Docstoc

Samenvatting Nederlands blok 3en4

Document Sample
Samenvatting Nederlands blok 3en4 Powered By Docstoc
					Samenvatting Nederlands blok 3&4

Over lezen blok 3
Thema:

        Waar het boek overgaat
        Wordt ook wel onderwerp genoemd
        Je kunt het erg kort opschrijven

Klassiekers: boeken die lang geleden zijn geschreven en jaar in jaar uit steeds weer worden gelezen

        Boeken die wel heel veel worden gelezen maar die toch nog niet heel lang bestaan zijn
         moderne klassiekers.

Serieboeken: boeken die in series verschijnen. Er zijn verschillende soorten serieboeken:

        Verhalen waarin de hoofdpersoon niet of nauwelijks verandert. De verhalen zetten je niet
         aan het denken
        Verhalen waarin de hoofdpersoon wel verandert, maar waarin de serie maar uit een beperkt
         aantal delen bestaat
        Strips, de hoofdpersoon verandert niet veel maar het gaat vooral om spannende of grappige
         gebeurtenissen


Verrijk je taal schat blok 3
Woorden

ambitieus = eerzuchtig
gaat het mijn budget te boven = kost het mij te veel
conversatielessen = lessen in de vorm van gesprekken
cultureel centrum = gebouw voor tentoonstellingen, theatervoorstellingen, muziekuitvoeringen enz.
harmonie = eensgezindheid
heroïsche = heldhaftige
hoffelijk = voorkomend, met aandacht en zorg voor anderen
klieren = deeltjes van je lichaam die een stof (meestal vocht) afscheiden
magische krachten = toverkrachten
nonchalante = achteloze, onverschillige
object = voorwerp, onderwerp
piëteit = eerbied
proces-verbaal = geschreven verslag van een overtreding
pronkstuk = iets wat men laat zien om indruk te maken
snookeren = een Engels biljartspel doen
Informatie blok 3

Doelgroep of publiek

       Programma’s en teksten zijn voor een bepaald publiek of doelgroep bestemd, de tekst moet
        passen bij een bepaalde leeftijdsgroep:
        - Kinderen
        - Jongeren
        - Volwassenen
       Een progamma moet publieksgericht zijn. Dit betekent dat het speciaal voor een bepaald
        publiek is.


Leesvaardig blok 3
Verwijswoorden
   - Verwijzen naar andere woorden in de tekst
   - Kunnen terugslaan op meerdere woorden

Publiek = de lezers van een tekst, een tekst kan voor verschillende mensen bedoeld zijn.
Het doel van de tekst is het tekstdoel, er bestaan 5 verschillende tekstdoelen:
     Informatie geven: de lezer iets nieuws vertellen
     Een mening naar voren brengen: vertellen wat je van iets vind
     Overtuigen: redenen geven waarom je gelijk hebt
     Overhalen of aansporen: je wilt dat de lezer iets gaat doen
     Amuseren: de lezer vermaken



Lay-out of opmaak: alle uiterlijke kenmerken van een tekst samen, waardoor de tekst er
aantrekkelijker uit ziet.

Woorden die aangeven wat er voor soort verband er bestaat tussen de zinnen noemen we
signaalwoorden. Ze geven de lezer een signaal over het verband. Hieronder een schema met signaal
woorden en hun verbanden (hoofdstuk 3 en 4):




Verband:                         uitleg:                            signaalwoorden:
                                 in een tekst staan uitspraken of   bijvoorbeeld, als voorbeeld,
Uitspraak-voorbeeld              beweringen, daarna volgen één      zo, met andere woorden, dat
                                 of meer voorbeelden                wil zeggen, namelijk


Opsomming                        Na een uitspraak of bewering       En,ook,verder,bovendien,nog,
                                 worden verschillende dingen        daarnaast, niet alleen…
                                 achter elkaar opgenoemd.           maar ook, ten eerste, ten
                                                                    Tweede, vervolgens.
Tegenstelling                    Er wordt iets gezegd en daarna     maar,daarentegen,echter,
                                 wordt het tegenovergestelde        integendeel,enerzijds,
                                  beweerd.                            anderzijds, daar tegenover
                                                                      staat.
Middel-doel                       iemand noemt een doel               waarmee,daarmee,met dat
                                  en een middel waarmee dat           doel, het doel is, door middel
                                  doel kan worden gebruikt            van,om,om te…

                                                                      daardoor,hierdoor,doordat,
Oorzaak-gevolg                    Iemand noemt een uitspraak          zodat,waardoor, ten gevolge
                                  die een oorzaak bevat, daarna       van.
                                  wordt het gevolg genoemd.

