INHOUD Docentenhandleiding deel 2HV van Natuur- en scheikunde Overal by GIkmJR6y

VIEWS: 154 PAGES: 34

									natuur- en scheikunde overal
2 havo/vwo
editie 2006

handleiding




                     derde druk, 2006


                     Pieter Hogenbirk
                     Dicky van Berkel
                     Maria Cornelisse
                     Piet Das
                     Paul Diederen
                     Jan Frankemölle
                     Dik Jager
                     Raoul Majewski
                     Theo Timmers
Inhoud
1     Over de methode in zijn geheel                     4
1.1   Algemeen                                           4
1.2   Samenhang: natuur- en scheikunde in de onderbouw   4
1.3   Toepassingen: de rol van contexten                 5
1.4   Structuur en opzet van de methode                  5
1.5   Vaardigheden en de rol van het experiment          6
1.6   De rol van ICT                                     7
1.7   Planning en differentiatie                         8


2     Didactische aanwijzingen bij de hoofdstukken       9
2.1   Hoofdstuk 1                                        9
2.2   Hoofdstuk 2                                        11
2.3   Hoofdstuk 3                                        13
2.4   Hoofdstuk 4                                        14
2.5   Hoofdstuk 5                                        17
2.6   Hoofdstuk 6                                        18
2.7   Hoofdstuk 7                                        20
2.8   Hoofdstuk 8                                        22
2.9   Hoofdstuk 9                                        24


3     Practicumapparatuur                                25

3.1   Hoofdstuk 1                                        25
3.2   Hoofdstuk 2                                        25
3.3   Hoofdstuk 3                                        26
3.4   Hoofdstuk 4                                        26
3.5   Hoofdstuk 5                                        27
3.6   Hoofdstuk 6                                        28
3.7   Hoofdstuk 7                                        29
3.8   Hoofdstuk 8                                        29
3.9   Hoofdstuk 9                                        30


4     De ICT op de website                               31
4.1   Hoofdstuk 1                                        31
4.2   Hoofdstuk 2                                        31
4.3   Hoofdstuk 3                                        32
4.4   Hoofdstuk 4                                        32
4.5   Hoofdstuk 5                                        32
4.6   Hoofdstuk 6                                        33
4.7   Hoofdstuk 7                                        33
4.8   Hoofdstuk 8                                        33
4.9   Hoofdstuk 9                                        34
1      Over de methode
1.1 Algemeen
De handleiding 2 havo/vwo van Natuur- en scheikunde Overal is bestemd voor het tweede leerjaar van het havo
en vwo. Het bestaat uit een leerboek en twee werkboeken (A en B). Voor vwo heeft u de mogelijkheid om in
plaats van de werkboeken een gids te gebruiken. Bij de werkboeken zijn uitwerkingen beschikbaar in de vorm van
een in handschrift ingevuld werkboek.
Voor klas 2 vmbo-t is een apart deel met twee werkboeken en uitwerkingen beschikbaar.
Er is een aparte toetsenbundel met toetsen op niveau van vmbo-t, havo en vwo. Bij de toetsenbundel hoort een
docenten-cd-rom. Per hoofdstuk zijn twee toetsen per niveau opgenomen.

In deze handleiding treft u informatie aan die u kan helpen bij het voorbereiden van uw lessen. In dit eerste
hoofdstuk vindt u achtergrondinformatie over Natuur- en scheikunde Overal. We behandelen de plaats van
natuur- en scheikunde in de onderbouw, de rol van contexten, de structuur van de methode, de opbouw van
vaardigheden, de ICT-component inclusief toetsing en de planning. In hoofdstuk 2 zijn per hoofdstuk
aanwijzingen opgenomen met tips voor de experimenten en het ICT-gebruik.
In het derde hoofdstuk vindt u een opsomming van de practicumapparatuur die voor het werken met dit deel
nodig is.

1.2 Samenhang: natuur- en scheikunde in de onderbouw
In de nieuwe onderbouw die vanaf schooljaar 2006-2007 van kracht is, is het aantal kerndoelen drastisch
teruggebracht naar 58, waarvan er 8 betrekking hebben op het leergebied Mens en natuur. In het kader zijn de
bewuste kerndoelen weergegeven.


     Leergebied: Mens en Natuur

28   De leerling leert vragen over onderwerpen uit het brede leergebied om te zetten in onderzoeksvragen, een
     dergelijk onderzoek over een natuurwetenschappelijk onderwerp uit te voeren en de uitkomsten daarvan te
     presenteren.
29   De leerling leert kennis te verwerven over en inzicht te verkrijgen in sleutelbegrippen uit het gebied van de
     levende en niet-levende natuur, en leert deze sleutelbegrippen te verbinden met situaties in het dagelijks
     leven.
30   De leerling leert dat mensen, dieren en planten in wisselwerking staan met elkaar en hun omgeving
     (milieu), en dat technologische en natuurwetenschappelijke toepassingen de duurzame kwaliteit daarvan
     zowel positief als negatief kunnen beïnvloeden.
31   De leerling leert o.a. door praktisch werk kennis te verwerven over en inzicht te verkrijgen in processen uit
     de levende en niet-levende natuur en hun relatie met omgeving en milieu.
32   De leerling leert te werken met theorieën en modellen door onderzoek te doen naar natuurkundige en
     scheikundige verschijnselen als elektriciteit, geluid, licht, beweging, energie en materie.
33   De leerling leert door onderzoek kennis te verwerven over voor hem relevante technische producten en
     systemen, leert deze kennis naar waarde te schatten en op planmatige wijze een technisch product te
     ontwerpen en te maken.
34   De leerling leert hoofdzaken te begrijpen van bouw en functie van het menselijk lichaam, verbanden te
     leggen met het bevorderen van lichamelijke en psychische gezondheid, en daarin een eigen
     verantwoordelijkheid te nemen.
35   De leerling leert over zorg en leert zorgen voor zichzelf, anderen en zijn omgeving, en hoe hij de veiligheid
     van zichzelf en anderen in verschillende leefsituaties (wonen, leren, werken, uitgaan, verkeer) positief kan
     beïnvloeden.


Deze kerndoelen laten een brede interpretatie toe van wat er in de onderbouwjaren in de
natuurwetenschappelijke vakken aan bod moet komen.
De auteurs van Natuur- en scheikunde Overal hebben ervoor gekozen om binnen het leergebied Mens en Natuur
de vakken natuurkunde en scheikunde een eigen plek te geven binnen deze methode. Daarmee wordt invulling
gegeven aan de kerndoelen 28 tot en met 32. Kerndoel 33 komt zijdelings aan bod, maar gaat toch vooral over
het vak techniek. Datzelfde geldt voor kerndoel 34, dat meer op de biologie is georiënteerd, en kerndoel 35, dat
over verzorging gaat.
Dit wil zeggen dat er in de methode expliciet aandacht is voor natuurkundige begrippen die van oudsher voor het
abstractieniveau van leerlingen in de tweede klas geschikt worden geacht met diverse uitstapjes naar de
scheikunde en met aandacht voor biologische en technische contexten. Voor de derde klassen hebben de vakken
natuurkunde en scheikunde elk hun eigen boeken, waarin een goede voorbereiding op de tweede fase wordt
gegarandeerd.




                                            Natuur- en scheikunde Overal handleiding 2 havo/vwo                      4
Dit wil niet zeggen dat er met deze methode geen samenhang binnen de natuurwetenschappelijke vakken kan
worden gerealiseerd. Integendeel. Samenhang is iets dat vooral binnen de school moet worden vormgegeven
door gemeenschappelijke afspraken over volgorde, begrippen en terminologie en didactische aanpak. Ook
vakoverstijgende projecten kunnen de samenhang versterken. Samenhang betekent niet dat in elke les binnen
het leergebied Mens en natuur elementen uit alle natuurwetenschappelijke vakken aan de orde zullen zijn!

De uitgangspunten van de nieuwe editie voor de onderbouw zijn:
   contextrijk
   motivatie bevorderen
   een belangrijke plaats voor het experiment
   geïntegreerd gebruik van ICT
   een concentrische opzet
   veel aandacht voor vaardigheden
   helder taalgebruik en een duidelijke structuur
   gemak voor de docent

Met deze visie en uitgangspunten wordt naar onze mening aangesloten op datgene wat de meeste gebruikers en
niet-gebruikers zich op dit moment voorstellen van het werken binnen de nieuwe onderbouw.

1.3 Toepassingen: de rol van contexten
In Natuur- en scheikunde Overal wordt de leerstof opgebouwd vanuit voorbeelden die sterk appelleren aan de
leefwereld van leerlingen, maar daar af en toe juist ook wat aan proberen toe te voegen. Aan het begin van een
hoofdstuk markeren contexten het natuur- of scheikundige onderwerp en de manier waarop het behandeld wordt.
Zo krijgen leerlingen een herkenbaar kader waarbinnen het onderwerp besproken wordt.
Nieuw in de methode is dat we elke paragraaf beginnen met een probleem dat als het ware een kader geeft voor
de leerstof uit de betreffende paragraaf. De auteurs noemen dit de centrale probleemstelling van de paragraaf.
Het is goed om dit probleem met de klas gezamenlijk te bekijken, wellicht wat eerste oplossingsrichtingen te
inventariseren en erop terug te komen aan het einde van de paragraaf bij de opdracht met het logo:


Ook door de keuze van de illustraties en figuren leren leerlingen de wisselwerking tussen de leerstof en
praktische situaties in het dagelijkse leven zien.

In de onderbouw hebben contexten nog andere betekenissen. Ze vormen de toepassingen waarbinnen de kennis
en vaardigheden functioneel zijn. De verschillende kerndoelen noemen de relatie tussen de vakinhoud en het
dagelijks leven expliciet Ook geven contexten de mogelijkheid om meisjes en jongens in gelijke mate aan te
spreken. Met name ook om de animo voor bètakeuzes onder meisjes te vergroten (Nederland bungelt wat dat
betreft in Europa onder aan de lijst) is het van belang meisjes rolmodellen te geven en contexten waarin zij
geïnteresseerd zijn: gezondheid, eigen lichaam, sport e.d. Zonder dat dit ten koste gaat van de herkenbaarheid
voor jongens uiteraard: de bommen en granaten horen er ook nog steeds bij.
Voorbeelden van deze bewuste keuze voor contexten vindt u in foto’s als van de Kareni-vrouw (figuur 1.16) de
daglichtlamp (figuur 2.2), winkelen (figuur 2.19), röntgenfoto (figuur 2.38), dieren (figuur 3.18, 4.27, 6.23, 8.7), de
omroepster (figuur 4.1a), een echogram (figuur 4.16), lading (figuur 5.9), ruiken (figuur 6.1), sport (figuur 7.2),
kinderen (figuur 7.15). Hiernaast is een heel rijtje figuren te noemen dat wellicht de jongens wat meer aanspreekt:
vuurwerk (figuur 1.10, 4.13), vliegtuigen (figuur 1.25), verkeer (figuur 1.29, 5.6, 6.8, 8.1), sport (figuur 2.21),
heftige strips (figuur 3.1), techniek (figuur 3.21, 5.1, 8.29), raketten en de ruimte (figuur 3.28, 7.7), oorlog (figuur
4.2), sport (figuur 7.3 en 7.4, 7.11).
Onderzoek doen leerlingen uiteraard samen met een gelijke rol voor jongens en meisjes: zie figuur 9.1.
De onderwerpkeuze sluit aan bij de eerdere delen en komt natuurlijk niet toevallig overeen met de onderwerpen
uit kerndoel 32: elektriciteit, geluid, licht, beweging, energie en materie.

