Shared by: NuH5HDM
Categories
Tags
-
Stats
views:
116
posted:
6/21/2012
language:
Dutch
pages:
14
Document Sample
scope of work template
							     Biowijzer bij Nectar 4 havo hoofdstuk 2                                                              1

                                                                            Bewaar de biowijzers en de
                                 Biowijzer 4H 08/09                         antwoorden.
                                                                            Je hebt ze het hele jaar en
                    Hoofdstuk 2 Biologie bedrijven                          volgend (examen)jaar nodig.

§2.1 Kun jij er chocola van maken? (opdracht 1 en 2)

Opdracht 1
Lees blz. 36 en 37
Maak vraag 3 en 4

Opdracht 2
 Maak leertaak 2A (blz. 50) microscopie uicellen en wangslijmvliescellen

Gebruik als checklist microscopie en tekenen de biobladen bovenbouw, te vinden op de biologiewebsite:
http://biologie.wilhelminalaan.gsgschagen.nl/createsite/page/createpage.asp?b_id=12742&pg=6
NB. Wij gebruiken geen lugol maar water.
1. Leg het preparaat tussen de kruistafelklemmen, niet eronder. Draai aan de kruistafelknoppen om het
    voorwerp boven het lichtgat in de tafel te brengen.
2. Het oculair is vast 10x. Begin met een zwakke vergroting, objectief 4x.

 Maak ook een preparaat van waterpest
Zet de volgende namen bij de tekening (zie Binas 79B en C):
       kern, bladgroenkorrels, celmembraan, celwand, vacuole


§2.2 Experimenteren volgens de regels (opdracht 3, 4, 5, 6 en 7)

Opdracht 3
Wat versta je onder de volgende termen:
      onderzoek doen; beschrijvend onderzoek, experimenteel onderzoek; hypothese; controle proef;
      waarneming en conclusie.

Opdracht 4
Maak vraag 3, 4, 6, 7, 8, 9 en 10

Opdracht 5
Bekijk vervolgens de video “Spreeuwenwerk”

Planten en dieren ‘streven ernaar’ zoveel mogelijk nakomelingen per ouder-individu of per ouderpaar te
produceren en groot te brengen. Omdat dagdieren maar een beperkte tijd ter beschikking hebben voor de
verzorging van hun jongen, moeten ze efficiënt werken (kijk maar naar je ouders / verzorgers!)
In “Spreeuwenwerk” neemt de onderzoeker, Joost Tinbergen, het voedergedrag van een spreeuwenpaar
onder de loep.
Beantwoord de vragen van Bijlage I

Opdracht 6
Maak de opdrachten “natuurwetenschappelijke methode”. (bijlage II)

Opdracht 7
Voer leertaak 1B uit van hoofdstuk 1.(pag. 29)

§2.3 Weet wat je ziet (opdracht 8 en 9)

Opdracht 8
Lees het BioBlad “Resultaten bewerken en verwerken” en maak de oefenopgaven.
Zie Bijlage III
     Biowijzer bij Nectar 4 havo hoofdstuk 2                                                            2

Opdracht 9
Maak vraag 4, 6 en 8

§2.4 Cel in, cel uit (opdracht 10              t/m 15)

Opdracht 10
Wat versta je onder:
      diffusie, osmose, actief transport, semi-permeabel, selectief permeabel, osmose, osmotische
      waarde, concentratie hypotoon, hypertoon, turgor, plasmolyse en isotoon.

Opdracht 11
Maak vraag 3, 6, 10, 11 en 14

Opdracht 12
Maak leertaak 2D (pag. 52); gebruik waterpest i.p.v. rode ui.

Opdracht 13
Lees BioBlad ‘Concentratie en verdunningsreeks’ door en oefen hiermee.
Zie bijlage IV

Opdracht 14 “Osmose: Het aardappelstaafje als model voor een plantencel”
Lees de aanwijzingen op bijlage V door en maak een onderzoeksplan.
Volg hierbij de stappen zoals aangegeven in “Stappenplan Experimenteel Onderzoek doen” (behalve stap
7)
Dit krijg je eenmalig uitgereikt.
Dit stappenplan is ook apart te vinden op de biologiewebsite. Het wordt bij veel onderzoeken gevolgd.

