Deze beoordeling gebeurt door het gedrag van een persoon te vergelijken met dat van de bonus pater familias of de goede huisvader by E1T9Q9j

VIEWS: 230 PAGES: 77

									Voorwoord

Ik wil van deze pagina gebruik maken om een paar mensen te bedanken bij de realisatie van
mijn eindwerk en stage.

Allereerst wil ik advocatenkantoor De Lat Wuyts en Vennoten bedanken voor de kans die ze
mij geboden hebben om bij hun stage te lopen.
Mijn dank gaat in bijzonder uit naar mr. Stijn Raeymaekers, mijn stagebegeleider. Tevens wil
ik alle medewerkers van het kantoor bedanken voor de fijne samenwerking en al hun hulp.

Verder gaat mijn dank uit naar mevrouw Hilde Bellens, die me goed heeft geholpen en
begeleidt bij het schrijven van mijn eindwerk.

Mijn dankbaarheid gaat ook uit naar de heer Willem Mees, stagecoördinator, die mijn
stageplaats heeft gezocht.

Tevens wil ik mijn ouders bedanken die mij de mogelijkheid hebben gegeven om verder te
studeren.

Tenslotte nog een bijzondere dank aan mijn vriend die me enorm gesteund heeft in deze
drukke periode.
                                                                                               2


Samenvatting
In 1960 kwam er een einde aan de exclusieve toepassing van de foutaansprakelijkheid op vlak
van de burenhinder met twee cassatiearresten. Deze voerde, naast de aquiliaanse
aansprakelijkheid, de autonome burenhinderleer in.
Voor 1960 moest men zich als slachtoffer beroepen op art.1382 B.W. Om dit artikel te
kunnen toepassen, moet je drie elementen aantonen, namelijk een fout, schade en een causaal
verband tussen fout en schade. Kan de eiser het bewijs niet leveren, dan gaat de
schadeverwekker vrijuit. Kan de eiser het bewijs wel leveren, dan heeft hij recht op een
integrale schadeloosstelling.

De burenhinderleer is arrest per arrest opgebouwd door het Hof van Cassatie, hij is dus bijna
uitsluitend van jurisprudentiële oorsprong. Als je de leer in totaliteit bekijkt, merk je dat hij
nog niet volledig is.

Voor de toepassing van de burenhinderleer moet er aan drie voorwaarden worden voldaan:
nabuurschap tussen de eigendommen, de aanwezigheid van overlast en het oorzakelijk
verband. De voorwaarden worden erg ruim ingevuld.

Voor nabuurschap is het niet vereist dat de erven aan elkaar grenzen.
Wat de overlast betreft, stelt de rechtspraak dat de grens van het normale nabuurschap moet
zijn overschreden. Dit is een loutere feitenkwestie.
Ook het causaal verband wordt ruim gezien in de rechtspraak. Zo kan een niet-handelen
volstaan om als oorzaak van de hinder te worden aangemerkt.

De beoordeling of er sprake is van burenhinder komt toe aan de rechter.
De sanctie bestaat eruit dat het verbroken evenwicht hersteld wordt, zonder dat daarbij een
volledig verbod mag worden opgelegd van de hinderverwekkende activiteit.
                                                                                                                                       3


Voorwoord
Samenvatting ………………………………………………..…………………………………... 2
Inhoudstafel ……………………………………………………..………………………………. 3
Alfabetische lijst van gebruikte afkortingen …………………………………………………...5
Inleiding ……………………………………………………..…………………………………... 6

1       SOORTEN AANSPRAKELIJKHEDEN .............................................................. 7

2       DE AQUILIAANSE AANSPRAKELIJKHEID ................................................... 8
2.1     FOUT.......................................................................................................................... 8
2.2     SCHADE ..................................................................................................................... 8
2.2.1   Begrip ........................................................................................................................ 8
2.2.2   Kenmerken ................................................................................................................ 9
2.3     CAUSAAL VERBAND TUSSEN FOUT EN SCHADE ......................................................... 9

3       DE RISICO-AANSPRAKELIJKHEID .............................................................. 10
3.1     HET BEGRIP NABUURSCHAP.................................................................................... 10
3.2     HET BEGRIP EVENWICHT ........................................................................................ 11
3.3     HET BEGRIP OVERLAST .......................................................................................... 11
3.3.1   Vereisten.................................................................................................................. 12
3.3.2   Elementen die een invloed hebben op de hinder ..................................................... 13
3.4     TOEPASSINGSGEBIED .............................................................................................. 19
3.4.1   Het begrip eigenaar in de burenhinderleer .............................................................. 19
3.4.2   Oorzakelijk verband en toerekenbaarheid ............................................................... 20
3.4.3   Hoedanigheid van nabuur........................................................................................ 21
3.4.4   Personen die een vordering kunnen instellen .......................................................... 24
3.4.5   Personen tegen wie men een vordering kan instellen ............................................. 24
3.4.6   Goederen waarvoor men een vordering kan instellen ............................................. 25
3.5     SANCTIE .................................................................................................................. 26
3.5.1   Preventieve acties tegen burenhinder ...................................................................... 26
3.5.2   De compensatie ....................................................................................................... 27
3.5.3   Toekennen van een rente ten titel van compensatie ................................................ 28
3.5.4   Compenseren met de meerwaarde........................................................................... 29
3.5.5   Sanctie in geval van administratieve vergunningen ................................................ 29
3.6     VERJARING ............................................................................................................. 30
3.7     HINDER TUSSEN PARTICULIEREN ........................................................................... 30
3.7.1   Lawaaihinder ........................................................................................................... 30
3.7.2   Hinder veroorzaakt door beplantingen .................................................................... 32
3.7.3   Brand en brandgevaar.............................................................................................. 33
3.7.4   Hinder veroorzaakt door huisdieren ........................................................................ 34
3.8     BURENHINDER EN DE OVERHEID ............................................................................ 35
3.8.1   Stand van zaken ....................................................................................................... 35
3.8.2   Overzicht van de rechtspraak .................................................................................. 36
                                                                                                                               4


4      VERGELIJKING TUSSEN DE AQUILIAANSE EN RISICO-
       AANSPRAKELIJKHEID .................................................................................... 40
4.1    HET RUIME TOEPASSINGSGEBIED VAN ART. 1382 B.W. ........................................ 40
4.2    DE ZELFSTANDIGHEID VAN ART. 544 B.W. ............................................................ 40
4.3    IS ART. 544 B.W. ONDERGESCHIKT AAN ART. 1382 B.W? .................................... 41
4.4    ART. 544 B.W. EN ART. 1382 B.W. ZIJN NIET NOODZAKELIJK ALTERNATIEF...... 41
4.5    PROCESSTRATEGISCHE HIËRARCHIE TUSSEN ART. 1382 EN ART. 544 B.W. ......... 41
4.6    PROCESRECHTELIJKE VERHOUDING TUSSEN ART.544 EN ART.1382 B.W. , IN HET
       LICHT VAN ART. 807 GER.W. ................................................................................. 42

5      PRAKTISCHE TOEPASSING............................................................................ 43
5.1    SITUERING VREDERECHTER ................................................................................... 43
5.2    BEVOEGDHEID VREDERECHTER ............................................................................. 43
5.3    DE PROCESKOSTEN ................................................................................................. 44
5.4    CONCRETE SITUATIE .............................................................................................. 45
5.5    DE VERZOENING ..................................................................................................... 45
5.6    DE OPROEPING ........................................................................................................ 48
5.7    DE DAGVAARDING ................................................................................................... 49
5.8    DE INLEIDINGSZITTING........................................................................................... 55
5.9    PROCES-VERBAAL VAN PLAATSOPNEMING ............................................................ 58
5.10   DE OPENBARE ZITTING ........................................................................................... 65
5.11   HET VONNIS ............................................................................................................ 65

Besluit …………………………………………………………………………...……………… 69
Bijlagen ………………………………………………………………………………………… 70
Bibliografie …………………………………………………………………………………….. 76
                                                  5



Alfabetische lijst van de gebruikte afkortingen

 Art.        Artikel

 B.W.        Burgerlijk Wetboek

 Ger.W.      Gerechtelijk Wetboek

 Sw          Strafwetboek
                                                                                                6


Inleiding
Everybody needs good neighbours….
Buren kunnen in de loop van de jaren je beste vrienden worden, maar het kan ook anders.
De hond van de buren houdt je regelmatig wakker met zijn geblaf, je buurman acht het nodig
de stereo-installatie op het hardste volume te zetten, de buren snoepen stiekem een deel van
uw grond af, of ergeren je met te dichte beplantingen... en zo zou ik nog een tijdje door
kunnen gaan.

De vraag die me boeide was of je tegen dit alles iets kan beginnen. Dus heb ik me verdiept in
de boeken, artikels en dossiers over burenhinder en ben ik uiteindelijk tot dit eindwerk
gekomen.

Mijn eindwerk bestaat uit vijf hoofdstukken.

Allereerst ben ik begonnen met de verschillende soorten aansprakelijkheden toe te lichten.
In het tweede hoofdstuk heb ik getracht bondig de aquiliaanse aansprakelijkheid te bespreken.

Wanneer spreekt men nu van burenhinder?Welk is het toepassingsgebied? Wat is de
mogelijke sanctie bij burenhinder? Deze vragen worden beantwoordt in hoofdstuk drie.
Verder leek het me nuttig de meest voorkomende hinder tussen particulieren enerzijds en
tussen overheid en burgers anderzijds uit te leggen aan de hand van rechtspraak.

In hoofdstuk vier heb ik een vergelijking gemaakt tussen de twee besproken
aansprakelijkheden.

In hoofdstuk vijf tenslotte heb ik de procedure uitgewerkt die een particulier kan volgen als
hij geconfronteerd wordt met burenhinder of die een particulier kan ondergaan als hij wordt
aangesproken voor burenhinder.

Dit eindwerk streeft geen volledigheid na over de burenhinderleer. Ik heb getracht de essentie
weer te geven op basis van de huidige invulling die men geeft aan de burenhinderleer.
                                                                                                 7



Hoe je het ook draait of keert, bij burenhinder zal er altijd iemand aansprakelijkheid zijn voor
de hinder. Daarom wil ik in het eerste hoofdstuk de verschillende soorten aansprakelijkheden
toelichten.


1              SOORTEN AANSPRAKELIJKHEDEN
In België kent men 2 soorten aansprakelijkheden.
De eerste vorm van aansprakelijkheid is gebaseerd op het foutbegrip. Dit wordt ook wel
de aquiliaanse aansprakelijkheid genoemd.
Hieronder valt o.a. de strafrechtelijke – contractuele en burgerrechtelijke aansprakelijkheid.
Deze vorm van aansprakelijkheid wordt behandeld in hoofdstuk 2.

De tweede vorm is de risico-aansprakelijkheid of ook wel de foutloze of objectieve
aansprakelijkheid genoemd.
Het Hof van Cassatie brak met de exclusieve toepassing van art. 1382 B.W. op vlak van de
burenhinder en dit met twee arresten van 6 april 1960.1Met deze twee arresten, ook gekend als
het kanaal – en schoorsteenarrest, voerde het Hof een foutloze, objectieve aansprakelijkheid
in namelijk de evenwichtsleer.
De juridische oorzaak van de aansprakelijkheid is immers niet altijd een fout, overeenkomstig
art. 1382 e.v. B.W.
Deze evenwichtsleer wordt behandeld in hoofdstuk 3.




1
    Bijlage 1, Cass. 6april 1960, Arr.Cass.,1960,722.
                                                                                         8



2             DE AQUILIAANSE AANSPRAKELIJKHEID
De aquiliaanse aansprakelijkheid houdt in dat een fout de oorzaak is van de hinder.
De schadeverwekker kan aansprakelijk worden gesteld op grond van art. 1382 B.W e.v.

 Art.1382 B.W.: “ Elke daad van de mens, waardoor aan een ander schade wordt
veroorzaakt, verplicht degene door wiens schuld de schade is ontstaan, deze te vergoeden.”2

Om art. 1382 B.W. te kunnen toepassen, zijn drie constitutieve elementen vereist:
1) een fout
2) schade
3) een oorzakelijk verband tussen fout en schade

Hieronder volgt een korte bespreking van deze drie elementen.


2.1            Fout

Een fout kan bestaan uit het overtreden van een welbepaald gebod of verbod of uit het
overtreden van de zorgvuldigheidsnorm.
In het eerste geval pleegt men een inbreuk op een specifieke wettelijke bepaling.
Maar de wetgeving kan niet alle onaanvaardbare gedragingen definiëren en bijgevolg wordt
van elke persoon verwacht dat hij de zorgvuldigheidsnorm naleeft.
Deze beoordeling gebeurt door het gedrag van een persoon te vergelijken met dat van de
“bonus pater familias of de goede huisvader”.
De goede huisvader is een normaal, zorgvuldig en omzichtig vooruitziend persoon die in
dezelfde omstandigheden verkeert.


2.2            Schade

2.2.1         Begrip

Art. 1382 B.W. geeft hiervan geen definitie. Dit is een bewuste keuze om de rechtbanken de
mogelijkheid te geven om in elk concreet geval te bepalen of er schade is.

Om de schade vast te stellen, maakt men een vergelijking tussen twee toestanden namelijk de
toestand na het schadegeval en de toestand waarin de benadeelde zich zou bevinden als het
schadegeval niet zou gebeurd zijn.




2
    Artikel 1382 B.W.
                                                                                            9


2.2.2      Kenmerken

2.2.2.1    krenking van een recht of van een belang.
Het loutere bestaan van schade volstaat niet. Er moet tevens ook een juridisch beschermd
recht worden geschonden of een rechtmatig belang.


2.2.2.2     de schade moet persoonlijk zijn
Dit houdt in dat enkel de persoon die schade heeft geleden een vergoeding kan vragen. Dit
kan de getroffene zijn of zijn rechthebbenden.


2.2.2.3      het bestaan van de schade moet vaststaan
De bewijslast ligt bij het slachtoffer. Hij moet aantonen dat de schade zeker en vaststaand is
en niet louter gebaseerd is op veronderstellingen.


2.2.2.4    de schade mag nog niet vergoed zijn



2.3        Causaal verband tussen fout en schade

Het causale verband bestaat wanneer men kan aantonen dat indien de fout niet zou zijn
begaan, de schade ook niet zou bestaan.
                                                                                                10


3           DE RISICO-AANSPRAKELIJKHEID
Artikel 544 B.W. handelt over het eigendomsrecht en zegt:
“ Eigendom is het recht om op de meest volstrekte wijze van een zaak het genot te hebben en
daarover te beschikken, mits men er geen gebruik van maakt dat strijdig is met de wetten of
met de verordeningen.” 3

Wanneer men misbruikt maakt van zijn eigendom en daardoor schade toebrengt aan andere, is
men gehouden tot schadevergoeding op basis van artikelen 1382 B.W. e.v.

Meestal wordt burenhinder veroorzaakt door een niet-foutieve gedraging.
Zo kan men bijvoorbeeld bij het oprichten van een gebouw op voldoende afstand van de
scheidingslijn, het zonlicht ontnemen van de buren. Het oprichten van een gebouw maakt
geen fout uit, maar de buren ondervinden wel hinder.
De rechtspraak en rechtsleer hebben geoordeeld dat ook in zo een geval het slachtoffer over
de mogelijkheid beschikt om vergoeding te bekomen voor de geleden schade, op voorwaarde
dat de schade een zekere ernst vertoont.

M.a.w je bent tot zekere vergoeding gehouden wanneer je door foutloos gebruik te maken van
je eigendom, nadeel berokkent aan je buur.


Als eerste wil ik de begrippen nabuurschap, evenwicht en overlast behandelen aangezien deze
door heel het eindwerk gebruikt worden.



3.1         Het begrip nabuurschap

Van Dale verklaart het begrip “buur” als iemand die in de directe omgeving woont.
Ook de aansprakelijkheidsleer voor hinder uit nabuurschap ziet het begrip “buur” ruimer dan
de mensen die effectief naast je wonen.
De aansprakelijkheidsleer is ook van toepassing op buren die verder van elkaar gelegen zijn.
De erven moeten dus niet aanpalend zijn.

De rechtbank gaf volgende definitie van nabuurschap:” …que la notion de voisinage ne
s’identifie pas avec celle de contiguïté, mais doit s’entendre d’une proximité suffisante pour
qu’un événement se produisant sur un fonds puisse avoir sur l’autre une répercussion
directe « 4

Om de burenhinderleer dus te kunnen toepassen, moeten de partijen deelnemen aan de relaties
van nabuurschap.
Bijgevolg is iemand die vreemd is aan de banden van nabuurschap, niet compensatieplichtig,
maar deze persoon kan ook geen vordering instellen tegen iemand op grond van artikel 544
B.W.


3
 Artikel 544 B.W.
4
 S. STIJNS en H. VUYE, “ Burenhinder in W. Van Gerven , Beginselen van Belgisch Privaatrecht,
Antwerpen,Story Scientia,2000,275.
                                                                                                 11


Een concrete definitie over hoever de nabuurschap reikt en wat de uiterste grenzen zijn
waarop je je in een bepaald geval nog kan beroepen op burenhinder, is er niet.
In de rechtspraak neemt men over het algemeen aan dat de hinder die geproduceerd wordt op
het ene erf een impact heeft of kan hebben op het andere erf.



3.2         Het begrip evenwicht

De twee arresten van 6 april 1960 stellen dat het evenwicht tussen twee erven in stand moet
gehouden worden.
Als je dit evenwicht verbreekt door je buur een bovenmatige hinder op te leggen, dan ben je
compensatieplichtig.
Heel wat auteurs hebben zich bezig gehouden met het begrip overlast te definiëren en aan het
begrip evenwicht werd weinig aandacht besteed.5
Dit is niet echt logisch aangezien er eerst een evenwicht moet ontstaan vooraleer je dit met
overlast kunt verbreken.

