20080604175346 defintief verslag

Document Sample
20080604175346 defintief verslag Powered By Docstoc
					Narratief onderzoek basisschool De Fontein- 2007




Marieke van den Broek-student Marnix Academie vierde jaars   1
Narratief onderzoek basisschool De Fontein- 2007




Fase 1 ........................................................................................................................................ 3
  Vertrekpunt van mijn onderzoek .................................................................................... 3
  Integratie ............................................................................................................................ 4
  Gesprekken met de directeur ......................................................................................... 6
  Mijn onderzoeksvraag ....................................................................................................... 8
  Mijn onderzoeksvraag SMART ....................................................................................... 9
  Competenties ..................................................................................................................... 10
  Literatuur........................................................................................................................... 11
Fase 2 ...................................................................................................................................... 12
  Uitgangssituatie en context .......................................................................................... 14
  Probleemstelling en subvragen, randvoorwaarden, verwacht resultaat en
  opbrengsten. ...................................................................................................................... 17
  Betrokkenen/projectorganisatie .................................................................................. 18
  Aanpak en fasering .......................................................................................................... 19
  Procedure en status van mij stuk ................................................................................. 23
  Communicatie..................................................................................................................... 24
  Begeleiding vanuit Marnix .............................................................................................. 25
  Reflectie ............................................................................................................................. 26
  Bronnen ............................................................................................................................... 27
  Vakliteratuur: .................................................................................................................... 29
Fase 3 ...................................................................................................................................... 31
  De biografieën van de leerkrachten ............................................................................ 32
  De dagopening ................................................................................................................... 34
  Nieuwe werkvormen ......................................................................................................... 39
  Het omgaan met niet of andersgelovigen ................................................................... 41
Fase 4 ...................................................................................................................................... 43
  Conclusie ............................................................................................................................. 43
  Aanbevelingen ................................................................................................................... 45
  Mijn visie ............................................................................................................................ 46
Bijlagen ................................................................................................................................... 50
  Bijlage 1: vragenlijst leerkrachten............................................................................... 50
  Bijlage 2: observatie bijbelverhalen ............................................................................ 53
  Bijlage 3: literatuuronderzoek ...................................................................................... 61
  Bijlage 4: ontwikkelfases ............................................................................................... 82
  Bijlage 5: verwerkingen van een bijbelverhaal .......................................................... 84
  Bijlage 6: Uitwerking van het gestructureerd gesprek. ......................................... 88




Marieke van den Broek-student Marnix Academie vierde jaars                                                                                     2
Narratief onderzoek basisschool De Fontein- 2007


Fase 1
Vertrekpunt van mijn onderzoek
Basisschool de Fontein heeft in mei van het vorige schooljaar een cursus gehad
van Bas van den Berg van de Marnix Academie. Deze cursus ging over identiteit.
De identiteit van de school is christelijk. Het team wil deze identiteit uitdragen
door elke ochtend te beginnen met een christelijke opening. Dit is meestal een
verhaal uit kind op maandag. De school heeft voor deze methode bewust en in
overleg met elkaar gekozen. De cursus heeft het team aan het denken gezet: is
onze dagopening een routine geworden? Zit er wel een lijn in de hele school? Hoe
gaan wij eigenlijk om met de bijbelverhalen? Ook merkt de school dat er steeds
meer niet gelovige kinderen in de klassen zitten. Wat doen we daar als school
mee? De directeur heeft deze actuele vragen van het team opgenomen in de
jaarplanning en deze aan mij voorgelegd. Het zijn passende vragen voor mijn
onderzoek.




Marieke van den Broek-student Marnix Academie vierde jaars                       3
Narratief onderzoek basisschool De Fontein- 2007



Integratie

Cultuur en maatschappij
Het begrip cultuur is een breed begrip en kun je verschillend opvatten. Cultuur
wordt zichtbaar in het dagelijks handelen van mensen: in hun communicatie, hun
arbeid en in hun sociale activiteiten. (Hoffman: 27) De dagopeningen die de
leerkrachten zelf invullen worden bepaald door hun eigen cultuur. Ik wil met mijn
onderzoek zicht krijgen op de verschillende culturen van de leerkrachten. De
bijbel wordt verschillend geïnterpreteerd door dat iedereen er op verschillende
manieren mee is opgegroeid. Ik wil erachter komen wat de leerkrachten zelf
hebben meegekregen van de bijbel? Hoe hebben zij het ervaren?
(levensbeschouwelijke biografie) Het professioneel denken en handelen van de
leerkracht wordt voor een groot deel bepaald door zijn eigen levensgeschiedenis
(Kelchtermans) Willen ze dit overbrengen op de kinderen? (professionele
biografie) Of is hun mening veranderd in de loop van de tijd.
Een ander stukje cultuur dat in mijn onderzoek naar voren komt is de
verandering van de maatschappij in de loop der jaren. Vroeger zaten er op
christelijke scholen alleen christelijke kinderen. Tegenwoordig zitten er ook
kinderen op de Fontein met een andere identiteit. De school wil graag hierop
inspelen: wat doen we met deze kinderen? Willen wij hen een stukje van onze
bijbelse cultuur meegeven? En op welke manier doen we dat?

Kunst
Doordat ik op zoek ga naar verschillende manieren van vertellen kom ik ook in
aanraking met de kunst kant (schilderijen over de bijbel, bezoek aan kerken,
toneelstukken (naspelen van een verhaal) schoolgezinsdienst: vorm geven aan
bijbelverhalen.

Jeugdliteratuur
Als laatste is het onderdeel jeugdliteratuur geïntegreerd doordat de methode al
gebruik maakt van verschillende soorten verhalen (navertelling, spiegelverhalen)
Ook worden er verschillende bijbels gebruikt. Het praten met de kinderen over
de bijbel (taal) hoort bij jeugdliteratuur. De bijbel zelf is ook een stukje
literatuur uit de geschiedenis.

Levenbeschouwing
Mijn onderzoek richt zich het meest op de levensbeschouwelijke kant van deze
minor. Ik onderzoek de levensbeschouwelijke visies van de leerkrachten en
vergelijk deze. De Fontein heeft een christelijke visie en wil deze uitdragen,
maar op dit moment gebeurt dit niet naar wens. De school heeft een eenvormige



Marieke van den Broek-student Marnix Academie vierde jaars                       4
Narratief onderzoek basisschool De Fontein- 2007


identiteit op dit moment maar wil misschien toe naar een meervormige identiteit.
De levensbeschouwelijke identiteit is op dit moment nog smal ( het komt tot
uitdrukking in de dagopening en in vieringen) maar na mijn onderzoek kan de
school besluiten dat ze een meer brede identiteit willen (Marnix Academie: 7)




Marieke van den Broek-student Marnix Academie vierde jaars                     5
Narratief onderzoek basisschool De Fontein- 2007



Gesprekken met de directeur

Verslag gesprek Frank van Oordt en Marieke van den Broek op 09-09-2007
(oriënterend gesprek)

Frank geeft aan dat de Fontein in mei een lesdag heeft gehad van Bas van den
Berg over de identiteit van de school. Daaruit is een vraag naar voren gekomen
die de Fontein dit schooljaar wil uitwerken:

Hoe gaan wij in onze school om met bijbelverhalen? ( is kind op maandag wel een
geschikte methode voor onze school? Doen wij genoeg aan kennisoverdracht?
Vinden we dat belangrijk? Zo ja: welke manieren zijn er voor? Kind op maandag
wil de verhalen naar deze tijd halen: lukt dat? Komt het over op de kinderen?
Enz.)

Deze vraag ga ik omzetten in een onderzoeksvraag voor mijn onderzoek. Het doel
van mijn onderzoek wordt dan: op papier zetten: zo willen wij ( als team) met
bijbelverhalen omgaan.

Omdat ik een narratief onderzoek doe, kan ik goed luisteren naar wat de
leerkrachten en de kinderen willen en probeer hier in één lijn te vinden waar
iedereen het mee eens is.

Afspraken die zijn gemaakt:
   -   Frank zal aan het team vertellen dat ik met dit onderzoek bezig ben
   -   Via het mededelingenblad zal het team op de hoogte blijven van mijn
       onderzoek
   -   We maken een nieuwe afspraak voor een gesprek waarbij ik mijn
       onderzoeksvraag en subvragen zal presenteren ( in week 39 op 17, 18 of 19
       september)

Verslag gesprek Frank van Oordt en Marieke van den Broek op 17-09-2007
(onderzoeksvraag en subvragen voorleggen)

Ik laat Frank mijn onderzoeksvraag en subvragen lezen. Frank is erg tevreden en
keurt de vraag goed. Hij heeft een paar aanmerkingen. De eerste subvraag: ‘hoe
wordt er op dit moment omgegaan met bijbelverhalen’ vindt hij een te brede
vraag en niet concreet genoeg. Ik ben het met hem eens en zal thuis de vraag
veranderen in twee subvragen. Ook zou Frank het prettig vinden als de




Marieke van den Broek-student Marnix Academie vierde jaars                       6
Narratief onderzoek basisschool De Fontein- 2007


subvragen vijf en zes worden omgedraaid. Dit omdat het onderzoek dan meer op
het kind gericht is.

Ik leg Frank uit wat de bedoeling is van het onderzoek en wat juist niet. Hij
begrijpt het heel goed. We hebben nu allebei duidelijk wat ik straks zal
aanleveren aan de school.

Als laatste hebben we nog wat duidelijke afspraken gemaakt:

Afspraken die zijn gemaakt:
   -   Frank zal mij begeleiden bij het onderzoek, dit kan op aanvraag en zal
       meestal op de maandag plaatsvinden
   -   Ik kan om advies vragen bij Frank
   -   Mijn onderzoeksplan stuur ik op




Marieke van den Broek-student Marnix Academie vierde jaars                      7
Narratief onderzoek basisschool De Fontein- 2007



Mijn onderzoeksvraag

Hoe kunnen we op de Fontein als team vanuit onze visie vormgeven aan
bijbelverhalen?

Subvragen
  1. Hoe geven de leerkrachten op dit moment invulling aan de dagopening?
  2. Is er verschil in de onder-midden en bovenbouw?
  3. Waar doet iedere manier van verhalen vertellen een beroep op?
      (kennisoverdracht, waarden en normen meegeven? )
  4. Voelen de leerkrachten zich daar prettig bij?
  5. Komen de verhalen aan bij de kinderen? Blijven de verhalen hangen? Of de
      thema’s?
  6. Welke plek hebben bijbelverhalen in de biografie van de leerkrachten op
      de Fontein? (hoe hebben ze de bijbelverhalen leren kennen, hoe gaan ze
      daar nu mee om? Willen ze het zo ook overbrengen op de kinderen)
  7. Hoe zouden de leerkrachten het willen? (wat willen ze de kinderen
      meegeven?)
  8. Wat doen we met kinderen die niet geloven of anders geloven?
  9. Wat vinden de leerkrachten belangrijk?
  10. Welke vormen zijn er om bij kinderen de bijbelverhalen aan te laten
      komen?

In grote lijnen onderzoek ik eigenlijk drie punten:
   - Hoe is de situatie nu?
   - Hoe zou het kunnen?
   - Hoe kan het?




Marieke van den Broek-student Marnix Academie vierde jaars                  8
Narratief onderzoek basisschool De Fontein- 2007



Mijn onderzoeksvraag SMART
Leerdoel(en) voor    Wat wil je bereiken?
jezelf               Ik wil de verschillende visies en manieren van omgaan met de bijbel op
                     papier krijgen, vergelijken en een aantal suggesties doen hoe je op een
                     andere manier de bijbelverhalen kan vormgeven. (er mee kan werken)

IJkpunten            Wanneer heb je je einddoel bereikt?                Wat zijn hiervoor de
                       - als ik de subvragen heb kunnen                 concrete ‘bewijzen’
                           beantwoorden                                 dat het je is
                       - als de leerkrachten mijn onderzoek zien        gelukt?Denk ook aan
                           als een praktisch en bruikbaar stuk.         bronnen als:
                                                                        leerlingen, mentor,
                                                                        medestudenten…

Activiteiten         Wat ga je concreet doen? Hoe ga je het aanpakken?
                        - leerkrachten hun verhalen laten vertellen
                        - theorie lezen en koppelen aan de verhalen
                        - fases maken en mailen naar maatje, directeur en begeleider
                            Marnix
                        - onderzoek presenteren aan het team

Hulp                 Wat of wie heb je nodig om dit plan uit te kunnen Jij bent degene die
                     voeren?                                            initiatief moet
                                                                        ondernemen om deze
                         - directeur                                    hulp in te schakelen!
                         - begeleider Marnix Academie
                         - feedbackmaatje
                         - leerkrachten
                         - kinderen
Evaluatie            Met wie en hoe ga je evalueren of je je leerdoel bereikt hebt bereikt?
                     Met de directeur en met de leerkrachten: aan het einde van de
                     presentatie vragen: is het bruikbaar? Wat gaan jullie er nu mee doen?
Tijdpad              Hoe plan je de bovenbeschreven activiteiten?       Is deze planning ook
                                                                        reëel?
                     Zie tijdpad in onderzoeksplan (komt in fase 2)




Bewijslast           Welke materialen verzamel je om te bewijzen dat je je doel behaald
                     hebt?

                     Mijn onderzoek zal het bewijs zijn en de presentatie aan het team.




Marieke van den Broek-student Marnix Academie vierde jaars                                      9
Narratief onderzoek basisschool De Fontein- 2007



Competenties
Competenties waaraan ik werk tijdens mijn onderzoek

Competentie 1: Interpersoonlijk competent
Voor mijn onderzoek heb ik de leerkrachten en de kinderen nodig als belangrijke
bronnen. Ik zal met hen contacten leggen en mijn informatie aan hen
presenteren. Dit doe ik via het mededelingenblad en in vergaderingen en aan het
einde van mijn onderzoek zal ik het presenteren.
Dit is een narratief onderzoek: ik hanteer verschillende gesprekvormen als ik
met de leerkrachten praat.

Competentie 3: Vakinhoudelijk en didactisch:
Door deze minor verhalen en verbeelden te volgen zal ik aan het einde van mijn
onderzoek beschikken over recente kennis met betrekking tot vakinhoud en
didactiek.



Competentie 5: Samenwerken in een schoolteam:
Ik zal op de hoogte zijn van onderwijsconcepten in de school, door naar de
verhalen van de leerkrachten te luisteren en door met dit onderzoek bezig te
zijn. Met behulp van mijn onderzoek lever ik een bijdrage aan de
schoolorganisatie. Doordat ik regelmatig de leerkrachten op de hoogte zal
houden lever ik ook een bijdrage aan vergaderingen en andere overlegvormen

Competentie 6: Samenwerken met de omgeving:
Ik zal erachter komen welke samenwerking de school heeft met mensen en
instellingen die in relatie staan met de identiteit van de school en neem ook
actief deel aan deze samen werking. Bas van den Berg is een van deze personen
die de school heeft ingeschakeld.

Competentie 7: Reflectie
Tijdens mijn onderzoek zal ik zelfstandig werken aan mijn persoonlijke
ontwikkelingen en hulp vragen van deskundigen (directeur, Bas van den Berg) Ik
vraag bij elke fase feedback en geef deze ook aan mijn maatje. Ik neem een
onderzoekende houding aan.

Op deze competenties wil ik ook beoordeeld worden. De competenties kunnen
tijdens mijn onderzoek nog veranderen.




Marieke van den Broek-student Marnix Academie vierde jaars                       10
Narratief onderzoek basisschool De Fontein- 2007



Literatuur
Literatuur die ik in deze fase heb gebruikt:

Artikel:
- Hoffman, T., ‘Wat is cultuur?’ In: reader Marnix Academie, 25-50
- Kelchtermans, G., de proffesionele ontwikkkeling van leerkrachten
basisonderwijs vanuit het biografisch perspectief, Universitaire Pers, Leuven,
1994
- ‘Wat is levensbeschouwing?’ In: ppt Marnix Academie, 2-8




Marieke van den Broek-student Marnix Academie vierde jaars                       11
Narratief onderzoek basisschool De Fontein- 2007




Fase 2




Hoe kunnen we op
de Fontein als team
vanuit onze visie
bijbelverhalen
vormgeven?


                                                     Opdrachtgever: Frank van Oordt
                                                                  School: de Fontein
                                                   Uitvoerder: Marieke van den Broek
                                                                   Datum: 19-9-2007




Marieke van den Broek-student Marnix Academie vierde jaars                       12
Narratief onderzoek basisschool De Fontein- 2007


Inhoudsopgave
Uitgangssituatie en context .............................................................................................. 14
Probleemstelling en subvragen, randvoorwaarden, verwacht resultaat en
opbrengsten. .......................................................................................................................... 17
Betrokkenen/projectorganisatie ...................................................................................... 18
Aanpak en fasering .............................................................................................................. 19
Procedure en status van mij stuk .................................................................................... 23
Communicatie........................................................................................................................ 24
Begeleiding vanuit Marnix ................................................................................................. 25
Reflectie ................................................................................................................................ 26
Bronnen .................................................................................................................................. 27




Marieke van den Broek-student Marnix Academie vierde jaars                                                                               13
Narratief onderzoek basisschool De Fontein- 2007




Uitgangssituatie en context

Basisschool de Fontein heeft in mei van het vorige schooljaar een cursus gehad
van Bas van den Berg van de Marnix Academie. Deze cursus ging over identiteit.
De identiteit van de school is christelijk. Het team wil deze identiteit uitdragen
door elke ochtend te beginnen met een christelijke opening. Dit is meestal een
verhaal uit kind op maandag. De school heeft voor deze methode bewust en in
overleg met elkaar gekozen. De cursus heeft het team aan het denken gezet: is
onze dagopening een routine geworden? Zit er wel een lijn in de hele school? Hoe
gaan wij eigenlijk om met de bijbelverhalen? Ook merkt de school dat er steeds
meer niet gelovige kinderen in de klassen zitten. Wat doen we daar als school
mee? De directeur heeft deze actuele vragen van het team opgenomen in de
jaarplanning en deze aan mij voorgelegd. Het zijn passende vragen voor mijn
onderzoek.