Opdracht 15
Noteer in je schrift:         de vraag (probleemstelling)
                              hypothese
                              resultaten en
                              conclusie.

                              Maak de reflectie. (zie stap 6 van het stappenplan “Onderzoek doen”)

Afronding Hoofdstuk 2

Opdracht 16
Vul Inzicht en overzicht in (pag. 53)

Opdracht 17
Maak ‘Test jezelf’ (pag. 54 en 55)


Bijlagen:
I      Vragen bij de film “Spreeuwenwerk”
II     “Natuur wetenschappelijke methode”
III    BioBlad “Resultaten bewerken en verwerken”
IV     BioBlad “Concentratie en verdunningsreeks”
V      Practicum “Osmose: Het aardappelstaafje als model voor een plantencel”
     Biowijzer bij Nectar 4 havo hoofdstuk 2                                                             3

Bijlage I
(bij opdracht 5)

Vragen bij de film “Spreeuwenwerk”
Beantwoord de volgende vragen bij het eerste kwartier van de film:

   1. Wat is de probleemstelling, de centrale vraag, van zijn onderzoek?
   2. Welke methode kiest hij en welke hulpmiddelen (materiaal) gebruikt hij?
   3. Welke resultaten levert deze methode op m.b.t. de prooikeus van de spreeuw en de verzameltijd
      van een prooisoort?

Emelten zijn dichtbij het nest te vinden. Toch vliegen de ouders een heel eind naar de kwelder om daar
bruine rupsen te halen. Waarom stoppen ze zoveel tijd en energie in het zoeken en halen van de rupsen,
terwijl emelten dichtbij zijn?

Beantwoord de volgende vragen bij het tweede deel van de film:

   4. Wat is de hypothese van de onderzoekers en wat is de afleiding van de hypothese?
   5. Welk experiment doen ze dus?
   6. Welk resultaat?

Toch zoeken ze af en toe emelten. Waarom doen ze dat?

   7. Wat is hypothese en wat de afleiding?
   8. Welk experiment?
   9. Welk resultaat?

Het blijkt dat het belangrijk is dat de jonge spreeuwen afwisselend voedsel krijgen: bruine rupsen en
emelten, met de nadruk op bruine rupsen.

   10. Hoe kunnen de ouders, denken de onderzoekers, de emelt-zoektijd verkorten, zodat er meer tijd
       overblijft om op bruine-rupsen-jacht te gaan?
   11. Hoe onderzoeken ze dat?
   12. Welke conclusie trekken de onderzoekers tenslotte (zie vraag 1!)

Deze film laat je een mooi staaltje van modern gedragsonderzoek zien. Alle dieren en planten willen zoveel
mogelijk nakomelingen produceren en in leven houden. Maar ze ontmoeten daarbij allerlei problemen,
bijvoorbeeld een beperkte hoeveelheid tijd om voedsel te zoeken en naar de jongen te brengen. Ze moeten
dus een aantal keuzes maken. Dat levert een groep van gedragingen op (een strategie) om tot een doel –
veel jongen – te komen.

   13. Geef nu zelf kort weer welk doel het spreeuwenpaar nastreeft, welke problemen ze ontmoeten en
       welke strategie ze kiezen om toch hun doel te bereiken.
     Biowijzer bij Nectar 4 havo hoofdstuk 2                                                               4

Bijlage II
(bij opdracht 6)

Natuurwetenschappelijke methode
Dit lesmateriaal is bedoeld om je te laten oefenen met de verschillende onderdelen van de
natuurwetenschappelijke methode.

Onderzoek doen heeft in de biologie een vaste volgorde van denkstappen:
      1. Waarneming of verwondering
      2. Vraagstelling / probleemstelling formuleren
      3. Hypothese opstellen
      4. Voorspelling beschrijven
      5. Experiment beschrijven


Vraagstelling / probleemstelling
Deze moet aan de volgende eisen voldoen:
      - Moet een vraag zijn
      - Één vraag, niet meerdere vragen in een zin.
      - Moet duidelijk gesteld zijn.
      - Een vraag moet niet al een antwoord in zich hebben.

