Aan de heren professoren (fax)

Document Sample
Aan de heren professoren (fax) Powered By Docstoc
					1. Multi-disciplinaire analyse van experimentele modellen voor de ziekte van Alzheimer:
van gehumaniseerde gisten over neuronale cellen tot transgene muizen

Z.A.P.-lid verantwoordelijk voor project en quotering student: Fred Van Leuven
     Tel: +32 16 34 58 62
     E-mail: Fred.VanLeuven@med.kuleuven.be
     Lab Experimentele Genetica en Transgenese, Departement Menselijke Erfelijkheid,
     Campus Gasthuisberg O&N, 6de verdieping, Herestraat 49, B-3000 Leuven

Dagelijkse begeleiders van de student: Ilse Dewachter en Dick Terwel

Samenvatting van het project:
    De onderzoeksgroep is gericht op de analyse van fundamentele moleculaire en
    cellulaire mechanismen van neurotransmissie en signaaltransductie die verstoord
    worden en tot neurodegeneratie leiden in de ziekte van Alzheimer.
    Belangrijkste modellen en aspecten:
    - transgeen muis model met robuuste amyloïd pathologie door overexpressie in de
    hersenen van menselijk amyloïd precursor proteïne (APP) mutant V717I
    - verdere humanisering door co-expressie van preseniline 1 (PS1), apolipoproteïne E4
    (ApoE4), proteïne tau en tau-kinasen (GSK-3ß, cdk5)
    - fenotypering van transgene muizen: histopathologie, cognitief gedrag, biochemische
    en functionele analyse van hersenen en van neuronale culturen naar receptoren,
    fosfoproteïnen en calciumhomeostase en hun rol in neurotransmissie en
    signaaltransductie
    - analyse van de reëline-receptor pathway en het effect van amyloïd en ApoE4 in
    neuroblastoma cellen
    - “genetic engineering” van gistcellen: humaniseren naar proteïne tau, tau-kinasen,
    tubuline ... als cellulaire modellen voor de tau-pathologie in de ziekte van Alzheimer
    - in vitro analyse van tau-microtubuli interactie door biochemische en microscopische
    technieken (EM en atomic force microscopy)

De beschikbare data voor uitleg / bezoek: op afspraak
2. Embryonale signaalwegen in chronische artritis

Z.A.P.-lid verantwoordelijk voor project en quotering student: Frank Luyten
     Tel: +32 16 34 63 41
     E-mail: Frank.Luyten@uz.kuleuven.ac.be
     Afdeling Reumatologie, Campus Gasthuisberg O&N, Herestraat 49, B-3000 Leuven

Dagelijkse begeleider van de student: Rik Lories (Rik.Lories@uz.kuleuven.ac.be, tel +32 16
     34 61 53)

Samenvatting van het project:
    Het onderzoek in de artritisgroep richt zich op de rol van embryonale signaalwegen in
    de pathofysiologie van de verschillende vormen van chronische artritis: reumatoïde
    artritis, spondyloarthropathie en osteoarthrose. Toenemende evidentie wijst er op dat
    het evenwicht tussen enerzijds pro-inflammatoire/destructieve en anderzijds
    homeostatische en weefselherstelbevorderende signaalwegen de ernst en prognose van
    chronische gewrichtsaandoeningen bepaalt. In onze onderzoeksgroep bestuderen wij
    specifiek de rol van Bone Morphogenetic Proteins en Wnt signalisatie in dit evenwicht.
    De nadruk ligt hierbij op het gebruik van muismodellen om het verloop van artritis en
    de rol van BMPs en Wnts hierin moleculair-mechanistisch te onderzoeken, gebruik
    makend van verschillende gentransfer technieken en knock-out dieren. Momenteel zijn
    er twee modellen van reumatoïde artritis, een model van spondyloarthropathie en twee
    modellen van osteoarthrose in het laboratorium aanwezig. Daarnaast beschikken wij
    over een uitgebreide collectie synovium biopsieën van patiënten met de verschillende
    vormen van chronische artritis.
    Eventuele specifieke taak van de student in dit project: Analyse van expressiepatronen
    van genen in artritis bij muis en mens, klinische en pathologische analyse van artritis in
    muismodellen, fenotypische analyse van knock-out dieren. Aan te wenden technieken
    zijn in de eerste plaats basishistologie, immunohistochemie, RNA isolatie, PCR,
    Western blotting en functionele testen van het immuunsysteem.

De beschikbare data voor uitleg / bezoek: op afspraak
3. Neurale mechanismen van binauraal horen

Z.A.P.-lid verantwoordelijk voor project en quotering student: Philip Joris
     Tel: +32 16 34 57 41
     E-mail: Philip.Joris@med.kuleuven.be
     Afdeling Neurofysiologie, Campus Gasthuisberg O&N, Herestraat 49, B-3000 Leuven

Dagelijkse begeleiders van de student: Marcel van der Heijden, Dries Louage en Ann
Massie

Samenvatting van het project:
    In tegenstelling tot het netvlies en de huid is er geen directe informatie over “ruimte” ter
    hoogte van het slakkenhuis. Dit receptororgaan doet immers een analyse van frequentie;
    berekening van de ruimtelijke positie van een geluidsbron gebeurt door het centrale
    zenuwstelsel op basis van een aantal fysische parameters, waarbij binaurale
    vergelijkingen (auditieve stereo: interaurale tijdsverschillen en intensiteitsverschillen)
    vooral belangrijk zijn. We onderzoeken hoe auditieve neuronen deze binaurale analyse
    uitvoeren.
    We bestuderen de elektrische activiteit van neuronen in de gehoorzenuw en
    hersenstam in antwoord op akoestische stimuli, gedurende acute experimenten op kat
    en primaat. Onze aandacht gaat vooral naar binaurale tijdsgevoeligheid in de colliculus
    inferior, welke we trachten te begrijpen door precieze monaurale tijdsmetingen in de
    afferente banen. Technieken die hierbij aan bod komen zijn: chirurgie, anesthesie,
    single-unit afleidingen, alsook stimulussynthese en analyse (Matlab).

