Een oude nieuwe stad by X2GZBk

VIEWS: 14 PAGES: 47

									 Een oude nieuwe stad
Het gemeentelijk beleid van Utrecht op het
     gebied van monumentenzorg en
stedenbouw, tijdens het burgemeesterschap
          van Fockema Andreae




                                 Anniek van Leeuwen
                                         De Spinde 33
                                       8102 LA Raalte
                      a.n.g.vanleeuwen@students.uu.nl
                      master scriptie Cultureel Erfgoed
                                             Juli 2008
Inhoudsopgave
1 INLEIDING ........................................................................................................................................................ 3
    1.1          ERFGOED, ONTSTAAN VAN EEN IDEE ..................................................................................................... 4
    1.2          DEFINITIES VAN ERFGOED..................................................................................................................... 6
    1.3          HISTORY VS HERITAGE.......................................................................................................................... 6
    1.4          AUTHENTICITEIT EN NOSTALGIE ........................................................................................................... 7
2 JOACHIMUS PIETER FOCKEMA ANDREAE ........................................................................................... 8
    2.1          JURIST MET PASSIE VOOR STAD EN BOUWKUNST ................................................................................... 8
3 MONUMENTENZORG IN DE PRAKTIJK ................................................................................................ 11
    3.1          MONUMENTENZORG IN EUROPA ........................................................................................................ 11
    3.2          HET ONTSTAAN VAN MONUMENTENZORG IN NEDERLAND .................................................................. 12
    3.3          MONUMENTENZORG AAN HET BEGIN VAN DE TWINTIGSTE EEUW ...................................................... 14
    3.4          HEDENDAAGSE MONUMENTENZORG .................................................................................................. 17
4 STEDELIJKE MODERNISERING AAN HET BEGIN VAN DE 20E EEUW ......................................... 20
    4.1      NIEUW VERVOER ................................................................................................................................ 20
    4.2      HET BESTUUR ..................................................................................................................................... 21
    4.3      STEDENBOUW ..................................................................................................................................... 22
       4.3.1   Nieuwe rol voor architect .............................................................................................................. 23
       4.3.2   Reclame in de stad......................................................................................................................... 23
5 UTRECHT, EEN MODERNE STAD ............................................................................................................ 25
    5.1          GESCHIEDENIS VAN UTRECHT ............................................................................................................ 25
    5.2          UITBREIDING VAN DE STAD................................................................................................................. 27
6 BEHOUD VAN OUD EN RUIMTE VOOR VERNIEUWING IN UTRECHT ......................................... 30
    6.1          MONUMENTENZORG IN UTRECHT ....................................................................................................... 30
       6.1.1       Monumentenverordening............................................................................................................... 30
       6.1.2       Monumentenlijst ............................................................................................................................ 31
       6.1.3       Fockema Andreae’s ideeën ........................................................................................................... 32
       6.1.4       De restauratie van de Dom ........................................................................................................... 34
    6.2          STADSVERNIEUWING .......................................................................................................................... 35
       6.2.1       Doorbraken ................................................................................................................................... 35
       6.2.2       Woonomstandigheden in Wijk C ................................................................................................... 36
       6.2.3       Sanering van Wijk C ...................................................................................................................... 37
    6.3          STEDENBOUW IN UTRECHT, VOLGENS FOCKEMA ANDREAE ............................................................... 38
    6.4          WAT WERD BEWAARD… .................................................................................................................... 39
CONCLUSIE ....................................................................................................................................................... 41
NAWOORD ......................................................................................................................................................... 44
LITERATUURLIJST ......................................................................................................................................... 45




                                                                                                                                                                   2
1 Inleiding

Al sinds lange tijd wordt het grote aanbod aan erfgoed dat de stad Utrecht bezit gewaardeerd.
In de binnenstad vindt de bezoeker een variëteit aan oude gebouwen, die er al vele eeuwen
staan. Voor een toerist zal het vanzelfsprekend zijn dat dit mooie stadsschoon bewaard moet
blijven. Het vormt immers één van de hoofdredenen van zijn bezoek. Het ligt voor de hand te
denken dat de zorg om monumenten van alle tijden is. Immers, waarom konden oude
gebouwen in al die eeuwen anders blijven bestaan? Het feit dat ze geconserveerd zijn moet
ergens verband houden met een belangstelling vanuit de politiek voor oude gebouwen.
       Toch heeft de zorg voor de monumenten in Nederland pas een korte geschiedenis, zal
blijken in deze scriptie. Sinds niet al te lange tijd wordt deze zorg gereguleerd door de
overheid. Als we dan kunnen concluderen dat die monumentenzorg nog betrekkelijk modern
is dan moeten we ervan uitgaan dat vroegere bestuurders op andere gronden besloten dat oude
gebouwen in de bebouwde omgeving mochten blijven staan, dan op de gronden waarop dat
tegenwoordig besloten wordt. Kennelijk werden er waarden aan deze objecten toegekend,
waardoor zij de tand des tijds konden overleven.


Vernoemd worden op een straatnaambord en tevens eindhalte zijn van buslijnen, het is het lot
dat de naam Fockema Andreae is beschoren in Utrecht. Jarenlang voerde burgemeester
Fockema Andreae de scepter over de stad. Wat hij daadwerkelijk betekende voor de stad zal
velen niet bekend zijn. Op tal van terreinen maakte hij zich verdienstelijk. Actief zette hij zich
in voor het creëren van verenigingen en regelmatig schreef hij over zijn interessegebieden. In
het bijzonder ten aanzien van stedenbouw en monumentenzorg had Fockema Andreae veel
ideeën over hoe die in de praktijk geregeld zouden moeten worden.
       In deze scriptie richt ik mij op de visie op monumentenzorg aan het begin van de
twintigste eeuw. Eerst zal een algemeen beeld worden geschetst van wat erfgoed is. Er wordt
een poging gedaan om de ideeën die er leefden over monumentenzorg en stedenbouw aan het
begin van de twintigste eeuw toe te passen op de Utrechtse situatie. Theorie en ideeën worden
aan de hand van voorbeelden uit de stad geïllustreerd.
       Het feit dat de burgemeester belangstelling had voor zowel de monumentenzorg, het
oude in de stad, als de stedenbouw, het nieuwe in de stad, maakt het de moeite waard om te
kijken naar hoe hier een balans in werd gevonden. Hoe kon het Utrechtse bestuur om gaan
met nieuwe ontwikkelingen en met het oude in de binnenstad? Op welke manier werden
keuzes verantwoord en onderbouwd? Hoe zat het beleid in elkaar? Met de scriptie wordt een

                                                                                                 3
antwoord gegeven op de vraag hoe er ten tijde van het ambtstermijn van burgemeester
Fockema Andreae van Utrecht van 1914 tot 1933 in gemeentelijk beleid uiting werd gegeven
aan het spanningsveld tussen het behoud van oude monumenten en het creëren van een
moderne stad en wat de ideeën van Fockema Andreae hierover waren.
        De scriptie behandelt hoe de geschiedenis van de monumentenzorg verliep aan het
begin van de twintigste eeuw. Deze geeft antwoord op de vraag hoe de vooruitgang in de stad
verliep, die ervoor zorgde dat de gemeente meer dan eens betrokken moest worden bij het
bouwen aan een moderne twintigste-eeuwse stad. Vervolgens wordt de Utrechtse situatie
geschetst en in verband gebracht met het beleid van de gemeente en de ideeën van
burgemeester Fockema Andreae. Aan de hand van drie thema’s: stadsuitbreiding,
monumentenzorg en stedenbouw wordt gekeken naar het spanningsveld tussen oud en nieuw,
zoals dat al dan niet bestond in die tijd. Met het gedane onderzoek moet een beeld worden
gegeven van een praktijkvoorbeeld van een gemeente en een burgemeester die zich
intensiever met het beheer van oud en nieuw gingen bezighouden.
        Het onderzoek heeft op verschillende terreinen plaatsgevonden. Naar aanleiding van
een tentoonstelling, die van maart tot en met mei 2008 in het Centraal Museum te zien was,
Burgemeester Fockema Andreae’ raakte ik gefascineerd door de veelzijdigheid van de
burgemeester. Bij de tentoonstelling is dan ook het vooronderzoek verricht. In het museum
zelf sprak ik met betrokkenen over de burgemeester. Fockema Andreae heeft zelf een
aanzienlijk archief nagelaten. Hierin zijn artikelen over hem en artikelen door hem
opgenomen. Hij heeft het nodige geschreven over stedenbouw en de rol die de
(gemeentelijke) overheid moet spelen bij de zorg voor monumenten. Verder is er onderzoek
verricht in de archieven van het gemeentebestuur om uit te vinden hoe het beleid in elkaar zat
in de eerste helft van de vorige eeuw.

1.1     Erfgoed, ontstaan van een idee
Het idee dat er zoiets bestaat als nationaal erfgoed dateert van de tijd van de Franse Revolutie.
De staat diende dit erfgoed te beschermen en te behouden, omdat het besef bestond dat dit
erfgoed toebehoorde aan de eigen inwoners. Na de Franse Revolutie ontstonden er nieuwe
moderne concepten voor staat en burgerschap. Om dit concept te ondersteunen was er een
verleden nodig om het bestaan van de natie te kunnen legitimeren. Hier werd de basis gelegd
voor het moderne concept van erfgoed.1 In de negentiende eeuw werd het idee opgevat ‘that


1
 Gregory Ashworth en Peter Howard, European Heritage Planning and Management, (Exeter, VK en Portland,
Oregon, VS, 1999) 37.


                                                                                                     4
heritage was the footprint of the different peoples conveying a sense of ethnic, social or
national identity. The monument was seen as an historical document of the society it belonged
to’.2
        Hieruit kan opgemaakt worden dat erfgoed gezien werd als een representatie van een
samenleving. Identiteit speelde een belangrijke rol. Een bindende identiteit was noodzakelijk
voor een erfgoedobject. Het erfgoed refereerde terug aan die identiteit. Op dat moment
bestond al een besef dat een monument of anders gezegd, erfgoed, een bron, een document is
van het verleden, waardoor wij meer te weten kunnen komen over de geschiedenis. Het
belang van het object als een bron, naast schriftelijke bronnen lijkt hier al te zijn erkend. De
kennis van een dergelijk bron geeft ons inzichten in de samenleving waartoe die behoort.
        Met het ontstaan van een idee over wat erfgoed was kon er ook nagedacht worden over
welke plaats een stad met al haar gebouwen in onze wereld innam. Vraag een niet-Europese
toerist naar zijn beweegredenen voor een bezoek aan Europa en negen van de tien keer zal
diegene wijzen op het bezoeken van een bepaalde stad. Steden in Europa worden alom
geprezen vanwege hun lange geschiedenis en vaak beeldbepalende historische binnenstad. Ze
worden dan ook wel gezien als het meest voorname en aantrekkelijkste culturele symbool van
het moderne Europa.3 Het lijkt erop dat deze steden als een natuurlijk proces evolueerden. 4
Toch beweert Ashworth in ‘The conserved European city as cultural symbol: the meaning of
the text’ dat een dergelijk natuurlijk proces niet bestaat. Volgens hem werden deze Europese
steden gecreëerd, ze ontstonden niet zomaar. De steden werden met bepaalde doeleinden in
het achterhoofd gemaakt.5 De creatie van deze steden hing dus samen met de functie die zij
dienden te vervullen.
        In de beknopte geschiedenis van Utrecht, die in een later hoofdstuk volgt zal blijken
dat het ontstaan van een stad, niet verloopt, zoals Ashworth hier schetst. Hij heeft gelijk in die
zin dat er kunstmatig ingrepen worden gedaan door het bestuur van een stad om een stad een
bepaalde functie te doen vervullen. Er zou geredeneerd kunnen worden, dat dit het natuurlijke
proces van het ontstaan van steden belemmert. Uiteindelijk gaat het echter om zoveel eeuwen
vol politiek ingrijpen, waarbij zaken worden veranderd om later weer teruggedraaid te
worden, dat het niet zo kunstmatig is als door hem wordt beweerd.



2
  Ashworth en Howard, European Heritage Planning and Management, 37.
3
  G.J. Ashworth, ‘The conserved European city as cultural symbol: the meaning of the text’, in: Brian Graham,
Modern Europe: place, culture and identity, (Londen, 1998) 261.
4
  G.J. Ashworth, ‘The conserved European city as cultural symbol’, 262.
5
  Ibidem.


                                                                                                                5
1.2     Definities van erfgoed
Over wat erfgoed precies is en welke waarde het heeft voor een samenleving, bestaan
tegenwoordig uiteenlopende ideeën. De meeste erfgoeddeskundigen en historici zijn het er
wel over eens dat erfgoed erfgoed is omdat mensen een object waardevol vinden en het willen
conserveren voor de toekomst. Erfgoed en geschiedenis zijn beide twee vakgebieden die in
eerste instantie veel raakvlakken met elkaar lijken te hebben. Kort gezegd draait geschiedenis
om verhalen uit het verleden, gebeurtenissen uit het verleden. Erfgoed is de fysieke getuigenis
van dit verleden. Wanneer erfgoed bekeken wordt vanuit het nu, kan het ook de
tegenwoordige omgang met het verleden genoemd worden.6 Erfgoed is immers één van de
manieren waarin de wijze waarop wij met het verleden omgaan zich manifesteert.
         Volgens David Lowenthal is erfgoed iets unieks, wat we ons zelf toekennen en wat
we als anders waarderen. Bovendien geven we het de voorkeur boven het erfgoed van iemand
anders. Erfgoed is niet puur geschiedenis, het is het verleden waar we trots op zijn en waar we
ontsteld over zijn. In Lowenthal’s visie is onze huidige identiteit gebouwd op dit verleden.
Daarnaast toont dit erfgoed, dit verleden, onze identiteit aan de buitenwereld.7 Erfgoed moet
echter niet gezien worden als de belichaming van nationale identiteit. Veel meer draagt het net
als Lowenthal zegt bij aan de verbeelding van een identiteit, bijvoorbeeld van een natie. 8
Erfgoed is toe-eigening. Iedere uiting van erfgoed, immaterieel of materieel laat een
bezitterigheid zien. In feite is het niemand toegestaan het erfgoed aan te tasten.9

1.3     History vs heritage
Alhoewel geschiedenis en erfgoed veel raakvlakken hebben als werkterreinen zijn er tevens
spanningsvelden te vinden. Erfgoed roept immers emoties op, door het feit dat het iets is wat
geclaimd kan worden door groepen. Mensen denken er recht op te hebben, het eigen te
maken. Er zijn dan ook historici, die ervoor pleiten om als historicus verre van erfgoed te
blijven.10 Bovendien wordt door een aantal filosofen beweerd dat geschiedschrijving slechts
een constructie is. Het is slechts een intellectuele bezigheid, welke nergens op toe te passen




6
  G.J. Ashworth, ‘Heritage and the Consumption of Places’, in: Rob van der Laarse (red.), ‘Erfgoed en de
constructie van vroeger’ in: Rob van der Laarse (red.), Bezeten van vroeger. Erfgoed. Identiteit en musealisering
(Amsterdam, 2005) 193.
7
  David Lowenthal, ‘Heritage and history. Rivals and Partners in Europe’, in: Rob van der Laarse (red.), Bezeten
van vroeger. Erfgoed. Identiteit en musealisering (Amsterdam, 2005) 29.
8
  Susan Legêne, ‘Canon van verschil. Musea en koloniale cultuur in Nederland’, in: Rob van der Laarse (red.),
Bezeten van vroeger. Erfgoed. Identiteit en musealisering (Amsterdam, 2005) 125.
9
  Lowenthal, ‘Rivals and Partners in Europe, 29.
10
   Ibidem, 30.


