Dag van het Frans,

Document Sample
Dag van het Frans, Powered By Docstoc
					Dag van het Frans
KULAK, 06 februari 2002

Help, ze kennen geen spraakkunst meer!
                                     Wie geen vreemde talen kent, weet niets van zijn taal (Goethe)




We zoeken een antwoord op volgende vragen:


    1. Welke aandachtspunten legt het leerplan Frans 1ste graad secundair onderwijs?
    2. Wat vertelt het leerplan Frans 3de graad basisonderwijs?
    3. Wat vertellen de eindtermen Frans secundair onderwijs – basisonderwijs ons?
    4. Welke ‘grammatica’-begrippen beheersen leerlingen bij het begin van het secundair
       onderwijs?
    5. Welke aspecten taalbeschouwing Nederlands beheersen leerlingen bij het begin van
       het secundair onderwijs?



Hierbij hanteren we volgende bronnen:

    -    Taalopvoeding Frans, leerplan, Vlaams Verbond van het Katholiek Basisonderwijs
         1998
    -    Leerplan secundair onderwijs, Frans eerste graad, Vlaams Verbond van het Katholiek
         Secundair Onderwijs, Licap – Brussel 1997
    -    Eindtermen Frans basisonderwijs
    -    Eindtermen Frans secundair onderwijs




______________________________________
Dag van het Frans – Atelier 8: Help ze kennen geen spraakkunst meer!
Didier Finet, Pedagogisch Adviseur Basisonderwijs                                                1
    1. Leerplan Frans eerste graad secundair onderwijs:
    Enkele aandachtspunten
                De leerlingen die uit het Vlaams basisonderwijs komen, hebben er Frans gevolgd
                 gedurende de laatste twee studiejaren. Voor alle leerlingen gelden de eindtermen van
                 het basisonderwijs als gemeenschappelijk startniveau. Men zal nochtans rekening
                 moeten houden met verschillen in aanleg en motivatie, alsook met eventuele
                 voorsprong of handicaps die sommige leerlingen van thuis of uit de basisschool
                 zouden hebben meegebracht. (lpl eerste graad blz. 7)

                In de eerste graad wordt een aanzet gegeven tot een beperkte, maar doeltreffende
                 grammaticale ondersteuning van het taalleerproces. De doelstellingen binnen de
                 grammaticale component staan steeds ten dienste van en zijn ondergeschikt aan de
                 communicatieve doelstellingen. (lpl eerste graad blz. 10)

                De leerlingen moeten, bij het oefenen van de gespreksvaardigheid, kunnen uitgaan
                 van voorbeelden of modellen met een sterk authentiek karakter. Niemand zal
                 betwijfelen dat grammaticale inzichten het taalleerproces krachtig kunnen
                 ondersteunen. Toch zijn ze niet bij machte het functionele taalgebruik, zoals dat in de
                 realiteit voorkomt, op een doeltreffende wijze te laten genereren. (lpl eerste graad blz.
                 17)

                Het ontbreekt leerlingen vaak aan linguïstische intuïtie in de vreemde taal omdat
                 bepaalde grammaticale elementen niet overeenkomen met het taalgebruik in hun
                 moedertaal (lpl eerste graad blz. 31)

                Leerlingen zijn slechts aan grammaticale structuren en de bijhorende gebruiksregels
                 toe:
                 ° nadat ze (overvloedig) geconfronteerd worden met levensecht en adequaat gebruik
                 van deze structuren in herkenbare communicatieve contexten
                 ° wanneer ze meteen en herhaaldelijk de gelegenheid krijgen om met diezelfde
                 structuren in analoge contexten te oefenen (zoniet worden ze vergeten en gaan ze
                 verloren)
                 ° wanneer hun talige mogelijkheden en hun abstractieniveau tot de vereiste
                 ontwikkeling gekomen zijn. (lpl eerste graad blz. 31)

                Twaalf-dertienjarigen zijn erop gebrand hun prille taalkennis in de praktijk om te
                 zetten. Uitstel ervaren ze vaak als afstel. De leraren zullen zich realiseren dat
                 praktijkervaringen die met enig succes gepaard gaan van groot belang zijn met het oog
                 op motivatie van de leerlingen. De doelstellingen en leerinhouden van dit leerplan
                 willen de leerlingen dan ook zeer vlug in staat stellen om contacten aan te gaan met
                 Franssprekenden. Een tweetalig land als België en de relatieve nabijheid van de
                 taalgrens bieden hiertoe uitzonderlijke mogelijkheden (lpl eerste graad blz. 35)

                Er bestaat een wisselwerking tussen praktische taalvaardigheid (luisteren, lezen,
                 spreken, schrijven) en inzichtelijke kennis van de grammatica: via praktische
                 taalvaardigheid komt men tot meer inzichtelijke kennis van grammatica en meer
                 inzichtelijke kennis van grammatica creëert nieuwe mogelijkheden tot het verwerven
                 van een ruimere taalvaardigheid. (lpl eerste graad blz. 42)




