Jakob, de overwinnaar over zichzelf by N6U126bw

VIEWS: 7 PAGES: 15

									                     Jakob, de overwinnaar over zichzelf.
Gen.32:29 Daarop zei hij: Voortaan zal je naam niet Jakob zijn maar Israël, want je hebt
met God en mensen gestreden en je hebt gewonnen.


A: De voorgeschiedenis van Jakob.
Gen.25:23-26 De HEER zei tegen haar: Twee volken zijn er in je schoot, volken die uiteen
gaan nog voor je hebt gebaard. Het ene zal machtiger zijn dan het andere, en de oudste zal
de jongste dienen. Toen de dag van de bevalling was gekomen, bracht zij inderdaad een
tweeling ter wereld. Het kind dat het eerst te voorschijn kwam was rossig en helemaal
behaard, alsof het een haren mantel aanhad; ze noemden het Esau. Toen daarna zijn broer
te voorschijn kwam, hield die Esau bij de hiel beet; hij werd Jakob genoemd. Isaäk was
zestig jaar toen zij geboren werden.
Isaäk, de zoon van Abraham, was veertig jaar toen hij met Rebekka trouwde (Gen.25:19-20),
maar omdat zij onvruchtbaar bleek te zijn, bad Isaäk vurig voor haar tot de Heer, en 20 jaar
na hun trouwdag werd de tweeling Esau en Jakob geboren. In de baarmoeder botsten de
twee kinderen zo hard tegen elkaar dat Rebekka aan de Heer vroeg waarom dit gebeurde,
en de Heer profeteerde tegen haar dat er twee volken uit haar zouden voortkomen, die met
elkaar in conflict zouden leven. Maar het volk van haar jongste zoon zou sterker blijken te
zijn dan het volk van haar oudste zoon; uit haar zoon Jakob is het volk Israël voortgekomen,
en uit haar zoon Esau is het volk Edom voortgekomen. De oudste zoon Esau was rossig van
kleur en voor een baby buitengewoon behaard, daarom kreeg hij de naam Esau; deze naam
is afgeleid van een Hebreeuws werkwoord dat aanraken betekent. Het woord harig echter is
het Hebreeuwse woord ‘sear’, dat verwant is aan de naam Seïr, een andere naam voor het
land Edom waar Esau later zou gaan wonen (Gen.36:6-8).
De naam Jakob betekent niet bedrieger zoals vaak ten onrechte beweerd wordt op grond
van de interpretatie van Esau in Gen.27:36; de naam Jakob betekent ‘hij die vasthoudt aan
de hiel’ en is afgeleid van het woord aqev, wat hiel betekent. Het Hebreeuwse werkwoord
aqav komt vier keer in het Oude Testament voor, en heeft wel de betekenis gekregen van
iemand bedriegen, want als zodanig gebruikt Esau dat woord in Gen.27:36. We vinden het
ook in Job 37:4 in de betekenis van terughouden (zie NBG ‘51) en in Jer.9:4 waar het wel de
betekenis heeft van bedriegen. Tenslotte vinden we het in een zeer bekend tekstgedeelte
over Jakob, waarbij we moeten begrijpen dat de naam Jakob ook een collectieve naam is
voor het volk van God in zijn ongeloof, terwijl Israël de collectieve naam van het volk van
God is in zijn gelovige hartsgesteldheid.
 Hos.12:3-5 De HEER voert een geding tegen Juda; Hij zal Jakob om zijn wangedrag
bestraffen, zijn misdaden zal Hij hem vergelden. Al in de moederschoot heeft hij zijn broer
beetgenomen, en in de kracht van zijn leven worstelde hij met God. Hij worstelde met een
engel en overwon; onder tranen smeekte hij Hem om een gunst. In Betel vond God hem,
daar sprak Hij al tot ons.
In deze tekst is het niet zo zinvol om het werkwoord aqav met beetnemen of bedriegen te
vertalen, want hier heeft het de betekenis van vasthouden zonder dat er al sprake is van
bedrog. De houding van Jakob in de baarmoeder heeft een profetische betekenis, maar de
vervulling van de profetie werd besmet door Rebekka, de moeder van Jakob; want wanneer
zij op de belofte van de Heer had vertrouwd zonder zich daarmee te bemoeien, zou het
leven van Jakob mogelijk heel anders verlopen zijn. Het leven van Jakob werd namelijk door
twee heel verschillende bronnen tegengesteld beïnvloed; die twee verschillende bronnen
waren aan de ene kant het geloof van zijn grootvader Abraham, maar aan de andere kant de
tweespalt tussen zijn vader Isaäk en zijn moeder Rebekka.
Abraham was honderd jaar toen zijn zoon Isaäk werd geboren (Gen.21:5), Isaäk was zestig
jaar toen Jakob en Esau werden geboren (Gen.25:26). Abraham was dus 160 jaar toen de
tweeling geboren werd, en hij was 175 jaar toen hij stierf (Gen.25:7); dus de tweeling heeft
hem nog meegemaakt tot hun 15e jaar. Het vraagt niet om veel verbeelding dat deze twee
kinderen van jongsaf aan gretig geluisterd hebben naar de geloofsverhalen van deze pelgrim


                                             1
die hun grootvader was. Want 15 jaar lang genoten deze twee jongens van het voorrecht om
te kunnen luisteren naar de geestelijke principes van een leven uit geloof, en ze zagen hoe
een leven uit geloof in de God van Abraham geresulteerd had in heel veel zegen. Want de
Heer had Abraham in alle opzichten gezegend (Gen.24:1+35), en deze overvloed van zegen
was zo duidelijk zichtbaar dat de inwoners van Kanaän daarvan diep onder de indruk waren
(Gen.21:22). Bovendien zagen de jongens hoe deze God van Abraham ook nog eens hun
eigen vader Isaäk met nog meer rijkdommen zegende (Gen.26:12-14). Dus Jakob kreeg
geweldig positieve informatie over het leven in vriendschap met de God van Abraham, en dat
zette zijn leven op de juiste koers.
Maar er was een geestelijke tweespalt in de relatie tussen Isaäk en Rebekka, want hoewel
Rebekka openbaring ontving over de toekomstige bestemming van Jakob en Esau, liepen de
voorkeur van Isaäk en Rebekka voor de beide jongens volledig uiteen. Esau was een goed
geoefende jager, iemand die altijd buiten te vinden was, maar Jakob was een rustige man
die het liefst bij het tentenkamp bleef (Gen.25:27). Isaäk was zeer op Esau gesteld want hij
at graag wildbraad (Gen.25:28a), en hij blijkt een man te zijn geweest die sterk vanuit zijn
natuurlijke instincten leefde. Toen hij oud geworden was, wilde hij Esau gaan zegenen als
zijn oudste zoon, die om die reden zijn erfgenaam zou worden (Gen.27:1-4). Wat opvalt in
Gen.27 zijn de natuurlijke zintuigen van Isaäk, want we lezen over zijn ogen (vers 1), over
zijn mond (vers 4), over zijn oren (vers 18), over zijn handen (vers 22), en over zijn neus
(vers 27). Isaäk miste de pelgrimsgeest die zijn vader Abraham zo gekenmerkt had, en dat
was voor hem ook niet nodig, want hij kreeg alle rijkdommen van zijn vader Abraham in de
schoot geworpen. Maar bij zijn keuze om Esau te zegenen liet hij zich niet leiden door de
openbaring aan Rebekka, maar door zijn natuurlijke instincten, en vooral door zijn voorkeur
voor de jacht- en kookkunst van zijn oudste zoon.
Maar Rebekka hield meer van Jakob (Gen.25:28b), want hij was een rustig man die het liefst
bij de tenten bleef; het woord rustig is in het Hebreeuws het woord ‘tam’ wat de betekenis
heeft van volmaakt, volledig, integer, vroom, rechtschapen, onschuldig. Jakob was dus van
nature een integere man, mede vanwege het onderwijs van zijn grootvader Abraham, maar
het was zijn moeder Rebekka die zijn integriteit verschrikkelijk ondermijnde en zijn leven
daardoor enorm bemoeilijkte. Maar het was Jakob zelf die de eerste stappen op de weg van
geestelijke manipulatie zette, want hij manipuleerde Esau om zijn eerstgeboorterecht aan
Jakob te verkopen voor de prijs van een bord linzensoep (Gen.25:29-34). Hiermee echter
verspeelde Esau ook de zegeningen van het eerstgeboorterecht, hoewel hij die later onder
tranen probeerde terug te krijgen (Gen.27:34-38).
Hebr.12:15-17 Zorg ervoor dat niemand zich de genade van God laat ontgaan, dat er geen
giftige kiem opschiet die onrust veroorzaakt en met zijn bitterheid velen besmet, en dat
niemand overspel pleegt of het heilige zozeer minacht als Esau, die voor één enkel bord
eten zijn eerstgeboorterecht verkocht. U weet immers dat hij daarna, toen hij alsnog de
zegen wilde verkrijgen, afgewezen werd; hij kreeg geen kans meer om het goed te maken,
ook al smeekte hij er in tranen om.
Het was Jakob zelf die de eerste stappen zette op de weg van geestelijke manipulatie, maar
het was zijn moeder die veel verder ging in de weg van geestelijk bedrog door haar zoon
Jakob de plaats te laten innemen van zijn broer Esau bij het ontvangen van de zegen die bij
het eerstgeboorterecht hoorde (Gen.27). Het gevolg was dat Esau zijn broer Jakob begon te
haten (Gen.27:41), en Jakob voor hem moest wegvluchten; Rebekka stuurde hem toen
onmiddellijk naar haar familie in het oosten (Gen.27:42-46), en zij heeft hem ook nooit meer
teruggezien. Isaäk stuurde zijn jongste zoon nog met een tweede zegen weg naar de familie
van Rebekka (Gen.28:1-5) ondanks het feit dat Jakob hem bedrogen had in het ontvangen
van de zegen van het eerstgeboorterecht. Esau kwam dat alles te weten en verliet daarop
ook zijn ouders (Gen.28:6-9); en zo viel het gezin van Isaäk en Rebekka uit elkaar door de
geestelijke manipulatie van Rebekka, waarmee Jakob had ingestemd. Deze manipulatie
leidde tot verwrongenheid in het karakter van Jakob, en hij zou vele jaren nodig hebben om
deze ernstige beschadiging in zijn hart te overwinnen. Maar de gebeurtenissen zouden zijn
hele verdere levensloop kenmerken, en voortdurend zou hij geconfronteerd worden met de
gevolgen van zijn eigen keuze en die van zijn moeder. Hij zou moeten leren om zijn hele


                                             2
verdere leven zich te beroepen op de genade van God, want hij had elk recht op de erfenis
van zijn vader verspeeld door zijn misleiding.