De beschikbare data voor uitleg / bezoek: op afspraak
4. Identificatie van genen die betrokken zijn in de geregelde insulinesecretie: zoektocht
naar nieuwe doelwitten voor therapie van type 2 diabetes patiënten

Z.A.P.-lid verantwoordelijk voor project en quotering student: Frans Schuit
     Tel: +32 16 34 72 27 (rechtstreeks), +32 16 34 57 00 (secretariaat)
     E-mail: Frans.Schuit@med.kuleuven.be
     Afdeling Biochemie, Campus Gasthuisberg O&N, Herestraat 49, B-3000 Leuven

Dagelijkse begeleider van de student: Frans Schuit

Samenvatting van het project:
    Achtergrond: Type 2 diabetes, de meest voorkomende vorm van suikerziekte, neemt
    epidemische proporties aan. Men schat het aantal patiënten op dit moment op aarde op
    ongeveer 150 miljoen en dit getal groeit aan een alarmerend tempo (Zimmet et al.
    (2001) Global and societal implications of the diabetes epidemic. Nature 414, 782-787).
    Bij een zeer groot aantal patiënten is de oorzaak van de ziekte te zoeken in een defecte
    werking van de pancreatische ß-cellen. Deze cellen zijn uitgerust met een glucose
    sensor die (minuut-per-minuut, 24 uur per dag) de bloedglucoseconcentratie meet en
    deze meting vertaalt in een aangepast tempo van insulinesecretie. Enkele zeldzame
    genetische defecten in genen die coderen voor onderdelen van deze sensor werden reeds
    ontdekt in families met suikerziekte (Fajans et al. (2001) Molecular mechanisms and
    clinical pathophysiology of maturity-onset diabetes of the young. New Engl. J. Med.
    345, 971-980). Zeer waarschijnlijk is dit echter het topje van een grote ijsberg. Door
    deze onvolledige kennis zijn de therapeutische mogelijkheden die gericht zijn op de ß-
    cel beperkt tot geneesmiddelen die het effect van glucose op ATP-gevoelige kalium
    kanalen nabootsen (sulfonylurea). Echter, een beperkt aantal patiënten reageert
    langdurig op deze geneesmiddelen en het gebruik ervan draagt het gevaar mee van
    hypoglycemie. Er bestaat daarom de behoefte aan bijkomende veilige geneesmiddelen
    die inwerken op de ß-cellen.
    Doel: Identificatie van nieuwe moleculaire componenten van de geregelde
    insulinesecretie die mogelijke nieuwe targets kunnen zijn voor therapie in type 2
    diabetes.
    Methodologie: De opzet van ons onderzoek is om op een systematische wijze te
    onderzoeken welke genen betrokken zijn in de normale werking van de glucose sensor
    in ß-cellen van zoogdieren (knaagdieren; mens). Hiervoor wordt in de eerste fase
    gebruik gemaakt van een grootschalig RNA onderzoek. Totaal RNA van gezuiverde
    primaire ß-cellen of van een model ß-cellijn wordt gehybridiseerd met een zeer groot
    aantal (tienduizenden) verschillende oligonucleotide probes die gehecht zijn aan een
    zogenaamde microarray. De gewassen microarrays worden met een in het laboratorium
    aanwezig toestel gescand zodat men voor vele (15.000 (rat) - 45.000 (mens))
    transcripten weet hoeveel genexpressie er op mRNA niveau is in de ß-cellen. Door het
    mRNA profiel in ß-cellen te vergelijken met dat in lever, spier, vetweefsel, hersenen en
    andere weefsels, krijgt men een beeld van welk deel van het genoom specifiek in ß-
    cellen gebruikt wordt en kunnen we nagaan welke fractie daarvan betrokken is in de
    glucose-regeling van de ß-cel. In een tweede fase willen we door een RNA-interference
    strategie de functionele relevantie van een aantal belangrijke glucose-geregelde ß-cel
    genen onderzoeken. Hierbij wordt voor de meest interessant geachte mRNA’s de
    expressie onderdrukt door het zogenaamde siRNA. De invloed van deze uitschakeling
    op de regeling van de insuline secretie zal worden onderzocht.

De beschikbare data voor uitleg / bezoek: op afspraak
5. Mapping van subcellulaire lokalisatiesignalen van Sds22, een regulator van de mitose

Z.A.P.-lid verantwoordelijk voor project en quotering student: Mathieu Bollen
     Tel: +32 16 34 57 01
     E-mail: Mathieu.Bollen@med.kuleuven.be
     Afdeling Biochemie, Campus Gasthuisberg O&N, Herestraat 49, B-3000 Leuven

