Filosofie cursus by Xk36BN

VIEWS: 286 PAGES: 71

									Filosofie
Hoofdstuk 1: Inleiding

Wat is filosofie: etymologisch (afleiding van een woord)?
- philia (vriendschap voor) + sophia (wetenschap, kennis, praktische wijsheid)
- het zoeken naar de waarheid (volgens Plato), Gorgias: de philosophia
- de zoeker van de kennis of kunde vs. De bezitter van de kennis of kunde

Filosofie heeft geen eigen studiegebied, het is meer een invalshoek, over verschillende domeinen
heen. Studiegebieden: biologie (levende wezens), fysica (bepaalde natuurverschijnselen),
psychologie (bepaald soort menselijke gedragingen)  filosofie van de fysica, filosofie van de
psychologie, etc. Filosofie = soort onderzoeksactiviteit: “Men bestudeert geen filosofie, men doet
het.” – J. Hankinson.

Wat is filosofie? Waar houdt de filosofie zich mee bezig?

    -    Voorlopigheid van de resultaten: “Wat op dwingende gronden door iedereen wordt erkend,
        is meteen ook wetenschappelijke kennis geworden, is geen filosofie meer, maar gaat over
        een bepaald domein van het kenbare.” – Jaspers
    -   Wetenschap is eigenlijk ook tijdelijk  het staat open voor falsificatie, het kan fout
        bevonden worden (validitisme)
    -   Verschijnsel van de ‘leegloop’ van de wijsbegeerte + creatie van nieuwe domeinen
                       Eens er een vaste onderzoeksmethode is, is het wetenschap, en geen
                         filosofie meer (vb. astronomie, chemie, psychologie  vroeger filosofie, nu
                         wetenschap)
                       Telkens nieuwe domeinen, vb. globalisering
                       Filosofie bestaat uit 2 componenten:
                               Nadenken over, proberen begrijpen van actuele thema’s en
                                  problemen
                               Bestuderen van ‘oude denkers’, filosofen
    -   Principiële bereidheid om vragen en antwoorden daarop kritisch te onderzoeken (goede en
        slechte vragen: goede vraagstelling is een doordachte, kritische manier van vragen, op een
        rationele manier beargumenteerd, een ondoordacht antwoord geeft geen goed antwoord op
        de echte vraag)
    -   Ergo: met respect voor de standaarden van rationele argumentatie
    -   Filosofie heeft betrekking op ‘ultieme vragen’ (op grondslagen van kennis, van de praktijk,
        etc.)
            o Ultieme vragen: ontoereikend voor wetenschappelijke methodes  niet beslisbaar
                 door experimenten of observatie (vb. ‘Bestaat er een god?’: niet observeerbaar)
                       Enkel reflectie over reeds aanwezige kennis als onderzoeksmethode
                       Vb. ‘Wat is natuurlijk?’, ‘Blijf ik mezelf mijn hele leven door?’, ‘Heeft mijn
                         persoonlijk bestaan een zin?’, ‘Wat is liefde, vriendschap?’, ‘Wat is
                         waarheid?’  veel ruimer dan ‘de zin van het leven’
            o Biologische filosofie: ‘Wat is leven?’, ‘Wanneer spreek je van levende wezens?’, ‘Wat
                 is de dood?’ (in de medische wereld: conventies over wat dood is  ‘whole


                                                                                                     1
                 braindead’ en ‘hogere hersendood’ (bewustzijn is weg, maar je lichaam ademt,
                 functioneert wel nog): wanneer ben je dan echt dood?
            o Mogelijke opvattingen van Waarheid:
                                Correspondentie met de werkelijkheid
                                Kwestie van coherentie (observaties kloppen met de theorie, en
                                   verschillende theorieën komen tot dezelfde conclusies)
                                Pragmatische theorie van de Waarheid: als het in de praktijk deugt,
                                   als je er iets mee kan doen
                       Propositionele kennis vs. Niet-propositionele kennis (subjectief, ervaringen)
    -   Filosofie is een discipline, geen wetenschap
                       Plato paste zelfde basisbeginselen van de filosofie toe op alle verschillende
                          domeinen (fysiek, politiek, etc.)  systematisch karakter
    -   Begripsanalyse: Ik weet dat X het geval is, als en slechts als:
                       Ik geloof/denk dat X het geval is
                       X het geval is
                       Ik kan justifiëren waarom X het geval is (voldoende redenen geven):
                          justificatie kan juist of fout zijn, maar geen toevallige kennis, op de juiste
                          gronden gelooft
                                Vb. zelfs moest er een god bestaan, dan kan je nooit weten dat hij
                                   bestaat, omdat er onvoldoende justificatie voor is.
            o Ergo: “Knowledge is justified true belief.”
    -   Dromen: er is geen test om uit te maken of je droomt of niet: elke denkbare ‘test’ die je
        ondergaat kan je net zo goed in je dromen ondergaan
            o Ergo: “Real life is made of stuff dreams are made of.”, “La vida sueño”, “Het leven is
                 een droom” – A. Schopenhauer
    -   Denken over denken:
            o Antwoorden in de wijsbegeerte zijn gegenereerd door analyse van het denken
                       Precieze formuleringen en definities, onderzoek van de houdbaarheid van
                          reden-conclusierelaties, onderzoek van formeel-logische geldigheid van
                          redeneringen, onderzoek van veronderstellingen, eliminatie van ambigu
                          taalgebruik, identificeren en gebruiken van criteria, formuleren van
                          overkoepelende hypothesen (speculatie), etc.
            o Wetenschap van het geldig denken/redeneren is zelf wijsgerige discipline (cfr. Logica)
                       Logica = leer van de geldige afleidingen/inferenties (discipline van de
                          filosofie)

Deeldisciplines van de filosofie:

    -   1. Epistemologie (kennisleer, wat we kunnen denken)
            o Komt van het Griekse episteme (kennis) en logos (verklaring) = kennisleer
            o Studie van de natuur van kennis en haar justificaties
                     Vb. ‘Wat is kennis?’, ‘Welke soorten kennis zijn er?’, ‘Wat zijn de
                        kennisbronnen?’, ‘Is kennis mogelijk?’, ‘Welke procedures garanderen
                        kennis?’, ‘Wat is onzekere kennis?’, ‘Zijn er ondenkbare dingen? En zo ja, wat
                        is hun aard?’ (vragen vanuit de epistemologie)


                                                                                                      2
                   Vb. van discussies: rationalisme vs. Empirisme (debat over bronnen van
                    kennis), scepticisme vs. Niet-sceptische benaderingen (debat over de
                    grenzen van kennis)
        o Speciale onderdelen:
                 Logica: leer van de geldige inferenties
                 Wetenschapsfilosofie: studie van de justificaties van kennis in de
                    wetenschappen (vb. ‘Welke justificaties worden als goed, als betrouwbaar
                    gezien door de wetenschap?’, ‘Hoe worden wetenschappelijke ontdekkingen
                    gedaan?’
-   2. Ontologie (= metafysica)
        o Van het Griekse einai (zijn) en logos (verklaring) = leer van het zijn
        o Synoniem voor ontologie = metafysica (letterlijk: het boek dat na het boek ‘Fysica’
            komt)
                 Vb. ‘Wat is bestaan?’, ‘Welke soorten dingen bestaan?’, ‘Hoe bestaat
                    psyche?’, ‘Hoe bestaat materie?’ (materie ervaren we niet, enkel de
                    psychische waarnemingen ervan  geen decisieve argumenten om te
                    bewijzen dat materie bestaat: het is een aanname), ‘Wat zijn die dingen?’, ‘
                    Hoe bestaan getallen?’ (ontdekken of construeren we ze?), ‘Hoe bestaan
                    functies, emoties, etc.?’, ‘Wat is ruimte?’ ‘En tijd?’
        o Onderdelen:
                 Natuurfilosofie: studie van de grondslagen van de fysica
                 Wijsgerige antropologie: studie van de aard van het specifiek menselijke
                    bestaan (vb. bewustzijn: ‘Kan ziel buiten lichaam bestaan?’)
                 Rationele theologie: studie van de (eventuele) aard van het goddelijke
                    bestaan (van een opperwezen)
                         Vb. van een (slechte) cirkelredenering: ‘God is perfect, dus moet hij
                             wel bestaan (anders zou hij niet perfect zijn). Alles heeft een
                             oorzaak, en god is de oorzaak van alles. Wat is de oorzaak van god?
                              reductie naar onwetendheid
-   3. Ethiek
        o Kritische onderzoek van waarden en normen voor het handelen en onderzoek naar
            hun grondslagen
                 Vb. ‘Zijn er normen die een verplichtend karakter hebben voor iedereen?’,
                    ‘Hoe kan men dergelijke normen justifiëren?’, ‘Wat is het goede leven, en
                    hoe kan men het eventueel realizeren?’, ‘Zijn er situatie waarin je iemand
                    mag doden?’(zelfverdediging: dood kan gevolg zijn, maar is nooit het doel op
                    zich), ‘Vanwaar komen gedragsregels?’
                 Vb. ‘Dood niet!’  kan niet waar of vals zijn: het is een gebod (analoog: ‘Doe
                    de deur dicht!’)
        o Onderdelen:
                 Theoretische ethiek = meta-ethiek: studie van de aard van de ethiek en haar
                    relatie tot de ontologie en de epistemologie, studie van het moreel
                    redeneren
                 Normatieve ethiek: justificaties voor stelsels normen voor het handelen


                                                                                               3
                       Toegepaste ethiek: studie van de grondslagen van het handelen op
                        specifieke domeinen (opvoeding, milieu, geneeskunde, oorlogsvoering,
                        ondernemen, etc.)
                              Vb. abortus: kan niet/kan op voorwaarde dat het kadert in een
                                 goede/neutrale daad: intentie mag niet zijn om foetus te doden 
                                 doctrine van het dubbel effect: eigenlijk stel je een (moreel) goede of
                                 neutrale daad, met als neveneffect iets slechts (vb. doden), ander vb.
                                 terminale patiënt: pijnvermindering, met de dood tot gevolg
           o Politieke en sociale filosofie
                     Eigenlijk onderdeel van de ethiek
                     Studie van de grondslagen van politieke en sociale praktijken en structuren
                     Vb. ‘Wat is een rechtvaardige maatschappijvorm?’, ‘Wat zijn de grenzen van
                        de staatsinterventie?’, ‘Welke basisrechten hebben burgers?’, ‘Wat is
                        burgerschap?’, ‘Welke vormen van discriminatie zijn aanvaardbaar?’,
                        ‘Waarom mag een staat eisen belastingen te betalen, maar niet om een nier
                        af te staan?’
                     Bijzonder onderdeel:
                              Rechtsfilosofie: studie van de grondslagen van het recht
   -   4. Esthetica
           o Kritisch onderzoek van het esthetisch oordelen (oordelen over schoonheid) en studie
               van zijn grondslagen
                     Vb. ‘Wat is schoonheid?’, (verschillende vormen van schoonheid: schoonheid
                        in de wiskunde, schoonheid in de kunst, etc.) ‘Zijn esthetische waarden
                        universeel of niet?’, ‘Wat is kenmerkend voorde esthetische ingesteldheid?’,
                        ‘Is schoonheid in de natuur vergelijkbaar met schoonheid in de kunst?’,
                        ‘Welke esthetische oordeelscategorieën zijn er?’ (het sublieme, het
                        pittoreske, het schone in zijn genre = niet echt mooi, wel typisch), ‘Hoe kan
                        slechte mooi zijn?’ (vb. tragedie = opgehoopte miserie, en toch mooi)
                     Niet enkel toegepast op kunst, ook van toepassing op natuurlijke
                        schoonheid, etc.
   -   Epistmologie en ontologie = eerder theoretisch,
       ethiek en esthetica = eerder praktisch, waardenfilosofie

Gedachtenexperiment: “Trolley-probleem”

   -   Phillipa Foot: ‘Abortion and the DDE (Doctrine of Double Effect)’
                     Hoe omgaan met slachtoffers?
                     Ruilen van levens voor andere levens (vb. bij oorlog: strategisch
                        bombarderen op vijandige bouwwerken en daarbij burgerslachtoffers
                        maken, om anderen te ‘redden’?), levens nemen om andere te redden
   -   Vraag 1: Je hebt een spoorweg die in 2 splits, er komt een trein aan die niet kan remmen. Op
       ene spoor zijn 5 mensen aan het werken, die niet weg kunnen, op het tweede, afslaande
       spoor maar 1 persoon. Moet de machinist draaien?  Stelling 1: 5 doden is erger dan 1
       dode.



                                                                                                      4
   -   Vraag 2: Een chirurg heeft 5 patiënten die allemaal een orgaantransplantatie nodig hebben. 1
       gezonde persoon kan hen allemaal redden. Mag de chirurg de gezonde persoon doden om
       de 5 andere te redden?  Stelling 2: 1 doden is erger dan 5 laten sterven
   -   Vraag 3: Je loopt langs een spoorweg, er komt een onbemande trein aan, die zelf niet kan
       sturen of stoppen. Op een tweesplitsing staat een wissel, te bedienen door de omstaander.
       Links staat 1 persoon op het spoor die niet wegkan. Normaal zal de trein rechtsdoor rijden,
       maar daar zijn 5 mensen aan het werk, die dan overreden zullen worden. Verleg je de wissel?
        Stelling 2b: 1 doden is erger dan 5 laten overrijden
   -   Vraag 4 = Fat Man-probleem: Je staat op een brug, er staat een gezette man naast je. Er
       komt een trein aanrijden, die dreigt achter de brug 5 mensen omver te rijden. De dikke man
       kan echter met zijn gewicht de trein tegenhouden. Geeft je de man een duwtje?  Stelling
       2c: 1 doden is erger dan 5 laten sterven

Oorsprong van de wijsbegeerte

   -   Wijsbegeerte vanaf gebruik van een rationele techniek
   -   Om de geschiedenis van de filosofie te bestuderen, moet je de tradities en originele teksten
       bestuderen
   -   Westerse (eigenlijk Grieks, vanuit Klein-Azië en arabisch = zelfde traditie), Chinese en
       Indische wijsbegeerte is ongeveer gelijktijdig ontstaan
                    Westen: begin met Sokrates (469 – 399 v. Chr.), Athene (en de presokratici)
                    China: begin met Kong Fu Ze (Kongfusius, 551-479 v. Chr.), ‘Zhe-Xüe’ = studie
                       van de wijsheid  praktischer gericht, minder analyse
                    India: Siddharta Gautama (°560 v. Chr.), historische Boeddha, ‘Yoga’ =
                       ‘meditatie’
                    Invloeden gekruist: hadden een invloed op elkaar (wij zullen vooral de
                       geschiedenis van de Westerse filosofie bekijken)

Sokrates

   -   Schreef zelf niets en gaf ook geen les: er zijn dus alleen secundaire bronnen van o.a.:
       Aristophanes, Xenophon, Plato en Aristoteles (zij schreven allemaal over Sokrates, maar
       spraken elkaar voor een deel tegen)
   -   Hij leefde in de Oudheid, en werd gezien als een ‘wijze’, een soort heilige. Hij offerde zijn
       eigen leven op voor zijn waarden (tegen de rechtspraak in: hij kreeg de gifbeker) 
       voorbeeldfunctie! (filosofie was een levenswijze, filosofen leefden volgens hun beginselen)
   -   Sokrates had een enorme invloed op zijn tijdgenoten (voorbeeldfunctie)
   -   Beeld door Plato in diens dialogen:
                     Sokrates ontmoet X die beweert iets te weten;
                     S vraagt X een definitie;
                     S stelt X vragen, te beantwoorden met ja of neen;
                     S toont door ‘syllogiseren’ aan dat X een contradictie aanvaardt en dat X dus
                        niets weet
                     Vb. veldheer die weet wat moed is… (Laches)  weet eigenlijk niets
            o Sokrates wist van zichzelf dat hij niets wist: door Orakel van Delphi uitgeroepen tot
                slimste mens van Griekenland = socratische ironie


                                                                                                   5
    -   Belang van Sokrates:
            o Model van rationaliteit:
                     Sokrates dwingt zijn respondent in een meedogenloos kritisch onderzoek
                         naar diens fundamentele begrippen
                     Sindsdien kenmerkend voor de Westerse wijsbegeerte (B. Magee)
                     Correct denken = je denkstappen in een dialoog onderwerpen aan de
                         formele controle door anderen
                     Socratische methode: de leraar stelt vragen die de leerling, uitgaande van
                         wat hij al weet, stapsgewijs in de richting van een antwoord voeren (cfr.
                         Meno)
            o Ter dood veroordeeld wegens ‘corruptie’ jeugd en niet geloven in de goden van de
                stad (hij was in werkelijkheid een bedreiging voor de staat, met zijn ideeën)
            o Dood verhaald in Phaido van Plato (427 – 347 v. Chr.)

Pre-Sokratici

    -   Verzamelnaam voor een twaalftal wijsgeren die tot ongeveer de tijd van Sokrates de natuur
        van de wereld probeerden te verklaren of te beschrijven
    -   Aristoteles: (384 – 322 v. Chr.): gaf hen de naam ‘physiologoi’ (natuuronderzoekers)
    -   Pre-sokratici  Sokrates (onderzocht meer ethische kwesties)
    -   Vooral in Griekenland, Italië, Klein-Azië (+/- 130 jaar voor Sokrates)
            o Milesiërs: Thales van Milete (6de eeuw v. Chr.), Anaximander, Anaximenes
            o Pythagoras van Samos (570-497 v. Chr.)
            o Eleaten: Parmenides (1ste helft 5de eeuw v. Chr.), Zeno (Italië)
            o Herakleitos van Efese (vroege 5de eeuw v. Chr.)
            o Democritos van Abdera (late 5de eeuw v. Chr.)
            o Vooral kleine fragmentjes van werk van pre-sokratici bewaard gebleven
    -   Aard van de Physis (natuur)
            o Thales: alles is water (onder één of andere vorm) = monisme
            o Herakleitos: Panta Rhei (alles beweegt), eenheid der tegendelen, twist en
                tegenspraak is onvermijdelijk, alles is vuur (één kinetisch materiaal)  niets is
                constant in de werkelijkheid, alles is voortdurend in beweging. Er is geen substantie,
                alles is per definitie vluchtig (metafoor van de kaarsvlam: ziet er stabiel uit, maar is in
                feite vluchtig. Je kan geen 2 keer in dezelfde stroom baden, want water stroomt) 
                hele werkelijkheid is dynamisch (oorlog en conflict is de essentie van alles) 
                procesfilosofie (alles is opgebouwd uit dynamiek)
            o Pythagoras:
                      metempsychose: een onsterfelijke ziel migreert over land-, zee- en
                          luchtdieren, cycli van 3000 jaar)  eerste die concept aanbrengt van een ziel
                          (later overgenomen door verschillende godsdiensten)
                      Orfische mysteries: leefregels  zuiveringsrituelen, beoefening wetenschap
                      Basisontdekking van Pythagoras: intervallen in de muziek beantwoorden aan
                          eenvoudige getallenverhoudingen (octaaf 2:1, kwint 3:2, kwart 4:3), klank in
                          wiskundige verhoudingen  wiskundige wetten liggen aan de basis van de
                          fysische realiteit


                                                                                                         6
                       Numerieke aard van de werkelijkheid: ‘Het getal is de essentie van alles!’ 
                        fascinatie voor de werkelijkheid aan de hand van getallen, werkelijkheid
                        ontstaan door wiskundige verhoudingen
           o Parmenides: er bestaat slechts 1 ondeelbaar zijnde (‘Het zijnde is’), er bestaat geen
               niets of lege ruimte (idem: Zeno), geen deelbaarheid van tijd en ruimte mogelijk 
               monisme. cfr. Paradoxen: Achille en de schildpad: Achille haalt de schildpad in,
               moesten tijd en ruimte deelbaar zijn, dan zou Achille de schildpad nooit kunnen
               inhalen, want een oneindig aantal punten kunnen niet doorlopen worden in een
               eindige tijd!
           o Democritos: elaboratie van het atomisme van Leukippos: lege ruimte bestaat, en wat
               is, bestaat uit een oneindig aantal ondeelbare ‘atomen’ (dingen die je niet verder kan
               delen, wat bestaat)  pluralisme (oneindig aantal substanties)
   -   Bijzondere groep: Sofisten  van minder belang (overgeslaan in de les)
   -   Belang van wiskundig bewijs: mogelijkheid om ZEKERE bewijzen te maken
           o Thales van Milete (6de eeuw v. Chr.): wiskunde  bewijsbare stellingen
           o Euklides: axiomatische methode (300 v. Chr.): deductieve manier om complexe
               stellingen vanuit makkelijkere te bewijzen
                     Postulaten (axioma’s): stellingen die waar zijn, waar je niet aan moet
                        twijfelen
                              Vb. tussen 2 punten is het altijd mogelijk om een rechte lijn te
                                 trekken
                     Vertrekpunt: definities  postulaten/axioma’s formuleren  proposities
                     Tussen postulaten en proposities  afleidingswijze
           o Zie site: http://aleph0.clarku.edu/~djoyce/java/elements/toc.html
           o Oudheid: statica, optica, astronomie  nu delen van fysica, wetenschap: wiskundige
               benadering vormt ook basis voor delen van de fysica
           o Deductie: deductieve redeneringen  als de premissen waar zijn, dan is de conclusie
               ook altijd waar
                     P1: Als het regent, dan ligt de straat nat.
                        P2: Het regent.
                        C: Het ligt nat.

