EG-Recht in de Praktijk

Document Sample
EG-Recht in de Praktijk Powered By Docstoc
					EG-Recht in de Praktijk
Arresten

Als bekend verondersteld:
Marimex
Heffing voor verplichte keuring bij de grens valt niet onder binnenlandse heffingen in art. 90 EG

Dassonville
definitie MGW:
Iedere handelsregeling van de lidstaten die de intracommunautaire handel al dan niet rechtstreeks,
daadwerkelijk of potentieel kan belemmeren, is als een maatregel van gelijke werking als kwantitatieve
beperkingen is te beschouwen.

Cassis de Dijon
Ontstaan van Rule of Reason, zelf verzinnen van rechtvaardigingsgronden, alleen bij MZO’s (maatregel
zonder onderscheid).

Schema interne markt:

                                       Goederen
                                       /     \
                Financieel                                         Niet-Financieel
                Art. 25 EG                                         Art. 28 EG
        /               \                                   /              \
in/uitvoer              HGW                          kwantitatieve         MGW
rechten (zelfde effect)                       invoerbeperking      (zelfde effect)
                                                                          
                Marimex-Arrest                                     Dassonville-Arrest
                (verplichte keuring                                        (verplicht certificaat
                bij de grens)                                              van herkomst)

                                                                        MGW
                                                              /               \
                                                              MMO             MZO
                                              (directe discriminatie)         Cassis De Dijon


Becker
Een bepaling uit een Richtlijn kan in een verticale relatie directe werking hebben wanneer de richtlijn in een
bepaald geval niet of niet op tijd is geimplementeerd en de termijn voor implementatie is verstreken, wat
betekent dat een burger zich dus op die bepaalde bepaling kan beroepen. Er moet dan voldaan zijn aan de
vereisten van voldoende duidelijk e onvoorwaardelijk uit het arrest Van Gend en Loos.

Cilfit
Hier werden uitzonderingen geformuleerd op de verwijzingsplicht van de nationale rechter: de acte claire en
de acte eclaire.

Foto Frost
De bevoegdheid om gemeenschapsrecht ongeldig te verklaren, komt alleen aan het HvJ toe, niet aan de
nationale rechters.
HC 1
Van Gend en Loos
Verdragsbepalingen kunnen directe werking hebben, als intern recht, wanneer zij duidelijk en
onvoorwaardelijk (geen voorwaarden aan verbonden) zijn.
(Van directe werking is sprake als individuen/particulieren zich er op kunnen beroepen)
(Europees recht is erg bijzonder, vormt nieuwe rechtsorde)

Costa ENEL
Eg-recht heeft voorrang op nationaal recht!
EG-recht vloet namelijk voort uit autonome bron; het is zo belangrijk en zo op zichzelf, dat nationale staten
het echt niet zomaar opzij kunnen schuiven.

Schema van directe werking

                                Wat is de bron?
Verordening             Verdragsbepaling                   Richtlijn
                                                      
Directe werking         (Arrest van Gend                /           \
(verordening is         en Loos)               Horizontale          Verticale
rechtstreeks toe-       Alleen wanneer de      relatie:             relatie:
passelijk, hoeft        verdragsbepaling       GEEN DIRECTE         (Arrest Becker)
niet omgezet te         duidelijk en on-       WERKING              Alleen bij:
worden)                 voorwaardelijk is,                          1. Termijn voor omzetting
                        DIRECTE WERKING                                      is verstreken;
                                                                    2. De richtlijn is niet of
                                                                       niet goed omgezet;
                                                                    3. De bepaling is voldoende
                                                                        duidelijk en onvoor-
                                                                        waardelijk (hier arrest VAN
                                                                        GEND & LOOS AANHALEN
                                                                        !!)
                                                                     DIRECTE WEKING

Horizontale relatie, richtlijn, geen directe werking  richtlijnen zijn namelijk tot lidstaten gericht,
particulieren worden dus niet door de richtlijn zelf verbonden, maar door de lidstaat.



Costa ENEL en Van Gend en Loos impliceren supranationaliteit EU mbt 1e pijler. Lidstaten hebben hun
soevereiniteit overgedragen aan de EU en zijn verplicht zich loyaal te gedragen (art. 10 EG). De nationale
wetgever is in zijn wetgevingsbevoegdheden beperkt (niet handelen in strijd met, en uitvoeren en omzetten
van, EG recht); de nationale rechter is tevens communautaire rechter, pp en dient EG recht correct toe te
passen (voorrang EG recht boven nationaal recht, controle op naleving door wetgever en bestuur, en
beschermen van door EGrecht aan particulieren toegekende rechten); het nationale bestuur in
bevoegdheden/autonomie beperkt (niet handelen in strijd met, en toepassen/uitvoeren/ handhaven van, EG
recht).


Ciola
HR Verplichte rusttijden
EG Recht in de praktijk
Stof bij HC 1

H1
4. Verdragstechnische structuur van de EU
Verdrag van Rome 1957 Oprichting EG
Verdrag van Maastr 1992 Oprichting EU
1e Pijler: EG-verdrag en Euratom  eigen rechtsorde; vooral op ec samenwerking gericht.
  2e Pijler: Gemeenschappelijk buitenlands en veiligheidsbeleid
  3e Pijler: Politiele en Justitiele samenwerking in strafzaken
   minder sterke positie HvJ, nadruk op unanieme besluitvorming, niet-directe werking van regels voortkomend
  uit deze beleidsgebieden.

5. De EU als rechtsgemeenschap en rechtsstaat
Van Gend&Loos (1963)  EGrecht kan rechtstreekse werking hebben indien voldoende duidelijk&
onvoorwaardelijk. EG is een nieuwe, autonome rechtsorde en volgt daardoor niet de oorspronkelijke, nationale
regels over doorwerking. Dit betekent dat particulieren rechten aan het EGrecht kunnen ontlenen zonder
tussenkomst van het nationale recht. Bepalingen moeten dan wel voldoende duidelijk&onvoorwaardelijk zijn, in
de zin dat ze geschikt zijn voor toepassing door de nationale rechter (voldoende juridische houvast om in een
concreet geval te kunnen worden toegepast).

Costa ENEL (1964)  EG is eigen, autonome rechtsorde. De lidstaten hebben deel van eigen soevereiniteit
prijsgegeven, ten gunste van de EGinstellingen. Uit eigen aard van deze rechtsorde volgt het beginsel van
voorrang: EGrecht heeft altijd voorrang op nationaal recht. Eenzijdige afwijkingen zijn niet mogelijk. Het beginsel
van voorrang is absoluut en onvoorwaardelijk.