B: Jacobs eerste ontmoeting met de God van Abraham en Isaäk.
Gen.28:12-15 Toen kreeg hij een droom. Hij zag een ladder die op de aarde stond en
helemaal tot de hemel reikte, en daarlangs zag hij Gods engelen omhoog gaan en afdalen.
Ook zag hij de HEER bij zich staan, die zei: Ik ben de HEER, de God van je voorvader
Abraham en de God van Isaak. Het land waarop je nu ligt te slapen zal Ik aan jou en je
nakomelingen geven. Je zult zoveel nakomelingen krijgen als er stof op de aarde is; je
gebied zal zich uitbreiden naar het westen en het oosten, naar het noorden en het zuiden.
Alle volken op aarde zullen wensen zo gezegend te worden als jij en je nakomelingen. Ikzelf
sta je ter zijde, Ik zal je overal beschermen, waar je ook heen gaat, en Ik zal je naar dit land
terugbrengen; Ik zal je niet alleen laten tot Ik gedaan heb wat Ik je heb beloofd.

B1: De God van beloften.
Hebr.10:23 Laten we zonder te wankelen datgene blijven belijden waarop we hopen want Hij
die de belofte heeft gedaan is trouw.
Er wordt wel eens gezegd dat wanneer God een belofte geeft, Hij er altijd de noodzakelijke
voorwaarden aan verbindt, en heel vaak is dat in de Bijbel ook het geval. Maar wanneer we
de eerste ontmoeting tussen God en Jakob lezen, komen we tot de ontdekking dat de Heer
acht geweldige beloften aan Jakob geeft, maar daaraan géén enkele voorwaarde verbindt.
Er is echter wel één hier niet uitgesproken voorwaarde die voor alle beloften van God geldt,
en dat is de voorwaarde van geloof in God.
2Kor.1:20 In Jezus worden alle beloften van God ingelost; en daarom is het ook door Hem
dat we amen zeggen, tot Gods eer.
Hebr.11:6 Zonder geloof is het onmogelijk God vreugde te geven; wie Hem wil naderen moet
immers geloven dat Hij bestaat, en wie Hem zoekt zal door Hem worden beloond.
Het woord amen is van oorsprong een Hebreeuws woord dat afgeleid is van het Hebreeuwse
werkwoord ‘aman’, dat 108 keer voorkomt in het Oude Testament, en voor de eerste keer in
Gen.15:6 Abram vertrouwde op de Heer en Deze rekende hem dit toe als een rechtvaardige
daad.
M.a.w. amen zeggen op Gods beloften betekent dat je gelooft dat God al Zijn beloften aan
jou zal vervullen. Welnu, God gaf acht verschillende beloften aan Jakob; en dit zijn ze.
1 - Het land waarop je nu ligt te slapen zal Ik aan jou en je nakomelingen geven.
2 - Je zult zoveel nakomelingen krijgen als er stof op de aarde is.
3 - Je gebied zal zich uitbreiden naar het westen en het oosten, het noorden en het zuiden.
4 - Alle volken op aarde zullen wensen zo gezegend te worden als jij en je nakomelingen.
5 - Ikzelf sta je ter zijde.
6 - Ik zal je overal beschermen, waar je ook heen gaat.
7 - Ik zal je naar dit land terugbrengen.
8 - Ik zal je niet alleen laten tot Ik gedaan heb wat Ik je heb beloofd.
Het zijn in feite zeven verschillende beloften, en de achtste belofte is Gods garantiestelling
van vervulling over de zeven beloften. Het is juist deze achtste belofte van garantie waarmee
Jakob nog de meeste moeite zou hebben om op te vertrouwen, want zijn verdere leven laat
zien hoeveel moeite hij had om God te vertrouwen. Maar God kent Jakob en God kent ook
zijn voorgeschiedenis, en om die reden legt God alle nadruk op Zichzelf door alleen maar te
spreken over wat Hij zal gaan doen. En God spreekt niet één keer over wat Jakob moet
gaan doen, behalve de onuitgesproken voorwaarde dat Jakob moet vertrouwen dat de Heer
inderdaad zal doen wat Hij beloofd heeft.
Gen.28:15 ...... Ik zal je niet alleen laten tot Ik gedaan heb wat Ik je heb beloofd.

B2: Gods tegenwoordigheid creëert aanbidding.
Gen.28:16-19 Toen werd Jakob wakker. Dit is zeker, zei hij, op deze plaats is de HEER
aanwezig. Dat besefte ik niet. Eerbied vervulde hem. Wat een ontzagwekkende plaats is
dit, zei hij, dit is niets anders dan het huis van God, dit moet de poort van de hemel zijn! De


                                                3
volgende morgen vroeg zette Jakob de steen die hij als hoofdsteun had gebruikt rechtop, en
wijdde hem door er olie over uit te gieten. Hij gaf die plaats de naam Betel; vroeger heette
het daar Luz.
De eerste keer openbaarde God Zich aan Jakob in een droom; wanneer wij slapen zijn we
minder alert en meer ontvankelijk voor het spreken van God (Job 33:14-17). God geeft Zijn
openbaring aan Zijn lieveling in de slaap (Ps.127:2b), en om die reden ontving de profeet
Jeremia Gods openbaring over Zijn nieuwe verbond met Israël toen hij sliep (Jer.31:26). De
profeet Zacharia ontving in de eerste zes hoofdstukken van zijn boek acht verschillende
visioenen in één en dezelfde nacht (Zach.1:8, 4:1); daarom staat er telkens dat hij zijn ogen
opsloeg (Zach.2:1+5, 5:1+5, 6:1). Om die reden wordt ook de uitstorting van de Heilige
Geest niet alleen gekenmerkt door profetieën maar ook door droomgezichten en visioenen
(Hand.2:17-18). De slaap maakte Jakob minder alert en meer gevoelig voor de openbaring
van de Heer, en toen hij wakker werd, besefte hij dat de Heer al op die plaats aanwezig was
voordat hij ging slapen. Eerbied vervulde zijn hart, en hij besefte dat de aanwezigheid van de
Heer die plaats tot een ontzagwekkende plaats maakte, een huis van God, maar ook een
poort van de hemel.
De Heer stond in de droom bovenaan een ladder, maar het feit dat de Heer stond verwijst
niet naar God de Vader maar naar God de Zoon ofwel Jezus Christus, de Joodse Messias.
Zo stond Jezus ook aan de rechterhand van Zijn Vader, toen de eerste martelaar van de
nieuwtestamentische gemeente op het punt stond om vermoord te worden (Hand.7:56). Dat
was niet gebruikelijk voor Jezus, want sinds Zijn hemelvaart had Jezus plaatsgenomen naast
de Vader en zat Hij op Gods troon (Ps.110:1, Openb.3:21). Ook bij het ontvangen van de
boekrol van de eindtijd staat Jezus als het Lam dat geslacht is geweest en dat waardig is om
de boekrol van de eindtijd uit de handen van de Vader te ontvangen (Openb.5:6-7). Dus op
bepaalde cruciale momenten in de geschiedenis staat Jezus naast de troon van God, en Zijn
openbaring aan Jakob was eveneens een cruciaal moment in de geschiedenis van Gods
koninkrijk. Want Jakob was de derde aartsvader van Gods volk, maar de eerste die de naam
Israël zou ontvangen (Gen.32:29); maar daarover later meer.
Ps.22:4 U bent de Heilige, die op Israëls lofzangen troont.
Het is opmerkelijk dat de openbaring van God de oorzaak is van de aanbidding van Jakob,
want op grond van deze tekst uit psalm 22 wordt vaak gezegd dat Gods troon in ons midden
het gevolg is van onze aanbidding. Maar in de ervaring van Jakob zien we dat het precies
andersom is, en dat is ook het geval in de tabernakel van Mozes. Want vanaf Ex.25:1 geeft
de Heer openbaring aan Mozes over de tabernakel als de plaats waar God temidden van
Zijn volk wil wonen (Ex.25:8, 29:46). Maar pas aan het einde wordt er gesproken over het
reukofferaltaar, nadat de ark als de troon van God als eerste is genoemd (Ex.25:10-22), en
daarna alle verdere attributen van de tabernakel. M.a.w. als eerste wordt de troon van God
gebouwd in het heilige der heilige, vervolgens de tafel en de kandelaar in het heilige, daarna
de tabernakel zelf (Ex.25:23-40), daarna de tent (Ex.26:1-37), daarna het brandofferaltaar
voor verzoening en de volledige omheining (Ex.27:1-19), daarna de olie voor de kandelaar
(Ex.27:20-21), vervolgens de volledige priesterkleding en inwijding (Ex.28-29). Maar bijna als
allerlaatste wordt de plaats van aanbidding genoemd (Ex.30:1-10), waarna nog het losgeld,
het waswat, de zalfolie en het reukwerk worden genoemd (Ex.30:11-38). Dit betekent dat
God Zichzelf eerst moet openbaren voordat wij tot aanbidding kunnen komen, m.a.w. Gods
troon bouwt onze aanbidding d.m.v. onze verlossing en bevrijding, en niet andersom!
Onze aanbidding is het gevolg van onze verlossing, maar Gods troon is de bron en oorzaak
van onze aanbidding. Daarom lezen we in de tabernakel eerst over de ark en het altaar voor
de verzoening, en pas aan het eind over het reukofferaltaar; zo lezen we ook in Openb.4
eerst over de openbaring van Gods troon (vers 3), en pas daarna over de aanbidding van de
24 oudsten (vers 10).
Jakob beseft dat de plaats van openbaring een ontzagwekkende plaats is, en hij noemt het
een huis van God ofwel Betel; vroeger heette het daar Luz, en deze plaats lag op de grens
van het gebied van Benjamin en Efraïm (Recht.2:23), op de zuidgrens van het gebied van
Efraïm (Joz.16:1-2) en op de noordgrens van het gebied van Benjamin (Joz.18:13). De naam
Betel betekent letterlijk huis van God, maar Jakob noemde die plaats ook de poort van de