Hoe wordt nu het evenwicht bepaald tussen de erven?

Hierbij moet men niet alleen rekening houden met de elementen tijd en plaats maar ook met
overheidsbeslissingen (bijvoorbeeld planologische elementen) en legitieme verwachtingen.
Het evenwicht moet dus aan de hand van een concrete situatie worden beoordeeld.



3.3         Het begrip overlast

De voorwaarden om van bovenmatige hinder te spreken werden reeds uitgelegd door de twee
cassatiearresten van 6 april 1960.
Er moet hinder zijn en die hinder moet bovenmatig zijn. Een gewone last van nabuurschap
komt dus niet in aanmerking. Er moet echt sprake zijn van overlast.
Diegene die de vordering instelt wegens burenhinder, dient te bewijzen dat er sprake is van
overlast.
De feitenrechter heeft de taak om na te gaan of de hinder bovenmatig is. Indien de rechter een
vergoeding toekent zonder vast te stellen dat de hinder bovenmatig is, schendt hij art. 544
B.W.

De burenhinderleer laat een zekere mate van hinder toe. Dabin noemde dit het “privilège des
voisins”. 6 Zolang de buur geen fout begaat, zal hij slechts tot vergoeding gehouden zijn
wanneer de hinder bovenmatig is. Gewone hinder moeten buren dus van elkaar dulden.




5
  S. STIJNS en H. VUYE, “ Burenhinder in W. Van Gerven , Beginselen van Belgisch Privaatrecht,
Antwerpen,Story Scientia,2000,328.
6
  S. STIJNS en H. VUYE, “ Burenhinder in W. Van Gerven , Beginselen van Belgisch Privaatrecht,
Antwerpen,Story Scientia,2000,327.
                                                                                                 12


De aanwezigheid van bovenmatige hinder moet in concreto beoordeeld worden. Zo zal
bovenmatige hinder in een rustig landbouw gebied een gewone last zijn in een
industriegebied.
Bij burenhinder gaat men de gevolgen na van een handeling, namelijk de hinder die de buren
ondervinden.
Dit vormt een opvallende tegenstelling met de aquiliaanse aansprakelijk waar de nadruk ligt
op de handeling zelf. Hier gaat men na of de handeling een fout uitmaakt in de zin van art.
1382 B.W.


3.3.1       Vereisten

In verband met de hinder worden ook een aantal vereisten gesteld.


3.3.1.1     Geen immissio vereist

Uit het schoorsteenarrest van 6 april 1960 blijkt dat er geen immissio vereist is.
Immissio is het binnendringen van bv. water, rook, e.d. Het is dus niet vereist dat “iets” naar
het erf van de nabuur wordt gestuurd.


3.3.1.2     Geen materiële beschadiging vereist

Het Hof heeft in zijn cassatiearrest van 19 oktober 1972 geoordeeld dat:
“…het volstaat dat het gebruik van een goed, zelfs zonder dat er een fout wordt begaan, aan
een naburige eigenaar hinder toebrengt die de gewone burenhinder overschrijdt”.7
Er moet dus geen zichtbare schade zijn. Zo kan men in geval van geluidshinder ook art. 544
B.W. toepassen.


3.3.1.3     Het ontnemen van een voordeel volstaat

Wat dit punt betreft is er een verschil tussen de gedachtegang van oudere en jongere auteurs.
Oudere auteurs zijn doorgaans van mening dat het louter ontnemen van een voordeel geen
aanleiding geeft tot schadevergoeding. Er moet volgens hen alleen een schending zijn van het
recht. In hun visie mag je buurman jou je mooie uitzicht ontnemen want hij schendt hierbij
geen recht.8
Professor Derine heeft het tegendeel verdedigd.
Het Hof van Cassatie is Derine bijgetreden. In het arrest van 9 maart 1995 oordeelt het Hof
dat de directe rechten – zoals recht van uitweg, zicht – de verbreking van het evenwicht niet
in de weg staan.9 Het Hof verwerpt hierbij het onderscheid tussen rechten en voordelen.




7
  S. STIJNS en H. VUYE, “ Burenhinder in W. Van Gerven , Beginselen van Belgisch Privaatrecht,
Antwerpen,Story Scientia,2000,330.
8
  S. STIJNS en H. VUYE, “ Burenhinder in W. Van Gerven , Beginselen van Belgisch Privaatrecht,
Antwerpen,Story Scientia,2000,331.
9
  S. STIJNS en H. VUYE, “ Burenhinder in W. Van Gerven , Beginselen van Belgisch Privaatrecht,
Antwerpen,Story Scientia,2000,332.
                                                                                                13


3.3.1.4     Positieve daad of verzuim

Er was lange tijd onduidelijkheid of voor het verbreken van het evenwicht een positieve daad
nodig was.
In het arrest van 7 december 1992 heeft het Hof van Cassatie duidelijkheid geschept.10
Een persoon die door “een daad, een nalatigheid of een gedraging” bovenmatige hinder
veroorzaakt is compensatieplichtig.


3.3.2        Elementen die een invloed hebben op de hinder

Of de hinder al dan niet bovenmatig is, wordt beïnvloed door verschillende elementen. Deze
elementen heeft Raymond Derine beschreven. Zijn bedoeling was om aan de rechters
richtlijnen te geven om een concrete zaak zo juist en zo redelijk mogelijk te beoordelen.

Hieronder volgt een bespreking van de tien elementen die mee bepalen of de hinder al dan
niet bovenmatig is.


3.3.2.1     Plaatsgesteldheid: collectieve ingebruikneming

De plaatsgesteldheid maakt dat sommige hinder als het ware eigen aan de streek wordt.
Het al dan niet bewust opzoeken van een plaats is een belangrijk toetsingscriterium. Zo kan
een handelaar die zich bewust vestigt in een studentenstad, zich niet beroepen op burenhinder
naar aanleiding van het lawaai van de studentencafé’s. Hij is immers bewust en om
commerciële redenen daar gaan wonen.

3.3.2.1.a. Onderscheid tussen industriële en residentiële wijken

Hier wees François Laurent op de bijzondere aard van de industriesteden:
« Que l’on compare les arrêts rendus dans une ville industrielle, telle que Gand, avec les arrêts
rendus dans une ville de loisir et de luxe, telle que Bruxelles, on verra que les décisions
diffèrent considérablement. La Cour de Gand montre une grande sollicitude pour l’industrie,
et à juste titre, puisque sans son industrie la ville de Gand ne serait plus qu’un village ; tandis
que la cour de Bruxelles se préoccupe davantage des commodités et des aises de la
propriété ».11

De plaatsgesteldheid is een dynamisch gegeven en zal vaak verschillen van wijk tot wijk.

Voornamelijk oudere uitspraken hadden soms de neiging om dit criterium te veralgemenen.
Het resultaat was dat ze tot een “wijkjustitie” kwamen.




10
   E.VAN DE VELDE,”Burenhinder: Is een buur dichterbij beter dan een vriend ver weg?”,
Advocatenpraktijk,Antwerpen, Kluwer,2001,25.
11
   S. STIJNS en H. VUYE, “ Burenhinder in W. Van Gerven , Beginselen van Belgisch Privaatrecht,
Antwerpen,Story Scientia,2000,340.
                                                                                              14


3.3.2.1.b Onderscheid landelijke en stedelijke gebieden

Ook dit onderscheid komt veel voor in de rechtspraak en vooral om burenhinder te beoordelen
die voortvloeit uit landbouw of veeteelt.
Uit de vele uitspraken kan men afleiden dat de aanwezigheid van dieren en hun bijhorend
lawaai in een stedelijke omgeving sneller aanvaard wordt als bovenmatige hinder dan in een
landbouwomgeving. 12

Ook de stedelijke gebieden hebben hun specifieke vorm van nabuurschapslast namelijk de
hoge gebouwen. De hinder die zij veroorzaken moet worden beschouwd als een gewone last.

De plaatsgesteldheid gaat ook rekening houden de aard en bestemming van de naburige
gebouwen.

De Rechtbank van eerste aanleg te Gent heeft geoordeeld dat een persoon die naast een oud
kerkgebouw gaat wonen, er rekening mee moet houden dat dit gebouw ooit zal gerestaureerd
worden.13
De plaatsgesteldheid kan buiten een menselijk ingrijpen, ook een gevolg zijn van de natuur.
Zo aanvaarden mensen die aan de oever van de Vesder gaan wonen het risico dat deze
waterloop regelmatig overstromingen veroorzaakt.14



3.3.2.2     Individuele ingebruikneming of eerstaanwezigheid

Hier rijst de vraag of er rekening moet gehouden worden met de eerstaanwezigheid van de
schadeverwekker.

M.a.w één persoon vestigt zich ergens en begint een hinderlijke activiteit. Moeten alle
personen die daar later komen wonen zich zo maar neerleggen bij de aanwezigheid van de
hinderlijke activiteit?

De probleemstelling van de eerstaanwezigheid is vooral een schijnprobleem, omdat de
eerstaanwezigheid bijzonder relatief is.
Toen de hinderverwekker zich vestigde, was hij niet eerstaanwezig maar de toenmalige
naburige eigenaars. De huidige buren hebben nu die plaats ingenomen.

In een recent arrest weigert het Hof van beroep te Gent rechtsgevolg toe te kennen aan de
eerstaanwezigheid.15 Dit zou erop neerkomen dat men de eerstaanwezige eigenaar het recht
toekent om een naburig erf in waarde te doen verminderen.




12
   S. STIJNS en H. VUYE, “ Burenhinder in W. Van Gerven , Beginselen van Belgisch Privaatrecht,
Antwerpen,Story Scientia,2000,343.
13
   S. STIJNS en H. VUYE, “ Burenhinder in W. Van Gerven , Beginselen van Belgisch Privaatrecht,
Antwerpen,Story Scientia,2000,345.
14
   S. STIJNS en H. VUYE, “ Burenhinder in W. Van Gerven , Beginselen van Belgisch Privaatrecht,
Antwerpen,Story Scientia,2000,346.
15
   Gent, 27 februari 1998, T.B.B.R.,1999,662.
                                                                                              15


Volgens de auteurs Stijns en Vuye is de eerstaanwezigheid toepassen bij burenhinder een
denkfout.16 Iemand die zich als eerste ergens vestigt en bovenmatige hinder produceert,
creëert een onevenwicht. Als die persoon dat aangesproken wordt voor burenhinder, dan gaat
hij zich beroepen op het feit dat hij daar eerst woonde en houdt zo het onevenwicht in stand.


3.3.2.3     Beschavingscriterium

Oudere rechtspraak is bijzonder verdraagzaam voor de industrie omdat men sterk geloofde in
de industriële vooruitgang. Zo oordeelde de Rechtbank van eerste aanleg te Luik dat het
binnendringen van stof in woningen niet bovenmatig is in een industriële wijk 17 Men kan dus
afleiden dat de industriële en technische vooruitgang een rem vormt voor de toepassing van
de burenhinderleer.

Aan het begin van de twintigste eeuw oordeelde het Hof van beroep te Gent dat de
tolerantiegrens in een industrieel gebied hoger ligt, maar dat de hinder niet bovenmatig mag
zijn. De industrie moet alle mogelijke maatregelen nemen om hinder te vermijden.


3.3.2.4     Tijd

3.3.2.4.a Dag en nacht

Natuurlijk maakt het een verschil uit bij de beoordeling van bovenmatige hinder, of deze
hinder ’s nachts of overdag wordt geproduceerd.
Gedurende de nacht mag worden aangenomen dat de tolerantiedrempel lager ligt.

Maar het is niet zo dat wanneer de hinder enkel overdag waarneembaar is, de hinder sowieso
niet bovenmatig kan zijn.
Zo oordeelde de Vrederechter te Menen dat het lawaai veroorzaakt door kwartels overdag
evenzeer hinderlijk kan zijn.18

3.3.2.4.b Weekdagen en weekend

Dit onderscheid komt zelden voor in de rechtspraak, wat vrij logisch is. Het onderscheid
tussen weekdagen en weekend is heel vaag geworden door het werk in ploegen, winkels die
ook in het weekend open zijn, …

3.3.2.4.c Seizoensgebonden activiteiten

Hierbij moet men vooral denken aan de toeristische sector in België.
Zo kan men stellen dat verbouwingswerken aan een hotel op de dijk in Blankenberge in het
toeristische seizoen als bovenmatig kunnen worden beschouwd.


16
   S. STIJNS en H. VUYE, “ Burenhinder in W. Van Gerven , Beginselen van Belgisch Privaatrecht,
Antwerpen,Story Scientia,2000,348.
17
   S. STIJNS en H. VUYE, “ Burenhinder in W. Van Gerven , Beginselen van Belgisch Privaatrecht,
Antwerpen,Story Scientia,2000,363.
18
   S. STIJNS en H. VUYE, “ Burenhinder in W. Van Gerven , Beginselen van Belgisch Privaatrecht,
Antwerpen,Story Scientia,2000,372.
                                                                                              16


3.3.2.5     Tijdklimaat en tijdgeest

3.3.2.5.a Tijdklimaat

Aan tijdklimaat geeft men de volgende definitie:
“ de in een bepaalde periode heersende omstandigheden”. 19
Zo zijn de standaarden anders in een oorlogseconomie dan in normale omstandigheden.

3.3.2.5.b   Tijdgeest

Aan tijdgeest geeft men de volgende definitie:
“ de heersende wijze van denken en handelen in een bepaalde periode”. 20
In weinig uitspraken wordt uitdrukkelijk rekening gehouden met deze factor.

3.3.2.6     Intensiteit en duur van de hinder

3.3.2.6.a Duur

Uit het feit dat burenhinder geen definitieve verbreking van het evenwicht vereist, kan men
afleiden dat ook een tijdelijke stoornis bovenmatig kan zijn.
Ook hinder die al lange tijd aanhoudt, is geen reden om een eis af te wijzen.

3.3.2.6.b Intensiteit

De Rechtbank van koophandel te Luik oordeelde in een vonnis van 23 oktober 1970 dat het
terugslaan van rook en gassen in een schouw, dat het gevolg is van het optrekken van een
hoog gebouw op een naburig perceel, geen bovenmatige hinder is.
Dit vonnis werd hervormd door het Hof te Luik en het arrest getuigt van meer gezond
verstand.
Het Hof oordeelt terecht dat het sporadische karakter en het veranderen van de windrichtingen
op zich de toepassing van de burenhinderleer niet uitsluiten.21


3.3.2.7     Het tijdstip waarop de schadelijder reageert

Hier rijst de vraag of men het tijdstip waarop de schadelijder reageert in rekening mag of
moet brengen bij de beoordeling van het al dan niet bovenmatig karakter van de hinder.
Hier is de rechtspraak het niet helemaal eens.
De Rechtbank van koophandel te Luik is van mening dat het lang wachten alvorens een
vordering in te stellen, geen invloed heeft op de ontvankelijkheid van de vordering. De rechter
haalt wel terecht aan dat het langdurig wachten het bewijzen van de bovenmatige hinder
moeilijker zal maken. De schadelijder maakt het zichzelf dus moeilijk.22


19
   S. STIJNS en H. VUYE, “ Burenhinder in W. Van Gerven , Beginselen van Belgisch Privaatrecht,
Antwerpen,Story Scientia,2000,373.
20
   S. STIJNS en H. VUYE, “ Burenhinder in W. Van Gerven , Beginselen van Belgisch Privaatrecht,
Antwerpen,Story Scientia,2000,373.
21
   S. STIJNS en H. VUYE, “ Burenhinder in W. Van Gerven , Beginselen van Belgisch Privaatrecht,
Antwerpen,Story Scientia,2000,378.
22
   S. STIJNS en H. VUYE, “ Burenhinder in W. Van Gerven , Beginselen van Belgisch Privaatrecht,
Antwerpen,Story Scientia,2000,378.
                                                                                              17


Het Hof te Luik oordeelt dat het lang wachten vooraleer te dagvaarden niet bewijst dat de
hinder niet bovenmatig is.
Het lange wachten kan andere redenen hebben vb. het blijven hopen om tot een vergelijk te
komen met de buren.23

De Vrederechter van Fosses-la-Ville houdt in zijn beoordeling wel rekening met het lange
wachten. Hij is van oordeel dat als men gedurende dertig jaar het toelaat dat de buren een
haag van hoogstammige bomen laten groeien, dat men zich niet meer kan beroepen op
burenhinder.24
Men kan alvast geen afstand van de vordering afleiden uit het wachten om een vordering in te
stellen.


3.3.2.8     Bijzondere zakelijke gevoeligheid of receptiviteit

Dit begrip wordt het best omschreven als
“ een aan het goed inherent gebrek dat zodanig is dat een kleine fysische kracht afkomstig van
een naburig erf een aftakelingsproces op gang brengt of versnelt”.25
In de meeste gevallen wordt deze gevoeligheid zichtbaar tijdens bouwwerken uitgevoerd aan
een naburig huis.
De schadeverwekker is enkel gehouden tot compensatie voor het deel van de bovenmatige
hinder dat zich niet zou hebben voorgedaan zonder de bijzondere zakelijke gevoeligheid van
het naburige onroerende goed.
Hij is niet gehouden tot betaling van een compensatie wanneer alle bovenmatige hinder het
gevolg is van de zakelijke gevoeligheid.
De bewijslast ligt bij de persoon die beweert dat er sprake is van zakelijke gevoeligheid.