Rechtsgemeenschap beheersing door rechtsregels, noch de lidstaten, noch de instellingen ontkomen aan het
toezicht door het HvJ op de verenigbaarheid van hun handelingen met het EG-verdrag.
Elementaire kenmerken van rechtsstatelijkheid:
    1. Legaliteitsbeginsel: uitoefening van overheidsbevoegdheden aan rechtsregels gebonden
    2. Minimumbescherming van fundamentele rechten
    3. Toegang tot een onafhankelijke rechter
Begrenzing van de bevoegdheden van de instellingen door het attributiebeginsel: De EG kan uitsluitend handelen
binnen de grenzen van de haar door het EG-Verdrag verleende bevoegdheiden en toegewezen doelstellingen
    1. Onderwerpen die uitdrukkelijk in het EG-Verdrag zijn geregeld.
    2. Uitoefenen van die bevoegdheden, uitsluitend met het oog op de in het EG-Verdrag vermelde
         doelstellingen.
    3. Er is voorgeschreven welke rechtshandelingen wel en welke niet kunnen worden getroffen.
    4. Er is bepaald welke besluitvormingsprocedure dient te worden gevolgd.
    Wanneer door de instellingen in strijd wordt gehandeld met het attributiebeginsel, dan tast dit de
    rechtmatigheid van het genomen besluit aan (art. 230 EG).
    Echter, op twee punten relativiering:
    1. Erkenning door HvJ van het beginsel van de ‘implied powers’, beginsel van de impliciete bevoegdheden:
         bevoegdheden van instellingen kunnen ook stilzwijgend worden afgeleid uit bepalingen in het EG-
         verdrag.
    2. Art. 308 EG: Aanvullen van leemten van bevoegheden wanneer deze niettemin noodzakelijk blijken om
         de EG in staat te stellen haar taak te vervullen, teneinde een van haar doelstellingen te kunnen
         verwezenlijken.


