Docstoc

Biologie voor Jou - Havo 4 - Hoofdstuk 1 - Inleiding in de biologie

Document Sample
Biologie voor Jou - Havo 4 - Hoofdstuk 1 - Inleiding in de biologie Powered By Docstoc
					DEFINITIES:
Bolle vleugelvorm = Verband tussen vorm en functie.
Bolle vleugelvorm veroorzaakt een opwaartse kracht als er lucht langs strijkt. Bij
vogels.

Cel = De kleinste organisatie eenheid in een organisme. De vorm van de cel hangt
samen met de functie. Een cel bevat organellen.

Celmembraan = De buitenste laag van het cytoplasma. Twee lagen fosfolipiden
(vetachtige stoffen), waarin eiwitten liggen ingebed.
Transport van stoffen, bescherming en regeling van de samenstelling van het
cytoplasma.

Celwand = Een stevig laagje om de cel van een plantaardige cel heen. Wordt
gevormd door het cytoplasma. Behoort niet tot de cel, maar is tussencelstof.
Functie = vorm en stevigheid geven aan de plantencellen.

Chloroplasten = Voorbeeld van plastiden. Organellen die gevuld zijn met
membranen die als stapels muntstukken gerangschikt liggen.
Functie van chloroplasten: Fotosynthese laten plaatsvinden.

Chromoplasten = Voorbeeld van plastiden. Bevatten gele en/of rode kleurstoffen
(pigmenten), deze geven de kleur aan bloemen en vruchten.

Concentratie = De hoeveelheid opgeloste stof per volume-eenheid of
gewichtseenheid.
De concentratie kan worden uitgedrukt in bijv. volume-%, massa-%, g/l, mg/m3 of
ppm

Cytoplasma = Onderdeel van zowel de plantaardige als dierlijke cel. Bestaat uit
water met opgeloste stoffen (o.a. zouten, eiwitten en vetachtige stoffen).
In het cytoplasma bevinden zich organellen.
De buitenste laag van het cytoplasma is de celmembraan.

Dierlijke cel = Bestaat uit cytoplasma en kernplasma.
Bezit een celmembraan en een kernmembraan.
Er komen geen grote vacuolen, plastiden en celwanden voor.

Diffusie = Verspreiding van een stof in een andere stof of verplaatsing van een stof
van een plek in de ruimte naar een andere plek in de ruimte.
Diffusiesnelheid = Nettoverplaatsing van een stof per tijdseenheid.
Het is afhankelijk van het oppervlak waardoorheen diffusie plaatsvindt, de afstand
waarover diffusie plaatsvindt, het concentratieverschil of drukverschil, de
temperatuur, de aard van de diffunderende stof en het diffusiemedium.

Endoplasmatisch Reticulum (ER) = Netwerk van dubbele membranen die bijna
tegen elkaar aanliggen zodat afgeplatte holten en kanaaltjes ontstaan.
Functie van endoplasmatisch reticulum: transport van stoffen.

Gestroomlijnde lichaamsvorm = Verband tussen vorm en functie bij waterdieren.
Vorm waardoor een individu zo weinig mogelijk weerstand ondervindt van het
medium waar in het zich beweegt.
Kop, romp en staart gaan gelijdelijk in elkaar over bij waterdieren.

Gewelfde vormen = Verband tussen vorm en functie.
Gewelfde vormen kunnen veel gewicht dragen. Bij de botten in de voeten.

Holle botten = Verband tussen vorm en functie.
Botten die licht en toch stevig zijn. Komen voor in de ledematen.

Intercellulaire ruimten = Holten tussen de celwanden, gevuld met lucht.

Intern milieu = Het interne milieu van veelcellige dieren bestaat uit
weefselvloeistof en bloedplasma.
Het interne milieu wordt gescheiden van de cel door het celmembraan.

Kernplasma = Onderdeel van zowel de plantaardige als dierlijke cel.
In het kernplasma bevinden zich de chromosomen.
De buitenste laag van het kernplasma is de kernmembraan.

Leukoplasten = Voorbeeld van plastiden. Ze zijn kleurloos. Kunnen zich
ontwikkelen tot chloroplasten, chromoplasten en amyloplasten.

Mitochondriën = Ronde of boonvormige organellen met een dubbel membraan,
waarvan het binnenste membraan sterk is geplooid.
Mitochondriën maken energie vrij met behulp van zuurstof (verbranding).

Orgaan = Een deel van een organisme met een of meer functies.
Een orgaan bestaat uit verschillende weefsels.
Werken vaak samen in organenstelsels
Osmose = Diffusie van water door een semi-permeabele (=halfdoorlatende) wand.

Cel- en vacuolemembranen zijn: semipermeabel (dus osmose is mogelijk)
Celwanden zijn: permeabel (dus osmose is niet mogelijk, diffusie echter wel)

VOORWAARDEN voor OSMOSE:

- twee oplossingen van verschillende concentratie
- gescheiden door een semipermeabele wand
  (in cellen is dat doorgaans een membraan)

Organel = Deel van een cel met een eigen functie.

Voorbeelden van organellen:
Endoplasmatisch reticulum
ribosomen
mitochondriën
chloroplasten
celmembraan

Organenstelsel = Een groep van samenwerkende organen met een gezamenlijke
functie.

Osmotische waarde = De osmotische waarde van een oplossing is afhankelijk van
het aantal opgeloste deeltjes per volume-eenheid.
Hoe groter het aantal opgeloste deeltjes per volume-eenheid, des te groter is de
osmotische waarde.

Porie-eiwit = Een porie waar eiwitten mee vervoerd kunnen worden in of uit de
cel.