Hypothese
Dit is een mogelijk antwoord op de vraagstelling. Er kunnen op een vraag meerdere antwoorden zijn. Je
kiest dié hypothese om mee verder te werken, waarvan jij denkt dat die tot het juiste antwoord leidt. Het kan
dus zijn dat je een goede hypothese opstelt maar dat die aan het eind van het experiment verworpen moet
worden. Dan nog kan de hypothese juist zijn geformuleerd.

Eisen aan de hypothese zijn de volgende:
   - Een hypothese is stellig (zo is het en niet anders). Geen vage begrippen als: misschien, meer,
       minder, veel, zou kunnen, mooi enz.
   - Een hypothese is eenduidig. Je kunt hem op één manier uitleggen. Aan het eind van het experiment
       moet je alleen maar kunnen aangeven of de hypothese klopt of verworpen moet worden.
   - Een hypothese is nauwkeurig. Probeer het antwoord zo precies mogelijk te omschrijven.
   - Een hypothese moet toetsbaar zijn.
   - Een hypothese bevat geen verklaring.

Voorspelling
Deze wordt beschreven volgens de als – dan formule.
Als je hypothese waar is dan zul je als je iets doet die gevolgen kunnen waarnemen.

Experiment
Hierin beschrijf je hoe je de hypothese gaat toetsen.
In de voorspelling heb je al enigszins aangegeven hoe dat experiment gaat verlopen.

De beschrijving van een experiment moet altijd de volgende elementen bevatten:
      - Materiaal benoemen
      - Hoe je het experiment gaat uitvoeren
      - Afhankelijke variabele (wat je precies gaat meten)
      - Onafhankelijke variabel (die je van tevoren bepaalt)
      - Welke factoren constant blijven
      - Blanco

Conclusie
De conclusie is het antwoord dat de resultaten geven op je onderzoeksvraag
Waarna je de hypothese aanneemt of verwerpt.
     Biowijzer bij Nectar 4 havo hoofdstuk 2                                                               5


Vervolg bijlage II

Opgaven


A. Opdracht vragen stellen

Bedenk bij de volgende situaties een passende vraag.

1. Je komt thuis en je cd ligt niet meer op je bureau
2. Op straat staat een jongetje vreselijk te huilen, terwijl hij met zijn rechterhand de duim van zijn
   linkerhand vasthoudt.
3. Kokmeeuwen nestelen op de bodem in dichte kolonies. Hun eieren en kuikens zijn goed
   gecamoufleerd. Zodra er een ei uit is gekomen, pakt een ouder de schalen en vliegt ermee weg. De
   vogel laat een eind van het nest verwijderd de schalen weer uit zijn snavel vallen.
4. In het larvestadium van een koolwitje vinden een aantal vervellingen plaats.
5. Bij regen sluiten de bloemknoppen van verschillende planten.
6. Als ik pissebedden voor het biologiepracticum moet zoeken dan heb ik de grootste kans ze te vinden
   onder oude verrotte planken en in het compostvat.
7. Nelleke is met haar ouders een week op de camping van Petten. Het is die week mooi weer en ze gaat
   iedere dag naar het strand. Van de zeven stranddagen wordt er één verpest doordat er veel kwallen op
   het strand liggen en er ook een aantal nauwelijks zichtbaar in het water zijn. Nelleke is een keer in
   aanraking geweest met een kwal en die nare ervaring is voldoende om op die bewuste dag niet in zee
   te spelen. Gelukkig voor haar komen dat soort dagen niet al te vaak voor
8. In de dierentuin zie je, dat wolven alsmaar heen en weer lopen langs het hek.


B. Misleiding van bijen

In afbeelding 1 is de bestuiving weergegeven van een Vliegenorchis (Ophrys insectifera L.) door een bij.




Deze orchidee maakt geen grote hoeveelheden stuifmeel en ook geen nectar.
De aantrekkingskracht van de bloem is gelegen in de grote gelijkenis met een bepaalde bijensoort en met
een gepaalde graafwesp. Mannetjes van deze insecten worden door de vorm van de bloemen
aangetrokken: ze proberen met de bloemen te paren. Wanneer een mannetje dat doet, komen door de
bouw van de bloem stuifmeelklompjes op zijn kop terecht. Bij het bezoek aan een volgende bloem worden
deze stuifmeelklompjes overgebracht op de stempel van deze bloem.