                                  Kort opgeschreven wat je eerder
Samenvatting                      hebt beweerd                    kortom, samenvattend, alles
                                                                  bij elkaar genomen, om kort
                                                                  te gaan

                                   Er wordt een conclusie gegeven
Conclusie                         van het hele verhaal                 Dus, daarom
Overeenkomst en verschil          Als je iets vergelijkt kunnen er    signaalwoorden overeenk. :
                                  overeenkomsten en verschil-         net zoals,hetzelfde,ook
                                  len zijn. Let op!! Anders dan bij   Signaalw. Verschil: in tegen-
                                  tegenstelling                       stelling tot,maar,echter
Voorwaarde                        Er moet eerst iets anders           Als,indien,mits
                                  gebeuren voordat de uitspraak
                                  klopt




Schrijfvaardig blok 3
In een betoog geef je naast informatie ook duidelijk je mening:
    - Dit doe je doormiddel van hele zinnen of bijvoeglijke naamwoorden toe te voegen


Leestekenregels (blok 3 en 4) :
   1. = Je zet een komma bij woorden als ach, hé, tje, nietwaar, helaas.
Voorbeeld: Ach, wat smaakt zo'n pannenkoek toch lekker!
   2. = Je zet een komma tussen twee werkwoorden uit verschillende werkwoordelijke gezegdes
       die naast elkaar staan.
Voorbeeld: Toen het beslag klaar was, kon de eerste pannenkoek gebakken worden.
   3. = Tussen de delen van een opsomming zet je komma's (of het woord en).
Voorbeeld: Houd jij ook van pannenkoeken, flensjes en poffertjes?
   4. = Je zet voor de woorden maar en want altijd een komma.
Voorbeeld: De meeste leerlingen willen tot 12 uur blijven, maar dat vindt de mentor niet goed.
Voorbeeld: Tamara gymt vandaag niet mee, want ze heeft haar enkel gekneusd.
   5. = Als vóór een opsomming één of meer samenvattende woorden staan, zet je achter deze
       woorden een dubbele punt.
Voorbeeld: Drie leuke sporten zijn: hockey, basketbal en zwemmen.
   6. = Na de aanhef en de groet in een brief zet je een komma.
Voorbeeld: Met vriendelijke groeten, Monique Jansen.
   7. = Voor een uitwerking zet je een dubbele punt.
Voorbeeld: Ik weet maar één oplossing: kom zo snel mogelijk naar huis.
   8. = Een aanspreking wordt altijd door een komma van de rest van de zin gescheiden.
Voorbeeld: Tanja, heb jij ook trek in een ijsje?
   9. = Een bijstelling in een zin zet je tussen komma's.
Voorbeeld: Ton Verbeek, de bedrijfsleider van de C-markt, zit met een probleem.


Gedicht blok 3
Een groepje regels in een gedicht noemen we een strofe. In een strofe gaat het over hetzelfde
onderwerp.
       Distichon=een strofe van 2 regels
       Terzine= een strofe van 3 regels
       Sextet= een strofe van 6 regels
       Kwatrijn= een strofe van 4 regels
       Octaaf= een strofe van 8 regels

Letterlijk en figuurlijk

        Letterlijk= het geeft precies weer wat er wordt gezegd,
        Figuurlijk= bij wijze van spreken, wat je zegt bedoel je niet zo.
             - Je gebruikt beelden om iets duidelijk te maken, dit noem je beeldspraak.
             - ‘De tijd vliegt voorbij’, in deze zin is vliegt voorbij een beeld voor nel voorbijgaan


Over lezen blok 4
Tijd in verhalen
Je hebt 2 verschillende soorten tijden in een verhaal:

       Tijd waarin het verhaal speelt
             - Het gedrag van de personen, hun leefomstandigheden en hun gedrag worden door
                  die tijd bepaalt.
       Tijd die in het verhaal loopt
             - Tussen het begin en het einde van het verhaal loopt een bepaalde tijd
             - Als er veel tijd verloopt tussen het begin en het einde, zal de hoofdpersoon ook veel
                  veranderen




Trucs met tijd
Chronologische volgorde= de ene gebeurtenis komt in volgorde van tijd na de andere

