Biologie voor Jou - Havo 4 - Hoofdstuk 5 - Ordening en evolutie by timons106

VIEWS: 334 PAGES: 20

More Info
									Samenvatting biologie h.5
Hetero- & autotrofe en organische & anorganische organismen:
Organische stoffen: afkomstig van organismen of producten van organismes, relatief grote
ingewikkeld gebouwde moleculen.
Voorbeelden: koolhydraten, zetmeel, eiwitten, vet, glucose etc.

Anorganische stoffen: zowel in organismen als in levenloze natuur voorkomend, kleine en
eenvoudige moleculen.
Voorbeelden: koolstofdioxide, water, zouten, zuurstof etc.

Autotrofe organismen kunnen alleen stoffen maken uit anorganische stoffen en hebben geen
andere organismen nodig voor hun voedsel.
Ze nemen anorganische stoffen op uit hun milieu.

Heterotrofe organismen kunnen geen organische stoffen maken uit alleen anorganische
stoffen en hebben andere organismen nodig voor hun voedsel.
Ze nemen organische en anorganische stoffen op uit hun milieu.
De rijken:
Het meeste hiervan staat ook in je binas / biodata.

Bacteriën:
   - Eencellig; celgrootte 1-10 µm
   - Geen organellen zoals celkern, vacuolen, mitochondriën en endoplasmatisch reticulum
   - Een celwand
   - Meeste soorten heterotroof (enkele autotroof, bv. Cyanobacteriën)

Schimmels:
   - Eencellig (o.a. Gisten) of veelcellig; celgrootte 10-100 µm
   - Organellen in cellen
   - Celwanden
   - Heterotroof
   - Veel schimmels vormen netwerk van schimmeldraden

Planten:
   - Eencellig of veelcellig; celgrootte 10-100 µm
   - Organellen in cellen
   - Celwanden
   - Autotroof

Dieren:
   - Eencellig of veelcellig; celgrootte 10-100 µm
   - Organellen in cellen
   - Geen celwanden
   - Heterotroof


Virussen:
   -   Een virus bestaat uit dna / rna met daaromheen eiwitten.
   -   Virussen kunnen niet bestreden worden met medicijnen
   -   Virussen hebben een gastheercel nodig om voort te planten
           o Een virus zet zich vast op gastheercel
           o Het dna / rna dringt binnen in de gastheercel
           o De gastheercel repliceerd de dna / rna
           o Er ontstaan nieuwe virussen in gastheercel
           o De gastheercel gaat ten gronden; virussen komen vrij
           o Zo heb je een circel
-   Er zijn 2 soorten cyclussen van het voortplaten van een virus:
    Staat ook in binas / biodata!

       o De lytische cyclus:




       o De lytogenetische cyclus:
   -   Virussen kunnen niet ingedeeld worden in de 4 rijken
          o Alle organismen bestaan uit cellen, een virus niet (geen cytoplasma of
              kernplasma)
          o Alle organismen hebben dna en rna, een virus alleen dna of rna
          o Een geïsoleerd virus vertoont geen levensverschijnselen


Soorten & populatie:
   -   Een soort:
       Organismen behoren tot één soort als ze samen vruchtbare nakomelingen kunnen
       krijgen.
   -   Een ras:
       Een soort is onderverdeeld in rassen (twee rassen kunnen dus samen vruchtbare
       nakomelingen krijgen!)
   -   Een populatie:
       Een groep individuen van één soort die in een bepaald gebied samen een
       voortplantingseenheid vormen. (bv. De konijnen van texel)
   -   Naamgeving van linnaeus:
           o Geslachtnaam (met hoofdletter)
           o Soortaanduiding (kleine letter)
           o Vaak nog een naam van de naamgever


De dieren stammen:
Komen voor in alle rijken:
De eencelligen:
    Komen zowel in zoet als zoutwater voor of op zeer vochtige plekken
    Hun lichaam bestaat slechts uit 1 cel
    Ze zijn microscopisch klein
    Alle lichaamsfuncties worden uitgevoerd door verschillende celorganellen


