studiegids 2009 algemene studieinformatie by F8aSo1v

VIEWS: 108 PAGES: 68

									Algemene Studie-informatie
1. Adressen

Curatorium
Preses     drs. G. van Roekel, Roosendaalseweg 47, 3882 MN Putten, tel. 0341-35 12 77, e-mail
           g.van.roekel@cgk-putten.nl
Assessor   ds. J. Westerink, Wiepen 1, 8322 BB Urk, tel. 0527-68 86 66, e-mail jwesterink@solcon.nl
Secretaris ds. D. Quant, Hoeveweg 7, 1276 EZ Huizen, tel. 035-523 45 46, e-mail d.quant@planet.nl

Deputaten Toezicht
Preses     drs. G.L. Born, Golfresidentie 55, 8251 NK Dronten, tel. 0321-31 86 39, e-mail
           Leo.born@ncrv.nl
Secretaris L. Bioch, Zuster Meyboomlaan 3, 7334 DX Apeldoorn, tel. 055-542 95 85, e-mail
           lbioch@hotmail.com

College van bestuur - bestuurder
voorzitter ir. J.J. Eberwijn, Raminhout 51, 2719 KM Zoetermeer, tel. 079-362 00 69, e-mail
            jjeberwijn@tua.nl
onderwijs prof. dr. H.J. Selderhuis, Landauer 2, 8061 LS Hasselt, tel. 038-477 44 11, e-mail
            hjselderhuis@tua.nl

Emeriti hoogleraren
        -   prof. dr. J.W. Maris, Jachtlaan 105, 7313 CS Apeldoorn, tel. 055-355 77 19, e-mail
            jwmaris@planet.nl
        -   prof. dr. W. van 't Spijker, Daendelsweg 8, 7315 AJ Apeldoorn, tel. 055-521 77 77, e-mail
            wvantspijker@planet.nl, fax 522 21 12
        -   prof. dr. W.H. Velema, Amphion 54, 7314 AT Apeldoorn, tel. 055-521 29 00/844 06 04,
            e-mail whvelema@chello.nl

Hoogleraren
Rector      prof. dr. H.J. Selderhuis, Landauer 2, 8061 LS Hasselt, tel. 038-477 44 11, e-mail
            hjselderhuis@tua.nl (kerkhistorische vakken en kerkrecht)
conrector   prof. dr. G.C. den Hertog, Waltersingel 95, 7314 NN Apeldoorn, tel. 055-356 19 70, e-mail
            gcdenhertog@tua.nl (dogmatische vakken, ethiek en inleiding theologie)
secretaris prof. dr. T.M. Hofman, Vliegerlaan 45, 7313 GW Apeldoorn, tel./fax 055-355 69 44, e-mail
            hofmanapd@kliksafe.nl (nieuwtestamentische vakken)
lid         prof. dr. A. Baars, Van Beeklaan 11, 3931 WC Woudenberg, tel. 033-286 62 68, e-mail
            abaars@tua.nl (ambtelijke vakken en dogmageschiedenis)
lid         prof. dr. H.G.L. Peels, Motetstraat 2, 7323 LE Apeldoorn, tel. 055-366 32 72, e-mail
            hglpeels@tua.nl (oudtestamentische vakken)

Universitaire docenten
       -     mw. N. Algra, Koninginneweg 271-2, 1075 CW Amsterdam, tel. 020-676 75 82, e-mail
             nynkealgra79@gmail.com (logopedie)
       -     dr. W.A. den Boer, Kuntzestraat 1, 8071 KS Nunspeet, tel. 0341-47 04 28, e-mail
             wadenboer@tua.nl (Nederlandse kerkgeschiedenis en dogmageschiedenis)
       -     drs. B.J. Dikken, Luzacware 46, 8014 PH Zwolle, tel. 038-460 53 63, e-mail
             m542137@yahoo.com (godsdienstwetenschap en missiologie)
       -     mw. dr. A. Drint, Berkenlaan 41, 9771 AW Sauwerd, tel. 050-306 13 75, e-mail
             adriana.drint@gmail.com (oudtestamentisch Hebreeuws en bijbels Aramees)
       -     drs. I.D. Haarsma, Brasemkolk, 19, 8017 NV Zwolle, tel. 038-465 49 18, e-mail
             idhaarsma@tukampen.nl (filosofie en methodologie)
       -     drs. A. Heystek, Molenstraat 2, 3905 AP Veenendaal, tel. 0318-52 88 64, e-mail
             aheystek@che.nl (psychologie)
       -     drs. A. Huijgen, Roebol 40, 8281 LN Genemuiden, tel. 038-38 55 596, e-mail
             ahuijgen@tua.nl (dogmatiek en symboliek)
       -     drs. M.J. Kater, Berkenlaan 21, 3707 BB Zeist, tel. 030-693 25 15, mjkater@tua.nl
             (dogmatiek en apologetiek)
       -     mw. drs. J.J. Oosterhuis-den Otter, Praubstraat 15, 8011 PN Zwolle, tel. 038-422 05 41, e-
             mail j.oosterhuis@tip.nl (nieuwtestamentisch Grieks, oudchristelijk Latijn)
       -     dr. J.W. van Pelt, W. van Vlietstraat 7, 3262 GM Oud-Beijerland, tel. 0186-62 47 70,
             jwvanpelt@tua.nl (catechetiek en diakoniek)


Adressen                                                                                            201
       -    drs. J. van ’t Spijker, Boekweitlaan 9, 7906 LA Hoogeveen, tel. 0528-26 20 97, e-mail
            jvantspijker@tua.nl (evangelistiek en missiologie)

Begeleider vooropleiding klassieke talen Grieks en Latijn
      -     mw. drs. M.W. Sebens, Van der Meylestraat 1, 8266 DC Kampen, tel. 038-333 03 03, e-mail
            mwsebens@tukampen.nl (vooropleiding Grieks en Latijn)

Vaste gastdocenten
       -    J.D.G. van der Molen MA, Kamillelaan 33, 7641 CV Wierden, e-mail
            g.vandermolen@reggesteyn.nl (didactiek)
       -    drs. M.C. Mulder, Leeuwerikstraat 56, 3853 AE Ermelo, tel. 0341-55 68 30, e-mail
            m.c.mulder@hetnet.nl (judaica)
       -    prof. dr. M. te Velde, Stenendijk 2, 8061 HP Hasselt, tel. 038-332 66 32, e-mail
            mtevelde@tukampen.nl (gemeenteopbouw)

Assistent-in-opleiding (AIO)
       -     drs. D. Timmerman, Orlstwarande 3, 3621 XM Breukelen, tel. 0346-21 54 18, e-mail
             dtimmerman@tua.nl (kerkgeschiedenis)
       -     drs. A. Versluis, Wolvenhaar 10, 7938 RD Nieuw Balinge, tel. 0528-27 84 00, e-mail
             aversluis@tua.nl (Oude Testament)

Studieadviseur
Informatie over de studie, de studiefinanciering, studie in het buitenland e.d. kan verkregen worden bij
de studieadviseur, mw. J.W. van der Zande-de Roo (jwvanderzande@tua.nl)

Financiële administratie
De financiële administratie wordt verzorgd door het Landelijk Kerkelijk Bureau te Veenendaal
(Ghandistraat 2), Postbus 334, 3900 AH Veenendaal, tel. 0318-58 23 50, e-mail lkb@cgk.nl.
Financieel manager J.G. van den Berg

Secretariaat
Wilhelminapark 4, 7316 BT Apeldoorn, tel. 055-577 57 00, fax 055-522 63 39, e-mail
secretariaat@tua.nl (universiteitssecretaris mw. J.W. van der Zande-de Roo, jwvanderzande@tua.nl;
medewerker mw. J. Beldman-Dannenberg, jbeldman@tua.nl)

Beheerder/Pedel
Wilhelminapark 4, 7316 BT Apeldoorn, tel. 055-577 57 05, fax 055-522 63 39, e-mail informatie@tua.nl
(M. Rozema, mrozema@tua.nl)

Beleidsmedewerker
Wilhelminapark 4, 7316 BT Apeldoorn, tel. 055-577 57 00, fax 055-522 63 39, e-mail beleid@tua.nl
(mw. drs. M.W. de Leeuw-Bakker, mwdeleeuw@tua.nl)

Bibliotheek
Wilhelminapark 4, 7316 BT Apeldoorn, tel. 055-577 57 03, fax 055-522 63 39, e-mail bibliotheek@tua.nl
(bibliothecaris mw. N. van der Mijden-Groenendijk, nvandermijden@tua.nl; medewerker mw. drs. C.T.
Boerke, ctboerke@tua.nl).

Instituut voor Reformatieonderzoek
Wilhelminapark 4, 7316 BT Apeldoorn, tel. 055-577 57 03, fax 055-522 63 39, e-mail
instituutvoorreformatieonderzoek@tua.nl (directeur prof. dr. H.J. Selderhuis, medewerkers dr. W.A. den
Boer en mw. drs. C.T. Boerke)

Studieadviesraad
mw. E.L. van der Wekken (voorz.), A.G. van den Heuvel (secr.), p/a Wilhelminapark 4, 7316 BT
Apeldoorn, tel. 055-577 57 00, e-mail agvandenheuvel@student.tua.nl

Pretor van de studenten
W.A. Capellen, Van Goghstraat 4, 8072 JX Nunspeet, tel. 0341-25 76 68, e-mail
wacapellen@student.tua.nl

Commissie Wetenschapsbeoefening (TUK/TUA)
Prof. dr. B. Kamphuis (voorz. TUK, tijdelijk waargenomen door prof. dr. A.L.Th. de Bruijne), drs. G.D.


202                                                                                              Adressen
Harmanny (secr. TUK), prof. dr. A. Baars, prof. dr. H.J. Selderhuis, prof. dr. C.J. de Ruijter (TUK), prof.
dr. P.H.R. van Houwelingen (TUK)

Examencommissie
prof. dr. T.M. Hofman (voorz.), prof. dr. A. Baars, prof. dr. G.C. den Hertog, prof. dr. H.G.L. Peels, prof.
dr. H.J. Selderhuis

Opleidingscommissie
Prof. dr. G.C. den Hertog (voorz.), J.C. Vogel (secr.), M. Bergsma, mw. dr. A. Drint, mw. drs. M.W. de
Leeuw-Bakker, F.E. Schneider, Al. Versluis, mw. J.W. van der Zande-de Roo, Prof. dr. H.J. Selderhuis
(adviseur/bestuurder-onderwijs)

Schooldagcommissie
Ds. J.P. Boiten, ds. P.D.J. Buijs en mw. J.W. van der Zande-de Roo

Technische commissie
H.J. Niemeijer en M. Rozema

College van beroep
mr. drs. J.Th. Weijenberg (voorz.), Prof. dr. H.G.L. Peels (secundus vacant) en student (vacant)

College van beroep voor het hoger onderwijs
Prins Clausplein 60, 2595 AJ ’s-Gravenhage, www.collegevanberoepho.nl. Zaken waarvoor je hier terecht
kunt zijn o.a. klachten m.b.t. vermindering of vrijstelling van collegegeld of examengeld, financiële
ondersteuning uit afstudeerfondsen, in- en uitschrijving, vrijstelling op grond van andere diploma’s,
overtreding van huis- en orderegels van de instelling

Klachtencommissie seksueel misbruik
drs. G.L. Born (voorz.), mw. mr. N. Jansen-van Prooijen (ambt. secr.), Verwooldsebeek 64, 8033 DC
Zwolle, tel. 038-453 31 08, mw. mr. M. Verhage-van Kooten, mw. drs. N.G. Nuninga-Douma
Vertrouwenspersoon: mw. drs. Blokland-Verschoor
De klachtenregeling is te vinden in de rode map ‘Informatie’ in de hal en kan opgevraagd worden bij het
secretariaat

Meldpunt vertrouwensinspecteurs
Betrokkenen aan de universiteit kunnen bij het meldpunt van de Inspectie van het Onderwijs terecht met
klachtmeldingen over o.a. seksuele intimidatie, fysiek geweld en psychisch geweld, zoals grove
pesterijen. Het meldpunt is telefonisch te bereiken tijdens kantooruren, tel. 0900 11 31 11

Studentenvereniging
PFSAR (Per Fidem Studiumque ad Rostra): L. Grijsen (praeses); mw. E.L. van der Wekken (abactis),
Rousseaustraat 3, 7323 GN Apeldoorn, tel. 06-42 90 18 23, e-mail elvanderwekken@student.tua.nl;
C.G. op ’t Hof (quaestor); W. Beinema (assessor).

Boekverkoop
Vereniging De KreNT: A.G. van den heuvel (secretaris), Tenderlaan 42, 7331 AJ
Apeldoorn, tel. 06-50 68 36 32, e-mail agvandenheuvel@student.tua.nl

Redactie Oikodomè
P. Brands, P.T. van den Dool, C.G. op ’t Hof. Mw. J.W. van der Zande-de Roo (adviseur)

Redactie TUA Connect
Dr. W.A. den Boer, J. Visscher, S. Visser, mw. J.W. van der Zande-de Roo
Ondersteuning S.P. Roosendaal




Adressen                                                                                                  203
2. Organisatie en besluitvorming

De Theologische Universiteit is een onderdeel van de Christelijke Gereformeerde Kerken. De generale
synode van 28 mei 2008 heeft bepaald dat de Theologische Universiteit van de Christelijke
Gereformeerde Kerken, gevestigd te Apeldoorn, een zelfstandig rechtspersoon is op grond van artikel 2:2
van het Burgerlijk Wetboek. Dit is vastgelegd in artikel 84 van de Kerkorde. Zie voor meer informatie
artikel 1 t/m 5 Formele Regelingen Theologische Universiteit Apeldoorn.


                                                         Generale
                                                          Synode




                                                                                             Generale Synode Christelijke
                                                                                             Gereformeerde Kerken
                                           Deputaatscha         Curatorium
                                                p
                                             Toezicht




                                              College
                                                                                             De generale synode is het hoogste orgaan van de CGK
                                            van Bestuur
                                                                                             en daarmee ook van de TUA. De generale synode
                                                                                             komt een keer per drie jaar bijeen. Tijdens deze
                    College van                                                              vergadering worden de jaarverslagen, jaarrekeningen
      Hoogleraren   Hoogleraren            Hoogleraren         Onderwijs-      Bibliotheek
      (onderwijs)                          (onderzoek)        ondersteunin                   en begrotingen van de TUA vastgesteld. Hierbij moet
                                                                   g
                                                                                             worden opgemerkt dat jaarlijks deputaten-toezicht
                                                                                             TUA deze stukken zullen moeten goedkeuren,
       Docenten              Commissie
                            Wetenschaps-
                                                                                             alvorens zij kunnen worden gebruikt voor het afleggen
                             beoefening
                                                                                             van verantwoording aan het ministerie van OC&W en
                                                                                             rapportering aan andere belanghebbenden.
                    AIO’s                  Wetenschap-              Docenten
                                              pelijk
                                           medewerker




Curatorium

Het curatorium voert in hoofdzaak de volgende taken uit:
1. het doen van voordrachten aan de generale synode voor benoeming van hoogleraren;
2. het benoemen van docenten onder instemming achteraf van de generale synode;
3. het toezien op het handhaven van het gereformeerd-confessionele karakter van de TUA als
   wetenschappelijke opleiding;
4. het toezien op het functioneren van hoogleraren en docenten binnen het kader van het gereformeerd-
   confessionele karakter van de opleiding;
5. het toezien op de actieve vormgeving van het gereformeerd-confessionele karakter van de opleiding
   door hoogleraren en docenten;
6. het toelaten van admissiale studenten en het ontnemen van de admissiale status van studenten;
7. het verlenen van preekconsent aan admissiale studenten en het ontnemen van preekconsent;
8. het beroepbaar stellen van admissiale studenten en het ontnemen van de beroepbaarstelling.
Het curatorium bestaat uit negen leden: één lid benoemd door de generale synode, aangewezen voor het
secretariaat en vier keer twee leden benoemd door de particuliere synoden. Het curatorium wijst uit haar
midden ieder jaar een president en een assessor aan, waarbij de assessor het jaar daarop als president
fungeert. Aan het begin van de juni-vergadering van het curatorium wisselt het presidium.
Het curatorium vergadert minimaal viermaal per jaar, namelijk in september, november, januari en juni.
Het laat zich in zijn vergaderingen in adviserende zin bijstaan door het college van hoogleraren (coho).
Tijdens de admissie-examens zullen de hoogleraren - indien enigszins mogelijk - allen aanwezig zijn.

Zie voor meer informatie artikel 12 t/m 14 Formele Regelingen Theologische Universiteit Apeldoorn.


Deputaten-toezicht

De taken van het toezichthoudend orgaan kunnen als volgt worden getypeerd:
1. integraal toezicht houden op de uitvoering van taken en de uitoefening van bevoegdheden door het
    college van bestuur en dit college met raad terzijde staan;
2. benoemen, schorsen, ontslaan en vaststellen van de beloning van de leden van het college van
    bestuur. Een benoemings- of ontslagbesluit behoeft overigens de instemming achteraf van de
    generale synode;
3. goedkeuren van het reglement college van bestuur;

204                                                                                                                   rganisatie en besluitvorming
4.   goedkeuren van de begroting, de jaarrekening, het jaarverslag en het strategisch meerjarenplan van
     de instelling;
5.   toezien op de naleving van wettelijke verplichtingen en de omgang met gedragscodes door het
     college van bestuur;
6.   toezien op de rechtmatige verwerving en de doelmatige en rechtmatige bestemming en aanwending
     van de middelen van de instelling;
7.   aanwijzen van een accountant;
8.   jaarlijks afleggen van verantwoording over de uitvoering van deze taken en de uitoefening van deze
     bevoegdheden in het jaarverslag van de instelling.
Deputaten-toezicht bestaat uit 5 tot 7 personen, die gezamenlijk over voldoende kwaliteiten beschikken
om goed toezicht te houden. De leden worden op voordracht van het deputaatschap door de generale
synode van de Christelijke Gereformeerde Kerken benoemd. Iedere 3 jaar treedt elke toezichthouder af.
Ieder van hen is in beginsel dan nog twee keer herbenoembaar. De generale synode dient er bij de
benoemingen voor te waken dat er voldoende continuïteit is.

Zie voor meer informatie artikel 9 t/m 11 en ‘Reglement deputaten toezicht’, in: Formele Regelingen
Theologische Universiteit Apeldoorn.


College van bestuur

De algemeen bestuurder vormt samen met de rector het college van bestuur. Beiden zijn integraal
verantwoordelijk voor de gehele organisatie, maar binnen deze integrale verantwoordelijkheid dragen zij
de eerstverantwoordelijkheid voor bepaalde taken:
- De rector-bestuurder is de eerstverantwoordelijke voor alle zaken die betrekking hebben op onderwijs
  en onderzoek. Hij voert deze taak uit in nauw overleg en in nauwe samenwerking met het college van
  hoogleraren.
- De algemeen bestuurder is de eerstverantwoordelijke voor alle overige zaken, zoals
  onderwijsondersteuning, facilitair beleid en financiën.

De rector bestuurder en de algemeen bestuurder worden door het deputaatschap toezicht benoemd. De
rector bestuurder wordt voor twee jaar benoemd. De benoemingen behoeven de instemming achteraf
van de generale synode.

Zie voor meer informatie artikel 5 t/m 8 en ‘Reglement college van bestuur’, in: Formele Regelingen
Theologische Universiteit Apeldoorn.


College van hoogleraren

Het college van hoogleraren (coho) komt minimaal zes keer per jaar bijeen onder leiding van de rector.
Een UHD heeft tot deze vergaderingen toegang met adviserende stem. Het coho heeft de volgende
verantwoordelijkheden c.q. bevoegdheden:
1. het zorgdragen voor de uitvoering van het onderwijs, het wetenschappelijk onderzoek en de examens
    aan de universiteit;
2. het behartigen en bewaken van de kwaliteitszorg van het onderwijs;
3. het onderhouden van het contact met het docentencorps, met name via de hoogleraar in de eigen
    vakgroep en via de docentenvergadering;
4. het in onderwijskundig opzicht begeleiden van de studenten, in het algemeen via het mentoraat;
5. het behartigen van de zaken die het werk van de examencommissie betreffen;
6. het tijdelijk of definitief - dat laatste in afwachting van een finale beslissing van het curatorium -
    ontzeggen van het recht van het ontvangen van onderwijs door een student;
7. het adviseren in beleidszaken
8. het onderhouden van contacten met collega-instellingen, in het bijzonder met de Vereniging van
    Samenwerkende Nederlandse Universiteiten (VSNU);

Onverminderd de taken en bevoegdheden van de rector bestuurder draagt het college van hoogleraren
zorg voor de onderlinge afstemming tussen de hoogleraren, de onderlinge coördinatie en voor het nemen
van de daarvoor noodzakelijke besluiten. Het college van hoogleraren heeft daarvoor de volgende taken,
verantwoordelijkheden en bevoegdheden:
1. Uitvoeren van door het college van bestuur gedelegeerde taken.
2. Dagelijks leidinggeven aan het onderzoek en de wetenschapsbeoefening van de universiteit.
3. Vaststellen van algemene richtlijnen voor de wetenschapsbeoefening.