H2 | Politieke instellingen en rechtsbronnen
1. Inleiding
EG Verdrag (art 7) gebruikt voor ‘instellingen’ een strikte betekenis: enkel EP, Raad (van ministers), EC, HvJ en
Rekenkamer. De unie gebruikt echter een meer algemene betekenis en voegt de Europese Raad er aan toe. Het
boek tenslotte rekent ook ‘de lidstaten samen’ mee.
2. De lidstaten samen
De eerste en constitutionele wetgever van de EU, zij stellen de Verdragen vast. Belangrijkste bevoegdheden in 4b
EU (wijziging van verdragen) en 49 EU (toelating van nieuwe leden)  bij dubbele unanimiteit (unanieme
besluitvorming en unanieme ratificatie).
3. De Europese Raad en voorzitterschap van de Unie
Bestaansbasis in art. 4 EU. Geeft leiding aan de EU. Het is de periodieke vergadering van de regeringsleiders plus
de voorzitter van de EC. Voorzitterschap van de ER ligt bij de regeringsleider van de lidstaat met het roulerende
voorzitterschap van 6 maanden (daarmee voorzitter van de Unie). Belangrijkste rol van de ER is het doorhakken
van knopen, nemen van initiatieven en het beslechten van politieke crises, maar betrekkelijk weinig expliciete
bevoegdheden in verdragen. Vergaderingen worden voorbereid en besluiten uitgevoerd door andere instellingen.
4. De Raad v ministers
Bestaansgrondslag in art. 7 EG. Juridisch gezien het belangrijkste besluitvormende lichaam binnen de EU, grote
handelingsbevoegdheid. Samenstelling: een minister-vertegenwoordiger van elke lidstaat. De Raad
vertegenwoordigt dus de lidstaten. Verschillende stemgewichten per lidstaat. Telkens wisselende samenstelling
van vakministers. Onderhandelingskarakter is omvangrijk: elke handeling in de raad is een resultaat van
langdurige besprekingen en touwtrekkerij tussen de ambtenaren.
Tegenwoordig op wetgevend gebied op ongeveer gelijke voet met EP, op uitvoerend gebied sterk overvleugeld
door de ER, dat het politieke leiderschap uitvoert.
5. Het Europees Parlement
De volksvertegenwoordiging in het Europese bestuur. Bestaat uit vertegenwoordigers van de burgers van de EU,
maar niet allen gelijk vertegenwoordigd. Fracties op basis van politieke partijen.
6. De Europese Commissie
Bestaansgrond in art. 213 EG. In het belang van de EU.
7. Relaties tussen de instanties
Wetten vaak door samenwerking tussen Raad, EP en Commissie.
De ER bepaalt de koers van de EU door het nemen van politieke (niet juridisch bindende) besluiten. De
‘communautaire instellingen’ RvM, EP en EC, nemen gezamenlijk de bindende besluiten, ter uitvoering van de
verdragen en van de politieke besluiten in de ER. Ook bereiden zij het nemen van de grote besluiten door de
lidstaten en de ER voor.
8.
9. Bronnen van Europees recht
Primair recht oprichtingsverdragen en aanvullingen of wijzigingen daarvan.
Secundair recht overig: handelingen van de instellingen ter uitvoering van de Verdragen. Ondergeschikt aan
het PR, dient dan ook uitgelegd te worden in het licht van het PR. Belangrijkste secundaire rechtsbronnen:
- Verordeningen: van algemene strekking, verbindend in al haar onderdelen en rechtstreeks toepasselijk in elke
lidstaat (hoeft dus niet te worden omgezet in nationale wetgeving, maar vormt als zodanig onderdeel van de
interne rechtsorde van de verschillende lidstaten).
- Beschikkingen: individueel, verbindend in al haar onderdelen tot voor degenen tot wie zij uitdrukkelijk is gericht,
kunnen zijn gericht aan lidstaten of aan particulieren (bv in mededingingsrecht).
- Richtlijnen: verbindend tav het te bereiken resultaat voor elke lidstaat waarvoor zij bestemd is, dienen daardoor
dan ook te worden omgezet in nationale regelgeving.
 Geen vrije keuze mbt het gebruik van rechtsinstrumenten. Het attributiebeginsel brengt met zich mee dat de
keuze in de eerste plaats wordt bepaald door de verdragsbepaling waarop de bevoegdheid is gebaseerd.
Andere bronnen van Europees Recht
Algemene rechtsbeginselen, regels van internationaal publiekrecht, jurisprudentie van HvJ. Soft law: geen directe
juridische effecten, maar wel indirect en er op gericht.
HC 2 Rechtsbescherming; Doorwerking in de nationale rechtsorde
Drie manieren van doorwerking in de nationale rechtsorde: rechtstreekse/directe werking, conforme interpretatie
en het beginsel van overheidsaansprakelijkheid.
2. Rechtstreekse/directe werking van gemeenschapsrecht
Directe werking: particulieren kunnen voor de nationale rechter een beroep doen op Europeesrechtelijke normen
 inroepbaarheid. Voorbeelden in verschillende rechtsgebieden:
  - Privaatrecht Bosman-arrest: vrij verkeer van werknemers; private partij beroept zich op norm van EG-recht
    tov andere private partij.
  - Publiekrecht Becker-arrest: burger beroept zich op EG-recht tov nationale overheid.
Beginsel van voorrang: EGrecht heeft voorrang boven elk met dat recht strijdig nationaal recht (grondslag in
Costa/ENEL: door de sluiting van het EGverdrag hebben de lidstaten hun soevereiniteit deels overgedragen aan
de EG en hiermee is een nieuwe, autonome rechtsorde ontstaan).
Directe werking & het voorrangsbeginsel  VanGend&Loos-arrest: bepalingen van Eur recht (1e pijler) kunnen
rechtstreekse werking bezitten (het EGrecht geeft dan, onafhankelijk van het nationale recht van de lidstaten,
particulieren het recht een beroep te doen op bepalingen van de eruopese rechtsorde. Voorwaarde is wel dat de
desbetreffende bepaling onvoorwaardelijk en voldoende nauwkeurig is (ontbreken van enige reele beleidsvrijheid
van de lidstaten bij het nakomen van hun verplichtingen).
Voor het secundair recht zou hetzelfde kunnen gelden, zij het dat op een rechtstreeks werkende richtlijnbepaling
pas een beroep kan worden gedaan nadat de implementatietermijn ervan is verstreken en de richtlijn niet of niet
goed nis geïmplementeerd (BECKER), en dat verordeningen naar hun aard al rechtstreekse werking bezitten
(dienen niet te worden omgezet, zijn als zodanig onderdeel van de nationale rechtsorde).
Wat betreft rechtsnormen die tot stand zijn gekomen in het kader van de 2 e en 3e Pijler, kan niet zonder meer
rechtsstreekse werking worden aangenomen.
Categorieën van directe werking:
    -      Verticaal (gewoon): burger beroept zich tegen nationaal overheidsorgaan op regel van EGrecht. Meeste
           bepalingen van EGverdrag hebben verticale directe werking; wat secundair recht betreft, hebben in
           beginsel verordeningen directe verticale werking, en richtlijnen en beschikkingen enkel wanneer
           onvoorwaardelijk en voldoende nauwkeurig omschreven.
    -      Omgekeerd verticaal: in een situatie waarin het nationale recht in strijd is met het EGrecht, beroept een
           overheidsorgaan zich op het Europees recht, ten laste van een particulier overheid mag zich niet op
           eigen nalatigheid beroepen.
    -      Horizontaal: particulieren onderling. Primair recht: non-discriminatiebepalingen,
           mededingingsbepalingen; Secundair recht: verordeningen (naar hun aard), richtlijnen in beginsel niet
           (zijn gericht aan de lidstaten)
Rechtsgevolgen van directe werking HvJ Simmenthal en HvJ CIA Security. In geval van strijd tussen nationaal
recht en direct werkend eg-recht, dient het nationale recht buiten toepassing te worden gelaten en kunnen haar
verplichtingen niet aan particulieren worden tegengeworpen. Het is dan aan de nationale rechter om in een
concreet geval er de noodzakelijke consequenties aan te verbinden.
3. Conforme interpretatie
Dit betekent dat de nationale rechters verplicht zijn het nationale recht zoveel mogelijk uit te leggen in het licht
van het Europees recht. HvJ Pupino: dit geldt zowel voor de 1e, als 2e en 3e Pijler-recht. Echter een spanning met
het rechtszekerheidsbeginsel: het kan voorkomen dat iets wordt ingelezen dat er niet met zoveel woorden staat.
Conforme interpretatie mag niet zo ver gaan dat richtlijnen horizontale werking krijgen.
4. Staatsaansprakelijkheid (door HvJ erkend in Francovich; verder ook Dillenkofer)
HvJ: Het is een beginsel van EG-recht dat de lidstaten verplicht zijn tot vergoeding van de schade die
particulieren lijden als gevolg van schendingen van het EGrecht die hun kunnen worden toegerekend. Het
beginsel van ash is dus inherent aan het systeem van het EGverdrag. Basis in:
             - Art. 10 EG: beginsel van loyale samenwerking/gemeenschapstrouw
             - Noodzaak om de volle werking van het EGrecht in de lidstaten te verzekeren
             - Beginsel dat aan particulieren toegekende rechten ook daadwerkelijk te behoren te worden
                  beschermd
Rechtsvorderingen instellen bij de nationale rechter, nationaal procesrecht van toepassing.

HvJ Brasserie de Pecheur HvJ stelt vereisten:
   -     de geschonden regel sterkt ertoe burgers rechten toe te kennen;
   -     het gaat om een voldoende gekwalificeerde schending, en
   -     er bestaat een rechtstreeks oorzakelijk verband tussen schending - door de particulier geleden schade.
HvJ Dilenkofer HvJ concretiseert ‘voldoende gekwalificeerde schending’:
   - Wanneer de lidstaat een zekere discretionaire ruimte heeft bij de uitoefening van zijn bevoegdheid, leidt
       een kennelijke en ernstige miskenning van die grenzen tot vgs;
-   Wanneer de lidstaat slechts een zeer beperkte of in het geheel geen beoordelingsmarge had, volstaat een
    enkele inbreuk van het EGrecht om een vgs te doen vaststaan.
EG-Recht in de praktijk
Hc.3 | Interne markt
Vrije verkeer van goederen

Negatieve/passieve integratie  integratie dmv verbodsbepalingen
Marktvrijheden: goederen, personenverkeer, dienstenverkeer en betalings-en kapitaalverkeer
Interne markt is een instrument om de doelstellingen van art. 2 EG te realiseren, het is geen doel op
zichzelf.
Nationale wetgeving in strijd met één van de door het EG-Verdrag neergelegde vrijheden is in beginsel
verboden (er bestaan enkele door het EGrecht erkende rechtvaardigingsgronden).
De kern van het vrije verkeer is een verbod van discriminatie op grond van nationaliteit.