      -   geschikt voor kleinere moleculen
      -   verplaatsing d.m.v. diffusie
      -   met concentratieverval mee
          (dus van hoge naar lage concentratie)
      -   passief transport (kost dus geen energie)
Plantaardige cel = Bestaat uit cytoplasma en kernplasma.
Bezit een celmembraan en een kernmembraan.
Er komen grote vacuolen, plastiden en celwanden voor.

Plastiden = Ontstaan in het cytoplasma uit proplastiden.

Ribosomen = Bolvormige organellen, gelegen op de membranen van het
endoplasmatisch reticulum of vrij in het cytoplasma. Functie van ribosomen:
eiwitproductie.

Semipermeabel membraan = Een semipermeabel membraan laat wel water door,
maar niet de opgeloste stof.

Transport- enzymen = Eiwitten die in het celmembraan zitten. Deze eiwitten
kunnen een molecuul of ion van de ene naar de andere kant van het membraan
verplaatsen.

Turgor = De druk van de cel op de celwand.

Tussencelstof = Komt tussen de cellen voor.
Bestaat uit dood materiaal.
In sommige weefsels is de tussencelstof hard, in andere zacht.

Transport-enzym =

      -   geschikt voor grotere moleculen
      -   passief, indien met
          concentratieverval mee
          (dus van hoge naar lage
          concentratie)
          (kost de cel geen energie)
      -   actief, indien tegen
          concentratieverval in
          (dus van lage naar hoge
          concentratie)
          (kost de cel wel energie)
Vacuole = Blaasje in het cytoplasma, gevuld met vacuolevocht.
Vacuolevocht bestaat uit water met opgeloste stoffen (o.a. zouten, glucose en
andere reservestoffen, afvalstoffen en kleurstoffen).
Komen voornamelijk voor in plantaardige cellen.

Weefsel = Een groep cellen met dezelfde vorm en dezelfde functie(s).
In een weefsel komt vaak tussencelstof voor.

Voorbeelden van weefsel:
Spierweefsel, bindweefsel, kraakbeenweefsel, zenuwweefsel en beenweefsel.

Voorbeelden van osmose in de praktijk:
Infuus toedienen aan een patiënt, komkommer salade maken, te veel meststoffen
aan een plant geven etc.
Feiten:
       -   Fotosynthese vind plaats in: chloroplasten.
       -   Celullose kan men alleen aantreffen in dekweefsel (van b.v. een ui),
           dus NIET in dekweefsel, kraakbeen of spierweefsel.
       -   Leukoplasten en chromoplasten kunnen delen van een plant verkleuren
           (tomaten etc.)
       -   Bacteriën leven van fosfaat en zonder fosfaat hebben ze geen voedsel
           meer en gaan ze dood.

Vragen:

1 Welke processen worden tot de stofwisseling gerekend?

   1. koolstofdioxide + water  glucose + zuurstof
   2. glucose + zuurstof  koolstofdioxide + water

2 Hieronder staan drie beweringen over een levensloop en een levenscyclus:

   1. Een levensloop geldt voor een individu en een levenscyclus voor een soort.
   2. Een levenscyclus eindigt met de dood.
   3. Oude dieren die zich niet meer kunnen voortplanten zijn geen onderdeel meer van
      de levenscyclus.

Welke bewering is of welke beweringen zijn juist?

Beweringen 1 & 3 zijn juist

3 Hieronder staan verschillende waarnemingen bij organismen:

   1. Een organisme heeft cellen met bladgroenkorrels.
   2. Een organisme groeit naar het licht toe.
   3. Bij aanraking maakt het organisme geluid.

Uit welke waarneming of uit welke waarnemingen mag je de conclusie trekken dat het
organisme leeft?

Alleen uit waarneming 2.

4 Hieronder staan 3 beweringen over organen, weefsels en organellen.

   1. Een weefsel kan zelfstandig leven.
   2. Organellen kunnen niet zelfstandig leven.
   3. In een orgaan bevinden zich organellen.

Welke bewering is of welke beweringen zijn juist?

Alle 3 de beweringen zijn juist.
5 Hieronder staat 3 beweringen over tussencelstof:

   1. De tussencelstof bij weefsels wordt gemaakt door cellen.
   2. De tussencelstof bevat organellen.
   3. Tussencelstof komt bij alle weefsels voor.

Welke bewering is of welke beweringen zijn juist?

Alleen bewering 1 is juist.

6 In een organisme komen onder andere cellen, organellen en weefsels voor.
Wat is de juiste volgorde van deze delen, van groot naar klein?

orgaan - weefsel - cel – organel

7 Tijdens diepe slaap worden eiwitten in zenuwcellen aangemaakt.
Welk organel zorgt of welke organellen zorgen voor transport van deze eiwitten
in een zenuwcel?

Het E.R. (Endoplasmatisch Reticulum).

8 Een onderzoeker wil het effect van aspirine op de hartslag bepalen. Hij
beschikt over twee gelijke groepen proefpersonen. De proefpersonen van de ene
groep krijgen twee tabletjes aspirine, die ze oplossen in een glas water, waarna
ze de oplossing opdrinken.
Wat moet de controlegroep (blancogroep) krijgen?

Een glas met water en twee tabletjes met een stof waarvan aangetoond is dat hij
geen invloed heeft op de hartslag.

9 Waar wordt de intercellulaire ruimte voor gebruikt?
Voor het transport van gassen.
AFBEELDINGEN:




  TURGOR        PLASMOLYSE

				
DOCUMENT INFO
Description: Samenvatting voor Biologie voor Jou.