3.3.2.9     Bijzondere persoonlijke gevoeligheid

Hier gelden in beginsel dezelfde regels als bij de zakelijke gevoeligheid.
De persoonlijke gevoeligheid op zich is niet voldoende om de toepassing van de
burenhinderleer uit te sluiten.

Hier stelt men de vraag of ziekte een normale of abnormale gevoeligheid uitmaakt.

De rechtbank van koophandel te Brussel oordeelde in een vonnis dat een industrieel geen
maatregelen moet nemen omwille van de ziekte van een buur.26
Zelfs de eerstaanwezigheid van een zieke persoon is geen reden om bijkomende maatregelen
te treffen die de hinder verminderen.

Over deze uitspraak hebben de auteurs Stijns en Vuye zo hun bedenkingen. 27
23
   S. STIJNS en H. VUYE, “ Burenhinder in W. Van Gerven , Beginselen van Belgisch Privaatrecht,
Antwerpen,Story Scientia,2000,379.
24
   S. STIJNS en H. VUYE, “ Burenhinder in W. Van Gerven , Beginselen van Belgisch Privaatrecht,
Antwerpen,Story Scientia,2000,379.
25
   E.VAN DE VELDE,”Burenhinder: Is een buur dichterbij beter dan een vriend ver weg?”,
Advocatenpraktijk,Antwerpen, Kluwer,2001,35.
26
   S. STIJNS en H. VUYE, “ Burenhinder in W. Van Gerven , Beginselen van Belgisch Privaatrecht,
Antwerpen,Story Scientia,2000,388.
                                                                                              18


Dat ziekte een oorzaak kan zijn van persoonlijke gevoeligheid is heel evident, maar om
daarom te oordelen dat zieke een “ongewone, abnormale” toestand is, die elke vergoeding
wegens burenhinder uitsluit, gaat iets te ver naar mening van de auteurs.
Ziekte is eigen aan het menselijke leven en kan niet als iets abnormaal worden beschouwd.
Ze stellen zich terecht de vraag, vind ik, waarom men wel rekening moet houden met de
nabijheid van een ziekenhuis, maar niet met een zieke nabuur.
De Rechtbank van eerste aanleg te Luik oordeelde terecht dat ziekte de toepassing van de
burenhinderleer niet uitsluit. 28
Naast een persoonlijke gevoeligheid wegens ziekte is er ook de persoonlijke gevoeligheid
wegens afgunst en vijandigheid tussen buren.
Met deze gevoeligheid moet men rekening houden, zowel bij het bepalen van de
schadevergoeding als bij het beoordelen of de hinder bovenmatig is of niet.

Als de relatie tussen de buren is aangetast door vijandigheid, gaat de schadelijder veel sneller
de hinder ervaren als bovenmatig. Terwijl de objectieve rechter misschien oordeelt dat er
maar sprake is van gewone hinder.

In verband met de materie van de persoonlijke gevoeligheid kan men zich nog de vraag
stellen of in geval dat maar één nabuur klaagt, dit een bewijs is van bijzondere gevoeligheid.
Hierop is het antwoord neen want je weet nooit de redenen waarom andere naburen niet
reageren.


3.3.2.10    Het nut van de hinderverwekkende activiteit

Als de werken van algemeen nut zijn, belet dit niet de vordering wegens burenhinder. Er
bestaat immers geen algemeen rechtsbeginsel dat de voorrang geeft aan het algemene belang
boven het particuliere belang.

Meestal wanneer een activiteit geen of weinig nut vertoont, zijn de rechters wel eens geneigd
om hiermee rekening te houden bij de beoordeling of er al dan niet sprake is van bovenmatige
hinder.
Rechtspraak die hiernaar uitdrukkelijk verwijst, is zeldzaam.




27
   S. STIJNS en H. VUYE, “ Burenhinder in W. Van Gerven , Beginselen van Belgisch Privaatrecht,
Antwerpen,Story Scientia,2000,389.
28
   S. STIJNS en H. VUYE, “ Burenhinder in W. Van Gerven , Beginselen van Belgisch Privaatrecht,
Antwerpen,Story Scientia,2000,389.
                                                                                              19


3.4         Toepassingsgebied

3.4.1       Het begrip eigenaar in de burenhinderleer

3.4.1.1     Attribuut van het eigendomsrecht

De burenhinder laat toe dat de eigenaar die schade lijdt, een compensatie kan bekomen van de
eigenaar die de schade veroorzaakt heeft.
Men moet hierbij rekening houden dat het begrip eigenaar heel ruim kan worden ingevuld in
de burenhinderleer.
Sinds het arrest van 10 januari 1974 wordt in een vaste cassatierechtspraak geoordeeld dat
“het evenwicht van nabuurschap kan verbroken worden tussen titularissen van één van de
attributen van het eigendomsrecht en dit onafhankelijk van de vraag of men beschikt over dat
attribuut krachtens een zakelijk, dan wel een persoonlijk recht”. 29

Besluit: Een persoon die over een attribuut van het eigendomsrecht beschikt en het evenwicht
         verbreekt, zal compensatie verschuldigd zijn aan de schadelijder die beschikt over
         een attribuut van het eigendomsrecht.
         Een persoon die beschikt over een attribuut van het eigendomsrecht kan een
         vordering instellen wegens bovenmatige burenhinder.


Het is de feitenrechter die vaststelt of de schadeverwekker beschikt over een attribuut van het
eigendomsrecht.

Drie belangrijke arresten van het Hof van Cassatie hebben het begrip attribuut van het
eigendomsrecht nader omschreven.
Uit de drie arresten heeft Professor Kokelenberg afgeleid dat een zekere graad van
betrokkenheid al voldoende is om beschouwd te worden als titularis van een attribuut van het
eigendomsrecht.

Uit het cassatiearrest van 26 mei 1983 volgt volgens de auteurs Stijns en Vuye ook dat een
persoon die feitelijk(= bezitter) een attribuut van het eigendomsrecht uitoefent aangesproken
kan worden voor burenhinder.30
Het cassatiearrest gaat nog veel verder. Zelfs zonder bezitter te zijn van het eigendomsrecht,
is een feitelijke betrokkenheid bij de hinderverwekkende activiteiten voldoende om vast te
stellen dat iemand een attribuut van het eigendomsrecht uitoefent.




29
   S. STIJNS en H. VUYE, “ Burenhinder in W. Van Gerven , Beginselen van Belgisch Privaatrecht,
Antwerpen,Story Scientia,2000,251.
30
   S. STIJNS en H. VUYE, “ Burenhinder in W. Van Gerven , Beginselen van Belgisch Privaatrecht,
Antwerpen,Story Scientia,2000,258.
                                                                                              20


3.4.1.2     Een daad, een verzuim of enige gedraging

Het Hof van Cassatie heeft in het arrest van 7 december 1992 beslist dat diegene die door een
daad, een verzuim of enige gedraging bovenmatige burenhinder veroorzaakt,
compensatieplichtig is.31
Het nalaten iets te doen, kan dus ook aanleiding geven tot compensatie.


3.4.2       Oorzakelijk verband en toerekenbaarheid


3.4.2.1     Oorzakelijk verband

De schadelijder moet aantonen dat er een oorzakelijk verband is tussen de hinder en de schade
die hij heeft ondervonden.
Hier past het Hof van Cassatie de equivalentietheorie toe.
De equivalentietheorie neemt alle fouten in aanmerking zonder dewelke de schade zich niet
zou hebben voorgedaan. Alle fouten worden als even zwaarwichtig beschouwd.


3.4.2.2     Toerekenbaarheid

In de rechtsleer wordt aan toerekenbaarheid verschillende definities gegeven.
Yvon Hannequart omschrijft het begrip als volgt: “ L’imputation ne pourrait évidement être
ici fondée sur une défaillance du comportement mais bien sur l’origine du pouvoir réel de
décision par rapport à l’initiative ayant suscité le trouble anormal ». 32

Andere auteurs beschouwen het begrip toerekenbaarheid identiek aan het begrip oorzakelijk
verband.33
Dit ten onrechte zoals zal blijken uit onderstaande.
Beide begrippen bevinden zich op een ander niveau.
Burenhinder vereist drie elementen namelijk een hinderverwekker, titularis van een attribuut
van het eigendomsrecht; bovenmatige hinder en schade.
Het oorzakelijk verband heeft te maken met de bovenmatige hinder en de schade, terwijl de
toerekenbaarheid te maken heeft met het verband tussen de bovenmatige hinder en een
persoon, namelijk de titularis van het attribuut van het eigendomsrecht.
Men gaat zich dus de vraag stellen of de hinder toe te schrijven is aan de titularis van het
attribuut van het eigendomsrecht m.a.w men gaat aanduiden wie de compensatieplichtige is.
Procureur Generaal Dumon oordeelde terecht dat er reeds sprake is van toerekenbaarheid
wanneer men bewaarder is van een onroerend goed. 34
Wanneer men de hinder niet kan toeschrijven aan een titularis van het eigendomsrecht, dan
moet men nagaan of er geen bewaarder is van het onroerend goed die aansprakelijk kan
gesteld worden voor de hinder.

31
   E.VAN DE VELDE,”Burenhinder: Is een buur dichterbij beter dan een vriend ver weg?”,
Advocatenpraktijk,Antwerpen, Kluwer,2001,25.
32
   S. STIJNS en H. VUYE, “ Burenhinder in W. Van Gerven , Beginselen van Belgisch Privaatrecht,
Antwerpen,Story Scientia,2000,263.
33
   S. STIJNS en H. VUYE, “ Burenhinder in W. Van Gerven , Beginselen van Belgisch Privaatrecht,
Antwerpen,Story Scientia,2000,264.
34
   S. STIJNS en H. VUYE, “ Burenhinder in W. Van Gerven , Beginselen van Belgisch Privaatrecht,
Antwerpen,Story Scientia,2000,265.
                                                                                              21



Als er verschillende titularissen zijn zal enkel diegene die de hinder heeft veroorzaakt kunnen
worden aangesproken op grond van art. 544 B.W.
In welke situatie zijn er nu verschillende titularissen? Volgend voorbeeld maakt dit duidelijk.
Stel dat een perceel toebehoort aan een blote eigenaar. Dit perceel wordt vervolgens door de
vruchtgebruiker verhuurd aan een derde. In beginsel kunnen dus drie titularissen
aangesproken worden.

3.4.2.2.a. Toerekenbaarheid aan de bouwheer van de hinder veroorzaakt door een fout van
de aannemer of de architect?

Hier luidt de vraag als volgt: aan wie moet je de hinder toerekenen bij bouwwerken
uitgevoerd door een aannemer en/of architect in opdracht van een bouwheer?
Het Hof van Cassatie is van oordeel dat het slachtoffer de opdrachtgever kan aanspreken voor
bovenmatige hinder, ook wanneer de bovenmatige hinder het gevolg is van een persoonlijke
fout van de aannemer of architect. 35
Hierbij kan je je de logische vraag stellen of de bouwheer zich niet kan beroepen op een
vreemde oorzaak, namelijk een fout van de aannemer of de architect? En dus deze laatste dan
kan aansprakelijk stellen voor de hinder.
De auteurs zijn van mening dat de overlast wel degelijk aan de bouwheer kan worden
toegeschreven want hij heeft beslist om te bouwen.


3.4.3       Hoedanigheid van nabuur

Zoals reeds eerder vermeld, vereist nabuurschap niet dat er een materieel contact is tussen de
erven (zie p.10). Om de burenhinderleer te kunnen toepassen, moeten de partijen deelnemen
aan de relaties van nabuurschap. De cassatiearresten van 6 april 1960 verwijzen steeds naar
het begrip eigenaar maar burenhinder bleek al snel meer een zaak te zijn van gebruik en genot
dan van eigendom. Dit blijkt uit de woorden van wijlen Professor Derine.36
Hieronder volgt een opsomming van personen die al dan niet deelnemen aan de relaties van
nabuurschap.

3.4.3.1     Mede-eigenaars

Sommige auteurs, zoals Derine, Van Neste…, wijzen erop dat mede-eigenaars – en hun
huurders – vaak in nauwer contact met elkaar leven dan gewone eigenaars en dus een grotere
zorg aan de dag moeten leggen om hinder te vermijden.


3.4.3.2     Huurders

Een huurder beschikt over een attribuut van het eigendomsrecht want de huurovereenkomst
kent hem het genot van de zaak toe. Bijgevolg kan er ook een verbreking van het evenwicht
ontstaan tussen huurders van naburige goederen. Hetzelfde geldt ook voor onderhuurders.


35
   S. STIJNS en H. VUYE, “ Burenhinder in W. Van Gerven , Beginselen van Belgisch Privaatrecht,
Antwerpen,Story Scientia,2000,267.
36
   S. STIJNS en H. VUYE, “ Burenhinder in W. Van Gerven , Beginselen van Belgisch Privaatrecht,
Antwerpen,Story Scientia,2000,273.
                                                                                            22


De burenhinder tussen huurder en verhuurder vormt een bijzonder probleem. Tussen deze
twee partijen bestaat er een contract en moet men de regels van samenloop toepassen.
Samenloop houdt in dat schadelijder zijn eis tot schadevergoeding zowel kan baseren op de
niet-naleving van het contract als op een overtreding van art. 1382 B.W.


3.4.3.3     Vruchtgebruikers en blote eigenaars

De vruchtgebruiker oefent een attribuut van het eigendomsrecht uit en kan dus worden
aangesproken wegens burenhinder en kan zelf een vordering instellen wegens burenhinder.
Bij de blote eigenaar ligt dit anders.
In de meeste gevallen zal de overlast niet aan hem kunnen worden toegerekend.


3.4.3.4     Aannemers en bouwheren

In de rechtspraak stelt men dat de aannemer vreemd is aan de rechtsbanden van nabuurschap
en bijgevolg kan de aannemer het ontstane evenwicht niet verbreken.
Hieruit volgt dat de aannemer niet kan worden aangesproken voor compensatie wegens
burenhinder, maar ook dat de aannemer zelf geen vordering wegens burenhinder kan
instellen.
Dit betekent echter niet dat de aannemer altijd vrijuit zal gaan.
Als de aannemer een aquiliaanse fout begaat, kan het slachtoffer van de hinder hem
aanspreken op grond van art. 1382 B.W.
Als de aannemer hinder veroorzaakt die bovenmatig is, dan kan het slachtoffer de bouwheer-
eigenaar aanspreken op grond van art. 544 B.W.
Wanneer de aannemer een fout heeft gemaakt en de bouwheer-eigenaar compensatie moet
betalen, kan de bouwheer de aannemer aanspreken. De aannemer moet de bouwheer-eigenaar
dan vrijwaren.

In bepaalde situaties is de aannemer niet vreemd aan de banden van nabuurschap en zal hij
wel kunnen worden aangesproken wegens burenhinder.
Dit is het geval in volgende drie situaties.
    1) De aannemer richt op eigen terrein of op een terrein dat hij huurt een
        voorbereidingswerf in.
    2) De aannemer veroorzaakt bovenmatige hinder aan de naburen van zijn bedrijf.
    3) De aannemer heeft ook nog de hoedanigheid van bijvoorbeeld mede-eigenaar. In
        laatstgenoemde hoedanigheid kan hij worden aangesproken voor burenhinder.


3.4.3.4.a   Kritische analyse van de rechtspraak betreffende aannemers

De auteurs Stijns en Vuye stellen zich volgende vraag:
“Is de aannemer zo vreemd aan de banden van nabuurschap als men klassiek pleegt te
beweren? De aannemer wordt bijvoorbeeld gedurende de werken wel als bewaarder van de
zaak beschouwd, in de zin van art. 1384 B.W. Is het dan zo evident om te stellen dat hij
gedurende de werken geen attribuut van het eigendomsrecht uitoefent?” 37


 S. STIJNS en H. VUYE, “ Burenhinder in W. Van Gerven , Beginselen van Belgisch Privaatrecht,
37

Antwerpen,Story Scientia,2000,296.
                                                                                            23


Auteurs Dalcq, Fagnart en Mostin oordelen dat de aannemer niet vreemd is aan de banden van
nabuurschap.
Na grondige analyse door Stijns en Vuye, lijkt de algemene stelling dat de aannemer vreemd
is aan de banden van nabuurschap niet meer houdbaar. 38
De vraag of iemand een attribuut van eigendomsrecht uitoefent is een feitenkwestie en de
rechter moet dit nagaan.
Er zijn tevens verschillen tussen aannemers. Zo lijkt het logisch dat een loodgieter die een
lekkende kraan komt herstellen, vreemd blijft aan de banden van nabuurschap, maar bij een
aannemer van ruwbouwwerken ligt dit anders. Hij kan rechten laten gelden op het onroerend
goed tijdens een vrij lange periode. Zo heeft hij bijvoorbeeld het recht op toegang, recht om
zijn materiaal te stapelen op de werf…
Een dergelijk aannemer oefent volgens de auteurs wel degelijk een attribuut van het
eigendomsrecht uit.

3.4.3.4.b Contractuele bedingen waarbij de aansprakelijkheid voor burenhinder op de
aannemer wordt gelegd

De bouwheer en aannemer kunnen altijd in hun overeenkomst overeenkomen dat de aannemer
aansprakelijk zal zijn voor eventuele burenhinder.
De schadelijder moet zich wel richten tot de bouwheer want het afwentelingsbeding in het
aannemingscontract is niet tegenstelbaar aan de schadelijder.

3.4.3.4.c   Beding ten behoeve van een derde

Dit beding mag ook worden opgenomen in het aannemingscontract. Met dit beding kan het
slachtoffer van burenhinder zich rechtstreeks wenden tot de aannemer.


