4 Dionysius en andere mystici by N6U126bw

VIEWS: 0 PAGES: 12

									4. Dionysius en andere mystici over bestaanslagen en hun geestelijke
bewoners

In het derde artikel zagen we de frappante overeenkomsten tussen wat hedendaagse fysici
hebben ontdekt en wat mystieke filosofen al in de oudheid beweerden. Er is één onmetelijk
bewustzijn dat zich manifesteert als een multidimensioneel energieveld. De buitenste schil
van dat ene energieveld is ons stoffelijke heelal met haar dimensies van ruimte en tijd.
         We zagen ook hoe de neoplatonist Plotinus dit ene multidimensionele energieveld
verdeelt in ‘hypostasen’, een soort kosmische lagen. Wat eerder nog niet ter sprake is
gekomen, is dat Plotinus het er ook over heeft dat we na onze fysieke dood naar deze
hypostasen gaan. De hypostasen zijn dus in feite gelijk aan wat sommige religieuze tradities
de ‘hemelen’ noemen. Dit idee wordt erdoor bevestigd dat Plotinus ook spreekt over
‘daimons’ die in de hypostasen wonen, geestelijke wezens die ver boven ons verheven zijn.
Zij begeleiden de mensen op hun levensweg.
         Wie in een New Age-boekwinkel gaat kijken, vindt allerlei literatuur waarin deze
zelfde kosmologie met andere woorden wordt uitgedrukt. Wat Plotinus ‘hypostasen’ noemt,
wordt aangeduid als ‘hemelsferen’ of ‘geestelijke sferen’, meestal onderverdeeld met
termen als ‘etherisch’ en ‘astraal’. De geestelijke wezens worden dan ‘engelen’ genoemd of
‘lichtwezens’. Dergelijke literatuur wordt doorgaans noch door de academische theologie
noch door de natuurwetenschap serieus genomen. Welnu, in dit artikel wil ik laten zien dat
het bij indelingen van geestelijke bestaanslagen en hun bewoners gaat om verwoordingen
van een universele wijsheid die in alle wereldreligies terug te vinden is, ook in de christelijke
traditie.
1) Daartoe sta ik in de eerste paragraaf uitvoerig stil bij een zeer invloedrijk christelijk
mystiek theoloog, de vijfde eeuwse Syrische monnik die zich Dionysius de Areopagiet
noemde. Zijn beschrijvingen van God, de hemelen en de rangorde van hemelwezens is
overduidelijk geïnspireerd door het neoplatonisme. Zijn ‘hemelse hiërarchie’ was in de
middeleeuwen toonaangevend voor christelijke mystici. En binnen de katholieke kerk hoort
de rangorde van de engelen tot op de dag van vandaag tot de officiële geloofsleer.
2) Parallel aan de indeling Dionysius bespreek ik vervolgens in de tweede paragraaf een
aantal niet-christelijke mystici die soortgelijke beschrijvingen van hemellagen en hun
bewoners hanteren.
3) Dit artikel besluit met het aangeven van een rode draad in al deze beschrijvingen van de
hemelen en hun bewoners. Dit allereerst om aan te tonen dat de gelaagdheid van de kosmos
een oeroude universele wijsheid is. Het aantal hemellagen dat door de verschillende
tradities wordt aangehouden verschilt weliswaar. Maar het zal blijken dat dit geen
tegenstrijdigheid inhoudt. Op de tweede plaats zal worden aangetoond dat de geestelijke
wezens, die de Bijbel ‘engelen’ noemt, geen puur mythische wezens zijn, maar onze
geestelijke buren. Het zijn medebewoners van onze kosmos in minder stoffelijke lagen dan
onze aarde. De reden dat bijna doden lichtwezens zien, is dat we na onze fysieke dood
terugkeren naar de geestelijke bestaanslagen waar ook deze lichtwezens wonen.

1. Dionysius over de hemelse hiërarchie

Dionysius de Areopagiet

Pseudo-Dionysius
Het eerste wapenfeit over deze vijfde eeuwse Syriër is dat zijn naam Dionysius de Areopagiet
gefingeerd is. Daarom wordt hij meestal Pseudo-Dionysius genoemd. Dergelijke vervalsingen
waren destijds gebruikelijk om aan iemands werk extra zeggingskracht te geven. De echte
Dionysius de Areopagiet leefde in de eerste eeuw. Hij was een Athener van wie in de
Handelingen der Apostelen wordt gezegd dat hij in gesprek raakt met Paulus. De overige
Atheners hadden Paulus’ prediking over de verrijzenis van het lichaam als onzin van de hand
gewezen. Maar Dionysius zei dat hij Paulus nog wel eens zou willen horen.1 De naam
‘Dionysius de Areopagiet’ is dus verbonden met de verbinding van de Griekse filosofie en de
Bijbel.
        We weten dat er in de eerste eeuw al christelijke schrijvers waren die deze
verbinding legden. En wel door Christus neer te zetten als de ‘logos’ waar ook de Griekse
filosofie over spreekt. Zo lezen we in de opening van het Johannesevangelie: ‘Het Woord (in
de Griekse grondtekst staat ‘de Logos’) is vleesgeworden en het heeft onder ons gewoond’.
Christus wordt gepresenteerd als het summum van de geïncarneerde ‘logos’. Dus: door zich
uit te geven voor de Bijbelse Areopagiet plaatst de schrijver van de ‘hemelse hiërarchie’ zijn
werk aan het begin van een traditie die de Bijbel en de Griekse filosofie samensmelt tot één
waarheid.