Organisatie en besluitvorming                                                                         205
 4. Vaststellen van het onderzoeksprogramma dat samen met de Theologische Universiteit Kampen
    (vrijgemaakt) is opgesteld.
 5. Het houden van toezicht op de uitvoering van het onderzoeksprogramma en het regelmatig
    uitbrengen van een verslag hierover aan het college van bestuur.
 6. Adviseren over de inrichting van het onderwijs.
 7. Dagelijks leidinggeven aan het onderwijs van de universiteit.
 8. Adviseren inzake het onderwijs- en examenreglement en de regelmatige beoordeling daarvan.
 9. Adviseren inzake de einddoelen van de opleiding en wijziging van het curriculum.
10. In onderwijskundig opzicht begeleiden van de studenten, in het algemeen zelf via het mentoraat, en
    in afstemming met de studieadviseur.
11. Adviseren tot instellen van nieuwe afstudeerrichtingen of het beëindigen van afstudeerrichtingen.
12. Toezicht houden op de uitvoering van het onderwijs en de examens en het regelmatig uitbrengen van
    verslag hierover aan het college van bestuur.
13. Regels vaststellen voor het toelaten van studenten.
14. Regels vaststellen voor het verlenen van vrijstellingen.
15. Functioneren als examencommissie: laat in die hoedanigheid studenten toe en verleent in die
    hoedanigheid vrijstellingen.
16. Uitvoeren van het bindend studieadvies.
17. Bespreken van alle onderwerpen die van strategisch belang voor de TUA zijn en het adviseren van
    het college van bestuur daarover.
18. Adviseren van het curatorium over alle zaken die betrekking hebben op admissiale studenten.
19. Adviseren over alle universitaire beleidsplannen.
20. Doen van voorstellen voor onderdelen van de begrotingen van de universiteit, waaronder in ieder
    geval alle onderdelen die betrekking hebben op onderwijs en onderzoek.
21. Adviseren over reorganisaties van de universiteit.
22. Uitvoeren van de in de benoemingsprocedure Hoogleraren en benoemingsprocedure Docenten
    genoemde taken van het college van hoogleraren.

 Het college van hoogleraren is de examencommissie (art. 7.12vv.) en tevens het college van promoties
 (art. 9.10) in de zin van Wet op het Hoger onderwijs en Wetenschappelijk onderzoek (WHW).

 Elk jaar heeft één van de hoogleraren gedurende twee collegeblokken studieverlof. Het college van
 hoogleraren stelt het rooster hiervoor vast.

 Het huisbezoek
 De hoogleraren hebben als taak het afleggen van huisbezoeken bij de admissiaal-studenten. De functie
 van deze bezoeken is het spreken over de betekenis van de studie theologie voor het persoonlijk leven
 van de studenten, mede in relatie tot hun roeping(sbesef). Ook wordt aandacht geschonken aan de
 persoonlijkheidsvorming. Het aantal te bezoeken studenten wordt in evenredigheid over de hoogleraren
 verdeeld.

 Het huisbezoek door de hoogleraren loopt parallel met de taak van de curatoren inzake het ‘mentoraat'
 dat dezen waarnemen voor de door hen toegelaten admissiaal-studenten. In het kader van de kerkelijke
 begeleiding van deze studenten wordt aan elk van hen een curator-begeleider toegewezen, waarvan zij
 ieder jaar huisbezoek ontvangen. Het huisbezoek is te zien als een gezamenlijke taak van het curatorium
 en de hoogleraren in het kader van de kerkelijke begeleiding van de studenten tussen toelating als
 admissiaal student en beroepbaarstelling.

 Het verdient aanbeveling afspraken te maken voor het moment van bezoeken, bijvoorbeeld hoogleraren
 tijdens het eerste semester en curatoren tijdens het tweede semester.

 Het mentoraat
 Het mentoraat dat de hoogleraren waarnemen, geldt in tegenstelling tot het voorgaande punt alle
 studenten. Elke student krijgt bij aanvang van zijn/haar studie (ook de studenten van de vooropleiding)
 een hoogleraar als mentor toegewezen, die in principe gedurende de hele studie zijn/haar mentor blijft.
 De student heeft in principe twee keer per studiejaar een gesprek met zijn/haar mentor. Ook kan de
 student zelf een gesprek met de mentor aanvragen. Tijdens de mentoraatsgesprekken wordt, naast de
 studievoortgang, aandacht gegeven aan met name de persoonlijkheidsvorming van de student met het
 oog op zijn/haar toekomst als praktiserend theoloog. Tijdens het mentoraatsgesprek wordt de ‘richtlijn
 voor mentoraatsgesprekken’ gebruikt. Daarnaast wordt een portfolio samengesteld om de geestelijke
 instelling van studenten te begeleiden. Zie voor de richtlijn en het portfolio hoofdstuk 8 in Algemene
 Studie-informatie (mentoraat / persoonlijke en praktische vorming).




 206                                                                        Organisatie en besluitvorming
Rectoraat
De rectoraatsoverdracht vindt in principe om het jaar plaats tijdens de officiële opening van het
academisch jaar begin september in de aula van de universiteit. De aftredende rector spreekt bij die
gelegenheid een rectorale rede uit, die gewoonlijk wordt opgenomen in de serie Apeldoornse Studies.
De aftredende rector heeft recht op twee weken verlof in het tweede semester van zijn rectoraat en de
eerste vier weken van het eerste semester na afloop van zijn rectoraat. Wanneer hij geen gebruik
gemaakt heeft van twee weken verlof in het tweede semester, heeft hij recht op zes weken verlof direct
na afloop van zijn rectoraat. In het jaar dat het rectoraat niet wordt overgedragen, heeft de rector recht
op 4 weken verlof.

Zie voor een nadere uitwerking van bovenstaande het hieronder geschrevene onder het kopje ‘taken
college van hoogleraren’, artikel 15 en ‘Reglement college van hoogleraren’, in: Formele Regelingen
Theologische Universiteit Apeldoorn.


College van docenten

Het college van docenten (codo) bestaat uit de universitaire hoofddocenten, de universitaire docenten en
de vaste gastdocenten aan de universiteit. De hoogleraren zijn adviseur van het codo, met name de
rector en de conrector. Het codo komt als regel tweemaal per jaar in vergadering bijeen (veelal op
uitnodiging van de beleidsmedewerker onderwijs). Het kiest uit haar midden een voorzitter en een
secretaris.

Het heeft een adviserende bevoegdheid naar het coho in de volgende zaken:
1. het onderwijsproces, met name de vaststelling en wijziging van het curriculum;
2. de uitnodiging van gastdocenten;
3. het onderwijskundig begeleiden van studenten;
4. de vaststelling van onderwerpen voor integratieweken en themadagen;
5. beleid inzake aanschaffingen voor de bibliotheek.

Voorts heeft het codo het recht van informatie door het coho over alle zaken, die betrekking hebben op
het onderwijs aan de universiteit.


Vakgroepen

Er zijn vier vakgroepen. De leden van een vakgroep bestaan uit de hoogleraren en docenten van het
betreffende vakgebied en een vertegenwoordiger van de studenten.
- De vakgroep Bibliologie houdt zich in gezamenlijk beraad bezig met de samenhang van de vakken
   binnen de vakgroep, doet onderzoek naar de mogelijkheden van gezamenlijke planning in verband
   met projecten en bewaakt de kwaliteit van de bibliologische studie.
   Het tentamen ‘bijbelkennis’ wordt door de studentenvertegenwoordiger, in overleg met een ander lid
   van de vakgroep bibliologie, schriftelijk afgenomen.
- De vakgroep Systematische theologie houdt zich in gezamenlijk beraad bezig met de onderlinge
   samenhang van de vakken binnen de vakgroep, onderzoekt op welke wijze een planmatige onderlinge
   afstemming van bepaalde onderzoeksvelden en onderwijsprojecten vruchtbaar kan worden gemaakt
   en bewaakt de kwaliteit van onderwijs en onderzoek binnen de vakgroep.
- De vakgroep Ecclesiologie houdt zich in gezamenlijk beraad bezig met het uitzetten van lijnen waar-
   langs de studie zich binnen de vakgroep beweegt en met het vaststellen van projecten die de studie
   tot object heeft. Tevens bewaakt zij de kwaliteit van onderwijs en onderzoek binnen de vakgroep.
- De vakgroep Diakoniologie houdt zich in gezamenlijk beraad bezig met de samenhang van de vakken
   binnen de vakgroep, doet onderzoek naar onderdelen die hierbinnen ontbreken en beraadt zich over
   gezamenlijke onderwijsprojecten en onderzoekswerkzaamheden.
Vragen voor de vakgroep(en) kunnen aan de studentenvertegenwoordiger worden doorgegeven.


Studie-adviesraad (SAR)

De SAR is het kanaal waardoor studenten wensen en klachten bij het coho kenbaar kunnen maken.
Daartoe is zij in het leven geroepen, en zo komt zij - als serieuze gesprekspartner - de functionering van
het onderwijs aan de universiteit ten goede.

De SAR bestaat uit de vertegenwoordigers van de jaargroepen; als adviserend lid fungeert de rector.
Deze beoordeelt klachten en adviezen in eerste instantie en legt ze, indien gewenst, voor aan het coho,


Organisatie en besluitvorming                                                                          207
het codo en/of het OOP. Hij informeert de SAR over te nemen of genomen besluiten, met redenen
omkleed. De SAR benoemt ieder jaar uit zijn leden een voorzitter (derde- of vierdejaars student) en een
secretaris (tweedejaars student).

De SAR vergadert in de regel vijfmaal per jaar en heeft in het geval van klachten, wensen of adviezen
met name een taak bij de volgende onderwerpen:
1. de samenstelling van het collegerooster;
2. de studielast;
3. de kwaliteit van het onderwijs;
4. de toegankelijkheid, functie en werkbaarheid van de verschillende faciliteiten (bibliotheek, studiezaal,
   kantine, onderwijsruimten, onderwijs-hulpmiddelen);
5. de onderwijs- en examenregeling;
6. regels op het gebied van veiligheid, gezondheid en welzijn;
7. gastcolleges, integratiecolleges, themadagen en studiereizen.


De studie-adviseur

De studie-adviseur heeft de volgende taken:
1. het informeren van (aankomende) studenten aangaande de mogelijkheden van de studie in
    Apeldoorn (eisen, instroomprogramma's, deficiënties);
2. het adviseren aan de examencommissie inzake het toelaten van studenten en het verlenen van
    vrijstellingen;
3. het signaleren van moeilijkheden van onderwijskundige aard en het (doen) oplossen daarvan;
4. het bijstaan van studenten in zaken van studiebegeleiding en studiefinanciering.


College van beroep

Bij geschillen inzake tentamina, examina en studievoortgangsregistratie ligt de beslissingsbevoegdheid
bij het college van beroep (zie hiervoor art. 7.61 van de WHW). Dit orgaan is verantwoording schuldig
aan het curatorium. Het college is samengesteld volgens de eisen van de WHW art. 7.60: een jurist
(voorzitter), een hoogleraar/docent en een student: mr. drs. J.Th. Weijenberg (voorz.), Prof. dr. H.G.L.
Peels (secundus vacant) en student (vacant).


Vertrouwenspersoon en klachtencommissie

Door het curatorium is een vertrouwenspersoon en een klachtencommissie seksueel misbruik aangesteld.
In de Klachtenregeling seksuele intimidatie wordt nadere informatie gegeven.


Commissies

Bibliotheekcommissie
De bibliotheekcommissie heeft tot taak de aanschaffingen voor de bibliotheek te bewaken en het beleid
uit te voeren, c.q. voorstellen voor beleid aan het bestuur/deputaten toezicht te doen.
Daarbij besteedt zij met name aandacht aan:
1. het totaal beschikbare budget;
2. de wensen van de verschillende hoogleraren, docenten en vakgroepen;
3. de mogelijkheden tot onderlinge samenwerking met bibliotheken van collega-instellingen;
4. de beschikbare faciliteiten.
Jaarlijks doet zij verslag van haar werkzaamheden aan het bestuur en aan deputaten toezicht.
(Momenteel is deze commissie niet actief).

Opleidingscommissie
De opleidingscommissie (OC) heeft tot taak:
1. de theologische studie regelmatig te evalueren en eventueel te komen met voorstellen voor
   herstructurering van de opleiding. Het einddoel daarbij is het helder en inzichtelijk maken van de
   studie met duidelijk omschreven leerdoelen per vak;
2. de kwaliteit en studeerbaarheid van het onderwijs te bewaken door - samen met de
   beleidsmedewerker - adviezen te geven, o.a. op grond van gehouden enquêtes onder de studenten.
3. de onder 1. en 2. genoemde taken impliceren een jaarlijks beoordelen van de wijze van uitvoeren
   van de onderwijs- en examenregeling en het adviseren aan het coho daarover.

208                                                                          Organisatie en besluitvorming
4. het desgevraagd of uit eigen beweging advies uitbrengen aan het college van bestuur over alle
   aangelegenheden betreffende het onderwijs.

Omdat de universiteit voldoet aan het gestelde onder art. 9.18 sub 5 (de masteropleiding sluit aan op de
bacheloropleiding) is volstaan met één opleidingscommissie voor beide opleidingen. In de OC, die
samengesteld is volgens de eisen van art. 9.18 sub 3 van de WHW, hebben zitting: een hoogleraar
(voorzitter), één docent, vier studenten (zowel bachelor- als masterstudenten), de beleidsmedewerker en
de studieadviseur. De rector-bestuurder is geen lid van de OC, maar neemt wel zoveel mogelijk deel aan
de vergaderingen.
De leden van de OC worden benoemd door het coho, waaraan zij verantwoording verschuldigd is.

Commissie Wetenschapsbeoefening
Het universitair onderzoek van de Theologische Universiteit van Kampen (Vrijgemaakt) (TUK) en van de
Theologische Universiteit Apeldoorn (TUA) is samengebracht in een aantal onderzoeksgroepen. Deze
onderzoeksgroepen bestaan uit onderzoekers van zowel de TUK als de TUA, die aan een gezamenlijk
onderzoeksprogramma werken. In de Commissie Wetenschapsbeoefening (CWB) participeren de
programmaleiders van de verschillende onderzoeksgroepen. De CWB heeft o.a. tot taak:
1. het goedkeuren van nieuwe onderzoeksprogramma's;
2. het bewaken van de samenhang tussen de programma's;
3. de controle van de jaarplanning;
4. de publicatie van het jaarlijkse onderzoeksverslag;
5. het stimuleren van contacten met onderzoekers van andere instellingen.

PR-commissie
De universiteit voert een actief PR-beleid. Daartoe is een PR-commissie benoemd die activiteiten
ontplooit op het gebied van:
1. informatieverstrekking over de opleiding o.a. via foldermateriaal, de nieuwsbrief ‘TUA Connect’, de
    pers en de website;
2. geven van presentaties op scholen, bondsdagen, gemeenteavonden, kringavonden voor catechisanten
   e.a.;
3. het verzorgen van persberichten met het oog op de uitgave van officiële publicaties van de universiteit
   als Apeldoornse Studies, het studentenblad Oikodomè en dissertaties;
4. persaankondigingen van officiële bijeenkomsten als rectoraatsoverdracht, promoties e.d.
De PR-commissie legt verantwoording af van haar beleid en activiteiten aan het college van bestuur.

De schooldagcommissie
De schooldagcommissie bereidt, in opdracht van het curatorium, de jaarlijkse schooldag voor. Zij doet
een voorstel voor de invulling van de jaarlijkse schooldag, organiseert deze, verzorgt de voorlichting
ervan richting de kerken, stelt een rooster op t.b.v. de taakverdeling onder de studenten (alle studenten
worden geacht hun medewerking te verlenen) en zorgt na afloop voor een evaluatie van de schooldag.
De schooldagcommissie legt verantwoording van haar beleid en activiteiten af aan het curatorium.

Technische commissie
Voor het onderhoud van de gebouwen en de omgeving daarvan is een technische commissie aangesteld,
waar de beheerder deel van uitmaakt. De commissie voert taken uit onder verantwoordelijkheid van het
college van bestuur.


Taken onder studenten

De pretor
De pretor treedt in voorkomende gevallen op als vertegenwoordiger van de studenten en regelt o.a. de
preekbeurten voor de admissiale studenten met preekconsent. Het pretoraat wisselt elk jaar, in
december. De benoeming wordt gedaan door het coho uit de admissiale studenten uit bij voorkeur het
vierde studiejaar. De pretor beschikt over de nodige documentatie waarin zijn werkzaamheden
omschreven zijn.

De jaarvertegenwoordiger
Elk studiejaar wijst een vertegenwoordiger aan die als contactpersoon dienst doet richting hoogleraren,
docenten, secretariaat e.d. Hij/zij verzamelt materiaal dat op colleges is uitgereikt, voor hen die afwezig
zijn en maakt deel uit van de SAR.




Organisatie en besluitvorming                                                                           209
Communicatie

De universiteit kent verschillende organen manieren van informatieverstrekking aan betrokkenen bij de
universiteitsgemeenschap en/of belangstellenden:

Oikodomè
Oikodomè is het officiële orgaan van de universiteit. Er verschijnen per academiejaar vier nummers. De
redactie wordt gevormd door studenten. De universiteitssecretaris treedt op als adviseur.

Apeldoornse Studies
In de serie Apeldoornse Studies verschijnt in principe tweemaal per jaar een publicatie. Meestal bevatten
de publicaties teksten van redes die door hoogleraren zijn uitgesproken bij de overdracht van het
rectoraat, hun inauguratie of afscheid. Ook andere studies van hoogleraren, docenten en andere bij de
universiteit betrokken theologen worden in de serie Apeldoornse Studies uitgegeven.

TUA Connect
TUA Connect is een nieuwsbrief voor leden van de Christelijke Gereformeerde Kerken en andere belang-
stellenden. De nieuwsbrief geeft makkelijk toegankelijke informatie over de opleiding, het onderzoek en
andere activiteiten aan de TUA. TUA Connect beoogt de band met de kerken/de achterban te versterken
en heeft als nevendoel het bijeenbrengen van extra financiële middelen.

Algemene studie-informatie
In de Algemene studie-informatie is relevante informatie te vinden over de universiteit, o.a. de
organisatie en besluitvorming, onderwijs- en examenregeling, adressen, samenstelling van commissies,
promotiereglement, scriptiereglement, onderzoeksprogramma’s en diverse richtlijnen en regelingen.

Studiegids
In de Studiegids wordt inzicht gegeven in de opleiding, zoals het curriculum, verdeling van ECTS,
tentamen- en exameneisen, doel en inhoud van de verschillende vakken en een overzicht van het
academisch jaar.

Collegerooster
Voor elk semester wordt een nieuw collegerooster opgesteld. Met wensen van studenten wordt, voor
zover mogelijk, rekening gehouden. Het collegerooster als ook roosters voor examens, logopedie,
praktische homiletiek e.d. worden zowel aan de betrokkenen toegezonden (via de mail) als via het
prikbord bekendgemaakt.

Mededelingenbladen voor de studenten (TUA-info)
Gedurende de collegeperiode verschijnen regelmatig mededelingenbladen (TUA-info) met relevante
informatie betreffende de studie en de universiteitsgemeenschap. Deze bladen worden geconcipieerd
onder verantwoordelijkheid van de rector. De TUA-info’s worden via de mail verzonden aan allen die
direct betrokken zijn bij de universiteitsgemeenschap.
Afgezien van de officiële mededelingenbladen, wordt met grote regelmatig algemene informatie
doorgegeven via de e-mail.

Mededelingenbladen voor het curatorium en de deputaten-toezicht
Regelmatig verschijnen mededelingen, opgesteld door de rector, voor de leden van het curatorium en/of
voor de deputaten-toezicht. Zij bevatten alle relevante informatie inzake de universiteit op alle niveaus.
Deze mededelingen worden, voor zover noodzakelijk, op de vergaderingen van het curatorium en/of
deputaten-toezicht toegelicht.

Prikbord
Officiële bekendmakingen die niet in het mededelingenblad vermeld (kunnen) worden en toch voor ieder,
of voor een bepaalde groep, van belang zijn, kunnen - na overleg met de beheerder - op het medede-
lingenbord in de hal worden opgehangen. Dit geldt ook voor mededelingen van de studentenverenigingen
of van disputen, die bestemd zijn voor het prikbord in de hal bovenaan de trap naar de computer- en
studieruimte.