______________________________________
Dag van het Frans – Atelier 8: Help ze kennen geen spraakkunst meer!
Didier Finet, Pedagogisch Adviseur Basisonderwijs                                                        2
2. Leerplan Frans basisonderwijs: Aandachtspunten - doelen -
taalhandelingen
2.1 Aandachtspunten
                Communicatie staat centraal


                Leerinhouden worden ingeoefend via het luisteren, lezen, spreken en schrijven


                Luisteren: Het gaat om begrijpen van boodschappen. Het gebruik van media
                 garandeert dat de leerlingen worden geconfronteerd met de goede uitspraak, een juiste
                 intonatie en een aangepaste zinsmelodie


             Lezen:
            ° het leerplan legt er de nadruk op dat gesproken en geschreven taal, bij het aanbrengen
            van nieuw taalmateriaal, gelijktijdig worden aangeboden. De leerlingen kunnen dus
            meelezen.
            ° Het leerplan beschouwt het hardop lezen als een eerste vorm van spreken. Het lezen is
            m.a.w. een tussenschakel op weg naar gesproken communicatie


                Spreken: Communicatie is de belangrijkste doelstelling. Het komt erop neer dat de
                 leerlingen:
            o    een boodschap kunnen beluisteren
            o    haar begrijpen
            o    er een antwoord of vraag kunnen formuleren


                Schrijven: Overschrijven! Het neemt een beperkte plaats in. Het schriftbeeld
                 ondersteunt het leerproces. Het heeft een ondersteunende rol voor luisteren, lezen en
                 spreken. Het zorgt er voor dat woorden en structuren beter worden vastgezet en
                 beklijven.


                Drie verwerkingsniveaus: herhalend niveau, bewerkend niveau, creatief niveau


                Geen grammaticaonderricht op zich.

                Aandacht voor attitudes, leerstrategieën en metacognitieve vaardigheden.


                Aandacht voor differentiatie:
            o    succeservaring primeert
            o    verwerkingsniveaus zijn een middel
            o    evaluatie en rapportering moeten analoog gebeuren




______________________________________
Dag van het Frans – Atelier 8: Help ze kennen geen spraakkunst meer!
Didier Finet, Pedagogisch Adviseur Basisonderwijs                                                        3
2.2 Leerplandoelen taalvaardigheden
1. Luisteren

Binnen het domein van de verworven leerinhouden inzake woordenschat en taalstructuren kunnen de
leerlingen:
- tonen dat ze auditief aangeboden taalmateriaal begrijpen: een korte instructie, een
   eenvoudige tekst, een vraag ... (Lu.1)

Bij het luisteren ontwikkelen de leerlingen de volgende algemene leervaardigheden:
- aandacht geven aan de expressie, de intonatie, het spreekritme en de lichaamstaal van de
   spreker, (Lu.2)
- blijk geven van de nodige luisterbereidheid, (Lu.3)
- durven aangeven, eventueel in de moedertaal, dat een boodschap niet begrepen is, (Lu.4)
- een beroep doen op hulpmiddelen om moeilijke klanken (en/of klankgroepen) te onthouden.
   (Lu.5)


2. Lezen

Binnen het domein van de verworven leerinhouden inzake woordenschat en taalstructuren kunnen de
leerlingen:
- het aangeboden taalmateriaal in stilte meelezen, (Le.1)
- het aangeboden taalmateriaal begrijpen: eenvoudige opschriften, aanwijzingen,
   waarschuwingen en aankondigingen. (Le.2)
- een tekst globaal begrijpen met behulp van visuele ondersteuning. (Le.3)
- het behandeld taalmateriaal hardop lezen. (Le.4)

Bij het lezen ontwikkelen de leerlingen de volgende algemene leervaardigheden:
- een gekende Franse tekst durven lezen, (Le.5)
- aandacht geven aan de expressie, het spreekritme, de intonatie en de articulatie, (Le.6)
- informatiebronnen (gekende teksten, woordenlijsten, eenvoudige grammaticaoverzichten)
   raadplegen, (Le.7)
- de context onderzoeken om de betekenis te achterhalen. (Le.8)


3. Spreken

Binnen het domein van de verworven leerinhouden inzake woordenschat en taalstructuren kunnen de
leerlingen:
- zo levendig mogelijk lezend en herhalend spreken, (Sp.1)
- eenvoudige boodschappen, vragen en antwoorden formuleren. (Sp.2)
- zinnen en beeldmateriaal combineren. (Sp.3)

Bij het spreken ontwikkelen de leerlingen de volgende algemene leervaardigheden:
- een boodschap in het Frans durven formuleren, (Sp.4)
- hulp vragen op bewerkend of creatief niveau (eventueel in de moedertaal) en/of
   informatiebronnen (gekende teksten, woordenlijsten eenvoudige grammaticaoverzichten)
   raadplegen, (Sp.5)
- overleggen met elkaar. (Sp.6)




______________________________________
Dag van het Frans – Atelier 8: Help ze kennen geen spraakkunst meer!
Didier Finet, Pedagogisch Adviseur Basisonderwijs                                                 4
4. Schrijven