Uit onderzoek blijkt dat veel ouders van leerlingen geen of nauwelijks meer een
band hebben met de christelijke kerken. Bovendien is er een toename
gesignaleerd van het aantal leerlingen dat uit gezinnen komt waar een andere
godsdienst wordt beleden dan de christelijke.
Hoe moet op deze ontwikkelingen gereageerd worden? De antwoorden zijn erg
verschillend. Aan de ene kant zijn er scholen die willen vasthouden aan hun
oorspronkelijke profiel en anderen vinden dat de levensbeschouwelijke inbreng
geminimaliseerd moet worden. Hoe staat de Fontein hier tegenover? Wat doen
zij met deze maatschappelijke ontwikkelingen? (Kroon, 1996:11)

De leerkrachten op de scholen hebben ook steeds meer uiteenlopende visies op
het bijbelonderwijs. Hoe ga je daar als school mee om? Kun je daar een lijn in
trekken? En op welke manier? Vaak zijn de visies van leerkrachten op het
bijbelonderwijs onbekend. De dagopeningen gebeuren achter gesloten deuren en
iedereen vind het wel goed zo. Door de narratieve benadering van mijn
onderzoek zal ik deze deuren openen en de leerkrachten bewust maken van hun
eigen en elkaars manier van invulling geven aan de bijbelverhalen. Ik heb hierbij
een ijsberg gemaakt naar aanleiding van het artikel van Hoffman. Hij beschrijft
de waarneembare en de niet-waarneembare laag van cultuur.




Marieke van den Broek-student Marnix Academie vierde jaars                      14
Narratief onderzoek basisschool De Fontein- 2007



Het bijbelverhaal vertellen:
              Kring, verhaal, gesprek over het
              Verhaal.



           Deze methode niet graag willen
           veranderen. Moeilijk om te door
          breken. Kost veel tijd en moeite.
          Ze zijn blijven steken in een patroon.
         Weten van elkaar niet hoe de bijbel-
          Verhalen verteld worden. Achter
          Gesloten deuren.




Ik kan deze ijsberg doorbreken door de leerkrachten hun verhalen te laten
vertellen. En dan vooral vragen naar hun eigen cultuur (levengeschiedenis) met
betrekking tot bijbelverhalen. Je cultuur bepaald een groot deel van je handelen.

Als frisse buitenstaander kan ik doorbreken in de bestaande schoolcultuur:
waarom doen jullie dit zo en niet anders?

Harde Kernen van het christelijk basisonderwijs (zichtbare laag van de cultuur)
  1. een school waar over Jezus wordt verteld.
  2. ieder kind is een uniek schepsel van God
  3. een gemeenschap van mensen
  4. veel belang hechten aan contacten met ouders
  5. vrijheid van onderwijs: mag zelf bepalen hoe het gaat. (klifman, H. in
     kleuren van een toekomst)




Ook willen de leerkrachten van tegenwoordig niet meer de bijbel opleggen als
enige waarheid. In deze tijd en maatschappij willen de scholen vaak de kinderen
laten nadenken over de bijbel en ze er mee bezig laten zijn. Dit is in de loop der
jaren sterk veranderd. Vooral de wat oudere leerkrachten zullen op een andere
manier met de bijbel zijn opgevoed. Zijn zij bereidt om hun manier van vertellen
te vernieuwen? Door te vragen naar de biografie van de leerkrachten zal ik hen
bewust maken dat hun eigen kennismaking met de bijbel invloed heeft op hun



Marieke van den Broek-student Marnix Academie vierde jaars                       15
Narratief onderzoek basisschool De Fontein- 2007


manier van vertellen op dit moment. Zijn zij het bijvoorbeeld eens met Karel
Eykman die zegt: ‘je kunt meer recht doen aan de bijbel, als je je minder
bijbelgetrouw gedraagt’ (Eykman, 2001: 7)




Marieke van den Broek-student Marnix Academie vierde jaars                     16
Narratief onderzoek basisschool De Fontein- 2007




Probleemstelling en subvragen, randvoorwaarden, verwacht
resultaat en opbrengsten.

De directeur verwacht dat ik aan het einde van mijn onderzoek op papier heb
staan: hoe gaat basisschool de Fontein om met bijbelverhalen. Ik zal de visie van
de leerkrachten op papier zetten en vergelijken. Ik breng in beeld en maak de
leerkrachten bewust. Ook zal ik een aantal suggesties doen om de verhalen op
een andere manier te vertellen. De school kan zelf beslissen wat ze na het
onderzoek voor stappen gaan ondernemen. Dit zou kunnen zijn: een nieuwe
methode aanschaffen. Ik heb 13 weken om het onderzoek af te ronden en te
presenteren. Tegen die tijd zal ik met de directeur een datum afspreken voor de
presentatie.
 Ik maak dit onderzoek voor de school, maar zal er zelf ook veel van leren. Ik
werk tijdens mijn onderzoek aan veel competenties. Zelf ben ik vooral benieuwd
naar de narratieve benadering van het onderzoek. Ik heb nog nooit een
onderzoek gedaan op deze manier. Ik vind het een hele mooie, diepgaande manier
om achter de visies van de leerkrachten en de kinderen te komen. Achter ieder
mens en achter iedere manier van handelen zit een verhaal. Ik ben heel benieuwd
of ik deze verhalen kan blootleggen en er iets mee kan doen. Ik wil zelf vooral
werken aan competentie 5 (omgaan met het team) door dit onderzoek zal ik op
een heel persoonlijke manier in contact komen met de leerkrachten. De band met
het team zal misschien versterkt worden. Ook hoop ik dat ze wat aan mijn
onderzoek zullen hebben. Door naar hun verhalen te luisteren, zal dit
waarschijnlijk ook gebeuren. Ik zou zelf graag beoordeeld worden op de manier
waarop ik het onderzoek heb opgezet (de narratieve benadering) en of de
leerkrachten bewust zijn geworden na mijn onderzoek over hun eigen handelen.
Doen ze wat met mijn onderzoek? Of wordt het in de kast gezet en gaan ze
verder op de manier waarop het nu gaat? (is het mij gelukt om de leerkrachten
te raken/bewust te maken van hun handelen?)




Marieke van den Broek-student Marnix Academie vierde jaars                     17
Narratief onderzoek basisschool De Fontein- 2007



Betrokkenen/projectorganisatie

De leerkrachten en de kinderen zullen mij (onbewust) helpen bij de uitvoering
van mijn onderzoek. Zij zijn de belangrijkste bronnen. Doordat ik een narratief
onderzoek doe, zijn de verhalen van de betrokkenen erg belangrijk. Ik zal de
leerkrachten regelmatig informeren over de voortgang van mijn onderzoek. Ik
heb afgesproken dat ik dit via het mededelingenblad doe en wat minder vaak in
de vergadering. De beslissingen worden genomen door Frank (de directeur)hij is
ook de verantwoordelijke persoon en ik kan ook bij hem om advies vragen. Dit
gaat vaak via de mail of op aanvraag via een gesprek. Deze gesprekken zullen
meestal op de maandag plaatsvinden.

Ik zal niet alle leerkrachten kunnen interviewen daarom gebruik ik als
onderzoeksinstrument een open vragenlijst die de andere leerkrachten invullen.

Narratief:
De verhalen van de leerkrachten en de kinderen zijn de belangrijkste bronnen
voor mijn onderzoek. Door naar de verhalen van de leerkrachten te luisteren kom
ik erachter op welke manier zij hun verhalen vertellen, of ze zich daar prettig
bij voelen en zo nee: hoe ze het anders zouden willen. Als ik alle verhalen naast
elkaar leg, kan ik bepalen of er overeenkomsten zitten in de visies van de
leerkrachten en welke verschillen er zijn. Door de verschillende manieren van
vertellen door de leerkrachten bekijk ik of er een lijn zit door de hele school.
Zit er een opbouw in? Of krijgen de kinderen elk jaar dezelfde verhalen te horen
maar dan op een andere manier?

De kinderen zijn ook erg belangrijk. Begrijpen de kinderen de verhalen? Komen
ze aan? En weten ze welke waarden en normen er in de verhalen naar voren
komen? Ik zal dan eerst moeten bekijken wat de doelen zijn van de leerkrachten
Als die doelen duidelijk zijn kan ik bekijken of deze doelen bij de kinderen
worden bereikt.




Marieke van den Broek-student Marnix Academie vierde jaars                    18
Narratief onderzoek basisschool De Fontein- 2007



Aanpak en fasering
Tijdpad

Wanneer?                      Wat? (ga ik doen)              Wie? (heb ik nodig)
10-09-2007                    Oriënterend gesprek            Frank van Oordt
17-09-2007                    Vervolggesprek                 Frank van Oordt
Week 38                       Fase 1 maken
Week 39                       Fase 1 mailen naar             Sarin Schumacher
                              maatje
Week 39                       Fase 1 verbeteren
Week 39                       Fase 1 mailen naar             Bas van den Berg, Frank
                              docent en directeur
Week 39                       Theorie zoeken                 mediatheek
Week 39, 40                   Fase 2 maken
Week 40                       Fase 2 mailen naar             Sarin Schumacher
                              maatje
Week 40                       Fase 2 verbeteren
Week 40                       Fase 2 mailen naar             Bas van den Berg, Frank
                              docent en directeur
Week 40                       Theorie lezen
Week 40 (2 oktober)           In vergadering:                team
                              leerkrachten op de
                              hoogte stellen van mijn
                              onderzoek:
                              onderzoeksvraag
week 40, 41, 42, 43, 44,      Fase 3 maken                   Interview leerkrachten
45                                                           en vragenlijst (open)
Week 45                       Fase 3 mailen naar             Sarin
                              maatje
Week 45                       Fase 3 verbeteren
Week 46                       Fase 3 mailen naar             Bas en Frank
                              docent en directeur
week 40, 41, 42, 43, 44,      Fase 4 maken                   Interview leerkrachten
45                                                           en vragenlijst (open)
Week 45                       Fase 4 mailen naar             Sarin
                              maatje
Week 45                       Fase 4 verbeteren
Week 46                       Fase 4 mailen naar             Bas en Frank
                              docent en directeur
Week 47, 48, 49, 50           Voorbereiden


Marieke van den Broek-student Marnix Academie vierde jaars                             19
Narratief onderzoek basisschool De Fontein- 2007


                              presentatie
Week 50                       Presentatie op school
Week 51 (19-12)               Minor inleveren




Marieke van den Broek-student Marnix Academie vierde jaars   20
Narratief onderzoek basisschool De Fontein- 2007


Subvragen SMART geformuleerd

Wanneer                       Wat                            Hoe?
Week 41, 42                   Hoe geven de                   * lessen bijwonen in de
                              leerkrachten op dit            onder midden en
                              moment invulling aan de        bovenbouw
                              dagopening?                    * theorie: omgaan met
                                                             bijbelverhalen: praktijk
                                                             koppelen aan theorie (en
                                                             dat is zeven)
Week 41, 42                   Is er verschil in de           * vergelijken lessen
                              onder-midden en                (overeenkomsten,
                              bovenbouw?                     verschillen)

Week 42                       Waar doet iedere manier        * Theoretisch
                              van verhalen vertellen         onderbouwen
                              een beroep op?
                              (kennisoverdracht,
                              waarden en normen
                              meegeven? )

Week 43, 44, 45               Voelen de leerkrachten         Interview leerkrachten
                              zich daar prettig bij?         en
                                                             onderzoeksinstrument:
                                                             open vragenlijst
Week 41, 42                   Komen de verhalen aan          * kinderen vragen
                              bij de kinderen? Blijven       * leerkrachten: welke
                              de verhalen hangen? Of         doelen heb je?
                              de thema’s?                    * Worden die bereikt?

Week 43, 44, 45               Welke plek hebben              Interview leerkrachten
                              bijbelverhalen in de           en
                              biografie van de               onderzoeksinstrument:
                              leerkrachten op de             open vragenlijst
                              Fontein? (hoe hebben ze
                              de bijbelverhalen leren
                              kennen, hoe gaan ze daar
                              nu mee om? Willen ze het
                              zo ook overbrengen op de
                              kinderen)




Marieke van den Broek-student Marnix Academie vierde jaars                            21
Narratief onderzoek basisschool De Fontein- 2007


Week 43, 44, 45               Hoe zouden de                  Interview leerkrachten
                              leerkrachten het willen?       en
                              (wat willen ze de              onderzoeksinstrument:
                              kinderen meegeven?)            open vragenlijst (visie
                                                             koppelen aan de
                                                             literatuur)
Week 43, 44, 45               Wat doen we met                * Theorie: omgaan met
                              kinderen die niet geloven      kinderen die niet geloven
                              of anders geloven?
                                                             * Interview leerkrachten
                                                             en
                                                             onderzoeksinstrument:
                                                             open vragenlijst
Week 43, 44, 45               Wat vinden de                  * Theorie: welke doelen
                              leerkrachten belangrijk?       kun je hebben met een
                              Kennisoverdracht? Enz.         bijbelverhaal

                                                             *Interview leerkrachten
                                                             en
                                                             onderzoeksinstrument:
                                                             open vragenlijst
Week 47, 48, 49, 50           Welke vormen zijn er om        * Theorie: kunst,
                              bij kinderen de                methodes bekijken
                              bijbelverhalen aan te
                              laten komen?




Marieke van den Broek-student Marnix Academie vierde jaars                           22
Narratief onderzoek basisschool De Fontein- 2007



Procedure en status van mij stuk

Mijn onderzoek wordt een informeel stuk. Het moet praktisch bruikbaar zijn
voor de leerkrachten en voor hen makkelijk leesbaar. Het stuk is dus vooral
gericht op de leerkrachten. De directeur heeft wel invloed op het stuk. Dat
blijkt al uit de twee gesprekken voorafgaand aan het onderzoek. We hebben
samen gezocht naar een goede vraag. Omdat het team dit jaar ook wil werken
aan dit onderwerp zal mijn onderzoek een belangrijke plek in nemen. Naar
aanleiding van mijn onderzoek kan het team beslissen wat ze er verder mee doen:
bijvoorbeeld: schaffen we een nieuwe methode aan? Mijn onderzoek zal dus een
voorstel zijn voor een beleidsplan (een concept) De toestemming voor het stuk
krijg ik steeds van de directeur. Al mijn fases zal ik naar hem sturen zodat hij
inzicht houdt in mijn onderzoek.

Het onderzoek is vooral beschrijvend: ik beschrijf de verhalen van de
leerkrachten en de kinderen. En het is vergelijkend: ik vergelijk de visies van de
leerkrachten en ik vergelijk de visies met de literatuur.




Marieke van den Broek-student Marnix Academie vierde jaars                       23
Narratief onderzoek basisschool De Fontein- 2007



Communicatie

Ik spreek regelmatig met Frank (de directeur), op aanvraag (vaak op maandag: is
Frank op de Burgt)
In teamvergaderingen maar vooral via het mededelingenblad zal ik het team
informeren over de voortgang van het onderzoek. Om afspraken te maken mail ik
met de leerkrachten of spreek ik ze aan in de school. Begeleidingsgesprekken
vinden plaats op de geplande tijden in de reader van de Marnix.




Marieke van den Broek-student Marnix Academie vierde jaars                   24
Narratief onderzoek basisschool De Fontein- 2007



Begeleiding vanuit Marnix

Mijn Studiemaatje is: Sarin Schumacher, zij zal steeds als eerste mijn fases
ontvangen en daarop feedback geven. Nadat ik mijn onderzoek verbeterd heb
stuur ik het op naar Bas van den Berg en de directeur van mijn stageschool. Ook
zij geven feedback via het beoordelingsformulier. Mijn begeleider is dus Bas van
den Berg. Hij weet veel over de levensbeschouwelijke kant van deze minor.
Alle bijeenkomsten: begeleid en onbegeleid zal ik bijwonen. De algemene colleges
(levensbeschouwing, jeugdliteratuur, kunst en maatschappij) heb ik al
bijgewoond.




Marieke van den Broek-student Marnix Academie vierde jaars                    25
Narratief onderzoek basisschool De Fontein- 2007



Reflectie


Competentie 1: Interpersoonlijk competent
Voor mijn onderzoek heb ik de leerkrachten en de kinderen nodig als belangrijke
bronnen. Ik zal met hen contacten leggen en mijn informatie aan hen
presenteren. Dit doe ik via het mededelingenblad en in vergaderingen en aan het
einde van mijn onderzoek zal ik het presenteren.
Doordat het onderzoek narratief is zal ik verschillende gesprekvormen hanteren
om achter de verhalen van de leerkrachten te komen.

Competentie 3: Vakinhoudelijk en didactisch:
Door deze minor verhalen en verbeelden te volgen zal ik aan het einde van mijn
onderzoek beschikken over recente kennis met betrekking tot vakinhoud en
didactiek.

Competentie 5: Samenwerken in een schoolteam:
Ik zal op de hoogte zijn van onderwijsconcepten in de school, door naar de
verhalen van de leerkrachten te luisteren en door met dit onderzoek bezig te
zijn. Met behulp van mijn onderzoek lever ik een bijdrage aan de
schoolorganisatie. Doordat ik regelmatig de leerkrachten op de hoogte zal
houden lever ik ook een bijdrage aan vergaderingen en andere overlegvormen

Competentie 6: Samenwerken met de omgeving:
Ik zal erachter komen welke samenwerking de school heeft met mensen en
instellingen die in relatie staan met de identiteit van de school en neem ook
actief deel aan deze samen werking. Bas van den Berg is een van deze personen
die de school heeft ingeschakeld.

Competentie 7: Reflectie
Tijdens mijn onderzoek zal ik zelfstandig werken aan mijn persoonlijke
ontwikkelingen en hulp vragen van deskundigen (directeur, Bas van den Berg) Ik
vraag bij elke fase feedback en geef deze ook aan mijn maatje. Ik neem een
onderzoekende houding aan.




Marieke van den Broek-student Marnix Academie vierde jaars                       26
Narratief onderzoek basisschool De Fontein- 2007



Bronnen

Bronnen uit de praktijk: leerkrachten en kinderen
Bronnen als link met de maatschappelijke ontwikkelingen: de krant, vakbladen

Het boek ‘en dat is zeven’ (Eykman, 2001) geeft vele handvatten voor mijn
onderzoek. Er staan vragen in die je aan leerkrachten kunt stellen (open vragen)
Ook staat er beschreven hoe je bijbelverhalen kunt vertellen (op welke
manieren) Ik kan deze bron goed gebruiken om als een meetlat langs de manieren
van vertellen van de leerkrachten op de Fontein te leggen. Welke manier van
vertellen gebruiken zij? Ook kan dit boek een tip zijn voor de leerkrachten: om
de andere manieren van vertellen te proberen. De visie van de schrijver spreekt
mij ook heel erg aan. Ik wil kijken of de leerkrachten deze visie ook met zich
meedragen of dat ze het eens zijn met deze visie.

Het boek ‘vertel eens’ (De Vries, 1992) bevat een andere mening van een
schrijver op bijbelonderwijs. Het boek is wat ouder, misschien dat de wat oudere
leerkrachten het met deze visie eens zijn. Ik zal de antwoorden van de
leerkrachten ook langs deze visie leggen.