Stam 1: de sponsen:
   •   Leven voornamelijk in zoutwater
   •   Zitten vast aan de ondergrond
   •   Hebben geen darmkanaal of zenuwstelsel
   •   Bevatten een systeem van kamers en kanalen
   •   Er zijn in- en uitstroomopeningen
   •   Voeden zich door voedselfiltratie uit het water
   •   Hun skelet bestaat uit naalden
   •   Voortplanting: geslachtelijk en ongeslachtelijk
  Onderstammen / klasse:
  •   Kalksponsen met kalknaalden
  •   Glassponsen met kiezelnaalden
  •   Hoornsponsen met netwerk van sponginevezels

Stam 2: de neteldieren
  •   Meeste neteldieren komen voor in zoutwater
  •   er zijn twee verschijningsvormen:
          – Vrijlevende kwallen
          – Vastzittende poliepen (vaak in kolonies levend)
  •   centraal is een maagholte aanwezig
  •   de mond dient tevens als anus
  •   deze opening is omgeven door tentakels
  •   hierop zitten netelcellen met gif
  •   voortplanting door generatiewisseling

  Onderstammen / klasse:
  •   Zesstralige bloemdieren
  •   6 orden: korstanemonen, zeeanemonen, steenkoralen, doornkoralen, cylinderrozen en
      knobbelkoralen
  •    Achtstralige bloemdieren
  •    3 orden: leerkoralen, hoornkoralen en zeeveren
  •    Hydroidpoliepen (kwalstadium klein)
  •    b.v. Zeedennetje, haringgraat en zeecypres
  •    Schijfkwallen (kwalstadium groot)
  •    b.v. Oorkwal, zeepaddestoel, haarkwal en kompaskwal
  •    Kubuskwallen (kleine tropische kwallen)

Stam 3: de platwormen
  •   Tweezijdig symmetrische, afgeplatte dieren
  •   Veel soorten zijn parasitair met een ingewikkelde levenscyclus
  •   Geen skelet, bloedvaten en ademhalingsorganen
  •   Wel een eenvoudig zenuwstelsel
  •   En een darmkanaal zonder anus
  •   Meeste soorten zijn hermafrodiet (= en  )

  Onderstammen / klasse:
  •   Trilhaarwormen (vnl. In water)
          – O.a. De planaria
  •   Zuigwormen (vnl. Ecto- en endoparasieten)
          – O.a. De leverbot
  •   Lintwormen (vnl. Darmparasieten)
         –   O.a. De lintworm

Stam 4: de rondwormen
  •   Tweezijdig symmetrische dieren
  •   Veel soorten zijn parasitair
  •   Geen skelet, bloedvaten en ademhalingsorganen
  •   Wel een eenvoudig zenuwstelsel
  •   En een darmkanaal met mond en anus
  •   Eenvoudige geslachtsorganen
  •   Dieren zijn van gescheiden geslacht

Stam 5: de ringwormen
  •   Het merendeel leeft in zoutwater
  •   Sommige soorten zijn parasitair
  •   Langerekt lichaam verdeeld in segmenten
  •   Mond, vervolgens vrij recht darmkanaal en anus
  •   Voortbeweging vaak met behulp van borstels
  •   Sommige soorten zijn hermafrodiet (= en  )

Stam 6: de stekelhuidigen
  •   Uitsluitend in zee levende dieren
  •   Huid bedekt met stekels, knobbels en wratten
  •   Ze bezitten een onderhuids kalkskelet
  •   Ze hebben een vijfzijdige radiale symmetrie
  •   Inwendig is er een watervaatstelsel
  •   Ze zijn meestal van gescheiden geslacht

  Onderstammen / klasse:
  •   Zeesterren
         – O.a. In zeeland de gewone zeester
  •   Brokkelsterren (of slangsterren)
         – O.a. In zeeland de gewone brokkelster
  •   Veersterren (of haarsterren of zeelelies)
  •   Zeeëgels
         – O.a. In zeeland de gewone zee-appel
  •   Zeekomkommers

Stam 7: de weekdieren
  •   Leven zowel op het land als in zout- en zoetwater
  •   Hebben een kop, gespierde voet en ingewandszak
  •   Een mantel bedekt alle lichaamsdelen
  •   Deze mantel vormt vaak een kalkachtige schelp
  •   Deze schelp kan zowel in- als uitwendig zijn
  •   Mantelholte bevat vaak kieuwen

  Onderstammen / klasse:
  •   Keverslakken
  •   Tweekleppigen
          • O.a. Mossel, kokkel, oester, mesheften
  •   Slakken
          • O.a. Wulk, muiltje, fuikhoren, allerlei naaktslakken
  •   Inktvissen
          • O.a. Zeekat, pijlinktvis, dwerginktvis
  •   Daarnaast nog 4 minder bekende klassen