1.4 Structuur en opzet van de methode
De eerste paragraaf van elk hoofdstuk is de inleiding op het onderwerp van het hoofdstuk. De openingsfoto is met
zorg uitgekozen om de leerlingen nieuwsgierig te maken. Een paar voorbeelden moeten de essentie van het
hoofdstuk weergeven. Er is altijd een uitdagende (korte) startactiviteit die de oriëntatie op het hoofdstuk kan
ondersteunen. De opdrachten bij de eerste paragraaf zijn oriënterend of dienen om de beginkennis vast te stellen.
-   Elke volgende paragraaf begint met doelstellingen. Ze zijn gesteld in leerlingentaal en bevatten altijd een
    handelingswerkwoord: kennen, kunnen, noemen, beschrijven, gebruiken, berekenen, enz. Leerlingen en
    docenten kunnen de genoemde punten, samen met de samenvatting (op de site), gebruiken als checklist.
-   De opdrachten in een paragraaf zijn verdeeld in startopdrachten met oriëntatie en startvragen,
    tussenopdrachten, die de stof afvragen en oefenen die tot dan toe in de paragraaf is behandeld en
    eindopdrachten, waarvoor in principe alle stof uit de paragraaf nodig is. Het is niet noodzakelijk de




                                               Natuur- en scheikunde Overal handleiding 2 havo/vwo                     5
    opdrachten in deze volgorde te maken, u kunt ook eerst de hele paragraaf (laten) doen en dan tussen- en
    eindopdrachten opgeven.
-   Belangrijke woorden in de tekst zijn vet gedrukt. Deze woorden zijn ook te vinden in de index aan het einde
    van het boek en de betekenis ervan komt terug op de site onder de infotheek.
-   Belangrijke conclusies zijn in samenvattende zinnen in de hoofdstukkleur in de tekst opgenomen.
-   Experimenten zijn in het leerboek kort beschreven (ten behoeve van het leren voor een toets), maar zijn in
    het werkboek verder uitgewerkt. Van een aantal experimenten is een invulvel op de site aanwezig voor het
    maken van een verslag.
-   Belangrijke instrumenten en wiskundige vaardigheden zijn in speciale kaders opgenomen.
-   Uitgewerkte (reken)voorbeelden staan binnen stippellijnen; er wordt in de tekst naar verwezen.
-   De gele ‘stickers’ bevatten informatie die extra is, de uitleg van een woord, een weetje, een gedichtje.
-   In het midden van het hoofdstuk wordt verwezen naar de eerste deeltoets op de site. Dit zijn steeds ja/nee-
    vragen, die dus vooral een diagnostisch doel dienen. Dat geldt ook voor de tweede deeltoets aan het einde
    van het hoofdstuk. Daar staat ook een verwijzing naar de interactieve samenvatting op de site. Een
    samenvatting in tekst kunnen de leerlingen downloaden. Maar u kunt ze ook leren hoe ze zo’n samenvatting
    zelf kunnen maken.
-   Ten slotte is er een voorbeeldtoets in het werkboek. De antwoorden zijn -niet te makkelijk- op de site te
    vinden. U kunt die ook uitprinten en beschikbaar houden.

1.5 Vaardigheden en de rol van het experiment
In deel 2 h/v van Natuur- en scheikunde Overal wordt duidelijk dat mensen in principe vanuit nieuwsgierigheid of
verwondering onderzoek doen. Natuurwetenschappelijk onderzoek wordt gedaan om vast te stellen of bepaalde
veronderstellingen juist zijn. Elk experiment in Natuur- en scheikunde Overal begint dan ook met een
onderzoeksvraag. Eén of meer antwoorden op de onderzoeksvraag vormen de conclusie. Theorieën ontstaan
naar aanleiding van gericht experimenteren of worden door onderzoek gecontroleerd.

Hoofdstuk 1 legt voor deze uitgangspunten de basis door expliciet met onderzoeksvragen te oefenen en naar een
verslag van de slingerproef als eindproduct toe te werken.
In volgende hoofdstukken worden de praktische vaardigheden verder uitgewerkt en is er een opbouw in
moeilijkheidsgraad. Zijn de proefjes in hoofdstuk 2 met licht nog tamelijk eenvoudig, in hoofdstuk 3 wordt aan
ingewikkelder grootheden als afstand en snelheid gemeten. Daarvoor wordt ook de computer ingezet met
videometingen.
In hoofdstuk 4 worden nieuwe apparaten ingezet bij het experimenteren.
Hoofdstuk 5 focust op de vaardigheid ‘presenteren’. Een eenvoudig eigen onderzoekje met
onderzoeksopdrachten is uitgangspunt. Abstractere thema’s als moleculen, krachten en energie (gekoppeld aan
elektriciteit) leiden vanzelf ook tot wat ingewikkelder proeven. Simulatieproeven komen aan de hand van
elektrische schakelingen in hoofdstuk 8 naar voren.
In hoofdstuk 9 ten slotte kunnen leerlingen laten zien wat ze kunnen met wat opener onderzoek, gericht op de
belangrijke vaardigheid van het samenwerken.

Naast de experimenten wordt er ook in de opdrachten gewerkt aan vaardigheden. Allereerst zijn er de
vakspecifieke vaardigheden:
-   het tekenen van een diagram en het maken van een verslag (paragraaf 1.5);
-   het oplossen van een (reken)probleem (vanaf hoofdstuk 3), met aandacht voor verhoudingstabellen en
    oplosschema’s;
-   afronden, significante cijfers en de rekenmachine (paragraaf 3.5);
-   rekenen met formules (snelheid, frequentie, dichtheid en energie).

Algemene vaardigheden komen ook buiten de experimenten aan de orde. We noemen:
- samenwerken
Alle opdrachten die zich lenen voor samenwerken (dat is meer dan overleggen over een vraag) zijn aangegeven
met het logo:


- presenteren
Zoals al genoemd staan de onderzoekjes van hoofdstuk 5 in het teken van het (visueel) presenteren. Mondeling
presenteren komt in hoofdstuk 6 aan de orde.
- discussiëren en debatteren
Een aantal keren wordt een zogeheten conceptcartoon gebruikt. Zie figuur 2.23 en 6.12 in het leerboek, in het
werkboek staan er meer. Deze cartoons staan ook op de site. Het is de bedoeling dat leerlingen met elkaar
discussiëren over een vraag of onderwerp en daarmee hun beginbeelden helder krijgen. Dit is een korte activiteit
die leerlingen in het begin best lastig vinden: waar moet je het precies over hebben. Begeleiding en klassikale
nabespreking zijn essentieel. Aan het einde van hoofdstuk 8 staat het grotere werk te wachten. Na voorwerk
zoals het verzamelen van informatie kan het energiedebat met stellingen en voor- en tegenstanders van start
gaan.




                                            Natuur- en scheikunde Overal handleiding 2 havo/vwo                    6
- reflecteren
Wellicht nog wel een van de moeilijkste vaardigheden om te leren. We hebben geprobeerd in zo veel mogelijk
paragrafen zogeheten reflectievragen op te nemen (aangegeven met een R). In die vragen wordt teruggekeken
naar de doelen van een paragraaf, wordt gevraagd na te denken over een oplossingsstrategie en wordt expliciet
gekeken naar kennis van andere vakken.
- zelfstandig werken
Dit is een vaardigheid waar de methode vooral in kan ondersteunen, maar die uiteraard meer door middel van de
organisatie van het onderwijs moet worden vormgegeven. Door de ondersteuning met het uitwerkingenboek in
een voor leerlingen herkenbare vorm, door het opdelen van de opdrachten in start-, tussen- en eindopdrachten en
door de hoofdstukken 5 en 9 proberen we het zelfstandig werken mogelijk te maken.

1.6 De rol van ICT
Bij de nieuwe editie van Nask Overal is de ICT werkelijk geïntegreerd. De leerlingen kunnen een grote variatie
aan ICT-opdrachten thuis of op school doen. Bij de meeste opdrachten horen vragen of conclusies die in het
werkboek kunnen worden genoteerd. U kunt daarmee controleren of de opdrachten daadwerkelijk zijn uitgevoerd.
Naar alle ICT-gebruik op de site wordt verwezen met het logo:

Alle zogeheten ‘ICT-leereenheden’ staan op de gratis toegankelijke site www.naskoveral.epn.nl/2hv. Laat
leerlingen die site thuis in hun favorieten opnemen of zet de link op de website van de school of het eigen virtuele
vaklokaal. Alle ICT-elementen staan bovendien ook op de cd-rom die bij de toetsenbundel hoort, zodat u
bepaalde opdrachten, applets of filmpjes ook gemakkelijk bijvoorbeeld via een laptop en een beamer in de klas
kunt gebruiken in.
Zoals bekend is internet een vluchtig medium. De ICT-leereenheden bij Nask Overal bevatten soms links naar
externe pagina’s. Het kan zijn dat adressen veranderen of wegvallen. We zullen dat regelmatig controleren maar
u bewijst ons en uw medegebruikers een dienst door ons te attenderen op fouten en verkeerde links.

We geven nu een kort overzicht van alle soorten ICT-opdrachten.
  De infotheek (rechts bovenin het scherm) bevat:
   -     van alle begrippen uit het boek een korte beschrijving;
   -     van een aantal daarvoor geschikte experimenten een invulvel in Word-formaat;
   -     van allerlei experimenten de tekeningen van de opstellingen en foto’s of tekeningen van gebruikte
         meetinstrumenten of apparaten. Deze figuren kunnen de leerlingen gebruiken voor hun verslagen. Ze
         moeten wel zelf de juiste figuur uitzoeken. U kunt de figuren ook importeren in toetsen.
  Startfilmpjes en begeleiding bij sommige startactiviteiten.
  Opdrachten voor informatieverzameling (simpele webquests).
  Applets waarmee een bepaald verschijnsel wordt verduidelijkt. Voorbeelden zijn de vormen van
   gezichtsbedrog in hoofdstuk 1, de uitleg over verhoudingstabellen in hoofdstuk 3 en het samenstellen van
   krachten in hoofdstuk 7. Soms wordt een bestaand applet gebruikt en is er een link daarnaar opgenomen.
  Rekenopdrachten met feedback.
  Conceptcartoons. Bewust zijn hiervoor de oorspronkelijke misschien wat oubollige tekeningen gebruikt. Deze
   leiden niet af van het onderwerp. Met de computer kunnen de leerlingen de uitspraken oproepen en daarover
   discussiëren.
  Experimenten. De invulvellen die bij bepaalde experimenten beschikbaar zijn, staan ook in de
   inhoudsopgave van een hoofdstuk. Bij sommige experimenten waarbij Coach of Crocodile Physics nodig is
   staat de instructie kort in de leereenheid. De proef zelf staat gewoon in het werkboek.
  Bestanden voor Coach. Uiteraard kan Coach zelf niet door EPN geleverd worden, maar de bestanden die
   nodig zijn voor de proeven met Coach staan op de site en op de cd-rom bij deze handleiding.
  Deeltoetsen. Midden in elk hoofdstuk staat een verwijzing naar de eerste deeltoets, aan het einde naar de
   tweede. Beide toetsen zijn ja/nee-toetsen en daarmee goed geschikt om snel een indruk te krijgen of de stof
   is begrepen (diagnostisch).
  Interactieve samenvatting. Onderdelen uit een samenvatting van het hoofdstuk worden aan de leerlingen
   gepresenteerd met een interactieve opdracht: verschuiven, invullen, matchen enz. Daarmee kunnen ze zich
   voorbereiden op de toets. De samenvatting is ook als Word-document te downloaden en is dan uiteraard aan
   te passen aan eigen keuzes.
  Een wat andere manier om naar het hoofdstuk terug te kijken is via een puzzel. Die zijn niet altijd even
   makkelijk, dus ook geschikt als gezamenlijke activiteit in de klas en als extra stof voor de snelle leerling!
  Van de voorbeeldtoets in het werkboek staan de antwoorden in een te downloaden Word-document op de
   site.
  Aan het einde staan nog suggesties voor links naar voor het hoofdstuk relevante sites. Deze suggesties
   worden regelmatig aangepast.