De hemelse hiërarchie

Hoe komt Dionysius aan zijn indeling van de hemelen en hun bewoners? Hij beweert
hemelse schouwingen van ‘heilige theologen’ weer te geven (6.1). Omdat hij de schijn hoog
wil houden dat hij Dionysius de Areopagiet is en dus in de eerste eeuw leefde, verwijst hij
niet naar zijn eigenlijke neoplatonistische leermeesters. Hij beweert te zijn onderricht door
Paulus en andere apostelen en verwijst voortdurend naar Bijbelteksten waarin rangen van
hemelwezens worden genoemd:
cherubijnen (o.a. Genesis 3,24), serafijnen (o.a. Jesaja 6, 2-6), krachten (o.a. Ef 1,21), ‘tronen,
hoogheden, heerschappijen en machten’ (1 Kol. 15-17), aartsengelen (1 Thes. 4,16) en
engelen (o.a. Lc. 2,13).
        Dionysius houdt een verdeling aan van negen hemelen. In elke hemel woont één van
deze negen engelenscharen. De hoogste hemelwezens staan het dichtst bij God en geven
het goddelijke Licht door naar beneden. De term ‘engelen’ is volgens Dionysius verwarrend
omdat deze eigenlijk alleen van toepassing is op de laagste rang van hemelwezens die het
dichtst bij de aarde en de mens staan. Via de acht hogere hemelwezens komt het goddelijke
licht terecht bij de negende en laagste rang: de engelen. Zij werken als beschermers van en
boodschappers voor de mensheid. Trouwens: ook de hogere hemelwezens hebben het
vermogen om bij gelegenheid neder te dalen naar de aarde en fysieke vorm aan te nemen.
Dit laatste is ook wel nodig want het licht van de hogere engelen zou de aarde en de mens
verschroeien. De mensheid kan alleen het licht van de allerlaagste engelen verdragen.
        De term ‘licht’ moet dan niet te letterlijk worden opgevat. Het goddelijke Licht is
‘voorbij licht’ (3.2). Wat wij ‘licht’ noemen is slechts een benadering van ‘de uitstroming van
een immaterieel geschenk van licht’ (1.3). In termen van de huidige natuurkunde zou je
kunnen zeggen dat het goddelijke Licht qua trillingshoogte onnoemelijk veel hoger is dan het
elektromagnetisch spectrum dat wij waarnemen als licht. Het Licht van de engelen is gelijk
aan de trillingshoogte van de eerste hemel. Deze trillingshoogte is zeer hoog vergeleken bij
ons lichtspectrum, maar zeer laag vergeleken bij dat van de hogere hemelsferen.
1
    Handelingen 17: 22-32.
        Dionysius bespreekt de negen scharen van hemelwezens in drie triaden, beginnend
bij de allerhoogste hemelwezens die in de onmiddellijke nabijheid van de Allerhoogste
wonen:
- De eerste triade: de Serafijnen, de Cherubijnen en de Tronen;
- De tweede triade: de Heerschappijen, de Krachten en de Machten;
- De derde triade: de Hoogheden (Vorstendommen), de Aartsengelen en de Engelen.
Hij vergelijkt de rangorde van deze engelen met spiegels die het goddelijke licht doorgeven:
‘Zo wordt verzekerd dat, als de leden deze volle goddelijke schittering hebben ontvangen, ze
het licht gul kunnen doorgeven, in overeenstemming met Gods wil, aan wezens van een
lagere rang’ (3.2). Hierin herkennen we de trapsgewijze emanatie van de Ene van hypostase
naar hypostase zoals Plotinus die beschrijft (zie vorig artikel).2
        Dionysius maakt steeds weer duidelijk dat de Bijbel beelden gebruikt om over de
hemelwezens te spreken, om tegemoet te komen aan ons beperkte voorstellingsvermogen.
Zo staan wind en vleugels voor de voor onze begrippen onvoorstelbaar snelle wijze van
voortbewegen. De priesterlijke kleding staat voor hun vermogen om mensen spiritueel te
begeleiden. Speren en bijlen staan voor hun vermogen om vlijmscherp te onderscheiden.
(15.4). ‘Het woord van God gebruikt poëtische beelden als deze vormloze intelligenties
worden besproken. Dit gebeurt niet omwille van kunst, maar om ons verstand te verheffen
op een wijze die geschikt is voor haar aard’(2.1).

Dionysius en de christelijke traditie
Dionysius beschrijving van de hemelen en de hemelwezens staat in een lange christelijke
traditie. Er waren tal van door Plato geïnspireerde theologen die al voor hem spraken over
een hemelse rangorde.
        In het kielzog van de evangelist Johannes en de Joodse wijsgeer Philo werd er in de
eerste eeuwen door christelijke theologen heel wat schrijfwerk verricht om Bijbelse
geschriften te koppelen aan Griekse filosofen. We zagen in het vorige artikel dat dit vooral
gebeurde in Alexandrië. Bij hen was de wijsheid van de verschillende hemelsferen en de
rangorde van hemelwezens bekend.3 Wel legden verschillende stromingen verschillende
accenten.
- Er waren de zogenoemde ‘gnostische’ theologen die het dualisme van Plato radicaliseerden
door de materiële schepping, en dus ook het lichaam, als kwaad te zien. We zagen al in het
vorige artikel dat Plotinus zich in zijn Enneaden scherp van deze gnostische opvatting afzet
door te stellen dat de materie goddelijk bezield is. Ook kerkelijke christelijke theologen
hebben deze visie op Gods goede Schepping altijd volgehouden.4 Dat de wijsheid van de
verschillende hemelen bij gnostici bekend was, blijkt uit het gnostische geschrift: ‘De
openbaring van Paulus’ waarin de apostel verschillende hemelsferen bezoekt en daar ook