                                                                                                                6
is.11 Bij erfgoed is het heel anders. Het bestaat nog steeds. De fysieke aanwezigheid is er en
omdat er nu eenmaal de drang bestaat het te conserveren is het noodzakelijk om actief bezig
te zijn met het erfgoed.

1.4     Authenticiteit en nostalgie
Wat maakt een object tot een authentiek object? Het is een vraag die erfgoeddeskundigen
altijd bezig zal blijven houden. Al lijkt de vraag; is authenticiteit wel van belang, ook steeds
meer te gelden. We leven immers in een tijdperk, waarin de visuele cultuur zo is, dat we het
authentieke object niet meer hoeven te zien om het te kennen. Miljoenen mensen zullen de
Mona Lisa herkennen, terwijl zij het echte schilderij in het Louvre nooit aanschouwd hebben.
Op het gebied van monumentenzorg is authenticiteit een belangrijk aspect geworden van de
conserveringspraktijk.
        De authenticiteitsbeleving heeft in belangrijke mate te maken met een vorm van
nostalgie, ofwel dat wat geweest is. Al is het wellicht beter om te zeggen ‘hoe we denken dat
iets geweest is’. Bij het reconstrueren of restaureren van gebouwen laten we ons leiden door
een ideaalbeeld, waarin elk element in harmonie met elkaar moet zijn. Dat die gepretendeerde
harmonie veelal een verzinsel is, blijkt uit het feit dat in veel steden gedurende eeuwen vele
verschillende bouwstijlen naast elkaar konden bestaan.12




11
   Wim Denslagen, ‘Het harmonische stadsbeeld. Lessen van vroeger’, in: Rob van der Laarse (red.), ‘Erfgoed en
de constructie van vroeger’ in: Rob van der Laarse (red.), Bezeten van vroeger. Erfgoed. Identiteit en
musealisering (Amsterdam, 2005) 162.
12
   Denslagen, ‘Het harmonische stadsbeeld’, 163.


                                                                                                            7
2 Joachimus Pieter Fockema Andreae

In een relatief lang burgemeesterschap van 1914 tot 1933 kon Fockema Andreae ervaren hoe
het was om deel uit te maken van Utrecht en van de ontwikkelingen die er plaatsvonden
tijdens het besturen van die stad. Door de lange periode waarin hij mede de koers van het
beleid bepaalde, is het interessant om ontwikkelingen te schetsen aan de hand van datgene
waar hij voor stond.

2.1     Jurist met passie voor stad en bouwkunst

Op 30 juli 1879 zag Joachimus Pieter Fockema Andreae het levenslicht. Hij leek na het
volgen van het stedelijk gymnasium in Leiden in de voetsporen te treden van zijn vader,
Sybrandus Johannes Fockema Andreae, die hoogleraar in oud-vaderlands recht was.
Joachimus Pieter studeerde rechten aan de Rijksuniversiteit van Leiden. Hij promoveerde cum
laude op het onderwerp: Tien jaren rechtspraak van den Hoogen Raad. Bijdrage tot de leer
der wetsuitlegging. Toch volgde al vrij snel op deze promotie een politieke wending. Hij werd
benoemd tot commiesredacteur ter secretarie in Utrecht. De liberale Fockema Andreae ging
zich in deze functie vooral bezighouden met openbare werken en de volkshuishouding. 13
Deze afdeling was in het Utrechtse gemeentebestuur in 1867 opgericht.14
        Zijn kwaliteiten werden al vroeg ontdekt door zijn omgeving, aangezien hij op de
jonge leeftijd van 26 jaar werd aangesteld als plaatsvervangend gemeentesecretaris. Op 28
november 1907 werd Fockema Andreae in de gemeenteraad gekozen. Een maand ervoor was
de toenmalige wethouder van openbare werken A.W. Mees overleden.15 De weg leek hierdoor
vrij te liggen voor een nieuwe stap in de jonge carrière van Fockema Andreae.
        Op 19 december werd hij door de gemeenteraad gekozen als de opvolger van
wethouder Mees. In zijn nieuwe functie ontpopte hij zich tot iemand met grote kennis van de
vraagstukken rond woningbouw en stadsontwikkeling. Deze functie zou hij tot 1914
vervullen. Wederom kwam er een nieuwe taak op zijn pad: Fockema Andreae werd bij

13
   A. Graafhuis, Fockema Andreae, Joachimus Pieter (1879-1949), in: dr. J. Charité, red., Biografisch
Woordenboek van Nederland 1, (Den Haag, 1979) geraadpleegd op: Insituut voor Nederlandse Geschiedenis,
FOCKEMA ANDREAE, Joachimus Pieter (1879-1949),
http://www.inghist.nl/Onderzoek/Projecten/BWN/lemmata/bwn1/fockemae, laatste wijziging onbekend, bezocht
20 mei 2008.
14
   Arend Pietersma en Jellie van der Meulen, Inventaris van de archieven van het gemeentebestuur van Utrecht
1813-1969, archieven gevormd onder verantwoordelijkheid van de gemeentesecretaris, Utrechts Archief,
(Utrecht, 2005) 18.
15
   A. Graafhuis, Fockema Andreae, Joachimus Pieter (1879-1949).


                                                                                                          8
koninklijk besluit op 18 maart 1914 benoemd tot burgemeester van de stad Utrecht, een
functie die hem veel voldoening gaf. Tijdens zijn ambtsperiode, die liep van 1914 tot 1933,
vond het politieke proces van de terugval van het liberalisme en het groeiende belang van de
arbeiders in de gemeenteraad plaats. Daar hebben onder andere de invoering van het
algemeen kiesrecht en het stelsel van de evenredige vertegenwoordiging aan bijgedragen.
           Utrecht barstte in die jaren bijna uit haar voegen. Van een rustige landstad met een
universiteit was zij veranderd in een knooppunt van modern verkeer. Op adequate wijze wist
Fockema Andreae om te gaan met deze nieuwe rol van Utrecht. Hij initieerde en stimuleerde
een paar belangrijke zaken in de stad. Utrecht was al de spoorwegstad van Nederland en kreeg
door zijn invloedrijke bemoeienis in 1917 ook de Nederlandse Jaarbeurs, die in 1931 zelfs het
predikaat Koninklijke Nederlandse Jaarbeurs mocht gaan dragen.
           Één van de grootste passies van Fockema Andreae lag bij de stedenbouw. Gevoed
door een gezond handelsinstinct kon hij daardoor aan de stad leiding geven bij enkele grote
projecten. Zo was er de woningbouw en de stadsuitbreiding, die op de grond van het
algemeen basisplan uit 1924 van Berlage moest gaan plaatsvinden. Tijdens zijn ambt werd het
Stads- en Academisch ziekenhuis verbouwd en uitgebreid, er werd een nieuw hoofdbureau
voor de politie aan het Paardenveld gebouwd in 1931 en er werd een nieuw Stedelijk
Gymnasium gesticht. Een grote voorliefde had de burgemeester tevens voor het oude in de
stad, waarop nog dieper zal ingegaan worden in deze scriptie. Opvallend om nu te noemen is
de restauratie van de Domtoren, die in 1929 gereed kwam.16
           Fockema Andreae’s commerciële inzichten kunnen gelieerd worden aan de stichting
van de Handelsbeurs, de bouw van de nieuwe elektrische centrale aan het Merwedekanaal in
1928, en de aanleg van het Amsterdam-Rijnkanaal langs de stad Utrecht (1928). In 1928 en
1931 kwamen diverse nieuwe markten en veilinggebouwen aan de Croeselaan gereed. 17
           Zijn liefde voor het besturen bleek niet alleen uit zijn grote betrokkenheid voor de
gemeente Utrecht. Hij bekleedde verschillende andere lokale en nationale (ere) functies.
Vanaf het eerste jaar van oprichting in 1917 tot 1923 was hij voorzitter en daarna
erevoorzitter van de Koninklijke Nederlandse Jaarbeurs. Van 1929-1933 was hij curator en
president-curator van de Rijksuniversiteit. Bovendien was hij drie jaar lang, tussen 1924 en
1927 voorzitter van de Vereniging van Nederlandse Gemeenten. Daarnaast had hij zitting in
vele staatscommissies.



16
     Ibidem.
17
     Ibidem.


                                                                                                  9
        In 1933 maakte hij een laatste grote carrièrestap, hij werd benoemd tot commissaris
van de koningin in Groningen. In Utrecht werd hij gemist. Al in 1937 trad hij af. Hij besloot
niet langer een betaalde functie te vervullen en wijdde zich aan wetenschappelijke studies. Hij
keerde terug naar de provincie Utrecht. Hij vestigde zich in Bilthoven. In 1948 werd hem door
het gemeentebestuur van Utrecht een Utrechtse woning aangeboden. Hij zou hier echter nooit
gaan wonen. In 1949 overleed Fockema Andreae, ruim vijftien jaar na het neerleggen van
zijn burgemeesterschap.18
        Ondanks dat zijn bestuurlijke functies erop wijzen dat hij een politicus in hart en
nieren was, weigerde hij twee belangrijke landelijke politieke betrekkingen. In 1939 werd hij
tot twee keer toe minister te worden in het vijfde kabinet-Colijn. Hij weigerde om minister
van Binnenlandse Zaken en hij wenste geen minister van Onderwijs, Kunst en
Wetenschappen te zijn. Zijn politieke invloed heeft zich uiteindelijk vooral beperkt tot het
stedelijke bestuur (Utrecht) en het provinciale bestuur (Groningen). Opvallend is dat
Fockema Andreae geen uitgesproken politieke voorkeur leek te hebben. In zijn denken was
hij een liberaal, maar hij was geen lid van een politieke partij.19 Kenmerkend in zijn
opvattingen was hij wat betreft overheidsbemoeienis. De gemeentelijke overheid moest
volgens hem zich actief bemoeien met hetgeen er in de stad gebeurde.




18
  Ibidem.
19
  Mr. J.P. Fockema Andreae, Parlement&Politiek, Parlementair Documentatie Centrum, Universiteit Leiden,
http://www.parlement.com/cgi-bin/as.cgi/0291000/c/f4home, laatste wijziging onbekend, bezocht 16 juli 2008.



                                                                                                          10
3 Monumentenzorg in de praktijk

De zorg voor monumenten, zoals we die heden ten dage kennen is voortgekomen uit een
proces. Hoewel er altijd aandacht is geweest voor het mooie dat er gebouwd is in andere
eeuwen, werd er vroeger anders over de zorg voor monumenten gedacht. Vooral op
bestuurlijk niveau is het concept van de monumentenzorg nog betrekkelijk nieuw. Wetten en
reguleringen gingen ervoor zorgen dat de bescherming en het behoud niet langer alleen in
particuliere handen kwam te liggen, maar ook tot een taak van de overheid begon te behoren.
Aan de hand van de geschiedenis van de monumentenzorg in Europa en Nederland zal een
beeld worden geschetst van de ontwikkelingen die hebben geleid tot deze
overheidsbemoeienis met oude bebouwing.

3.1     Monumentenzorg in Europa
De manier waarop Europeanen tegenwoordig omgaan met hun erfgoed duidt op een
overkoepelend Europees gebruik. De wijze waarop het verleden nog steeds in het heden wordt
vastgegrepen, wordt behouden, gebruikt en tentoongesteld, door middel van erfgoed, is iets
Europees. Voor Europeanen is het niet meer dan logisch om te leven in een wereld waarin nog
steeds tekenen van het verleden aanwezig zijn.20
        Deze waardering voor het het behoud van het oude in Europese steden heeft nog niet
een lange traditie. De zorg voor het bewaren en beschermen van grote gebieden van een stad
bestaat eigenlijk pas, uitzonderingen daargelaten, sinds recente tijden. Het grootste deel van
het erfgoed dat er nu nog bestaat is er nog door toeval, verwaarlozing en het gebrek aan
motivatie bepaalde stukken opnieuw te ontwikkelen. Pas in de achttiende en negentiende
eeuw gingen er actief personen zich bemoeien met het bewaren van bijzondere gebouwen en
stadsgezichten. Onder andere John Ruskin, A.W.N. Pugin, William Morris, Eugène Viollet-
le-Duc en Prosper Mérimée hielden zich hier in respectievelijk Groot-Brittannië en Frankrijk
mee bezig. Zij hingen het destijds nieuwe idee aan dat, wanneer bepaalde gebouwen hun
functie verloren, zij niet per definitie vervangen dienden te worden. Gebouwen konden
bepaalde waarden bezitten, zoals een architectonische, esthetische, sociale of morele waarde,
welke overdraagbaar zijn. Deze waarden maakte het van belang een dergelijk gebouw te
bewaren of te restaureren naar een vroegere toestand waarin het had verkeerd.21 Met


20
   David Lowenthal, ‘Heritage and history. Rivals and Partners in Europe’, in: Rob van der Laarse (red.), Bezeten
van vroeger. Erfgoed. Identiteit en musealisering (Amsterdam, 2005) 35.
21
   G.J. Ashworth, ‘The conserved European city as cultural symbol, 264-265.


                                                                                                              11
overdraagbare waarde wordt waarschijnlijk bedoeld dat het van belang was voor een
samenleving of een stad om iets te behouden.
        Behalve de bovengenoemde intellectuelen gingen ook anderen zich inzetten voor de
zorg voor monumenten. Regeringen gingen actiever hun invloed gebruiken bij dit onderwerp.
Zo werden er in meerdere landen in Europa kleine commissies ingesteld die zich gingen
bezighouden met het creëren van inventarissen van waardevolle gebouwen in het eigen land.
Deze commissies gingen bovendien criteria opstellen om te kunnen definiëren wat een
monument nou eigenlijk was.22 Vanaf dat moment werd het mogelijk om de gang van zaken
omtrent de monumentenzorg te reguleren vanuit de overheid. Door het opstellen van
inventarissen en criteria kon de politiek controle uitoefenen op de monumentenzorg.
        Overigens moet hierbij de kanttekening geplaatst worden dat het hierdoor makkelijker
werd om bepaalde ideologische standpunten te projecteren op de monumenten. De al eerder
genoemde waarden, die enkele intellectuelen toekenden aan monumenten, konden misbruikt
worden door machtshebbers. Het werd nu immers mogelijk om een bepaald gebouw, dat
bijvoorbeeld een legitimtie was voor het eigen regime, tot monument te verklaren. Ondanks
dat de reguleringen iets goeds betekenden voor de monumentenzorg in het algemeen, heeft de
politiek er een machtsmiddel mee gecreeërd.
        De oorzaak dat er in de 19e eeuw meer aandacht kwam voor erfgoed en monumenten
ligt onder meer bij de industrialisatie. Dit fenomeen had als gevolg dat veel aspecten van het
leven totaal veranderden. Er trad een hoge urbanisatie op. Waar er aan de ene kant zeer veel
monumenten, gebouwen en oude stadsstructuren verdwenen, kwam er gelijktijdig een soort
tegenbeweging op gang. Door de voortdurende veranderingen ontstond er een behoefte om
het verleden in leven te houden.23 Zoals besproken bij het ontstaan van de ideeën over erfgoed
hebben natievorming en identiteit echter ook een zeer belangrijke bijdrage geleverd. Doordat
er immers een idee ontstond over wat erfgoed was, werd er ook nagedacht over wat
monumenten waren en welke rol zij speelden.