Begrippen:

   -   SUBSTANTIE = datgene dat zelf niet bestaat uit andere dingen, en aan de grondslag ligt van
       alle andere dingen die eruit gemaakt zijn.
   -   MONISME = geloof dat er maar 1 substantie bestaat, en dat alles daaruit opgebouwd is.
   -   PROCESFILOSOFIE = het geloof dat alles opgebouwd is uit dynamiek  DINGFILOSOFIE
   -   METEMPSYCHOSE = gedachte dat er een onsterfelijke ziel bestaat, die constant hergeboren
       wordt in andere gedaanten




                                                                                                    7
Hoofdstuk 2: Plato (427 – 347 v. Chr.) en Aristoteles (384 – 322 v. Chr.)

Plato:

    -    Biografie:
             o Geboren in Athene, in een adellijke familie met veel politieke invloed (aristocraten)
             o Hij ontmoette in zijn kinderjaren Socrates (hij was een leerling van Socrates)
             o Plato was geschokt toen rond zijn 27ste Socrates tot de dood veroordeeld werd
             o Achtergrond:
                      De Pelopponesische oorlog van 431-404 v. Chr.  Sparta
                      Athene verliest  in 404 v. Chr.: Tirannie van de 30 (Sparta verslaat Athene
                         en installeert tirannie)  aristocratisch regime
                      403: herstel van de democratie  Plato was verwant met één van de
                         tirannen (Critias), meerdere leerlingen van Socrates behoorden tot de
                         tirannen
                      Socrates (en ook Plato) was een aristocraat, hij was geen aanhanger van de
                         democratie (waardoor Socrates als een bedreiging gezien werd voor de
                         staat)
             o Na de dood van Socrates (hij kreeg de gifbeker, deels veroordeeld als afrekening van
                 het regime) verliet Plato Athene een tijd voor Sicilië en Zuid-Italië, waar hij veel
                 politieke en geleerde kennissen maakte
             o Rond 385 keerde Plato terug naar Athene en stichtte er de Academie (‘Platonische
                 Academie; eerste school in de huidige betekenis van het woord, vooral wiskundig
                 onderwijs)
             o 367: Plato maakte een tweede en kort daarop een derde reis naar Syracuse
                 (Dionysius II)  jonge vorst  politieke opvoeding!
                      Mislukking: tijdens de tweede reis werd Plato gevangen gezet, tijdens de
                         derde reis opnieuw gevangen en verkeerde hij in levensgevaar. De
                         verbannen Dion voerde 3 jaar oorlog tegen Dionysius II. Dion werd vermoord
                         door een medestander, die Plato vroeg hem bij te staan in de nieuwe staat.
                         Plato weigerde.
    -    Werken: DIALOGEN
             o Opgedeeld in vroege, midden en late dialogen (levendige dialogen over een
                 onderwerp)
                      Vroege: Apologie van Socrates, Charmides, Crito, Euthydemus, Eutrypho,
                         Gorgias, Hippias, Maior, Hippias Minor, Ion, Laches, Lysis, Menexenus,
                         Protagoras, Staat bk 1
                      Midden: Cratylus, Phaedo, Staat bk 2-10, Symposium, Phaedrus, Parmenides,
                         Theaetetus
                      Late: Timaeus, Critias, Sophistes, Politicus, Philebus, De Wetten
             o Model: wiskunde (meetkunde)
                      Succes van de muziektheorie (harmonie  Pythagoras) en de sterrenkunde:
                         wiskundige stelling aan de basis van harmonische muziek en heelal
                      Volmaakte meetkundige vormen aan de basis van de werkelijkheid
                      Cfr. De gedachte dat de beweging van de hemellichamen verklaarbaar is op
                         grond van cirkelvormige, eenparige (vb. geen versnellende beweging)

                                                                                                   8
                    bewegingen van bollen (Eudoxus) of van genestelde bollen (Hipparchus) 
                    stellingen waarvan Plato uitging
       o Bestaan en algemene termen:
                Plato veralgemeende wiskundige stellingen: hij geloofde in het bestaan van
                    veralgemeende termen
                          Vb. Mieke’s jas is rood.
                          Boter is geel.
                          Het oordeel van Salomon was wijs.
                          De aanval op de Atheners op de Spartanen was moedig.
                Vraagstelling:
                          Subject – predicaat zinnen: X = A
                          Over de A’s kan men zinvol spreken (vb. roodheid, geelheid,
                             wijsheid, dapperheid, etc.) (hoewel geelheid zelf niet geel is)
                          Vaststelling: zijn ‘algemene’ dingen, vb. hoewel dé driehoek niet
                             gelijk is aan eender welke getekende driehoek, kunnen er toch
                             uitspraken over gedaan worden, met zekerheid  veralgemening
                          Hoe mogelijk?  belang van het model van de wiskunde: ontdekt of
                             construeert men haar ‘waarheden’?
                Oplossing van Plato: Realisme (realisme in de betekenis van ‘objectief
                    bestaan’) met betrekking tot universalia: de betekenissen van universele
                    termen bestaan als dingen, los van het denken
                          Plato
                          Bertrand Russell (1872-1970): Platonische filosoof, één van de
                             grondleggers van de hedendaagse wiskunde
                          Universalia: algemene term = bestaat echt, objectief, reëel karakter
                             (het zijn geen begrippen die we construeren)
-   Dualisme van Plato:
       o Vormenleer = algemene termen bestaan in een vormenwereld: ‘prototypes’ van het
           waarneembare (basisvoorbeelden van wat we zien)
                Kenmerken vormen: eeuwig, onveranderlijk, niet-gelokaliseerd, niet-
                    waarneembaar, ondeelbaar, perfect, etc.
                Vormenwereld van Pythagoras
       o Zintuiglijke wereld: veranderlijk (alles wordt, alles beweegt), zintuiglijkheid,
           imperfect, etc.
                Zintuiglijke wereld van Herakleitos
       o Plato: maakt combinatie = 2 etages
                De etage van de eeuwige vormen (staat buiten tijd, los ervan)
                De etage van de zintuiglijke wereld
                Volgens Plato zijn de algemene termen het echte, en de concretisering, het
                    empirische is de bundel van prototypes
                DUALISME: stelling dat de wereld uit 2 tegenovergestelde dingen bestaat
       o Epistemologie: kennis is mogelijk voor zover die betrekking heeft op vormen 
           kennislijn
       o Plato: DE KENNISLIJN


                                                                                              9
    KENNIS          Pure kennis         Vormen (ideëen) De Kenbare           HET GOEDE
                    Begrijpen           Begrippen            Wereld
    MENING          Geloof              Concrete dingen      De Zichtbare DE ZON
    (doxa)          Verbeelden          Afbeeldingen         Wereld
                    EPISTEMOLOGIE ONTOLOGIE
         Doxa (of mening) is de zintuiglijke wereld  waarschijnlijkheden
                Vb. alle raven zijn zwart = onmogelijk te bewijzen, want dan zou je
                   alle raven uit het verleden, heden en toekomst moeten bekijken, wat
                   onmogelijk is
         Kunst is de afbeelding van een afbeelding van een vorm, dus het heeft een
           laag ‘waarheidsgehalte’
         Plato maakte in zijn dialogen vaak gebruik van mythische verhalen
                Vb. Alles bestond oorspronkelijk uit bollen: man/vrouw-bol splitst 
                   eros/liefde is terugvinden wederhelft
                Vb. metafoor van de grot: mensen geketend in de grot, ze zien enkel
                   schaduwen (door het vuur), niet de echte dingen, want ze kunnen
                   zich niet draaien  zouden die mensen niet denken dat de
                   schaduwen die ze zien echt zijn? (Analoog voor mens in zintuiglijke
                   wereld, die vormenwereld nooit gezien heeft…)
         Waarom ‘Het Goede’?  in de vormenwereld bestaat enkel het perfecte
                Maar: wat met een ‘perfecte’ moordenaar?  is eigenlijk
                   imperfectie: er bestaat geen vorm voor in de vormenwereld,
                   ontbreken van perfectie
         De ideeën van Plato hebben en hadden een grote invloed op onze cultuur
o   Toepassing op moraal en mensbeeld:
         Redelijk onderzoek van moraal en maatschappij is mogelijk: ‘het goede’
           bestaat objectief (moreel absolutisme)
         Phaido’s zielsleer:
                Ziel = eeuwige vorm, ‘goddelijk’  bron van kennis (anamnese)
                Lichaam = vergankelijk, ‘aards’
         Symposium: Eros is de liefde voor het Goede
         Opstijgen naar het Goede = onthechting ‘zintuiglijkheid’: rede vs. Emotie
           (dualisme)
                Plato: tegenstelling tussen rede (vorm) en emotie (zintuiglijk), voor
                   de meesten in de Oudheid was dit geen tegenstelling)
                Metafoor van de paarden (emoties) en de menner (de rede), die de
                   paarden onder controle moet houden
         Bij Plato: zeker ontwaarding van het zintuiglijke, het lichamelijke,
           vergankelijke, maar niet radicaal
                Grieken hadden bewondering voor het menselijke lichaam
                Plato: recyclage ziel  eerst gewassen in de onderwereld
                Socratische methode: leren is herinneringen ophalen uit de
                   vormenwereld die aanwezig zijn in de ziel (elke mens heeft de
                   kennis, maar hij herinnert het zich niet meer)



                                                                                   10
                               Het concept van een ziel komt dus vanuit de filosofie, vanuit
                                Griekenland, pas in de 1ste – 2de eeuw na Chr. Ook in het christendom
                                (ervoor enkel wederopstand van de lichamen, er kwam geen ziel aan
                                bod)
                             Platonische liefde = liefde zonder lichamelijke  depreciatie van het
                                menselijke lichaam
    -   Alternatieve constructies:
            o Conceptualisme: de objecten van het denken en de betekenissen van de universele
                termen bestaan alleen in de psyche en worden door de psyche geconstrueerd.
                     Aristoteles (384-322 v. Chr.)
                     John Locke (1632-1704)                     => conceptualisten
                     Termen: abstraheren uit empirische observatie (termen bestaan niet
                        objectief, maar als constructies van de psyche)
            o Nominalisme: namen volstaan, algemene termen slaan op de verzameling van de
                dingen waarop zij van toepassing zijn. Alleen ‘singuliere’ dingen bestaan. (Enorme
                belang van vooraf bestaande woorden: enkel namen van dingen bestaan echt)
                     William of Ockham (?-1347)
                     !! Ludwig Wittgenstein (1889-1951)
            o Waarschijnlijk ligt de waarheid ergens tussen het conceptualisme en het
                nominalisme (in tegenstelling tot het platonisme)
            o (Volgende 3 slides niet belangrijk)

Aristoteles:

    -   Biografie:
            o Geboren in 384 v. Chr. Als zoon van de lijfarts van de koning van Macedonië (in die
                tijd waren Macedonië en Athene vijandige staten)
            o In 367 ging Aristoteles naar de Academia, tot de dood van Plato (20 jaar)
            o Aristoteles was in Athene een niet-burger (verbonden met Macedonië vs. Hellas)
            o In 348/47 gaat hij naar Assos (in Klein-Azië), naar een filiaal van de Academia, daarna
                naar Lesbos (de school van Plato, op een nieuwe locatie)
            o In 343/342 werd hij uitgenodigd door de koning van Macedonië, Philippus, om diens
                zoon, Alexander, op te voeden
            o In 340, als Alexander regent wordt, keert Aristoteles terug naar Stagira
            o In 335 keert hij terug naar Athene, en geeft er colleges in het Lyceum (= school van
                Aristoteles, een gymnasium, een onderzoeksschool). Hij heeft een hele schare
                leerlingen en medewerkers. In de school werd aan peripatetici gedaan = wandelend
                aan onderwijs gedaan
                      Aristoteles kon met wat hulp een school stichten, hoewel hij als niet-burger
                        van Athene geen rechten had, dus ook geen bezitsrecht
            o In 323 sterft Alexander, waarna een antimacedonische reactie volgt in Athene,
                Aristoteles wordt bedreigd met een proces (hij is Macedoniër), maar vlucht naar
                Chalcis
            o Aristoteles sterft in 322
    -   Werken:
            o Dialogen (cfr. Plato): zijn verloren gegaan

                                                                                                   11
        o   Documentatie werken: Historia animalium en de Staatsinrichting van Athene 
            merendeel ging verloren
        o Collegeaantekeningen (cursussen): uitgegeven in de 1ste eeuw v. Chr.
                 Logische geschriften:
                         De interpretatione: propositieleer
                         Analytica priora en posteriora: syllogismenleer, theorie van de
                            deductieve wetenschap (onbewijsbare principes: axioma’s,
                            definities,…)
                         Topica: theorie en praktijk van het dialectisch debat (retorica =
                            publiek overtuigen van je gelijk)
                         Sophistici elenchi: leer van de drogredenen (welke worden er
                            gebruikt, welke drogredenen kan je zelf makkelijk gebruiken)
                 Natuurfilosofische geschriften:
                         Algemene natuurfilosofie (Physica, De Caelo – astronomie,
                            Metereologica,…)
                         Filosofie van de levende natuur: De anima, Parva naturalia (o.a.
                            psychologie en fysiologie – o.a. dissecties, onderzoek in botanische
                            tuin, etc.), De partibus animalium – anatomie
                         Metafysische geschriften: Metaphysica
                         Ethische geschriften: Ethica Nicomachea, Ethica Eudemia, Politica -
                            staatsleer,…
        o Enorm oeuvre, en enorm invloedrijk (cfr. Middeleeuwen via de Arabische filosofie)
                 Geen wiskunde!, hoewel Aristoteles studeerde aan de Academia, die een
                    klemtoon legde op wiskundige kennis (wel grote bijdrage in de logica)
-   Syllogismenleer:
        o Poging om alle deductieve redeneringen in kaart te brengen (classificatie) en er een
            theorie rond te ontwerpen
        o Syllogisme: als de premissen waar zijn, dan is de conclusie ook waar, vb.:
                         P1: Als het regent, dan ligt het nat
                         P2: Het regent.
                         C: Het ligt nat
        o Vorm van de redenering:
                 Modus ponens:
                         Als p, dan q (P1)
                         p (P2)
                         Dus q (C)
                 Informatie bevat in de conclusie steekt reeds in de premissen  Aristoteles
                    bracht de geldige vormen in kaart
                         p = antecedent
                         q = consequent
                 Modus tollens (opheffende wijs)
                         Als p, dan q
                         -q
                         Dus –p


                                                                                               12
           Hypothetische uitspraak: heeft een als…, dan…- vorm (de woorden ‘als’ en
            ‘dan’ zijn niet altijd uitdrukkelijk aanwezig)
         Categorische uitspraak: heeft een andere vorm
         Bedrieglijke drogredenen:
                 Als p, dan q
                 q
                 Dus p
                  niet logisch geldig! (drogredenering van het bevestigen van het
                     consequent)
o   Formele logica: de uitspraak is waar omwille van de vorm
         Informele logica: proberen uitmaken welke argumenten geldig zijn en welke
            niet  argumentenleer
o   BARBARA-syllogisme:
                 Alle X zijn Y (P1)
                 Alle Y zijn Z (P2)
                 Alle X zijn Z (C)
         Ongeldige redenering, vb.:
                 Alle voetballiefhebbers zijn gewelddadig (P1)
                 Alle voetballiefhebbers zijn bierdrinkers (P2)
                 Alle bierdrinkers zijn gewelddadig (C)
o   Inductie: redeneringen waarbij de conclusie wel informatie toevoegt aan de
    premissen: ‘Als p, q, r, …, dan steeds s’
         Vb. als raaf 1 zwart is, raaf 2 is zwart,… en raaf n is zwart, dan zijn alle raven
            zwart (maar wat met raaf n + 1, raaf n + 2,…?  Je moet informatie
            toevoegen aan wat je al wist = veronderstellen!)
         Waarschijnlijkheid  weinig echte zekerheid
         Inductieprobleem: wanneer mag je algemene conclusies trekken uit een
            aantal particuliere gevallen?
                 Vb. bij onderzoek: wanneer is empirisch voldoende bevestigd om te
                     veralgemenen?
                 Vb. de zon kwam tot nu toe alle dagen (die wij al leven) op, maar we
                     hebben geen reden om aan te nemen dat ze alle dagen zal opkomen
                 Alle definities hebben problemen met inductie
o   Informele logica: drogredenen
         Ad hominem-argument: in plaats van naar de argumenten te luisteren, de
            persoon in diskrediet brengen
         Gezagsargument: in plaats van de argumenten te bekijken, een persoon
            geloven omdat hij gezag heeft
                 Mensen nemen heel veel voor waar aan, nemen voor waar aan wat
                     ‘betrouwbare’ bronnen beweren, er is weinig sceptisme
         “Bad company/good company”-drogrede: mensen beoordelen volgens de
            groep waartoe ze behoren
         De “iedereen doet het” en de “ het is altijd al zo geweest”-drogrede: hoe zou
            er dan nog iets nieuws mogelijk zijn?


                                                                                         13
                   De anekdotiek-drogrede: een argument aannemen omdat je een anekdote,
                    persoon (of een aantal gevallen) kent die het bevestigd
                 Cirkelredenering: eigenlijk formeel geldig, maar je veronderstelt iets,
                    waardoor je afleidt dat je veronderstelling klopt
                         Vb. je veronderstelt dat god bestaat, en leidt eruit af dat hij bestaat:
                             P  P: de bijbel is het woord van god, de bijbel bestaat, dus moet
                             god ook wel bestaan…
                 Valse tegenstellingen: men geeft enkel de uitersten: het is ofwel zo, ofwel zo,
                    maar men geeft niet alle mogelijkheden: [A               ~A]
                         (beide extremen zijn niet waar, er wordt enkel zwart-wit gekeken)
                         Dilemma-redenering
                          authentieke tegenstelling
-   Teleologie/doeloorzaken
        o Het idee dat alles wat bestaat een doel heeft
        o Aristoteles: verklaringen moeten doelen expliciteren waarnaar de dingen tenderen
                 2 soorten oorzaken (oorspronkelijk 4):
                         De vorm van een ding
                         De materie van een ding (waaruit het opgebouwd is)
        o Vorm:
                 Vorm is immanent: bestaat enkel als de vorm van materie
                 De vorm wordt bepaald door de functie: vb. zeggen wat een tafel is, is
                    zeggen waartoe ze dient (vooral bij dingen die door de mens gemaakt zijn)
        o Verklaring verandering:
                 Materie bezit de potentialiteit om een bepaalde vorm te krijgen
                         Vb. een veulen wordt een paard doordat de materie van het veulen
                             de potentialiteit bezit om de vorm van het paard aan te nemen
                 Actualiteit is het doel waarvoor de potentialiteit bestaat
        o Teleologie: “de natuur doet niets zomaar zonder reden” (uitzondering:
            restproducten)
                         Vb. de ijsbeer heeft een dikke, witte vacht om tegen de koude
                             beschermd te zijn en als camouflage
                 De meeste structurele kenmerken en gedragingen van dieren hebben een
                    functie, i.e. ze dienen voor het verrichten van een handeling die voor het
                    organisme wezenlijk of nuttig is
                 Aristoteliaanse natuurbeschouwing = doeloorzakelijkheid
                 Vb. voorplanting bij slangen… (zie slides H2, p.6)
                         Verschillende veronderstellingen die eigenlijk niet kloppen
                         Slangen hebben dus geen penis omdat ze geen poten hebben (en
                             penissen zich bevinden tussen poten)…
                         Ze hebben ook geen teelballen omdat ze zich niet zouden kunnen
                             voorplanten met teelballen, en dit wegens hun lengte, die afkoeling
                             van het sperma veroorzaakt (koud = dood, warm = leven)
                 Causale verklaringen: geven oorzaken van dingen en verschijnselen aan, in
                    de plaats van doelen die ze hebben


                                                                                               14
                  Doeloorzakelijke verklaringen: zoeken waartoe iets dient (kan
                   eventueel wel bij zaken met een intentie, maar niet toepasbaar op
                   de natuur)
                Oorzakelijke verklaringen: zeggen waardoor iets tot stand komt
         Teleologische verklaringen:
                Vb. er zijn bergen, omdat er water in rivieren naar beneden zou
                   stromen, en de mens zich zou kunnen verplaatsen
                Eigenlijk mag je niet kijken waartoe een berg dient , maar waarom hij
                   tot stand kwam (kan je niet bekijken vanuit de functie die hij heeft)
o   Invloed:
         Invloed van Aristoteles is enorm: op de ontwikkeling van de logica,
            wetenschappen, etc.
         Ook van doeloorzakenvisie op de wereld: wereld geordend door finaliteiten
                Cfr. “intelligent design”: er moet wel een god bestaan, aangezien de
                   natuur intelligent in elkaar steekt  elementen in de natuur zijn
                   ‘afgesteld’ op elkaar
         Kritieken: o.a. Spinoza (1632-1677): zie tekst op minerva!




                                                                                     15
Hoofdstuk 3: Hellenistische/Romeinse filosofie (336 v. Chr. – troonsbestijging Alexander –
tot de 2de eeuw n. Chr.)

Hoofdstuk niet in detail te kennen: namen en data niet te kennen, de centrale ideeën wel!

-   Historische context:
        o Na de dood van Alexander de Grote (323 v. Chr.)
        o Het hele Middellandse Zee-gebied was ondergebracht in 1 rijk, 1 cultuur  mediterrane
            wereld (geen verschil tussen Griekse en Arabische cultuur)
        o 3 voertalen:
                 Grieks
                 Latijn
                 Aramees
        o Vanaf de hellenistische periode: het belang van de stadstaat verminderde  promoten
            van de ‘kosmopolis’
        o Verdere desintegratie van de politieke eenheid van de polis (stadstaat)
        o Meer ‘individualisme’: hoe zorgen voor zichzelf in een kosmo-polis (Stoïcijnen) of buiten
            de polis (Epicuristen)
        o Filosofie als leefwijze (dolende wijzen)
-   Socratisme
        o Socratische gedachte: iemands leefwijze toont zijn relatie tot de waarheid
        o Meestal:
                 Relatie tussen een leefwijze en een doctrine (vb. Stoa, Epicurisme, Aristotelisme,
                     etc.)
                 Ook: ‘leer’ moet aanwezig zijn op een spectaculaire, provocatieve wijze
-   Cynisme
        o Geluk = zichzelf volstaan en ‘volgens de natuur’ leven (met het strikte minimum)
        o Individu kan zichzelf zijn onder alle omstandigheden
        o Vertaalt zich in een sobere leefwijze, ook zichzelf en anderen op de proef stellen
-   Stoa
        o Stoïcijnen zien zichzelf niet als een lid van een stad, maar als een lid van een kosmopolis
            (wereldburgers)
        o Barmhartigheid over de grenzen van de polis, stad heen
        o Dingen waar je niets tegen kan doen, daar moet je indifferentieel tegenover staan: het
            heeft geen zin om erover te blijven doordrammen, het mag in de praktijk niets uitmaken
                 Vb. rijkdom, roem, dood, etc.
                 Je moet de beperkingen in je leven erbij nemen, ze mogen niet verhinderen om
                     doelen in je leven te bereiken
                 Je stelt je beter geen doelstellingen in je leven die je toch niet kan bereiken
                 Of je nu een slaaf bent of een keizer: leef volgens je mogelijkheden, stel doelen
                     volgens je mogelijkheden
        o Doel van de wijze: deugdzaam leven (hangt niet af van externe zaken)
        o ‘onverschilligheid’ jegens dingen die buiten je macht liggen
-   Epicurisme
        o Filosofie = “de activiteit die door argumenten en discussies tot een gelukkig leven leidt”


                                                                                                   16
       o Belangstelling voor de fysica (atomisme)
       o “leef verborgen” en groot belang van vriendschap, promoot sober leven
       o Indeterminatie: wilsvrijheid mogelijk
-   Sceptisme
       o Sceptisch staan tegenover het aannemen van waarheden
       o Schrijver handboek is een scepticus
       o Gingen uit van de redeneervorm: equipollentie
               Als je evenveel argumenten vóór als tegen vindt, dan moet je het redeneren
                  stoppen
               Vb. vraag of god bestaat of niet:
                       Alle argumenten VOOR het bestaan van een god
                       Alle argumenten TEGEN het bestaan van een god
                       Als VOOR en TEGEN elkaar in evenwicht houden, dan moet je een
                          oordeel opschorten
               Gemoedsrust voor wat je in je leven kan tegenkomen  vorm van levenswijze
-   De Oudheid was een lange periode: ook de invloed duurde lang (tot ong. 4de eeuw n. Chr.)