Postvakken
Achter in de gemeenschapsruimte bevinden zich kasten met postvakken. Iedere student kan daar voor
hem of haar bestemde informatie vinden. Ook voor het onderlinge postverkeer kan van deze vakken
gebruik gemaakt worden. De postvakken zijn niet bedoeld om er boeken in te bewaren. Boeken voor

210                                                                         Organisatie en besluitvorming
(mede)studenten kunnen neergelegd worden op de schappen bij het kopieerapparaat. In de grote ruimte
beneden bij de studieruimtes staan de postvakken voor PFSAR, ZEH e.d.




Organisatie en besluitvorming                                                                   211
3. Onderwijs– en examenregeling (OER)

Artikel 1 - Terminologie
In deze regeling wordt verstaan onder:
1. de wet: de Wet op het Hoger onderwijs en Wetenschappelijk onderzoek (WHW).
2. de universiteit: de Theologische Universiteit van de Christelijke Gereformeerde Kerken in Nederland
    te Apeldoorn (TUA).
3. de deputaten-toezicht: het toezichthoudend orgaan van de universiteit.
4. het college van bestuur: het orgaan dat de dagelijkse leiding heeft over de universiteit.
5. het curatorium: het college van door de generale synode en particuliere synoden van de Christelijke
    Gereformeerde Kerken in Nederland benoemde deputaten, dat namens de kerken de universiteit
    bestuurt.
6. het college: het college van hoogleraren van de universiteit.
7. student: degene die is ingeschreven aan de universiteit voor het volgen van onderwijs en/of het
    afleggen van tentamens en examens.
8. admissiale student: degene die via het admissie-examen door het curatorium is toegelaten tot de
    opleiding tot predikant in de Christelijke Gereformeerde Kerken.
9. propedeuse: de propedeutische fase, als bedoeld in art. 7.8 van de wet.
10. bachelor: de eerste fase van de opleiding, die samen met de propedeuse 3 studiejaren omvat.
11. master: de tweede fase van de opleiding, die aansluit op de bachelor en 3 studiejaren omvat. De
    master bestaat uit twee gedeelten: master I (verbreding en verdieping) en master II (specialisatie).
12. jaar: één van de zes studiejaren waaruit de twee fasen van het studieprogramma zijn opgebouwd.
13. semester: een studiejaar bestaat uit twee semesters waarin college gegeven wordt.
Opmerking: waar in deze regeling wordt gesproken over hij/hem/de student enz., kan ook worden
gelezen: zij/haar/de studente enz.

Artikel 2 - Onderwijs- en examenregeling
Aan de universiteit geldt een onderwijs- en examenregeling (OER) in overeenstemming met het terzake
in de wet in art. 7.13 bepaalde. Deze regeling omvat de navolgende elementen.

Artikel 3 - Opleidingsstructuur
De opleiding aan de universiteit draagt, in overeenstemming met het kader waarin zij zich bevindt, een
kerkelijk karakter. Hierbij wordt een bijzonder accent gelegd op het bestuderen en beoefenen van de
gereformeerde theologie.
Achtereenvolgens dienen met goed gevolg afgerond/afgelegd te worden:
1. Het propedeutisch jaar (uitlopend op een bindend studieadvies).
2. De bachelorfase (inclusief de bachelorproef).
3. Het master II-examen (inclusief de masterscriptie).

Artikel 4 - Studieduur
De opleiding is voltijds ingericht en heeft een officiële studieduur van 6 jaar (bachelor van 180 ECTS en
master van 180 ects). De maximale duur van de totale studie is 10 jaar.

Artikel 5 - Einddoelen
Bij de beëindiging van de opleiding dient de student zich de kwaliteiten en vaardigheden te hebben
verworven zoals omschreven in de einddoelen en eindtermen (p. 19 en 79v. van de studiegids).

Artikel 6 - Overzicht van de opleiding
1. De bachelorfase heeft een studielast van 180 ECTS. Het eerste, propedeutische, jaar heeft een
    studielast van 60 ECTS. De propedeuse omvat de volgende onderwijseenheden: algemene
    studieoriëntatie, oudtestamentisch Hebreeuws, nieuwtestamentisch Grieks, filosofie, psychologie,
    inleiding theologie, bijbelse oudheidkunde, bijbelkennis, inleiding exegese, godsdienstwetenschap,
    algemene kerkgeschiedenis I, schriftelijke opdracht.
2. Het op de propedeuse volgende gedeelte van de bachelorfase heeft een studielast van 120 ECTS, met
    de volgende onderwijseenheden: oudtestamentisch Hebreeuws, exegese NT, exegese OT, canoniek
    OT, canoniek NT, historia revelationis NT I, oudchristelijk Latijn, algemene kerkgeschiedenis,
    evangelistiek, spiritualistiek, judaica/kerk en Israël, gemeenteopbouw, geschiedenis van oud-Israël,
    ethiek, missiologie, hermeneutiek NT, hermeneutiek OT, praktijkoriëntatie, homiletiek, dogmatiek,
    symboliek, kerkrecht, diakoniek, Nederlandse kerkgeschiedenis, leidinggeven/management, cursus
    methodologie, bachelorproef.
3. De masterfase heeft een studielast van 180 ECTS, verdeeld over master I (90 ECTS) en master II (90
    ECTS). De master I heeft de volgende onderwijseenheden: logopedie, exegese NT, exegese OT,

212                                                                  Onderwijs- en examenregeling (OER)
   historia revelationis OT, historia revelationis NT, dogmatiek, homiletiek, algemene kerkgeschiedenis,
   kerkrecht, catechetiek, poimeniek, godsdienstwijsbegeerte, evangelistiek/urban mission, Nederlandse
   kerkgeschiedenis, apologetiek, ethiek, pastorale psychologie, gemeenteopbouw, liturgiek, scriptie
   exegese OT of NT.
   Het proponentsexamen omvat de volgende vakken: exegese OT, exegese NT, dogmatiek, ethiek,
   homiletiek en kerkrecht. Voor niet-admissiale studenten bestaat de mogelijkheid aan het einde van
   de master I-fase reeds 11½ ECTS te besteden aan de in de specialisatie fase master
   II te kiezen major.
4. In de master II-fase zijn vier afstudeerrichtingen te onderscheiden:
   - bijbelse vakken, omvat de studie van het Oude en het Nieuwe Testament;
   - historische vakken, waaronder wordt verstaan de studie van de (Nederlandse) kerkgeschiedenis,
       het kerkrecht en de gemeenteopbouw;
   - systematische vakken, waaronder wordt verstaan de studie van de dogmatiek, de
       dogmageschiedenis, de apologetiek, de ethiek en de moderne theologiegeschiedenis;
   - diakoniologische vakken, waaronder wordt verstaan de studie van de praktisch-theologische
       vakken: de homiletiek, de poimeniek, de liturgiek, de catechetiek, de diakoniek, de evangelistiek,
       de missiologie, judaica, kerk en Israël.
   De specialisatie die bij de master II behoort, omvat in principe de bestudering van een major van 58
   ECTS en twee minors van totaal 28 ECTS plus 4 ECTS voor ‘theologie algemeen’. Voor een admissiale
   student is een minor van 14 ECTS bestaande uit de praktijkstage verplicht. Voor niet-admissiale
   studenten bestaat de mogelijkheid van een master II met een major van 72 ECTS en een minor van
   14 ECTS plus 4 ECTS voor ‘theologie algemeen’. Indien gewenst kan toestemming van het college
   worden gevraagd voor een ‘academische’ major van 86 ECTS plus 4 ECTS voor ‘theologie algemeen’ .
   Voor vaststelling van de samenstelling van het master II-pakket is goedkeuring door het college
   vereist.
   De initiële beheersing van een wetenschappelijke vraagstelling op het terrein van de major moet
   blijken uit de vervaardiging van een schriftelijk werkstuk op basis van eigen onderzoek, dat minimaal
   42.000 woorden moet omvatten. Het onderwerp zal na overleg met de betrokken hoogleraar en na
   goedkeuring van het college vastgesteld worden. In overleg tussen de hoogleraar en student wordt
   een vervolgtraject afgesproken. Het werkstuk moet drie weken vóór het master II-examen in acht-
   voud ingeleverd zijn bij het secretariaat.
   De mogelijkheid bestaat om één of meer minors aan een andere theologische universiteit of faculteit
   te kiezen. Hiervoor is goedkeuring van het college nodig.

Artikel 7 - Bindend studieadvies
1. De roeping en motivatie van studenten om predikant te worden in de Christelijke Gereformeerde
    Kerken worden getoetst door het curatorium in het admissiaal examen.
2. De houding en motivatie van alle ingeschreven studenten ten opzichte van de studie theologie
    worden beoordeeld in het studieadvies van het college. De voortgang van de studie in de propedeuse
    wordt gekozen als graadmeter voor het verloop van de rest van de studie.
3. Elke student krijgt een mentor toegewezen uit het college. In het eerste studiejaar bespreekt de
    mentor met elke student onder andere de voortgang van zijn of haar studie. Dit gebeurt in ieder
    geval in het tweede en het vierde collegeblok.
4. Aan het einde van de propedeuse, vóór de aanvang van het nieuwe studiejaar, geeft het college aan
    iedere student een studieadvies. Is dit een afwijzend advies, dan is het bindend. Dit betekent dat de
    student zal worden uitgeschreven.
5. Het studieadvies is afwijzend, indien de student in het eerste studiejaar minder dan 30 ECTS (21
    studiepunten) heeft behaald of niet voldaan heeft aan de aanvullende eisen die voor de opleiding zijn
    gesteld. De student moet uiterlijk bij het begin van het tweede semester geslaagd zijn voor de
    herkansingen van de vooropleiding Grieks en Latijn.
6. Voor studenten die in de eerste tentamenperiode van het propedeutisch jaar colloquium doen, begint
    de beoordelingsperiode voor het bindend studieadvies op het moment van behalen van het
    colloquium. Het colloquium dient uiterlijk aan het einde van het eerste semester te zijn afgerond. Zie
    over het colloquium ook hieronder artikel 20 sub 4.
7. Indien persoonlijke omstandigheden ertoe geleid hebben dat de student buiten zijn/haar schuld
    minder dan 30 ECTS (21 studiepunten) heeft behaald of niet aan de aanvullende eisen heeft kunnen
    voldoen, dan wordt het studieadvies een jaar uitgesteld. Heeft de student de propedeuse door
    persoonlijke omstandigheden buiten zijn/haar schuld na twee jaar nog niet gehaald, dan geeft het
    college een voorlopig studieadvies, dat drie jaar na aanvang van de studie zonodig in een bindend
    afwijzend studieadvies wordt omgezet.
8. Wanneer het college een afwijzend bindend studieadvies aan een admissiaal student overweegt, zal
    het over dit advies eerst het curatorium consulteren.


Onderwijs- en examenregeling (OER)                                                                    213
9. In een later stadium van de studie kan aan een student, wanneer diens studieresultaten daartoe
   aanleiding geven, door het college een ‘consilium abeundi' worden afgegeven, zulks echter niet dan
   nadat de student in een mentorgesprek minimaal tweemaal een waarschuwing heeft gekregen.

Artikel 8 - Examencommissie
De examencommissie, die samengesteld is en functioneert volgens de vereisten in art. 7.12 van de
WHW, organiseert, coördineert en neemt de tentamens en examens af. Taken en bevoegdheden van de
examencommissie in dit verband zijn:
- aanwijzing van de examinatoren;
- vaststelling van een regeling voor de goede gang van zaken tijdens de tentamens/examens;
- vaststelling van richtlijnen en aanwijzingen voor de examinatoren m.b.t. de bepaling van de uitslag
   van de tentamens/examens;
- vaststelling van de uitslag van de examens.
- vaststelling van instroompakketten van studenten die elders reeds een theologische opleiding hebben
   gevolgd.
- Het (doen) opstellen van een verslag van haar werkzaamheden.
Daarnaast heeft de examencommissie het recht studenten die fraude plegen het recht te ontnemen een
of meer tentamens of examens af te leggen, gedurende een door de examencommissie te bepalen
termijn van ten hoogste een jaar óf indien het ernstige fraude betreft, het bestuur te adviseren de
inschrijving te beëindigen.
De examencommissie wordt gevormd door de hoogleraren (en indien van toepassing de universitaire
hoofddocenten).

Artikel 9 - Collegeplicht
De colleges maken een wezenlijk onderdeel uit van de opleiding en zijn om die reden meegenomen in de
berekening van de studiebelasting. De TUA kent dan ook een collegeplicht. Bij verzuim is de docent
gerechtigd vervangende stof op te geven.

Artikel 10 - Terugplaatsing, herexamen
1. Om geplaatst te kunnen worden in een volgend studiejaar moet voldaan zijn aan de eis van minimaal
    drie afgeronde vakken van het voorgaande jaar.
    Degenen die een jaar overdoen, moeten de colleges van dat jaar voor ten minste 50% volgen. In
    overleg met de studieadviseur en de desbetreffende docenten kan een keuze van te volgen colleges
    gemaakt worden. Een overzicht daarvan moet ter goedkeuring aan de rector worden voorgelegd.
2. Voor de overgang van de bachelor naar de master zie men artikel 16 van dit reglement.
3. Studenten die de master I nog niet hebben afgerond, mogen wel de colleges van de master II volgen,
    maar nog geen tentamens afleggen. Studenten in de master II-fase mogen ook colleges van de
    master I volgen. E.e.a. geschiedt na overleg met de rector en/of de betrokken docent.

Artikel 11 - Tentamens
1. De tentamens kunnen zowel mondeling als schriftelijk worden afgenomen. De tentamenvorm en
    tentamenduur worden aan het begin van de cursus in de studiegids bekend gemaakt.
2. De hoogleraren en docenten zijn buiten de collegeperiode in principe minimaal éénmaal in de
    veertien dagen voor tentamens beschikbaar.
3. Tentamens kunnen worden afgelegd mits van het desbetreffende vak de colleges zijn gevolgd. In
    bepaalde gevallen kan door de docent toestemming gegeven worden tentamens af te leggen voordat
    alle colleges zijn gevolgd. Daarmee is de verplichting om college te lopen niet vervallen: de college-
    stof kan eventueel ook achteraf gevraagd worden of in plaats daarvan kan aanvullende stof voor het
    tentamen opgegeven worden.
4. Er kunnen in principe geen tentamens worden afgelegd van het tweede studiejaar wanneer aan de
    vereisten (incl. de schriftelijke werkstukken) van de propedeuse nog niet geheel is voldaan. Voor de
    overgang van de bachelor naar de master geldt eenzelfde regeling (zie hiervoor artikel 16).
5. Schriftelijke tentamens vinden plaats op de in de studiegids aangegeven data. Er wordt twee keer per
    jaar gelegenheid gegeven een schriftelijk tentamen af te leggen.
6. Om mee te kunnen doen met schriftelijke tentamens van een ander studiejaar is tijdige opgave (3
    werkdagen voor de geplande datum) vereist.
7. Mondelinge tentamens kunnen aangevraagd worden via het secretariaat (bij voorkeur via e-mail). Zo
    snel mogelijk zal bericht gedaan worden van de definitieve datum, tijd en plaats van het tentamen.
8. Wie zich binnen 48 uur voor een (mondeling) tentamen terugtrekt, kan niet eerder dan na twee
    weken het desbetreffende tentamen alsnog doen en geldt het tentamen als zijnde gedaan.
9. Wanneer tijdens het mondelinge tentamen blijkt dat niet alle stof bestudeerd is kan de docent eisen
    dat het gehele tentamen wordt overgedaan.


214                                                                 Onderwijs- en examenregeling (OER)
10. Wie een onvoldoende voor een mondeling tentamen gehaald heeft, krijgt één herkansing per
    semester, die niet eerder gepland kan worden dan twee weken na de eerste keer dat het tentamen
    gedaan is.
11. Voor zowel de mondelinge als de schriftelijke tentamens geldt dat bij de tweede herkansing niet
    hoger dan een 7 gehaald kan worden.
12. Bij een mondeling tentamen wordt niet meer dan één persoon tegelijk getentamineerd. Mondeling af
    te nemen tentamens zijn in beginsel openbaar

Artikel 12 - Aangepaste tentaminering
Aan lichamelijk of zintuiglijk gehandicapte studenten wordt de gelegenheid geboden de tentamens zoveel
mogelijk op een aan hun individuele handicap aangepaste wijze af te leggen. De betrokkene kan zich
wenden tot de studieadviseur, die hierover met de docent en/of de examencommissie overlegt. De
examencommissie is bevoegd zo nodig deskundig advies in te winnen alvorens een beslissing te nemen.

Artikel 13 - Proponentsexamen
1. Het proponentsexamen (voor admissiaal studenten) kan viermaal per cursusjaar worden afgelegd, op
    jaarlijks vast te stellen data in de maanden september, december, februari en juni. Deze regeling
    staat in verband met de noodzaak van de aanwezigheid van het curatorium.
2. Examens dienen vier weken tevoren schriftelijk te worden aangevraagd bij het secretariaat.

Artikel 14 - Master II-examen
1. Het master II-examen kan afgelegd worden tijdens elke vergadering van het college van hoogleraren.
    Voor data van deze vergaderingen zie men de jaaragenda op p. 14v. van deze gids.
2. Examens dienen vier weken tevoren schriftelijk worden aangevraagd bij het secretariaat. Uiterlijk
    drie weken voor het examen moet de majorscriptie in zevenvoud bij het secretariaat ingeleverd zijn.
3. Bij het examen mogen maximaal 5 genodigden van de examenkandidaat als publiek aanwezig zijn.
4. Gedurende het examen zal alleen de scriptie onderwerp van bespreking zijn:
    - de student houdt een korte presentatie van zijn scriptie (10 minuten), die meetelt bij de
        beoordeling;
    - de begeleider stelt vragen over de scriptie (20 minuten);
    - de (maximaal twee) aangewezen meelezers stellen vragen (20 minuten totaal).
5. Het master II-examen wordt afgesloten met een buluitreiking tijdens een officiële openbare
    plechtigheid, die viermaal per cursusjaar kan plaatsvinden, op jaarlijks vast te stellen data in de
    maanden september, december, februari en juni. Zie voor deze data de jaaragenda op p. 14v.

Artikel 15 - Geldigheidsduur tentamens
1. De resultaten van de behaalde tentamens gedurende de propedeuse behouden hun geldigheid
    maximaal 4 jaar, behoudens bijzondere gevallen, naar het oordeel van het college.
2. De resultaten van de overige behaalde tentamens in de bachelor en master I behouden hun
    geldigheid maximaal 10 jaar, behoudens bijzondere gevallen, naar het oordeel van de
    examencommissie.
3. Voor de master II-fase geldt dat tentamenresultaten maximaal 10 jaar geldig zijn.

Artikel 16 - Instromen van bachelor naar master I
Om in te kunnen stromen in de master, dient de bachelorfase te zijn afgerond. De student die de
bachelor nog niet heeft afgerond kan de examencommissie schriftelijk verzoeken om colleges te mogen
volgen in de master. De examencommissie zal alle aanvragen afzonderlijk beoordelen. Regels die daarbij
in acht genomen worden zijn:
a. de bachelorstudent mag maximaal 30 ECTS open hebben staan van de bachelor
b. een bachelorstudent die van de examencommissie toestemming ontvangt colleges te volgen in de
    masterfase, mag geen tentamens doen in de master zolang nog niet voldaan is aan alle vereisten van
    de bachelor
c. aan de bachelorstudent die toestemming krijgt om de colleges van de master te volgen, wordt via
    extra tentamendata de gelegenheid geboden schriftelijke bachelortentamens tijdens het eerste
    semester van de master af te ronden.

Artikel 17 - Instromen van doctoraal II naar master II
Degenen die per 1 september 2010 nog geen doctoraal II-examen hebben afgelegd, kunnen instromen in
de master II-fase. Daartoe kunnen zij een schriftelijk verzoek indienen bij het college van hoogleraren,
dat vervolgens aan de betreffende student een instroomregeling zal voorstellen.
Voor de master II-fase geldt dat tentamenresultaten maximaal 10 jaar geldig zijn. Dat houdt in dat
doctoraal II-studenten, die per 1 september 2010 master II-studenten wensen te worden, resultaten van
tentamens die vóór 2001 zijn afgelegd, niet mee kunnen nemen naar de master II-fase.