Stam 8: de geleedpotigen
  •   Dit is de grootste stam van het dierenrijk (75%)
  •   Kenmerkend zijn de gelede aanhangsels
  •   Hun lichaam is vaak verdeeld in 3 delen:
      kop, borststuk en achterlijf
  •   Ze hebben een uitwendig skelet (chitinepantser)
  •   Groei kan daarom alleen maar na een vervelling
  •   Ze hebben sterk gespecialiseerde zintuigen
          – O.a facetogen en voelsprieten

  Onderstammen / klasse:
  •   Duizendpootachtigen (land + water)
  •   Kreeftachtigen (vnl. Water)
  •   Spinachtigen (vnl. Land)
  •   Insecten (vnl. Land)


Stam 9: de chordadieren
  •   Het zijn tweezijdig symmetrische dieren
  •   Bezitten een staafvormig steunorgaan: de chorda
  •   Ze worden verdeeld in drie onderstammen:
         – Kraagdragers
                 • O.a. Eikelwormen
         – Manteldieren
                 • Zakpijpen en salpen
         – Gewervelde dieren
                 • Rondbekken, kraakbeenvissen, beenvissen, amfibieën, reptielen, vogels
                     en zoogdieren
Onderstammen / klasse:
Onderstam: manteldieren / klasse: zakpijpen:
   • Vastzittende zeedieren met zakvormig lichaam
   • ze hebben een in- en een uitstroomopening
   • het instromende water gaat door een kieuwkorf
   • de kieuwkorf haalt zuurstof en voedsel uit water
   • ze hebben een geslachtelijke voortplanting
   • de larven lijken op kikkervisjes met een chorda

Onderstam: gewerfelden
   • Hiervan komen alleen amfibieën niet in zee voor
   • Wat vroeger de klasse van de vissen genoemd werd bestaat nu uit drie aparte klassen:
         – Rondbekken: kaakloze vissen met ronde zuigbek
                • O.a lampreien en zeeprikken
         – Kraakbeenvissen: met een kraakbeenskelet
                • Met o.a de orde van de haaien en de orde van de roggen
         – Beenvissen: met een beenskelet en benige schubben
   • De vier overige klassen zijn:
         – Amfibieën
         – Reptielen
         – Vogels
         – Zoogdieren


De evolutie theorie:
Evolutie:
   -   Is een heel geleidelijke ontwikkeling
   -   Gaat van eenvoudig naar steeds ingewikkelder gebouwde organismen.
   -   In de loop van miljoenen jaren verschijnen er nieuwe soorten en verdwijnen er oude
       soorten
   -   De Neodarwinistische Evolutietheorie geeft een verklaring voor deze waargenomen
       evolutie verschijnselen en is voor het eerst opgeschreven door Charles Darwin in 1859

Voorwaarden voor evolutie:
   -   Er moet variatie in genotypen zijn
   -   Er moet natuurlijke selectie optreden
   -   Geografische isolatie is een voorwaarde
       voor het ontstaan van nieuwe soorten
Variatie in genotypen:
In elke populatie komen verschillende genotypen voor deze variatie ontstaat door
recombinaties t.g.v. Geslachtelijke voortplanting en door toevallige mutaties.
Zonder deze variatie is evolutie onmogelijk, want voor veranderingen heb je andere
genotypen nodig.

Natuurlijke selectie:
Beter aan het milieu aangepaste individuen hebben een grotere overlevingskans en een grotere
kans op meer nakomelingen.
Hun genotype komt daardoor in de loop van de tijd steeds vaker voor.
Genotypen van slechter aangepaste individuen zullen steeds minder voorkomen.
Gevolg: een geleidelijke verschuiving van genotypen in de tijd.

Geografische isolatie:
Als populaties gesplitst en gescheiden worden en in verschillende milieu’s terecht komen zullen
door natuurlijke selectie de twee populaties zich gaan aanpassen aan hun eigen milieu en
daardoor steeds meer van elkaar gaan verschillen.
Als er op een gegeven moment, na hereniging, geen vruchtbare nakomelingen meer gevormd
kunnen worden tussen beide populaties, is er sprake van verschillende soorten.
Dit noemt men allopatrische soortsvorming.