Dagelijkse begeleider van de student: Bart Lesage

Samenvatting van het project:
    Sds22 is een eiwit dat oorspronkelijk werd beschreven als een regulator van een
    proteïnefosfatase. Alhoewel de precieze werking van Sds22 vooralsnog niet is gekend,
    heeft onderzoek in bakkersgist uitgewezen dat dit eiwit een essentiële rol speelt bij het
    beëindigen van de mitose. Gistcellen waarin het gen voor Sds22 via genetische
    manipulatie is uitgeschakeld, blokkeren tijdens de anafase. Bij zoogdieren is Sds22
    aanwezig in zowel de celkern als het cytoplasma. De nucleaire lokalisatie van Sds22 is
    enigszins onverwacht aangezien dit eiwit geen ‘klassieke’ nucleaire lokalisatiesignalen
    bevat. Wij willen daarom onderzoeken via welk mechanisme Sds22 in de celkern
    geraakt en welke aminozuursequenties hiervoor belangrijk zijn. Hiertoe zullen
    fragmenten of mutanten van Sds22 tot expressie worden gebracht als fusies met het
    groen fluorescerend proteïne (GFP). De subcellulaire lokalisatie van GFP-Sds22
    (fragmenten) kan dan met behulp van een fluorescentiemicroscoop worden vastgesteld.
    Dit onderzoek behelst het werken met bacteriën en zoogdierencellen in cultuur en het
    maken van mutanten.

De beschikbare data voor uitleg / bezoek: op afspraak
6. Proteïne Kinase D (PKD) als stimulator van celproliferatie en remmer van apoptose
bij kanker: identificatie van in vivo substraten en ontwikkeling van PKD inhibitoren

Z.A.P.-lid verantwoordelijk voor project en quotering student: Johan Van Lint
     Tel: +32 16 34 71 71
     E-mail: Johan.Vanlint@med.kuleuven.be
     Afdeling Biochemie, Campus Gasthuisberg O&N, Herestraat 49, B-3000 Leuven

Dagelijkse begeleiders van de student: Line De Kimpe en Sandy Vandoninck

Samenvatting van het project:
    Proteïne Kinase D (eigenlijk een familie van 3 isoenzymen genaamd PKD1, 2, en 3) is
    recent sterk in de belangstelling gekomen omdat PKD tot overexpressie komt in een
    brede waaier van tumoren. Deze overexpressie stimuleert de celproliferatie en remt
    apoptose. Zo remt overexpressie van PKD de apoptose van kankercellen in respons op
    oxidatieve stress via activering van de transcriptiefactor NFkB, wat op zijn beurt leidt
    tot de expressie van verschillende apoptose-remmende genen. Bovendien komen er ook
    steeds meer aanwijzingen voor een rol van PKD in kankercel invasie en metastase.
    Inderdaad, PKD vormt een complex met cortactin en paxillin in de invadopodia van
    invasieve borstkankercellen. Bovendien is PKD activiteit nodig voor de adhesie van
    deze invasieve cellen aan collageen. Ook de migratie en invasie van myeloma cellen
    onder invloed van Insulin-like Growth Factor-I en de Wnt5a-gestimuleerd adhesie en
    invasie van melanoma cellen gaat gepaard met activering van PKD. Het is echter nog
    volledig onbekend wat de precieze rol van PKD in invasie en metastase is.
    Ons laboratorium wil een beter inzicht krijgen in de rol van PKD in kankercellen via de
    identificatie van PKD substraten en PKD-bindende eiwitten. Bovendien willen wij
    PKD inhibitoren ontwikkelen, die mogelijks kunnen werken als remmers van
    celproliferatie en invasie/metastase.

     Referentie:
     Van Lint,J., Rykx,A., Maeda,Y., Vantus,T., Sturany,S., Malhotra,V., Vandenheede,J.R.,
     and Seufferlein,T. (2002). Protein kinase D: an intracellular traffic regulator on the
     move. Trends Cell Biol. 12, 193-200.

De beschikbare data voor uitleg / bezoek: op afspraak
7. Sfingosylfosfocholine: bepaling en evaluatie als mogelijke merker voor tumorgroei

Z.A.P.-lid verantwoordelijk voor project en quotering student: Paul Van Veldhoven
     Tel: +32 16 34 58 02
     E-mail: paul.vanveldhoven@med.kuleuven.be
     Afdeling Farmacologie, Campus Gasthuisberg O&N, Herestraat 49, B-3000 Leuven

Dagelijkse begeleiders van de student: Gerd Van der Hoeven en Paul Van Veldhoven
Samenvatting van het project:
     Sfingosylfosfocholine (SPC) behoort tot de grote klasse van sfingolipiden (SL). SL zijn
     opgebouwd uit een sfingoïd base (een 2-amino-1,3-diol-alkaan), in zoogdieren meestal
     D-erythro-2-amino-4-octadeceen-1,3-diol of sfingenine (Se), een vetzuur (via een
     amide-binding gebonden aan de aminogroep van de base) en een polaire hoofdgroep.
     Bij sfingomyeline, één van de meer abundante SL, is de hoofdgroep fosfocholine. De
     meeste SL vervullen een functie bij de opbouw van membranen, maar verschillende SL
     zijn bio-actieve moleculen en/of secundaire boodschappers (b.v. ceramide (N-acyl-
     sfingenine); sfingenine-1-fosfaat). Ook SPC (ook lysosfingomyeline genoemd,
     sfingomyeline waarbij het vetzuur verwijderd is) is bioactief en beïnvloedt het gedrag
     van cellen door binding aan plasmamembraan receptoren. De concentratie SPC in
     plasma en serum worden op 50 nM, resp. 130 nM, geschat maar hoe het gevormd wordt
     is niet met zekerheid gekend. In gecultiveerde carcinoma en leukemia cellen is SPC
     verhoogd, en in patiënten met baarmoederkanker werden hogere SPC concentraties in
     ascites gemeten. Dit suggereert dat SPC als een mogelijke merker voor kanker kan
     aangewend worden.
     Om het belang van SPC verder te onderzoeken zijn gevoelige detectiemethoden nodig.
     Het op punt stellen van zulke analyse in plasma en/of serum vormt het onderwerp van
     dit project. Dit omhelst o.a. selectieve extracties van de stalen, derivatisatie van de
     aminogroep, en omgekeerde-fase HPLC scheiding gekoppeld met fluorescentie detectie.
     Na optimalisatie, zal getracht worden klinisch relevante stalen te analyseren.