Kleuren van een toekomst (Kroon, 1997) is een goed bruikbaar boek voor mijn
onderzoek. Het geeft vele visies weer op christelijk onderwijs en schoolcultuur.
Tom Kroon beschrijft eerst zijn mening op de veranderingen van de maatschappij
en wat dat voor invloed heeft op de schoolcultuur. Daarna geven een aantal
mensen feedback en hun eigen mening op het artikel van Tom Kroon. Een
subvraag van mij is: hoe gaan we om met kinderen die niet geloven? Of anders
geloven. Bij deze vraag kan ik dit boek erg goed gebruiken.

In het boek de persoon van de leerkracht (Bakker, Rigg, 2004)wordt veel
aandacht besteed aan het biografieën van leerkrachten en aan het narratieve
onderzoek doen. Ook wordt er ingegaan op de groeiende ontkerkelijking van
leerlingen en hoe je daar als school mee omgaat.

Zin in leven (Bulckens, Roebben, 2001) gaat over godsdienstdidactiek in het
lager onderwijs. Het geeft aan op welke manieren je godsdienst kunt geven en
welke pedagogische en levensbeschouwelijke doelen er bij horen.




Marieke van den Broek-student Marnix Academie vierde jaars                     27
Narratief onderzoek basisschool De Fontein- 2007



Op de site van Kuleuven (2007: www) staan doelen genoemd. Ik kan dan de doelen
van de leerkrachten vergelijken met de doelen die in deze tekst staan. Ook staan
er redenen op de site om uit de bijbel te vertellen. (verschillende redenen) ook
deze kan ik vergelijken met de redenen van de leerkrachten. Als laatste staan er
veel tips op de site om je bijbelverhalen vorm te geven.

Het hoofdstuk van Kelchtermans (1994) en het artikel van Hoffman heb ik
gebruikt voorafgaand aan mijn onderzoek. Bij Kelchtermans heb ik gelezen over
de biografische benadering van een onderzoek en deze gebruikt bij een
subvraag. Hoffman beschrijf wat cultuur is en daardoor ben ik erachter gekomen
dat de manier waarop leerkrachten een bijbelverhaal vertellen voor een groot
deel wordt bepaald door de cultuur waarin zij zijn opgevoed.

Klaassen (1996) schrijft over de filterfunctie van de docent. Dit kan ik goed
gebruiken bij de antwoorden van de leerkrachten op de vragen voor mijn
onderzoek.

De volgende bronnen gebruik ik voor mijn onderzoeksvraag: welke vormen zijn er
om bij kinderen de bijbelverhalen aan te laten komen:
   - ‘oranje kinderbijbel’ ( Stichting Schreeuw om leven, 2004)
   - ‘het verhaal en daarna’ (Wikkers, 2001)
   - ‘Schilderen over kinderliteratuur’ ( Bokkers, 2007)
   - De site van juf Leonie (2007:www)
   - ‘Het verhaal, het kind en de verbeelding’ ( Wikkers, 2004)
   - Het artikel op internet van Luc Maes (Maes, 2007: www)




Marieke van den Broek-student Marnix Academie vierde jaars                      28
Narratief onderzoek basisschool De Fontein- 2007



Vakliteratuur:

Literatuur:
   - Bakker, C. en E. Rigg, De persoon van de leerkracht, Meinema,
      Zoetermeer, 2004
   - Bulckens, J. en B. Roebben, Zin in leven, Acco, Leuven, 2001
   - Deurloo, K.,H. van Dorssen en K. Eykman, en dat is zeven, zeven manieren
      om kinderen uit de bijbel te vertellen, Ten Have, Baarn, 2001
   - Eykman, K., met open ogen 100 bijbelse gedichten, De Fontein, Baarn,
      2007
   - Kelchtermans, G., de professionele ontwikkeling van leerkrachten
      basisonderwijs vanuit het biografisch perspectief, Universitaire Pers,
      Leuven, 1994
   - Kroon, T, Kleuren van een toekomst, NZV, Hilversum, 1997
   - Stichting schreeuw om leven, oranjekinderbijbel, bijbelse vertellingen en
      tekeningen door kinderen, Hilversum, 2004
   - De Vries, A. (red.), vertel eens, over het vertellen van godsdienstige
      verhalen aan vier- tot zevenjarigen, centrum voor godsdienstige vorming,
      Amersfoort, 1992
   - Wikkers, W., het verhaal en daarna? Werkvormen bij
      kinderbijbelverhalen, Narratio, Arnhem, 2001
   - Wikkers, W. en A. Mesch, het verhaal het kind en de verbeelding,
      Narratio, Arnhem, 1994



Internet:
   - http://www.jufleonie.nl/Lesideeen/Levo/bijbelverhalenkinderen.htm
      Geraadpleegd op 21 september 2007
   - http://www.kuleuven.be/thomas/images/algemeen/actualiteit/visie/vakdid
      actiek/Cursus_PdO/Bijbelverhalen.pdf Geraadpleegd op 21 september
      2007
   - Maes, L, http://www.sip.be/rkgodsdienst/Werkwinkel%205%20-
      %20Luc%20Maes.pdf Geraadpleegd op 19 oktober 2007

   Artikelen:
   - Bokkers, M., ‘Schilderen over kinderliteratuur.’ In: de Barneveldse krant, 1
      oktober 2007: 5
   - Hoffman, ‘Wat is cultuur?’ In: reader Marnix Academie, 25-50
   - Klaassen, C. ‘Socialisatie en moraal.’ In: Garant, 1996, Leuven
   - Bijbel10daagsekrant, 2007



Marieke van den Broek-student Marnix Academie vierde jaars                     29
Narratief onderzoek basisschool De Fontein- 2007




Extra:
- ppt Marnix Academie, narrativiteit




Marieke van den Broek-student Marnix Academie vierde jaars   30
Narratief onderzoek basisschool De Fontein- 2007



Fase 3

1. de biografieën van de leerkrachten
2. de dagopening
3. nieuwe werkvormen
4. kinderen met een andere identiteit




Marieke van den Broek-student Marnix Academie vierde jaars   31
Narratief onderzoek basisschool De Fontein- 2007



De biografieën van de leerkrachten

De opvoeding
Opvallend is dat een aantal leerkrachten (zes van de dertien) zich niet veel meer
kunnen herinneren van de dagopening. Zij hebben het ervaren als: ‘gewoon’ en het
hoorde erbij of zelfs saai. De leerkrachten die wel er nog veel van weten
hebben een ander gevoel erbij gekregen: een veilig, warm en vertrouwt gevoel.
Waarschijnlijk is er bij deze zes leerkrachten geen betekenis gegeven aan de
verhalen, maar zijn ze gewoon verteld of voorgelezen. Juist door betekenis te
geven aan de verhalen en kinderen er mee te laten werken krijgen de kinderen
het beeld van de bijbel als levende geschiedenis en toekomst. (kuleuven, 2007:
www). Dit wordt ook duidelijk doordat een aantal leerkrachten noemen dat ze
zich nog wel veel herinneren van de club en kindernevendienst waar vaak
verwerkingen van bijbelverhalen werden gedaan. Hiervan herinneren ze vaak nog
wel veel. Een leerkracht noemt zelfs een specifiek voorbeeld: het verhaal werd
verteld met flanellen figuren.

Een aantal (vijf van de dertien) leerkrachten zijn traditioneel opgevoed. Met de
bijbel als enige waarheid. Opvallend is dat deze leerkrachten vaak uit de bijbel
lazen en dat er geen verwerking werd gedaan na het verhaal. Deze leerkrachten
hebben later vaak ervaren dat de bijbel niet letterlijk opgevat moet worden,
maar dat er ook heel veel dingen symbolisch zijn bedoeld.
Zij zijn opgevoed met een fundamentalistische manier van omgaan met de bijbel.
Bij deze manier wordt de bijbel vaak gebruikt om het gelijk te bewijzen: het
staat in de bijbel dus het is zo. Of ‘de schepping is precies zo gebeurd als in de
bijbel staat’ ( jufleonie, 2007: www)

De invloed van de opvoeding op de vertelling van nu
De leerkrachten van nu zijn allemaal opgegroeid in verschillende culturen. Zij
zijn op verschillende manieren in aanraking gekomen met de bijbelverhalen. Dit
heeft invloed op de manier waarop zij de verhalen aan de kinderen vertellen.
De specifieke persoonlijkheidskenmerken van de leerkracht en alles wat hij aan
kennis en opgedane ervaringen als bagage meedraagt (zijn hele levensverhaal)
komen nadrukkelijk in beeld als belangrijke mede-bepalers van het (pedagogisch)
doen en laten van de leerkracht. (Bakker en Rigg, 2004:11)

Ook de waarden en normen die een leerkracht van huis uit mee heeft gekregen
kunnen doorklinken in de manier van vertellen op dit moment aan hun eigen groep.
Ook bepaalde opvattingen en interpretaties over de bijbel worden (soms
onbewust) aan de kinderen meegegeven. Ze zijn een zogenaamd verborgen



Marieke van den Broek-student Marnix Academie vierde jaars                      32
Narratief onderzoek basisschool De Fontein- 2007


curriculum. Soms worden dingen weggelaten omdat dit naar de mening van de
leerkracht niet goed is. Een leerkracht heeft dus een bepaalde filterfunctie.
Hij/zij bepaald wat er wordt verteld en wat niet (Klaassen, 1996: 89-90)

De leerkrachten die niet veel meer weten van hun opvoeding met de bijbel nemen
ook niks mee naar hun vertelling van nu. Dat is wel opvallend. Je zou denken dat
als je zelf niks hebt onthouden van vroeger, je het nu op een andere manier wil
doorgeven aan de kinderen, zodat zij er wel veel van onthouden. Maar aan de
andere kant: wat moet je anders doen als je niet weet hoe het vroeger was.
Een aantal leerkrachten zijn streng opgevoed met de bijbel (fundamentalistisch)
zij hebben hiervoor een soort van afkeer gekregen en willen dat absoluut niet
overbrengen op de kinderen. Het zijn juist deze leerkrachten die het belangrijk
vinden om zaken te verduidelijken en de verhalen naar deze tijd willen halen.
Een verteller is een brug tussen het verleden en nu: tussen de tekst en de
luisteraar. Hij moet proberen om teksten uit een ver verleden zo onder woorden
te brengen dat ze nu, in deze tijd iets betekenen. (Eykman, Deurloo en van
Dorssen, 2001)
De leerkrachten die een warm en veilig gevoel aan de bijbelvertellingen over
hebben gehouden. Willen dat gevoel ook overbrengen op de kinderen. Of doen
verwerkingen omdat dat hen vroeger zelf ook erg aansprak.




Marieke van den Broek-student Marnix Academie vierde jaars                      33
Narratief onderzoek basisschool De Fontein- 2007



De dagopening
Ik heb de dagopeningen geobserveerd in de groepen

De vertelling
Tijdens het observeren van de bijbelverhalen is mij het volgende opgevallen. Alle
vertellingen werden als na-vertelling verteld. Een na-vertelling:
   - accent leggen op 1 of meerdere delen uit een tekst
   - weglaten of omvormen van een of meerdere delen uit de tekst
   - focalisatie: meekijken met iemand van binnen of buiten de tekst (Deurloo,
       van Dorssen en Eykman, 2000: 17-28)

Dit is een goede manier van vertellen. Er zijn echter nog 6 andere manieren om
kinderen uit de bijbel te vertellen:
In het boek ‘en dat is zeven’ (Eykman, Deurloo en van Dorssen, 2001) worden
verschillende vormen om bijbelverhalen te vertellen genoemd.
En dat is zeven
   1. de navertelling:
   - accent leggen op 1 of meerdere delen uit een tekst
   - weglaten of omvormen van een of meerdere delen uit de tekst
   - focalisatie: meekijken met iemand van binnen of buiten de tekst
   2. de terugblik
   - terugblik op de gebeurtenissen, die in de tekst worden beschreven vanuit
   een andere context dan die van de tekst.
   3. de raamvertelling
   - tekst plaatsen in een historische context
   - historische aanwijzingen uitbouwen tot een raam
   - een raam maken met behulp van de eigen fantasie
   4. de monoloog
   - 1 van de personen uit de tekst vertelt het verhaal vanuit de ik-vorm en
       reflecteert
   5. de poezie (karel eykman)
   - poëtische stof verwerken tot poezie voor kinderen
   - niet-verhalende stof bewerken tot poëzie voor kinderen
   - verhalende stof bewerken tot poëzie voor kinderen
   6. actualisatie (bovenbouw)
   - bijbelse beelden afwisselen met eigentijdse beelden
   - alle bijbelse beelden omzetten in eigentijdse beelden
   7. sleutel of spiegelverhaal
   - vrij verhaal dat de loop van de bijbeltekst op de voet volgt (Nico ter
       Linden geen voorstander van)



Marieke van den Broek-student Marnix Academie vierde jaars                       34
Narratief onderzoek basisschool De Fontein- 2007


   -  themaverhaal of verhaal vooraf waarin de thematiek van de bijbeltekst
      wordt uitgewerkt (Nico ter Linden wel een voorstander van)
   (Eykman, Deurloo en van Dorssen, 2001: 17-28)

De vorm van de vertelling moet dienstbaar zijn aan de inhoud. De inhoud moet zo
goed mogelijk tot zijn recht komen door de vorm. (Eykman, Deurloo en van
Dorssen, 2001) De verhalen die ik heb geobserveerd waren ook het meest
geschikt voor de na-vertelling, maar het is goed om ook te experimenteren met
de andere vormen van vertellen. Vooral als kinderen een verhaal al eens gehoord
hebben in een voorgaand jaar. Wanneer ik de kinderen in de gesprekjes hiernaar
vroeg antwoordden zij: we horen elk jaar deze verhalen.



Vuistregels
Bij het vertellen van een verhaal zijn er zeven vuistregels:
    1. verhalend vertellen: vertellen in verhaalvorm
    2. exegetisch vertellen: kinderen hebben er recht op iets van de betekenis
       mee te krijgen
    3. niet-historiserend vertellen: actualiteit en betrokkenheid op de gang van
       zaken van vandaag horen thuis in bijbelverhalen voor kinderen. De bijbel is
       een levende steeds terugkerende geschiedenis.
    4. niet-moraliserend vertellen: het is een kunst om bijbelverhalen niet te
       vereenvoudigen tot een verhaal met een moraal. Er moet ruimte blijven
       zodat de luisteraar iets kan toevoegen (van zichzelf)
    5. open vertellen: de vertelling mag de fantasie prikkelen en de creativiteit
       bevorderen, er mogen open plekken (onduidelijkheden) in het verhaal
       zitten, waarmee het kind zelf verder kan.
    6. persoonlijk vertellen: in het verhaal klinkt door wat een auteur, verteller
       zelf heeft geraakt.
    7. uitdagend vertellen: De bijbel is geen loodzware kost maar spreekt aan tot
       de verbeelding en daagt uit tot lieven, lachen en leven. (Eykman, Deurloo
       en van Dorssen , 2001: 30-32)

Bij de bijbelverhalen die ik heb geobserveerd werd er vooral uitdagend, open en
verhalend vertelt. Bij 1 verteller werd er ook persoonlijk vertelt. Wat ontbrak
bij alle vertellingen was het niet-moraliserend vertellen (er werd dus wel
moraliserend vertelt) en exegetisch vertellen. Dit heb ik al eerder aangekaart
(het ervaren en voelen van de betekenis van een verhaal: de symboliek) en werk
ik verder uit bij de aanbevelingen. Belangrijk is dat kinderen de diepere
betekenis met hun hart intuïtief religieus aanvoelen. (Bulckens, Roebben,
2001:230)



Marieke van den Broek-student Marnix Academie vierde jaars                     35
Narratief onderzoek basisschool De Fontein- 2007


De verteller moet weten wat er per leeftijdsfase in de kinderen omgaat (zie
ontwikkelingsfases) zodat hij kan aansluiten bij de leef en belevingswereld van
de kinderen. Belangrijk om bijvoorbeeld voor ogen te houden is dat jonge
kinderen een sprookje en een bijbelverhaal niet kunnen onderscheiden (de Vries,
1992) Het is nuttig om jonge kinderen over personen uit de bijbel te vertellen,
op die manier ontdekken ze samenhang in de verhalen en ontmoeten ze echte
mensen die ergens geleefd hebben (de Vries, 1992) Op latere leeftijd kun je
meer aandacht besteden aan de cognitieve kennis. De kinderen kunnen
bijvoorbeeld zelf de teksten in handen krijgen , ze lezen ze en analyseren ze op
vorm en woordbetekenis. (Kroon, 1997)

De ontwikkelingsfasen kunt u vinden in de bijlagen.



De genres
De grote ontdekking van de laatste decennia is, dat de bijbel in de eerste plaats
een literair geschrift is van buitengewoon hoge kwaliteit (Klaas, A. D. Smelik,
1990)

Vaak worden op scholen en in methodes alleen de verhalende teksten aan de
kinderen verteld. De andere literaire vormen zoals spreuken, gedichten, poezie
enz. worden overgeslagen. Probeer deze juist ook te vertellen. Deze teksten
hebben namelijk een duidelijke melding, een exegese. (Eykman, Deurloo, van
Dorssen, 2001)

Uit de vragenlijsten en gesprekken met de leerkrachten bleek dat de
leerkrachten heel erg open staan voor het vertellen uit andere genres, maar dat
ze de manier waarop ze dat moeten doen, de vorm niet kennen. Ze zouden weg
graag tips krijgen om ook uit de andere genres te kunnen vertellen. Deze
opmerkingen zijn meegenomen naar de aanbevelingen.
De meeste leerkrachten vertellen uit de verhalende teksten (deze worden ook
vooral opgenomen in kind op maandag) daarnaast wordt er door meerdere (8)
leerkrachten wel eens verteld uit visioenen, gedichten en wijsheidsteksten. Uit
wetsteksten, wijsheidsteksten, spreuken en brieven wordt zelden of nooit
verteld.