In Nederland komt de Vliegenorchis tegenwoordig uitsluitend in Zuid Limburg voor. In Europa wordt de
Vliegeorchis verder onder meer aangetroffen in Ierland, Denemarken, Oostenrijk en Frankrijk, zowel in
bosjes als op stenige hellingen en tussen gras. Met betrekking tot de pH en het kalkgehalte van de bodem
is de Vliegenorchis niet kieskeurig. Op grond daarvan zou je kunnen verwachten dat de Vliegenorchis in de
genoemde landen algemeen voorkomt.
Toch is de Vliegenorchis een zeldzame plant.

Vraag: Formuleer op grond van de gegevens over de Vliegenorchis een hypothese waarmee deze
zeldzaamheid kan worden verklaard.
     Biowijzer bij Nectar 4 havo hoofdstuk 2                                                                 6

Vervolg bijlage II

C. De waterhuishouding van een plant

Het diagram in afbeelding 2 geeft de snelheid van de
wateropname en van de waterafgifte door verdamping
weer gedurende 24 uur bij een bepaalde plant

De waterafgifte door verdamping neemt toe in de
periode van 6.00- 14.00 uur.
Vraag: Geef twee (toetsbare) hypothesen voor de
oorzaak hiervan .-




D. Minnaar laat zich opeten in ruil voor
nageslacht

Mannetjes van de Australische roodrug-spin (Lactodectus hasselti) stellen tijdens de paring soms een
ultieme daad van zelfopoffering: ze laten zich opeten door het vrouwtje. Uit onderzoek bleek dat dit geen
stommiteit is, maar vaders beste manier om zoveel mogelijk nageslacht te krijgen.
Het mannetje van de roodrug-spin maakt tijdens de paring een soort salto zodat zijn lijf voor de kaken van
het vrouwtje komt te hangen. In tweederde van de gevallen wordt het mannetje tijdens de paring
opgegeten. De mannetjes die het er levend afbrengen, paren zelden voor een tweede keer.
De vrouwtjes paren meestal met twee of drie mannetjes. Laat het mannetje zich opeten, dan duurt de
paring 25 minuten tegen 11 minuten als het mannetje weet te ontsnappen.
bron: de Volkskrant, 6 januari 1996
vraag: Geef een hypothese die kan verklaren waardoor het mannetje, door zichzelf op te offeren,
kan zorgen voor meer nageslacht.


E. Voorbeeld van een onderzoek

Aspirine heeft een pijnstillende en koortswerende werking.
Bovendien blijkt het middel de bloedstolling door het
samenklonteren van bloedplaatjes tegen te gaan. Men heeft
in Amerika een onderzoek uitgevoerd naar deze bijwerking.
Van een groep van 33.000 artsen nam de ene helft vijf jaar
lang om de andere dag 325 mg aspirine, de andere helft
kreeg een nepmiddel. (De dosis was steeds 325 mg, terwijl
de dagelijkse dosis bij pijnstilling 4000 mg is.) Het onderzoek
werd zgn. dubbelblind uitgevoerd: artsen noch onderzoekers
wisten wie het nepmiddel kreeg en wie aspirine. Dat was
alleen achteraf op te zoeken. Het onderzoek zou acht jaar
duren, maar werd al na vijf jaar stopgezet, omdat het aantal
hartinfarcten in beide groepen sterk verschilde: 104 in de aspirinegroep, 189 in de nepgroep

Vragen
1. Wat was bij dit onderzoek
               a. de vraagstelling?
               b. de hypothese?
2. Wat was het resultaat? Bereken voor beide groepen het percentage artsen dat een hartinfarct kreeg en
   zet deze gegevens in een tabel. Zorg voor een goede omschrijving boven elke kolom en een duidelijke
   titel boven de tabel.
3. Wat is de conclusie?
4. Waarom voerde men het onderzoek dubbelblind uit?
     Biowijzer bij Nectar 4 havo hoofdstuk 2                                                                   7