                                                                                               17
Hoofdstuk 4: Middeleeuwse filosofie

-   Directe historische bronnen Christendom?
        o Tacitus (55-120) zegt in 105 dat ‘de stichter van de Christenen, een zekere Christus,
            onder Pontius Pilatus ter dood werd gebracht’
        o Flavius Josephus (37-100) zegt in 93 dat in 62 ‘Jacobus, de broer van Jezus die Christus
            wordt genoemd’, werd terechtgesteld
                 Testimonium Flavianum: deels gekopieerd uit tekst van Lukas
        o Het enige wat we weten over het ontstaan van het Christendom is dat er ooit een Jezus
            bestaan heeft, die geëxecuteerd werd onder Pontius Pilatus, en een broer had.
        o Relatief weinig externe bronnen, en pas lange tijd na de dood van Christus
-   Vragen:
        o Godsdienst heeft andere doelstellingen dan de filosofie
                 Godsdienst: wat kan ik aanvaarden?
                 Filosofie: bekritiseren van dingen
        o Waarom ‘verstoort’ godsdienst de filosofie?
        o Waarom ligt de leer van één predikant aan de basis van een wereldgodsdienst?
        o Kruisdood = dood door verstikking (daarom kregen de terechtgestelden een spijker door
            hun voeten, omdat ze zichzelf niet omhoog zouden kunnen duwen)
-   Oudste christelijke bronnen (canoniek)
        o Brieven van Paulus: 50-55 n. Chr.
        o Evangeliën en Handelingen:
                 Mk: 70; Q: bron gezegden (logia, niet bewaard)
                 Mt: 70-90
                 Lk: 80
                 Hand: 80
                 Joh: 90-100 (heel ander verhaal dan de anderen, ander karakter)
        o Overige teksten Nieuwe Testament: 90-120
        o Jezus veroordeeld in 30, maar pas in 70 schriftelijke bronnen (ertussen mondelinge
            overdracht)
-   Paulus:
        o Oudste stukken van het Nieuwe Testament
        o ‘Stichter van de christenen’
        o Paulus was zelf een Joods, maar werd bekeerd tijdens de christenvervolging
        o Verhaal over de betekenis van de dood en de verrijzenis van Jezus:
                 Jezus is de Messias (cfr. Jodendom), hij is aan het kruis geslagen en verrezen, wie
                     in hem gelooft, bekomt vergiffenis van de zonden en het eeuwige leven
                 Paulus bracht de betekenis van Jezus naar voor, maar het duurde nog honderden
                     jaren voor het goddelijk, etc. er bij betrokken werd
        o Van ‘joods’ naar ‘mediterraan’:
                 Paulus: joods wet beëindigd; geloof in Jezus de Christus centraal (niet alleen
                     joden)
                 Christos (de gezalfde, met verwijzing naar Messias) wordt stilaan eigennaam: de
                     preëxistente zoon (pas later) van god



                                                                                                  18
                     Één intellectuele wereld met vele voertalen (Latijn, Grieks, Aramees) en vele
                      godsdienstige achtergronden (joods, christelijk, heidens)
                           De oorspronkelijke teksten van Paulus waren geschreven in eenvoudig
                                Grieks: daarvoor kreeg hij kritiek van de betere standen
                   Griekse filosofie (Plato!) bij kerkvaders als kader voor interpretatie van de ‘blijde
                      boodschap’ (vb. ‘eeuwig leven’ = onsterfelijkheid van de ziel; ontologische
                      begrippen ter verklaring van godheid van Christus (Nicea 325) en van de
                      goddelijke drie-eenheid (Constantinopel 381))  theologie in filosofische taal
                           Griekse filosofie om godsdienst, christendom, maar diepgang en meer
                                geloofwaardigheid te geven
                           Filosofie om discussies en ruzies in vroege christendom op te lossen
-   Splitsing Romeinse Rijk in Oosters en Westers Rijk
         o (Diocletianus (286-305) en Constantijn de Grote (312-337))  Grieks in Oosterse Rijk +
             Arabieren (vertalingen van de Griekse filosofen, die later zorgden voor terugkeer ideeën
             naar het Westen
         o Splitsing Romeinse Rijk = splitsing ééngemaakte rijk in 2 takken: een Griekse en een
             Latijnse tak
         o Westen: verlies Griekse filosofie zelf tot 12de eeuw  Latijn als voertaal van de westerse
             kerk
                   Plato: alleen fragment uit Timaeus tot 15de eeuw
                   Aristoteles: vertaald uit Arabisch tussen 1150 en 1250
                   Wel direct bekend via latijnse kerkvaders (citeerden soms antieke bronnen) en
                      Cicero (106-43 v. Chr.) en Seneca (1ste eeuw)
                   = context waarin christelijke filosofie tot stand kwam in het westen
-   Christelijke filosofie?
         o Contradictio in terminis: filosofie = kritisch en godsdienst = dogmatisch  probleem van
             de verenigbaarheid van het christelijke geloof en de filosofie uit de oudheid…
         o Toch is er binnen het kader van het geloof een aanzet tot onafhankelijk wijsgerig debat
         o Werkwijze:
                   Gebaseerd op geloof in gezag van teksten (waarheid is geopenbaard, moet alleen
                      nog geïnterpreteerd worden)
                   Discussies over gezag van teksten meestal over aard van gezag (goddelijk of
                      slechts menselijk? Kerkvaders of slechts heidens?)
                           Wat krijgt het meeste gewicht van gezag mee?, in eerste instantie kijken
                                naar de bijbel, dan naar de kerkvaders, etc. = schoolmethode
                                (scholastiek)
         o Kerkvaders
                   Kerkvaders = vroeg-christelijke schrijvers die werden beschouwd als
                      vertegenwoordigers van de ‘authentieke traditie’
                   Tot de 6de-7de eeuw in latijnse westen (Gregorius de Grote en Isidorus van Sevilla),
                      tot 8ste eeuw in griekse oosten (Johannes de Damascener)
-   Augustinus (354-430)
         o Één van de eersten die zelf, introspectieve bekentenissen schreef (schreef in het latijn)
                   Geboren in 354 in het huidige Algerije, nabij Carthago, hij had een christelijke
                      moeder en een heidense vader

                                                                                                      19
           Augustinus kreeg een training in retorica, doceerde in Carthago, hij was eerst
            christen, maar werd daarna een tijdlang sterk aangetrokken door het
            manicheïsme
         In 383 vertrekt hij naar Rome om retorica te doceren, daarna naar Milaan
            (invloed van het neoplatonisme en invloed van Sint-Ambrosius)
         In 387 bekeerde hij zich tot het christendom en werd hij gedoopt
         In 391 wordt Augustinus tot priester gewijd, in 395 promoveert hij tot bisschop
            van Hippo Regius (Algerije)
         In 430 sterft hij.
o   Augustinus had een grote invloed op de cultuur
o   Probleem: men deed af en toe wel aan filosofie, maar aan de hand van en ondergeschikt
    aan christelijke dogmata
o   Manicheïsme
         Godsdienstige beweging gesticht door Mani (c. 216) in Perzië, profeet
            (openbaringen: Sjapoerakan), hij zag zich als opvolger van Boeddha, Zarathoustra
            en Jezus (cfr. de ‘parakleet’, de laatste profeet aangekondigd door Evangelie
            Johannes)
         Sterk dualistische leer: aan de ene kant het slechte, donkere, langs de andere
            kan het goede, het lichte
         Geschiedenis is een strijd tussen het licht/geest en het donker/materie:
            ascetische onthechting ziel van materie, de dood = bevrijding, tegen
            voortplanting
         Mani werd in 276-277 geëxecuteerd, gevild en zijn met stro gevulde huid werd
            aan de stadspoort van Gondisjapoer (Zuidwest Iran) gehangen: gruwelijke dood
         Toch succes tot diep in Centraal-Azië: inicieel ong. zelfde invloed als in
            christendom, laatste invloeden bij Katharen in Zuid-Frankrijk
o   Neoplatonisme
         Heidense benadering
         Plotinus (205-270): Enneaden
                  Misschien Egyptenaar, Griekse opvoeding, heiden
                  Werkt gedachte van Plato uit dat het ‘echte’ (i.e. de idee van het goede,
                     ofte god) zich moet ‘concretiseren’ tot het ‘lagere’, minder echte wezens
                     (deelbaar, veranderbaar, etc.)
                  Beschreef realiteit als een reeks hypostasen die ontstaan als emanaties
                     (overvloeiingen) uit ‘het ene’: allerlei zijnstrappen dalen af: via nous
                     (wereldintellect) en psyche (wereldziel) naar individuele zielen en
                     tenslotte materie
                   invloed op Augustinus




                                                                                           20
                   Hiërarchie van het ‘zijn’: zie afbeelding
                        o Bovenste = perfecte
                            wereldintellect (nous)
                        o Tweede = wereldziel (psyche)
                        o Derde = zielen van individuen
                        o Laatste, onderste = materie,
                            imperfectie
                        o Derde en vierde-laagste zijn de
                            lagere ‘zijns-graden’



o   1) Relatie geloof – rede:
         Spelend kind riep herhaardelijk ‘Tolle-lege’ (‘Neem op en lees’) in een naburige
             tuin: Augustinus nam een boek op en zijn oog viel op een passage in een brief
             van Paulus aan de Romeinen
         Nederigheid van in het gebrabbel van een kind de stem van god te horen: model
             voor relaties tussen gratie en begrip: zonder gratie géén begrip
                  Rede volgt op geloof: rede, filosofie wordt ondergeschikt aan het geloof
                     (echte kennis = geloof, geen rede)
                  Geloof volgt op de aanvaarding van het gezag (de kerk)
                  Gezag bereidt voor op de rede (vb. ‘Neem op en lees’ = boodschap van
                     god  model voor wat echte kennis is: begint bij god)
         Augustinus schreef een autobiografie: voor het eerst werden ook drijfveren en
             de diepgang van het zielenleven besproken in een boek
                  Ervoor: biografieën waren lijstjes van kenmerken (geen drijfveren of
                     motivatie)
                  Geloof en rede komen normaal gezien tot dezelfde conclusie, maar als er
                     conflicten zouden zijn, dan heeft het geloof sowieso gelijk
o   2) Theorie van het kwaad:
         Hoe kon het kwaad op aarde komen?
         Er is één enig, goed en aller-echtst zijn: god (ens unum bonum et verum)
         De rest van de creatie: mindere graden van echtheid van het zijn (het is zo goed
             als mogelijk, maar niet perfect)
                  Veelheid en veranderbaarheid
                  ‘kwaad’ = afwezigheid van ‘echter’ zijn (‘Men mag de aarde niet
                     verwijten dat zij niet de hemel is’, i.e. alles is goed in zijn gradatie van
                     echtheid)
                  Lijden is functioneel in voorkomen van groter kwaad
         Het kwaad = afwezigheid van goed
                  Antwoord op het manicheïsme (strijd tussen goed en kwaad, 2 dingen
                     die bestaan): er is geen mengeling van ‘goed’ en ‘kwaad’, kwaad is
                     simpelweg het ontbreken van het goede. Vgl. donker is de afwezigheid
                     van licht (in plaats van twee afzonderlijke principes die elkaar begrenzen)
         De mens en het kwaad


                                                                                              21
                             Pelagius: mens wordt vrij en zondeloos geboren  Augustinus: leer van
                              de erfzonde (Adam koos vrij voor het kwaad)
                           Mens = geïnfecteerd met de zonde (= een obstakel die je moet
                              overwinnen)
                           Iedereen verdient verdoemenis, maar de gratie gods kiest sommigen uit
                              tot zaligheid en veroordeelt anderen tot verdoemenis (geen
                              onrechtvaardigheid)
                                    o Wat gebeurt er met baby’s die vroeg sterven?  ze branden in
                                        de hel, want iedereen verdient sowieso om naar de hel te gaan
                                    o De mens heeft een tendens tot het kwade, maar de keuze om
                                        het goede te doen
                                    o Een wereld waarin het kwade bestaat, maar waarin mensen vrije
                                        keuze hebben, is beter dan een wereld zonder keuzes
       o Probleem van de theodicee
                 Theodicee = rechtvaardigheid van god
                 Hoe kan god tegelijk algoed, almachtig en alwetend zijn en er toch kwaad zijn?
                           God is een persoon met intenties
                           “wereld die niet bestaat is beter dan de wereld die het slechte bevat.”
                 Indien alwetend kon god voorzien dat de mens in vrijheid zou zondigen en moest
                     hij dat in zijn almachtige goedheid voorkomen (cfr. straf = eeuwig branden in de
                     hel, zelfs ongedoopte zuigelingen)
                 Dus: god is of niet alwetend, of niet almachtig, of niet algoed (of een combinatie
                     van de drie)
       o Oplossing van Augustinus?
                 Blijft ambigu: enerzijds erkent hij dat de mens als ‘lager’ schepsel ‘goed’ is in zijn
                     gradatie (waardoor ook zijn vrijheid ‘goed’ zou moeten zijn), anderzijds is er de
                     gedachte dat de vrijheid de orde heeft geperverteerd (waardoor het ‘lagere’
                     schepsel in vrijheid kiest voor het ‘kwaad’)
                           Wat doe je dan met natuurrampen: geen vrije keuze van de mens…
       o Augustinus had een enorme invloed later (méér dan Plato of Aristoteles), o.a. op
            middeleeuwse wijsbegeerte, op reformatie en op de katholieke hervormingsbewegingen
            (jansenisme, 17de eeuw)
       o Opmerkelijke manier van kijken, maar punt waar filosofie voor eeuwen verdwenen is ten
            voordele van de godsdienst
-   Scholastiek: in brede zin
       o Filosofie van de school: kloosterscholen en later universiteiten (vanaf midden 12de eeuw:
            Bologna, Parijs)
       o Filosofie als doel theologie te funderen en te systematiseren (ancilla theologiae): filosofie
            ten dienste van de theologie
-   Scholastiek: in enge zin
       o ‘pro et contra’-methode
       o Presentatie argumenten pro een stelling bij autoriteiten (kerkvaders, bijbel, Aristoteles,
            etc.), presentatie argumenten contra
       o Afweging van autoriteit en maken van een ‘determinatio magistralis’ (een
            meesterbesluit)

                                                                                                     22
-   Belangrijke figuren:
        o Thomas van Aquino (1225-1274)
                  Thomas van Aquino wordt door velen beschouwd als de belangrijkste
                     middeleeuwse filosoof
                  Hij ‘bewees’ dat god bestond: godsbewijzen
                           Vb. 1. Alles heeft een oorzaak, 2. De eerste onveroorzaakte oorzaak is
                               god
                           Vb. 1. Er is orde in de natuur, 2. De orde moet erin gelegd geworden zijn
                               door een intelligent wezen: god
                  Gedachte dat geloof en rede één zijn en er geen tegenspraak tussen beide kan
                     bestaan (‘De rede is de eigenlijke natuur van de mens’)  religieuze waarheden
                     zijn redelijk toegankelijk ( Augustinus)
                  Sterk aristotelisch: empirisme, vorm/materie, zielsleer, conceptualisme 
                     bijdrage tot ‘naturalistische’ kennisleer (menselijke kennis staat los van
                     bovennatuurlijke krachten)
        o Arabische ‘falsafa’
                  Bloeiende filosofie in kader van de Islam (Mohammed: c.570-632)
                  Belangrijk verschil met westen: geen kerk en geen hoogste centraal gezag (geen
                     ketterij)
                  Intellectuele wereldcentrum vroege middeleeuwen: Bagdad, Abassieden (vanaf
                     750): vertaling Griekse filosofie, stimuleren ontwikkeling wetenschappen,
                     literatuur
        o Al Razi (Arabier)
                  Vrijdenker, tegen geopenbaarde religies:
                  “Hoe kan iemand filosofisch denken als hij gelooft in zulke oudewijvenverhalen
                     die van tegenspraken, hardnekkige onwetendheid en dogmatische aan elkaar
                     hangen?”
                  Schreef pamflet met als titel ‘Over het bedrog van degenen die zich profeet
                     noemen’
                  Werd ongemoeid gelaten, en zelfs gesteund door de vorsten (pas 11de eeuw
                     verdween dit klimaat)




                                                                                                   23
Hoofdstuk 5: ‘Wetenschap’?

-   Middeleeuwen: donkere tijden?
       o Wel technische ontwikkelingen, uitvindingen, maar vooral praktische dingen
       o Tegen het einde: wetenschappelijker: systematisch, methoden uit de oudheid
            (axiomatische bewijzen)
-   Wetenschappelijke kennis is:
                 Mededeelbaar
                 Systematisch
                 Gecontroleerd
-   Wetenschappelijkheid?
       o = werkwijze om systematische en betrouwbare kennis te bekomen
       o Centraal kenmerk: wie wetenschappelijk tewerk gaat, komt zonder dwang en in principe
            tot dezelfde inzichten (bewijsvoering)
       o Vraag: welke procedures?
-   Oorsprong wetenschappen:
       o Thales van Milete (6de eeuw v. Chr.): wiskunde (bewijsbare stellingen)
       o Euklides: axiomatische methode (300 v. Chr.)
       o Oudheid: statica, optica, astronomie (archimedische werkwijze: vooral bij duidelijke,
            eenvoudige wetenschappen  proberen wiskundige verhoudingen te ontdekken, bij
            complexe wetenschappen: andere methode nodig)
-   Experiment/observatie:
       o In de oudheid en middeleeuwen: beperkt (vooral in de geneeskunde, cfr. Galenus, 2de
            eeuw)
                 Het experiment had een demonstratieve functie
       o Einde middeleeuwen: grote technische vooruitgang (transportmiddelen, wind- en
            watermolens, kathedralenbouw, hydraulische werken, bescheiden stedelijke ordening,
            mijnbouw, slijpen lenzen, etc.)
       o Maar: meestal ambachtslui (dikwijls: ‘geheime’ kennis, beschermd door de gilden)
-   Renaissance:
       o Kunstenaar-ingenieurs:
                 Leonardo da Vinci (1452-1519)
                 Brunelleschi (1377-1446): koepel kathedraal Firenze
                 Benvenuto Cellini (1500-1571): zilversmid  Perseo
-   Experimentele methode: Galilei
       o Wordt nu nog altijd gebruikt om aan kennisverwerving te doen
       o 16de eeuw: experiment ter controle van theorieën (Tartaglia, Benedetti)
       o 17de eeuw: Galilei
                 WISKUNDIG MODEL = archimedische werkwijze
                 EXPERIMENTELE TOETSING!
                 1. Wiskundige hypothese opstellen en daarna experimenteel, empirisch toetsen,
                    of 2. Eerste empirische proefjes doen en dan generaliseren (doet er niet toe wat
                    er eerst gebeurt)
-   Narcistische wonden I: Van een gesloten naar een open wereldbeeld



                                                                                                  24
o   Ptolemaeus (87-150)
         Wereldbeeld: zie
           afbeelding
         Aarde staat centraal: de
           kosmische geschiedenis
           staat in functie van wat
           er op aarde gebeurt
         Rond de aarde komt het
           ‘sublunaire’ domein,
           waar de duivel ook
           actief is
         In totaal zijn er 10
           hemels, de 10de hemel
           is het uiterste wat
           zichtbaar is voor de
           mens
         De ‘echte hemel’ komt erna, de plaats waar god en zijn uitverkorenen wonen
         De aarde en de hemels kennen onderling een harmonie
o   Beeld wordt opengebroken in de 16de-17de eeuw
o   Een open wereldbeeld:
         1543 Copernicus: de revolutionibus orbium caelestium
                 Copernicus stelde de zon al centraal, met daar rond draaiden planeten,
                     maar hij stelde zich wel nog cirkelvormige banen voor
         1583 Giordano Bruno: De l’infinito (oneindige)
                 Bestaan van andere universa
         Pas bij Kepler: ontdekkig van elipsvorm van banen = schandaal in het
           wereldbeeld
         Nieuw probleem naar aanleiding van het nieuwe wereldbeeld: Pascal: er is geen
           centrum ten overstaan van het oneindige
o   Mechanisering:
         Succes van mechanische verklaringen: oorzaak/gevolg-relaties (geen
           doelmatigheid meer nodig bij verklaringen)
         Vesalius (De humani corporis fabrica, 1543): mechanisch mensbeeld (hart wordt
           gezien als een pomp, de arm als een hefboom, etc.)
         Descartes (1596-1650)
         Harvey (1628): On the motion of the heart and blood in animals
                 Theorie van de bloedsomloop: afgeleid uit wiskundig argument
                 Gaf het bewijs dat bloed niet van links naar rechts stroomt in het lichaam
                 De aanname dat er verticaal onzichtbaar kleine gaatjes zijn in het hart,
                     en dat daardoor het bloed stroomt kan niet kloppen, want al het bloed
                     kan niet door zo kleine, onzichtbare gaatjes gepompt worden
         Newton (Principia Mathematica, 1687): integratie mechanica van Galilei en
           planetentheorie van Kepler
o   Van een ‘bezield’ naar een mechanisch universum
         Pascal (17e eeuw: le dieu caché)

                                                                                         25
Hoofdstuk 6 en 7: Moderne wijsbegeerte en rationalisme

Het ‘klimaat’ in Europa:

-   Achtergrond: godsdienstoorlogen
        o Politieke, sociale en economische achtergrond: godsdienstoorlogen
        o Maarten Luther (1483-1546): 95 stellingen gepubliceerd (in 1517), Johannes Calvijn
            (1509-1564)
        o De tachtigjarige oorlog (1568-1648) in de Nederlanden
        o De dertigjarige oorlog (1618-1648) in o.a. Duitsland
        o Tussen 1562 en 1598: 9 oorlogen in Frankrijk
        o De Engelse civil war en de nasleep ervan: 1640-1688, Schotland, Engeland, Wales en
            Ierland in vuur en vlam
        o De oorlogen ruïneerden de landen
-   Filosofen:
        o Typisch: geen instituties (wel hoven, geleerde sociëteiten,…)
        o Nederland (de Republiek) bekleedde een speciale positie: het was ongeveer het enige
            land waar weinig kerkelijke repressie heerste
                  De werken van Hobbes (één van de meest flamboyante filosofen) werden er
                     uitgegeven
                  Descartes (militair) en Spinoza leefden en werkten er
        o Nieuwe ideeën ontstonden niet aan de universiteiten: universiteiten werden gezien als
            een apparaat op kennis te ‘bevriezen’, niet voor het ontwikkelen van nieuwe kennis

Rationalisme

                  De 3 grootste rationalisten waren:
                         Descartes (1596-1650): hoofdstuk 6
                         Spinoza (1632-1677): hoofdstuk 7
                         Leibniz (1646-1716): hoofdstuk 7
-   René Descartes (1596-1650)
       o Biografie:
                Descartes werd geboren in 1596 in La Haye, in Frankrijk
                Tussen 1604 en 1612 volgde hij onderwijs aan het Jezuïtencollege La Flèche:
                   afschuw voor de scholastiek en belangstelling voor wiskunde
                In 1616 beëindigde hij zijn studie rechten in Poitiers
                Tussen 1616 en 1618 trad hij in dienst van het Nederlandse leger, en begin hij
                   zijn militaire loopbaan. Het was vredestijd, dus kon hij werken
                In 1619 trad Descartes in dienst in het Beierse leger (Nederland, Duitsland,
                   Bohemen, Hongarije,…)
                In 1621 gaat hij uit het leger, naar Italië, en in 1625 naar Parijs, waar hij even in
                   het Franse leger gaat
                Van 1629 tot 1649 woont en werkt Descartes in Nederland, en onderhoudt hij
                   briefwisselingen met geleerden
                In 1649 gaat hij in Zweden wonen op uitnodiging van koningin Christina, waar hij
                   in 1650 sterft in Stockholm