Fyzzie en Chemma
Een bijzondere plek nemen de figuren Fyzzie en Chemma in. Dit is een eenvoudige maar wel bijzondere
omgeving waarmee leerlingen binnen de webbrowser een eigen ‘tekening’ kunnen maken met de twee




                                             Natuur- en scheikunde Overal handleiding 2 havo/vwo                   7
fantasiefiguren, de meer natuurkundige Fyzzie en de scheikundige Chemma. Deze figuren kunnen in allerlei
standen worden gezet en kunnen verschillende ooguitdrukking en monden krijgen. Er zijn mogelijkheden voor het
tekenen van rechte en vrije lijnen, cirkels, er kunnen kleuren worden aangebracht en er kunnen tekstballonnen
worden gevuld. Op die manier kan een leerling een cartoon maken of een eigen tekening om een verslag mee te
verfraaien. Na afloop van het creatieve proces kan de tekening worden geëxporteerd naar een tekstverwerker of
PowerPoint. Dan kunnen ook andere tekeningen, foto’s of figuren worden toegevoegd. Dat kan helaas technisch
niet binnen de webbrowser.
In elk hoofdstuk staat één opdracht met Fyzzie en Chemma. We hopen daarmee wat speelsheid, creativiteit en
motivatie in te brengen in de toch altijd nog als wat saai beschouwde natuurwetenschappelijke vakken. De
auteurs houden zich aanbevolen voor mooie tekeningen van Fyzzie en Chemma. U weet ons te vinden!

1.7 Planning en differentiatie
Het deel 2 h/v is geschreven op een planning van ongeveer 72 lesuren van 45 minuten. Dat komt overeen met 54
klokuren. Voor huiswerk is ongeveer gerekend met maximaal 30 minuten huiswerk per les van 45 minuten. In de
beginhoofdstukken is dat minder, later wordt het wat meer. Uiteraard kunt u daar zelf mee spelen en meer of
minder opgeven.
Voor de toets is 60 minuten uitgetrokken (inclusief bespreking) en 90 minuten voorbereiding (ook bedoeld voor de
interactieve samenvatting op de site en de voorbeeldtoets.




                                           Natuur- en scheikunde Overal handleiding 2 havo/vwo                 8
2 Didactische aanwijzingen bij de afzonderlijke
hoofdstukken
2.1 Aanwijzingen bij hoofdstuk 1 Natuur- en scheikunde
Algemeen
De titel van het boek wordt in hoofdstuk 1 duidelijk gemaakt. Er worden bekende situaties genoemd, waarin
leerlingen natuurkunde en scheikunde kunnen herkennen. Ook wordt de positie van de natuur- en scheikunde
binnen de belevingswereld van de leerlingen duidelijk gemaakt.
Experimenten spelen een belangrijke rol bij de natuurwetenschappelijke vakken. Er wordt ruim aandacht besteed
aan het hoe en waarom van experimenten. Daarbij is kennis over een aantal vaardigheden van belang.
Leerlingen maken een woordweb, diagrammen en tabellen, leren waarnemen; zij moeten leren om samen te
werken, een experiment uit te voeren en een verslag te maken.
In vergelijking met de vorige druk van Nask Overal zijn hoofdstuk 1 en 2 nu samen genomen. Daarmee is een
bondiger begin gerealiseerd en is het beter mogelijk het hele boek in klas 2 te doorlopen.

In dit hoofdstuk leert de leerling:
o       wat het vak natuur- en scheikunde inhoudt;
o       wat er te verwachten valt van het vak natuur- en scheikunde;
o       dat er een verschil is tussen de vakken natuurkunde en scheikunde;
o       experimenten uit te voeren aan de hand van een onderzoeksvraag;
o       waar te nemen en meetinstrumenten te gebruiken;
o       de resultaten van experimenten te verwerken.

Aanwijzingen per paragraaf

Paragraaf 1.1 Natuur- en scheikunde overal
Een introducerend filmpje zet leerlingen aan het denken over het vak en kan een leuke discussie opleveren. Deze
gedachten proberen we structuur te geven met behulp van een woordweb.

Het filmpje van de startactiviteit kan in de klas worden getoond of door leerlingen thuis op internet worden
bekeken. Het biedt een bescheiden start van een nieuw vak (het staat ook op de docenten-cd-rom bij de
toetsenbundel).
Er bestaan nogal wat computerprogramma’s waarmee je woordwebs kunt maken. Een ander woord ervoor is
mindmapping. Gratis is bijvoorbeeld de tool Freemind, te vinden op http://freemind.sourceforge.net.
U kunt programma’s als deze gebruiken, maar wij hebben ervoor gekozen het inzicht in het gebruiken van een
woordweb eerst op papier duidelijk te maken en te oefenen.

Paragraaf 1.2 Waarom natuur- en scheikunde?
Enkele foto’s van de wereld om ons heen dienen als instap om te kijken naar natuurkundige en scheikundige
aspecten. Er wordt in de paragraaf aangegeven wat de verschillen zijn tussen deze twee schoolvakken. Ook
biologie en techniek krijgen enige aandacht. En wat is nu het doel van natuur- en scheikunde? Het vak wordt in
perspectief geplaatst.

Experiment 1.1 en 1.2 zijn bedoeld om verwondering op te wekken met eenvoudige middelen en bij alledaagse
verschijnselen. “Dit is nou natuurkunde!”, “Dit is scheikunde!”

Paragraaf 1.3 Waarnemen en meten
Bij het uitvoeren van experimenten is goed waarnemen erg belangrijk.
Daarnaast worden verschillende meetinstrumenten uitgelegd. Er is gekozen voor meetinstrumenten die leerlingen
ook daadwerkelijk zelf in het practicum zullen gaan gebruiken.
Als we het over meetinstrumenten hebben, kunnen de eenheden niet achter blijven. Let op: om verwarring tussen
begrippen te voorkomen introduceren we het begrip ‘grootheid’ pas in hoofdstuk 3!

Experiment 1.3 is bedoeld om het onderdeel goed waarnemen te verduidelijken. Het is het experiment met de
leegloopflessen. Meestal een uiterst verrassende proef. Laat leerlingen dus van tevoren een voorspelling doen.
Verder is er een experiment (1.4) waarbij het eigen lichaam van de leerling belangrijk is en krijgen de leerlingen
een antwoord op de vraag: heeft lucht massa? (experiment 1.5). In Natuur- en scheikunde Overal voor vmbo-t is
een zogeheten ‘Persoonlijk Nask Profiel’ opgenomen als bijlage. U kunt dat eventueel ook aan de hv-leerlingen
uitdelen.

Paragraaf 1.4 Experimenten: hoe en waarom
Experimenteren kan wel leuk zijn, maar wat is nu de reden dat je een experiment uitvoert, welke doelen dient het
en hoe experimenteer je op de goede manier?




                                             Natuur- en scheikunde Overal handleiding 2 havo/vwo                     9
Het onderzoeken van eigenschappen is een doel van het doen van experimenteren. In experiment 1.6 passen
leerlingen dit toe. Op de site staat een invulvel dat kan worden gedownload.

Paragraaf 1.5 Schommelen en slingeren
Alle kennis en vaardigheden die de leerlingen hebben opgedaan in het eerste deel van dit hoofdstuk komen in
deze paragraaf samen. Leerlingen voeren een experiment uit, nemen waar, verwerken de waarnemingen en
verwerken dit alles tot een verslag.

De ultieme test om te zien of leerlingen begrepen hebben wat het doen van experimenten inhoudt komt in
experiment 1.7 aan bod, de slinger.

Leerlingen kunnen een verslag maken met een invulformulier op de site.

Planning

Hoofdstuk 1
paragraaf                                  lestijd (min)      huiswerktijd (min)      totaal (min)
1.1 Natuur- en scheikunde overal           35                 10                      45
1.2 Waarom natuur- en scheikunde?          55                 40                      95
1.3 Waarnemen en meten                     60                 30                      90
1.4 Experimenten: hoe en waarom            35                 10                      45
1.5 Schommelen en slingeren                65                 20                      85
toets                                      60                 90                      150
totalen                                    310 min            200 min                 510 min
lesuren van 45 min                         7
tijd in (klok)uren                         5,2 uur            3,3 uur                 8,5 uur




                                           Natuur- en scheikunde Overal handleiding 2 havo/vwo                10
2.2 Aanwijzingen bij hoofdstuk 2 Licht en kleur
Algemeen
De meeste leerlingen hebben zich wel eens verbaasd over kleuren. Bij een regenboog bijvoorbeeld of bij
kledingstukken die soms in de winkel een andere kleur hebben dan buiten.
Het zien van kleuren en het zien van voorwerpen spelen een centrale rol in dit hoofdstuk. Daarnaast wordt er ook
al gekeken naar de spiegelwet, waarbij leerlingen de stralengang van licht leren tekenen. Dit om alvast de
constructies van lichtstralen bij de lenzen in klas 3 voor te bereiden.

In dit hoofdstuk leert de leerling:
o       wat voor soorten lichtbundels er zijn;
o       hoe schaduw gevormd wordt en wat dat te maken heeft met een zonsverduistering;
o       hoe het komt dat je bepaalde kleuren waarneemt;
o       wat er gebeurt als een lichtstraal door een voorwerp weerkaatst wordt (spiegelende en diffuse reflectie);
o       dat het zichtbare licht slechts een deel is van de straling om ons heen.

Aanwijzingen per paragraaf

Paragraaf 2.1 Zien
Licht heeft nogal invloed op ons dagelijks functioneren. Zo is zonlicht bijvoorbeeld belangrijk voor je humeur. Het
is prettig dat we kunnen zien, maar dat geldt helaas niet voor iedereen. Ook ziet niet iedereen hetzelfde. Zo zijn
er mensen die bepaalde kleuren niet zien.
Ook de openingsfoto kan veel discussie oproepen. Op bladzijde 52 van het werkboek staat een instructie over
hoe je moet kijken om de scheikundige ring met moleculen te zien (voornamelijk op de rechterbladzijde van de
openingsfoto). Het lukt niet iedereen om die te zien.

De leerlingen doen als startactiviteit een kleurenblindheidtest om te zien of zij wellicht (beperkt) kleurenblind zijn.
Begeleid dit goed want de test moet geen wedstrijd worden. De kans dat een leerling hier voor het eerst ontdekt
dat hij deels kleurenblind is lijkt klein, maar uitgesloten is het niet.

Paragraaf 2.2 Lichtbronnen
Licht komt van een lichtbron. Er wordt onderscheid gemaakt tussen natuurlijke en kunstmatige lichtbronnen.
We onderscheiden verschillende soorten lichtbundels. Lichtbundels gaan als rechte lijnen door de ruimte.
Ogen (en hersenen) nemen alleen invallend licht waar.

