Documents
Resources
Learning Center
Upload
Plans & pricing Sign in
Sign Out

Leiden_noorwest

VIEWS: 28 PAGES: 45

									Toelichting Ontwerp bestemmingsplan Leiden Noordwest (van websie
gemeente, via copy/paste); 24 dec. 2011; met hyperlinks; J. Reedijk

        1 Inleiding

        2 Geschiedenis

        3 Demografische gegevens

        4 Beleidskader

        5 Ruimtelijke karakteristiek en structuur

        6 Functionele karakteristiek en structuur

        7 Gebiedsvisie

        8 Wijze van bestemmen

        9 Milieuaspecten

        10 Duurzame stedelijke ontwikkeling

        11 Uitvoerbaarheid

        12 Handhaving

        Bijlagen


1. Inleiding
1.1 Algemeen
De gemeente Leiden streeft voor het gehele gemeentelijke grondgebied naar actuele bestemmingsplannen. Het doel van de
nieuwe digitale bestemmingsplannen is om een adequate, up-to-date juridische regeling voor de stad te garanderen. Voor het
plangebied 'Noordwest' vigeren verschillende bestemmingsplannen. Deze regelingen zijn, gezien leeftijd en systematiek,
onvoldoende toegesneden op de actuele situatie. Nieuwe bestemmingsplannen brengen weer overzicht en uniformiteit en
daardoor een beter werkbare (zowel voor het ambtelijk apparaat als burger) en handhaafbare situatie.
Met de actualisering en digitalisering wordt bovendien bereikt dat de planologische regelingen weer actueel zijn. Tegelijkertijd
wordt aangesloten op de landelijk verplichting tot het vaststellen en beschikbaar stellen van uniforme digitale
bestemmingsplannen.
Voorliggend bestemmingsplan voorziet in een adequate juridische regeling voor het bestemmingsplangebied 'Leiden
Noordwest'.
Het bestemmingsplan is primair gericht op beheer. Nieuwe ontwikkelingen worden in beginsel niet meegenomen, tenzij deze
tijdens het opstellen van voorliggend bestemmingsplan reeds in procedure waren of de procedure hebben doorlopen.
1.2 Begrenzing van het plangebied
Het plangebied ligt in het noordwesten van Leiden. In het westen en noorden grenst het plangebied aan Oegstgeest. De grens
van het plangebied wordt in het noordwesten gevormd door de Warmonderweg en in het verlengde de gemeentegrens ten
westen van de Nachtegaallaan. De zuidelijke begrenzing van het plangebied wordt gevormd door de Wassenaarseweg en de
Rijnsburgerweg. De spoorlijn vormt de zuidoostelijke begrenzing van het plangebied. In het noordoosten wordt het plangebied
begrensd door het Trekvaartplein. Binnen deze bengrenzing is een ontwikkelingslocatie aanwezig die buiten het plan wordt
gehouden. Dit is de locatie Nieuweroord, aan de Rijnsburgerweg. Verder doorsnijdt de Haarlemmerweg het plangebied in het
oostelijke deel. Voor de Haarlemmerweg wordt een apart bestemmingsplan vastgesteld. In de toekomst moet rekening
gehouden worden met de ontwikkeling van Dieperhout en een aantal kleine ontwikkelingen. Deze ontwikkelingen zijn nog niet
concreet genoeg om in voorliggend bestemmingsplan te worden opgenomen.

Het gebied omvat een aantal woonbuurten en het "Volkspark de Leidse Hout". Dit park heeft een belangrijke recreatieve en
sportfunctie. Ook het Heempark en het Bos van Bosman liggen in het plangebied. In het gebied zijn relatief veel scholen voor
voortgezet onderwijs en twee basisscholen aanwezig. Ook bevinden zich in het plangebied onder andere een ziekenhuis, een
revalidatiecentrum, een aantal woonboten en een drietal molens. Opvallend is de aanwezigheid van een agrarische gebied
met natuur- en landschappelijke waarden in het plangebied, inclusief volkstuinen en een kwekerij. Dit gebied is aangewezen
als beschermd dorpsgezicht en bevindt zich in de westpunt van het plangebied.
Ligging van het plangebied (bron: Google Maps)
1.3 Vigerende bestemmingsplannen
Voor het plangebied, zoals aangegeven en toegelicht in paragraaf 1.2, vigeert een aantal bestemmingsplannen. Hieronder is
een overzicht opgenomen van deze bestemmingsplannen, met de data van vaststelling door de gemeenteraad, goedkeuring
door Gedeputeerde Staten en het eventuele Kroonbesluit.
Naam bestemmingsplan           Vastgesteld                    Goedkeuring                     Kroonbesluit
Vogelwijk                      22-09-1980                      16-09-1981                      04-08-1983
Raadsherenbuurt                28-10-1985                      11-07-1986                      25-03-1988
Houtkwartier 1993              04-04-1995                      21-11-1995                      -
Poelgeest                      03-07-1989                      31-10-1989                      -
1.4 Leeswijzer
In hoofdstuk 2 van dit bestemmingsplan wordt aandacht besteed aan de ontstaansgeschiedenis van Leiden en de wijken in
Noordwest. Hoofdstuk 3 besteedt aandacht aan de demografische opbouw van Noordwest. De gebiedsvisie komt aan de orde
in hoofdstuk 4 t/m 7. In hoofdstuk 4 wordt het relevante beleid dat als basis dient voor dit bestemmingsplan besproken. De
ruimtelijke karakteristiek en structuur van Noordwest worden besproken in hoofdstuk 5. Hoofdstuk 6 beschrijft de functionele
karakteristiek en structuur van het plangebied. De algehele gebiedsvisie komt aan de orde in hoofdstuk 7. In
hoofdstuk 8 wordt aandacht besteed aan de juridische planbeschrijving. De hoofdstukken 9 en 10 beschrijven verschillende
onderzoeken en milieuaspecten. De uitvoerbaarheid van het plan komt aan de orde in hoofdstuk 11 en hoofdstuk 12 beschrijft
hoe om te gaan met handhaving van het bestemmingsplan.


2 Geschiedenis

        2.1 Leiden

        2.2 Noordwest


2.1 Leiden
De oudst bekende vermelding van bewoning stamt uit het jaar 860 na Christus. De dijknederzetting werd destijds aangeduid
als Leithon. De eerste bebouwing werd opgericht aan de voet van de dijk op de zuidelijke oever van de Rijn, ter plaatse van
de huidige Breestraat. Op het punt waar de twee Rijntakken samenvloeiden werd in dezelfde tijd een verdedigingsheuvel, een
zogenaamde "motte", opgeworpen. Op de heuvel werd rond het jaar 1200 de nu nog bestaande burcht gebouwd.
De stad ontstond op een kruispunt van een aantal belangrijke water- en landwegen. De Nieuwe en de Oude Rijn voegden zich
hier samen tot één rivier. De Leidse Vliet en de Mare stroomden hier in de Rijn uit. De stad had een centrale functie voor het
omliggende platteland als markt- en handelscentrum.
Al snel kreeg men te maken met ruimtegebrek in de stad. In de middeleeuwen zouden uiteindelijk vier stadsvergrotingen
plaatsvinden: de Hoge Woerd, de uitleg in de Waard, de uitleg in de Mare en tenslotte de uitleg van het Nieuwland en
Rapenburg in 1386.
Aan de oostzijde van de Mare (nu Lange Mare) lag een zelfstandige woonkern. Aan de westzijde van de Mare lag verspreide
bebouwing langs de Maredijk en de weg over de Mors. Deze bebouwing werd in 1355 gedeeltelijk binnen de stadsgrenzen
gebracht. Om de stadsuitbreidingen aan te laten sluiten op de oude stad werden nieuwe bruggen tussen de stadsdelen
aangelegd.




Historische ontwikkeling Leiden
Als gevolg van de bevolkingsgroei begon men tegen het einde van de 17de eeuw de raamlanden in het Nieuwland te
bebouwen. Door de groeiende welvaart van de stad was dit echter niet voldoende. De stad werd in de daaropvolgende periode
verder uitgebreid. Na enkele kleinere uitbreidingen volgde in 1611 een grotere uitbreiding, ten noorden van de bestaande stad,
gevolgd door meerdere stadsuitbreidingen. Na deze uitbreidingen was het gebied binnen de singels grotendeels voltooid.
In de 18de eeuw liep de welvaart sterk terug. Leiden bleef echter zijn functie als streekcentrum vervullen. Tot het laatste
kwart van de 19e eeuw kwam het niet tot grote uitbreidingen buiten de singels. Langs de uitvalswegen, de Rijnoevers, De
Maredijk en de Singels werden in de eerste helft van de 19e eeuw vooral buitenhuizen en bedrijven als houtzagerijen
gebouwd. Tegen het eind van de eeuw werden vooral de zuidelijke singels steeds meer bebouwd met losse villa's of
aaneengeschakelde huizen voor de rijkere standen. De eerste stedenbouwkundig geordende uitbreiding van Leiden buiten de
singels was de wijk Vreewijk vanaf 1882.
Na de opkomst van de sociale woningbouwverenigingen breidde Leiden zich verder uit. Vanaf de jaren '10 van de vorige eeuw
kwamen verschillende uitbreidingen tot stand in de Kooi, in Noord, in de Tuinstadwijk, in het Haagwegkwartier en in de
Rijndijkbuurt. De wijken in het noorden waren veelal bedoeld voor de arbeiders, terwijl de uitbreidingen in het zuiden veelal
werden gebouwd voor de middenklasse en de welgestelden. Pas in de periode van de Wederopbouw volgden ook aan de
zuidzijde uitbreidingen met sociale woningbouw.
De uitbreidingen in de Vogelwijk en het Poelgeest- en Houtkwartier waren een direct gevolg van de grenswijziging van 1920
die dit gebied bij de gemeente Leiden trok. De tramlijn die langs de Rijnsburgerweg liep zorgde voor een goede verbinding
met het centrum van de stad.




Schematische opbouw Leiden


2.2 Noordwest
Het plangebied beslaat de wijken Vogelwijk, Houtkwartier en de Raadsherenbuurt. De twee oudste elementen in dit gebied
zijn de Maredijk en de Rijnsburgerweg, beide middeleeuws. De Rijnsburgerweg ontleende z'n belang aan de verbinding van
Leiden met de abdij van Rijnsburg en de verdere verbinding langs de duinen richting Haarlem. Langs deze uitvalswegen kwam
al vroeg lintbebouwing tot stand. Langs de Maredijk werden vanaf de 18 eeuw meerdere houtzaagmolens gebouwd, vaak met
                                                                       e



bijbehorende woonhuizen. Het plangebied ligt gedeeltelijk op de strandwal. Daarop ontstonden vanaf de 17 eeuw diverse
                                                                                                          e



landgoederen zoals Endegeest en Poelgeest. In de 19 eeuw ontstond de zelfstandige gemeente Oegstgeest. Vanaf 1895
                                                    e



werden het Psychiatrisch ziekenhuis Endegeest en het Academisch Ziekenhuis aan de Rijnsburgerweg gebouwd. Dat
stimuleerde verder de bouw van luxe herenhuizen langs de Stationsweg en de Rijnsburgerweg. De uitbreiding van het
gemeentelijk grondgebied van Leiden en de goede verbindingen leidden ertoe dat de grond achter de Rijnsburgerweg in de
jaren '20 werd bebouwd. Op deze wijze kwamen de Vogelwijk en het Poelgeest- en Houtkwartier tot stand. In de Vogelwijk
zijn vooral veel eengezinswoningen gebouwd die vrij eenvoudig van opzet waren en in gesloten gevelrijen werden gebouwd.
In het Poelgeest- en Houtkwartier werden naast eengezinswoningen ook luxere eengezinswoningen en vrijstaande villa's
gebouwd. De bebouwing kreeg hier een groene afsluiting door de aanleg van het "Volkspark de Leidse Hout" (hierna 'Leidse
Hout'). Dit park is een gemeentelijk monument sinds 24 februari 2009 en bestaat uit een wandel-, bos-, en sportpark. Het
Leidse Hout was een initiatief van een communistisch raadslid. Geholpen door giften van rijke industriëlen is dit park vanaf
1928 aangelegd als park waar de Leidse arbeidersbevolking zou kunnen ontspannen, wandelen en sporten. Het is nu één van
de weinige volksparken in Nederland waar de combinatie van wandelpark en sportpark nog als zodanig functioneert. Na de
oorlog is de bebouwing van deze wijken nog incidenteel aangevuld.
Uitsnede historische kaart anno 1850                                      Uitsnede historische kaart anno 1905




Uitsnede topografische kaart anno 2005


3 Demografische gegevens

        3.1 Bevolkingsopbouw

        3.2 Huishoudsamenstelling

        3.3 Inkomen


3.1 Bevolkingsopbouw
De gemeente Leiden ligt in de Randstad en is qua inwonertal de vijfde stad van Zuid-Holland. De stad Leiden telt circa
118.000 inwoners. De agglomeratie Leiden telt circa 250.000 inwoners. Ongeveer 12% van Leiden behoort tot de 65-plussers.
Dit percentage ligt laag, vergeleken met andere steden in Nederland. Dit is grotendeels te verklaren uit de vele studenten die
in Leiden wonen. Bovendien telt Leiden relatief veel allochtone jongeren. Ongeveer 20% van de Leidse bevolking is jonger dan
20 jaar. De totale beroepsbevolking bedraagt circa 73% van het totale inwonertal.
Het bestemmingsplangebied betreft de wijken Houtkwartier, Raadsherenbuurt en de Vogelwijk. Het aantal inwoners bedraagt
op 1 januari 2011 circa 3.800. Slechts een klein deel van de Leidse bevolking woont dus in het plangebied. Het aantal
inwoners is de laatste jaren zelfs afgenomen. De bevolkingsopbouw van de afzonderlijke wijken is in onderstaande tabel
weergegeven (peildatum 1 januari 2011, bron: GBA).
                     Aantal          Percentage Percentage         Percentage                              Percentage
                     inwoners        <20 jaar     20 - 64 jaar     >65 jaar                                allochtonen
Houtkwartier       1.374           18,9 %       70,7 %           10,4%                                   35,8%
Raadsherenbuurt    899             28,5 %       60.1 %           11,5 %                                  23.9%
Vogelwijk          1.502           29,7 %       63,1 %           7,2 %                                   23,8 %
Leiden Totaal       117.951       20,7 %         67,0 %         12,3 %                                   27,9 %
De bevolking van het Houkwartier is duidelijk anders samengesteld dan die van de andere twee buurten van het plangebied.
Relatief minder kinderen en meer allochtone inwoners. Vergeleken met heel Leiden valt op dat er in het plangebied relatief
weinig 65+ers wonen.
3.2 Huishoudsamenstelling
De huishoudensamenstelling in de wijken Houtkwartier, Raadsherenbuurt en Vogelwijk verschilt onderling sterk. In
onderstaande tabel is een overzicht gegeven van de huishoudensamenstelling (peildatum: 1 januari 2010, bron: CBS).
                 Aantal           Gemiddelde       Percentage     Percentage                             Percentage
                 huishoudens grootte               1 persoons-    zonder kinderen                        met kinderen
                                                   huishoudens
Houtkwartier      730             1,8               51 %               23 %                                 25 %
Raadsherenbuurt 415               2,3               35 %               28 %                                 37 %
Vogelwijk         685             1,8               59 %               18 %                                 23 %
Leiden Totaal      61.525        1,9              52%              23 %                                     25 %
Opvallend is dat de gemiddelde huishoudensgrootte in de Raadsherenbuurt relatief groot is. Dit valt te verklaren uit het grote
aandeel ruime eengezinswoningen.
3.3 Inkomen
De beroepsbevolking in Leiden bestaat uit 59.500 personen. De bruto participatiegraad (=beroepsbevolking als percentage
van alle 15 t/m 64 jarigen) is 70,2 %. Een percentage van 55 % van de beroepsbevolking in Leiden heeft een hoge opleiding.
Dit percentage is hoog in vergelijking tot andere steden in Nederland (peiljaar 2008/2010, bron: CBS).
Het bestemmingsplangebied behoort tot het Boerhaavedistrict. In dit district heeft 33 % van de huishoudens een inkomen < €
25.000. In heel Leiden is dit 44 %. 35 % van de huishoudens heeft daarentegen een hoog inkomen van meer dan € 46.500,
heel Leiden 20%. In vergelijking met de stad Leiden is het inkomensniveau dus duidelijk hoger (peiljaar 2009, bron: CBS).


4 Beleidskader

        4.1 Ruimtelijk

        4.2 Waterhuishouding

        4.3 Cultuurhistorie en archeologie

        4.4 Milieu

        4.5 Ecologie

        4.6 Wonen

        4.7 Bedrijven, detailhandel, horeca en dienstverlening

        4.8 Verkeer en vervoer

        4.9 Bouwen


Dit hoofdstuk gaat in op het beleidskader dat van belang is voor de functionele en ruimtelijke aspecten die worden vastgelegd
in dit bestemmingsplan en waarbinnen de voorziene ontwikkelingen in het plangebied moeten passen. Het relevant beleid
wordt per beleidsterrein weergegeven, waarbij onderscheid wordt gemaakt in de bestuurslagen Europees, nationaal,
provinciaal, regionaal en gemeentelijk.
4.1 Ruimtelijk
Europees en nationaal
Nota ruimte (2006)
Het belangrijkste ruimtelijke beleidskader op rijksniveau wordt gevormd door de Nota Ruimte. Op grond van art. 9.1.2 lid 1
van het overgangsrecht bij de Wet ruimtelijke ordening (Wro) wordt deze planologische kernbeslissing aangemerkt als
Rijksstructuurvisie.
De Nota Ruimte is een nota van het Rijk, waarin de principes voor de ruimtelijke inrichting van Nederland vastgelegd worden.
In de Nota Ruimte gaat het om inrichtingsvraagstukken die spelen tussen nu en 2020, met een doorkijk naar 2030. In de nota
worden de hoofdlijnen van beleid aangegeven, waarbij de ruimtelijke hoofdstructuur van Nederland een belangrijke rol zal
spelen. Onderwerpen die aan bod komen zijn: wonen, woonlocaties en verstedelijking, natuur, landschap en waterbeheer,
bereikbaarheid en het ruimtelijk accommoderen van de economie.
Hoofddoel van het nationaal ruimtelijk beleid is ruimte te scheppen voor de verschillende ruimtevragende functies op het
beperkte oppervlak dat Nederland ter beschikking staat. Meer specifiek richt het kabinet zich hierbij op vier algemene doelen:



        versterking van de internationale concurrentiepositie van Nederland;

        bevordering van krachtige steden en een vitaal platteland;

        borging en ontwikkeling van belangrijke (inter)nationale ruimtelijke waarden;

        borging van de veiligheid.


Het rijk wil zich niet meer met alles bemoeien en wil strategisch op hoofdlijnen sturen. Decentrale overheden krijgen meer
ruimte om hun eigen weg te gaan. Het gaat er uiteindelijk om dat de besluitvorming over de inrichting van de ruimte dichter
bij de direct belanghebbenden komt te liggen. De Nota Ruimte kenmerkt zich dan ook door:
        Ontwikkelingsplanologie: het ruimtelijk beleid moet beter gaan voldoen aan maatschappelijke wensen en sneller
         uitgevoerd worden. Het accent zal meer liggen op wat kan en minder op wat moet.
        Decentralisatie: nationale prioriteiten en decentralisatie bepalen de inhoud. De nationale ruimtelijke hoofdstructuur
         is daarbij een belangrijk kader.
        Deregulering: dit betekent minder rijkssturing. Provincies en gemeenten kunnen hun eigen verantwoordelijkheid
         verschillend gaan invullen.
        Uitvoeringsgerichtheid: het kabinet legt het accent op uitvoering met onder meer een periode die financieel gedekt is
         tot aan 2010.
        Voor verstedelijking, infrastructuur en vestiging van bedrijven en economische activiteiten geldt een zogenaamd
         bundelingsbeleid: nieuwe woongebieden en bedrijvigheid moeten zoveel mogelijk worden aangesloten op bestaande
         bebouwing en infrastructuur. Hierbij moet bovendien rekening worden gehouden met recreatieve voorzieningen,
         groen en water.


Het onderhavige plan is conserverend van aard, zodoende wordt de krachtige stad Leiden in stand gelaten. In Leiden is reeds
sprake van een sterke bundeling die ook in dit plan gehandhaafd blijft.
AMvB Ruimte (2009)
In de Realisatieparagraaf Nationaal Ruimtelijk Beleid (juni 2008) heeft het kabinet haar nationaal ruimtelijke plannen
gepresenteerd. In de Realisatieparagraaf is beschreven welke instrumenten het rijk onder de nieuwe Wro inzet om haar
ruimtelijke belangen te realiseren. Voor die belangen die juridisch doorwerking behoeven is het besluit algemene regels
ruimtelijke ordening (AMvB Ruimte) vastgesteld. De AMvB Ruimte heeft directe gevolgen voor de ruimtelijke besluitvorming
van andere overheden. Het omvat alle ruimtelijke rijksbelangen uit eerder uitgebrachte planologische kernbeslissingen (PKB's)
die juridisch moeten doorwerken in bestemmingsplannen.
De eerder uitgebrachte PKB's hebben onder de nieuwe Wro de status van structuurvisie gekregen en zijn daarmee niet langer
bindend voor andere partijen. De AMvB Ruimte bevat daarom, passend binnen het nieuwe stelsel van de Wro, een zo
beleidsneutraal mogelijke vertaling van deze bestaande ruimtelijke kaders uit de PKB's Nota Ruimte, Derde Nota Waddenzee,
Structuurschema Militaire Terreinen en Project Mainportontwikkeling Rotterdam. Het gaat om de kaders voor onder meer het
bundelen van verstedelijking, de rijksbufferzones, de nationale landschappen, de ecologische hoofdstructuur, de kust, grote
rivieren, militaire terreinen, mainportontwikkeling van Rotterdam en de Waddenzee. Met de AMvB Ruimte maakt het rijk
duidelijk aan welke regels provinciale verordeningen en gemeentelijke bestemmingsplannen moeten voldoen en wat de ruimte
is waarbinnen provincies en gemeenten hun eigen ruimtelijke belangen vorm kunnen geven.
Het besluit is nog niet vastgesteld en in werking getreden. Een ontwerp van het besluit is naar de Eerste en Tweede Kamer
gezonden en is via de Staatscourant en de website van het ministerie van VROM bekend gemaakt. Tot 1 september 2009 kon
iedereen zijn visie op het ontwerp aan de minister van VROM kenbaar maken. Na bespreking van het ontwerp door de
minister van VROM met de Staten-Generaal wordt het ontwerpbesluit voor advies voorgelegd aan de Raad van State. Het
besluit zal naar verwachting medio 2011 in werking treden.
Voor dit bestemmingsplan is de AMvB van belang op de volgende onderdelen:



        Bundeling van verstedelijking en locatiebeleid voor economische activiteiten

        Bedrijvigheid en detailhandel

        Regionale watersystemen


Bundeling van verstedelijking en locatiebeleid voor economische activiteiten
Het bundelen van verstedelijking maakt het eenvoudiger om steden te ontsluiten en infrastructuur en voorzieningen optimaal
te benutten. Concentratie van nieuwe bebouwing beperkt ook de noodzaak om de open ruimte te gebruiken voor bebouwing,
waardoor de variatie tussen stad en land behouden blijft. Omdat de omstandigheden, opgaven en mogelijkheden per gebied
kunnen verschillen is voor bundeling altijd maatwerk vereist. De provincie is daarom verantwoordelijk voor het zoveel
mogelijk bundelen van nieuwbouw. De provincie moet op grond van het ontwerpbesluit in een verordening regels maken die
er onder andere voor zorgen dat nieuwe bebouwing binnen het bestaande bebouwde gebied komt, óf aansluitend daarop, óf in
nieuwe clusters daarbuiten. Om helder te hebben waar deze regels gelden moet de provincie elke 4 jaar vaststellen welk deel
van de provincie binnen het zogenaamde bestaand bebouwd gebied ligt.
Het plangebied behoort tot het bestaand bebouwd gebied.
Bedrijvigheid en detailhandel
Om voldoende geschikte vestigingsplaatsen voor bedrijvigheid en voorzieningen te kunnen bieden moeten provincies een
locatiebeleid hebben voor economische activiteiten, waarbij vraag en aanbod van terreinen en locaties zo goed mogelijk op
elkaar worden afgestemd. De provincie moet in de verordening regels stellen voor detailhandel, zodat nieuwe
vestigingslocaties niet ten koste gaan van de bestaande detailhandelsstructuur in wijkwinkelcentra en binnensteden. Ook
moet de provincie regels geven over perifere detailhandel. Ook hierbij wordt rekening gehouden met intergemeentelijke
samenwerking.
Binnen dit bestemmingsplan is geen sprake van nieuwe vestigingslocaties.
Regionale watersystemen
Provincies en gemeenten dienen ervoor te zorgen dat het bestemmingsplan in lijn is met het (regionale) waterplan. In de
waterparagraaf wordt nader ingegaan op het aspect water.
Het bestemmingsplan is in overeenstemming met hetgeen wordt vastgelegd in de vast te stellen AMvB Ruimte en de
Realisatieparagraaf Nationaal Ruimtelijk Beleid.
Structuurvisie Randstad 2040 (2008)
In de Structuurvisie Randstad 2040 zet het kabinet de koers uit om de Randstad integraal te ontwikkelen tot een duurzame en
concurrerende topregio in 2040. Lopende en nieuwe ontwikkelingen en opgaven vragen om een visionair en samenhangend
antwoord. Klimaatverandering, internationale arbeidsmigratie, bereikbaarheidsproblemen, vergrijzing van de bevolking en
toenemende internationale concurrentie brengen kansen en risico's met zich mee voor de toekomstige concurrentiepositie in
de Randstad.
De steden van de Randstad ontwikkelen zich in een economisch krachtenveld van verdere internationalisering. De unieke
ligging in de delta, de diversiteit en onderlinge nabijheid van steden en landschappen zijn kwaliteiten die de Randstad
onderscheidt van andere Europese stedelijke regio's.
Het kabinet wil keuzes maken vanuit vier leidende principes voor de langere termijn, Deze leidende principes zijn:



        leven in een veilige klimaatbestendige en groenblauwe delta;

        kwaliteit maken door een sterkere wisselwerking groen, blauw en rood;

        wat internationaal sterk is, sterker maken;

        krachtige duurzame steden en regionale bereikbaarheid.


Provinciaal en regionaal
Provinciale Structuurvisie "Visie op Zuid - Holland, Ontwikkelen met schaarse ruimte".
Op 2 juli 2010 is de "Visie op Zuid-Holland" vastgesteld door P.S. De kern van deze visie is het versterken van samenhang,
herkenbaarheid, en diversiteit binnen Zuid-Holland. Dit draagt bij aan een goede kwaliteit van leven en een sterke
economische concurrentiepositie. Duurzame ontwikkeling en klimaatbestendigheid zijn belangrijke pijlers.
Gestreefd wordt naar een samenhangend stedelijk- en landschappelijk netwerk. Goede bereikbaarheid, een divers aanbod van
woon - werkmilieus in een aantrekkelijk landschap met ruimte voor water, landbouw en natuur, zijn daarin kenmerkende
kwaliteiten.
In de structuurvisie wordt aangegeven welke zaken de provincie Zuid - Holland van provinciaal belang vindt. Hiervoor zijn vijf
integrale hoofdopgaven benoemd:



        aantrekkelijk concurrerend internationaal profiel;

        duurzame en klimaatbestendige deltaprovincie;

        divers en samenhangend stedelijk netwerk

        vitaal, ,divers en aantrekkelijk landschap;

        stad en land verbonden.