Doelen
Met een dagopening kunnen verschillende doelen worden behaald. Het vertellen
brengt jong en oud bijeen en het verbindt de eerdere dingen met nu en later.
( Tom Kroon in Kleuren van een toekomst, 1997)




Marieke van den Broek-student Marnix Academie vierde jaars                       36
Narratief onderzoek basisschool De Fontein- 2007


Leerkrachten noemen de volgende doelen. Vaak lijken de doelen erg op elkaar.
Dan heb ik ze samengevoegd in 1 bewoording:
   - zes leerkrachten noemen: kennis maken met het geloof, de bijbel en met
      God. De kinderen kennis laten maken met God (Eykman, Deurloo en van
      Dorssen, 2001)
   - zeven leerkrachten noemen: het verhaal plaatsen naar deze tijd
   - een leerkracht noemt: de rode draad in de bijbel laten zien
   - drie leerkrachten: de diepere betekenis naar boven halen
   - drie leerkrachten: de normen en waarden uit een verhaal naar boven halen
   - vijf leerkrachten: een verhaal laten ervaren en voelen, maken dat je
      dingen meebeleeft (kruipen in huid personage) (kuleuven, 2007: www)
   - Vijf leerkrachten: kinderen laten ervaren dat God bij je is, kinderen
      binnenvoeren in de intieme omgang met God.(ter Linden, 1997)

Waarden en normen
   -   Vijf leerkrachten noemen: met elkaar de dag beginnen, een moment van
       samenkomen
   -   Twee leerkrachten: Het delen van zorgen en verdriet
   -   Twee leerkrachten: rust, sfeer, veiligheid
   -   Een leerkracht noemt: Elkaar leren kennen, maken dat je elkaar beter
       leert kennen: door samen te luisteren en erover te praten (kuleuven,
       2007: www)
   -   Een leerkracht noemt: Jezelf leren kennen, Elke vertelling moet als doel
       hebben dat de leerling zich er in kan herkennen: de verhalen worden
       metgezellen op levensreis. (Kroon, 1997)

   Wat opvalt is dat vijf leerkrachten noemen: het ervaren en voelen van de
   verhalen, maar uit mijn observaties en de gesprekjes met de leerlingen bleek
   dat veel kinderen de verhalen niet hebben ervaren en niet hebben gevoeld. De
   manier van vertellen heeft hen vaak wel geraakt maar de verwerking mist
   vaak zijn doel. Het is positief dat de leerkrachten op de Fontein als doel voor
   ogen hebben: de verhalen laten ervaren en voelen. Bij de aanbevelingen zal ik
   een aantal tips geven om dit doel ook echt te bereiken.

   Wat mist is het symbolisch verstaan van de verhalen. Een belangrijk doel
   volgens De Vries (1992) dit wordt door de leerkrachten niet als doel
   genoemd, maar wel aan het begin bij de biografie: zij zijn er achter gekomen
   dat niet alles in de bijbel letterlijk moet worden genomen, maar dat heel veel
   dingen symbolisch zijn bedoeld. Door de bijbel al vroeg symbolisch te
   verklaren aan kinderen worden de verhalen later niet op zij gezet als
   fabeltjes. Dit gebeurd als de kinderen er als volwassenen achter komen dat



Marieke van den Broek-student Marnix Academie vierde jaars                      37
Narratief onderzoek basisschool De Fontein- 2007


   de verhalen niet objectief (feitelijk) maar subjectief zijn. Op dat moment
   worden de verhalen afgeschoven als fabeltjes (kuleuven: 2007: www)



Bijbelgetrouwheid
‘het is best mogelijk dat je daarbij behoorlijk afwijkt van de letterlijke tekst
van de Bijbel, maar dat geeft niet, zolang je maar trouw blijft aan de essentiële
betekenis ervan’ (Karel Eykman in: En dat is zeven, 2000: 7)
Wat vindt u van deze uitspraak: ‘bijbelgetrouw betekent met een zekere
vrijmoedigheid de bijbeltekst voor kinderen veranderen en bewerken?’

Deze vraag heb ik opgenomen in mijn onderzoek en in mijn gesprekken met de
leerkrachten. Verassend waren de reacties op deze uitspraak. Sommige
leerkrachten zagen deze uitspraak als een aanvulling op hun eigen woorden en
waren het eens met de uispraak (4 leerkrachten) Sommige leerkrachten hadden
een hele andere definitie van bijbelgetrouwheid opgeschreven die vaak recht
tegenover de uitspraak van Eykman stond (2 leerkrachten) zij vonden het te
gevaarlijk om een tekst uit de bijbel te veranderen en te bewerken of hadden er
een slechte ervaring mee. De meeste leerkrachten (9) waren het gedeeltelijk
eens met de uitspraak. Zij vroegen zich de volgende dingen af:
   - Hoe ver ga je hierin? Waar ligt de grens?
   - De essentie die moet wel blijven
   - Als het maar geen sprookjesboek wordt

Eykman (2000: 7) benoemd deze voorzichtigheid van de leerkrachten ook in zijn
boek. Het is een riskante onderneming dat geef ik toe, want je kunt de plank
daarbij behoorlijk misslaan. Maar wie met de bijbel omgaat kan beter risico’s
nemen dan op safe spelen. Er zijn er die het hoogmoedig vinden om zo met de
bijbel om te gaan, maar ik noem het vrijmoedig. Het is de vrijmoedigheid die ik
iedereen toewens die bijbelverhalen aan kinderen vertelt. De Bijbel is het waard.
(Deurloo, van Dorssen en Eykman, 2000: 7)
Je kunt dus ontzettend veel doen met de bijbelverhalen: actualiseren (naar deze
tijd halen), een monoloog maken, een gedicht maken. Maar daarvoor moet je
openstaan met voor het vrijmoedig omgaan met een bijbeltekst.




Marieke van den Broek-student Marnix Academie vierde jaars                      38
Narratief onderzoek basisschool De Fontein- 2007



Nieuwe werkvormen
Mijn onderzoeksvraag is voortgekomen uit het feit dat de leerkrachten in de
groepen de dagopening een routine vinden geworden en dat ze niet van elkaar
weten hoe iedereen het doet. Zit er wel 1 lijn in?

Ik ben een aantal dagopeningen gaan bekijken in de groepen. Daarbij vielen mij
een aantal punten op:
   - er worden veel kennis vragen gesteld voorafgaand aan het verhaal en na
      afloop van het verhaal
   - er worden ook open vragen gesteld, maar die worden beantwoord met een
      moraliserend antwoord van de leerkracht zelf.
   - De open vragen waren vaak actualiserende vragen maar de stap van het
      verhaal naar de leefwereld van de kinderen was vaak erg groot, met het
      gevolg dat niet veel kinderen hun vinger opstaken.



Daarom ben ik naar een vernieuwende vorm gaan zoeken om de bijbelvertelling
goed bij de kinderen aan te laten komen:

Barbara de Kort (Kroon, 1997: 71) vind het belangrijk om kinderen de ervaring te
laten hebben: er is meer…. Veel leerkrachten van de Fontein noemen dit ook bij
hun doelen die ze met de dagopening willen bereiken: Een verhaal laten ervaren
en voelen (Nicoline) .
Deze ervaring kan bereikt worden door kinderen in contact te brengen met het
grote verhaal. Biedt kinderen de mogelijkheid een relatie aan te gaan met dat
verhaal. Reik ze vaardigheden aan zodat zij verhalen kunnen vertellen of
verbeelden. Zo ontdekken de kinderen: er zijn verbindingen tussen het Grote
verhaal en hun eigen kleine verhalen. Grote verhaal is het Schrift, de kleine
verhalen zijn: levensverhalen van ieder mens. Het levensverhaal maakt zichtbaar
wie je bent.

Ik heb een werkvorm gevonden die hier goed bij aansluit:
Het gaat tenslotte om de eigen ontwikkeling van het kind. Deze wordt positief
gestimuleerd, wanneer ze, langs de weg van een verhaal, hun eigen verhaal leren
begrijpen (hun kleine verhaal) (Bulckens en Roebben, 2001:69)
Ik heb de leerkrachten de vernieuwende werkvorm eerst zelf laten ervaren. Ze
moesten een tekst lezen, het gedeelte dat hen het meest had geraakt tekenen
en daarna een aantal vragen beantwoorden over de tekening. Daarna stelde ik de
vraag: wat vond u van deze manier van omgaan met een bijbeltekst. Bij de
gesprekken merkte ik dat de leerkrachten geraakt werden door de tekst en echt



Marieke van den Broek-student Marnix Academie vierde jaars                    39
Narratief onderzoek basisschool De Fontein- 2007


erover gingen nadenken. Vooral bij de vraag: wat zou jij doen? De reacties op
deze manier van werken waren daarna eigenlijk allemaal positief. De meest
genoemde reacties waren: mooi, diepgaand, zet je aan tot nadenken en origineel.
1 leerkracht had moeite met deze manier van werken omdat het je dwingt om
over jezelf na te denken en je relatie met God. Ik wil deze werkvorm wel graag
aanbevelen (zie aanbevelingen)




Marieke van den Broek-student Marnix Academie vierde jaars                    40
Narratief onderzoek basisschool De Fontein- 2007



Het omgaan met niet of andersgelovigen

De ontkerkelijking van leerlingen (afname van kerkelijkheid en feitelijk
kerkbezoek) is een feit. De ontkerkelijking in Nederland is in 2000 al
toegenomen van 2 procent in 1900 naar 40 procent . En het neemt alleen nog
maar toe
( Bakker, Rigg, 2004: 64)

Bij mijn onderzoek heb ik de leerkrachten de vraag voorgelegd: of er kinderen in
de klas zitten met een ander geloof of niet gelovig? Wat doen de leerkrachten
met deze kinderen? En ik heb ze een stelling voorgelegd over vasthouden aan de
identiteit van de school of loslaten en meegaan met de leerlingpopulatie.

De leerkrachten antwoorden allemaal dat er in hun klas veel leerlingen zitten die
niet naar de kerk gaan en soms niet geloven. Opvallend is dat het grootste aantal
leerkrachten antwoord geen rekening te houden met deze leerlingen. Deze
leerkrachten hebben ook een duidelijke mening over de stelling: ze kiezen
duidelijk voor vasthouden aan het profiel, want, zo zeggen zij, de ouders
hebben zelf voor deze school gekozen of het is onze taak om het geloof over te
brengen.

De leerkrachten die wel rekening houden met deze leerlingen geven een milder
antwoord bij de vraag: vasthouden aan profiel of minimaliseren. Zij willen wel
vasthouden maar zetten daar een maar bij. Deze leerkrachten houden rekening
met de ongelovige kinderen door extra uitleg te geven over een bijbelverhaal,
niet te verwachten dat ze alles weten of stellen deze kinderen geen vragen. Één
leerkracht geloofde vroeger zelf ook niet en begrijpt deze kinderen goed. Zij
stelt aan deze kinderen geen theoretische vragen maar meer vragen over de
manier van leven, nu in deze tijd.

Tussen de formele identiteit van de school en de diverse levensbeschouwelijke
oriëntaties en achtergronden van leerlingen zit een spanningsveld. (houden we
vast gaan we er in mee?) (Bakker, Rigg, 2004) dit merk je ook bij de
leerkrachten van de Fontein. Een meerderheid wil niet meegaan in de
veranderende leerlingpopulatie. Maar er zijn ook een aantal leerkrachten die wel
wat willen veranderen.

Als school is het misschien toch goed om hierover te praten. Vooral omdat de
meningen verschillend zijn. En is het realistisch om vast te blijven houden als de
ontkerkelijking een feit is? Uit mijn observatie en gesprek met een niet-



Marieke van den Broek-student Marnix Academie vierde jaars                       41
Narratief onderzoek basisschool De Fontein- 2007


kerkelijke leerling bleek het volgende: de juf stelde vooral vragen over de
theoretische kant van het bijbelverhaal. Bijvoorbeeld: hoe heette die en die? De
leerling probeert eerst wel te antwoorden, maar haakt al snel af. De houding is
als volgt: hoofd naar beneden en verveeld. Na de vertelling vraag ik hem wat hij
van de vragen voor en na het verhaal vind. Hij antwoord dat hij die liever over wil
slaan, het verhaal alleen vind hij goed genoeg. Deze leerling wordt niet geraakt
van binnen, omdat hij de verhalen niet kent. Op deze manier neemt hij de
verhalen ook niet makkelijk op: ik weet het toch niet dus kan ik net zo goed niet
luisteren. Op deze manier wordt juist het averechtse bereikt.




Marieke van den Broek-student Marnix Academie vierde jaars                       42
Narratief onderzoek basisschool De Fontein- 2007



 Fase 4
Conclusie
Aan het begin van mijn onderzoek heb ik een onderzoeksvraag opgesteld. Deze
wil ik graag terughalen en beantwoorden aan de hand van mijn onderzoek.

De onderzoeksvraag:
Hoe kunnen we als team op de Fontein vanuit onze visie vormgeven aan
bijbelverhalen?

De visie
De visie van de leerkrachten naar aanleiding van een aantal punten is gelijk (ten
aan zien van het vormgeven van bijbelverhalen) :
   - vernieuwende werkvorm: alle leerkrachten staan open voor een
       vernieuwende werkvorm om met bijbelverhalen om te gaan
   - werken met verschillende literaire genres: de leerkrachten willen wel uit
       andere genres vertellen maar weten niet hoe.

En op een aantal punten verschillend:
   - omgaan met kinderen met een andere identiteit: hierin wil de meerderheid
      daar geen rekening mee houden. Maar een aantal leerkrachten wel.
   - De bijbelgetrouwheid: de meerderheid staat open voor de vrijmoedigheid
      om een tekst te veranderen en te bewerken, waardoor er gebruikt kan
      worden gemaakt van verschillende verhaalvormen: zoals de monoloog enz.
      (Deurloo, van Dorssen en Eykman, 2000: 17-28) maar ook een aantal
      leerkrachten hebben hun twijfels of durven het niet goed aan.



Het team van de Fontein kan vanuit hun visie vorm geven aan bijbelverhalen als
zij discussiëren over het omgaan met kinderen met een andere identiteit en de
bijbelgetrouwheid. Wanneer zij daaruit hun conclusies hebben getrokken kunnen
zij vanuit hier een vernieuwende werkvorm hanteren die een beroep doet op het
ervaren en voelen van de bijbelverhalen bij kinderen en kunnen zij werken met
verschillende literaire genres en verhaalvormen. Dit om een rode draad te
krijgen in de hele school. Zij kunnen eventueel beslissen of een andere methode
meer recht doet aan hun visie om uit verschillende genres te vertellen, of
waarbij ze de tijd en ruimte hebben om de vernieuwende werkvorm uit te
proberen. Ook kunnen ze nagaan of de methode die op dit moment gebruikt
wordt overeenkomt met de doelen die ze als team aan een bijbelverhaal stellen.




Marieke van den Broek-student Marnix Academie vierde jaars                      43
Narratief onderzoek basisschool De Fontein- 2007


Ook kunnen zij met elkaar overeenkomen welke werkvormen zij willen gebruiken
na afloop van het bijbelverhaal. Uit het onderzoek bleek dat verwerkingen van
verhalen veel beter blijven hangen bij kinderen (sommige leerkrachten hebben
dat zelfs beschreven in hun levensbeschouwelijke biografie)




Marieke van den Broek-student Marnix Academie vierde jaars                  44
Narratief onderzoek basisschool De Fontein- 2007



Aanbevelingen


Naar aanleiding van het onderzoek en de conclusies doe ik de volgende
aanbevelingen:

Als team:
   - in discussie gaan over het omgaan met kinderen met een andere identiteit
   - in discussie gaan over de bijbelgetrouwheid van een bijbeltekst met als
      doel erachter te komen of er gebruikt gaat worden gemaakt van de
      verschillende vertelvormen (Deurloo, van Dorssen en Eykman, 2000: 17-
      28)
   - beslissen of de methode blijft

In de klas:

   -   De kinderen verhalen te laten ervaren en voelen door de vernieuwende
       werkvorm uit te proberen in de groep. Probeer kinderen in contact te
       brengen met het grote verhaal. Biedt kinderen de mogelijkheid een relatie
       aan te gaan met dat verhaal. Reik ze vaardigheden aan zodat zij verhalen
       kunnen vertellen of verbeelden. Zo ontdekken de kinderen: er zijn
       verbindingen tussen het Grote verhaal en hun eigen kleine verhalen.
       (Kroon, 1997:71) *
   -   Meerdere verhaalvormen hanteren: om 1 lijn te krijgen in de school is het
       goed om naast de na-vertelling andere vertelvormen te hanteren.
   -   Alle vuistregels gebruiken die aan een vertelling worden gesteld.
   -   Ook uit de andere genres vertellen. Daarbij als aanbeveling het boek: met
       open ogen (Eykman, 2007) waarin profetische teksten, prediker, hooglied,
       en spreuken worden verteld door middel van gedichten.
   -   Verschillende werkvormen hanteren na afloop van het verhaal*

Om de leerkrachten hierbij te helpen zijn in de bijlage opgenomen:
  - verschillende verwerkingsvormen (bijlage 5)
  - uitgebreide omschrijving van de door de leerkrachten zelf ervaren
     vernieuwende werkvorm (bijlage 6)




Marieke van den Broek-student Marnix Academie vierde jaars                    45
Narratief onderzoek basisschool De Fontein- 2007



Mijn visie

Om mijn visie op het onderwerp uit te lichten heb ik zelf ook een aantal vragen
uit de vragenlijst beantwoord:

Bijbelverhalen in mijn jeugd
Ik kan mij herinneren dat we toen ik klein was elke dag uit de bijbel lazen. Ik
weet ook dat ik altijd liever uit de kinderbijbel (met mooie platen) wilde horen
dan uit de grote bijbel. Toen ik wat ouder was mocht ik zelf uit de bijbel
voorlezen. Op de basisschool werden de verhalen ’s ochtends verteld. Ik kan me
er niet veel meer van herinneren, alleen dat een juf altijd met haar voet heen en
weer schommelde tijdens het vertellen. Dat maakte indruk op me. Op de
middelbare school werd er wel een dagopening gedaan maar zonder enige
betekenis. Er werd alleen voorgelezen en er werd niks mee gedaan.

Het gevoel
Aan het lezen uit de kinderbijbel heb ik een warm gevoel overgehouden. Aan het
lezen uit andere bijbels heb ik vooral een leeg en kil gevoel overgehouden. Ik
vond het saai en wist niet wat ik er mee moest. Alleen de verhalen over bijbelse
figuren zoals Mozes of Esther.

De invloed hiervan op mijn vertellen nu
Ik weet nog dat het me irriteerde als er op de middelbare school niet gepraat
werd over het verhaal maar dat het gewoon een routine was. Op de Marnix
(PABO) namen leerkrachten vaak inspirerende teksten mee of praten we over
een bijbelgedeelte. Dit vond ik heel fijn. Dit gevoel probeer ik ook over te
brengen op de leerlingen: dat fijne, warme gevoel en over de verhalen praten
vind ik belangrijk.

Bijbelgetrouw
Voor mij is bijbelgetrouwheid precies zoals Karel Eykman het noemt. Ik sta erg
open voor andere verhaalvormen en vind het ook belangrijk om kinderen hiermee
in aanraking te laten komen. Als een andere verhaalvorm kinderen meer kan
raken dan wil ik deze graag gebruiken. Als deze dan afwijkt van de letterlijke
tekst uit de bijbel (waar kinderen misschien in hun dagelijks leven niks mee
kunnen) vind ik dat geen probleem. Zolang de essentie maar over komt op de
kinderen.




Marieke van den Broek-student Marnix Academie vierde jaars                        46
Narratief onderzoek basisschool De Fontein- 2007


Genres
Ik moet toegeven dat ik zelf ook vooral uit de verhalende stof aan kinderen heb
verteld. Simpelweg omdat ik de methode volgde. Na dit onderzoek ben ik hier
anders over gaan denken. Er zijn mogelijkheden om ook uit de andere genres te
vertellen. Deze wil ik in de toekomst ook uitproberen.