                                              4
hemel, want hij zag een geopende hemel van waaruit een ladder op de aarde stond. Via
deze ladder daalden engelen af en gingen weer omhoog, en Jezus gebruikte dit visioen om
duidelijk te maken dat Hij Zelf deze ladder is.
Joh.1:51 Waarachtig, Ik verzeker jullie, jullie zullen de hemel geopend zien, en de engelen
van God zien omhoog gaan en neerdalen op de Mensenzoon.
De Nieuwe Bijbelvertaling vertaalt het woordje op met naar, maar dat is niet juist; want Jezus
beschrijft in deze tekst Zichzelf als de ladder waarlangs engelen naar beneden zullen komen
en omhoog zullen gaan in dienstbaarheid aan de volgelingen van Jezus (Hebr.1:14). Jakob
kreeg hier dus al een voorproefje van openbaring over Jezus, de Joodse Messias, die als
een hemelse ladder naar beneden is gekomen tot in het huis van God. De openbaring bracht
Jakob tot aanbidding, en als herinnering plaatste hij een gedenksteen, iets wat hij daarna
nog drie keer zou doen. De tweede keer deed hij dat bij de definitieve scheiding met zijn
schoonvader Laban (Gen.31:45), de derde keer deed hij dat bij zijn terugkeer naar het land
Kanaän opnieuw bij Betel (Gen.35:14), en de vierde keer deed hij dat bij het graf van zijn
lievelingsvrouw Rachel (Gen.35:20). Ook voor ons is het goed om bij cruciale momenten in
ons leven met de Heer mijlpalen neer te zetten als herinnering aan wat God voor ons heeft
gedaan in momenten van belangrijke vernieuwing.
Jer.31:21 Zet mijlpalen neer, plaats bakens, richt je aandacht op de weg die je volgt.
Dit zijn momenten die wij net als Jakob rechtop moeten zetten, en apart moeten zetten door
er de olie van de Heilige Geest overheen te gieten; deze gezalfde momenten zullen ons als
positieve herinneringen bijblijven op andere momenten van moeite en strijd. Die momenten
van openbaring functioneren als een huis van God, een plaats van Gods zeer bijzondere
tegenwoordigheid, en als een poort van de hemel, momenten die wij ons herinneren als een
tijd van een bijzondere open hemel.
Gen.28:19 Hij gaf die plaats de naam Betel; vroeger heette het daar Luz.
Er gebeurt iets heel bijzonders in de verandering van de naam Luz in de naam Betel, maar
het is een verborgenheid die alleen ontdekt kan worden wanneer we weten dat Hebreeuwse
letters en woorden een bepaalde getalswaarde hebben. Het verschil tussen de getalswaarde
van de naam Luz en de naam Betel is 358, maar dit is ook de getalswaarde van het woord
Messias. Het verschil in waarde tussen Luz en Betel is dus de Messias, en wij weten dat dit
Jezus Christus is, de Messias van het Joodse volk; en Zijn aanwezigheid verandert een
onbeduidend plaatsje in een huis van God. Deze gebeurtenis in het leven van Jakob laat ons
dus heel veel waarheid over het evangelie van Jezus zien, en op dezelfde wijze wil Jezus
door Zijn aanwezigheid ook ons leven maken tot een woonplaats van God.

B3: Een moment van beginnende toewijding.
Gen.28:20-22 Daarna legde hij een gelofte af: Als God mij ter zijde staat en mij op deze reis
beschermt, als Hij mij brood te eten geeft en kleren aan mijn lichaam, en als ik veilig terug
kom bij mijn verwanten, dan zal de HEER mijn God zijn. Deze steen die ik gewijd heb, zal
dan een huis van God worden, en ik beloof dat ik U dan een tiende deel zal afstaan van
alles wat U mij geeft.
God had Jakob zeven geweldige beloften gegeven van bescherming en zegen, en als laatste
nog een garantiestelling gegeven voor de vervulling van deze zeven beloften; bij dit alles had
God geen enkele voorwaarde gesteld. Maar in zijn verwarring en onzekerheid stelt Jakob vijf
voorwaarden waaraan God moet voldoen, voordat Hij de God van Jakob mag zijn.
1 - als God mij ter zijde staat.
2 - als God mij op deze reis beschermt.
3 - als God mij brood te eten geeft.
4 - als God mij kleren aan mijn lichaam geeft.
5 - als God mij veilig terugbrengt bij mijn familie.
Het lijkt er bijna op alsof Jakob bovenaan de ladder staat en de Heer onderaan, zo vol van
achterdocht stelt Jakob zijn eigen voorwaarden, waaraan God moet voldoen, voordat Hij de
God van Jakob mag zijn. De tweespalt in zijn opvoeding, de manipulerende houding van zijn
moeder en zijn eigen hartsgesteldheid hebben hun sporen achtergelaten in zijn geloof in de
God van Abraham. Jakob heeft nog een lange weg te gaan, voordat hij zich volledig durft


                                              5
over te geven aan de genade van God; maar God weet welke weg Hij moet bewandelen om
Jakob tot een geestelijke overwinnaar te maken. Tenslotte doet Jakob drie geloften aan de
Heer, waarmee deze eerste ontmoeting met God wordt afgesloten, maar het woordje dan
benadrukt de aarzeling in het hart van Jakob.
1 - dan zal de Heer mijn God zijn.
2 - dan zal deze gewijde steen een huis van God worden.
3 - dan zal ik van alles een tiende deel afstaan van alles wat God mij geeft.
De eerste gelofte spreekt van het verlangen naar een intieme relatie met de Heer, de tweede
gelofte spreekt van een apartgezette plaats en tijd voor het cultiveren van deze relatie, en de
derde gelofte spreekt van een beginnende hartsgesteldheid van aanbidding en bereidheid tot
investering in Gods koninkrijk. Een goed begin is tenslotte het halve werk.
Spr.3:5-6+9 Vertrouw op de HEER met heel je hart, steun niet op je eigen inzicht. Denk aan
Hem bij alles wat je doet, dan baant Hij voor jou de weg ....... Eer de HEER met al je rijkdom,
met het beste van de oogst.