De beschikbare data voor uitleg / bezoek: via e-mail af te spreken
8. In vitro onderzoek van het geneesmiddelmetabolisme en interacties door middel van
cytochroom P-450 iso-enzymes: toegepast op antiretrovirale geneesmiddelen en orale
anticoagulantia

Z.A.P.-lid verantwoordelijk voor project en quotering student: Jan de Hoon
     Tel.: +32 16 34 20 20 (secretariaat)
     E-mail: jan.dehoon@uz.kuleuven.ac.be
     Adres: Centrum Klinische Farmacologie, U.Z. K.U.Leuven, Campus Gasthuisberg,
     Herestraat 49, B-3000 Leuven (http://www.ckf.be)

Dagelijkse begeleider van de student: Rene Verbesselt

Samenvatting van het project:
  Biotransformatie is de chemische omzetting (“afbraak”) van een geneesmiddel door tussenkomst van
  enzymen. Biotransformatie vindt overwegend plaats in de lever en heeft onder meer tot doel de
  wateroplosbaarheid van het geneesmiddel te verbeteren zodat het vervolgens efficiënter door de nieren kan
  uitgescheiden worden. Een tweede doel bestaat er in om een potentieel toxische, farmacologisch werkzame
  stof voor het lichaam uit te schakelen door ze om te zetten in een niet werkzame metaboliet.
  Het cytochroom P-450 enzymsysteem omvat een groep van enzymen die een fundamentele rol spelen in de
  biotransformatie van geneesmiddelen. Door inhibitie of inductie wordt de metabole capaciteit van iso-
  enzymen behorende tot dit systeem respectievelijk onderdrukt of gestimuleerd. Bijgevolg worden
  geneesmiddelen sneller of juist minder snel afgebroken en zijn ze respectievelijk korter of langer werkzaam.
  Inductie of inhibitie wordt veroorzaakt door tal van factoren (b.v. geneesmiddelen, kruiden en
  voedingswaren) en ligt aan de basis van het optreden van interacties. Immers een gewijzigde verwerking van
  een farmacon door het lichaam (d.i. gewijzigde farmacokinetiek) kan ernstige gevolgen hebben voor de
  werkzaamheid en/of toxiciteit van geneesmiddelen.
  Om het optreden van interacties beter te begrijpen en te kunnen voorspellen wordt het metabolisme van
  geneesmiddelen in vitro onderzocht met behulp van cytochroom P-450 iso-enzymes. Deze iso-enzymes
  worden geïsoleerd uit humaan leverweefsel (levermicrosomen) of gekloneerd met behulp van cDNA
  technieken. Bovendien kunnen door gebruik te maken van monoklonale antistoffen tegen de verschillende
  iso-enzymes, specifieke chemische inhibitoren en specifieke substraten, de individuele iso-enzymes
  geïdentificeerd worden die een rol spelen in het metabolisme van een specifiek geneesmiddel alsook de
  kinetische parameters van de verschillende enzymatische stappen.
  Thans worden in ons bio-analytisch laboratorium de hoger beschreven technieken toegepast op 2 domeinen:
   Antiretrovirale geneesmiddelen: HIV-patiënten worden vaak behandeld met een combinatie van
   geneesmiddelen: enerzijds om het HIV-virus te bestrijden, anderzijds om geassocieerde infecties en
   aandoeningen te behandelen. Bijgevolg is het optreden van geneesmiddelinteracties een reëel en ernstig
   probleem dat oorzaak is van therapiefalen, ontwikkeling van virusresistentie en toxiciteit. Om die reden
   wordt intensief in vitro onderzoek verricht naar het metabolisme van protease-inhibitoren die allen substraat
   zijn van het cytochroom P-450 enzymsysteem (b.v. iso-enzymes 3A4, 2D6, 2B6, 2C9 en 2C19) en
   interacties met o.a. antidepressiva en statines (cholesterolverlagende geneesmiddelen).
   Orale anticoagulantia: Deze geneesmiddelen worden frequent gebruikt voor de preventie en behandeling
   van trombo-embolische aandoeningen zoals myocardinfarct, beroerte en longembool. Het beoogde effect
   van deze middelen is de bloedstolling te verminderen. Het gevaar van interacties bestaat erin dat het anti-
   bloedstollend effect te sterk wordt waardoor levensbedreigende bloedingen optreden. Bijgevolg is een
   goede kennis van het metabolisme en inzicht in interacties van deze geneesmiddelen met andere stoffen
   essentieel voor de klinische praktijk. Zo wordt ondermeer onderzocht of bepaalde vruchtensappen een
   invloed hebben op de biotransformatie van orale anticoagulantia.
  Indien op basis van in vitro bevindingen belangrijke aanwijzingen gevonden worden voor het bestaan van
  interacties, kan vervolgens het belang ervan onderzocht worden in een klinische studie. Zo wordt de
  relevantie van de in vitro bevindingen meteen in klinisch perspectief geplaatst.