Binnen het domein van de verworven leerinhouden inzake woordenschat en taalstructuren kunnen de
leerlingen:
- zinvolle woorden en taalstructuren kopiëren. (Sch.1)

Rekening houdend met de soms grote verschillen in beginsituatie ligt het voor de hand dat er ook
gedifferentieerd wordt inzake doelstellingen. Daarop slaat het volgende uitbreidingsdoel voor
schrijven.
- zinvolle woorden en taalstructuren uit het geheugen kunnen kopiëren... (Sch.2)

Bij het schrijven ontwikkelen de leerlingen de volgende algemene leervaardigheden:
- strategieën hanteren om efficiënt woorden te kopiëren (eventueel uit het geheugen), (Sch.3)
- zorg besteden aan hun werk, (Sch.4)
- spontaan hun werk eerst zelf controleren, (Sch.5)
- bij twijfel bronnen raadplegen om de juiste schrijfwijze te kennen. (Sch.6)




______________________________________
Dag van het Frans – Atelier 8: Help ze kennen geen spraakkunst meer!
Didier Finet, Pedagogisch Adviseur Basisonderwijs                                                  5
2.3 Taalhandelingen en taalsituaties
In de taalhandelingen functioneren zowel de basiswoordenschat als de basisgrammatica.


Begrijpen, meedelen, ontkennen en vragen of er iets of iemand is. (Th.1)

-Il y a quelqu'un?         Non, il n'y a personne.
-Tu vois quelque chose?    Non, je ne vois rien.
-Tu vas souvent au cinéma? Non, je n'y vais jamais.
-Qu'y a-t-il?

Begrijpen, meedelen en vragen wie iemand is, hoe iemand heet, wat iets is, hoe iets heet... (Th.2)

-C'est qui?                   C'est Paul.
-Qui est-ce (U)?              C'est un ami.
-Qui es-tu?                   Je suis Paul. Je suis un ami de François.
-Tu t'appelles comment?       Je m'appelle Paul.

Begrijpen, meedelen en vragen wat mogelijk is, wat mag en kan. (Th.3)

-C'est possible?           Peut-être.
Non, je ne peux pas.

Begrijpen, meedelen en vragen wanneer iets gebeurt in het heden, de toekomst en het verleden.
(Th.4)

-Vous avez l'heure?
-Il est quelle heure?
-Quelle heure est-il? (U) Il est neuf heures.
-Mon anniversaire, c'est le quatre septembre.
-Nous sommes mardi aujourd'hui.
-Tu viens? Oui, tout de suite.
Oui, j'arrive.
-Vous partez quand? Oui, j'arrive.
-Je vais nager.
-Il est malade depuis quand? Depuis avant-hier.
-Je viens de rentrer.

Begrijpen, meedelen en vragen waar iets is of plaatsvindt; wegindicaties begrijpen, meedelen en
vragen. (Th.5)

-Tu habites où? J'habite Hasselt / J'habite à Hasselt.
-Quelle est votre adresse?
-La gare, c'est tout droit.
-Elle va chez le boucher.
-Marie n'est pas là, elle est chez Christophe.
-Tu as mal où?
-Voici ma maison.




______________________________________
Dag van het Frans – Atelier 8: Help ze kennen geen spraakkunst meer!
Didier Finet, Pedagogisch Adviseur Basisonderwijs                                                    6
Begrijpen, meedelen en vragen hoe groot iets is, hoe ver, hoe snel, hoe zwaar... (Th.6)

-Tu manges trop vite.
-Cette valise est lourde.
-C'est une rue assez large.

Begrijpen, meedelen van en vragen naar hoeveelheden. (Th.7)

-C'est la dernière fois.
-Ton verre est vide.
-ça coûte combien?
-ça fait nonante francs.

Begrijpen, meedelen en vragen hoe iets is, welke kleur het heeft, wat men er van vindt... (Th.8)

-Guy est un garçon formidable.
-Bonjour, ça va? ça va très bien.
-J'aime les chats noirs.
-Tu es content?
-Merci (beaucoup).

Begrijpen, meedelen en vragen hoe zaken met elkaar in verband staan (vergelijking, bezit, tegenstel-
ling, gevolg, oorzaak, doel en voorwaarde). (Th.9)

-Tu viens? Bien sûr.
-Tu vas chez le directeur? Pourquoi?
-Elle a un chat et aussi un chien.

Begrijpen, meedelen en vragen en zeggen wie iemand is, hoe oud hij is, van welk geslacht hij is,
welke de familierelaties zijn, welke nationaliteit men heeft. (Th.10)

-Tu as quel âge? J'ai 11 ans.
-J'ai un frère et une soeur.
-Je suis Belge.
-Pardon, madame.
-Au revoir, mademoiselle.

Begrijpen, meedelen en vragen hoe men zich voelt, wat er moet gebeuren, wat men wil, wat men van
iemand vindt, wat men denkt. (Th.11)

-Il ne faut pas avoir peur.
-Attention! Le chien est méchant.
-Merci, c'est très gentil. De rien.
-Vous voulez répéter s'il vous plaît?