3.2     Het ontstaan van monumentenzorg in Nederland
De monumentenzorg stond aan het begin van de twintigste eeuw in Nederland nog in de
kinderschoenen. In de eerste helft van de negentiende eeuw werd er onvoldoende actie
ondernomen op het gebied van bescherming van monumenten.24 Incidenteel ondernam de

22
   G.J. Ashworth, ‘The conserved European city as cultural symbol, 265.
23
   Ashworth, Howard, European Heritage Planning and Management, 37.
24
   J.A.C. Tillema, Schetsen uit de geschiedenis van de Monumentenzorg in Nederland, ter herdenking van een
eeuw regeringsbeleid 1875-1975, (Den Haag, 1975) 7.


                                                                                                             12
regering actie bij het behoud van bepaalde monumenten. Zo vielen de kerkgebouwen in
Nederland onder de hoede van de landelijke politiek. Wanneer herstel van een gebouw nodig
was diende de regering in te grijpen. Een enkele keer werd er opgetreden wanneer een
bijzonder historisch schilderij behouden diende te worden.25
        De geringe inspanningen van de regering betekenden niet dat de Nederlandse
bevolking zich niet inzette door middel van acties. Zo kon door particuliere initiatieven het
Muiderslot in 1824 gered worden voor sloop en de verkoop van het grondgebied van het slot.
De actie leidde er toe dat zelfs koning Willem I betrokken raakte bij de kwestie. Hij was
uiteindelijk degene die besloot dat de verkoop van het slot niet plaats zou vinden.26
        De politiek was verder niet alleen passief op het gebied van de monumentenzorg in de
negentiende eeuw. Ook op andere terreinen was dit het geval.Ten opzichte van het redden van
andere erfgoedobjecten werden er slechts zelden acties ontplooi. Zo is er een aanzienlijk
aantal schilderijen, gemaakt door 17e-eeuwse meesters, naar het buitenland vertrokken.
Hierdoor ontstond een groot gat in de voorraad aan culturele schatten van Nederland.27
Gesteld kan worden dat het Nederlandse cultuurbeleid tot 1830 alleen gericht was op de
instandhouding van de universiteiten en enkele andere instellingen, zoals de Koninklijke
Akademie van Wetenschappen (tot 1851 Koninklijk Nederlandsch Instituut van
Wetenschappen, letterkunde en Schone Kunsten) en de Koninklijke Bibliotheek. Toch is het
te stellig om te zeggen dat de regering het cultureel erfgoed geheel vergeten was. Vooral op
het gebied van de Rijksmusea, de verzamelingen in diezelfde musea en de monumenten
schoot de overheid echter te kort.28
        Iemand die forse kritiek uitte op de houding van de Nederlandse regering was Victor
de Stuers. Hij hekelde de nalatigheid van de Nederlandse regering en zette zich in voor een
actiever beleid..29 Dit deed hij onder andere door de publicatie van zijn kritiekschrift ‘Holland
op zijn smalst’. Veelal wordt hij gezien als degene die monumentenzorg in Nederland op de
politieke agenda heeft gezet.
        Al voor zijn publicatie werd er binnen de politiek en dan met name in het Voorloopig
Verslag van de Tweede Kamer voor de begroting van 1872 onvrede geuit over de staat van
het Rijksmuseum, gevestigd in het Trippenhuis en over de verzamelingen in het Mauritshuis.
De ontwikkeling van de politieke aandacht voor het cultureel erfgoed is dus geleidelijker

25
   Tillema, Schetsen uit de geschiedenis van de Monumentenzorg in Nederland, 7.
26
   Ibidem.
27
   Ibidem
28
   FJ DuParc, Een eeuw strijd voor Nederlands cultureel erfgoed, Ter herdenking van een eeuw rijksbeleid ten
aanzien van musea, oudheidkundig bodemonderzoek en archieven 1875-1975, (Den Haag, 1975) XV.
29
   DuParc, Een eeuw strijd voor Nederlands cultureel erfgoed, 1.


                                                                                                               13
verlopen, dan wel eens verondersteld wordt. 30 Bovendien hebben behalve De Stuers historici,
schrijvers en architecten getracht om de aandacht te vestigen op de monumentenzorg. 31
In 1875 werd er binnen het Ministerie van Binnenlandse Zaken een afdeling opgericht voor
Kunsten en Wetenschappen. Victor de Stuers kwam aan leiding van deze afdeling te staan.
Dit zou hij tot 1901 blijven doen.32 Het is dan ook aannemelijk om te zeggen dat De Stuers
gedurende lange tijd een grote stempel heeft kunnen drukken op de Nederlandse
monumentenzorg. De Stuers zag het erfgoed als een bron van kennis van het verleden. Van al
deze kennis was het vooral van belang om de vaderlandse geschiedenis te leren kennen, zodat
er een nationaliteitsgevoel kon ontstaan. 33

3.3      Monumentenzorg aan het begin van de twintigste eeuw
De reden dat er van overheidswege interesse kwam voor monumentenzorg kwam volgens
Boekman in zijn ‘Overheid en kunst in Nederland’ , voort uit een groeiend nationaal besef en
de esthetische waardering voor monumenten. Bovendien bestond het besef bij de overheid dat
monumenten van belang waren op economisch en sociaal gebied met het oog op toerisme.34
        In 1903 werd de ‘Rijkscommissie tot het opmaken en uitgeven van een inventaris en
een Beschrijving van de Nederlandsche monumenten van Geschiedenis en Kunst’ opgericht.
Deze commissie was ingesteld om wetenschappelijke beschrijvingen op te stellen van voor
Nederland kenmerkende historische bouwwerken. Tevens werd de beslissing genomen door
de commissie tot het samenstellen van een Voorlopige Lijst, die een inventaris ging bevatten
van wat er per provincie aan monumenten te vinden was.35 De commissie was tot stand
gekomen mede door het aandringen van de Nederlandsch Oudheidkundige Bond. Dankzij
deze bond werden meerdere aspecten in de discussie rond de monumentenpraktijk aangekaart.
Zo ging de discussie over de basisprincipes van het restaureren, die vastgelegd werden in
Grondbeginselen voorschriften voor het behoud, de herstelling en de uitbreiding van oude
bouwwerken.36 Hiermee leek er een basis te zijn gelegd voor een gereguleerde
restauratiepraktijk in Nederland.



30
   Ibidem, 2.
31
   Dirk van Laanen, ‘Van de ambtenaren van de Rijksdienst voor de Monumentenzorg, een bedrijfskroniek van
de eerste dertig jaar’, in: Peter Don, red., In dienst van het erfgoed : Rijksdienst voor de Monumentenzorg,
(Zwolle, 1997) 10.
32
   Van Laanen, ‘Van de ambtenaren van de Rijksdienst voor de Monumentenzorg’, 10.
33
   DuParc Een eeuw strijd voor Nederlands cultureel erfgoed, 1.
34
   Dr. E. Boekman, Overheid en kunst in Nederland, (Amsterdam, 1939), 85.
35
   Van Laanen, ‘Van de ambtenaren van de Rijksdienst voor de Monumentenzorg’, 10.
36
   Ibidem, 11


                                                                                                           14
        Vanuit de Rijksoverheid werd er via de Gedeputeerde Staten een verzoek gedaan aan
de Nederlandse gemeenten voor de zorg voor de eigen monumenten. Er diende een beroep
gedaan te worden op de Gemeentewet om zo de bescherming van monumenten te garanderen.
Gedeputeerde Staten moest op de naleving hiervan toezien. In de begrotingen van de
gemeenten dienden financiën opgenomen te worden voor onderhoudskosten van
gemeentegebouwen met een belangrijke historische of artistieke waarde.37 Over het algemeen
ontbraken er in de gemeenten lijsten waarop alle monumenten vermeld werden. Hierdoor
werd het toezicht op de bescherming van deze monumenten moeilijk uitvoerbaar. Voor
belangrijke en voor de hand liggende monumenten was het behoud meestal al wel
gegarandeerd.38 Doordat er geen wettelijke erkenning was voor monumenten, werden in feite
alleen beslissingen genomen over publieke gebouwen. Met betrekking tot particuliere
gebouwen kon er nog steeds vernietiging of aantasting van monumenten plaatsvinden.39 In
deze was de gemeente veroordeeld tot de juiste beslissingen van de bezitter van het pand.
        Zoals al eerder gezegd kwamen initiatieven vanuit de gemeenschap zelf om
belangstelling te wekken voor monumenten. Zo werd in 1911 ‘Heemschut’ opgericht en in
1918 ‘Hendrick de Keyser’. Respectievelijk waren hun doelstellingen


        ‘het waken voor de schoonheid van Nederland’


en


        ‘behoud van oude gebouwen, die
        of op zich zelf architectonische beteekenis hebben, òf een integreerend deel van een
        schoon òf sprekend stadsbeeld uitmaken òf waaraan historische herinneringen
        verbonden zijn.’ 40


In 1918 werd de Rijkscommissie voor de Monumentenzorg opgericht. De commissie kreeg als
voornaamste taken het wetenschappelijk beschrijven van monumenten, zoals dat al gedaan
werd in de genoemde Voorloopige Lijst en het begeleiden van het bouwkundige aspect bij
restauraties.41 Om ook op bestuurlijk gebied goed te kunnen functioneren werd een



37
   Boekman, Overheid en kunst in Nederland, 86.
38
   Ibidem, 87.
39
   Ibidem
40
   Ibidem, 88.
41
    Van Laanen, ‘Van de ambtenaren van de Rijksdienst voor de Monumentenzorg’, 12.


                                                                                               15
Rijksbureau voor de Monumentenzorg opgericht. Aan dit bureau werden behalve praktische
taken ook administratieve taken toegekend.42
        Het feit dat er van overheidswege aandacht besteed ging worden ging verschillende
gemeentes niet ver genoeg. Nog steeds was er niet voldoende gereguleerd. Een aantal
gemeenten nam zelf maatregelen. In 1924 stelden Den Haag en Breda een
monumentenverordening in.43 Op 20 oktober 1927 werd een dergelijke verordening van
kracht in Utrecht44, waarop later nog verder zal worden ingegaan. De verordeningen waren er
allen op gericht om afbraak of aantasting door de eigenaar van bijzondere gebouwen tegen te
gaan. Allereerst werd er een lijst opgesteld met daarop de monumenten die onder de regeling
zouden komen te vallen. Wanneer een monument op deze lijst kwam te staan, werd het
voortaan verboden om zonder vergunning verstrekt door Burgemeester en Wethouders het
onroerend object in fysieke gedaante te veranderen.45
         De verordeningen hadden echter een beperkt reikwijdte. Het ging enkel om
onroerende goederen. Het regelde niet de bescherming van roerende goederen met een
historische of kunstzinnige waarde.46 Bovendien veranderde er aan de gehele situatie in
Nederland onvoldoende. Wanneer iedere gemeente in Nederland snel de eerste steden was
gevolgd met het opstellen van een verordening, dan waren er veel monumenten gespaard
gebleven. In 1938 bleken er echter pas veertig gemeenten te zijn met een
gemeenteverordening. Hierdoor konden nog steeds veel gemeenten in Nederland zich niet
beroepen op een eigen wet om het slopen van monumenten binnen de gemeentegrenzen tegen
te gaan.47
        Ondanks de maatregelen die er op gemeenteniveau werden genomen kwam er weinig
verandering in de houding van de overheid. Wettelijke bepalingen geïnitieerd vanuit de
overheid bleven nog uit. Dit kan mede verklaard worden door de problemen die een dergelijke
regeling zou opleveren voor het eigendomsrecht.48 In feite had een woningbezitter, wanneer
zijn huis tot monument werd verklaard niet meer volledige zelfbeschikking hierover. Het pand
zou dan immers volgens bepaalde eisen in een bepaalde staat gehouden moeten worden. De
wettelijke regeling liep grotendeels stuk op dit struikelblok. Toch perkte de Woningwet die in


42
   Ibidem.
43
   Brief aan het college van burgemeester en wethouders der gemeente Utrecht van Oud Utrecht, 13 november
1924, Het Utrechts Archief, 1007-3, inventarisnummer 29581.
44
   Het Utrechts Archief, 1007-3 29581.
45
   Boekman, Overheid en kunst in Nederland, 93.
46
   Ibidem
47
   Ibidem, 96.
48
   Ibidem, 92.


                                                                                                            16
1901 tot stand kwam het recht op vrije beschikking over het onroerend eigendom al sterk
in.49 Op deze Woningwet wordt nog dieper ingegaan.

3.4     Hedendaagse Monumentenzorg
In de jaren vijftig leek er een verandering te zijn gekomen in de manier waarop er tegen
monumenten werd aangekeken binnen de monumentenzorg. Steeds meer werd de aandacht
gevestigd op dorps-en stadsgezichten. Al voor de Tweede Wereldoorlog werd er belang
gehecht aan kleine monumenten, in plaats van pompeuze gebouwen. In de jaren ’50 zette dit
door en werden steeds meer boerderijen en woonhuizen opgenomen in de restauratiepraktijk,
waar dit voorheen nog vooral kerken en kastelen betrof.50 Wellicht is deze ontwikkeling in
stroomversnelling geraakt door de verwoestende werking die de oorlog op enkele stedelijke
binnensteden had gehad. Rotterdam had veel van zijn oude stadsgezicht verloren. Misschien
is hierdoor de behoefte ontstaan om nog zorgvuldiger om te gaan met een geheel aan
gebouwen, die samen een stadsbeeld of dorpsgezicht bepalen.
        De keuze in Rotterdam om de stad te vernieuwen werd niet overal gemaakt. Hier hangt
natuurlijk mee samen dat Rotterdam meer verwoest was dan elke andere Nederlandse stad. In
Nijmegen en Maastricht werd ervoor gekozen om de oude stad te doen herleven op de oude
sporen die er nog waren. Dit zorgde ervoor dat het werkveld van de monumentenzorg breder
werd dan voorheen. Voortaan diende er bij monumentenzorg ook nagedacht te worden over
stedenbouw.51
        Uitzonderingen daargelaten werden de meeste monumenten voor en na de Tweede
Wereldoorlog teruggerestaureerd naar een oude vorm, waarin het monument ooit zou hebben
verkeerd. Wat in deze gevallen discussie opleverde was de vraag welke oude vorm? Veelal
hadden gebouwen verschillende gedaanten gekend. De keuze om een bepaalde periode als
maatgevend te stellen bij de restauratie van een bepaald gebouw kan daarom iets zeggen over
de waardering voor een bepaalde periode uit het verleden in die tijd.52 In een later hoofdstuk
blijkt hoe dit toe te passen is op de situatie in Utrecht wat betreft monumentenzorg ten tijde
van het burgemeesterschap van Fockema Andreae.




49
   Ibidem.
50
   Van Laanen, ‘Van de ambtenaren van de Rijksdienst voor de Monumentenzorg’, 22.
51
   Fons Asselbergs, Niets is zo veranderlijk als een monument, een pleidooi voor het cultureel argument,
(Zwolle, 2000) 31.
52
   Asselbergs, Niets is zo veranderlijk als een monument, 25-26.