Bijlage III
(bij opdracht 8)
                           BioBlad Resultaten     bewerken en verwerken
A. Significante cijfers
Bij iedere meting die je doet, geld dat het getal dat je opmeet maar een beperkte waarde heeft. Stel je voor
dat je 70 kg zwaar bent. Je drinkt een glas melk (100 g). je gaat op de weegschaal staan. Geeft deze dan
opeens meer aan?
We zeggen dat de 100 g (=0,1 kg) melk ten opzichte van de 70 kg geen betekenis heeft. Het is dan ook
onzinnig dat je 70,000 kg weegt, want als je het glas melk op hebt en je gaat daarna naar de wc dan weeg
je misschien wel 70,025 of 69,978 kg.
We zeggen dat bij deze meting alleen de cijfer 7 en 0 betekenis hebben. We noemen dat significante
cijfers. Zou je op een weegschaal gaan staan, die nauwkeuriger is, dan kun je misschien wel 70,3 kg
aflezen. Het aantal significante cijfers is dan groter.

 Significante cijfers zijn cijfers die wat betekenen voor de nauwkeurigheid van de meting.

Voorbeeld
Op je liniaal staan waarschijnlijk millimeterstreepjes. Hiermee kun je lengtes opmeten tot op 0,1 mm.
Weliswaar is het aantal tiende mm niet precies af te lezen, toch kun je deze schatten. Het is verantwoord
om bijvoorbeeld de lengte van een blaadje A4 te noteren als 29,65 cm. In die 5 zit een onnauwkeurigheid,
maar weglaten van de 5 is niet goed.
Als het uiteinde van een bladzijde uit dit boek precies samenvalt met een mm streepje op de liniaal dan
moet je een 0 schrijven voor het aantal tiende mm.
Het laatste (geschatte) cijfer geeft eigenlijk aan dat het voorlaatste cijfer wel nauwkeurig is.

In het voorbeeld van de lengte van blaadje A4 gaven we: 29,65 cm. We zeggen nu dat deze meetwaarde in
4 significante cijfers is geschreven . de plaats van de komma doet er niet toe. Je zou immers ook kunnen
schrijven: 0,2965 m of 0,0002965 km of 296,5 mm. Het aantal significante cijfers blijft vier. De nullen vóór
het eerste cijfer tellen voor de significantie niet mee.
Als je machten van 10 gebruikt dan moet je het getal ervóór in het juiste aantal significante cijfers schrijven.
Dus: 2,965 x 10–1 m of 2,965 x 10–4 km of 2,965 x 105 µm.

Het aantal significante cijfers is dus onafhankelijk van de gekozen eenheid!

Bij het rekenen met meetwaarden moet je je aan de volgende regels houden:

 Het antwoord van een vermenigvuldiging of deling mag in niet meer significante cijfers worden
  gegeven dan de meetwaarde met het kleinste aantal significante cijfers dat je bij de berekening
  hebt gebruikt.

Voorbeelden
2,58 : 0,67 = 3,9 (en niet 3,8507463)
359 x 21 = 7,5 x 103 (en niet 7539)

Bij het optellen en aftrekken wordt het antwoord in niet meer decimalen geschreven dan het bij de
berekening betrokken meetresultaat met het kleinste aantal decimalen.

Voorbeelden
25,8 + 0,37 = 26,2 (en niet 26,17)
310,579 – 309,2 = 1,4 (en niet 1,379)
       Biowijzer bij Nectar 4 havo hoofdstuk 2                                                                   8
(vervolg bijlage III)
B. Tabel en grafiek (=diagram)
I.          Het maken van een tabel
Men kan een verslag vaak veel beknopter en tegelijk duidelijker maken door de metingen niet te
beschrijven, maar in tabel of diagramvorm weer te geven. Vaak zult u in het boek tabellen en diagrammen
aantreffen die alleen nog maar ingevuld hoeven te worden. Soms is het nodig zelf zo’n tabel of diagram
samen te stellen.
De tabel wordt over het algemeen in een gesloten rechthoek getekend. De rechthoek wordt in een aantal
kolommen verdeeld waarboven telkens een opschrift komt te staan.
De eerste kolom wordt gebruikt om weer te geven wat er in iedere rij staat.
Voorbeeld:
     Tabel 1. Lengte, breedte en gewicht bruine bonen en erwten

                                                     lengte           Breedte           gewicht        inhoud
                        Omstandigheden bonen
                                                     in mm             in mm            in gram         in cm3
                        droge bonen
      Rij               Geweekte bonen
      →
                        droge erwten
                        Geweekte erwten
                                                       ↑
                                                     kolom
        N.B. Elke tabel heeft een titel.