Onderwijs- en examenregeling (OER)                                                                  215
Artikel 18 - Uitslag tentamens
1. Bij een mondeling tentamen stelt de examinator terstond na het afsluiten de uitslag vast en reikt de
    student een desbetreffende verklaring uit.
2. Bij een schriftelijk tentamen stelt de examinator uiterlijk 10 werkdagen na het tentamen de uitslag
    vast en reikt de student een verklaring uit of laat hem deze toezenden. Wanneer de examinator
    voorziet dat hij vanwege dwingende reden niet aan deze termijn kan voldoen, maakt hij dat te voren
    kenbaar. De door de student gemaakte opgave ligt na de beoordeling bij het secretariaat ter inzage
    voor de student. Na drie jaar kan de student de gemaakte opgave opvragen. De opgaven die niet
    worden opgehaald, worden vernietigd.
3. De mondelinge en schriftelijke tentamens en de examens worden beoordeeld aan de hand van de
    beoordelingscriteria zoals omschreven in hoofdstuk 4 in Algemene Studie-informatie (richtlijnen voor
    beoordeling van tentamens en examens). Daartoe wordt voor elk tentamen een beoordelingsmodel
    opgesteld dat na afloop van het tentamen/examen voor de student ter inzage ligt bij de docent of in
    het geval van schriftelijke tentamens bij het secretariaat.
4. Na de beoordeling van een schriftelijke opdracht door de docent, koppelt deze de beoordeling terug
    in een persoonlijk gesprek met de student. De student kan de docent desgewenst op deze regel
    wijzen.
5. In geval van fraude wordt het desbetreffende tentamen gehonoreerd met 1,0. De student kan in dit
    geval voor maximaal een jaar uitgesloten worden van het opnieuw afleggen van dit tentamen. In
    geval van plagiaat geldt een zelfde regeling.

Artikel 19 - Vrijstelling
1. De examencommissie kan op verzoek van de student vrijstelling verlenen van het afleggen van één
    of meer tentamens bij de in artikel 6 genoemde onderwijseenheden, indien de student een examen
    heeft afgelegd aan een inrichting voor hoger beroeps- of wetenschappelijk onderwijs. Indien sprake is
    van een theologische opleiding kunnen, in het geval van ontbreken van equivalentie, aanvullende
    tentamens gevraagd worden.
2. De examencommissie kan personen uit het buitenland, die naar het oordeel van de examencom-
    missie over voldoende ontwikkeling beschikken om het onderwijs met vrucht te volgen, tot de
    colleges en de examens toelaten.

Artikel 20 - Vereisten inschrijving
1. Onverminderd het bepaalde in artikel 19 geldt als vooropleidingseis voor toelating tot de opleiding
    een VWO-diploma of propedeuse HBO.
2. Een master- of doctoraal-examen aan een universiteit geeft recht om toegelaten te worden tot de
    propedeuse van de theologie.
3. Eventuele deficiënties op het gebied van Grieks en Latijn moeten in principe opgeheven worden in de
    bachelorfase. De mogelijkheid daartoe wordt geboden door de eenjarige gezamenlijke vooropleiding
    (van 60 ECTS) van de Theologische Universiteit van de Geref. Kerken in Nederland (vrijgemaakt)
    (TUK) en de Theologische Universiteit van de Chr. Geref. Kerken in Nederland (TUA).
4. In uitzonderingsgevallen geeft het college gelegenheid tot instroom via een colloquium doctum. Het
    colloquium doctum bevat een onderzoek naar de kennis en beheersing van de klassieke talen Grieks
    en Latijn op het niveau van de eindtermen van de eenjarige gezamenlijke vooropleiding (cf. WHW
    art. 7.29).
5. Om in de masterfase te kunnen instromen, moet een student beschikken over een diploma Bachelor
    Theologie dat zowel kwalitatief als kwantitatief equivalent is aan de TUA-bachelor. In geval van signi-
    ficante verschillen zullen aanvullende instroomeisen worden gesteld. Zie hiervoor ook hoofdstuk 6
    van de Studiegids (basiseisen voor instroom van elders).
6. Van studenten wordt gevraagd in principe instemming te betuigen met de gereformeerde belijdenis-
    geschriften.
7. Van studenten die voldoen aan de vereisten om te worden ingeschreven, maar niet geheel kunnen
    instemmen met de gereformeerde belijdenisgeschriften, echter wel affiniteit met het gereformeerde
    belijden hebben, wordt gevraagd het gereformeerde karakter van onze instelling te respecteren.
    Toetsing aan deze confessionele voorwaarde zal in een gesprek vooraf plaatshebben, waarbij drie
    hoogleraren aanwezig zullen zijn. Van dit gesprek zal een schriftelijk verslag worden gemaakt dat
    gevoegd wordt bij het dossier van de desbetreffende student, en waarvan melding aan het
    curatorium wordt gedaan.

Artikel 21 - Becijfering
Bij de beoordeling van curriculum-onderdelen en examens gelden de volgende regels:
1. Bij de becijfering van een tentamen, examen of scriptie wordt niet gewerkt met min/plus, behalve in
     het geval van een 6-. Een 5½ geldt als onvoldoende.


216                                                                  Onderwijs- en examenregeling (OER)
2. Voor zowel de mondelinge als de schriftelijke tentamens geldt dat bij de tweede herkansing niet
   hoger dan een 7 gehaald kan worden.

Artikel 22 - Afronding studiefasen
1. Propedeuse
    Wanneer de resultaten van alle tentamens en andere vereisten van de propedeuse met een
    voldoende zijn afgerond, ontvangt de student een propeusebul.
2. Bachelor
    Wanneer de resultaten van alle tentamens en andere vereisten van de bachelor met een voldoende
    zijn afgerond, ontvangt de student een bachelorbul, een certificaat en gewaarmerkte cijferlijst
3. Maser I
    Wanneer de resultaten van alle tentamens en andere vereisten van de bachelor met een voldoende
    zijn afgerond, ontvangt de student een mater I-bul.
4. Master II:
    De resultaten van de major en eventuele minor(s) moeten voldoende zijn, alvorens een kandidaat het
    master II-examen kan afleggen.
    Na afronding van de master II ontvangt de student in een officiële bijeenkomst een master II-bul,
    een certificaat en een gewaarmerkte cijferlijst.

Artikel 23 - Toekenning van predikaten
1. De toekenning van predikaten is beperkt tot het master II-examen. Het enige predikaat dat kan
    worden toegekend is het predikaat ‘cum laude’. Het predikaat ‘cum laude’ wordt gegeven bij een
    gemiddelde van 8,5 (= 8½) en hoger.
2. Het eindresultaat bij master II wordt bepaald door het gemiddelde van:
    α. het cijfer voor de majorscriptie;
    β. tweemaal het gemiddelde van de majortentamencijfers;
    γ. het gemiddelde van de minortentamencijfers.
3. De examencommissie heeft het recht om een examenkandidaat ondanks het gemiddelde van zijn
    cijfers een predikaat niet toe te kennen, wanneer het verloop van het examen daartoe aanleiding
    geeft, i.c. wanneer bij meer dan één examen de waardering beneden de 6 lag, en slechts door het
    totaal van de cijfers een positief resultaat behaald werd.

Artikel 24 - Colleges van beroep
1. Bij geschillen inzake tentamina, examens en studievoortgangsregistratie kan men zich wenden tot het
    college van beroep, dat voldoet aan de eisen en zich gehouden weet aan de regels van de WHW, art.
    7.60/7.63. Dit orgaan is verantwoording schuldig aan het curatorium. Zie voor de leden van het
    college van beroep p. 194.
2. Het landelijk college van beroep hoger onderwijs is gevestigd aan het Prins Clausplein 60, 2595 AJ
    ’s-Gravenhage, www.collegevanberoepho.nl. Zaken waarvoor je hier terecht kunt zijn o.a. klachten
    m.b.t. vermindering of vrijstelling van collegegeld of examengeld, financiële ondersteuning uit
    afstudeerfondsen, in- en uitschrijving, vrijstelling op grond van andere diploma’s, overtreding van
    huis- en orderegels van de instelling.

Artikel 25 - Onvoorzien
Het college van hoogleraren, c.q. de examencommissie, is bevoegd om in gevallen waarin deze
onderwijs- en examenregeling niet voorziet een ad hoc beslissing te nemen, onder goedkeuring van het
curatorium.




Onderwijs- en examenregeling (OER)                                                                    217
4. Richtlijnen voor beoordeling van tentamens en examens

Beoordelingsbegrippen en -categorieën

1. Kennis
a. Parate kennis: reproductie van feiten, begrippen, relaties, modellen, methoden, principes enz. die in
    de bestudeerde stof voorkomen. Deze vorm van kennis is tot op zekere hoogte voorwaarde voor
    inzicht, probleemoplossing en dergelijke. Parate kennis is te beschouwen als het minimumniveau.
b. Functionele kennis: de student is in staat zelfstandig kennis uit andere vakgebieden (of andere
    onderwerpen uit het vakgebied dat aan de orde is) te betrekken bij de stof. Integratie van kennis-
    inhouden is van meer waarde dan kennis in gescheiden geheugensystemen. Functionele kennis heeft
    een meerwaarde t.o.v. enkel parate kennis.

2. Inzicht (begrip)
a. Basaal niveau: inzicht dat rechtstreeks is gekoppeld aan de kennis: samenhang zien tussen de feiten,
    begrippen goed kunnen uitleggen, voorbeelden kunnen geven enz. Bij dit niveau is slechts tot op
    zekere hoogte sprake van productieve verwerking van informatie.
b. Overzicht: het geheel van de bestudeerde stof kunnen overzien; de structuur ervan kunnen
    uitleggen; feiten, begrippen en relaties kunnen plaatsen.
c. Probleemanalyse en probleemoplossing: convergente en divergente probleemstellingen zelfstandig
    kunnen oplossen. De student toont inzicht in de stof te hebben en is bovendien in staat tot verwer-
    king van informatie op productief niveau. Productie van informatie is een hoger niveau dan reproduc-
    tie en dient daarom hoger gewaardeerd te worden.

3. Evaluatie (oordeel)
Kritisch en evaluerend: Het niveau van kritisch en evaluatief denken kan sterk verschillen. Met name
creativiteit, originaliteit en een eigen visie dienen positief gewaardeerd te worden en verdienen een extra
hoge waardering, mits er sprake is van goede onderbouwing.

4. Toepassing
Het begrip toepassing wordt hier gezien als het toepassen van het geleerde (de regels, principes e.d.) en
het aangeven van het praktisch nut van het geleerde. Deze categorie kan bijvoorbeeld bij de beoordeling
van de kennis van de talen gebruikt worden.


Toepassing in de praktijk

In bovenstaande beoordelingsbegrippen/-categorieën zijn verschillende prestatieniveaus te
onderscheiden en onder te verdelen in 4 niveaus. De hogere (sub)niveaus veronderstellen de lagere.
niveau 1    a. parate kennis
            b. toepassing (bijvoorbeeld bij talen)
niveau 2    c. inzicht op basaal niveau
niveau 3    d. functionele kennis
            e. overzicht
niveau 4    f. probleemoplossing
            g. eigen oordeel en/of visie

-   Het gebruik van bovenstaande principes hangt vooral af van de aard van de leerstof en de doelstelling
    van het tentamen. De combinatie van deze twee factoren bepaalt hoe er zal worden becijferd.
-   Er dient in eerste instantie naar gestreefd te worden om per onderwerp/onderdeel te beginnen met
    het stellen van vragen op beoordelingsniveau 1 en 2 en pas daarna over te stappen op de hogere
    beoordelingsniveaus.
-   Bij de beoordeling van een tentamen dient ook rekening gehouden te worden met gegevens als, hoe
    vlot de student de kennis wist te (re)produceren en de wijze van formuleren.
-   Als het een tentamen van een eerder jaar betreft, kan dat meegenomen worden in de vraagstelling of
    beoordeling.
-   Bij de tweede herkansing van een tentamen kan het cijfer nooit hoger worden dan een 7.




218                                                         Richtlijnen beoordelen tentamens en examens
Nadere concretisering

-   Per tentamen is een beoordelingsmodel opgesteld. Bij het opstellen van het beoordelingsmodel is
    rekening gehouden met de zwaartepunten en de verdeling van de stof, het gewicht van het
    collegedictaat, de te bestuderen literatuur e.d. Het beoordelingsmodel van mondelinge tentamens kan
    ter inzage opgevraagd worden bij de docent. Het beoordelingsmodel van schriftelijke tentamens ligt
    ter inzage bij het secretariaat.
-   De student heeft het recht een bijzitter te vragen bij mondelinge tentamens. Hiertoe kan, gelijk met
    de aanvraag van het tentamen, een schriftelijk verzoek ingediend worden bij het secretariaat. De
    bijzitter wordt door de examencommissie aangewezen.




Richtlijnen beoordelen tentamens en examens                                                         219
5. Scriptiereglement

In het Scriptiereglement TUA staan regels over schriftelijke opdrachten. Het reglement bevat een
algemeen en een specifiek deel. In het algemene deel staan de algemene uitgangspunten en eisen van
de scripties. In het specifieke deel wordt per vak een aanvulling op het algemene deel gegeven.
Er worden verschillende namen gebruikt voor de schriftelijke werkstukken die de student maakt tijdens
de opleiding aan de TUA. In dit reglement is als algemene benaming de term ‘scriptie’ gebruikt. In het
specifieke deel worden de namen gebruikt die in de vakken gehanteerd worden; bijvoorbeeld bachelor-
proef, paper en scriptie. Naast afspraken over scripties bevat het reglement regels voor leesverslagen en
richtlijnen voor citeren en (voet)noten in scripties.


Algemeen

A. Algemene uitgangspunten
1. De student werkt een, in overleg met de docent gekozen onderwerp, op een wetenschappelijk
   verantwoorde manier uit. De scriptie getuigt van een consistent betoog, met gebruikmaking van de
   daartoe geëigende bronnen en literatuur en met behulp van methoden die in het betreffende
   vakgebied gebruikt worden.
2. De vervaardiging van de scriptie vindt in principe plaats onder de verantwoordelijkheid van de docent
   op wiens vakgebied de scriptie betrekking heeft, de docent is tevens de begeleider.

B. Traject van begeleiding
1. Het initiatief gaat uit van de student, die voor de vaststelling van een onderwerp voor de scriptie
   contact zoekt met de betrokken docent. Voor de schriftelijke opdracht in de propedeuse geldt een
   andere regeling (zie specifieke deel schriftelijke opdracht).
2. In het eerste gesprek met de betrokken docent wordt gepoogd gezamenlijk tot de vaststelling van een
   onderwerp te komen. Zonodig zal een tweede gesprek volgen, waarin het onderwerp in onderlinge
   samenspraak bepaald wordt.
3. De student zal n.a.v. dit gesprek een scriptievoorstel bij de docent indienen dat ten minste bevat:
   - een globale omschrijving van het onderwerp;
   - de voorlopige probleem- en doelstelling van het korte onderzoek;
   - de te hanteren methode en voorlopige hoofdstukindeling;
   - de belangrijkste bronnen en literatuur en
   - een tijdpad inclusief streefdatum van afronding.
4. Als de docent dat nodig acht, maakt deze afspraken met de student voor eventuele
   vervolggesprekken. Het staat de student vrij gesprekken aan te vragen voor begeleiding bij het
   schrijven van de scriptie.
5. De ingeleverde scriptie wordt in een vergadering van het college van hoogleraren besproken en
   beoordeeld. Voor de Exegesescriptie in de Master I geldt een andere regeling. Zie daarvoor het
   specifieke gedeelte over de exegesescriptie.
6. Na voltooiing en beoordeling van de scriptie vindt een eindgesprek plaats tussen de docent en de
   student, waarin het resultaat besproken wordt en de student een beoordeling en feedback ontvangt.
   Bij de Masterscriptie vindt beoordeling op een andere manier plaats, zie hiervoor het specifieke
   gedeelte over de masterscriptie.

C. Aanpak en structuur
1. Na de vaststelling van het onderwerp wordt een bibliografisch onderzoek uitgevoerd.
2. Dan volgt de bestudering van de literatuur. Het verdient aanbeveling een zaak-/tekstregister bij te
   houden, evenals een ‘invallen-paper’.
3. Vervolgens wordt een precieze probleem-/doelstelling geformuleerd dat samen met de opzet van de
   scriptie besproken wordt met de begeleider. De opzet moet een heldere structuur hebben, waarbij de
   rode draad vanaf de eerste paragraaf tot het slothoofdstuk inzichtelijk is.
4. Daarna wordt de scriptie opgemaakt (lettertype etc.) De voetnoten en literatuurverwijzingen worden
   gemaakt aan de hand van de TUA-richtlijn.1
5. In het inleidende hoofdstuk worden zowel de probleem- en doelstelling, als de te volgen route van het
   onderzoek helder aangegeven.
6. Het is goed om elk hoofdstuk met een korte samenvatting te besluiten.
7. De scriptie wordt afgesloten met een algemeen concluderend hoofdstuk.
8. In een scriptie mag geen ‘Woord vooraf’ worden opgenomen.



220                                                                                     Scriptiereglement
D. Criteria
1. Het taalgebruik in de scriptie dient (wetenschappelijk) correct en consistent te zijn; de stijl zakelijk,
   objectief en helder. Spelling, punctuatie, grammatica, syntax, alinea-indeling en paragraafindeling zijn
   van belang.
2. De conclusies dienen gerelateerd te worden aan de probleem- en doelstelling en keren in de regel
   weer in het slothoofdstuk.
3. Onnodige uitweidingen dienen vermeden te worden, hoogstens kan additionele stof in de vorm van
   een excurs worden verwerkt.
4. Voetnoten en bibliografische referenties behoren te beantwoorden aan wetenschappelijke normen. Zie
   daarvoor TUA-richtlijn citeren en (voet)noten (hoofdstuk 6 Algemene Studie-Informatie). In de
   voetnoten behoren alleen relevante literatuurverwijzingen te komen en geen kleine bibliografieën.
5. Gedachte-eenheden worden door alinea’s goed gemarkeerd. Samenhangende gedachten worden in
   een beperkt aantal alinea’s gegroepeerd, afgesloten met een witregel.
6. Zinnen, alinea’s, paragrafen en hoofdstukken dienen op een duidelijke en logische wijze aan elkaar
   gerelateerd te zijn. Consistentie en coherentie zijn van groot belang.
7. Vermijd in de hoofdtekst te lange citaten (plaats deze in de voetnoten).
8. Het is van belang de diverse visies, niet het minst als men met een auteur ernstig van mening
   verschilt, op eerlijke en consistente wijze weer te geven.
9. De omvang en andere criteria van de scriptie worden per scriptie in het specifieke deel weergegeven.

E. Inlevering en beoordeling
1. Zie voor het inleveren van de scripties het specifieke deel van dit reglement.
2. De scriptie wordt beoordeeld op wetenschappelijk gehalte, coherentie, consistentie, structuur,
    verwerking van literatuur, kracht van argumentatie en originaliteit.
3. De begeleider doet een voorstel inzake het toe te kennen cijfer. Wanneer de andere docenten/
    meelezers met dit cijfer niet kunnen instemmen, vindt nader inhoudelijk overleg plaats. Wanneer ook
    dat niet tot overeenstemming leidt, wordt het gemiddelde van de twee door de begeleider en door de
    andere docenten voorgestelde cijfers als eindbeoordeling aangehouden. Voor de Exegesescriptie
    Master I geldt een andere regeling. Zie hiervoor het specifieke deel van dit reglement.
4. Indien de scriptie een jaar te laat wordt ingeleverd, kan een punt van het cijfer worden afgetrokken en
    na 2 jaar maximaal 2 punten.

F. Beroepsmogelijkheid
1. Wanneer de student en de betrokken docent tijdens het begeleidingstraject of inzake de beoordeling
   onmogelijk tot overeenstemming kunnen komen, kan hij/zij zich wenden tot het College van Beroep,
   dat de TUA voor deze zaken heeft ingesteld, en dat verantwoording schuldig is aan het curatorium. Zie
   voor het adres p. 194.

G. Onvoorziene omstandigheden
1. Indien zich een situatie voordoet waarin deze regeling niet voorziet, heeft het college van hoogleraren
   het recht een regeling ad hoc te treffen.


Schriftelijke opdracht A-jaar

A. Algemene uitgangspunten
1. De schriftelijke opdracht heeft als doel, om via een zelfstandige kennismaking met theologische
   literatuur, de initiële vaardigheden te verwerven om een beknopt schriftelijk werkstuk op het terrein
   van een theologische (hulp)discipline te maken.
2. De scriptie bevat een zelfstandig geschreven tekst.

B. Traject van begeleiding
1. Het initiatief gaat uit van het college van hoogleraren, deze doet een voorstel voor een onderwerp op
   een door de student gekozen vakgebied.
2. Voor suggesties voor bibliografisch materiaal kan de student de begeleider vragen.

C. Tijdschema
Voor de vervaardiging van de schriftelijke opdracht is een tijdschema opgesteld en toegevoegd aan de
beschrijving van dit onderdeel in de studiegids. Met het oog op de begeleiding en een tijdige afronding
van deze opdracht is het raadzaam dit schema te volgen.