C: Een pijnlijke leerschool van meer dan twintig lange jaren.
Gen.29:1 Jakob vervolgde zijn reis naar het land waar de volken van het Oosten wonen.
Jakob reisde na deze eerste ontmoeting met de Heer verder naar het land waar de familie
van zijn moeder Rebekka woonde, en volgens Gen.31:21 trok hij de rivier de Eufraat over en
kwam in het gebied dat wij kennen als Mesopotamië. Een andere naam voor gebied is Aram-
Naharaïm (Gen.24:10) en betekent “Aram van de twee rivieren”; dit gebied ligt tussen de
rivieren Eufraat en Tigris in het oosten van Syrië en het noorden van Irak. M.a.w. Jakob heeft
een behoorlijke afstand afgelegd voordat hij in het gebied van de familie van zijn moeder
kwam. De Heer leidde hem op zijn weg en bij een put ontmoette hij direct al een dochter van
zijn oom Laban (Gen.29:2-14); hij bleef bij zijn familie wonen en trouwde daar met de twee
dochters van zijn oom, namelijk Lea en Rachel. Maar niet zonder dat hij door zijn oom werd
bedrogen, want hij dacht met de jongste dochter Rachel te trouwen, maar kwam pas na de
huwelijksnacht tot ontdekking dat hij met de oudste dochter Lea was getrouwd. Zijn bruid
werd pas namelijk in het donker bij hem gebracht (Gen.29:23), en pas 's morgens ontdekte
hij dat het verkeerde meisje met opzet bij hem was gebracht. Zo ontdekte Jakob wat het
betekende om bedrogen te worden wanneer je niets kunt zien; want hij had zelf zijn vader
bedrogen toen deze ook niet meer kon zien (Gen.27:1+19). Jakob had volgens de afspraak
zeven jaren moeten werken voor zijn eerste bruid, en moest toen nogmaals zeven jaren
werken om alsnog zijn geliefde bruid te kunnen krijgen (Gen.29:20+27).
Maar in al die tijd dat hij voor zijn oom werkte, kreeg hij maar liefst elf zonen en een dochter
(Gen.29:31-30:24); alleen zijn laatste zoon Benjamin werd in het land Kanaän geboren
(Gen.35:16-18). Tenslotte werkte hij nog eens zes jaar bij zijn oom, waarbij zijn oom echter
voortdurend de beloning voor Jakob wijzigde in zijn eigen voordeel, hoewel hij daar niet in
slaagde (Gen.31:41-42). Jakob vormde zijn eigen kudde en werd enorm gezegend door de
Heer, maar zijn eigen optreden werd sterk gekenmerkt door manipulatie van zijn inkomen
(Gen.30:37-40). Omdat de relatie met zijn familie onder hevige spanning kwam te staan
(Gen.31:1-2), werd het tijd om terug te keren naar zijn eigen familie. En God verscheen hem
in een droom waarin Jakob werd gezegd om terug te keren naar het land Kanaän (Gen.31:3,
11-13). Twintig lange jaren had Jakob bij zijn oom gewerkt in een droevige sfeer van bedrog
en manipulatie (Gen.31:38-41), en nu was het tijd om terug te keren naar het land dat God
aan Abraham en zijn nakomelingen had beloofd. Maar eerst moest Jakob gebroken worden
in zijn menselijke kracht, voordat hij klaar was om de opvolger te zijn van zijn vader Isaäk en
erfgenaam van Gods belofte aan Abraham. Jakob had een tweede ontmoeting met de Heer,
opnieuw in een droom net als bij de eerste ontmoeting (Gen.31:3), maar de daaropvolgende
derde ontmoeting zou veel heftiger worden.

D: Een wanhopige zoektocht naar verzoening.
We komen nu bij een van de meest cruciale gebeurtenissen in het leven van Jakob, namelijk
een ontmoeting met God die zijn leven radicaal zou veranderen en van hem een waarachtige



                                               6
aartsvader van het volk Israël zou maken. Deze gebeurtenis werd een keerpunt in zijn leven
waarover de Heer Zelf vele eeuwen later d.m.v. de profeet Hosea het volgende zou zeggen.
Hos.12:3-7 De HEER voert een geding tegen Juda; Hij zal Jakob zijn wangedrag bestraffen,
zijn misdaden zal Hij hem vergelden. Al in de moederschoot heeft hij zijn broer beetgenomen
en in de kracht van zijn leven worstelde hij met God. Hij worstelde met een engel en
overwon; onder tranen smeekte hij Hem om een gunst. In Betel vond God hem, daar sprak
Hij al tot ons. Hij is de HEER, de God van de hemelse machten; HEER is Zijn naam!
Maar voordat deze nachtelijke worsteling met God plaatsvond, worstelde Jakob eerst met
zichzelf in een wanhopige zoektocht naar verzoening met zijn broer Esau.

D1: Twee kampen in eenheid.
Gen.32:2-3 Jakob trok verder. Plotseling verschenen er engelen van God op zijn weg. Een
leger van God! riep Jakob uit toen hij hen zag, en hij noemde die plaats Machanaïm.
Op zijn terugweg naar het land dat God aan Abraham en Isaäk als erfenis beloofd had, en
dat ook het land was dat God aan Jakob beloofd had (Gen.28:13), kreeg Jakob een zeer
bijzondere openbaring. Hij zag een leger van engelen, waarschijnlijk dezelfde engelen die hij
ook in zijn droom in Gen.28:12 gezien had; hij werd enorm bemoedigd door dit visioen. Hij
gaf aan die plaats de naam Machanaïm wat een meervoud is van het woord machanah, dat
de betekenis heeft van kamp of groep. Maar de bemoediging door dit visioen was van korte
duur, want hij vergat al snel de afgezanten van God toen hij zijn eigen afgezanten vooruit
stuurde naar zijn broer Esau in het land Seïr, dat is het land Edom (Gen.32:4). De troost van
het visioen moest al snel plaatsmaken voor angst, want vanaf dat moment noemt Jakob zich
vijf keer de dienaar van Esau (32:5+19+21, 33:5+14), en spreekt hij zijn tweelingbroer maar
liefst zevenmaal aan met de titel heer (32:5+6+19, 33:8+13+14+15). Aan de ene kant duidt
dit op een houding van nederig berouw vanwege het vroegere bedrog aan zijn broer, maar
aan de andere kant spreekt het veel meer over de angst die hem in de greep kreeg (32:8).
Jakob was op dit moment de profetische beloften uit Gen.25:23 en 27:29+37 blijkbaar allang
vergeten, maar hij was al helemaal vergeten hoe de Heer hem in de droom van Betel met
grote nadruk had beloofd dat Hij Jakob altijd zou beschermen (Gen.28:15).

D2: Twee kampen in verdeeldheid.
Gen.32:8-9 Jakob schrok hevig, het angstzweet brak hem uit. Daarom verdeelde hij zijn
mensen over twee kampen, evenals zijn schapen en geiten en zijn runderen en kamelen. Als
Esau op het ene kamp afkomt en daar alles doodt dacht hij, kan het andere kamp tenminste
nog ontkomen.
Jakob was zo gewend om zijn eigen leven onder controle te houden dat hij er helemaal niet
in slaagde de controle over zijn leven aan de Heer te geven; want angst voor mensen is een
valstrik, maar wie op de HEER vertrouwt, wordt beschermd (Spr.29:25). Jakob had echter de
liefde van God nog niet werkelijk leren kennen en begrijpen.
1Joh.4:18 De liefde laat geen ruimte voor angst; de volmaakte liefde sluit angst uit, want
angst veronderstelt straf. In iemand die angst kent, is de liefde geen werkelijkheid geworden.
Jakob had gehoord dat zijn broer Esau met 400 mannen naar hem onderweg was, maar het
verborgen Goddelijke teken ontging hem volledig. Jakob was ongeveer 22 jaar bij zijn oom
Laban in Aram geweest en dat waren evenveel jaren als letters van het Hebreeuwse alfabet.
De laatste letter is de tav, en deze letter heeft in het oude Hebreeuws de vorm van een kruis;
deze letter is het zegel van redding voor de rechtvaardige voorbidders in Ezech.9:4+6. Want
het woord merkteken in deze twee teksten is in het Hebreeuws het woordje tav, en is een
aanduiding van een teken of handtekening als vrijstelling van rechtsvervolging. Deze
voorbidders werden verzegeld met het teken van het kruis, waardoor het oordeel van God
over de stad Jeruzalem aan hen voorbijging. De enige andere keer dat deze letter als woord
wordt gebruikt is in Job 31:35 waar Job letterlijk een handtekening (tav) onder zijn protest
tegen de Heer zette zonder te begrijpen dat hij zich daarbij beriep op het kruis van Golgotha,
zie de NBG-vertaling of de Statenvertaling. Esau kwam met 400 man op Jacob af, en 400 is
de getalswaarde van de letter tav, maar de betekenis ervan drong niet tot Jakob door; de
Heer stuurde Esau op hem af met de verborgen betekenis van het kruis.


                                              7
D3: Een smeekgebed om genade.
Gen.32:10-13 En hij bad: God van mijn voorvader Abraham, God van mijn vader Isaak,
HEER, die tegen mij gezegd heeft: Ga terug naar je land, naar je familie, Ik zal je voorspoed
geven; ik ben alle weldaden en al de trouw die U aan mij, Uw dienaar, bewezen hebt niet
waard......... Ik smeek U, red mij uit de handen van Esau, mijn broer, ik vrees dat hij ons zal
aanvallen en mij en iedereen zal doden, ook de kinderen en hun moeders. U hebt immers
zelf gezegd: Ik zal jou grote voorspoed geven en veel nakomelingen, ze zullen zo talrijk zijn
als zandkorrels aan de zee, niet te tellen zullen ze zijn.
Eerst kreeg Jakob een openbaring van God (32:2-3), maar vervolgens verdeelt hij al zijn
bezittingen zodanig dat hij hoopt te kunnen ontsnappen met een helft zonder zich zorgen te
maken over de andere helft (32:4-9). Vervolgens bidt hij tot zijn God om genade en redding
(32:10-13), maar direct daarna maakt hij een geschenk voor zijn broer Esau vanuit zijn grote
angst (32:14-22). Openbaring van God, angst voor Esau, smeekbede om redding en daarna
weer angst voor Esau wisselen elkaar in een snel tempo af zonder dat Jakob in de gaten
heeft dat hij niet met Esau maar met zichzelf geconfronteerd wordt. Hij wordt stap voor stap
afgebroken in zijn zelfvertrouwen en zijn gruwelijke neiging om zich de zegen van God toe te
eigenen d.m.v. manipulatie van zijn omstandigheden. De Heer rekent in deze gebeurtenis
niet af met Esau, want Esau was in de afgelopen 22 jaren behoorlijk door de Heer gezegend
volgens de zegen die zijn vader Isaäk over hem had uitgesproken (Gen.27:39-40).
Hebr.11:20 Door zijn geloof zegende Isaäk Jakob én Esau en hij dacht daarbij aan wat er in
de toekomst zou gebeuren.
Nadat Jakob tot de Heer gebeden had om redding uit de handen van zijn broer Esau, stelde
hij een geschenk samen waarmee hij zijn broer Esau mild hoopte te stemmen. Het geschenk
bestond uit 200 geiten en 20 bokken, 200 ooien en 20 rammen, 30 kamelen met 30 veulens,
40 koeien en 10 stieren, 20 ezelinnen en 10 ezelshengsten; in totaal 580 dieren. Het getal
580 heeft in het Jodendom de betekenis van verzoening, en 580 is ook de getalswaarde van
de sjofar. Het eerste geluid van een sjofar werd gehoord tijdens de openbaring van de Heer
op de berg Sinaï (Ex.19:16), ook moest er elk 50e jaar op de sjofar geblazen worden op de
Grote Verzoendag (Lev.25:8-10). Maar 580 is ook de getalswaarde van Seïr, een andere
naam voor het land Edom; de zondebok van de Grote Verzoendag werd naar een verlaten
gebied in de woestijn gestuurd (Lev.16:20-22), maar vanuit Jeruzalem werd deze bok naar
het land Seír gestuurd. Het getal 580 bevatte de verborgen boodschap van verzoening; door
juist dit aantal dieren uit te kiezen smeekte Jakob zijn broer Esau om verzoening. Voordat
het echter zover kwam, moest Jakob zich eerst met Iemand Anders verzoenen, want deze
Andere Persoon wilde dat Jakob eerst met Hem in het reine kwam, voordat hij met Esau in
het reine kon komen.