Experiment 2.1 is een lichtshow. In een verduisterd lokaal met voor iedere leerling een eenvoudige spectroscoop
zijn eigenschappen van lampen te zien die nieuwsgierigheid opwekken.
In experiment 2.2 wordt leerlingen duidelijk hoe het komt dat we bepaalde dingen zien. Ook het bepalen van het
gebied dat je kunt waarnemen wordt met een experiment verduidelijkt.

Paragraaf 2.3 Kleuren
In deze paragraaf wordt duidelijk waarom we voorwerpen in een bepaalde kleur zien. Welke kleuren zijn er?
Daarnaast kijken we naar wat een wit en een zwart voorwerp doen met kleur.
Maar we kunnen ook zelf gekleurd licht maken. Hoe doen we dat en hoe nemen we gekleurde voorwerpen waar
als we ze belichten met (anders) gekleurd licht?

In experiment 2.3 kijken we opnieuw naar het prisma uit hoofdstuk 1. Er worden kleuren licht gemaakt en weer
samengesteld. Misschien dat we er nu al iets meer van begrijpen. Benadruk ook die vooruitgang in de kennis die
leerlingen op deze manier realiseren.

Met applets kunnen leerlingen op de website zien hoe verschillende kleuren worden gevormd. Verder komt ook
de werking van een filter aan bod. In het werkboek kunnen ze de resultaten opschrijven bij experiment 2.4.

Paragraaf 2.4 Schaduw
Een zonsverduistering is een bijzonder verschijnsel. Dit kan alleen maar uitgelegd worden met enige kennis over
schaduwvorming. Vandaar dat aan de hand van de kennis over de rechtlijnige verplaatsing van het licht aandacht
geschonken wordt aan de schaduwvorming. Termen als kernschaduw en halfschaduw komen hierbij ook aan
bod.

In experiment 2.5 ontdekken leerlingen wat het verband is tussen de grootte van de schaduw en de afstand van
een voorwerp tot de lichtbron. Dit is ook een herhaling van het begrip ‘verband’.

Paragraaf 2.5 Spiegels
Terugkijkend op de spiegelbeelden bij het vak wiskunde gaan we hier verder met het tekenen van het verloop van
de lichtstralen die via een spiegel weerkaatst worden. Wat kun je allemaal zien via een spiegel? En hoe ontstaat
de dode hoek bij een auto? We benaderen de spiegeling vanuit het beeld. De terugkaatsingswet wordt alleen op
een intuïtieve manier gebruikt. Als extra kan de spiegelwet in opdracht 69 ontdekt worden.



                                               Natuur- en scheikunde Overal handleiding 2 havo/vwo                    11
Paragraaf 2.6 ‘Onzichtbaar’ licht
Naast de lichtstralen bestaan er ook nog andere soorten straling. Welke soorten straling zijn dat en waar
gebruiken we deze stralingssoorten voor? Sommige van deze stralingen brengen gevaren met zich mee, maar
weegt dat op tegen de voordelen?

Planning

 Hoofdstuk 2
 paragraaf                      lestijd                 huiswerktijd              totaal (min)
 2.1 Zien                       45                      0                         45
 2.2 Lichtbronnen               90                      20                        110
 2.3 Kleuren                    65                      20                        85
 2.4 Schaduw                    80                      20                        100
 2.5 Spiegels                   45                      20                        65
 2.6 ‘Onzichtbaar’ licht        45                      20                        65
 toets                          60                      90                        150
 totalen                        430 min                 190 min                   620 min
 lesuren van 45 min             10
 tijd in (klok)uren             7,2 uur                 3,2 uur                   10,3 uur




                                          Natuur- en scheikunde Overal handleiding 2 havo/vwo               12
2.3 Aanwijzingen bij hoofdstuk 3 In beweging
Algemeen
Bewegingen krijgen namen, en bij bepaalde typen bewegingen horen bepaalde diagrammen. In dit hoofdstuk
krijgt de leerling zijn eerste formule: v = s / t. Uit ervaring kan hij die al toepassen.
De meetbare eigenschappen uit hoofdstuk 1 worden voortaan grootheden genoemd.
In verband met de (on)nauwkeurigheid van waarnemingen leren we de regels voor het rekenen met bepaalde
aantallen cijfers toepassen. Dat betekent dat de leerlingen consequent moeten leren afronden.
Dat de relatie tussen twee grootheden soms een speciale is, komt bij recht evenredigheid aan de orde.

In vergelijking met eerdere drukken van Nask Overal is dit hoofdstuk naar voren geplaatst. Het voordeel daarvan
is dat de eerste formule die de leerlingen nu tegenkomen makkelijker is dan de eerste formule uit de vorige druk.
(het verband tussen frequentie en trillingstijd). Bovendien kan de snelheidsformule in het hoofdstuk over geluid
gebruikt worden bij geluidsnelheid.

In dit hoofdstuk leert de leerling:
o       met een formule rekenen;
o       gebruik te maken van verhoudingstabellen;
o       verschillende soorten bewegingen en snelheden kennen;
o       uit diagrammen conclusies trekken;
o       werken met recht evenredige verbanden;
o       omrekenen en afronden in een bepaald aantal cijfers.

Aanwijzingen per paragraaf

Paragraaf 3.1 Bewegingen beschrijven
In een film ziet de leerling snelheden veranderen, een stukje videofilm geeft verschillende posities van een
bewegende scooter weer. Tijd, plaats en snelheid worden geïntroduceerd als eigenschappen van beweging.

Bij de startactiviteit hoort een filmpje van een race dat klassikaal kan worden vertoond (dit staat ook op de
docenten-cd-rom).

Paragraaf 3.2 Bewegingsgrootheden
In paragraaf 1.3 is de eenheid besproken als maat die bij de grootte van een waarneming hoort. In deze
paragraaf wordt elke meetbare eigenschap grootheid genoemd.
Het aflezen van een snelheidsmeter (bekend uit de startactiviteit) vormt de reden om vanuit een
waarnemingentabel v,t-diagrammen te maken.

In experiment 3.1 gebruikt een leerling zijn kennis om snelheid te bepalen als aantal meters per seconde en om
daarmee de twee andere bewegingsgrootheden afstand en tijd(sduur) te verankeren.

Paragraaf 3.3 Eenparige bewegingen
De beweging met een snelheid die niet verandert, krijgt een eigen naam. Daarbij horen speciale grafieken in het
s,t- en v,t-diagram. De leerlingen hebben de neiging deze termen door elkaar te gebruiken, evenals het begrip
tabel en diagram. Overigens is nask hierin vaak wat preciezer dan de wiskunde.
In deze paragraaf komt voor het eerst het recht evenredigheid verband tussen twee grootheden voor.

In experiment 3.2 wordt een videofilmpje stukje bij beetje gebruikt om informatie over afstand en tijd te krijgen.
Met de meetomgeving Coach krijgt u aardige resultaten.

Paragraaf 3.4 Rekenen met constante snelheid
Op twee manieren vindt de leerling antwoorden op berekeningen over eenparige bewegingen: met de
verhoudingstabel of met de formule. Bij gebruik van de formule is de volgende procedure noodzakelijk:
- formule opschrijven;
- formule invullen;
- formule uitrekenen;
- antwoord geven (grootheid = getal × eenheid).

Bij gebruik van verhoudingstabel dient de leerling doordrongen te zijn dat deze tabel middel is en geen doel: na
gebruik van de tabel moet expliciet antwoord gegeven worden (grootheid = getal × eenheid). Bedenk dat in
wiskundemethodes vaak in klas 1 al met verhoudingstabellen is gewerkt.

Het verschil tussen een waarnemingentabel en een verhoudingstabel is in de methode benadrukt door de eerste
verticaal te zetten en de tweede consequent horizontaal. In de eerste staan grootheid + eenheid in de kop van de
tabel, in de verhoudingstabel zetten we de eenheid achter de getallen, omdat die eenheden vaak juist in de
omrekening veranderen.




                                              Natuur- en scheikunde Overal handleiding 2 havo/vwo                    13
Paragraaf 3.5 Omrekenen en afronden
Het rekenwerk uit de vorige paragraaf levert soms veel cijfers in een getal als uitkomst op. In deze paragraaf
wordt stilgestaan bij de nauwkeurigheid. Gekozen is om toch de moeilijke woorden ‘significante cijfers’ te
gebruiken. Let erop dat de leerlingen bij wiskunde vaak gewend zijn af te ronden op een vast aantal decimalen.

Het omrekenen van m/s naar km/h is een vaardigheid die vaak verwordt tot delen door of vermenigvuldigen met
3,6. Op zich niets op tegen als de leerlingen het a) maar goed doen en b) weten waarom ze het doen.

Het juist kunnen afstellen van de rekenmachine is iets dat het beste klassikaal kan worden begeleid, zodat er
geen paniek ontstaat als opeens de natuurwetenschappelijke notatie op de display verschijnt.

Paragraaf 3.6 De gemiddelde snelheid
Het is goed om stil te staan bij het verschil tussen de formule voor de eenparige beweging (geldt alleen daarvoor)
en die voor de gemiddelde snelheid (geldt altijd).

Voor het eerst wordt het oplosschema gehanteerd als methode om moeilijker rekenopdrachten aan te pakken.

Paragraaf 3.7 De momentane snelheid
Omdat de kreet ‘snelheid op een bepaald tijdstip’ een mondvol is en de huidige leerling liever kort spreekt,
gebruiken we de term ‘momentane snelheid’. Dit is de derde soort snelheid naast de gemiddelde snelheid en de
constante snelheid.

De kleine tijdsduur tussen twee videobeeldjes of tussen twee flitsen van een stroboscoop sluit beter aan bij de
belevingswereld dan de tikkerband.

In experiment 3.3 wordt de computer gebruikt om een kleine tijdsduur vast te leggen. De proef zelf wordt
klassikaal uitgevoerd, terwijl de uitwerking daarna thuis of op een ander tijdstip in een computerlokaal gedaan kan
worden.

Planning

 Hoofdstuk 3
 paragraaf                                    lestijd                 huiswerktijd         totaal (min)
 3.1 Bewegingen beschrijven                   30                      15                   45
 3.2 Bewegingsgrootheden                      60                      45                   105
 3.3 Eenparige bewegingen                     60                      30                   90
 3.4 Rekenen met constante snelheid           45                      30                   75
 3.5 Omrekenen en afronden                    45                      30                   75
 3.6 De gemiddelde snelheid                   45                      30                   75
 3.7 De momentane snelheid                    45                      30                   75
 toets                                        60                      90                   150
 totalen                                      390 min                 300 min              690 min
 lesuren van 45 min                           9
 lestijd in klokuren                          7 uur                   10 uur               11,5 uur




                                             Natuur- en scheikunde Overal handleiding 2 havo/vwo                  14
2.4 Aanwijzingen bij hoofdstuk 4 Geluid en tonen
Algemeen
Nadat in hoofdstuk 2 het licht met zijn kleuren aan de orde is geweest, volgt nu het geluid met zijn tonen. Vaak
wordt gewezen op overeenkomsten tussen deze twee verschijnselen. In dit hoofdstuk wordt een aantal keer
biologische contexten gebruikt bijvoorbeeld als het gaat om geluiden die dieren voortbrengen. Met de moeilijke
formule f = 1 / T kan geoefend worden en het rekenen met significante cijfers, het afronden en
rekenmachinegebruik kunnen tegelijkertijd opnieuw geoefend worden.