- Verbod van discriminatie
  - Directe/formele/openlijke discriminatie uitsluitend nationaliteit als onderscheidscriterium.
  - Indirecte/verkapte/materiele discriminatie er wordt onderscheid gemaakt ogv een ander criterium,
    maar dat wel tot gevolg heeft dat met name de buitenlandse marktdeelnemer wordt benadeeld.
- Verbod van belemmeringen
(met name bij goederen, diensten en kapitaal, naast de discriminatietoets)
Niet enkel het tegengaan van protectionisme, maar het realiseren van een geïntegreerde markt, waarbij alle
hinderpalen bij de toegang tot die markt behoren te worden opgeruimd, staat centraal (veel belemmeringen
van nationale overheden spruiten niet alleen voort uit de behoefte de eigen markt te beschermen).


      Vrije verkeer van goederen: art. 23-31 EG (=eigen titel).
- Tarifaire/financiele belemmeringen (in/uitvoerrechten, belastingen, accijnzen, heffingen)
- Non-tarifaire belemmeringen (“kwantitatieve” belemmeringen)
Goederen: alle producten die voorwerp (kunnen) zijn van handelstransacties (zo ook kunstschatten en
afvalstoffen).
Illegale goederen vallen niet onder het vrije goederenverkeer.

Bij het vrije verkeer van goederen staat een belemmeringenverbod centraal.
Dassonville-arrest “Maatregelen van gelijke werking” (art.28 EG): iedere rechtshandeling van de
lidstaten die de intracommunautaire handel al dan niet rechtstreeks, daadwerkelijk of potentieel, kan
belemmeren. (In casu mocht Belgie niet van Dassonville certificaten van echtheid eisen voor de import van
whisky, dis was een maatregel van gelijke werking.)

In een geïntegreerde interne markt kan men niet volstaan met slechts een discriminatieverbod: dual
regulatory burden. Doordat het buitenlandse product vaak aan twee verschillende wetgevingen moet
voldoen, werken de meeste ook niet-discriminatoir geformuleerde belemmeringen vaak meer nadelig voor
haar uit.
Art.28/29 EG Alhoewel de formulering op hetzelfde neerkomt, betekent art. 28 (invoer) een
belemmeringenverbod, en art. 29 (uitvoer) een verbod van discriminatie.

In de rechtspraak zijn echter een aantal belemmeringen voor het goederenverkeer van het verbod van
art.28 EG uitgezonderd, mits deze de jure en de facto non-discriminatoir zijn ‘verkoopmodaliteiten’ uit de
Keck-jurisprudentie wetgeving die geen betrekking heeft op het product als zodanig (gewicht, grootte,
samenstelling), maar op de voorwaarden waaronder het mag worden verhandeld (niet met verlies, niet op
zondagen), werden hier buiten de reikwijdte van het verbod van art.28 gehouden.

     Vrije verkeer van personen: art. 39-48 EG
- Werknemers: art. 39-42 EG
Het gaat hier om iemand die een betrekking in loondienst is aangegaan. Daadwerkelijke hoogte van loon of
eigenlijke doelen van emigratie irrelevant.
- Vestiging (beroepsuitoefening door zelfstandigen en rechtspersonen): art. 43-48 EG
Criminele beroepsuitoefening vallen niet onder het vrije personenverkeer.

Verbod van discriminatie (ogv nationaliteit)
     Vrije verkeer van diensten: art. 49-55 EG
Commerciële dienstverlening (diensten die gewoonlijk tegen vergoeding worden verricht). Transacties in
niet-materiële goederen.

Verbod van belemmeringen. In beginsel zijn alle beperkingen verboden. (Sager-arrest).

Verkoopmodaliteiten uit de KECK-jurisprudentie, die buiten de toepassing van art.28 vielen, nog niet van
toepassing verklaars op het vrije verkeer van diensten  Alpine Investments. Het argument dat Nederland
aanvoerde, mensen niet ongevraagd mogen opbellen om de integriteit van de nederlandse financiële sector
te waarborgen, werd niet aanvaard.

     Vrije verkeer van kapitaal: art. 56-60 EG
- Kapitaalverkeer: Financiele transacties die in wezen op belegging of investering zijn gericht.
- Betalingsverkeer: Het gaat hier primair om de tegenprestatie in het kader van de andere vrijheden.


Grensgebied tussen discriminatieverbod en belemmeringenverbod:
Hoe ruimer het discriminatieverbod (incl materiele/indirecte discriminatie) wordt opgevat, des te minder
verschillen er zijn met het belemmeringenverbod.
Bosman-arrest vrije verkeer van personen; HvJ liet discriminatieverbod los en paste een
belemmeringsverbod toe.

Interstatelijkheidsvereiste
Regelingen betreffende de interne markt echter niet van toepassing op zuiver nationale aangelegenheden
(‘zuiver interne situaties’). Een belanghebbende kan dan niet een succesvol beroep doen op de regels van
het vrije verkeer, ter betwisting van de toepasbaarheid op hem van bepaalde nationale wettelijke
regelingen. Dit zou omgekeerde discriminatie tot gevolg kunnen hebben, aangezien een buitenlander zich
wel op het vrije verkeer kan beroepen. Het HvJ neemt dit voor lief en bepaalt dat een lidstaat maatregelen
mag nemen om U-bochten tegen te gaan (zich in het buitenland vestigen om de nationale wetgeving te
omzeilen).

Afweging tussen marktbelangen en publieke belangen: wanneer een uitzondering op het vrije verkeer
gerechtvaardigd?
    - Uitzonderingen in het EG-Verdrag zelf  limitatief karakter
       Voor bv. goederenverkeer geeft art. 30 EG uitzonderingsgronden mbt artt. 28 en 29 (kwantitatieve
       invoer- en uitvoerbeperkingen). Voor de douanerechten en heffingen van gelijke werking uit art. 25
       EG geeft het EGverdrag dus geen rechtvaardigingsgrond!

   -   Uitzonderingen door HvJ: Rule of Reason/dwingende vereisten
       Redelijke maatregelen die noodzakelijk zijn ter bescherming van deze dwingende vereisten. (Cassis
       de Dijon).
       HvJ vereist echter wel voor toepassing van de RoR dat de nationale maatregel als een zogenaamde
       ‘maatregel zonder onderscheid’ is geformuleerd.