3.4.3.5     Architecten, ingenieurs en studiebureaus

Hier volgt men dezelfde stelling als bij de aannemers. Architecten, ingenieurs en
studiebureaus zijn ook vreemd aan de banden van nabuurschap.
De architect kan wel buiten de hoedanigheid van architect ook nog de hoedanigheid van
bouwheer uitoefenen.
Als deze laatste hoedanigheid oefent hij wel een attribuut van het eigendomsrecht uit en kan
hij wel worden aangesproken wegens burenhinder.
Net zoals de aannemer, kunnen architecten, ingenieurs en studiebureaus wel veroordeeld
worden wegens een fout.



3.4.3.6     Bouwpromotoren

Een bouwpromotor beschikt wel over een attribuut van het eigendomsrecht, bijvoorbeeld een
recht van opstal, en kan dus worden aangesproken wegens burenhinder.




 S. STIJNS en H. VUYE, “ Burenhinder in W. Van Gerven , Beginselen van Belgisch Privaatrecht,
38

Antwerpen,Story Scientia,2000,297.
                                                                                              24


Een veelvoorkomend probleem bij bouwpromotie is dat op het moment dat de vordering
wordt ingesteld, het gebouw reeds een nieuwe eigenaar heeft of dat de hinder pas tot uiting
komt na de verkoop van het gebouw.
De cassatierechtspraak oordeelt dat de vordering wegens burenhinder moet worden ingesteld
tegen de titularis van een attribuut van het eigendomsrecht die het evenwicht heeft gebroken
en niet tegen de latere eigenaar. 39


3.4.3.7     Erfpachter en opstalhouder

Ook de erfpachter en opstalhouder oefenen een attribuut van het eigendomsrecht uit en
kunnen bijgevolg een vordering instellen wegens burenhinder en kunnen aangesproken
worden wegens burenhinder.


3.4.3.8     Bezitter

Deze oefent een attribuut uit van het eigendomsrecht en het maakt zelfs niet uit of hij ter
goeder of kwader trouw is.


3.4.4       Personen die een vordering kunnen instellen

Deze vraagt stelt zich vooral wanneer het schadelijdende erf van eigenaar is veranderd. Op
deze vraag heeft het arrest van 28 juni 1990 een antwoord gegeven. Het is niet omdat de eiser
op moment van het instellen van de rechtsvordering verhuisd is, dat hij geen belang meer kan
hebben bij het instellen van de vordering.

De nieuwe eigenaar van het gebouw kan zelf ook een vordering instellen voor de zelf geleden
schade. Zo zal in geval van voortdurende hinder, zowel de vroegere als de huidige eigenaar
een vordering kunnen instellen voor de eigen schade.


3.4.5       Personen tegen wie men een vordering kan instellen

Deze vraag is vooral van belang wanneer het schadeverwekkende erf ondertussen van
eigenaar is veranderd.
De meerderheid van de rechtspraak en rechtsleer oordeelt dat de vordering moet worden
ingesteld tegen de eigenaar die het evenwicht heeft verbroken. 40
Zo zal de bouwpromotor die door een appartementsgebouw te bouwen hinder veroorzaakt, het
evenwicht verbreken. Het feit dat de appartementen na de hinderverwekkende daad worden
verkocht, speelt geen rol. Men gaat terug naar het tijdstip van de oorzaak van de burenhinder
om de aansprakelijkheid te beoordelen.

De nieuwe eigenaar kan natuurlijk ook worden aangesproken wegens burenhinder want hij is
aansprakelijk voor de hinder veroorzaakt vanaf het moment dat hij de eigenaar is geworden.
39
   S. STIJNS en H. VUYE, “ Burenhinder in W. Van Gerven , Beginselen van Belgisch Privaatrecht,
Antwerpen,Story Scientia,2000,311.
40
   S. STIJNS en H. VUYE, “ Burenhinder in W. Van Gerven , Beginselen van Belgisch Privaatrecht,
Antwerpen,Story Scientia,2000,316.
                                                                                            25


In geval van aanhoudende hinder kan zowel de vroegere als de huidige eigenaar aangesproken
worden.


3.4.6      Goederen waarvoor men een vordering kan instellen

De Rechtbank van eerste aanleg te Antwerpen heeft met een vonnis van 30 maart 1966 een
waar debat veroorzaakt met als discussiepunt of roerende goederen beschermd worden door
de foutloze burenhinderleer.

Sommige auteurs zijn van mening dat roerende goederen niet beschermd worden door de
burenhinderleer omdat deze leer een vermindering vereist van een voordeel dat verbonden is
aan een onroerend goed.
Andere auteurs maken dan weer een onderscheid tussen de wagens van naburen en wagens
van niet-naburen.41

Volgens de auteurs Stijns en Vuye moet men voor de juiste benadering van deze problematiek
een onderscheid maken tussen twee situaties.

In de eerste situatie is de hinder het gevolg van het gebruik van een roerend goed.
Als deze goederen zich op een onroerend goed bevinden dan kan de burenhinder toegepast
worden.

In de tweede situatie is er schade aan een roerend goed.
Wanneer het roerend goed zich op een erf bevindt dat door overlast beschadigd wordt, kan de
schadelijder een vordering wegens burenhinder instellen.
Als de wagen van een eigenaar op de private oprit staat en door overlast van naburig erf
beschadigd wordt, dan zal de eigenaar een compensatie kunnen verkrijgen op grond van art.
544 B.W.

Maar wat indien het roerend goed zich op een afstand van het onroerend goed bevindt?
Het typevoorbeeld is een wagen die op de openbare weg staat.
Volgens de auteurs kan de burenhinder toegepast worden en dit zonder onderscheid te maken
tussen wagens van buurtbewoners en niet-buurtbewoners. Want argumenteren de auteurs,
iedereen heeft het recht om van eenzelfde wegenis gebruik te maken.
De auteurs zoeken de oplossing dus eerder in de regels van het openbaar domein. Wegen
behoren tot het openbaar domein en iedereen kan er gebruik van maken. Natuurlijk moet men
de bestemming van de goederen in acht nemen en zich gedragen naar de wettelijke bepalingen
die het gebruik van het openbaar domeingoed regelen. Dit gebruik geeft men aan met de term
collectieve ingebruikneming. Men kan dan ook besluiten dat de gebruiker van de wegenis
gebruik maakt van een attribuut van het eigendomsrecht van de wegenis.




 S. STIJNS en H. VUYE, “ Burenhinder in W. Van Gerven , Beginselen van Belgisch Privaatrecht,
41

Antwerpen,Story Scientia,2000,320.
                                                                                             26


3.5          Sanctie

3.5.1        Preventieve acties tegen burenhinder


3.5.1.1      Raad van State

Het recht op compensatie wegens burenhinder is een burgerlijk recht en art. 144 Grondwet
bepaalt dat deze vorderingen tot de bevoegdheid van de hoven en de rechtbanken behoren.
Art.144: “ Geschillen over burgerlijke rechten behoren bij uitsluiting tot de bevoegdheid van
de rechtbanken”.42
Maar dit betekent niet dat de Raad van State geen enkele rol speelt bij burenhinder.
De Raad van State heeft een belangrijke preventieve rol op het gebied van burenhinder.
Deze rol toont zich wanneer de vernietiging wordt gevraagd van een vergunning.
De Raad van State moet de bouwaanvraag toetsen aan de goede plaatselijke ordening. De
Raad van State is verplicht de bouwvergunning te weigeren wanneer blijkt dat het optrekken
van de constructie kennelijk bovenmatige hinder zal veroorzaken.


3.5.1.2      Kort gedingrechter

Deze heeft ook een preventieve rol inzake burenhinder. Zo kan hij een provisie toekennen,
een expertise bevelen of andere maatregelen nemen.
Deze preventiefunctie is heel belangrijk want iedereen heeft er belang bij dat bij burenhinder
de passende maatregelen zo snel mogelijk worden genomen.
Men moet dus niet wachten tot op het moment dat de burenhinder zich voordoet.
De Kort gedingrechter kan op basis van art. 962 Ger.W. een deskundigenonderzoek bevelen
wanneer een geschil zich dadelijk dreigt voor te doen.

Art. 962: ” De rechter kan, ter oplossing van een voor hem gebracht geschil of ingeval een
geschil werkelijk en dadelijk dreigt te ontstaan, deskundigen gelasten vaststellingen te doen of
een technisch advies te geven.” 43



3.5.1.3      Bodemrechter

De bodemrechter is een burgerlijke rechter die ook een preventieve functie kan uitoefenen.
Art.19 lid 2 Ger.W. geeft aan de bodemrechter de mogelijkheid om voorlopige maatregelen te
nemen.

Art.19 lid 2:” Alvorens recht te doen, kan de rechter een voorafgaande maatregel bevelen om
de vordering te onderzoeken of de toestand van de partijen voorlopig te regelen.”44

Een toepassing hiervan vind je in het vonnis van de Rechtbank van eerste aanleg te Nijvel van
29 juni 1993.45

42
   Art.144 Grondwet
43
   Art. 962 Ger.W.
44
   Art. 19 lid 2 Ger.W.
                                                                                              27


De gemeente Waver stortte en verbrandde huishoudelijk afval op een terrein van de Belgische
Staat die een oogje dichtkneep. Dit alles gebeurde net onder het raam van een nabuur. De
rechtbank beveelt bij wijze van voorlopige maatregel de stopzetting van de
hinderverwekkende activiteit.


3.5.2       De compensatie

Het verschil tussen de aansprakelijkheid op basis van art. 1382 B.W. en de aansprakelijkheid
op basis van art. 544 B.W. heeft belangrijke gevolgen voor de sanctie.
Het slachtoffer van een onrechtmatige daad kan aanspraak maken op een integrale
schadeloosstelling. Het slachtoffer van bovenmatige burenhinder daarentegen heeft maar
recht op een compensatie.

Het Hof beslist in zijn arrest van 14 december 1995 dat wanneer de hinder wordt veroorzaakt
door een niet foutief feit,
“de rechtmatige en passende compensatie niet kan bestaan in het volledig verbod van dat feit;
zelfs als dit volledig verbod, volgens de appreciatie van de feitenrechter, de enige wijze is om
het verbroken evenwicht te herstellen”. 46

Zo kan men dus niemand verbieden om nog langer zijn favoriete instrument te bespelen of
niemand verplichten om een blaffende hond te verwijderen.

De compensatie kan bestaan uit het betalen van een geldsom, maar kan ook gebeuren in
natura. Deze stelling wordt bevestigd in het schoorsteenarrest van 6 april 1960.
Het schoorsteenarrest handelt over een schouw die verstikt wordt door het optrekken van een
gemene muur van een nabuur. De rechtbank van eerste aanleg veroordeelde de bouwheer tot
het optrekken van de schouw.

Wanneer de rechter kiest voor een compensatie in natura, moet hij wel eerst nagaan of ze wel
haalbaar is. Zo kan de rechter wel de bouw van een muur bevelen als meest geschikte
compensatie, maar niets garandeert dat de schadelijder een bouwvergunning zal krijgen voor
het optrekken van dat bouwwerk.

Wanneer de compensatie bij equivalent gebeurt, dan is de vraag vanaf wanneer de
schadevergoeding moet worden berekend, namelijk vanaf het moment van de dagvaarding of
ingebrekestelling, of vanaf het moment van de schade?
Volgens de auteurs dient de compensatie in regel berekend vanaf het moment dat de hinder
opdook. 47

Bij de toepassing van art. 1382 B.W. heeft het herstel in natura voorrang op het herstel bij
equivalent. Geldt deze regel ook bij de burenhinderleer?


45
   S. STIJNS en H. VUYE, “ Burenhinder in W. Van Gerven , Beginselen van Belgisch Privaatrecht,
Antwerpen,Story Scientia,2000,498.
46
   S. STIJNS en H. VUYE, “ Burenhinder in W. Van Gerven , Beginselen van Belgisch Privaatrecht,
Antwerpen,Story Scientia,2000,499.
47
   S. STIJNS en H. VUYE, “ Burenhinder in W. Van Gerven , Beginselen van Belgisch Privaatrecht,
Antwerpen,Story Scientia,2000,503.
                                                                                              28


Ook op dit punt lopen de meningen uiteen.48 Sommige auteurs zijn van mening dat deze regel
geldt als bij de toepassing van art. 1382 B.W. Anderen menen dan weer dat er geen voorrang
geldt van het herstel in natura. De rechter moet de meest passende wijze van compensatie
opleggen om het evenwicht te herstellen.


3.5.3       Toekennen van een rente ten titel van compensatie

Wanneer de schadeverwekker een vergoeding moet betalen aan de schadelijder, zal hij
meestal in de toekomst de hinder beperken.
Wanneer dit echter niet het geval is, dan bemerkt men het nadeel verbonden aan deze sanctie.
Deze sanctie verhindert namelijk de toekomstige hinder niet.

Toekomstige hinder kan je maar verhinderen door een compensatie in natura op te leggen
waarbij de rechter maatregelen neemt die het bovenmatig karakter van de hinder teniet doet.

In de rechtspraak van de negentiende eeuw had men hiervoor een oplossing, namelijk men
keerde een jaarlijkse rente uit.49 Deze oplossing werd aanvaard door de toenmalige drie Hoven
van beroep.

In een geschil over milieuverontreiniging veroorzaakt door een chemisch bedrijf, kende het
Hof van beroep te Luik een jaarlijkse rente toe, zolang het bedrijf geen passende maatregelen
had genomen.50

In een vonnis van 29 maart 1888 stelt de Rechtbank van koophandel te Luik zelfs dat het
toekennen van een jaarlijkse rente de meest aangewezen sanctie is tegen burenhinder.51
Wanneer de bovenmatige hinder verdween of niet langer bovenmatig was, werd de rente
afgeschaft door de rechter.

Hoewel geen enkele regel zich verzet tegen het toekennen van een rente, is deze wijze van
compensatie nog nauwelijks aanwezig in de rechtspraak.52

Nochtans biedt deze compensatie het voordeel aan de hinderverwekker dat hij de
keuzevrijheid heeft. Hij moet voor zichzelf uitmaken in welke mate hij de bovenmatige hinder
gaat verminderen. Indien hij de overlast blijft produceren, is hij een rente verschuldigd aan
zijn nabuur.

De rente opgelegd door de rechter mag niet zodanig hoog zijn dat ze een volledig verbod van
het hinderverwekkende feit betekent. De rente heeft dan ook de functie om te vergoeden en
niet om te straffen.

48
   S. STIJNS en H. VUYE, “ Burenhinder in W. Van Gerven , Beginselen van Belgisch Privaatrecht,
Antwerpen,Story Scientia,2000,504.
49
   S. STIJNS en H. VUYE, “ Burenhinder in W. Van Gerven , Beginselen van Belgisch Privaatrecht,
Antwerpen,Story Scientia,2000,510.
50
   S. STIJNS en H. VUYE, “ Burenhinder in W. Van Gerven , Beginselen van Belgisch Privaatrecht,
Antwerpen,Story Scientia,2000,510.
51
   S. STIJNS en H. VUYE, “ Burenhinder in W. Van Gerven , Beginselen van Belgisch Privaatrecht,
Antwerpen,Story Scientia,2000,511.
52
   S. STIJNS en H. VUYE, “ Burenhinder in W. Van Gerven , Beginselen van Belgisch Privaatrecht,
Antwerpen,Story Scientia,2000,513.
                                                                                              29


Zo veroordeelt de Vrederechter van Louveigné in zijn vonnis van 19 juni 1990 de eigenaars
van een hondenkennel tot een maandelijkse vergoeding van 1.500 Bef zolang de hinder
aanhoudt en dit zolang de hinderverwekkers niet hebben aangetoond dat zij de passende
maatregelen hebben genomen.


3.5.4       Compenseren met de meerwaarde

De meeste auteurs zijn van mening dat bij het begroten van de compensatie rekening moet
gehouden worden met de meerwaarde verkregen uit de hinderverwekkende feiten.
Op theoretisch vlak is dit zeker aanvaardbaar want bij de compensatie dient men rekening te
houden met alle elementen van de zaak.

Maar de concrete toepassing is vaak een probleem.
Zo had een woning schade geleden door te diep uitgegraven funderingen van een
appartementsgebouw. De bouwheer argumenteert dat de schade gecompenseerd wordt door
de meerwaarde, namelijk het feit dat de naburige woning voortaan gestut werd door een
stevig gebouw. Dit zou een aanzienlijk voordeel betekenen de dag dat ook de schadelijders
beslissen hun woning af te breken en her op te bouwen.
Deze argumentatie werd geweigerd door het Hof van beroep van Brussel. 53

Men moet enkel rekening houden met een meerwaarde die voldoet aan volgende 3 criteria:
          1) de meerwaarde moet reëel zijn;
          2) de meerwaarde mag niet imaginair zijn;
          3) andere, niet schadelijdende buren, kunnen niet van de meerwaarde genieten.
          Indien de situatie van alle buren verbeterd is er geen sprake van een meerwaarde
          in hoofde van de schadelijdende buren. Er is dan sprake van een verbetering voor
          een ganse buurt.



3.5.5       Sanctie in geval van administratieve vergunningen

Volgens de klassieke rechtspraak en rechtsleer is diegene die beschikt over een
administratieve vergunning en die de opgelegde voorwaarden naleeft, hierdoor niet vrijgesteld
van de compensatieverplichting in geval van bovenmatige hinder.54

Volgens de klassieke leer mag de rechterlijke macht niets ongedaan maken wat de
uitvoerende macht heeft toegelaten. Zo mogen de maatregelen opgelegd door de rechter het
bestaan van de vergunde inrichting niet in gevaar brengen. Zo mag de rechter bijvoorbeeld
niet beslissen dat de exploitatie moet stopgezet worden tot dat de door hem opgelegde werken
zijn uitgevoerd.
Tevens mogen de maatregelen opgelegd door de rechter niet in strijd zijn met de
administratieve vergunning.