In dit hoofdstuk leert de leerling:
o       rekenen met de formule f = 1 / T;
o       blokschema’s gebruiken;
o       het verschil tussen bron, medium en ontvanger;
o       welke functie een microfoon, versterker, luidspreker en toongenerator hebben;
o       de grenzen van het gehoor voor de toonhoogte en het geluidsniveau.

Aanwijzingen per paragraaf

Paragraaf 4.1 Herrie of muziek?
De leerlingen maken kennis met vier verschijningsvormen van geluid. Toepassing volgt in de startopdrachten.
Soms zijn de scheidslijnen vaag: achtergrondmuziek is zowel ontspannend als bijverschijnsel.

Een gehoortest (geluidssterkte) is als startactiviteit gekozen. Bij sommigen kan een slecht gehoor de uitkomst
zijn. Geadviseerd wordt om de test later nog eens te doen. Bij dezelfde uitkomst de huisarts raadplegen; vaak is
uitspuiten voldoende.

Paragraaf 4.2 Van bron naar ontvanger
In deze paragraaf staat het blokschema dat bij geluid hoort (en dat ook toegepast kan worden op licht).
Aan het einde van de paragraaf wordt de leerling voorbereid op de twee belangrijkste eigenschappen van geluid:
toonhoogte en geluidsniveau. In figuur 4.10 en 4.11 gaat het om het verschil dat je ziet bij een latje tussen hard
en zacht en tussen hoog en laag.
Het begrip ‘medium’ behoeft enige uitleg. Dat het ‘midden’ betekent (en dus tussen bron en ontvanger staat) is
wel snel duidelijk. Maar dat het ontbreken van een stof toch een medium oplevert is voor de leerling wat moeilijker
te bevatten. Vandaar dat gesproken wordt over een (tussen)stof als medium. Voor licht blijkt dat niet nodig te zijn:
het vacuüm is geen tussenstof maar wel een medium. Tussenstof is dus geen synoniem voor medium.

Experiment 4.1 kan voorafgaand aan de les thuis worden uitgevoerd en uitgewerkt.
Het korte demonstratie-experiment 4.2 laat het belang van het medium zien.

Paragraaf 4.3 De geluidssnelheid
In het vorige hoofdstuk is de formule voor snelheid behandeld. Toepassing bij geluid levert snel een relatie met de
echo op. Dat daarbij de afstand een dubbele rol speelt, kunnen de leerlingen uit een tekening snel begrijpen. De
cartoon van figuur 4.14 is een mooie overgang naar de volgende paragraaf.

Dat dieren echo gebruiken weet een aantal leerlingen van een vleermuis. Naast de genoemde animaties zijn er
nog wel meer te vinden. U kunt ook de leerlingen een zoekopdracht geven naar voorbeelden van echo’s.

Paragraaf 4.4 Hard en zacht
Gekozen is om de grootheid geluidsniveau (in dB) te gebruiken om aan te geven hoe hard het geluid is.
De functie van de microfoon en de luidspreker komen aan de orde. Bovendien staan we stil bij het verschijnsel
versterking.

Paragraaf 4.5 Hoog en laag
Waarschijnlijk zult u niet al te streng zijn over het verschil tussen de toonhoogte en de frequentie. Het rekenen
met de formule f = 1 / T is al moeilijk genoeg. Het gebruik van de reciproke (‘1/x’) toets op het rekenmachientje
vinden sommige leerlingen wel fijn. Het werkt het makkelijkst als de rekenmachine niet op de
natuurwetenschappelijke notatie is ingesteld.

Experiment 4.3 is bedoeld om het trillen zichtbaar te maken. Gekozen is om in klas 2 de oscilloscoop niet te
behandelen. Dat gebeurt in klas 3 als de leerling iets meer weet over elektrische spanningen.

Paragraaf 4.6 Beperkte oren
In deze paragraaf worden de vorige twee paragrafen samengenomen en gecombineerd met de mogelijkheden
van het oor. De grenzen bij toonhoogte en geluidssterkte betekenen vier mogelijkheden.

De paragraaf sluit af, terugkomend op paragraaf 4.1, met maatregelen tegen geluidshinder.




                                             Natuur- en scheikunde Overal handleiding 2 havo/vwo                    15
Het bepalen van de grenzen van de toonhoogte in experiment 4.4 kan gebeuren in een klassensituatie of via een
pc als het juiste programma voorhanden is. De eerste manier verdient naar onze mening de voorkeur. Door de
volumeknop bij hoge frequenties uit te zetten, haalt u leerlingen die ‘het nog steeds horen’ er uit.
De volumeknop juist harder zetten als men het niet meer hoort, leidt toch nog steeds tot verwondering.

Planning

 Hoofdstuk 4
 paragraaf                           lestijd        huiswerktijd        totaal (min)
 4.1 Herrie of muziek?               30             30                  60
 4.2 Van bron naar ontvanger         100            50                  160
 4.3 De geluidssnelheid              45             45                  90
 4.4 Hard en zacht                   45             30                  75
 4.5 Hoog en laag                    65             55                  120
 4.6 Beperkte oren                   45             45                  90
 toets                               60             90                  150
 totalen                             390 min        345 min             735 min
 lesuren van 45 min                  9
 lestijd in klokuren                 6,5 uur        5,75 uur            12,3 uur




                                           Natuur- en scheikunde Overal handleiding 2 havo/vwo             16
2.5 Aanwijzingen bij hoofdstuk 5 Onderzoek laten zien
Algemeen
In dit hoofdstuk komt het presenteren van een onderzoek(je) aan de orde. De leerlingen doen een (vrij gesloten)
onderzoek. Dat moeten zij daarna presenteren. Dit kan door middel van een verslag (dit is in hoofdstuk 1 al aan
de orde geweest). Nieuwe vormen van presenteren in dit hoofdstuk zijn: de posterpresentatie en de
tentoonstelling.

In dit hoofdstuk leert de leerling:
o       hoe een posterpresentatie gehouden kan worden;
o       hoe een experiment in een tentoonstelling gepresenteerd kan worden.

Aanwijzingen per paragraaf

Paragraaf 5.1
De bedoeling van dit hoofdstuk wordt uitgelegd. Belangrijk is dat u daarna aangeeft welke proeven gedaan
kunnen worden en hoe de proeven gepresenteerd moeten worden.

Paragraaf 5.2
De meeste onderzoeksopdrachten kunnen in groepjes van 2 à 4 leerlingen gedaan worden. Opdracht 4 (Remmen
met je fiets) en opdracht 9 (Kartonnen dozen) gaan beter als de groepjes wat groter zijn.
Voor de meeste opdrachten is weinig voorkennis nodig, alleen voor opdracht 7 (Muziekinstrumenten) moeten de
leerlingen het een en ander weten van blaas- en snaarinstrumenten en moeten ze minstens een toonladder op
deze instrumenten kunnen spelen.
Dit type hoofdstukken heeft altijd iets van vrijblijvendheid. Natuurlijk kunt u de producten van de leerlingen
beoordelen. Een andere manier om de opgedane kennis te delen is door de leerlingen over hun eigen onderwerp
twee vragen te laten bedenken. De vragen van de groepjes kunnen dan op een blad bij elkaar gezet worden. Bij
een tentoonstelling moeten de andere leerlingen dan de antwoorden op die vragen verzamelen. U kunt daar nog
een toets aan verbinden.

Planning

 Hoofdstuk 5
 paragraaf                                  lestijd        huiswerktijd        totaal (min)
 5.1 Presenteren                            40             30                  60
 5.2 Onderzoeksopdrachten                   135            60                  195
 toets                                      60             90                  150
 totalen                                    225 min        180 min             405 min
 lesuren van 45 min                         5
 lestijd in klokuren                        3,8 uur        3 uur               6,8 uur




                                            Natuur- en scheikunde Overal handleiding 2 havo/vwo               17
2.6 Aanwijzingen bij hoofdstuk 6 Materialen en moleculen
Algemeen
Het bestaan van 'moleculen' kan niet zonder meer aangenomen worden. Ze zijn immers vrijwel niet rechtstreeks
waar te nemen. In de loop van dit hoofdstuk wordt daarom een molecuultheorie opgebouwd ter verklaring van
verschijnselen. Al werkend blijken er veel natuur- en scheikundige verschijnselen te zijn die met de
veronderstellingen verklaard kunnen worden.
Uiteindelijk bekijken we de verschijnselen drijven en zinken aan de hand van de dichtheid van materialen.

In dit hoofdstuk leert de leerling:
o       wat moleculen zijn;
o       de verschillende eigenschappen van moleculen;
o       wat we bedoelen met het molecuulmodel;
o       dat stoffen kunnen voorkomen in verschillende fasen;
o       wat er gebeurt bij de overgang tussen de verschillende fasen;
o       eerlijk vergelijken aan de hand van de stofeigenschap dichtheid.

Aanwijzingen per paragraaf

Paragraaf 6.1 Stoffen herkennen
Stoffen zijn te herkennen aan de hand van stofeigenschappen. Leerlingen gaan een aantal van deze
stofeigenschappen bekijken bij verschillende stoffen. De eerste stofeigenschappen die zij gaan bekijken zijn kleur
en geur. Andere stofeigenschappen (zoals dichtheid) komen later in het hoofdstuk aan bod.

Het bekijken van de stofeigenschappen gebeurt door de leerlingen zelf in een introducerend proefje.

Paragraaf 6.2 Moleculen
In deze paragraaf komt het molecuulmodel aan de orde. Dit zijn veronderstellingen die nodig zijn om allerlei
stofeigenschappen en verschijnselen te kunnen verklaren.
Aan de hand van experimenten en verschijnselen om ons heen wordt dit molecuulmodel opgebouwd.

Enkele aansprekende en eenvoudige proefjes worden gebruikt om een aantal veronderstellingen rondom het
molecuulmodel te beproeven.

Een applet beeldt uit wat er gebeurt met de moleculen als de temperatuur hoger wordt.

Paragraaf 6.3 De drie toestanden van stoffen
De stof water is in drie fasen bekend. Ook de faseovergangen kunnen worden beschreven. Uit de voorbeelden
die te maken hebben met water volgt dat de temperatuur een rol speelt bij faseovergangen.

Er is een beeldende animatie van de drie fasen waarin stoffen voor kunnen komen. Dit is opgebouwd aan de
hand van het eerder beschreven molecuulmodel.

Met behulp van het programma Coach wordt het temperatuurverloop bij een faseovergang bekeken.

Paragraaf 6.4 Dichtheid
De stofeigenschap dichtheid komt uitgebreid aan bod. Leerlingen moeten hiermee rekenen en dat vergt enige
oefening. Allereerst wordt er een onderscheid gemaakt tussen massa en gewicht, waarna leerlingen het verband
tussen de massa en het volume in een experiment ontdekken. Pas daarna komen het berekenen van de
dichtheid en het gebruik van de dichtheid in het dagelijkse leven aan de orde.

Vaardigheden: De leerlingen presenteren de resultaten van het verband tussen de massa en het volume
mondeling aan elkaar.

Paragraaf 6.5 Drijven en zinken
Aan de hand van het molecuulmodel en de kennis over het begrip dichtheid ontdekken de leerlingen waarom
sommige voorwerpen drijven en andere niet. Er wordt een koppeling gemaakt met het mengen van stoffen bij
scheikunde.