Ook de instrumenten van de provincie komen in de structuurvisie aan de orde. De provincie ordent op kaarten, ontwikkelt
programma's en projecten, agendeert zaken en laat onderzoek uitvoeren. Zij stuurt op hoofdlijnen door kaders te stellen en
het lokale bestuur ruimte te geven bij de ruimtelijke inrichting. Deze aanpak sluit aan bij de nieuwe stijl van besturen: 'Lokaal
wat kan, provinciaal wat moet.
De "Visie op Zuid-Holland" is zelfbindend voor de provincie. Het toetsingskader voor de gemeente is uitgewerkt in de
provinciale verordening. Het gebied wordt op de functiekaart behorende bij de visie aangemerkt als Stads- en dorpsgebied
met hoogwaardig openbaar vervoer en Stedelijk Groen.
Verordening Ruimte
Om het provinciaal ruimtelijk beleid uit te voeren heeft de provincie verschillende instrumenten, waarvan de verordening er
één is. De Verordening Ruimte stelt regels aan gemeentelijke bestemmingsplannen. Niet alle onderwerpen zijn geschikt voor
opname in een verordening. In het algemeen lenen vooral onderwerpen met heldere criteria en weinig gemeentelijke
beleidsvrijheid zich voor een regeling in een provinciale veordening.
Daarnaast is het ontwerp Besluit algemene regels ruimtelijke ordening ('AMvB Ruimte') van het Rijk van belang. Hierin zijn
regels opgenomen waaraan provinciale verordeningen moeten voldoen. Enkele onderwerpen in de verordening van de
provincie Zuid-Holland vloeien rechtstreeks voort uit de AMvB Ruimte, zoals regels over de Ecologische Hoofdstructuur en de
Nationale Landschappen.
Het bestemmingsplan Noordwest bevindt zich binnen de bebouwingscontouren zoals deze horen bij de Verordening Ruimte.
Voor het plan zijn met name de regels van belang die betrekking hebben op ecologische hoofdstructuur, waterkeringen en
molenbiotoop.
Regionale Structuurvisie Holland Rijnland (2009)
De gemeente Leiden maakt deel uit van de regio Holland-Rijnland. De Regionale Structuurvisie Holland-Rijnland is een
beleidsdocument opgesteld door het samenwerkingsorgaan Holland-Rijnland. Op een lager ruimtelijk schaalniveau dan de
Provinciale Structuurvisie schetst de Regionale Structuurvisie een beeld van gewenste ruimtelijke ontwikkelingen in het gebied
dat zich uitstrekt tussen de gemeenten Noordwijk, Nieuwkoop, Rijnwoude en Voorschoten, waarin Leiden het stedelijke
middelpunt is.
Op 24 juni 2009 is de definitieve versie van de Regionale Structuurvisie door het Algemeen Bestuur van Holland Rijnland
vastgesteld. De Wet ruimtelijke ordening (Wro) is per 1 juli 2008 van kracht en verplicht gemeenten, provincies en het Rijk
een structuurvisie vast te stellen voor hun grondgebied. Regio's zijn echter niet verplicht om een structuurvisie op te stellen,
maar mogen dat wel. Dit houdt in dat de Regionale Structuurvisie van Holland Rijnland geen wettelijk karakter heeft.
Daarentegen is het Algemeen Bestuur van Holland Rijnland bevoegd om deze structuurvisie vast te stellen en verbindt het de
deelnemende gemeenten daarmee om afspraken uit dit document uit te voeren. Als gemeenten van deze afspraken willen
afwijken, dan moeten zij op regionaal niveau een oplossing vinden.
Het voornaamste doel van het beleid in de Regionale Structuurvisie is een juiste balans te stellen tussen het behoud van het
unieke karakter van de regio, met haar bollenlandschap en historische kernen en steden, en wenselijke toekomstige
ontwikkelingen, zoals de komst van de Rijnlandroute en RijnGouweLijn.
Met de Regionale Structuurvisie kiezen de Holland Rijnland-gemeenten koers voor de ruimtelijke inrichting van de
gelijknamige regio. In de visie zijn een aantal keuzes gemaakt die de samenhang tussen de grote deelgebieden van de regio
verbeteren: bollenstreek, kustzone, stedelijk gebied en Veenweide en Plassen.
Het opstellen van het bestemmingsplan heeft een conserverende werking op het unieke karakter van de regio. Op basis van
de Regionale Structuurvisie Holland-Rijnland zijn er geen knelpunten te verwachten voor dit bestemmingsplan.
Knopen Leggen (2002)
Het rapport Knopen Leggen bevat de beleidsinzet van de sectoren Ruimtelijke Ordening, Verkeer en Vervoer, Economie en
Milieu. De betrokkenheid van deze vier beleidsvelden komt voort uit de overtuiging dat doelen van deze vier sectoren met één
ruimtelijk concept ('knopen') worden gediend:
De zuidvleugel van de Randstad, waar ook Leiden toe behoort, wordt ontwikkeld tot een goed functionerend netwerk.
Intensief ruimtegebruik, functiemenging en differentiatie worden bevorderd. Hierbij wordt nadrukkelijk gelet op bestaande en
potentiële vervoersknopen. Het gebruik van het openbaar vervoer wordt hierbij gestimuleerd.
Cruciaal voor een goed functionerende netwerkstad is de juiste match tussen infrastructuur en verstedelijking. Dat betekent
dat voor de knopen een evenwicht tussen vervoerswaarde en functiewaarde gewenst is. In het rapport zijn knopen
beschreven naar schaalniveau, gewenste vervoers- en functiewaarde, gewenste hoofdfuncties en thema.
Leiden Centraal is vanwege de intercitystatus geclassificeerd als een bovenregionale knoop, met een concentratie van
publieke en economische functies. Leiden Centraal ligt buiten het plangebied, desondanks is deze bovenregionale knoop van
invloed op het plangebied. Zo wordt in het plangebied veel (oneigenlijk) gebruik gemaakt van gratis parkeervoorzieningen
door forensen. In het plangebied komen voorzieningen zoals scholen en sportaccommodaties voor die profiteren van de
nabijheid van de knoop. In het plangebied is reeds sprake van een intensief en gemengd ruimtegebruik. In het plan wordt dit
ruimtegebruik geconserveerd.
Structuurvisie Leidse Regio (1992)
De Structuurvisie Leidse regio is in 1992 vastgesteld door de Stuurgroep Leidse Regio en schetst een beeld van de wenselijke
ruimtelijke ontwikkelingen tot 2015.
Hoofdlijnen zijn een betere ruimtelijke afstemming van stedelijke functies en daardoor een goed evenwicht tussen nabijheid
en bereikbaarheid, de verbetering van de kwaliteit van het openbaar vervoer en fietspadennet, en versterking van een
samenhangende groenstructuur.
In het plangebied zijn de stedelijke functies goed op elkaar afgestemd en is reeds sprake van een goed fietspadennet en een
samenhangende groenstructuur. Deze zaken worden behouden in het onderhavige plan.
Gemeentelijk
Programma Binnenstad
In het coalitieakkoord 2008-2010 heeft de Leidse binnenstad een prominente plek gekregen. De kwaliteit van de binnenstad is
een van de ambities van het stadsbestuur, die is vastgelegd in het coalitieakkoord. Een paar citaten "Wellicht de grootste kans
voor Leiden is de kwaliteit van de historische binnenstad. De historische binnenstad is een sterk onderscheidende kwaliteit
van Leiden ten opzichte van andere gemeenten. De combinatie van kenniseconomie biedt Leiden veel kansen. (…) Voor de
centrumpositie van Leiden is het eveneens cruciaal dat de bezoekersfunctie wordt versterkt. (…) De inrichting van de
openbare ruimte verdient verbetering. Prioriteit daarbij heeft de entree van de stad vanaf het station tot het historisch
centrum."
Met dit vertrekpunt heeft in februari 2008 de gemeenteraad van Leiden het college van B&W opdracht gegeven een meerjarig
en integraal programma Binnenstad op te stellen.
Op 16 juni 2009 heeft de raad het "Programma Binnenstad" vastgesteld. Het doel van het Programma Binnenstad is een
samenhangende visie en een programma gericht op de verbetering van de kwaliteit van de binnenstad van Leiden. De
historische binnenstad is een van de onderscheidende kwaliteiten van de stad. Versterking van de kwaliteit zal de
aantrekkelijkheid van de stad vergroten. Dit maakt de stad niet alleen aantrekkelijker voor inwoners, maar versterkt tevens
de bezoekersfunctie van Leiden aanzienlijk. De tendens dat Leiden positie verliest als winkel- en bezoekersstad moet hiermee
worden omgebogen.
De doelen van het programma zijn:



        meer bezoekers - de bezoekers van de binnenstad, inwoners van Leiden, de regio - inwoner, de landelijke bezoeker,

         leggen een bezoek af aan de binnenstad van Leiden;

        de totale bestedingen van bezoekers aan de binnenstad nemen toe;

        de verschillende bezoekersgroepen hebben een hoge waardering voor het genoten aanbod in de binnenstad.


Er is eerst een visie gemaakt, gebaseerd op gesprekken met vele partners uit de stad, onderzoeken naar onder andere het
winkelaanbod en de ruimtelijke economische potenties van de binnenstad, onderzoek onder winkelend publiek en Leiden panel,
bezoeken aan diverse andere historische binnensteden. Ook is het concept getoetst bij ontwikkelaars, beleggers en
vastgoedeigenaren bijeengekomen op een conferentie. De visie wordt gebruikt als een meerjarig en integraal leidend kader
voor de ontwikkeling van de binnenstad. De visie definieert van 18 verschillende gebieden en locaties in de binnenstad de
functie, de gewenste ontwikkeling, het bijbehorende programma en het type ontwikkeling. Per jaar wordt een
uitvoeringsprogramma opgesteld waarin alle inspanningen van het jaar beschreven staan.
Nota Winkelen Wonen Welzijn Zorg
In de 'Nota wonen, zorg en welzijn' uit 2004 wordt een aantal ambities geformuleerd rond de combinatie van beleidsterreinen
wonen, zorg en welzijn, te weten goed wonen, actieve participatie en eigen regie. Om aan deze ambities een invulling te
geven is in 2008 de 'Nota winkelen, wonen, welzijn en zorg' geschreven. Hierin wordt een ruimtelijke invulling gegeven aan de
genoemde ambities door het kiezen van zeven 'woonservicezones'. Voorzieningen voor wonen, welzijn, zorg en winkelen
dienen zoveel mogelijk binnen deze woonservicezones geplaatst te worden. Bij het opstellen van bestemmingsplannen
betekent dit dat locaties die een maatschappelijke functie (welzijnsvoorzieningen, zorgvoorzieningen) krijgen, liefst binnen
300 meter, maar maximaal op 500 meter van de kern (= winkelcentrum) van de woonservicezone bevinden. Voor de labeling
van woningbouw voor kwetsbare groepen en winkel/horecafuncties geldt hetzelfde principe. Basis voor de keuze van de
genoemde afstanden is hiervoor de afstand die een oudere of een minder valide persoon te voet kan afleggen. Als
woonservicezone zijn benoemd:



    1.   Kooiplein e.o.

    2.   Luifelbaan / Boshuizen

    3.   Fortuinwijk / Wagnerplein

    4.   Diamantlaan / De Robijn

    5.   Merenwijk Centrum

    6.   Stevensbloem e.o

    7.   Meerburg e.o.


Het woonservicezone beleid geldt dus minder voor andere wijken dan die waarin de woonservicezones liggen: er is een aantal
'pluslocaties' die het waard zijn genoemd te worden en dus potentie hebben. In deze gebieden is een clustering van bepaalde
faciliteiten aanwezig, evenwel is deze van een lager niveau dan in de woonservicezones. Waar mogelijk zal ook aandacht zijn
voor de 'opplussing' van deze locaties. Voor andere dan de genoemde locaties geldt dat de gemeente een meer
terughoudende rol zal aannemen, maar inspanningen van andere partijen zeker niet in de weg zal staan.
Structuurvisie 2009-2025 (2009)
Op 17 december 2009 heeft de Gemeenteraad de Structuurvisie 2009-2025 vastgesteld.De Structuurvisie bouwt voort op het
Structuurplan Boomgaard van Kennis en de in 2004 vastgestelde Ontwikkelingsvisie: Leiden stad van ontdekkingen. De
Structuurvisie is hiervan de ruimtelijke vertaling. Daarnaast is bij het opstellen van de Leidse Structuurvisie gebruik gemaakt
van de Regionale Structuurvisie van Holland Rijnland. De prioriteiten die in de Regionale Structuurvisie voor Leiden zijn
benoemd, vormen het uitgangspunt van de Leidse Structuurvisie.
De Structuurvisie gaat uit van het bestaande beleid. Het is niet de bedoeling om oude discussies over te doen of nieuwe te
starten. De uitgangspunten van Structuurvisie zijn de Ontwikkelingsvisie, het resultaat van de stadsgesprekken in 2004, en de
Regionale Structuurvisie die het resultaat is van het regionale overleg over ruimtelijke prioriteiten voor de regio. Daarnaast
zijn gesprekken gestart met partijen en partners in de stad om hun ruimtelijke ambities en verwachtingen voor de komende
15 jaar te inventariseren. Dat heeft geleid tot een Structuurvisie met de volgende ambities:



        de historische binnenstad wordt beter op de kaart gezet;

        het Bio Science Park en de kenniseconomie worden verder ontwikkeld;

        de bereikbaarheid wordt verbeterd;

        de groene en blauwe structuren in en rondom de stad worden versterkt en verbonden;

        de kansen die zich in het Stationsgebied, Transvaal/Vondellaan en op De Waard aanbieden worden benut om met

         wonen en werken een bijdrage te leveren aan de versterking van de kennisstad.
In de structuurvisie wordt aandacht besteed aan een aantal gebieden met "hoogwaardig openbaar groen van belangrijke
kwaliteit". Voor het plangebied wordt het Bos van Bosman daartoe gerekend op wijkniveau. De Leidse Hout heeft een groter
verzorgingsgebied en wordt meestal langer bezocht, vaak in het weekeinde of op een vrije (mid)dag. Dit park heeft ook een
horecavoorziening.
De Structuurvisie 2009-2025 bevat een aantal lichtgrijze gebieden. Voor deze gebieden is in de Structuurvisie het beleid
geïntegreerd zoals het is opgenomen in de Boomgaard van Kennis. Dit beleid is met de Structuurvisie opnieuw vastgesteld.
Een ontwikkelingsplan voor woningbouw is voorzien voor de locatie Dieperhout. Daarvoor wordt te zijner tijd een afzonderlijk,
op de locatie gericht, bestemmingsplan opgesteld. In het voorliggende bestemmingsplan is de locatie Dieperhout
conserverend bestemd.
Leiden, Stad van ontdekkingen: profiel 2030 (2005)
In 2004 is een gemeentelijke ontwikkelingsvisie verschenen waarin een toekomstbeeld wordt geschetst van de stad Leiden.
De kwaliteiten van de stad worden benoemd, evenals de kansen en de bedreigingen. De historie, de ligging en de
levendigheid zijn duidelijke kwaliteiten. Daarnaast valt op dat de Leidse bevolking jong is en een goed opleidingsniveau heeft.
Anderzijds is de stad nagenoeg volgebouwd; is er spanning op de woningmarkt en de ruimte voor wonen, werken en recreatie
is beperkt.
In het plangebied wordt de beperkte ruimte op dit moment intensief en effectief gebruikt. Het onderhavige plan zal dit gebruik
voortzetten.
Boomgaard van Kennis (1995)
Het Structuurplan van Leiden 'Boomgaard van kennis' is vastgesteld in 1995, en beschrijft in hoofdlijnen de meest gewenste
ruimtelijke ontwikkeling van de gemeente Leiden. Het is bedoeld als een sturingskader voor op te stellen bestemmingsplannen.
De drie pijlers zijn de versterking van de kennisintensieve werkgelegenheid, het gebruik van de monumentale binnenstad, en
het bieden van gevarieerde woonmilieus. Ook hier is geconstateerd dat in het stedelijk gebied van Leiden nagenoeg geen
ruimte meer is voor geschikte bouwlocaties. Bij het (voornamelijk) binnenstedelijk realiseren van (woning)bouwopgaven
wordt dus gestreefd naar doelmatig ruimtegebruik en een verbetering van de stedenbouwkundige vervlechting en ruimtelijke
kwaliteit.
Bij de inbreidingslocaties heeft het de voorkeur de stedenbouwkundige kwaliteit te versterken, bijvoorbeeld door duurdere
woningen toe te voegen in wijken met relatief veel sociale huurwoningen. Dit komt het woonmilieu ten goede en draagt bij
aan meer variëteit in woningtypes. Aandachtspunten zijn verder de dalende woningbezetting, de toenemende vergrijzing en
het op peil houden van wooneenheden voor studenten. Door een toename aan leefstijlen en verscheidenheid in de
samenleving dient Leiden te voorzien in voldoende gevarieerde woonmilieus.
In het plangebied komen zeer uiteenlopende woonmilieus voor. Deze woonmilieus zullen door dit conserverende plan
behouden blijven.
4.2 Waterhuishouding
Europees en nationaal
Europese kaderrichtlijn water (2000)
Deze kaderrichtlijn Water beoogt het instrumentarium te bieden om oppervlaktewater en grondwater in zowel kwalitatief als
kwantitatief opzicht te beschermen en te verbeteren. Ook het bevorderen van een duurzaam watergebruik, op basis van
bescherming van de beschikbare waterbronnen, en de afzwakking van de gevolgen van overstromingen en perioden van
droogte vormen belangrijke doelstellingen. Om deze doelen te realiseren, reikt de richtlijn diverse instrumenten aan zoals
maatregelenprogramma's, stroomgebiedbeheersplannen, monitoringverplichtingen en economische analyses van het
watergebruik inclusief de kostenterugwinning van waterdiensten.
Nationaal Waterplan 2009 - 2015 (2009)
In december 2009 heeft het kabinet het Nationale Waterplan vastgesteld. Het Nationale Waterplan is het formele rijksplan
voor het nationale waterbeleid. In de Waterwet is vastgelegd dat het rijk dit plan eens in de zes jaar opstelt. Het is de
opvolger van de vierde Nota waterhuishouding uit 1998 en vervangt alle voorgaande nota's waterhuishouding. Op basis van
art. 2.3 Wro heeft de Minister de bevoegdheid om ten behoeve van een goede ruimtelijke ordening structuurvisies vast te
stellen. Op basis van de Wet ruimtelijke ordening is het Nationale Waterplan voor de ruimtelijke aspecten tevens
structuurvisie.
De Vierde Nota waterhuishouding ging uit van integraal waterbeheer en een watersysteembenadering. Dit wordt met het
nationaal waterplan voortgezet. Met het waterplan wordt ingezoomd op verschillende vlakken. Voor een duurzaam waterbeleid
is het belangrijk om water de ruimte te geven en waar mogelijk mee te bewegen met en gebruik te maken van natuurlijke
processen, zoals nu al gebeurt bij Ruimte voor de Rivier. Het rijk vindt het daarbij van belang dat bij alle wateropgaven en -
maatregelen maximaal wordt mee gekoppeld met andere opgaven en maatregelen. Voor een duurzaam en klimaatbestendig
watersysteem is het ook van belang bij ruimtelijke ontwikkelingen rekening te houden met waterhuishoudkundige eisen op
korte en lange termijn.
Het in het plangebied aanwezige water wordt behouden. Ook het verhard oppervlak wijzigt niet in dit conserverende
bestemmingsplan.
Provinciaal en regionaal
Beleidsplan groen, water en milieu 2006-2010 (2006)
In het Beleidsplan Groen, water en milieu 2006 - 2010 geeft de provincie Zuid-Holland aan hoe zij in de komende periode om
wil gaan met groen, water en milieu. Het nieuwe beleidsplan omvat het Milieubeleidsplan en het Waterhuishoudingsplan. Met
duurzaamheid als uitgangspunt wil de provincie Zuid-Holland in het handelen van nu de gevolgen op lange termijn meewegen.
Om de kwaliteit van de omgeving duurzaam te verbeteren krijgt het milieu- en waterbeleid een meer sturende rol in
ruimtelijke en economische ontwikkelingen. Er is in het beleidsplan, naast aandacht voor water en groen, onder meer
aandacht voor externe veiligheid, luchtkwaliteit en bodemkwaliteit. De provincie Zuid-Holland heeft voor bodemonderzoek
richtlijnen en aanbevelingen opgesteld in de nota 'Regels voor Ruimte'.
Het plangebied is een vitaal stedelijk gebied. Aangezien dit een conserverend plan betreft blijft dit behouden. Dit geldt
eveneens voor het aanwezige groen.
Bestemmingsplannen Blauw gekleurd (2001)
De provincie heeft zich er voor uitgesproken om water een volwaardige plaats te geven en stelt het verplicht om in
bestemmingsplannen een waterparagraaf op te nemen. Daarnaast is het van groot belang dat vanaf het begin van het
planproces overleg wordt gevoerd tussen gemeente en waterbeheerder(s), om op goede wijze rekening te houden met
uitgangspunten van duurzaam waterbeheer. Met "Bestemmingsplannen blauw gekleurd" geeft de provincie richtlijnen voor de
invulling van de waterparagraaf. In de waterparagraaf kan worden ingegaan op de resultaten van het overleg tussen
gemeente en waterbeheerder.
Handreiking Watertoetsproces Hoogheemraadschap van Rijnland (2008)
De watertoets is vanaf november 2003 opgenomen in het Besluit op de ruimtelijke ordening (Bro). In het kader van het
artikel 3.1.1. Bro-overleg is de waterbeheerder overlegpartner bij het opstellen van bestemmingsplannen.
Om problemen met wateroverlast te voorkomen, om een goede waterkwaliteit te waarborgen en om de beleving van water
voor burgers te vergroten, is het watertoetsproces in het leven geroepen. Het doel van het watertoetsproces is om, in een zo
vroeg mogelijk stadium rekening te houden met water in ruimtelijke plannen en besluiten. In de startovereenkomst
Waterbeleid voor de 21e eeuw en in het Nationaal Bestuursakkoord Water hebben de gezamenlijke overheden bepaald dat
water een sturend principe moet zijn in de ruimtelijke ordening. De watertoets is het proces waarbij de waterbeheerder (in dit
geval het Hoogheemraadschap van Rijnland) en de initiatiefnemer van het ruimtelijke plan (bijvoorbeeld gemeente,
projectontwikkelaar, particulier) samenwerken. Het samenwerkingsproces moet uiteindelijk leiden tot een zogenaamde
'waterparagraaf' die onderdeel uitmaakt van het uiteindelijke plan of besluit.


4.3 Cultuurhistorie en archeologie

        4.3.1 Europees en nationaal

        4.3.2 Provinciaal en gemeentelijk

        4.3.3 Molens

        4.3.4 Landgoed


4.3.1 Europees en nationaal
Wet op de Archeologische Monumentenzorg (2007)
In 1992 werd in Valetta door de Ministers van Cultuur van de bij de Raad van Europa aangesloten landen het 'Europees
Verdrag inzake de bescherming van het Archeologisch Erfgoed', beter bekend onder de naam 'Verdrag van Malta',
ondertekend.
De wet tot goedkeuring van het verdrag is aangenomen door het Nederlands parlement en op 9 april 1998 in het Staatsblad
gepubliceerd. Na enkele malen uitstel is het wetsvoorstel in april 2006 door de Tweede Kamer aangenomen en in december
van dat jaar door de Eerste Kamer bekrachtigd. De Wet op de Archeologische Monumentenzorg is op 1 september 2007 in
werking getreden. De nieuwe wet heeft zijn beslag gekregen via een wijziging van de Monumentenwet 1988, aanpassingen in
de Wet op de Ruimtelijke Ordening (WRO) en enkele andere wetten.
Met de nieuwe Wet op de Archeologische Monumentenzorg is het accent komen te liggen op het streven naar het behoud en
beheer van archeologische waarden in de bodem (in situ) en het beperken van (de noodzaak van) archeologische opgravingen.
Uitgangspunt van het nieuwe beleid is tevens het principe 'de verstoorder betaalt'. Bij het voorbereiden van werkzaamheden
die het bodemarchief kunnen verstoren (zoals de aanleg van een weg, een nieuwe woonwijk, een bedrijventerrein), dient
onderzocht te worden of daardoor archeologische resten verstoord kunnen worden.
Als uit het onderzoek blijkt dat er archeologische waarden aanwezig zijn en deze niet ter plaatse behouden kunnen blijven,
dan dient de initiatiefnemer van het werk de kosten die gepaard gaan met het opgraven en conserveren van de plaats te
dragen.
Met de introductie van de nieuwe wet zijn de kerntaken en bestuurlijke verantwoordelijkheden van gemeenten veranderd. Eén
van de belangrijkste consequenties is dat gemeenten een centrale rol is toegekend in de bescherming van archeologisch
erfgoed. In de wet is bepaald dat gemeenten door inzet van een planologisch instrumentarium het archeologisch belang
dienen te waarborgen. Bescherming van het archeologisch erfgoed kan onder meer vorm krijgen door in bestemmingsplannen
regels ter bescherming van bekende en te verwachten archeologische waarden op te nemen.
Nota Belvedère (1999)
Van 1999 tot en met 2009 heeft het programma Belvedere de inzet van cultuurhistorie bij ruimtelijke transformaties
gestimuleerd. De cultuurhistorie in de leefomgeving - van een gebouw, een structuur of een gebied - kan immers vaak
kwaliteit en betekenis toevoegen aan ruimtelijke ontwikkelingen.
Dit gedachtegoed is opgepakt en verspreid. In nieuw beleid bij rijk, provincies en gemeenten, maar ook bij terreinbeheerders,
projectontwikkelaars, waterschappen en kennisinstituten.
Vanuit een ontwikkelingsgerichte visie op de omgang met cultuurhistorie werden in deze nota beleidsmaatregelen voorgesteld
die tot een kwaliteitsimpuls bij de toekomstige inrichting van Nederland zouden moeten leiden. Doelstelling van de nota was
om de alom aanwezige cultuurhistorische waarden sterker richtinggevend te laten zijn bij de inrichting van Nederland om
daarmee het aanzien van Nederland aan kwaliteit te laten winnen en tegelijkertijd de onderlinge samenhang van
cultuurhistorische waarden op het terrein van de archeologie, gebouwde monumenten en historische cultuurlandschap te
versterken.
De Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed en Stichting Erfgoed Nederland zijn de eerste aanspreekpunten voor de verdere
ontwikkeling in het denken over erfgoed en ruimte. De infodesk van de rijksdienst beantwoordt vragen over de omgang met
erfgoed bij ruimtelijke transformaties, het informatiesysteem KICH/Kimomo wordt versterkt en Erfgoed Nederland zet erfgoed
en ruimte steeds opnieuw op de agenda. Tegelijkertijd gaan lopende onderdelen van Belvedère gewoon door.
Monumentenwet (1988)
Een deel van het culturele erfgoed wordt beschermd via de Monumentenwet (1988). Deze wet geeft het Rijk de mogelijkheid
om objecten met een leeftijd hoger dan 50 jaar aan te wijzen als rijksmonument. Rijksmonumenten worden wettelijk
beschermd via het vergunningenstelsel en bij restauratie zijn financiële middelen beschikbaar. De 'Monumentenwet' geeft
daarnaast de mogelijkheid tot aanwijzing van beschermde stads- en dorpsgezichten. Onder stads- en dorpsgezicht worden
groepen van onroerende zaken bedoeld die een bijzondere eigenschap hebben en in welke zich een of meer monumenten
bevinden. Bij ruimtelijke ontwikkelingen dienen de cultuurhistorische waarden binnen het geschermd stadsgezicht als
belangrijk toetsingscriterium te worden gehanteerd. Dit krijgt ondermeer vorm door bescherming via aangepaste
bestemmingsplannen en het daarbij horende vergunningenstelsel.
De Monumentenwet richt zich vooralsnog voornamelijk op objectbescherming. Wijzigingen in het monumentenstelsel zijn
aangekondigd door het Rijk maar zijn nog niet omgezet in wetgeving. Wel is duidelijk dat verankering van cultuurhistorie in
ruimtelijke ontwikkelingen doormiddel van de ruimtelijke ordening een belangrijke rol zal gaan spelen. Wanneer het gewenst
is dat monumenten gebruikt worden voor het stimuleren van ontwikkelingen, zal de gemeente andere instrumenten een rol
moeten laten spelen. De Monumentenwet geeft aan gemeenten de vrijheid om zelf monumenten aan te wijzen en een
monumentenlijst op te stellen. Een gemeentelijk monument mag jonger zijn dat 50 jaar.
4.3.2 Provinciaal en gemeentelijk
Provinciaal beleid
Het beleid van de Provincie Zuid-Holland richt zich, conform het Rijksbeleid en de WAMZ op het behouden van archeologische
waarden op de plaats waar de waarden zijn aangetroffen. Bij het opstellen van een ruimtelijk plan dient onderzoek te worden
gedaan naar de aanwezigheid van archeologische waarden in het plangebied. Het provinciale beleid aangaande archeologie
staat vermeld in de Provinciale Structuurvisie.