Vereisten publieke rechtvaardigingsgronden:
   - Strikt/beperkte en (EVRM-)grondrecht-conforme interpretatie
   - Geen verkapt protectionisme
   - Tijdelijk karakter
   - Evenredigheid 3 aspecten:
   1. Geschikt: de nationale maatregel moet geschikt zijn om ook daadwerkelijk het te beschermen
        belang te behartigen;
   2. Noodzakelijk: de nationale maatregel moet noodzakelijk zijn;
   3. Evenredig in enge zin/stricto sensu: de nationale maatregel zou bij afweging van de verschillende
        belangen, die van de rechtvaardigingsgrond en die van het vrije verkeer, belangrijker moeten
        worden geacht dan het belang van het vrije verkeer.
Syllabus blz. 194 | Vrij verkeer van personen en Unieburgerschap

Europese burgers (personen die de nationaliteit van een van de lidstaten bezitten)
 Ontlenen direct en zelfstandig rechten aan het EG-verdrag.
Art. 18 EG  Unieburgers hebben vrije reis- en verblijfsrechten. Daarnaast hebben zij het recht op een
gelijke behandeling ogv art. 12 EG.
Economisch actief (loondienst, zelfstandige, diensten)  Interne markt
Economisch niet-actief  Burgerschap.
Algemene weigeringsgronden & restrictieve interpretatie:
- Openbare orde  Geen algemene preventie. Er zal moeten worden aangetoond dat de
desbetreffende persoon een actuele, werkelijke en voldoende ernsige bedreiging vormt voor de
openbare orde van de lidstaat en dat zijn aanwezigheid een fundamenteel belang van de samenleving
dreigt aan te tasten. Daarnaast evenredigheid en tijdelijke maatregel.
- Openbare veiligheid
- Volksgezondheid  besmettelijke ziekten, ziekte treedt op binnen 3 maanden na binnenkomst, en er
dient ook sprake te zijn van maatregelen tegen eigen onderdanen.
Restrictieve interpretatie: Geen economische doeleinden.
    1. Vrij verkeer van werknemers: Art. 39 lid 3 EG
    2. Vrije vestiging: Art. 46 EG
    3. Vrije dienstenverkeer: Art. 55 jo. 46 EG

HvJ: onderdanen uit een van de lidstaten die zich naar een andere lidstaat begeven, dienen vrijwel
gelijk te worden behandeld (volledige gelijkheid ontbreekt nog vanwege verschillen op gebied van
sociale zekerheid en andere staatsuitkeringen). Verblijfsvergunningen zijn niet nodig. Ook ontvangers
van diensten hebben recht op gelijke behandeling. Voorts heeft het Hof bepalingen op grond waarvan
het de lidstaten is toegestaan beperkingen op het vrije verkeer aan te brengen, steeds restrictief
geïnterpreteerd.

Uitbreiding, secundaire wetgeving (Ri 2004/38) 
Art. 6: Unieburgers hebben een zelfstandig algemeen verblijfsrecht van 3 maanden.
    - Afgeleid verblijfsrecht voor echtgenoot of partner, kinderen en ouders van de unieburger.
Art. 7: Verlengd verblijfsrecht voor werknemers en zelfstandigen hebben, werkzoekenden, post-
actieven, familie. Zelfstandig niet economisch verblijfsrecht voor post-actieven, studenten en burgers
met voldoende bestaansmiddelen en verzekerd tegen ziektenkosten (dit laatste heeft wel een
beperking van het vrije verkeer van personen en dus is een proportionaliteitstoest nodig  Arrest
Trojani).

Burgers afkomstig uit andere landen dan EU
Kunnen rechten ontlenen aan het EG Verdrag als familie van EUburgers, als onderdaan van een land
waarmee de EU een associatie- of toetredingsverdrag heeft gesloten, aan Titel IV of aan de
regelgeving mbt het politieel en justitieel samenwerkingsbeleid.
Hoofdstuk 4 | Europese integratieproces

Soorten bevoegdheden van de EU:
   - Exclusieve (lidstaat heeft geen eigen aan het nationale recht ontleende bevoegdheden meer)
       (dit zijn terreinen waarvan de doelstellingen niet door de individuele lidstaten kunnen worden
       gerealiseerd, bv monetair beleid)
   - gedeelde  meest dominant in het europese integratieproces. De lidstaten kunnen de
       bevoegdheid uitoefenen voorzover de EU haar bevoegdheid niet heeft uitgeofend, of besloten
       heeft deze niet langer uit te oefenen.
   - ondersteunende, coordinerende, aanvullende (primaire verantwoordelijkheid ligt bij de lidstaten
       zelf, harmonisatie van wetgeving is uitgesloten).

Harmonisatie van wetgeving mbt interne markt door de Raad (algemene rechtsgrondslag in art.95 EG)
 HvJ: Harmonisatie van wetgeving geoorloofd wanneer bij verschillen in nationale wetgeving het
gevaar bestaat dan de dispariteiten een merkbare verstoring van de concurrentievoorwaarden
veroorzaken of in standhouden, of wanneer die verschillen het vrije verkeer binnen de EG dreigen te
belemmeren.
Verder zijn er specifieke rechtsgrondslagen doorheen het Verdrag.
Bij horizontale bevoegdheidsproblemen moet worden gekeken naar de hoofddoelstelling van de
maatregel. Wanneer het zwaartepunt ligt bij het verbeteren van de werking van de interne markt, dan
zal de grondslag van art. 95 moeten worden gehanteerd (en is de Raad bevoegd). Ook is de
hoofddoelstelling van belang voor verticale bevoegdheidsproblemen. Wanneer het zwaartepunt ligt bij
volksgezondheid ipv de interne markt, heeft de Raad geen bevoegdheid tot het opstellen van
richtlijnen.

Harmonisatie is geen doel op zich, maar slechts een middel om bepaalde doelstellingen te bereiken.
Europese instellingen mogen hierbij dan ook niet verder gaan dan strikt noodzakelijk voor het bereiken
van die doelstellingen  evenredigheids- of proportionaliteitsbeginsel. Juist dit karakter maakt de
richtlijn en het kaderbesluit de meest geschikte instrumenten  aanpassing van het nationale recht
aan de Europese normen, maar geen volledige vervanging.
* Bij de harmonisatiemaatregel die uitsluitend betrekking heeft op grensoverschrijdende situaties, zijn
de lidstaten vrij voor hun interne situaties een eigen beleid te voeren.
* Waar een bepaalde minimumnorm wordt vastgesteld waaraan de lidstaten moeten voldoen
(minimumharmonisatie), is het hen ook toegestaan strengere normen vast te stellen.
* Maar wanneer de harmonisatie zo volledig en totaal is, kan het zijn dat er geen resterende
bevoegdheden meer overblijven voor de lidstaat zelf (occupation of the field, pre-emprion). (bv.
Waalse afvalstoffen). Dus ook geen ruimte meer voor strengere normen. Voorbeeld is de
‘vrijverkeerclausule’: wanneer aan de eisen van de harmonisatierichtlijn is voldaan, kan het product de
toegang tot de markt niet worden ontzegd.