E: Een worsteling in de nacht.
Gen.32:25 Maar zelf bleef hij achter, helemaal alleen, en er worstelde iemand met hem
totdat de dag aanbrak.

E1: De donkere nacht van de ziel.
Gen.32:23-25a Het was nog nacht toen Jakob opstond en de Jabbok overstak op een
doorwaadbare plaats, samen met zijn beide vrouwen, zijn twee bijvrouwen en elf kinderen.
Nadat hij hen over de rivier had geholpen, bracht hij ook al zijn bezittingen naar de overkant.
Maar zelf bleef hij achter, helemaal alleen.
Wanneer de kerkvaders uit de vroege kerkgeschiedenis door een periode van zeer diepe
depressie gingen, noemden zij dat de donkere nacht van de ziel; dat was voor hen vaak een
tijd van grote eenzaamheid, waarin de manifeste tegenwoordigheid van God volledig afwezig
was. Deze belangrijke gebeurtenis van Jakob begint met de opmerking dat het nog nacht
was, toen Jakob opstond en de rivier de Jabbok overstak met heel zijn familie en met al zijn
bezittingen (32:23), maar daarna zelf terugging en alleen achterbleef (32:25). Dit gedeelte
eindigt met de opmerking dat de zon opkwam toen Jakob tenslotte zelf ook de rivier de
Jabbok overstak om voorgoed het door God beloofde erfdeel binnen te gaan (32:32). De


                                               8
naam Jabbok betekent leegstromen en komt van het werkwoord ‘baqaq’ dat leeggieten,
uitschudden of zelfs verwoesten betekent, en deze plaats zou bij uitstek de plaats worden
waar Jakob leeggegoten werd van zichzelf.
Elke man of vrouw van God komt op een gegeven moment in zijn of haar leven in een tijd
waarin hij of zij volledig beroofd wordt van alle menselijke mogelijkheden; we zien dit in elke
belangrijke persoon in de Bijbel. Mozes werd eerst 40 jaar lang onderwezen in alle kennis
van Egypte en werd een machtig man in woord en daad (Hand.7:22); hij meende toen dat hij
klaar was om een leider en rechter over het volk Israël te zijn (Hand.7:25-27). Maar hij bleek
jammerlijk te falen en vluchtte toen naar de woestijn, waar hij 40 jaar lang (Hand.7:30) moest
leren omgaan met koppige schapen; daar vergat hij zijn welbespraaktheid (Ex.4:10, 6:12).
En daarna gebruikte God hem 40 jaar lang om Israël d.m.v. wonderen en tekenen uit Egypte
te leiden en het volk op weg naar het beloofde land te brengen (Hand.7:36). Maar hij was
niet langer een leider en rechter over het volk (Hand.7:27), want hij was veranderd in een
leider en bevrijder (Hand.7:35); een zeer belangrijk verschil.
David verbleef 13 jaar in de woestijn van Juda, voordat hij koning kon worden over datzelfde
gebied, en het duurde nog zeven jaar voordat hij koning werd over heel Israël (2Sam.5:4-5).
Ook de apostel Paulus werd vlak na zijn bekering vanuit Damascus naar de woestijn van
Arabia gestuurd om helemaal opnieuw geprogrammeerd te worden in zijn theologie, want
zijn fanatieke Joodse benadering van God (Gal.1:13-14, Fil.3:5-6) schoot hopeloos tekort.
Daar in de woestijn ontdekte hij hoe machteloos hij in zijn inwendige mens was om de
geestelijke principes van Gods koninkrijk te gehoorzamen; dit staat uitgebreid beschreven in
hoofdstuk 7 van de Romeinenbrief. In de woestijn van Arabia openbaarde God hem de echte
betekenis van het evangelie (Gal.1:15-16, Efez.3:1-8), dat op velerlei manieren al in het
Oude Testament was geopenbaard (Hebr.1:1). Zo had ook Jakob een intense confrontatie
met God nodig om gebroken te worden in zijn eigen kracht, die er vooral opgericht was om
zichzelf te handhaven en zelf de beloften van God te vervullen.

E2: De worsteling met God.
Gen.32:25b-27 Er worstelde iemand met hem totdat de dag aanbrak. Toen de ander zag dat
hij het niet van hem kon winnen, raakte hij Jakobs heup aan, en daardoor raakte Jakobs
heup tijdens die worsteling ontwricht. Toen zei de ander: Laat mij gaan, het wordt al dag.
Maar Jakob zei: Ik laat u niet gaan tenzij u mij zegent.
Plotseling werd Jakob in het duister van de nacht aangevallen door een man, waarover de
profeet Hosea later zou profeteren dat hij zowel met God worstelde als met een engel van
God (Hos.12:4-5). Deze andere persoon kon het niet van hem winnen, zoals tot op dat
ogenblik nog niemand van Jakob had kunnen winnen, en daarom sloeg hij Jakob op zijn
heup. De heup van een man werd in die tijd gezien als de zetel van zijn kracht, want we zien
in Openb.19:16 op de heup van onze Heer Jezus de naam Koning der koningen en Heer der
heren staan; want aan de buitenkant van de heup droeg een man zijn zwaard. Maar de heup
van een man werd ook gezien als de zetel van zijn voortplanting, dan spreken we over de
binnenkant van de heup ofwel de lendenen. Jakob werd dus zowel in zijn kracht als in zijn
vermogen om vrucht te dragen gebroken door de man die met hem worstelde, en zijn heup
raakte daardoor ontwricht. Het daar gebruikte Hebreeuwse werkwoord is ‘yaqa’ dat acht keer
in het Oude Testament voorkomt en dat de betekenis heeft van ophangen, terechtstellen,
vastspijkeren of met een speer doorboren; dit doet ons denken aan de terechtstelling van
Jezus op het kruis van Golgotha.
Het Hebreeuwse woord voor heup is ‘yarek’, en dit woord wordt ook gebruikt bij het altaar in
de voorhof van de tabernakel. De noordzijde van dat altaar werd namelijk de heup genoemd
(Lev.1:11), en de zuidzijde van dat altaar werd het aangezicht genoemd; het is opmerkelijk
dat Golgotha aan de noordzijde van de berg Sion in een steengroeve ligt, waardoor Jezus
dus aan de noordkant van de tempel is geofferd. Om die reden zegt Ps.48:3 dan ook dat de
Sionsberg met zijn flank op het noorden een vreugde voor de hele aarde is en de zetel is van
de grote koning; deze uitspraak werd door Jezus geciteerd in Matt.5:35. Jakob was gewend
geweest om voor zijn leven te vluchten, eerst van Esau naar Laban en vervolgens van Laban
weer naar Esau; maar op dit moment in de donkerste nacht van zijn leven werd hem de


                                               9
kracht ontnomen om nog langer te kunnen vluchten. Op dat moment kon Jakob nog maar
één ding doen en dat is deze man om genade te smeken (Hos.12:5) en hem om een zegen
te vragen (Gen.32:27). Jakob liet deze man niet gaan voordat hij door hem gezegend was,
en zo leerde Jakob om zich vast te klampen aan de Heer.