Begrijpen, meedelen en vragen waar men woont, waar iets zich in huis bevindt, wat men nodig heeft
in huis. (Th.12)

-Tu habites où?
-Je ne suis pas d'ici.
-Les toilettes sont au premier étage.
-La moto est dans le garage.
-N'oublie pas les cuillers.


______________________________________
Dag van het Frans – Atelier 8: Help ze kennen geen spraakkunst meer!
Didier Finet, Pedagogisch Adviseur Basisonderwijs                                                  7
Begrijpen, meedelen en vragen waar iets zich bevindt rond het huis, wegindicaties begrijpen,
meedelen en vragen. (Th.13)

-Prenez la première rue à droite.
-La gare, c'est tout droit.
-Pour aller à la poste s'il vous plaît?
-Ne joue pas dans la rue.
-Bonjour monsieur, je cherche ...

Elementaire gegevens over de natuur, over dieren en planten kunnen begrijpen, meedelen en
vragen. (Th.14)

-Je n'ai pas peur des chats noirs.
-Tu aimes les animaux?

Begrijpen, meedelen en vragen welk weer het is, zal zijn. (Th.15)

-Quel temps fait-il?    Il fait beau.
Il fait mauvais.
Il fait froid.

Informatie over de jaargetijden en belangrijke feesten kunnen begrijpen, meedelen en vragen.
(Th.16)

-Joyeux Noël.
-C'est le 21 mars, c'est le printemps.
-Les vacances d'été commencent le premier juillet.

Begrijpen, meedelen en vragen hoe men zich op weg beweegt, wanneer men vertrekt en terugkomt,
hoe men zich verplaatst (Th.17).

-Je rentre à pied.
-Je peux quitter la classe?
-Montez dans le train!
-Tu y vas comment?
-Tu continues le voyage en voiture? Non, en avion.

Elementaire gegevens over de reis begrijpen, meedelen en vragen. (Th.18)

-Où sont les bagages? A l'hôtel.

Begrijpen, meedelen en vragen wat men wenst te eten en te drinken. (Th.19)

-Pour moi, un jus de fruits s'il vous plaît.
-Deux baguettes s'il vous plaît.
-Je bois deux verres de lait chaque matin.

Zich in een winkel kunnen behelpen, de prijs begrijpen, meedelen en vragen. (Th.20)

-ça coûte combien?
-ça fait nonante francs.
-Ce pull est trop cher.



______________________________________
Dag van het Frans – Atelier 8: Help ze kennen geen spraakkunst meer!
Didier Finet, Pedagogisch Adviseur Basisonderwijs                                               8
Begrijpen, meedelen en vragen waar het postkantoor of de bank is, waar men kan bellen. (Th.21)

-Qui est à l'appareil?
-La poste est où s'il vous plaît?
-Je peux téléphoner?

Begrijpen, meedelen en vragen hoe men zich lichamelijk voelt en waar men pijn heeft; een vraag
naar medische hulp kunnen begrijpen en stellen. (Th.22)

-Tu as faim? J'ai très faim.
-Prends tes médicaments.
-Jean est malade? Oui, il a de la fièvre.
-Il a mal aux oreilles.

Begrijpen, meedelen en vragen wat men doet, hoort, ziet of voelt. (Th.23)

-Mes lunettes sont où?
-Qu'est-ce que tu fais ce soir? Je regarde la télé.
-On sonne.
-Regarde!

Begrijpen, meedelen en vragen wat men doet, kan doen, moet doen. (Th.24)

-Attention! Arrêtez.
-Lève la main.
-Ferme la porte.
-Tu peux servir le potage.

Begrijpen, meedelen en vragen welk werk iemand doet, welk beroep iemand uitoefent, waar een
uitoefenaar van een beroep zich bevindt. (Th.25)

-Qui est là? C'est le facteur.
-Va chez la directrice.
-Papa n'est pas là, il est au bureau.

Begrijpen, meedelen en vragen wat men graag doet in zijn vrije tijd. (Th.26)

-Voici un cadeau pour ton anniversaire.
Ah un CD. Merci.
-Tu aimes le sport?
-Qui est sur la photo?
-Qu'est-ce que tu aimes faire?

Begrijpen, meedelen en vragen wie iemand is. Een uitnodiging, een afspraak begrijpen, meedelen
en vragen. (Th.27)

-C'est qui? C'est Paul. C'est un ami.
-Bonjour tout le monde.
-Il y a du monde.
-Il y a de la visite.




______________________________________
Dag van het Frans – Atelier 8: Help ze kennen geen spraakkunst meer!
Didier Finet, Pedagogisch Adviseur Basisonderwijs                                                9
Begrijpen en meedelen van eenvoudige beleefdheidsformules. (Th.28)

-Merci.
-De rien.
-S'il vous plaît.
-Bon appétit.
-Salut Martine.
-Pardon monsieur.
-Voici (voilà) madame.

Begrijpen en meedelen van eenvoudige formuleringen in klasverband. (Th.29)

-Je peux sortir?
-Va dans la cour.
-Je peux prendre ton crayon?
-Apprends tes leçons.
-Va au tableau.