Wat vind ik belangrijk aan een dagopening?
   -   dat we samen zijn, samen beginnen
   -   een gedeelte van de dag om samen over dingen na te denken
   -   respect voor elkaars mening hebben tijdens de gesprekken
   -   dat de kinderen geraakt worden door het verhaal

Wat wil ik de kinderen meegeven
   -   de symboliek van het verhaal
   -   wat ze er mee kunnen in het dagelijks leven

Kinderen met een andere identiteit
In mijn klas zitten een aantal kinderen die niet naar de kerk gaan. 1 jongetje is
niet-gelovig opgevoed en is heel erg bezig met de verhalen. Ik praat met de
kinderen vaak over de gevoelens van de bijbelse figuren en hoe het eruit zou
hebben gezien. Ik merk dat juist ook de kinderen die niet geloven heel erg
betrokken zijn. Ook vind ik het belangrijk niet het christelijke geloof neer te
zetten als de waarheid. Ik sta open voor opmerkingen of vragen van leerlingen
die een andere identiteit hebben. Toch vind ik het wel belangrijk de verhalen te
blijven vertellen als christelijke school. Je hebt niet voor niets deze identiteit.
Maar juist door de verhalen niet af te doen als een geschiedenisverslag maar de
kinderen de verhalen te laten ervaren en voelen raak je ook de kinderen zonder
een christelijke identiteit.

Ik vind dan ook dat de school zijn identiteit mag behouden, maar er niet
hardnekkig aan vast houdt. Als leerkracht wil ik de kinderen raken, alle kinderen,
niet alleen de kinderen die wel geloven. Ook wil ik de kinderen meegeven dat er
nog andere geloven zijn en ze er meer over te weten laten komen. Dit met het
oog op respect voor andere culturen en geloven.




Marieke van den Broek-student Marnix Academie vierde jaars                        47
Narratief onderzoek basisschool De Fontein- 2007


Wat heb ik geleerd van dit onderzoek
Heel erg veel. Vooral van de literatuur. Ik ben daardoor op een andere manier
tegen de dagopening gaan aankijken. Ook de observaties waren voor mij een eye-
opener. Ook omdat ik het zelf vaak niet anders deed. Het boek en dat is zeven
ben ik met een hele andere blik gaan lezen. In het eerste jaar moesten we dit
boek doornemen en had ik er niet zo veel aan. Nu nam dit boek een belangrijke
plaats aan in mijn onderzoek. De schrijver (Eykman) heeft een hele verassende
en open blik op bijbelverhalen vertellen aan kinderen waar ik het zeker mee eens
ben. Ik besef me door het maken van dit onderzoek dat er steeds meer niet-
kerkelijke kinderen op christelijke scholen zitten. En ik besef me ook (door het
lezen van het boek de persoon van de leerkracht) dat het voor een school een
proces is om tussen de identiteit van de school en de leerlingdiversiteit een weg
te vinden. Het belangrijkste wat ik heb geleerd voor mijn eigen leerproces is dat
het belangrijk is dat kinderen de verhalen ervaren en voelen en dat zij
meekrijgen dat de bijbel een levende geschiedenis en toekomst is en niet een
saai geschiedenisverslag. Ik gebruik dit nu al in mijn lessen door over de
gevoelens van de bijbelfiguren en de uitdrukkingen op hun gezichten te praten.
De betekenis van een verhaal uitleggen zodat de kinderen later de verhalen niet
afdoen als fabeltjes vind ik ook een heel belangrijk punt. Toen besefte ik dat dit
een belangrijke taak van een leerkracht is. Jij legt de basis voor de identiteit
van een kind.

Ik heb mij zelf ook ontwikkeld in het maken van een narratief onderzoek. Met
deze manier van onderzoek doen was ik nog niet bekend. Ik vond het een hele
mooie, diepgaande manier. Maar ook een hele persoonlijke manier, wat ik soms als
moeilijk ervoer. Ik vond het heel interessant om naar de verhalen van mensen te
luisteren en deze met elkaar te vergelijken. Sommige leerkrachten hebben mij
met hun verhalen zelfs geïnspireerd.

Ik heb geoefend in het spreken met leerkrachten op een heel persoonlijke wijze
en ik heb door middel van mijn onderzoek een inzicht in het team gekregen. Soms
was dat verassend andere keren heel voorspelbaar. Je leert op deze manier de
leerkrachten goed kennen en respect op te brengen voor hun visies.

De maatschappelijke opdracht van de school en leerkracht
Ik denk dat het belangrijk is voor de Fontein om in gesprek te gaan over het
onderwerp: kinderen met een andere identiteit. De maatschappij verandert en de
kinderen veranderen mee. De tijd blijft niet stil staan en er komen steeds meer
kinderen op school die niet meer geloven ook al ben je een christelijke school.
We leven ook in een multi-culturele samenleving die steeds verder groeit. Recht




Marieke van den Broek-student Marnix Academie vierde jaars                      48
Narratief onderzoek basisschool De Fontein- 2007


doen aan kinderen die niet geloven en recht doen aan andere geloven is dan heel
belangrijk om kinderen voor te bereiden op de maatschappij: de realiteit.




Marieke van den Broek-student Marnix Academie vierde jaars                    49
Narratief onderzoek basisschool De Fontein- 2007



Bijlagen


Bijlage 1: vragenlijst leerkrachten

Deze subvragen wil ik beantwoord krijgen door in gesprek te gaan met de
leerkrachten of hen een open vragenlijst in te laten vullen.

- Voelen de leerkrachten zich prettig bij hun manier van omgaan met de bijbel op
dit moment?

- Welke plek hebben bijbelverhalen in de biografie van de leerkrachten op de
Fontein? (hoe hebben ze de bijbelverhalen leren kennen, hoe gaan ze daar nu
mee om? Willen ze het zo ook overbrengen op de kinderen)

- Hoe zouden de leerkrachten het willen? (wat willen ze de kinderen meegeven?)

- Wat doen we met kinderen die niet geloven of anders geloven?

- Wat vinden de leerkrachten belangrijk? Kennisoverdracht? Enz.

De volgende vragenlijst heb ik opgesteld, in de vragenlijst zijn alleen open vragen
opgenomen. Ook is er bij de vragen ruimte voor nieuwe vragen die misschien
tijdens de gesprekken naar boven zullen komen. Ik zal naar voorbeelden,
situatieschetsen vragen tijdens het gesprek zodat ik een duidelijk beeld krijg
van de verhalen van de leerkrachten. De vragen doen een beroep op hoofd, hart
en handen. De werkvormen zijn speels en diepgaand. (Marnix Academie: ppt
narrativiteit)




Marieke van den Broek-student Marnix Academie vierde jaars                      50
Narratief onderzoek basisschool De Fontein- 2007


1. Hoe zijn bijbelverhalen in uw jeugd aan u verteld? (graag een beeld schetsen
van hoe dit thuis gebeurde: waar? Hoe vaak? Op welke manier?)

2. Wat voor gevoel had/kreeg u daarbij?
3. Heeft dit invloed gehad op de manier waarop u nu tegen de bijbel/het geloof
aankijkt?
4. Is dit in de loop der jaren veranderd? Op welke manier? (geef een voorbeeld)
5. Heeft de manier waarop u bent opgegroeid met de bijbel invloed op de manier
waarop u op dit moment kinderen vertelt uit de bijbel?
6. Wat is voor u bijbelgetrouw?
7. ‘het is best mogelijk dat je daarbij behoorlijk afwijkt van de letterlijke tekst
van de Bijbel, maar dat geeft niet, zolang je maar trouw blijft aan de essentiële
betekenis ervan’ (Karel Eykman in: En dat is zeven, 2000: 7)
Wat vindt u van deze uitspraak: ‘bijbelgetrouw betekent met een zekere
vrijmoedigheid de bijbeltekst voor kinderen veranderen en bewerken?’
8. Streep weg: welke literaire genres heeft u nog nooit of weinig gebruikt in de
dagopening:

Verhalende stof/wetsteksten/profetische
teksten/visioenen/spreuken/gedichten/brieven/wijsheidsteksten
9. Kan er volgens u uit de ontbrekende genres (waaruit u nog nooit verteld heeft)
wel of niet worden verteld aan kinderen en waarom?
10. Lees deze tekst:

Genesis 27
1 Toen  Isaak oud geworden was en zijn ogen zo zwak waren geworden dat hij niet meer kon zien, riep hij Esau bij zich,
zijn oudste zoon. ‘Mijn zoon,’ zei hij. ‘Wat wilt u mij zeggen?’ vroeg Esau. 2 Toen zei Isaak: ‘Luister, ik ben oud,
iedere dag kan voor mij de laatste zijn. 3 Neem daarom je jachtgerei, je pijlkoker en je boog, ga het veld in en schiet
een stuk wild voor me. 4 Maak dat voor me klaar zoals ik het lekker vind en breng me dat te eten; het zal mij de kracht
geven om je te zegenen voordat ik sterf.’
    5 Rebekka had gehoord wat Isaak tegen zijn zoon Esau zei, en nadat Esau erop uit was getrokken om een stuk wild
voor zijn vader te schieten, 6 zei ze tegen haar zoon Jakob: ‘Luister, ik hoorde je vader tegen je broer zeggen: 7 “Maak
een lekker maal van wildbraad voor me klaar en breng me dat te eten, want ik wil je voor mijn dood zegenen met de
H E E R als getuige.” 8 Doe jij nu precies wat ik je zeg, mijn zoon. 9 Ga naar de kudde en zoek twee malse bokjes voor
me uit. Die maak ik dan voor je vader klaar zoals hij het lekker vindt. 10 Daarna breng jij ze je vader te eten, en dan
zal hij jou voor zijn dood zegenen.’ 11 Jakob wierp tegen: ‘Maar Esau is toch helemaal behaard, terwijl ik juist een
gladde huid heb! 12 Misschien raakt vader me aan, dan zal hij me een bedrieger vinden en breng ik een vloek over me
in plaats van zegen.’ 13 Maar zijn moeder zei: ‘Die vloek moet mij dan maar treffen, mijn zoon. Doe nu wat ik zeg en
ga die bokjes voor me halen.’ 14 Dus ging hij ze halen en bracht ze naar zijn moeder, en zij maakte ze klaar zoals zijn
vader het lekker vond. 15 Toen pakte Rebekka kleren van haar oudste zoon Esau, de kostbaarste die ze kon vinden, en
die liet ze haar jongste zoon Jakob aantrekken. 16 En over zijn handen en over zijn gladde hals trok ze het vel van de
bokjes. 17 Hierna overhandigde ze Jakob het smakelijke gerecht dat ze had klaargemaakt, met brood erbij.
18 Zo ging hij naar zijn vader. ‘Vader,’ zei hij. ‘Ja, mijn zoon,’ zei Isaak, ‘wie ben je?’ 19 Jakob antwoordde zijn vader:
‘Ik ben Esau, uw eerstgeboren zoon. Ik heb gedaan wat u me hebt gevraagd. Kom, ga overeind zitten en eet van wat ik
heb geschoten; dat zal u de kracht geven om mij te zegenen.’ 20 ‘Hoe heb je zo snel iets kunnen vinden, mijn zoon!’ zei
Isaak. En hij antwoordde: ‘Doordat de H E E R , uw God, alles zo gunstig voor me liet verlopen.’ 21 Toen zei Isaak tegen
Jakob: ‘Kom eens wat dichterbij, mijn zoon, zodat ik kan voelen of je inderdaad mijn zoon Esau bent of niet.’ 22 Jakob
kwam dichter bij zijn vader staan en deze betastte hem. Het is Jakobs stem, dacht hij, maar het zijn Esaus handen.
23 Omdat Jakobs handen even behaard waren als die van zijn broer Esau, herkende Isaak hem niet en dus zegende hij
hem. 24 ‘Ben je echt mijn zoon Esau?’ vroeg hij nog. ‘Ja,’ antwoordde Jakob.



Marieke van den Broek-student Marnix Academie vierde jaars                                                             51
Narratief onderzoek basisschool De Fontein- 2007




Teken hier: hoe je je erbij voelt: wat voor gevoel krijg je bij deze tekst?
11. Wat vind u van deze manier van omgaan met een bijbeltekst?
12. Wat wilt u de kinderen meegeven als u een tekst vertelt?
13. Welke doelen heeft u met de dagopening? (Wat vindt u belangrijk aan een
dagopening?)
14. Zitten er in uw klas kinderen die niet geloven anders geloven?
15. Op welke manier houdt u daar rekening mee tijdens de dagopening?
16. Wat vindt u? (met het oog op steeds meer niet-gelovige of andersgelovige
kinderen op school) :
    - De school moet vasthouden aan zijn (christelijke) profiel
    - De levensbeschouwing moet geminimaliseerd worden
    - Anders………

Leg uit!




Marieke van den Broek-student Marnix Academie vierde jaars                     52
Narratief onderzoek basisschool De Fontein- 2007



Bijlage 2: observatie bijbelverhalen

Om de subvraag: ‘hoe word er op dit moment vorm gegeven aan bijbelverhalen’ te
beantwoorden ben ik in de verschillende bouwen gaan kijken naar dagopeningen.
Vooraf heb ik de leerkrachten een mail gestuurd bij wie ik zou mogen kijken.
Helaas had ik alleen op de donderdag en de vrijdag de mogelijkheid om een
vertelling te bekijken. Op de vrijdag wordt er altijd op een andere manier
vertelt: weeksluiting, toneelstukje. Na elke vertelling heb ik ook een aantal
kinderen gevraagd wat zij er van vonden. De eerste dagopening heb ik bekeken in
groep 5 op donderdagochtend 11 oktober.



Groep 5
Donderdagochtend 11 oktober

De kinderen komen binnen en gaan in de kring zitten. Als alle kinderen zitten
begint de juf met de volgende vragen (meteen starten van het bijbelgedeelte,
niet de kinderen laten vertellen)
   - ‘Waar zal het verhaal van vandaag over gaan?’
   - ‘Wat voor belangrijks gaat er gebeuren?’
   - Een kind zegt: ‘baby’
   - ‘Wie krijgt er een baby?’
   - ‘Maria’ (dit antwoord wordt gegeven door een niet religieus opgevoed kind)
   - Sommige kinderen lachen
   - De juf straft dit onmiddellijk af.
   - ‘Nee niet Maria wie kan hem helpen?’
   - ‘Sara’
   - ‘Heel goed!’

Dan vertelt de juf het verhaal over Abraham en Sara die een baby krijgen. Ze
vertelt het verhaal met aandacht voor de gevoelens van Abraham: ‘het is
spannend’ ‘hij kan niet meer wachten’ De verhaalvorm die hier wordt gebruikt is
de na-vertelling (Eykman, 2001: 18) er wordt meegekeken met iemand (Abraham)
van binnen de tekst. Aan welke vuistregels voldoet de juf wel en aan welke niet?
De juf voldoet aan de vuistregels: verhalend vertellen, niet-historiserend
vertellen, uitdagend vertellen, open vertellen (dat blijkt bijvoorbeeld uit de
opmerking: wat is besnijden) De volgende vuistregels ontbreken in de vertelling:
exegetisch vertellen, persoonlijk vertellen, niet-moraliserend vertellen.




Marieke van den Broek-student Marnix Academie vierde jaars                    53
Narratief onderzoek basisschool De Fontein- 2007


Tijdens het verhaal stelt de juf ze ook vragen: wie weet hoe die zoon heet? En
ze legt theoretische moeilijkheden tijdens de vertelling uit: in die tijd was het
gebruikelijk dat de vader en moeder 7 dagen bij hun kind bleven en daarna werd
het besneden, na de besnijdenis was er altijd een feest. (uitleg van historische
feiten dit heeft kenmerken van een raamvertelling)

Na afloop van het verhaal: steken veel kinderen hun vinger op: ze beginnen
vanzelf vragen te stellen en te vertellen. Dit komt door de open vertel manier.
De juf laat 1 kind aan het woord en stelt daarna haar eigen vragen uit de
methode kind op maandag. (ze laat dus niet de ruimte om de kinderen echt vanuit
henzelf te laten nadenken over het verhaal) Dit zijn vooral vragen over de
tekst:
   - hoe heette het andere kind van Abraham?
   - De naam Izaaak wat betekent dat?

Tussendoor vraagt een kind: wat bedoel je met besneden? Nadat ze de vraag
gesteld heeft geeft ze zelf al het antwoord: een stukje van het piemeltje
afsnijden. De juf zegt: ja dat klopt.

Na deze kennisvragen stelt de juf een open vraag: passen jullie namen bij jezelf?
Wie weet wat zijn naam betekent? Deze vraag is een actualiserende vraag (de
stof uit de tekst wordt naar deze tijd gehaald)

Gebed: kringgebed: kinderen bidden of danken God in een kringgebed.
Na het gebed heeft de juf het er met de kinderen over wat eerbiedig nou
eigenlijk is.

Gesprek met 4 kinderen na het bijbelverhaal:

Lisanne, Jelle, Thijmen en Janne

   1. Waar ging het verhaal over?
De kinderen zijn het eigenlijk alweer een beetje vergeten. ‘Oh ja over een baby’
Ik moet heel erg doorvragen om het verhaal terug te halen bij de kinderen.
Thijmen zegt: ‘die namen onthoud ik nooit’ ( hij is ook de jongen die Maria zei in
plaats van Sara)



   2. Wat vond je het belangrijkste in het verhaal?

‘Dat er een baby werd geboren’ vinden ze allemaal.



Marieke van den Broek-student Marnix Academie vierde jaars                       54
Narratief onderzoek basisschool De Fontein- 2007



   3. Over wie ging het verhaal?

Over Ismael en over Izaaak

   4. Heb je daar wel eens vaker verhalen over gehoord?

Ja elk jaar horen we deze verhalen over Abraham

   5. Wat doe je met dit verhaal?

Thijmen: ‘Ik vergeet het verhaal meteen weer. Soms vind ik dat best vervelend:
vooral als de juf vragen over het verhaal stelt’

De andere kinderen vergeten het ook snel weer.

   6. Wat vind je van deze manier?
Lisanne en Janne vinden de vragen altijd heel leuk. Jelle en Thijmen vinden de
vragen niet leuk omdat ze er vaak geen antwoord op kunnen geven. Zij vinden het
verhaal zelf goed genoeg (zonder vragen)

Thijmen is niet gelovig: tijdens het bijbelverhaal en de vragen zat hij steeds met
zijn hoofd naar beneden: hij vind de vragen maar niks omdat hij er geen
antwoord op weet.