                                                                                                           17
        In 1961 zou eindelijk een Nederlandse monumentenwet ontstaan.53 In deze wet werd
er speciaal aandacht besteed aan dorps-en stads gezichten.54 De praktische naleving van de
monumentenwet leverde veel hindernissen op. Er moest samengewerkt worden door
gemeente, provincie en het ministerie. Bovendien werden eigenaren van bepaalde
monumenten opeens geconfronteerd met de nieuwe status van hun bezit.55
        Aan het einde van de jaren zestig leek er een willekeur te zijn opgetreden in het beleid
met betrekking tot de Nederlandse historische binnensteden. Sanering en cityvorming konden
naast elkaar bestaan.56 In de jaren ’70 waren de monumentenzorg en de architectuur
onderhevig aan het ideaaltype van de stad, zoals dat in die jaren werd nagestreefd. De stad
diende een ontmoetingsplaats te zijn, waarin leefbaarheid en een dorpse sfeer centraal
stonden.57 Hierdoor werd op een gegeven moment bijna alles dat uit het verleden overeind
was gebleven gerestaureerd. In die tijd werd slechts weinig gesloopt. 58 Een soort bevroren
situatie ontstond er in de binnensteden.
        Overigens waren er op financieel gebied de nodige problemen. De subsidiegelden voor
monumentenzorg waren drastisch verminderd. Een duidelijke richting was zoek. In 1992 werd
er dan ook de noodklok geluid. Toenmalig minister Hedy d’Ancona besloot tot een
grootschalig onderzoek over te gaan naar de gesteldheid van Nederlandse monumenten en
stads-en dorpsgezichten. Er werd dankzij lobby’s veel benodigd geld binnengehaald.59
        Eind jaren ’90 was monumentenzorg niet langer gericht op gebouwen en complexen,
maar ook op gebieden. 60 Herkenbaarheid en culturele identiteit nastreven bij de inrichting
van Nederland is waar het binnen monumentenzorg om ging draaien.61 Voorheen was de zorg
van monumenten vooral gericht op hun historische en kunstzinnige belang. In de jaren ’90
wordt er echter voor gepleit om in de monumentenzorg te laten weerspeiegelen wat ons
interesseert, wat ons bezighoudt en wat ons herkenbaar voor komt. De monumenten moeten
een representatie zijn van deze aspecten. Bij zijn aanvaarding van een bijzondere leerstoel aan
de Katholieke Universiteit Nijmegen in 1999 hield Fons Asselbergs een pleidooi voor het op
juiste waarde inschatten van het culturele argument bij ruimtelijke inrichting, stedenbouw en



53
   Van Laanen, ‘Van de ambtenaren van de Rijksdienst voor de Monumentenzorg’, 23.
54
   Ibidem, 24.
55
   Ibidem, 29.
56
   Asselbergs, Niets is zo veranderlijk als een monument, 11.
57
   Ibidem, 33.
58
   Ibidem, 34.
59
   Ibidem, 34-35.
60
   Ibidem, 16.
61
   Ibidem, 17.


                                                                                              18
architectuur. Hij bepleitte dat dit argument even zwaar zou moeten wegen als het
economische argument.62




62
     Ibidem, 14.


                                                                                   19
4 Stedelijke modernisering aan het begin van de 20e eeuw

De 20e eeuw luidde een eeuw in waarin ontwikkelingen elkaar zo snel op zouden gaan volgen
dat ze amper nog bij te houden waren. Het ontvreemde gevoel dat bij velen ging leven is een
gevoel dat al aan het begin van die eeuw aanwezig was. De revoluties op industrieel gebied en
de economische groei zorgden ervoor dat de wereld aan continue transformaties onderhevig
was. Het geloof aan het einde van de 19e eeuw in deze nieuwe moderne fase zorgde ervoor dat
er slechts gering verzet kwam tegen de veranderingen. Vooral in de stad werden de nieuwe
ontwikkelingen duidelijk zichtbaar. Voor de stedeling werd de kleine provinciestad opeens
een grote stad, waarin niet iedere straat meer gekend werd.

4.1     Nieuw vervoer
Het stadsbeeld was aan grote veranderingen onderhevig. Aan het begin van de 19e eeuw was
de voetganger nog de belangrijkste verkeersdeelnemer in de stad. Sleep- en handkarren en
aangespannen wagens waren voornaamste overige weggebruikers. Het grotere transport vond
vooral via waterwegen plaats. In deze eeuw traden er veranderingen op. De stedelijke
bevolking groeide en de economie groeide, waardoor de bestaande verkeersactiviteit
intensiever werd. Bovendien werden er nieuwe manieren van transport ontwikkeld die zich
aan deze nieuwe tendensen aanpasten. De ontwikkelingen bleken al snel invloed te hebben op
de structuur van steden. De bestaande structuur van de steden voldeed niet meer voor de vele
verkeersveranderingen.63
        Andere oplossingen moesten er gezocht worden voor de nieuwe deelnemers aan het
stadsverkeer. Eerst waren de waterwegen de belangrijkste onderdelen van de infrastructuur
geweest. In het midden van de 19e eeuw verschenen er steeds meer verharde wegen, waardoor
er de ruimte kwam voor het verkeer om uit te breiden. In 1839 was al de eerste spoorlijn in
Nederland neergelegd, waarna binnen korte tijd het spoorwegnet zich verbreidde. In deze
periode nam het wegverkeer af. Mede door de aanleg van tramwegen rond 1880 ontstond er
een nieuwe vorm van vervoer, waardoor andere verkeersmogelijkheden niet nodig meer
leken. Aan het einde van de 19e eeuw kenterde dit weer. Het wegverkeer groeide doordat
fietsen en auto’s zich in het straatbeeld gingen begeven. Aan het begin van de 20e eeuw




63
  Rudger A.F. Smook, Binnensteden veranderen, atlas van het ruimtelijk veranderingsproces van Nederlandse
binnensteden in de laatste anderhalve eeuw, (Zutphen, 1984) 34.


                                                                                                       20
verdween de tram in grote mate, door de opkomst van de autobus. Tevens gingen vanaf de
jaren ’20 en ’30 respectievelijk de fiets en auto een grote rol opeisen in het verkeer. 64
        De rol van de overheid aan het begin van de 20e eeuw werd steeds groter. In het
maatschappelijk leven bepaalde zij steeds meer. Maatschappelijke veranderingen en
wijzigingen van stedenbouwkundige structuren beïnvloedden elkaar. Hoewel er vaak van
wordt uitgegaan dat veranderingen in de stad zich min of meer als vanzelf voltrokken is dit
niet het geval. De structuurverandering van steden kreeg een planmatig karakter. De
bebouwde omgeving veranderde niet zomaar meer. Voortaan werd deze verandering van
tevoren via een vooropgesteld plan overeengekomen. De rol die planologen en
stedenbouwkundigen gingen spelen in deze stadsveranderingen nam toe. 65

4.2     Het bestuur
Niet het rijk of de provinciale overheid droeg de grootste verantwoordelijkheid voor de
stadsontwikkeling. De gemeente was hiervoor het voornaamste orgaan. Als zodanig bestond
deze bestuurslaag pas sinds de tijd van Napoleon. Overigens betekende deze instelling onder
Napoleon voornamelijk een continuering van de situatie, zoals die onder de stadsbesturen was
geweest. Voor veel steden omvatte het gehele grondgebied van de gemeente enkel het
stadsgebied. 66 Er veranderde dus maar weinig. In een aantal steden zal het gemeentelijk
gebied groter zijn geweest dan het stadsgebied.
        De gemeenten bezaten een ruime mate aan autonomie binnen het bestuur van het
stedelijk en maatschappelijk leven. Enkel op het militaire terrein had het gemeentebestuur
weinig in te brengen. Er veranderde veel na de instelling van de Gemeentewet in 1851. De
rijksoverheid ging voortaan zelf directe belastingen heffen, waardoor de gemeente op
financieel gebied werd ingeperkt in macht. In Nederlandse steden werden tot die tijd allerlei
soorten belastingen en accijnzen geheven, zoals ‘poortegeld’. Na het verdwijnen van
gemeentelijk geheven belastingen verdwenen de stadspoorten in veel steden uit het
stadsbeeld.67 Het opheffen van deze poorten bood nieuwe mogelijkheden voor de steden,
omdat ze nu konden uitbreiden buiten de wallen van de stad en hier activiteiten konden
ontplooien. Dit betekende niet dat er ongelimiteerd uitgebreid ging worden wat betreft
bebouwing, omdat de steden hiervoor nog steeds waren aangewezen op de eigen



64
   Smook, Binnensteden veranderen, 34.
65
   Ibidem, 12.
66
   Ibidem, 42.
67
   Ibidem.


                                                                                              21
gemeentegrenzen. Meestal moest er dan ook voor uitbreiding gezocht worden naar
oplossingen binnen de bestaande structuur.68

4.3      Stedenbouw
Aan het begin van de twintigste eeuw leek er een gouden tijd te zijn gekomen voor architecten
en stedenbouw. Nieuwe wijken ontwikkelden zich in de steden. Zoals al genoemd kwam er de
ruimte voor steden om zich te ontdoen van de oude gemeentegrenzen. 69 In Utrecht was dit
overigens een moeizaam proces. Pas in 1954 werd er toestemming gegeven voor de
uitbreiding van het gemeentelijk grondgebied door buurtgemeenten en provincie.70 In andere
gemeenten verliep dit over het algemeen sneller. Bij een modernisering van de samenleving
en van de bestaande infrastructuur hoorde ook een modernisering van de bouwkunst.
         Wanneer gekeken wordt naar personen uit die tijd, die schreven over de eerste
decennia van de twintigste eeuw dan lijkt er een diepgaand optimisme te bestaan binnen de
stedenbouw. Al hetgeen in de negentiende eeuw was geschied op het gebied van stedenbouw,
op een paar uitzonderingen na, werd gekenmerkt als van een laag niveau. Bovendien was er
slechts in beperkte mate waardering voor oude bouwwerken.71 Het idee bestond dat alles nu
alleen maar beter kon zijn dan toen. Er werd kritiek op de bouwmeesters van de negentiende
eeuw gegeven. Zij waren immers aan het einde van de laatste eeuw een commerciële weg
ingegaan. Het maken van bouwwerken werd enkel onder het devies, zo veel, zo snel en zo
goedkoop mogelijk gedaan. Esthetische belangen werden ondergeschikt bevonden. De
kenmerken van dit bouwen slaan vooral op de periode tussen 1870 en 1900.72
         Behalve esthetische belangen leken sociale belangen ook geen rol te spelen, luidde de
kritiek, decennia later. Er werd weinig aandacht besteed aan eisen van volkshuisvesting. Veel
architecten zouden zich te goed hebben gevoeld voor het bouwen van arbeiderswoningen. In
de twintigste eeuw kwam hier verandering in. Voortaan ging het esthetische element, zowel
bij de stedenbouw als bij de woningbouw een voornamere rol spelen. Door de invoering van
de Woningwet van 1901 moesten gemeentebesturen zich intensiever bemoeien met
stadsontwikkeling aan de hand van uitbreidingsplannen. Deze verplichting leverde nieuwe
eisen op ten opzichte van diezelfde ontwikkeling van de stad.73


68
   Ibidem.
69
   Boekman, Overheid en kunst in Nederland, 97.
70
   H. Buiter, ‘De moderne stad’, in: R.E. de Bruin, P.D. ’t Hart e.a., red., ‘Een paradijs vol weelde’. Geschiedenis
van de stad Utrecht, (Utrecht, 2000) 477.
71
   Boekman, Overheid en kunst in Nederland, 97.
72
   Ibidem, 98.
73
   Ibidem, 98-99.


                                                                                                                22
        Bouwplannen werden voortaan vooraf beoordeeld door het gemeentebestuur. Om dit
kritisch te kunnen beoordelen stelden gemeenten vaak een zogeheten schoonheidscommissie
in. Deze voorzag de gemeente van deskundig advies met betrekking tot het ontwerp en de
gevolgen van het plan op de omgeving. Vaak waren de schoonheidscommissies in de kleinere
gemeenten, door de provincie aangestelde adviescommissies.74 Amsterdam was haar tijd
vooruit door al in 1898 een commissie aan te stellen die Burgemeester en Wethouders
adviseerde. Voornamelijk werd dit gedaan met betrekking tot de beoordeling van
bouwplannen voor het terrein dat gelegen was achter het Rijksmuseum.75
        De beslissing van gemeenten om toe te zien op het stedenschoon van de eigen plaats,
lijkt te wijzen op een groter besef van de rol die de politiek moest spelen bij de esthetisering
van de stad. Het bewustzijn groeide dat bij actief ingrijpen door de gemeente er gereguleerd
kon worden hoe de stad een mooie verschijningsvorm kon krijgen en houden.

4.3.1 Nieuwe rol voor architect
Dit betekende niet dat de bouwkunst in die tijd per se een esthetisch bouwwerk nastreefde.
Architecten van het Nieuwe Bouwen wilden aan het begin van de twintigste eeuw juist heel
duidelijk niet een overdreven esthetiek nastreven. Volgens hen was dit niet nodig, aangezien
schoonheid een eigenschap is die besloten ligt in functionaliteit.76
        De Woningwet opende zoals al gezegd nieuwe mogelijkheden voor gemeenten voor
toezicht op de stedenbouw. Tevens werd overheidssteun mogelijk voor woningbouw.
Woningbouwverenigingen konden hiervan profiteren. Dankzij deze verenigingen werd in
Nederland regelmatig overgegaan tot zogenaamde complexenbouw. Dit leverde nieuwe
architectonische ideeën op, waardoor de architect zich intensief ging bemoeien met de
ontwerpplannen. 77 Niet eerder waren in Nederland op deze schaal architecten betrokken
geweest bij het creëren van arbeiderswoningen.78

4.3.2 Reclame in de stad
Ondertussen ging de gemeente zich ook bemoeien met een ander aspect van de modernisering
in de stad. Gevelteksten met aanprijzingen van in een winkel te kopen waren; tegenwoordig is
dit iets veel voorkomends. Met name heel oude teksten spreken tot de verbeelding. Het is niet
zeldzaam dat een eigenaar van een bepaald pand, hoewel er nu een ander type winkel in

74
   Ibidem, 101.
75
   Ibidem.
76
   Auke van der Woud, Onuitsprekelijke schoonheid, Waarheid en karakter in de Nederlandse bouwkunst
(Groningen,1993) 6.
77
   Boekman, Overheid en kunst in Nederland, 104.
78
   Ibidem.


                                                                                                      23
gevestigd is, de oorspronkelijke gevelreclame wil behouden. Aan het begin van de twintigste
eeuw lag de situatie anders. Er was kritiek op een te opdringerige wijze van reclame maken op
een pand. Het ‘bescheiden uithangbord’ maakte plaats voor ‘groote opschriften op de gevels,
schreeuwende aanplakbiljetten van allerlei formaat en in helle kleuren, lichtreclames, vaak
voorzien van intermitteerend licht.’ 79 Om extreme gevallen van reclame tegen te gaan werden
gemeentelijke verordeningen ingesteld. Veelal ging dit om reclames die het silhouet van het
bouwwerk aantastten. Zo kon het oorspronkelijke beeld van een bepaald gebouw veranderen
door een reclame-uiting op het dak.80 Er kwam dus een tegenbeweging tegen de
ontwikkelingen die de modernisering met zich meebracht, die zich richtte tegen de
toenemende commercialisering. In feite werd er getracht om de ontwikkelingen tegen te gaan
en af te doen als iets dat niet hoorde, maar decennia later toch een onvermijdelijke
ontwikkeling in de westerse samenleving zou blijken.