Begrijpen, meedelen dat men iets niet verstaat; vragen om iets te herhalen, begrijpen, meedelen dat
men een vraag wil stellen, een antwoord kan geven. (Th.30)

-Voulez-vous répéter s'il vous plaît?
-Je ne comprends pas (bien).
-Je peux demander quelque chose?
-Je ne sais pas.

Begrijpen, meedelen en vragen van eenvoudige formuleringen in klasverband met betrekking tot
lezen en schrijven. (Th.31)

-Prenez votre livre à la page dix.
-Fermez vos livres.
-Tournez la page.

Begrijpen van opschriften. (Th.32)

-Défense d'entrer.
-Défense de fumer.
-Prière de ne pas fumer.
-Sortie
-Entrée
-Libre
-Occupé
-Ouvert
-Fermé
-Départ
-Arrivée




______________________________________
Dag van het Frans – Atelier 8: Help ze kennen geen spraakkunst meer!
Didier Finet, Pedagogisch Adviseur Basisonderwijs                                                10
      3. De eindtermen Frans basisonderwijs – 1ste graad secundair
      onderwijs
EINDTERMEN BASISONDERWIJS                                    EINDTERMEN 1ste GRAAD S.O.
1. FRANS - LUISTEREN                                         1 Luisteren

Met betrekking tot die communicatieve situaties waarin       De leerlingen kunnen
leerlingen redelijkerwijze kunnen terechtkomen en
volgens de verworven basiswoordenschat en                    1 de betekenis begrijpen van duidelijk uitgesproken
taalstructuur, kunnen de leerlingen :                              aanwijzingen, instructies en waarschuwingen die
                                                                   verwoord zijn in een eenvoudige taal qua structuur en
1.1 de hoofdzaken begrijpen in korte mededelingen.                 woordenschat en die aangeboden zijn in een matig
1.2 hun gesprekspartner begrijpen in een kort gesprek              spreektempo.
over :
- henzelf;                                                   2 relevante en herkenbare informatie selecteren uit
- hun gezins- en leefsituatie;                                      functionele boodschappen, die verwoord zijn in een
- spelsituatie;                                                     eenvoudige taal qua structuur en woordenschat en die
- hun voorkomen;                                                    aangeboden zijn in een matig spreektempo.
- omgangsvormen.]
*1.3 Bij het realiseren van de bovenstaande eindtermen       3 de hoofdzaak begrijpen uit mondeling aangeboden korte
leggen de leerlingen de nodige luisterbereidheid aan de            teksten waarin de informatie duidelijk en expliciet
dag.                                                               verwoord wordt in een eenvoudige taal qua structuur
                                                                   en woordenschat en die aangeboden zijn in een matig
                                                                   spreektempo.

                                                             4 in een eenvoudig gesprek hun gesprekspartner voldoende
                                                                    begrijpen om deze te woord te kunnen staan.

                                                             5 in een eenvoudig gesprek strategieën aanwenden die het
                                                                    bereiken van hun doel vergemakkelijken:
                                                             -verzoeken om te herhalen;
                                                             -verzoeken om langzamer te spreken;
                                                             -vragen naar een omschrijving;
                                                             -vragen om te spellen;
                                                             -vragen om iets op te schrijven.

                                                             De leerlingen

                                                             *6 leren, door het verwerven van een zekere graad van
                                                                    zelfredzaamheid, de nodige luisterbereidheid
                                                                    opbrengen om in eenvoudige communicatieve
                                                                    situaties te functioneren en zich te concentreren op
                                                                    wat ze willen vernemen.

2. FRANS - LEZEN                                             2 Lezen

Met betrekking tot die communicatieve situaties waarin       De leerlingen kunnen
leerlingen redelijkerwijze kunnen terechtkomen en
volgens de verworven basiswoordenschat en                    7 de betekenis begrijpen van aanwijzingen, opschriften en
taalstructuur, kunnen de leerlingen :                              waarschuwingen, gesteld in een eenvoudige taal qua
                                                                   structuur en woordenschat.
2.1 eenvoudige opschriften, aanwijzingen,
      ______________________________________
      Dag van het Frans – Atelier 8: Help ze kennen geen spraakkunst meer!
      Didier Finet, Pedagogisch Adviseur Basisonderwijs                                                       11
waarschuwingen en aankondigingen begrijpen.                  8 relevante en herkenbare informatie opzoeken in
2.2 een tekst globaal begrijpen met behulp van visuele              functionele teksten, gesteld in een eenvoudige taal
ondersteuning.                                                      qua structuur en woordenschat.
2.3 in een tweetalige alfabetische basiswoordenlijst de
vertaling opzoeken van een Frans woord.                      9 de hoofdzaken begrijpen van korte teksten waarin de
*2.4 bij het realiseren van de bovenstaande eindtermen             informatie duidelijk en expliciet wordt verwoord in
leggen de leerlingen de nodige leesbereidheid aan de               een eenvoudige taal qua structuur en woordenschat.
dag.
                                                             10 de samenhang begrijpen in korte teksten, gesteld in een
                                                                   eenvoudige taal qua structuur en woordenschat.