De beschikbare data voor uitleg / bezoek: op afspraak
9. Spieratrofie en regulatie van factoren die spiergroei en spierfunctie bepalen

Z.A.P.-lid verantwoordelijk voor project en quotering student: Marc Decramer
     Tel: +32 16 34 68 02
     E-mail: marc.decramer@uz.kuleuven.ac.be
     Afdeling Pneumologie, U.Z. K.U.Leuven, Herestraat 49, B-3000 Leuven

Dagelijkse begeleider van de student: Ghislaine Gayan-Ramirez
Samenvatting van het project:
     Chronisch obstructief longlijden is een chronische aandoening waar emfyseem en
     chronische bronchitis bij horen. De prevalentie van deze aandoening is hoog, ongeveer
     5-10% van de populatie op de leeftijd van 50 jaar. Deze ernstige aandoening is
     gekenmerkt door progressieve en irreversibele luchtwegobstructie en leidt tot
     afgenomen levenskwaliteit, respiratoir falen en dood. Tot nu toe is er nog geen
     geschikte behandeling voor deze aandoening omdat de mechanismen van de progressie
     niet gekend zijn. Naast een beperkte longfunctie, komt ook spierzwakte frequent bij
     deze patiënten voor. Door deze spierzwakte zullen het inspanningsvermogen en de
     activiteiten van het dagelijkse leven verder belemmerd worden. In een eindstadium van
     de ziekte kunnen deze patiënten (omwille van respiratoir falen) op intensieve zorgen
     opgenomen worden. Hier neemt het risico op overlijden toe. Meerdere factoren kunnen
     bijdragen tot de spierzwakte bij patiënten met chronisch obstructief longlijden.
     Deconditionering, hartfalen, electrolyten stoornissen, malnutritie, myopathie
     geïnduceerd door steroïden, oxidatieve stress en systemische inflammatie spelen een
     belangrijke rol in de algemene spierzwakte bij deze patiënten. Omdat het van belang is
     spierfunctie bij patiënten met chronisch obstructief longlijden te optimaliseren, hebben
     we verschillende proefdiermodellen van spieratrofie ontwikkeld (b.v. mechanische
     ventilatie bij ratten). De relatie tussen factoren die spiergroei bepalen en ontwikkeling
     van spieratrofie zullen hierin verder bestudeerd worden. Groeifactoren (IGF-I, IGF-II,
     MGF, GDF-8), transcriptiefactoren (MyoD, myogenine, MRF4, myf5), inflammatoire
     cytokines (IL-6, IL-8, TNF-), calcineurines, markers van oxidatieve stress maar ook
     proteïnen die van vitaal belang zijn voor de spier zoals myosine zware ketens en actine
     worden onderzocht. Een screening met DNA micro-array en/of het expressieniveau van
     deze genen via PCR worden uitgevoerd alsook eiwitexpressie via Western blotting.

De beschikbare data voor uitleg / bezoek: op afspraak
10. Modulatie van het immuunsysteem: in vitro modellen met het oog op tumor
vaccinatie of tolerantie inductie

Z.A.P.-lid verantwoordelijk voor project en quotering student: Stefaan van Gool
     GSM: +32 475 95 91 46
     E-mail: Stefaan.VanGool@med.kuleuven.be
     Afdeling kindergeneeskunde, U.Z. K.U.Leuven, Herestraat 49, B-3000 Leuven

Dagelijkse begeleider van de student: Stefaan van Gool

Samenvatting van het project:
    Om een specifieke immuunrespons te bekomen, moet een antigeen door een antigeen-
    presenterende cel (APC) gepresenteerd worden aan een antigeen-specifieke autologe T
    cel. Naast het signaal, gegenereerd na binding van het antigeen op de T-cel receptor
    (TCR), zijn er costimulerende signalen nodig om T cellen volwaardig te kunnen
    activeren. Deze costimulerende signalen ontstaan door interacties van adhesiemoleculen
    op de APC met receptoren op de T cel. Hierbij zijn de costimulerende interacties CD40
    – CD154 en CD80/CD86 – CD28 heel belangrijk. Op dit moment zijn er twee
    onderzoekslijnen gebaseerd op ons model van T-cel activering (Van Gool et al.,
    Immunol. Rev. 153, 47-83, 1996), waarop dus twee studenten kunnen meewerken.
    1. Tumor vaccinatie. Zelfs al zijn er TCR specifiek tegen tumor-antigenen aanwezig,
    dan nog is er geen T-cel activering, omdat tumorcellen geen adhesiemoleculen
    exprimeren om het costimulerend signaal te genereren in de T cellen. We zullen
    dendritische cellen (DC, de meest efficiënte APC) gebruiken om een immuunrespons
    op te wekken. Als we lysaten van tumorcellen laten fagocyteren door DC om te
    exprimeren op hun membraan, dan kunnen we misschien T cellen activeren om
    tumorcellen te doden. Als dat lukt, dan is zo’n DC/lysaat eigenlijk een tumorvaccin dat
    zou kunnen geïnjecteerd worden in een patiënt. Toepassingen bij niercelcarcinomen,
    prostaat-tumoren en melanomen zijn reeds ontwikkeld door andere groepen. Op dit
    moment hebben wij het basisconcept voor glioblastomen uitgewerkt en zijn met een
    klinische toepassing gestart. Ook voor niercelcarcinomen zullen klinische toepassingen
    starten. In dit domein zijn echter nog steeds verdere in vitro experimenten nodig met het
    oog op optimalisering van het vaccin en met het oog op het detecteren van de
    mechanismen van de immuun stimulatie.
    2. Door blokkeren van de vermelde essentiële costimulerende interacties ontstaat er een
    functionele regulerende T cel, die we kunnen isoleren. Deze T cel onderdrukt de
    immuunrespons van effector en naïeve T cellen. Dit cel fenotype is nog maar recent
    geïsoleerd, en er is nog heel veel in vitro onderzoekswerk nodig om het functioneren
    van deze cel verder in kaart te brengen. Daarnaast hebben we recent een graft versus
    host muis model ontwikkeld, en kunnen we ook in de muis langdurige graft versus host
    tolerantie induceren door kortdurend de costimulerende signalen te blokkeren. We
    willen nu ook in die muizen regulerende T-cel activiteit terug vinden, en het
    functioneren van deze cellen verder bestuderen. Dit onderzoek is belangrijk met het oog
    op eventuele klinische toepassing door toediening van dergelijke in vitro gekweekte en
    geïsoleerde cellen bij het bestrijden van op gang zijnde immunologische processen
    zoals graft versus host ziekte.