Gemeentelijk beleid
Nota Cultureel Erfgoed Leiden (2005)
In december 2005 heeft de gemeente Leiden de Nota Cultureel Erfgoed vastgesteld. Daarin is in 43 beleidsvoornemens het
Leids erfgoedbeleid vastgelegd voor de periode 2005 - 2015. Centraal in de nota staat het uitgangspunt dat cultuurhistorie
een plaats moet krijgen in ruimtelijke ontwikkelingen als inspiratiebron. Cultuurhistorie is een belangrijke drager van kwaliteit
en identiteit voor alle delen van de stad. Met het onderkennen van de waarde van cultuurhistorie voor ruimtelijke
ontwikkelingen is ook het behoud van deze waarden gediend aangezien een goede functie het behoud van waarden op de
lange duur waarborgt. Om dit te bereiken dient een cultuurhistorische paragraaf deel uit te maken van alle nieuwe
bestemmingsplannen (beleidsvoornemen 2).
Naast de aanwijzing van gemeentelijke monumenten hanteert de gemeente Leiden nog het instrument van Beeldbepalende
Panden. Doel daarvan is de bijdrage aan de beeldkwaliteit van de openbare ruimte door de aanwezige historische bebouwing
te borgen. De aanduiding en bescherming van de beeldbepalende panden wordt, indien relevant, geregeld in het betreffende
bestemmingsplan. De bescherming strekt zich niet uit tot het interieur van de betreffende panden maar heeft alleen
betrekking op het volume, de hoofdvorm en het aanzicht. In de welstandsnota zijn aanvullende criteria opgenomen die
toezien op de kwaliteit van materiaal en detaillering van de straatgevels en het dak.
De doelstelling van het gemeentelijk archeologiebeleid is om de archeologische bronnen zo verantwoord mogelijk te
beschermen. De erosie van het bodemarchief is ondanks alle inspanningen tot behoud van archeologische resten immers nog
steeds erg groot. Dit betekent dat bij toekomstige ontwikkelingen verstoring van de diepere ondergrond uit archeologisch
oogpunt zoveel mogelijk dient te worden vermeden. Waar dit niet mogelijk is, zal in de gebieden waar waardevolle,
informatieve archeologische resten verloren dreigen te gaan, voorafgaand aan de geplande bodemingreep verantwoord
onderzoek dienen plaats te vinden. De gevolgen van bovenstaand beleid en inventarisaties voor onderhavig plan worden
gepresenteerd in paragraaf 5.5 van deze toelichting.
Voor het hele gemeentelijk grondgebied is in 2004 een archeologische inventarisatie uitgevoerd die geleid heeft tot een
samenhangend beeld van de omvang en kwaliteit van de nog aanwezige archeologische waarden en verwachtingen. In het
rapport van deze inventarisatie is een aantal waarden- en verwachtingenkaarten opgenomen die als basis dienen voor de in
het bestemmingsplan opgenomen bepalingen ter bescherming van archeologische resten.
Aangezien het onderhavige bestemmingsplan conserverend van aard is wordt de bestaande situatie in het plan vastgelegd.
Zodoende worden de aanwezige archeologische en cultuurhistorische waarden beschermd.
Monumentenverordening en monumentenlijst (2009)
De gemeente Leiden hanteert de Monumentenverordening 2009. Deze verordening geeft regels over hoe om te gaan met
gemeentelijke monumenten. De bescherming van de monumenten is geregeld in de Monumentenwet of de gemeentelijke
verordening.
Bestemmingsplan Archeologie (2010)
Op 2 december 2010 heeft de gemeenteraad het bestemmingsplan Archeologie gewijzigd vastgesteld. Het betreft een
bestemmingsplan voor het gehele grondgebied van de gemeente Leiden en regelt de bescherming van archeologisch erfgoed.
Het bestemmingsplan heeft tot doel om enerzijds in de vigerende bestemmingsplannen van Leiden die deze bescherming nog
niet bevatten een regeling te bieden. Het tweede doel is dat het bestemmingsplan zorgt voor eenduidige regels voor
bescherming van archeologische waarden in de modernere plannen die al een eigen methodiek hebben. Met het eerste doel
wordt bereikt dat er voor het hele grondgebied van Leiden bescherming van archeologische waarden geregeld is. Het tweede
doel zorgt voor eenduidigheid in de regels en verschaft daarmee duidelijkheid. Ook verminderd dit het aantal regels met
betrekking tot de bescherming van archeologie, wat in het kader van het dereguleringsproject "Minder en Beter" een goede
zaak is. In onderhavig bestemmingsplan wordt onverkort aangesloten op de regeling die in het bestemmingsplan Archeologie
uit 2010 is opgenomen.
Verwerking beleid in bestemmingsplan
Het archeologisch beleid van de gemeente Leiden - vastgelegd in de Nota Cultureel Erfgoed (2005) en in het
bestemmingsplan Archeologie (2010) - is er op gericht de in de grond aanwezige archeologische waarden zoveel mogelijk te
behouden. Wanneer dat niet mogelijk blijkt moet de aanwezige archeologie veilig worden gesteld door middel van
opgravingen.
De Leidse bodem is rijk aan archeologische waarden. Veel daarvan zijn echter nog niet of maar ten dele bekend. Bij gebieden
waar de waarden niet bekend zijn, maar waar de bodemopbouw de aanwezigheid van archeologische waarden mogelijk maakt,
wordt gesproken van een archeologische verwachting. Indien in een in voorbereiding zijnd bestemmingsplan gebieden met
archeologische waarden en/of verwachtingen aanwezig zijn dan staan deze gebieden aangegeven op de verbeelding binnen de
aanduiding "Waarde - Archeologie 1" tot en met "Waarde - Archeologie 7". Voor werkzaamheden die in deze gebieden de
grond verstoren, is een omgevingsvergunning noodzakelijk, zoals aangegeven in de regels van het bestemmingsplan, met
uitzondering van Waarde - Archeologie 1, daarvoor geldt de vergunningplicht van artikel 11 van de Monumentenwet 1988.
Initiatiefnemers dienen bij de aanvraag van bovengenoemde vergunningen een rapport te overleggen. Daarin moet de
daadwerkelijke archeologische waarde van het terrein dat zal worden verstoord zijn vastgesteld.
Het vaststellen van de archeologische waarde vindt binnen de archeologische monumentenzorg gefaseerd plaats. Na een
bureauonderzoek kan het nodig zijn een archeologische inventarisatie in het veld uit te voeren. De resultaten van de
inventarisatie kunnen vervolgens leiden tot een aanvullend archeologisch onderzoek. De resultaten van laatstgenoemd
onderzoek vormen het uitgangspunt bij de keuze om een vindplaats te behouden, op te graven, waarnemingen uit te voeren
tijdens het bouwproject of geen verdere stappen te ondernemen. Voor zover deze stappen gevolgd moeten worden, dienen
deze in dat rapport opgenomen te worden met vermelding van de resultaten. Teneinde onnodige procedures te vermijden
wordt initiatiefnemer verzocht vooraf contact op te nemen met de Unit Monumenten en Archeologie van de gemeente.
Uitvoering van archeologisch (voor)onderzoek is in Nederland voorbehouden aan daarvoor vergunninghoudende bedrijven of
instanties.
4.3.3 Molens
Provinciaal
In de op 2 juli 2010 vastgestelde Verordening Ruimte is in artikel 13 voor de omgeving van traditionele molens regelgeving
opgenomen. Het gaat in dit kader om het garanderen van de vrije windvang en het zicht op de molen. Dit betekent dat
beperkingen moeten worden gesteld aan de hoogte van bebouwing en beplanting. Onderscheid wordt in de verordening
gemaakt tussen molens met een normale molenbiotoop en molens met een bijzondere molenbiotoop. De categorie ‘molens
met een bijzondere molenbiotoop’ omvat enkele incomplete molens, opnieuw opgebouwde molens en verplaatste molens.
Hiervoor hebben gemeenten meer beleidsvrijheid om af te wijken van de provinciale regels.
De 'normale' molenbiotoop heeft een omvang van 400 meter, gerekend vanuit het middelpunt van de molen. In de
verordening is bepaald waaraan bestemmingsplannen moeten voldaan voor wat betreft de maximale hoogte van nieuwe
bebouwing en beplanting. Voor het bepalen van de maximale bouwhoogte is onderscheid gemaakt in molens die binnen de
bebouwingscontour van het stedelijk gebied zijn gelegen en molens die daarbuiten zijn gelegen. De drie aanwezige molens in
het plangebied zijn allen gelegen in stedelijk gebied. De regels uit de verordening worden in onderhavig bestemmingsplan
opgenomen.
Gemeentelijk
Molenbeleid, "Laat het de Leidse molen voor de wind gaan"
Deze nota besteedt aandacht aan de ruimtelijke gevolgen wanneer binnen het plangebied in gebruik zijnde molens aanwezig
zijn. Belangrijk is daarnaast de provinciale Nota Regels voor Ruimte. Deze Nota geeft regels voor de bouwmogelijkheden
binnen molenbiotopen. Volgens de Nota Regels voor Ruimte kan er bij nieuwe intensieve ontwikkelingen op knopen en overige
HOV-locaties, op basis van onderling overleg worden afgeweken van de regels voor de molenbiotoop. Dit geldt dus ook voor
het onderhavige plangebied.
In dit geval zijn binnen het plangebied zelf drie molens aanwezig: de Maredijkmolen, Molen De Herder en de Kikkermolen. De
molenbiotopen van deze molens zijn opgenomen in het bestemmingsplan. Hiermee wordt de windvang van en het landschap
rond de molens beschermd.
4.3.4 Landgoed
Het kasteel Oud Poelgeest met de omringende landerijen is op grond van artikel 14 (landgoedbiotoop) van de verordening
Ruimte als landgoedbiotoop aangeduid. De provincie heeft in de verordening regels opgenomen met als doel het beschermen
en versterken van de historische landgoederen en landgoederenzones. De landgoedbiotoop is een middel om de
cultuurhistorische en ruimtelijke waarden van de aangewezen landgoederen te beschermen en te versterken. Daarbij gaat het
met oog op de exploitatie van de landgoederen om het principe 'behoud door ontwikkeling'. Onder een landgoedbiotoop wordt
een buffer verstaan die als contour om buitenplaatsen of een groep van buitenplaatsen heengetrokken kan worden en waar
voor de planvorming dezelfde uitgangspunten gelden.
Een bestemmingsplan, dat een nieuwe ontwikkeling mogelijk maakt op gronden gelegen binnen de biotoop van een
aangewezen landgoed, dient een beeldkwaliteitsparagraaf te bevatten waarin het effect van deze ontwikkeling op de
landgoedbiotoop wordt beschreven. Naast de analyse van de cultuurhistorische kwaliteiten en waarden van het landgoed gaat
deze paragraaf in op de wijze waarop de volgende kenmerken en waarden van de landgoedbiotoop beschermd of versterkt
worden:
a. de buitenplaats, bestaande uit het hoofdhuis met bijgebouwen en het bijbehorende park of tuin, alsmede de functionele en
visuele relaties tussen de verschillende onderdelen;
b. de structuur waaraan het landgoed bewust is gekoppeld, direct of door middel van zichtlijnen: een weg, een waterloop of
beide;
c. het panorama: de ontworpen zichtrelatie tussen het hoofdhuis en een deel van de openbare ruimte buiten de buitenplaats,
bijvoorbeeld gezien vanaf een weg;
d. de zichtlijn: een nauw ingekaderde, ontworpen lijn, die van buiten de buitenplaats zicht geeft op het hoofdhuis en vice
versa;
e. het blikveld: de vrije ruimte rondom de buitenplaats die nodig is om de buitenplaats te herkennen in het landschap.
De uitgangspunten bij de bescherming van de biotoop zijn: het vrij en open houden van de ruimte en het weren van nieuwe
bebouwing, tenzij dat tot verbetering van de biotoopwaarden leiden. Binnen een landgoedbiotoop kan sprake zijn van
nieuwbouw in het geval van versterking of verbetering van de aldaar aanwezige waarden (een 'nee, tenzij'-beleid). Afwijking
van het bovenstaande is op basis van artikel 14, lid 3 van de verordening slechts mogelijk indien sprake is van
bouwmogelijkheden in het vigerende bestemmingsplan of indien sprake is van een groot openbaar belang en er geen reële
andere mogelijkheid is. De toelichting van het bestemmingsplan moet hierover een verantwoording bevatten.
In hoofdstuk 5.9 wordt nader ingegaan hoe de landgoedbiotoop van het kasteel Oud Poelgeest in het bestemmingsplan is
vertaald.

4.4 Milieu
Europees en nationaal
Nationaal Milieubeleidsplan 4 (2001)
Voor een groot aantal knelpunten kan nog niet aan de minimale milieukwaliteitcondities worden voldaan. Daarom krijgt het
stedelijk gebied in het Nationaal Milieubeleidsplan 4 (NMP 4) extra aandacht. Het gaat om gezondheidsverlies door
luchtvervuiling (NO en fijn stof), geluidhinder of te grote risico's op calamiteiten. Volgens het NMP 4 staat de kwaliteit van de
                   2


leefomgeving onder druk door een opeenstapeling van milieuproblemen, die onder andere veroorzaakt worden door de
intensiteit van het verkeer, de ouderdom van de bebouwing, de bedrijvigheid en de beperkte aanwezigheid van groen. Om de
milieukwaliteit van de stad te vergroten moeten lawaai, lucht, bodem- en (grond)waterverontreiniging worden aangepakt.
Provinciaal en regionaal
Beleidsplan groen, water en milieu 2006-2010 (2006)
In het Beleidsplan Groen, water en milieu 2006 - 2010 geeft de provincie Zuid-Holland aan hoe zij in de komende periode om
wil gaan met groen, water en milieu. Het nieuwe beleidsplan omvat het Milieubeleidsplan en het Waterhuishoudingsplan. Met
duurzaamheid als uitgangspunt wil de provincie Zuid-Holland in het handelen van nu de gevolgen op lange termijn meewegen.
Om de kwaliteit van de omgeving duurzaam te verbeteren krijgt het milieu- en waterbeleid een meer sturende rol in
ruimtelijke en economische ontwikkelingen. Er is in het beleidsplan, naast aandacht voor water en groen, onder meer
aandacht voor externe veiligheid, luchtkwaliteit en bodemkwaliteit. De provincie Zuid-Holland heeft voor bodemonderzoek
richtlijnen en aanbevelingen opgesteld in de nota 'Regels voor Ruimte'.
Regionaal Milieubeleidsplan 2003-2010 (2003)
De landelijke doelstelling uit het NMP 4 is ook de doelstelling voor de bij de Milieudienst West-Holland aangesloten gemeenten.
De doelstelling is: "een gezond en veilig leven, in een aantrekkelijke leefomgeving, temidden van een vitale natuur, zonder de
mondiale diversiteit aan te tasten of natuurlijke hulpbronnen uit te putten, hier en nu en elders en later". Enkele relevante
beleidsuitgangspunten uit het Milieubeleidsplan zijn:


        Water, natuur, groen, energie en openbaar vervoer zijn sturende elementen bij de totstandkoming van ruimtelijke
         plannen. De landschappelijke onderlegger, inclusief bodemtypologie, het watersysteem, en natuur- en
         landschappelijke waarden vormen het hoofduitgangspunt voor de inrichting van de ruimte. Zo wordt er niet gebouwd
         in waardevolle gebieden zoals bijvoorbeeld de ecologische structuur en juist wel op locaties waar veel mensen
         gebruik kunnen maken van het openbaar vervoer.
        Herstructureren van woon- en werkgebieden heeft voorrang op uitbreiden.
        Waar mogelijk worden intensief- en meervoudig ruimtegebruik sterk bevorderd. In stedelijke gebieden wordt
         gedacht aan gestapelde bouw, in randmilieus kan worden gedacht aan 'compacte buurten in het groen'.
        Bestaande bedrijventerreinen worden zo duurzaam mogelijk (her)ingericht. Tenminste is er sprake van
         parkmanagement, aandacht voor energie, water en inpassing natuur- en cultuurwaarden.


Het onderhavige plan is conserverend van aard. Hierbij zijn de bestaande situaties op het gebied van water, natuur, groen en
openbaar vervoer sturende elementen. De bestaande situatie is het hoofduitgangspunt. Zodoende wordt niet gebouwd in
waardevol gebied. Er is reeds sprake van intensief ruimtegebruik in het plangebied.
Geluidskaart Milieudienst West-Holland (2007)
In het kader van de EU-richtlijn Omgevingslawaai heeft Leiden een geluidskaart en actieplan gemaakt om de geluidssituatie in
beeld te brengen. De richtlijn richt zich vooral op het vaststellen, beheersen en waar nodig gewenst verlagen van
geluidsniveaus in de leefomgeving. Het toepassingsgebied beperkt zich tot een aantal gedefinieerde brontypen, te weten
schadelijke en hinderlijke effecten door weg- en railverkeer en luchtvaart van een zekere omvang, alsmede specifieke
vastgelegde industriële activiteiten.
Gemeentelijk
Evenementennota 2008
Het evenementenbeleid is vastgelegd in de "Evenementennota 2008. Visie van Leiden op evenementenbeleid." In het
evenementenbeleid streeft men ernaar om evenementen te laten plaatsvinden in Leiden die een bijdrage leveren aan en of
meer van onderstaande doelen:
- Verrassen: ondersteunen van unieke, innovatieve en kwalitatieve initiatieven die het (evenementen)aanbod voor Leiden en
haar omgeving verrijken;
- Verbinden: versterken van de onderlinge band tussen mensen in de stad en het verbinden van verschillende
disciplines/sectoren;
- Verleiden: promoten van Leiden waardoor Leiden extra (boven)regionale bezoekers trekt en de economie gestimuleerd
wordt.
Daarbij wordt de voorkeur gegeven aan evenementen die zich richten op kennis en cultuur. Het evenementenbeleid richt zijn
aandacht verder op 3 'Sleutelfestivals': een kennisfestival, een cultuurfestival en de 3 oktoberfeesten. Voor deze evenementen
wordt structureel financiele ondersteuning geboden. Ook andere evenementen die voldoen aan de criteria verrassen,
verbinden en verleiden kunnen in aanmerking komen voor een subsidie. In het beleid is verder vastegled dat de
dienstverlening wordt verbeterd door het instellen van 1 loket, de mogelijkheid om digitaal een aanvraag in te dienen en het
het afsluiten van convenanten bij terugkerende evenementen.
Evenementen worden ingedeeld in 3 categorieen. Het geluidsniveau, de eindtijd en het aantal evenementen per locatie per
jaar zijn bepalend voor de indeling. Dit alles met het oog op het waarborgen van de opbare orde en veiligheid en het
voorkomen van overlast.
Categorie I: alle onversterkte muziek en alle versterkte muziek tot maximaal 70 dB(A), eindtijd maximaal 20.00 uur en geen
beperking per locatie. Enkele voorbeelden: onversterkte straatmuziek, draaiorgels, lopende fanfareorkesten, buurtbarbecues,
etc.
Categorie 2: versterkte muziek 70 tot 85 dB(A), maximum aantal per locatie, eindtijden zondag tot en met donderdag tot
uiterlijk 23.00 uur, op vrijdag en zaterdag tot uiterlijk 24.00 uur. Voor evenementen met een ‘collectief avondkarakter’ kan
toestemming worden verleend tot uiterlijk 01.00 uur. Onder een ‘collectief avondkarakter’ wordt verstaan: traditionele Leidse
evenementen die verspreid over verschillende plaatsen in de stad plaatsvinden, zoals bijvoorbeeld de Lakenfeesten en de
Leidse Jazz & Blues Week.
Categorie 3: versterkte muziek van meer dan 85 dB(A), tot nu toe maximaal zes evenementen per jaar en slechts één
evenement per locatie, eindtijden zondag tot en met donderdag tot uiterlijk 23.00 uur, op vrijdag en zaterdag tot uiterlijk
24.00 uur. Een voorbeeld is de Zomerjam op de Beestenmarkt.
Het maximum aantal evenementen per locatie wordt ook bepaald door de omvang van de locatie, de ligging van de woningen
en de mogelijkheden voor aan- en afvoer van materialen. In Leiden zijn in de binnenstad bijvoorbeeld aangewezen de
Beestenmarkt (max. 20), Garenmarkt/Doezastraat/Van der Werfpark (16), Burcht(plein)/Nieuwstraat (12),
Hoogstraat/Waaghoofd/Scarlatti (12), Stadhuisplein (12), Vrouwenkerkplein (12), Lammermarkt /parkeerterrein Molen De
Valk (8), het Arsenaalplein (8),de Morspoort (8), het Pieterskerkplein (8) en het Rapenburg (8). Op locaties die niet zijn
aangewezen zijn maximaal 4 categorie 2 evenementen per jaar toegestaan.
In het bestemmingsplan Leiden Noordwest is een deel van het Leidse Hout als evenemententerrein aangewezen. Jaarlijks
worden hier evenementen georganiseerd welke zijn terug te vinden op de evenementenkalender die elk jaar wordt
vastgesteld. In hoofdstuk 9.4 wordt de regeling voor het Leidse Hout die in het bestemmingsplan is opgenomen nader
toegelicht.
Geluidsnota Leiden (2004)
Met de vaststelling van de geluidsnota in 2004 heeft het gemeentebestuur van Leiden het beleid ten aanzien van geluidhinder
vastgesteld. Geluid wordt sinds die vaststelling als speerpunt voor het milieubeleidsplan beschouwd, integraal aangepakt en
het beleid wordt gebiedsgericht ingevuld. Uitgangspunt van die geluidsnota uit 2004 is, dat er voor ieder gebiedstype een
passend geluidsniveau is vastgesteld. In het drukke, levendige centrum is dit vanzelfsprekend een ander geluidsniveau dan in
een rustige woonwijk. Per gebiedstype is er in de geluidsnota een bovengrens vastgesteld, die de gemeente niet wil
overschrijden. Daarmee legt de geluidsnota vooral vast, hoe de gemeente in toekomstige situaties met geluid wil omgaan en
biedt de geluidsnota een beoordelingskader voor de bestaande situaties in de stad.
In het plangebied vinden geen significante veranderingen in de infrastructuur plaats. Er zullen wel technische maatregelen
tegen geluidsoverlast getroffen worden, maar die vallen buiten de reikwijdte van dit bestemmingsplan.


4.5 Ecologie
Provinciaal en regionaal
Landschapsbeleidsplan Leidse regio en Warmond (2002)
Het regionale landschapsbeleidsplan heeft meerdere doelstellingen. Aangegeven moet worden hoe de agrarische, ecologische,
recreatieve, cultuurhistorische en visueel-ruimtelijke kwaliteiten van het landschap behouden, versterkt of ontwikkeld kunnen
worden op een zodanige manier, dat een meerwaarde ontstaat op regionaal niveau. Daarnaast moet een landschappelijk
raamwerk worden ontworpen, waarin functies als landbouw, natuur, waterbeheer, recreatie en mogelijkheden voor
verstedelijking duidelijk zijn gepositioneerd. Ook een optimale wisselwerking tussen stedelijke en landelijke gebieden moet
worden aangegeven. De relatie stad-land, de voedingsaders voor natuur in de stad, moet worden geoptimaliseerd en worden
beschermd.
Gemeentelijk
Het groene beleid van de gemeente Leiden is onder andere vastgelegd in de Bomennota (1993) en de Kaderstelling
Bomenbeleid 2004 - 2014 (actualisatie Bomennota), het Ecologisch Beleidsplan Leiden (EBL 1998; uitvoeringsprogramma
2002 en 2006). Het volgen van de Gedragscode voor Ruimtelijke ontwikkelingen in Leiden minimaliseert de kans op conflicten
met de Flora- en Faunawet. Overigens is er ook beleid vastgesteld dat specifiek gericht is op het plangebied in het Beheerplan
Leidse Hout & Bospark.
Kaderstelling Bomenbeleid (2004 - 2014; actualisatie Bomennota 1993)
De Bomennota heeft vier hoofddoelstellingen voor het ruimtelijk, beheersmatig en juridisch beleid: het aanvullen van
structuurvormende bomenrijen, het beschermen van bomen (Bomenverordening), het verbeteren van
groeiplaatsomstandigheden van bomen, het versterken van stadland relatie door sortimentskeuze van bomen.
Ecologisch Beleidsplan Leiden (1998)
Het uitgangspunt van het Ecologisch Beleidsplan Leiden (EBL) is om de natuur mee te laten tellen als bewoner van de stad.
Hierbij moeten de kansen om de natuur de stad in te halen optimaal worden benut en bedreigingen voor die natuur zoveel
mogelijk worden beperkt, rekening houdend met de multifunctionaliteit van de stad en haar stedelijk groen.
Relevante doelstellingen die voortvloeien uit genoemde beleidskaders:



        Het behoud van waardevolle en monumentale bomen, het benutten van potenties om bomen te planten bij

         nieuwbouw- of renovatieplannen en het creëren van goede groeiomstandigheden.

        Het juridisch beschermen van bomen en het completeren van structuurvormende bomenrijen in de stad.


Gedragscode voor ruimtelijke ontwikkelingen in Leiden (2005)
Het volgen van de Gedragscode voor Ruimtelijke ontwikkelingen in Leiden minimaliseert de kans op conflicten met de Flora-
en Faunawet. Het Ecologisch toetsingskader voor stedelijke projecten (2003) is in de Gedragscode opgenomen, alsmede het
raamwerk van tellingen voor het Stadsnatuurmeetnet Leiden (2004). Beide beleidsinstrumenten vormen de basis van de
Gedragscode.
Het Ecologisch toetsingskader voor stedelijke projecten (2003)
Om te kunnen beoordelen wat de consequenties op de natuur zijn van diverse projecten en de wijze waarop de gemeente
daarmee om zou kunnen gaan in het proces van planvoorbereiding en planuitvoering, is een ecologisch toetsingskader (ETK)
opgesteld. Het ETK is een hulpmiddel waarmee in een vroegtijdig stadium bij nieuwe gemeentelijke projecten met ruimtelijke
aspecten de ecologische effecten en mogelijkheden bepaalt kunnen worden.
Stadsnatuurmeetnet Leiden (2004)
In 2004 is voor het eerst het Leidse Stadsnatuurmeetnet uitgevoerd. Deze 'nulmeting' heeft veel informatie opgeleverd en
vormt een stevige basis voor de volgende meetronden. Ontwikkelingen in de Leidse stadsnatuur kunnen vanaf de nulmeting
met volgende meetronden gevolgd worden. Oorzaken van verbetering of verslechtering worden vervolgens omgezet in
beleidsmatige aanbevelingen. Belangrijk voor dit alles is de gegevensanalyse, die zal plaatsvinden in de tussenliggende jaren
wanneer er geen meetronde plaatsvindt. De eerste meetronde wordt momenteel nog geanalyseerd.
Beheerplan Volkspark De Leidse Hout 2010 - 2025.
Het beheerplan "Volkspark De Leidse Hout 2010 - 2025" heeft als doel:



        De huidige functionaliteit van het park te behouden en ruimte te bieden voor veranderingen en nieuwe initiatieven;

        Het behouden en versterken van cultuurhistorische waarden. Aanpassingen gebeuren zoveel mogelijk op basis van

         het oorspronkelijke ontwerp en de ontwerpuitgangspunten van de architect van het park: K.C. van Nes;

        Het duidelijk en consequent beheren van het park voor nu en in de toekomst;

        Te functioneren als omschrijving en onderbouwing van de uit te voeren werken in het park en te dienen als aanvraag

         voor het verkrijgen van een monumentenvergunning;

        Te dienen als handvat bij de vertaling naar werkpakketten.


In het onderhavige conserverende bestemmingsplan worden de bestaande groenstructuren en bomen behouden.
4.6 Wonen
Gemeentelijk
Woonvisie 2005 - 2015 (2005)
In oktober 2005 heeft de gemeenteraad van Leiden de Woonvisie gemeente Leiden 2005-2015 goedgekeurd. De eerste
officiële Leidse Woonvisie is daarmee een feit. Als richtsnoer voor de visie op het wonen dient de toekomstvisie van Leiden:
Leiden 2030, stad van ontdekkingen.
In de ontwikkelingsvisie is aangekondigd dat Leiden zich in de periode tot 2030 verder wil ontwikkelen tot een kennisstad
waarin het prettig wonen en werken is. Om dit te bereiken wil Leiden extra banen creëren en extra woningen realiseren. Bij
het opstellen van woningbouwprogramma's wordt rekening gehouden met behoud en eventueel toevoeging van
werkgelegenheid. Zoveel mogelijk wordt op de woningbouwlokaties een menging van functies (wonen, werken en
voorzieningen) gerealiseerd.
Woonschepenverordening 2000 en Ligplaatsenplan woonschepen (2000)
Begin april 2000 is de Woonschepenverordening vastgesteld. Voor het beheer van openbaar water zijn regels gesteld aan het
ordelijk gebruik van de ligplaatsen voor woonboten, waaronder mede begrepen regels ten aanzien van de veiligheid op het
water, de veiligheid van woonboten, de milieuhygiënische aspecten voor het wonen op het water en het aanzien van de
gemeente. Tegelijkertijd is ook het Ligplaatsenplan Woonschepen vastgesteld. In dat plan wordt aangegeven voor welke
locaties een ligplaatsvergunning voor woonboten kan worden verleend.
De bestaande woonbotenligplaatsen worden in het nieuwe bestemmingsplan conform het Ligplaatsenplan Woonschepen
positief bestemd.
4.7 Bedrijven, detailhandel, horeca en dienstverlening
Gemeentelijk
Startersnota (2004)
Deze nota beschrijft en evalueert het beleid van de gemeente Leiden voor het ondersteunen van startende ondernemingen en
doet voorstellen voor de toekomstige koers van dit beleid. Het beleid richt zich op vier prioriteiten. De belangrijke in het kader
van het bestemmingsplan is het behoud en de uitbreiding van bedrijfshuisvesting startende ondernemers.
Gezien het reeds bestaande intensieve ruimtegebruik in het plangebied is ervoor gekozen geen uitbreiding van
bedrijfshuisvesting te realiseren. De bestaande bedrijfshuisvesting wordt wel behouden.
Terrassen
Terrassen bij horecavoorzieningen zijn alleen toegestaan daar waar dit op de verbeelding met de aanduiding 'terras' (tr) is
aangegeven. In deze gevallen is sprake van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat (geen of geringe geluidsoverlast), het
behoud van voldoende parkeerplaatsen en een vrije doorgang van het verkeer en hulpdiensten. Overigens dient voor elk
terras tevens een terrasvergunning op grond van de Algemeen Plaatselijke Verordening te worden verleend. Daarin kunnen
aanvullende voorwaarden over het hebben en houden van een terras worden gesteld.
4.8 Verkeer en vervoer
Europees en nationaal
Nota Mobiliteit (2004)
De Nota Mobiliteit geeft de hoofdlijnen van het nationale verkeers- en vervoersbeleid. Door in het ruimtelijk beleid uit te gaan
van de beschikbare infrastructurele capaciteit en door meer rekening te houden met de gevolgen voor verkeer en vervoer
kunnen regio's extra mobiliteit voorkomen. De decentrale overheden zijn verantwoordelijk voor de planologische doorwerking
van de risicozones. Zij nemen de risico's van het vervoer van gevaarlijke stoffen mee in het ruimtelijk beleid en maken de
afwegingen. Van de decentrale overheden wordt bovendien verwacht dat zij vanuit hun eigen verantwoordelijkheid
gesignaleerde problemen eerst op lokaal dan wel regionaal niveau oplossen
Provinciaal en regionaal
Regionaal Verkeer en Vervoerplan/Uitwerkingsplan 2008-2015 (2008)
Begin juli 2002 is het ontwerp Regionaal Verkeer en Vervoerplan verschenen. In dit RVVP met de titel "De Regio's Verbonden"
wordt aangegeven wat de komende jaren het beleid zal zijn voor de Leidse Regio, de Duin en Bollenstreek en de Provincie
Zuid-Holland. Met het plan wil men vraagstukken aanpakken die op het gebied van mobiliteit een bijdrage leveren aan een
goed klimaat om te wonen, werken en ondernemen in de regio.
Ten aanzien van het plangebied zijn de volgende aandachtvelden van belang:


    1.   Mobiliteit en ruimte; dit aandachtveld stelt de volgende doelen:
              a. betere afstemming van de ruimtelijke ontwikkelingen en de vervoersnetwerken;
              b. bundeling van activiteiten op locaties die goed bereikbaar zijn met de vervoermiddelen die daarbij horen;
                    in dit geval het openbaar vervoer;
              c. een uitgekiende ruimtelijke ordening, zodat gebruik van fiets en openbaar vervoer gestimuleerd worden.
    2.   De fiets; dit aandachtveld stelt de volgende doelen:
              a. meer gebruik van de fiets in stedelijke gebieden;
              b. gebruik van fiets als voor- en natransport bij het openbaar vervoer.
    3.   Openbaar vervoer; dit aandachtsveld stelt de volgende doelen:
              a. een snel en hoogwaardig verbindend regionaal hoofdnet (RijnGouweLijn);
              b. het hoofdnet en het onderliggend netwerk moeten afzonderlijk en eenduidig herkenbaar zijn


Het regionale Verkeer en Vervoersplan is uitgewerkt in Uitwerkingsplannen. Het Uitwerkingsplan 2008-2015 benoemt de
concrete acties en projecten voor de periode 2008-2010 met een doorkijk naar 2015. Het doel van het Uitwerkingsplan is het
een afgewogen regionaal maatregelenprogramma verkeer en vervoer waar alle betrokken partijen achter staan en dat
betaalbaar is en realistisch.
In het Uitvoeringsprogramma zijn projecten en aandachtsgebieden opgenomen variërend van concrete projecten die reeds
gestart zijn of binnenkort starten, tot bestuurlijke toezeggingen en "zachte" aspirant projecten. Concreet voor Leiden zijn de
verbreding van de A4, de Rijnlandroute, de Ringweg Oost en de RijnGouweLijn West belangrijke projecten. Beide projecten
bevinden zich buiten het plangebied.
Het Uitvoeringsprogramma stimuleert verder "Duurzaam veilig"-projecten (o.a. aanleg 30 km/u gebieden) en
verkeerseducatie. Randvoorwaarde in het Uitvoeringsprogramma is het reeds in de ontwerpfase opnemen van een paragraaf
over verkeersveiligheid in ruimtelijke plannen.
Het Uitvoeringsprogramma maakt zich sterk voor verbetering van fietsvoorzieningen in de vorm van het vervolmaken van een
regionaal fietsnetwerk, het optimaliseren van het fietsnetwerk met name voor afstanden tot 7,5 km, het verbeteren van de
overstapmogelijkheden tussen fiets en openbaar vervoer en het stimuleren van de fiets als alternatief voor de auto. Ook
streeft het Uitvoeringsprogramma naar een versterking, verbetering en uitbreiding van het openbaar vervoer in de regio.
RijnGouweLijn
De komst van de RijnGouweLijn maakt onderdeel uit van het RVVP en levert een belangrijke bijdrage in de verbetering van
het regionale openbaar vervoersnetwerk. Hoewel de RijnGouweLijn niet door het plangebied komt te lopen zal hij door de
nabijheid wel bijdragen aan de ontsluiting van het plangebied.
Door de aanleg van deze nieuwe openbaar vervoersverbinding komt het stationsgebied rond Leiden Centraal op een nieuw
kruispunt van regionale en nationale verbindingen te liggen.
Kadernota bereikbaarheid (2009)
De Kadernota bereikbaarheid is door de gemeenteraad van Leiden vastgesteld op 29 mei 2009. Hierin worden
ontwikkelingsplannen ter verbetering van het vervoersnetwerk in Leiden voorgesteld. Ook wordt een lange termijn visie
bereikbaarheid (2025) gepresenteerd. In deze visie wordt geschetst hoe het verkeerssysteem in Leiden het best
georganiseerd zou kunnen worden met als doel om de stad op de lange termijn optimaal te kunnen ontwikkelen en bereikbaar
te houden. De doorgaande wegen binnen het plangebied worden niet specifiek benoemd in de Kadernota.
GVVP, Leiden, Stad in beweging (2006)
Leiden is strategisch gelegen als schakelpunt tussen de Noord- en Zuidvleugel van de Randstad. Dat blijkt ook uit de
mobiliteitscijfers. De gemiddelde Leidenaar maakt 10% meer verplaatsingen dan personen in vergelijkbare sterk stedelijke
gemeenten. Om dit zowel nu als in de toekomst vlot en veilig te kunnen blijven doen zijn diverse inspanningen nodig
Omdat het verkeers- en vervoersbeleid in Leiden verwerkt is in een groot aantal deelplannen is het integraal verkeers- en
vervoersbeleid opgesteld. Hierin is de onderliggende visie verwoord, wordt de samenhang met andere vakdisciplines
aangegeven, komen alle vervoerswijzen aan bod en is een actieplan opgesteld voor uitwerking van het beleid. Nadrukkelijk is
daarbij gekeken naar de verwachtingen voor de toekomst. Centraal binnen het plan staat het stimuleren van duurzame
mobiliteit. Dat wil zeggen dat door de te nemen maatregelen enerzijds de noodzakelijke bereikbaarheid van voorzieningen
met verschillende vervoerswijzen is gewaarborgd en anderzijds een bijdrage wordt geleverd aan een kwalitatief goede
leefomgeving. De mobiliteitsvraag wordt gefaciliteerd uit oogpunt van vitaliteit en economie. Echter, Leiden als historische
stad en verblijfsplaats, waar de netwerkstructuur en de openbare ruimte niet optimaal zijn ontwikkeld op het massale
autogebruik van de nieuwe tijd, noodzaakt wel tot een beheerste groei van de mobiliteit.
Er wordt sterk ingezet op behoud en verbetering van het aandeel langzaam verkeer in de verplaatsingen in de stad en
toekomstige mobiliteitsgroei wordt zoveel mogelijk gekoppeld aan adequaat openbaar vervoer (RijnGouweLijn). De
parkeerstrategie zet in op ontlasting van de (binnen)stad en opvang aan de stadsrand (P&R, transferia), gekoppeld aan de
RijnGouweLijn, zoals dat ook geldt voor de realisering van ontbrekende schakels in het rand- (A4-A44) en ring- (Kanalenroute,
via Zijldijk) wegenstelsel op langere termijn.


4.9 Bouwen
Gemeentelijk
Welstandsnota (2004)
Op 1 januari 2003 is de nieuwe Woningwet van kracht geworden. De wijziging is van grote invloed op het te maken en te
voeren gemeentelijk welstandsbeleid. Op basis van de nieuwe woningwet is op 1 juni 2004 de Welstandsnota vastgesteld. Na
een evaluatie van het welstandsbeleid heeft een herziening van dat beleid plaatsgevonden. Op 18 februari 2010 is een nieuwe
Welstandsnota vastgesteld welke op 1 maart 2010 in werking is getreden.
Bij de beschermde stadsgezichten binnenstad en zuidelijke schil is de welstandstoets gebaseerd op het behoud van het
waardevolle historische beeld. Als tussenniveau tussen behoud en terughoudend beheer geldt beheer met aandacht voor
gebieden met een zekere cultuurhistorische waarde (bijvoorbeeld de Kooi, delen Morskwartier, omgeving Rijnsburgerweg e.d.)
en voor 'belevingsassen', druk bezochte verkeersassen die daardoor mede van invloed zijn op de beleving van de stad en
waarlangs de straatwanden met aandacht moeten worden beheerd.
De nota is vooral bedoeld als kader voor de welstandsbeoordeling van individuele, kleinschalige (ver)bouwplannen. Dit wordt
tot uitdrukking gebracht door de plaats van het hoofdstuk sneltoetscriteria: voor in de nota, zodat de lezer snel kan vinden
welke criteria voor zijn of haar bouwplan gelden. Voor de gebieden met de welstandsniveaus 'behoud' en 'beheer met
aandacht' gelden scherpere criteria. Grootschalige(r) ontwikkelingen (bijvoorbeeld Meelfabriek, Leiden Noord, Leiden
Zuidwest) worden met behulp van beeldkwaliteitplannen gestuurd. Die beeldkwaliteitplannen vormen het toetsingskader
tijdens de planvorming en vormen als het ware een concrete vertaling van algemene welstandscriteria.
Met het uitgangspunt om in zoveel mogelijk gebieden van Leiden een terughoudend welstandsregime toe te passen dat
beperkt is tot gebouwen, kan het in sommige gebieden wel voorkomen dat een kwalitatief hoogwaardige ontwikkeling gevolgd
wordt door een terughoudend welstandsbeleid in de beheerfase. Dit grotendeels terughoudende welstandsbeleid dient naar
onze mening vergezeld te gaan van een andere, meer terughoudende rol van de ARK.


5 Ruimtelijke karakteristiek en structuur

        5.1 Oriëntatie, herkenning en identiteit

        5.2 Ruimtelijke structuur

        5.3 Groenstructuur

        5.4 Verkeer en infrastructuur
        5.5 Archeologie

        5.6 Rijks- en gemeentelijke monumenten

        5.7 Beeldbepalende panden

        5.8 Molens

        5.9 Landgoedbiotoop Oud Poelgeest


5.1 Oriëntatie, herkenning en identiteit
Het plangebied ligt in het noordwesten van Leiden. De noord- en de westgrens van het plan worden gevormd door de
gemeentegrens met Oegstgeest. De zuidgrens wordt gevormd door Rijnsburgerweg en de Wassenaarseweg. In het zuidoosten
wordt het plangebied begrensd door de spoorlijn richting Haarlem en Schiphol. Het gebied is opgebouwd uit verschillende
wijken met uiteenlopende functies.




Karakteristiek voor het bestemmingsplangebied is de grote variatie tussen functies, bebouwingstypen en korrelgrootte. Aan
de Rijnsburgerweg is historische lintbebouwing aanwezig. De achterliggende bebouwing is van recentere datum. In het
(zuid)oosten van het plangebied is veel hoogbouw aanwezig in de vorm van appartementengebouwen, het Diaconessenhuis
Leiden en enkele schoolinstellingen. Een herkenningspunt in de wijk is het park Leidse Hout. Deze groene plek heeft een
wijkoverstijgende functie en dient als uitloopgebied van de stad.
Ook de aanwezige sportvelden zijn belangrijke elementen in de stedenbouwkundige structuur. Deze zijn onderdeel van de
totale groenstructuur in het plangebied.




Appartementengebouw Van Swietenstraat en Boerhaavelaan                         Schoolgebouw aan de Kagerstraat




Schoolgebouw aan de Mariënpoelstraat                                           Bebouwing aan de Boerhaavelaan
5.2 Ruimtelijke structuur
Voor het plangebied is geen eenduidig stedenbouwkundig concept ontwikkeld. De wijk is geleidelijk gegroeid langs de
Rijnsburgerweg, de historische verbindingsweg met Oegstgeest. De later ontwikkelde woonbuurten sluiten aan op dit
bebouwingslint en liggen als op zichzelf staande gebieden achter het oude lint. Het bebouwingslint wordt op meerdere
plaatsen onderbroken en biedt vele doorzichten dwars op het lint. Het plangebied is onderverdeeld in drie buurten met elk een
eigen karakteristiek.
De Rijnsburgerweg is één van de historische bebouwingslinten. De bebouwing heeft een kwalitatief hoogwaardige uitstraling
en kent naast woonfuncties ook veel kantoorfuncties. Kenmerkend is de grote variatie tussen de bebouwing onderling en de
statige uitstraling van de afzonderlijke bebouwing. Aan de straatzijde zijn de woningen veelal voorzien van aan- en uitbouwen
in de vorm van erkers.
De onderliggende landschappelijke structuren zijn nog steeds herkenbaar. In feite is sprake van een historische gegroeide,
lineaire structuur.
De buurten worden hierna afzonderlijke beschreven en nader toegelicht.




Historisch lint - Rijnsburgerweg                                            Houtkwartier
Houtkwartier
Het Houtkwartier ligt ten noordoosten van de Rijnsburgerweg. Het gebied wordt in het noorden begrensd door de Houtlaan en
in het oosten door de Zweilandlaan. De zuidoostelijke begrenzing wordt gevormd door de spoorlijn.




Mariënpoelstraat                                                               Lijsterstraat




Inbreiding Mezenstraat                                                         Van Ledenberchstraat
Johan de Witstraat                                                              Leidse Hout
Het gebied wordt met de aanwezigheid van het Diaconessenhuis Leiden, diverse onderwijsinstellingen en appartementen
rondom een campusterrein gekenmerkt door diverse grootschalige complexen. Deze gebouwen zijn door hun korrelgrootte
opvallende elementen in de stedenbouwkundige structuur.
In het Houtkwartier komt, naast de complexgewijze bebouwing, veel middelhoogbouw voor, met name in het oostelijk deel
van de wijk. Aan de Boerhaavelaan staan enkele appartementengebouwen variërend in hoogte van vier tot zes bouwlagen.
Deze hoogbouw dateert uit de jaren '70 van de vorige eeuw. Ter hoogte van het Swammerdampad is nieuwbouw gepleegd in
de vorm van een appartementengebouw bestaande uit vijf bouwlagen.
Naast de hoogbouw in het gebied komen ook grondgebonden woningen voor in het Houtkwartier. De veelal statige bebouwing
bestaat hoofdzakelijk uit drie bouwlagen met een kap en dateert uit het begin van de 20e eeuw.
Aan de Mariënpoelstraat zijn drive-in woningen gesitueerd, bestaande uit twee bouwlagen met een plat dak. Deze woningen
dateren uit een latere periode.
In het oosten van het deelgebied is een molen gesitueerd, de Maredijkmolen. Deze molen is duidelijk herkenbaar in het
landschap aanwezig. In voorliggend bestemmingsplan is rekening gehouden met de aanwezige molenbiotoop. Dit geldt ook
voor de molenbiotopen van molen 'De Herder' en de 'Kikkermolen' die in het oostelijke deel van het plangebied staan.
De gemeente heeft plannen voor een grootschalige herstructurering in de wijk Houtkwartier. In het hoofdstuk
'Ontwikkelingen' is aandacht besteed aan de verschillende projecten die onderdeel zijn van deze herstructurering. Concrete
ontwikkelingen worden in aparte, op de ontwikkeling toegespitste bestemmingsplannen opgenomen. In het voorliggende
bestemmingsplan zijn deze gebieden daarom niet opgenomen.
Raadsherenbuurt
De Raadsherenbuurt grenst aan de lintbebouwing aan de Rijnsburgerweg en wordt onderbroken door het sportpark. Deze
woonbuurt heeft nauwe relaties met het lint. De Raadsherenbuurt kent een grote variatie aan bebouwing. De woningen zijn
veelal gebouwd in de jaren '30 van de vorige eeuw.




Raadsherenbuurt
Het gebied bestaat uit stroken. Kleine sprongen in de rooilijn evenals de hoogteverschillen tussen de afzonderlijke panden
benadrukken de perceelsgewijze ontstaansgeschiedenis. De straatwand heeft echter een sterke samenhang. De gevels kennen
een verticale opbouw die onder andere wordt bepaald door de positie van de gevelopeningen. Het kleur- en materiaalgebruik
kent een grote samenhang door het toepassen van baksteen in roodbruine tinten.
De individualiteit is groot, maar de diversiteit is kleiner omdat de bebouwing in een relatief kort tijdsbestek is ontstaan. Op
detailniveau bestaat er veel verschil tussen de bebouwing onderling. De gevels worden gekenmerkt door veel raampartijen,
erkers en balkons. Ook de originele detailleringen zijn vaak nog aanwezig.
De woningen aan de Johan de Witstraat en de Fagelstraat bestaan uit twee bouwlagen met een kap. De nokrichting loopt
parallel aan de weg. Aan de straatzijde zijn de woningen voorzien van een uitbouw of een dakkapel. De voorgevellijn is
getrapt door de verschillende aan- en uitbouwen.
Architectonisch in het oog springende woningen zijn de woningen aan de Van Beuningenlaan. Deze woningen bestaan uit 2,5
bouwlagen met een kap. Ter hoogte van de derde verdieping is een balkon gesitueerd aan de straatzijde. De gevel en de
dakconstructie zijn hier plaatselijk onderbroken.
Aan de randen van het park staan grote vrijstaande woningen, die individueel duidelijk herkenbaar zijn.
Vogelwijk
De Vogelwijk is ontstaan tussen 1901 en 1940. De straatwanden zijn afwisselend, maar op bouwblokniveau bestaat een
sterke samenhang. Het merendeel van de woningen bestaat uit twee bouwlagen met een kap. Woningen met een dwarskap
en een langskap komen voor. Veel woningen zijn uitgerust met bijzondere raampartijen, erkers en balkons.




Vogelwijk
Ten zuidwesten van de Leeuwerikstraat heeft recentelijk inbreiding plaatsgevonden. De bebouwing bestaat uit drie bouwlagen
met een plat dak. Deze inbreiding wijkt in architectonisch en stedenbouwkundig oogpunt af van de overige bebouwing in de
Vogelwijk.
Het voormalige landgoed Bos van Bosman ten zuiden van de Rijnsburgerweg vormt een op zichzelf staand gebied in de wijk.
Op dit moment staat hier de (voormalige) Zusterflat. Aan de Wassenaarseweg/Flanorpad staan enkele studentenflats. Aan het
Van Eijsingapark staan geschakelde woningen in een groene setting. Dit gebied is afgezonderd van de overige bebouwing in
de wijk en vormt als het ware een apart ensemble.
Ten westen van de Nachtegaallaan is een gedeelte aangewezen als beschermd dorpsgezicht. Dit gebied heeft
cultuurhistorische waarde en is in voorliggend bestemmingsplan als zodanig opgenomen.
Park Leidse Hout (inclusief sportpark)
Het park Leidse Hout is een groot bosrijk stadspark, dat samen met de aangrenzende sportvelden de groene rand van de wijk
vormt. Het gebied is nagenoeg onbebouwd en is zeer groen en waterrijk. Het gebied omvat veel recreatieve elementen in de
vorm van fiets- en wandelpaden, tennisvelden, atletiekbaan, hertenkamp, openluchttheater, dierenweide, speelplek,
woonboerderij en bezoekerscentrum 'Het Koetshuis'. Centraal in het Leidse Hout ligt de horecagelegenheid "theehuis 'De
Leidsehout'". De overige bebouwing in deze groene zone behoort tot de aanwezige verenigingen.




Park Leidse Hout
5.3 Groenstructuur
De belangrijkste drager van de groenstructuur is het Leidse Hout. Het Leidse Hout is een stadspark, dat is aangelegd in de
eerste helft van de 20e eeuw. Het park grenst aan de gemeente Oegstgeest en wordt begrensd door de Warmonderweg, Van
Slingelandtlaan, Van Beuningenlaan, Antonie Duycklaan, Houtlaan en de Groene Maredijk. Het park is vanuit verschillende
richtingen te bereiken.
Oorspronkelijk bestond het park uit een wandelpark en een sportpark. Na de tweede wereldoorlog is daar het 'Bospark' aan
toegevoegd. Het park is gecreëerd als volkspark voor arbeiders. In het Leidse Hout zijn historische kenmerken nog altijd
zichtbaar. De basis voor het ruimtelijk ontwerp vormde het bestaande polderlandschap.
Het park heeft verschillende recreatieve en sportieve elementen. Zowel een tennispark, atletiekbaan als een voetbalpark zijn
onderdeel van, of grenzen aan de Leidse Hout. Veel mensen maken gebruik van het park, met name in de weekenden en
tijdens evenementen. Ook in natuurlijk opzicht is het park zeer waardevol. Het biedt goede leefomstandigheden voor flora en
fauna. Het park biedt geschikte schuil-, foerageer-, broed- en nestgelegenheden voor verschillende soorten dieren en bezit
waardevolle en kenmerkende bomenrijen en boomgroepen.




Groenstructuur Leiden Noordwest


5.4 Verkeer en infrastructuur
Auto
De Oegstgeesterweg is behalve een belangrijke ontsluitingsweg voor het gebied en Leiden ook een belangrijke schakel in het
regionale verkeerssysteem. Vanuit Oegstgeest loopt de Oegstgeesterweg over in de Willem de Zwijgerlaan. Deze doorgaande
route doorsnijdt het plangebied van oost naar west. Een tweede gebiedsontsluitingsweg is de Rijnsburgerweg. Vanuit
Oegstgeest leidt deze weg naar het NS-station en de binnenstad.




Infrastructuur Leiden Noordwest
Deze gebiedsontsluitingswegen vormen met de Warmonderweg, de Wassenaarseweg en de buiten het plangebied gelegen,
Schipholweg de hoofdverkeersstructuur. Een aantal wegen binnen het plangebied heeft een buurtontsluitende functie. Het
gaat om de Zweilandlaan, de Houtlaan en de Kagerstraat (tussen Rijnsburgerweg en Dieperpoellaan).
Het binnengebied heeft vooral een woon- en maatschappelijke functie met soms smalle straten die niet berekend zijn op grote
hoeveelheden autoverkeer. Een groot gedeelte van het gebied is dan ook al ingericht als 30 km/uur-zone. Ook de in het
Houtkwartier gelegen Houtlaan, Zweilandlaan, Dieperpoellaan, en een deel van de Kagerstraat (tussen Rijnsburgerweg en
Dieperpoellaan) komen misschien in aanmerking voor inrichting als 30 km/uur-zone. Hierbij moet echter rekening gehouden
worden met de bereikbaarheid van het ziekenhuis voor ambulances en per openbaar vervoer. Dit stelt eisen aan de inrichting
van de straten. In het nog op te stellen verkeersplan wordt dit nader onderzocht en uitgewerkt.
Openbaar vervoer
Het openbaar vervoer rijdt in principe over de gebiedsontsluitingswegen. Daarnaast rijdt er een buslijn via de Kagerstraat, de
Dieperpoellaan en de Houtlaan om het ziekenhuis per openbaar vervoer te ontsluiten. De openbaarvervoerverbindingen
tussen het plangebied en het centrum en centraal station van Leiden zijn uitstekend, zowel wat betreft de ritlengte als de
frequentie.
Langzaam verkeer
In het gebied zijn vrijliggende fietspaden aanwezig langs de Rijnsburgerweg, de Wassenaarseweg en de Oegstgeesterweg.
Over de Groene Maredijk kan in het Leidse Hout gefietst en gewandeld worden. In de Vogelwijk zijn er fietsroutes gecreëerd
van de Rijnsburgerweg over de Nachtegaallaan naar de Wassenaarseweg en een wandelpad door het Bos van Bosman naar de
Wassenaarseweg.
In het gehele Houtkwartier wordt veel gefietst vanwege de aanwezigheid van diverse scholen. Een knelpunt voor langzaam
verkeer vormt het kruispunt Oegstgeesterweg-Boerhaavelaan. Er wordt aan gedacht om hier op termijn een rotonde te
realiseren, waardoor de fietsers met voorrang het kruispunt kunnen oversteken.
Een ander knelpunt vormt de verkeersafwikkeling op de rotonde Rijnsburgerweg-Wassenaarseweg. Er gebeuren hier relatief
veel ongevallen. Dit heeft onder andere te maken met de grote stroom fietsers in twee richtingen rond de rotonde en de
aanwezigheid van veel bussen en auto's. Een voorstel voor het aanpassen van deze rotonde is nog in studie.
Vanwege het vele groen is het gebied geliefd bij fietsers en voetgangers. In het Houtkwartier moet dit groen gestimuleerd
worden. Vanaf de Boerhaavelaan komt er een groene verbindingszone naar het Leidse Hout.
Parkeren
Het parkeren gebeurt in de openbare ruimte. De parkeerdruk is met name in het Houtkwartier hoog. Dit gebied wordt
begrensd door het spoor, de Zweilandlaan, de Houtlaan en de Rijnsburgerweg. De hoge parkeerdruk wordt voornamelijk
veroorzaakt door automobilisten van buiten de wijk. Uit de in mei 2007 uitgevoerde verkeerstellingen kan worden opgemaakt
dat er zich overdag op werkdagen een probleem voordoet. Dan zijn nagenoeg alle parkeerplaatsen bezet. Terwijl in de avond-
en nachtelijke uren alsmede op zaterdag de bezettingsgraad vrij laag is. Uit een kentekenonderzoek komt naar voren dat er
op de drukke momenten zeer weinig auto's staan van de eigen bewoners. Een groot deel (38%) is afkomstig uit omliggende
gemeenten, met name Leiderdorp en Oegstgeest, en de regio.
Vanwege de ligging van de wijk in de nabijheid van het NS-station laten de mensen van buitenaf hun auto in de wijk voor een
langere periode achter om de reis naar hun plek van bestemming voort te zetten per trein. Dit gebeurt ook door
vakantiegangers die naar Schiphol reizen per trein en in het Houtkwartier soms meerdere weken hun auto laten staan. Voor
bezoekers van de binnenstad is de loopafstand te ver. Op koopavond en zaterdagmiddag vormt de parkeerdruk dan ook geen
probleem. Dit geldt ook voor momenten dat voornamelijk geparkeerd wordt door de bewoners zelf.
Het probleem van vreemd parkeerders in het Houtkwartier kan worden opgelost door de invoering van parkeerrestrictie.
Hiermee kan het volgende bereikt worden:



        afname van de parkeerdruk;

        meer parkeerruimte voor bewoners;

        minder verkeersbewegingen;

        verbetering van de leefbaarheid (onder andere minder geluid- en stankoverlast);

        minder emissies en verbetering van de verkeersveiligheid;

        mogelijkheid voor verbetering van de kwaliteit van de openbare ruimte.


Parkeerrestrictie houdt in dat bewoners en buitenstaanders niet langer gratis kunnen parkeren. Er zijn diverse systemen en
restrictietijden mogelijk. Betaald parkeren zou bijvoorbeeld alleen ingevoerd kunnen worden voor de periode van 10.00-14.00
uur om langparkeren tegen te gaan. Bewoners kunnen in dat geval een parkeervergunning aanvragen. Of en, zo ja, op welke
manier parkeerrestrictie zal worden ingevoerd, wordt uitgewerkt in de Parkeernota.
Het Coalitieakkoord 2008-2010 benoemt drie gebieden waar geëxperimenteerd gaat worden met het instellen van blauwe
zones in plaats van een betaaldparkerenregime. Bij blauwe zones vloeit de opbrengst van de parkeerboetes in de rijkskas. Bij
betaald parkeren krijgt de gemeente de opbrengst uit de naheffingsaanslagen.
Verkeerskundige ingrepen
Binnen het gebied zijn nabij de Kikkermolen aan de Oegstgeesterweg werkzaamheden voorzien. Om de wijk Poelgeest in de
gemeente Oegstgeest en het Leidse Trekvaartplein van een tweede ontsluitingsweg te voorzien, is er een nieuwe weg met
brug gepland over de Haarlemmertrekvaart. Om deze nieuwe verbinding veilig aan te sluiten op de Oegstgeesterweg is aanleg
van een rotonde met vrijliggende fietspaden voorzien.
Op termijn zou ook het kruispunt Oegstgeesterweg-Boerhaavelaan kunnen worden heringericht, bij voorkeur eveneens door
middel van een rotonde, waardoor de fietsers sneller en veiliger naar de Boerhaavelaan kunnen rijden.
Aanpassingen aan de rotonde Rijnsburgerweg-Wassenaarseweg zijn voorzien om de verkeersafwikkeling op dit kruispunt
overzichtelijker te maken.
Daarnaast kunnen in de wijk enkele kleine verkeerskundige ingrepen plaatsvinden. Vanwege de vergroting van basisschool
Woutertje Pieterse wordt gedacht aan herinrichting van het kruispunt Paulus Buysstraat-Antonie Duycklaan en eventuele
aanvullende verkeerscirculatiemaatregelen. Verder wordt er onderzocht of in het verlengde van de Kagerstraat twee
voetgangersbruggetjes over de Groene Maredijk kunnen worden gerealiseerd. Eventueel dubbelgebruik van het parkeerterrein
bij Lugdunum voor bepaalde voorzieningen wordt daarmee mogelijk gemaakt.


5.5 Archeologie
De gemeente Leiden heeft een rijk bodemarchief. In de afgelopen decennia is bij tientallen opgravingen vastgesteld dat het
onderzoek van de archeologische resten die in de bodem verborgen liggen een van de belangrijkste bronnen van kennis over
de bewoningsgeschiedenis van de regio rondom Leiden vormt.
De doelstelling van het gemeentelijk archeologiebeleid is om de archeologische bronnen zo verantwoord mogelijk te
beschermen. De erosie van het bodemarchief is ondanks alle inspanningen tot behoud van archeologische resten immers nog
steeds erg groot. Dit betekent dat bij toekomstige ontwikkelingen verstoring van de diepere ondergrond uit archeologisch
oogpunt zoveel mogelijk dient te worden vermeden.
Waar dit niet mogelijk is, zal in de gebieden waar waardevolle, informatieve archeologische resten verloren dreigen te gaan,
voorafgaand aan de geplande bodemingreep verantwoord onderzoek dienen plaats te vinden. Om deze doelstelling te kunnen
realiseren is in het bestemmingsplan een aantal voorschriften en maatregelen opgenomen. Deze voorschriften zijn gebaseerd
op een inventarisatie en evaluatie van de omvang en kwaliteit van het archeologisch bodemarchief. De resultaten van deze
inventarisatie, die de gehele gemeente beslaat, zijn vastgelegd in het vastgestelde bestemmingsplan Archeologie uit 2010,
voorzien van een toelichting, regels en bijbehorende kaarten. Het bestemmingsplan Archeologie uit 2010 geldt tevens als
verantwoording en onderbouwing van de in dit bestemmingsplan voorgestelde maatregelen.
Leiden heeft zeven verschillende 'waarderingsgebieden', waar verschillende regimes gelden naar aanleiding van de
archeologische waarde of de archeologische verwachtingswaarde. Voor zes waarderingsgebieden wordt in opzet dezelfde
planregel gebruikt, waarin een omgevingsvergunningstelsel is opgenomen. De verschillen tussen de waarderingsgebieden
zitten in de oppervlakten en diepte van bodemverstoring vanaf wanneer een omgevingsvergunning dient te worden
aangevraagd. Een uitsnede van de archeologische waardenkaart behorend bij het bestemmingsplan Archeologie is hieronder
weergegeven.