53
   S. STIJNS en H. VUYE, “ Burenhinder in W. Van Gerven , Beginselen van Belgisch Privaatrecht,
Antwerpen,Story Scientia,2000,516.
54
   S. STIJNS en H. VUYE, “ Burenhinder in W. Van Gerven , Beginselen van Belgisch Privaatrecht,
Antwerpen,Story Scientia,2000,523.
                                                                                            30



Als de onderneming niet de nodige vergunningen kan voorleggen, kan de rechter alle gepaste
maatregelen nemen en kan hij zelfs de sluiting bevelen.


3.6        Verjaring
De vordering wegens burenhinder is een persoonlijke vordering en valt bijgevolg onder het
toepassingsgebied van art. 2262bis B.W.

Art.2262 bis B.W.: “ Alle persoonlijke rechtsvorderingen verjaren door verloop van tien jaar.
In afwijking van het eerste lid verjaren alle rechtsvorderingen tot vergoeding van schade op
grond van buitencontractuele aansprakelijkheid door verloop van vijf jaar vanaf de dag
volgend op die waarop de benadeelde kennis heeft gekregen van de schade of van de
verzwaring ervan en van de identiteit van de daardoor aansprakelijke persoon.
De in het tweede lid vermelde vorderingen verjaren in ieder geval door verloop van twintig
jaar vanaf de dag volgend op die waarop het feit waardoor de schade is veroorzaakt, zich
heeft voorgedaan.”55

Vanaf de dag dat de schadelijder de schade heeft bemerkt, heeft hij vijf jaar de tijd om een
vordering in te stellen tegen zijn buur.
De vordering verjaart in elk geval na twintig jaar vanaf de dag volgend op die waarop het feit,
dat de oorzaak is van de schade, zich heeft voorgedaan.

Vaak zal de schade aflopend zijn en heeft de schadelijder meestal onmiddellijk kennis van de
schade. Soms kan de schade ook voortdurend zijn en dan hebben de hinder en de schade een
bestendig karakter. De hinder en de schade houden dus aan zolang de hinderverwekkende
activiteit duurt. De schadelijder heeft pas kennis van de schade op het moment dat de schade
zich volledig heeft gerealiseerd. Dit is dus op het moment dat de hinderverwekkende activiteit
stopt.



3.7        Hinder tussen particulieren
In dit deel wil ik de voornaamste hinder tussen particulieren bespreken. De bespreking is aan
de hand van rechtspraak. Hierbij wil ik er wel op wijzen dat de feitenrechter over een ruime
appreciatiebevoegdheid beschikt, dus een andere rechter kan iets anders oordelen in dezelfde
situatie.

3.7.1      Lawaaihinder

Eind jaren zestig was de toepassing van lawaaihinder in de rechtspraak en wetgeving heel
zeldzaam. Dit is nu wel anders. 56

Als men lawaaihinder niet vermijdt, vormt dit een schending van de zorgvuldigheidsnorm en
valt men bijgevolg onder het toepassingsgebied van art. 1382 B.W.

55
 Art. 2262bis B.W.
 S. STIJNS en H. VUYE, “ Burenhinder in W. Van Gerven , Beginselen van Belgisch Privaatrecht,
56

Antwerpen,Story Scientia,2000,397.
                                                                                              31



De bouw van het Manhatten center te Sint-Joost-ten Node veroorzaakte ook heel wat
lawaaihinder en vooral voor het nabijgelegen Splendid Hotel. De nachtrust van het cliënteel
werd verstoord door de rumoerige activiteiten op de werf. Dit leidde tot minder klanten en
bijgevolg tot aanzienlijke verliezen voor het hotel. De uitbaters hebben zich in eerste instantie
gewend tot de Voorzitter van de Rechtbank van koophandel te Brussel. 57
Eisers verwezen in hun argumenten voornamelijk naar burenhinder en dit terwijl enkel de
aannemer in het geding was betrokken. De aannemer is zoals eerder gezegd, niet
aansprakelijk wegens burenhinder. De Voorzitter heeft beslist dat hij niet bevoegd was om de
aannemer te verbieden de werken tijdens de nacht verder te zetten.
Bij de behandeling van het geding ten gronde heeft de Rechtbank van eerste aanleg wel
aandacht voor de argumentatie van de uitbaters van het Splendid Hotel. De verstoorde
nachtrust was een evident gevolg van de werken. Het argument dat lawaaihinder geen
burenhinder is omdat lawaai geen blijvende materiële schade veroorzaakt, werd terecht
verworpen. De toepassing van de burenhinderleer vereist immers niet dat de schadelijder
materiële schade ondergaat. De rechtbank is van oordeel dat men de werken had kunnen
realiseren door alleen overdag te werken. Dit betekent dat het mogelijk was de hinder te
vermijden door het nemen van voorzorgsmaatregelen en dat dus art. 1382 B.W. kon worden
toegepast.

Een eerder terughoudende mening vindt men in het vonnis van de Rechtbank van eerste
aanleg te Namen van 26 maart 1992.58 Eiser klaagt over de hinder van een voetbalveld.
De rechtbank oordeelt dat de hinder niet bovenmatig is omdat er slechts eenmaal per week
een wedstrijd wordt gespeeld en maximaal tweemaal geoefend.
De rechtbank is ook van mening dat de aanwezigheid van voetbalvelden in overeenstemming
is met de huidige zeden en de aantrekkingskracht die deze sport uitoefent op een belangrijk
deel van de bevolking.
J.Kokelenberg had hier volgende bedenking bij:
“Men kan zich moeilijk van de indruk ontdoen dat andere rechters, die niet behoren tot “les
vraies sportifs” voor wie aanmoedigend klaroengeschal en supporterskreten als muziek in de
oren klinken, deze zaak enigszins anders zouden bekijken”.59

Ook in het strafwetboek vindt men een bepaling in verband met nachtlawaai namelijk art.
561, 1° Sw.

 Art. 561. “Met geldboete van tien frank tot twintig frank en met gevangenisstraf van een dag
tot vijf dagen of met een van die straffen alleen worden gestraft:
1° Zij die zich schuldig maken aan nachtgerucht of nachtrumoer waardoor de rust van de
inwoners kan worden verstoord”.60




57
   Kg.Kh.Brussel, 22 juli 1969, T.Aann.,1969,139, noot M.-A.FLAMME.
58
   Rb.Namen, 26 maart 1992, T.B.B.R., 1992,163.
59
   S. STIJNS en H. VUYE, “ Burenhinder in W. Van Gerven , Beginselen van Belgisch Privaatrecht,
Antwerpen,Story Scientia,2000,399.
60
   Art.561,1° S.W.
                                                                                            32


3.7.2      Hinder veroorzaakt door beplantingen

Maar al te vaak zijn bomen de oorzaak van ruzies tussen buren, denk maar aan overhangende
takken, vallende bladeren, bomen die jou het zonlicht ontnemen, wortels die schade
aanrichten aan de funderingen van je grond…
Dat beplantingen maar al te vaak aanleiding zijn tot burenruzies, blijkt ook uit mijn praktisch
deel.( vanaf p. 43)

Art. 544 B.W. geeft aan de eigenaar het recht van genot over zijn grond. Dit geldt ook voor
bomen en planten in zijn tuin. Zo heeft de eigenaar het gebruik en het genot van de bomen,
maar dit eigendomsrecht is niet absoluut. De eigenaar die beplantingen wil doen, moet deze
beplanting zo kiezen zodat het naburige erf geen schade ondervindt.
Ook moet de eigenaar rekening houden met de soort van de bomen, hoe groot ze kunnen
worden, bladafval…
Hiermee moet je ook rekening houden als de bomen er al staan voor je er komt wonen.
Het is irrelevant of de beplantingen werden aangeplant of op spontane wijze zijn beginnen
groeien. Uit art.35 van het Veldwetboek zou je kunnen afleiden dat de wet enkel van
toepassing is op bomen die door de mens zijn aangeplant.
Derine stelt terecht: “ in plaats van planten zou er beter staan: hebben laten groeien”.61

De regels met betrekking tot de afstand van beplantingen vind je terug in het Veldwetboek.
Wanneer je buur deze afstanden niet respecteert, kan je de rooiing van de planten vorderen. Je
kan dan vorderen op grond van art. 1382 B.W. en bovendien moet je geen overlast bewijzen.
Het feit dat je buur het Veldwetboek niet naleeft, is voldoende.

Wanneer de beplantingen van je buur je overlast bezorgen, dan kan je een vordering instellen
op grond van art. 544 B.W., ook al heeft je buur de afstanden gerespecteerd.
De Rechtbank van eerste aanleg te Brugge oordeelde zelfs dat wanneer men de afstanden van
het Veldwetboek respecteert, er nog sprake kan zijn van een fout.
Je moet niet alleen de wettelijke normen naleven maar ook de algemene
zorgvuldigheidsnorm. Zo miskent de eigenaar die kaarspopulieren aanplant op 2,05m van de
perceelgrens de zorgvuldigheidsnorm. De eigenaar die de populieren wil aanplanten moet
weten dat de breedtegroei van de wortels zes tot acht meter kan bedragen. 62
Een iets wat vreemd vonnis komt volgens de auteurs Stijns en Vuye van de Rechtbank van
eerste aanleg te Antwerpen. De rechtbank oordeelt dat het omvallen van een boom nooit
burenhinder kan zijn.63 De rechtbank geeft hiervoor twee argumenten.
Het eerste luidt dat een omgevallen boom nooit een overlast is die tot het toelaatbare moet
worden beperkt, maar een totale last is die totaal moet worden vermeden. Dit argument doet
niks af aan de toepassing van de burenhinderleer. Er is immers sprake van zodra de hinder de
grenzen van de normale hinder overtreft en dit kan zowel het geval zijn bij hinder die volledig
als bij hinder die gedeeltelijk moet worden vermeden.
Tweede argument is al evenmin overtuigend. De rechtbank zegt dat in de handboeken over
burenhinder voorbeelden van een omgevallen boom nooit voorkomen.




61
   H.BOCKEN,I.TRAEST en L.DE JAGER, Bomen in het recht,Brussel,Story-Scientia,1992,55.
62
   Rb.Brugge,12 september 1988, R.W.,1990-91,337.
63
   Rb.Antwerpen, 1 juni 1987, R.W.,1987-88,440.
                                                                                             33




3.7.2.1       Afstandbepalingen Veldwetboek

Welke afstanden moet je buur, en jezelf natuurlijk ook, nu in acht nemen?
Art.35, eerste lid stelt dat hoogstammige bomen slechts op een door vast en erkend gebruik
bepaalde afstand mogen geplant worden.
Bij afwezigheid van een zodanig gebruik mogen hoogstammige bomen slechts op twee meter
van de scheidingslijn tussen twee erven worden geplant, voor andere bomen en levende hagen
bedraagt dit een halve meter.
De gebruiken in verband met afstanden van bomen hebben meestal een plaatsgebonden
karakter en verschillen van streek tot streek.
Wie dit gebruik aanvoert als bewijs, moet het bestaan ervan aantonen. Hiervoor mag je alle
bewijsmiddelen gebruiken, ook het getuigenbewijs.
Wellicht kan de griffier van het vredegerecht van het kanton waar de beplantingen zich
bevinden, je informeren of er al dan niet een lokale regeling bestaat.


Hoe wordt nu bepaald of een boom hoogstammig is of niet? De rechtsleer en rechtspraak
nemen verschillende standpunten hierover in. 64 Meestal blijkt de hoogte doorslaggevend,
maar soms wordt ook rekening gehouden met het geheel van de potentieel hinderlijke
eigenschappen van de boom.

Art.36 van het Veldwetboek bepaalt dat de buur de rooiing kan eisen van bomen, hagen en
struiken die op een kortere afstand geplant zijn dan de wet bepaald.
Belangrijk in dit artikel is het woordje “kan”. De rechter moet de rooiing niet bevelen.
De rechter kan bijvoorbeeld ook bevelen dat de bomen gesnoeid moeten worden.

Art.37 van het Veldwetboek zegt dat er als er takken van je buur overhangen op jouw
eigendom, je aan je buur kan vragen om deze takken af te snijden.
Als op jouw eigendom wortels doorschieten, mag je ze zelf afhakken. Het recht om wortels
weg te hakken of takken te laten afsnijden verjaart niet.
De toepassing van dit artikel staat los van de afstandbepalingen. Van zodra er takken
overhangen of wortels doorschieten kan men deze (laten) verwijderen.



3.7.3         Brand en brandgevaar

In het cassatiearrest van 3 april 1998 oordeelde het Hof van Cassatie dat de enkele vaststelling
dat een brand in een naburig pand bovenmatige hinder had veroorzaakt op zich niet voldoende
is om de eigenaar tot compensatie te veroordelen. 65
Burenhinder vereist immers dat de gedraging toerekenbaar moet zijn aan de eigenaar. Dit
neemt niet weg dat er bij brand wel degelijk sprake kan zijn van burenhinder.

De vraag of brand al dan niet burenhinder is als er schade wordt berokkend aan een naburig
pand, komt voor het eerst aan bod in een vonnis van de Rechtbank van eerste aanleg te


64
     H.BOCKEN,I.TRAEST en L.DE JAGER, Bomen in het recht,Brussel, Story-Scientia,1992,45.
65
     Cass., 3 april 1998, T.B.B.R.1999,140.
                                                                                              34


Antwerpen van 1 december 1976.66 De rechtbank oordeelt dat de eigenaar steeds gehouden is
zijn buur te vergoeden wegens abnormale burenhinder, ook wanneer deze het gevolg is van
een brand en de daaropvolgende bluswerken. In de noot wordt het vonnis afgekeurd. De
annotator schrijft dat de brand van het gebouw geen verband houdt met de uitoefening van het
eigendomsrecht, noch met het gebruik van het goed.
De auteurs Stijns en Vuye wijzen erop dat de annotator het vonnis niet goed heeft gelezen.
Een van de bewoners verklaart namelijk dat de centrale verwarming stuk was, dat hij de open
haard constant liet branden,… Kan men dan echt schrijven dat de brand ontstaan is zonder dat
er sprake is van “uitoefening van het eigendomsrecht”, dan wel “gebruik van het goed”? De
burenhinder vindt in dit geval wel degelijk haar oorsprong in een gedraging van de eigenaar
en is dan ook aan de eigenaar toerekenbaar.

De rechtbank van eerste aanleg te Antwerpen oordeelt in haar vonnis van 19 mei 1983 dat
brand nooit burenhinder kan zijn.67 De rechtbank haalt hiervoor twee argumenten aan. Als
eerste oordeelt de rechtbank dat brand nooit een overlast is die tot het toelaatbare moet
worden beperkt, maar een totale last is die totaal moet worden vermeden. Het tweede
argument is dat brand nooit voorkomt als geval van burenhinder in de handboeken.

Ook de bluswerken en opruimingswerken kunnen de buren overlast bezorgen.
De Rechtbank van koophandel te Brussel had de taak om te oordelen of de opruimingswerken
na de verschrikkelijke brand van het grootwarenhuis Innovation al dan niet overlast was. 68 De
rechtbank kwam tot de beslissing dat de eigenaar niet het initiatief nam van de verbreking van
het evenwicht. De opruimingswerken worden namelijk beschouwd als maatregelen die aan de
eigenaar worden opgelegd naar aanleiding van een ramp. De rechtbank is van oordeel dat de
eigenaar niet zelf de omstandigheden heeft geschapen die aan de oorsprong liggen van een
voorlopig verbreken van het evenwicht.


3.7.4       Hinder veroorzaakt door huisdieren

Hier zijn het vooral de honden die letterlijk van zich laten horen.
De rechtspraak maakt een verschil tussen blaffende waakhonden en gezelschapshonden.
Gezelschapshonden brengen de meeste tijd door bij hun baasje, terwijl waakhonden
opgesloten in een hondenhok van nature luidruchtiger zijn.
Blaffende waakhonden die de naburen hun rust verstoren en zelfs het gebruik van een deel
van de tuin feitelijk onmogelijk maken, kunnen niet door de beugel in een residentiële wijk
bestaande uit woningen met een tuin.69

De Vrederechter van Tielt besliste dat het geblaf van een scheper overlast veroorzaakte.
Het bleek dat de hond voortdurend blafte vanaf het ogenblik dat de eigenaars afwezig waren.
Tijdens de nacht blafte de hond heel weinig. Dit aanhoudende geblaf overdag overschrijdt de
grens van de normale hinder.70


66
   Rb. Antwerpen, 1 december 1976, De verz.,1977,453,noot A.T.
67
   Rb.Antwerpen, 19 mei 1983, R.W.,1986-87,550.
68
   S. STIJNS en H. VUYE, “ Burenhinder in W. Van Gerven , Beginselen van Belgisch Privaatrecht,
Antwerpen,Story Scientia,2000,430.
69
   S. STIJNS en H. VUYE, “ Burenhinder in W. Van Gerven , Beginselen van Belgisch Privaatrecht,
Antwerpen,Story Scientia,2000,441.
70
   Rb.Brugge, 8 oktober 1984, R.W., 1985-86, 1502.
                                                                                             35


In deze zaak heeft de vrederechter beslist dat de hond binnen de vierentwintig uur na
betekening uit de woning en tuin moet verwijderd worden.
Dit roept vragen op. Bij burenhinder kan de passende compensatie niet bestaan in het
volledige verbod van dat feit, zelfs als dit volledige verbod, volgens de appreciatie van de
feitenrechter de enige wijze is om het verbroken evenwicht te herstellen.
Deze beslissing miskent dus het begrip compensatie.