1 Zie: hoofdstuk 6 van de Algemene Studie-Informatie over citeren en (voet)noten in scripties.

Richtlijnen beoordelen tentamens en examens                                                             221
D. Criteria en beoordeling
1. De omvang van de scriptie is, afgezien van de bijlagen, ongeveer 5.000 tot 7.000 woorden.
2. De schriftelijke opdracht wordt integraal besproken in het college van hoogleraren.
3. De opdracht wordt beoordeeld op de kwaliteit van het werk, waarbij de eindtermen functioneren als
   referentiekader. Onderdelen hierbij zijn wetenschappelijk gehalte, structuur, verwerking van de
   literatuur, taal, stijl en eigen inbreng.
4. De mate waarin de student zich heeft gehouden aan de beschikbare tijd wordt meegenomen in de
   becijfering. Daarbij kan rekening worden gehouden met bijzondere situaties indien deze tijdig zijn
   aangegeven.
5. Er vind een eindgesprek plaats tussen begeleider en student, waarin de punten die besproken zijn in
   het college van hoogleraren worden teruggekoppeld naar de student.


Bachelorproef
A. Algemene uitgangspunten
1. De bachelorproef markeert de afronding van de bacheloropleiding. De student geeft er blijk van
   zelfstandig onderzoek op het terrein van één van de theologische hoofddisciplines te kunnen
   uitvoeren.
2. De bachelorproef is mede het resultaat van inhoudelijke verwerking van wat anderen reeds hebben
   geschreven en gaat daarom verder dan het reproduceren daarvan. De scriptie bevat een zelfstandig
   geschreven tekst die getuigt van kritisch inzicht en een eigen gemotiveerd oordeel.
3. Het is niet toegestaan een bachelorproef te schrijven over een onderwerp op een vakgebied dat niet in
   de bachelor wordt gedoceerd (bijv. poimeniek dat pas in de master aan de orde komt).
4. Als voor een oudtestamentisch of nieuwtestamentisch onderwerp gekozen wordt dan kan voor de
   Exegesescriptie in de Master I niet weer voor een onderwerp op ditzelfde vakgebied gekozen worden.

B. Traject van begeleiding
1. Ten behoeve van de vervaardiging van de de bachelorproef ontvangt de student een cursus methodo-
   logie die gericht is op het verwerven van vaardigheden die hij/zij bij de opzet en uitwerking van de
   bachelorproef nodig heeft.
2. De scriptie wordt door het secretariaat ook naar de docent methodologie ter beoordeling opgestuurd.

C. Tijdschema
- Begin januari:
   Student bespreekt het door hem gekozen onderwerp met de vakhoogleraar (begeleider) en begint
   met inlezen.
- Medio februari:
   De student dient een scriptievoorstel in dat tenminste bestaat uit:
   1. Globale omschrijving van het onderwerp;
   2. Probleem- en doelstelling van het korte onderzoek;
   3. Te hanteren methode en voorlopige indeling in hoofdstukken;
   4. Belangrijkste bronnen en literatuur;
   5. Tijdpad, incl. streefdatum van afronding.
   Bovenstaande wordt uiterlijk 10 werkdagen na inlevering besproken met de begeleider.
- Begin april:
   Inleveren en bespreking met begeleider van de inleiding en het eerste hoofdstuk.
- Eind mei:
   Inleveren van de concept-bachelorproef bij begeleider en meelezer, waarna het concept met de
   begeleider wordt besproken.
- Medio juni:
   Inleveren van de definitieve versie van de bachelorproef ter beoordeling in de vergadering van het
   college van hoogleraren eind augustus. De definitieve versie wordt ten minste 10 werkdagen
   voorafgaand aan de vergadering van het college van hoogleraren in 7-voud ingeleverd.

D. Criteria en beoordeling
1. De omvang van de scriptie is, afgezien van de bijlagen minimaal 10.000 en maximaal 15.000
   woorden.
2. De docent methodologie geeft een advies aangaande de beoordeling van de scriptie aan het college
   van hoogleraren.
3. Ten behoeve van de bachelorproef wordt zodra het onderwerp bekend is, een meelezer aangewezen
   die samen met de begeleider een voorstel doet voor het cijfer, dat vastgesteld wordt in een
   vergadering van het college van hoogleraren.


222                                                                                    Scriptiereglement
4. De bachelorproef wordt beoordeeld op de kwaliteit van het werk, waarbij de eindtermen functioneren
   als referentiekader. Onderdelen hierbij zijn wetenschappelijk gehalte, coherentie, consistentie,
   structuur, originaliteit, verwerking van de literatuur, taal, stijl en kracht van argumentatie.
5. De mate waarin de student zich heeft gehouden aan de beschikbare tijd wordt meegenomen in de
   becijfering. Daarbij kan rekening worden gehouden met bijzondere situaties indien deze tijdig zijn
   aangegeven.
6. Er vind een eindgesprek plaats tussen begeleider en student, waarin de punten die besproken zijn in
   het college van hoogleraren worden teruggekoppeld naar de student.


Exegesescriptie in de Master I

A. Algemene uitgangspunten
1. De exegesescriptie wordt geschreven in het eerste jaar van de master. De student ontwikkelt een
   zelfstandige wijze van exegetiseren, toegepast op een perikoop uit het Oude of Nieuwe Testament. De
   student geeft met de scriptie blijk van vaardigheid in het handwerk van de exegese.
2. Als voor de Bachelorproef een onderwerp op het vakgebied van OT of NT is gekozen, dan is het niet
   mogelijk om voor de Exegesescriptie opnieuw voor een onderwerp op datzelfde vakgebied te kiezen.

B. Traject van begeleiding
1. De student levert – na bestudering van de stof – een opzet in bij de hoogleraar Oude of Nieuwe Testa-
   ment. In overleg tussen hoogleraar en student wordt een vervolgtraject afgesproken, waarbij ten
   minste nog één contactmoment plaats zal vinden voor de voltooiing van de scriptie.

C. Criteria
1. De opzet van de scriptie is als volgt:
   - Korte inleiding waarin de plaats van het gedeelte in directe en brede context wordt aangegeven;
       relevante gegevens uit de canoniek kunnen hier verwerkt worden.
   - Structuurschema van de perikoop.
   - Vervolgens de vers voor vers verklaring (eigen vertaling, tekstkritische gegevens voorzover
       relevant, commentaar).
   - Besluit de exegese met een paragraaf over de ‘prediking’ van het geëxegetiseerde gedeelte.
2. Het werkstuk moet een omvang hebben van ± 13.000 woorden, inclusief voetnoten onderaan de
   pagina en literatuurvermelding.

D. Beoordeling
1. De scriptie wordt op de volgende punten beoordeeld:
   - correcte uitvoering (taal/stijl/bibliografische referenties etc.);
   - evenwichtige verdeling van de aandacht;
   - volledigheid (geen elementen laten liggen);
   - nauwkeurigheid (precisie over de hele linie);
   - originaliteit (inbreng eigen inzichten);
   - eerlijkheid (recht doen aan literatuur, luisteren naar de tekst en niet opleggen eigen dogmatische
      denkpatronen).
2. In een eindgesprek met de hoogleraar wordt de scriptie besproken, krijgt de student feedback en
   wordt het cijfer vastgesteld.


Scriptie Dogmatiek IV

A. Algemene uitgangspunten
1. De dogmatiekscriptie wordt eveneens geschreven in het eerste jaar van de master en gaat over een
   dogmatisch onderwerp dat gekozen kan worden uit een aantal mogelijkheden.
2. De student geeft met de scriptie blijk van de vaardigheid een dogmatisch vraagstuk of dogmatische
   discussie uit te leggen en er een standpunt over te ontwikkelen.

B. Traject van begeleiding
1. In overleg met de docent Dogmatiek, spreekt de student een onderwerp voor de scriptie af.
2. In overleg tussen docent en student wordt een vervolgtraject afgesproken. In ieder geval wordt een
   deadline voor het inleveren van de scriptie overeengekomen.

C. Criteria
1. Het aantal studiebelastingsuren voor de scriptie is 12 uur.

Richtlijnen beoordelen tentamens en examens                                                          223
2. De te gebruiken literatuur is circa 6 boeken.
3. De scriptie bestaat uit maximaal 3.000 woorden.

D. Inlevering en beoordeling
1. De student wordt door de docent ingepland voor een werkcollege om de scriptie te presenteren.
   Eventuele aandachtspunten die resulteren uit deze presentatie dienen verwerkt te worden in de
   definitieve versie van de scriptie.
2. De scriptie wordt voor de afgesproken deadline ingeleverd bij de docent. Deze beoordeelt de scriptie
   binnen veertien dagen met een cijfer, dat hij mondeling of schriftelijk toelicht.
3. De beoordeling vindt plaats op de eerlijkheid en helderheid van de theologische analyse, en op de
   argumentatie betreffende de eigen evaluatie


Masterscriptie

A. Algemene uitgangspunten
1. De Masterscriptie vormt de afronding van een zesjarige theologische studie, waarmee de student een
   proeve van bekwaamheid tot wetenschappelijk onderzoek aflegt. Met de Masterscriptie geeft de
   student er blijk van dat hij/zij op het terrein van een specifieke theologische subdiscipline voldoende
   inzicht en vaardigheid heeft verworven om een wetenschappelijk verantwoorde verhandeling te
   schrijven. De scriptie is gebaseerd op een onderzoek naar een in principe zelf gekozen, goed
   afgebakende probleemstelling.

B. Begeleiding
1. De student doet een voorstel voor de scriptie die vervolgens wordt besproken en goedgekeurd door
   de begeleidende docent. Daarna legt de student het voorstel voor aan het college van hoogleraren.
2. Na de goedkeuring van het scriptievoorstel door het college van hoogleraren worden twee andere
   docenten als medebeoordelaar aangewezen. Op verzoek van de begeleidende docent kunnen de
   medebeoordelaars betrokken worden bij de begeleiding. Tijdens het afleggen van het examen nemen
   zij deel aan de scriptiebespreking.
3. Bij de vaststelling van het scriptieonderwerp kan indien gewenst al rekening worden gehouden met
   een eventueel beoogd promotieonderzoek.
4. De begeleidende docent zal met de student afspraken maken over het verdere traject van bege-
   leiding, waarbij het tijdpad en de frequentie van de begeleidingsgesprekken (minstens vier) nader
   vastgesteld worden, inclusief een streefdatum voor de afronding van de scriptie. Met name de eva-
   luerende gesprekken over de eerste hoofdstukken die worden ingediend, zijn van belang.
5. De student levert zijn/haar voor de docent bestemd materiaal op papier aan en slechts in
   uitzonderingsgevallen digitaal.
6. Na de voltooiing van de scriptie vindt een eindgesprek tussen student en begeleidende docent plaats,
   waarbij de docent na lezen van het geheel zijn laatste aanwijzingen doorgeeft.

C. Aanpak en structuur
1. Voor het bibliografisch onderzoek kan men bijvoorbeeld gebruiken: de Elenchus of Biblica (Rome), de
   Ephemerides Theologicae Lovanienses (Leuven), de Zeitschrifteninhaltsdienst (ZID), registers van Old
   Testament Abstracts (OTA) of New Testament Abstracts (NTA) etc. Een bezoek aan de goed
   geoutilleerde bibliografische afdeling van de bibliotheek van de TUK verdient aanbeveling.
2. Na de literatuurverzameling leze men eventueel een handleiding bij het maken van academische
   werkstukken en/of een recente dissertatie die met het judicium ‘cum laude’ gewaardeerd werd, om
   aanvullende suggesties voor de eigen aanpak te verkrijgen.
3. Na het concluderend hoofdstuk wordt een samenvatting van maximaal 400 à 500 woorden
   toegevoegd. De conclusies dienen systematisch en logisch geordend te zijn.

D. Criteria
1. De conclusies waartoe het onderzoek leidt, dienen gerelateerd te worden aan de
   onderzoeksvraagstelling; probleem- en doelstelling zullen in de regel in het slothoofdstuk weerkeren
   en een beantwoording krijgen.
2. Het is van belang de diverse visies, niet het minst als men met een auteur ernstig van mening
   verschilt, op eerlijke en consistente wijze weer te geven.
3. De omvang van de scriptie telt, afgezien van de bijlagen maar inclusief de noten, minimaal 42.000 en
   maximaal 60.000 woorden.




224                                                                                      Scriptiereglement
E. Inlevering en beoordeling
1. De scriptie wordt, na de goedkeuring door de begeleidende docent, door de student minimaal drie
    weken voor het masterexamen in 7-voud ingeleverd bij het secretariaat (vijf exemplaren voor de
    hoogleraren, een exemplaar voor het curatorium en een exemplaar voor de bibliotheek). De kosten
    van deze scriptie zijn voor de student zelf.
2. De scriptie wordt besproken in een vergadering van het college van hoogleraren:
     de student houdt een korte presentatie van zijn/haar scriptie (10 minuten), die meetelt bij de
      beoordeling;
     de begeleider stelt vragen over de scriptie (20 minuten);
     de (maximaal twee) aangewezen meelezers stellen vragen (20 minuten totaal).


Leesverslag
A. Omschrijving
1. In de categorie leesverslag vallen alle verslagen van boeken en/of artikelen die in de Studiegids
   vermeldt staan, tenzij bij een bepaald vak nadrukkelijk aangegeven staat dat dit niet het geval is.
2. Een leesverslag is een analyse van boeken en/of artikelen, waarbij het van belang is dat de student
   toont dat hij/zij de stof gelezen en begrepen heeft en in staat is een reflectie te geven op de stof.

B. Criteria
1. Het leesverslag moet bestaan uit de volgende elementen: samenvatting, analyse en eigen reflectie
   (vragen en kritiek).
2. De omvang van het leesverslag kan worden opgemaakt uit onderstaand schema, één en ander in
   overleg met docent.

Categorie 1 (moeilijk):
1 bladzijde leesverslag, betekent 10 bladzijde bron lezen én kost totaal 3⅓ uur.
In 1 uur kunnen 3 bladzijden bron worden gelezen én ⅓ pagina leesverslag worden gemaakt.
100 bladzijden bron lezen betekent 10 bladzijde leesverslag én kost totaal 33⅓ uur.

Categorie 2 (gemiddeld):
1 bladzijde leesverslag, betekent 20 bladzijde bron lezen én kost totaal 4 uur.
In 1 uur kunnen 5 bladzijden bron worden gelezen én ¼ pagina leesverslag worden geproduceerd.
100 bladzijden bron lezen betekent 5 bladzijde leesverslag én kost totaal 20 uur.

Categorie 3 (makkelijk):
1 bladzijde leesverslag, betekent 30 bladzijde bron lezen én kost totaal 4⅓ uur.
In 1 uur kunnen 7 bladzijden bron worden gelezen én ¼ pagina leesverslag worden geproduceerd.
100 bladzijden bron lezen betekent 3⅓ bladzijde leesverslag én kost totaal 14⅓ uur.

C. Inleveren en beoordeling
1. Het leesverslag wordt ingeleverd bij de vakdocent.
2. Beoordeling vindt plaats op de volgende onderwerpen:
   - Heeft de student alles gelezen?
   - Heeft de student de stof begrepen?
   - Kan de student zelf over de stof nadenken?
   - Weet de student de stof in een breder verband te plaatsen?
   - Heeft de student originele inzichten ontwikkeld, of ideeën gekregen?


Eindpaper Exegese
A. Omschrijving
1. Het eindpaper Exegese is het verslag van een werkgroep die gedurende een collegeblok met de
    exegese van een bepaalde perikoop is bezig geweest.

B. Criteria
1. Het paper bevat een globale exegese van de opgegeven perikoop.
2. Het paper bevat een uitwerking van één speerpunt in de exegese van de perikoop. Dit kan
   bijvoorbeeld de achtergrond en canoniek van de perikoop zijn, of de relatie van de perikoop met een
   ander tekstgedeelte.
3. Het paper is maximaal 7 pagina’s groot.

Richtlijnen beoordelen tentamens en examens                                                            225
C. Inleveren en beoordeling
1. Het paper wordt ingeleverd bij de vakdocent.
2. Er wordt geen cijfer gegeven voor het paper. Het paper is een resultaat van werkcolleges die als
   oefening worden beschouwd. De docent behandelt met de werkgroepen de zwakke en sterke punten
   van de papers.




226                                                                                 Scriptiereglement
6. Citeren en (voet)noten in scripties
Afkortingen
- Voor afkortingen geldt als norm het Abkürzungsverzeichnis TRE (Theologische Realenzyklopädie),
   Berlin-New York, 1976.
- Gebruik (standaard)afkortingen in de noten. Zie voor de officiële afkortingen een woordenboek.
- Voor afkortingen van de bijbelboeken dienen de richtlijnen van het NBG gebruikt te worden.

Definitie citaat
letterlijk weergegeven woorden (gedeelte van een zin, definitie, uitspraak, stuk tekst) van een ander.

Regels voor citaten:
- Gebruik enkele aanhalingstekens bij citeren, ironie, omschrijvingen, anderstalige woorden: ‘enkele
  aanhalingstekens’.
- Indien binnen een citaat een woord of enkele woorden aanhalingstekens vragen, gebruik dan dubbele
  aanhalingstekens: ‘gebruik binnen een citaat “dubbele” aanhalingtekens’.
- Ga exact te werk bij het citeren. Staan er fouten in het citaat, zet er dan bij (sic!). Dit woord geeft aan
  dat u geen citaatfouten hebt gemaakt.
- Citaten in een andere taal dan de taal van de scriptie bij voorkeur niet in de tekst maar in de voetnoot
  weergeven.
- Citaten dienen zoveel mogelijk in de brontaal en dan vanuit beschikbare wetenschappelijke edities
  weergegeven te worden. Dus zo min mogelijk gebruikmaken van vertalingen.
- Bij weglaten van een deel van de geciteerde tekst, geef dat aan met (…).
- Bij verandering of vertaling van het citaat, geef dat aan met uw initialen erbij (JWZ).

Definitie parafrase
geleend idee van een ander dat u beschrijft met eigen woorden, met evenveel woorden als het origineel.

Regels voor parafrase:
- Herschrijf het origineel met ongeveer eenzelfde aantal woorden.
- Behoud de toon van het origineel.
- Handhaaf wel de oorspronkelijke eigen woorden en termen van de originele tekst; zet deze tussen
  aanhalingstekens.
- Voorkom de indruk van plagiaat. Noteer bij citaat/parafrase altijd een literatuurverwijzing of een
  titelbeschrijving die bij de literatuurverwijzing behoort.

(Voet)noten
Gebruik uitsluitend voetnoten, geen eindnoten en ook geen combinatie van eind- en voetnoten.
- Met doorlopende nummers op de bladzijde wordt naar de voetnoten verwezen onderaan de bladzijde
   of achteraan het hoofdstuk.
- Nummer de voetnoten per hoofdstuk.
- Schrijf de voetnoten met een ruime spatie (of lijn) gescheiden van de bladspiegel en gebruik voor de
   voetnoten een kleiner lettertype dan voor de tekst gebruikt wordt.
- Laat in principe een voetnoot niet naar de volgende bladzijde doorlopen.
- Plaats elke noot op een nieuwe regel.
- Maak de noot zo kort mogelijk.
- Wees zuinig met het volstoppen van de voetnoten met overbodige informatie en discussies.
- Literatuurverwijzingen naar de oorspronkelijke uitgave, tenzij er een wetenschappelijke editie
   beschikbaar is. Bij vertalingen tevens melden: vert. van en dan volgen de gegevens van de originele
   editie. (bijvoorbeeld: Scopello, Madeleine, in: Böhm, Thomas e.a. (red.), Die Geschichte des
   Christentums, Religion. Politik. Kultur, Altertum 1, Freiburg: Herder, 2003/2005, 518-551 (Duitse
   uitgave van Pietri, Luce (red.), Histoire du christianisme des origines à nos jours, Tome 1: Le Nouveau
   Peuple, Paris: Desclée, 2000).
- In de noten wordt een literatuurverwijzing als volgt weergegeven: <auteursnaam>, <verkorte titel>,
   <pagina’s> òf bij een artikel: <auteursnaam>, <‘verkorte titel’>, <pagina’s>. Bijvoorbeeld: Peels,
   Wraak, 20-23; Selderhuis, ‘Loci Communes’, 171-190.

Literatuurlijst
Er zijn verschillende manieren om een titel goed weer te geven. Enkele algemene regels die in acht
genomen moeten worden:
- Neem altijd de omschrijving van de titelpagina (niet van de omslag).


Citeren en (voet)noten in scripties                                                                      227
-   Zorg voor een rustige en overzichtelijke bladspiegel.
-   Wees consequent en geef de titelgegevens correct weer.
-   Orden de publicaties alfabetisch en chronologisch in de literatuurlijst.