II.         Leren grafieken maken
Hoe vaak heb je ze al gezien en bij wiskunde gemaakt zult hebben, toch roepen grafieken elke keer nieuwe
problemen op.
“Meneer/mevrouw, wat moet ik op de x-as uitzetten? Moet ik de punten met elkaar verbinden of moet ik een
vloeiende lijn tekenen? Moet het een lijn- of staafgrafiek zijn?”
Daarom hier een aantal vuistregels.
Gebruik ze als je een grafiek aan het tekenen bent.
1. x-as en y-as.
   De factor (grootheid) en eenheid, die jij oplegt aan het onderzoeksobject (= de onafhankelijke variabele)
   komt op de x-as! (bv. tijd in dagen, concentratie in %, temperatuur in ºC).
   Hoe het object reageert (wat jij meet aan het object) is de afhankelijke variabele en die komt op de y-as.
2. lijngrafiek/diagram of staafdiagram.
   In het voorbeeld van de tabel is de onafhankelijke variabele: droog en geweekt. Dat zijn geen getallen,
   dus kies je voor een staafgrafiek.
   Komen op de x-as getallen, dan kies je meestal een lijngrafiek.

N.B. Nu volgen een aantal voorbeelden en aanwijzingen.
     Vergeet niet boven je grafiek/diagram een titel te zetten.

                              de invloed van zaadsoort op de kieming van mosterdzaden

                        100
            kieming %




                         80
                                                                                kieming % na 2 dagen
                         60
                         40                                                     kieming % na 4 dagen
                         20
                          0
      Biowijzer bij Nectar 4 havo hoofdstuk 2           9
(vervolg bijlage III)

Als je de groei van een plant in de tijd onderzoekt,
dan staat de tijd bij de x-as.
De variable die daar vanaf hangt, hier de lengte,
staat bij de y-as.
Als de tijd zich wijzigt (en dat doet hij natuurlijk)
zal de lengte ook veranderen (onder de
omstandigheden van het experiment). De tijd
noemen we de onafhankelijke variabele, de
lengte de afhankelijke variabele.




Teken elk punt van de grafiek duidelijk en groot




Trek door de meetpunten een vloeiende lijn.
Daarbij is het goed mogelijk dat bepaalde
meetpunten buiten de lijn, de grafiek komen te
liggen (zie afbeelding).
De lijn moet de algemene trend van de
meetpunten weerspiegelen
Begin ter hoogte van het eerste meetpunt en ga
niet verder dan het laatste meetpunt.




Gebruik het assenstelsel waarin de grafiek
getekend wordt zo volledig mogelijk.




Zet bij de x- en y-as altijd de grootheden (lengte,
massa) en de eenheden (cm, gram)




Kies de schaalverdeling zo, dat de grafiek niet te
veel naar x- of y-as wordt getrokken
      Biowijzer bij Nectar 4 havo hoofdstuk 2                                                                              10
(vervolg bijlage III)

C. Oefenopgaven
Presenteren van gegevens

1. Een onderzoeker wil de vitaliteit (=gezondheid) van bomen in drie opeenvolgende jaren laten zien. Hij
   heeft de keus uit verschillende manieren van presenteren.
   Welke manier lijkt jou het duidelijkst, en waarom?

            De vitaliteit van het Nederlandse bos                             De vitaliteit van het Nederlandse bos


   %60                                                                  %60
    50                                                           1984    50                                      vitaal
    40                                                                   40                                      minder vitaal
    30                                                           1985
                                                                         30
    20                                                           1986                                            weinig vitaal
    10                                                                   20
                                                                         10                                      niet vitaal
     0
              vitaal    minder vitaalweinig vitaal niet vitaal            0
                                                                              1984       1985        1986




2. Gehoorschade door de walkman?
   In de volgende tekst staat een korte samenvatting van een onderzoek met als vraagstelling:
   Veroorzaakt het gebruik van hoofdtelefoons en walkmans gehoorschade?
   De waarnemingen zijn op verschillende manieren weer te gegeven. Bestudeer de weergave goed, voer
   de opdracht uit en beantwoord de vraag.