In de opgaven wordt leerlingen gevraagd hoe ze de dichtheid van hun lichaam kunnen bepalen. Mocht het weer
het toelaten, dan is dit uiteraard door leerlingen uit te voeren. De nauwkeurigheid laat te wensen over, maar ook
daar leren de leerlingen veel van.

Planning

 Hoofdstuk 6




                                             Natuur- en scheikunde Overal handleiding 2 havo/vwo                18
paragraaf                          lestijd             huiswerktijd        totaal (min)
6.1 Stoffen herkennen              45                  15                  60
6.2 Moleculen                      65                  25                  90
6.3 De drie toestanden van water   60                  50                  110
6.4 Dichtheid                      55                  45                  100
6.5 Drijven en zinken              95                  25                  120
toets                              60                  90                  150
totalen                            380 min             250 min             630 min
lesuren van 45 min                 8
lestijd in klokuren                6,3 uur             4,2 uur             10,5 uur




                                        Natuur- en scheikunde Overal handleiding 2 havo/vwo   19
2.7 Aanwijzingen bij hoofdstuk 7 Kracht en evenwicht
Algemeen
De abstracte grootheid kracht doet in dit hoofdstuk zijn intrede. Net zoals in hoofdstuk 3 en hoofdstuk 6 komen in
dit hoofdstuk recht evenredige verbanden aan de orde. Nieuw is dat je een kracht door een pijl kunt voorstellen
en daarmee zelfs kunt voorspellen wat er gebeurt als krachten in verschillende richtingen werken.
Het is zaak dat de leerling zo snel mogelijk aanleert een kracht te benoemen en dat als subscript bij het
krachtsymbool F te noteren.

In dit hoofdstuk leert de leerling:
o       het gevolg van een kracht;
o       wat de resulterende kracht voorstelt;
o       de namen van tien krachten;
o       het recht evenredige verband tussen kracht en uitrekking bij een spiraalveer;
o       het recht evenredige verband tussen zwaartekracht en massa;
o       de zwaartekracht berekenen uit de massa met de formule Fz = 9,8 × m;
o       de tekenregels voor het optellen van krachten;
o       wat krachtenevenwicht is.

Aanwijzingen per paragraaf

Paragraaf 7.1 Het gevolg van krachten
De startactiviteit is in deze paragraaf een experiment waarin de leerling spelenderwijs ervaart wat krachten doen.
Er wordt ook gevraagd de kracht te omschrijven of te benoemen als voorbereiding op paragraaf 7.2

In experiment 7.1 wordt het gevolg van de optredende krachten steeds met de vier instapvoorbeelden
vergeleken.

Paragraaf 7.2 Krachten hebben een naam
De uitkomsten van experiment 7.1 worden gebruikt om vier gevolgen van krachten vast te stellen. De eerste twee
zijn natuurlijk hetzelfde, als vervorming betekent dat verschillende onderdelen van hetzelfde voorwerp een
verschillende snelheid hebben ten opzichte van elkaar. De laatste twee zijn moeilijker: uit ervaring weet je dat een
voorwerp valt of afremt. Om dit tegen te gaan moet er een kracht worden uitgeoefend. De leerling kent al het
woord zwaartekracht. Deze kracht wordt gebruikt om ook andere krachtnamen te introduceren.

Omdat de krachten bij het vorige hoofdstuk nog niet bekend waren, wordt aan het slot de Vanderwaalskracht
besproken.

Paragraaf 7.3 Krachten meten
Kracht is een grootheid, heeft dus een eenheid en kan gemeten worden. Dat het verband tussen kracht en de
vervorming (= extra lengte = uitrekking) recht evenredig is, vinden de meeste leerlingen logisch.

Het rekenen met recht evenredigheid wordt in een aantal voorbeelden herhaald. Het lijkt ons te vroeg om de
formule F = C · u te introduceren. In dit hoofdstuk krijgen ze al berekeningen uit te voeren met een formule.

In experiment 7.2 kiezen we ervoor om een spiraalveer te belasten met een te meten spierkracht door horizontaal
te trekken. Dan zijn er geen gewichtjes nodig met zwaartekracht, zoals bij een verticale situatie.

Paragraaf 7.4 Het tekenen van krachten
Kracht als voorbeeld van een vector(grootheid). De plaats van het aangrijpingspunt is voor velen nog moeilijk te
vatten. Enkele (leuke) tekeningen op het bord, bijvoorbeeld een overdreven ingedrukte voetbal, kunnen dit
verhelderen.
De somkracht is de kracht van twee krachten samen. Dat hoeven niet alle krachten te zijn. De somkracht van alle
krachten noemen we resultante, die wordt in paragraaf 7.6 behandeld.

Experiment 7.3 is een andersoortig experiment: een tekenexperiment. In klas twee beperken we ons tot twee
gelijkgerichte, tegengesteld gerichte en onderling loodrechte krachten.

Er is een groot aantal applets waarin de kop-staartmethode fraai in beeld wordt gebracht.

Paragraaf 7.5 Zwaartekracht en massa
Om het verband tussen zwaartekracht en massa te vinden, wordt eerst in deze paragraaf het evenwicht
behandeld. Dit verschijnsel komt in de volgende paragraaf nog een keer terug (zelfs in de titel).

Net zoals het in paragraaf 7.3 vreemd is om over een spiraalveer te schrijven ‘5 N = 3 cm uitrekking’, moet de
leerling het vreemd gaan vinden om te schrijven ‘1,0 kg = 9,8 N’.




                                             Natuur- en scheikunde Overal handleiding 2 havo/vwo                 20
Voor leerlingen die graag met een verhoudingstabel werken, moet duidelijk zijn dat in de eerste lege cellen 1,0 kg
en 9,8 N moet komen te staan. We pleiten er echter voor om bij een groter wordend abstractieniveau de leerling
echt met de formule te laten rekenen. Steeds weer met dezelfde procedure:
- formule opschrijven;
- invullen;
- uitrekenen;
- antwoord geven in de vorm grootheid = getal × eenheid.

Het blijkt steeds weer verrassend dat de leerlingen met het meten van de zwaartekracht op hun etui ook de
massa kunnen bepalen door te vergelijken met de andere metingen aan bekende massa’s (experiment 7.4).

Paragraaf 7.6 De resulterende kracht en evenwicht
Het gaat tegen de ervaring van kinderen in om bij een bewegend voorwerp van evenwicht te spreken.
We proberen dit inzicht aan te brengen door een rijdende fiets op te voeren en te vragen wat er met de snelheid
gebeurt als de trapkracht groter (dan kleiner, dan even groot) is dan de tegenwerkende krachten. Maar het
concept van de traagheidswet is dan zeker nog niet eigen gemaakt! Dat vereist meer herhaling.

Bij alleen twee onderling loodrechte krachten kan er nooit evenwicht zijn. De kop-staartmethode uit paragraaf 7.4
kan ook gedaan worden als parallellogrammethode, maar we passen dat in de tweede klas alleen toe bij een
speciaal parallellogram: de rechthoek.

Planning

 Hoofdstuk 7
 paragraaf                                         lestijd         huiswerktijd          totaal (min)
 7.1 Het gevolg van krachten                       45              30                    75
 7.2 Krachten hebben een naam                      45              30                    75
 7.3 Krachten meten                                60              30                    90
 7.4 Het tekenen van krachten                      60              30                    75
 7.5 Zwaartekracht en massa                        60              30                    75
 7.5 De resulterende kracht en evenwicht           45              30                    75
 toets                                             60              90                    150
 totalen                                           390 min         270 min               660 min
 lesuren van 45 min                                9
 lestijd in klokuren                               6,5 uur         4,5 uur               11 uur




                                            Natuur- en scheikunde Overal handleiding 2 havo/vwo                 21
2.8 Aanwijzingen bij hoofdstuk 8 Energiestromen
Algemeen
In dit hoofdstuk zijn de onderwerpen energie en elektrische stromen uit de vorige druk samen opgenomen. Een
van de energiebronnen is de batterij en een van de energiesoorten is (uiteraard) elektrische energie. De
koppeling van de waterstroom in een cv die energie (warmte) met zich meevoert en de elektrische stroom die
energie (elektriciteit) transporteert, is te mooi om er geen gebruik van te maken.
Na de namen van energiesoorten en de omzetting van de ene soort in de andere soort wordt via de sterkte van
een waterstroom de sterkte van een elektrische stroom behandeld. Het hoofdstuk eindigt met een energiedebat.
De leerlingen hebben zich vooraf (al eerder in het hoofdstuk) moeten inlezen en inleven in de mogelijkheden van
de door hen geadopteerde energiesoort. Beslist u dus tevoren al of u het energiedebat aan het einde wilt
organiseren.

In dit hoofdstuk leert de leerling:
o       verschillende energiesoorten en energiebronnen;
o       een energieomzetting met een blokschema beschrijven;
o       de stroomsterkte van gas, water en elektriciteit berekenen;
o       elektrische schakelingen met een computer simuleren;
o       een elektrische schakeling bouwen en daarin de stroomsterkte meten;
o       wat de gevolgen zijn van het verbranden van fossiele brandstoffen in een elektriciteitscentrale.

Aanwijzingen per paragraaf

Paragraaf 8.1 Geen energie?
Kracht als abstracte grootheid is al moeilijk. Energie, waar iedereen wel iets van weet, is dat zeker. Een korte
opsomming moet het gevoel voor energie losmaken: als er dát gebeurt, dan is er energie voor nodig (geweest).

De startactiviteit is een computerspelletje waarin de leerling spelenderwijs probeert om de energie die gekoppeld
is aan water, wind en zonnestraling op te slaan. Die energie wordt gebruikt om de speler letterlijk in de lucht te
houden. Het wedstrijdelement maakt het voor de tweedeklasser nog spannender. Energie wordt gekoppeld aan
een bewegend voorwerp.

Paragraaf 8.2 Energie: bronnen en soorten
In deze paragraaf wordt onderscheid gemaakt tussen de drager van de energie en de naam van de energie.
Energie is een grootheid en heeft dus een eenheid. De koppeling met de biologie wordt gelegd door voedsel als
energiebron te gebruiken. De aanduiding J op een aantal producten wordt dan beter begrepen. In dit leerjaar
wordt warmte als een energiesoort behandeld. Wel een speciale, want het symbool is geen E maar Q. In hogere
leerjaren wordt dieper ingegaan op warmte als inwendige energie op transport.

Paragraaf 8.3 Energieomzettingen
Er is voor gekozen het blokschema van een energieomzetter (bijvoorbeeld een apparaat) zo te kiezen dat de
omzetter of het proces in het blok genoemd wordt. De energiesoort die omgezet wordt, staat bij de pijl erin en de
andere, nieuwe energiesoort bij de pijl eruit.

Experiment 8.1 heeft als bedoeling de leerling verschillende energiesoorten (inclusief warmte) te laten herkennen
en de omzetting schematisch weer te laten geven.
Met makkelijke getallen wordt over het rendement (de kwaliteit) van een omzetting gesproken. In klas 3 krijgt dit
een vervolg, waarbij ook het tempo van de omzetting (het vermogen) behandeld wordt.

Paragraaf 8.4 Waterstromen
Het is uitdrukkelijk de bedoeling dat experiment 8.2 voorafgaand aan deze paragraaf thuis wordt uitgevoerd.
Vanuit de bespreking van experiment 8.2 is het gemakkelijk de stroomsterkte van een waterstroom af te spreken.
Een zich vernauwende rivier uit de vakantie geeft op natuurlijke wijze het verschil tussen stroomsnelheid en
stroomsterkte aan.