2
  Sommige passages van Dionysius zijn dermate neoplatonistisch van aard dat boze tongen beweren dat het
eigenlijk om een werk van Proclus gaat, een vijfde eeuwse Griekse neoplatonist, waar Dionysius alleen een
christelijke saus overheen gegoten zou hebben.
3
  Waarschijnlijk vindt de wijsheid van de verschillende hemelsferen haar oorsprong in oud-Egyptische
zogenoemde ‘hermetische’ geschriften die via de Griekse filosofie ook in de christelijke traditie terecht
kwamen. Hierover meer in de tweede paragraaf.
4
  De gnostici kwamen om verschillende redenen in aanvaring met de kerk. Ze verwierpen het Oude Testament.
Ook beweerde men dat de christen geen priester nodig heeft om in directe relatie met God te treden. De
kennis (Grieks: gnosis) van God leeft volgens de gnosticus diep in ieder mens. Vooral dit laatste fundamentele
meningsverschil leidde tot bloedige vervolgingen van gnostici door de kerk. De laatste gnostici stromingen,
waaronder de Katharen, werden in de middeleeuwen volledig uitgeroeid.
verschillende hemelwezens tegenkomt (‘vorsten’, ‘overheden’, ‘aartsengelen’, ‘krachten’,
‘het hele ras van demonen’).5
- Er waren destijds in Alexandrië ook platonistische christelijke theologen die de huidige kerk
nog steeds als kerkleraren beschouwt. De eerste was Clemens (125-215), de andere
Origenes (185-254). Origenes was, net als Plotinus, een leerling van de grote Plato-kenner
Ammonius Saccas. Het was bij neoplatonistisch geïnspireerde theologen als Origenes
gebruikelijk om te spreken over verschillende ‘hemelse woningen’6, waar de ziel naartoe
gaat na de dood en waar ook engelen wonen, ‘ieder soort naar rangorde’.7
        Het ligt voor de hand om Dionysius’ hemelse rangorde te zien als een samenvatting
van de sterk neoplatonistisch gekleurde theologie van de eerste vijf eeuwen. Maar hij zou
zich dus verraden hebben als hij naar zijn neoplatonistische leermeesters zou hebben
verwezen. Om de schijn hoog te houden dat hij de eerste eeuwse Areopagiet is, baseert hij
zich louter op tal van Bijbelpassages en laat daarbij geen mogelijkheid onbenut om de
neoplatonistische filosofie en de christelijke openbaring met elkaar te verbinden. Zo vertaalt
hij Romeinen 11,36 als: ‘Want uit Hem en tot hem en voor Hem zijn alle dingen’ (1.1)8. Op
deze wijze plaatst hij dit Bijbelcitaat binnen de neoplatonistische overtuiging dat al het
geschapene uit God is voortgevloeid en ook weer in hem zal terugkeren. Verder
interpreteert hij de uitdrukking dat Christus ‘de toegang heeft ontsloten’ (Rom. 5,2) als
openen van de ‘immateriële ogen’ die nodig zijn om de hemelse hiërarchieën te schouwen
(I.2). Deze en andere passages zijn doordenkt van het neoplatonisme van zijn dagen. In zijn
beschrijving van de materie is het bijna alsof we de Enneaden lezen:

        Niets zou kunnen bestaan zonder in enige mate te delen in het zijn en de bron van
        alles. Zelfs de levenloze dingen hebben hierin deel, want het is de transcendente
        Godheid die het bestaan is van elk zijnde (4.1). De materie verdankt haar bestaan
        immers aan absolute schoonheid en ze blijft een echo van deze geestelijke
        schoonheid behouden (2.5).

Tot zover de traditie die aan Dionysius voorafging. Wat met zekerheid kan worden gezegd, is
dat zijn rangorde van de hemelwezens, en daarmee de verdeling van de hemel in negen
sferen, tot en met de middeleeuwen werd gehanteerd. Toonaangevende middeleeuwse
christelijke mystici houden Dionysius’ rangorde aan:
- Hildegard van Bingen (1098-1179) tekent negen hemelsferen in haar prachtige mandala
(schilderij met cirkels) van de engelenkoren, te zien op
http://hildegardvanbingen.nl/Hildegard%20Engelenkoren%202.htm. Hildegard-kenner
Wilbrink geeft de volgende toelichting: ‘Vanaf de aarde blikt Hildegard omhoog en ziet als in
een zee van licht de negen koren der engelen. In concentrische kringen staan zij gericht naar
het middelpunt. De rij aan de buitenkant wordt door de engelen ingenomen. Zij hebben
vleugels, want ‘sneller als de gedachte vliedt, beweegt hen het verlangen aan Gods wil
gehoor te geven.’ […] Op de tweede rij zweven de aartsengelen. […] In vijf verdere rijen
volgen de krachten, machten, vorstendommen, heerschappijen en tronen. De tronen
hebben geen menselijke trekken, maar gloeien als het morgenrood. […] Op de volgende rij