De beschikbare data voor uitleg / bezoek: op afspraak
11. Gentransfer voor preventie en behandeling van ischemische cardiovasculaire ziekten

Z.A.P.-lid verantwoordelijk voor project en quotering student: Bart De Geest
     Tel: +32 16 34 60 11
     E-mail: bart.degeest@med.kuleuven.be
     Centrum voor Moleculaire en Vasculaire Biologie, Campus Gasthuisberg O&N, 9de
     verdieping, Herestraat 49, B-3000 Leuven

Dagelijkse begeleiders van de student: Ir. Jan Snoeys en Ir. Joke Lievens
Samenvatting van het project:
     Dyslipidemie (verlaagd hoge densiteit lipoproteïnen (HDL) cholesterol en/of verhoogd
     lage densiteit lipoproteïnen (LDL) cholesterol) speelt een centrale causale rol in de
     ontwikkeling van atherosclerose, dat aan de grondslag ligt van acuut myocardinfarct en
     ischemische cerebrovasculaire ziekten. Het succes van klassieke farmacologische
     behandeling van dyslipidemie is in de laatste decade in meerdere gerandomiseerde
     studies aangetoond doch de morbiditeit en mortaliteit van deze aandoeningen blijft
     hoog.
     De lever speelt een centrale rol in het lipoproteïnenmetabolisme. Modulatie van het
     lipoproteïnenmetabolisme door transfer naar hepatocyten van genen die de LDL
     cholesterol/HDL cholesterol ratio in het plasma op persisterende wijze gunstig
     beïnvloeden heeft dan ook een bijzonder potentieel voor een kost-effectieve preventie
     en behandeling van deze aandoeningen. Een essentiële vereiste voor hepatocyt-gerichte
     gentransfer is de ontwikkeling van vectoren met een voldoend hoge therapeutische
     index, dit wil zeggen dat de gentransfertechnologie geen of minimale nevenwerkingen
     mag induceren.
     Binnen de atherosclerosegroep van het Centrum voor Moleculaire en Vasculaire
     Biologie worden nieuwe generatie adenovirale vectoren ontwikkeld die gericht zijn op
     de ontwikkeling van hepatocyt-gerichte gentransfer met een zo hoog mogelijke
     therapeutische index. Specifiek werden ook episomaal replicatieve vectoren
     ontwikkeld, dit zijn vectoren waarvan het DNA niet integreert in chromosomen doch
     wel repliceert bij celdeling. Gentransfer wordt uitgevoerd in muizenmodellen van
     dyslipidemie of in LDL receptor deficiënte konijnen. De transgenen die tot expressie
     worden gebracht zijn apolipoproteïne A-I (structureel eiwit van HDL),
     lecithine:cholesterol acyltransferase (enzym van HDL metabolisme) en ABCA1 (een
     membranair eiwit dat een belangrijke determinant is van de productiesnelheid van
     HDL). Als model voor familiale hypercholesterolemie worden homozygote LDL
     receptor deficiënte konijnen gebruikt en wordt LDL receptor gentransfer en VLDL
     receptor gentransfer geëvalueerd. Inhibitie van het microsomaal triglyceriden transfer
     proteïne in de lever door small interfering RNA gentransfer wordt gebruikt om de zeer
     lage densiteit lipoproteïnenproductie in de lever te inhiberen.
     De student(e) kan ingeschakeld worden in één van deze projecten bij vectorproductie,
     biochemische analyses, histologische analyses, in vivo gentransfer of immunologische
     evaluatie van gentransfer.

Afspraak voor uitleg, e-mail:
     bart.degeest@med.kuleuven.be
     jan.snoeys@med.kuleuven.be
     joke.lievens@med.kuleuven.be
12. Postoperatieve adhesievorming en implantaten

Z.A.P.-lid verantwoordelijk voor project en quotering student: Philippe R. Koninckx
     Tel: +32 16 34 42 02
     E-mail: philippe.koninckx@uz.kuleuven.ac.be
     Afdeling Gynaecologie-Verloskunde, U.Z. K.U.Leuven, Herestraat 49, B-3000 Leuven

Dagelijkse begeleiders van de student: Roger Molinas en Mercedes Binda

Samenvatting van het project:
    Postoperative adhesions are a major clinical problem causing infertility, pain and repeat
    surgery.
    Over the last 5 years we developed and validated a mouse model for laparoscopic
    surgery and adhesion formation. The mouse model is relatively inexpensive, permitting
    large scale screening. Its major advantage in comparison with larger animals is that for
    mice more assays are available, that fundamental processes in mice are better
    documented and the availability of knock-out mice.
    In this model we demonstrated that the pneumoperitoneum of a laparoscopy causes
    mesothelial hypoxia and that this through the upregulation of HIF and angiogenesis
    (VEGF and PlGF) is a major co-factor in adhesion formation. Also the role of
    temperature and dessication has been documented. This knowledge is actually used to
    screen substances for prevention of adhesion formation in order to gain a better insight
    in the underlying mechanism and ultimately to develop new methods which are
    clinically useful.
    Besides surgical trauma, foreign material such as sutures and meshes are known to
    cause systematically adhesion formation. These materials cause chronic inflammation
    and duration of presence obviously must be a cofactor in adhesion formation. The
    inherent adhaesiogenic potency of these substances however has never been
    documented.
    We therefore propose to investigate systematically resorbable (e.g. vicryl and dexon of
    different sizes) and non-resorbable (monofilament and polyfilament) sutures for their
    adhaesiogenic potential, together with the different types of available mesh implants.
    The aim of this investigation is to understand the common mechanisms of suture
    induced adhesion formation and mesh induced fibroblast growth and collagen
    formation. The former should clinically be prevented, the latter stimulated.