E3: Verandering van identiteit.
Gen.32:28-33 De ander vroeg: Hoe luidt je naam? Jakob, antwoordde hij. Daarop zei hij:
Voortaan zal je naam niet Jakob zijn maar Israël, want je hebt met God en mensen
gestreden en je hebt gewonnen.
Jakob werd op een geweldige manier gezegend door de verandering van zijn naam, want de
naam Jakob was teveel verbonden geraakt met zijn gewoonte om mensen te bedriegen en
zijn leven te manipuleren in een door hemzelf gekozen richting. Hij kreeg de naam Israël, en
deze naam bevat een geweldig mysterie. De naam Israël bestaat in het Hebreeuws namelijk
uit 5 letters, en dat zijn de letters J-S-R-A-L. Deze vijf letters zijn de eerste letters van de
namen van de zeven voorouders van het volk Israël: Abraham en Sara, Jitsak (Isaäk) en
Rebekka, en Jakob met Lea en Rachel. Over de naam Israël kunnen we de volgende vier
belangrijke feiten noemen.
1 - Het Hebreeuwse woord voor Israël heeft zelf 5 letters.
2 - Er zijn 7 voorouders uit wie het volk Israël is voortgekomen.
3 - Deze namen hebben in het Hebreeuws 12 verschillende letters.
4 - De namen van deze voorouders hebben in totaal 26 letters.
Het getal 5 is het getal voor genade of een open deur naar God, het getal 7 is een aanduiding
van de volheid van het verbond, terwijl het getal 12 een aanduiding is van de twaalf stammen
van Israël; het getal 26 is de getalswaarde van Jehovah, de Hebreeuwse naam van God. De
boodschap die God hier aan ons geeft is dat Israël (12) de volheid van Gods verbond (7) in
de open deur van de genade (5) van Jehovah (26) zal zijn. De naam Israël betekent GOD
ZAL STRIJDEN, en daarmee belooft de Heer dat Hij altijd voor Zijn volk Israël zal strijden. De
mensheid heeft het volk Israël vanaf het allereerste bestaan vele malen gekweld, maar de
volken der aarde hebben Gods volk nooit definitief gebroken (Ps.129:1-2). Want de Heer zal
altijd voor Zijn volk blijven strijden totdat Hij terugkeert om zelf Koning over Zijn volk te worden
(Zach.14:9). De Heer had Jakob als mens geschapen maar door een proces een Israël uit
hem gevormd.
Jes.43:1 Welnu, dit zegt de HEER, die jou schiep, Jakob, die jou vormde, Israël: wees niet
bang, want Ik zal je vrijkopen, Ik heb je bij je naam geroepen, je bent van Mij!
Er is een groot verschil tussen de natuurlijke naam van de mens Jakob en de geestelijke
naam van de mens Israël; de getalswaarde van de naam Jakob is 182 en de getalswaarde
van de naam Israël is 541. Het verschil is dus 359, maar dit is precies de getalswaarde van
het Hebreeuwse woord satan wat tegenstander betekent; de naamsverandering van Jakob in
Israël verwijderde dus de tegenstander uit het hart van Jakob. Maar 359 is ook nog eens de
getalswaarde van het woord sittim, wat de houtsoort was die gebruikt werd voor de bouw van
de tabernakel in de woestijn, vertaald met acaciahout (Ex.25:5). De naamsverandering van
Jakob in Israël duidde dus ook op het bouwen van een huis voor God in het hart van Jakob,
en Siitim was ook de plaats waar Israël over de Jordaan het beloofde land introk (Joz.3:1).
Jakob was de door de zondeval misvormde natuurlijke mens, maar Israël was de door God
veranderde geestelijke mens, die bevrijd was van de tegenstander in het hart van Jakob, die
altijd de plannen van God voor zijn leven zou dwarsbomen. In vers 31 roept Jakob daarom
ook letterlijk in het Hebreeuws uit: Ik heb God gezien van aangezicht tot aangezicht en
mijn ziel is bevrijd.

E4: Ontmoeting met de God-Mens, Jezus de Messias.
Gen.32:30-31 Jakob vroeg: Zeg me toch hoe u heet. Maar hij kreeg ten antwoord: Waarom
vraag je naar mijn naam? Toen zegende die ander hem daar. Jakob noemde die plaats
Peniël, want, zei hij, ik heb oog in oog gestaan met God en ben toch in leven gebleven.
Vers 25 zegt dat een man met Jakob worstelde totdat de dag aanbrak, maar nadat de
worsteling voorbij is en de man verdwenen is, komt Jakob in vers 31 tot de conclusie dat hij


                                                10
oog in oog gestaan heeft met God, en dat hij toch in leven is gebleven. De profeet Hosea
profeteerde in Hos.12:4 dat Jakob met God geworsteld had, maar in vers 5 wordt gezegd dat
hij met een engel geworsteld had. M.a.w. er wordt in Gen.32 en in Hos.12 gezegd dat Jakob
met een persoon worstelde, die zowel een man als een engel en God was; dit plaatst ons
voor een opmerkelijk raadsel. Deze mysterieuze verschijning komen we vaker in het Oude
Testament tegen, zoals in Gen.22:15, waar de engel van de Heer bij zichzelf zweert alsof hij
de Heer zelf is. Jakob zelf zei later over de engel, met wie hij geworsteld had, dat hij God
was, en dat hij Jakob bevrijd had, en dat hij de zonen van Jozef zegende (Gen.48:15-16). De
speciale engel van God, die voor het volk van Israël uittrok in woestijn om het volk naar het
beloofde land te brengen, had de autoriteit om het volk al of niet hun zonden te vergeven
(Ex.23:20-23), en de Heer zegt in het Hebreeuws dat Zijn naam in deze engel aanwezig is,
zie de vertaling van NBG 1951. In Gen.16:7-13 komen we deze engel ook tegen, en Hagar
vereenzelvigt hem met God Zelf (vers 13); hetzelfde gebeurt in Gen.18, waar deze engel in
de gestalte van een mens aan Abraham en Sara verschijnt, en zij vereenzelvigen hem ook
met de Heer. In Ex.3:2 verschijnt de engel van de Heer aan Mozes in een vuur dat uit een
doornstruik opvlamt, maar in vers 4 spreekt de Heer Zelf Mozes toe vanuit de struik; m.a.w.
deze engel wordt opnieuw geïdentificeerd met de Heer Zelf.
Precies hetzelfde gebeurt in Recht.6:21-24, waar Gideon deze engel ook vereenzelvigt met
de Heer Zelf, en verbaasd is dat hij het overleefd heeft. Ook de ouders van Simson hebben
een dergelijke ontmoeting met de engel van de Heer, en ook zij begrijpen dat zij God hebben
gezien (Recht.13:22-23). In Mal.3:1 wordt geprofeteerd dat de Heer, naar wie het Joodse
volk zo verlangend uitziet, naar Zijn tempel zal komen, en dit is de engel van het verbond
naar wie zij zo verlangen. Deze engel is de engel van Gods tegenwoordigheid die Israël vaak
heeft gered (Jes.63:9). De Joden hebben dit raadsel nooit kunnen oplossen, en zij noemen
deze persoon de Metatron, waarmee zij hem beschrijven als een engel die bij God op de
troon zit en die als bemiddelaar functioneert tussen God en mensen. Het is ongelooflijk,
maar de Joden hebben daarmee onbewust het besef van de waarheid dat er een persoon is,
die bij God op de troon zit, en zowel engel als mens is. Vele Bijbelgelovige christenen
geloven dat hier sprake is van de God-Mens Jezus Christus, zoals Hij Zich geopenbaard
heeft in de tijd dat Hij nog geen mens geworden was. In vers 30 vraagt Jakob naar de naam
van deze persoon, maar daarop krijgt hij geen antwoord; hetzelfde deden later ook de
ouders van Simson, maar ze kregen het antwoord dat zijn naam veel te wonderbaarlijk was
om te noemen (Recht.13:18). In Jes.9:5 wordt Jezus de Wonderbare Raadsman genoemd,
waarbij een Hebreeuws woord van dezelfde stam als in Recht.13:18 wordt gebruikt.

E5: God gezien hebben en van Hem getuigen.
Gen.32:31-33 Jakob noemde die plaats Peniël, want, zei hij, ik heb oog in oog gestaan met
God en ben toch in leven gebleven. Zodra hij bij Peniël was overgestoken, zag hij de zon
opkomen. Jakob liep mank. Omdat de ander hem had aangeraakt bij de spier die boven het
heupgewricht ligt, eten de Israëlieten de heupspier niet, tot op de dag van vandaag.
In vers 31 noemt Jakob die plaats Peniël, wat afgeleid is van het Hebreeuwse woord El, wat
God betekent, en het werkwoord ‘panah’ wat twee betekenissen heeft, namelijk zich keren
tot en opzien naar. M.a.w. Jakob heeft zich tot God gekeerd en naar Hem opgekeken, maar
hij is toch in leven gebleven, en zijn ziel is bevrijd. Maar in vers 32 wordt een iets andere
vorm van deze naam gebruikt, namelijk Penuël, wat letterlijk betekent dat jullie je ook tot
God moeten keren en naar Hem moeten opzien. Zodra Jakob de Jabbok oversteekt, getuigt
hij van zijn ervaring en doet met deze subtiele naamsverandering een oproep tot bekering
aan iedereen die dit verhaal leest. Na deze bevrijdende confrontatie met God de Heer verlaat
Jakob het strijdperk en moet hij verder mank door het leven gaan, want hij is geslagen en
gebroken in zijn menselijke kracht. Het hier gebruikte Hebreeuwse werkwoord voor mank
lopen is ‘tsala’, dat maar vier keer in het Oude Testament voorkomt, maar de uitspraken in
de andere drie teksten zijn typerend voor de manier waarop God over kreupele mensen
denkt.
Micha 4:6 Als die tijd gekomen is, spreekt de HEER, zal Ik de kreupelen verzamelen, de
verstrooiden bijeenbrengen, verenigen wie Ik onheil heb gebracht.