Ik wil er ook nog op wijzen dat als je huisdier schade toebrengt aan derden, je aansprakelijk
kan worden gesteld op basis van art. 1385 B.W.
Art. 1385 B.W.: “ De eigenaar van een dier, of, terwijl hij het in gebruik heeft, degene die
zich ervan bedient, is aansprakelijk voor de schade die door het dier is veroorzaakt, hetzij het
onder zijn bewaring stond, dan wel verdwaald of ontsnapt was”.71

De eigenaar van het dier is niet aansprakelijk als iemand anders het dier onder zijn bewaring
heeft op het moment dat het dier de schade aanricht.
Men kan zich enkel ontdoen van de aansprakelijkheid door te bewijzen dat de schade te wijten
is aan een vreemde oorzaak. Dit kan zijn overmacht, daad van een derde of daad van het
slachtoffer zelf.


3.8           Burenhinder en de overheid

Niet alleen je buur kan je hinder bezorgen, ook de overheid. Denk maar aan openbare werken,
vliegtuigen…


3.8.1         Stand van zaken

In een arrest van 1995 heeft het Hof van Cassatie uitdrukkelijk bevestigd dat overheden
compensatie verschuldigd zijn in geval van bovenmatige hinder.72

Het kanaalarrest van 6 april 1960 handelde over hinder veroorzaakt door openbare werken aan
het kanaal Brussel-Charleroi. Door dit arrest stond meteen vast dat openbare werken
aanleiding kunnen geven tot compensatie.
De gedachte van hinder tussen particulieren (schoorsteenarrest) en hinder veroorzaakt door
een openbare overheid (kanaalarrest) zijn volkomen dezelfde. Het Hof van Cassatie maakt dus
geen enkel onderscheid tussen burgers en overheden.
Het leek er dan ook op dat de leer van de burenhinder volledig kon worden toegepast op
openbare overheden. De overheid is dus compensatie verschuldigd wanneer zij hinder
veroorzaakt die de grens van de gewone nabuurschap overschrijdt.

Maar sommige cassatiearresten weken af van deze stelling en veroorzaakten een ommekeer in
de rechtspraak van het Hof van Cassatie.

Zo beslisten twee cassatiearresten van 28 januari en 23 mei 1991 dat de burenhinderleer toch
niet volledig mag worden toegepast op openbare overheden.73


71
     Art. 1385 B.W.
72
     Cass., 9 maart 1995, Arr.Cass.,1995,286.
                                                                                              36


Deze arresten hebben zich over twee vragen gebogen, namelijk:
1) Moet de persoon die klaagt over burenhinder veroorzaakt door een overheid een bijzondere
schade bewijzen? Met bijzondere schade bedoelt men een schade die andere eigenaars, in een
objectief vergelijkbare toestand, niet hebben geleden.
2) Moet bij burenhinder veroorzaakt door overheden hetzelfde criterium worden toegepast als
bij de beoordeling van burenhinder veroorzaakt door particulieren?

Het arrest van 28 januari 1991 verwerpt de vereiste van een bijzondere schade.
Bij de compensatieverplichting moet men zich de vraag stellen of de grens van de normale
hinder is overschreden, en niet de vraag of sommige eigenaars zwaarder zijn getroffen dan
andere.
Het arrest van 23 mei 1991 oordeelt dat de rechter bij de beoordeling van de omvang van de
hinder veroorzaakt door een overheid rekening moet houden met de lasten die een burger in
het algemeen belang moet dragen.
Dit criterium is aanzienlijk strenger dan het criterium toegepast op hinder tussen particulieren.
Een particulier is reeds een compensatie verschuldigd aan zijn nabuur wanneer hij deze laatste
een last oplegt die de grens van de gewone lasten van nabuurschap overschrijdt. De overheid
is daarentegen slechts compensatie verschuldigd wanneer de opgelegde lasten meer bedragen
dan de lasten die de burger moet dulden in het algemeen belang.

De denkwijze van deze arresten lijkt het volgende te zijn.74
De hinderverwekker is compensatie verplicht van zodra de hinder de drempel van het normale
overschrijdt, ook als de hinderverwekker een overheid is.

Wanneer de hinder veroorzaakt wordt door een publieke overheid in de uitoefening van haar
publieke taken, dan moet de rechter bij de beoordeling rekening houden met het criterium van
de lasten die een burger in het algemeen belang moet dulden.
Dit criterium moet niet worden toegepast wanneer de overheid niet in het algemeen belang
handelt, dit is bijvoorbeeld bij werken uitgevoerd op een privaat domein.
Dit nieuwe criterium ter beoordeling van burenhinder veroorzaakt door de overheid is vrij
snel ingeburgerd in de rechtspraak en rechtsleer.75
Bij dit criterium moet de rechter vaststellen of het evenwicht tussen erven is verbroken en of
de hinder meer bedraagt dan de hinder die een burger in het openbaar belang verplicht is te
ondergaan.


3.8.2       Overzicht van de rechtspraak

3.8.2.1     Verlies aan cliënteel ten gevolge van wegeniswerken

Hinder door wegeniswerken is van oudsher een probleem.
Bij de beoordeling of de hinder door wegeniswerken bovenmatig is, kunnen veel factoren in
aanmerking worden genomen. Hieronder worden er drie opgesomd.


73
   S. STIJNS en H. VUYE, “ Burenhinder in W. Van Gerven , Beginselen van Belgisch Privaatrecht,
Antwerpen,Story Scientia,2000,452.
74
   S. STIJNS en H. VUYE, “ Burenhinder in W. Van Gerven , Beginselen van Belgisch Privaatrecht,
Antwerpen,Story Scientia,2000,455.
75
   S. STIJNS en H. VUYE, “ Burenhinder in W. Van Gerven , Beginselen van Belgisch Privaatrecht,
Antwerpen,Story Scientia,2000,456.
                                                                                                 37


Een eerste factor is de intensiteit van de hinder: werd de winkel moeilijker bereikbaar of in
het ergste geval helemaal onbereikbaar? De duur van de werken is slechts één van de
elementen waar de rechter rekening mee moet houden. Belangrijk is wel dat de rechtspraak
absoluut niet vereist dat de hinder “vele maanden” duurt.76
Een volgende factor waar men rekening mee kan houden is de voorzienbaarheid van de
werken. Onderhoud - en herstellingswerken die de toegang tijdelijk verhinderen zijn te
voorzien en dit kan overal gebeuren.
Tenslotte kan de rechter bij de beoordeling ook rekening houden met de bijzondere situatie
van de gehinderde. Een restaurant, een winkel of benzinestation hebben nu eenmaal meer
nood aan voorbijkomend verkeer dan een particuliere woning.

De huidige stand van zaken betreffende wegeniswerken wordt goed samengevat door twee
arresten van het Hof van beroep te Luik in 1998. 77
In het geschil dat aanleiding gaf tot het arrest van 9 juni 1998 klaagde een handelaar over de
hinder die had geleden door rioleringswerken. Deze werken bemoeilijkten de toegang tot zijn
winkel. Het zakencijfer is daarop ontleed en men stelde vast dat dit gestegen was gedurende
de werken. Pas één jaar na het beëindigen van de werken is het zakencijfer er gevoelig op
achteruit gegaan. Verder werden er geen andere elementen aangebracht dus besliste het Hof
dat er geen sprake was van burenhinder die de in het algemeen belang te dulden hinder
overschrijdt.
In het arrest van 24 juni 1998 besloot het Hof wel tot bovenmatige burenhinder. Een woning
werd beschadigd door verbredingwerken aan het Albertkanaal. Dit is een last die een burger
niet moet dulden in het algemeen belang.

Het is absoluut niet vereist dat iedere toegang tot het pand mogelijk is. Dit besliste het Hof
van Cassatie in een arrest van 1 oktober 1981.78

Een interessante zaak van verlies aan cliënteel door werken werd beslecht door de Rechtbank
van eerste aanleg te Brussel in een vonnis van 9 maart 1965.79 Er werden schuttingen
aangebracht als gevolg van werken. Deze schuttingen hadden het resultaat dat de ingang van
het restaurant aan het zicht onttrokken werd. Om het restaurant toch nog zichtbaar te maken,
stelde de raadsman van de restauranthouder voor om een lichtreclame aan te brengen.
Naargelang de werken vorderden, werd de toegankelijkheid nog bemoeilijkt. De rechtbank
oordeelde in deze zaak dat het niet nemen van voldoende voorzorgen om vermijdbare hinder
te vermijden een fout uitmaakt in de zin van art. 1382 B.W.

Een winkel die kranten en tabak verkoopt is afhankelijk van het doorkomende verkeer.
Wanneer door wegeniswerken de toegang tot dergelijke handelszaak wordt bemoeilijkt,
bijvoorbeeld door het autoverkeer te verbieden gedurende een periode, is er sprake van
overlast. De handelaar moet aantonen dat zijn winkel moeilijk bereikbaar is en alle nodige
bewijzen hiervoor verzamelen.80


76
   S. STIJNS en H. VUYE, “ Burenhinder in W. Van Gerven , Beginselen van Belgisch Privaatrecht,
Antwerpen,Story Scientia,2000,481.
77
   S. STIJNS en H. VUYE, “ Burenhinder in W. Van Gerven , Beginselen van Belgisch Privaatrecht,
Antwerpen,Story Scientia,2000,476.
78
   Cass., 1oktober 1981, R.W.,1981-82,2885.
79
   S. STIJNS en H. VUYE, “ Burenhinder in W. Van Gerven , Beginselen van Belgisch Privaatrecht,
Antwerpen,Story Scientia,2000,478.
80
   Rb.Luik, 4 mei 1990, R.G.A.R.,1992, nr.11993.
                                                                                              38


3.8.2.2     Hinder veroorzaakt door vliegtuigen, vliegvelden, havens…

Uit de rechtspraak over hinder veroorzaakt door vliegtuigen blijkt een grote terughoudendheid
vanwege de magistraten om te besluiten tot overlast.81 Dit is niet het geval bij hinder door
wegeniswerken en metrowerken. Hier wordt in de huidige stand van de rechtspraak
makkelijker besloten tot overlast.

Een originele toepassing hieromtrent vindt men in een vonnis van de Vrederechter van Nijvel
van 13 mei 1965.82 Een supersonisch vliegtuig had de geluidsmuur doorbroken boven de stad
Nijvel en had aanleiding gegeven tot schade. De Vrederechter oordeelde dat dit een fout is in
de zin van art. 1382 B.W. Een bijkomend probleem is dat het slachtoffer bijna onmogelijk het
hinderverwekkende vliegtuig kan identificeren. Maar dit heeft niet als gevolg dat er geen
schadeloosstelling kan worden toegekend. De Belgische Staat oefent exclusief de
soevereiniteit uit over het luchtruim. Zo kan men de Staat beschouwen als nabuur van de
schadelijder. Wanneer de Staat toelaat dat vliegtuigen schokgolven veroorzaken in haar
luchtruim, dan is de Staat aansprakelijk voor deze bovenmatige burenhinder.

Hinder afkomstig van overheidsinstanties moet in het algemeen belang geduld worden, maar
niet op onbeperkte wijze oordeelt het Gentse Hof van beroep.83
In deze zaak werd een gehandicapte jongen met zware gehoorstoornissen gestoord door de
overvliegende F-16 straaljagers van het leger. Het Hof besliste dat vliegoefeningen zo moeten
worden georganiseerd dat de woonplaats van de jongen moet vermeden worden of dat de
ouders minstens op de hoogte worden gebracht van dergelijke oefeningen en dat ze de nodige
maatregelen kunnen treffen.

De Hoven en de rechtbanken zijn vaak nog terughoudend wanneer het hinder betreft van
vliegverkeer. Het Hof van beroep te Brussel oordeelde in een arrest van 31 juli 1991 dat de
hinder ’s nachts veroorzaakt door de koerierdiensten die landen en opstijgen op Zaventem niet
buitensporig is.84 Het Hof houdt rekening met de nationale dimensie van de luchthaven en de
internationale dimensie van de stad Brussel.
Het lijkt erop dat de grote economische belangen die met dergelijke activiteiten gemoeid zijn,
het Hof terughoudend maken om te besluiten tot bovenmatige hinder.
De schadelijders riepen in deze zaak o.a. de exclusieve soevereiniteit in die de Belgische Staat
uitoefent over haar luchtruim. Het Hof antwoordde daarop dat burenhinder enkel kan worden
toegepast tussen onroerende goederen, terwijl het luchtruim geen onroerend goed is.
Enkele jaren laten oordeelt het zelfde Hof dat er toch een band is tussen de luchthaven en de
overvlogen woningen.
Nog in het zelfde arrest oordeelde het Hof dat niet alleen moet worden nagegaan of er
bovenmatige hinder is maar ook of de hinder de ongemakken overschrijdt die de burger in het
algemeen belang moet dulden. De bewoners van de Brusselse agglomeratie moesten volgens
het Hof beseffen dat de luchthaven wel eens kon uitbreiden gedurende de jaren. De hinder van


81
   S. STIJNS en H. VUYE, “ Burenhinder in W. Van Gerven , Beginselen van Belgisch Privaatrecht,
Antwerpen,Story Scientia,2000,491.
82
   S. STIJNS en H. VUYE, “ Burenhinder in W. Van Gerven , Beginselen van Belgisch Privaatrecht,
Antwerpen,Story Scientia,2000,489.
83
   S. STIJNS en H. VUYE, “ Burenhinder in W. Van Gerven , Beginselen van Belgisch Privaatrecht,
Antwerpen,Story Scientia,2000,489.
84
   S. STIJNS en H. VUYE, “ Burenhinder in W. Van Gerven , Beginselen van Belgisch Privaatrecht,
Antwerpen,Story Scientia,2000,490.
                                                                                               39


een luchthaven in de nabijheid van een grote agglomeratie is voor het Hof een last die de
burgers in het algemeen belang moeten dulden.


3.8.2.3     Hinder veroorzaakt door storten, vuilnisbelten e.d.

Het Hof te Luik kreeg betreffende deze problematiek een zaak die men zich nauwelijks kan
voorstellen.85 De Belgische Staat had 26 jaar tevoren een bouwplaats van openbare werken
verlaten en sindsdien werd deze omgetoverd tot een modderpoel en een vuilnisbelt. Een
afvalberg kwam na verloop van tijd tot aan het dak van een naburige woning. Als dit nog niet
erg genoeg was, deden ook volgende feiten zich voor: aan - en afrijdende vrachtwagens,
stofwolken, modderstromen en ondergelopen kelders. De Belgische Staat verweerde zich met
het feit dat een particulier van een overheid meer moet dulden in het algemeen belang. Het
Hof aanvaardde dit argument niet. Zelfs als dit waar is, dan nog blijft de hinder bovenmatig.

Het Hof van beroep te Bergen oordeelde dat de geurhinder van een
afvalverwerkingsinstallatie overlast veroorzaakt.86 Het feit dat de hinder slechts af en toe
voorvalt, belet niet dat de hinder bovenmatig is.

De Rechtbank van eerste aanleg te Luik veroordeelde een eigenaar van een stort op basis van
art.1382 B.W. omdat hij niet genoeg voorzorgen nam om overlast te vermijden.87




85
   S. STIJNS en H. VUYE, “ Burenhinder in W. Van Gerven , Beginselen van Belgisch Privaatrecht,
Antwerpen,Story Scientia,2000,473.
86
   S. STIJNS en H. VUYE, “ Burenhinder in W. Van Gerven , Beginselen van Belgisch Privaatrecht,
Antwerpen,Story Scientia,2000,474.
87
   S. STIJNS en H. VUYE, “ Burenhinder in W. Van Gerven , Beginselen van Belgisch Privaatrecht,
Antwerpen,Story Scientia,2000,474.
                                                                                            40



4          VERGELIJKING   TUSSEN                DE      AQUILIAANSE          EN      RISICO-
           AANSPRAKELIJKHEID

In dit hoofdstuk wil ik de twee besproken aansprakelijkheden met elkaar vergelijken.
Vordert een slachtoffer het best op basis van art. 1382 B.W. of op basis van art. 544 B.W of
heeft hij de mogelijkheid om te vorderen op basis van beide?


4.1        Het ruime toepassingsgebied van art. 1382 B.W.

Als men beide aansprakelijkheden met elkaar vergelijkt, kan men besluiten dat het
toepassingsgebied van art. 544 B.W. vrij beperkt is.
Dit komt omdat het foutbegrip van art. 1382 B.W. heel ruim kan worden ingevuld.
Als je als slachtoffer een fout kan inroepen, doe je er het beste aan om dit ook te doen want
dan heb je als slachtoffer recht op een integrale schadeloosstelling.

De burenhinderleer heeft dus pas enig nut als je geen fout kan aanwijzen en toch wordt deze
leer veel toegepast door pleiters.
Zo worden vaak geschillen waarbij een norm of de zorgvuldigheidsnorm niet werd nageleefd,
opgelost met behulp van art. 544 B.W.
Dit is het gevolg van een enorm succes dat art. 544 B.W. kende na de cassatiearresten van 6
april 1960.

Maar het is toch aan te raden om eerst na te gaan of de aquiliaanse aansprakelijkheid niet van
toepassing is. Hier volstaat het bewijs van een fout en dus moet je het bovenmatige karakter
van de hinder niet aantonen.
Toch zijn veel pleiters van mening dat de vordering op basis van art. 544 B.W. meer kans op
slagen biedt, omdat ze dan geen fout moeten aantonen. Zij vergeten hierbij dat het bewijzen
van bovenmatige hinder en een verbreking van het evenwicht ook niet zo evident is.