Uitsnede archeologische waardenkaart
Voor 'Waarde - Archeologie 1' geldt de omgevingsvergunningsplicht niet, omdat het een beschermd archeologisch
rijksmonument betreft, waarop de regels van de Monumentenwet 1988 van toepassing zijn. Voor verstoring van de bodem op
die locaties is een monumentenvergunning vereist.
De zeven waarderingsgebieden zijn:
Waarde archeologie 1                       Archeologisch rijksmonument
Waarde archeologie 2                        Gebied van archeologische waarde binnen de singels
Waarde archeologie 3                        Gebied van archeologische waarde buiten de singels
Waarde archeologie 4                        Gebied met een hoge archeologische verwachting binnen de singels
Waarde archeologie 5                        Gebied met een hoge archeologische verwachting buiten de singels
Waarde archeologie 6                        Gebied met een middelhoge archeologische verwachting
Waarde archeologie 7                         Gebied met een lage archeologische verwachting
In het plangebied is waarderingsgebied Waarde - Archeologie 3, 5 en 6 aanwezig.
Archeologische waarden in het plangebied
Uit het onderzoek dat is verricht ten behoeve van de archeologische inventarisatie is gebleken dat in het plangebied een
aantal vondstmeldingen bekend is. Uit historische bronnen was al bekend dat in het plangebied een aantal cultuurhistorische
elementen aanwezig is geweest waarvan nog resten in de bodem aanwezig kunnen zijn. Het betreft de volgende elementen:



        Kasteel Paddenpoel, gebouwd vlak na 1393 en verwoest tijdens het beleg in 1420.

        Het klooster Mariënpoel, in gebruik tussen 1428 en 1573.


Beide complexen zijn gedeeltelijk opgegraven in 1927 en 1966 waarbij gebleken is dat bij de bouw van het klooster
gedeeltelijk gebruik is gemaakt van funderingen van kasteel Paddenpoel.
In het uiterst westelijk deel van het plangebied ligt de uitloper van een strandwal. Op deze strandwal is de afgelopen jaren
een aantal onderzoeken uitgevoerd waarbij bewoningssporen zijn aangetroffen daterend uit de ijzertijd, Romeinse tijd en
vroege middeleeuwen.
Geologisch gezien komen in het plangebied verschillende eenheden voor. Aan de noord-westzijde van het Leidse grondgebied
snijdt een Oude Duin met strandzanden in het gemeentelijke territorium. De vorming van strandwallen met ertussen gelegen
vlakten was voltooid omstreeks 3500/3000 v.Chr. Dit duin is niet door jongere transgressiefasen overdekt of geërodeerd en
kan vondstmateriaal vanaf de jonge steentijd opleveren. De strandvlaktes naast de Oude Duin zijn wel afgedekt en kunnen -
op grote diepte - eveneens vondstmateriaal uit de jonge steentijd bevatten. De duinen zijn in de loop der tijd afgetopt,
waardoor het aldaar aanwezige bodemarchief is geërodeerd. Op de flanken kan daarentegen de conserveringstoestand nog
goed zijn.
Rond 2000 v.C begon de verlanding aan de randen van het estuarium van de Oude Rijn en vormde zich een kleidek waarop
het Hollandveen zich vervolgens ontwikkelde. De veengroei werd onderbroken door meerdere transgressiefasen waarbij delen
van het gebied als gevolg van een stijging van de zeespiegel onder water kwamen te staan. Daarbij werd klei met veel
houtresten (komafzettingen) afgezet. Tijdens deze transgressiefasen ontstonden krekenstelsels in het veen. Als de kreken
verlanden en dichtslibden, werden het geschikte vestigingsplaatsen voor de mens. De komkleigebieden in het plangebied
hebben een middelhoge archeologische verwachting omdat plaatselijk verlande kreken aanwezig kunnen zijn die geschikt zijn
geweest voor bewoning. Ten aanzien van geomorfologie en bodems zijn voor een groot deel van het plangebied gegevens
voorhanden.
Langs de westelijke grens van het plangebied loopt de strandwal met daarnaast een deel van een jongere rivier inversierug.
Dergelijke ruggen waren hoge plaatsen in het landschap en dientengevolge zeer geschikt als vestigingsplaats. Op rivier-
inversieruggen is in Leiden een groot aantal vindplaatsen/vondsten gelegen, die de periode vanaf de Romeinse tijd tot de
Nieuwe tijd bestrijken. Voor al deze perioden geldt een hoge archeologische verwachting.
Ter hoogte van de strandwal bestaan de bodems vooral uit kalkhoudende enkeerdgronden. Ten oosten hiervan, in het gebied
met de komkleiafzettingen komen kalkarme poldervaaggronden voor.
Tot slot is duidelijk dat enkele delen van het plangebied in ernstige mate verstoord zijn, namelijk een aantal gebouwen die
onderkelderd zijn. Door deze ingreep is de bodem in deze delen van het plangebied zeer diep geroerd. Hierdoor zijn eventueel
in de bodem aanwezige archeologische resten voorgoed verloren gegaan.
Op basis van bovengenoemde archeologische vondsten, geologische, geomorfologische en bodemkundige kenmerken geldt
voor delen van het plangebied een hoge archeologische verwachting. Het betreft de gebieden waar de strandwal en de rivier-
inversierug in de ondergrond aanwezig zijn. Een even groot deel van het plangebied is aangewezen als gebieden waarvoor
een middelhoge archeologische verwachting geldt. Het gaat hier om de lager gelegen komgebieden waar plaatselijk hoge
kreekruggen aanwezig kunnen zijn die geschikt waren als vestigingsplaats. In de reeds verstoorde delen van het plangebied
zijn geen archeologische waarden meer aanwezig.


5.6 Rijks- en gemeentelijke monumenten
Het plangebied kent aantal rijksmonumenten en gemeentelijke monumenten. De gemeentelijke monumenten zijn
voornamelijk gelegen langs de Rijnsburgerweg. De drie molens in het plangebied en de boerderij met het
voorlichtingscentrum in de Leidse Hout zijn Rijksmonumenten. De rijks - en gemeentelijke monumenten zijn in dit plan niet
opgenomen. Het is niet zinvol deze in het plan op te nemen. Hun bescherming ontlenen zij aan de aanwijzing tot monument.
Dit bestemmingsplan strekt ter bescherming van de gronden die onderdeel uitmaken van het beschermd dorpsgezicht:
"Wilhelminapark en Geesten" gemeenten Oegstgeest en Leiden ex artikel 35 Monumentenwet 1988, aanwijzing d.d. 26
oktober 2007. Ingevolge artikel 36 van de monumentenwet dient ter effectuering van de bescherming van een beschermd
stads - of dorpsgezicht een bestemmingsplan te worden opgesteld. Het dorpsgezicht bevindt zich nabij de Nachtegaallaan. Op
de verbeelding is het dorpgezicht opgenomen met de aanduiding Waarde - Cultuurhistorie.
De kern van het dorpsgezicht Wilhelminapark en Geesten in de gemeenten Oegstgeest en Leiden wordt gevormd door een
belangrijk, maar niet meer geheel gaaf, rond 1900 ontworpen en in korte tijd ingevuld stedelijk villapark op een simpele, y-
vormige plattegrond. De vrijstaande en onder een kap gebrachte bebouwing vertoont een hoge mate van eenheid in een aan
chaletstijl en Jugendstil verwante trant. Dit laatste geldt eveneens voor het nabijgelegen vroegere sanatorium Rhijngeest en
de villa van de geneesheer-directeur, die markant liggen binnen de voormalige 19e-eeuwse buitenplaats Rhijngeest. Deze
buitenplaats omvat naast het landhuis en een aantal vroegere dienstgebouwen belangrijke onderdelen van de parkaanleg,
waarin de oorspronkelijke structuur goed herkenbaar is. Het complex van het kasteel Endegeest is een representatief, maar
niet geheel gaaf voorbeeld van een 17e-eeuwse landhuis, dat tot ver in de 19e eeuw werd gewijzigd. De 19e eeuwse
bosaanleg van de voormalige buitenplaats Endegeest onderging wel wijzigingen, maar de structuur bleef in hoofdzaak intact
en herkenbaar, net als het zuidelijker gelegen weidegebied. Het belang van het bos en het weidegebied betreft niet alleen de
cultuur, maar ook de botanische en faunawaarden.
gebied stadsgezicht
5.7 Beeldbepalende panden
Dit bestemmingsplan strekt tevens ter bescherming van beeldbepalende panden. Voor de aanwijzing als beeldbepalend pand
worden de volgende algemene criteria gehanteerd:



        beeldbepalende/karakteristieke panden of bouwwerken zijn geen rijksmonument of gemeentelijk monument; bij

         aanwijzing tot één van de genoemde categorieën monumenten vervalt de status van beeldbepalend pand;

        beeldbepalende/karakteristieke panden of bouwwerken zijn niet aan een ontstaansgrens gebonden; panden die

         zowel ouder als jonger dan 50 jaar zijn, kunnen worden geselecteerd;

        beeldbepalende/karakteristieke panden of bouwwerken zijn geselecteerd op de rol die de gevel, met inbegrip van het

         bijbehorend dakvlak, speelt in het historische stadsbeeld.


Beeldbepalende panden of bouwwerken kennen geen wettelijke bescherming. In dit plan is voor deze panden een
beschermend voorschrift opgenomen. Ter plaatse van een beeldbepalend bouwwerk wordt de volgende aanduiding op de
verbeelding geplaatst: 'specifieke vorm van (primaire bestemming) - beeldbepalend pand'. De beeldbepalende panden liggen
in diverse bestemmingen, te weten in de bestemmingen Wonen, Maatschappelijk, Gemengd, Kantoor en Bedrijf-Nuts. Hierin
zullen de beschermende voorschriften in worden opgenomen. Tevens is een lijst met beeldbepalende panden als bijlage aan
het plan toegevoegd. De beeldbepalende panden zijn opgenomen in bijlage 1bij de toelichting van het plan.
5.8 Molens
De Maredijkmolen, Molen De Herder en de Kikkermolen liggen in het plangebied. Bij ontwikkelingen binnen een molenbiotoop
gelden richtlijnen met betrekking tot de maximaal toegestane hoogte. De molenbiotopen zijn daarom opgenomen in
voorliggend bestemmingsplan.
Maredijkmolen
De molen staat aan de Groene Maredijk en is gebouwd omstreeks 1735. Deze wipmolen uit 1735 is de oudste molen van
Leiden. Als poldermolen heeft hij tot 1970 de Maredijkpolder bemalen. De molen is door de aanleg van de spoorlijn Haarlem-
Leiden rond 1840 verplaatst van de Haarlemmervaart naar de huidige locatie. In 1983 is de molen gerestaureerd. De
restauratie bleef beperkt tot het onderstel deel van de toren.
De molenbiotoop is slecht, in hoofdzaak door te hoge begroeiing rondom de molen. Uitschieters in negatieve zin zijn drie
populieren van 35 meter hoog in het zuidwesten en de zeer hoge bomen in de andere windrichtingen. Ook slecht voor de
windvang is het geluidsscherm langs de spoorbaan en de bebouwing in het westen en zuidwesten van 9 meter en meer
hoogbouw op een afstand van 35 en 50 meter. De geplande hoogbouw langs beide zijden van de spoorbaan moet rekening
houden met de aanwezige molenbiotoop.




Maredijkmolen                                        Molen De Herder                                 De Kikkermolen
Molen De Herder
Deze stellingmolen werd in 1884 gebouwd nadat de vorige houtzaagmolen op 5 september 1883 door blikseminslag werd
verwoest. Voor de herbouw werd de molen 'De Kat' (anno 1753) uit Amsterdam naar Leiden overgebracht. De functie van de
molen is een houtzagerij. Oorspronkelijk tot circa 1926 functioneerde de molen op windkracht. Na de elektrificatie was de
molen tot 1941 buiten bedrijf. In dat jaar werd De Herder weer geheel maalwaardig op windkracht, maar na de oorlog kwam
de molen weer tot stilstand. Tussen 1998 en 2000 werd de molen gerestaureerd. In de molen is de oude snelzaagmachine
met horizontaal zaagraam uit 1920 teruggeplaatst en kan in principe nog met windkracht worden aangedreven.
De molenbiotoop is zeer matig en dit wordt hoofdzakelijk veroorzaakt door de veel te hoge beplanting, zowel op het eigen
grondgebied van de eigenaar, als de dichte begroeiing langs de Haarlemmertrekvaart. Zo ook de hoge populieren langs het
tennispark en de hoge begroeiing langs het spoortalud. De hoogte van de bomen varieert van 25 tot 35 meter.
De Kikkermolen
De Kikkermolen is een wipmolen uit 1752 die staat aan de Oegstgeesterweg. De poldermolen had als functie het bemalen van
de Kikkerpolder. Deze molen is de kleinste molen in Leiden. Bij deze molen staat de schepradkast los van de molen. In 1996
werd de molen voor het laatst gerestaureerd. Daarbij werden het gevlucht, het bovenhuis en de houten bovenas vernieuwd.
De windbelemmering wordt veroorzaakt door beplanting en bomen (van de Heemtuin Leiden) rondom de molen. Hinder van
de bebouwing is nog niet aan de orde, wel hinder van woonboten op 10 meter afstand, en van woonwagens op 40 meter
afstand. Deze belemmeren het zicht en de windvang. Een 18 meter hoge bomenrij langs de Oegstgeesterweg en de
windsingels langs de sportvelden zijn een probleem. Het meer open maken van de groenstructuur en het herstellen van de
zichtlijnen naar Molen De Herder en de Maredijkmolen kan een aanzienlijke verbetering van de molenbiotoop opleveren.
5.9 Landgoedbiotoop Oud Poelgeest
Oud - Poelgeest
Het kasteel Oud Poelgeest is gelegen buiten het plangebied en de gemeentegrens van Leiden. Het kasteel heeft echter wel
een uitstraling naar het plangebied. Het kasteel maakt deel uit van een omvangrijk landgoedbiotoop. Zowel binnen als buiten
het plangebied zijn nog duidelijk herkenbare structuren aanwezig. Deze historische structuren hebben een 17de- eeuwse of
zelfs oudere oorsprong en zijn sinds hun bestaan bepalend geweest in de ruimtelijke beleving en ontwikkeling van het gebied.
Op de plek waar rond 1660 het huidige kasteel werd gebouwd was ruim 1000 jaar geleden al een versterkt huis. Dit huis werd
tijdens het beleg van Leiden verwoest. Rond 1660 werd het huidige kasteel Poelgeest gebouwd. De statige maar sobere
architectuur van het kasteel werd in de 19e eeuw aangevuld met twee torens met ui-vormige bekroningen. Verder werden
diverse bijgebouwen gerealiseerd zoals een koetshuis, oranjerie en een kleine kapel. Van oudsher is het terrein dat nu in
gebruik is als ijsbaan onderdeel van de gronden van het ten noorden daarvan gelegen kasteel. Vanuit de zuidoostelijke gevel
van het kasteel en de daarvoor gelegen boogbrug heeft men vrij zicht over het open gebied (nu ijsbaan) en de
Haarlemmertrekvaart.
Landgoedbiotoop Oud Poelgeest
Haarlemmertrekvaart
De Haarlemmertrekvaart is gerealiseerd in 1657 en loopt van Leiden naar Haarlem. Vanuit Leiden kon bij het graven van de
vaart gebruik worden gemaakt van het riviertje de Maern (of Mare/Maren). De trekschuit was in die tijd een zeer populair
vervoermiddel voor vracht, maar vanwege het comfort ook voor personen. De steden Haarlem en Leiden exploiteerden de
trekvaart voor gezamenlijke rekening. De exploitatie was zeer lucratief. In het topjaar 1677 maakten 148.397 mensen
gebruik van de vaart.
Oegstgeesterweg
De Oegstgeesterweg, ten westen van het plangebied, behoort niet tot de oude structuur van het gebied. De weg loopt vanuit
Oegstgeest langs Kasteel Poelgeest en wat nu de ijsbaan is, onder het spoor door richting Leiden is pas eind jaren zestig,
begin jaren zeventig van de 20ste eeuw aangelegd. De weg doorkruist de oude Kikkerpolder. Deze polder is nu ingericht als
sportterrein. Voor deze transformatie was er echter sprake van een polder met graslanden, met bemaling van de Kikkermolen.
De Kikkerpolder werd aan westelijke zijde begrensd door de Maredijk, nu de groene Maredijk.
Oostelijk deel trekvaart
Terwijl de oorspronkelijke structuur van het landschap in en rondom het plangebied aan de westelijke zijde nog redelijk goed
herkenbaar is, is deze aan de oostelijke zijde nog duidelijker gebleven. Zo is het tracé van het jaagpad nog aanwezig in de
direct naast de vaart gelegen Haarlemmerweg die ter hoogte van Oud - Poelgeest de vaart over de Kwaakbrug oversteekt en
op de westelijke zijde zijn weg vervolgt.




Een deel van het buiten het plan gelegen gebied is aangemerkt als landschap met zeer hoge waarde. Dit landschap betreft het
terrein van het kasteel Oud-Poelgeest (ingekleurd). De zichtas ten noordwesten en ten zuidoosten van het kasteel is
aangemerkt als zeer belangrijk (zwarte pijl). De gele lijn is de vaart (landschappelijk-historisch redelijk
hoge waarde).(Cultuurhistorische Atlas Zuid-Holland)

Historische structuren


        Het kasteel Oud Poelgeest (rond 1660). (buiten plangebied)
        De loop van de Haarlemmertrekvaart, gerealiseerd in 1657 (deels binnen plangebied)
        De Haarlemmerweg als tastbaar overblijfsel van het tracé van het jaagpad aan de oostelijke zijde van de
         vaart.(buiten plangebied)
        Het taps toelopende terrein tussen de Haarlemmerweg en de Broekweg als onderdeel van de oude
         verkavelingsstructuur.(buiten plangebied)
        De Broekweg en Broeksloot aan de oostelijke zijde van de vaart als eeuwenoude infrastructuur en waterloop.(buiten
         het plangebied)
        De ijsbaan, als open landschap met vrije zichtlijnen van en naar het kasteel Oud - Poelgeest, tevens als onderdeel
         van de oude verkavelingsstructuur en als onderdeel van het landgoed Oud - Poelgeest.(buiten het plangebied).


Cultuurhistorisch waardevolle objecten


        De ten noorden van het plangebied gelegen Kwaakbrug (buiten het plangebied)
        De ten zuiden van het landgoed gesitueerde monumentale Kikkermolen (in plangebied/buiten landgoedbiotoop).
        Het ten noordwesten van het plangebied gelegen kasteel Oud - Poelgeest met omliggende gronden/aanleg en
         bijgebouwen (buiten plangebied).
        Het in 1959 aangelegde Heempark ten zuiden van het landgoed (binnen plangebied/buiten het landgoedbiotoop).


Landgoedbiotoop binnen het plangebied
Een deel van de bij het kasteel behorende landgoedbiotoop is binnen het plangebied gelegen. Het betreft zuidwestelijk van het
kasteel gelegen gronden. Het gaat om een deel van de sportvelden Kikkerpolder I en II. Een deel van de Oegstgeesterweg
loopt door het biotoop. Het bestemmingsplan Noordwest voorziet niet in nieuwe ontwikkelingen binnen het landgoedbiotoop.

Bestaande planologie
In het bestemmingsplan Noordwest zijn de bestaande bouwmogelijkheden overgenomen uit het vigerende bestemmingsplan
Poelgeest c.a. (1989). In dit oude plan is voor de gronden met de bestemming Recreatieve Doeleinden, sportvelden
aangegeven dat deze bebouwd mogen worden tot het op de tekening aangegeven percentage (artikel 6, lid 2 ). De hoogte
van gebouwen en andere bouwwerken mag niet meer bedragen dan op de tekening is aangegeven (artikel 6, lid 4). Op de bij
het bestemmingsplan Poelgeest (1989) behorende plankaart voor het gebied is een bebouwingspercentage aangegeven van
7,0 procent en een hoogte van 8,5 meter. Op de nader met een p aangeduide gronden is de realisatie van parkeergelegenheid
toegestaan. Tevens is op deze plankaart aangegeven waar voetgangersbruggen mogen worden aangelegd.

Nieuwe planologie
Voor de gemeente Leiden zijn de bestaande bebouwingsmogelijkheden in de Kikkerpolder I en II van groot belang met het
oog op de voorgenomen bouw van sportvoorzieningen. Uiteraard zal de gemeente bij de realisering van deze
sportvoorzieningen en bijbehorende voorzieningen rekening houden met de instandhouding van de landgoedbiotoop. Situering
van bebouwing aan de rand van de sportvelden en buiten het landgoedbiotoop, biedt hiervoor mogelijkheden.
Het college en de raad hebben voor de ontwikkeling van een multifunctionele sportaccommodatie (mfsa) in de Kikkerpolder de
nota van Uitgangspunten vastgesteld bij B&W-besluit (10.0466, 27april 2010) en Raadsbesluit (10.0081, 30 september 2010).
Onderdeel van deze accommodatie is een sportzaal ter grootte van twee gecombineerde gymzalen voor het geven van
bewegingsonderwijs en geschikt zijnde voor weekeind en avondgebruik. De accommodatie biedt de mogelijkheid voor
buitenschoolse opvang. Ook is gedeeltelijke herontwikkelen mogelijk van de bestaande tribune. Verder is besloten dat het
aantal parkeerplaatsen moet voldoen aan de toepasselijke CROW norm en realisatie van de sportzaal toekomstige
herschikking van de sportvelden niet in de weg dient te staan.
Het besluit is genomen nadat was gebleken dat bij scholen in het Houtkwartier en in de naaste omgeving geen ruimte kon
worden gevonden voor de realisatie van 2 sportzalen anders dan in de Kikkerpolder. Lokalen voor bewegingsonderwijs zijn
een 'voorziening huisvesting onderwijs', en zodoende maken zij onderdeel uit van de zorgplicht die vanaf 1 januari 1997 door
het Rijk is gedecentraliseerd naar de gemeente.
Met het oog op het bovenstaande zijn bestaande bouwmogelijkheden uit het bestemmingsplan Poelgeest in het nieuwe
bestemmingsplan Leiden Noordwest gehandhaafd. Ook voor die delen van de velden waarvoor in het nieuwe
bestemmingsplan een landgoedbiotoop is opgenomen. Artikel 14, lid 3 van de Verordening Ruimte van de provincie Zuid -
Holland biedt hiervoor ruimte.
De gemeente zal de cultuurhistorische waarden (in de op de verbeelding aangegeven zone) in geval van ruimtelijke
ontwikkelingen behouden en verbeteren en daarbij rekening houden met de structuur, panorama's, zichtlijnen en blikvelden
van de landgoedbiotoop Oud - Poelgeest. Bij de bouw van bovengenoemde sportvoorzieningen zal situering aan de rand van
de sportvelden en buiten de landgoedbiotoop plaatsvinden. De locatie biedt hiervoor mogelijkheden. Voor bouwen binnen het
landgoedbiotoop en nieuwe ontwikkelingen zijn regels in het plan opgenomen. Het gemeentelijk beleid is in overeenstemming
met artikel 14 Verordening Ruimte.

Kikkermolen, Heempark en de Haarlemmertrekvaart vallen buiten de landgoedbiotoop. De Kikkermolen wordt als object
voldoende beschermd door de bestemming Gemengd - Molen en de status van rijksmonument. Het omliggende terrein valt
binnen de bescherming van de molenbiotoop. Het Heempark wordt voldoende beschermd door de bestemming Groen en de
over het gebied gelegen gezamenlijke molenbiotopen van de molens De Herder, Maredijkmolen en Kikkermolen. De delen van
de Haarlemmertrekvaart in het bestemming plan zijn adequaat als Water bestemd en vallen eveneens binnen de gezamenlijke
molenbiotopen van bovengenoemde drie molens.
De gronden waarop Kikkermolen, Heempark en Haarlemmertrekvaart zijn gelegen worden vanwege de archeologische waarde
tevens beschermd door de aanduiding 'Waarde - Archeologie'. Een nog verdergaande bescherming is formeel niet noodzakelijk
(geen onderdeel landgoedbiotoop) en feitelijk overbodig.
Op de kaart (kaart 12, landgoedbiotoop verordening ruimte provincie Zuid-Holland) staat de biotoop (in groen) aangegeven.
Delen van de sportvelden in de Kikkerpolder en de Oegstgeesterweg vallen binnen de landgoedbiotoop. Kikkermolen,
Heempark en het in het plangebied gelegen deel van de Haarlemmertrekvaart vallen buiten de biotoop.



6 Functionele karakteristiek en structuur

        6.1 Wonen

        6.2 Werken en bedrijven

        6.3 Detailhandel, dienstverlening en structuur

        6.4 Sport en recreatie

        6.5 Maatschappelijke voorzieningen

        6.6 Overige functies


Het plangebied heeft een gemengd karakter, zowel qua bebouwingstypologie als qua aanwezige functies. In dit hoofdstuk
worden alle aanwezige functies besproken. Tevens wordt een overzicht gegeven van de ligging van de verschillende functies
in het bestemmingsplangebied.
6.1 Wonen
De woonfunctie concentreert zich voornamelijk aan het historische lint, de Rijnsburgerweg. Ten noorden en ten zuiden van de
Rijnsburgerweg zijn verschillende woonbuurten ontstaan. Deze buurten kenmerken zich echter door een grote mate aan
functiemenging. In het historische lint is de woonfunctie veelal gecombineerd met een bedrijfs- of detailhandelsfunctie.
In het noorden van het plangebied overheerst de woonfunctie. De Raadsherenbuurt en de Vogelwijk bestaat hoofdzakelijk uit
woningbouw. Het Houtkwartier wordt gekenmerkt door een grote mate aan functiemenging. De woonfunctie komt hier
ondergeschikt voor aan de maatschappelijke functie.
6.2 Werken en bedrijven
Verspreid over het bestemmingsplangebied komt slechts incidenteel bedrijvigheid voor, veelal in combinatie met de
woonfunctie.
Aan de spoorzone, in het zuiden van het plangebied, is een bedrijventerrein gesitueerd. Deze bedrijfsfunctie sluit aan bij de
overige bedrijfs- en kantoorfuncties grenzend aan de spoorlijn Leiden-Haarlem.
Op verschillende plaatsen vinden aan-huis-gebonden beroepen plaats.
Bedrijven in Noordwest                          Gemengd gebied in Noordwest (inclusief detailhandel)
6.3 Detailhandel, dienstverlening en structuur
De detailhandelsfunctie is in veel gevallen gecombineerd met de woonfunctie. Vooral in het historische lint komt verspreid de
detailhandelsfunctie voor. Op de hoek van de Wassenaarseweg en de Rijnsburgerweg is een bank aanwezig en op de hoek van
de Rijnsburgerweg en de Mariënpoelstraat is een hotel gesitueerd. Ook andere functies komen voor.
6.4 Sport en recreatie
In het bestemmingsplangebied zijn voornamelijk in het oosten sportvoorzieningen aanwezig. Centraal in het plangebied ligt
een atletiekbaan met enkele tennisvelden. Ten zuidwesten van de Oegstgeesterweg is een bovenwijkse sportvoorziening
aanwezig die bestaat uit voetbalvelden en een honkbal accommodatie.
De sportvoorzieningen maken onderdeel uit van de groene zone in het plangebied. Deze ruimtevragende functies zijn
geconcentreerd in het noordoosten van het bestemmingsplangebied.




Maatschappelijke voorzieningen in Noordwest     Sportvoorzieningen in Noordwest
6.5 Maatschappelijke voorzieningen
Ten noordoosten van de Rijnsburgerweg zijn grootschalige complexen gesitueerd met een maatschappelijke functie. Het
Diaconessenhuis Leiden is een bovenwijkse maatschappelijke voorziening, met een grote impact op de ruimtelijke en
functionele structuur van de wijk. Het ziekenhuis is gesitueerd in het gebied dat wordt begrensd door de Houtlaan,
Dieperpoellaan, Zweilandlaan en de Kagerstraat.
Op een aantal locaties in de wijk zijn scholen aanwezig, waaronder aan de Kagerstraat, Houtlaan, Antonie Duyklaan,
Mariënpoelstraat en de Van Swietenlaan. In het oosten van het plangebied zijn twee voormalige schoolterreinen braakliggend.
Ook een kinderdagverblijf en een sportschool zijn aanwezig in het plangebied.
6.6 Overige functies
In het Leidse Hout is een theehuisje gesitueerd. Deze horecaonderneming heeft voornamelijk een functie voor de recreanten
in het stadspark. Ook is de locatie te huren door groepen voor lunch of diner. In het plangebied zijn verder twee
horecaondernemingen gesitueerd aan de Rijnsburgerweg.
Theehuisje
In het westen van het plangebied, ten westen van de Nachtegaallaan, is een gedeelte aangeduid als beschermd dorpsgezicht.
In dit deelgebied is een volkstuinencomplex met een kwekerij aanwezig. Dit complex heeft een recreatieve functie. Het
overige deel van dit historisch waardevol gebied heeft een agrarische functie.
Het Leidse Hout is een groot stadspark in het noorden van het plangebied. Dit gebied dient als recreatieve uitloper van de
stad. Ook ten noorden van de Oegstgeesterweg is een groengebied gesitueerd, aansluitend op het Leidse Hout. Plaatselijk zijn
woonboten toegestaan. In het westen van het plangebied is tevens het Bos van Bosman gesitueerd.
Verspreid over de wijk komen groengebieden voor met duidelijke waarde. Voornamelijk in de omgeving van de
appartementengebouwen aan de Boerhaavelaan is veel kwalitatief groen aanwezig, dat ook als dusdanig is bestemd.
De stad Leiden wordt bovendien gekenmerkt door de hoeveelheid water in en in de omgeving van de stad. Ook in het
plangebied nemen waterlopen een prominente plaats in. Langs de Groene Maredijk stroomt een waterloop richting Oegstgeest.
De aanwezige waterloop ten noorden van de Oegstgeesterweg staat in verbinding met de historische grachtengordel en leidt
in het noorden naar het Oegstgeesterkanaal.