     Iemand die langdurig wordt blootgesteld aan lawaai kan een gehoorbeschadiging oplopen. Hij kan
     bijvoorbeeld hoge tonen niet meer horen. Deze lawaaidoofheid is onherstelbaar. Om te kijken of het
     gehoor achteruit gaat door het gebruik van walkmans of hoofdtelefoons en hoeveel jongeren in
     Nederland dit dan betreft, heeft men een aantal onderzoeken gedaan.
     Allereerst is steekproefsgewijs gekeken hoeveel mensen deze apparaten gebruiken. De gegeven zijn
     gecombineerd met gegevens over de samenstelling van de Nederlandse bevolking. De resultaten staan
     in tabel 1.1.

     Tabel 1.1

     Geschat percentage walkmangebruikers onder de Nederlandse bevolking, uitgespitst naar
     leeftijd.

 Leeftijd in               Percentage walkman-/
   jaren                  hoofdtelefoongebruikers
     < 13                             6
  13 – 17                            38
  18 – 24                            44
  25 – 29                            34
  30 – 34                            18
      >35                             2

     Opdracht: Zet de gegevens van tabel 1.1 in een staafdiagram.
               Voorzie het diagram van de juiste titel.
     Vraag:    Wat is het voordeel van een diagram boven een tabel?
       Biowijzer bij Nectar 4 havo hoofdstuk 2                                                                       11
(vervolg bijlage III)

3. De invloed van de temperatuur op de werking van enzymen
   Een leerling wil een onderzoek doen naar de invloed van de temperatuur op de werking van het enzym
   amylase. Dit enzym katalyseert bij vertering de omzetting van zetmeel tot maltose.
   De leerling vult 28 reageerbuisjes met gelijke hoeveelheden van een zetmeeloplossing. In elk buisje
   bevindt zich dan 1000 mg zetmeel.
   Tijdens het experiment worden de reageerbuisjes weggezet in zeven verschillende waterbaden, bij
   zeven verschillende temperaturen: 5 °C, 15 °C, 25 °C, 35 °C, 40 °C, 50 °C, 60 °C.

     Na toevoeging van het enzym aan de zetmeeloplossing bepaalt de leerling na verschillende
     incubatietijden de hoeveelheid resterend zetmeel in mg. De incubatietijd is de tijd die het enzym op het
     zetmeel kan inwerken.
     In tabel 2 staan zijn resultaten.


                                                 Temperatuur in °C en resterende hoeveelheid zetmeel in mg
         Incubatietijd
                                    5 °C           15 °C       25 °C       35 °C      40 °C      50 °C       60 °C
               3 uur                955             947          890        790        745        749         870
              10 uur                858             795          678        510        512        671         853
              26 uur                650             554          439        300        357        602         791
              50 uur                405             272          158        173        299        513         759

     - Teken m.b.v. de meetpunten een grafiek van zijn resultaten bij een incubatietijd van 3 uur.
     - Geef in deze grafiek op de X-as de optimumtemperatuur aan, m.b.v. een pijltje.
     - Benoem de assen.




einde BioBlad resultaten bewerken en verwerken
     Biowijzer bij Nectar 4 havo hoofdstuk 2                                                          12


Bijlage IV
(bij opdracht 13)
                            BioBlad         Concentratie en verdunningsreeks
A. Concentratie
Concentratie kan uitgedrukt worden in molair of in percentage
Molair:       aantal grammoleculen opgelost in 1 liter    = mol/l of M
Percentage: aantal grammen per 100 ml                     =%

B. Het verdunnen van oplossingen
Een oplossing bestaat uit:
a) de opgeloste stof
b) het oplosmiddel
Men spreekt van een 1% - oplossing als 1 gram vaste stof is opgelost in 100 ml oplossing.

Soms zal met bij een biologisch experiment een zwakke oplossing (met een laag percentage opgeloste
stof) nodig hebben. Deze kan verkregen worden uit een sterke oplossing (met een hoog percentage
opgeloste stof) door verdunning.