Argumenten voor evolutietheorie:
Fossielen:
   - Diepere dus oudere fossielen zijn eenvoudiger van bouw dan jongere fossielen.
   - Fossielen laten veranderingen en aanpassingen in organismen zien.
   - Fossielen laten zien dat er uitsterving van soorten heeft plaats gevonden.

Homologe organen:
  - Organen met grote overeenkomst in bouw maken een gemeenschappelijk voorouder
     zeer aannemelijk.

Rudimentaire organen:
   - Restanten van organen zonder functie duiden op aanpassing aan leefwijze.
      Maar maken ook een gemeenschappelijke voorouder aannemelijk

Embryologie:
  - In jonge embryo’s zijn vaak nog grote overeenkomsten in bouw aan te treffen, dit maakt
      een gemeenschappelijk voorouder zeer aannemelijk

Overeenkomst in celprocessen:
   - Mitose en meiose verlopen bij vrijwel alle organismen op dezelfde manier.
   - Dna en rna tref je bij alle organismen aan.
Geologische tijdschaal:

Bestaat uit 4 TIJDPERKEN (zie blz. 182):
   - Het NEOZOÏCUM (65 mjg – nu)
   - Het MESOZOÏCUM (225 – 65 mjg)
   - Het PALEOZOÏCUM (600 – 225 mjg)
   - Het PRECAMBIUM (4600 – 600 mjg)

Elk tijdperk is onderverdeeld in: perioden (zie overzicht binas 94a)
Oersoep: de oerzee met zowel organische als anorganische stoffen erin
Biogenese: het ontstaan van leven uit levenloze materie
Bacteriën: worden door de meeste biologen als de eerste organismen gezien
Endosymbiose theorie: de veronderstelling dat sommige celorganellen uit bacteriën ontstaan
zijn (o.a. Mitochondria en chloroplasten)
Samenvatting biologie h.6
Zenuwen:
PRIKKEL: verandering in de omgeving of in het inwendige van een organisme

CZS: Centraal Zenuwstelsel, dit bestaat uit: grote hersenen, kleine hersenen, hersenstam en het
ruggenmerg

PERIFEER ZENUWSTELSEL: de zenuwen

Prikkels                          Receptoren (zintuigen)            Effectoren (spier/klier)
Licht                             Staafjes                          Speekselklier
Geur                              Kegeltjes                         Armspieren
Warmte                            Reukzintuig                       Tong
Aanraking                         Tastzintuig                       Oogspieren
Druk                              Drukzintuig                       Kaakspieren
Smaakstoffen                      Smaakzintuig                      Nekspieren
Honger                            Chemoreceptor

Zenuwcellen:
NEURON: een zenuwcel

MOTORISCH NEURON: bewegingszenuwcel

SENSORISCH NEURON: gevoelszenuwcel

SCHAKELNEURON: schakelzenuwcel

ZENUWVEZEL: uitloper van een zenuwcel

NEURIET (axon): afvoerende zenuwvezel

DENDRIET: aanvoerende zenuwvezel

SYNAPS: de contactplaats tussen zenuwcellen onderling of met receptoren en effectoren
TYPE          LENGTE        LENGTE

ZENUWCEL      DENDRIET      NEURIET

GEVOELS-      LANG          KORT

zenuwcel

SCHAKEL-      KORT          KORT

zenuwcel

BEWEGINGS- KORT             LANG

zenuwcel



ZENUW: een bundel zenuwvezels omgevendoor bindweefsel

GEVOELSZENUW: bevat alleen sensorischezenuwvezels

BEWEGINGSZENUW: bevat alleen motorischezenuwvezels

GEMENGDE ZENUW: bevat zowel motorische als sensorische zenuwvezels




Impulsen:
IMPULSSTERKTE:

      is de grootte van de membraanompoling

      heeft een vaste waarde voor alle neuronen

IMPULSFREQUENTIE:

      het aantal impulsen (ompolingen) per sec.

      deze varieert met de prikkelsterkte

      hoe sterker de prikkel, hoe groter de impulsfrequentie

ALLES-OF-NIETS-WET:

PRIKKELSTERKTE < PRIKKELDREMPEL

 geen impulsen
PRIKKELSTERKTE > PRIKKELDREMPEL

 wel impulsen




Ruggenmerg:
De bouw:

      Ligt in wervelkanaal
      Omgeven door 3 ruggenmergsvliezen
      Centrale kanaal met ruggenmergsvocht
      Witte stof (zenuwvezels) = schors
      Grijze stof (zenuwcellichamen) = merg
         - Voorhoorn met motorische neuronen
         - Achterhoorn met schakelneuronen
      Ruggenmergszenuwen zijn gemengd
       - Voorwortel (motorisch)
       - Achterwortel (sensorisch) en bevat
       - Spinale ganglion (=zenuwknoop)
      Langszij: grensstreng met zenuwknopen

De functies:

      Belangrijke schakel tussen hersenen en de romp met ledenmaten
      Verbindt zintuigen met effectoren
      Regelt reflexen uit romp en ledematen




De hersenen:
De hersenstam:

       Verbinding tussen grote en kleine hersenen

       Verbinding tussen hersenen en ruggenmerg

       Reflexcentrum van hoofd/halsgebied

       Kruising van zenuwbanen

       Bevat regelcentra voor: ademhaling, bloeddruk en hartwerking
De grote hersenen:

       Linker en rechter hemisfeer (=hersenhelft)

       Hersenbalk vormt de verbinding

       Hersenschors (oppervlak) = grijze stof

       Hersenmerg (centraal) = witte stof

       In de schors liggen zintuig- en motorische centra (= groepje zenuwcellen met een bepaalde
       functie)

Functies:

       Verwerking van impulsen uit de zintuigen in de primaire zintuigcentra

       Associatie (= verbanden leggen tussen de binnengekomen informatie en reeds aanwezige
       kennis) in de secundaire zintuigcentra.

       Opdrachten geven aan de effectoren vanuit de motorische centra

De kleine hersenen:

       Coördinatie van bewegingen

       Handhaving van evenwicht

       Beide taken worden sterk beïnvloed door alcohol

Zintuigcentra:

PRIMAIR ZINTUIGCENTRUM:

       Verwerkt impulsen uit zintuigen

       Hier vindt bewustwording plaats

       Bij defect zie je of hoor je niets mee (schorsblind en schorsdoof)

SECUNDAIR ZINTUIGCENTRUM:

       Bewaart informatie uit zintuigen

       Dit werkt als een geheugen

       Bij defect weet je niet wat je ziet of hoort (zielsblind en zielsdoof)
Reflexen:
BEWUSTE HANDELINGEN:

Vinden plaats m.b.v. de grote hersenen

REFLEXEN:

        Vinden plaats zonder gebruik van de grote hersenen

        Het zijn snelle, vaste, onbewuste reacties op een prikkel

REFLEXBOOG:

        De weg die impulsen afleggen bij een reflex

        Gaat via het ruggenmerg of de hersenstam



INDELING REFLEXEN:

        Aangeboren reflexen                                   Aangeleerde reflexen
        (= onvoorwaardelijke reflexen)                        (= voorwaardelijke of
                                                              geconditioneerdereflexen)
        Ruggenmergsreflexen
        (reflexboog via het ruggenmerg)                       Hersenreflexen
                                                              (reflexboog via het hersenstam)
        Directe reflexen
        (reflexboog zonder schakelcel)                        Indirecte reflexen
                                                              (reflexboog met schakelcel)




Animale zenuwstelsel:
WERKING:

        Het is de zetel van het verstand en de wil

        Het regelt bewuste reacties en reflexen

        Het zorgt dat gedrag tot stand komt

TAAK:

        Het verwerken van impulsen uit zintuigen
        Het bedienen van skeletspieren

        Zorgen voor houding en beweging

LIGGING:

Het omvat grote delen van hersenen, ruggenmerg en zenuwen.




Autonome / vegatieve zenuwstelsel:
STOFWISSELING:

Het geheel van alle chemische reacties in het organisme. Het bestaat uit:

        assimilatie = alle opbouwprocessen (deze kosten energie)

        dissimilatie = alle afbraakprocessen (deze leveren energie)

WERKING:

        het regelt alles dat niet onder invloed van de wil staat.