Wanneer welke harmonisatievorm?  afhankelijk van de beoogde doelstellingen. Voor verbetering van
de werking van de interne markt is min of meer uniforme normstelling nodig.

Mogelijkheid voor lidstaten tot afwijking van de Europese harmonisatiewetgeving in art. 95 lid 4,5,6 EG.
Het kan gaan om bestaande, dan wel nieuwe wetgeving, zij het dat de voorwaarden tot afwijken van
bestaande wetgeving soepeler zijn.
Deel III, Hc 8 | Handhaving en rechtsbescherming, de nationale rechter

EG Recht  Rechten en plichten voor EG-instellingen, lidstaten en particulieren.
Rechtsgemeenschap EG-inst, lidstaten en particulieren zijn gehouden aan het EG-recht .
Volledig rechtstelsel van rechtsmiddelen
Doorwerking: dmv. directe werking, conforme interpretatie en overheidsash.

De Nationale Rechter  de ‘gewone’ rechter van het EG-recht, heeft Europees mandaat, beginsel van
effectieve rechtsbescherming.
 Beginsel van nationale procedurele autonomie: de Nationale rechter bepaalt:
    1. De bevoegde rechter
    2. De procedureregels
    3. Rechtsmiddelen (maar de rechter moet tenminste bevoegd zijn om:
            - Strijdig nationaal recht niet van toepassing te verklaren (Simmenthal);
            - Te toetsen (objectieve rechtmatigheidstoets);
            - Voorlopige voorzieningen te treffen (Factortame en Atlanta);
            - Schadevergoeding toe te kennen bij schending van het EG-recht door de nat overheid
                (Frankovich, Dillenkofer).
            -
Hoofdbeginsel van nationale procedurele autonomie Participanten zijjn, om hun rechten ui Europese bron
gelden de maken, in beginsel aangewezen op de bestaande middelen, regels en beperkingen van nationaal
recht. Hier wel alleen sprake van wanneer aan twee randvoorwaarden is voldaan (arresten Rewe en
Comet):
            - Non-discriminatie: (gelijkwaardigheid) de behandeling van een vordering uit Europees recht
                mag niet ongunstiger zijn dan een uit nationaal recht.
            - Effectiviteit: Handhaving van Europees recht moet door de nationale rechter worden
                verzekerd; nationale vereisten en termijnen zijn dan slechts niet van toepassing wanneer zij
                het in de praktijk onmogelijk maken rechten uit te oefenen die de nationale rechter verplicht
                is te handhaven.

Factortame  (Engelse) Nationale rechter, Engels procedurerecht en rechtsmiddelen. Probleem was
echter dat het Engelse recht niet voorzag in een voorlopige maatregel in de vorm van schorsing van ene
formele wet, in een proces tegen de Kroon. HvJ oordeelde dat de nationale rechter ten minste bevoegd
moet zijn tot het treffen van voorlopige maatregelen in de vorm van opschorting van strijdig nationaal recht,
ter bescherming van de rechten die particulieren mogen afleiden uit het EGrecht.

Atlanta  De nationale rechter mag een Unie-besluit wel bevestigen, maar nooit aantasten. Wanneer het
besluit echter voor de nationale rechter kenmerken van ongeldigheid heeft, heeft het HvJ in deze zaak
erkend dat de nationale rechter dan voorlopige maatregelen mag nemen die de toepassing van het besluit
opschort. Hier moet dan wel zijn voldaan aan de volgende voorwaarden:
    1. De rechter heeft ernstige twijfel omtrent de geldigheid van de gemeenschapshandeling en hij
        verwijst de vraag betreffende de geldigheid van de betwiste handeling naar het Hof;
    2. De zaak is spoedeisend in de zin dat voorlopige maatregelen noodzakelijk zijn om te voorkomen dat
        de verzoekende partij ernstige en onherstelbare schade leidt (dus niet slechts financieel);
    3. De nationale rechter houdt naar behoren rekening met het belang van de EG;
    4. De nationale rechter eerbiedigt bij de beoordeling van die voorwaarden de uitspraken van het HvJ
        en GEA over de wettigheid van de gemeenschapshandeling, of een beschikking in kort geding
        waarbij op communautair vlak soortgelijke voorlopige maatregelen zijn getroffen.

Dillenkofer  Staatsaansprakelijkheid. HvJ: het beginsel van de ash van de staat voor schade veroorzaakt
aan particulieren door aan hem toe terekenen schending van het EG-recht is inherent aan het systeem van
het Verdrag (zie ook Frankovich).
Er dient dan cumulatief te zijn voldaan aan de volgende voorwaarden:
     1. De geschonden regel beoogt particulieren te beschermen;
     2. Voldoende gekwalificeerde schending:
            - Bij normatieve handeling (ruimte beoordelingsmarge): kennelijke en ernstige miskenning
                van grenzen van bevoegdheden
            - Bij beperkte beoordelingsmarge: enkele inbreuk is een voldoende gekwalificeerde schending.
    3. Direct causaal verband schending en schade.

HvJ / GEA
Uibreiding van rechterlijke inroepbaarheid van het Europees Recht (tov van Int Gerechtshof):
    - Niet alleen staten, maar ook EG inst en part (vrijwel elke combinatie) kunnen voor HvJ verschijnen;
    - HvJ heeft verplichte rechtsmacht, rechtsmacht is niet afhankelijk van instemming van beide partijen;
    - De gelding en inroepbaarheid van het Europees Recht is op gezag van het Europees Recht zelf (eigen
         rechtsorde, zie VG&L, Costa ENEL)

Acties:
    - Direct:
        - Inbreukacties (226): actie van EC tegen lidstaten wegens strijd met EG Recht);
        - Nietigverklaring-actie (230): Acties van EG-instellingen, lidstaten of particulieren tegen EG instellingen
           wegens strijd met EG Recht
        - Schadevergoeding-actie (288): Actie van particulier tegen EG-Instelling
    - Indirect: Prejudiciële Procedure (234)