                                                                                                    26
o   Waarom Nederland?
        Er heerste een geest van relatieve intellectuele vrijheid
        In 1616 beëindigde ‘Le Monde’ (het hoofdwerk van Descartes, een mengeling
            van fysica, filosofie, etc.), maar hij besloot het niet te publiceren, wegens de
            aanvaarding van de theorie van de rotatie van de aarde en de oneindigheid van
            het universum (proces van Galilei)
        Waarschijnlijk was Descartes een vroom katholiek, maar hij hield er ‘ketterse’
            gedachten op na: hij lag zelfs in Nederland (met zijn relatieve vrijheid) onder
            vuur omwille van ketterse gedachten
o   Wat is het fundament voor kennis?
        In de middeleeuwen moest men geloven wat de kerk voorschreef:
            gehoorzaamheid was belangrijk
        Ontstaan van de moderniteit!
                 Je bent zelf een belangrijke toetssteen om de waarheid te achterhalen
                     eigen oordeel is belangrijk
                 Later: Verlichting  durf denken, denk zelf
        Methodische twijfel:
                 ‘Zich onthouden van instemming met die meningen die niet geheel zeker
                    en onbetwijfelbaar zijn’: uitgangspunt was zekerheid, er was geen plaats
                    voor geloofspunten
                 “De omnibus dubitandum est”: Aan alles moet getwijfeld worden (=
                    geest van de moderniteit)
o   Wat met zintuiglijke kennis?
        Zintuiglijke kennis lijkt een bron van onbetwijfelbare kennis:
                 “Alles wat ik tot nu toe voor waar en zeker heb aangenomen, heb ik
                    geleerd via de zintuigen”
                 “Zo zot ik hier bijvoorbeeld in mijn avondkleding bij het vuur, met mijn
                    schrijfwerk en dergelijke in mijn handen. Hoe zou ik moeten ontkennen
                    dat deze handen en dit lichaam van mij zijn?” (conversationele manier)
        Maar:
                 Zintuigen bedriegen soms = mes van de methodische twijfel
                          o Vb. iets ziet er van ver rond uit, maar van dichtbij blijkt het
                              vierkant te zijn
                 “Alle gedachten die wij hebben als wij wakker zijn, kunnen ons op
                    dezelfde wijze overkomen als wij slapen” = mes van de methodische
                    twijfel
                  Als we iets willen weten kunnen we niet gewoon op onze zintuigen
                    voortgaan, want die kunnen ons bedriegen, en er is geen verschil tussen
                    droom en werkelijkheid
o   Redeneringen:
        Zelfs in dromen is 2 + 3 = 5, en heeft een rechthoek slechts 4 zijden 
            wiskundige waarheden als fundament? (niet volgens Descartes)
                 “Omdat sommigen zich vergissen bij het redeneren, zelfs als het gaat om
                    de meest eenvoudige meetkundige problemen, verwierp ik – als onwaar


                                                                                         27
                   – alle redeneringen die ik daarvoor als geldige bewijzen had beschouwd”
                    mes van de methodische twijfel
                 Gedachte-experiment: “Veronderstel:…” zie slides H6, p.3  een
                   boosaardige bedrieger probeert ons ervan te overtuigen dat de wereld
                   echt is, terwijl het slechts een illusie is: is er dan een reden om aan te
                   nemen dat er iets waar is van wat we als waar aannemen?
                         o Wat zou een bewijs kunnen zijn dat je niet in een matrix-cel zit?
                               er is geen bewijs mogelijk, want elk antwoord zou afkomstig
                              zijn vanuit de matrix
                         o Het is dus onbewijsbaar dat zo’n daemon niet bestaat (mes van
                              de methodische twijfel)
                 “Hoe weet ik of ik niet (…) bedrogen word, elke keer dat ik 2 en 3 optel,
                   of de zijden van een vierkant tel, of oordeel over nog eenvoudiger
                   dingen?
o   Conclusie: “Wat blijft er over?”
        Descartes: “Zonder twijfel besta ik, zelfs al bedriegt de boosaardige bedrieger
           me. Hij kan me bedriegen zolang hij wil, hij kan er nooit voor zorgen dat ik niets
           ben zolang ik denk dat ik iets ben.”
         “Ik denk, dus ik ben!” = enige absoluut zekere (aangezien je gewaarwordingen
           hebt, besta je, niet per sé lichaamlijk, er is ‘iets’ die denkt)
                 “Dubito, ergo cogito, ergo sum.”  Ik twijfel, dus ik denk, dus ik ben.
        Het fundament:
                 “Ik denk, ik besta, dat is zeker… Ik ben, hoe dan ook, een echt ding en
                   besta echt. Maar wat voor ding? Dat heb ik al beantwoord: een ding dat
                   denkt.”
                 Ik kan er niet aan twijfelen dat ik twijfel (eraan twijfelen bevestigt dat ik
                   twijfel = het cartesiaanse cogito
        Kunnen we méér kennen?
                 Waarom lijkt het cogito mij onbetwijfelbaar waar?
                 Zelf-evidentie  “wat wij helder en welonderscheiden kunnen denken,
                   is waar” (claire et distincte)
                         o Vraag: ‘Wat is de bron van zelf-evidentie? Stamt zelf-evidentie
                              uit de zintuigen?’
                         o Antwoord: ‘Neen.’ (cfr. Vb. van de bijenwas, zie slides H6, p.4:
                              uiterlijke, zintuiglijk waarneembare kenmerken van was
                              veranderen bij verwarmen: dat het ‘hetzelfde’ is, kan niet
                              afgeleid worden uit de zintuigen)  bron van zekerheid is het
                              begrip: je weet dat het hetzelfde was is
                 Er zijn aangeboren ideeën = nativisme (begrippen en identiteit kunnen
                   niet uit ervaring komen)
                         o Ze zijn niet afleidbaar uit de zintuigen
                         o Het is wel de basis van betrouwbare kennis
        Zijn die ideeën betrouwbaar?
                 Ja, want: 1. God bestaat noodzakelijk


                                                                                            28
                        o    Bewijs: argumentatie 1: god is een wezen met allerlei attributen,
                             waaronder perfectie. Een wezen dat niet bestaat is niet perfect.
                             Dus: god bestaat. (cfr. Anselmus van Canterbury)
                         o Argumentatie 2: een perfect wezen heeft zekere kennis. Ik twijfel
                             dus ik ben niet perfect. Als ik weet dat ik niet perfect ben, heb ik
                             een idee van perfectie. Wat een idee van perfectie heeft, kan het
                             niet gekregen hebben van iets dat niet perfect is. Mijn idee van
                             perfectie komt van een perfect iets. Als god (per definitie)
                             perfect is, komt mijn idee van hem, en dus bestaat hij.
                 Ja, want: 2. De materiële wereld bestaat
                         o Argumentatie: god is algoed, alwetend en almachtig (= begrip
                             van god). Een bedrieger is niet algoed, alwetend en almachtig.
                             God bestaat. Dus god bedriegt (mij) niet.
o   Wat is kennis van de materiële wereld?
        Er zijn 2 soorten kenmerken:
                 Kenmerken die helder en onderscheiden worden waargenomen in de
                    dingen, i.e. grootte, vorm, plaats, beweging, aantal, etc. = ‘objectieve’ of
                    primaire kenmerken
                         o Toegankelijk voor meer dan één zintuig
                         o Eigenschappen bestaan los van het ‘subject’
                 Twijfelachtige en onzekere kenmerken, i.e. kleuren, geluiden, smaken,
                    etc. = ‘subjectieve’ of secundaire kenmerken, qualia
                         o De eigenschappen staan niet los van het ‘subject’ (vb. ‘Heeft je
                             huid ook de smaak van zout als niemand eraan likt?’, ‘Ziet het
                             gras aan de overkant er ook ’s nachts, als er geen licht is, groener
                             uit?’)
                         o Qualia kunnen geen aanleiding geven tot objectieve kennis
                         o Vb. vleermuizen kunnen waarnemen met sonar: ze leven in een
                             sensorisch heel andere wereld  een mens en een vleermuis
                             zullen een boom heel anders waarnemen, maar als er twee zijn,
                             dan zullen ze beiden weten dat er twee exemplaren zijn (ze
                             kunnen het wel eens zijn over de wiskundige eigenschappen)
        Zien, voelen en afstand: wat je ziet kan je ook te weten komen door de tast. (vb.
            een blinde ‘ziet’ op de tast, met stokken)
o   Metafysica: dualisme
        Substantie = wat op zichzelf bestaat
        2 (3) substanties:
                 Denkende substantie (res cogitans)
                 Uitgebreide substantie (res extensa): correlaat van de primaire
                    kenmerken
                         o Uitgebreidheid: alles is herleidbaar tot de beweging van deeltjes
                             (= mechanicisme): verklaring aan de hand van puur
                             mechanische, causale verklaringen
                 (God als derde substantie)
        Probleem van het dualisme:

                                                                                              29
                           DUALISME (2 substanties): de ene als uitgebreidheid, de andere denkend
                             compleet verschillend, geen contact mogelijk?
                           Probleem: hoe kunnen ze communiceren?  ‘mind-body probleem’
                               o Correspondentie tussen aan de ene kant fysische
                                   gewaarwordingen en aan de andere kant psychische
                               o Materiële processen  psychische processen
                               o Omzetting gebeurt in de hypofyse (maar Descartes zegt nog niet
                                   hóé die omzetting gebeurt)
-   Spinoza (1632-1677)
        o Biografie:
                Spinoza werd in 1632 geboren in Amsterdam. Hij was van Portugese- of Spaans-
                   Joodse afkomst. Hij schreef grotendeel in het Latijn.
                In 1656 werd hij als ketter uitgestoten uit de joodse gemeenschap: hij kreeg
                   eerst 1000 florijnen per jaar aangeboden om zijn twijfels te verbergen, toen hij
                   weigerde, probeerde men hem te vermoorden. Toen dit mislukte, werd hij met
                   alle bijbelse vloeken overladen, zonder gevolgen evenwel.
                Spinoza leefde in verscheidene Nederlandse steden, vanaf 1671 in Den Haag, hij
                   leefde van het slijpen van lenzen
                Hij voerde briefwisseling met Chr. Huygens, Leibniz, Robert Boyle,… Hij
                   praktiseerde ook zijn filosofie
                In 1677 overlijdt Spinoza in Den Haag
        o Belangrijkste werken (een 17de-eeuwse versie van stoïcijnse werken)
                Tractatus Theologico-Politicus (anoniem, 1670)
                Ethica More Geometrico Demonstrata (postuum gepubliceerd, 1677, afgewerkt
                   in 1674, circuleerde in manuscriptvorm onder vrienden)
                Spinoza was de eerste die de stelling naar voor bracht dat de bijbel een
                   boodschap is van god, maar in een specifieke historische en culturele context
                         De liefde van god primeert, niet de regels uit de bijbel
                         De rede heeft eerder gelijk dan de bijbel
        o Het klokkenprobleem:
                Vb. ‘Ik wil dat mijn arm beweegt’ ( = mentaal verschijnsel, intentie), ‘Mijn arm
                   beweegt’ (= fysisch verschijnsel, actie)
                Hoe is interactie tussen het mentale en het fysische mogelijk?
                Arnold Geulincx (1624-1669, occasionalist): ‘twee klokken-theorie’
                         Veronderstel twee klokken die perfect gelijklopen, waarvan het ene de
                            tijd aanwijst, de andere de tijd slaat, als je de ene ziet en de andere
                            hoort, zou je denken dat het wijzen van de ene de oorzaak is van het
                            slaan van de andere, hoewel het eigenlijk twee parallelle processen zijn,
                            los van elkaar
                         Het universum is eigenlijk één klok, maar met verschillende uitingen: één
                            mechanisme zorgt voor meerdere uitingen: Spinoza
        o Ethica:
                De ethica is geometrisch opgebouwd, volgens Euklides
                Definities:


                                                                                                  30
                  ‘onder substantie versta ik wat op zichzelf bestaat en op zichzelf gedacht
                   kan worden’
                ‘onder wat zelf-veroorzaakt is, versta ik datgene waarvan de essentie het
                   bestaan impliceert, of dat waarvan de natuur alleen als bestaande kan
                   worden geconcipieerd’
         Axioma’s (iets waar je niet aan kan twijfelen, zelf-evidente stellingen):
                ‘alles wat bestaat, bestaat hetzij op zichzelf, hetzij in iets anders’
                ‘wat niet geconcipieerd kan worden door zichzelf, moet geconcipieerd
                   worden door iets anders’
         Stellingen en theorema’s:
                ‘dingen die niets gemeenschappelijk hebben, kunnen niet elkaars
                   oorzaak zijn’
                ‘een substantie kan niet veroorzaakt zijn door een andere substantie’
                ‘god, of de substantie, bestaat noodzakelijkerwijze’
o   Rationalisme:
         De samenhang van de wereld werd door Spinoza op een logische manier
            begrepen: niet door observatie, maar wel door deductie
                De ideeën van Spinoza zijn een duidelijk voorbeeld van rationalisme: de
                   werkelijkheid kan achterhaald worden door gebruik van de axiomatische
                   manier (wiskundige techniek)
                Het idee van aangeboren kennis, aangeboren ideeën
         Een substantie = wat op zichzelf bestaat en op zichzelf gedacht kan worden
                Er bestaat slechts één substantie: zij is ‘causa sui’, oorzaak van zichzelf of
                   zelfveroorzakend (Descartes erkende drie substanties: lichaam, geest en
                   god)
                De substantie is eeuwig en oneindig: het heeft altijd al bestaan, en zal
                   altijd blijven bestaan
                De substantie = god = natuur (deus sive natura) = ketters idee: god valt
                   op één of andere manier samen met de werkelijkheid, dus hij is niet
                   transcendent
         Monisme (er is één substantie):
                De ene substantie heeft een oneindig aantal ‘attributen’
                        o Een attribuut is ‘wat het intellect, verstand begrijpt als de
                             essentie van een substantie’
                Twee van die attributen kennen wij:
                        o De ‘uitgebreidheid’
                        o Het ‘denken’
                        o Er zijn nog een oneindig aantal andere attributen, die wij niet
                             kennen
                De concrete uitgebreide dingen en denkende wezens zijn ‘modi’
                   (modificaties, wijzigingen) van de twee attributen
                        o Substantie  attributen  modi
                Tussen de attributen bestaat parallellisme (ze bestaan uit hetzelfde, cfr.
                   Één klok met twee wijzerplaten)


                                                                                            31
                        o   Het geheel van modi = ‘natura naturata’ (de geschapen natuur,
                            de dingen die afzonderlijk bestaan)
                        o   De substantie = ‘natura naturans’ (de scheppende natuur, de
                            diepere werkelijkheid)
                        o   Alles wat bestaat vloeit met logische noodzaak voort uit de ene
                            substantie (de schepper en de schepping vallen samen)
o   ‘Pantheïsme’
         Alles bestaat in en door god (god is immanent aan de dingen, niet transcendent)
         God is geen persoon: hij heeft geen vrije keuze, beslist niet  het is een
            onpersoonlijke kracht
                  Alles vloeit door logische noodzaak voort uit de substantie: het is een
                     noodzaak, alles ligt vast, er is geen keuze
                  De substantie heeft de werkelijkheid niet ‘gemaakt’
                  De mens is een onderdeel van een veel groter geheel
o   Ethiek
         Stoïcijnse gedachte: leren inzien dat de wereld op een bepaalde manier in elkaar
            zit, en dat je daar niets aan kan doen  je houding ertegenover is het enige dat
            je kan veranderen
         Al wat gebeurt is noodzakelijk  hoe is ethiek dan mogelijk?
                  Zelfbehoud is een ‘natuurwet’: alles streeft naar zelfbehoud
                  Alle emoties zijn afgeleid van drie basisgevoelens: willen, lust en pijn
                  Er is een verschil tussen ‘passies’ (= gevolgen van externe krachten op
                     het lichaam (onderworpen), veroorzaakt door inadequate ideeën) en
                     ‘actieve emoties’ (veroorzaakt door een adequaat begrip van
                     gebeurtenissen)
                          o Als je weet hoe iets in elkaar zit, dan voel je geen angst meer
                  Passieve emoties (angst, berouw, etc.) worden vervangen door actieve
                     (moed, generositeit, etc.) dankzij inzicht (begrijpen waarom) = de enige
                     vrijheid!
                          o Metafoor van het wormpje in het menselijke lichaam: het
                              wormpje zal geen idee hebben van de werkelijkheid waarin het
                              zich bevindt
                          o Als je maar stukjes kent van de werkelijkheid, dan gebruik je die
                              om je een beeld te vormen van het geheel, wat leidt tot
                              schijnkennis
                          o De enige vrijheid die mogelijk is, is leren inzien dat hij een
                              onderdeel is van een groter geheel (de mens is een klein, nietig
                              wezen in het geheel)
                          o Houding tegenover andere ideeën: tolerantie (door begrip)
                  Inzicht: door alles ‘sub specie aeternitatis’ (vanuit het standpunt van de
                     eeuwigheid, oneindigheid) te beschouwen, dit is vanuit het standpunt
                     van god, dit is vanuit het geheel waarin alles noodzakelijk is (eigen
                     standpunt laten vallen)




                                                                                            32
                           De hoogste ‘actieve emotie’ = intellectuele liefde voor god = hoogste
                            vorm van zelfbehoud = hoogste vorm van macht (de hoogste vorm van
                            kunnen is ook de hoogste vorm van kennen)
-   Leipniz (1646-1716)
        o Biografie:
                 Leipniz werd in 1646 geboren in Leipzig (waar Frans de voertaal was)
                 Hij probeerde al op zijn 13de de categorieënleer van Aristoteles te verbeteren en
                    kreeg op zijn 20ste een hoogleraarschap aangeboden (maar weigerde het) 
                    kindwonder
                 Leipniz was een alchemist, jurist, geschiedschrijver, bibliothecaris, mijningenieur,
                    uitvinder en archivaris (heel veelzijdig)
                 Hij was politiek actief als diplomaat voor de hertogen van Hannover
                 Leipniz ondernam talrijke reizen, zowel om politieke redenen als om de
                    wetenschappelijke en culturele uitwisseling tussen de verschillende landen te
                    bevorderen
                 Hij was een groot fysicus en wiskundige: de grondlegger van de
                    differentiaalrekening (gelijktijdig met Newton) en mathematische logica
                          Limieten: met oneindig kleine dingen werken, en toch komen tot eindige
                             resultaten
                 Zijn werk bestaat uit talloze brieven en kleinere publicaties (weinig in de vorm
                    van afgewerkte boeken)
        o Metafysisch pluralisme:
                 Monaden = spirituele krachtpunten
                 Het zijn autonome substanties, er is geen interactie
                 Elke monade heeft wel een beeld van de andere monaden
                 ‘beeld van een oneindige spiegeling van spiegelingen’ = idee van de recursieve
                    zelfgelijkenis
                          Recursieve gelijkenis = iets die op zichzelf gelijkt en voortdurend
                             terugkomt
                          Spiegels die tegenover elkaar staan, weerspiegelen elkaar oneindig
                          Veel fysische en natuurverschijnselen volgen de gedachte van de
                             recursieve gelijkenis, vb. de opbouw van een slakkenhuis, van een
                             broccoli, kust, bomen, menselijk lichaam,…
                 Fractalen = geometrische vorm waarvan elk deel een kopie, op kleinere schaal,
                    van het geheel is
                          Het complete woud vind je terug in elk deeltje van dat woud
                 Er is een supermonade: de enige monade die kan kiezen (ook over het
                    programma van de andere monaden) = god
                 Er is niet één substantie, maar er is een oneindig aantal substanties: allemaal
                    substanties die op zichzelf bestaan (autonoom), en niet interageren  monaden:
                    punt zonder afmetingen, toch een krachtpunt, energiepunt
                          Elke van die monaden heeft INTERN een beeld, model van alle andere
                             monaden, om te voorprogrammeren
                          De monaden worden geprogrammeerd door de supermonade (ook
                             zonder afmetingen)

                                                                                                    33
o   Theodicee (1710):
         Vb. god kan geen steen maken die hij niet kan optillen = beperking  probleem
            met de almachtigheid van god
         Oplossing Leibniz: god kan enkel dingen creëren die co-possible, samen mogelijk
            zijn
                  Er zijn verschillende mogelijke werelden, er zijn verschillende trajecten
                   mogelijk
         Uit alle mogelijke werelden heeft god de beste gekozen om te scheppen
                  Er is geen wereld mogelijk zonder de aanwezigheid van kwaad
                  Belachelijk gemaakt door Voltaire
o   Mens:
         De menselijke geest is één monade
         Het menselijke lichaam is opgebouwd uit meerdere, verschillende soorten
            monaden
         De overeenkomst tussen lichaam en geest: vooraf ingestoken harmonie tussen
            de monaden (door de supermonade, god)
                  Rationalisme: idee van de aangeboren ideeën
o   Vrijheid:
         De mens is volledig vrij (een monade is een substantie op zich, het is volledig vrij)
         Wat gebeurt in vrijheid zou nooit anders gebeurd kunnen zijn
                  Wat je beslist lag altijd al vast, maar toch moet je redeneren, want dat is
                   een deel van het proces
         Paradox: er is vrijheid, maar alles ligt op voorhand al vast




                                                                                            34
Hoofdstuk 8: Empirisme

-   Het empirisme werd vooral ontwikkeld in Engeland, en werd in de 18de eeuw geïmporteerd op
    het vasteland van Europa