5
  J. Slavenburg en W.G. Glaudemans, Nag Hammadi geschriften I, Deventer 1994, pag. 254.
6
  Bijvoorbeeld: Origenes, De Principiis, IV.III.9.
7
  Ibid. I.VIII.4.
8
  De Nederlandse vertaling van dit citaat en de volgende is tot stand gekomen na raadpleging van de Griekse
grondtekst met Latijnse vertaling (Cordier 1634) en de Engelse vertaling (Pseudo-Dionysius 1987).
verbeelden de cherubijnen, die vol ogen zijn, het alweten van God. Zij staan vertrekkensklaar
met uitgeslagen vleugels. De serafijnen op de binnenste rij branden als vuur. Uit deze koren
klinkt als het ware een veelstemmige muziek op; zij verkondigen in een heerlijke samenzang
de wonderen die de Heer in de zielen uitwerkt — een hooglied ter verheerlijking van God’.
- Thomas van Aquino (1226-1274) wijdt een summa aan de engelen en vermeldt Dionysius
daarin maar liefst 40 keer. Engelenkundige Giovetti over Thomas’ summa over de engelen:
‘Hij sprak er met zoveel diepgang en scherpzinnigheid over en hij wist zich op een zo
overtuigende manier te uiten dat zijn tijdgenoten hem al Doctor Angelicus noemden.
Thomas van Aquino verklaart dat de engelen uitsluitend immateriële en spirituele naturen
hebben. Hun aantal is ontelbaar. Zij verschillen van elkaar in wijsheid en perfectie en worden
onderverdeeld in koren en hiërarchieën’.9
- Dante Alighieri (1265-1321) beschrijft in ‘het Paradijs’, het derde deel van De Goddelijke
Komedie, negen hemelkringen. In elk van deze kringen wonen een bepaald type engelen.
Dante baseert zich op de rangorde van Dionysius.
- Van Johannes van het Kruis (1542-1591) is bekend dat hij Dionysius las en zich ook op hem
baseerde. Dit blijkt o.a. uit het volgende citaat uit zijn commentaar op zijn gedicht ‘De
donkere nacht van de ziel’: ‘De wijsheid van God daalt immers af van de hoogste rangen
naar de lagere en vandaar naar de mensen. Daarom wordt ook in de Heilige Schrift van alle
werken die de engelen verrichten en hun ingevingen naar waarheid en in eigenlijke zin
gezegd dat God het doet en dat zij het doen. Want gewoonlijk geeft Hij ze door hen en zij
geven ze weer van de ene rei naar de andere zonder vertraging. Het is ermee als met een
zonnestraal, die achtereenvolgens wordt opgevangen door vele ruiten die op een rij staan.
Weliswaar gaat de straal door alle ruiten heen. Maar toch geeft de ene ruit die straal door
en deelt ze mee aan de volgende. Hierbij wordt de straal min of meer gewijzigd volgens de
vorm van de ruit; ze wordt iets verkort of verzwakt, al naargelang die ruit dichter bij of
verder van de zon staat.10
         De engelenhiërarchie is tot de leer van de katholieke kerk blijven behoren. In de
nieuwste catechismus staat over de hemelwezens: ‘Als louter geestelijke wezens beschikken
zij over intelligentie en wil: het zijn persoonlijke en onsterfelijke schepselen. Zij overtreffen
alle zichtbare schepselen in volmaaktheid. De glans van hun heerlijkheid is er getuige van’
(par. 330). De rangorde van Dionysius wordt als zodanig niet meer vermeldt, maar de
verscheidenheid van de engelen wordt wel aangeduid door te verwijzen naar ‘tronen en
hoogheden, heerschappijen en machten’ in Kollozensen 1, 16. De nieuwste catechismus zegt
weinig over de gelaagdheid van de hemel. Er wordt weliswaar soms van ‘hemelen’
gesproken, maar dan eigenlijk alleen als men Matteus citeert die consequent sprak over ‘het
koninkrijk de hemelen’ (i.p.v. het koninkrijk Gods). Toch wordt er aangaande ‘de voorspraak
van de heiligen’ minimaal gesuggereerd dat de hemel een bepaalde hiërarchie kent. Grote
heiligen zijn immers ‘inniger met God verbonden’ dan gewone gestorvenen (par. 956). En
aangezien het in de katholieke leer zo is dat de ziel, na de dood van het lichaam, voor eeuwig
haar vaste plaats in de hemel inneemt, zou dit betekenen dat er voor eeuwig een rangorde
blijft van gestorvenen, zaligen en heiligen. Dit zou dan in tegenstelling zijn met andere
geestelijke stromingen die beweren dat elke ziel, ook die van de engelen, ook in de
hemelsferen kansen krijgt om door te groeien en dat alle zielen ooit God zullen bereiken.
Deze visie werd in de katholieke kerk verkondigd door Origenes, maar in de zesde eeuw

9
  Paola Giovetti, Engelen, Hemelse boodschappers van licht, Beschermers van de mens, (Den Haag 1992), pag.
42.
10
   Joannes van het kruis, Mystieke werken, Gent 1975, pag. 910-911.
verworpen (hierover meer in het zesde artikel). In de nu volgende paragraaf zal blijken dat
Origenes’ visie op de uiteindelijke verlossing van alle zielen zeer dicht staat bij wat
verschillende niet-christelijke mystici beweren.