226 EG Inbreukprocedure: EC vs. Lidstaat
Wegens strijd met EG Recht, geen strikte termijnen. Meestal als gevolg van klacht van particulier of
onderneming, maar EC kan ook ambtshalve te werk gaan.
Voor de verantwoordelijkheid van een lidstaat maakt het niet uit welke van zijn instellingen de Europese
verplichtingen heeft geschonden. Slechts de absolute onmogelijkheid (gaat nog verder dan de praktische
onmogelijkheid) kan een rechtvaardiging vormen voor het niet implementeren van richtlijnverplichtingen. EC
onderneemt 3 stappen:
1. Aanmaningsbrief: wijzing op vermeende schending
2. Overleg EC en lidstaat
3. Bij overschrijding termijn en geen verbetering door ls kan EC zaak aanhangig maken bij HvJ  Dit is een
discretionaire bevoegdheid en EC heeft dus beleidsvrijheid.
Het doel van deze actie is het krijgen van een declaratoir arrest van het HvJ (art. 228 lid 1 EG), wat inhoudt dat
de lidstaat verplicht is alles te doen wat nodig is om zich te houden aan de uitspraak van het HvJ.

230 EG Beroep tot Nietigverklaring: EG-instelling/Ls/Particulier vs. EG-instelling
Doel is nietigverklaring van rechtshandeling (Verordeningen, Richtlijnen, Beschikkingen en andere besluiten) van
een EG-instelling (Raad/ Raad&Parlement/ EC/ ECB).
Termijn: 2 maanden, vanaf de bekendmaking. Daarna krijgt het formele rechtsmacht en wordt het rechtens
onaantastbaar.
Gronden in art. 230 EG
Particulieren echter slechts in bepaalde gevallen, zie art. 230 lid 4:
    - Tot hem gerichte beschikkingen;
    - Beschikkingen die, hoewel genomen in de vorm van een Verordening, hem rechtstreeks&individueel
         raken;
    - Beschikkingen gericht tot een derde, die hem rechtstreeks & individueel raken.
 Rechtsreeks = wanneer de maatregel rechtstreeks gevolgen heeft voor de rechtspositie van de particulier en
er geen beoordelingsbevoegdheid bestaat voor nationale instanties.
 Individueel = Plaumann-formule: er dient sprake te zijn van een bijzondere situatie waardoor de particulier
wordt onderscheiden/geïndividualiseerd tov alle andere rechtssubjecten.
(T.a.v. klagers uit hoofde van een meer algemeen belang heeft het HvJ in de zaak Greenpeace overwogen dat
een belangenvereniging niet kan worden geacht individueel en rechtstreeks te worden geraakt door een
handeling wanneer de individuele leden dat ook niet kunnen. Ten aanzien van milieubelangen is dit niet anders.)

235&288 EG Schadevergoeding Procedure
Voorwaarden aansprakelijkheid:
   1. Geschonden rechtsregel strekt ertoe particulieren rechten toe te kennen;
   2. Voldoende gekwalificeerde schending;
          a. Bij normatieve handeling (ruimte beoordelingsmarge): kennelijke en ernstige miskenning van
              grenzen van bevoegdheden
          b. Bij beperkte beoordelingsmarge: enkele inbreuk is een voldoende gekwalificeerde schending.
   3. Direct causaal verband tussen schending en geleden schade.

Ook schadevergoeding mogelijk bij rechtmatig handelen van EGinstelling? Nog niet voorgekomen, maar niet
uitgesloten. Voorwaarden hiervoor:
1. Werkelijk geleden schade;
2. Causaal verband schade – gedraging EG instelling;
3. Schade heeft abnormaal en bijzonder karakter.
Prejudiciële procedure, Art 234 EG

   1. De vraag is van EG recht
   2. De nationale rechter heeft een beslissing nodig voor het wijzen van een vonnis

    Uitleggingsvragen mbt Europees primair recht en secundair recht (Cilfit):
   - Lager rechters: mag
   - Hoogste rechter: verplicht, tenzij Acte clair of Acte eclaire.

    Geldigheidsvragen mbt Europees secundair recht (Foto Frost)
   - Lagere rechters: verplicht, tenzij geldig
   - Hoogste rechter: verplicht, tenzij geldig

Er is sprake van een hoogste rechter wanneer er geen mogelijkheid verder beroep open staat in de
concrete situatie. De hoogste rechter is om deze reden ook altijd verplicht. Het is belangrijk dat het
recht hier correct wordt toegepast.

Beperkingen op de PP in de artt. 68 EG en 35 EU:
- 68 EG betreft de uitleg van bepalingen uit de gevoelige 4e titel (oorspronkelijk behorende tot Derde
Pijler). Hier hebben enkel de hoogste rechter rechtsmacht en zelf meteen de rechtsplicht tot het stellen
van een vraag. Lagere rehcters missen bevoegdheid. Daarnaast kan het HvJ met zulke uitleg nooit
natioanel maatregeln treffen, genomen tot bescherming van de openbare orde of binnenlandse
veiligheid.
- 35 EU betreft bepalingen uit de Derde Pijler. Hier ontbreekt het verplichte karakter van de
rechtsmacht van het HvJ; er is sprake van een facultatieve clausule.




Rechtstreekse werking in een concreet geval?
Kijk naar de bepaling zelf en de aard van de relatie in het concrete geval:
    1. Bepaling:
       - Aard van de bepaling: 1e Voorwaarde: Voldoende duidelijk en onvoorwaardelijk.
             - Verdragsbepalingen: In verticale relatie sowieso (VG&L),
                                     in horizontale relatie soms (Angonese)
             - Verdragen tussen EG en derde landen: Kan
             - Verordeningen: Naar haar aard rechtstreeks toepasselijk. In verticale relatie
                                 sowieso en in beginsel ook in horizontaal
             - Beschikkingen: In verticale relatie
             - Richtlijnen: Additionele Voorwaarden (Becker):
                              2. Termijn voor implementatie verstreken
                              3. Niet-tijdige of incorrecte implementatie
                              4. Verticale relatie: Particulier tegen Overheid.
                                  Niet: Omgekeerd verticaal (zie: Kolpinghuis), of
                                        Horizontaal (zie: Faccini Dori)
                                        Overheid mag niet van eigen nalatigheid profiteren.
        - Bewoordingen: Is de bepaling qua bewoordingen af? Geschikt voor toepassing
                            door de rechter?
        - Doel
        - Context
    2. Aard van de relatie:
        - Verticaal (Particulier tegen Overheid)
        - Omgekeerd Verticaal (Overheid tegen Particulier)
- Horizontaal (Particulier tegen Particlulier)
Conforme interpretatie: Rechter moet zoveel mogelijk EG-recht inlezen in nationaal recht, zodat
hetzelfde resultaat kan worden behaald. Bijv bij niet-tijdig geïmplementeerde richtlijnen. Wel een grens
bij rechtszekerheid of een horizontale werking.
Probleempunten:
     - Rechtszekerheid
     - CI mag er niet toe leiden dat particulieren verplichtingen uit niet-geimplementeerde richtlijnen
        worden tegengeworpen (de grens ligt dus bij het voorkomen van een horizontale werking van
        richtlijnen).
     - Rechter mag niet gaan optreden als rechter-plaatsvervanger.
Tevens. Wanneer met succes tot conforme interpretatie is overgegaan, dient de nationale wetgever,
vanuit het oogpunt van de rechtszekerheid, nog steeds de noodzakelijke wetgevende maatregelen te
nemen.