79
     Ibidem, 105.
80
     Ibidem, 106.


                                                                                              24
5 Utrecht, een moderne stad

Als een landmark torent de Domtoren uit boven alle bouw in de binnenstad van Utrecht. Al
eeuwen is de toren het symbool voor wat Utrecht is. Een rijke stad met een groot religieus
verleden. De Domtoren symboliseert de oude geschiedenis, als baken van de stad en als
herkenningsteken van de religiuze verdeeldheid die de stad heeft gekend.

5.1     Geschiedenis van Utrecht
De vroegste geschiedenis van Utrecht begint bij de Romeinen. Al rond 50 voor Christus
stichtten zij aan de Rijn een nederzetting. Na 258 na Christus vertrokken de Romeinen.
Inmiddels was de nederzetting sterk ontwikkeld. Met de komst van Willibrord naar de
nederzetting rond 700 na Christus veranderde de plaats. Op de plaats van de nederzetting
werd het kerkelijk gezag gevestigd. Willibrord stichtte de Sint Maartenskerk, op een plek
waar later de Dom zou komen.81 Nog steeds is de band van Utrecht met de heilige zichtbaar in
het stadswapen. Het wit met rode wapen stelt de mantel van de heilige voor, die door midden
is gescheurd voor de bedelaar.
        De nederzetting met de naam Oude Trecht werd enkele malen door de Noormannen
verwoest. Toch ontwikkelde de nederzetting zich tot bisschopsstad. In de elfde eeuw was het
uitgegroeid tot voornaam religieus en cultureel centrum in de Noordelijke Nederlanden. In
1122 verwierf de nederzetting stadsrechten. De huidige structuur van de Oudegracht is naar
alle waarschijnlijkheid in de 14e eeuw tot stand gekomen. De werven en werfkelders stammen
uit deze tijd.82 Momenteel wordt getracht dit bijzondere fenomeen op de werelderfgoedlijst te
krijgen.
        De macht in de stad lag voornamelijk in handen van de bisschoppen. Het stadsbestuur,
dat veelal bestond uit Utrechters van verschillende gilden, trachtte echter steeds de macht in
handen te krijgen. Karel V zorgde er na 1528 voor dat de wereldlijke macht van de
kerkbestuurders afnam. 83 Het stadsbestuur werd voortaan direct door de keizer gekozen. De
traditionele macht van de gilden werd gebroken, doordat de keizer de politieke macht in
handen legde van de vertegenwoordigende stadhouder. Het was de gilden niet langer
toegestaan om samen te vergaderen, zonder toezicht van een vertegenwoordiger van de



81
   Smook, Binnensteden veranderen, 160.
82
   Ibidem.
83
   Ibidem.


                                                                                             25
stadhouder of van het stadsbestuur.84 De macht van de katholieke kerk werd ingeperkt. Karel
V kreeg van Paus Clemens VII toestemming om voortaan bisschoppen te benoemen. Op 20
augustus 1529 werd de nieuwe regeling ingevoerd. De eerste bisschop die benoemd werd
door de keizer was Willem van Enkevoort; de nieuwe bisschop van Utrecht. Hij was de eerste
bisschop, die geen wereldlijk gezag meer kon uitoefenen.85 Langzaam begon de calvinistische
leer terrein te winnen in de Nederlanden en in Utrecht. In 1566 trokken burgers door de
Utrechtse straten om beelden in kerken kapot te slaan.86
        Het was duidelijk dat er veel aan het veranderen was op het gebied van religie in de
stad. Het uitoefenen van het katholieke geloof in de publieke ruimte werd in veel andere
plaatsen verboden. In 1580 was het zover in Utrecht dat onder andere door de gereformeerde
kerkenraad en de schutterij het katholicisme in de ban werd gedaan. Willem van Oranje had
zonder succes getracht de religievrede in de Nederlanden te handhaven. De Dom ontviel de
katholieken. De katholieke kerken in Utrecht werden voortaan gebruikt voor diensten van
gereformeerden of kwamen in een status van verval terecht. Het opheffen van immuniteiten,
gebieden waarop de kerk gezag uitoefende, gelegen rond de oude katholieke kerken, zorgde
voor veranderingen in de structuur van de stad. Op deze plaatsen werden pleinen en straten
aangelegd.87
        In de 17e eeuw kwamen vele gelukszoekers uit de zuidelijke Nederlanden naar het
noorden. Amsterdam, Leiden en Haarlem moesten door de bevolkingsgroei binnen de stad
regelmatig uitbreiden. Voor Utrecht was dit niet het geval. Er werd naar nieuwe ruimte binnen
de eigen stadsgrenzen gezocht.88 Veel van de nieuwe inwoners waren Duitsers en Franse
Hugenoten. Verder kwam er een aanzienlijk aantal Gelderlanders in de stad wonen.89 1674
zou een dramatisch jaar worden voor de Utrechtse binnenstad en zou een blijven litteken
veroorzaken. In augustus van dat jaar werd de stad getroffen door een tornado. Deze
verwoestte onder andere een groot deel van de Dom.90
        Met het invallen van Franse legers in de zuidelijke provincies in 1747 veranderde ook
het nodige in Utrecht. Net als in Zeeland en Holland werd het stadhouderschap hersteld,

84
   A.H.M. van Schaik, ‘Een nieuwe heer en een andere leer’, in: R.E. de Bruin, P.D. ’t Hart e.a., ed., ‘Een
paradijs vol weelde’. Geschiedenis van de stad Utrecht, (Utrecht, 2000) 192.
85
   Van Schaik,’Een nieuwe heer en een andere leer’, 193.
86
   Ibidem, 213-214.
87
   Renger de Bruin, ‘Tussen Vredenburg en Hoog Catharijne, Utrechtse Kunstenaars tegen de achtergrond van de
stedelijke geschiedenis’,in: Hanneke Adriaans, Marja Bosma e.a., De Utrechtse Parade, 1495-1995, van Van
Scorel tot Rietveld en Koch, (Utrecht, 1994) 21.
88
   De Bruin, Tussen Vredenburg en Hoog Catharijne, 27.
89
   D.E.A. Faber en F.N.J. Rommes, ‘Op weg naar stabiliteit’, in: R.E. de Bruin, P.D. ’t Hart e.a., ed., ‘Een
paradijs vol weelde’. Geschiedenis van de stad Utrecht, (Utrecht, 2000) 305.
90
   Faber en Rommes, ‘Op weg naar stabiliteit’, 295.


                                                                                                         26
waardoor de regenten afstand moesten doen van de vrijheden die ze sinds het begin van de 18e
eeuw hadden verkregen. Ze konden niet langer onbekommerd hun hele leven lang zitting
hebben in de vroedschap. In de decennia die volgden zouden ze te maken krijgen met steeds
meer protest tegen hun positie. Deze druk van onderaf kwam niet alleen, maar ging samen
met een sterke druk van buiten. De ontwikkelingen verliepen namelijk zo dat de nationale en
internationale politiek steeds meer invloed uitoefenden op wat er in Utrecht gebeurde.91
         Aan het einde van de 18e eeuw vielen de Fransen succesvol Nederland binnen. In 1795
was het zover voor Utrecht. De stad en de provincie sloten in januari van dat jaar een
capitulatieovereenkomst met de Franse bezetters.92 Al snel was de Bataafse Republiek een
feit. Dit was de nieuwe naam die Nederland kreeg onder het Franse bewind. Napoleon maakte
van de staten onder zijn bewind satellietstaten met familieleden als vorsten. Lodewijk
Napoleon werd de vorst van het vazalkoninkrijk Holland. In 1807 besloot hij zijn intrek te
nemen in Utrecht. Hij bleef hier uiteindelijk slechts een half jaar.93 In 1813 vertrokken de
Franse legers uit de stad.
         Een belangrijke rol in de periode erna voor de structuur van de stad was weggelegd
voor burgemeester van Asch van Wijck. Van 1827 tot 1839 voerde hij de scepter over
Utrecht. De burgemeester stelde een plan op waardoor het stadsbeeld zou veranderen. Naar
zijn idee zou de stadsmuur moeten wijken. Hiervoor in de plaats dienden plantsoenen te
komen. Dit plan werd uitgevoerd door de architect J.D. Zocher jr.94 Later in de negentiende
eeuw ontwikkelde Utrecht zich tot het knooppunt van het spoorwegnet en tot
handelscentrum.95

5.2      Uitbreiding van de stad
In 1664 werden er door Hendrick Moreelse uitbreidingsplannen ingediend voor Utrecht, die
een bewerking waren van het plan dat zijn vader enkele decennia ervoor had gemaakt. Het
plan van Moreelse werd niet doorgevoerd, waardoor een uitbreiding van de stad uitbleef.96
Utrecht was daarom tot aan de 19e eeuw wat betreft bebouwing binnen de stadsmuren
nauwelijks veranderd. In 1824 werd de omwalling weggehaald. De door bouw- en weiland
omgeven stad kon nu eindelijk uitbreiden. Pas veertig jaar later zou er om de singels heen


91
   R.E. de Bruin, ‘Regenten en revolutionairen’, in: R.E. de Bruin, P.D. ’t Hart e.a., ed., ‘Een paradijs vol
weelde’. Geschiedenis van de stad Utrecht, (Utrecht, 2000) 315.
92
   De Bruin, ‘Regenten en revolutionairen’, 339.
93
   De Bruin, Tussen Vredenburg en Hoog Catharijne, 47-48.
94
   Ibidem, 50.
95
   Ibidem, 54.
96
   Ibidem, 35.


                                                                                                                27
grootschaligere bouw gaan plaatsvinden. Deze bebouwing werd aangebracht op de plaatsen
waar al bebouwing was of waar er sprake was van infrastructurele elementen. Deze bouw
werd voornamelijk door particulieren uitgevoerd, waardoor de gemeente hier weinig toezicht
op had. Dit was voornamelijk het geval op de plaats waar nu Wittevrouwen is en langs de
Daalsedijk.
        Bij de gemeente kwam het besef dat het zich actiever moest bemoeien met
nieuwbouw. In de nieuwbouwwijk Lombok werd dan ook op gezag van de gemeente een
stratenplan van tevoren uitgewerkt.97 Overigens betekende dit niet dat nu woningbouw door
door de gemeente ingestelde woningbouwverenigingen plaatsvond. De van tevoren bedachte
structuur van straten werd namelijk bebouwd door particulieren.98 Wel ging de gemeente
serieuzer nadenken over de manier waarop Utrecht zou kunnen uitbreiden. De toenmalige
directeur van gemeentewerken Ch. W. Vermeys nam deze taak op zich. Hij stelde in 1870 het
zogeheten 100-stratenplan op. Het uitbreidingsplan kon uiteindelijke niet doorgaan, onder
andere door onzekerheden omtrent de aanleg van nieuwe spoorwegen binnen de gemeente. 99
        De beslissing om de wijk Wittevrouwen door particulieren te laten bouwen, bleek de
gemeente duur te komen staan. De woonomstandigheden in deze en andere nieuwe wijken
waren abominabel. 100 De woningbouw was verworden tot een commercieel bedrijf, waarin
goedkoop en efficiënt bouwen de hoofdtoon voerden. Hierbij werd geen rekening gehouden
met esthetische belangen en eisen.101 De overheid bemoeide zich nauwelijks met de
bouwactiviteiten en volkshuisvesting. Bovendien was de arbeiderswoningbouw iets, waarvan
veel architecten zich afzijdig hielden, waardoor particulieren vrij spel hadden.102 In 1901
kwam de Woningwet tot stand, die ervoor zorgde dat de toestand van voor de 20e eeuw
veranderde. 103 Voortaan dienden gemeentebesturen zich actiever te bemoeien met de
ontwikkeling van de gemeente. De grotere gemeenten moesten uitbreidingsplannen opstellen,
waardoor alles voortaan meer gereguleerd zou worden. 104 Er werden eisen gesteld aan
stadsontwikkeling.105



97
   Bettina van Santen en Marieke Knuijt, Utrecht in ontwikkeling 1850-1940, Beknopte geschiedenis van de
vooroorlogse wijken in Utrecht, (z.p., z.j.) 5.
98
   Van Santen en Knuijt, Utrecht in ontwikkeling 1850-1940, 5.
99
   Pietersma en van der Meulen, Inventaris van der archieven van het gemeentebestuur van Utrecht 1813-1969,
106.
100
    Van Santen en Knuijt, Utrecht in ontwikkeling 1850-1940, 5.
101
    Boekman, Overheid en kunst in Nederland, 98.
102
    Ibidem, 99.
103
    Van Santen en Knuijt, Utrecht in ontwikkeling 1850-1940, 5.
104
    Boekman, Overheid en kunst in Nederland, 99.
105
    Ibidem.


                                                                                                         28
        Voordat een nieuwbouwwijk werd gebouwd moest er een gedegen plan voorgelegd
worden, waarin voorwaarden werden gesteld aan de bouw. Door de Woningwet werd het
mogelijk om subsidies te ontvangen van het rijk voor de uitvoering van
woningbouwprojecten. Inmiddels werrden er steeds meer woningbouwverenigingen
opgericht. Zij konden onder andere door deze subsidies zich actief inzetten voor
bouwprojecten. Rond de jaren ’10 van de twintigste eeuw ontstond de eerste grote
bouwactiviteit buiten de grenzen van de eigen gemeente, in Zuilen en Elinkwijk. Aan de hand
van het 1000-woningenplan werd binnen de gemeente in 1915 begonnen met de bouw van
Ondiep. Vanaf de jaren ’20 werden in korte tijd Rivierenwijk en Oog in Al gebouwd. 106
        Door de aanleg van deze wijken veranderde de functie van de bestaande kern van de
stad. Was de kern eerst een groot onderdeel van de stad, nu werd de stadskern een klein deel
van een groter gebied. De functieverandering die dit opleverde voor het centrum zorgde er
voor dat de toenmalige infrastructuur niet langer voldeed.107 De verbreding van straten en
doorbraken werden noodzakelijk. Dit vooral omdat het centrum moeilijk bereikbaar was
geworden door de groei van het verkeer. Bovendien bestond er een slechte verbinding tussen
de nieuwbouwwijken buiten het centrum.108




106
    Van Santen en Knuijt, Utrecht in ontwikkeling 1850-1940, 5-6.
107
    Ibidem, 6-7.
108
    Ibidem,9.



                                                                                             29
6 Behoud van oud en ruimte voor vernieuwing in Utrecht
Utrecht groeide en barstte uit zijn voegen in de periode dat Fockema Andreae burgemeester
van de stad was. Op een zorgvuldige manier diende er onderscheid gemaakt te worden tussen
respect voor het verleden en meeliften op de vernieuwingsgolf. Vooral voor een gemeentelijk
bestuur zal dat in die periode een grote opgave geweest zijn. De ontwikkelingen op het gebied
van monumentenzorg zorgden ervoor dat niet langer alles lukraak gesloopt mocht worden.
Toch dwong de bevolkingsgroei en de moderne samenleving stadsbesturen om na te denken
over stadsvernieuwing.
           In dit hoofdstuk wordt de manier beschreven waarop het gemeentelijk bestuur en met
name Fockema Andreae omging met de stedelijke vraagstukken op het gebied van de
bebouwing in de stad, aan de hand van de thema’s monumentenzorg, stedenbouw, en
stadsvernieuwing. Met behulp van beleidstukken en publicaties van de burgemeester wordt
een beeld geschetst van de situatie vanaf na de Eerste Wereldoorlog tot aan de jaren ’30 van
de twintigste eeuw.