2. Niet-christelijke mystici over geestelijke bestaanslagen en hun bewoners

De Indiase traditie
De oudste bekende teksten waarin er over een gelaagde kosmos wordt gesproken, vinden
we terug in Indiase heilige geschriften die o.a. de basis vormen van het hindoeïsme en het
boeddhisme. In deze geschriften wordt er gesproken over verschillende zogenoemde
‘loka’s’: bestaansniveau’s of geestelijke rijken. Er worden drie rijken onderscheiden die ieder
weer hun eigen onderscheidingen kennen. In elk van deze rijken wonen bepaalde geestelijke
wezens:
    1) Kamaloka: in dit rijk is er nog sprake van materie, van vormen. Er wonen geestelijke
         wezens die sterk aan materie gehecht zijn. Ze zijn voortdurend op zoek naar
         bevrediging van hun behoeften.
    2) Rupaloka of Devachan: dit rijk kent weliswaar nog materie, maar de geestelijke
         wezens die er wonen zijn ver gevorderd in het loslaten van hun hechting aan vormen.
    3) Arupaloka: dit rijk is puur geestelijk, vormloos. De geestelijke wezens die er wonen
         zijn los van iedere hechting aan vormen. Ze staan aan de drempel van de totale
         verlichting: de staat van nirvana.
Als de mens sterft, bepaalt karma (de kosmische wet van oorzaak en gevolg) naar welke van
deze geestelijke rijken hij wordt toegetrokken. Wie nog erg gehecht is aan materie, en dus
sterk is gericht op behoeftenbevrediging, gaat naar kamaloka. Wie al enigermate onthecht is
van vormen, gaat naar rupaloka en wie geheel onthecht is van vorm naar arupaloka. Zowel
het hindoeïsme als het boeddhisme kent de cyclus van voortdurende wedergeboorten. De
overledene komt net zo vaak terug op aarde, in kamaloka, in rupaloka of in arupaloka totdat
de volledige verlichting, de staat van nirvana, is bereikt.
        De oplettende lezer ziet ogenblikkelijk de overeenkomsten met de Enneaden van
Plotinus. Allereerst: de verschillende hypostasen die, vanaf de stoffelijke aarde gezien,
steeds minder stoffelijk worden. De ziel verhuist van hypostase naar hypostase om
uiteindelijk op te gaan in de boven elke vorm verheven Ene. Ook de rangorde van
hemelwezens van Dionysius zien we terug: elk loka bevat verschillende geestelijke wezens.
In kamaloka wonen ‘hellewezens’ en in de hogere loka’s goddelijke wezens (‘deva’s’).
        De boeddhistische traditie kent een schilderij van het ‘wiel der wedergeboorte’
waarin zes bestaansniveaus worden onderscheiden en daar verblijvende geestelijke wezens
worden afgebeeld. Net als bij het schilderij van Hildegard van Bingen gaat het om een
mandala, een afbeelding bestaande uit cirkels, waarin ook geestelijke wezens staan
afgebeeld. (Zie: http://en.wikipedia.org/wiki/Bhavacakra). Binnen het Tibetaanse
boeddhisme kent men verder de traditie van het waken bij een pas overledene. Er wordt
dan voorgelezen uit het ‘boek van leven en sterven’. Men gaat ervan uit dat de overledene
vlak na diens dood verschillende bewustzijnstoestanden, bardos genoemd, doorloopt die
overeenkomen het de zes bestaansniveaus. De voorgelezen tekst helpt de overledene om
deze bardos zo gunstig mogelijk te doorlopen. Na 49 uren door de bardos te hebben gereisd,
bereikt de overledene in het gunstigste geval de verlichting; anders incarneert hij opnieuw in
één van de bestaansniveaus. (Meer hierover in artikel 6).
De Egyptische traditie
Sommigen beweren dat Plotinus, en hellenistische geleerden voor hem, hun wijsheid putten
uit contacten met Indiase geleerden. Op zich is dit alleszins mogelijk. We zagen eerder dat
Alexandrië, aan de Egyptische middellandse zee, in de (voor)christelijke oudheid het
intellectuele centrum van de westerse wereld was. En het is bekend dat daar destijds ook
boeddhistische geleerden aanwezig waren. Van de alexandrijnse kerkvader Clemens (125-
215) wordt beweerd dat hij de eerste christen is geweest die de Boeddha citeerde. En de
opvattingen van Origenes lijken zeer sterk boeddhistisch gekleurd: vooral zijn opvatting over
de zielsverhuizing en de uiteindelijke verlossing van alle zielen.
        Maar het hoeft niet per se zo te zijn dat de hellenistische wijsheid van het gelaagde
heelal uit India is gekomen. Deze wijsheid kan namelijk ook via Egypte de Griekse filosofie
hebben bereikt. Nadat in de vierde eeuw voor Christus de troepen van Alexander de Grote
het gebied rond de middellandse zee onder de voet hadden gelopen, kwamen Griekse
filosofen namelijk in contact de Egyptische mythologie. De Grieken herkenden hun eigen
godheid Hermes in de Egyptische godheid Thot. De Grieken noemden hem: Hermes
Trismegistus.
        Thot geldt als schrijver van het Egyptisch dodenboek dat vanaf de 16de eeuw voor
onze jaartelling werd gebruikt. Thot weegt het hart van de overledene om te bepalen of
diens ziel verder mag reizen door het hiernamaals. Het leven in het hiernamaals wordt
gezien als een continuering van het leven op aarde, waar alleen het fysieke lichaam is
achtergebleven. Andere delen van het bewustzijn reizen verder door de volgende geestelijke
werelden, waar zich allerlei goden bevinden. Het dodenboek is bedoeld om de dolende ziel
op weg te helpen naar de hoogste geestelijke wereld ‘Amenti’, waar ‘de ontmoeting met de
levende God’ plaatsvindt.11
        Aan deze Thot werden nog vele andere geschriften toeschreven. Deze geschriften
staan nog steeds bekend als de ‘hermetische geschriften’. Het gaat zeer waarschijnlijk om
geschriften van zeer verschillende auteurs in zeer uiteenlopende perioden. Wat ze
gemeenschappelijk hebben is dat Thot (Hermes) de centrale figuur is. In één van deze
geschriften, dat is teruggevonden als onderdeel van de Dode Zeerollen, is er sprake van
Hermes die een leerling meeneemt op reis door de negen hemelsferen. Het is zeer
waarschijnlijk dat deze tekst feitelijk in de eerste eeuwen van onze jaartelling tot stand is
gekomen in Alexandrië, waar destijds bloeiende hermetische genootschappen bestonden.12
Het gaat hier dan dus om een mengeling van oud-Egyptische mythologie en Griekse filosofie.

Jodendom en islam
Ook de mystieke stromingen van het jodendom en de islam kennen de wijsheid van de
verschillende hemelen en hun bewoners.
       In de Kabbala, de mystieke stroming van het jodendom, worden vier werelden
onderscheiden. Het gaat in feite om ‘verschillende dimensies’, ‘vier algemene niveaus van de
werkelijkheid’ waar ‘het bewustzijn voortdurend tussen op en neer en heen en weer
pendelt’. Het is niet moeilijk om in deze kosmologie de overeenkomsten met de hypostasen
van Plotinus te ontdekken. God straalt goddelijk Licht uit en schept zo ‘atsiloet’, de wereld
van de geest. Door de verdere uitstraling van het Licht is ‘beria’ ontstaan, de wereld van het



11
     Het Egyptisch Dodenboek, Deventer (1992), pag. 18.
12
     Slavenburg en Glaudemans, a.w., pag. 395-406.
intellect waar zich ook de ideeën bevinden. Deze wereld straal verder uit in ‘jetsira’, de
wereld van de emoties en tenslotte in ‘assia’, de fysieke wereld.13
De kabbala kent ook het schouwen van deze verschillende bestaansniveaus als reis door de
verschillende hemelen. Dit is wat we bij Plotinus zagen als het schouwen van de hypostasen
en bij Hermes bij diens reis door de hemelsferen. Later meer over dit verschijnsel. Voor nu
beperk ik me ertoe dat ieder mens, volgens de joodse mystiek, in elk geval nadat hij sterft
door de verschillende hemelen reist. Nadat er een uitzuivering heeft plaatsgevonden in het
vagevuur, gaat de ziel verder naar het ‘benedenparadijs’ en vervolgens naar het
‘bovenparadijs’. Het paradijs wordt in zeven niveaus verdeeld, elk niveau met haar eigen
soort engelen.14
        Ook de islam kent verschillende hemelen. In de koran staat in de passage 2 de koe
29: ‘Toen wendde Hij zich tot de hemel en fatsoeneerde hem tot zeven hemelen’. Ook kent
de Islam verschillende soorten engelen. Er is een opmerkelijk gedicht overgeleverd van
moslimmysticus Rumi (1207-1273), de stichter van de dansende derwisjen. Daarin wordt
gesuggereerd dat ieder levend wezen alle stadia van het leven op aarde en in de hemelen
doorloopt om uiteindelijk met God verenigd te worden:

        Ik stierf als mineraal en werd een plant,
        Ik stierf als plant en ik herrees als dier,
        Ik stierf als dier en zie, ik was een mens.
        Wat zou ik vrezen? Nam ik af door sterven?
        Nog eenmaal zal ik sterven als mens
        En hoog als zalige engel vliegen,
        Maar nog verder dan engel moet ik:
        ’t al vergaat, behalve God.
        Als ik mijn englenziel heb opgegeven,
        Dan word ik wat geen geest zich ooit verbeeldde,
        Wij keren weer tot hem’.15

De theosofische traditie
Theosofie betekent ‘goddelijke wijsheid’. Theosofen gaan ervan uit dat deze wijsheid in ieder
mens en dat iedere wetenschap, filosofie of religie delen van deze wijsheid bevat. De
theosofische vereniging werd gesticht in 1875 en haar belangrijkste vertegenwoordiger was
de Russische Blavatsky. Ze heeft een indrukwekkend oeuvre achtergelaten van vergelijkende
religiestudie waarin alle grote tradities tot een synthese worden gebracht in één theosofisch
stelsel. Ze beweert dat dit stelsel al werd gebruikt door Ammonius Saccas, de tweede
eeuwse alexandrijnse leermeester van zowel Plotinus als Origenes. Het theosofisch stelsel
smeedt wetenschap, filosofie en religie samen.
         Een centraal gegeven binnen dit denkstelsel is dat de kosmos verschillende
bestaansgebieden kent die corresponderen met delen van het menselijke bewustzijn. Zoals
de mens is opgebouwd uit een fysiek lichaam en verschillende geestelijke lichamen, zo is het
heelal dat ook. Je zou het kunnen zien als lagen, maar Blavatsky waarschuwt voor een al te
letterlijke opvatting van haar woorden dat de geestelijke werelden zich ‘in een andere laag
van de ruimte bevinden’. De geestelijke werelden bestaan buiten onze driedimensionale

13
   A. Kurzweil, Kabbala voor Dummies, Amsterdam 2007, pag. 99-100.
14
   L.W. Solomon, Het Joodse boek van leven en sterven, Utrecht 2001, pag.161-162.
15
   Geciteerd in: Th. P. Van Baaren, Van maansikkel tot rijzende zon, Zeist MCMLX, pag. 34-35.
ruimte en buiten onze indeling van tijd. ‘Elk van de zeven grondgebieden of lagen in de
ruimte heeft zijn eigen ruimte en tijd, zijn eigen bewustzijn en stel zintuigen’. Omdat lagen
en bewustzijnsgebieden in elkaar aanwezig zijn, beschikt ieder mens over al deze zintuigen.
Maar het is slechts weinige ‘zieners’ gegeven om toegang te krijgen tot de geestelijke
werelden. De theosofie komt, op grond van onderzoek van dergelijke zieners uit allerlei
tijden en culturen, tot een leer over deze kosmische lagen die sterk overeenkomt met wat
de neoplatonisten ‘emanatie’ noemden. Volgens de theosofie is ‘het heelal met alles daarin
in oorsprong één met de absolute Eenheid, de goddelijke essentie’. Deze Eenheid werpt
‘periodiek een weerspiegeling van zichzelf in de oneindige diepten van de ruimte. Het
objectieve stoffelijke heelal is zo’n weerspiegeling, een tijdelijke illusie’.
         We herkennen hierin de leer van Plotinus over hoe de Ene de verschillende
geestelijke hypostasen schept en uiteindelijk de illusie van materie, de driedimensionele
ruimte en de lineaire tijd. De theosofie verbindt de leer van de geestelijke gebieden of lagen
nu expliciet met wat de verschillende religies zeggen over de gebieden waar de ziel naartoe
gaat na de dood. Direct na het sterven maakt een gelaagd geestelijk lichaam zich los van het
fysieke en gaat naar ‘kama-loka’. ‘Dat is een astraal gebied, de limbus van de scholastieke
theologie, de Hades van de ouden, en strikt genomen slechts een gebied in betrekkelijke zin.
Het heeft geen bepaalde plaats, geen grenzen, maar bestaat binnen de subjectieve ruimte’.16
Kama-loka wordt ook wel geassocieerd met het vagevuur. Maar theosofen benadrukken
steeds dat de uitzuivering die hier gebeurt niets te maken heeft met straf. Het is de
natuurwet die de oosterlingen ‘karma’ noemen die als een soort magnetische kracht werkt.
(Hierover meer in artikel 7). Het geestelijke lichaam trekt na de dood daardoor eerst naar
kama-loka totdat de lagere beginselen loslaten en dat wat er van het geestelijk lichaam
overblijft, opstijgt naar de lichtgebieden die Devachan genoemd worden. Het is het gebied
dat andere tradities het paradijs noemen.17
         Steiner, de begin 20ste eeuwse grondlegger van de antroposofie, was aanvankelijk
voorzitter van de Duitse afdeling van de Theosofische Vereniging. Hij baseert zijn leer over
de verschillende bestaansgebieden en bewustzijnslagen van de mens dan ook op de
theosofie. Hij heeft ook zelf buitenzintuiglijk onderzoek gedaan, een meditatieve wijze van
intuïtief waarnemen. Deze waarnemingswijze ontleende hij grotendeels aan de grote Duitse
schrijver Goethe die dergelijk buitenzintuiglijk onderzoek deed naar het leven van planten.
Uiteraard wordt deze wijze van onderzoek niet erkend door de empirische wetenschap
omdat er van buitenzintuiglijke waarnemingen (nog) geen zintuiglijk te toetsen bewijzen te
leveren vallen. We hebben eerder gezien dat dit soort buitenzintuiglijk onderzoek in een
eeuwenoude traditie staat en van oudsher ‘schouwen’ heet. Steiners belangrijkste
bevindingen komen overeen met die van Plotinus en al die andere ‘zieners’ waar de
theosofie zich op baseert.
Steiner besloot om de Theosofische Vereniging vaarwel te zeggen vanwege een
fundamenteel meningsverschil over Christus. Theosofen beweren dat Christus één van de
grote geestelijke leraren van de mensheid is; voor Steiner was Christus de geestelijke leraar
bij uitstek. Steiners antroposofie is dan ook in feite een vorm van christelijke mystiek. Maar
de meeste academische theologen zullen dit standpunt bestrijden omdat de antroposofie
uitgaat van reïncarnatiegeloof en karma. Hierover meer in het zesde artikel. Voor nu voeg ik
alleen nog toe dat Steiners indeling van de bestaansgebieden en de bewustzijnslagen wordt