                                             11
Micha 4:7 De kreupelen zal Ik sparen, van de verdrevenen maak Ik een groot volk, en op
de Sion zal de HEER hun koning zijn, van nu tot in eeuwigheid.
Sef.3:19 In die tijd zal Ik afrekenen met je verdrukkers, de kreupelen zal Ik redden, de
verstrooiden bijeenbrengen. En hen die in de hele wereld werden veracht zal Ik met eer en
roem overladen.
Onze Heer is er altijd op uit om de menselijke kracht van Zijn uitverkoren dienaren eerst te
breken, voordat Hij hen wil gaan gebruiken in Zijn koninkrijk; want onze menselijke kracht en
ons zelfvertrouwen zijn de grootste vijanden van optimale dienstbaarheid in het koninkrijk
van God. Daarom is het nodig dat wij het handelen van God in ons persoonlijke leven leren
begrijpen, want de dienaar van God is zelf zijn eigen grootste vijand in zijn dienstbaarheid
aan God; en daarom wil God Zijn dienaar breken in zijn menselijke kracht.
1 - Apostolische zalving in wonderen, tekenen, visioenen en openbaringen zijn altijd voor
elke dienaar van God een verleiding tot trots.
2 - God beschermt Zijn gezalfde dienaar daarom met problemen, zodat hij nederig blijft in
zijn zalving.
3 - Goddelijke kracht heeft te maken met het omarmen van vrijwillige zwakheid, waardoor je
gaat samenwerken met de kracht van God, waarin je leunt op Zijn kracht. Want natuurlijke
zwakheid leidt tot geestelijke kracht (Matt.11:25, 1Kor.2:1-5, 2Kor.4:7-11).
4 - Vrijwillige zwakheid komt tot expressie in bidden, vasten en geven (Matt.6:1-18), maar
onvrijwillige zwakheid wordt veroorzaakt door gevaren, vervolgingen en mishandeling.
2Kor.12:9-10 Hij zei: Je hebt niet meer dan Mijn genade nodig, want kracht wordt zichtbaar
in zwakheid. Dus laat ik mij veel liever voorstaan op mijn zwakheid, zodat de kracht van
Christus in mij zichtbaar wordt. Omdat Christus mij kracht schenkt, schep ik vreugde in mijn
zwakheid: in beledigingen, nood, vervolging en ellende. In mijn zwakheid ben ik sterk.

F: De God van alle genade.
Hos.12:5 Hij worstelde met een engel en overwon; onder tranen smeekte hij hem om een
gunst.

F1: Ontmoeting en verzoening met Esau.
Gen.33:1-4 Plotseling zag Jakob Esau op zich afkomen, met vierhonderd man. Toen
verdeelde hij de kinderen over Lea, Rachel en zijn twee bijvrouwen. De bijvrouwen en hun
kinderen liet hij voorop gaan, Lea en haar kinderen daarachter, en Rachel en Jozef helemaal
achteraan. Zelf liep hij voor iedereen uit, en terwijl hij zijn broer naderde boog hij zevenmaal
diep voorover. Esau rende hem tegemoet, sloot hem in zijn armen en kuste hem. Beiden
lieten hun tranen de vrije loop.
De zo noodzakelijke maar tegelijkertijd heerlijke confrontatie met de levende God in een zeer
belangrijke worsteling voor het verdere verloop van zijn leven was nog maar net achter de
rug, toen Jakob Esau zag aankomen. Hoewel zijn ziel bevrijd was, zou hij nog wel vele jaren
nodig hebben om te leren leven vanuit deze bevrijding; de ervaring was op dit moment nog
te vers om zijn houding te bepalen. Hij boog zevenmaal diep voorover voor zijn eigen broer,
die notabene zijn tweelingbroer was; zijn angst voor Esau was nog lang niet verdwenen. Het
Hebreeuwse woord voor zeven is ‘sheva’ wat ook de betekenis heeft van een eed t.b.v. een
verbond, een verbondseed. Jakob vroeg daarmee aan zijn broer of deze het verbond met
hem wilde vernieuwen, maar Esau was zo gezegend door de Heer in het land Seïr (33:9),
dat hij geen enkele wraakzucht koesterde tegen Jakob, en hij sloot hem in zijn armen en
kuste hem. Wanneer Israël God ontmoet heeft, kunnen de Arabieren de Joden alleen nog
maar in de armen sluiten en kussen; deze ontmoeting tussen Jakob en Esau heeft dan ook
een profetische betekenis voor de toekomst (Jes.19:23-25).

F2: Jakobs getuigenis van Gods genade.
Gen.33:5b Jakob antwoordde: Dat zijn de kinderen die God in Zijn goedheid aan mij heeft
geschonken.
Gen.33:11 Neem toch aan wat ik je heb laten brengen en waarmee God mij gezegend heeft,
want God is mij goedgezind geweest en ik heb meer dan genoeg.


                                              12
In deze beide teksten gebruikt Jakob het Hebreeuwse werkwoord ‘chanan’ wat de betekenis
heeft van genadig zijn; dit is de eerste keer dat er in de Bijbel gesproken wordt over
genade, en dat gebeurt door de man die onder tranen God om genade smeekte (Hos.12:5).
Het heeft lang geduurd, maar uiteindelijk begrijpt Jakob dat zijn leven alleen maar afhankelijk
is van de genade van God én van de God van genade. Esau zei dat hij al genoeg had (33:9),
maar Jakob getuigde dat hij meer dan genoeg had; in het Hebreeuws zei Esau dat hij veel
bezat, maar Jakob zei letterlijk dat hij alles bezat. Beide zonen van Isaäk waren gezegend
met de zegen waarmee hun vader hen vanuit zijn geloof en overtuiging gezegend had
(Hebr.11:20); de beide mannen bezaten zoveel dat zij niet samen in het beloofde land
konden wonen, en daarom vestigde Esau zich definitief in het land Seïr (Gen.36:6-8). Later
zou de Heer tegen Mozes en Israël zeggen, dat zij op weg naar het beloofde land het land
Edom niet mochten veroveren, want dat had de Heer aan Esau in eigendom gegeven
(Deut.2:4-5). Zo gingen de broers in vrede uit elkaar op grond van de zegen die hun vader
hen meegegeven had, maar nog meer op grond van de genade die God aan de derde
erfgenaam van de belofte gegeven had.

G: Hernieuwde ontmoeting met God in Betel.
Gen.35:1 God zei tegen Jakob: Ga naar Betel. Blijf daar en bouw er een altaar voor de God
die aan jou verschenen is toen je op de vlucht was voor je broer Esau.

G1: Een dramatische gebeurtenis.
Gen.34:1-2 Op een dag ging Dina, de dochter van Lea en Jakob, eens kijken bij de meisjes
van dat land. Zij werd opgemerkt door Sichem, een van de zonen van de Chiwwiet Chamor,
die over dat gebied heerste. Hij overweldigde en verkrachtte haar.
Je zou verwachten dat nadat Jakob met zijn broer Esau verzoend was, de ontwikkelingen in
zijn leven daarna voorspoedig zouden verlopen, maar vrijwel onmiddellijk daarna gebeurde
er iets verschrikkelijks. Jakob kwam met zijn hele familie en al zijn bezittingen in de buurt van
de stad Sichem aan, en daar bouwde hij een altaar dat hij “El is de God van Israël” noemde
(Gen.33:20) op een stuk land, dat hij van een zekere Chamor kocht (Gen.33:19). Nu speelde
het bouwen van een altaar van aanbidding altijd een cruciale rol in de relatie tussen God en
de aartsvaders van Israël, zie Gen.12:7+8, 13:18, 26:25, 28:18. Dit altaar versterkte de
relatie tussen God en de aartsvaders, en daarmee werd ook de bescherming van God over
Zijn dienaren bevestigd. Maar de gebeurtenissen in Gen.34 waren dramatisch ondanks het
altaar uit Gen.33:20, waarmee de Heer een boodschap aan Jakob gaf dat er nog iets beslist
niet in orde was. Het gevolg van de verkrachting was dat de zonen van Jakob diep gekrenkt
waren en woedend werden (Gen.34:7), en door middel van een list wisten ze de mannen van
Sichem buiten spel te zetten, waarna Simeon en Levi, twee volle broers van Dina, alle
mannen van de stad Sichem vermoordden, waarna alle andere zonen van Jakob de stad
plunderden (Gen.34:25-29). Toen Jakob dat hoorde, vreesde hij het ergste voor zichzelf, zijn
familie en al zijn bezittingen (Gen.34:30), maar de echte oorzaak was dat de bescherming
van de Heer niet volledig was. De blokkade voor de volledige bescherming van Jakob en al
zijn bezittingen waren namelijk de afgodsbeelden en oorringen die de zonen van Jakob en
hun gezinnen nog in hun bezit hadden.