6.1        Monumentenzorg in Utrecht

6.1.1 Monumentenverordening
Om tot een gemeentelijke bepaling te komen op het gebied van monumentenzorg werd er in
1925 voorgesteld een welstandsbepaling op te nemen in de bestaande bouwverordening. Door
het instellen van deze bepaling zou de zorg voor het stadsschoon, wanneer bestaande
gebouwen veranderd of vernieuwd werden, als taak van de gemeente erkend worden. Hierbij
werd wel een kanttekening gemaakt door burgemeester Fockema Andreae. In een brief aan de
Gemeenteraad, waarin hij pleitte voor een dergelijke bepaling, gaf hij aan dat dit geen
garanties bood voor behoud van stedelijk schoon. De bepaling hield niet automatisch in dat
gebouwen van belangrijke historische of esthetische waarde bewaard zouden blijven in de
stad.109
           Het probleem dat hij in deze brief namelijk wilde aankaarten is dat de eigenaar van een
bepaald gebouw het vrij stond om over zijn of haar pand te beschikken. Ook al kon het
desbetreffende eigendom niet alleen van belang zijn voor hemzelf, maar ook voor de
gemeenschap. Het gebouw kon bepaalde waarden bezitten, waardoor het voor de gehele

109
   Brief van Fockema Andreae aan de gemeenteraad, 22 september 1925, Stukken betreffende de vaststelling en
de wijziging van de Monumentenverordening 1924-1955, Het Utrechts Archief, 1007-3 inventarisnummer
29581.


                                                                                                         30
samenleving belangrijk was om het te behouden.110 Het stond een eigenaar vrij om zijn of
haar pand aan te passen en te veranderen. Fockema Andreae was van mening dat dit een halt
toegeroepen moest worden. Op dit gebied diende de overheid maatregelen te nemen. Deze
maatregelen moesten het vernietigen of het veranderen van bouwwerken met (kunst)-
historische waarde tegengaan. Volgens hem woog het belang van het behoud en de
bescherming van dergelijke objecten voor de samenleving op tegen de eventuele aantasting
van het eigendomsrecht door de bepaling.
        De Rechtskundige Commissie, waarvan Fockema Andreae voorzitter was, stelde een
onderzoek in naar wat de rol van de gemeente kon zijn in een dergelijk kwestie. Was het
behoud echt een taak voor de gemeente of meer voor een rijksoverheid? Door het onderzoek
was gebleken dat de overheid al vele maatregelen had getroffen op het gebied van
monumentenzorg. De burgemeester/voorzitter wees op de Rijkscommissie en het Rijksbureau
voor de Monumentenzorg. Verder gaf hij aan dat er een Monumentenwet in voorbereiding
was. Ondanks dit alles oordeelde hij dat er toch een gemeentelijke regeling zou moeten
komen. Er waren volgens hem de laatste tijd verscheidene voorvallen geweest waarin er veel
behoefte was geweest aan goede voorschriften voor de bescherming van monumenten.
        In 1924 was er al een verzoek gestuurd door Vereniging Oud-Utrecht aan
burgemeester en wethouders. Hierin werd er verzocht een monumentenverordening op te
stellen, om in de toekomst er zorg voor te dragen dat de bescherming gereguleerd zou worden.
In de monumentenverordening zou volgens de Rechtskundige Commissie een bepaling
moeten worden opgenomen dat het eigenaren van een monument verboden werd om
aanpassingen te doen, zonder eerst toestemming en een vergunning te krijgen van de
gemeentelijke overheid.111

6.1.2 Monumentenlijst
        In 1927 ging de monumentenverordening in werking. Als leidraad voor de
monumentenverordening werd een monumentenlijst, met hulp van de
monumentencommissie, opgesteld. Op de eerste ‘voorloopige monumentenlijst’ van Utrecht
stonden 111 objecten. De objecten in deze voorlopige lijst kenmerkten zich nog door het feit
dat het vooral vooraanstaande objecten in de gemeente waren. Voor de hand liggende




110
    Brief van Fockema Andreae aan de gemeenteraad, 22 september 1925, Het Utrechts Archief, 1007-3
inventarisnummer 29581,
111
    Ibidem.


                                                                                                     31
gebouwen als het Paushuis, de Janskerk, de Domtoren en de bijbehorende kerk kwamen op de
lijst voor.112
        Kennelijk werd er zo snel mogelijk getracht de historisch belangrijke gebouwen in de
stad op de lijst te krijgen. Veelal ging het om voornamere panden, gelegen aan bijvoorbeel de
Kromme Nieuwegracht. Aan oude middeleeuwse panden in Wijk C werd deze status zelden
gegeven. In de uiteindelijke eerste monumentenlijst werd het aantal monumenten
opgeschroefd. Daar kwamen 256 objecten in voor, die alle vóór 1850 waren gebouwd.113
        Om de nieuwe status van de panden in Utrecht aan te tonen werd er besloten om een
merkteken te plaatsen. Ieder gebouw zou een merkteken moeten krijgen. Het teken bestond uit
het wapen van Utrecht, met daarop een zwarte M.114 Dit kleine metalen plaatje is nog steeds
op veel gevels en deuren in Utrecht terug te vinden. Later zouden er rijks- en
provinciemonumenten bij komen, die ook hun eigen merkteken ontwikkelden.
        Niet iedere inwoner was blij met de beslissing. Er kwamen dan ook enkele protesten
van huizenbezitters aan de gemeente. Zij zagen een dergelijk merkteken op hun woning niet
zitten.115 Over het algemeen kan echter gesteld worden dat bij de inwerkingtreding van de
monumentenverordening in Utrecht in de eerste jaren weinig problemen konden worden
gemeld. Wanneer een monument verbouwd diende te worden werd dit over het algemeen in
goed overleg gedaan met de monumentencommissie.116

6.1.3 Fockema Andreae’s ideeën
In Fockema Andreae’s visie was iedereen er van doordrongen aan het begin van de 20e eeuw,
dat oud schoon in de binnensteden behouden moest blijven. Er was al veel verloren gegaan en
daar moest nu tegen opgetreden worden. Verkeersontwikkelaars dienden te beseffen dat niet
alles kon wijken voor de door hun voorgestelde infrastructuur.117 Bovendien moest er
stilgestaan worden bij datgene wat er bewaard diende te blijven in de stad.118

112
    Monumentenlijst, Het Utrechts Archief, 1007-3 inventarisnummer 29591.
113
    Monumentenlijst, Het Utrechts Archief, 1007-3 inventarisnummer 29591.
114
    Brief van de directeur der gemeentewerken aan burgemeester en wethouders, 10 januari 1930, Stukken
betreffende de vaststelling en de wijziging van de Monumentenverordening 1924-1955, Het Utrechts Archief,
1007-3 inventarisnummer 29581.
115
    Brief van de directeur der gemeentewerken aan burgemeester en wethouders, Het Utrechts Archief, 1007-3
inventarisnummer 29581.
116
    Brief van Fockema Andreae, namens de Rechtskundige Commissie aan burgemeester en wethouders, 22 juli
1930, Stukken betreffende de vaststelling en de wijziging van de Monumentenverordening 1924-1955, Het
Utrechts Archief, 1007-3 inventarisnummer 29581.
117
    Manuscripten van korte artikelen ,1917-1946, Utrecht, 19 juni, 1921, in: Oude Delft nummer van het
Bouwkundig Weekblad, 12e jaargang, nummer 26, 25 juni 1921, bladzijde 169, Het Utrechts Archief, 831-11
inventarisnummer 35.
118
    Manuscripten van korte artikelen, 1917-1946, Het Utrechts Archief, 831-11 inventarisnummer 35,
169.


                                                                                                        32
        Fockema Andreae besefte dat de situatie in de 19e eeuw anders was. Een groot besef
van historiciteit blijkt uit de kritiek die hij uitte op vroegere beleidsmakers. Zo noemde hij
deze periode zelfs de meest barbaarse tijd sinds de schepping. In zijn ogen was ontzettend
veel bedorven door het slopen van bepaalde gebouwen, het dempen van grachten en door
lelijke nieuwbouw en lintbebouwing.119 Interessant is vooral het dempen van bestaande
waterwegen in een stad. De kritiek die hij hierop gaf was kennelijk aan dovemansoren gericht
voor latere beleidsmakers in Utrecht, aangezien een deel van de singels in de 20e eeuw
gedempt werden.
        Het dempen van grachten was in de 19e eeuw al op grote schaal gebeurd. Vanuit
hygiënische overwegingen werd het tot rond 1880 wenselijk geacht om grachten in
binnensteden te dempen. Overigens ook vanuit een esthetisch inzicht; de stad zou daardoor
moderner aandoen. Pas rond 1880 kreeg men in de gaten dat hiermee een stuk eigen van de
stad en van Nederland verloren ging.120 In feite werd een stuk van de stedelijke identiteit
aangetast.
         In een voorwoord van een manuscript ‘Het Utrechts grachtbeeld voorheen en thans’,
een uitgave van Vereniging Oud Utrecht ging Fockema Andreae dieper in op zijn aversie
tegen de dempingdrang uit de 19e eeuw. Hij uitte zijn vreugde over het feit dat de Utrechtse
grachten niet waren gedempt. Utrecht zou volgens hem zijn schoonheid hebben verloren als
de karakteristieke grachten met werven, bruggen en bochten uit het stadsbeeld zou zijn
verdwenen. In het voorwoord gaf hij aan tevreden te zijn dat er tegenwoordig meer aandacht
voor deze zaken bestond. Hierbij maakte hij wel de kritische kanttekening, dat er altijd voor
gewaakt moest worden het moois te bewaren, aangezien in een andere tijd de tijdsgeest anders
kon zijn.
        Wat betreft het Utrechtse stadsbeeld gaf hij aan dat het van belang was om waakzaam
te zijn over het moois uit het verleden. Tevens moest er waakzaam om worden gegaan met al
het nieuws dat de plaats van het oude inneemt. Men ‘moet overheid en burgers te zaamen
doordringen van den plicht, om ieder naar zijn eigen vermogen, “opbouwend” werkzaam te
zijn tot het scheppen van nieuwe schoonheden.’ 121 Fockema Andreae’s betrokkenheid met de
monumentenkwestie bleek uit tal van terreinen. Niet alleen sprak hij hierover in publicaties en

119
    ‘De karakteristiek van de Nederlandschen stedebouw, De tweede dag van den leergang in de afdeeling
Bouwkunde der Technische Hoogeschool’, Delftsche Courant, 29 oktober 1937, 1.
120
    Ad de Jong, Dirigenten van de herinnering, musealisering en nationalisering van de volkscultuur in
Nederland 1815-1940, (2e druk; Amsterdam, 2006) 225.
121
    Manuscript van het voorwoord in ‘Het Utrechts grachtbeeld voorheen en thans’, een album met 12
grachtgezichten naar oude tekeningen, door de Vereniging Oud Utrecht bij haar 5-jarig bestaan uitgegeven,
1928, Het Utrechts Archief, 831-11 inventarisnummer, 43.


                                                                                                            33
boeken, hij ondernam zelf ook actie. Voor zover bekend kwam deze passie niet gericht ergens
vandaan. Hij vond het simpelweg belangrijk dat oude gebouwen op de juiste wijze
gewaardeerd werden.
        Midden in zijn ambtstermijn, in 1923 organiseerde hij een dag waarbij er door
verschillende Utrechters werd gesproken over de geschiedenis van Utrecht. Tevens kwam het
behoud van historische gebouwen aan de orde. Deze bijeenkomst mondde uit in de oprichting
van de al eerder vermelde Vereniging Oud-Utrecht.122 Deze vereniging is tegenwoordig nog
steeds actief als pleitbezorger van Utrechts verleden en het Utrechts erfgoed. Tot aan zijn
overlijden bleef Fockema Andreae erevoorzitter van de nieuwe vereniging.123
        Op bestuurlijk gebied liet Fockema Andreae zich gelden bij de totstandkoming van de
al genoemde monumentenverordening, waaraan hij een aanzienlijke bijdrage leverde. Het was
zijn overtuiging dat de overheid een goed voorbeeld diende te geven aan de burgers. Dit
diende in woord en daad te gebeuren. De overheid moest tonen dat zij grote waarde hechtte
aan de kunsten en wetenschappen. Hierbij diende er geen onderscheid te zijn voor de kleinste
vormen van kunsten en wetenschappen, waar hij bijvoorbeeld postzegels, platen en
reclamepapier onder verstond en het grote, waaronder stadsschoon, openbare gebouwen en
objecten als bruggen en standbeelden.124

6.1.4 De restauratie van de Dom
Als burgemeester van de stad Utrecht diende Fockema Andreae betrokken te zijn bij allerlei
activiteiten in de stad. De grote verscheidenheid aan onderscheidingen en erepenningen die hij
gedurende zijn ambtsperiode in zijn bezit kreeg laten dit onder andere zien. Binnen zijn
gemeente waren er diverse grootse projecten die zijn aandacht kregen en waarbij hij vooral
een ceremoniële rol diende te vervullen. Al jaren voor zijn aantreden was er een begin
gemaakt met de restauratie van de Domtoren. In 1929 was deze restauratie voltooid en
burgemeester Fockema Andreae sprak een rede uit bij de officiële samenkomst. Uit
verschillende zinsneden uit zijn rede is op te maken hoe zeer hij het van belang achtte dat
restauratiewerkzaamheden op een juiste manier geschiedden. Vol ergernis liet hij zich uit over
vroegere tijden waarin er volgens hem veel verwaarlozing had plaatsgevonden. Bovendien
waren er in zijn ogen veel verkeerde herstellingen, ofwel restauraties van de Domtoren

122
    H.V. Veskes, ‘Joachimus Pieter Fockema Andreae (1879-1949) burgemeester’, J, Aalbers, W. van den
Broeke, red., Utrechtse biografieën 5. Levensbeschrijvingen van bekende en onbekende Utrechters, (Utrecht,
1998) 42.
123
    Veskes, ‘Joachimus Pieter Fockema Andreae’, 42.
124
    Fockema Andreae, ‘Kunsten en Wetenschappen’, in: C.W. van der Pot, Th. G. Donner, ed., Nederlandsch
Bestuursrecht,(Alphen aan den Rijn, 1932) 502.


                                                                                                             34
geweest.125 De zeer slechte toestand waarin sommige delen van de toren zich bevonden,
waren volgens hem de kosten en moeite van het herstellen waard.126
        In zijn rede roemde Fockema Andreae de toren omdat het aan het silhouet van de stad
een‘bijzondere bekoring’ gaf. De toren was volgens hem onmisbaar in het stadsbeeld.127 Hij
ging hierbij niet alleen in op de esthetische waarden van de toren. Nadrukkelijk noemde hij de
intrinsieke waarde van de toren als representatie van de geschiedenis van de stad Utrecht. De
toren herinnerde aan de kerkelijke en wereldse geschiedenis van Utrecht. Bovendien liet die
het meesterschap van de bouwmeesters zien 600 jaar voor deze restauratie.128
        Met de restauratie wordt in feite recht gedaan aan het vakmanschap van deze mannen.
Ashworth heeft het in ‘European Heritage Planning and Management’ over authenticiteit. Hij
erkent een aantal verschillende vormen van authenticiteit. Daarbij noemt hij onder andere dat
de authenticiteit van de maker de authenticiteit van het object kan bepalen. Of zoals hij het
noemt ‘the hand of the master’.129 Wat duidelijk wordt aan de casus van de Domtoren is dat
Fockema Andreae een grote waarde hechtte aan de authenticiteit van de makers.
Authenticiteit binnen restauratie kan gezien worden als het eer doen aan het verleden.
Fockema Andreae wilde dat er eer werd gedaan aan de bouwmeesters, die begonnen waren
met het bouwen van de Dom.