                                                             11 strategieën aanwenden die het bereiken van hun doel
                                                                    vergemakkelijken:
                                                             -herkennen van doorzichtige woorden;
                                                             -afleiden uit de context;
                                                             -raadplegen van een eenvoudig woordenboek of
                                                                                 woordenlijst.

                                                             De leerlingen

                                                             12 leren, door het verwerven van een zekere graad van
                                                                    zelfredzaamheid, de nodige leesbereidheid opbrengen
                                                                    en zich concentreren op wat ze willen vernemen.



3. FRANS - SPREKEN                                           3 Spreken: Frans (F)

Met betrekking tot die communicatieve situaties waarin       De leerlingen kunnen
leerlingen redelijkerwijze kunnen terechtkomen en
volgens de verworven basiswoordenschat en                    F 13 eenvoudige vragen formuleren en beantwoorden op
taalstructuur, kunnen de leerlingen :                              basis van behandelde onderwerpen.

3.1 zinnen en beeldmateriaal combineren;                     F 14 eenvoudige en korte bestudeerde teksten en dialogen
3.2 in een kort gesprek aan een gesprekspartner vragen             bondig navertellen met behulp van sleutelwoorden.
stellen en informatie verstrekken over :
- henzelf;                                                   F 15 eenvoudige vragen formuleren en beantwoorden aan de
- hun gezins- en leefsituatie;                                     hand van eenvoudige documenten.
- hun voorkomen;
- omgangsvormen;                                             F 16 op een eenvoudige wijze vragen beantwoorden en
- een wegaanduiding.]                                              informatie verstrekken omtrent henzelf, hun
*3.3 Bij het realiseren van de bovenstaande eindtermen             omgeving en leefwereld.
leggen de leerlingen de nodige spreekbereidheid en
spreekdurf aan de dag.                                       F 17 deelnemen aan een eenvoudig gesprek in voor hen
*3.4 De leerlingen tonen de bereidheid te streven naar             relevante en haalbare situaties.
een zo correct mogelijke uitspraak.

                                                             F 18 op gepaste wijze een aantal taaluitingen aanwenden die
                                                                   tijdens eenvoudige gesprekken veelvuldig
                                                                   voorkomen, rekening houdend met de elementaire
                                                                   omgangsregels.

                                                             F 19 in een eenvoudig gesprek strategieën aanwenden die
                                                                    het bereiken van hun doel vergemakkelijken:
                                                             -het op een andere wijze zeggen;
      ______________________________________
      Dag van het Frans – Atelier 8: Help ze kennen geen spraakkunst meer!
      Didier Finet, Pedagogisch Adviseur Basisonderwijs                                                       12
                                                             -een eenvoudige omschrijving geven of vragen;
                                                             -het juiste woord vragen;
                                                             -gebruik maken van lichaamstaal.

                                                             De leerlingen

                                                             *F 20 leren, door het verwerven van een aanzienlijke graad
                                                                   van zelfredzaamheid, de nodige spreekbereidheid en -
                                                                   durf opbrengen om in eenvoudige communicatieve
                                                                   situaties te functioneren.



4. FRANS - SCHRIJVEN                                         5 Schrijven: Frans (F)

De leerlingen kunnen veelvuldig voorkomende                  De leerlingen kunnen
basiswoorden en taalstructuren kopiëren.
                                                             F 21 woorden, zinnen en korte teksten kopiëren met
                                                                   aandacht voor correcte spelling.

                                                             F 22 inlichtingen verstrekken op eenvoudige
                                                                   invulformulieren.

                                                             F 23 korte mededelingen opstellen met behulp van een
                                                                   voorbeeld.

                                                             F 24 een eenvoudige korte tekst neerschrijven over een
                                                                   bestudeerd onderwerp met behulp van
                                                                   sleutelwoorden.

                                                             F 25 strategieën aanwenden die het schrijven
                                                                   vergemakkelijken:
                                                             -gebruik maken van een model of van een in de klas
                                                                                behandelde tekst;
                                                             -een eenvoudig woordenboek of woordenlijst doeltreffend
                                                                                gebruiken om het juiste woord te vinden.

                                                             De leerlingen

                                                             *F 26 leren, door het verwerven van een aanzienlijke graad
                                                                   van zelfredzaamheid, de nodige schrijfbereidheid en -
                                                                   durf opbrengen om in eenvoudige communicatieve
                                                                   situaties te functioneren.