Voornamelijk in het milieurecht zal het nu vaak makkelijker zijn om te bewijzen dat er een
fout werd begaan, dan wel dat de hinder bovenmatig is. De vele normen opgelegd door de
overheid en vaak vervat in vergunningen, gekoppeld aan de regel dat het naleven van de
vergunningen op zich niet voldoende is om iedere fout uit te sluiten, geven aan art. 1382 B.W.
een bijzonder ruim toepassingsgebied. 88



4.2         De zelfstandigheid van art. 544 B.W.

Er is duidelijk een onderscheid tussen aansprakelijkheid zonder schuld en wegens schuld.
Toch sluit een mogelijke toepassing van de burenhinderleer de toepassing van de aquiliaanse
aansprakelijk niet uit. Beide kunnen dus toepassing vinden.


 S. STIJNS en H. VUYE, “ Burenhinder in W. Van Gerven , Beginselen van Belgisch Privaatrecht,
88

Antwerpen,Story Scientia,2000,223.
                                                                                             41


Art. 544 B.W. is dus onafhankelijk ten opzichte van andere aansprakelijkheidsvorderingen en
deze onafhankelijkheid is tevens volkomen.
Zo kan de rechter oordelen dat beplantingen die de wettelijke afstand respecteren, toch
bovenmatige hinder met zich meebrengen. Het is dus niet zo dat wanneer de opgelegde
afstanden werden nageleefd, er geen compensatie verschuldigd is wegens bovenmatige
hinder.


4.3        Is art. 544 B.W. ondergeschikt aan art. 1382 B.W?

Het Hof heeft deze vraag in zijn cassatiearrest van 14 juni 1968 negatief beantwoord.
Bijgevolg bestaat er geen hiërarchie tussen de beide artikelen en sluiten ze elkaar niet uit.
Jean Dabin schreef in zijn bespreking van het cassatiearrest dat burenhinder een parallelle leer
is.89
Het slachtoffer heeft de keuze welke vordering hij instelt. Hij kan beide vorderingen parallel,
m.a.w gelijktijdig, instellen, het ene ondergeschikt aan het andere of hij kan zich beperken tot
één van twee vorderingen.


4.4        Art. 544 B.W. en art. 1382 B.W. zijn niet noodzakelijk
           alternatief

Vaak zullen de beide artikelen alternatief zijn voor elkaar. Tenslotte heeft de benadeelde die
op basis van art. 1382 B.W. een volledige schadeloosstelling heeft bekomen geen belang meer
bij een compensatie op basis van art. 544 B.W.

Ook is het zo dat beide artikelen tegelijkertijd van toepassing kunnen zijn in een zelfde zaak.
Dit is het geval wanneer het foutief optreden niet alleen aan de basis ligt van de schade, maar
de schade wel heeft verzwaard of wanneer een deel van de schade door een fout is ontstaan en
de rest niet.



4.5        Processtrategische hiërarchie tussen art. 1382 en art. 544
           B.W.

Er bestaat zoals eerder gezegd geen juridische hiërarchie tussen de burenhinderleer en de
aquiliaanse aansprakelijk, maar als je als slachtoffer een proces aanspant is er toch een aan te
bevelen volgorde.
Het slachtoffer zal in hoofdzaak zijn verweer opbouwen op basis van de regels van de
aquiliaanse aansprakelijkheid.
Als er geen fout kan worden bewezen, zal men zijn verweer steunen op de burenhinderleer.



 S. STIJNS en H. VUYE, “ Burenhinder in W. Van Gerven , Beginselen van Belgisch Privaatrecht,
89

Antwerpen,Story Scientia,2000,225.
                                                                                            42


De aquiliaanse aansprakelijkheid heeft als voordeel voor het slachtoffer dat hij een integrale
schadevergoeding uitgekeerd krijgt, terwijl hij bij burenhinderleer slechts een compensatie
krijgt.

Als het slachtoffer vordert op basis van 1382 B.W. is de rechter verplicht een hiërarchie te
respecteren. Zo primeert het herstel in natura op het herstel in equivalent.
Als het slachtoffer daarentegen vordert op basis van burenhinder heef de rechter een grotere
beoordelingsmarge. In dit geval moet de compensatie passend zijn. Aan deze regel is wel één
beperking namelijk dat de compensatie geen volledig verbod van het hinderverwekkende feit
mag inhouden.



4.6        Procesrechtelijke verhouding tussen art.544 en art.1382
           B.W. , in het licht van art. 807 Ger.W.

Art. 807:” Een vordering die voor de rechter aanhangig is, kan uitgebreid of gewijzigd
worden, indien de nieuwe, op tegenspraak genomen conclusies, berusten op een feit of akte in
de dagvaarding aangevoerd, zelfs indien hun juridische omschrijving verschillend is.” 90

Voor de rechter heeft dit artikel tot gevolg dat hij niet zomaar een vordering op basis van een
fout mag wijzigen in een vordering op basis van burenhinder, of omgekeerd.
Een illustratie hiervan vindt men in een cassatiearrest van 20 maart 1980.91
De schadelijder klaagde over neervallende stenen en keien van de citadel van Dinant. Hij
dagvaardde de NV “La citadelle de Dinant et l’abri effondré” en steunt zijn vordering op
art.1382 en art.1383 B.W.
De Rechtbank van eerste aanleg veroordeelt de NV wegens bovenmatige burenhinder. De
rechter heeft dus ambtshalve de oorspronkelijke vordering gewijzigd en miskent daardoor
art.702 en 807 Ger.W. en het algemeen beginsel van het recht van verdediging.

Art. 807 Ger.W. laat dus toe een vordering, die reeds voor de rechter aanhangig is gemaakt, te
wijzigen of uit te breiden.
Belangrijk hierbij is dat deze enkel kan als de procedure op tegenspraak verloopt. Zo verloopt
een procedure niet op tegenspraak als bijvoorbeeld de verweerder verstek laat.
De mogelijkheden tot wijziging zijn bijzonder ruim, omdat het voldoende is dat de wijziging
steunt op een feit of akte in de dagvaarding vermeld.
In praktijk zal het bijna altijd mogelijk zijn om de oorspronkelijke vordering gesteund op art.
1382 B.W. te wijzigen tot een vordering wegens burenhinder en omgekeerd.




90
 Art.807 Ger.W.
 S. STIJNS en H. VUYE, “ Burenhinder in W. Van Gerven , Beginselen van Belgisch Privaatrecht,
91

Antwerpen,Story Scientia,2000,241.
                                                                                           43


5             PRAKTISCHE TOEPASSING
Op mijn stageplaats was op het moment van mijn stage een interessant dossier lopende over
burenhinder. In mijn praktisch gedeelte van mijn eindwerk, wil ik dan ook de verschillende
stappen, van minnelijke schikking tot het vonnis, uiteen zetten.

Maar eerst wil ik het vredegerecht situeren en hun werking toelichten, aangezien de
vrederechter in principe kennis neemt van alle geschillen in verband met burenhinder.


5.1           Situering vrederechter

De vrederechter is de rechter die het dichtst bij de burger staat.
Dit blijkt uit het gegeven dat er in België ongeveer 225 vredegerechten zijn. Er is één
vrederechter per gerechtelijk kanton.
Zoals uit de naam al blijkt (“vrede”rechter), is hij uitermate bevoegd om conflicten op te
lossen. Hij beschikt over voldoende juridische en psychologische kennis.
Het vredegerecht is een burgerlijke rechtbank, er worden dus geen strafzaken behandeld.
In elk vredegerecht vind je een griffie.
Deze dienst is meestal samengesteld uit een hoofdgriffier, een griffier, één of meerdere
adjunct-griffiers en het griffiepersoneel.
De taak van de griffier bestaat uit het typen van vonnissen en het geven van afschriften, maar
daarnaast is hij ook een volwaardige medewerker van de rechter en officieel bewaarder van
veel documenten.

Wat ook belangrijk is om te weten is dat de griffie geen raad of adviezen mag geven.

Art.297 Ger.W. : De leden van de hoven, rechtbanken, parketten en griffies mogen mondeling
noch schriftelijk de verdediging van de partijen voeren en mogen hun geen consult geven.92

De griffie mag dus enkel inlichtingen verlenen.


5.2           Bevoegdheid vrederechter

De vrederechter heeft eerst en vooral een algemene bevoegdheid. Hij neemt kennis van alle
vorderingen waarvan het bedrag niet hoger is dan 1859.20 €, met als uitzonderingen:
   - de bijzondere exclusieve bevoegdheden van de Rechtbank van Eerste Aanleg
   - de bijzondere bevoegdheden van de Rechtbank van Koophandel
   - de bijzondere bevoegdheden van de arbeidsrechtbank

Een algemene bevoegdheid is een bevoegdheid die op algemene wijze wordt omschreven
door de wet.

Verder heeft de vrederechter ook heel wat bijzondere bevoegdheden. Deze zijn allemaal
opgesomd in het artikel 591 van het Gerechtelijke Wetboek.


92
     Art.297 Ger.W.
                                                                                             44


Een bijzondere bevoegdheid is een materiële bevoegdheid die specifiek wordt toegewezen aan
een welbepaalde rechter.

Als laatste heeft de vrederechter nog bijzondere, exclusieve bevoegdheden namelijk de
onteigening, de verzegeling en de aanwijzing van een voorlopige bewindvoerder.
Een bijzondere bevoegdheid kan exclusief zijn en dan kan enkel die rechter kennis nemen van
het geschil.

De vraag is nu of dossiers over burenhinder tot de algemene of bijzondere bevoegdheid van
de vrederechter behoren.

Artikel 591 Ger.W., alinea 3 maakt de vrederechter bevoegd voor geschillen betreffende
erfdienstbaarheden en betreffende de verplichtingen die de wet aan de eigenaars van aan
elkaar grenzende erven oplegt.

Aan de hand van dit artikel zou men kunnen denken dat burenhinder een bijzondere
bevoegdheid uitmaakt van de vrederechter. Maar dit is niet het geval.
Burenhinder vereist immers geen aan elkaar grenzende erven. Het volstaat dat de hinder
geproduceerd door het ene erf een impact heeft of kan hebben op het andere erf.

In sommige gevallen kan het geschil onder de bevoegdheid vallen van de Rechtbank van
koophandel. Dit is het geval wanneer het een handeling betreft die de wet als een daad van
koophandel beschouwd en het geschil niet onder de algemene bevoegdheid van de
Vrederechter valt.

Art.573, lid 2 Ger.W.: “Het geschil, dat betrekking heeft op een handeling die de wet als daad
van koophandel aanmerkt en dat niet onder de algemene bevoegdheid van de vrederechter
valt, kan eveneens voor de rechtbank van koophandel worden gebracht, hoewel de eiser niet
de hoedanigheid van handelaar heeft. Een beding tot aanwijzing van een bevoegd rechter,
gemaakt vóór het ontstaan van het geschil is, in dat opzicht, van rechtswege nietig”. 93

Art. 568 van het Ger.W. bepaalt dat de Rechtbank van Eerste Aanleg kennis neemt van alle
vorderingen die bij haar aanhangig worden gemaakt en dit ongeacht de waarde van de eis, het
voorwerp en de hoedanigheid van de partijen. Het kan zijn dat er een ander rechtscollege
bevoegd is. Als de verweerder geen verwijzing vraagt naar het bevoegde rechtscollege, blijft
de Rechtbank van Eerste Aanleg bevoegd.



5.3            De proceskosten
Als u een procedure bij de vrederechter start, zult u meestal een rolrecht moeten betalen.
Dit is een vergoeding voor het openen van een dossier bij de rechtbank.

Voor de vrederechter kan men perfect zichzelf verdedigen. U laten bijstaan door een advocaat
is dus niet verplicht. Indien men dit wel doet, moet men ook de erelonen van de advocaat
betalen.



93
     Art.573,lid 2 Ger.W.
                                                                                             45


Als u de zaak verliest, bent u tevens gehouden tot betaling van de kosten van de tegenpartij, in
geval deze een advocaat had.


5.4         Concrete situatie

De concrete situatie is als volgt:

Echtpaar A is 2 jaar geleden in de gemeente Herentals komen wonen.
In hun tuin staan dan al coniferen van 8 à 9 meter hoog. Deze zijn aangeplant door de vorige
eigenaars.
Het echtpaar is blij dat de planten er staan. Het beschermt hen tegen het lawaai van de treinen
en ze hebben bijgevolg ook geen zicht op het station.
De bomen omringen de achtertuin langs 3 zijden namelijk links, rechts en achteraan.
De buren aan de linker kant hebben het echtpaar eens terloops gezegd dat volgens hen de
bomen te hoog zijn. Maar ze hebben nooit gevraagd om de bomen te verwijderen of te
snoeien tot aanvaardbare hoogte (volgens de linkse buren zou dat 3 meter zijn).
Tot grote verbazing van echtpaar A hebben de linkse buren op een dag de politie gebeld, die
foto’s heeft genomen.

Naar aanleiding van dit voorval vraagt het echtpaar juridisch advies.
Ze zitten met volgende vragen:
Kunnen ze verplicht worden de bomen te snoeien tot een lengte van 3 meter?
Kunnen ze verplicht worden om de overhangende takken bij de linkse buren te verwijderen?



5.5         De verzoening
Als je geconfronteerd wordt met burenhinder, probeer dan eerst de zaak uit te praten met je
buur om een oplossing te vinden waarover jullie het beide eens zijn. Helpt dit niet, dan kan je
altijd een verzoening aanvragen bij de vrederechter.
Deze aanvraag kan je eenvoudigweg doen door een brief te sturen aan de vrederechter. Deze
brief moet niet aangetekend verstuurd worden.
De brief moet de volgende vermeldingen bevatten:
     - uw identiteit (naam, voornaam en adres);
     - de identiteit (naam, voornaam en adres) van (al) de tegenpartij(en) die u wilt laten
         oproepen;
     - een korte uiteenzetting van de feiten;
     - datgene wat u wilt bereiken;
     - de vraag de partijen op te roepen om een verzoening te bereiken.

In deze brief mag je enkel namens jezelf een verzoening vragen. Je kunt nooit in naam van
iemand anders een verzoening vragen.

Buiten de mogelijkheid een brief te schrijven aan de vrederechter, kan je ook naar de griffie
van het bevoegde vredegerecht gaan en er ter plaatse een verzoeningszitting vragen.

Een verzoening betreffende burenhinder is niet verplicht maar wel het overwegen waard.
                                                                                         46


Als de verzoening lukt, vermijd je een proces dat soms lang kan aanslepen en heel wat kosten
met zich meebrengt.
Bovendien is de verzoeningsprocedure gratis en moet je aan geen bepaalde formaliteiten
voldoen.

Als je een verzoening hebt gevraagd, volgt de oproeping.

De linkse buren hebben om een minnelijke schikking gevraagd.
Deze minnelijke schikking zou normaal plaats gehad hebben op 26 november 2003 maar de
linkse buren zijn niet verschenen en dit zonder de vrederechter te informeren.


Aanvraag minnelijke schikking of verzoek oproeping in verzoening, hieronder, 47
                                                                       47


Aanvraag minnelijke schikking (of verzoek oproeping in
verzoening)
Aan mevrouw, mijnheer de Vrederechter van het kanton ...

Ondergetekenden,

... Uw naam (namen), voornamen, adres(-sen)

vragen U volgende persoon (personen) op te roepen in verzoening :

... naam (namen), voornamen en adressen van de op te roepen personen

teneinde een minnelijke schikking na te streven betreffende :

... maak hier een beknopte beschrijving van het bestaande probleem

Met de meeste hoogachting,

Plaats, datum en handtekeningen aanvullen
                                                                                         48


5.6          De oproeping

U en de tegenpartij(en) worden opgeroepen per brief om te verschijnen voor de vrederechter.
De verzoeningspoging gebeurt meestal in de raadkamer of in het kantoor van de vrederechter
dus zelden in de openbare zittingszaal.

Indien u zelf niet aanwezig kan zijn, kan u zich laten vertegenwoordigen door uw
echtgeno(o)t(e) of een familielid (bloed – of aanverwant). Het is dan verplicht dat u deze
persoon een volmacht meegeeft. De volmacht mag je op een gewoon papier schrijven en dient
uiteraard ondertekend te zijn.

Voorbeeld: ik meld dat ik aan persoon X een volmacht geef om namens mij op de
verzoeningszitting voor de vrederechter van het kanton te Y te verschijnen en hij/zij er
namens mij een dading mag afsluiten.

Een dading is een definitief akkoord tussen de partijen waardoor de betwisting beëindigd
wordt doordat de partijen toegevingen doen.

Op de verzoeningspoging kunnen er zich twee situaties voordoen.

   1) Als de tegenpartij niet aanwezig is, is er ook geen verzoening mogelijk. U moet
      immers met twee zijn om te verzoenen. De vrederechter kan bijgevolg ook geen
      uitspraak doen.
      Vervolgens kunt u een procedure opstarten om een veroordeling van de tegenpartij te
      bekomen.

   2) Als de tegenpartij (of zijn advocaat) aanwezig is, zetten beide partijen hun standpunt
      uiteen. Vervolgens wordt er nagegaan of een vergelijk mogelijk is.
      Hier zijn twee mogelijke resultaten:

   -   Als er een verzoening wordt bekomen, wordt hiervan een proces-verbaal van
       verzoening opgemaakt dat alle partijen met de vrederechter en griffier ondertekenen.
       Dit proces-verbaal heeft dezelfde waarde als een vonnis en moet dus door beide
       partijen worden nageleefd.

   -   Ook als er geen verzoening wordt bekomen, wordt hiervan een proces-verbaal
       opgesteld. U kunt dan overgaan tot het instellen van de procedure.