6.2     Stadsvernieuwing
6.2.1 Doorbraken
Na 1880 trad er een grote bevolkingsgroei op in Utrecht. Tot ongeveer 1920 zou deze groei
blijven doorgaan. Dit had vergaande consequenties voor het binnenstedelijk gebied. Het
centrum kwam tot ontwikkeling als stadscentrum. Hierdoor werd het noodzakelijk dat de
aansluiting met de plaatsen waar buiten het centrum was uitgebreid verbeterd werd. Er zouden
meer dwarsverbindingen moeten worden getrokken door de stad. In 1919 ontstonden de eerste
plannen om dit soort doorbraken te realiseren. De plannen hadden tot gevolg dat op enkele
plaatsen in de binnenstad de wegen verbreed werden.130 Overigens werden er al in het begin
van de 20e eeuw dergelijke verbredingen toegepast. In 1901 werd begonnen met de
verbreding van de Potterstraat, in 1903 gevolgd door de Domstraat, de Korte Jansstraat en de


125
    G.W. van Heukelom, Geschiedenis en herstellingswerken van den Domtoren te Utrecht tot 1929, (z.p., 1929)
IV.
126
    Van Heukelom, Geschiedenis en herstellingswerken van den Domtoren te Utrecht tot 1929, V.
127
    Ibidem, VI.
128
    Ibidem, VI.
129
    Ashworth en Howard, European Heritage Planning and Management, 44-45
130
    Smook, Binnensteden veranderen, 162.


                                                                                                          35
Voetiussteeg. De daadwerkelijke verbreding van de Potterstraat zou uiteindelijk pas in 1924
gereed zijn.131

6.2.2 Woonomstandigheden in Wijk C
In een volgende paragraaf wordt ingegaan op de sanering van Wijk C. Dit was één van de
grotere projecten aan het begin van de 20e eeuw in de binnenstad. Er waren verschillende
redenen voor het besluit tot sanering van dit gebied. In de correspondentie, die er werd
gehouden, bij het vaststellen van de problematiek en het vaststellen van het plan werd
hierover regelmatig bericht.
        Zo werd er ingegaan op het verlies van karakter van de wijk. De bevolking zou
destijds voornamelijk bestaan hebben uit marktkooplui en straatventers. Dit was zo gegroeid,
door het feit dat er vele marktterreinen in de wijk lagen. Bovendien was dit ook terug te
vinden in de bebouwing. Vele gebouwen deden dienst als pakhuis.132 De structuur van de wijk
was dus volledig in dienst van het karakter van de wijk, of andersom.
        De marktterreinen werden verplaatst naar plaatsen buiten het centrum, buiten Wijk C.
In feite veranderde daardoor het karakter van de wijk, werd gesuggereerd. Hierdoor zou op
natuurlijke wijze de wijk gaan veranderen, maar de gemeente wilde haar best doen om dit
veranderingsproces te doen versnellen.133 Een andere reden die genoemd werd waren de
woningtoestanden in de wijk. Die waren op zijn zachtst gezegd miserabel te noemen en leken
eerder een middeleeuwse wijk te weerspiegelen dan een moderne twintigste eeuwse
stadswijk. Bij keuringen die er in de wijk werden gehouden bij bepaalde huizen werd
duidelijk dat vele woningen niet aan een hoge standaard voldeden. Vaak deelden meerdere
gezinnen een wc, die meestal buiten gesitueerd was. De toestand binnen de woningen was erg
slecht. Er was sprake van vochtige muren, steile trappen, die het ontbrak aan goede leuningen,
weinig licht en vochtige slaapplaatsen.134




131
    Ibidem, 163.
132
    Saneringsplan Wijk C, juli 1930-mei 1933, Utrecht, 30 juli 1930, Stukken betreffende het vaststellen en
uitvoeren van een plan voor de sanering van (de voormalige) Wijk C 1930-1957, Het Utrechts Archief, 1007-3
inventarisnummer 20503.
133
    Saneringsplan Wijk C, juli 1930-mei 1933, Utrecht, 30 juli 1930, Het Utrechts Archief, 1007-3
inventarisnummer 20503.
134
    Brief van de gezondheidscommissies van de gemeente Utrecht aan Heeren Burgemeester en Wethouders van
Utrecht, 22 juni 1932, Saneringsplan Wijk C, juli 1930-mei 1933, Stukken betreffende het vaststellen en
uitvoeren van een plan voor de sanering van (de voormalige) Wijk C 1930-1957, Het Utrechts Archief, 1007-3
inventarisnummer 20503.


                                                                                                         36
6.2.3 Sanering van Wijk C
Aan het begin van de 19e eeuw trad er een proces op waardoor in Utrecht het noordwestelijke
gedeelte veel dichter bevolkt raakte. Wijk C werd hierdoor een echte volksbuurt. De
woontoestanden verslechterden hierdoor en in sommige gevallen werd dit onhoudbaar. Al in
1883 werd er besloten om tot sanering overgegaan. Er werd een park, Oranjepark, aangelegd,
waar een aantal huizenblokken voor moesten wijken.135 Vergeleken bij de sanering die in de
twintigste eeuw zou volgen viel dit nog mee. De gevolgen voor de wijk leken te overzien.
        De sanering die een kleine halve eeuw na de aanleg van het Oranjepark werd
uitgevoerd was onderdeel van een plan van de architecten Berlage en Holsboer uit 1920. In
dit plan werd voorgesteld een deel van de woonbebouwing te saneren en een doorbraak te
maken in de St. Jacobsstraat. In die tijd kon sanering het beste gezien worden als het
verkrijgen van voldoende bouwterrein om een nieuwe invulling aan te geven, hetgeen in dit
geval het bouwen van een groot deel goedkope woningen was.136
        Hiervoor zijn al enkele redenen genoemd voor het overgaan tot sanering van Wijk C.
In de besluitvorming kwam echter ook het verkeer ter sprake. De sanering zou nieuwe
mogelijkheden opleveren voor het aanleggen van nieuwe verkeerswegen door de wijk.137 In
de correspondentie die er bestond binnen de gemeente werd dit tactvol omschreven. De
aanleg van de nieuwe wegen werd namelijk gepresenteerd als een goede bijkomstigheid van
de ruimte die er vrij kwam door de te slopen huizen. Het werd echter zo gepresenteerd dat het
niet leek alsof die huizen speciaal werden gesloopt om die wegen te creeëren. De slechte
woonomstandigheden zullen ongetwijfeld meegenomen zijn in de overwegingen, maar het zal
de gemeente absoluut goed uit zijn gekomen om bepaalde blokken tegen de vlakte te gooien
om er nieuwe infrastructurele mogelijkheden voor terug te krijgen.
        Bij de correspondentie die er was in de laatste jaren van de ambtstermijn van
burgemeester Fockema Andreae omtrent de saneringsplannen valt de betrekkelijk geringe
zorg om te slopen oude gebouwen op. In 1930 kwam er echter een dringend verzoek van de
directeur van Gemeentelijke Bouw-en Woningdienst gericht aan de wethouder van
volkshuisvesting en openbare werken. Bij een bepaald gedeelte van het saneringsplan zou het
Jacobikerkhof, gelegen bij de Jacobikerk komen te vervallen. Hierover uitte hij zijn zorgen.
Door de aanleg van een weg over deze plek zouden de kerk en een aantal woningen, die op de


135
    Smook , Binnensteden veranderen,165.
136
    Ibidem.
137
    Saneringsplan Wijk C, juli 1930-mei 1933, Utrecht, 30 juli 1930, Het Utrechts Archief, 1007-3
inventarisnummer 20503.


                                                                                                    37
monumentenlijst waren vertegenwoordigd, direct aan de weg komen te liggen. De huidige
situatie vertegenwoordigde volgens hem een ‘karakteristiek geheel van historische waarde.’
Zijn advies was om de plannen van de doorbraken voor te leggen aan de
schoonheidscommissie van de gemeente of aan de monumentencommissie.138 In de verdere
correspondentie begin jaren ’30 werd er verder nauwelijks over monumenten gerept. Op het
aspect van monumentenzorg met betrekking tot Wijk C wordt later nog dieper ingegaan.

6.3     Stedenbouw in Utrecht, volgens Fockema Andreae
De functie als wethouder van openbare werken nam Fockema Andreae zeer serieus. Hij stopte
veel energie in het leren kennen van de infrastructuur en de bebouwing van Utrecht. Een
fotograaf werd door hem ingehuurd om samen met hem mooie en lelijke gebouwen in de stad
vast te leggen. Om inspiratie op te doen voor het ideaalbeeld van de stad, reisde hij ook naar
het buitenland. Zijn opgedane kennis etaleerde hij in 1912 in ‘De hedendaagsche
stedenbouw’.139
        Om het boek te schrijven heeft hij een studie gedaan naar de stedenbouw in het
algemeen. Dat wil zeggen dat hij verschillende aspecten van de stedenbouw onder de loep
heeft genomen. Hij gaat in het boek onder andere in op de geschiedenis van het stichten van
steden, de manier waarop een stedenbouwer te werk moet gaan om een goede stad te creeëren
en het concept van tuinsteden. Bovendien schenkt hij aandacht aan de belangen van een
goede hygiëne in de stad en de rol van het verkeer.
        Ondanks zijn voorkeur voor het oude en het mooie was Fockema Andreae iemand, die
als burgemeester, moderniteit van groot belang vond. De stad diende dynamischer en nieuwer
te worden. Hij zag Utrecht graag uitbreiden buiten de singels. Utrecht diende gebruik te
maken van de gunstige ligging die de stad had gekregen binnen het spoorwegennet. 140
        In publicaties en loftuitingen uit zijn ambtstermijn komt naar voren dat hij regelmatig
in de belangstelling stond als initiator van stadsvernieuwingsprojecten. Volgens Fockema
Andreae hebben de meesters van de stedenbouw nooit eerder voor een grotere opgave gestaan
dan in de tijd waarin hij leefde. Dit weet hij aan het feit dat de steden in de negentiende eeuw
zo sterk waren gegroeid. Deze uitbreidingen hadden volgens hem tot gevolg dat er grotere
eisen gesteld dienden te worden aan de veiligheid, het verkeer en de hygiëne binnen een stad.




138
    Ibidem.
139
    Veskes, ‘Joachimus Pieter Fockema Andreae’, 40.
140
    Ibidem, 41.


                                                                                              38
Bovendien was de financiële situatie in zijn visie veranderd. Voortaan diende het
gemeentebestuur bewuster de stedenbouw ook vanuit financieel opzicht te behandelen.141
        Bij stedenbouw diende er gelet te worden op schoonheid. Datgene wat er gecreëerd
werd moest een dergelijke schoonheid bezitten als die van de monumenten die bewaard
werden. De liefde voor stedenbouw werd door Fockema Andreae niet alleen gepraktiseerd in
zijn gemeentelijke ambten en in zijn publicaties. Hij was voorzitter van de Architectenraad en
de Geschillencommissie van de B.N.A142, ofwel de Koninklijke Maatschappij tot bevordering
der Bouwkunst Bond van Nederlandse Architecten. In deze functies leverde hij een bijdrage
aan het creëren van een ontwerp-architectenwet. Bovendien werd tijdens zijn voorzitterschap
het zogeheten architectenregister vastgesteld. 143
        Vlak voor zijn dood in 1949 kreeg hij van burgemeester de Ranitz te horen dat in het
uitbreidingsplan Krommerijn een straat zou komen te liggen die zijn naam zou gaan dragen.
Dit betekende dat er eer werd gedaan aan één van zijn bijdragen aan de stad, de stedenbouw.
Onder zijn bewind werden plannen gemaakt voor uitbreiding buiten de singels, waaronder
wijken kwamen te vallen als Ondiep en de Rivierenwijk.144



6.4     Wat werd bewaard…
Wat men bewaart van de geschiedenis op een bepaald moment in de tijd zegt iets over die tijd
zelf. Uit de besluitvorming omtrent de sanering van Wijk C en de correspondentie
betreffende de Jacobikerk bleek dat er in die periode kennelijk een redelijke waarde gehecht
werd aan een oud religieus gebouw. De keuze voor het bewaren van de kerk laat zien dat een
object met een betekenis op het gebied van kerkelijke geschiedenis door de gemeente als
waardevol werd gezien. Het bestempelen van een dergelijk object als monument, terwijl
andere oude gebouwen wel gesloopt werden, laat zien dat er kennelijk getracht werd het beeld
uit te dragen van Utrecht als centrum van religieuze geschiedenis.
        Dit is echter niet het enige beeld wat werd uitgedragen van de geschiedenis. Fockema
Andreae’s belangstelling voor handel en commercie blijkt uit de stappen die hij ondernam
voor de opening van de Nederlandse Jaarbeurs. Daarnaast had hij hij een bijzondere aandacht
voor de Utrechtse grachten en werfkelders aangezien hij hier eens over schreef. Volgens
Fockema Andreae was het van groot belang dat deze behouden bleven voor Utrecht, omdat

141
    Fockema Andreae, De hedendaagsche stedenbouw, (Utrecht, 1912) 8.
142
    Mr. A. C. van Zeggelen, ‘Dr J.P. Fockema Andreae, voorzitter van de architectenraad en van de commissie
van geschillen, ingesteld door den B.N.A.’ in: Bouwkundig Weekblad 30, 26 juli 1949, 321.
143
    van Zeggelen, Dr J.P. Fockema Andreae, 321.
144
    Veskes, ‘Joachimus Pieter Fockema Andreae’,44.


                                                                                                              39
het een karakteristiek was van de stad. De werfkelders kunnen gezien worden als het symbool
van Utrechts vroegere handel. Aangezien de kelders gebruikt werden voor de handel in
goederen via de grachten. Er kan gesteld worden dat er getracht werd in de periode van
Fockema Andreae, ondanks de moderne ontwikkelingen, het beeld van de stad als handelstad
en stad van de christelijke religie te continueren.
           Dit moet niet gezien worden als een uniek Utrechts fenomeen. Het gaat hier immers
om twee belangrijke speerpunten van Europa sinds de Renaissance. Ten eerste de rol van het
christendom in het leven en in het straatbeeld, gesymboliseerd in vele nog bestaande kerken.
Als tweede kan genoemd worden de dynamische handeleconomie, die drijft op handel en
urbanisatie.145 In veel Europese steden worden dan ook nog steeds getuigenissen van deze
ontwikkelingen teruggevonden.