      ______________________________________
      Dag van het Frans – Atelier 8: Help ze kennen geen spraakkunst meer!
      Didier Finet, Pedagogisch Adviseur Basisonderwijs                                                      13
    4. Grammatica (leerplan Nederlands 1ste graad sec. onderwijs)

    Onderstaande lijst is in twee helften verdeeld. Links staan alle begrippen die tot de basisstof van
    de eerste graad behoren. Rechts staan begrippen die voor eventuele uitbreiding, en dus voor een
    eerder occasionele behandeling in aanmerking komen (leerplan Nederlands 1ste graad, blz. 29)

    Het komt erop aan dat de leerlingen onderstaande begrippen opdoen, de keuze van de naam komt
    pas in de tweede plaats. Tussen haakjes zijn ook alternatieve benamingen aangegeven. Er is geen
    verplichting om die te gebruiken, maar het kan zijn nut hebben voor het vreemdetalenonderwijs
    dat de leerlingen er weet van hebben dat die termen hetzelfde betekenen als de termen buiten de
    haakjes… (leerplan Nederlands 1ste graad, blz. 21)

    Veel van de opgesomde begrippen zijn al op het einde van de basisschool verworven. Die
    begripsvorming kan uiteraard nog verdiept en verstevigd worden. Nieuwe begrippen kregen in de
    lijsten een sterretje. Aan begrippen waar geen sterretje bij staat, is in de basisschool dus al
    gewerkt. De aanduiding ‘begrip’ tussen haakjes wijst erop dat begripsvorming in de basisschool
    nog niet gepaard ging met het aanleren van een term. Termen tussen haakjes kwamen in de
    basisschool niet aan bod. (leerplan Nederlands 1ste graad, blz. 21)

    Vormleer

    Basis                                                          uitbreiding
stam                                                             *vervoeging
uitgang                                                          *overeenkomst
(congruentie)
*grondwoord
samenstelling (22)                                               * letterwoord
afleiding (22)
voorvoegsel (prefix)
achtervoegsel (suffix)
verkleinwoord (diminutief)


    Woordleer

    Basis                                                              uitbreiding

zelfstandig naamwoord (nomen.
substantief)
enkelvoud (singularis)
meervoud (pluralis)
*genus (woordgeslacht)
mannelijk
vrouwelijk
onzijdig

bijvoeglijk naamwoord (adjectief)                      *trappen van vergelijking
                                                       *vergrotende trap (comparatief)
                                                       *overtreffende trap (superlatief)
                                                       *(niet) verbogen vorm

______________________________________
Dag van het Frans – Atelier 8: Help ze kennen geen spraakkunst meer!
Didier Finet, Pedagogisch Adviseur Basisonderwijs                                                         14
lidwoord (artikel)
*bepaald lidwoord
*onbepaald lidwoord

*telwoord
*hoofdtelwoord
* rangtelwoord

*voornaamwoord (pronomen) (22)                         *wederkerend voornaamwoord
*persoonlijk voornaamwoord                              (reflexiefpronomen)
                                                       *wederkerig voornaamwoord
                                                       *onbepaald voornaamwoord

*bezittelijk voornaamwoord                             *betrekkelijk voornaamwoord
(demonstratiefpronomen) (22)                            (relatiefpronomen)
                                                       *voornaamwoordelijk bijwoord
                                                        (voorzetselvoornaamwoord)
*aanwijzend voornaamwoord                              *vragend voornaamwoord
 (demonstratiefpronomen) (22)                           (interrogatiefpronomen)

 werkwoord (verbum)
*zelfstandig werkwoord                                 *overgankelijk (transitief) werkwoord
                                                       *onovergankelijk (intransitief) werkwoord
                                                       *wederkerend (reflexief) werkwoord
                                                       *onpersoonlijk werkwoord
*koppelwerkwoord
*hulpwerkwoord werkwoord met
  klankverandering (sterk werkwoord,
  werkwoord met klankwisseling) werkwoord
  zonder klankverandering (zwak werkwoord,
  werkwoord zonder klankwisseling) noemvorm
  (infinitief, onbepaalde wijze)
*bevelvorm (imperatief)
  persoonsvorm enkelvoud
  (singularis) meervoud
  (pluralis)
 *tijd tegenwoordige tijd
  verleden tijd
 *onvoltooide tijd
*voltooide tijd
*toekomende tijd
*deelwoord (participium)
*voltooid deelwoord
*bijwoord (adverbium) (22)                             *onvoltooid deelwoord
                                                       *bijwoordelijke uitdrukking
*voorzetsel (prepositie)
                                                       *voorzetseluitdrukking
*voegwoord (conjunctie) (22)

______________________________________
Dag van het Frans – Atelier 8: Help ze kennen geen spraakkunst meer!
Didier Finet, Pedagogisch Adviseur Basisonderwijs                                                  15
*nevenschikkend voegwoord
*onderschikkend voegwoord

                                                       *tussenwerpsel (interjectie)

Zinsleer

Basis                                                  uitbreiding

zin
zinsdeel                                               *zinsdeelstuk

woordgroep (begrip)                                    *kernwoord

*inversie
*actieve zin
*passieve zin

onderwerp (subject)                                    *voorlopig onderwerp
                                                       *herhaald onderwerp
                                                       *loos onderwerp
gezegde (predikaat)
naamwoordelijk (nominaal) gezegde
werkwoordelijk (verbaal) gezegde

  voorwerp
*lijdend voorwerp (direct object)
*meewerkend voorwerp (indirect object)
*voorzetselvoorwerp (voorzetselobject,
  prepositieobject)

 bepaling
*bijvoeglijke bepaling                                 *bijstelling
*bijwoordelijke (adverbiale) bepaling (22)
*mededelende (stellende) zin                           *wenszin (wensende zin)
 vraagzin (vragende zin)                               *uitroepende zin
*bevelzin (bevelende zin)                              *bevestigende (positieve) zin
                                                       *ontkennende (negatieve) zin