Marieke van den Broek-student Marnix Academie vierde jaars                      55
Narratief onderzoek basisschool De Fontein- 2007


Weeksluiting
Groep 5 t/m 8
vrijdag 12 oktober 2007
Groep 8

Kinderen uit 1 groep organiseren met elkaar de weeksluiting. De volgende opbouw
wordt door alle groepen gevolgd:

   -   Welkom door 2 kinderen
   -   1 kind uit de groep steekt de kaars aan
   -   Lied van de week wordt gezongen: ‘heer u kent mij als geen ander’
   -   Toneelstukje door 4 kinderen: 1 kind plakt kauwgom onder de stoel en
       loopt weg: steeds komt er een ander kind op de stoel zitten neemt de
       kauwgom onder de stoel vandaan en kauwt erop. (thema: lachen) dit is een
       vorm van actualiseren. Het thema is naar deze tijd vertaald. Maar het is
       ook een sleutelverhaal: de thematiek van het verhaal wordt uitgebeeld in
       een themaverhaal.
   -   Gebed: over lachen
   -   Zingen: amen, amen
   -   Er is even aandacht voor groep 8: zij hebben gewonnen met korfbal

Vragen aan de kinderen na afloop van de weeksluiting
( 2 leerlingen uit groep 6 en 2 leerlingen uit groep 7)

   1. Doen jullie dit elke week?

Ja en altijd op deze manier. Iedere week een andere groep.



   2. Wat vind je van deze manier om naar de bijbel te luisteren?

Heel erg leuk, het is eens wat anders, leuk om naar te luisteren

   3. Wat leer je hiervan?

Dat kauwgom van iemand anders opeten niet fris is. Jongen uit groep 7 zegt: ‘hoe
je mensen aan het lachen kan maken’ (dat is het thema van deze week) aan de
gezichten van de andere kinderen is te zien dat zij het verhaal niet op die manier
hebben bekeken.

   4. Waarom zouden we dit op deze manier doen?



Marieke van den Broek-student Marnix Academie vierde jaars                     56
Narratief onderzoek basisschool De Fontein- 2007



‘Om samen te zijn’ ‘Misschien omdat kinderen uit een groep het niet meer zo leuk
vonden in de kring’




Marieke van den Broek-student Marnix Academie vierde jaars                    57
Narratief onderzoek basisschool De Fontein- 2007


Groep 4
18-10-2007

De juf zingt: ‘goedemorgen allemaal’ ‘fijn dat jullie er weer zijn’

De kaars wordt aangestoken

Er volgt een gebed. ( door de juf)

Voorafgaand aan het bijbelverhaal worden er kennis vragen gesteld: wat heb ik
dinsdag verteld? Over wie ging dat?

De overgang is als volgt: vandaag gaan we verder met dit verhaal maar is
Abraham een stukje ouder geworden.

De vertelling: de juf vertelt het verhaal op een hele uitdagende manier. Ze
gebruikt veel stemverheffingen, dialogen en gebruikt non-verbale communicatie
(gebaren) Het verhaal wordt verteld als na-vertelling en er wordt meegekeken
met iemand buiten de tekst (alsof diegene naar de gebeurtenis kijkt en het
verteld aan het publiek) De juf maakt gebruik van de volgende vuistregels:
persoonlijk, open, uitdagend, verhalend vertellen. Wat ontbreekt is het:
exegetisch vertellen, niet-moraliserend en niet-historiserend vertellen.

Na het verhaal vraagt de juf aan een kind: ‘zou jij zomaar weggaan van huis?’ dit
is een open vraag met ruimte voor nadenken. Maar voordat het kind wat kan
antwoorden geeft de juf zelf een moraliserend antwoord. Verder geen kinderen
aan de beurt.

Een jongen zegt tegen de juf: ‘u kan goed vertellen zeg!’ (hij had waarschijnlijk
door dat ik zat te kijken en wilde een goed woordje doen voor zijn juf)

We zingen liedjes.

4 kinderen (gesprekje na de bijbelvertelling)

Waar ging het verhaal over?

De kinderen kunnen het allemaal heel goed na vertellen

Wat was het belangrijkste in het verhaal?
De opdracht van Abraham aan Elieezer.



Marieke van den Broek-student Marnix Academie vierde jaars                          58
Narratief onderzoek basisschool De Fontein- 2007



Over wie ging het verhaal?
Dit vinden ze lastig. R. zegt: Rebekka. S. zegt Elieezer want die kwam het
meeste in het verhaal voor.

Denk je nog verder over dit verhaal na?
Nee niet echt. Een kind zegt nog wel: ik zou nooit van papa en mama weggaan.
(zij heeft er dus wel over nagedacht: ze is geraakt door dat gedeelte)




Marieke van den Broek-student Marnix Academie vierde jaars                     59
Narratief onderzoek basisschool De Fontein- 2007



Groep ½
19 oktober 2007

De kaars wordt aangestoken

De kinderen en de juf zingen een gebed.

Juf vraagt: wie weet nog wat elieezer ging doen? Waar ging hij een vrouw
zoeken? Hoe wist elieeezer dat het een goed meisje was? (dit zijn kennis-
vragen)

De kinderen weten de antwoorden op de vragen goed.

Daarna gaan 2 kinderen het verhaal uitspelen: een meisje: Rebekka een jongen:
Elieezer. De juf moet ze erg helpen met het uitspelen: water uit de put halen,
wilt u wat water? Dank u wel, moet ik nog wat water aan je kamelen geven?
Graag? Mag ik met je mee naar huis? Kamelen mee. (juf heeft al deze zinnen
voorgezegd)

Daarna actualiseert de juf het verhaal: ‘Kon Rebekka naar moeder bellen toen ze
aangekomen was?’ ‘Kwam er een vrachtauto toen ze mee ging?’ Deze stap is voor
kleuters erg groot (de juf haalt de actualisatie naar het verhaal uit de historie)

Daarna vraagt de juf: ‘Zou jij willen meegaan?’ Ook deze juf geeft zelf het
(moraliserende antwoord)

Lied: ik roep je. (Elly en Rikkert)




Marieke van den Broek-student Marnix Academie vierde jaars                       60
Narratief onderzoek basisschool De Fontein- 2007



Bijlage 3: literatuuronderzoek

Bijbelverhalen vertellen: een vak apart.

Voor mijn onderzoek ben ik op zoek gegaan naar relevante theorie. In de eerste
plaats leek het alsof er niet veel over mijn onderwerp was geschreven. Maar toen
ik dieper en verder ging zoeken bleek dat er ontzettend veel goede en relevante
theorie bij mijn onderzoek te vinden was. Ook bleek dat heel veel scholen met de
vragen die ik in mijn onderzoek aan de orde stel te kampen hebben. Vooral het
boek ‘en dat is zeven’ en het boek ‘kleuren van een toekomst’ (dat tot mijn
verbazing, maar ook blijdschap, bij de gratis boeken op de Marnix Academie lag!)
hebben mij veel inzicht gegeven in de actualiteit van mijn onderwerp. Vaak
werden er ook literatuurverwijzingen gedaan in mijn boeken naar een ander boek
dat ik gebruikte voor mijn onderzoek. Ik heb op deze manier veel linken kunnen
leggen in de theorie.




Marieke van den Broek-student Marnix Academie vierde jaars                   61
Narratief onderzoek basisschool De Fontein- 2007


Bijbelgetrouw zijn.
Bij geloofopvoeding gaat het nooit in de eerste plaats om het bijbrengen van
bijbelkennis. Het gaat om het bijbrengen van Godskennis. Het binnenvoeren van
een intieme omgang met God. Er zit aan Godsdienst zeker ook een
kenniscomponent, maar die komt pas in beeld wanneer ik eerst door God geraakt
ben. Dan wil ik meer van Hem weten. * (Nico ter Linden in Kleuren van een
toekomst, 1997)

De bijbelgetrouwheid van een vertelling: Wat is eigenlijk bijbelgetrouw en
wanneer ben je bijbelgetrouw? Bijbelgetrouw betekent in ieder geval niet dat je
een doorgeefluik bent van teksten. (Eykman, Deurloo en van Dorssen 2001: 7) Je
mag juist behoorlijk afwijken van de tekst: zolang je maar trouw blijft aan de
betekenis ervan.
Kennis van de bijbel is mooi meegenomen maar biedt geen handvat om de
betekenis van bijbelteksten te leren verstaan. De bijbel is een literair boek:
onder de tekst zit een betekenislaag.

‘Vertellen en melden van een gebeurtenis is iets anders’ (ter Linden, 1997)
Deze uitspraak laat zien dat een vertelling niet een opsomming is van een aantal
gebeurtenissen maar dat er altijd een betekenis onder zit. Dat was de bedoeling
van de schrijvers van de bijbelverhalen:
De mensen in de bijbel hebben beelden en beschrijvingen van situaties
opgenomen om hun gevoel hun visie uit te drukken.
Ze willen mensen wakker schudden, reactie losweken en uitdagen tot
tegenspraak. (jufleonie, 2007:www)




Marieke van den Broek-student Marnix Academie vierde jaars                    62
Narratief onderzoek basisschool De Fontein- 2007



Vertellen van bijbelverhalen.
Verhalen uit de bijbel zijn geen nieuwsberichten. Ze hebben een eigen taalveld
en een literaire compositie. Goede vertellers houden rekening met de symboliek
in het bijbelse verhaal, met de literaire vorm ervan. Met de bedoelingen van de
schrijver, met de tijd waarin het werd geschreven en zij weten ook iets af van
de lezers tot wie de schrijver van het verhaal zich destijds richtte. (Kroon,
1997: 24)

Als verteller van bijbelverhalen moet je tweetalig zijn:
   1. thuis zijn in het taalveld van de bijbel
   2. in staat zijn om in gewone, dagelijkse taal over het mysterie te spreken.

Als je als leerkracht niet tweetalig bent komt een kind voor de volgende keuze
te staan: doorgaan met denken of doorgaan met geloven. ( ter Linden, 1997: 65)
Als leerkracht wil je dit niet in de hand werken. Maar hoe moet het dan wel?

Een verteller is een brug tussen het verleden en nu: tussen de tekst en de
luisteraar. Hij moet proberen om teksten uit een ver verleden zo onder woorden
te brengen dat ze nu, in deze tijd iets betekenen. (Eykman, Deurloo en van
Dorssen, 2001)
De verteller moet weten wat er per leeftijdsfase in de kinderen omgaat (zie
ontwikkelingsfases) zodat hij kan aansluiten bij de leef en belevingswereld van
de kinderen. Belangrijk om bijvoorbeeld voor ogen te houden is dat jonge
kinderen een sprookje en een bijbelverhaal niet kunnen onderscheiden (de Vries,
1992) Het is nuttig om jonge kinderen over personen uit de bijbel te vertellen,
op die manier ontdekken ze samenhang in de verhalen en ontmoeten ze echte
mensen die ergens geleefd hebben (de Vries, 1992) Op latere leeftijd kun je
meer aandacht besteden aan de cognitieve kennis. De kinderen kunnen
bijvoorbeeld zelf de teksten in handen krijgen , ze lezen ze en analyseren ze op
vorm en woordbetekenis. (Kroon, 1997)

Het hervertellen (opnieuw vertellen) van bijbelteksten begint met het zoeken
naar de betekenis in het verhaal: de exegese.
Het zijn teksten met een dubbele, soms net een drie of vierdubbele bodem, met
een bedoeling. (Eykman, Deurloo en van Dorssen, 2001: 30)
Belangrijk is dat kinderen de diepere betekenis met hun hart intuïtief religieus
aanvoelen. (Bulckens, Roebben, 2001:230)




Marieke van den Broek-student Marnix Academie vierde jaars                        63
Narratief onderzoek basisschool De Fontein- 2007


 Ook moet de vorm van de vertelling moet dienstbaar zijn aan de inhoud. De
inhoud moet zo goed mogelijk tot zijn recht komen door de vorm. (Eykman,
Deurloo en van Dorssen, 2001)
In het boek ‘en dat is zeven’ (Eykman, Deurloo en van Dorssen, 2001) worden
verschillende vormen om bijbelverhalen te vertellen genoemd.
En dat is zeven
   8. de navertelling:
   - accent leggen op 1 of meerdere delen uit een tekst
   - weglaten of omvormen van een of meerdere delen uit de tekst
   - focalisatie: meekijken met iemand van binnen of buiten de tekst
   9. de terugblik
   - terugblik op de gebeurtenissen, die in de tekst worden beschreven vanuit
   een andere context dan die van de tekst.
   10. de raamvertelling
   - tekst plaatsen in een historische context
   - historische aanwijzingen uitbouwen tot een raam
   - een raam maken met behulp van de eigen fantasie
   11. de monoloog
   - 1 van de personen uit de tekst vertelt het verhaal vanuit de ik-vorm en
       reflecteert
   12. de poëzie (Karel Eykman)
   - poëtische stof verwerken tot poëzie voor kinderen
   - niet-verhalende stof bewerken tot poëzie voor kinderen
   - verhalende stof bewerken tot poëzie voor kinderen
   13. actualisatie (bovenbouw)
   - bijbelse beelden afwisselen met eigentijdse beelden
   - alle bijbelse beelden omzetten in eigentijdse beelden
   14. sleutel of spiegelverhaal
   - vrij verhaal dat de loop van de bijbeltekst op de voet volgt (Nico ter
       Linden geen voorstander van)
   - themaverhaal of verhaal vooraf waarin de thematiek van de bijbeltekst
       wordt uitgewerkt (Nico ter Linden wel een voorstander van)
   (Eykman, Deurloo en van Dorssen, 2001: 17-28)



zeven vuistregels bij het vertellen van verhalen aan kinderen:
   8. verhalend vertellen: vertellen in verhaalvorm
   9. exegetisch vertellen: kinderen hebben er recht op iets van de betekenis
      mee te krijgen




Marieke van den Broek-student Marnix Academie vierde jaars                      64
Narratief onderzoek basisschool De Fontein- 2007


   10. niet-historiserend vertellen: actualiteit en betrokkenheid op de gang van
       zaken van vandaag horen thuis in bijbelverhalen voor kinderen. De bijbel is
       een levende steeds terugkerende geschiedenis.
   11. niet-moraliserend vertellen: het is een kunst om bijbelverhalen niet te
       vereenvoudigen tot een verhaal met een moraal. Er moet ruimte blijven
       zodat de luisteraar iets kan toevoegen (van zichzelf)
   12. open vertellen: de vertelling mag de fantasie prikkelen en de creativiteit
       bevorderen, er mogen open plekken (onduidelijkheden) in het verhaal
       zitten, waarmee het kind zelf verder kan.
   13. persoonlijk vertellen: in het verhaal klinkt door wat een auteur, verteller
       zelf heeft geraakt.
   14. uitdagend vertellen: De bijbel is geen loodzware kost maar spreekt aan tot
       de verbeelding en daagt uit tot lieven, lachen en leven. (Eykman, Deurloo
       en van Dorssen , 2001: 30-32)



Didactische aanwijzingen om een verhaal te vertellen zijn:
Zoek in de kring naar een juiste opstelling waarin de kinderen zich veilig voelen.
Laat de kinderen eerst over hun eigen ervaringen vertellen (over het weekend)
dit geeft rust en op deze manier kunnen de kinderen zich volledig richten op de
vertelling (de Vries. 1992)

Verteltips:
   - bewegen met het verhaal mee
   - 2 stoelen: jakob en esau: steeds op andere stoel zitten en vertellen. (de
      Vries, 1992)




Je hebt 2 manieren om te vertellen:
   1. als verteller een verhaal vertellen (je staat er boven)
   2. Vanuit een rol een verhaal vertellen: dan moet je rekening houden met de
      volgende factoren:
   - fysieke factoren: hoe zag de persoon er uit?
   - Maatschappelijk: hoe stond de persoon in de maatschappij?
   - Karakter
   - Doel en belevingsfactoren

De verbeelding: het vormgeven van een verhaal of een thema. Op een creatieve
wijze gebruik maken van werkvormen.




Marieke van den Broek-student Marnix Academie vierde jaars                       65
Narratief onderzoek basisschool De Fontein- 2007


Culturele werkvormen:
   1. beeldende kunsten
   2. drama en theater
   3. dans, beweging en spel
   4. literatuur en poezie
   5. muziek en zang
   6. audiovisuele middelen

Kinderen kunnen op deze manier de verhalen beleven door creativiteit en spel.
(Wikkers, Mesch: 1994)



3 fases in het vertellen
1. verkennen: aanknopingspunten zoeken
2. verdiepen en confronteren
3. verwerken en integreren (verwerken, verankeren, integreren in groep,
individuele orientatie) (Maes, 2005:www)




Marieke van den Broek-student Marnix Academie vierde jaars                      66
Narratief onderzoek basisschool De Fontein- 2007


Doelen van bijbelvertellingen
Het vertellen brengt jong en oud bijeen en het verbindt de eerdere dingen met
nu en later.
( Tom Kroon in Kleuren van een toekomst, 1997)

Je kunt verschillende doelen hebben om kinderen te vertellen uit de bijbel:
   1. Je wilt de kinderen kennis laten maken met God
   2. de bijbel gaat over vragen (levensvragen)
   3. bijbelverhalen maken deel uit van onze cultuur, je vindt ze terug in de
      literatuur en in de kunst (Eykman, Deurloo en van Dorssen, 2001)

   4. Je wilt kinderen mogelijkheden bieden tot een symbolisch begrijpen van
      de verhalen (de Vries, 1992)

   5. Elke vertelling moet als doel hebben dat de leerling zich er in kan
      herkennen: de verhalen worden metgezellen op levensreis. (Kroon, 1997)

   6. vergroten van de wereld van kinderen
   7. maken dat je dingen meebeleeft (kruipen in huid personage)
   8. stimuleren fantasie en verbeeldingskracht
   9. spiegelfunctie (meer in de bovenbouw)
   10. kunnen een toegangspoort zijn tot een origineel en vernieuwend denken
   11. symbolisch: waar draait het leven om
   12. maken dat je elkaar beter leert kennen: door samen te luisteren en erover
       te praten (kuleuven, 2007: www)

   13. kinderen binnenvoeren in de intieme omgang met God.(ter Linden, 1997)

   14. verhalen moeten kinderen helpen hun eigen (levens) verhaal te vertellen
       (Bulckens en Roebben, 2001:163)




Marieke van den Broek-student Marnix Academie vierde jaars                       67
Narratief onderzoek basisschool De Fontein- 2007




   Redenen om een bijbelverhaal te vertellen

- de bijbel is een boek waarin mensen nadenken over wat belangrijk is in het
leven, wie of wat een mens is.
- Verhalen maken deel uit van onze cultuur. Veel zaken zoals kunst, muziek kan je
niet begrijpen zonder een basisnotie van bijbelverhalen (kuleuven, 2007: www)




Marieke van den Broek-student Marnix Academie vierde jaars                     68
Narratief onderzoek basisschool De Fontein- 2007


Visie

Naar mijn mening is een van de zwakke punten van het godsdienstonderwijs het
vertellen. De wijze waarop het kind met de inhoud van de bijbel in aanraking
komt en datgene wat daardoor wordt overgedragen. Ik neig naar de mening dat
de geijkte vorm van vertellen het gevaar met zich meebrengt dat een mytisch-
sacrale godsdienstigheid in de hand wordt gewerkt, Dit is een vorm van
geloofsbeleving waarbij de heiligheid van God als overweldigend en tot
vervoering leidend wordt begrepen. (Tom Kroon in Kleuren van een toekomst,
1997)

De leerkrachten van nu zijn allemaal opgegroeid in verschillende culturen. Zij
zijn op verschillende manieren in aanraking gekomen met de bijbelverhalen. Dit
heeft invloed op de manier waarop zij de verhalen aan de kinderen vertellen.