HvJ Pupino: Conforme interpretatie geldt ook in de Derde Pijler.


Overheidsaansprakelijkheid (Frankovich, Dillenkofer): Wanneer een particulier schade heeft
geleden als gevolg van een schending van EGrecht door de overheid.
Hier dient sprake te zijn van 3 voorwaarden (HvJ Brasserie du Pecheur):
    1. De geschonden regel strekt ertoe de particulier rechten toe te kennen;
    2. De schending is voldoende gekwalificeerd ( zie HvJ Dillenkofer voor invulling);
    3. Sprake van een oorzakelijk verband tussen de schending en de schade.

HvJ Dilenkofer HvJ concretiseert ‘voldoende gekwalificeerde schending’:
   - Wanneer de lidstaat een zekere discretionaire ruimte heeft bij de uitoefening van zijn
      bevoegdheid, leidt een kennelijke en ernstige miskenning van die grenzen tot vgs;
   - Wanneer de lidstaat slechts een zeer beperkte of in het geheel geen beoordelingsmarge had,
      volstaat een enkele inbreuk van het EGrecht om een vgs te doen vaststaan.
EG Recht in de praktijk

EG-Mededingingsrecht Art. 81 en 82 EG

Art. 81 EG
Stappenplan:
     1. Marktafbakening:
            - Productmarkt:
            - Geografische markt:
     2. Is er sprake van 2 of meerdere ondernemingen die onafhankelijk opereren?
        ( Viho-arrest)
     3. Is er sprake van:
            - afspraken tussen ondernemingen, of
            - besluiten van een ondernemersvereniging, of
            - onderling afgestemde feitelijke gedragingen?
     4. Is het doel of gevolg dat de mededingings binnen de gemeenschappelijke markt wordt verhinderd,
         beperkt of vervalst? ( Met name de hard core voorbeelden uit het artikel, hierbij hoeft het effect niet
         meer te worden bewezen)
     5. Is er sprake van een ongunstige beïnvloeding van de handel tussen de lidstaten? ( Bijna altijd wel)

    6. Lid 3 geeft de mogelijkheid tot uitzondering van het verbod van lid 1. Er dient dan cumulatief aan de
       volgende voorwaarden te zijn voldaan:
       1. De afspraak moet bijdragen aan de verbetering van de productie of de distributie, of aan de
           bevordering van de technische of economische vooruitgang;
           Kartels moeten een duidelijk, objectief voordeel bieden voor de maatschappij. De productie kan bv
           worden verbeterd door specialisatie en technische en economische vooruitgang dmv octrooi-en
           knowhow-licentieovk’en.
       2. Een billijk aandeel in de daaruit voortvloeiende voordelen moet de gebruikers ten goede komen;
           De voordelen moeten worden doorgegeven aan de gebruikers.
       3. De afspraak mag de betrokken ondernemingen geen beperkingen opleggen die voor het bereiken van
           deze doelstellingen niet onmisbaar zijn; en
           De beperking moet dus onmisbaar zijn voor het beoogde doel; partijen moeten hun doel zó zien te
           bereiken dat de concurrentie zo min mogelijk wordt beperkt.
       4. De afspraak mag de betrokken ondernemingen niet de mogelijkheid geven voor een wezenlijk deel
           van de betrokken goederen en diensten de mededinging uit te schakelen.
           De mededinging mag niet worden uitgeschakeld.

Art. 82 EG
Stappenplan:
     1. Marktafbakening
             - Prodcutmarkt: kijken naar substitutie uit het gezichtspunt van de consument.
             - Geografische markt: afhankelijk van transportkosten/ lokale loonkosten/ voorkeuren
                 consumenten.
     2. Is er sprake van een onderneming?
         Definitie door HvJ in het Hofner-arrest: “Elke eenheid die een economische activiteit uitoefent,
        ongeacht de rechtsvorm en de wijze waarop zij wordt gefinancierd”
     3. Heeft de onderneming op de betreffende markt een economische machtspositie?
         Zie United Brands-zaak: Zich onafhankelijk kunnen gedragen van concurrenten, afnemers en
        leveranciers.
         Van belang is het marktaandeel (>50% = sowieso dominant) en daarnaast andere factoren zoals het
        verschil in marktaandeel van de concurrenten, toetredingsbarrieres, technologische voorsprong, enz.
     4. Maakt de onderneming misbruik van haar emp?
         Art. 82 geeft hard core voorbeelden.
     5. Marktintegratiebeginsel:
          Er dient voor toepassing van dit artikel sprake te zijn van ongunstige beïnvloeding van de handel
         tussen de lidstaten (zo niet, dan nationaal recht).

Concentratiecontrole CoVo
Het hebben van een emp is uiteraard niet verboden, echter misbruik ervan maken wel. Met de concentratie-
controle voorkomen dat de onderneming later misbruik gaat maken van haar verkregen machtspositie.
Art. 3: Concentratie
Art. 87 EG
Staatssteun is verboden wanneer aan de volgende criteria voldaan:
     1. Begunstiging door staat, bv dmv:
            - Positieve prestaties,
            - Verlichting van lasten (bv belastingvrijstelling),
            - Waarborg voor leningen,
            - Investering: ‘pip-test’ (private invest. principe)
            - Aankoop van goederen/diensten, incl openbare diensten
     2. Invloed op het handelsverkeer tussen de lidstaten
     3. Selectiviteitsbeginsel: Begunstiging van bepaalde ondernemingen of bepaalde producties
     4. Verstoring of vervalsing van de mededinging

				
DOCUMENT INFO
Shared By:
Categories:
Tags:
Stats:
views:87
posted:3/17/2012
language:Dutch
pages:17