7 Gebiedsvisie

        7.1 Uitgangspunten van het bestemmingsplan

        7.2 Ontwikkelingen


7.1 Uitgangspunten van het bestemmingsplan
Parkeren
In de regels zijn geen bepalingen omtrent het parkeren opgenomen. Parkeernormen zijn aan veranderingen onderhevig,
bijvoorbeeld als gevolg van het autobezit en -gebruik. Het zou onjuist zijn om in het plan een norm op te nemen die aan
veroudering onderhevig is. Niettemin moet toch worden voldaan aan normen inzake de aanwezigheid van voldoende
parkeerplaatsen. Bij nieuwbouw en bij ingrijpende verbouwingen of veranderingen van bestaande gebouwen zal de gemeente
erop toezien dat voldoende parkeergelegenheid op eigen terrein dan wel in of onder een gebouw beschikbaar is. Dat betreft
zowel de gebruikers als de bezoekers van een gebouw. De parkeerbehoefte kan niet op de eventuele capaciteit van het
openbaar gebied afgewenteld worden.
Onder werking van de Wro is het niet mogelijk om op basis van de Bouwverordening een parkeereis te stellen. Momenteel
wordt een parkeerbeleidsplan voorbereid, waarin de parkeernormen voor Leiden worden vastgelegd. Als dat door de
gemeenteraad is vastgesteld zal een bouwplan in eerste instantie, voor wat betreft het parkeren aan dat plan worden getoetst.
Zolang voor de Leidse situatie geen parkeernormen zijn vastgesteld, zullen de parkeernormen van het CROW (Centrum voor
Regelgeving en Onderzoek in de Grond-, Water- en Wegenbouw en de Verkeerstechniek) gebruikt worden als richtlijn om de
benodigde parkeerbehoefte te bepalen. In de desbetreffende publicaties wordt gedetailleerd aangegeven wat de standaard
parkeerbehoefte is in relatie tot de functie van een gebouw.
7.2 Ontwikkelingen
In het bestemmingsplan is uitdrukkelijk niet voorzien in het planologisch mogelijk maken van ontwikkelingslocaties. Voor deze
locaties wordt op afzienbare termijn een afzonderlijk plan opgesteld. Het voorliggende bestemmingsplan is een conserverend
plan. In beperkte mate kan het plan echter de grondslag vormen voor later te verlenen bouwvergunning. Dit kan alleen onder
de volgende voorwaarden.


        Wanneer de planontwikkeling in een vergevorderd stadium verkeert en er ook anderszins voldoende garanties
         bestaan dat het project tot uitvoering kan worden gebracht, wordt direct een specifieke, op de nieuwe ontwikkeling
         afgestemde bestemming gelegd.
        Wanneer een groot belang wordt gehecht aan functiewijziging en de verwachting bestaat dat deze, met
         inachtneming van de beleidsdoelstellingen, ook binnen de planperiode kan worden geëffectueerd, terwijl de plannen
         nog niet concreet zijn, is voor de betreffende locatie een wijzigingsbevoegdheid of een uitwerkingsplicht opgenomen.
        Wanneer functiewijziging naar verwachting een positief effect heeft doch geenszins zekerheid bestaat dat deze
         binnen de planperiode aan de orde zal zijn, wordt de locatie overeenkomstig het huidige gebruik bestemd.


Concreet betekent dit dat ontwikkelingslocaties worden meegenomen indien het college akkoord is met het bouwplan en de
uitgevoerde milieu- en planologische onderzoeken. De randvoorwaarden moeten zijn vastgesteld.
De ontwikkelingen in het bestemmingsplangebied komen hierna aan de orde. Voor elke ontwikkeling is een korte beschrijving
opgenomen van het plan. Tevens is aangegeven hoe de ontwikkeling is vertaald in voorliggend bestemmingsplan. Vooral in de
wijk 'Houtkwartier' zijn verschillende studies verricht naar grootschalige herontwikkelingen. Enkele van onderstaande plannen
zijn onderdeel van deze totale herontwikkeling. De visie van de herontwikkeling is een groene parkachtige zone creëren die
nauw aansluit bij het Leidse Hout.
Uitbreiding technische school Da Vinci
De technische school Da Vinci wil in de hoogte uitbreiden en een permanent gebouw voor een mediatheek oprichten. In
voorliggend bestemmingsplan is deze ontwikkeling niet meegenomen, aangezien het plan onvoldoende is uitgewerkt.
Woningbouw Bonaventuracollege
Op de lange termijn (2015) wordt het gebouw van het Bonaventuracollege aan de Mariënpoelstraat mogelijk vervangen door
woningbouw. Het plan is nog niet uitgewerkt en wordt daarom niet in het nieuwe bestemmingsplan geregeld. De ontwikkeling
kan worden meegenomen in de totale herontwikkeling van het Houtkwartier.
Woningcomplex universitaire woonwijk Boerhaavelaan
Het woningcomplex bestaat uit circa 140 woningen van verschillende grootte en wordt voornamelijk bewoond door
promovendi, medewerkers en oud-medewerkers van de universiteit en het LUMC. Het complex is verouderd. Renovatie is
geen haalbare optie. Daarom is onderzocht of vervangende nieuwbouw mogelijk is op deze locatie en op het
universiteitscomplex. Momenteel bevinden de plannen zich in de een oriënterende (schets)fase. Met ontwikkelingen op deze
locatie moet in de toekomst rekening worden gehouden. De termijn waarop dit gaat spelen is niet bekend. In voorliggend
bestemmingsplan is daarom de bestaande situtatie vastgelegd.
Vestiging praktijkschool op vrijplaats Eurodusnie
Op de plek waar de vrijplaats Eurodusnie gevestigd was, naast het spoor aan de Boerhaavelaan 345, is de nieuwbouw van de
praktijkschool gerealiseerd. Het betreft een schoolgebouw met een capaciteit van circa 280 leerlingen. Het gebouw heeft een
oppervlakte van circa 2.150 m en is in twee boulagen uitgevoerd. Het totale perceel heeft een omvang van 4.245 m . De
                              2                                                                                    2



school voor praktijkonderwijs is in wisselende hoogtes uitgevoerd en bestaat uit drie aan elkaar geschakelde en deels
overlappende gebouwen. Hiervoor is destijds een artikel 19 lid 2 WRO procedure doorlopen.
Deze ontwikkeling is één op één overgenomen in voorliggend bestemmingsplan.
Locatie Connexxion
Op termijn zou op de locatie van busmaatschappij Connexxion, tussen het spoor en de Boerhaavelaan, bebouwing zoals
kleinschalige bedrijvigheid (vanwege geluidsproblematiek) gerealiseerd kunnen worden. Het betreft hier nog geen
ontwikkelingslocatie, zodat het niet is meegenomen in dit bestemmingsplan.
Woningbouw Merelstraat
In de Merelstraat zijn drie nieuwe woningen gebouwd. Ook hiervoor is een vrijstellingsprocedure ex artikel 19 lid 2 WRO
gevoerd. Het bouwplan past binnen de stedenbouwkundige structuur van de overwegende woonomgeving. De woningbouw is
in de plaats gekomen van een fabriek. Deze bedrijfsfunctie was niet gewenst meer. De woningen zijn opgenomen in dit
bestemmingsplan.
Nieuweroord
De voormalige zusterflat in de Vogelwijk biedt mogelijkheden tot herontwikkeling.
0p 1 september 2009 is het asielzoekerscentrum van deze locatie vertrokken. DUWO gaat ter plaatse tijdelijk studenten
huisvesten. Voor de nieuwe ontwikkeling van de locatie zijn randvoorwaarden opgesteld en door het college van B&W
vastgesteld. De locatie zal worden herontwikkeld voor woningbouw met de mogelijkheid voor ruimte ten behoeve van
zorggerelateerde dienstverlening.
Voor de ontwikkelingslocatie Nieuweroord wordt een apart, ontwikkelingsgericht bestemmingsplan opgesteld. De locatie is
daarom niet opgenomen in voorliggend bestemmingsplan.

Garage Johan van Oldenbarneveltstraat 37
De voormalige LAG garage aan de Johan van Oldenbarneveld heeft zijn functie verloren. Op de locatie van de showroom
worden woningen gebouwd, de garageloods krijgt de bestemming garageboxen en gebouwen achter de Van
Oldenbarneveltstraat 35/35a en Hoogerbeetsstraat 2 t/m 8 krijgen een bestemming wonen.
Woutertje Pieterse
Het schoolgebouw Woutertje Pieterse aan de Houtlaan 60 is uitgebreid. Het bouwplan voor de uitbreiding is in voorliggend
bestemmingsplan één op één overgenomen.


8 Wijze van bestemmen

        8.1 Inleiding

        8.2 Flexibiliteit

        8.3 Opzet en volgorde

        8.4 Welke bestemmingen

        8.5 Algemene bebouwingsregels
        8.6 Bebouwingsregels voor erfbebouwing bij woningen

        8.7 De praktijk

        8.8 Algemene regels

        8.9 Handhaving


8.1 Inleiding
In dit hoofdstuk wordt aangegeven hoe het beleid en de planuitgangspunten zijn verwoord in de planregels. Zo wordt een
toelichting gegeven op het juridische systeem en op alle afzonderlijke bestemmingen.
Dit bestemmingsplan bestaat uit een verbeelding, regels en een toelichting. De (analoge) verbeelding en de regels vormen
tezamen het juridisch bindende gedeelte van het bestemmingsplan. Beide planonderdelen dienen in onderlinge samenhang te
worden bezien en toegepast. Op de verbeelding zijn de bestemmingen aangewezen. Aan deze bestemmingen zijn bouwregels
en regels betreffende het gebruik gekoppeld.
De toelichting heeft geen rechtskracht, maar vormt niettemin een belangrijk onderdeel van het plan. De toelichting van dit
bestemmingsplan geeft een weergave van de aanleiding, de onderzoeksresultaten en de beleidsuitgangspunten die aan het
bestemmingsplan ten grondslag liggen.
8.2 Flexibiliteit
Er wordt de mogelijkheid geboden om af te wijken van de regels bij de betreffende bestemming. Zodoende biedt het
bestemmingsplan de nodige flexibiliteit. De mogelijkheid om af te wijken van de regels wordt geboden wanneer niet op
voorhand kan worden afgewogen of in een concreet geval iets planologisch toelaatbaar is, maar dit afhankelijk is van de
concrete situatie.
De juridische mogelijkheden om af te wijken zijn beperkt door de strenge jurisprudentie van de Raad van State, welke bepaalt
dat regels met betrekking tot het mogen afwijken objectief begrensd moeten zijn en geen wijziging van de bestemming
mogen inhouden. De Wabo biedt in dit opzicht een grote verbetering, omdat voor veel voorkomende bouwwerken bij
woningen (zoals aanbouwen, bijgebouwen, dakkapellen e.d.) binnen bepaalde randvoorwaarden er geen
omgevingsvergunning nodig is. Ook gebruiksveranderingen zijn, anders dan voorheen, mogelijk tot een oppervlakte van 1500
m² en hoeven niet apart in een bestemmingsplan te worden gereguleerd.
Voor specifieke situaties wordt in gevallen verdergaande flexibiliteit geboden via wijzigingsbevoegdheden.
8.3 Opzet en volgorde
Met de invoering van de Wro is de indeling van de bestemmingsplanregels volgens een vaste volgorde vastgelegd. Hiervan
mag niet worden afgeweken. De regels van het bestemmingsplan 'Leiden Noordwest' zijn op de volgende wijze opgebouwd.
Hoofstuk 1: inleidende regels
In dit hoofdstuk worden de begrippen en wat daar onder wordt verstaan beschreven. Alleen die begrippen zijn gedefinieerd
waarvan de omschrijving afwijkt van het dagelijkse spraakgebruik of aanleiding kan geven tot onduidelijkheid. Daarnaast
wordt aangegeven hoe bij de toepassing van de regels wordt gemeten.
Hoofdstuk 2: bestemmingsregels
In de bestemmingsregels wordt onder andere aangegeven wat is toegestaan en welke bouwregels, afwijkingsmogelijkheden,
nadere eisen dan wel specifieke gebruiksregels er gelden.
Hoofdstuk 3: Algemene regels
In de algemene regels worden de anti-dubbeltelregeling, de algemene bouwregels, de algemene aanduidingsregels en de
overige regels uiteengezet.
Hoofdstuk 4: Overgangs- en slotregels
In dit hoofdstuk wordt het overgangsrecht voor bouwwerken en het gebruik geregeld. Deze regeling is dwingend
voorgeschreven op grond van artikel 3.2.1 en 3.2.2 van het Besluit ruimtelijke ordening.
8.4 Welke bestemmingen
Bij het opstellen van het onderhavige bestemmingsplan is aansluiting gezocht bij de in de Wet ruimtelijke ordening en het
Besluit ruimtelijke ordening geformuleerde uitgangspunten. Daarnaast is voor het bestemmingsplan aangesloten bij de
landelijke standaard voor bestemmingsplannen: de Standaard Vergelijkbare BestemmingsPlannen 2008 (SVBP2008) en de
Wabo. In het kader van de nieuwe wetgeving wordt niet langer gesproken over voorschriften maar over regels, vrijstellingen
worden afwijkingen genoemd. De plankaart heet nu verbeelding.
8.4.1 Bestemmingen
Artikel 3 Agrarisch met waarden - natuur- en landschapswaarden
Deze bestemming is bedoeld voor gebieden waar de aanwezige natuur- en landschappelijke waarden behouden en beschermd
moet worden. Gronden die deze bestemming hebben mogen niet worden bebouwd met gebouwen. Slechts
terreinafscheidingen en bouwwerken, geen gebouwen zijnde mogen worden opgericht.
Artikel 4 Bedrijf
De milieuwetgeving biedt geen adequate planologische bescherming meer, omdat voor veel bedrijfsactiviteiten geen
milieuvergunning meer nodig is. Daarom is het wenselijk een flexibele, op het plangebied toegespitste Staat van
Bedrijfsactiviteiten op te nemen. Daarom zijn binnen de bestemming 'Bedrijf' bedrijven mogelijk die zijn genoemd in de Staat
van Bedrijfsactiviteiten onder de milieucategorieën 1 en 2. Indien een bepaald bedrijf 1) niet in de Staat van
Bedrijfsactiviteiten voorkomt of 2) tot een hogere categorie gerekend wordt, maar naar aard en invloed op de omgeving gelijk
te stellen is met de toegelaten milieucategorieen, kan een bedrijf toch toegestaan worden door gebruikmaking van de
afwijkingsbevoegdheid.
Het is wenselijk om productiegebonden detailhandel, bedrijfsgebonden niet-zelfstandige kantoorruimte en ondersteunende
horeca (categorie I en II) ter plaatse positief te bestemmen. In de bouwregels zijn voorts specifieke regelingen opgenomen
ten aanzien van vlaggenmasten, luifels, lichtmasten en reclameborden aangezien dit bouwwerken zijn die regelmatig
voorkomen binnen een bedrijvenbestemming.
Aandacht is er voor het feit dat per 1 oktober 2000 het verbod op 'seksinrichtingen' is opgeheven. Hieronder worden in elk
geval verstaan: seksbioscoop, automatenhal, theater, parenclub of prostitutiebedrijf waaronder tevens begrepen een
erotische massagesalon, al dan niet in combinatie met elkaar. Dit wordt dan een normale tak van bedrijf die binnen de
bestemming 'Bedrijf' valt. In de specifieke gebruiksregels is opgenomen dat onder strijdig gebruik in ieder geval wordt
verstaan het gebruik van gronden, gebouwen, bouwwerken en onderkomens ten behoeve van een seksinrichting en/of
escortbedrijf, raamprostitutie en straatprostitutie.
Specieke gebruiksregels zijn gesteld om de omvang van productiegebonden en/of ondersteunende detailhandel en horeca in
de hand te houden. Eveneens zijn beperkende gebruiksregels opgenomen voor bedrijfsgebonden niet-zelfstandige
kantoorruimte.
Artikel 5 Bedrijf - Nuts
De bestemming Bedrijf-Nuts omvat nutsvoorzieningen, zoals energie-, warmte- en telecommunicatievoorzieningen.
Artikel 6 Gemengd
De bestemming 'Gemengd' is gekozen indien hetzelfde perceelsdeel meer dan twee centrumdoeleinden mag omvatten, zoals
kantoren, maatschappelijke voorzieningen, dienstverlening, wonen, detailhandel en cultuur en ontspanning.
Artikel 7 Gemengd - Molen
Een specifieke bescherming kent het bestemmingsplan voor de in of buiten het plangebied aanwezige molens voor zo ver deze
qua eventuele hinder voor de windvang relevant zijn. De bestemmingen zijn beschermend van aard en voorzien niet in
eventuele bouwkundige ingrepen of veranderingen.
In artikel 24.2 Vrijwaringszone -Molenbiotoop is een regeling opgenomen om de windvang en de zicht op de molen, met
inachtneming van bestaande beperkingen, zo veel als mogelijk te beschermen. Binnen een straal van 400 meter gelden
specieke bouwregels.
Artikel 8 Groen
De bestemming 'Groen' omvat openbaar groen zoals parken, water, groenstroken, brede bermen. Op of in deze gronden
mogen alleen gebouwen worden opgericht ter plaatse van het aangeduide bouwvlak. Bouwwerken geen gebouwen zijnde zijn
qua hoogte gemaximeerd op 3 meter.
Artikel 9 Horeca
De bestemming 'Horeca' wordt gekozen voor horecabedrijven. Middels aanduidingen op de plankaart worden horecabedrijven
toegestaan in een bepaalde categorie. In het bestemmingsplan komen twee horecacategorieen voor, te weten categorie III
(restaurants, eetcafés, café-restaurants, grand-cafés) en VI (hotels). Terrassen bij horecavoorzieningen zijn alleen toegestaan
daar waar dit op de verbeelding met een aanuiding 'terras' (tr) is aangegeven.
Artikel 10 Kantoor
De bestemming 'Kantoor' geeft regels ten aanzien van gronden die bestemd zijn voor kantoren.
Artikel 11 Maatschappelijk
De bestemming 'Maatschappelijk' is zeer ruim van opzet. Hieronder vallen bijvoorbeeld onderwijsvoorzieningen, kinderopvang,
(para)medische en verpleegvoorzieningen, bejaardenvoorzieningen, welzijnsvoorzieningen en culturele voorzieningen, sociale
voorzieningen (waaronder opvangcentra of sociaal pension), overheidsvoorzieningen (waaronder wijkonderkomens,
politiebureaus, brandweerkazernes), religieuze voorzieningen en voorzieningen van openbaar nut. Ook gebouwen voor
recreatieve voorzieningen zijn onder deze bestemming ondergebracht. Dergelijke recreatieve voorzieningen kunnen
planologisch vaak niet goed onderscheiden worden van maatschappelijke doeleinden. Een aantal van die voorzieningen zoals
bijvoorbeeld een sportschool en balletschool hebben zowel een recreatieve als een onderwijsfunctie, terwijl de gymzalen van
scholen in de avonduren verhuurd worden aan sportclubs. Een grootschalige accommodatie als een zwembad valt onder de
aparte bestemming recreatieve doeleinden. Tevens biedt het mogelijkheden voor horeca ondergeschikt aan en ten dienst van
deze bestemming.
Artikel 12 Recreatie
De bestemming 'Recreatie' wordt gekozen voor verblijfsrecreatieve voorzieningen en dagrecreatieve voorzieningen. Ter
plaatse van de aanduiding 'volkstuin' zijn volkstuinen toegelaten.
Artikel 13 Sport
De bestemming 'Sport' omvat onoverdekte en overdekte grootschalige sport- en recreatievoorzieningen. De daarbij
behorende ondergeschikte horeca is eveneens toegelaten. Een grote centrale parkeervoorziening is uitsluitend toegelaten ter
plaatse van de aanduiding 'parkeren'.
Artikel 14 Verkeer
De bestemming 'Verkeer' omvat wegen, groen en water met bijbehorende erftoegangswegen, woonstraten, fiets- en
voetpaden, trottoirs, parkeerplaatsen, in- en uitritten ten bate van inpandige parkeervoorzieningen, fietsenstallingen en
leidingen. Tevens zijn de volgende binnen de bestemming passende bouwwerken toegestaan: tunnels, voorzieningen van
openbaar vervoer, viaducten, loopbruggen, abri's, fietsenstallingen, bouwwerken voor verkeersgeleiding, straatverlichting en
straatmeubilair.
Apart benoemd zijn de waterhuishoudkundige voorzieningen die zijn toegestaan, zoals voorzieningen voor waterberging, -
aanvoer en -afvoer, zoals watergangen, waterlopen, waterpartijen, bruggen, duikers, sluizen, inlaten gemalen en taluds en
gelijksoortige waterhuishoudkundige voorzieningen.
Garageboxen zijn door middel van een aanduiding onder deze bestemming opgenomen.
Artikel 15 Water
Alle waterwegen en grote waterpartijen krijgen de bestemming water. Binnen deze bestemming zijn ook groenvoorzieningen
toegestaan. Voorzieningen voor verkeer en verblijf, bruggen, steigers, sluizen, inlaten gemalen en taluds, duikers en
gelijksoortige voorzieningen zijn eveneens rechtstreeks toegelaten.
Tevens is een woonbotenregeling opgenomen. Via een aanduiding op de verbeelding is aangegeven waar woonboten zijn
toegestaan.
Artikel 16 Wonen
De voor 'wonen' aangewezen gronden zijn onder andere bestemd voor wonen (inclusief kamerbewoning en zorgwoningen) en
aan-huis-verbonden beroepen en bedrijven, met de daarbij behorende voorzieningen zoals erven, tuinen, verhardingen, water,
speelruimte, nuts-, groen-, (ondergrondse) parkeer- en fietsvoorzieningen.
Garageboxen zijn door middel van een aanduiding onder deze bestemming opgenomen, alsook een overdekte
parkeervoorziening met eventueel inpandige garageboxen. Dit geldt tevens voor een kinderdagverblijf.
Aan-huis-verbonden beroep of bedrijf
Tot het wonen wordt ook de uitoefening van een beroep aan huis gerekend. Het beleid van de gemeente is er op gericht dit
waar mogelijk te stimuleren. Voor eerstelijns gezondheidszorg en voor kinderopvang is recent specifiek beleid opgesteld,
gericht op vergroting van de vestigingsmogelijkheden.
In lijn met dit beleid is gekozen voor een zeer ruime omschrijving van beroep of bedrijf aan huis. Hierin worden beroepen in
de sfeer van persoonlijke dienstverlening zoals pedicure en kapper niet gediscrimineerd ten opzichte van de traditionele vrije
beroepen zoals huisarts, advocaat en notaris. Daarbij is de uitoefening alleen toegestaan door een bewoner van het pand als
ondergeschikte activiteit bij de woonfunctie. Groepspraktijken, detailhandel en horeca zijn hiervan uitgesloten.
De regeling omtrent een beroep of bedrijf aan huis is als volgt opgenomen in de regels van de woonbestemming:
    a.   de omvang van de activiteiten mag in totaal niet meer bedragen dan 40% van de totale vloeroppervlakte van de
         bebouwing, voor zover gesitueerd binnen het bouwvlak;
    b.   de activiteiten mogen alleen in gebouwen (binnen en buiten het bouwvlak) worden uitgeoefend;
    c.   het gebruik mag geen onevenredige verkeersaantrekkende werking hebben;
    d.   de activiteit dient milieughygiënisch inpasbaar te zijn in de woonomgeving.


Onderstaande lijst geeft een overzicht van de verschillende beroepsgroepen die onder een beroep of bedrijf aan huis vallen:


        zakelijke dienstverlening (advocaat, notaris, makelaar, administratiekantoor, verzekeringskantoor etc.);
        eerstelijnsgezondheidszorg (huisarts, tandarts, fysiotherapeut, verloskundige, etc.):
        persoonlijke dienstverlening (kapper/pedicure etc.): in verband met openbare orde wordt prostitutie uitgesloten;
        kinderopvang;
        kleinschalige verlening van logies (bed and breakfast).


Bijbehorende bouwwerken
Voor veel voorkomende uitbreidingen bij woningen zijn aparte regels opgesteld. Te denken valt aan aanbouwen, uitbouwen,
bijgebouwen en dergelijke. Deze en andere bouwwerken zijn in de regels opgenomen onder de noemer 'bijbehorende
bouwwerken'. Juridisch wordt hieronder een uitbreiding van het hoofdgebouw verstaan, die dan wel functioneel met een zich
op hetzelfde perceel bevindend hoofdgebouw verbonden is, daar al dan niet tegen aangebouwd, of ander bouwwerk, met een
dak.
Erkers, balkons, luifels, portalen en garageboxen
Voor speicieke bouwwerken, zoals erkers, balkons, luifels en portalen zijn specifieke regels opgesteld. Dit geldt evenals voor
garageboxen en (inpandige) parkeervoorzieningen.
8.4.2 Dubbelbestemmingen
Artikel 17 Waarde - Archeologie 3, 5 en 6
Het archeologisch erfgoed van de gemeente Leiden is omvangrijk en divers. Via de regels in het bestemmingsplan is het
mogelijk gemaakt om de waardevolle delen van het bodemarchief te behouden, bij voorkeur in de bodem zelf en als dit niet
mogelijk is door archeologisch onderzoek uit te voeren. Op de verbeelding is weergegeven voor welke delen van het
plangebied deze beschermende maatregelen gelden.
Getracht is een verantwoorde balans te vinden tussen enerzijds de wetenschappelijke en cultuurhistorische belangen en
anderzijds de maatschappelijke en organisatorische uitvoerbaarheid. Ondanks de toegenomen inspanningen is het een illusie
elk overblijfsel uit het verleden te onderzoeken of te beschermen. Duidelijk mag blijken dat niet elke vierkante meter van de
bodem kan worden ontzien, ook niet als daar mogelijk sporen uit het verleden in aanwezig zijn. Anderzijds is gekozen voor
een verscherpte aandacht voor, en het stellen van duidelijke voorwaarden aan, ingrepen in de bodem van de archeologisch
meest waardevolle delen van het grondgebied. De regels zijn daarbij zoveel mogelijk proportioneel afgestemd op de omvang
van de eventuele ingreep, in combinatie met de kans dat daarbij belangwekkende en informatieve overblijfselen zullen
worden aangetroffen.
Leiden heeft zeven verschillende 'waarderingsgebieden', waar verschillende regimes gelden naar aanleiding van de
archeologische waarde of de archeologische verwachtingswaarde. Voor zes waarderingsgebieden wordt in opzet dezelfde
planregel gebruikt, waarin een omgevingsvergunningstelsel is opgenomen. De verschillen tussen de waarderingsgebieden
zitten in de oppervlakten en diepte van bodemverstoring vanaf wanneer een omgevingsvergunning dient te worden
aangevraagd.
De zeven waarderingsgebieden zijn:
Waarde archeologie 1                              Archeologisch rijksmonument
Waarde archeologie 2                              Gebied van archeologische waarde binnen de singels
Waarde archeologie 3                              Gebied van archeologische waarde buiten de singels
Waarde archeologie 4                              Gebied met een hoge archeologische verwachting binnen de singels
Waarde archeologie 5                              Gebied met een hoge archeologische verwachting buiten de singels
Waarde archeologie 6                              Gebied met een middelhoge archeologische verwachting
Waarde archeologie 7                              Gebied met een lage archeologische verwachting
In het plangebied is waarderingsgebied Waarde - Archeologie 3, 5 en 6 aanwezig. Voor gebieden aangeduid als "Waarde -
Archeologie 3"geldt een vergunningplicht indien de grond voor meer dan 30 cm diepte geroerd wordt over een oppervlakte
van meer dan 30 m2. Een minder string regime geldt voor gebieden met de dubbelbestemming "Waarde - Archeologie 5".
Daarvoor geldt dat als de grond voor meer dan 50 cm diepte wordt geroerd over een oppervlakte van meer dan 250 m2 een
vergunningplicht geldt. Voor gebieden met de dubbelbestemming "Waarde - Archeologie 6" geldt dat een vergunningplicht
geldt als dieper dan 75 cm over een oppervlakte van meer dan 500 m2 de grond wordt geroerd.
Artikel 20 Waarde - Cultuurhistorie
De gronden die zijn betrokken bij het aanwijzigingsbesluit van 26 oktober 2007 zijn mede bestemd voor de bescherming van
het aan de gronden toegekende beschermd dorpsgezicht.
Ten aanzien van het bouwen in overeenstemming met de secundaire bestemmingen van de gronden, mag geen verandering
worden aangebracht in de bestaande situatie ten aanzien van de aangegeven karakteristiek/kenmerken.
Artikel 21 Waterstaat - Waterkering
De voor 'Waterstaat-Waterkering' aangewezen gronden zijn onder andere primair bestemd voor voorzieningen voor de directe
en indirecte kering van het water, en ook de aanleg, instandhouding en/of bescherming van de waterkering.
Op of in deze gronden mogen geen gebouwen worden gebouwd.
8.5 Algemene bebouwingsregels
Ter bescherming van de belangen van derden/belanghebbenden (zoals buren) en uit een oogpunt van een goede
stedenbouwkundige en ruimtelijke kwaliteit, is het noodzakelijk om de bebouwingsmogelijkheden te limiteren. Dit betreft met
name de situering, massa en hoogte van de bebouwing.
Bebouwingsgrenzen
In de praktijk blijkt het handig als direct duidelijk is waar gebouwd kan worden. Daartoe zijn
bouwvlakken/bebouwingsgrenzen aangegeven. De mogelijkheden voor de toepassing van 'ondergronds' bestemmen, dus het
bestemmen van functies 'onder' de grond, zijn gebiedsafhankelijk en daarom niet in de regels opgenomen. Bij toepassing is
het van belang om rekening te houden met de bebouwingsgrenzen 'boven' de grond.
Bouwhoogtes en goothoogtes
De toegestane goot- en bouwhoogtes zijn op de verbeelding aangeduid.
8.6 Bebouwingsregels voor erfbebouwing bij woningen
Het gemeentelijk beleid voor bestemmingsplannen is er op gericht om waar dat ruimtelijk en planologisch niet op bezwaren
stuit, burgers de gelegenheid te bieden om hun woning uit te breiden en bij de woning passende bouwwerken in de tuin of op
het erf te bouwen. Er is een aantal ruimtelijke redenen voor beperking van de bouwmogelijkheden. In de eerste plaats kan de
beeldkwaliteit geschaad worden. Dat geldt vooral voor allerlei bouwsels aan de straatzijde in de voortuin die beeldverstorend
werken. Bebouwing in de achtertuin voor zover onzichtbaar vanaf de straat, heeft geen invloed op de beeldkwaliteit. Een
tweede aspect is de leefbaarheid en het belang van groen en bomen. Totaal volgebouwde bouwblokken verliezen aan
ruimtelijke kwaliteit en geven een verarming van de flora en fauna in de buurt. Gedeeltelijk onbebouwde tuinen en erven
hebben daarop een positief effect. Ook op perceelsniveau neemt de kwaliteit toe omdat de meeste woninggebruikers prijs
stellen op een gedeeltelijk open tuin en erf.
Tenslotte wordt het woongenot geschaad bij het onbeperkt volbouwen van tuinen en erven door buren. Dat gaat ten koste
van uitzicht, daglichttoetreding, bezonning en leefbaarheid.
Omdat mensen vaak grote waarde hechten aan een tuin, betekent het volbouwen van tuinen bovendien een vermindering van
de toekomstwaarde van een woning.