John Locke (1632-1704)

        o   Biografie:
                 Locke werd in 1632 geboren in Somerset, Engeland, als zoon van een jurist
                 De Engelse burgeroorlogen en revoluties (godsdienstconflicten) als achtergrond
                    van zijn leven
                 Hij studeerde (geneeskunde) en leefde tot 1667 in Oxford, toen werd hij lijfarts
                    van Anthony Ashley Cooper (later de First Earl of Shaftesbury)
        o Belangrijke werken:
                 Essay Concerning Human Understanding (1689)
                          Jaar van de ‘Glorious Revolution’
                 Two treatises of Government (1690):
                          Dit werk had een enorme invloed op de politieke praktijk
                                 o Declaration of Independance in 1776: was rechtstreeks
                                     geïnspireerd door Locke
                                 o Constitutie van de USA
                                 o Franse politiek via Voltaire en de philosophes
                          En een enorme invloed op de 18de-eeuwse wijsbegeerte in Frankrijk
                          Ook op de opvoeding had hij een grote invloed (cfr. Some Thoughts
                             Concerning Education, 1694)
-   Essay concerning Human Understanding (1689)
                 Kennis bestaat uit ‘ideas’ (elke mogelijke bewustzijnsinhoud) en is opgebouwd
                    uit:
                          Ideas of snesation (waarnemingen, hetgeen je hoort, ziet, voelt)
                          Ideas of reflection (herinneringen, gewaarwordingen, voorstellingen):
                             ‘perceptions of the operations of the mind within us, as it is employed
                             about the ideas it has got’
                 Samen vormen zij het material waaruit het bewustzijn, de ervaring, perceptie,
                    denken is opgebouwd
        o Opbouw:
                 ‘enkelvoudige’ ideeën: zijn niet verder analyseerbaar (vb. geel, hard, scherp,…)
                 ‘samengestelde’ ideeën:
                          Samenstellingen van, opgebouwd uit enkelvoudige ideeën (vb. kudde,
                             schoonheid,…)
                          Ideeën van relaties (vb. groter dan,…): vergelijken van ideeën
                          Abstracties (veralgemeningen van kenmerken, vb. roodheid) =
                             conceptualisme (nieuwe concepten ontstaan uit enkelvoudige ideeën)
        o Vandaar “empirisme”
                 Verschil met rationalisme (= aanvaarden van aangeboren kennis)



                                                                                                   35
          Opvatting over de oorsprong van de kennis: bij de geboorte is een mens een
           onbeschreven blad (tabula rasa, white paper), en alle kennis stamt uit de
           ervaring
        Opvatting over de grenzen aan de kenbaarheid van de ‘objectieve’ wereld: het
           begrip van de wereld ‘buiten’ het bewustzijn (de objectieve wereld), moet
           herleidbaar zijn tot ervaringsinhouden
                Begrippen gaan terug op ervaring: kritiek op overgeleverde, aangeboren
                   ideeën
o   Grenzen aan de kennis
        Descartes: twee soorten kennis!
                Ideas kunnen betrekking hebben op:
                       o Primaire kwaliteiten van dingen (soliditeit, uitgebreidheid, vorm,
                            beweging, aantal): bestaan in de dingen zelf (objectief weten)
                       o Secundaire kwaliteiten van dingen (kleuren, geluiden, smaken):
                            bestaan niet in de dingen zelf (subjectief weten)
        Inconsequent bij Locke (in strijd met de ideeën van het empirisme):
                Hoe kan men van ‘ideas of sensation’ komen tot een begrip van
                   ‘objectief’ bestaande dingen?
                       o Als alle kennis sensation is, hoe kun je dan weten dat er iets
                            ‘achter’ die sensation steekt?
                       o Veronderstel dat je alle zintuiglijke ervaringen van iets
                            wegneemt, dan blijft er niets meer over, behalve het idee dat er
                            ‘iets’ moet zijn
                Probleem van de relatie tussen secundaire (kwalitatieve) en primaire
                   (kwantitatieve) kenmerken  fysicalisme versus epifenomenalisme
                       o Fysicalisme: alles wat we empirisch kunnen waarnemen is
                            herleidbaar tot fysische verschijnselen
                       o Epifenomenalisme: indrukken van ervaringen, gewaarwordingen,
                            zijn niet herleidbaar tot het fysische. Fysische gebeurtenissen
                            kunnen andere fysische gebeurtenissen veroorzaken, fysische
                            gebeurtenissen kunnen ook mentale gebeurtenissen
                            voortbrengen, maar mentale gebeurtenissen kunnen zelf niets
                            veroorzaken, aangezien ze causaal inerte bijproducten
                            (epifenomenen) zijn van de fysische wereld.
        “Qualia” in de actuele wijsbegeerte
                Zintuiglijke gegevens zijn ‘gegeven’:
                       o Met ‘subjectieve’ kwaliteiten (‘Is gras ook ’s nachts groen?’)
                       o Niet inwisselbaar met andere zintuigen (‘Hoe smaakt iets dat er
                            hoekig uitziet?’)
                       o Niet herleidbaar tot ‘objectieve’ kenmerken (cfr. Mary, the
                            scientist in a black and white room)
                                  Als ze uit de kamer zou komen, zou ze nieuwe indrukken
                                     krijgen en iets leren, hoewel ze op voorhand al over álle
                                     fysische informatie beschikte  er is dus meer dan het


                                                                                           36
                                            fysisch proces (en fysicalisme is vals, anders zou Mary
                                            niets nieuws leren)
                                           Cfr. F. Jackson, “Epiphenomenal Qualia” (moeilijk te
                                            bewijzen dat je alle fysische informatie kan hebben,
                                            zonder alle informatie te hebben die er is: Mary had alle
                                            informatie over licht en golflengtes, etc., maar ze kende
                                            de kleuren niet)
-   Two Treatises of Government (1690)
       o Politiek liberalisme (de gedachte dat de burger enkele rechten heeft waar de staat zich
           niet mee mag moeien)
                = procesopvatting rechtvaardigheid: elke outcome is juist die volgens de regels
                    van respect voor vrijheden verloopt (vb. mensen hebben recht op eigendom, dat
                    het ongelijk verdeeld is, maakt niet uit)
                Outcome-opvattingen gebaseerd op positieve rechten in plaats van vrijheden
                Positief recht = de plicht van de staat om iets te doen voor de burger (versus
                    laten) (vb. recht op onderwijs: iedereen heeft niet alleen het recht om onderwijs
                    te volgen, maar de staat moet ook betaalbaar onderwijs garanderen, zodat
                    iedereen onderwijs kán volgen)
                 equality of liberties (laten doen, staat moeit zich niet)  equality of resources
                    (vb. Een gehandicapte person zal misschien meer bronnen nodig hebben om in
                    iets te slagen)
       o Theoretische justificatie voor de standpunten van diegenen die de macht van de Stuarts
           (Engelse vorsten) probeerden te beperken (cfr. English Civil War, 1642; conflict
           parlement: Charles I werd geëxecuteerd in 1649)
                Associatie met Lord Shaftesbury na restauratie Stuarts (katholieke restauratie) in
                    1660; Locke zou betrokken geweest zijn bij het ‘verraad’ van Shaftesbury ten
                    aanzien van de kroon, hij zou de moord beraamd hebben op de katholieke
                    troonopvolger James II, om diens broer James (protestants) op de troon te
                    brengen. Locke moest zelf ook vluchten, naar Nederland
                1688: Glorious Revolution: Willem van Oranje valt Engeland binnen, einde
                    conflicten.
       o Politieke theorie:
                Politiek is een sociaal contract tussen leden van de maatschappij
                Maar: er zijn grenzen aan de macht van de vorst over burgers (in tegenstelling
                    tot Hobbes): het is beperkt door de ‘natuurwet’
                          Het is niet de vorst die macht heeft over de burgers, maar omgekeerd:
                              de burgers zijn de bron van macht
                          Basisrechten (op veiligheid, leven, eigendom,…) te verzekeren door de
                              staat, en die mag er zelf geen inbreuken op plegen (de basisrechten
                              worden niet overgenomen door de staat)
                          Systeem van ‘check and balances’ tussen wetgevende macht (het
                              parlement) en de uitvoerende macht (vorst)  gedachte van de
                              rechtstaat
                          Contract herroepbaar bij misbruik door de vorst (recht op opstand)


                                                                                                   37
                               o   Tegen misbruik van de vorstelijke macht (vb. Amerikaanse
                                   Revolutie: eerste eminitie)
                               o    paternalistische gedachte (vorst als vader van de staat)
                               o   De staat mag zijn macht niet misbruiken zonder goeie basis
                               o   De staat bestaat enkel om de burgerrechten de beschermen

George Berkeley (1685-1753)

       o   Biografie:
                Berkeley werd in 1685 geboren in Ierland. Hij had protestants Engelse ouders,
                   maar was zelf anglicaan in plaats van katholiek
                Hij studeerde vanaf 1700 aan het Trinity College, in Dublin, waar hij later ook
                   doceerde
                In 1707 trad hij in bij de geestelijkheid, in 1734 werd Berkeley bisschop van
                   Cloyne
                Zijn belangrijkste project was aan de Universiteit van Bermuda (opleiding van
                   Indianen en Engelse kolonisten tot predikant), hij leefde zelf een tijdje in de
                   Nieuwe Wereld
                Jeugdwerken:
                         Principles of Human Knowledge (1710)
                         Three Dialogues between Hylas and Philonous (1710)
       o   Idealisme (Berkeley was een radicaal idealist):
                Moreel, metafysisch idealisme
                ‘Primaire’ eigenschappen bestaan niet: er zijn alleen maar ‘secundaire’
                   eigenschappen (enkel wat we zien, gewaarworden is realiteit)
                Een ‘ding’ bestaat in feite op alle verschillende manieren waarop wij ‘het’
                   waarnemen
                Kleuren, geuren, tastwaarnemingen, etc. zijn allemaal even ‘reëel’: dingen ‘zijn’
                   wat ze ‘schijnen’ (het enige wat bestaat is van psychische aard, er is geen verschil
                   tussen gewaarwording en objectiviteit)
                ‘materie’ bestaat niet
                         Materie zou volgens sommigen bestaan, omdat gewaarwordingen niet
                            volgens onze wil zijn  volgens Berkeley klopt dit niet, weerstand van
                            andere psychische organismen: alles wat bestaat is een gewaarwording
                            in de geest van god
                Is er een ‘oorzaak’ van de waarneming?
                         Ja, maar niet de materie, wel god
                         Argument: enige waarneembare ‘oorzaak’ is de wil van een intelligent
                            wezen
                ‘Esse est percipi’ (‘zijn is waargenomen worden’)  idealisme (als er niemand je
                   ziet, besta je dan nog?)
                Probleem van het solipsisme en de other minds-problematiek
       o   Solipsisme en other minds-problematiek
                Solipsisme: ‘alleen ikzelf besta’
                         Hoe kan je bewijzen dat er nog wezens, buiten jezelf, bestaan?


                                                                                                    38
                         Jijzelf bent een voorwaarde voor alle kennis en ervaring
                  other minds-problematiek: er is geen bewijs mogelijk
                         Automaten lijken soms wel levende mechanismen: evidentie dat er
                            andere, levende, wezens zijn is niet zo makkelijk aan te tonen
        o   Idealisme = ontologische stelling dat alles wat bestaat van niet-materiële, ofte ideële
            (psychische) aard is

David Hume (1711-1776) (Verlichtingsfiguur)

        o   Biografie:
                  Hume werd in 1711 geboren in Schotland
                  Hij had geen academische carrière, hij was wel secretaris van de Britse
                     ambassade in Parijs van 1763-1769 (in de tijd van de grote Franse
                     Verlichtingsfilosofen, vb. Rousseau)
                  Hij maakte carrière als onafhankelijk schrijver
                  Hij werkte zijn belangrijkste werk af in 1737 (toen hij 26 jaar oud was, hij had er
                     toen al 10 jaar aan gewerkt)
                  Hume was een scepticus en tegenstander van gevestigde religies, hij stond
                     bekend als ‘Infidel’
       o Belangrijkste werken:
                  A treatise of Human Nature (1739-40)
                  An enquiry concerning Human Understanding (1758) (kennisleer, eigenlijk een
                     heruitgave van het eerste deel van zijn eerste boek)
                  An enquiry concerning the Principles of Morals (1751) (waarin hij onder andere
                     de stelling verdedigt dat de rede de emotie volgt)
                  Dialogues concerning Natural Religion (1779)
-   Sceptisme (overtuiging dat zekere kennis onmogelijk is)
       o Oorspronkelijk: Romeins-hellenistische filosofen
                  Pyrrho van Elis (360-270 v. Chr.)
                  Carneades van Cyrene (213-129 v. Chr.)
       o Stelling:
                  “er is geen manier om, voorbij de ‘verschijningsvormen’, externe ‘dingen’ te
                     kennen” (ontologische stelling)
                  “er zijn geen criteria om uit te maken of kennisoordelen waar zijn”
       o We kunnen alleen dingen kennen zoals we ze waarnemen
       o Hume was iets gematigder: hij nam wel aan dat wiskundige kennis zekere kennis is, maar
            hij had er geen fundament voor
-   Hume: radicaal empirisme
                  Percepties (vb. waarneming van groen) = ideeën (vb. idee van wat groen is) en
                     impressies (vb. impressie van groen)
                  Enkelvoudige ideeën corresponderen aan impressies (indrukken)
                  Complexe ideeën zijn opgebouwd uit enkelvoudige
       o Redeneren = ontdekken van relaties tussen percepties
       o Twee soorten redeneren:
                  Op basis van relaties tussen ‘ideeën’ = analytische uitspraken (benaming gegeven
                     door Kant, pas later)

                                                                                                      39
         Op basis van relaties tussen ‘impressies’ = synthetische uitspraken (Kant)
         Empirist: impressies zijn de basis van ideeën
o   Analytische uitspraken:
                 Vb. vrijgezellen zijn ongehuwde mannen
         Hun ontkenning leidt tot een contradictie
                 Al wie gehuwd of niet-mannelijk is, is geen vrijgezel
         Ze zijn a priori
                 De waarheid van de uitspraak volgt uit haar betekenis
                 Het volgt niet uit de waarneming: het is waar van te voren, vóór de
                     waarneming
         Ze zijn noodzakelijk waar
                 De zin kan niet onwaar zijn als je weet dat het onderwerp (vrijgezel)
                     wordt gebuikt
                 In elke wereld waarin een vrijgezel zou kunnen voorkomen, zou hij
                     ongehuwd zijn
         Radicaal verschil tussen analytische en synthetische uitspraken:
                 Analytische uitspraken zijn “tautologisch”: ze herhalen alleen wat er al in
                     het onderwerp zat en geven geen bijkomende informatie (vb. groen gras
                     is groen)
                 Synthetische uitspraken zijn ‘matters of fact’(niet noodzakelijk waar) en
                     via enkelvoudige ideeën herleidbaar tot impressies
                          o Vb. als je iets loslaat, dan zal het vallen.  er is ervaring nodig
                              voor het opbouwen van die kennis, op basis van observatie
                          o Nieuwe informatie
o   Het begrip ‘oorzaak’
         Redeneren over ‘matters of fact’ gebeurt alleen via oorzaak-gevolg relaties (je
            leert alleen iets als je oorzaak-gevolg relaties kent)
         De enige manier om het ‘bestaan’ van sommige dingen af te leiden is uit het
            bestaan van andere
         Voorbeelden:
                 Ervaring van kleur, textuur,… (= impressies) is het gevolg van een ‘ding’
                     (= oorzaak van de impressies)
                 ‘ik denk’ (= impressies) zijn het gevolg van ‘ik’ (oorzaak van het denken)
                 Alles wat bestaat (= complexe idee) is het gevolg van een
                     scheppingsdaad (oorzaak van de wereld)
         “Oorzakelijkheid?”
                 Het idee van een noodzakelijk verband (het kan niet anders zijn) tussen
                     ‘gevolg’ en ‘oorzaak’
                 Oorzakelijkheid is een complex idee (het idee dat er oorzaak-gevolg
                     relaties bestaan op zich)
                 Het moet dus terug te voeren zijn op impressies
                          o Het idee van een oorzaak-gevolg relatie kan niet teruggevoerd
                              worden op zintuiglijke impressies



                                                                                             40
                o    De relatie tussen vb. een tik op het bord en geluid is een
                     noodzakelijk verband
                o We kennen het verband tussen de tik en het geluid niet a priori,
                     maar door ervaring, observatie, dus het is een synthetische
                     uitspraak
                o  klopt niet!
                o Het enige wat je ziet is een opeenvolging in de tijd  geen
                     noodzakelijk verband (want oorzaak-gevolg relaties kunnen niet
                     ontdekt worden door ervaring)
                o Mensen leggen verbanden door associaties: Hume, ‘Laws of
                     Association’
         Basisidee van de oorzakelijkheid:
                o Psychologische ‘associatiewetten’
                o Vb. impressie ‘vlam’ wordt door gelijkenis geassocieerd met het
                     idee ‘vlam’
                o Het idee ‘vlam’ wordt door nabijheid of opeenvolging
                     geassocieerd met de impressie van ‘hitte’
                o Conclusie: oorzakelijkheid = psychologische gewoontevorming
                     (‘habits of the mind’, mensen leggen empirische associatie door
                     herhaling)
                o = een empirisch vastgesteld verband (empirische regelmaat)
                o  een noodzakelijk verband (wetmatigheid)
                          Vb. de zon kwam tot nu toe elke dag op, en een nieuwe
                              dag wordt geassocieerd met de opkomst van de zon,
                              toch mogen we niet besluiten dat de zon elke dag zal
                              opkomen  geen noodzakelijk verband
                o Cfr. Het menselijke inzicht: “Feitelijk zijn alle bewijzen uit de
                     ervaring gebaseerd op de gelijkenis, die wij tussen voorwerpen
                     in de natuur ontdekken en waardoor wij de neiging hebben
                     effecten te verwachten die gelijken op die welke naar onze
                     bevindingen steeds op die objecten zijn gevolgd”
   Inductieprobleem:
         Oorzaak-gevolg relaties ontstaan altijd door inductie
         Vb. raven zijn zwart (bevat meer informatie dan je empirisch kan
            vaststellen)
         De waarheid van een algemene uitspraak over een onvolledig gekende
            populatie is logisch niet afleidbaar uit de concatenatie van de ware
            particuliere oordelen die uit de waarheid van de algemene uitspraak
            zouden volgen
         Inductie geeft geen zekerheid
         Fysica is geen beschrijving van de werkelijkheid, maar wat wij ervan
            verwachten: het zegt meer over onze denkvermogens dan over de
            natuur zelf
   Onmogelijke metafysica:
         God = “oorzaak van al wat is”

                                                                                  41
           Zelf = “oorzaak van het denken”
           Ding = “oorzaak van de zintuiglijke indrukken”
            allemaal inferenties die niet op impressions terug kunnen gaan
            men neemt aan dat alles een oorzaak heeft, maar dat is niet zeker
           Je kan inductie niet gebruiken voor eenmalige gebeurtenissen (dus ook
            niet voor de oorzaak van de schepping of de wereld)
   Moraal:
        Is/ought probleem: er is geen logische overgang mogelijk van “zijn” naar
            “moeten”
               o Volgt uit de eenvoudige observatie dat uit ‘is’-zinnen
                  (beschrijvingen) je geen overgang kan maken naar ‘moet’-zinnen
                  (attitudes, appreciatie)  als er iets ‘is’, bestaat, dan hoef je nog
                  niet te besluiten dat je dat ‘moet’ doen
               o Vb. de mens is monogaam, maar daaruit volgt niet dat je
                  monogaam móét zijn




                                                                                    42
Hoofdstuk 9: Immanuel Kant (1724-1804) – kritisch idealisme

Immanuel Kant (1724-1804) was één van de belangrijkste filosofen

-   Verlichting:
        o Duitse Verlichting: Immanuel Kant (en ook Mendelsohn)
        o Franse Verlichting:
                  Montesquieu (1689-1755)
                  Voltaire (1694-1778)
                  Jean-Jacques Rousseau (1712-1778)
        o Schotse Verlichting:
                  Adam Smith (1723-1790), (één van de grondleggers van het economisch
                    liberalisme, moraalfilosoof)
                  David Hume
-   Biografie:
                  Kant werd in 1724 geboren in Köningsberg, Pruisen (nu: Kalingrad, Rusland), als
                    zoon van een zadelmaker
                  Hij studeerde fysica en wiskunde aan de universiteit van zijn geboortestad, en
                    werd er, na een korte periode als huisleraar, ook Dozent en, vanaf 1770,
                    professor in de metafysica en logica
                  Hij trok heel wat studenten aan en kreeg in 1792 het verbod van de koning van
                    Pruisen om nog over religieuze kwesties te doceren
                  Hij werkte vooral veel, veel van de biografische details over zijn leven zijn
                    nonsens (er zijn veel verhalen over de laatste jaren van zijn leven, wanneer hij
                    dement aan het worden was). Kant stierf in 1804.
-   Belangrijkste werken:
        o De drie belangrijkste werken: ‘de drie kritieken’
                  Kritik der reinen Vernunft (1781/87)
                         Zuivere rede
                  Kritik der praktischen Vernunft (1788)
                         Praktische rede, ethiek
                  Kritik der Urteilskraft (1790)
                         Oordeelskracht: esthetica en teleologie
        o Grundlegung zur Metaphysik der Sitten (1785)
        o De laatste werken van Kant toonden al tekenen van dementie
-   Copernicaanse omwenteling:
        o De bron van zekerheid ligt niet in wat gekend is (in het ‘object’), maar in de kenner (het
            ‘subject’)
        o Algemene oplossing:
                  (Synthetische/contingente) kennis = synthese van
                         (1) empirische inhouden en
                         (2) ordeningsvormen door de kenner opgelegd aan de empirie
        o Uitwerking:
                  Er bestaan a priori vormen die ervaring mogelijk maken: er zijn
                    ‘mogelijkheidsvoorwaarden’ voor kennis


                                                                                                   43
           Op te sporen door een ‘transcendentale’ benadering, i.e. onderzoek van de
            mogelijkheidsvoorwaarden van het waarnemen en het oordelen (onderzoek naar
            de manier waarop mensen kunnen kennen)
         Twee soorten a priori vormen:
                  1. Van de zintuiglijkheid
                          o Ruimte en tijd zijn aanschouwingsvormen, geen begrippen
                          o We kunnen niet anders dan zintuiglijke indrukken ordenen in
                              ruimte en tijd (voorwaarden, worden verondersteld, gaan de
                              ervaring vooraf)
                          o Vb. klankwaarneming onmogelijk zonder tijd: tijdservaring is een
                              voorwaarde voor geluidservaring (hetzelfde geldt voor visuele en
                              tastindrukken)
                          o Analyse van de aanschouwingsvormen: (1) meetkunde, (2)
                              rekenkunde (niet gebaseerd op ervaring)
                          o Kan gebeuren los van ervaring
                  2. Van het verstand (= categorieën)
                          o Dingen kunnen slechts gedacht worden wanneer het verstand
                              deze categorieën gebruikt
         Basiscategorieën (geleverd door het verstand, niet door ervaring)
                  Kwantiteit: eenheid – veelheid
                  Kwaliteit: realiteit – negatie
                  Relatie: substantie/accident – oorzaak/gevolg
                  Modaliteit: (on)mogelijk – (niet-)bestaan
                   manieren waarop we vormen ordenen, organisatie van het verstand
         Categorieën en aanschouwingsvormen laten toe ervaringen te synthetiseren
            (toegankelijk maken voor het verstand): vb. de beweging van een arm
            (substantie) zien (in de tijd en ruimte) als één beweging (eenheid), die een
            opeenvolging van momenten kent (veelheid) met coherentie (totaliteit), en met
            als oorzaak (oorzaak) de wil van het individu
o   “cognitivistische” benadering (organisatievormen aanwezig in het verstand):
         Kant onderzoekt de organisatievormen van kennis
         Hij verbindt er echter ook conclusies aan met betrekking tot de metafysica (Kant
            gebruikt de ideeën om aan te tonen dat een groot deel van de metafysica niet
            klopt)
         Kritiek op de metafysica:
                  Kennis van de ‘phenomenai’ is mogelijk, maar kennis van de ‘noumenai’
                     (of Ding-an-sich, de dingen los van de waarnemingscategorieën) niet 
                     de ‘objectieve’ wereld is onkenbaar (enige manier om dingen te kennen
                     is via de ervaring
                  De TC zijn ‘vormen’ die toelaten de ‘inhouden’ van de ervaring te
                     ordenen
                  Indien toegepast op de ‘Dinge-an-sich’, dan zijn de limieten van het
                     verstand bereikt en kom je soms tot fatale contradicties
                          o Limiet-paralogismen: niet meer te ervaren