        Tijdsprong= het overslaan van een stuk tijd
       Flashback of terugblik= een terugsprong in de tijd
             - het verhaal loopt dan in een niet-chronologische volgorde
             - je hebt ook een terugwijzing(er wordt een gedachte of een uitspraak van een
                 persoon die eerder in het verhaal als is geweest herhaalt) het verschil met een
                 terugblik is dat het verhaal niet echt onderbroken hoeft te worden
       Vooruitwijzing= er wordt een stukje verteld over gebeurtenissen in een verhaal die nog gaan
        komen
Dagboek
In een dagboek houdt iemand regelmatig bij wat hij/zij meemaakt.
We onderscheiden 2 soorten:
     Echt dagboek= hierin beschrijft een werkelijk bestaande persoon zijn gevoelens en
        gebeurtenissen
     Verzonnen dagboek= hierin wordt beschreven wat de hoofdpersoon van het verhaal doet.
        Dit is speciaal bedoelt als leesboek. Zo’n dagboek is fictie


Verrijk je taalschat blok 4
Antibiotica: Geneesmiddel tegen infecties (besmettelijke ziekten)
Arrogant: Hooghartig
Audiovisueel: Waarbij je kijkt en luistert
Autoriteiten: Gezaghebbende personen, de overheid
De balans opgemaakt: achteraf gekeken wat voor resultaat het heeft gehad
Ceremonie: plechtige handelingen
Display: beeldscherm, leesvenster
Generatie: mensen van ongeveer dezelfde leeftijd
Loopings: acrobatische toer (halsbrekend kunststukje) waarbij met de motor een cirkel wordt
gemaakt in een verticaal vlak.
Mits: Op voorwaarde dat
NIPO: Nederlands Instituut voor de Publieke Opinie (=de mening van de mensen) en
marktonderzoek.
Ontluisterende: beschamende, waarvoor je je moet schamen
Panel: groep deskundigen die een onderwerp bespreken of commentaar geven
Spectaculair: opzienbarend, verbluffend
Te berde brengen: ter sprake brengen


Zinsontleding kort samengevat (grammatica)
1) PV: 1.Zin in andere tijd, werkwoord dat verandert is PV
       2.Zin vragend maken, PV komt voorop.
2) O :vraag: Wie/wat + G ?
3) WG: alle ww. uit de zin.
4) NG: bestaat uit:1.Naamwoordelijk deel(z.nw. of bijv.nw.)
                    2.Werkwoordelijk deel(in ieder geval 1 KWW)
5) LV: Wie/Wat + G + O?
6) MV: Aan wie/voor wie +G+(lv).
7) VV: 1.Zinsdeel dat volgt op een WW met een vast VZ. (begint dus altijd met een VZ)
        2.WW en Vz hebben een figuurlijke betekenis.
8) BWB: geeft tijd, plaats, reden enz. aan.
Alle vragen stellen, behalve de wie of Wat vraag.
9) BVB: Altijd een zinsdeelstuk.
Zegt iets over een kernwoord in de zin.
(Bijstelling: Staat altijd tussen komma’s)


Informatie blok 4
Massamedia

       Radio, televisie, kranten, tijdschriften en internet bereiken grote groepen mensen. Ze
        worden daarom Massamedia genoemd.
       Net als alle teksten richten massamedia zich met hun programma’s en teksten op een
        bepaald publiek, dit noem je de doelgroep.


Leesvaardig blok 4
Uitspraak, bewering, feit, mening, argument
Als iemand wat zegt of schrijft, is dit een uitspraak of bewering. Een uitspraak of bewering kan en
feit of mening zijn:
      Een feit is iets dat echt waar is, je kan het controleren
      Een mening is dat wat je van iets of iemand vind.
               - Andere woorden voor mening zijn: opinie, standpunt, visie, stelling of kijk.
               - Om een mening of standpunt te ondersteunen, gebruik je argumenten.
                  Dat zijn redenen waarom je iets vindt.
               - Voor= pro Tegen= contra
               - Als je een bepaald argument wilt bestrijden, kun je een tegenargument naar voren
                  brengen
Subjectief en objectief
      Subjectief= persoonlijk. Als je een subjectieve beschrijving van iets geeft, zeg je wat je er
         persoonlijk van vindt
      Objectief= zakelijk of feitelijk. Een objectieve beschrijving is een beschrijving waarin alleen
         feiten in staan
Informatieve en betogende teksten
      Informatieve teksten bevatten feiten.
      Betogende teksten bevatten meningen en argumenten
              - Een ingezonden brief is een betogende tekst.