145
      Lowenthal, Heritage and history, 31.


                                                                                               40
Conclusie
Het moet een bijzondere ervaring geweest zijn om burgemeester te zijn in Utrecht aan het
begin van de twintigste eeuw. Onder Fockema Andreae werden er grote veranderingen
aangebracht in de stad. Utrecht moest mee in de modernisering. Snelle veranderingen in de
samenleving, de modernisering, ze droegen bij aan ontwikkelingen, die nauwelijks tegen te
houden waren. Het straatbeeld veranderde aanzienlijk. De stad kreeg de ruimte om zich aan te
passen aan de nieuwe tijd. Oude wijken moesten plaats maken, zoals in Wijk C het geval was,
voor nieuwe ontwikkelde gebieden met toegewezen functies. Op vele plaatsen werden straten
doorbroken, om het verkeer de ruimte te geven in de stad. Ontwikkelingen in de negentiende
eeuw op het gebied van erfgoed zorgden er echter voor, dat de ruimte voor al deze
vernieuwingen niet ongelimiteerd was.
       Al in de negentiende eeuw waren er ideeën ontstaan over de manier waarop men om
diende te gaan met tekenen uit het verleden, met het erfgoed. Eerst in andere landen in
Europa en later in Nederland kwam steeds meer de roep om een betere zorg voor kunst en
monumenten. Steden konden niet langer zomaar uitbreiden en slopen. Bij het uitblijven van
maatregelen van het rijk, gingen gemeenten zich hiermee bemoeien. Door de Gemeentewet
werd het noodzakelijk om na te denken over de vormen die een stad zou aan nemen. Er
dienden plannen voorgelegd te worden, alvorens er lukraak gebouwd werd. In navolging
hiervan gingen gemeenten ook regels opstellen voor hun monumenten. Hierdoor werd het
eigendomsrecht aangetast, omdat een eigenaar niet langer de volledige zeggenschap had over
zijn eigendom.
       Ondanks het verzet dat hier tegen bestond werd er in Utrecht een
monumentenverordening opgesteld. Die diende onder andere te voorkomen dat een eigenaar
zonder overleg het monument dat in zijn bezit was, zou aanpassen of nog erger zou
vernietigen. Burgemeester Fockema Andreae was een groot voorstander van de
monumentenzorg. Op aandringen van Vereniging Oud Utrecht pleitte hij voor een dergelijke
regeling, die de monumentenzorg zou moeten reguleren.
       Hoewel er in de ambtsperiode van Fockema Andreae geruime aandacht was voor het
oude in de stad, werd er ook zeker aandacht besteed aan het nieuwe in de stad. In de jaren dat
hij het burgemeesterschap bekleedde werden stadsdoorbraken geforceerd en straten verbreed.
Fockema Andreae wilde een niet te grote rol voor het verkeer. Het moest niet beeldbepalend




                                                                                            41
worden. Verkeersontwikkelaars dienden hier rekening mee houden bij de plannen die zij
opstelden.
       Wat betreft de stedenbouw was Fockema Andreae sterk van mening dat esthetiek een
grote rol diende te spelen. Nieuwe bouwwerken dienden bij te dragen aan de schoonheid van
de stad. Opvallend is dat hij nauwelijks repte over functionaliteit, iets wat, bijvoorbeeld in het
Nieuwe Bouwen een belangrijke rol speelde. Kennelijk is dat een waarde die hij of zo
vanzelfsprekend vond, dat hij het niet noemde, of hij vond het onbelangrijk. Uit de
verschillende artikelen, brieven en boeken die de burgemeester geschreven heeft, voor, tijdens
en na zijn functie bleek dat het esthetische aspect telkens terugkeerde. Het lijkt erop dat hij de
bouwmeesters bewust wilde maken van het feit dat zij wellicht weer monumenten voor de
toekomst aan het scheppen waren. Wat dat betreft vond hij dat er een harde les was geleerd
door de vele verkeerde beslissingen die er zijn genomen in de negentiende eeuw, waarbij er
veel van het stedelijk schoon in Nederland verloren was gegaan.
       Het gemeentebestuur diende in de tijd van Fockema Andreae een balans te vinden in
ruimte voor vernieuwing in de stad en het oude in stand houden. Er kan gesteld worden dat er
wel degelijk een dergelijk evenwicht bestond. Door middel van doorbraken,
uitbreidingsplannen, bouw van handelscentra, stadsvernieuwing werd een impuls gegeven aan
de stad. Geen moment lijkt het het geval te zijn geweest dat hierdoor het oude in de stad in de
verdrukking kwam. Natuurlijk zijn er gebouwen geweest, genoeg gebouwen, die plaats
hebben moeten maken voor de vernieuwingsdrang, maar Utrecht heeft anno 2008 nog steeds
een historisch stadscentrum.
       Één van de grootste bedreigingen voor het evenwicht, vanuit nu bekeken, was de
besluitvorming omtrent de sanering van Wijk C. Het gemeentebestuur liet zich adviseren over
de moeilijkheden en over de monumenten, die gespaard diende te worden, zoals de Jacobi-
kerk. Over de oude middeleeuwse huizen die moesten verdwijnen werd een uitzondering
daargelaten niet gerept. Zonder pardon moesten zij plaats maken voor de moderniteit.
       Het heeft er dan ook alle schijn van dat ‘men’ af wilde van de oude Wijk C. Het is
aannemelijk dat ook esthetiek hier een rol heeft gespeeld. Fockema Andreae hamerde er vaak
op dat schoonheid één van de belangrijkste zaken in het stadsbeeld was. De staat van de
bebouwing in Wijk C zal vaak niet geweldig geweest zijn. Bovendien waren het geen
monumentaal grote panden.
       Wat opvalt als er gekeken wordt naar de monumentenlijst die opgesteld werd rond de
tijd van de monumentenverordening, is dat het duidelijk wordt dat er veel dezelfde soort
bebouwing op staat. Veelal zijn het de voor de hand liggende gebouwen als de Dom, het


                                                                                                42
Paushuis en veel huizen van welgestelden aan het Janskerkhof en aan de Kromme
Nieuwegracht. Dat werd als mooi gezien en niet de oude huizen waarin minder welgesteldere
mensen woonden. Bij het gemeentelijk bestuur was er dus nog niet het besef, of de wil, om te
onderkennen dat ook minder welvarende huizen monument konden zijn. Dit zal
samengehangen hebben met een bepaalde mate van nostalgie, naar een terugverlagen naar iets
dat ooit geweest is. Het is niet meer dan logisch dat toen de monumentenzorg nog zo in de
kinderschoenen stond in Utrecht, er vooral terugverlangd werd naar de grote momenten uit
het verleden, toen de stad op economisch en religieus gebied een belangrijke stad in Utrecht
was. Dat er in de tijd van burgemeester Fockema Andreae vooral tekenen van dit verleden
actief zijn behouden is dan ook niet opzienbarend.
       Uiteindelijk moet niet gesteld worden dat het gemeentelijk bestuur in die tijd
nostalgisch terugverlangde naar het verleden. Onder Fockema Andreae’s burgemeesterschap
was Utrecht veranderd in een moderne stad, die volop mee wilde draaien in een nieuwe tijd.
Hooguit werd er met waardering teruggekeken naar het verleden en werden de goede ‘dingen’
van het verleden bewaard.




                                                                                               43
Nawoord


Schrijven is een creatief proces, waarin van concepten, zinnen en ideeën naar een afgerond
geheel wordt toegewerkt. Een scriptie schrijven doe je echter nooit alleen. Via allerlei
kanalen; je bronnen en degenen met wie je praat over je scriptie kom je tot een eindproduct.
Bij de afronding en het schrijven heb ik veel gehad aan de begeleiding van mijn docent Erik
Nijhof. Hiervoor ben ik hem dank verschuldigd.
        Een idee, een onderwerp voor een scriptie; het ontstaat nooit alleen in je hoofd.
Je leest iets, je hoort iets en dat zorgt ervoor dat het in je hoofd blijft zitten. Door de
gesprekken met Maarten Brinkman en Renger de Bruin werden die ideeën in mijn hoofd
omgevormd tot een relevant scriptieonderwerp. Bij deze hartelijk dank voor jullie
enthousiaste meedenken en het mij enthousiasmeren voor de bijzondere persoonlijkheid van
burgemeester Fockema Andreae. Het werkte inspirerend.
        Dankzij mijn stage heb ik kennis kunnen maken met een interessante burgervader,
over wie Maarten Brinkman mij veel heeft kunnen vertellen. Verder ben ik dank verschuldigd
aan Bettina van Santen. Zij maakte tijd vrij voor mijn vragen en bood mij nuttige
literatuuradviezen.




                                                                                               44
Literatuurlijst

Literatuur

Ashworth, G.J., ‘The conserved European city as cultural symbol: the meaning of the text’, in:
Brian Graham, Modern Europe: place, culture and identity, (Londen, 1998).

Ashworth, Gregory, Peter Howard, European Heritage Planning and Management, (Exeter,
VK en Portland, Oregon, VS, 1999).

Asselbergs, Fons, Niets is zo veranderlijk als een monument, een pleidooi voor het cultureel
argument, (Zwolle, 2000).

Boekman, Dr. E., Overheid en kunst in Nederland, (Amsterdam, 1939).

Bruin, R.E. de, P.D. ’t Hart e.a., red., ‘Een paradijs vol weelde’. Geschiedenis van de stad
Utrecht, (Utrecht, 2000) 192.

Bruin, Renger de, ‘Tussen Vredenburg en Hoog Catharijne, Utrechtse Kunstenaars tegen de
achtergrond van de stedelijke geschiedenis’,in: Hanneke Adriaans, Marja Bosma e.a., De
Utrechtse Parade, 1495-1995, van Van Scorel tot Rietveld en Koch, (Utrecht, 1994).

‘De karakteristiek van de Nederlandschen stedebouw, De tweede dag van den leergang in de
afdeeling Bouwkunde der Technische Hoogeschool’, Delftsche Courant, 29 oktober 1937.

DuParc, F.J., Een eeuw strijd voor Nederlands cultureel erfgoed, Ter herdenking van een
eeuw rijksbeleid ten aanzien van musea, oudheidkundig bodemonderzoek en archieven 1875-
1975, (Den Haag, 1975).

Fockema Andreae,J.P., De hedendaagsche stedenbouw, (Utrecht, 1912).

Fockema Andreae,J.P., ‘Kunsten en Wetenschappen’, in: C.W. van der Pot, Th. G. Donner,
red., Nederlandsch Bestuursrecht,(Alphen aan den Rijn, 1932).

Graafhuis, A., Fockema Andreae, Joachimus Pieter (1879-1949), in: dr. J. Charité, red.,
Biografisch Woordenboek van Nederland 1, (Den Haag, 1979) geraadpleegd op: Insituut voor
Nederlandse Geschiedenis, FOCKEMA ANDREAE, Joachimus Pieter (1879-1949),
http://www.inghist.nl/Onderzoek/Projecten/BWN/lemmata/bwn1/fockemae, 20 mei 2008.

Heukelom, ,G.W. van., Geschiedenis en herstellingswerken van den Domtoren te Utrecht tot
1929, (z.p., 1929).

Jong, Ad de, Dirigenten van de herinnering, musealisering en nationalisering van de
volkscultuur in Nederland 1815-1940, (2e druk; Amsterdam, 2006).

Laanen, Dirk van, ‘Van de ambtenaren van de Rijksdienst voor de Monumentenzorg, een
bedrijfskroniek van de eerste dertig jaar’, in: Peter Don, red., In dienst van het erfgoed :
Rijksdienst voor de Monumentenzorg, (Zwolle, 1997).


                                                                                               45
Laarse, Rob van der, Bezeten van vroeger. Erfgoed, identiteit en musealisering, (Amsterdam,
2005).

Parlementair Documentatie Centrum, Universiteit Leiden, Parlement&Politiek, Mr. J.P.
Fockema Andreae, http://www.parlement.com/cgi-bin/as.cgi/0291000/c/f4home, bezocht 16
juli 2008.

Pietersma ,Arend, Jellie van der Meulen, Inventaris van de archieven van het
gemeentebestuur van Utrecht 1813-1969, archieven gevormd onder verantwoordelijkheid van
de gemeentesecretaris, Utrechts Archief, (Utrecht, 2005).

Santen, Bettina van, Marieke Knuijt, Utrecht in ontwikkeling 1850-1940, Beknopte
geschiedenis van de vooroorlogse wijken in Utrecht, (z.p., z.j.).

Smook, Rudger A.F., Binnensteden veranderen, atlas van het ruimtelijk veranderingsproces
van Nederlandse binnensteden in de laatste anderhalve eeuw, (Zutphen, 1984).

Tillema, J.A.C., Schetsen uit de geschiedenis van de Monumentenzorg in Nederland, ter
herdenking van een eeuw regeringsbeleid 1875-1975 (Den Haag, 1975).

Veskes, H.V., ‘Joachimus Pieter Fockema Andreae (1879-1949) burgemeester’, J, Aalbers,
W. van den Broeke, red., Utrechtse biografieën 5. Levensbeschrijvingen van bekende en
onbekende Utrechters, (Utrecht, 1998).

Woud, Auke van der, Onuitsprekelijke schoonheid, Waarheid en karakter in de Nederlandse
bouwkunst (Groningen,1993).

Zeggelen, Mr. A. C. van, ‘Dr J.P. Fockema Andreae, voorzitter van de architectenraad en van
de commissie van geschillen, ingesteld door den B.N.A.’ in: Bouwkundig Weekblad 30, 26
juli 1949.



Bronnen

Brief aan het college van burgemeester en wethouders der gemeente Utrecht van Oud Utrecht,
13 november 1924, Het Utrechts Archief, 1007-3 inventarisnummer 29581.

Brief van de directeur der gemeentewerken aan burgemeester en wethouders, 10 januari 1930,
Stukken betreffende de vaststelling en de wijziging van de Monumentenverordening 1924-
1955, Het Utrechts Archief, 1007-3 inventarisnummer 29581.

Brief van Fockema Andreae aan de gemeenteraad, 22 september 1925, Stukken betreffende
de vaststelling en de wijziging van de Monumentenverordening 1924-1955, Het Utrechts
Archief, 1007-3 inventarisnummer 29581.

Brief van Fockema Andreae, namens de Rechtskundige Commissie aan burgemeester en
wethouders, 22 juli 1930, Stukken betreffende de vaststelling en de wijziging van de
Monumentenverordening 1924-1955, Het Utrechts Archief, 1007-3 inventarisnummer 29581.



                                                                                         46
Manuscripten van korte artikelen ,1917-1946, Utrecht, 19 juni 1921, in: Oude Delft nummer
van het Bouwkundig Weekblad, 12e jaargang, nummer 26, 25 juni 1921, Het Utrechts
Archief, 831-11 inventarisnummer 35.

Manuscript van het voorwoord in ‘Het Utrechts grachtbeeld voorheen en thans’, een album
met 12 grachtgezichten naar oude tekeningen, door de Vereniging Oud Utrecht bij haar 5-
jarig bestaan uitgegeven, 1928, Het Utrechts Archief, 831-11 inventarisnummer 43.

Monumentenlijst, Het Utrechts Archief, 1007-3 inventarisnummer 29591.

Brief van de gezondheidscommissies van de gemeente Utrecht aan Heeren Burgemeester en
Wethouders van Utrecht, 22 juni 1932, Saneringsplan Wijk C, juli 1930-mei 1933, Stukken
betreffende het vaststellen en uitvoeren van een plan voor de sanering van (de voormalige)
Wijk C 1930-1957, Het Utrechts Archief, 1007-3 inventarisnummer 20503.

Saneringsplan Wijk C, juli 1930-mei 1933, Utrecht, 30 juli 1930, Stukken betreffende het
vaststellen en uitvoeren van een plan voor de sanering van (de voormalige) Wijk C 1930-
1957, Het Utrechts Archief, 1007-3 inventarisnummer 20503.




                                                                                           47

								
To top