                                                                                           44
           De traditionele metafysische ideeën (god, ziel, de wereld) = ‘ideeën van
            de rede” = foute toepassingen van de categorieën (paralogismen) of
            noodzakelijk contradictorisch
                o Vb. god als eerste oorzaak = zelf geen waarneembare zaak 
                     foute vraag: er hoeft geen oorzaak van de wereld te zijn
         Vb. substantie/accident en oorzaak/gevolg-categorieën toegepast op het
            denken zelf: “Ik denk als één substantie die de oorzaak is van mijn
            ervaringen”
          ideeën van het zelf en de ziel
         Vb. men kan bewijzen dat de wereld een begin heeft en niet kan hebben
            = fatale contradicties
   Godsbegrip:
         Kant verwerpt de verschillende soorten godsbewijzen (ontologisch,
            kosmologisch, fysico-theologisch)
                o Ontologisch = bestaan van god bewijzen door het bestaan ervan
                o Kosmologisch = er bestaat iets, dus moet er een eerste oorzaak
                     zijn
                o Fysico-theologisch: er is een ordening in de wereld, die moet er
                     dus ingelegd zijn door een intelligent wezen
         Let wel: de ideeën van de rede zijn onvermijdelijke illusies
         God, de ziel, alle Dinge-an-sich, etc. zijn principieel onkenbaar: ze zijn
            theoretisch nonsensicaal, op grond van het theoretisch verstand zijn ze
            niet te doorgronden
                o Kant doet geen uitspraken over het wel of niet bestaan van god,
                     maar zegt dat we dat niet kúnnen weten. Voor hem is het een
                     foute vraag, niet te doorgronden met de rede.
         Wel: god, de ziel, onsterfelijkheid, etc. als praktische postulaten (i.e.
            mogelijkheidsvoorwaarden voor het moreel handelen, maar
            onbewijsbaar voor de rede)
                o Als noodzakelijke voorwaarde voor moreel gedrag:
                o Vb. als je ziel niet onsterfelijk is, waarom zou je dan nog werken
                     als criminaliteit loont in dit leven?
   Ideeën van de rede:
         = regulatief = niet theoretisch fundeerbaar (ze zijn een leidraad, niets
            meer)
         Ze geven wel zin aan ons moreel handelen (Handel zo alsof god bestond,
            alsof de ziel onsterfelijk is, alsof vrijheid bestaat, etc.
         We kunnen ons niet onttrekken van vragen over god, ziel, eerste
            oorzaak, etc.
         Of ze bestaan of mogelijk zijn?  agnostische positie (we kunnen het
            niet weten)




                                                                                 45
Hoofdstuk 10: Filosofie na Kant: Arthur Schopenhauer (1788-1860)

Filosofie na Kant: idealisme

    -   Biologie:
                         A. Schopenhauer
                         F. Nietzsche
    -   Dialectiek:
                     (Fichte, Schelling)
                     G.W.F. Hegel
                     Jong-hegelianen
                     K. Marx
            o   (van sterk idealistisch naar meer materialistische visies)

Schopenhauer
    -   Biologie:
                         Schopenhauer zette de tendens van Kant verder: het subject staat ook bij
                          hem centraal
                         Hij werd geboren in Danzig (Polen) in 1788 (begin 19de eeuw, in een
                          postrevolutionaire sfeer), hij groeide op in een rijke koopmansfamilie
                         Hij kreeg een aristocratische, kosmopolitische opvoeding (reide o.a. door
                          Europa, hij woonde in Frankrijk, Engeland, etc.)
                         Hoewel zijn vader het niet wou, volgde Schopenhauer na zijn dood studies
                          natuurwetenschappen en filosofie in Göttingen en Berlijn
                         Hij had geen academische carrière, maar was een onafhankelijk schrijver
                         Hij schreef zijn hoofdwerk in zijn 20er jaren: “Die Welt als Vorstellung”,
                          gepubliceerd in 1818
                         De rest van zijn oeuvre zijn in essentie toevoegingen en preciseringen
                         Pas in 1853 werd hij plots internationaal beroemd (waarvan hij altijd al dacht
                          dat hij het verdiende, Schopenhauer was geen bescheiden man)
                         Schopenhauer was een zeer onhebbelijk man, hij was aartsconservatief, een
                          vrouwenhater, hield niet van veel sociale contacten, etc. De moeder van
                          schopenhauer wou eigenlijk geen kinderen, omdat ze zeer ambitieus was,
                          dus werd Schopenhauer grotendeels opgevoed door meiden; Hij kent weinig
                          hechting, blijft afstandelijk
                         In 1860 sterft Schopenhauer.
    -   Kantiaan:
           o Volgens Schopenhauer waren de ontdekkingen van Kant fundamentele
               ontdekkingen, maar hij wou ze beter maken, perfectioneren
           o Transcendentaal idealisme
           o Het noumenale verschilt van het fenomenale
                   Alleen het fenomenale is kenbaar
                   De werkelijkheid ‘op zich’ is onkenbaar
           o Kritiek op Kant:
                   Het ding an sich is géén ding ( = vorm in het bewustzijn)
                   Het ding an sich is ook niet de oorzaak van het fenomeen (oorzakelijkheid =
                      oordeelcategorie, dus tussen fenomenen, niet tussen Ding an sich en
                      fenomeen)
           o Het ‘Ding an Sich’
                   = ongedifferentieerd (je kan de aard ervan niet grijpen)
                   = niet tijd-ruimtelijk (het kan zich niet in de tijd of ruimte bevinden)

                                                                                                     46
                 = geen oorzaak
                 Kan men er dan iets meer over zeggen?
-   Dubbele kenwijze (van onszelf)
       o Sommige dingen kennen we fenomenaal op twee wijzen:
                 In de buitenwereld (vb. de beweging van onze arm)  de wereld als
                     ‘voorstelling’
                 In de ‘binnenwereld’ (vb. ‘ik wil dat mijn arm beweegt’)  ‘wil’
                          Het mentaal proces is niet de oorzaak van de voorstelling
       o Het is twee maal hetzelfde, maar gekend op verschillende wijzen (‘mijn’
            werkelijkheid ken ik op twee manieren, wil en voorstelling)
       o Voorstel:
                 Gebruik maken van de kenwijzen: ‘indirecte’ en ‘directe’
                 Beide zijn ‘fenomenaal’, maar complementair
                          Twee aspecten van hetzelfde noumenon (zie Spinoza)
                 Mijn lichaam is mijn wil, maar geobjectiveerd, vb. organen zijn
                     geobjectiveerde strevingen
                          De mens heeft een objectieve en een subjectieve werkelijkheid
                 ‘we zijn niet meer dan biologische wezens’
-   Kennis van het noumenon?
       o Neen, kennis van het noumenon is onmogelijk
       o De dubbele kenwijze suggereert wel een naam voor het noumenon: ‘wil’ (ander
            woord: ‘kracht’  intrinsiek ongestuurd)
                 Vb. een rots is een geobjectiveerde ‘wil’
-   Metafysica
       o ‘Wil’ is geen causale kracht: heeft geen grond, is stuurloos, blind (als je de oorzaak-
            gevolg wegdenkt  geen orde meer, de wereld wordt irrationeel)
                 Dezelfde ‘wil’ drukt zich uit in talloze manifestaties
       o De wereld = strijd tussen verschillende objectiveringsgraden van dezelfde ‘wil-tot-
            leven’ (een strijd van alle dingen tegen alle andere dingen om zo veel mogelijk plaats,
            bronnen)
                 De plaats van het dierenrijk: onophoudelijke strijd en vernietiging van het
                     leven  je kan er geen ‘zin’ in vinden, alles is indifferentieel tegenover de
                     anderen
                 “Elk prooidier is het levende graf van duizend andere dieren, en zijn
                     zelfbehoud is een keten van folteringen tot de dood.” (folteringen van
                     andere wezens, om zichzelf in stand te houden)
                          Alle mensen zijn uit dezelfde stof gemaakt
                          Eigenlijk zouden we medeleven moeten hebben in plaats van te
                              vechten: in alles/iedereen/alle dieren een deel van jezelf zien
       o “Rede” = hersenfunctie (instrument in verder bestaan, maar meest overschatte
            orgaan in de menselijke geschiedenis)
       o Hersenen = geobjectiveerde ‘wil-tot-leven’
       o Rede staat dus in dienst van de drift (wat wij de rede noemen toch)
       o Theorie van het onbewuste: de wil opereert onafhankelijk van het bewustzijn (sluier
            van maya) en dus wordt de mens gedreven door onbewuste strevingen, gevoelens,
            doelen (cfr. Freud)
                          Schopenhauer was de door Freud meest geciteerde filosoof
                 Wat mensen doen moet je van buiten af interpreteren: je bent voor jezelf
                     even ondoorgrondelijk als de ander voor jou
                          Als je iets wil, dan is het nog niet zeker dat dit echt zo is (door het
                              oog van de ander leer je jezelf kennen)


                                                                                                47
       o    Metafysica van de seksuele liefde: genitaliën = brandpunten van de wil
       o    Individu = instrument, onbewust in dienst behoud van de menselijke soort 
            Schopenhauer
                 Nu: individu als uiting van zijn genen, gedrag wordt verklaard in functie van
                    voortbestaan van de genen
-   Het menselijke bestaan
        o De wereld is een hel met de medemens als de duivel (in de krant zie je veel
            voorbeelden van wat medemensen elkaar aandoen)
        o Lijden (streven) = positief, lust (bevrediging) = negatief (als een streven bevredigd
            wordt, wordt het vervangen door een ander streven)
                 Oscar Wild: “There are two ways in this life to be unhappy: getting what you
                    want and not getting what you want.”
                          Krijgen wat je wil leidt tot verveling en nieuwe verlangens
                          Niet krijgen wat je wil leidt tot frustratie
        o Verlossing?
                 Via kennis die toelaat het individuatiebeginsel te overstijgen
                          Tijdelijk via de kunst: stilling van de wil-tot-leven door vb.
                             contemplatie van de tragedie, doorervaring van het noumenon via
                             de muziek (= parallelle uiting van de wereld)
                                o Kunst helpt om er even, tijdelijk, uit de stappen
                                o Verklaard esthetica van de lelijkheid (vb. tragedie =
                                     menselijke miserie opvoeren)
                          Definitief door verzaking aan het leven (Die Verneinung des Willens
                             zum Leben)  niet gelijk aan zelfmoord!!
                                o Door een ascese: de wil heeft geen vat meer op het individu
                                      de wil overstijgen en tot een persoonlijke verlossing
                                     komen (definitief)
                                o Invloeden van Chinese en Indiase filosofieën (vb.
                                     Boeddhisme)
                                o Zelfmoord plegen is een bevestiging van het leven, de wil
                                     blijft bestaan (het is geen manier op eruit te stappen)
-   Invloed:
                 Op Nietzsche, Freud, Wittgenstein
                 Op literatoren: Tolstoï, Hardy, Thomas Mann, Proust, Lawrence,…
                 Op musici: Richard Wagner, Richard Strauss
                 ‘Irrationalist”: Die Zerstöring der Vernunft




                                                                                             48
Hoofdstuk 11: Filosofie na Kant: Georg Wilhelm Friedrich Hegel (1770-1931)

George Wilhelm Friedrich Hegel (1770-1931)

   -   Algemene situering:
           o Belangrijkste historische ontwikkelingen:
                    Franse Revolutie (eerste realisatie van een democratie)
                    Napoleontische oorlogen in Europa (Hegel bewonderde Napoleon)
                    Restauratie (Ancien Régime)
           o Reactie op Verlichting:
                    Goethezeit: belang van de GEIST
                    Taal, kunst, geschiedenis, filosofie, wetenschap, godsdienst
   -   Biografie:
                    Hegel leefde in één van de meest dynamische periodes in de geschiedenis
                      (1770-1831)
                    Hij werd in 1770 geboreb in Stuttgart
                    Hij studeerde van 1788-1793 theologie in Tübingen met Schelling (1775-
                      1854) en Hölderlin (1770-1843)
                    Tot 1800 was hij huisleraar, maar hij beoogde een carrière als Schriftsteller
                      (type Schelling, Lessing)
                    In 1801 besloot hij filosoof te worden, ging naar de universiteit van Jena (en
                      werd privaatdocent)
                            Één van de filosofen die het moeilijk had binnen te raken aan de
                                universiteit, maar slaagde wel
                    In1807 werd Phänomenologie des Geistes gepubliceerc
                    Tussen 1808 en 1815 was hij hoofdredacteur van een krant, leraar filosofie in
                      het gymnasium van Nürnberg
                    In 1815 publiceerde hij Wissenschaft der Logik
                    In 1816 ging hij terug naar de universiteit: professor Heidelberg
                    In 1818 werd hij professor filosofie in Berlijn
                    In 1821 werd Grundlinien der Philosophie des Rechts gepubliceerd
                    Tot 1831 was hij een beroemdheid, die van heinde en verre studenten naar
                      Berlijn trok
   -   Filosofieën
           o Filosofie 1
                    Erfenis van Immanuel Kant:
                            Dialectiek van de zuivere/praktische rede: sommige begrippen leiden
                                bij onkritische toepassing tot contradicties
                                     o Vb. ‘oorzaak’: het beginsel dat alles een oorzaak heeft, is op
                                         zich contradictorisch, want wat is dan de oorzaak van de
                                         eerste oorzaak?
                            Hegel: alle begrippen die wij gebruiken om de werkelijkheid te
                                denken zijn intern contradictorisch
                                     o Vb. met kwantitativiteit is ‘oneindigheid’ niet te vatten
                    Is dat een probleem? (Volgens Kant wel, volgens Hegel niet echt)
           o Filosofie 2
                    Postulaat 1: ‘Contradicties zijn geen beperkingen van het denken. De realiteit
                      zelf is contradictorisch.’
                    Contradicties ‘bestaan’
                            Vb. Jan is geboren op 30.11.76 (G) en Jan is niet geboren op 30.11.76
                                (-G).
                             G        -G       G . –G (conjunctie)

                                                                                                  49
                   1       0         0
                   0       1         0
o   Filosofie 3: voorbeelden
         Beweging = ergens zijn én ergens niet zijn
         Verlangen = zichzelf gelijk en zichzelf niet gelijk (‘ik ben bij mezelf en ik ben
             niet bij mezelf’), je bent compleet en je bent niet compleet
         Contradictorische begrippen: links en rechts, vader en zoon, onder en boven
             (de begrippen sluiten elkaar uit: ‘boven is wat onder niet is’)
                   Niet alleen stellingen kunnen contradictorisch zijn, er zijn ook
                      contradictorische begrippen
         De bloem weerlegt de knop.
o   Filosofie 4: toepassingen
         ‘Vrijheid’ = ik doe mijn zin  ik handel redelijk
                   In eerste instantie: ik doe mijn zin = de THESE
                   Daarna volgt het besef dat ‘je zin doen’ niet tot echte vrijheid leidt =
                      ANTITHESE
                         o Vb. mensen die huwen, om zich te binden: individuele
                               binding is een onderdeel van vrijheid (tweede fase)
                         o Later ook een groepsdimensie
                   De toevoeging van een nieuwe dimensie (de oude wordt niet
                      verworpen!) = SYNTHESE
                   De hogere synthese houdt het samenvoegen van elementen in, de
                      opheffing van de antithese en de overstijging van de these.
                         o Verkrachting uit behoefte aan liefde  loopt uit op
                               catastrofe
                         o Iemand dwingen iets te geloven  lukt niet (toch niet
                               intrinsiek)
                                     Je kan niemand iets laten geloven onder dwang, vb.
                                        de (Romeinse) inquisities: om de ideeën van non-
                                        conformisten bij te sturen  moet mislukken! (zo
                                        heeft het katholicisme zelf het protestantisme
                                        ‘veroorzaakt’)
                         o Meester-slaaf dialectiek: een instrumenteel gerichte meester
                               zal nooit de baas worden van opstandige slaven, omdat een
                               instrumentele behandeling (de slaaf wordt gezien als een
                               ding, een object) recht tegenover respect staat, en zo voor
                               een contradictie zorgt
                         o Sartre: mauvaise foi (onmogelijke verlangens)
                                     Vb. ergens willen op ingaan, en er tegelijk niet willen
                                        op in gaan (oplossing door ontkenning): twee
                                        personen zitten naast elkaar, de ene legt zijn hand
                                        op het hand van de andere, de andere heeft nu de
                                        keuze tussen hand wegtrekken of laten begaan:
                                        wordt dikwijls opgelost door ‘smalltalk’, om keuze
                                        niet te moeten maken
                                     Vb. je moet iets doen, en je moet het ook met
                                        plezier doen  je kan niemand dwingen om iets met
                                        plezier te doen
                                     Leidt tot schizofrenie (in rol gedwongen)
o   Filosofie 5



                                                                                          50
            Postulaat 2: “Uit de beschouwing van de aard van de contradictie is
             algemeen gebleken dat het op zich geen gebrek, tekort of fout in een ding is
             wanneer er een contradictie in ligt. Eerder is het zo da elke bepaaldheid l wat
             concreet is, elk begrip wezenlijk een eenheid van onderscheiden en
             onderscheidbare momenten is, die door hun bepaald en wezenlijk verschil in
             contradictie overgaan… Het ding, het subject, het begrip is slechts die
             negatieve eenheid zelf; het is een zich intern tegensprekende, maar net zo
             goed opgeloste contradictie” (WdL II, p.79)
                  Piaget was een Hegeliaans psycholoog
         Postulaat 2: de werkelijkheid = zich ontwikkelende begrippen
                  Onmiddellijkheid (algemeen)  these
                  Vermittlung (bepaaldheid)  antithese
                  Aufhebung (algemeen + bepaald)  synthese
         DIALECTIEK = (1) redelijk begrijpen door “volgen” van de contradicties; (2)
             het ontwikkelingsproces zelf
                  Alles wat zich ontwikkelt, ontwikkelt zich volgens contradicties
o   Filosofie 6
         Postulaat 3: De werkelijkheid is ‘subject’, ‘GEIST’
                  Cfr. De aanwezigheid van contradicties in de dingen zelf
                  Een manier van kijken naar de dingen, om de contradicties te
                      snappen
                  Vb. de democratie als ideaal (these), maar in de praktijk lijkt het niet
                      goed te werken (antithese), tot je komt tot een gematigde opvatting
                      (synthese)
         Welk soort “subject”?
         Niet cartesiaans, wel belichaamd in de werkelijkheid zelf  de ‘zich van
             zichzelf bewust wordende werkelijkheid’
                  Door een dialectisch proces is de werkelijkheid meer te weten
                      gekomen over de werkelijkheid, door het subject ‘Hegel’
                  Einde van de filosofie volgens Hegel…
         Het proces van zelfbewustwording van de Geist = fenomenologie van de
             Geist: belang van “reflectie”, wat de Geist leert over zichzelf in de loop van
             de geschiedenis (er is een proces van dingen die onbewust gebeuren naar
             gingen die gereflecteerd gebeuren)
         Absolute weten = inzicht dat de werkelijkheid Geist is
                  Vb. Piaget: geloofde dat subjecten eerst iets praktisch kunnen, voor
                      ze het ‘weten’. Vb. mensen kunnen een balletje in een doos gooien
                      (lukt praktisch), maar men kan niet zeggen hoe hard, snel men moet
                      gooien of wanneer men het balletje juist moet loslaten (nog geen
                      reflectie)
o   Filosofie: gevolgen
         Al wat voorafgaat = momenten in de ontwikkeling van de Geist
         Vb. Hegel zelf = eindpunt van de filosofie
         Vb. ideale Pruisische staat = eindpunt politiek, eindpunt vrijheid
                  Relatie tot god: god is geen mens geworden, maar de mens is god
                      geworden
o   Belang 1
         Enorm belang
         In de psychologie:
                  Lacan (psychoanalyse)


                                                                                         51
                             Watzlawick (pragmatische communicatietheorie: vb. het is
                              onmogelijk om in groep niet te communiceren)
                          Bateson (Double Bind Theory) (verklaart o.a. schizofrenie)
                          Existentieel-dialectische ontwikkelingspsychologie
                          Psychologie van Piaget
                    Ook in andere sociale wetenschappen
           o   Belang 2
                    In de filosofie zelf:
                          Invloed op de Jong-hegelianen (= links-hegelianen)
                                   o Hegel:
                                            Rechts-hegelianen: conservatief, kenden niet veel
                                               succes
                                            Links-hegelianen: radicaal, progressief
                                   o Radicale godsdienstkritiek (D.F. Strauss, B. Bauer, L.
                                       Feuerbach)
                                   o Radicale politieke en economische kritiek (M. Stirner, K.
                                       Marx)
                          Heel kon zijn ideeën niet rechtstreeks op papier zetten  door de
                              heersende censuur, dus hij uitte zijn ideeën via onrechtstreekse
                              kritieken
                                   o Vb. hij gaf kritiek op kinderarbeid bij de Romeinen, maar dat
                                       was eigenlijk kritiek op de eigentijdse situatie van
                                       kinderarbeid in de fabrieken.