De beschikbare data voor uitleg / bezoek: op afspraak
13. Bepaling van organoleptische scores en van zwavelhoudende gassenconcentratie bij
ademgeur

Z.A.P.-lid verantwoordelijk voor project en quotering student: Daniel van Steenberghe
     Tel: +32 16 33 24 07
     E-mail: Daniel.vanSteenberghe@uz.kuleuven.ac.be
     Afdeling Parodontologie, U.Z. K.U.Leuven, Campus St Rafael, Kapucijnenvoer 7, B-
     3000 Leuven

Dagelijkse begeleiders van de student: Nele Van Assche en Betty Vandekerckhove

Samenvatting van het project:
    Ademgeur kan op vele plaatsen zijn oorzaak vinden (lever- of nierinsufficiëntie,
    longinfecties …) doch meestal komt het uit de mond- en keelholte. Daarbij lijken
    allerlei gassen geproduceerd te worden, met o.a. veel zwavelhoudende gassen. Deze kan
    men organoleptisch meten (ruiken) maar dit is sterk individueel afhankelijk.
    Calibratieprotocols zijn niet algemeen gedefinieerd. Objectief kan men
    zwavelhoudende gassen meten met een draagbare sulfidenmonitor. De bedoeling van
    dit onderzoek is na te gaan of er een verband bestaat tussen de organoleptische
    gevoeligheid van een panel “ruikers” en het gehalte aan zwavelhoudende gassen.
    Inderdaad organoleptisch ruikt men ook andere gassen (putrescine, cadaverine) en weet
    niet goed hoe bepalend hun rol is bij slechte ademgeur.
    De relevantie van dit onderzoek is niet enkel het beter standaardiseren van de
    diagnostiek, doch ook de therapie aan te passen. Zwavelhoudende gassen kan men
    aanpakken door spoel/gorgelmiddelen die bij voorbeeld zink bevatten. Indien diamines
    een grotere rol spelen zal men andere behandelschema’s moeten kiezen.

De beschikbare data voor uitleg / bezoek: op afspraak
14. Gebruik van 3-D CT-scan beelden voor plannen orale implantaten

Z.A.P.-lid verantwoordelijk voor project en quotering student: Daniel van Steenberghe
     Tel: +32 16 33 24 07
     E-mail: Daniel.vanSteenberghe@uz.kuleuven.ac.be
     Afdeling Parodontologie, U.Z. K.U.Leuven, Campus St Rafael, Kapucijnenvoer 7, B-
     3000 Leuven

Dagelijkse begeleider van de student: Liene Molly

Samenvatting van het project:
    Tandenloosheid is bij volwassenen en ouderlingen vaak het gevolg van parodontitis.
    Thans kan men titaanimplantaten in het kaaksbeen aanbrengen. Na enige inhelingstijd
    van de implantaten in het kaaksbot, of soms de dag zelf zal dan een algemeen tandarts
    de tandprothese hierop kunnen plaatsen. Daarom moet de parodontoloog tijdens de
    chirurgie, bij het bepalen van de positie en richting van de implantaten, rekening
    houden met de tandprothese die er op volgt. Het gebruik van preoperatieve CT-scan
    beelden kan hierbij helpen de mogelijkheden die de kaakanatomie aanbiedt te bepalen.
    Een software programma hier ontwikkeld in samenwerking met het labo ESAT-
    Radiologie laat toe de CT-scan beelden van de kaaksbeenderen optimaal te gebruiken
    voor het plannen van de kaakimplantaten. Dit heeft geleid tot een spin-off van onze
    universiteit (Medicim) die deze software behartigt.
    Op grond hiervan kan men tijdens de chirurgie ofwel gewoon navigatie uitvoeren
    (mentaal of via een navigatiesysteem) of gebruik maken van boormallen, geproduceerd
    via stereolithografie vanuit de radiologische beelden.
    Het doel van dit onderzoek is in vitro (kaakmodel) na te gaan hoe nauwkeurig men
    mentaal de planning kan nabootsen die het beeldscherm toont via 3-D beelden en hoe
    nauwkeurig dit lukt wanneer LEDs (light emitting diodes) geplaatst op de boor
    waarmee men de implantaten inbrengt opgemerkt worden door infrarood camera’s die
    dan de positie van de boor in beeld brengen in het radiologisch beeld van de kaak.
    Afwijkingen zullen geregistreerd worden na plaatsen van implantaten via beide
    benaderingen.