G2: Het afrekenen met zondige blokkades.
Gen.35:2-5 Toen zei Jakob tegen zijn familieleden en tegen alle anderen die bij hem waren:
Doe de vreemde goden die jullie hebben weg, reinig je en trek schone kleren aan.
Laten we naar Betel gaan: daar wil ik een altaar bouwen voor de God die naar mij heeft
omgezien toen ik diep in de ellende zat en die mij op mijn hele reis ter zijde heeft gestaan.
Ze gaven Jakob alle afgodsbeelden die ze in hun bezit hadden, en ook hun oorringen,
en Jakob begroef alles onder de terebint bij Sichem. Daarna braken ze op. God joeg de
inwoners van de steden in de omtrek zo’n angst aan dat ze het niet waagden Jakobs zonen
te achtervolgen.
De verkrachting van Dina toonde aan dat er in de familie van Jakob een open deur was voor
het rijk van de duisternis om schade toe te brengen aan Gods uitverkoren volk, en deze open


                                               13
deur waren de afgodsbeelden en oorringen in de verschillende gezinnen van Jakobs zonen.
De Heer wilde eerst afrekenen met alle afgoden in de familie van aartsvader Jakob, voordat
Hij de derde erfgenaam van de belofte liet verder trekken in het beloofde land. Want het land
van God behoort voor eeuwig aan Israël toe vanwege het verbond met God, maar het recht
om daar te wonen is voorbestemd voor een heilig volk dat leeft vanuit een liefdevol hart en
gehoorzaamheid aan het verbond. Daarom ging de Heer eerst de confrontatie aan met de
open deur naar het rijk van de duisternis; zo leidde Hij Zijn volk naar geestelijke vernieuwing,
voordat Zijn uitverkorenen konden gaan wonen in hun erfenis.
Hos.12:5b-7 In Betel vond God hem, daar sprak Hij al tot ons. Hij is de HEER, de God van
de hemelse machten; HEER is Zijn naam! Keer voorgoed terug naar die God. Laat je
leiden door liefde en recht. Blijf voortdurend hopen op je God.
De Heer leidde Jakob en zijn familie terug naar de plaats waar Hij Zich voor de eerste keer
aan Jakob had geopenbaard, en dat was Betel in Gen.28:11-22; maar voordat Jakob de stad
Sichem achter zich liet, gaf hij al zijn zonen de opdracht om al hun afgoden aan hem te
geven, waarna hij alle afgodsbeelden en oorringen begroef (Gen.35:2-4). Daarna brak hij
met heel zijn familie op, terwijl God de inwoners van de steden in de omtrek zo'n angst aan
joeg dat ze het niet waagden om Jakobs zonen te achtervolgen (Gen.35:5). Omdat het
ontzag voor de Heer in het volk van God hersteld was, liet de Heer ontzag voor Hem op de
heidense volken neerdalen; de bovennatuurlijke bescherming van de Heer was hersteld door
het verwijderen van afgoden en het sluiten van de open deur naar het rijk van de duisternis.
Efez.4:25-27 Leg daarom de leugen af en spreek de waarheid tegen elkaar, want wij zijn
elkaars ledematen. Als u boos wordt, zondig dan niet: laat de zon niet ondergaan over uw
boosheid, en geef de duivel geen kans.

G3: Herstel van de oorspronkelijke roeping.
Gen.35:6-15 Toen Jakob met alle mensen die met hem meetrokken in Luz aangekomen
was, het huidige Betel in Kanaän, bouwde hij er een altaar; hij noemde die plaats “God is in
Betel”, omdat God zich daar aan hem geopenbaard had toen hij op de vlucht was voor zijn
broer........ Nu Jakob was teruggekeerd uit Paddan-Aram, verscheen God hem opnieuw, en
Hij zegende hem. Hij zei: Tot nu toe heette je Jakob. Die naam zul je niet langer dragen:
Israël is je nieuwe naam. Zo gaf God hem de naam Israël. En Hij vervolgde: Ik ben God, de
Ontzagwekkende. Wees vruchtbaar en word talrijk; je zult uitgroeien tot een volk, tot een
hele menigte volken, en er zullen koningen uit je voortkomen. Ik geef jou het land dat Ik aan
Abraham en aan Isaak heb gegeven; ook aan je nakomelingen geef Ik dit land. Hierna ging
God weg van de plaats waar Hij met Jakob had gesproken. Daar, op die plaats, zette Jakob
een steen rechtop, en hij wijdde hem door er een wijnoffer op te brengen en er olie over uit te
gieten. Hij noemde die plaats, waar God met hem had gesproken, Betel.
Na meer dan 20 jaren komt Jakob op de plaats waar de Heer Zichzelf voor de eerste keer
aan hem geopenbaard had; dat gebeurde in Gen.28:11-22. Bij de tweede ontmoeting tussen
de Heer en Jakob zei de Heer tegen hem dat hij terug moest gaan naar het land van zijn
voorouders (Gen.31:3). Bij de derde ontmoeting tussen de Heer en Jakob worstelden zij met
elkaar, waarbij Jakob op de heup geslagen werd en de naam Israël ontving (Gen.32:25-33).
Bij de vierde ontmoeting zei God tegen Jakob dat hij door moest reizen naar Betel voor een
nieuwe ontmoeting met de Heer (Gen.35:1). En in Gen.35:9-13 vindt de vijfde ontmoeting
tussen God en Jakob plaats, en wordt de roeping van God over het leven van de aartsvader
vernieuwd en bevestigd. Opnieuw krijgt Jakob te horen dat Israël zijn nieuwe naam zal zijn
(vers 10), waarna God opnieuw belooft dat Hij Jakob en zijn nageslacht overvloedig zal
zegenen. In vers 14 plaatst Jakob de derde gedenksteen in zijn leven als gedenkteken voor
deze gedenkwaardige ontmoeting. Zijn eerste gedenksteen had hij ook al geplaatst in Betel
(Gen.28:18), zijn tweede gedenksteen plaatste hij als een grenspaal tussen zichzelf en zijn
schoonvader Laban (Gen.31:45), en zijn vierde en laatste gedenksteen zou hij vlak na zijn
derde gedenksteen plaatsen op het graf van zijn lievelingsvrouw Rachel (Gen.35:20).
Tenslotte komt Jakob terug bij zijn vader Isaäk, en krijgt hij ruimschoots de tijd om zijn relatie
met zijn vader te herstellen, want het zou nog zeker 20 jaar duren voordat Isaäk zou sterven
(Gen.35:27-29).


                                               14
Vanaf Genesis 37 begint het verhaal van Jozef, de elfde zoon van Jakob, een verhaal dat
Jakob heel veel pijn en verdriet zou bezorgen, omdat hij opnieuw geconfronteerd werd met
de gevolgen van leugen en bedrog tussen broers. Maar het leven van Jakob eindigt op een
onvoorstelbare grootse en koninklijke manier, want nadat hij Jozef na vele jaren achterna is
gereisd naar Egypte, zegent Jakob de machtigste koning van de hele aarde maar liefst tot
tweemaal toe (Gen.47:7+10). De echte geestelijke werkelijkheid van die gebeurtenis is dat
de machtigste aardse koning van dat moment gezegend wordt door een van de machtige
koningen van Gods hemelse koninkrijk, want Jakob was een Israël geworden, een vorst van
God. En vlak voordat hij het aardse leven verlaat, geeft het leven van Jakob een prachtige
demonstratie van wat God kan doen door een ontspoorde persoon met een manipulerende
hartsgesteldheid. Want in Genesis 49 profeteert Jakob of liever Israël met de zalving van de
Heilige Geest over zijn 12 zonen en met hen de 12 stammen van Israël; Israël, een vorst van
God, profeteert over de toekomst van het volk van God met dezelfde naam Israël. Zo eindigt
het leven van een man die door de genade van God langzaam maar zeker zichzelf had leren
overwinnen door de vele beproevingen, die God in zijn leven toestond. Het leven van Jakob
is een zeer bemoedigend verhaal voor iedere gelovige uit het Oude en Nieuwe Testament,
want het laat zien dat God genadig is voor elk van Zijn kinderen, en dat onze hemelse Vader
nooit spijt heeft van het feit dat Hij ons geroepen heeft. Want onze God en Vader is volledig
bij machte het werk dat Hij in ons begonnen is volledig te voltooien tot aan de volmaaktheid
toe, zonder daarbij afbreuk te doen aan onze persoonlijke vrijheid.
Rom.11:29 De genade die God schenkt neemt Hij nooit terug, wanneer Hij iemand roept
maakt Hij dat niet ongedaan.
Num.23:19 God is geen mens, dat Hij Zijn woord zou breken of terug zou komen op Zijn
besluit. Zou Hij beloven en niet vervullen, Zijn woord geven en het niet gestand doen?
1Kor.1:8-9 Hij is het die u tot het einde toe de zekerheid geeft dat u geen blaam zal treffen
op de dag van onze Heer Jezus Christus. God, door wie u geroepen bent om één te zijn met
Zijn Zoon Jezus Christus, onze Heer, is trouw.
Fil.1:6 Ik ben ervan overtuigd dat Hij die dit goede werk bij u begonnen is, het ook voltooien
zal tot aan de dag van Christus Jezus.
1Tess.5:23-24 Moge de God van de vrede Zelf uw leven in alle opzichten heiligen, en mogen
heel uw geest, ziel en lichaam zuiver bewaard zijn bij de komst van onze Heer Jezus
Christus. Hij die u roept is trouw en doet Zijn belofte gestand.
Laten we daarom nooit de vreselijke vergissing maken om trots te zijn op het succes van ons
leven als christen, want wanneer wij succesvol zijn in ons geloof, dan is dat nóóit omdat wij
zulke goede volgelingen zijn, maar altijd omdat Jezus zo'n goede Leider is. Stel daarom je
vertrouwen in Zijn kwaliteiten om jou te leiden en nooit in jouw kwaliteiten om Hem te volgen.
Want Hij die jou roept is trouw en Hij doet Zijn belofte gestand!!

V.v.d.B. 




                                             15

								
To top