L. Feuerbach (1804-1872)

   -   Religie van de mens
           o 1841: Das Wesen des Christentums
           o God = projectie van uitvergrote menselijke eigenschappen
                      De diepere betekenis van godsdienst is eigenlijk het omgekeerde van de
                         manifeste inhoud  de mens zou graag hebben dat dat allemaal waar is (vb.
                         stromen van wijn in de hemel, hoewel er op aarde geen alcohol mag
                         gedronken worden)
           o Godsdienst = vervreemding van de mens, godsdienst houdt mensen van hun doelen
                af
                      Vervreemding = een toestand waarin de mens zichzelf verliest
           o Opheffing van de vervreemding = religie van de mens
                              (Hegel: antithese (vervreemding) noodzakelijk voor synthese)
                      Religie van de mens: positieve elementen in de mensheid gebruiken + de
                         samenwerking
                      Mens-zijn leidt sowieso tot vervreemding (de mens wil oneindig zijn, etc.
   -   Verdere godsdienstkritiek
           o Feuerbach bouwt voort op het idee van Hegel: de betekenis van Jezus is het centraal
                stellen van de mens in plaats van god
           o D.F. Strauss (1808-1874)
                      Das Leben Jesu (1835): de symbolische inhoud van de evangelies achter de
                         mythen is belangrijk
           o Bruno Bauer (1809-1882)
                      Kritik der Evangelischen Geschichte der Synoptiker (1841): evangelies =
                         mythes


                                                                                                52
Karl Marx (1818-1883)

   -   Biografie:
           o Marx was ook een Jong (Links) Hegeliaan
           o Hij was de zoon van een bekeerd joods advocaat
           o Hij studeerde in Bonn en Berlijn (bij Gans, leerling van Hegel)
                    Marx had enorm veel talent, hij werd beschreven als een combinatie van
                       Hegel en Voltaire
           o Marx was een liberaal (voorstander van politieke rechten en vrijheden)
           o In 1842 werd hij journalist voor de Rheinische Zeitung
           o In 1842-1844, na een verbod op het tijdschrift de Zeitung, vluchtte hij naar Parijs,
               waar hij kennis maakte met Engelse economisten, Franse communisten en
               anarchisten
                    Ook arbeidersbewegingen, utopische socialisten, etc.
                    Communisme: het geloof dat de productiemiddelen eigendom moeten zijn
                       van de producent  voor een collectivisering van de productiemiddelen
                    Dat Marx de ‘uitvinder’ was van het communisme is een fabeltje
                    Anarchisme: geloof dat de politieke macht moet verdwijnen, omdat het
                       overbodig is. Ze zijn niet tegen bestuur, maar wel tegen macht
                             ‘Het volk heeft maar één vijand: de staat.’
           o In 1846 verhuisde hij naar Brussel, waar hij in 1848 het Manifest van de
               Communistische Partij publiceert.
                    ‘Er waart een spook door Europa…’
                    Eén van de belangrijkste boeken/geschriften ooit geschreven!!
           o Vlucht naar Londen en schrijft daar zijn economisch werk: Das Kapital
           o In 1864 is Marx medestichter van de Eerste Internationale Arbeidersbeweging
   -   Communisme
           o Eigenlijk heeft Marx weinig geschreven over het communisme: hij was een realist, en
               gebruikte een wetenschappelijke analyse in plaats van utopisme!
           o ‘wetenschappelijk socialisme’ (Marx) versus ‘utopisch socialisme’
                    hij wou aantonen dat de tendens van de kapitalistische samenleving
                       contradictorisch (tendens van zelfvernietiging, opheffen van zichzelf) was en
                       zou leiden tot een mislukking: of we het nu wilden of niet, het kapitalistisch
                       systeem zou in elkaar storten.
   -   Historisch materialisme
           o Economische productie
                             Economie als de manier waarop mensen voorzien in dagelijkse
                               behoeften
                     sociale relaties (vb. arbeidsverdeling)
                     sociale instituties
                     beelden van mens en maatschappij
                             Volgens Marx is het idee van Hegel over religieuze vervreemding en
                               de projectie van wensbeelden een dom idee  godsdienst is van het
                               volk, het is een roesmiddel, dat verdwijnt bij het wegnemen van de
                               sociale en de economische problemen en frustraties
   -   Historisch materialisme:
           o Infrastructuur/basis
                    Productieve krachten!!
                             De middelen die de maatschappij ter beschikking heeft om zichzelf in
                               stand te houden (in de 19de eeuw was steenkool de basis van de
                               maatschappij, nu is dat petroleum en informatica)


                                                                                                  53
                          De maatschappij wordt diepgaand bepaald door de
                           productiekrachten, vb. door de informatica  globalisering 
                           andere integratiemechanisme
                 Productieverhoudingen
                        (1) de manier waarop de productiemiddelen verdeeld worden en (2)
                           de manier waarop de producten verdeeld worden en de
                           arbeidsverdeling (uitbuitingssysteem, iemand produceert en iemand
                           consumeert)
                        Vb. feodaal systeem: de boer is schatplichtig aan de
                           grootgrondbezitter en aan de kerk
                               o Boer = de productieve klasse
                               o Grootgrondbezitter = onproductieve klasse, parasieten
                               o De hiërarchie komt overal terug: ook in de hemel: god als
                                   oppermacht en engelen als militairen om de rust te bewaren
        o Superstructuur/bovenbouw
                        Hoe krijgen grootgrondbezitters het gedaan dat boeren voor hen
                           werken?
                        Potentiële conflicten worden verdoezeld onder de schijn van
                           ‘samenwerking’, wat wordt voorgesteld als een harmonisch geheel
                        De bovenstructuur dient voor het in stand houden van de situatie,
                           van de relaties
                 Politiek en recht (staat)
                 Cultuur (kunst, moraal, filosofie)
                        Stond nog eens boven de politieke structuur
-   Uitbuitingstheorie
        o Filosofie van de arbeid
        o Arbeid is:
                 Expressie van het eigen mens-zijn
                 Een bron van zelfverwerkelijking
                        De producten zijn belangrijk voor zelfrealisatie (een schrijver die
                           geen boeken geschreven heeft voelt zich ook zelf geen schrijver)
        o Vervreemding: in kapitalisme (omkering van het echte doel van arbeid)
                        Proletariaat: heeft enkel de eigen kinderen als bezit
                        = arbeid wordt uitgebuit (de arbeider werkt voor een laag loon, de
                           extra producten die hij produceert, worden verkocht op de markt, en
                           de opbrengst gaat naar de kapitalist)
                 Arbeid = onderwerping aan een vreemde macht
                 Arbeid = verminking (psychisch en sociaal, door slechte omstandigheden)
                 Arbeid = een bron van sociale verdeeldheid en conflict
-   Communisme?
        o = opheffing van de vervreemding (cfr. G.W.F. HEGEL)
        o = overvloedmaatschappij (van ieder naar vermogen, voor ieder naar behoefte)
        o Religieuze vervreemding (Godsdienst is de opium van het volk): secundair tegenover
            de economische vervreemding (verdwijnt vanzelf als de economische vervreemding
            wordt aangepakt)
-   Economische theorie
        o Wetenschappelijke uitwerking van de vervreemdingstheorie
                 Arbeidswaardeleer
                 Exploitatietheorie
                 Crisistheorie:



                                                                                           54
                              De wet van de dalende tendens van de winstvoet: het kapitalistische
                               systeem zou steeds minder winst maken, tot het gezakt is tot nul,
                               zodat het zichzelf onmogelijk zou maken
                              Overproductie
                                   o De tendens van het kapitalisme om steeds groter en groter
                                       te worden zou leiden tot een internationale crisis (maar
                                       Marx had de weerstand van het kapitalisme onderschat)
                              Verscherping van de tegenstelling in arbeid – kapitaal
Max Stirner (1805-1856)

           o   1845: Der Einzige und sein Eigentum
           o   Alleen IK is de ultieme waarde
           o   De rest is vervreemding
           o   ‘Ik ben mijn eigen zaak.’: ‘Ich habe meine Sache auf mich gestellt.’
           o   Niet op: God, Geist, vorst, vaderland, volk,…




                                                                                                55
Hoofdstuk 12: Vitalisme: Friedrich Nietzsche (1844-1900)

Vitalisme:

    -   In de 19de eeuw overheerste het positivisme, die uitgaat van een determinisme, algemene
        principes van de dode materie, die ook toepasbaar zijn op de levende materie, ze
        verklaarden alles natuurwetenschappelijk
    -   Naar het einde van de 19de eeuw ontstond het idee dat er meer moet zijn dan het
        mechanische
    -   Historische contect:
            o 17de eeuwse medische wetenschappen:
                      Vita = leven
                      Het idee dat er meer nodig is dan een mechanische verklaring: een
                        oorspronkelijke levensvonk
                      Organische chemie kan niet alles verklaren (vb. synthetische stoffen)
                      Vitalistische principes liggen aan de basis van preformisme en epigenesis om
                        de ontwikkeling van het organisme te verklaren
            o Anti-metafysich vitalisme
                      Friedrich Nietzsche (1844-1900)
            o Anti-wetenschappelijk vitalisme
                      Hans Driesch (1867-1941)
                      Henri Bergson (1874-1948)

Friedrich Nietzsche (1844-1900)

    -   Biografie:
                        Nietzsche werd geboren op 15 oktober 1844 in Röcken, een dorpje in
                         Midden-Duitsland, toen het culturele centrum van Duitsland
                        Hij was de zoon van een Luthers predikant (zoals zoveel Duitse
                         intellectuelen)
                        In 1864 begon hij als student filologie in Bonn, Leipzig
                        IN 1865 ontdekte hij het werk van Schopenhauer ‘Die Welt als Wille und
                         Vorstellung’
                        In 1868 maakte hij kennis met de componist en denker Richard Wagner,
                         waarmee hij bevriend bleef
                        In 1869 werd hij filologieprofessor in Basel (Zwitserland)
                        In 1871 schreef hij het proefschrift ‘Die Geburt der Tragödie aus dem Geist er
                         Musik’ (tragische toonaard van het leven)
                        IN 1879 loopt zijn academische carrière wegens ziekte ten einde (syfilis)
                        In 1883-1884 schreef hij ‘Also Sprach Zarathustra’
                        1888 was een jaar van intense productie
                        In 1889 stortte Nietzsche ineen in Turijn
                        Op 25 augustus 1900 overleed Nietzsche in Weimar
                        Zijn werk is typsich vitalistisch: het is literair, het bevat geen sluitende,
                         doelgerichte argumenteringen, het is heel wat losser
    -   Achtergrond:


                                                                                                    56
       o    Een uitdagende kritiek van de grondslagen van de (christelijke) moraal
       o    Ook een kritiek op alle ‘achterwerelden’, alle visies op een ‘volgend’ leven  er
            bestaan geen transcendenties
        o Herwaardering van de categorie ‘leven’ in een leer waarin creativiteit, gezondheid,
            schoonheid en kracht centraal staan
        o Niet: zoeken naar vergetelheid, rust, resignatie (berusting), onderwerping aan een
            goddelijke wil, wel: ja-zeggen tegen de wereld, affirmatie van het leven  deze
            wereld bevestigen, en de pijn en lelijkheid erbij nemen (Nietzsche schreef o.a. ‘de
            esthetica van de lelijkheid’, zie ook Wagner: ‘Tristan en Isolde’)
-   De positivistische periode
        o Het ‘kracht’-idee uit de natuurwetenschappen --> een positivistische invulling van de
            ‘wil’ van Schopenhauer
        o “God is dood”:
                  De christelijke God is een metafoor voor de belangrijkste culturele
                      geschiedenis van de moderniteit, die het einde beschrijft van alle
                      transcendente waarden, zoals o.a. De Waarheid, Het Goede, Het Schone
                      (waarden met een hoofdletter)  geen transcendente waarden
                  Godsbeelden zijn een ontkenning van de wereld  ze richten de aandacht
                      op transcendentie
                  De wereld en de mens hebben geen transcendente zin of transcendent doel,
                      geen bestemming
        o De mens is geen ‘hoger’ wezen (= diersoort cfr. Darwin): tijdens de evolutie ontstaan
            ‘complexere’ wezens, die misschien beter aangepast zijn aan de omgeving, maar niet
            per sé beter zijn. Vb. de mens is even goed als een insect
        o De evolutie is niet doelgericht
        o De mens is zijn lichaam, de rede is een instrument van de biologie
        o Deze gegevens zijn al ‘gekend’ ( nihilisme), maar de conclusies zijn er nog niet uit
            getrokken: (sommige) mensen weten dat het transcendente niet bestaat, maar
            klampen zich er wel nog aan vast
-   Nihilisme
        o Nihilisme is het gevolg van de dood van God
        o “Nihilisme” = een negatief begrip bij Nietzsche  het slaat op de negatie van het
            leven, het verdedigt een vlucht uit de wereld
        o Nietzsche: ‘lijden heeft geen zin’  ‘Wat je niet kapotmaakt, maakt je sterker’ (enige
            zin). Er is geen algemene zin, maar je kan zelf wel zin aan iets geven
-   Herwaardering aller waarden
        o De wereld is verdeeld in heren en slaven
                  Onder invloed van het christendom wordt dit (de hiërarchie) als positief
                      ervaren
        o Niet moreel of immoreel, maar amoreel: de machtige mens (Caesar, Cesare Borgia,
            Napoleon) is de onschuldige bij uitstek, ze bevestigen net het leven
                  Ze gebruiken geweld om hun doelstellingen te bereiken, maar dat is niet
                      verkeerd
                  Vb. medelijden degradeert mensen



                                                                                              57
                    Alle goede, mooie dingen zijn gegroeid uit wreedheid, bloedvergieten
                     (beschrijvende stelling  mag je zeker niet omkeren)
                 Vb. Grieken die Troje platbranden = onschuldig, ze doen het niet uit wraak of
                     puur voor het plezier, maar gewoon om hun woede te koelen
        o Oorsprong van de moraal:
                 Slavenopstand in de moraal door ontkenning van de eigen Wil tot Macht
                 Ressentiment: spirituele wraakneming
                          Jezus van Nazareth: ‘Zalig de armen, want zij zullen het rijk bezitten’
                             = een omkering van de waarden
                          De moraal is een omkering van wat er is werkelijkheid is: de rijken
                             zullen het rijk wel ‘pakken’ (ontkenning van hoe het er in
                             werkelijkheid aan toe gaat)
        o Omkering van de waarden
        o De mens die bereid is in het leven op te gaan en de willekeur van de macht voor zich
            op te eisen (het “blonde beest” = een leeuw is wreed, en pakt wat hij wil hebben
            zonder scrupules, maar ook niet meer)
        o Men moet gevaarlijk leven, voorbij goed en kwaad: ‘groots en meeslepend wil ik
            leven’ (Hendrik Marsman)  het leven heeft geen betekenis
        o Affirmatie: blijf trouw aan de aarde!
-   “Also Sprach Zarathustra”
        o Aankondiging van de Übermensch:
                 God is dood  de mens is dood (de mens als wezen met een transcendente
                     bestemming)
                 De mens als het ‘niet-vastgestelde dier’ (nog niet helemaal bepaald) kan wel
                     een übermensch (zet zich af tegen goed en kwaad) worden = een bestaan
                     dat helemaal niet meer georiënteerd is op het bovenaardse, het
                     transcendentale  kunstenaar-avonturier: het leven als een kunstwerk
                          Correct leven telt niet, is niet belangrijk, je moet MOOI leven
                          Wat je voor anderen doet telt niet, het is wat je met je eigen leven
                             doet dat telt
                          Generositeit is ook een aristocratische waarde: kan als deel van het
                             waarmaken van je eigen leven
-   Late werk: Wil (individuele wil) tot Macht
        o “Genaelogie van de Moraal” en “Voorbij Goed en Kwaad”
        o De krachtenfysica wordt met de visie op macht aangevuld: willen willen willen
            onderwerpen aan hun macht
        o Afgeleid van Schopenhauers ‘wil tot leven’
        o Het bewustzijn is een oppervlaktefenomeen in een strijdveld tussen “willen”
        o De “waarheid” is eveneens aspect van de wilstrijd: waarheid is geen objectief
            gegeven, het kan niet met anderen gedeeld worden, het is niet intersubjectief
-   Perspectivisme:
        o Perspectivisme = de wereld bestaat slechts in de vorm van interpretaties, die steeds
            vanuit een bepaalde gezichtshoek worden ondernomen. Het aantal mogelijke
            perspectieven is oneindig


                                                                                               58
                    Tegengestelde visies kunnen beide vanuit hun positie (standpunt,
                     perspectief) gelijk hebben  er bestaat geen objectief, algemeen standpunt
        o Er is geen objectieve Waarheid, MAAR waarheid is ook niet subjectief in de zin van
            willekeurig, wel plaatsgebonden
                 Ook de natuurwetenschappen, fysica zijn niet objectief vanuit elk standpunt,
                     het is ook plaatsgebonden
-   Protest tegen moderniteit
                 Tegen de “middelmaat” en de “massa”, de “kudde”
                 Tegen het socialisme  slavenmoraal
                 Tegen het gelijkheidsdenken  slavenmoraal
                 Tegen de democratie
                 Tegen de burgermoraal en de hypocrisie (niet evident in de 19de eeuw)
-   Invloed in de 20ste eeuw:
        o Filosofie als psychologie: Sigmund Freud
        o Nationeel-socialisme: de door Nietzsches zus zwaar gemanipuleerde nalatenschap
            werd misbruikt vanwege de zelfverheerlijkende heroiek (Der Wille Zur Macht)
        o Alle beeldende kunsten
        o Modernistische literatuur (Joyce, Mann, Musil, etc.)
        o Muziek: Mahler, Delius, Strauss
        o Postmodernisme
        o Hitler: uitkomst van geweld is altijd de juiste uitkomst + nationalistische invulling
            (terwijl Nietzsche geen nationalist was, hij was een ‘Europeaan’)




                                                                                             59
Hoofdstuk 13: de 20steeeuwse filosofie

   -   Tot 1960-1970 waren er 3 grote richtingen in de filosofie:
           o Logisch positivisme (voornamelijk de Anglo-Amerikaanse wereld beïnvloed)
           o Fenomenologie (Duitsland, vooral invloed op het Europese continent), ging over in
              het structuralisme, post-modernisme, etc.
           o Hegeliaans-Marxistische filosofie, vb. school van Frankfurter (weken ook uit, nr de
              VS)

Positivisme

   -   = alle problemen die de mens kan stellen zijn enkel oplosbaar met methodes van de
       positieve wetenschappen, dat is door beroep te doen op ervaringsgegevens, onderworpen
       aan de vereiste controles
            o 19deeeuwse opvatting
            o Idee: als eens probleem opgelost kán worden, dan wordt het opgelost door de
                wetenschap, zowel ‘kennis’ als problemen in de praktijk
            o Problemen die niet oplosbaar zijn met behulp van de wetenschappen zijn
                onoplosbaar (metafysica, theologie, etc.)
            o August Comte (1798-1857)
            o J.S. Mill (1806-1873), C.S. Peirce (1839-1914, in Amerika, de ‘nieuwe’ wereld)

Neo-positivisme

   -   Nog belangrijker dan het positivisme zelf
   -   Synoniemen: logisch positivisme, logisch empirisme
   -   Filosofie van de Wiener Kreis (1925, Moritz Schlick)  filosofie van een hele kring, niet van
       één persoon
           o R. Carnap, O. Neurath, H. Feigl, H. Hahn, K. Gödel, etc.
           o Manifest: Wissenschaftliche Weltauffassung der Wiener Kreis (1929,
                Wetenschappelijke Wereldbeschouwing van de Weense Kring)  geschreven tijdens
                de opkomst van het fascisme, de leden van de Wiener Kreis vluchtten (vooral naar
                Amerika) toen Hitler aan de macht kwam (Moritz Schlick werd vermoord door een
                fascistische student)
   -   Verschillen tussen het positivisme en het logisch positivisme:
           o Logisch positivisme: ook de opvatting van de aard van de wetenschappelijke
                methode zélf (ook naar wat nu juist die wetenschappelijke methode is)
           o Het is gegroeid uit onderzoek naar de grondslagen van de wiskunde (en de logica)
                      G. Frege (1848-1925, Duits): Logica (en wiskunde) zijn talen zonder
                         empirische inhouden die kader verschaffen voor het formuleren van
                         begrippen, maken van afleidingen, etc. (Het zijn talen, dus geen theorieën)
   -   Principia Mathematica
           o A.N. Whitehead, B. Russell (1910)
           o “Reductie” van wiskunde naar logica (wiskunde is een soort logica)
           o Afleiden is een kwestie van syntax, i.e. vormkenmerken van tekencombinaties
                (afleidingen zijn geen kwestie van begrijpen, je moet enkel de vormcombinaties
                controleren)

                                                                                                   60
o   Procedure in vier stappen:
         STAP 1: primitieve tekens (niet verder te interpreteren)
                P, q, r,…: veranderlijken voor proposities
                -, v, ., , , (, )
                Nog geen betekenis
         STAP 2: WFF’s
                Definitie van de regels voor het vormen van Well Formed Formulas’s
                         o A. Elke enkelvoudige letter is een WFF
                         o B. Het teken “-“ gevolgd door om het even welke WFF is een
                            WFF
                         o C. Een open haakje gevolgd door een WFF gevolgd door één
                            van de tekens ., v, , , gevolgd door een andere WFF
                            gevolgd door een gesloten haakje, is een WFF, vb. (p v r)
         STAP 3: keuze van axioma’s
                i. e. een klein aantal basiscombinaties van waaruit andere kunnen
                    worden afgeleid
                (p v p)  p
                Q  (p v q)
                (p v q)  (q v p)
                (p v (q v r))  (q v (p v r))
                (q  r)  ((p v q)  (p v r))
         STAP 4: afleidingsregels
                Substitutieregel: een variabele mag worden vervangen door een
                    andere, op voorwaarde dat de vervanging gebeurt door de hele
                    formule heen
                Modus ponens: uit p  q en p mag men q afleiden
o   Modellen:
         Modellen geven een interpretatie aan tekens:
                V betekent ‘of’
                ^betekent ‘en’
                 betekent ‘als… dan’
                Etc.
         Syntax: meerdere modellen mogelijk
                Russell: de betekenis is niet nodig om een afleiding te maken
                Logica is een artificiële taal, een syntax: het is correct door de
                    ‘grammatica’  geen interpretatie nodig
                         o Een theorie heeft wel betekenis nodig, maar logica is geen
                            theorie
                         o Wiskunde is opgebouwd uit logica, dus is het ook een taal
                            (een taal waarmee we dingen uitdrukken, geen theorie)
                         o Taal:
                                 Syntax = de vorm
                                 Semantiek = de betekenis
                                 (Pragmatiek = het invullen in een praktische situatie)


                                                                                      61
                    Russell en Whitehead: “natuurlijk” taalgebruik moet worden verhelderd door
                     een reductie tot logisch taalgebruik
                           Precisie, helderheid, controleerbaarheid
                           = kern van de wetenschappelijke activiteit
                          De syntax van natuurlijk taalgebruik preciseren en controleren of je
                              juist aan het denken was (de vorm controleren), als het syntactisch
                              niet in orde is, dan moet je het denken verwerpen, vb. het niets
                              nietst = zinledig (door de vorm)
-   Logisch positivisme:
        o Stellingen:
                 1. Filosofie is het scheiden van zinvolle en zinledige uitspraken door
                     verheldering van de taal en het gebruik van een betekeniscriterium (taak van
                     de filosoof)
                 2. Logica en wiskunde zeggen niets over de wereld
                 3. De ervaringswetenschappen vormen een geheel van onderling
                     reduceerbare talen, gebaseerd op data (empirische gegevens)
                 4. Buiten de logica en de wiskunde en de empirische wetenschappen is er
                     geen enkele manier van kennen mogelijk (metafysica = zinledig)
        o De taak van de filosofie bestaat in het onderscheiden van “zinvolle” en “zinledige”
            uitspraken
                 Er zijn twee soorten zinnen die zinvol zijn (zie Hume)
                          (1) analytische uitspraken (logica en wiskunde): waarheid volgt uit
                              onze afspraken over het taalgebruik
                          (2) synthetische uitspraken (empirisch): “some possible sense-
                              experience should be relevant to the determination of its truth or
                              falsehood” (A.J. Ayer)
                 Zinledig: uitspraken waarvan de voorwaarden waaronder ze waar of vals zijn
                     principieel niet kunnen worden aangegeven
                          Als ik een uitspraak heb, en ik kan de voorwaarden niet nagaan, dan
                              is het zinledig
                          Is er zintuiglijke ervaring om te besluiten dat je je buurman niet mag
                              vermoorden?  nee, dus de uitspraak ‘Je mag je buurman niet
                              vermoorden” is zinledig
                          Vb. god bestaat: voorwaarden waaronder je waar of vals kan
                              aangeven?
                          Eliminatie esthetica, ethiek, metafysica
                                   o Vb. theologie en falsificatie: er is een tuinman, maar je kan
                                       hem niet zien, niet horen, niet voelen = er is geen tuinman
                          Er is een verschil tussen zinledig en zinloos
        o Betekeniscriterium:
                 Een oordeel heeft een betekenis als men het in principe kan verifiëren en de
                     verificatiemethode is de betekenis
                          Vb. psychoanalyse: niet te verifiëren  dus zinledig, wordt het
                              bepaald door de psychoanalist = interpretatie of door het
                              onderbewustzijn? = niet na te gaan