8.7 De praktijk
De gemeente krijgt jaarlijks enkele honderden aanvragen voor bijgebouwen, dakkapellen, uitbouwen, duivenhokken,
hobbykassen, dakopbouwen etc. In de praktijk blijkt er bij eengezinswoningen vooral behoefte te zijn aan:
In de achtertuin


           een aanbouw of serre van 2,5 tot 4 meter diep, gemiddeld 15 m²;
           een behoorlijke schuur in de tuin (2 bij 3 meter), 6 m²;
           een garage;
           dierenhokken.


In de voor- en zijtuin


           carports;
           schuurtjes;
           garages;
           fietsenbergingen;
           grotere entrees;
           schuttingen hoger dan 1 meter.


Aan de woning:


           dakkapellen
           grote dakkapellen voor en achter;
           dakopbouwen, vergroten dakopbouwen;
           optrekken achtergevel;
           dichtbouwen balkons;
           extra kamer bovenop garage;
           schotelantennes;
           zendinstallaties op het dak;
           duivenhokken op het balkon of op het dak.


Bij flats


           schotelantennes aan de gevel of op het dak;
           liften en trappenhuizen;
           fietsenstallingen;
           extra ruimte voor containers en postkasten.


Situering erfbebouwing
Uitgangspunt is vrijheid voor de burger voor de situering van erfbebouwing, mits die achter de voorgevelrooilijn wordt
geplaatst. Uit een oogpunt van beeldkwaliteit is het onwenselijk dat aan- en uitbouwen en bijgebouwen voor de
voorgevelrooilijn geplaatst worden.
Aan- en uitbouwen en bijgebouwen
Voor de zij- en achtertuin bestaat er vooral behoefte aan woninguitbreiding in de vorm van een aanbouw en daarnaast aan
het plaatsen van een losstaande berging. In Leiden is een onderverdeling gemaakt in aanbouwen en bijgebouwen.
Aan- en uitbouwen maken functioneel onderdeel uit van de woning en zijn daarmee bouwkundig en inwendig verbonden.
Voorbeelden: serres, uitgebouwde keukens, bijkeukens en hobbykamers.
Bijgebouwen zijn onafhankelijk van de woning.
Aan- en uitbouwen van minder dan 2 meter diepte leveren nauwelijks praktisch voordeel op voor de eigenaar, zeker in relatie
tot de kosten. Anderzijds kan een uitbouw van meer dan 2,5 meter behoorlijk wat daglicht wegnemen bij buren. Daarom is
deze maat aangehouden als standaard.
Om de percelen grotendeels open te houden mogen deze voor maximaal 50% bebouwd worden, met daarnaast een maximum
van 35 m².
Om te voorkomen dat de hoogte van aan- uitbouwen en bijgebouwen als storend wordt ervaren, is deze aan een maximum
gebonden. De maten hiervan sluiten aan bij de Woningwet en de Wabo.
Erfafscheidingen
Als er beperkingen worden gesteld aan de hoogte van bijgebouwen en aanbouwen is het logisch om dat ook te doen bij
schuttingen en dergelijke. Hoge schuttingen kunnen de leefbaarheid verminderen en zonlicht en daglicht wegnemen. Voor een
goede privacy is een hoogte van 1,8 meter voor schuttingen in de achtertuin voldoende. Omdat de Woningwet een hoogte tot
2 meter vergunningvrij laat, en 2 meter dus de bovengrens vormt, is die gekozen als grens.
In de voortuin is het uit een oogpunt van beeldkwaliteit en sociale controle wenselijk het open karakter van de straat en het
straatbeeld te beschermen en hoge bouwwerken te weren. De Woningwet bepaalt dat erfafscheidingen in de voortuin tot 1
meter hoogte vergunningvrij zijn.
Ten overvloede wordt hier gemeld dat deze vergunningsvrije bouwwerken niet ter toetsing voor welstand worden aangeboden.
De Bouwverordening bepaalt in artikel 2.5.18 lid 1 dat hogere erfafscheidingen dan de vergunningvrije niet zijn toegestaan.
Omdat dit onderwerp in de Bouwverordening adequaat geregeld wordt, is afgezien van regeling in het bestemmingsplan.
Andere bouwwerken, geen gebouwen zijnde
Bij een woning kunnen ook andere bouwwerken dan gebouwen of schuttingen behoren, bijvoorbeeld carports en tuinmeubilair
(zoals pergola's of speeltoestellen). Om dezelfde redenen als hiervoor genoemd, is het wenselijk beperkingen aan de
bouwhoogte van deze bouwwerken te stellen. Tot een maximum hoogte van 2,7 meter zijn overkappingen met open
constructies (carports) volgens de Woningwet vergunningvrij ongeacht de situering, mits het aansluitende erf voor 50%
onbebouwd blijft. Dat is jammer, want daardoor kan een lelijk bouwsel in de voortuin verschijnen. Dat is qua beeldkwaliteit en
leefbaarheid onwenselijk. In ieder geval is het wenselijk dat niet meer van deze bouwsels kunnen worden opgericht. De
vergunningvrije bouwhoogte voor tuinmeubilair is bepaald op 2 meter ongeacht de situering.
Bij deze bepaling moet rekening gehouden worden met de regeling voor de vergunningvrije bouwwerken in de Wabo (Besluit
omgevingsrecht) omdat bijvoorbeeld antennes vergunningvrij 5 meter en carports 2,7 meter hoog mogen zijn. De
Bouwverordening regelt het onderwerp bouwwerken, geen gebouwen zijnde, adequaat. Een uitzondering is de maximale
hoogte van 2 meter voor tuinmeubilair in de zij- en achtertuin, hetgeen te laag is. Daarom wordt in het bestemmingsplan
bepaald dat die hoogte 3 meter mag bedragen in aansluiting bij de hoogte voor bijgebouwen. Dat is ruim voldoende voor
pergola's en in de tuin passende speeltoestellen. Voor bebouwingregels voor andere bouwwerken geldt aanvullend de
Bouwverordening, met uitzondering van de hoogte voor tuinmeubilair.


8.8 Algemene regels
Hierin zijn de anti-dubbeltelregel, de algemene bouwregels, de algemene aanduidingsregels en de overige regels opgenomen.
Het overgangsrecht en anti-dubbeltelregel zijn opgenomen in het Besluit ruimtelijke ordening met de verplichting deze over te
nemen in het bestemmingsplan. De Wro bevat een algemeen verbod om de gronden en bebouwing in strijd met het
bestemmingsplan te gebruiken. Dit hoeft dus niet in de regels te worden opgenomen. Hetzelfde geldt voor de strafbepaling.
In de algemene bouwregels is aangegeven dat de bestaande maten die meer bedragen dan in hoofdstuk 2 is voorgeschreven,
als ten hoogste of ten minste toelaatbaar mogen worden aangehouden.
In de Algemene aanduidingsregels is een aanduidingszone voor windmolens opgenomen. Voor traditionele windmolens
moeten de vrije windvang en het zicht op de molen voldoende gegarandeerd worden. Dit wordt in de regels geregeld door
middel van de zogenoemde 1 op 30 regel (binnen een straal van 100 tot 400 meter geen bouwwerken of beplanting hoger
dan 1/30 van de afstand tussen bouwwerk/beplanting en het middelpunt van de molen, gerekend met de hoogtemaat van de
onderste punt van de verticaal staande wiek).
Voor het overige behoeven de algemene regels op deze plaats geen speciale toelichting.



8.9 Handhaving
Een van de uitgangspunten bij de ontwikkeling van een bestemmingsplan, dus ook bij de ontwikkeling van het
bestemmingsplan 'Leiden Noordwest', is dat de in het plan opgenomen regels handhaafbaar dienen te zijn. Handhaving van
het ruimtelijk beleid verdient meer aandacht omdat het een voorwaarde is voor het behoud en de ontwikkeling van de
ruimtelijke kwaliteit in het plangebied.
Bij de totstandkoming van het bestemmingsplan 'Leiden Noordwest' is terdege aandacht besteed aan de handhaafbaarheid
van de in het plan opgenomen regels. Vier factoren zijn van wezenlijk belang voor een goede handhaving van de regels.



    1.   Voldoende kenbaarheid geven aan het plan


Een goede handhaving begint bij de bekendheid van de regels bij degenen die direct door de regels worden geraakt. Op grond
van de Wet ruimtelijke ordening is in de bestemmingsplanprocedure een aantal momenten ingebouwd waarbij het
bestemmingsplan voor het publiek ter inzage wordt gelegd. Naast deze wettelijke verplichtingen is op dit bestemmingsplan
tevens inspraak verleend conform de inspraakverordening. Zodoende is het doel van het bestemmingsplan en de daarin
opgenomen regels genoegzaam bekend gemaakt aan een ieder.



    2.   Voldoende draagvlak voor het beleid en de regelgeving in het plan
De inhoud van een bestemmingsplan kan slechts worden gehandhaafd als de regels en het achterliggende beleid in
overwegende mate door belanghebbenden wordt ondersteund. Dit wil zeggen dat zowel de bevolking als het gemeentebestuur
en de ambtenaren zich in de bestemmingsplanregeling kunnen vinden. Natuurlijk kan niet een ieder zich vinden in elk
onderdeel van het plan. Daarom is het belangrijk dat keuzes goed worden gemotiveerd. Uitgangspunt hierbij is een algemene
positieve benadering van het bestemmingsplan.



    3.   Inzichtelijke en realistische regeling


Een juridische regeling dient inzichtelijk en realistisch te zijn. Dit houdt in: helder van opzet en niet onnodig beperkend of
inflexibel. Daarbij moet wel voorkomen worden dat de regels zo vaag worden dat de bepalingen in het bestemmingsplan niet
meer te controleren zijn. De regels moeten niet meer beogen te regelen dan strikt noodzakelijk is.



    4.   Handhavingsbeleid


Het sluitstuk van een goede handhaving van de in dit bestemmingsplan opgenomen regelgeving is een adequaat en
consequent uitgevoerd handhavingsbeleid. Hierin speelt het regelmatig uitvoeren van controles in het plangebied een
belangrijke rol. Daarnaast moeten adequate maatregelen getroffen (kunnen) worden indien de regels worden overtreden.
Indien deze maatregelen achterwege blijven, ontstaat er een grote mate van rechtsonzekerheid hetgeen niet bevorderlijk is
voor eventueel handhavend optreden door de gemeente. Daarnaast dient de gemeente voldoende mankracht ter beschikking
te hebben voor de noodzakelijke controles en handhavingsacties. De uitgangspunten met betrekking tot handhaving van de
ruimtelijke regelgeving in de gemeente Leiden zijn vastgelegd in een aparte nota. Deze nota heeft ook betrekking op de in dit
plan opgenomen regels. Op 24 januari 2006 heeft het college ingestemd met de gemeentelijke Handhavingsnota
Bouwregelgeving en Ruimtelijke Ordening. Tevens is het Handhavingsplan van aanpak vastgesteld onder voorbehoud van
vaststelling van nota en programma door de raad.


9 Milieuaspecten

        9.1 Bedrijven en milieuzonering

        9.2 Bodem

        9.3 Geluid

        9.4 Evenementen

        9.5 Luchtkwaliteit

        9.6 Externe veiligheid

        9.7 Flora en fauna

        9.8 Water


In dit hoofdstuk wordt aandacht besteed aan de planologische en milieuhygiënische aspecten die van belang zijn bij de
ontwikkeling van een bestemmingsplan. Bij het opstellen van een bestemmingsplan dient te worden verantwoord dat er geen
nadelige gevolgen zijn voor de huidige planologische en milieuhygiënische situatie.
Ondanks dat het bestemmingsplan geen nieuwe ontwikkelingen mogelijk maakt en dat er dus feitelijk geen wijzigingen
optreden in de planologische en milieuhygiënische situatie zal toch kort aandacht zijn voor ieder aspect.
De ontwikkelingen waarover wordt gesproken, zijn reeds mogelijk gemaakt door middel van andere planologische procedures.
Onderzoek naar de planologische en milieuhygiënische aspecten heeft daarom al plaatsgevonden en hoeft hier niet meer te
worden aangehaald, omdat de betreffende locaties in het kader van voorliggend bestemmingsplan kunnen worden gezien als
'bestaande' situatie.
9.1 Bedrijven en milieuzonering
De toelaatbaarheid van bedrijvigheid kan worden gekoppeld aan de methodiek van de VNG-publicatie 'Bedrijven en
milieuzonering editie 2009'. In deze publicatie is een bedrijvenlijst opgenomen, die informatie geeft over de milieukenmerken
van typen bedrijven. Vervolgens wordt in de lijst op basis van een aantal indicatoren (waaronder geluid, stof, gevaar en
verkeer) een indicatie gegeven van de afstanden tussen bedrijfstypen en een rustige woonwijk waarmee gemeenten bij
ruimtelijke ontwikkelingen rekening kunnen houden. Deze afstand is gebaseerd op de grootste indicatieve afstand van de
diverse indicatoren.
De lijst is algemeen aanvaard als uitgangspunt bij het opstellen van bestemmingsplannen en ruimtelijke onderbouwingen,
zoals onder meer blijkt uit jurisprudentie van de Raad van State. De milieuzonering is erop gericht een ruimtelijke scheiding
aan te brengen tussen milieubelastende en milieugevoelige activiteiten.
Van de in de brochure opgenomen lijst mag echter niet zondermeer gebruik worden gemaakt. Deze VNG-brochure heeft een
indicatief en globaal karakter en dient als een hulpmiddel om te komen tot een goede afweging voor ruimtelijke
ontwikkelingen. In het plangebied zijn meerdere bedrijven aanwezig. Daarnaast zijn er nog scholen, enkele sportcomplexen,
de busremise van Connexxion en een ziekenhuis (het Diaconessenhuis) aanwezig in het bestemmingsplangebied. Het
bestemmingsplan betreft een conserverend plan, waarin geen ontwikkelingen worden meegenomen. Bij eventuele nieuwe
ontwikkelingen dient te worden getoetst aan de richtafstanden uit de VNG-brochure. In onderstaande tabel is aangegeven om
welke richtafstanden het gaat.
Categorie                     Richtafstand (in meters) tot omgevingstype
                              rustige woonwijk en rustig buitengebied
1                             10
2                             30
3.1                           50
3.2                           100
4.1                           200
4.2                           300
9.2 Bodem
De kwaliteit van zowel de bodem en het (grond)water, zijn van invloed op de kwaliteit van het woon- en leefklimaat. Wanneer
sprake is van verontreiniging, dan kan dit de volksgezondheid negatief beïnvloeden. In onderhavig bestemmingsplan wordt
beoogd de bestaande situatie vast te leggen en de bestemmingsregeling te actualiseren. Nieuwe ontwikkelingen worden niet
mogelijk gemaakt.
Voor toekomstige bouwontwikkelingen dient onderzoek te worden verricht naar de kwaliteit van de bodem en het grondwater.
Er kan niet worden gebouwd alvorens vaststaat dat de grond in milieuhygiënisch opzicht geschikt is voor de desbetreffende
ontwikkeling. In voorliggend bestemmingsplan worden geen ontwikkelingen mogelijk gemaakt. Bodemonderzoek is daarom op
dit moment niet nodig.
9.3 Geluid
In het kader van de Wet geluidhinder dient voor de ontwikkeling van geluidsgevoelige functies een akoestisch onderzoek te
worden verricht wanneer de locaties binnen de onderzoekszones van wegen, spoorwegen of gezoneerde industrieterreinen
vallen. Ook voor 30 km/uur-wegen geldt een onderzoeksplicht in het kader van een goede ruimtelijke ordening.
Voorliggend bestemmingsplan legt de bestaande situatie vast. Er worden geen nieuwe ontwikkelingen mogelijk gemaakt ten
behoeve van geluidsgevoelige functies. De ontwikkelingen die mogelijk zijn gemaakt via een vrijstellingsprocedure en die zijn
opgenomen in dit bestemmingsplan, zijn in het kader van de gevoerde vrijstelling getoetst aan de geluidsnormen. Een
akoestisch onderzoek in het kader van de Wet geluidhinder hoeft daarom niet te worden uitgevoerd.
9.4 Evenementen
Evenementen brengen levendigheid, sociale dynamiek en bedrijvigheid in de stad. Het houden van evenementen wordt
gestimuleerd en middels het evenmentenbeleid en via de vergunningverlening op grond van de APV gereguleerd.
Evenementen kunnen echter de leefbaarheid in de stad negatief beinvloeden. Te denken valt aan verkeersoverlast, afval,
geluidsoverlast en het verstoren van de openbare orde en veiligheid. Evenementen horen dan ook in het belang van een
goede ruimtelijke ordening en in het kader van de rechtzekerheid in een bestemmingsplan te worden verwerkt. Omwonenden
van een evenemententerrein moeten in het bestemmingsplan kunnen achterhalen welk type evenementen op het aangewezen
evenemententerrein kunnen plaatsvinden, in welke intensiteit, het maximaal aantal toegestane bezoekers per evenement en
de te verwachten milieuhinder.




Evenemententerrein Leidse Hout (gearceerd)
Op de verbeelding is met een aanduiding het terrein afgebakend waar evenementen in het Leidse Hout mogen plaatsvinden.
Verder gelden de volgende bepalingen:
Alleen categorie I en II evenementen toegestaan in Leidse Hout
In het Leidse Hout mogen alleen categorie I en II evenementen plaatsvinden. Bepalend hiervoor is de geluidsbelasting op de
gevel van de dichtsbijzijnde woning van derden of van andere geluidsgevoelige bestemmingen.
Categorie I evenementen is de lichtste categorie. Het betreft alle evenementen met alleen onversterkte muziek en alle
evenementen met een versterkt geluidsniveau tot maximaal 70 dB(A) op de gevel van de dichtsbijzijnde woning. Categorie I
activiteiten mogen onbeperkt in geheel Leiden worden gehouden.
Categorie II evenementen is een zwaardere categorie waar hogere geluidsniveaus zijn toegestaan. Hier geldt een maximale
geluidsniveau van 85 dB(A) en 100 dB(C) op de gevel van de dichtsbijzijnde woning indien het geluid wordt voortgebracht
door live optredende artiesten. Indien het geluid wordt voortgebracht door geluidsinstallaties ten behoeve van
achtergrondmuziek, pauze-muziek, verslaglegging of commentaar tijdens een evenement geldt een norm van 80 dB(A) en 95
dB(C).
Categorie III evenementen is de zwaarste categorie die wordt onderscheiden. Daar geldt een maximale geluidsniveau van 90
dB(A) en 100 dB(C) op de gevel van de dichtsbijzijnde woning of geluidgevoelige gebouwen.
Uit metingen van de Milieudienst is gebleken dat bij het Leidse Hout de afstand tot de woningen zodanig groot is dat een
maximale geluidsnorm van 85 dB(A) gemakkelijk haalbaar is (categorie II). De aanwijziging van dit terrein voor categorie III
evenementen is derhalve niet nodig.
Maximum aantal toegestane evenementen
Het maximum aantal evenementen per locatie wordt bepaald door de omvang van de locatie, de ligging van de woningen en
de mogelijkheden voor aan- en afvoer van materialen. Dit betekent dat voor het Leidse Hout een maximum aantal van 12
categorie II evenementen ruimtelijk acceptabel wordt geacht. Categorie I evenementen zijn onbeperkt toegestaan.
Maximum aantal bezoekers per evenement
Op basis van de ervaringscijfers over het seizoen 2010-2011 is een onderscheid gemaakt in evenementen met maximaal 1000,
2000 en 10.000 bezoekers. Categorie I activiteiten mogen maximaal 1000 bezoekers trekken. Voor categorie II evenementen
is bepaald dat er 10 evenementen gehouden mogen worden met een maximum bezoekersaantal van 2000 en 2 evenementen
met maximaal 10.000 bezoekers.
De activiteiten (evenementen) waar het om gaat zijn niet terug te vinden in onderdeel C en D van de bijlage uit het Besluit
MER (kolom 1 van de C en D lijst). Er is naar verwachting dan ook geen sprake van een MER-plicht.
Bovenstaande bepalingen zijn in de regels verwerkt in de bestemmingen Groen en Water.
9.5 Luchtkwaliteit
Volgens de Wet milieubeheer is het nodig een planontwikkeling te toetsen aan luchtkwaliteitseisen. Op 1 augustus 2009 is het
Nationaal Samenwerkingsprogramma Luchtkwaliteit (NSL) in werking getreden, met als doel om alle overschrijdingen van de
luchtkwaliteitsnormen op te lossen. Het NSL omvat een omvangrijk pakket maatregelen om de luchtkwaliteit te verbeteren.
Alleen projecten die 'niet in betekende mate' (NIBM) bijdragen aan een verslechtering van de luchtkwaliteit kunnen zonder
toetsing aan de grenswaarden voor het aspect luchtkwaliteit uitgevoerd worden. Een project draagt niet in betekende mate bij
aan de luchtverontreiniging wanneer aannemelijk is (door berekening of motivering) dat de 3% grens niet wordt overschreden.
Deze grens is 3% van de grenswaarde voor de jaargemiddelde concentratie van fijn stof (PM10) of stikstofdioxide (NO2). Dit
komt overeen met 1,2 microgram/m3 voor zowel PM10 als NO . Dit criterium is een 'of-benadering', wanneer een project voor
                                                               2


één stof de 3%-grens overschrijdt, dan verslechtert het project 'in betekenende mate' de luchtkwaliteit.
De 3%-grens is voor een aantal categorieën projecten in een ministeriële regeling omgezet in getalsmatige grenzen,
bijvoorbeeld:



        woningbouw: 1.500 woningen netto bij 1 ontsluitingsweg, 3.000 woningen bij 2 ontsluitingswegen;

        kantoorlocaties: 100.000 m bruto vloeroppervlak bij 1 ontsluitingsweg, 200.000 m bruto vloeroppervlak bij 2
                                     2                                                        2




         ontsluitingswegen.


Dit bestemmingsplan maakt geen directe ontwikkelingen mogelijk, waardoor de luchtkwaliteit ter plaatse niet zal
verslechteren. Derhalve is geen nadere verantwoording noodzakelijk naar het aspect luchtkwaliteit. Voor nieuwe
ontwikkelingen geldt dat moet worden aangetoond dat de luchtkwaliteit niet verslechterd, of dat deze vallen in de NIBM-
categorie.
9.6 Externe veiligheid
Externe veiligheid betreft het risico dat aan bepaalde activiteiten verbonden is voor niet bij de activiteit betrokken personen.
Het externe veiligheidsbeleid richt zich op het voorkomen en beheersen van risicovolle bedrijfsactiviteiten en van risicovol
transport (onder andere van gevaarlijke stoffen). Het gaat daarbij om de bescherming van individuele burgers en groepen
tegen ongevallen met gevaarlijke stoffen of omstandigheden.
Risicobronnen kunnen onderscheiden worden in risicovolle inrichtingen (onder andere lpg-tankstations), vervoer van
gevaarlijke stoffen en leidingen (onder andere aardgas, vloeibare brandstof en elektriciteit). Om voldoende ruimte te
scheppen tussen risicobron en de personen of objecten die risico lopen (kwetsbare of beperkt kwetsbare objecten) moeten
afstanden in acht worden genomen. Ook ontwikkelingsmogelijkheden die ingrijpen in de personendichtheid kunnen om
onderzoek vragen.
In het plangebied zijn geen bedrijven aanwezig waarop het huidige Besluit externe veiligheid inrichtingen (Bevi) van
toepassing is.
Voor de aspecten van externe veiligheid kan erop worden gewezen dat ten aanzien van risicovolle activiteiten zoals onder
andere het transport van gevaarlijke stoffen per as, spoor of schip of de buisleidingen in de omgeving het plangebied er geen
veranderingen zijn ten aanzien van de ligging van de routes. De huidige transportroutes: over de weg (A4) en via
buisleidingen (A560, W535 en W515), liggen op grote afstand van het plangebied. De spoorlijn Den Haag - Haarlem/Schiphol
is geen transportroute voor gevaarlijke stoffen (bron: Prognose van het vervoer van gevaarlijke stoffen per spoor, Prorail
2003 en de Marktverwachting vervoer gevaarlijke stoffen per spoor, Prorail, 2007). Ditzelfde geldt voor de Rijn, die overigens
ook op grote afstand ligt van het plangebied. Tevens vinden geen veranderingen plaats ten aanzien van de vestiging van
kwetsbare objecten.
9.7 Flora en fauna
Sinds 1 april 2002 regelt de Flora- en faunawet de bescherming van in het wild voorkomende inheemse planten en dieren. In
de wet is onder meer bepaald dat beschermde dieren niet gedood, gevangen of verontrust mogen worden en planten niet
geplukt, uitgestoken of verzameld mogen worden (algemene verbodsbepalingen, artikelen 8 t/m 12). Bovendien dient
iedereen voldoende zorg in acht te nemen voor in het wild levende planten en dieren (zorgplicht, artikel 2). Daarnaast is het
niet toegestaan om hun directe leefomgeving, waaronder nesten en holen, te beschadigen, te vernielen of te verstoren. De
Flora- en faunawet heeft dan ook belangrijke consequenties voor ruimtelijke plannen.
Bij ruimtelijke plannen met mogelijke gevolgen voor beschermde planten en dieren is het verplicht om vooraf te toetsen of
deze kunnen leiden tot overtreding van algemene verbodsbepalingen. Wanneer dat het geval dreigt te zijn, moet onderzocht
worden of er maatregelen genomen kunnen worden om dit te voorkomen, of de gevolgen voor beschermde soorten te
verminderen. Onder bepaalde voorwaarden geldt een vrijstelling of is het mogelijk van de minister van LNV ontheffing van de
algemene verbodsbepalingen te krijgen voor activiteiten op het gebied van ruimtelijke ontwikkeling en inrichting. Ten aanzien
van de criteria die voor vrijstellingen en ontheffingen gelden, kunnen drie groepen soorten worden onderscheiden. Deze
groepen sluiten aan bij de indeling in tabellen van de AMvB Flora- en faunawet.
Groep 1: Algemene soorten waarvoor een vrijstelling geldt (Tabel 1 AMvB):
Voor algemeen voorkomende soorten geldt een algemene vrijstelling van de verboden 8 tot en met 12. Aan deze vrijstelling
zijn geen aanvullende eisen gesteld. Wel blijft ook voor deze soorten de zorgplicht van kracht.
Groep 2: Overige soorten waarvoor een vrijstelling geldt wanneer volgens een gedragscode gewerkt wordt (Tabel 2 AMvB;
vogels):
Voor een aantal soorten geldt een vrijstelling mits volgens een door het ministerie goedgekeurde gedragscode wordt gewerkt.
Wanneer een dergelijke gedragscode (nog) niet beschikbaar is, kan een ontheffing worden aangevraagd. Deze kan worden
verleend indien de beoogde ruimtelijke ingreep geen afbreuk doet aan de gunstige staat van instandhouding van de soort(en).
Eventueel moeten hiertoe mitigerende en compenserende maatregelen genomen worden. Voor vogels geldt echter een
uitgebreide toets voor een ontheffing (zie onder groep 3).
Groep 3: Habitatrichtlijn bijlage IV-soorten en in AMvB aanvullend aangewezen soorten (streng beschermde soorten) (Tabel 3
AMvB):
Voor soorten genoemd in bijlage IV van de Habitatrichtlijn en voor de door het ministerie van LNV per algemene maatregel
van bestuur nog aanvullend aangewezen soorten geldt een zwaar beschermingsregime. Voor deze soorten geldt geen
vrijstelling voor ruimtelijke ontwikkeling en inrichting. Een ontheffing kan alleen worden verleend wanneer:



        geen andere bevredigende oplossing bestaat;

        sprake is van dwingende redenen van groot openbaar belang, met inbegrip van redenen van sociale of economische

         aard, en voor het milieu gunstige effecten;



        geen afbreuk wordt gedaan aan een gunstige staat van instandhouding van de soort.