Regels voor een boek:
- <naam auteur, voorletters>, <titel>, <plaats>: <uitgever>, <jaar van uitgave>.
- Peels, H.G.L., De Wraak van God. De betekenis van de wortel NQM en de functie van de NQM-teksten
  in het kader van de oudtestamentische godsopenbaring, Zoetermeer: Boekencentrum, 1992.
- Bij twee auteurs worden beide vermeld (gescheiden door een komma). In het geval van drie of meer
  volstaat ‘e.a.’ na de naam van de eerste auteur.
- De afkorting voor een uitgever/redacteur van een bundel is ‘red.’ (NE), ‘ed.’ (EN) en ‘Hrsg.’ (DU).
   Genderen, J. van, W van ’t Spijker e.a. (red.), Luisteren en leren, Amsterdam: Buijten &
      Schipperheijn, 1994.
   Scopello, M., in: T. Böhm e.a. (Hrsg.), Die Geschichte des Christentums, Religion. Politik. Kultur,
      Altertum 1, Freiburg: Herder, 2003/2005, 518-551 (Duitse uitgave van L. Pietri (Hrsg.), Histoire du
      christianisme des origines à nos jours, Tome 1: Le Nouveau Peuple, Paris: Desclée, 2000).

Regels voor een artikel:
- <naam auteur, voorletters>, ‘<titel artikel>’, in: <naam tijdschrift>, <plaats>: <uitgever>, <jaar
  van uitgave>, <bladzijde>.
   Selderhuis, H.J., ‘Die Loci Communes des Wolfgang Musculus: Reformierte Dogmatiek Anno 1560’,
      in: W.H. Neuser und H.J. Selderhuis, Ordenlich und Fruchtbar (Festschrift für W. van ’t Spijker
      Anläßlich seines Abschieds als Professor der Theologischen Universität Apeldoorn), Leiden: Groen,
      1997, 171-190.

Regels voor een internetartikel:
- Zoek zover mogelijk terug naar de bron waaruit geciteerd is. Gebruik verwijzingen naar
  internetartikelen als regel niet. Anders: <naam auteur>, ‘<titel>’, <url>, <tijd>.
   Nerd, C., ‘De waan van de dag’, http://compunerd.gebruikers.wanna.be/artikelen, februari 2005.




228                                                                        Citeren en (voet)noten in scripties
7. Richtlijnen voor preek(kritiek)

Preekvoorstel
Voor een preekvoorstel mag geen tekst gekozen worden waarover in de afgelopen drie jaar gepreekt is.
Geadviseerd wordt voordat een definitieve keuze gemaakt wordt eerst het tekstregister in te zien dat
staat bij het secretariaat. De preekvoorstellen kunnen gekopieerd worden op kosten van de universiteit,
voorzover en voor zoveel zij in opdracht van een docent vervaardigd worden.
Studenten naar artikel 16 van het Reglement mogen, op hun eigen verzoek en in overleg met de docent,
in plaats van een preekvoorstel ook een meditatie inleveren.


Praktische homiletiek
-   De tekst voor de te houden preek wordt gekozen door de student in overleg met prof. dr. A. Baars.
-   De preek dient een week voor het desbetreffende preekcollege ingeleverd en gekopieerd te zijn voor
    studenten van Ba-5 t/m Ma-3, prof. Baars en het portfolio (inleveren bij het secretariaat).
-   Het college is verplicht voor studenten van Ba-5 t/m Ma-3 en toegankelijk voor het Ba-3/4.
-   Kritiseren gebeurt op basis van verplichting door studenten van Ba-5 t/m Ma-3.
-   Vier studenten geven kritiek: op het eerste gehoor, taal/stijl/liturgie, exegese/homilese I en
    exegese/homilese II.
-   Voor exegese/homilese-kritiek worden in het eerste semester bij voorkeur studenten van Ma-1 t/m
    Ma-3 genomen, in het tweede semester studenten van Ba-5 t/m Ma-2.
-   De volgorde van kritiseren op exegese/homilese is in volgorde van de jaren (bijv. eerst Ma-1/2 en
    daarna Ma-3 òf eerst Ba-5/6 en daarna Ma-1/2).


Master I-kritiekcollege (9e semester)
-   De tekst wordt 5 weken voor het kritiekcollege door het college van hoogleraren opgegeven aan de
    predikator.
-   De preek dient een week voor het desbetreffende preekcollege door de student zelf ingeleverd te
    worden bij de curator-begeleider, de hoogleraren en de critici. De preek dient tevens een week
    tevoren digitaal ingeleverd te worden ten behoeve van verzending aan de studenten van Ba-3 t/m Ma-
    3, admissiale studenten van Ma-4 t/m Ma-6 en de hoogleraren.
-   Het college is verplicht voor studenten van Ba-3 t/m Ma-3 en admissiale studenten van Ma-4 t/m Ma-
    6. Het college is toegankelijk voor studenten van Ba-1/2 indien zij op dat moment geen college
    hebben van een docent, en voor niet-admissiale studenten van Ma-4 t/m Ma-6.
-   Kritiseren gebeurt op basis van verplichting door studenten van Ba-5 t/m Ma-3.
-   Kritiek op het eerste gehoor, taal/stijl/liturgie, exegese/homilese worden door alle drie de critici uit de
    studenten gegeven (maximaal te besteden tijd is 5 minuten).
-   De volgorde van kritiseren is in volgorde van de jaren (bijv. eerst Ma-1/2 en daarna Ma-3 òf eerst Ba-
    5/6 en daarna Ma-1/2).


Master II-kritiekcollege (12e semester)
-   De tekst wordt 5 weken voor het kritiekcollege door het college van hoogleraren opgegeven aan de
    predikator.
-   De preek dient een week voor het desbetreffende preekcollege door de student zelf ingeleverd te
    worden bij de curator-begeleider, de hoogleraren en de critici. De preek dient tevens een week
    tevoren digitaal ingeleverd te worden bij het secretariaat ten behoeve van verzending aan de
    studenten de studenten van Ba-3 t/m Ma-3, de admissiale studenten van Ma-4 t/m Ma-6 en de
    hoogleraren.
-   Het college is verplicht voor alle admissiale studenten van Ba-3 t/m Ma-6 en toegankelijk voor de
    overige studenten. Eerstejaars studenten mogen dit kritiekcollege alleen bijwonen als ze geen andere
    collegeverplichtingen hebben.
-   Kritiseren door niet-admissiale studenten gebeurt op basis van vrijwilligheid, door admissiale
    studenten op basis van verplichting.
-   Kritiek op het eerste gehoor, taal/stijl/liturgie, exegese/homilese worden door alle drie de critici uit de
    studenten gegeven (maximaal te besteden tijd is 5 minuten).
-   Het kritiseren gaat in volgorde van de jaren (bijv. Ma-1/2 daarna Ma-3 òf Ba-5/6 en daarna Ma-1/2).


Richtlijnen preek(kritiek)                                                                                 229
8. (Extra)curriculaire colleges en bijeenkomsten
Ochtendgebed
Gedurende de collegeperiode wordt elke dinsdagmorgen van 9.00-9.20 uur gezamenlijk de collegeweek
begonnen. Studenten van het B-, C- en D-jaar verzorgen deze ochtendgebeden. Zij worden door het
secretariaat ingeroosterd.

Integratieweek
In het eerste semester wordt een integratieweek georganiseerd. Vanuit de verschillende vakgebieden
wordt dan nagedacht over één gemeenschappelijk thema. De integratiecolleges zijn verplicht voor alle
bachelor- en masterstudenten (1e t/m 6e jaar). Meer informatie wordt gegeven bij de uitwerking van de
vakken van respectievelijk het Ba-1, Ba-3, Ba-5, Ma-1, Ma-3 en Master II.

Themadagen/Studiereis
Jaarlijks wordt aan het begin van het vierde collegeblok de themadagen of een themareis georganiseerd.
Deze themadagen of studiereis zijn/is verplicht voor de bachelor- en masterstudenten (1e t/m 6e jaar).
Studenten van de vooropleiding worden uitgenodigd (een dag) aanwezig te zijn. Meer informatie wordt in
de studiegids gegeven bij de uitwerking van de vakken van respectievelijk het Ba-2, Ba-4, Ba-6 en Ma-2
en Master II

Gastcolleges
Regelmatig worden gastcolleges gegeven. Wensen voor onderwerpen of voor een bepaalde spreker
kunnen via de jaarvertegenwoordiger aan de SAR voorgelegd worden. Alle studenten worden geacht bij
deze colleges aanwezig te zijn. Dit geldt niet voor de studenten van de vooropleiding.

Kritiekcolleges
De master I- en master II-kritiekcolleges zijn verplichte extra-curriculaire preekcolleges voor admissiale
studenten. Bij de master I-kritiekcolleges worden tevens de artikel 16 studenten van Ba-3 t/m Ma-3
verwacht. Preekvoorstellen worden geleverd door admissiale master I-, resp. master II-studenten.

Logopedie
Voor de studenten van het vierde en vijfde studiejaar staat in het curriculum logopedie ingeroosterd. De
propedeuse studenten en degenen die dit cursusjaar vanuit een opleiding elders aan de TUA zijn
ingestroomd, worden gescreend door de logopediste. Mocht uit deze screening blijken dat logopedie in
een eerder stadium dan het vierde studiejaar nodig is, dan wordt voor de student een regeling voor
individuele begeleiding getroffen.

Cursus Duits
In het eerste collegeblok wordt een extracurriculaire cursus Duits aangeboden. De colleges worden
verzorgd door de heer Leune (leraar Duits op het Fruytiercollege te Apeldoorn) en gegeven op
woensdagmiddag van 15.45-16.45 uur.
De kosten van de lessen worden betaald door de TUA op voorwaarde dat de cursus wordt afgerond. Bij
vroegtijdige beëindiging, kan een bijdrage in de kosten gevraagd worden.

Schooldag
Op de laatste zaterdag in september staat de jaarlijkse schooldag gepland. Op deze dag worden
belangstellenden uit de CGK en anderen uitgenodigd. Er worden bijeenkomsten georganiseerd in het
kerkgebouw van de Gereformeerde Gemeente aan de Graaf van Lijndenlaan en de Barnabaskerk (CGK)
aan de Canadalaan. In de universiteit worden kinderprogramma’s verzorgd.
Alle studenten worden bij de schooldag verwacht en te helpen bij de verschillende taken. Een overzicht
van de taken wordt in september opgesteld en in de postvakken gelegd.




230                                                          (Extra)curriculaire colleges en bijeenkomsten
9. Mentoraat / Persoonlijke en praktische vorming

Algemeen
Bij aanvang van zijn/haar studie krijgen de studenten (ook de studenten van de vooropleiding) een
hoogleraar als mentor toegewezen. In principe blijft deze hoogleraar gedurende de hele studie zijn/haar
mentor. Tweemaal per studiejaar wordt een gesprek met de mentor gepland. Daarnaast kan de student
zelf een gesprek met de mentor aanvragen.
Voorafgaand aan het mentorgesprek levert de student bij de mentor een beknopte omschrijving in van
de studievoortgang en van ontwikkelingen in zijn/haar geestelijke leven. Daarbij kan o.a. gebruik
gemaakt worden van tentamenresultaten, eerder ingeleverde omschrijvingen ten behoeve van
mentorgesprekken, ingeleverde preekvoorstellen en stageverslagen (zie punten ‘inhoud portfolio’).
Tevens denkt de student na over mogelijke onderwerpen waarover hij/zij tijdens het mentorgesprek wil
spreken. Na afloop van het mentorgesprek vult de mentor, in overleg met de student, het
gespreksformulier in, dat bewaard wordt in het portfolio van de student en kan dienen ter voorbereiding
op een volgend gesprek. Wanneer de student de universiteit verlaat kan de hij/zij het portfolio
meekrijgen.


Richtlijn voor mentoraatsgesprekken
Een belangrijk thema bij het mentoraatsgesprek is de studievoortgang van de student. De aard van de
opleiding aan de TUA waar een persoon tot instrument wordt opgeleid, brengt echter met zich mee dat in
een mentoraatsgesprek ook de persoonlijkheidsvorming aan de orde komt.
Voor bijna alle studenten is de studie theologie een kwestie van roeping van de HERE. Voor velen is
echter niet goed duidelijk tot welk werk de HERE roept. Daarom is het goed te vragen of er duidelijkheid
is of komt; of de student merkt hoe de Heilige Geest wegen opent en afsluit.
Nauw hiermee verbonden, is de vraag naar de geloofsontwikkeling van mensen. Vele studenten krijgen in
de studie in meer of mindere mate met een crisis te maken. De vele opvattingen van filosofen en theo-
logen waar ze mee te maken krijgen, vormen een aanslag die bij sommige studenten behoorlijk schade
aanricht. Geloof ik eigenlijk wel? Geloof ik niet verkeerd? Dit punt moet in een gesprek aan de orde
komen, waarbij de vraag naar geloofsverdieping, van het leven met de HERE, steeds weer terug moet
komen. Er dient concreet gevraagd te worden naar het gebedsleven en de persoonlijke omgang met de
Schrift.
De persoonlijke ontwikkeling is onlosmakelijk met het voorgaande verbonden. Dat geldt zeker voor de
vele jonge studenten. Er kan o.a. gevraagd worden naar hun zelfbeeld; wat vinden ze bij zichzelf positief
en negatief; zijn er dingen die ze bij zichzelf graag anders zouden zien en werken ze daaraan. Op deze
wijze kan het mentoraatsgesprek het werken aan een beroepshouding en het ontwikkelen van competen-
ties bevorderen. Daarbij dienen de geformuleerde profielen als maatstaf gebruikt te worden.
Er is een tendens om - zowel wat betreft de studie als het uit te oefenen beroep - meer over de werkdruk
dan over de werkvreugde te spreken. De vraag of de studie ook plezier oplevert moet aan de orde
komen. Echter ook de vraag of het besef er is dat het werk in Gods Koninkrijk grote offers vraagt en er
dus de bereidheid moet zijn om veel te werken en weinig te verdienen.


Persoonlijke en praktische vorming

Uitgangspunt van de ‘persoonlijke en praktische vorming’ is
 het gestructureerd werken aan de persoonlijke ontwikkeling van studenten;
 vergadertechniek, gespreksvaardigheden, leidinggeven, timemanagement, conflictbeheersing e.d. te
   verbinden aan de praktijk en de persoonlijke begeleiding.
Naast de colleges en de gesprekken met de mentor-hoogleraar (zie hierboven) zal elke student een
persoonlijk begeleider aangewezen krijgen, waarmee de student regelmatig gesprekken voert.

De onderwerpen waarover de student met de mentor-hoogleraar spreekt zijn: pastorale begeleiding,, leven
met de Here, motivatie, studievoortgang.
De onderwerpen die in het gesprek met de persoonlijk begeleider aan de orde komen zijn: reflecteren,
motivatie, socialisatie, leerstijl, integratie op persoonlijk niveau van spiritualiteit, kennis, overtuigingen en
vaardigheden, ontwikkelen van een persoonlijk ontwikkelingsplan.

Onderstaand schema geeft aan in welke fase van de studie de onderdelen van persoonlijke en praktische
vorming aan bod komen. Als onderdeel van de colleges gaat de student verwerkingsopdrachten

Mentoraat / Persoonlijke en praktische vorming                                                              231
uitvoeren, waarop hij feedback van de docent ontvangt. Van elk gesprek met de persoonlijk begeleider
wordt een reflectieverslag geschreven t.b.v. het portfolio dat mee wordt genomen in het eerstvolgende
gesprek met resp. de mentor-hoogleraar en persoonlijk begeleider. De gesprekken met de MH en PB zijn
een verplicht onderdeel van het curriculum.
Onderstaande kan gezien worden als een model dat op punten nog meer specifiek ingevuld kan worden.

Afkortingen:
MH = mentor-hoogleraar                             PB = persoonlijke begeleider
POP = persoonlijk ontwikkelingsplan                pf = portfolio

Blok    A-jaar            B-jaar            C-jaar            D-jaar           E-jaar/        Ma II
                                                                               Ma II
1      - Colleges time-   - Colleges        - Colleges        - Gesprek PB :
       management         spiritualistiek   spiritualistiek   Denk- en
       leerstijlen)       - Gesprek PB:     - Gesprek PB:     werkstijl
       - Gesprek PB:      Reflecteren,      Eigen sociali-    samenwerken
       Kennismaking       reflectie op      satie en eigen    op basis van
       Motivatie          nivo 2            spirituele        POP
                                            ontwikkeling




2      - Colleges       - Colleges          - Colleges        - Gesprek MH     - Gesprek MH   - Gesprek MH
       reflecteren      leerstijlen,        leidinggeven
       - Gesprek MH     reflecteren,        - Gesprek MH
                        time-manage-
                        ment
                        - Gesprek MH
3      - Colleges en/of - Gesprek PB :      - Gesprek PB:
       opdrachten       Verhouding          Bijgesteld POP,
       reflecteren      t.o.v.              verbinding
       - Gesprek PB: beroepsprofiel,        eigen socia-
       Leerstijlen,     kernkwaliteit,      lisatie en
       reflectie op     POP                 sociaal func-
       nivo 1                               tioneren
4                                                             - Gesprek PB: - Gesprek PB      - Gesprek PB
                                                              Voortgangs-
                                                              gesprek op
                                                              basis van POP
                                                                                              Admissiale
                                                                                              studenten: in
                                                                                              pastorie ge-
                                                                                              sprek met PB

Persoonlijk ontwikkelingsplan (POP) geeft inzicht in wie de student is, wat hij wil, wat hij kan > 3
kernvragen: wat ga ik leren, hoe ga ik dat doen, hoe gaan we na of het doel bereikt is?

Integratie gesprekken MH en PB
In het voorgestelde model wordt de student zowel door de MH als de PB begeleid. De PB integreert wat
vanuit de gesprekken met de hoogleraar ingebracht wordt, al zal dat afhangen van hoeveel de student
daarover wil vertellen. Er zal jaarlijks overleg plaatsvinden tussen de MH en PB en tussentijds indien dat
gewenst wordt geacht door een van beide en/of de student. In dit overleg kan informatieoverdracht over
de studenten plaatsvinden voorzover dat niet valt onder de geheimhoudingsplicht (zal met name gelden
voor de gesprekken met de MH). Verder kan in dit overleg gesproken worden over de wijze van aanpak
en eventuele verbeterpunten.

Vak ‘persoonlijke en praktische vorming’
Het vak ‘persoonlijke en praktische vorming’, wordt dat in het A-, B-, C-jaar en de Master II in het
curriculum opgenomen. Dit betekent niet dat er in het D- en E-jaar niets aan wordt gedaan. Ook in die
jaren zullen de gesprekken met de MH en PB volgens het rooster plaatsvinden. Er zullen dan geen
colleges meer gegeven worden.
Aan einde van elk jaar (behalve D- en E-jaar) wordt een tentamenbriefje afgegeven op voorwaarde dat

232                                                             Mentoraat / Persoonlijke en praktische vorming
de in het schema genoemde lessen zijn bijgewoond, alle opdrachten uitgevoerd, de student de geplande
gesprekken met MH en PB heeft gevoerd en verwerking tbv portfolio heeft gemaakt.
Bovenstaande wordt aan het einde van blok 4 gecontroleerd door het secretariaat (adh van
presentielijsten, gemaakte afspraken, info van docenten en PB) waarna door PB of evt. secretariaat het
tentamenbriefje wordt getekend.


Portfolio
Als ondersteuning bij de begeleiding van de studenten in hun geloofsgroei en om deze groei enigszins
inzichtelijk te maken, wordt een portfolio gebruikt. Een portfolio is een dossier waarin de student
‘bewijzen van kunnen’ opneemt, in dit geval ‘blijken van geestelijke groei’. Het vormgeven van het
portfolio kan de student stimuleren in een bewustwordingsproces ten aanzien van geloofsbeleving en
geloofsgroei. Dit alles steeds onder begeleiding van de mentor en persoonlijk begeleider. Het portfolio
vervult daarmee een centrale plaats in het mentoraat en het vak persoonlijke en praktische vorming.

Inhoud portfolio
Het portfolio voor de geestelijke instelling wordt met de volgende reeds bestaande onderdelen gevuld:

Voor alle studenten:
  De bijdragen Homiletiek (preekvoorstel/ meditatie en ontvangen kritiek voor zover schriftelijk);
  De beoordeling praktijkoriëntatie door docent aan de hand van het ingeleverde verslag;
  Verslag van de mentorgesprekken (aan de hand van het huidige standaardformulier);
  Verslagen en opdrachten in het kader van de persoonlijke en praktische vorming.