                                                                                               62
                  Verscheidene pogingen om het criterium te formuleren, maar geen enkel is
                   echt bevredigend
                Zie HB p. 299-304
        o Reductionisme
                = de stelling dat de talen van de wetenschappen herleidbaar zijn tot een
                   basistaal van “protocalzinnen”, “atomaire zinnen”, “elementaire zinnen”
                Protocolzinnen  Fysica  Chemie  biologie  psychologie  sociologie
                   (en andere gedragswetenschappen)
                        Dus alle wetenschappen zijn herleidbaar tot de fysica
                        Vb. psychologie is een soort ingewikkelde fysica
                                o Vb. de enige mogelijkheid om intenties te verifiëren is erover
                                    te praten
                                o Het domein van de psychologie die we empirisch kunnen
                                    verifiëren = behaviorisme  heel lang werd alleen een
                                    fysicalistische benadering toegelaten in de psychologie
                        = “fysicalisme”
        o Data/theorie:
                Tweedeling data/theorie: data is het fundament van kennis
                Het logisch kader (de theorie) is onafhankelijk van de empirische gegevens
                   (naïeve visie)
                        Logisch empirisme: de theorie geeft het kader om de (empirische)
                           data te ordenen
        o Kritieken op de data/theorie-tweedeling
                (1) theorieafhankelijkheid van “feiten” (Thomas Kuhn: paradigma’s) =
                   onderlinge afhankelijkheid
                (2) Underdetermination of theory by data (WVO Quine: dezelfde gegevens
                   kunnen worden georganiseerd in verschillende theorieën)
                        Voor elke theorie bestaan meerder data-sets
                        Data is nooit voldoende om een theorie te bewijzen, een theorie kan
                           altijd weerlegd worden door andere data
                                o Vb. de theorie van de getijden in de bloedsomloop (van links
                                    naar rechts)  evidentie voor deze theorie: er is een verschil
                                    tussen aders en slagaders, etc.
                                o Harvey verklaart niet waarom er een verschil is tussen aders
                                    en slagaders, maar geeft wel een betere theorie rond de
                                    bloedsomloop  het feit is theorieafhankelijk (feiten
                                    worden deels bepaald door de theorie)
-   Karl Raimund Popper (1902-1994)
                Logic of scientific discovery (1959)
                Demarcatie wetenschappelijke en niet-wetenschappelijke theorieën (niet:
                   oordelen)  falsifieerbaarheid! (belangrijk criterium)
                                o Wetenschappelijke en niet-wetenschappelijke theorieën zijn
                                    te onderscheiden
                        Een wetenschappelijke theorie laat toe oordelen af te leiden die
                           kunnen worden ontkend of bevestigd

                                                                                               63
                        o     Vb. Einstein: als het licht afbuigt, dan wordt de theorie
                              bevestigd (zonsverduistering)  de theorie werd
                              gecorroboreerd (maar ze kon evengoed ontkent geweest
                              zijn, zodat men de theorie moest verwerpen)
                 Bevestiging toont niet aan dat de theorie correct is, maar enkel
                    bevestiging van de feiten = corroboratie  het verhoogt de
                    waarschijnlijkheid van de juistheid van de theorie niet
                 Cfr. Inductieprobleem: één negatief geval volstaat om een algemeen
                    oordeel te weerleggen
                 Belang van Popper: de theorie moet principieel weerlegbaar zijn wil
                    ze wetenschappelijk zijn
                         o Is de theorie van Marx wetenschappelijk?  ja: hij doet
                              verschillende voorspellingen, het is dus bewijsbaar dat de
                              theorie vals is
o   Taalanalytische filosofie
         Ordinary language philosophy
         Ludwig Wittgenstein II (1889-1951): Wittgenstein II leunde dicht aan bij het
           logisch positivisme
         Philosophische Untersuchungen (Philosophical Investigations, 1953)
         Zoektocht naar één taal die de andere verheldert = streven van het logisch
           positivisme = FOUT (Wittgenstein)
         Sprachspiele (taalspelen)
                         o Voorbeelden: “een bevel geven, een bevel opvolgen, een
                              voorwerp beschrijven volgens het uitzicht of volgens
                              metingen, een object vervaardigen volgens een beschrijving
                              of een tekening, een verhaal uitvinden of voorlezen, toneel
                              spelen, raadsels raden, iets vragen, bedanken, vloeken,
                              groeten, bidden”  activiteiten waarin je ‘taal’ gebruikt
                  er zijn geen algemene betekenissen van woorden of zinnen
                  “the meaning of a word is its use”
                  familiegelijkenissen (family resemblances): “water” heft
                    verschillende betekenissen afhankelijk van de life form (lebensform):
                    “water” om te drinken is iets anders dan “water” om te blussen
                         o Om te weten wat “water” is, moet je kijken onder welke
                              vormen en betekenissen “water” allemaal voorkomt
                         o Verband: familiegelijkenissen  een geheel van kenmerken,
                              gelijkenissen, die terugkeren, maar geen enkel die door allen
                              gedeeld wordt
                 Er is geen vertaalbaarheid tussen de taalspelen, vb. god in de
                    wetenschappen is iets anders dan god in de godsdienst, een goede
                    stofzuiger is iets anders dan een goede schoonzoon, etc.
o   Band met de filosofie?
         Woorden onttrekken aan het taalspel  suggestie van algemene
           betekenissen


                                                                                        64
                      “Filosofie is een strijd tegen de beheksing van ons verstand door de
                       middelen van onze taal” (taal suggereert foute dingen, door o.a. de
                       grammatica)
                       Anglo-Amerikaanse “linguistic turn” (benadering in de filosofie)
                      Tussen godsdienst en wetenschap kan geen contradictie ontstaan, want het
                       zijn verschillende taalspelen

Fenomenologie

   -   Tweede belangrijke basisrichting in de 20ste eeuw
           o E. Husserl (1859-1938)
           o Belangrijkste werken:
                    Logische Untersuchungen (1900)
                    Ideen zu einer reinen Phänomenologie (1913)
                    Cartesiaanse meditaties (1929)
   -   Meerdere richtingen (vonden hun oorsprong in de fenomenologie)
                    Existentialistische interpretatie (M. Heidegger, J.P. Sartre, M. Merleau-Ponty)
                    Hermeneutische interpretatie (H.G. Gadamer, P. Ricoeur)
                     wel héél sterk uiteenlopend, de band met Husserl is vaal slechts héél los
   -   Logisch positivisme:
           o De taal als uitgangspunt voor verhelderingen
           o Reductie van de taal van vb. de psychologie tot zinnen die sense-data (zintuiglijke
               gegevens) uitdrukken (fysicalisme)  herleiden tot het waarneembare (anders is het
               niet zinvol)
           o “mind” = doos die ‘indrukken’ van buitenaf ontvangt (empirisme)  privé gegevens:
               ervaringen zijn niet te analyseren, enkel de taal
   -   Husserl
           o De ervaringen van het subject (bewustzijn) als uitgangspunt voor verhelderingen (
               volgens de logisch positivisten niet communiceerbaar)  basis van de
               fenomenologie
           o Anti-fysicalisme:
                    Wat vb. “liefde” is, is alleen definieerbaar in termen van ervaring (“Ze laat
                        mijn gedachten niet los”, “ik ben niet geïnteresseerd in eten”, “ik wil leven
                        van haar aanblik”, etc.)  om te weten wat het is, moet je het ervaren
                    Onherleidbaar tot taal van de fysica (hartslag, rode wangen, glimlach, etc.)
           o Vandaar: fenomenologie = zo nauwkeurig mogelijk beschrijven van de fenomenen
               (waarnemingen, gevoelens, emoties, wilsdaden, verbeeldingen, etc.) zoals ze zich
               aan ons voordoen
                             Aan de hand van voorbeelden ontdekken wat essentieel is aan iets
                                zoals het zich voordoet
                             Wat is een visuele waarneming?  perspectivisme, bij een auditieve
                                waarneming  geen perspectivisme, wel tijd en opeenvolging
                                belangrijk
                     neemt het idee van Brentano over
   -   Hoe dit doen?  F. BRENTANO (1838-1917)
           o Psychologie vanuit een empirisch standpunt (1874, 1911, 1928)

                                                                                                  65
        o   “mentale verschijnselen” kunnen worden onderscheiden door hun gerichtheid op
            een object  “intentionaliteit”
                  Vb. de ervaring van vrees is “gericht op” een “object” van vrees (kan
                     “bestaan” of niet)
                  Elke ervaring is definieerbaar als een intentionele relatie tussen “subject” en
                     “object”: betekenis in relatie tussen beide
        o Ervaringen moeten worden beschreven vanuit hun essentiële kenmerken
            (Wesensschau) door intentionaliteitrelaties te onderzoeken
                  Gerichtheden op het levende is anders dan gerichtheid op het kwantitatieve,
                     op klanken is anders dan op kleuren,…  eigen aard onderzoeken
-   Algemene methodevraag
        o Stel je de vraag: wanneer begrijpen we waarom iemand iets doet?
                  Wanneer we kunnen uitleggen welke wetten het handelen bepalen?
                     (uitleggen = erklären, verklaren)
                  Wanneer we kunnen uitleggen welke motieven, redenen, voorstellingen,
                     wensen,… het handelen bepalen (uitleggen = verstehen, begrijpen)
        o Vb. ‘Le Suicide’ – Durkheim:
                  Vb. de toename van het BNP linken aan een verhoging in de zelfmoorcijfers =
                     objectieve wetten construeren = verklaren
                  Objectieve wetten volstaan niet voor het voeren van een beleid en het
                     voorkomen van zelfmoord  je moet eerst het gedrag begrijpen, om hun
                     perspectief te kunnen innemen
-   In de psychologie
        o Wanneer we een band tussen onafhankelijke variabelen en gedrag kunnen leggen
            (telkens wanneer X,Y, Z, dan T)? (zoals in het fysicalisme, behaviorisme)
        o Wanneer we kunnen zeggen welke gedachten, wensen, regelopvolging, etc. iemand
            moet toegeschreven worden om diens gedrag te verklaren? (cognitivisme)
-   “What is real is what is defined as real”
        o Je moet als reëel beschouwen wat mensen als reëel ervaren om hun gedrag te
            kunnen verklaren
        o Sociaal handelen = geheel van betekenisstructuren (cfr. “grootwarenhuis”, “school”,
            “informele ontmoeting”,…)  “frames” voor het handelen, gebonden aan cognitieve
            “modules”
                  Frames geven richting aan het handelen
        o  de tendens vandaag:
                  Verklaringspluralisme: meerdere soorten verklaringen zijn tegelijk van
                     toepassing




                                                                                               66
Hoofdstuk 14: Frankfurter Schule en “Postmodernisme”

Frankfurter Schule / Kritische Theorie

    -   3de belangrijke stroming van de 20ste eeuw
    -   Naast fenomenologie (en existentialisme) en logisch positivisme, het succes van de Kritische
        Theorie in Duitsland
             o Belangrijkste vertegenwoordigers:
                      Max Horkheimer (1895-1973)
                      Theodor Adorno (1903-1969)
                      Herbert Marcuse (1898-1979)
                      Erich Fromm (1900-1980)
                      Jürgen Habermas (2de generatie, 1929-…)
             o Invloed op New Left en op de mei ’68-bewegingen (grote invloed van Marcuse)
    -   Dialectische benadering van Marx – Hegel: gericht op het begrijpen van de totaliteit van de
        maatschappelijke verschijnselen in een historisch perspectief (vooral de postindustriële
        samenleving)
             o Analyse en kritiek van de cultuur, in het bijzonder de massacultuur, en van de
                 wetenschap als onderdrukkingsmiddelen en als ideologie (= vals bewustzijn,
                 wetenschap is een manier om de natuur te onderwerpen)  logisch positivisme
             o  Ze zagen de postindustriële maatschappijen als klassenmaatschappijen die niet
                 werken door repressie van de arbeidersklasse, maar door alternativiteit ondenkbaar
                 te maken of te neutraliseren  eendimensionaal denken bevorderend en de
                 creativiteit inperken
             o  Uitbuiting van de mens en de natuur staat centraal
    -    ste
        1 helft van de 20ste eeuw: men benaderde de problemen vanuit een radicale kant
             o Volgens Marx: idee van een opstand tegen de burgerij = verwachting
             o Men wachtte op het verval van het kapitalisme, maar dat verval kwam niet  de
                 Frankfurter Schule zocht een verklaring voor het uitblijven van dat verval
             o Hoe kan het nu dat het systeem niet ineen stort?  door het gelukkig, positief
                 bewustzijn van de burgers
                      Massaproductie, massacommunicatie
                      Bewustzijn wordt ‘gemaakt’  bewustzijnsindustrie (kritiek)
                                Eendimensionaliteit
                                Geen creativiteit
    -   De inwendige terrorist
             o Cfr. Marcuse, Eros and Civilization (1955):
                      Repressie zit in de psychologische structuren van de mens
                                Freud: het realiteitsbeginsel (lustbeginsel, conformeert en
                                  kanaliseert de realiteit, de drift moet zich aanpassen aan de
                                  omstandigheden)  in de hedendaagse vorm het
                                  performantiebeginsel (performance principle, de nieuwe ‘temmer’
                                  van de mens = presteren, prestatiedrang)
                                Gaat gepaard met “surplus-repressie” (repressie bovenop wat nodig
                                  is voor het samen-leven)


                                                                                                  67
                                o     Samenleven van steeds meer en meer mensen: steeds meer
                                      onderdrukking van de driften en het lustgevoel nodig 
                                      zorgt ervoor dat thanatos naar boven komt (en dat de
                                      samenleving zal vergaan)
                                  o De directe uiting van lustgevoelens is ongewenst en
                                      ongepast in de maatschappij  verdringen van seksuele,
                                      libidinale gevoelens
-   Repressieve desublimering (one-dimensional man)
        o Libidinale krachten worden onschadelijk in de hoog-industriële samenleving:
            “bevrediging op een wijze waardoor onderwerping wordt opgeroepen en de
            redelijkheid van protest verzwakt wordt”
                 Uiting van libidinale wensen werd sociaal aanvaardbaar  desondanks geen
                     directe lustbevrediging (ontremming blijft uit)
                 Cfr. Lolita, A streetcar named desire, Cat on a tin roof: “Alles wat er gebeurt
                     is wild en obscene, robuust en pikant genoeg, volstrekt immoreel – maar
                     juist daardoor volstrekt onschadelijk”  productie van het gelukkig
                     bewustzijn
                 Het systeem is nog beter gediend als de driften niet onderdrukt worden 
                     oppervlakkige bevrediging
        o Repressieve tolerantie
                 Freud: sublimatie bij het onderdrukken van de drift
                 Desublimering:
                           Bij Freud: gevaarlijke tendens
                           Bij Marcuse: repressieve desumblimering  positief voor de
                              samenleving
                 Repressieve tolerantie: iets toelaten om des te beter het alternatief te
                     onderhouden werkt inkapselend
                           Vb. hippies aanvaarden en in een hokje van de maatschappij steken,
                              homo-huwelijk herkennen, en zo de waarden van het
                              (hetero)huwelijk bevestigen
                 Radicale kritieken en alternativiteit verdwijnen  meer en meer één
                     dimensie
                 (repressief  bevrijdend)
-   Rol van de wetenschappen:
        o Wetenschap en techniek = exploitatie (‘uitbaten’) en dominantie van de mens en de
            natuur
        o Wetenschappelijke taal = waardegeladen keuze die samenhangt met het
            beheersingsdenken in dienst van de manipulatie van de mens en de natuur
                 Beheersing, in dienst van de postindustriële maatschappij
                 De keuze om de taal als analysemiddel te gebruiken
        o Eisen van operationaliseerbaarheid, waarneembaarheid, meetbaarheid, objectiviteit,
            vergelijkbaarheid  reductie van de werkelijkheid tot wat zich in de
            wetenschappelijke taal laat vatten
                  Horkheimer: “wetenschap” gaat eigenlijk niet over de werkelijkheid, maar
                     over taalgegevens

                                                                                              68
                    Oplossing: de fenomenologische benadering toevoegen
           o Wetenschappelijke taal is een uitvloeisel van een politiek a priori, i.e. voor een
               kapitalistisch klassensysteem dat verantwoordelijk is voor de surplusrepressie
           o Er is geen waardevrije of neutrale kennis  onmogelijk
           o Tegelijk werkt het wetenschappelijk (wordt gezien als de enige taal die gedeeld kan
               worden) aura wel discrediterend tegen alle benaderingen die niet aan haar norm
               voldoen: worden irrationeel, inefficiënt, wereldvreemd, “politiek”, “ideologisch”,
               enzovoort.
                    Vb. fenomenologie wordt gezien als subjectief en minderwaardig
           o Eroderend effect op zogenaamd “subjectieve” waardevragen: waartoe en waarom
               die kennis ontwikkelen?  legitimiteit van dergelijke vragen wordt in vraag gesteld
           o Wetenschappen zijn bovendien zélf ideologisch van aard:
                    De “waardeneutraliteit” van de wetenschappen is zélf een waardegeladen
                        keuze voor vrijblijvende distantie tot het maatschappelijk gebeuren 
                        systeembestendigend
                             Vb. iemand die niet wetenschappelijk werkt, is MAAR ideologisch 
                                 illusie, werkt systeembevestigend en bestendigend
                             Waardevrij?  vb. wetenschappelijk onderzoek met militaire
                                 doeleinden?
           o “Techniciteit”, “wetenschappelijkheid”, “efficiëntie” zijn verdekte legitimeringen
               voor op zich questionabele keuzen
   -   Belangrijkste hedendaags:
           o Jürgen Habermas  thema’s van rationalisering van het systeem (gericht op
               doelmatigheid) en rationalisering van de leefwereld (gericht op overeenstemming)

Structuralisme, poststructuralisme en postmodernisme

   -   Enkele belangrijke figuren:
                    Jean-François Lyotard (1924-1998)
                    Jacques Derrida (1930-2004)
                    Michel Foucault (1926-1984)
                    Gilles Deleuze (1925-1995)
           o Frankrijk wordt het belangrijkste bolwerk van de continentale filosofie
           o Franse intellectuelen op zoek naar de derde weg tussen communisme en gaullisme:
               herontdekking van Nietzsche
           o Context gelijkaardig aan die van Amerikaanse Frankfurter Schule; nieuwe
               ontwikkelingen in de kunst, opkomst massamedia en populaire cultuur, de
               opstanden van mei ’68, seksuele revolutie
   -   Structuralisme
           o Vb. Piaget was een structuralist
           o Invloed van de structurele taalkunde (linguïstiek) op andere disciplines (Roman
               Jacobson, 1896-1982; Ferdinand de Saussure, 1857-1913)
           o  “betekenis” =
                    Opposities (tegenstellingen) die gelden als ‘distinctive features‘
                       (onderscheidende kenmerken) tussen tekens
                    Opgebouwd in structuren

                                                                                                69
                  de betekenis van taal is ontstaan uit tegenstellingen tussen tekens die in
                  structuren worden gegoten
        o Antropologie:
               Claude Lévi-Strauss:
                        Zelfde betekenisstructuren aanwijsbaar in culturele systemen
                            (Anthropologie structurale, 1958)
                                o Systeem van het eetbare, kledij, organisatie huis, etc.: deling
                                    tussen vb. eetbare en niet-eetbare is een belangrijke
                                    structuur voor het organiseren. De culturele achtergrond
                                    bepaalt wat wij als eetbaar aanzien en wat niet
                                o Binaire opposities waarvan betekenis bepaald door de
                                    structuur van het geheel: de samenhang van alle dingen
                                    bekijken om de maatschappij te snappen
        o Psychoanalyse:
               Jacques Lacan: onbewuste gestructureerd als taal ( Lévi-Strauss en de
                  Saussure)
        o De (Franse) linguistic turn
               Belangrijkste axioma’s:
                        Taal is geen spiegel van de werkelijkheid, maar vormt haar
                        Taal is geen instrument, maar heeft affectieve effecten (taal is zeker
                            niet neutraal, taal bepaalt wat belangrijk is)
                        Semiologie: alle tekens zijn talig: alles kan in tekens geformuleerd
                            worden, en alle tekens zijn talig
                        Iedere uitspraak is performatief (doet iets)
                        Iedere descriptie veronderstelt een prescriptie (voorschrift)
               Alles wat met gedrag te maken heeft is een communicatiemiddel  analyse
                  = zien wat er te zien valt)
               Voorbeeldfiguur: Michel Foucault  poststructuralisme
-   Postmodernisme
        o Moderniteit = een maatschappelijke toestand: de ideeën die traditioneel aanwezig
          waren, zijn uitgehold en achterhaald (en raken in diskrediet)
        o Postmodernisme = de filosofie die uitgaat van de gedacht dat het maar goed is dat
          de traditionele waarden in diskrediet raakten
               Vb. differentiatie en gelijkberechtiging van man en vrouw: verscheidenheid
                  als iets positiefs zien  beide perspectieven moeten aanwezig zijn in een
                  theorie
        o Jean-François Lyotard (1924-1998): La condtion postmoderne (1979)
        o Einde van de grote verhalen en van de “eenheidstalen”  “taalspelen” en “kleine
          waarheden”
               Einde van de geloofwaardigheid van grote theorieën (Marx, gosdiensten,
                  wetenschappen, etc.)  bereidheid om van ideeën te veranderen 
                  relativisme
               Niet één grote, maar verschillende kleine waarheden (vanuit verschillende
                  perspectieven), vb. heldendom = streven in oorlogssituaties etc. (was
                  duizenden jaren belangrijk, maar heeft nu zijn aantrekkingskracht verloren)

                                                                                               70
o   Er zijn geen universele waarden, noch universele kennis (alles heeft limieten)
          Leidt soms tot extreem cultuur-relativisme (tolerant voor andere culturen)
o    Jacques Derrida (1930-2004)
o   Het postmodernisme leek de definitieve toestand, maar nu is er weer een tendens
    naar het positivisme




                                                                                        71

								
To top