16
     H.P. Blavatsky, De sleutel tot de theosofie, Den Haag 1985, pag. 77-135.
17
     G. de Purucker, Grondslagen van de esoterische wijsbegeerte, Den Haag 1982, pag. 174-181.
aangehouden door esoterische christelijke theologen als Douven, Stolp en Van de Brink. Het
gaat dan om een vierdeling die ook de theosofie aanhoudt:
1) De etherische wereld: waar de overledene naartoe gaat onmiddellijk na de dood en waar
ook de eerste levensfilm wordt gezien.
2) De astrale wereld: dit is wat ook wel kamaloka wordt genoemd. De overledene die de
etherische wereld achter zich heeft gelaten (en zijn etherlichaam heeft afgelegd) betreedt
nu de astrale wereld. Hier herbeleeft de overledene de emoties van zijn aardse leven.
3) Het devachan, ook wel paradijs genoemd, dat weer onderverdeeld kan worden in
verschillende lichtwerelden.
4) De allerhoogste Goddelijke wereld die ieder menselijk begrip te boven gaat.18 De
theosofie spreekt desbetreffend ook van ‘nivana’.
       Zowel de theosofie als de antroposofie spreken over lichtwezens die de verschillende
bestaansgebieden bevolken. Steiners indeling komt volledig overeen met Dionysius’ hemelse
rangorde van drie triaden. Volgens de antroposofie stond Dionysius in een traditie van
joodse, hellenistische en oud-Persische wijsgeren die een dergelijke indeling aanhielden. En
Steiner heeft deze drievoudige triade door middel van zijn eigen buitenzintuiglijk onderzoek
kunnen verifiëren.19 Het grote verschil is dan wel dat Dionysius’ rangorde statisch is. Steiner
gaat er, net als in het gedicht van Rumi, van uit dat de mens zal evolueren tot de negende
rangorde (de engelen), dan tot de achtste (aartsengelen) enzovoort totdat de Eenheid met
de Allerhoogste is bereikt. (Hierover meer in het zesde artikel).

3. Het universum als een gelaagd energieveld met ontelbare bewoners

- In het eerste artikel zagen we de verlegenheid van de academische theologie met
onderwerpen als de hemel en engelen. De katholieke catechismus spreekt over de hemel en
engelen extrapsychische werkelijkheden (als reëel bestaand). Academici worstelen met de
rationele plausibiliteit van het bestaan van de hemel en engelen en kiezen doorgaans dan
ook liever voor een enkel intrapsychische duiding (als puur symbolisch). Denkbeelden over
wat betreffende leven en dood rationeel plausibel is, zijn gebaseerd op het materialistisch
paradigma van de klassieke fysica.
- In het tweede artikel zagen we dat de houdbaarheidsdatum van het materialistische
paradigma al lang is verstreken. Wat natuurwetenschappers ontdekken aan dimensies
buiten ruimte en tijd, doet sommigen overhellen naar een idealistisch monistisch paradigma.
Het universum als de uiting of uitstraling van één onmetelijk bewustzijn in een energieveld
bestaande uit verschillende kosmische lagen met ons stoffelijke heelal als buitenste schil.
- In het derde artikel zagen we dat dit beeld overeenkomt met hoe Plotinus de uitstraling
van de Ene beschrijft in verschillende geestelijke gebieden (hypostasen) en de materie.
- Wat dit vierde artikel toevoegt, is dat spirituele zieners van allerlei culturen, onder wie
christelijke mystici, in-zichten hebben gehad in deze geestelijke gebieden waarvan de
natuurwetenschap het bestaan steeds meer gaat bevestigen.
        Mystici van verschillende grote religies uit verleden en heden noemen deze
geestelijke gebieden ‘rijken’ of ‘hemelen’. De exacte aantallen die worden aangehouden om
deze bestaansgebieden te onderscheiden, verschillen van elkaar. Dit lijkt een
tegenstrijdigheid, maar dit blijkt niet het geval als je de kosmos ziet als één energieveld met
een stoffelijke schil. In of achter het stoffelijke heelal bevinden zich dimensies die ons begrip