Schrijfvaardig blok 4
Het schrijven van een ingezonden brief
Je schrijft een ingezonden brief als je wilt reageren op een artikel dat je gelezen hebt.
Dit is de opbouw van een ingezonden brief:
     1. Inleiding: je verwijst naar het artikel waar je op wilt reageren. Je vermeldt wanneer het
         artikel in de krant stond, van wie het was en wat het onderwerp van de tekst was.
     2. Middenstuk: je geeft jouw mening en alle argumenten die dat ondersteunen
     3. Slot: je geeft een conclusie.
     4. Onderaan zet je jouw naam en je woonplaats




Werkwoord spelling
Hier een schema:

Pv? ja? tt? enkelvoud?             ik stam
                                       jij stam + t    stam jij
                                       hij stam + t
                       nee meerv wij hele werkwoord
                                       jullie hele werkwoord
                                       zij hele werkwoord
            nee: vt  sterk ww (liepen)?  ja  geen problemen: schrijven volgens gewone
                                                          spellingsregels

               nee: zwak ww hele werkwoord -en jaenkv?ja: ik stam + te
                                    is                              jij stam + te
                               t x f k s c h p?                    hij stam + te
                                                   meerv?ja: wij stam + ten
                                                                   jullie stam + ten
                                                                   zij stam + ten
                                  neeenkelv? ja:       ik stam + de
                                                         jij stam + de
                                                         hij stam + de
                                       nee  meerv:      wij stam + den
                                                         jullie stam + den
                                                         zij stam + den
nee hele werkwoord?  ja geen probleem: schrijven volgens gewone spellingsregels



           nee  schrijf het zo kort mogelijk. Als het woord eindigt op een t-klank het woord
                  verlengen zodat je of een d of een t hoort.
Over taal blok 4

Je zegt het maar
Als je praat, doe je dat in zinnen. Die zinnen bedenk je. Om je bedoeling goed weer te geven, is het
belangrijk dat je de juiste woorden kiest. Maar ook heel belangrijk is de toon waarop je iets zegt.
Door de toon kun je gevoel leggen in de zin. Sommige woorden beklemtoon je. Voorbeeld:
1. ‘ Míjn jas!’ - De spreker bedoelt: Die jas is van mij! Afblijven! (irritatie, boosheid)
2. ‘Mijn jás!’ - De spreker bedoelt: Waar is mijn jas? (paniek)
3. ‘Mijn jas?’- De spreker bedoelt: Is dit mijn jas? (onzekerheid)

Homoniem= woorden die meerdere betekenissen kunnen hebben
Leenwoorden= woorden die we in Nederland gebruiken maar die uit een andere taal komen. Maar
andersom is soms ook het geval


Gedicht blok 4
Beeldspraak: vergelijkingen
Beeldspraak: je gebruikt een beeld om iets duidelijk te maken.
Vaak maken we daarbij gebruik van vergelijkingen:
       Vergelijking met als: tussen de twee woorden van een vergelijking staan vaak de woorden
        ‘als’ of ‘zoals’ en soms ‘van’. Bijv: Boven de zee ging de zon onder als een gouden bol.
       Vergelijking met van: Voorbeeld: De gouden bol van de zon zakt naar de horizon.
       Vergelijking zonder verbindingswoord: Voorbeeld: De zon, een gouden bol, spiegelt op
        water.
Stijlfiguren (1&2)

       Enjambement: het doorlopen van een zin over twee (of eventueel meer) versregels. Je moet
        nu nadenken over wat er eigenlijk gezegd wordt
       Vooropplaatsing(inversie): je verandert de volgorde, hiermee creëer je nadruk.
       Tegenstelling(antithese): je geeft een tegenstelling, ook dit wordt vaak gebruikt om nadruk
        te creëren
       Schijnbare tegenstelling (paradox): uitspraak die niet lijkt te kloppen maar toch doet, dit zet
        je vrijwel altijd aan het denken
       Overdrijving(hyperbool): Voorbeeld: ‘Ik sta al een eeuw op je te wachten’
       Opsomming (enumeratie) en climax: Voorbeeld: Een pen, potlood, gum en rekenmachine.
        Wanneer de opsomming steeds sterker wordt, spreken we van een climax: briesje, wind,
        storm, orkaan
       Herhaling: Voorbeeld: ‘Het is niet leuk. Zelfs ronduit vervelend.’ Het krijgt extra aandacht




                                    Made by Patrick

				
DOCUMENT INFO
Categories:
Tags:
Stats:
views:77
posted:3/28/2012
language:Dutch
pages:8