Extra voor admissiale studenten:
 De kritiekcolleges van admissiale studenten (preekvoorstel en ontvangen kritiek voor zover
   schriftelijk);
 De evaluatieformulieren van de kerkenraden over het voorgaan van de admissiale studenten;
 De beoordeling gemeentestage door mentor en stagebegeleider, op grond van het verslag van de
   admissiale student en de beoordeling van de stagegemeente;
 De uitslagen van de DISK-test.

Procedure
De onderdelen van het portfolio worden verzameld en bewaard op het secretariaat (in een van de student
persoonlijke map) en de mentor ter hand gesteld bij elk mentorgesprek, zodat het daar met de student
besproken kan worden. De student ontvangt desgewenst een kopie van de formulieren voor een eigen
portfolio.
Het portfolio helpt de mentor en persoonlijk begeleider bij de begeleiding van de student. Eventuele
problemen kunnen door de mentor in een vergadering van het college van hoogleraren aan de orde
worden gesteld en/of doorgesproken worden met de curator-begeleider. De mentor kan echter niet
verantwoordelijk worden gesteld voor het niet signaleren van bepaalde problemen.

Juridisch aspect
Het portfolio is eigendom van de student en de verantwoordelijkheid voor het dossier ligt bij de student,
de persoonlijk begeleider en de mentor. Als de student niet expliciet bezwaar aantekent, geeft hij/zij
daarmee toestemming dat het portfolio bewaard wordt op het secretariaat. Voor admissiale studenten
betekent dit ook dat de inhoud van het portfolio kan worden gebruikt voor het advies inzake beroep-
baarstelling.
Naast de student, kunnen alleen de mentor en de persoonlijk begeleider het portfolio inzien, en tevens de
curator-begeleider als het een admissiale student betreft. Beëindigt de student zijn/haar opleiding, dan
ontvangt de student het gehele portfolio terug. De admissiaal student kan het portfolio gebruiken bij het
mentoraat dat hij krijgt in een gemeente.


Studentenmentoraat

Bij de aanvang van de studie worden de nieuwe studenten verdeeld in groepen van vier personen. Per
groep worden twee ouderejaars studenten aangewezen als studentenmentor. De bedoeling van de
groepen is dat de studenten steun aan elkaar hebben en vragen of problemen allereerst onder elkaar
oplossen, waarbij de twee ouderejaars mee kunnen denken.
Het doel van het mentoraat is de nieuwe studenten wegwijs maken binnen de universiteit(sgemeen-
schap) en bij te staan in de studie gedurende het eerste jaar. Het studentenmentoraat begint in de
eerste collegeweek en duurt één jaar. De studentenmentoren staan onder begeleiding van de


Mentoraat / Persoonlijke en praktische vorming                                                        233
studieadviseur, met wie zij aan het begin van het jaar en aan het einde een gesprek hebben. Het
studentenmentoraat heeft een vertrouwelijk karakter.
De mentorgroepen komen tenminste in de eerste studieweek en in de laatste collegeweek van elk
collegeblok bij elkaar. In de gesprekken is aandacht voor:
- waardering van de studie, de colleges en de docenten;
- hindernissen en problemen in de studie;
- functioneren van de ‘TUA-gemeenschap’.
De mentor maakt van de gesprekken een kort verslag (half A4) t.b.v. de studieadviseur.




234                                                     Mentoraat / Persoonlijke en praktische vorming
10. Evaluatiesystematiek

De TUA heeft een evaluatiesystematiek opgezet waarin beschreven wordt welke evaluaties wanneer
plaatsvinden. Deze evaluaties helpen om het onderwijs en het onderzoek van de TUA op een hoog niveau
te houden. Van tijd tot tijd zullen studenten, alumni en werkgevers gevraagd worden mee te werken aan
de evaluaties.

Vakevaluatie
Deze evaluatie vindt voor elk studievak plaats. De evaluatie gaat in op de kwaliteit van de colleges, de
docent, de werkvormen, de toetsing, het vak als geheel en de tijdsbesteding door de student aan het
tentamen.
Voor de master I-studenten is er ook een afsluitende evaluatie over de totale master I-fase. Voor master
II studenten wordt aan het eind van de studie één vragenlijst afgenomen voor de ervaringen in de major
en beide minors.

Jaargesprek
Deze evaluatie wordt door middel van een interview met elk studiejaar uitgevoerd. Onderdelen die in de
gesprekken aan bod komen zijn o.a. het niveau van de opleiding, het mentoraat, de stage, de
tentamens, de studeerbaarheid, de organisatie van het onderwijs en de faciliteiten.

Evaluatie alumni en hun werkgevers
Met de werkgevers- en alumni-enquête wordt geëvalueerd of de student goed is opgeleid voor zijn/haar
taak in het afnemende werkveld.

Evaluatie stage
De stages die een student tijdens zijn/haar studie kan doen, zijn de stage catechetiek, de minor stage en
de snuffelstage.

Evaluatie themadagen/integratiecolleges
Themadagen, integratiecolleges: korte evaluatie over inhoud en organisatie per e-mail naar alle
jaarvertegenwoordigers direct na de activiteit.


De rol van...

Het CoHo
De resultaten van de evaluatie-uitslagen worden zo snel mogelijk na de evaluatieactiviteit ingebracht
door de beleidsmedewerker en besproken tijdens de vergadering. De beleidsmedewerker kan op
voorhand suggesties ter verbetering doen die besproken worden tijdens de vergadering, waarna plannen
worden uitgewerkt en uitgevoerd.

De OC
De OC krijgen de uitkomsten van de vakevaluatie, het jaargesprek, de stage-evaluatie en de evaluatie
van themadagen/integratiecolleges. Net als in de CoHo vergadering worden de uitkomsten besproken,
waarna eventuele adviezen/voorstellen in de eerst daaropvolgende CoHo vergadering worden ingebracht.

De Onderwijsgevenden
Hoogleraren en docenten krijgen de uitkomsten van de vakken door hen gegeven en stellen op basis
hiervan verbeterplannen op. De vakevaluatie vorm input voor de functionerings- en beoordelings-
gesprekken van onderwijsgevenden. De beleidsmedewerker mag desgevraagd afspraken met de
onderwijsgevende maken voor verwerking van de conclusies en doet de docent suggesties aan de hand.
Waar nodig en altijd in samenspraak met de docent, stelt zij de rector/conrector en/of docent didactiek
op de hoogte als zij structureel dezelfde problemen ziet in een vak.

Het Secretariaat
Uitgeven en innemen van de evaluatieformulieren. Uitgeven van de evaluatie themadagen/integratie-
colleges.

De Beleidsmedewerker
Verbeteren van de evaluatie-instrumenten, de planning en voortgang van alle evaluatieactiviteiten
coördineren en bewaken, in samenspraak met rector en universiteitssecretaris. Analyseren van de


Evaluatiesystematiek                                                                                 235
uitslagen en deze verspreiden onder de daar toe aangewezen personen/gremia, met de eventuele
verbetersuggesties. Tevens wordt de evaluatiesystematiek door de beleidsmedewerker onderhouden en
waar nodig bijgesteld.

Het Curatorium
Krijgt inzicht in de uitslag van de vakevaluatie, het jaargesprek, de alumni- en werkgeversevaluatie, de
onderzoeksevaluatie en de stage-evaluatie. Voor de vakevaluatie geldt dat het curatorium de (algemene)
uitslagen per onderwijsgevende en de uitslagen van een studiejaar krijgt. De vakevaluatie vormt input
voor de functionerings- en beoordelingsgesprekken van onderwijsgevenden.

De Studenten
Aan studenten moet het belang van de evaluaties duidelijk(er) worden gemaakt, niet alleen via het
mededelingenblad, maar ook tijdens de jaargesprekken. Dit is een aandachtspunt voor beleidsmede-
werker (in OC, jaargesprekken) en rector (in SAR). Belangrijk is dat studenten ook zien wat er met de
evaluaties gebeurd, hier moet helder over gecommuniceerd worden.


Follow-up

Voor alle evaluaties geldt dat aandacht moet worden besteed aan de follow-up: wat gebeurt er met de
resultaten? Van belang is dat iedereen zijn/haar eigen verantwoordelijkheid heeft. De evaluatiesystema-
tiek beschrijft hiervoor de verantwoordelijkheden en de tijdsplanning. De systematiek, met daarbij de
follow-up is in het algemeen als volgt:
1. Inwinnen van informatie: verzamelen van evaluatiegegevens door secretariaat en beleidsmede-
     werker.
2. Analyse: de bestudering van de gegevens en het vaststellen van de sterke en zwakke punten door de
     beleidsmedewerker. Tevens worden overzichten van meerdere jaren gemaakt. Rapportage gaat naar
     verschillende gremia/personen. Van belang is om in de rapportage zowel het kwalitatieve aspect als
     het kwantitatieve aspect van de uitslagen op te nemen.
3. Maatregelen: acties ter verbetering van geconstateerde zwakke punten. Door diverse gremia/perso-
     nen.
4. Evaluatie van de uitgevoerde maatregelen; in feite herhaalt de cyclus zich nu. Door diverse gremia/
     personen.


Wie, wat, wanneer?

                                         Verantw.                                          Uitslag
      Evaluatie-object      Middel         voor          I.s.m.         Frequentie         naar &
                                          proces                                         actie door
                                                                                            coho,
1   Vakken                vragenlijst      Bmw        secretariaat     2x per jaar       codo, oc,
                                                                                          sar, cura

                                                                                          coho, oc,
2   Studiejaren            interview       bmw                         1x per jaar
                                                                                          sar, cura

    Alumni- en hun                                                                        coho, oc,
3                         vragenlijst      bmw        secretariaat    1x per 3 jaar
    werkgevers                                                                              cura

                          nader in te
4   Onderzoek                              bmw            Cwb         1x per 2 jaar      coho, cura
                            vullen

                                                                                          coho, oc,
6   Stages                vragenlijst      bmw        secretariaat     na de stage
                                                                                          sar, cura

                           vragenlijst
    Themadagen/                                                       direct na elke      coho, oc,
7                        jaarvertegen-     bmw        secretariaat
    integratiecolleges                                                   activiteit         bmw
                           woordiger

                                                                       bij voorgaan
8   Proponeren            vragenlijst      secr.       kerkenraad                        coho, cura
                                                                        studenten




236                                                                                    Evaluatiesytematiek
Jaarplanning

        jan     feb     mrt    apr     mei     juni    juli   aug     sept    okt    nov     dec
2009     4       6       1              2               1                             6
2010             6       1              2               1              3              6
2011     4       6       1              2               1                             6
2012             6       1              2               1                             6

- De evaluatie van de master I geschiedt op het moment dat de student de master I heeft afgerond.
- De evaluatie van de major/minor door de master II student die aan het eind van zijn/haar studie is,
  geschiedt op het moment dat de student zijn/haar examen aanvraagt.
- De stage is in de planning niet opgenomen, maar geschiedt na elke stage.
- Het proponeren is in de planning niet opgenomen, maar geschiedt elke keer als een student in een
  kerkdienst voorgaat.

Meer informatie kan opgevraagd worden bij de beleidsmedewerker.




Evaluatiesystematiek                                                                                    237
11. Regelingen admissiale studenten

Toelating
Om te worden ingeschreven als student die opgeleid wordt voor het ambt van predikant in de Christelijke
Gereformeerde Kerken in Nederland moet men met gunstig gevolg het admissie-examen hebben afge-
legd.
Wanneer men dit examen wenst af te leggen, dient men dat schriftelijk te kennen te geven aan de
secretaris van het curatorium; een oproep hiertoe wordt tijdig in De Wekker gepubliceerd. Bij het
admissie-examen moet, behalve het bewijs dat men minstens één jaar lid van een Christelijke
Gereformeerde Kerk is, een getuigschrift betreffende godsvrucht en karakter, afgegeven door de
kerkenraad van de kerk waartoe de aspirant behoort, worden overlegd.
Het admissie-examen, dat wordt afgenomen door het curatorium, bijgestaan door de hoogleraren,
omvat:
a. een onderzoek naar de vreze des Heren en de beweegredenen om evangeliedienaar te worden;
b. een onderzoek naar de kennis van de bijbelse geschiedenis en van de hoofdzaken van de
     gereformeerde geloofsleer, inzonderheid van de Heidelbergse Catechismus.
Er is na aanvaarding als admissiaal student sprake van een proeftijd, die minimaal één jaar duurt.
Admissiale studenten krijgen een curator-begeleider toegewezen. Daarnaast komt ieder jaar één van de
hoogleraren op huisbezoek.


Preekconsent
Aanvraag
Het curatorium verleent aan studenten die via het admissie-examen zijn ingeschreven, toestemming om
in kerkdiensten voor te gaan. Hiervan wordt mededeling gedaan in De Wekker. Het preekconsent kan
ingaan nadat een student aan alle vereisten van het proponentsexamen heeft voldaan.
Zij die preekconsent wensen te ontvangen, moeten een maand voor een vergadering van het curatorium
een schriftelijk verzoek indienen bij het curatorium. Daarnaast moeten zij twee weken voor die
vergadering een preekvoorstel, over een door het curatorium opgegeven tekst, in achttienvoud inleveren
bij het secretariaat, ter toezending aan curatoren en hoogleraren. Zij moeten zich tot hun kerkenraad
wenden met het verzoek om ruim voor de vergadering een attest te zenden naar het curatorium. In het
attest dient aandacht te worden geschonken aan kerkelijk meeleven en trouw.
Voorafgaand aan de curatorenvergadering zal het college van hoogleraren de student die preekconsent
heeft aangevraagd, uitnodigen voor een kort gesprek. In verband met de aanvraag kan ook het
curatorium, indien nodig, een gesprek hebben met de betrokken student.
Het curatorium zal over het verlenen van preekconsent beslissen na kennisneming van het attest van de
kerkenraad, advies van het coho en kennisneming van het preekvoorstel.
Het preekconsent gaat in op de tweede zondag na het ontvangen van het preekconsent. De verlening van
het preekconsent aan studenten geldt voor de periode van één jaar. Dit preekconsent kan jaarlijks
verlengd worden. De student dient dat een maand tevoren aan te vragen bij het curatorium en daarbij
een preekvoorstel te overleggen.

Om maximaal te profiteren van de preekervaring die opgedaan wordt, heeft het college besloten
regelmatig contactpunten in te bouwen om de ervaring uit te wisselen en te evalueren. Het programma
daarvoor ziet er als volgt uit:
- Elk semester ontvangt de student een uitnodiging voor een individueel gesprek met de mentor-
   hoogleraar;
- aan het einde van het 12e semester vindt het master II-kritiekcollege plaats in aanwezigheid van alle
   hoogleraren.
- Jaarlijks contact met het curatorium of deputaten voor financiële zaken (afwisselend: pastoriemiddag
   samen met partners, informatiemiddag verzorgd door deputaten voor financiële zaken, contactmiddag
   met admissiale studenten of een contactmiddag met studenten met preekconsent).

Aantal preekbeurten
Studenten die preekconsent hebben ontvangen, mogen in de drie semesters van de master II-fase
voorgaan. Deze beurten worden in overleg met de pretor, onder goedkeuring van het coho toegezegd.
Met toestemming van de rector kan per semester, in noodgevallen, een extra zondag worden
toegewezen. In principe is voor studenten het aantal preekbeurten per zondag beperkt tot twee. Een
derde preekbeurt is alleen toegestaan wanneer:
- de drie preekbeurten binnen dezelfde (gecombineerde) gemeente gehouden worden en de eigen


238                                                                    Regelingen admissiale studenten
   predikant ook drie preekbeurten zou moeten houden. Deze zondag telt dan als 1 zondag;
-  het een noodsituatie betreft en de rector toestemming heeft gegeven om in dat geval een derde
   preekbeurt in een andere gemeente te houden. Deze zondag telt dan voor 1½ zondag.
Voor de zomervakantie (juli, augustus en september tot de rectoraatsoverdracht) kan de student zelf zijn
preekbeurten regelen. Hiervoor is geen overleg met de pretor nodig.
Op een redelijk tijdstip voorafgaande aan het proponentsexamen kan de pretor een lijst met preek-
beurten (in onderling overleg opgesteld) bij de rector indienen. Het is gewenst voor niet meer dan één
semester tegelijk een regeling voor te stellen. De kerkenraden kunnen in het najaar (oktober) en het
voorjaar (maart) bij de pretor een verzoek indienen. Wanneer een student niet kan voldoen aan toege-
wezen preekbeurten (bijvoorbeeld omdat hij het proponentsexamen heeft moeten uitstellen), dient hij
zelf de gemeentes daarvan in kennis te stellen.

Het voorgaan in de stagegemeente en in de gemeente van de curator-begeleider valt buiten het
hierboven genoemde aantal zondagen. Van de student wordt verwacht dat hij minstens 24 zondagen
voorgaat. Dit betreft zondagen die in overleg met pretor en coho worden vastgesteld.
Gemaakte reiskosten ten behoeve van het voorgaan in de stagegemeente en in de gemeente van de
curator-begeleider, kunnen bij de universiteit worden gedeclareerd. Aan de desbetreffende kerkenraad
wordt overgelaten of en hoe de preekbeurt vergoed wordt.

Boekentoelage
Degenen aan wie door het curatorium preekconsent verleend wordt, hebben recht op een vergoeding van
€ 725,-- voor aangeschafte boeken. Hiertoe dient men een schriftelijk verzoek te doen en rekeningen te
overleggen van aangeschafte boeken voor genoemd bedrag. Verdere inlichtingen en een aanvraagformu-
lier zijn bij het secretariaat verkrijgbaar.

Verlenging preekconsent
Als iemand na het afleggen van het master II-examen - in overleg met het curatorium - nog geen
beroepbaarstelling aanvraagt, of als hij langere tijd op een beroepbaarstelling moet wachten, geldt het
preekconsent dat hem bij het afleggen van het master II is verleend, voor één jaar. Na een jaar moet hij
verlenging van preekconsent aanvragen, in de maand februari. Daarbij dient hij een preekvoorstel in te
leveren over een zelfgekozen tekst. Voor preken die bestemd zijn voor het curatorium, geldt dat zij twee
weken voor de vergadering van het curatorium in achttienvoud bij het secretariaat moeten worden
ingeleverd ter toezending aan curatoren en hoogleraren.


Beroepbaarstelling
Indien iemand vóór zijn admissie-examen reeds ten minste twee jaar aan de Theologische Universiteit in
Apeldoorn ingeschreven stond volgens artikel 16 van het Reglement, moet hij, nadat hij het admissie-
examen met goed gevolg afgelegd heeft, tenminste drie semesters aan de universiteit studeren alvorens
beroepbaar gesteld te kunnen worden. Indien iemand vóór zijn admissie-examen nog niet aan de
universiteit ingeschreven was, moet hij, nadat hij het admissie-examen met goed gevolg afgelegd heeft,
ten minste drie jaar aan de universiteit studeren alvorens beroepbaar gesteld te kunnen worden.
Wie beroepbaar gesteld wil worden en voldoet aan de gestelde eisen, dient daartoe een verzoek te
richten aan het curatorium en wel drie maanden voor de gewenste datum van beroepbaarstelling (in de
regel samenvallend met het afleggen van het master II-examen). Tevens dient er een uitgebreid
kerkenraadsattest naar het curatorium te worden gezonden. Vervolgens moet er een preek, over een
zelfgekozen tekst in achttienvoud ingeleverd worden bij het secretariaat. Het curatorium bespreekt de
aanvraag in zijn eerstvolgende vergadering en nodigt de student dan tevens uit voor een kort gesprek.
Beroepbaarstelling kan aangevraagd worden tegelijk met de aanmelding voor het master II-examen.
Voorafgaand aan de curatorenvergadering zal het college van hoogleraren de student die beroepbaar-
stelling heeft aangevraagd, uitnodigen voor een kort gesprek.
Na aanneming van een beroep neemt de classis, waaronder de kerk die de kandidaat beriep ressorteert,
hem een peremptoir examen af ten overstaan van de deputaten naar artikel 49 K.O. Indien mogelijk zal
bij de bevestigingsdienst de universiteit door één van de hoogleraren vertegenwoordigd worden.


Persoonlijke begeleiding

De persoonlijke begeleiding van studenten bevat een aantal elementen, waarbij de gesprekken met de
mentor-hoogleraar een centrale factor is. Voor de admissiale studenten is er verder het jaarlijkse
huisbezoek door een van de hoogleraren en het geregelde contact met de curator-begeleider.



Regelingen admissiale studenten                                                                      239
Studiefonds

Deputaten studiefonds kunnen financiële steun verlenen aan studenten die via het admissie-examen zijn
toegelaten tot de studie aan de Theologische Universiteit te Apeldoorn én niet meer in aanmerking
komen voor studiefinanciering ingevolge de Wet Studiefinanciering (WSF 2000).
De bijdrage uit het studiefonds wordt toegekend gedurende ten hoogste 6,5 jaar, vanaf het begin van het
propedeutisch jaar en wordt beëindigd aan het eind van de maand waarin de studie is afgerond.