        Het (ortho)sympatische deel regelt alle dissimilatieve (energieleverende) processen

        Het parasympatische deel regelt alle assimilatieve (energievragende) processen

TAAK:

        bediening van gladde spieren

        regeling van de hartslagfrequentie

        regeling van de samenstelling van bloed en lymfe

LIGGING:

Het ligt gedeeltelijk in hersenen en ruggenmerg, maar ook daarbuiten in de grensstreng, zenuwen,
darmen en het hart (zie afb. 21 op blz. 213)
Spieren:
DWARSGESTREEPT                                       GLADDE SPIEREN
     skeletspieren, hartspier                              In de wand van holle
     en huidspieren                                        organen (bloedvaten,
     snel vermoeid                                         blaas, darmen, leiders)
     onder invloed van de wil                              onvermoeibaar
     (animale zenuwstelsel)                                niet o.i.v. de wil
     snelle werking                                        (autonome zenuwstelsel)
     krachtig                                              trage werking
     bundels versmolten spiercellen                        vrij zwak
     (=spiervezels)                                        losse spiercellen


MOTORISCH EENHEID(ME):

       De combinatie van één motorisch neuron met alle ermee in verbinding staande spiervezels

       Hoe kleiner, hoe fijner en preciezer de uit tevoeren spierbewegingen zijn

       Alle spiervezels behorende bij één ME hebben dezelfde prikkeldrempel

       Verschillende ME’s van een spier kunnen verschillende prikkeldrempels hebben.




Alveesklier:
DUBBELE KLIER:

       exocrien: productie van alvleessap

       endocrien: door de eilandjes van Langerhans

       hormonen: insuline en glucagon

KOOLHYDRAATSTOFWISSELING:

       koolhydraten hebben glucose als bouwsteen

       glucose gehalte bloed = bloedsuikerspiegel

       dit wordt geregeld door hormonen
Bloedsuikerspiegel:
Hormoon: Insuline uit de eilandjes van Langerhans




     Glucose in                                                     Glycogeen in
     het bloed                                                      lever/spieren



Hormoon: Glucagon uit de eilandjes van Langerhans
Hormoon: Adrenaline uit de bijnieren




Bijnier:
ADRENALINE:

       bijnaam: “startschothormoon” of “fight-and-flight hormone”

       maakt lichaam klaar voor actie

       effecten vergelijkbaar met het sympatische zenuwstelsel, o.a.:
       - stimulering skeletspieren en hartspier
       - verwijding bloedvaten en bronchiolen

       andere bijnaam: “vloeibare sympathicus”



Feedback:
TERUGKOPPELING = FEEDBACK
De reactie beïnvloedt zijn eigen ontstaan (namelijk de prikkel)

NEGATIEVE FEEDBACK:
     de reactie remt zijn eigen ontstaan
       meest voorkomende vorm van terugkoppeling
       nodig bij handhaving van evenwichten

POSITIEVE FEEDBACK:
       de reactie stimuleert zijn eigen ontstaan
       komt niet zo vaak voor
       leidt tot ontregeling of kettingreacties


Menstruatie cyclus:
GEREGELD DOOR:
     hypofysehormonen: FSH en LH
     eierstokhormonen: oestrogenen en progesteron



Klieren:
BIJ DE MENS:
       de hypofyse
       de schildklier
       de thymus (zwezerik)
       de bijnieren
       de eilandjes van Langerhans
       de zaadballen
       de eierstokken

EXOCRIENE KLIER:
      een klier met een afvoerbuis
      bv. speekselklier, zweetklier, alvleesklier

ENDOCRIENE KLIER:
     een klier zonder afvoerbuis
     een hormoonklier

HORMONEN:
    zijn regelende stoffen in je lichaam
    worden geproduceerd door endocrieneklieren
    worden vervoerd door het bloed en komen daardoor overal in je lichaam terecht.
    beïnvloeden alleen daarvoor gevoeligedoelwit organen
Regeling bij zoogdieren:

ZENUWSTELSEL:
     regelt snelle, kortdurende processen
     dit gebeurt via elektrische signalen
     vervoert door zenuwen
     gericht op het doelwitorgaan af
HORMOONSTELSEL:
     regelt langzame, langdurende processen
     dit gebeurt via chemische signalen
     vervoert door het bloed
     ongericht door het hele lichaam



Schildklier:

THYROXINE:
     gemaakt door de schildklier
     stimuleert verbranding in cellen
     stimuleert groei en ontwikkeling

TEVEEL thyroxine:
      leidt tot vermagering en rusteloosheid

TE WEINIG thyroxine:
      vertraagde lichamelijk+geestelijke ontwikkeling
      sneller koud en moe en tragere stofwisseling

TSH:
ThyroxineStimulerendHormoon (uit de hypofyse)

								
To top