De parallelschakeling van twee wasbakken levert een voorstelbare manier op om over hoofdstroom en
deelstromen te praten.

Paragraaf 8.5 Elektrische stromen
Met de elektrische kracht van experiment 7.1 in paragraaf 7.1 wordt de grootheid elektrische lading
geïntroduceerd. Ook wordt de stroomkring waarin ‘iets’ stroomt teruggekoppeld naar experiment 1.6 waar met
onderzoeksvragen is geoefend. Zo krijgt ook het boek een concentrische afsluiting. Vergelijking met een cv kan
steeds verhelderend werken.

Experiment 8.3 kan net zoals experiment 8.4 zowel met tastbare componenten als in een digitale
simulatieomgeving worden gedaan. Geadviseerd wordt een van deze twee met een simulatieprogramma te doen,
zodat de leerlingen daar ook weet van hebben.



                                             Natuur- en scheikunde Overal handleiding 2 havo/vwo                   22
Paragraaf 8.6 De elektrische stroomsterkte
In deze paragraaf staat de sterkte van een elektrische stroom centraal. Aan het einde van de tweede klas wordt
een voorzichtige poging gedaan de leerlingen alvast iets mee te geven van geladen elektronen (microscopisch)
die met elektrische energie door draden naar een omzetter gaan en daardoor een elektrische stroom met een
bepaalde sterkte I veroorzaken (macroscopisch).

Geoefend kan worden met het aflezen van stroommeters. Het model van de parallelle wasbakken bewijst hier
goede diensten.

Experiment 8.4 kan net zoals experiment 8.3 zowel met tastbare componenten als in een digitale
simulatieomgeving worden gedaan. Geadviseerd wordt een van deze twee met een simulatieprogramma te doen.

Paragraaf 8.7 Energie in de toekomst
Deze afsluitende paragraaf reflecteert op onze energiebehoefte. Het effect van ‘global warming’ (versterking van
het broeikaseffect) wordt behandeld. Dit is nodig om voor- en nadelen van energiebronnen in het energiedebat
goed voor het voetlicht te laten komen. De laatste opdracht in het werkboek geeft structuur aan het debat!

Planning

 Hoofdstuk 8
 paragraaf                               lestijd        huiswerktijd        totaal (min)
 8.1 Geen energie?                       45             15                  60
 8.2 Energie: bronnen en soorten         45             30                  75
 8.3 Energieomzettingen                  45             30                  90
 8.4 Waterstromen                        45             45                  90
 8.5 Elektrische stromen                 60             45                  105
 8.6 De elektrische stroomsterkte        75             45                  135
 8.7 Energie in de toekomst              90             45                  135
 toets                                   60             90                  150
 totalen                                 465 min        345 min             810 min
 lesuren van 45 min                      10
 lestijd in klokuren                     7,8 uur        5,75 uur            13,5 uur




                                              Natuur- en scheikunde Overal handleiding 2 havo/vwo                23
2.9 Aanwijzingen bij hoofdstuk 9 Samen onderzoeken
Algemeen
In dit hoofdstuk staat samenwerken centraal. De bedoeling is dat er met wat grotere groepen gewerkt wordt
(minstens vier leerlingen), zodat het noodzakelijk is het werk te verdelen en goede afspraken te maken.

In dit hoofdstuk leert de leerling:
o       hoe je samen in een groep een onderzoek opzet;
o       hoe je taken verdeelt;
o       hoe je een meetplan opstelt;
o       hoe je een planning maakt.

Aanwijzingen per paragraaf

Paragraaf 9.1
Dit hoofdstuk wijkt, net als hoofdstuk 5, af van de overige hoofdstukken. In de eerste les moet uitgelegd worden
wat de bedoeling van dit hoofdstuk is. In de opdrachten in het werkboek wordt duidelijk welke stappen nodig zijn
voor een goede samenwerking. Belangrijk is dat u als docent afspreekt met de leerlingen welke proeven gedaan
kunnen worden en hoe de proeven gepresenteerd moeten worden.

Paragraaf 9.2
In deze paragraaf staan acht voorbeelden van onderzoeken die leerlingen zelfstandig, met weinig materiaal
kunnen uitvoeren. Elk voorbeeld begint met enkele startvragen om duidelijk te maken wat het probleem is.
Daarna volgen suggesties voor onderzoek. Natuurlijk kunnen leerlingen met eigen ideeën komen.

Planning

 Hoofdstuk 9
 paragraaf                            lestijd        huiswerktijd        totaal (min)
 9.1 Samenwerken                      45             30                  75
 9.2 Onderzoek doen                   135            60                  195
 toets                                60             90                  150
 totalen                              240 min        180 min             420 min
 lesuren van 45 min                   5
 tijd in (klok)uren                   4 uur          3 uur               7 uur




                                              Natuur- en scheikunde Overal handleiding 2 havo/vwo              24
3      Practicumapparatuur
3.1 Apparatuur hoofdstuk 1
experiment 1.1
-      prisma met kleine tophoek
-      felle lichtbron zoals experimenteerlamp of een diaprojector met spleet
-      verstelbare spleet
TIP
Eventueel kan met de optische rail en toebehoren deze proef door de leerlingen worden gedaan.
Leerlingen moeten met viltstift of kleurpotloden de kleuren in hun werkboek aangeven.

experiment 1.2
-      erlenmeyer met smalle hals
-      beetje water
-      beetje kalium, natrium en calcium
-      zuurkast
TIP
In verband met de heftige reactie niet door leerlingen laten uitvoeren.

experiment 1.3
-     twee (plastic) flessen met leeglooptuit (scheikunde)
-     stukken slang
-     een stopwatch

experiment 1.4
-     meetlint (min. 2,0 m)
-     weegschaal
-     thermometer (geen koortsthermometer)
-     stopwatch

experiment 1.5
-     nauwkeurige balans met massaset (tot 50 mg)
-     glazen ballon (1,00 L)
-     luchtpomp

experiment 1.6
-     batterij (spanningsbron)
-     snoertjes (3 per groepje)
-     2 klemmen
-     voorwerpen: paperclip, blokje koper, potlood
-     bekerglas met kraanwater, zout
-     kopie van voorbeeldverslag op site onder ‘Experimenten’

experiment 1.7
-       statiefmateriaal
-       gewichtjes (massa 50 g)
-       stopwatch
-       touw van ca 1,2 m lengte
-       liniaal (rolmaat)
-       kopie van voorbeeldverslag op site onder ‘Experimenten’
TIP
Leerlingen kunnen in kleine groepje aan deze proef werken.
Ze zullen naast de bank moeten slingeren.
TIP
Het is niet nodig alle groepjes alle (drie) de proeven uit te laten voeren, de resultaten kunnen gepresenteerd en
aan elkaar doorgegeven worden.

3.2 Apparatuur hoofdstuk 2
experiment 2.1
-     eenvoudige spectrometer (kan ook met een tralie vlak voor het oog)
-     lichtbronnen: tl-lamp, brander, gloeilamp, blacklight, laserlicht tegen scherm, natriumlamp of kwiklamp,
      spaarlamp




                                               Natuur- en scheikunde Overal handleiding 2 havo/vwo                  25
experiment 2.2
-      laser
-      borstel met stof
-      kartonnen koker
-      batterij
-      lamphouder met lampje
-      schermpje met wit papier
-      zwart papier; perspex of glas; spiegeltje
TIP
De vorm van de koker bij experiment 3.2 en 3.3 is afhankelijk van de fitting van het lampje. Met zwart karton en
plakband kan een leerling zelf een koker maken. Duurzamer materiaal is pvc-pijp. Maar ook dan is een zwarte
papiervoering gewenst.

experiment 2.3
-      lamp waaruit een heldere smalle lichtbundel komt
-      twee gelijke prisma's met scherpe tophoek
-      wit scherm
-      gekleurd stuk plastic of glas (filter)
-      apparaat om rode, groene en blauwe lichtbundel gedeeltelijk over elkaar te laten vallen
TIP
Deze laatste opdracht kan ook prima op de computer bekeken worden met de applet 'Een kleurrijke wereld' op de site.

experiment 2.4
-     computerexperiment: op de site de applet 'Een kleurrijke wereld'

experiment 2.5
-     lamp met spanningsbron
-     wit scherm
-     klein voorwerp
-     stuk karton van 2 cm × 2 cm
-     liniaal
-     kopie van invulvel voor een verslag op de site bij 'Extra'

3.3 Apparatuur hoofdstuk 3
experiment 3.1
-      krijt
-      meetlint (20 m)
-      stopwatch
-      fiets
TIP
Drie stoeptegels bij elkaar of een flinke stap is ook één meter.

experiment 3.2
-     computer: coach5 videometen

experiment 3.3
-     computer: coach5 meten met coachlab II
-     helling
-     karretje
-     lichtsensor en lampje

3.4 Apparatuur hoofdstuk 4
experiment 4.1
-     liniaal (breinaald of latje kan ook)
-     lege fles
-     water
-     stuk elastiek op open doosje

experiment 4.2
-     batterij
-     vacuümpomp met afsluitbare stolp
-     elektrische bel (als de bel op wisselspanning werkt dan de aansluitsnoeren via de stop naar buiten)

experiment 4.3




                                              Natuur- en scheikunde Overal handleiding 2 havo/vwo                  26
-      stemvork
-      tafeltennisballetje aan draad
-      glazen bakje met water
-      stemvork met naald
-      carbonpapier of beroet (dia)glaasje (kan dan met diaprojector i.p.v. overheadprojector)

experiment 4.4
-     toongenerator
-     luidspreker (of koptelefoon!)
-     snoertjes

3.5 Apparatuur hoofdstuk 5
-      papier en viltstiften om een poster(tentoonstelling) te maken

onderzoek 1
geen hulpmiddelen nodig

onderzoek 2
-     donkere ruimte
-     kaars (of lamp)
-     karton met (klein) gaatje
-     scherm
-     schaar (om gat groter te maken)
-     voor de camera obscura: kartonnen doos, vetvrij papier (overtrekpapier)

onderzoek 3
-     model van een oog (bij biologie lenen)
-     spiegel (liefst een donkere kamer waar fel licht aangedaan kan worden.
-     digitale fotocamera (met rode ogencorrectie)
-     optische rail met A-lens (f = 50 mm), B-lens (f = 100 mm), C-lens (f = 200 mm), diahouder, wit scherm en
      zwart papier (half A4)
-     schaar
-     eventueel een (oud) fototoestel dat uit elkaar gehaald kan worden

onderzoek 4
-     fiets met km-teller
-     meetlint (minstens 20 m)
-     krijt

onderzoek 5
-     gekleurd tafeltennisballetje
-     metalen bol, ongeveer even groot als het tafeltennisballetje (eventueel een tweede tafeltennisballetje
      gevuld met zand)
-     digitale (foto)camera (om een filmpje te maken dat plaatje voor plaatje bekeken moet worden)
-     bordliniaal

onderzoek 6
-     atletiekbaan
-     meetlint (minstens 20 m of een lang touw)
-     computer om de applet 'Reactietijd' te gebruiken

onderzoek 7
-     snaar op een houten frame (of een snaarinstrument)
-     blokje
-     blokfluit
-     flesje
-     water

onderzoek 8
-     stemvork met klankkast
-     lange schroefveer (Slinky)
-     blokfluit
-     mogelijkheid om (tijdens of na de les) het filmpje van de Tacoma bridge te bekijken

onderzoek 9
-     verschillende soorten karton



                                              Natuur- en scheikunde Overal handleiding 2 havo/vwo              27
-      vellen A4
-      lijm
-      schaar

onderzoek 10
-     zilvernitraatoplossing
-     natriumchlorideoplossing
-     vier reageerbuizen
-     foto-ontwikkelaar
-     fixeeroplossing
-     fotopapier
-     donkere kamer met rode lampen
-     ontwikkelaar
-     fixeer
-     'ontwikkelschalen'
-     klok of horloge

onderzoek 11
-     twee pvc-buizen
-     draaitafeltje
-     twee glazen staven
-     doekjes om mee te wrijven
-     papier om snippers te maken
-     elektroscoop
-     waterstraaltje
-     Wimshurstmachine (of Van de Graaffgenerator)