Vroeger werden de bijbelverhalen vooral verteld als een geschiedenis. Nu
worden ze verteld als levenservaringen. Dit noemen we ook wel een open verhaal
traditie (ons eigen leven verstaan vanuit een gelovige interpretatie)

Volgens juf leonie (2007:www) zijn er 2 hoofdstromingen in het omgaan met de
bijbel
1. Fundamentalistische omgaan met de bijbel
2. historisch-kritisch omgaan met de bijbel

   1. Mensen die op deze manier omgaan met de bijbel kunnen niet overweg met
      de evolutietheorie: Gods woord is absoluut waar, de schepping is precies
      zo gebeurd als in de bijbel staat.
   2. Mensen die historisch kritisch omgaan met de bijbel geloven dat mensen
      hun verhalen hebben opgeschreven om op een literaire wijze de relatie
      tussen God, mens en wereld uit te drukken.

De fundamentalisten gebruiken de bijbel vaak om hun gelijk te bewijzen: het
staat in de bijbel dus het is zo.

Een Voorbeeld:
In de bijbel staat: vrouwen zijn minder dan mannen. Fundamentalisten zeggen: ja
dat is waar, het staat in de bijbel. Historisch kritische mensen denken: de
bijbelschrijver geeft de toenmalige opvattingen weer, nu denken we daar anders
over.




Marieke van den Broek-student Marnix Academie vierde jaars                       69
Narratief onderzoek basisschool De Fontein- 2007


Vragen die aan bijbelteksten worden gesteld door historisch kritisch denkende
mensen:
   - Wanneer is de tekst geschreven?
   - Wie heeft de tekst geschreven?
   - Wat waren de maatschappelijke omstandigheden van de schrijver
   - Waarom en voor welk publiek?
   - Waar haalt de schrijver de inhoud van de tekst vandaan? (eigen
      gedachten, mondelinge overleveringen, historische bronnen)
   - Wat is het literaire genre van de tekst?

 Als je deze vragen steeds stelt, zie je dat de omstandigheden toen heel anders
waren en de bijbel niet de enige echte waarheid is. Dit komt weer overeen met
de theorie van Tom Kroon over dat goede vertellers rekening moeten houden met
de plaats, tijd en publiek van het verhaal. (Kroon, 1997:24)




Marieke van den Broek-student Marnix Academie vierde jaars                      70
Narratief onderzoek basisschool De Fontein- 2007


Bijbelverhalen vertellen: levensgevaarlijk?
Bijbelverhalen vertellen aan kinderen is een levensgevaarlijke zaak. Als het niet
goed en vooral niet eerlijk gebeurt, dan kan het kind heel gemakkelijk op een
verkeerd spoor worden gezet en dan zal het later grote moeite hebben, om die
foutieve voorspellingen te herzien ( Jan Nieuwenhuis in Terwijl de boer slaapt,
1976)

Als leerkracht moet je je afvragen:
Hoe zorg ik ervoor dat kinderen inzien dat de bijbel geen dode tekst is maar een
levende geschiedenis en toekomst.

Een hele generatie mensen denkt dat de bijbel een geschiedenisverslag is. Als
volwassenen hebben deze kinderen ontdekt dat de verhalen niet objectief maar
subjectief waren en worden zo afgeschoven als fabeltjes (kuleuven: 2007: www)

Tom Kroon noemt dit ook in zijn artikel (Kroon, 1997: 24)
‘Het beeld dat de verhalen enz. uit de bijbel oproepen is nogal ongeloofwaardig:
blinden kunnen zien enz.
Er wordt geen betekenis gegeven aan de verhalen en daarom worden ze later
door de kinderen op zij gezet als fabeltjes’

Door betekenis te geven aan de verhalen en de kinderen er mee te laten werken
krijgen de kinderen het beeld van de bijbel als levende geschiedenis en
toekomst.




Marieke van den Broek-student Marnix Academie vierde jaars                      71
Narratief onderzoek basisschool De Fontein- 2007


Literair geschrift
De grote ontdekking van de laatste decennia is, dat de bijbel in de eerste plaats
een literair geschrift is van buitengewoon hoge kwaliteit (Klaas, A. D. Smelik,
1990)

Vaak worden op scholen en in methodes alleen de verhalende teksten aan de
kinderen verteld. De andere literaire vormen zoals spreuken, gedichten, poezie
enz. worden overgeslagen. Probeer deze juist ook te vertellen. Deze teksten
hebben namelijk een duidelijke melding, een exegese. (Eykman, Deurloo, van
Dorssen, 2001)

Wikkers noemt in haar boek ook verschillende literaire genres van
bijbelverhalen:
   1. biografische verhalen: Mozes, David, Elia
   2. sagen en legenden: Esther, Daniel, Ruth
   3. Mythische verhalen: schepping, Noach, toren van Babel (over de
       oergeschiedenis van de mens)
   4. gelijkenissen en parabels: Jezus vertelt er veel

   De taal die in bijbelverhalen wordt gebruikt is: verhalende taal (proza) en
   dichterlijke taal (poezie)

   Zij is ook een groot voorstander van de sleutelverhalen. Nico ter Linden is
   hier niet een hele grote voorstander van. Hij maakt vooral duidelijk dat
   sleutelverhalen wel naast bijbelverhalen gebruikt kunnen worden (als uitleg
   van de exegese) maar niet ter vervanging van bijbelverhalen. (ter Linden
   1997: 66)

   Sleutelverhalen: geven toegang tot de rijke traditie van verhalen zoals we ze
   in de bijbel tegenkomen .

   Soorten sleutelverhalen:
   1. letterlijke navolging (dramatische lijn wordt gevolgd)
   2. thema verhalen
   3. tegenverhalen: ander personage belichten (J.C.S)
   4. perspectief verhaal: ik-vorm, beleving van een personage (Wikkers en
      Mesch: 1994)



   * al deze citaten komen uit het boek ‘en dat is zeven’ (Eykman, 2001)




Marieke van den Broek-student Marnix Academie vierde jaars                       72
Narratief onderzoek basisschool De Fontein- 2007


Het team

De leden van een team gaan allemaal op verschillende manieren om met
bijbelverhalen. Dit komt voor een deel omdat ieder vanuit een andere cultuur
(levenswijze) is opgevoed met de bijbel. En ieder de bijbel verschillend leest en
interpreteert. ( Bijbel10daagsekrant, 2007: 3) Op welke manieren dat wordt
duidelijk uit het volgende verhaal:


Er waren eens twee honden die ’s avonds over straat liepen. Een grote
zwarte en een kleine bruine. Het was laat en het begon te regenen toen
ze bij een pakhuis een luikje zagen openstaan. Ze keken elkaar aan en
sprongen naar binnen. Binnen was het stikdonker, ze struikelden over
een emmer, over elkaar en over allerlei planken die daar op de grond
lagen.
Toen, plots, kregen ze de schrik van hun leven. Geheel onverwacht was
daar plots enorm veel licht. Er lag namelijk een zaklamp op de grond en
de grote zwarte hond had met zijn poot juist op het knopje getrapt. Hij
jankte van schrik. Maar de bruine zei:”Hé dat is handig, dat licht
kunnen we mooi gebruiken.”
“Waarvoor dan?” vroeg de grote zwarte.
“Nou, om te kijken.” Zei de kleine bruine.
De grote zwarte keek recht in de lamp. Het was een fel licht en hij werd
er bijna door verblind. “Ik zie niets.” Zei hij.
“Nee, niet zo,”zei de kleine bruine, “het is om licht te geven aan al die
dingen waar we nu al die tijd al over vallen.”
De grote zwarte duwde met zijn poot de omgevallen emmer over de lamp
heen. “Is het zo goed?” vroeg hij, “Zo is die emmer heel licht van
binnen.”
“Dat zal wel,” zei de kleine, “maar nu heeft geen hond er iets aan. Je
begrijpt ook niets. Nu zitten wij toch weer in het donker.”
Hij trapte de emmer weg, nam de lamp in zijn bek en scheen zo in het
rond. Nu konden ze tenminste zien waar ze waren. Ze zagen de planken
waarover ze gestruikeld waren, kisten die tot het plafond waren
opgestapeld, maar, wat was dat?
De kleine bruine liet van schrik de lamp uit zijn bek vallen. Zat daar
geen groot griezelig mens dat hen wou pakken?
De kleine bruine wou de lamp weer oppakken, maar de grote zwarte
riep: “Nee, niet doen!” en duwde de lamp weer onder de emmer.
“Maar ik moet toch zien wat daar is?”zei de kleine.
“Nee,” zei de zwarte, ”het is vast iets griezeligs, je kan beter niet
schijnen, dan hoef je het ook niet te zien. En als je het niet ziet, hoef je
niet meer zo te geloven dat het er is. Trouwens, als we niet schijnen ziet
ook niemand ons zitten. Laten we dus gewoon doen alsof we er niet
zijn!”
“Je bent bang,” zei de bruine, “jij wil jezelf voor de gek houden, door niet
te kijken. Je wil er niet zijn, maar je bent er toch. Een lamp is er om mee
te schijnen, ook al vind je het niet leuk wat je te zien krijgt.”


Marieke van den Broek-student Marnix Academie vierde jaars                      73
Narratief onderzoek basisschool De Fontein- 2007

Zo nam de kleine bruine de lamp weer op en scheen.
Wel, er was helemaal geen griezelige man, alleen maar twee zakken
zand die ze hadden aanzien voor een man. Ze moesten er alle twee hard
om lachen. Maar het belangrijkste was dat het kleine bruine hondje het
had aangedurfd om het licht te gebruiken ook al zou er iets griezeligs
zijn.
1 K.   EYKMAN, P. VOS, De werksters van halfvijf en andere gelijkenissen, De Harmonie, Amsterdam, 1977, p. 90-
99.


De verhalen van Jezus zijn een soort zaklantaarns. Je kan ze gebruiken om te
zien hoe je kan leven.
- Er zijn mensen die alleen maar tegen het verhaal aankijken, er alleen naar
luisteren en er niets mee doen.
- Mensen die het verhaal voor zichzelf willen houden en wegstoppen (bang om om
zich heen te kijken)
- Mensen die verhalen gebruiken om rond te kijken hoe de wereld werkelijk is
(kuleuven, 2007:www)



Het team van de Fontein is bezig met identiteitsbijstelling. Volgens Kroon en de
Kort (Kroon, 1997: 99) is dit een leerproces.

→Uitwisseling van ervaringen→reflectie op ervaringen→visie-ontwikkeling en
formulering→praktisch handelen→

Een aantal onderdelen van dit leerproces liggen in mijn handen. Het team zal zijn
ervaringen uitwisselen (ik zet deze op papier en vergelijk ze) na mijn onderzoek
zal het team reflecteren op mijn bevindingen: wat doen we hiermee. Dit doen ze
in een bijeenkomst met Bas van den Berg. Daarna zal dit zijn uitwerking hebben
op het praktisch handelen van de leerkrachten.




Volgens Tom Kroon zijn er 3 soorten christelijk onderwijs:
Waar moet het intern veelkleurige protestants christelijke onderwijs naar toe?
   1. romantische: een opgewekt en bijbelgetrouw geloofsleven
   2. het post-moderne: zien verschillende geloven als verschillende vakken (een
      keuzevak)
   3. het spirituele:
   - ze erkend de religieuze pluraliteit in onze samenleving
   - ze heeft het christelijk superioriteitsbesef laten vallen
   - een gelovige levenshouding vereist een lange en zorgvuldige voorbereiding
      en persoonlijke ervaringen. (samen met de ouders doen)



Marieke van den Broek-student Marnix Academie vierde jaars                                                 74
Narratief onderzoek basisschool De Fontein- 2007


De laatste is volgens Kroon (Kroon, 1997: 17) waar we als christelijk onderwijs
naar toe moeten. Deze visie past wel bij wat er in alle theorie over dit onderwerp
is geschreven. Ik wil er in mijn onderzoek achterkomen of de Fontein hier ook
naar toe wil. Op de site van jufleonie (2007: www) werd ook gesproken over het
christelijk superioriteitsbesef (het fundamentalisme) het erkennen van de
religieuze pluraliteit wordt een steeds belangrijker element in het christelijk
onderwijs. Door de veranderende samenleving waarin steeds meer verschillen
ontstaan in de religieuze socialisatie van kinderen en ouders. Het laatste punt
wat Tom Kroon noemt past ook bij mijn onderzoek. Het is een proces en het gaat
vooral om het luisteren naar persoonlijke ervaringen (van de leerkrachten, de
kinderen en de ouders) door dit te doen kom je samen tot onderwijs waar je
achter staat. Dit doe ik in mijn onderzoek door de narratieve benadering
Luisteren naar persoonlijke verhalen, de kleine levensverhalen van mensen
(Kroon, 1997: 72)




Verschillende soorten scholen (Bulckens en Roebben, 2001:256)
   - monoloogschool/schuilkelder
   - dialoogschool/oase
   - ontmoetingscentrum/kleurloze school
   - actiecentrum/veelkleurige school




Marieke van den Broek-student Marnix Academie vierde jaars                     75
Narratief onderzoek basisschool De Fontein- 2007


Verhalen
Verhalen betekenen van ver-halen. Terughalen en dichterbij brengen van
gebeurtenissen. De geschiedenis her opnemen.

Verhalen roepen verhalen op. Een verhaal dat wordt verteld roept vaak nieuwe
verhalen op (herinneringen)
(Bulckens en Roebben, 2001:45)

Het levensbeschouwelijke karakter van een verhaal.
Aspecten waarin het levensbeschouwelijke karakter zich in verhalen laat
ontdekken:
   - verhalen openen de werkelijkheid: het verhaal nodigt uit om in het
      concrete leven de handelingen, waarden, houdingen uit te proberen. Ze
      dragen suggesties aan voor een nieuw gedrag
   - beschrijven van levensthema’s en bieden antwoorden: figuren in een
      verhaal gaan actief bezig met leefthema’s en wijzen de toehoorder op
      gevaren en hindernissen
   - verhalen beloven wat: goede afloop van een verhaal: is een stimulans om er
      zelf aan te beginnen. Slechte afloop is een waarschuwing: zo moet je het
      niet doen.
   - Ze dragen het geheugen van een volk: ze laten zien wat de samenleving in
      die tijd belangrijk vond. Het zijn verhalen die het leven beschouwen. De
      levenservaringen van generaties zijn neergeschreven. (Bulckens en
      Roebben, 2001:54, 55)

Soorten levensbeschouwelijke verhalen
         1. zin-verhalen: over levensthema’s
         2. religieuze verhalen: op zoek naar de diepere werkelijkheid
         3. godsdienstige verhalen: hierin heeft deze diepere werkelijkheid een
            naam: God

De vorming van de hele persoon van de leerling (hoofd, hart en handen) krijgt op
school in toenemende mate een evenredige aandacht. (Bulckens en Roebben,
2001: 157)




Marieke van den Broek-student Marnix Academie vierde jaars                     76
Narratief onderzoek basisschool De Fontein- 2007


De persoon van de leerkracht
De narratieve benadering van het onderzoek wil vragen naar de persoon van de
leerkracht. Wat beweegt hem of haar om zo te handelen?

De persoon van de leerkracht maakt het onderwijs levensbeschouwelijk
bijzonder.

De specifieke persoonlijkheidskenmerken van de leerkracht en alles wat hij aan
kennis en opgedane ervaringen als bagage meedraagt (zijn hele levensverhaal)
komen nadrukkelijk in beeld als belangrijke mede-bepalers van het (pedagogisch)
doen en laten van de leerkracht. (Bakker en Rigg, 2004:11)

De school heeft een bepaalde identiteit maar nog belangrijker om te beseffen is
dat de leerkrachten binnen die identiteit weer hun eigen identiteit hebben.

Tussen de formele identiteit van de school en de diverse levensbeschouwelijke
oriëntaties en achtergronden van leerlingen zit een spanningsveld. (houden we
vast gaan we er in mee?)

Ook onder de leerkrachten vinden we geen uniforme interpretatie van het
christendom (Bakker en Rigg, 2004: 21)

De leerkracht op gespannen voet tussen de formele schoolidentiteit en de
levensbeschouwelijke leerlingdiversiteit onder de aanname dat de persoon en
biografie van de leerkracht cruciaal is in het geïmpliceerde afwegingsproces.
(Bakker, Rigg, 2004:24)

Secularisatie: afname van de reikwijdte en de invloed van godsdienst in de
maatschappij. (Bakker, Rigg, 2004: 63)

niet perse niet geloven maar afname van kerkelijkheid en feitelijk kerkbezoek.
(Bakker, Rigg, 2004: 63)

Blz. 85: biografische methode, hele boek is een soort van onderzoek hoe ik dat
ook doe in het klein.

* al deze citaten komen uit het boek ‘en dat is zeven’ (Eykman, 2001)




Marieke van den Broek-student Marnix Academie vierde jaars                       77
Narratief onderzoek basisschool De Fontein- 2007




Vergadering PCO Gelderse Vallei (uitgebreider)

De Stichting PCO Gelderse Vallei is de overkoepelende stichting waaronder
basisschool de Fontein onder valt. De stichting heeft een strategisch beleidsplan
(2007-2011) uitgezet waar scholen aan kunnen gaan werken. In het plan staat
beschreven op welke gebieden ze zich de komende jaren op wil gaan richten. Het
is niet de bedoeling dat dit in een jaar gebeurd moet zijn, want het is een 4
jaren plan. Het is beleidsplan is leidend voor het schoolplan. Op donderdag 18
oktober kwam de stichting onder het mom van tour de vallei langs basisschool de
Fontein om ons in te lichten over hun plan. Ook ik mocht bij deze bijeenkomst
aanwezig zijn. We kregen allemaal een kaart (landkaart) waarop de 5 gebieden
zijn vastgelegd (metafoor) de weg er naar toe staat nog open. Iedereen mag de
reis op zijn eigen manier maken.