De beschikbare data voor uitleg / bezoek: op afspraak
15. Knelpunten en barrières in de implementatie van Evidence-Based Medicine binnen
de sector van de gezondheidszorg

Z.A.P.-lid verantwoordelijke voor project en quotering student: Bert Aertgeerts
     Tel: +32 16 33 26 95
     E-mail: bert.aertgeerts@med.kuleuven.be
     Afdeling Huisartsgeneeskunde, Belgisch Centrum voor Evidence-Based Medicine
     (CEBAM) (www.cebam.be)

Dagelijkse begeleider van de student: Karin Hannes, wetenschappelijk medewerker
     Tel: +32 16 33 26 93
     E-mail: karin.hannes@med.kuleuven.be

Samenvatting van het project:
    De laatste jaren is er een trend merkbaar binnen het brede domein van de
    gezondheidszorg, waarbij getracht wordt artsen en andere zorgverleners te mobiliseren
    hun klinische beslissingen te baseren op wetenschappelijk onderbouwde, feitelijke
    kennis. De naam waarmee deze nieuwe stroming geassocieerd wordt is Evidence-Based
    Medicine (EBM). Ondanks het feit dat EBM veelbelovend is in het voorzien van een
    wetenschappelijke grondlaag voor de klinische praktijkvoering blijken zorgverleners
    vaak moeite te hebben met het implementeren van resultaten van wetenschappelijke
    studies in hun dagelijkse praktijk. Vanuit deze vaststelling lijkt het relevant te zoeken
    naar zinvolle aanbevelingen voor strategieën en interventies die de implementatie van
    EBM kunnen bevorderen. Het uitgangspunt voor deze studie vormen de
    implementatieproblemen zoals ze ervaren worden door Belgische zorgverleners. Er
    wordt geopteerd voor een kwalitatief onderzoek op basis van focusgroepen. De techniek
    die aan de basis ligt van een focusgroep bestaat erin een groep individuen, geselecteerd
    door de onderzoekers, samen te stellen die vanuit hun persoonlijke ervaring
    bemerkingen en ideeën kunnen leveren met betrekking tot de topic ‘implementatie van
    EBM in de praktijk’. Een focusgroep benut de geleide, interactionele discussie als
    middel om de rijke details van complexe ervaringen en de redenering daarachter, acties,
    veronderstellingen, percepties en gedragingen van individuen te genereren. De aandacht
    wordt toegespitst op vier doelgroepen:
       1. psychiaters
       2. tandartsen
       3. verpleegkundigen
       4. kinésitherapeuten
    Er wordt gezocht naar (een) student(en) met interesse voor kwalitatief onderzoek.

     Voorstel van taakinvulling voor eerste kandidatuursstudenten (zomer 2004)
     EBM is sinds de jaren ’90 een opvallende aanwezige in de publicaties binnen de
     medische literatuur. Het aantal artikels waarin gerefereerd wordt naar EBM is enorm
     gestegen. In een beperkte literatuurstudie willen we nagaan in welke mate EBM
     voorkomt in de titels en de abstracten van Nederlandstalige publicaties. Deze informatie
     zal gebruikt worden voor de opmaak van een tijdstrend van 1990 tot 2004. De student
     kiest één van de hoger vernoemde doelgroepen of de doelgroep huisarts.

     Taak student:
     1. Selectie van Nederlandstalige tijdschriften die ge-‘handsearched’ zullen worden in
     samenspraak met promotor en copromotor
     2. Systematische screening van de geselecteerde tijdschriften op het voorkomen van de
     term EBM
     3. Verwerking van de gevonden informatie in een grafiek (opmaak van een tijdstrend)
     4. Schrijven van een beknopte samenvatting van de resultaten met het oog op een
     publicatie in een Nederlandstalig tijdschrift

     Voorstel van taakinvulling voor tweede kandidatuursstudenten (zomer 2004 +
     najaar 2004 – mogelijk tot voorjaar 2005)
     De student wordt gevraagd een keuze te maken tussen de hoger vernoemde
     doelgroepen. De student zal ingeschakeld worden bij het voorbereiden van het
     kwalitatief onderzoek, meer concreet het opzetten van focusgroepen voor de gekozen
     doelgroep. Later op het jaar kan de student deelnemen aan de focusgroepen als
     onderzoeker ((één van de) observator(en)).

     Taak student:
     Zomervakantie
     1. Uittekenen van een strategie voor het rekruteren van respondenten
     2. Praktische organisatie focusgroep (locatie, moderator, observatoren, materiaal)
     3. Eventueel het modereren of observeren van een test-focusgroep
     Najaar 2004 (mogelijk tot voorjaar 2005)
     1. Deelname aan de zelfgeorganiseerde focusgroepen als observator (4 à 5 sessies van
     anderhalf uur)
     2. Verwerking van de observatiegegevens in de teksttranscripten van de focusgroepen
     (workload +/- 1,5 uur per transcript (4 à 5 transcripten))

     Voorstel van taakinvulling van derde kandidatuursstudenten (zomer 2005)
     Afhankelijk van de voortgang van het onderzoek kan bekeken worden of een student
     kan ingeschakeld worden bij het verwerken van gegevens van kwalitatief onderzoek,
     meer specifiek het coderen van tekstmateriaal. Afhankelijk van het tijdsbestek kan hier
     een introductie tot een software pakket aan worden gekoppeld. Dit kan eventueel ook
     een mooie aanvulling zijn voor een tweedejaarsstudent die zich engageerde voor het
     opzetten van de kwalitatieve studie (nader te bekijken in het voorjaar 2005).

     Voor 2004 kunnen wij 2 eerstejaarsstudenten en 2 tweedejaarsstudenten begeleiden. De
     studenten kunnen samenwerken aan éénzelfde taak, maar voor een andere doelgroep.

Beschikbare data voor uitleg / bezoek:
     Woensdag tussen 10.30 en 17.00 uur
     Donderdagavond tussen 17.30 en 19.00 uur
     Vrijdagnamiddag tussen 13.00 en 17.00 uur
     Graag vooraf een afspraak maken

				
DOCUMENT INFO
Shared By:
Categories:
Tags:
Stats:
views:34
posted:4/26/2012
language:Dutch
pages:16