Ik wil er nog op wijzen dat de vrederechter de partijen geen oplossing mag opdringen.
Hij mag alleen het gesprek leiden en erin bemiddelen. Het initiatief van verzoening moet van
de partijen zelf komen.
                                                                                             49



5.7        De dagvaarding

Op 14 januari 2004 vind het echtpaar bij de post een dagvaarding.
De gerechtsdeurwaarder was langs geweest die dag maar omdat er niemand thuis was, heeft
hij de dagvaarding onder gesloten omslag achtergelaten.
De gerechtsdeurwaarder is namelijk niet verplicht om nog eens terug te komen. Hij moet de
dagvaarding, bij afwezigheid, wel nog eens per aangetekende brief opsturen.
De dagvaarding moet op straffe van nietigheid een aantal gegevens vermelden.
    - identiteit van de eiser;
    - identiteit van de verweerder;
    - voorwerp van de vordering
        De dagvaarding bestaat uit twee delen, een motiverend en een beschikkend gedeelte;
    - de rechter voor wie de zaak wordt gebracht, met aanduiding van adres;
    - datum en tijdstip waarop de zaak wordt ingeleid.


Het echtpaar wordt “gedaagd” voor de vrederechter door hun linkse buren. Ze moeten
verschijnen op 3 februari 2004.
De persoon van wie men een veroordeling vraagt en die zich zal moeten verdedigen tegen de
eis, geeft men aan met de term de gedaagde of de verweerder (in casus het echtpaar A).
De persoon die de veroordeling vraagt, geeft men aan met de term de verzoeker of de eiser
(in casus de linkse buren).

Vanaf het ogenblik van de betekening kan de verweerder zijn verweer organiseren (vb. een
advocaat raadplegen). Om ervoor te zorgen dat verweerder hiervoor genoeg tijd heeft,
voorziet de wetgever een minimale termijn tussen de betekening en de inleidingszitting. Deze
termijn bedraagt in principe minimum acht dagen. Deze termijn kan verlengd worden als de
verweerder zijn woon – of verblijfplaats in het buitenland heeft.

In praktijk maakt de advocaat van de eisende partij een ontwerp-dagvaarding en maakt deze
over aan de gerechtsdeurwaarder. De gerechtsdeurwaarder maakt hiervan een originele
dagvaarding. Zo gaat hij de identiteit van de partijen na en neemt hij contact op met de griffie
van de bevoegde rechtbank om de datum van de inleidingszitting te bepalen. De
gerechtsdeurwaarder moet hierbij natuurlijk rekening houden met de termijn van acht dagen
en het gegeven dat hij nog moet betekenen.

In dit dossier heeft de eisende partij geen advocaat. Het koppel is naar alle waarschijnlijkheid
zelf naar een gerechtsdeurwaarder gestapt en ze hebben daar hun verhaal verteld.

Er bestaat nog een tweede manier om een procedure te starten bij de vrederechter en dit is het
verzoekschrift. Dit mag je enkel toepassen in de gevallen waarin de wet het uitdrukkelijk
toelaat(vb. in huurgeschillen).


Dagvaarding, hieronder, 50 - 51
50
51
                                                                                           52


De verzoekers willen dat het echtpaar veroordeeld wordt om de bomen die langs de
scheidingsmuur staan te snoeien of eventueel te verwijderen.
Verzoekers vragen ook de toepassing van artikel 735 Ger.W. De eiser vraagt hiermee dat de
zaak behandeld wordt op de inleidingszitting. Hij geeft aan dat de zaak slechts korte debatten
vereist, dus dat de zaak voor geen ernstige betwisting vatbaar is.

Art. 735 Ger.W.: Ҥ 1 Ten aanzien van iedere verschijnende partij worden de zaken waarvoor
slechts korte debatten nodig zijn, behandeld op de inleidende zitting of verdaagd opdat er op
een nabije datum over wordt gepleit, voor zover daartoe een met reden omkleed verzoek is
gedaan in de akte van rechtsingang of door de verwerende partij”

§ 2 “ De zaken worden in korte debatten behandeld ingeval de partijen daarmede akkoord
gaan. De rechter houdt de zaak op de inleidingszitting aan of verwijst ze opdat ze op een
nabije datum over wordt gepleit, waarbij hij de duur van de debatten bepaald”

§3 “ In de zaken bedoeld in de §§ 1 en 2, kan het vonnis worden gewezen zelfs indien er geen
conclusies zijn neergelegd.
Wanneer de partijen conclusies nemen, moeten zij die overhandigen aan de rechter, die ze
voor gezien tekent. Van deze neerlegging wordt melding gemaakt op het zittingsblad.94

Het echtpaar schrijft naar aanleiding van de dagvaarding een brief (met kopie van de
dagvaarding) naar hun advocaat om advies.
Het echtpaar vindt de hele procedure niet aanvaardbaar. De buren hebben nooit iets concreets
geëist wat de bomen betreft. De buren beweren in de dagvaarding dat een minnelijke
schikking niet mogelijk is. Doch zijn zij zelf niet verschenen op de minnelijke schikking die
eerder had moeten plaatsvinden (namelijk op 26 november 2003).

In deze zaak zijn conclusies opgesteld voor de zitting van 3 februari 2004.
Een conclusie is een geschrift dat vorderingen, verweren of excepties bevat die een partij
wenst in te roepen.

De conclusies die de advocaat opstelt, worden naar de cliënt gestuurd. Deze kan de conclusies
dan nalezen en eventueel zijn/haar opmerkingen of voorstellen tot wijziging laten weten.
Met deze bemerkingen houdt de advocaat rekening en stelt nieuwe herwerkte(geredigeerde)
conclusies op.
Deze conclusies worden overgemaakt aan de cliënt, de tegenpartij(en) en aan de griffie van
het Vredegerecht met het verzoek de conclusies aan de procedurebundel te willen toevoegen.

Art. 747 Ger.W. bepaalt de termijnen waarbinnen er geconcludeerd moet worden.
Eisende partij maakt eerst zijn kopieën van de stukken over aan de tegenpartij.
De tegenpartij beschikt dan over alle materiaal om te antwoorden. De verweerder beschikt
dan over 1 maand om te antwoorden en zijn conclusies over te maken aan eisende partij.
Eisende partij beschikt vervolgens op zijn beurt over 1 maand om hierop te antwoorden.
Daarna heeft de verweerder nog 15 dagen voor zijn wederantwoord.

Conclusies, hieronder, 53-54




94
     Art.735 Ger.W.
53
54
                                                                                           55


5.8        De inleidingszitting

Op de inleidingszitting kunnen er zich drie situaties voordoen.
   1) de zaak wordt onmiddellijk behandeld
       Dringende of eenvoudige zaken kunnen tijdens de zitting mondeling behandeld
       worden. De vrederechter luistert naar beide partijen en spreekt kort nadien een vonnis
       uit.

   2) de zaak wordt uitgesteld tot een bepaalde datum
      Soms wordt de zaak uitgesteld met een week, een maand of meer.
      Dit geeft u dan de tijd om uw standpunt schriftelijk te formuleren en uw bewijsstukken
      aan de tegenpartij over te maken.

   3) de zaak wordt onbepaald uitgesteld
      Dit zal meestal het geval zijn als de zaak niet heel dringend is of als het noodzakelijk
      is dat de standpunten uitgebreid schriftelijk uiteengezet worden.
      De zaak wordt dan naar de Algemene Rol verzonden.


Op de zitting van 3 februari 2004 heeft de vrederechter een plaatsbezoek bevolen.
De vrederechter kan ambtshalve een plaatsopneming opleggen wanneer hij van mening is dat
het plaatsbezoek hem een beter inzicht kan geven in de toestand, alvorens een besluit te
nemen.
Ook een partij kan een plaatsopneming vorderen. Een partij mag namelijk alle rechtsmiddelen
gebruiken om haar bewijsvoering te staven en de plaatsopneming is één van die middelen.

De plaatsopneming biedt aan de partijen de mogelijkheid om hun gelijk of het ongelijk van de
tegenpartij ter plaatse van het geschil visueel te laten vaststellen door de vrederechter.
Voor de vrederechter in kwestie kan dit plaatsbezoek ook heel nuttig zijn. Door de
plaatsopneming kan hij zich een reëel beeld vormen van de bestaande toestand.
De beslissing bevat de plaats, de dag en het uur van de plaatsopneming. Tegen deze beslissing
is geen hoger beroep of verzet mogelijk.
De kennisgeving gebeurt door de griffier die een gerechtsbrief overmaakt aan de partijen.

De plaatsopneming in dit dossier heeft plaatsgevonden op 23 februari 2004.

Tussenvonnis 3 februari 2004 welk plaatsbezoek beveelt, hieronder, 56-57
56
57
                                                                                         58




5.9        Proces-verbaal van plaatsopneming

Naar aanleiding van dit plaatsbezoek, wordt een proces-verbaal van plaatsopneming opgesteld
door de vrederechter, met de vermeldingen voorgeschreven door artikel 949 Ger.W.
Hierin schrijft de vrederechter wat hij ter plaatse heeft gezien. Hij trekt dus nog geen
conclusies.
De plaatsopneming gebeurt door de vrederechter die de plaatsopneming bevolen heeft en hij
wordt bijgestaan door de griffier.
Tegen de beschikkingen naar aanleiding van de plaatsopneming gewezen, is geen hoger
beroep of verzet mogelijk.

De griffier maakt een afschrift van het proces-verbaal van plaatsopneming over aan de
partijen per gerechtsbrief en een niet ondertekend afschrift maakt hij over aan de advocaten
per gewone brief.

In het proces-verbaal van plaatsopneming in dit concreet dossier, wordt de datum van de
openbare zitting bepaalt. Deze zal plaats vinden op dinsdag 27 april 2004.
In aanloop naar deze zitting, krijgen de partijen terug de tijd om conclusies op te stellen.



Proces-verbaal van plaatsopneming, hieronder, 59-60

Syntheseconclusies, hieronder, 61- 64
59
60
61
62
63
64
                                                                                        65




5.10       De openbare zitting

Ik heb de kans gekregen om de zitting van 27 april 2004 bij te wonen.
Beide partijen waren aanwezig. Onze cliënt was vertegenwoordigd door mr. Annemie Van
Hove. Tegenpartij had – zoals reeds eerder vermeld – geen beroep gedaan op een advocaat.
In dit dossier is op de openbare zitting niet veel meer mondeling besproken.
De vrederechter heeft de stukken in ontvangst genomen en de uitspraak gaat volgen binnen
enkele weken.


5.11       Het vonnis

Na het horen van de pleidooien, neemt de vrederechter de zaak in beraad.
Het vonnis wordt u door de post bezorgd.
Als u veroordeeld bent, kunt u best het vonnis zo snel mogelijk naleven.

Als u niet akkoord gaat met het vonnis, kunt u beroep aantekenen. Hiervoor hebt u een
termijn van één maand te rekenen vanaf de betekening van het vonnis.
Uw zaak komt dan voor de Rechtbank van Eerste Aanleg waar drie rechters zich opnieuw
over de zaak buigen en uitspraak doen.
Voordat u beroep aantekent, kan u best eens informeren of de zaak wel een redelijke kans
heeft op slagen.

In kleine geschillen zal u de mogelijkheid om beroep aan te tekenen niet hebben. Het vonnis
zal dan in laatste aanleg gewezen zijn, de beroepsgrens wordt immers in art. 617 Ger.W.
bepaald op 1860 €.


Het vonnis van 25 mei 2004, hieronder, 66-68
66
67
68
                                                                                                 69



Besluit

Als je het slachtoffer wordt van burenhinder, moet je je altijd eerst afvragen of er in hoofde
van de schadeverwekker sprake is van een fout.
Als dit het geval is, doe je er het beste aan dit in te roepen want dan heb je als slachtoffer
recht op een integrale schadeloosstelling. In dit geval moet je de schade, een fout en het
causaal verband aantonen.

Als je geen fout kan aantonen, kan je een beroep doen op de burenhinderleer. Hier moet je de
aanwezigheid van een bovenmatige hinder aantonen en heb je maar recht op een compensatie.
Daarom doe je er dus best als slachtoffer aan om eerst te onderzoeken of er een fout is.

De eisers in mijn praktisch deel hebben dit niet gedaan. Er bestond nochtans een fout in hoofd
van de verweerders want de bomen staan te kort bij de scheidingslijn.

Verder kan ik mensen die ooit in aanraking komen met burenhinder, aanraden om eerst met
de buren te praten. Vaak zal je buur niet beseffen dat je last hebt van zijn overhangende
takken of het feit dat zijn stereo iets te luid staat. Wie weet maakt de buur er helemaal geen
bezwaar van om zijn takken te snoeien of zijn stereo minder luid te zetten.

Indien het praten niet helpt, is het aan te bevelen om gebruik te maken van de mogelijkheid
tot verzoening voor de Vrederechter. Deze procedure is gratis en kan een lang, aanslepend
proces vermijden.

Je moet er wel als schadelijder rekening mee houden dat volgens een recent arrest van het Hof
van Cassatie je geen volledig verbod van de hinderverwekkende activiteit kan bekomen.
Een ander feit dat je in je achterhoofd moet houden, is dat burenhinder een feitenkwestie is.
De rechter oordeelt of er in een concreet geval sprake is van burenhinder. Er is dus geen
éénduidigheid in de uitspraken omtrent burenhinder.

De burenhinderleer is nog steeds in evolutie. De leer wordt arrest per arrest opgebouwd en
vele raadslieden dragen hun steentje bij.
Zelf heb ik de intentie om de evolutie op te volgen, maar om er nog een eindwerk aan te
wijden, laat ik over aan mijn opvolgers-studenten rechtspraktijk.
                                                                70




                           Bijlage
Bijlage 1: het kanaal - en schoorsteenarrest van 6 april 1960
            71




Bijlage 1
            72




Bijlage 1
            73




Bijlage 1
            74




Bijlage 1
            75




Bijlage 1
                                                                                            76



Bibliografie

Wetgeving

• Artikel 144 Grondwet

• Artikel 544, 1382, 1383, 1385 en 2262 bis Burgerlijk Wetboek

• Artikel 19 lid 2, 573 lid 2, 568, 591, 617, 702, 735, 747, 807, 949 en 963 Gerechtelijk
Wetboek

• Artikel 561, eerste lid Strafwetboek

• Artikel 35, 36 en 37 Veldwetboek


Rechtspraak

• Cass., 6 april 1960, Arr.Cass., 1960, 722.

• Cass., 9 maart 1995, Arr.Cass.,1995,286.

• Cass., 1oktober 1981, R.W.,1981-82,2885.

• Cass., 3 april 1998, T.B.B.R.,1999,140.

• Gent, 27 februari 1998, T.B.B.R., 1999, 662.

• Rb. Antwerpen, 1 december 1976, De Verz., 1977, 453, noot A.T.

• Rb. Antwerpen, 19 mei 1983, R.W., 1986-87,550.

• Rb.Antwerpen, 1 juni 1987, R.W.,1987-88,440.

• Rb. Brugge, 8 oktober 1984, R.W., 1985-86,1502.

• Rb.Brugge,12 september 1988, R.W.,1990-91,337.

• Rb. Luik, 4 mei 1990, R.G.A.R., 1992, nr. 11.993

• Rb. Namen, 26 maart 1992, T.B.B.R., 1992, 163.

• Kg. Kh. Brussel, 22 juli 1969, T.Aann., 1969, 139, noot M-A- Flamme

• Vred.Gent 6 november 2000, T.B.B.R., 2001, 249.
                                                                                          77



Rechtsleer

• BOCKEN,H., TRAEST, I., en DE JAGER,L., Bomen in het recht, Brussel, Story Scientia,
1992, 168 p.

• DE PALMENAER,G 2002. De verzoening of minnelijke schikking. brochure, Federale
Overheidsdienst Justitie Brussel, 11.

• DE PALMENAER,G 2002. De vrederechter: de rechter die het dichtst bij de burger staat.
brochure, Federale Overheidsdienst Justitie Brussel, 15.

• DE PALMENAER,G 2002. U bent gedaagd: voor het vredegerecht. brochure, Federale
Overheidsdienst Justitie Brussel, 15.

• DERINE,R. en VAN DE VELDE,J., “ Hinder uit nabuurschap” in DERINE, R.(ed.), Het
onroerend goed in de praktijk, Antwerpen, Kluwer, 1988, Band 1,1D,3.

• KOKELENBERG,J., VAN SINAY,T. en VUYE,H., “Overzicht van rechtspraak ( 1994-
2000) “, T.PR. 2001, 888-943.

• ROODHOOFT, J., 2000. Beter een goede buur. De Standaard, 2000

• ROODHOOFT, J., 1999. Te dicht bij de scheiding. De Standaard, 2000

• STIJNS,S. en VUYE,H., “ Burenhinder”, in W.Van Gerven, Beginselen van Belgisch
Privaatrecht, Antwerpen, Story-Scientia, 2000, 532 p.

• VAN DEN PLAS, U., Bestendig handboek Burgerlijk Procesrecht, Plaatsopneming, s.l.,
Kluwer uitgevers, losbladig.

• VANDERHAEGHE,R., Academiejaar 2002-2003, Inleiding tot het gerechtelijk
privaatrecht. Editie 02/2003, KHK Kempen.

• VAN DE VELDE, E., “ Burenhinder” in Advocatenpraktijk, Antwerpen, Kluwer, 2001, 82
p.

• VAN ROMPAEY,P., “ Italiaanse cypressen, stormen en kwade buren”, (noot onder
Antwerpen 28 april 1993), Turnh.Rechtsl., 1994-95, 45-47.

• VANVELTHOVEN,D., Academiejaar 2002-2003, Aansprakelijkheidsverzekering. Editie
01/2003, KHK Kempen.

• X, Juridische verwijzingen en afkortingen, Deurne, Kluwer, 2000, 207 p.

								
To top