Bij b.v. 10x verdunnen moet je bedenken dat de hoeveelheid opgeloste stof, die zich in een bepaald volume
(stel b.v. A ml) uitgangsoplossing bevindt, zich in een 10x grotere oplossing (dus 10A ml) moet gaan
bevinden.
10x verdunnen kan men dus bereiken door 1A ml uitgangsoplossing aan te vullen met 9A ml oplosmiddel
tot 10A ml gewenste oplossing.
Door een verdunde oplossing opnieuw te verdunnen en zo door te gaan, verkrijgt men een zgn.
verdunningsreeks, waarmee men de uiterst lage concentraties bereikt welke voor biologische
experimenten noodzakelijk kunnen zijn.
Voorbeeld van verdunningsreeks:

Ik heb 10 ml 1% suikeroplossing.(1gram suiker in 100 ml water).
Ik wil 10 ml 0,1% suikeroplossing.
De oplossing moet dus 10x verdund worden (1/10 x 1% = 0,1%)
Ik neem dus 1 ml 1% suikeroplossing en daar doe ik 9 ml water bij:

        1 ml 1%                                   1 ml 1%
                                        =                        = 0,1%
1 ml 1% + 9 ml water                           10 ml oplossing
      Biowijzer bij Nectar 4 havo hoofdstuk 2                                                          13



(vervolg bijlage IV)

Zo zijn er allerlei verdunningsreeksen mogelijk.

Bijvoorbeeld een halveringsreeks: de concentratie wordt steeds de helft van de vorige.
Er wordt dan 1 op 1 verdund, gelijke hoeveelheden van de uitgangsoplossing en water. Bijv. 7 ml oplossing
+ 7 ml water, of 10 ml oplossing + 10 ml water.




einde BioBlad concentratie en verdunningsreeks
        Biowijzer bij Nectar 4 havo hoofdstuk 2                                                                            14
Bijlage V(bij opdracht 14)
Practicum “Osmose: Het aardappelstaafje als model voor een plantencel”

Benodigdheden:
reageerbuisrekje met 6 reageerbuizen                       bekerglaasje met 8% zout (natriumchloride, NaCl)
pipet van 10 ml                                            6 staafjes aardappel
bekerglaasje met water                                     liniaal of geo-driehoek

Uitvoering:
De volgende zoutconcentraties zijn nodig:
8%, 4%, 2%, 1%, 0,5% en 0%
- Maak de benodigde oplossingen via een verdunningsreeks. (Maak van elke concentratie voldoende,
    zodat de reageerbuizen ongeveer voor de helft zijn gevuld)

-     Merk de buizen met een stift.

-     Haal bij de docent of toa 6 aardappelstaafjes, snijdt ze aan beide kanten recht af. Ze moeten allemaal
      even lang zijn. Meet de lengte van de staafjes en noteer dat.
-     Doe bij elke verdunning een aardappelstaafje in de reageerbuis, staafje helemaal in de vloeistof.
-     Lever het rekje met de reageerbuizen in, dit wordt bewaard in de koelkast tot de volgende les.

Volgende les:
Haal de staafjes één voor één uit de vloeistof (giet de inhoud van de reageerbuis in een bekerglaasje zodat
het makkelijk te pakken is). Meet en noteer de lengte.

    concentratie NaCl (%)            lengte aardappelstaafje (mm)   oorspronkelijke lengte (mm)   lengteverandering (mm)
              0
            0,5
              1
              2
              4
              8

Maak een lijndiagram van de lengteverandering uitgezet tegen het zoutpercentage.

						
Related docs
Other docs by NuH5HDM
STATISTIEK IC ollege 8
Views: 0  |  Downloads: 0
Conjuntos de conteo
Views: 9  |  Downloads: 0
99?? ???? 2?? ????320???? ???? ????0????
Views: 0  |  Downloads: 0
�Your Love, Dear Man Is as Lovely to Me�
Views: 0  |  Downloads: 0
Department of Veteran Affairs
Views: 3  |  Downloads: 0
agenda 77 3141645706
Views: 5  |  Downloads: 0
Dealer Magazine | September 2008
Views: 2  |  Downloads: 0
3rd Quarter CHOICE WORK
Views: 0  |  Downloads: 0
Kiara Santos
Views: 0  |  Downloads: 0