18
     H. Stolp en M. Van den Brink, Omgaan met gestorvenen, Deventer 2000, pag. 75.
19
     W.F. Veltman, Antroposofie, De weg van het ik, Zeist 1991, pag. 76-85.
en onze zintuiglijke waarnemingsvermogens onnoemelijk ver te boven gaan. Binnen onze
natuurkundige begrippen zou je kunnen zeggen dat de trillingshoogten van golven steeds
hoger worden. Daardoor nemen de stoffelijke dichtheid en de illusies van ruimte en tijd
steeds meer af. Wat zich in dit energieveld bevindt tussen ons stoffelijke heelal en de
Allerhoogste zou je dus kunnen zien als een bandbreedte van golven met steeds hogere
frequenties. Elk punt binnen deze bandbreedte zou je een ‘laag’ of een ‘gebied’ kunnen
noemen. Het is dus maar hoe gedetailleerd je wilt zijn. De meeste tradities houden drie tot
negen hoofdgebieden aan die daarbinnen weer onderverdeeld worden. De aantalen doen er
dus in feite niet toe. Ze geven een bandbreedte aan van, van ons uit gezien, steeds hogere
frequenties van golven. Vanuit het vormloze ‘gebied’ gezien waar de uitstraling begint, geldt
uiteraard het omgekeerde: de golffrequenties worden steeds lager en scheppen uiteindelijk
de materie.
         Alle wereldreligies weten dat de materie slechts een tijdelijke manifestatie is van de
of het vormloze, het ongemanifesteerde. Na diens dood legt de mens alleen de buitenste
stoffelijke schil van zijn lichaam af en begint de reis door de geestelijke gebieden op
terugweg naar de eenheid met het vormloze. Bijna-doodervaringen kunnen dan ook worden
gezien als reizen van het bewustzijn door de geestelijke kosmische lagen. Zo gezien, is het
zeer logisch wat bijna doden vertellen over wat ze hebben waargenomen nadat ze uit hun
lichaam traden. Ze traden immers een geestelijk gebied binnen waar de illusies van vastheid
van materie, ruimte en tijd veel minder sterk zijn dan in onze stoffelijke wereld. Heel logisch
ook dat ze daar ‘lichtwezens’ ontmoeten. Sommigen van hen zijn eerder overledenen die
hun intrek hebben genomen in deze geestelijke gebieden. Anderen zijn wat de christelijke
traditie aanduidt als ‘engelen’: de laagste lang van hemelwezens die onder andere tot taak
hebben om mensen te begeleiden, zowel tijdens het aardse leven als na de dood.
         Alle wereldreligies onderscheiden dergelijke geestelijke wezens die de verschillende
hemelen bevolken. Hoe hoger het geestelijke gebied dat ze bevolken, hoe dichter ze bij God
(het vormloze) staan. De spirituele tradities houden verschillende opvattingen erop na als
het gaat over de verdere evolutie van deze hemelwezens. Sommige zieners, onder wie
Dionysius, gaan ervan uit dat de rangorde voor eeuwig blijft zoals deze is. Andere zieners
(niet alleen boeddhisten en hindoes, maar ook Rumi en Steiner) zijn van mening dat ieder
levend wezen de verschillende bestaansvormen doorloopt op weg naar eenheid met God.
Het mineraal wordt plant, wordt dier, wordt mens, wordt engel, wordt aartsengel enzovoort.
         Vrijwel iedere spirituele traditie kent ook voorbeelden van zieners die het al tijdens
hun aardse leven was gegeven om de geestelijke werelden en hun bewoners te verkennen.
Vooral de indianenculturen staan bekend om hun reizen door geestelijke werelden. We
zagen al beschrijvingen van hemelreizen in hermetische geschriften, in de kabbala en in
Dante’s ‘Paradiso’. In de Koran wordt de hemelreis van Mohammed besproken. En het
laatste Bijbelboek Openbaring beschrijft de bezoeken aan de hemel door Johannes. Meestal
worden dergelijke hemelbezoeken binnen de christelijke traditie als louter figuurlijke
fantasieverhalen beschouwd. Maar theosofen beweren dat ieder mens met diens
zogenaamde ‘astrale’ energielichaam terugkeert naar de geestelijke gebieden tijdens de
slaap. Het zijn steeds kortstondige visites waarna de terugkeer volgt in het fysieke lichaam.
Meestal heeft men in het waakbewustzijn geen herinnering van deze zogenoemde ‘astrale
reizen’.
         En dan zijn er ook nog de zieners van de verschillende tradities die hun in-zichten in
de bestaansgebieden op schrift hebben gesteld. Plotinus was zo iemand, net als Steiner en
zovele anderen. Wat deze zieners beweren, is dat wat in de religieuze tradities ‘hemelreizen’
heet, in feite buitenzintuiglijk of intuïtief-schouwend wetenschappelijk onderzoek is.
Blavatsky zei over het onderzoek van dergelijke zieners: ‘Hun geestelijke inzichten, hun
gedegen onderzoekingen met behulp van fysieke en geestelijke zintuigen, onbelemmerd
door het trage vlees, zijn stelselmatig getoetst, met elkaar vergeleken en naar hun aard
gerangschikt’. Het zal nog wel even duren voordat de empirische wetenschappen dergelijke
in-zichten kunnen verifiëren. Tot die tijd zal het de zieners vergaan als de middeleeuwers die
beweerden dat de aarde een bol is.
        Aan het einde van dit vierde artikel is het nu vooral van belang om vast te houden dat
al deze zieners beweren dat het bewustzijn van de mens een gelaagdheid (of bandbreedte)
kent die volledig correspondeert met de verschillende geestelijke bestaanslagen. Ieder mens
leeft dus in feite voortdurend in al deze geestelijke gebieden. In principe is dus ieder mens in
staat tot in-zicht in deze geestelijke gebieden. Maar bij de meesten van ons zijn de hogere
bewustzijnslagen waarmee dit inzicht kan worden verkregen nog weinig geactiveerd. De
meeste westerlingen zijn zich dan ook enkel bewust van hun denkbeelden en gevoelens op
grond van de zintuiglijke waarneming van de uiterlijke wereld van de vormen. En wat
volgens alle spirituele tradities een onontkoombaar gevolg is van deze
bewustzijnsvernauwing: de mens raakt gehecht aan deze vormen en daardoor geobsedeerd
door behoeftenbevrediging. Volgens al deze tradities is deze obsessieve verslaving de ware
oorzaak van het lijden. Het bijzondere van onze tijd is nu dat het einde van het materialisme
ook in existentiële zin begint door te werken in onze cultuur. Steeds meer mensen zijn
ermee bezig om hun verslaving aan materie, aan vorm, los te laten en in contact te komen
(en te blijven) met hogere lagen van hun bewustzijn. Hierover meer in het volgende artikel.



Geraadpleegde literatuur:

- Chopra, D., Leven na de dood: de wetenschappelijke basis van zielsverhuizing, Utrecht
2007.
- Kops, C., Dante’s Goddelike Komedie, Utrecht 1930.
- Peacock, J., Het Tibetaanse Boek van leven en dood, Kerkdriel 2004.
- Pseudo-Dionysius, The Complete Works, London 1987.
        - Opera S. Dionysii Areopagitae cvm scholiis S. Maximi et paraphrasi Pachymerae / a
        Balthasare Corderio ... Latine interpretata et notis theologicis illvstrata, Antwerpen
        1634.

								
To top