3.6 Apparatuur hoofdstuk 6
experiment 6.1
-     bekerglas koud water
-     bekerglas warm water
-     inkt
-     tissue

experiment 6.2
-      thermometer in zuivere stof (paraffine)
-      thermometer in mengsel (goedkoop kaarsvet of vast frietvet)
-      föhn (of pannetje water met brander)
voor proef B: computer met coachlab en coach5
-      temperatuursensor
-      reageerbuisje met zuivere stof (paraffine)
-      reageerbuisje met mengsel
-      föhn (of pannetje water met brander)

experiment 6.3
-     per groep: één of twee koperen voorwerpen
-     balans (met massaset) en/of elektronische balans
-     liniaal
-     bekerglas met water

experiment 6.4
per groep:
proef A:
-      bekerglas
-      reageerbuisje met water
-      reageerbuisje met olie
proef B:
-      maatcilinder
-      vloeistof (minstens 50 mL, kan zijn: spiritus, olie)
-      balans met massaset

experiment 6.5
per groepje:
-      bekerglas
-      water
-      spiritus



                                               Natuur- en scheikunde Overal handleiding 2 havo/vwo   28
-     blokjes: hout, perspex
-     ijs
-     steentje

3.7 Apparatuur hoofdstuk 7
experiment 7.1
per groepje:
-      schroefveer
-      magneet
-      blokje van ijzer
-      pvc-buis en een dunne waterstraal
-      statief, touwtje
-      speelgoedautootje met motor
-      blaadje papier

experiment 7.2
-     schroefveer met aanwijspinnetje
-     liniaal
-     krachtmeter (veerunster)
-     voorwerp (ongeveer 80 g)

experiment 7.3
niets nodig

experiment 7.4
per groepje:
-      5 massa's (10 of 20 g)
-      statief
-      veerunster
-      extra opdracht 3 en 4: bekerglas met water

3.8 Apparatuur hoofdstuk 8
experiment 8.1
-     dompelaar
-     groot bekerglas met water
-     zware kogel
-     warmtegevoelig papier
-     lampje
-     dynamo met draadje waarmee je dynamo aan het draaien kunt maken
-     circulatiebuis met water
-     kleurstof
-     brander

experiment 8.2
-     maatbeker (1,0 L)
-     stopwatch
-     kraan

experiment 8.3
proef A:
-      batterij (voedingskastje)
-      snoertjes
-      lampje
-      schakelaar
proef B:
-      computer met Crocodile clips

experiment 8.4
proef A:
-      voedingskastje
-      snoertjes
-      drie lampjes
-      stroommeter
-      schakelaar




                                           Natuur- en scheikunde Overal handleiding 2 havo/vwo   29
proef B:
-      computer met Crocodile clips

3.9 Apparatuur hoofdstuk 9
onderzoek 1
-     thermometer
-     paar bakstenen
-     glazen plaat
-     zo mogelijk computer met Coach en temperatuursensor (of datalogger)

onderzoek 2
-     kompas

onderzoek 3
-     verschillende thermoskannen, ook een petfles
-     Dewarvat (koude vloeistoffen)

onderzoek 4
-     diverse soorten chips
-     bakjes (met nummer) om chips in te doen

onderzoek 5
-     atletiekbaan
-     stopwatch

onderzoek 6
-     leerlingen moeten met een (digitale) camera foto's van de volle maan maken

onderzoek 7
-     petfles
-     kurk met gaatje en ventiel
-     fietspomp
-     meetlint

onderzoek 8
-     branders (bijvoorbeeld: waxinelichtje, kleine spiritusbrander, lampenolie met een stukje watten, brandende
      pinda)
-     pannetje met water
-     thermometer




                                            Natuur- en scheikunde Overal handleiding 2 havo/vwo               30
4      De ICT op de website www.naskoveral.epn.nl/2hv
4.1 Hoofdstuk 1
1.1 Natuur- en scheikunde overal
        Natuur- en scheikunde zijn overal
1.2 Waarom natuur- en scheikunde?
        Steaming vents
        Heelal
        Vuurwerk
        Natrium en water
        Rondje natuurwetenschappen
1.3 Waarnemen en meten
        Gezichtsbedrog
        Schuifmaat
        Omrekenen eenheden
        Tijd schatten
        Deeltoets (1)
1.4 Experimenten: hoe en waarom
        Toevallige ontdekkingen
        Tijdbalk
1.5 Schommelen en slingeren
        Deeltoets (2)
Hulp bij experimenten en opdrachten
        Experimenten
        Toolbox: Fyzzie en Chemma
Afsluiting
        Samenvatting
        Uitwerkingen voorbeeldproefwerk
        Puzzel
        Links bij dit hoofdstuk

4.2 Hoofdstuk 2
2.1 Zien
        Kleurenblindheidstest (1 en 2)
        Lichttherapie
        Oog
2.2 Lichtbronnen
        Spectroscoop
        Zien in het donker
        Wat kún je zien?
2.3 Kleuren
        Ezelsbruggetjes
        Een kleurrijke wereld
        Kleuren maken en coderen
2.4 Schaduw
        Schaduwvorming
        Zon en maan in het duister
        Beweging van aarde en maan
        Gekleurde schaduwen
        Deeltoets (1)
2.5 Spiegels
        Spiegels
2.6 Onzichtbaar licht
        Gevaar van gsm
        Röntgenstraling
        Deeltoets (2)
Hulp bij experimenten en opdrachten
        Experimenten
        Toolbox: Fyzzie en Chemma
Afsluiting
        Samenvatting
        Uitwerkingen voorbeeldproefwerk
        Puzzel




                                            Natuur- en scheikunde Overal handleiding 2 havo/vwo   31
      Links bij dit hoofdstuk

4.3 Hoofdstuk 3
3.1 Bewegingen beschrijven
        De snelheid van een race-auto
        100 m hardlopen in 2156
3.2 Bewegingsgrootheden
        Snelheid,tijd-diagrammen
3.3 Eenparige bewegingen
        Coach exp. 3.2
3.4 Rekenen met constante snelheid
        Verhoudingstabel
3.5 Omrekenen en afronden
        Significante cijfers
        Deeltoets (1)
3.6 De gemiddelde snelheid
        De reisplanner
3.7 De momentane snelheid
        Coach exp. 3.3
        Deeltoets (2)
Hulp bij experimenten en opdrachten
        Experimenten
        Toolbox: Fyzzie en Chemma
Afsluiting
        Samenvatting
        Uitwerkingen voorbeeldproefwerk
        Puzzel

4.4 Hoofdstuk 4
4.1 Herrie of muziek
        Gehoortest
4.2 Van bron naar ontvanger
        Iraqi Freedom
        Buizen (leidingen)
        Geluidsgolf
4.3 De geluidssnelheid
        Echoscopie
        Sonar
        Echo van een orka
        Deeltoets (1)
4.4 Hard en zacht
        Minder decibel
4.6 Beperkte oren
        Te land, ter zee en in de lucht
        Deeltoets (2)
Hulp bij experimenten en opdrachten
        Experimenten
        Toolbox: Fyzzie en Chemma
Afsluiting
        Samenvatting
        Uitwerkingen voorbeeldproefwerk
        Puzzel
        Links bij dit hoofdstuk

4.5 Hoofdstuk 5
5.2 Onderzoeksopdrachten
      Zien wat je niet ziet
      Afbeelden door een gaatje
      Het oog
      Remmen met je fiets
      Vallende voorwerpen
      Is dat wel eerlijk?
      Muziekinstrumenten



                                          Natuur- en scheikunde Overal handleiding 2 havo/vwo   32
       Resonantie
       Kartonnen dozen
       Foto's afdrukken
       Statische elektriciteit
       Tijdschatten
       Tacomabrug

4.6 Hoofdstuk 6
6.1 Stoffen herkennen
        Neusje van de zalm
        Proeven met je neus
6.2 Moleculen
        Diffusie
        Moleculen en temperatuur
6.3 De drie toestanden van een stof
        Vloeistoffen
        Sublimeren
        Smelten en verdampen
        Condensatie
        Coach exp. 6.2B
        De drie toestanden
        Als water kookt
        Deeltoets (1)
6.4 Dichtheid
        Dichtheid
        Als water kookt
6.5 Drijven en zinken
        Queen Mary 2
        Dichtheid van je lichaam
        Deeltoets (2)
Hulp bij experimenten en opdrachten
        Experimenten
        Toolbox: Fyzzie en Chemma
Afsluiting
        Samenvatting
        Uitwerkingen voorbeeldproefwerk
        Puzzel
        Links bij dit hoofdstuk

4.7 Hoofdstuk 7
7.2 Krachten hebben een naam
        Maanwandeling
        Krachten tussen moleculen
7.4 Het tekenen van krachten
        Krachten samenstellen
        Deeltoets (1)
7.5 Zwaartekracht en massa
        Zwaartekracht in het zonnestelsel
        Zwaartekracht
7.6 De resulterende kracht?
        Evenwicht met krachten
        Deeltoets (2)
Hulp bij experimenten en opdrachten
        Experimenten
        Toolbox: Fyzzie en Chemma
Afsluiting
        Samenvatting
        Uitwerkingen voorbeeldproefwerk
        Puzzel
        Links bij dit hoofdstuk

4.8 Hoofdstuk 8
8.1 Geen energie?



                                            Natuur- en scheikunde Overal handleiding 2 havo/vwo   33
        Volty Power
8.2 Energie: bronnen en soorten
        Voedsel: rust en beweging
        Energiespel
8.3 Omzettingen
        Kosten van lampen
8.4 Waterstromen
        Deeltoets (1)
8.5 Elektrische stromen
        Stromende energie
        Exp. 8.3B: Eén lampje
8.6 De elektrische stroomsterkte
        Exp. 8.4B Meer lampjes
8.7 Energie in de toekomst
        Het broeikaseffect
        Energie besparen
        Deeltoets (2)
Hulp bij experimenten en opdrachten
        Experimenten
        Toolbox: Fyzzie en Chemma
Afsluiting
        Samenvatting
        Uitwerkingen voorbeeldproefwerk
        Puzzel
        Links bij dit hoofdstuk

4.9 Hoofdstuk 9
9.2 Suggesties voor onderzoek
      Het broeikaseffect
      De langste en de kortste dag
      Apparaten onderzoeken
      Over smaak valt niet te twisten
      Hardlopen
      Een grote maan
      Een waterraket
      Een brander voor een luchtballon
      Daglengte
      Skyglobe




                                          Natuur- en scheikunde Overal handleiding 2 havo/vwo   34

								
To top