Er bestaat een kans dat er belangrijke populaties beschermde soorten aanwezig zijn in Noordwest. Het bestemmingsplan
faciliteert echter geen bouwmogelijkheden in belanghebbende groenvoorzieningen of op andere locaties. Voor toekomstige
ontwikkelingen zal gericht flora- en faunaonderzoek moegen uitwijzen of sprake is van beschermde soorten in de betreffende
gebieden. Uiteraard dient men op basis van artikel 2, lid 1 en 2, bovendien rekening te houden met de zorgplicht in de Flora-
en faunawet. Om de kans op verstoring van mogelijke individuele exemplaren van beschermde soorten te minimaliseren
dienen eventuele toekomstige werkzaamheden zoveel mogelijk buiten de broedperiode te worden uitgevoerd.


9.8 Water

        9.8.1 Beleidskader water

        9.8.2 Watertoetsprocedure

        9.8.3 Waterbeheer, samenwerking en watertoets

        9.8.4 Beschrijving watersysteem

        9.8.5 Waterkwaliteit

        9.8.6 Riolering

        9.8.7 Vertaling beleid water naar bestemmingsplan


Deze waterparagraaf bestaat uit respectievelijk: beleidskader, het waterbeheer en hoe de watertoets wordt ingevuld, de
beschrijving van het huidige watersysteem en de vertaling van het beleid naar het bestemmingsplan.
9.8.1 Beleidskader water
Waterbeheerplan van Rijnland
Voor de planperiode 2010 - 2015 zal het Waterbeheerplan (WBP) van Rijnland van toepassing zijn. In dit plan geeft Rijnland
aan wat haar ambities voor de komende planperiode zijn en welke maatregelen in het watersysteem worden getroffen. Het
nieuwe WBP legt meer dan voorheen accent op uitvoering.
De drie hoofddoelen zijn veiligheid tegen overstromingen, voldoende water en gezond water. Wat betreft veiligheid is cruciaal
dat de waterkeringen voldoende hoog en stevig zijn en blijven en dat rekening wordt gehouden met mogelijk toekomstige
dijkverbeteringen. Wat betreft voldoende water gaat het erom het complete watersysteem goed in te richten, goed te beheren
en goed te onderhouden. Daarbij wil Rijnland dat het watersysteem op orde en toekomstvast wordt gemaakt, rekening
houdend met klimaatverandering. Immers, de verandering van het klimaat leidt naar verwachting tot meer lokale en heviger
buien, perioden van langdurige droogte en zeespiegelstijging. Het waterbeheerplan sorteert voor op deze ontwikkelingen. Het
waterbeheerplan 2010 - 2015 van Rijnland is te vinden op de website:
http://www.rijnland.net/wat_doet_rijnland/waterbeheerplan
Keur en Beleidsregels 2009
Per 22 december 2009 is een nieuwe Keur in werking getreden, alsmede nieuwe Beleidsregels. Een nieuwe Keur is nodig
vanwege de totstandkoming van de Waterwet en daarmee verschuivende bevoegdheden in onderdelen van het waterbeheer.
Verder zijn aan deze Keur bepalingen toegevoegd over het onttrekken van grondwater en het infiltreren van water in de
bodem.
De "Keur en Beleidsregels" maken het mogelijk dat het Hoogheemraadschap van Rijnland haar taken als waterkwaliteits- en
kwantiteitsbeheerder kan uitvoeren. De Keur is een verordening van de waterbeheerder met wettelijke regels (gebod- en
verbodsbepalingen) voor:


        Waterkeringen (onder andere duinen, dijken en kaden),
        Watergangen (onder andere kanalen, rivieren, sloten, beken),
        Andere waterstaatswerken (o.a. bruggen, duikers, stuwen, sluizen en gemalen).


De Keur bevat verbodsbepalingen voor werken en werkzaamheden in of bij de bovengenoemde waterstaatswerken. Er kan
een ontheffing worden aangevraagd om een bepaalde activiteit wel te mogen uitvoeren. Als Rijnland daarin toestemt, dan
wordt dat geregeld in een Watervergunning op grond van de Keur. De Keur is daarmee een belangrijk middel om via
vergunningverlening en handhaving het watersysteem op orde te houden of te krijgen. In de Beleidsregels, die bij de Keur
horen, is het beleid van Rijnland nader uitgewerkt. De Keur en Beleidsregels van Rijnland zijn te vinden op de website:
http://www.rijnland.net/beleid/keur_2009 en http://www.rijnland.net/beleid/beleidsregels_en
Voorkeursvolgorde voor Afvalwater en zorgplicht behandeling Hemelwater
Rijnland geeft de voorkeur aan het scheiden van hemelwater en afvalwater, mits het doelmatig is. Wij volgen hierbij de
voorkeursvolgorde (rijksbeleid), waarbij voorop staat het voorkomen van het ontstaan van afvalwater, als er afvalwater is het
zoveel mogelijk beperken van verontreiniging en waar mogelijk afvalwaterstromen worden gescheiden. De gemeente kan
gebruik maken van deze voorkeursvolgorde bij de totstandkoming van het gemeentelijk rioleringsplan (GRP). Deze
voorkeursvolgorde is echter geen dogma. De uiteindelijke afweging zal lokaal moeten worden gemaakt, waarbij doelmatigheid
van de oplossing centraal staat. Rijnland streeft naar samenwerking in de afvalwaterketen en wil hierover graag adviseren.
Naast een voorkeursvolgorde voor afvalwater geldt voor de behandeling van hemelwater de zorgplicht. Rijnland geeft daarbij
de voorkeur aan brongerichte maatregelen boven 'end-of-pipe' maatregelen. Het te lozen hemelwater mag geen significante
verslechtering van de kwaliteit van het ontvangende oppervlaktewater veroorzaken. Voorbeelden om dit te bereiken zijn
duurzaam bouwen, infiltratie, het toepassen van berm- of bodempassage en (straat)kolken met extra zand-slibvang of
zakputten. Als ondanks de zorgplicht en de preventieve maatregelen het te lozen hemelwater naar verwachting een
aanmerkelijk negatief effect heeft op de oppervlaktewaterkwaliteit, kan in overleg tussen gemeente en waterschap gekozen
worden voor aanvullende voorzieningen, een verbeterd gescheiden stelsel of - als laatste keus - aansluiten op het gemengde
stelsel.
Nota Waterneutraal bouwen (2007)
In de Nota Waterneutraal Bouwen is het beleid van het hoogheemraadschap van Rijnland op dit punt nader uitgewerkt voor
boezemland. Boezemland bestaat uit gebieden die vrij het water afvoeren (zonder tussenkomst van een gemaal) naar het
open water van Rijnlands boezem. Deze boezem vormt het geheel van plassen, meren en kanalen die met elkaar in open
verbinding staan. Dit zijn o.a. alle grote kanalen en meren in het gebied van Rijnland. Leiden is voor het grootste deel
boezemland, De Waard in zijn geheel.
Kort gezegd komt het beleid voor waterneutraal bouwen in boezemland op het volgende neer: Het extra waterbezwaar in
boezemland als gevolg van de toename van verhard oppervlak (bebouwing, drainage e.d.) kan worden opgevangen als in het
plangebied een oppervlak gelijk aan 15% van het nieuw aan te leggen verhard oppervlak gereserveerd wordt voor extra open
water. Dit open wateroppervlak komt bovenop het al bestaande oppervlak aan open water.
Beleid gemeente
De gemeente streeft samen met het Hoogheemraadschap van Rijnland in het algemeen naar een duurzaam stedelijk
waterbeheer. Tevens zullen in het kader van het Waterplan Leiden concrete maatregelen voor het verbetering van het
watersysteem van Leiden worden uitgewerkt. Maatregelen die in het kader van duurzaam stedelijk waterbeheer getroffen
kunnen worden, zijn onder andere:


        de inrichting van de watergangen: zo min mogelijk duikers, bevorderen van watercirculatie en het vermijden van
         doodlopende watergangen;
        het voorkomen van aantasting van het aquatisch ecosysteem;
        het zoveel mogelijk afkoppelen van schone verharding: in de huidige situatie wordt het regenwater via traditionele
         gemengde rioolstelsels direct, samen met het afvalwater, afgevoerd naar de rioolwaterzuivering. De gevolgen zijn
         een verminderde stroming naar de grondwatervoorraad (verdroging), een capaciteitsprobleem bij
         waterzuiveringsinstallaties en het zuiveren van relatief schoon water. Om dit negatieve proces te keren is het goed
         denkbaar om bij nieuwe inbreidingsprojecten of grotere woningverbetering- en herinrichtingprojecten het dakwater
         en regenwater te scheiden. Daarnaast moeten mogelijkheden worden bezien om hemelwater bovengronds af te
         voeren.
        maatregelen richten op het vasthouden van water (zowel regenwater als gebiedseigen (kwel)water) en vertragen
         van de waterafvoer afkomstig van verhard oppervlak.


9.8.2 Watertoetsprocedure
De watertoetsprocedure houdt in het kort in dat een initiatiefnemer (gemeente, projectontwikkelaar, particulier) in een zo
vroeg mogelijk stadium contact zoekt met de waterbeheerder(s) voor overleg over het plan.
In een aantal gevallen is het doorlopen van de watertoetsprocedure wettelijk verplicht:


        een provinciale structuurvisie;
        een regionale structuurvisie;
        een gemeentelijke structuurvisie;
        een bestemmingsplan;
        een omgevingsvergunning waarbij wordt afgeweken van het bestemmingsplan.


9.8.3 Waterbeheer, samenwerking en watertoets
Waterbeheer
Het plangebied ligt in het beheersgebied van het Hoogheemraadschap van Rijnland, dat per 1 januari 2005 zowel het
waterkwantiteits-, het waterkwaliteitsbeheer en de zorg voor de waterkeringen (een deel van de boezemwateren is in
onderhoud bij de gemeente). De gemeente is verantwoordelijk voor het onderhoud van kaden en beschoeiingen waarvan de
gemeente kadastraal eigenaar is.
Samenwerking met waterbeheerder
Voor het overige beleidskader ten aanzien van water wordt op rijks-, provinciaal, regionaal en gemeentelijk niveau verwezen
naar paragraaf 4.2 Waterhuishouding.
Met betrekking tot de visie over de opzet en het functioneren van het toekomstige watersysteem van de gemeente Leiden
wordt door de gemeente en de waterbeheerder een waterplan opgesteld. In het kader van het Waterplan Leiden zullen de
gemeente en de waterschappen aanvullende en/of nieuwe beleidsafspraken maken ten gunste van een kwalitatief goed woon-
en leefklimaat voor mens, flora en fauna. Afhankelijk van de lokale situatie zullen bij toekomstige uitbreidings- en/of
reconstructieplannen afspraken gemaakt worden tussen de gemeente en waterbeheerder om zo optimaal mogelijk aan de
voorwaarden voor een kwalitatief goed watersysteem tegemoet te komen.
Inzake de emissievermindering van het afvalwater kan worden verwezen naar het Gemeentelijk Rioleringsplan (GRP) dat
mede in overleg met de waterbeheerder tot stand is gekomen. In het Verbreed Gemeentelijk Riolerings Plan 2009 - 2013
komen bijvoorbeeld aan de orde: het toepassen van een (verbeterd) gescheiden systeem, het afkoppelen van schoon verhard
oppervlak en het aanpakken van de riooloverstorten.
Watertoets bestemmingsplan
Bij het tot stand komen van dit bestemmingsplan is overleg gevoerd over deze waterparagraaf, de verbeelding en de regels.
9.8.4 Beschrijving watersysteem
Kikkerpolder
De polder wordt grotendeels omsloten door een hoofdwatergang. Een (woon)boerderij en het informatiecentrum liggen in een
onderbemaling. Een deel van de polder, bosgebied, grenzend aan de Warmonderweg en het sportpark vallen buiten de
omsluiting door een hoofdwatergang. Langs de Groene Maredijk en de Haarlemmer Trekvaart bevinden zich waterkeringen.
De Groene Maredijk doorsnijdt het gebied en deelt dit in een noordelijk en zuidelijk deel deel. In het gebied bevinden zich de
gemalen Groene Maredijk en Leidse Hout.
De polder is een onderdeel van het plangebied en het peil ligt op - 1.45 meter. In de polder is in de dertiger jaren het
volkspark de Leidse Hout aangelegd, waarbij is aangesloten op het oorspronkelijke polderlandschap. Het gebied heeft een
fijnmazig rechtlijnig slotenpatroon. De 3 vijvers hebben een strakke, rechtlijnige vorm. De Groene Maredijk is een zeer oude
waterkering en waarschijnlijk al voor 1200 aangelegd.
De Pesthuispolder
In het plangebied bevindt zich het ten noorden van de Wassenaarseweg gelegen deel van de Pesthuispolder (noord). Het peil
ligt op - 1.25 meter. In het gebied bevindt zich het Combigemaal Wassenaarseweg. De in het gebied gelegen vijvers zijn via
duikers onderling verbonden.
9.8.5 Waterkwaliteit
De kwaliteit van het water in Leiden wordt gemeten door het hoogheemraadschap. De waterkwaliteit in het plangebied is
matig. Overigens wijkt dit niet af van de situatie voor andere delen van Leiden. Stoffen die een aandachtspunt vormen zijn
fosfaat, stikstof, zuurstof en zware metalen (kopper en nikkel). De concentraties van deze stoffen liggen boven de MTR-
waarden (Maximaal Toelaatbaar Risico). De MTR waarden zijn streefwaarden. Op dit moment kunnen grote delen van Zuid -
en Noord-Holland niet aan deze waarden voldoen. Mogelijke oorzaken van de matige waterkwaliteit zijn inlaatwater,
riooloverstorten en diffuse verontreinigingen zoals bestrijdingsmiddelen en afstroming van vervuild oppervlak.
9.8.6 Riolering
In het plangebied is de riolering van het type gemengd systeem. Afvalwater en regenwater worden in dit systeem afgevoerd
naar de rioolwaterzuivering. Onder vrij verval stroomt het water via Rijnsburgerweg en Zweilandlaan naar de
Oegstgeesterweg. Vandaar wordt het via een persleiding onder de Haarlemmertrekvaart door naar de Regionale Water
Zuiverings Installatie (RWZI) Leiden Noord getransporteerd.
Op de locaties Ijsvogelhof 1 t/m 18, Mezenstraat 15 t/m 29, Bosuilstraat 1 t/m 10, Groene spechthof 1 t/m 12 en
Vinkenstraat wordt het hemelwater afgevoerd naar een sloot.

Bij overvloedige regenval kunnen problemen optreden in de achtertuinen van de Boerhavelaan 17 t/m 29, tussen de
dwarsstaande flats langs de Boerhavelaan en de spoorbaan, in de achtertuinen van de Mariënpoelstraat 1 t/m 43 en de
Boerhavelaan 4 t/m 42. Op basis van theoretisch onderzoek blijkt er in het plangebied een overschrijding van de norm voor
overstort aan de Nachtegaallaan. In de praktijk blijkt dit echter mee te vallen. Er is op deze locaties geen sprake van een
urgentie. De gemeente Leiden richt zich op het afkoppelen van verhard oppervlak om piek emissies te voorkomen.

In de Haarlemmertrekvaart liggen nog 19 woonschepen die hun afvalwater ongezuiverd op het oppervlaktewater lozen. Deze
worden aangesloten op de riolering bij de reconstructie van de Haarlemmerweg. De woonschepen vallen echter strikt
genomen buiten het plangebied.
9.8.7 Vertaling beleid water naar bestemmingsplan
Dit bestemmingsplan is gericht op actualisatie en conservering. Er zitten geen ontwikkelingslocaties in het plan.

Duurzaam water algemeen bij ruimtelijke ontwikkelingen, waterkwantiteit
Het Hoogheemraadschap van Rijnland stelt waterkwantitatieve eisen voor voldoende open water. Het beleid is in boezemland
de 15%-regel: dit houdt in dat voor iedere verharde uitbreiding in stedelijk gebied met een oppervlak van meer dan 500 m2,
15% van dit oppervlak aan open boezemwater gecreëerd moet worden (bijvoorbeeld in geval van verdichting in het
bestaande stedelijke gebied), wanneer er op grote schaal wordt afgekoppeld of wanneer er lokaal knelpunten zijn in het
watersysteem. Ook in het poldergebied geldt de eis van minimaal 15% open water dan wel zoveel water als uit nadere
berekening noodzakelijk blijkt.
Langs de hoofdwatergangen in Noordwest is veelal een beschermings- en onderhoudszone van 5 meter aanwezig aan
weerszijden, die vrij dient te blijven van bebouwing.
Het Hoogheemraadschap hanteert daarnaast andere voorwaarden binnen het kwantitatieve waterbeheer, zoals het
dempingsverbod, het compensatiebeginsel indien toch sprake is van demping en het tegengaan van versnippering in
peilvakken. Ook met deze randvoorwaarden moet binnen het plangebied rekening gehouden worden.
Duurzaam water algemeen bij ruimtelijke ontwikkelingen, waterkwaliteit
Bij de inrichting van watergangen wordt gestreefd naar aaneengesloten watergangen met een minimum aan duikers of andere
kunstwerken. Vanuit het belang van waterkwaliteit moeten doodlopende watergangen worden vermeden.
Tevens worden bij vernieuwing van de beschoeiingen, en bij nieuwbouw voor bouwmaterialen en straatmeubilair zoveel
mogelijk duurzame en niet-uitloogbare materialen gebruikt (dus geen koper, zink en lood). De gemeente heeft het Aktieplan
Duurzaam Bouwen vastgesteld waarin onder andere de problematiek van "uitlogen" aan de orde komt.
Rijnland streeft voorts naar 100% natuurvriendelijke oevers in het stedelijk gebied. Natuurvriendelijke oevers dragen bij aan
het zelfreinigend vermogen en aan extra waterberging, en geven tevens een impuls aan de ecologische potenties van de
stedelijke watergangen.
Waterkeringen
Langs de boezemwatergangen liggen aan weerszijden boezemwaterkeringen. Binnen de kern- en beschermingszones van
deze waterkeringen zijn beperkingen vanuit de Keur aanwezig ten aanzien van bouw- en graafwerkzaamheden. De primair te
bestemmen zones Waterkering komen uit het wateroverleg in het kader van de watertoets. Voor verdere informatie wordt
verwezen naar de kaarten van het gebied op internet:
http://www2.rijnland.prod.waterschapshuis.asp4all.nl/kaarten/ROR-19(A0)-5000.pdf


10 Duurzame stedelijke ontwikkeling

        10.1 Duurzame stedenbouw

        10.2 DuBoPlus-Richtlijn

        10.3 Klimaatprogramma


De gemeente Leiden vindt het duurzaam ontwikkelen van het stedelijke gebied belangrijk. Leiden streeft er naar bij elke
ruimtelijke ontwikkeling de schade aan het milieu en de menselijke gezondheid op korte en lange termijn zoveel mogelijk te
beperken. Zij wil daarmee de kwaliteit en duurzaamheid van de stedelijke ontwikkeling op een zo hoog mogelijk niveau
brengen.
10.1 Duurzame stedenbouw
Duurzame stedenbouw is vooral het inspelen op de kansen van de nieuwe bouwlocatie. Juist door in een vroegtijdig stadium
aandacht te besteden aan de specifieke kenmerken en mogelijkheden van de bouwlocatie kan er voor gezorgd worden dat een
aantrekkelijke woon- en voorzieningenomgeving ontstaat. De gemeente Leiden hanteert hiertoe het Regionaal Beleidskader
Duurzame Stedenbouw (RBDS). In het RBDS staat het beleid van de gemeente Leiden voor duurzame stedenbouw. Dit
instrument is bedoeld om de milieuambities en andere duurzaamheidaspecten een volwaardige plaats te geven in de
ontwikkeling van ruimtelijke plannen voor gebieden groter dan 1 hectare. Duurzaamheid is hierbij ruim gedefinieerd als
'People, Planet, Profit' (PPP). Dit betekent dat naast ambities op het gebied van milieu ook maatschappelijke/sociale en
economische ambities een plek hebben gekregen in het beleid. Een ambitietabel maakt deel uit van het RBDS. Zie ook
www.mdwh.nl/rbds .
10.2 DuBoPlus-Richtlijn
De gemeente Leiden hanteert als uitgangspunt bij bouwprojecten [woningbouw, utiliteitsbouw en de grond-, weg- en
waterbouw voor zowel nieuwbouw als renovatie) de Regionale DuBoPlus Richtlijn 2008 als duurzaam bouwen-maatlat. De
nagestreefde kwaliteit en duurzaamheid van het project dienen op basis van een overeenkomst tussen de gemeente en de
ontwikkelaar geborgd te worden.
Voor de woning- en utiliteitsbouw worden de duurzame prestaties berekend met het instrument de GPR-Gebouw en de
resultaten gepresenteerd in een schoolcijfer (1 -10). Een 7 is de regionale norm. De ontwikkelaar informeert de gemeente
met een GPR-Gebouw berekening (meest recente versie) of gelijkwaardig of aan de regionale ambitie wordt voldaan. Hiertoe
ontvangt de ontwikkelaar van de gemeente een gratis sublicentie GPR-Gebouw.
Voor de grond-, weg- en waterbouw geldt een maatregelenchecklist met vaste- (altijd doen) en keuzemaatregelen. Aan de
hand van deze maatregelenchecklist wordt de projectambitie samengesteld, geconcretiseerd en getoetst. Zie ook
www.mdwh.nl/dubo.
10.3 Klimaatprogramma
In 2008 heeft de gemeente Leiden in samenwerking met de Milieudienst het Plan van aanpak regionaal Klimaatprogramma
2008-2012 Holland Rijnland en Rijnstreek vastgesteld. Voor het Klimaatprogramma Holland Rijnland en Rijnstreek wordt de
klimaatambitie van het kabinet als uitgangspunt genomen. In de CO2-kansenkaart is berekend, dat de kabinetsambitie een
concrete CO2-reductiedoelstelling van 600 kiloton in 2030 voor onze regio betekent.

11 Uitvoerbaarheid

        11.1 Economische uitvoerbaarheid

        11.2 Maatschappelijke uitvoerbaarheid


11.1 Economische uitvoerbaarheid
Het voorliggende bestemmingsplan betreft een actualisering van een aantal verouderde bestemmingsplannen, waarbij slechts
het juridisch-planologisch regime is geactualiseerd.
Kosten archeologie
Uitgangspunt is dat de verstoorder betaalt, indien er onderzoek dient te worden uitgevoerd en eventueel archeologische
begeleiding of een opgraving moet plaatsvinden.
Planschade
Het archeologisch beleid van de gemeente Leiden is reeds in 2005 vastgesteld door de gemeenteraad in de Nota Cultureel
Erfgoed. Dit beleid is daarmee al enige tijd vigerend binnen de gemeente. Het bestemmingsplan is mede gebaseerd op dit
beleid en op de sinds 2005 in gebruik zijnde archeologische waardenkaart. Dit kan leiden tot een stuk voorzienbaarheid,
waardoor het risico op planschade minder wordt.
Voor het gehele grondgebied van de gemeente Leiden is op 2 december 2010 het een paraplu-bestemmingsplan Archeologie
vastgesteld. In deze en voorgaande bestemmingsplannen is reeds een regime opgenomen in de planvoorschriften waarin
bescherming van archeologische waarden is opgenomen. Met het voorliggende bestemmingsplan worden de regels met
betrekking tot de bescherming van archeologische waarden voortgezet, maar niet strenger gemaakt. Er vindt op deze locaties
dan ook geen (grote) planologische verslechtering plaats, waardoor het risico op planschade kleiner wordt.
Het bestemmingsplan Archeologie legt geen bouwverbod op. Bouwen blijft met dit voorliggende bestemmingsplan gewoon
mogelijk. Wel wordt gevraagd om een omgevingsvergunning indien bouwplannen de gestelde kaders overschrijden, maar dit
weegt voor de planschadebeoordeling minder zwaar dan een bouwverbod. De verwachting is dan ook dat het
bestemmingsplan niet of slechts in zeer beperkte mate zal leiden tot planschade.
Met betrekking tot de realisatie van het plan, heeft dit geen financiële consequenties voor de gemeente Leiden.
11.2 Maatschappelijke uitvoerbaarheid
Het voorontwerpbestemmingsplan Leiden Noordwest is conform artikel 3.1.1 van het Besluit ruimtelijke ordening voor
vooroverleg gezonden naar de betreffende personen en instanties. Daarnaast is het voorontwerpbestemmingsplan
overeenkomstig de gemeentelijke inspraakverordening ter inzage gelegd. De opmerkingen uit het vooroverleg en de
inspraakreacties zijn verwerkt in het ontwerpbestemmingsplan. Voor een uitgebreide omschrijving van de ingediende reacties
op het voorontwerpbestemmingsplan en de gemeentelijke reactie daarop wordt verwezen naar de Inspraaknota die als bijlage
aan de toelichting is gevoegd.
Het ontwerpbestemmingsplan zal gedurende 6 weken voor zienswijzen ter inzage worden gelegd conform de procedure als
genoemd in artikel 3.8 Wet ruimtelijke ordening.

12 Handhaving
Handhaving betekent ervoor zorgen dat de door de overheid gestelde regels worden nageleefd. Handhaven is aan de orde op
tal van keuzemomenten in de ruimtelijke beleidsprocessen en het bestemmingsplan is daarin een belangrijk onderdeel. De
basis voor handhaving is gelegen in de Algemene wet bestuursrecht.
De kwaliteit van het bestemmingsplan bepaalt in belangrijke mate de stuurmogelijkheden. Mede in het belang van een goede
handhaving moet de bedoeling van de regelgeving duidelijk uit het bestemmingsplan blijken en moeten de planregels zo
leesbaar en begrijpelijk mogelijk zijn. Bovendien is van belang aan te geven op welke wijze in de praktijk inhoud wordt
gegeven aan het waarborgen van de rechtszekerheid en gelijke behandeling van burgers. Daarom is het van belang dat het
bestemmingsplan handhaving aan de orde stelt.
De gemeentelijke Handhavingnota Bouwregelgeving en Ruimtelijke Ordening kan de basis vormen voor de
handhavingparagraaf in bestemmingsplannen. Daarnaast biedt de nota een steviger juridische basis voor de uitvoering van
het handhavingsbeleid. Op 23 mei 2006 is de Handhavingsnota vastgesteld door de gemeenteraad. Een aantal uitgangspunten
uit de Handhavingnota zijn:


        Handhaving is: "het door toezicht en het toepassen van (bestuursrechtelijke, strafrechtelijke of privaatrechtelijke)
         sancties nastreven dat de planregels worden nageleefd".
        Gestelde regels moeten ook gehandhaafd worden.
        Handhaving vindt plaats op basis van een handhavingprogramma. Er wordt aangesloten bij de wijze van
         programmatische handhaving zoals deze door de Stuurgroep "Handhaven op niveau" is uitgewerkt. Deze aanpak
         gaat uit van handhaving op basis van een handhavingprogramma dat wordt vastgesteld door het college van
         burgemeester en wethouders.
        Het handhavingprogramma bevat meetbare resultaten door het vaststellen van een gewenst niveau van naleving
         van regels.
        Handhaving vindt sinds juni 2009 plaats volgens een tweestappenplan. Een ingezet handhavingtraject zal worden
         volgehouden tot de overtreding is opgeheven. De uitvoering van het stappenplan wordt zoveel mogelijk
         gestandaardiseerd in handhavingprotocollen.
        Gedogen is uitzondering (gekwalificeerd gedogen). Gedogen is slechts in beperkte mate aanvaardbaar:
        in uitzonderingsgevallen;
        mits beperkt in omvang en/ of tijd;
        na expliciete besluitvorming en zorgvuldige kenbare belangenafweging;
        aan controle onderworpen.
        Scheiding vergunningverlening en handhaving. Voor een méér geloofwaardige en specialistische handhaving is het
         wenselijk dat er een scheiding bestaat op ambtelijk niveau tussen vergunningverlening (normstelling) en handhaving
         (toezicht en handhaving).


Het belang van handhaving wordt ook onderschreven door de provincie Zuid-Holland. Het doel en de betekenis van
handhaving in het bestemmingsplan is neergelegd in de nota Planbeoordeling (provincie Zuid Holland, 2002) en de opvolger
daarvan de nota Regels voor Ruimte. Handhaving is om de volgende redenen van belang:


        het bereiken van vooraf geformuleerde (ruimtelijke) doelstellingen;
        het waarborgen van rechtszekerheid en gelijke behandeling van burgers;
        het vergroten van het ambtelijke, maar vooral ook het maatschappelijke draagvlak;
        versterking van de geloofwaardigheid, betrouwbaarheid en integriteit van bestuurders;
        het terugdringen van normvervaging.


Bijlagen

        Bijlage 1 Lijst met beeldbepalende panden (is er)
        Bijlage 2 Inspraaknota Leiden Noordwest (is er)

								
To top