*enkelvoudige zin (22)                                 *nevengeschikte zin
*samengestelde zin (22)                                *ondergeschikte zin
                                                       *hoofdzin
                                                       *bijzin
                                                       *aaneenschakelend verband
                                                       *tegenstellend verband
                                                       *redengevend verband
                                                       *oorzakelijk verband



______________________________________
Dag van het Frans – Atelier 8: Help ze kennen geen spraakkunst meer!
Didier Finet, Pedagogisch Adviseur Basisonderwijs                                      16
           5. Taalbeschouwing in de derde graad basisonderwijs

           Taalbeschouwing = nadenken over taal en taalgebruik.
           Hoe functioneert taal in communicatie? (taalgebruik)
           Hoe gebruiken mensen taal als ze luisteren en spreken, lezen en schrijven? (taalgebruik)
           Hoe zit taal in elkaar? (taalsystematiek)

           5.1 Nadenken over taalgebruik

           Het taalmodel als hulpmiddel:

9 vragen die ik kan gebruiken om over mijn taal na te         Aan wie zegt hij het? (= De ontvanger)
denken.
                                                                        Heb ik voldoende rekening gehouden met de
Er is (altijd?) iemand die iets aan iemand zegt, over iets,             andere?
met een bedoeling, op een bepaalde manier, in bepaalde
omstandigheden, via een bepaalde weg en daarop komt
een reactie.

Wie is de spreker, schrijver? (= de zender)                   Hoe zegt hij het? (= de manier)

         Kom ik wel over zoals ik ben of wil zijn?                      Zeg/schrijf ik het op de goede manier:
                                                                        Verzorgd, ernstig, slordig, leuk…?

Wat zegt hij? (de boodschap)                                  Welke weg (met o.m. de systematiek), welke
                                                                     middelen van de communicatie gebruikt hij?
         Heb ik wel verteld wat ik moest, wilde                      (= het middel)
         vertellen?
                                                                       Had ik het niet beter via een andere weg
                                                                       gezegd/geschreven? Langs welke weg is die
                                                                       tekst tot bij mij gekomen? (Gesproken?
                                                                       Geschreven? Een artikel? Roman?
                                                                       Telefoontje?)

Waarover heeft hij het eigenlijk? (=het onderwerp uit         In welke omstandigheden wordt er taal gebruikt? (=
 de werkelijkheid)?                                              de situatie, de plaats, het moment,...)

         Klopt de boodschap wel met wat ik weet over                    Heb ik wel met de omstandigheden rekening
         de werkelijkheid?                                              gehouden? In welke omstandigheden werd
                                                                        het gezegd/geschreven?

Met welke bedoelingen gebruiken we taal?                      Wat is de reactie? (= het effect)
  (overtuigen? Amuseren? Verdriet doen?...)
                                                              Reactie? Welke reactie mag ik verwachten? Hoe komt
         Kan ik zo wel mijn bedoeling bereiken? Wat           het toch dat men zo op mijn woorden reageert?
         wil de spreker/schrijver wel van mij?




       ______________________________________
       Dag van het Frans – Atelier 8: Help ze kennen geen spraakkunst meer!
       Didier Finet, Pedagogisch Adviseur Basisonderwijs                                                         17
5.2 Nadenken over taalsystematiek
Wie taal gebruikt, doet een beroep op de systematiek van een taal. Die behoort tot de aspecten van ‘de
weg’. Wie als leerkracht in de basisschool met zijn kinderen wil reflecteren over klanken, woorden,
zinnen, teksten en betekenissen, dient uit te gaan van het taalgebruik. Taalbeschouwing over de
taalsystematiek is een deel van de taalbeschouwing over taalgebruik.


Nadenken over zinnen

 Sleutelvraag                                                          Aspect

 Over wie wordt iets gezegd?                                           onderwerp
 Waarover wordt iets gezegd?

 Wat wordt over het onderwerp gezegd?                                  gezegde

 Wordt in het gezegde gezegd hoe of wat het onderwerp doet, wat        werkwoordelijk gezegde
 ermee gebeurt? Wat?

 Wordt in het gezegde gezegd hoe, wie of wat het onderwerp is of       naamwoordelijk gezegde
 wordt?

 Heeft het werkwoordelijk of naamwoordelijk gezegde een                voorwerp
 aanvulling nodig om een echte zin te hebben?

 Is er in deze zin bijkomende informatie, zodat we nog meer te         bepaling
 weten komen en kan die informatie worden weggelaten, zodat we
 dan toch nog een zin hebben?




______________________________________
Dag van het Frans – Atelier 8: Help ze kennen geen spraakkunst meer!
Didier Finet, Pedagogisch Adviseur Basisonderwijs                                                   18

				
DOCUMENT INFO
Shared By:
Categories:
Tags:
Stats:
views:29
posted:5/25/2012
language:Dutch
pages:18