Er zijn 5 bestemmingen
   1. kind en globalisering
   2. kind en veiligheid
   3. kind en maatschappij
   4. kind en toekomst
   5. kind en levenslang leren

Een bestemming: kind en globalisering past heel goed bij mijn onderzoek. Er
staat in het plan beschreven: ‘we leren ze niet alleen van alles over talen,
rekenen en techniek, mar brengen ze ook het besef bij dat iedereen kan
bijdragen aan een waardevolle wereld’ (beleidsplan pco….)

Onder dit onderwerp valt het stukje: identiteit en waarden: De christelijke
identiteit is zichtbaar en merkbaar in de school.
Hoe kun je dat doen?
- Maak de identiteit zichtbaar en merkbaar in je klas
- Verzorg waarde(n) vol onderwijs.

Matthijs Wesseloo de directeur van de Stichting zei hierbij: ik heb begrepen
dat jullie met dit onderdeel bezig zijn? Jullie hebben een bijeenkomst gehad
over identiteit en op dit moment doet een student onderzoek. Er werd even naar
mij gewezen. Matthijs noemde dit een hele zinvolle manier van onderzoek doen.
Een student hiervoor inzetten. Mijn onderzoek past dus heel goed bij de
stichting, bij het beleid van de school. De school heeft al een stapje gezet door
een cursus te volgen van Bas van de Berg en ik ga hiermee verder. Mijn



Marieke van den Broek-student Marnix Academie vierde jaars                     78
Narratief onderzoek basisschool De Fontein- 2007


onderzoek past dus in het beleidsplan van de school en de overkoepelende
stichting. Matthijs zei ook:
‘het is vaak moeilijk om je omgang met de bijbel bloot te leggen’ ‘vaak weet je
niet van elkaar hoe je vertelt’ (met mijn onderzoek laat ik de leerkrachten
elkaars manieren en visies zien)




Marieke van den Broek-student Marnix Academie vierde jaars                        79
Narratief onderzoek basisschool De Fontein- 2007


Vakliteratuur:

Literatuur:
   - Bakker, C. en E. Rigg, De persoon van de leerkracht, Meinema,
      Zoetermeer, 2004
   - Bulckens, J. en B. Roebben, Zin in leven, Acco, Leuven, 2001
   - Deurloo, K.,H. van Dorssen en K. Eykman, en dat is zeven, zeven manieren
      om kinderen uit de bijbel te vertellen, Ten Have, Baarn, 2001
   - Kelchtermans, G., de proffesionele ontwikkkeling van leerkrachten
      basisonderwijs vanuit het biografisch perspectief, Universitaire Pers,
      Leuven, 1994
   - Kroon, T, Kleuren van een toekomst, NZV, Hilversum, 1997
   - Stichting schreeuw om leven, oranjekinderbijbel, bijbelse vertellingen en
      tekeningen door kinderen, Hilversum, 2004
   - De Vries, A. (red.), vertel eens, over het vertellen van godsdienstige
      verhalen aan vier- tot zevenjarigen, centrum voor godsdienstige vorming,
      Amersfoort, 1992
   - Wikkers, W., het verhaal en daarna? Werkvormen bij
      kinderbijbelverhalen, Narratio, Arnhem, 2001
   - Wikkers, W. en A. Mesch, het verhaal het kind en de verbeelding,
      Narratio, Arnhem, 1994

Internet:
   - http://www.jufleonie.nl/Lesideeen/Levo/bijbelverhalenkinderen.htm
      Geraadpleegd op 21 september 2007
   - http://home.wanadoo.nl/sol-
      web/Sol%20Nieuwsbrieven/Bijbel%20teambegeleiding%2006-2006.htm
      Geraadpleegd op 21 september 2007
   - http://www.kuleuven.be/thomas/images/algemeen/actualiteit/visie/vakdid
      actiek/Cursus_PdO/Bijbelverhalen.pdf Geraadpleegd op 21 september
      2007
   - Maes, L, http://www.sip.be/rkgodsdienst/Werkwinkel%205%20-
      %20Luc%20Maes.pdf Geraadpleegd op 19 oktober 2007

   Artikelen:
   - Bokkers, M., ‘Schilderen over kinderliteratuur.’ In: de Barneveldse krant, 1
      oktober 2007: 5
   - Hoffman, ‘Wat is cultuur?’ In: reader Marnix Academie, 25-50
   - Klaassen, C. ‘Socialisatie en moraal.’ In: Garant, 1996, Leuven
   - Bijbel10daagsekrant, 2007




Marieke van den Broek-student Marnix Academie vierde jaars                     80
Narratief onderzoek basisschool De Fontein- 2007



Extra:
- ppt Marnix Academie, narrativiteit




Marieke van den Broek-student Marnix Academie vierde jaars   81
Narratief onderzoek basisschool De Fontein- 2007



Bijlage 4: ontwikkelfases


Ontwikkelingen van kinderen op het gebied van levensbeschouwing

Kind van 7-9 jaar
Leefwereld:
   - thuis, school, buurt, dorp-stad, de wereld
Bezig met:
   - naspelen van gebeurtenissen en gedrag van volwassenen
   - normen en waarden onderzoeken (morele ontwikkeling)
   - concrete en realistische beleving
   - fantaseren
   - vragen en onderzoeken naar: wat is echt en wat niet?
   - Grotere wereld verkennen
   - Verkennen van de natuur en de grotere wereld
   - Vriendjes, groepsvorming
Gevoelig voor:
   - ziekte, dood en oorlog
   - duidelijke normen en waarden
   - verhalen en spelletjes waarin ze hun concrete beleving en de gevoelens tot
      uitdrukking kunnen brengen

Behoefte aan:
   - veiligheid en vertrouwen
   - volwassenen en verhalen waar ze zich mee kunnen identificeren
   - een bemoedigend en positief gods en mensbeeld
   - taal die aansluit bij de ontwikkeling en gevoeligheden
   - inzicht in eigen ontstaansgeschiedenis (waar komt God vandaan en alle
     dingen, waar kom ik vandaan?)

Mogelijkheden:
  - vertellen vanuit een rol (identificatie)
  - symbolen rituelen en kleuren
  - verhalen met vertrouwen, bang zijn, dood

Het kind van 9-12 jaar

Leefwereld:
   - thuis, school, buurt, dorp-stad, de wereld



Marieke van den Broek-student Marnix Academie vierde jaars                   82
Narratief onderzoek basisschool De Fontein- 2007


Bezig met:
   - kennis te vergaren
   - verruimen van de blik op de wereld, natuur heelal
   - hoe steekt de wereld en de dingen in elkaar
   - geschiedenis van mens en natuur: verhalen die de leergierigheid tegemoet
      komen
   - af tasten hoe betrouwbaar volwassenen zijn
   - groepsvorming (meisjes-meisjes, jongens-jongens)

Gevoelig voor:
   - ontvangen bevestiging en vertrouwen
   - feitenkennis
   - verhalen en de geschiedenis van mens en natuur: helden, heldendaden,
      romantiek
   - volwassenen die een luisterend oor hebben voor de info en weetjes

Mogelijkheden:
  - informatie over het ontstaan van de verhalen uit de bijbel
  - verhalen en geschiedenis van jodendom en christendom
  - informatie aanreiken over waarden en normen in deze en andere culturen
  - assisteren bij bijbelverhaal: zelf laten doen (Wikkers en Mesch, 1994: 72-
      74)

Door je vast te houden aan deze ontwikkelingen kun je de kinderen precies raken
waar je ze wilt raken: daar waar zij mee bezig zijn. Wat in hun beleving ligt.




Jonge kinderen maken geen onderscheid tussen de letterlijke en symbolische
betekenis van een verhaal. Om deze betekenis voor hen zo duidelijke mogelijk te
maken kun je het verhaal uistspelen en laten tekenen.

Bij oudere kinderen groeit (cognitief gezien) het vermogen om onderscheid te
maken tussen de letterlijke en symbolische betekenis van een verhaal en om de
relatie tussen die betekenissen te zien (Bulckens en Roebben, 2001:158)




Marieke van den Broek-student Marnix Academie vierde jaars                      83
Narratief onderzoek basisschool De Fontein- 2007




Bijlage 5: verwerkingen van een bijbelverhaal

 ‘De bijbel zou aanleiding moeten zijn om te tekenen, te dichten, te zingen, te
dansen.’ (kuleuven, 2007:www)

Volgens Barbara de Kort (Kroon, 1997: 71) gaat het er om leerlingen gevoelig te
maken voor de ervaring: er is meer…

Op dit moment worden bij de meeste methodes bijbelse voorschriften vertaald
naar het niveau van het heden en de verhalen worden afgesloten met een moraal.
Dit gebeurt bijvoorbeeld bij de methode kind op maandag.

Maar zo kan het ook: Probeer kinderen in contact te brengen met het grote
verhaal. Biedt kinderen de mogelijkheid een relatie aan te gaan met dat verhaal.
Reik ze vaardigheden aan zodat zij verhalen kunnen vertellen of verbeelden. Zo
ontdekken de kinderen: er zijn verbindingen tussen het Grote verhaal en hun
eigen kleine verhalen.

Grote verhaal is het Schrift, de kleine verhalen zijn: levensverhalen van ieder
mens. Het levensverhaal maakt zichtbaar wie je bent.

Tussen de kleine verhalen en de Grote verhalen kan interactie tot stand komen.
Het eigen levensverhaal kan verweven worden met het Grote verhaal, of van
kanttekeningen worden voorzien. Dit wordt bijvoorbeeld uitgewerkt in het
artikel op de site van kuleuven (2007:www)




Marieke van den Broek-student Marnix Academie vierde jaars                        84
Narratief onderzoek basisschool De Fontein- 2007



Een bijbelverhaal ondersteunen:
Je kunt bijbelverhalen ondersteunen op de volgende manieren:
   1. met bijbelplaten:
   2. vertellen met illustraties
   3. vertellen vanuit de bijbelplaten
   4. associëren aan de hand van bijbelplaten (kinderen vertellen zelf het
      verhaal vanuit de platen) :
   stel vragen over: waarnemen, belevingen, bedenkingen en analyses, wensen,
   plannen, opties vanuit waarden en de wil tot handelen
   overwegingen en innerlijke dialogen, handelingen, effect op de werkelijkheid.

   5. de kinderen associëren een heel eigen verhaal bij de bijbelplaten: 2
      groepen en 2 bijbelplaten, daarna twee platen met elkaar in verband
      brengen. Als laatste de gevonden verhaallijn vergelijken met de echte
      verhaallijn uit de bijbel. (christelijk gedachtegoed)

Doel van deze manier van werken:
Op eigen wijze omgaan met de bijbelse elementen, zelf betekenis leren geven.
Zichzelf situeren in een verhaal geeft steun en veiligheid ook al is de
betekenisgeving confronterend.

6. Kijkdoos: plaat in doos: kind laten kijken en vertellen aan de groep

7. Voorwerpen en symbolen (om verhalen te ondersteunen)

Bibliodrama
Een andere vorm van omgaan met de bijbel die inspeelt op de kleine verhalen van
de kinderen is bibliodrama:

Bibliodrama is:
Een door dialoog, gebaren en mimiek weergave van een bijbels verhaal.

Bij bibliodrama leren de kinderen langs de weg van een bijbelverhaal hun eigen
(kleine levens) verhaal te begrijpen en te uiten.




Marieke van den Broek-student Marnix Academie vierde jaars                       85
Narratief onderzoek basisschool De Fontein- 2007


Vernieuwende werkvorm
Volgens Bulckens en Roebben (2001: 69) is de volgende methodiek zeer geschikt
om kinderen een verhaal te laten ervaren:
   1. het verhaal vertellen
   2. de kinderen rustig laten tekenen (welk onderdeel heeft ze het meest
       geraakt?)
   3. een gestructureerd gesprek n.a.v. de tekening van het kind. Met 5
       stappen:
   - Wat heb je getekend?
   - Over personages: wat denkt hij hier, wat gaat hij doen?
   - Wat zou jij doen als je … was? (beleving kind in plaats personage)
   - Heb jij ook wel eens, dat….? (overstappen naar de echte werkelijkheid van
       het kind)
   - Vragen die het kind terugleiden naar het verhaal: was het bij jou net zoals
       in het verhaal?
 Met jonge kinderen kun je maar tot stap 3 gaan. Stap 4 is een moeilijke stap
voor alle kinderen: ze gaan dan van onbewust naar bewust. Voor sommige
kinderen gaat deze stap te ver. Luister dan naar het kind en ga niet verder.

Het gaat om de eigen ontwikkeling van het kind. Deze wordt positief
gestimuleerd, wanneer ze, langs de weg van een verhaal, hun eigen verhaal leren
begrijpen (hun kleine verhaal)
(Bulckens en Roebben, 2001:69)

Voor gehele uitwerking van alle stappen (zie bijlage 7)



In het krantenartikel van Bokkers staat een zelfde soort manier beschreven,
maar dan voor jeugdliteratuur. Deze vorm kan natuurlijk ook gebruikt worden
voor bijbelverhalen.
- voorlezen uit boek
- erover praten: wat vinden ze van het stuk? Hoe zouden ze het vinden als het
bij hen zelf zou gebeuren?
- Creatief aan de slag: schilderen wat ze ervan vinden. Gevoelens, emoties.




Marieke van den Broek-student Marnix Academie vierde jaars                      86
Narratief onderzoek basisschool De Fontein- 2007


Verschillende verwerkingsvormen
Op de site van sip (2007: www) staan ontzettend veel manieren om om te gaan
met de bijbel, allemaal zijn ze gericht op het kind: gericht op de kleine verhalen
van de kinderen.
Werkvormen:
   - vertellen met prenten (kinderen houden van een visuele uitbeelding van de
      werkelijkheid (Bulckens en Roebben, 2001: 164)
   - vertellen vanuit een personage
   - schrijf een biografie: het leven van een personage verder schrijven
      (verhaal vertellen over persoon: rest van het leven verder laten
      opschrijven)
   - een levend schilderij
   - schrijfronde: reactie op verhaal opschrijven: doorgeven, reactie daarop
      geven
   - sprekende beelden: na verhaal: kunstwerk laten zien
   - bijbel en film
   - de lege stoel: hier hoort een personage uit de bijbel te zitten: vragen
      stellen (kind achter de stoel)
   - een bijzondere krant: reportage over gebeurtenis uit de bijbel
   - tekening: over gevoel bij het verhaal
   - 1 aspect uit het verhaal: kinderen over laten filosoferen
   - Bepreken: verhaal: op schijven een ! als er een lichtje gaat branden een ?
      als je iets niet snapt en een * als je geraakt wordt



Oranje kinderbijbel
Als laatste breng ik de oranje kinderbijbel (stichting Schreeuw om leven) nog
even onder de aandacht. Dit is ook een manier om verhalen aan kinderen te
vertellen. De verhalen zijn namelijk geschreven door kinderen. Je kunt ook met
de kinderen in gesprek gaan over de manier van opschrijven: is het goed zo?
Zouden zij het anders doen? Wat vond de schrijver het belangrijkste? Wat
vindt jij het belangrijkste? En natuurlijk kunnen de kinderen zelf ook een
bijbelverhaal opschrijven.




Marieke van den Broek-student Marnix Academie vierde jaars                       87
Narratief onderzoek basisschool De Fontein- 2007



Bijlage 6: Uitwerking van het gestructureerd gesprek.
Stap 1

Begin met zo feitelijk mogelijk vragen te stellen over de tekening. De kinderen
vertellen waarover ze getekend hebben. Nadrukkelijk naar details vragen. Niet
interpreteren, dus NIET vragen WAAROM, maar WAT ze getekend hebben (ik
zie dat... niet zo groot is...).

Stap 2

Stel hier die vragen waardoor het kind de beleving van de personages in het
verhaal weergeeft. Geen waarom- vragen. Wel bijv:

   -      Wat zou hij denken?

   -      Voelt hij zich blij (rustig, bang)?

   -      Wat wil hij misschien gaan doen?

   -      Wat zou er dan kunnen gebeuren?

Stap 3

Nu gaat het om de beleving van het kind zélf bij het verhaalfragment, maar nog
wel door het kind in de plaats te stellen van de getekende personage(s).

Dat zijn vragen naar invoeling (empathie):

   -      Hoe zou jij je voelen als jij... was?

   -      Zou jij ook verdrietig zijn?

   -      Of zou jij… ?

Maar ook vragen naar mogelijk gedrag:

   -      Wat zou jij doen (en nu ook: waarom ?)

Stap 4

Deze stap is in een drietal momenten uit elkaar te leggen.




Marieke van den Broek-student Marnix Academie vierde jaars                        88
Narratief onderzoek basisschool De Fontein- 2007


   -      Na alle vorige stappen goed doorlopen te hebben, kan nu gevraagd
       worden naar situaties uit hun eigen leven/omgeving die zij in hun tekening
       herkennen.
       Soms zijn (jonge) kinderen zich daarvan nóg niet bewust en blijft dit een
       moeilijke stap.

       Concreet vragen, bijv: "Ben jij ook wel eens in uitgenodigd op een feest,

       toen".

   -      Wanneer het gesprek niet individueel maar in een groep verloopt, kan
       aan de andere kinderen van de groep gevraagd worden om gelijksoortige
       ervaringen met elkaar uit te wisselen. Door deze communicatie komen de
       eigen ervaringen in een breder kader te staan.

   -       Blijkt dat door het gesprek veel gemeenschappelijke ervaringen
       opgeroepen zijn, dan is het soms mogelijk om in de kring een gesprek in te
       richten over het thema wat opgeroepen is.

Stap 5

Deze bestaat uit de terugleiding van het kind naar het verhaal.

Door de vorige stappen is het kind via het verhaal naar de eigen wereld (eigen
herinneringen en ervaringen) geleid.

Er wordt recht gedaan aan de levende relatie tussen kind en verhaal door terug
te keren naar het verhaal.

Bijv: "We hebben gepraat over weglopen. Was dat ook zo met… in het verhaal ?"

Deskundigheid van de leerkracht.

Bij het leiden van het gesprek, bij het stellen van de vragen, verdient het
aanbeveling om de vragen te formuleren met de woorden die de kinderen zelf
gebruikt hebben.

Maak ook bij het vragen stellen gebruik maken van elementen uit de tekening.

Als leerkracht moet je los komen van je eigen interpretaties van het verhaal:
niet de leerkracht leert een lesje, de kinderen leren/interpreteren hun eigen les,
het gaat om hun eigen ontwikkeling! Geef het kind de ruimte om persoonlijke
beelden en verwerkingen naar voren te brengen.



Marieke van den Broek-student Marnix Academie vierde jaars                         89

				
DOCUMENT INFO
Shared By:
Categories:
Tags:
Stats:
views:60
posted:5/24/2012
language:
pages:89