Uitgebreide informatie kan opgevraagd worden bij de studieadviseur en is ook te vinden op de website
van de universiteit www.tua.nl.




240                                                                    Regelingen admissiale studenten
12. Praktische en zakelijke regelingen

Collegegeld

Het college van bestuur stelt jaarlijks het bedrag vast voor het collegegeld. De normen die het Ministerie
voor Onderwijs Cultuur en Wetenschappen hanteert, worden daarbij gevolgd. Dit betekent dat studenten
het door het ministerie vastgestelde collegegeld (voor 2009/2010 € 1.620,–) verschuldigd zijn. Hiervoor
wordt jaarlijks in juli/augustus aan alle studenten een machtigingsformulier toegezonden. Het machti-
gingsformulier dient tevens als bewijs van inschrijving.
Wanneer de studie wordt beëindigd of afgerond tussen september en juni, zal een tiende deel van het
betaalde collegegeld per resterende hele maand worden gerestitueerd.
Bij bovenstaande wordt aangetekend, dat alleen tentamens kunnen worden afgelegd als het collegegeld
is betaald of het machtigingsformulier is ingeleverd.


Collegekaart

Aan het begin van het cursusjaar ontvangt iedere student een collegekaart.
- Bij het gebruik van de faciliteiten van de bibliotheek moet de streepjescode op de achterzijde van de
  kaart getoond kunnen worden. Het is dus belangrijk deze kaart steeds bij de hand te hebben.
- Naar de collegekaart en eventueel een bewijs van betaald collegegeld, kan gevraagd worden bij
  bezoek aan andere universiteiten/bibliotheken.
- In sommige gevallen kan op vertoon van de collegekaart korting verkregen worden op toegangs-
  bewijzen voor evenementen op bijvoorbeeld cultureel- of sportgebied.


Contractonderwijs / volgen losse vakken

Voor belangstellenden bestaat er de mogelijkheid losse vakken te volgen. In overleg met de
studieadviseur zal bepaald worden of de gewenste vakken gevolgd kunnen worden. Hierbij wordt o.a.
gekeken naar de instapeisen van de betreffende vakken. De kosten bedragen € 40,-- per ECTS. Een
volledige regeling is te vinden op de website www.tua.nl onder ‘onderwijs’.
Het college houdt zich het recht voor belangstellenden te weigeren, bijvoorbeeld wanneer er voor een
vak te veel aanmeldingen zijn.


Diploma’s

Zodra op het secretariaat wordt geconstateerd dat een student aan alle vereisten van de propedeuse, de
bachelor of de master I (geldt alleen art. 16-studenten) heeft voldaan, wordt er een diploma vervaardigd.
Na ondertekening van het diploma door rector en secretaris van het coho kan het diploma door de
student ondertekend en in ontvangst genomen worden.


Informatie diverse onderwerpen

In de telefoonhoek ligt een ‘informatiemap’ ter inzage met daarin verschillende regelingen en
informatiebrochures:
- Studiegids
- Informatie vooropleiding Grieks en Latijn
- Regelingen stage
- Richtlijnen (evaluatie) catechesestage
- Promotiereglement
- AIO-reglement
- Klachtenregeling seksuele intimidatie
- Engelstalige informatie over de Christelijke Gereformeerde Kerken
- Brochure en flyer met informatie over de TUA
- Jaarverslag TUA
- Collegerooster en jaaragenda
Indien gewenst kan een kopie van (een van) de regelingen opgevraagd worden bij het secretariaat.




Praktische en zakelijke regelingen                                                                     241
Kopiëren, telefoneren, koffie, internetten e.d.

-   Van het kopieerapparaat dat beneden in de hal staat, kan vrij gebruik gemaakt worden. De kosten
    bedragen 5 eurocent per kopie. Kopieerpassen kunnen gekocht worden bij de beheerder. Voor het
    eerste pasje wordt € 1,50 statiegeld betaald.
-   Voor koffie, thee e.d. is in de ontmoetingsruimte een automaat aanwezig. De kosten zijn 40 eurocent
    per kop.
-   De telefoon die door studenten gebruikt kan worden, staat in hal tegenover het mededelingenbord. De
    beller moet zelf even de tijd bijhouden en afrekenen (€ 0,05 per minuut) in het daarvoor bestemde
    potje. Voor telefoonverkeer met het buitenland moet vooraf toestemming gevraagd worden aan de
    beheerder.
-   Van de computers in de computerruimte en de studiezaal kan vrij gebruik gemaakt worden. Printer-
    afdrukken dienen vermeld te worden op de bij de printer neergelegde lijst en kosten 7 eurocent per
    afdruk. Deze kosten worden eens per half jaar in rekening gebracht. Gebruik van internet is gratis.


Kwaliteitshandboek

Op de TUA gehanteerde procedures en afspraken zijn vastgelegd in het ‘Kwaliteitshandboek’. Dit
handboek is ter inzage beschikbaar. Belangstellenden kunnen zich wenden tot de beleidsmedewerker.


Orgel

Het orgel en de piano in de aula zijn waardevolle instrumenten waar we zuinig op zijn. Wie op het orgel
of de piano wil spelen, heeft daarom toestemming nodig van de beheerder. Bij hem kan ook de sleutel
van het orgel gehaald worden. Het is niet de bedoeling dat ‘vreemden’ het orgel of de piano bespelen.


Presentie

Studenten zijn verplicht alle colleges van de te volgen vakken bij te wonen. Indien een student minder dan
80% van de college-uren aanwezig is geweest, kan een extra opdracht voor de gemiste stof opgegeven
worden of moeten de colleges een volgend jaar opnieuw gevolgd worden.
Het is verstandig om bij verhindering het secretariaat in kennis te stellen. Wanneer men regelmatig
verhinderd is, verdient het aanbeveling de rector en/of mentor (eveneens) op de hoogte te stellen van de
reden daarvan.


Studieadvies/secretariaat

Met vragen, opmerkingen of problemen met betrekking tot de studie of tentamens kun je terecht bij de
universiteitssecretaris/studieadviseur, bij voorkeur in de eerste en tweede pauze of wanneer er geen
colleges zijn, 's morgens tussen 10.00 en 11.30 uur. Voor niet-urgente zaken en tentamenafspraken
wordt aangeraden gebruik te maken van e-mail.


Sluiting van het universiteitsgebouw

- Het gebouw van de universiteit is toegankelijk van maandag tot en met vrijdag van 8.30 tot 16.30 uur.
- Op biddag (tweede woensdag in maart) en dankdag (eerste woensdag in november) is het gebouw
  gesloten vanaf 12.30 uur.
- Afgezien van de feestdagen is het gebouw doorgaans ook de dag na hemelvaartsdag gesloten.
- In de zomermaanden (juli/augustus) gaat het gebouw twee tot drie weken dicht en rond het kerstfeest
  en de jaarwisseling één à anderhalve week.
- Zie de jaaragenda voor bovengenoemde zaken en andere bijzondere data.


Kosten studieboeken, collegedictaten, readers, scripties e.d.

-   De te maken kosten voor aanschaf van studieboeken is voor een groot deel afhankelijk van wat een
    student daarvoor besteden wil. De miminale kosten voor studieboeken worden geschat op € 300,--
    per jaar.
-   Dictaten ten behoeve van de colleges worden gratis verstrekt.

242                                                                    Praktische en zakelijke regelingen
-   Voor de onder tentamenstof vermelde readers, dient een tegemoetkoming in de kosten te worden
    betaald:
    ◦ tot en met 20 bladzijden (40 kantjes) is het gratis;
    ◦ vanaf 21 bladzijden (41 kantjes) dient de helft van de kopieerprijs (excl. € 1,-- inbindkosten)
      betaald te worden.
    De readers kunnen tegen contante betaling afgehaald worden bij het secretariaat of de beheerder.
    Betaling achteraf is in principe niet mogelijk.
    De geschatte kosten voor readers is gemiddeld € 15,-- per jaar.
-   De kosten voor in te leveren schriftelijke opdrachten en scripties zijn voor rekening van de student.




Praktische en zakelijke regelingen                                                                      243
13. Studiemogelijkheden elders

Volgen van colleges elders
Studenten met studiefinanciering kunnen zonder extra kosten colleges volgen bij een andere universiteit
of faculteit. Wanneer men besloten heeft elders colleges te volgen, dient men daarvan schriftelijk bericht
te doen aan de studieadviseur. Voorts is de student zelf verantwoordelijk voor het laten registreren van
de behaalde studieresultaten bij zowel de desbetreffende instelling als op het secretariaat van de eigen
universiteit. In overleg met de studieadviseur van de TUA kan in voorkomende gevallen compensatie
worden aangevraagd voor tentamens.
Voor studenten die na een (aantal jaren) studie aan de TUA, aan een andere universiteit hun studie
theologie willen vervolgen, kan het verstandig zijn daar in een vroeg stadium alvast rekening mee te
houden. Bij de studieadviseur kan gevraagd worden naar instroomeisen voor onder andere de opleiding
aan de Protestantse Theologische Universiteit (PTU) van de PKN.


Instituut voor cultuurethiek/prof. dr. G.A. Lindeboom Instituut
Met het Lindeboom Instituut zijn afspraken gemaakt over mogelijke samenwerking met de
bovengenoemde instituten. In het kader van deze afspraken is er een lijst met onderzoeksprojecten
opgesteld waarin studenten van de TUA kunnen participeren. Deelname aan een van de projecten is
mogelijk als onderdeel van de major of minor diakoniologie of ethiek. Bij de vakhoogleraren kan de lijst
met de projecten opgevraagd en verdere informatie verkregen worden.
Zie ook p. 116 van de studiegids


Stagiairs in CGK Amsterdam
De CGK Amsterdam geeft studenten de gelegenheid kennis te maken met en mee te werken aan een
eigentijdse bijbelse manier van gemeente-zijn die
- in zijn wortels gereformeerd is;
- open staat voor anders-kerkelijke invloeden;
- veel aandacht geeft aan gemeenteopbouw, gemeentestichting en samenwerking met anderen;
- gericht is op de vrede in de stad.

Er zijn twee mogelijkheden om stages te lopen:
- een korte snuffelstage van ongeveer twee weken (oriënteren, kennismaken) – praktijkoriëntatie;
- een langere stage van bijvoorbeeld een half jaar (‘kopje onder’ gaan in de stad en in het werk) – stage
  master II.
Zie voor meer informatie p. 115 van de studiegids


Opleiding godsdienstleraar, eerstegraads
Samen met de Gereformeerde Hogeschool te Zwolle (GH) en de TUK verzorgt de TUA een opleiding
leraar godsdienstonderwijs, eerstegraads. Deze opleiding is een HBO master.
De studie is bestemd voor hen die in het bezit zijn van:
- een diploma leraar godsdienstonderwijs, tweedegraads;
- een bachelordiploma theologie (of vier jaar theologie, afgerond aan een van de hierboven genoemde
  universiteiten, omvang 240 ECTS;
- een master-I diploma theologie of doctoraal diploma theologie (=vrijstelling voor het theologisch
  gedeelte).
Zie voor meer informatie p. 114 van de studiegids


Studiereis naar Israël
In het kader van de master II-studie kan een studiereis naar Israël gemaakt worden met als doel:
- kennismaking met het land en verschillende stromingen in Jodendom en christendom in Israël alsmede
  met Messiasbelijdende Joden;
- kennismaking met de praktijk van de Joods-christelijke ontmoeting;
- bestudering van één thema dat relevant is in deze ontmoeting;
Zie voor meer informatie de minor Judaica/Kerk en Israël op p. 146v.


244                                                                            Studiemogelijkheden elders
Studeren in het buitenland

Het college van hoogleraren wil, gelet op de toenemende internationalisering van onderwijs en onderzoek
en de bestaande contacten tussen de TUA en een aantal buitenlandse theologische instellingen, een
stimulerend beleid voeren ten aanzien van - met name masters II - studenten die een deel van hun
studie in het buitenland willen verrichten. Die stimulans kan daarin uitkomen dat in een beperkte
financiële vergoeding van gemaakte onkosten wordt voorzien.

Voorwaarden voor instemming met en ondersteuning van een verblijf in het buitenland zijn:
a. Het gaat om studenten met goede studieresultaten (indicatie 7½ of hoger);
b. Het buitenlandse programma moet inpasbaar zijn in het curriculum van de TUA;
c. De keuze voor de buitenlandse instelling geschiedt in overleg met de vakdocent en na goedkeuring
   van het coho;
d. Een programmavoorstel moet tijdig aan het coho ter goedkeuring worden voorgelegd;
e. Alle formaliteiten worden door de student zelf afgehandeld (een stappenplan met overzicht van
   fondsen waar subsidie aangevraagd kan worden, is beschikbaar).

Financiële ondersteuning:
a. Kan plaatsvinden na goedkeuring van het coho van een door de student aan te bieden begroting;
b. Op voorwaarde dat men zich houdt aan het afgesproken programma;
c. Bestaat uit een vergoeding van reis- en verblijfkosten van 25 % van de totale kosten, met een
    maximum van € 2.500,–.

Met de North-West University in Potchefstroom is in 2006 een uitwisselingscontract afgesloten ten
behoeve van Nederlandse studenten die een deel van hun studie in Zuid-Afrika willen volgen en
Zuidafrikaanse studenten die in Nederland willen studeren. Met het Seminar für Reformierte Theologie
der Westfälische Wilhelm-universität te Münster is een contract afgesloten vanwege de gemeen-
schappelijke interesse op het terrein van het reformatieonderzoek.


Subsidie ‘student en congres’

Het college van hoogleraren wil de deelname van studenten aan theologische congressen e.d. in binnen-
en buitenland stimuleren. Dit gebeurt door
- studenten op theologische congressen te attenderen en
- het bezoek daaraan te subsidiëren.
Aanvragen voor subsidie dienen vooraf schriftelijk aan het coho voorgelegd te worden (inleveren bij het
secretariaat), voorzien van informatie over de aard, de inhoud en de kosten van het congres. Het coho
zal elke aanvraag afzonderlijk beoordelen en een subsidie verschaffen tot maximaal 50% van het
totaalbedrag van de onkosten (reis-, verblijf- en inschrijfkosten) met een maximum van € 150,-. De
hoogte van de subsidie wordt mede bepaald door het budget en het totaal aantal aanvragen per congres
en per jaar.




Studiemogelijkheden elders                                                                          245
14. Studiefinanciering

1. Hoe lang heeft men recht op studiefinanciering?

Hoe lang een student recht heeft op studiefinanciering wordt bepaald door het moment waarop er voor
het eerst studiefinanciering voor hoger beroepsonderwijs (HBO) of wetenschappelijk onderwijs (WO) is
ontvangen. Er zijn drie mogelijkheden:
a. Studenten die tussen 1 augustus 1991 en 1 september 1996 studiefinanciering hebben ontvangen
    voor een opleiding in het WO of HBO: deze studenten hebben in beginsel recht op 7½ jaar beurs en
    daarna nog gedurende 2 jaar een rentedragende lening (waarbij men wel recht houdt op de OV-
    studentenkaart). Deze studenten moeten jaarlijks aan de eisen van de tempobeurs voldoen.
b. Studenten die per 1 september 1996 of daarna voor het eerst studiefinanciering ontvangen in het
    HBO of WO: deze studenten krijgen in beginsel 6 jaar beurs en daarna nog gedurende 3 jaar een
    lening (waarbij men wel recht houdt op de OV-studentenkaart). Deze studenten moeten dan wel aan
    de eisen van de prestatiebeurs voldoen. Voorts moeten zij hun aanspraak op studiefinanciering
    binnen 10 jaar verzilveren: een student heeft geen aanspraak meer op studiefinanciering (gift of
    lening) indien er 10 jaar verstreken zijn vanaf de maand waarover betrokkene voor het eerst
    studiefinanciering voor het hoger onderwijs ontving.
c. Voor studenten die per september 2002 zijn gestart met de bacheloropleiding is de situatie als volgt.
    De student ontvangt in eerste instantie 3 jaar prestatiebeurs (in de vorm van een lening) voor de
    bacheloropleiding. Behaalt hij het bachelordiploma en wil hij zijn studie voortzetten met de
    masteropleiding, dan dient hij dat zelf door te geven aan de IB-groep, waarna de eerste toekenning
    wordt omgezet in een prestatiebeurs van 3 jaar. Ook voor de masteropleiding ontvangt de student 3
    jaar prestatiebeurs (in de vorm van een lening), die na het behalen van het diploma op verzoek
    wordt omgezet in een prestatiebeurs van eveneens 3 jaar. Na afloop van de prestatiebeurs kan nog
    gedurende 3 jaar een lening (met behoud van OV-studentenkaart) worden aangevraagd. Ook hier
    geldt de regel dat de aanspraak op studiefinanciering verzilverd moet worden binnen 10 jaar nadat
    voor het eerst studiefinanciering ontvangen is. Zie voor regels inzake studiefinanciering en de BaMa
    ook hieronder bij punt 5.
Als een student al vóór de studie aan de TUA studiefinanciering heeft gehad voor een opleiding in het WO
of HBO, worden de reeds genoten maanden studiefinanciering in mindering gebracht op de bovenstaande
termijnen.

1b. Prestatiebeurs
Aan de twee onderstaande prestatie-eisen moet voldaan zijn alvorens het prestatiedeel van de lening
over het eerste studiejaar wordt omgezet in een gift:
- In het eerste studiejaar (waarin de student op enig moment voor het eerst studiefinanciering voor het
    hoger onderwijs ontvangt) moet de student 30 ECTS halen. Haalt de student die
    studievoortgangsnorm, dan wordt het basisbeursdeel van de studiefinanciering gedurende de eerste
    12 maanden omgezet in een gift. Ook de OV-studentenkaart wordt dan een gift.
- Wanneer geen 30 ECTS zijn behaald, en de student voltooit zijn studie alsnog binnen 10 jaar, dan
    wordt alsnog het prestatiedeel van de lening over het eerste studiejaar omgezet in een gift.
Voor degene die zich na 31 januari van een studiejaar heeft ingeschreven als student, geldt niet de norm
van 30 maar van 20 ECTS Daarbij geldt: als de student geen 20 ECTS haalt, worden alleen de maanden
studiefinanciering die in dat studiejaar zijn toegekend, omgezet in een lening; als de student wel (ten
minste) 20 ECTS haalt, worden de eerste twaalf maanden studiefinanciering omgezet in een gift. Dus: bij
de student die in het eerste studiejaar bijvoorbeeld 11½ ECTS haalt, wordt de prestatiebeurs over het
eerste studiejaar een rentedragende lening. Als de student vervolgens binnen 10 jaar een einddiploma
haalt, kan deze lening alsnog omgezet worden in een gift. Omzetting vindt niet automatisch plaats, maar
alleen op verzoek van de student.
Gelet op de regels voor de studiefinanciering zoals die onder het regiem van de prestatiebeurswetgeving
per 1 september 1996 van kracht zijn, is het wenselijk dat de student binnen de gestelde tijd (1 jaar
vooropleiding en 6 jaar theologische studie) afstudeert, om financiële tegenvallers te vermijden. In alle
gevallen (of studenten eerst de vooropleiding moeten volgen of niet) geldt dat maximaal 6 jaar een
‘voorwaardelijk toegekende rentedragende lening’ (die omgezet kan worden in een gift) wordt
toegekend.




246                                                                                    Studiefinanciering
2. Februari-regel

Als de student in het eerste jaar vóór 1 februari ophoudt studiefinanciering te genieten en hij tevens niet
opnieuw voor datzelfde studiejaar studiefinanciering (voor hoger onderwijs) zal krijgen, wordt de presta-
tielening over (de eerste maanden van) dat jaar omgezet in een gift.


3. Studievoortgangscontrole

Iedere student krijgt elk jaar omstreeks oktober van het secretariaat bericht over zijn/haar
studievoortgang. De vaststelling gebeurt door de examencommissie, op grond van de voor de opleiding
bij het secretariaat geregistreerde studieresultaten. In het bericht wordt aangegeven dat de student
beroep kan aantekenen ingeval zijn/haar studieresultaten niet of onjuist geregistreerd zijn.


4. Uitschrijving

Wanneer een student zich tussentijds (tijdelijk) laat uitschrijven, dient hij dat tevens door te geven aan
de IB-Groep. Ook het secretariaat van de TUA is verplicht het aan de IB-groep te melden. Er zal over de
periode dat een student niet staat ingeschreven (en dus geen collegegeld betaalt) geen aanspraak
gemaakt kunnen worden op studiefinanciering. Wel tellen de maanden (jaren) dat een student niet staat
ingeschreven mee voor de diplomatermijn. Zie het hierover vermelde onder 1b en 1c.
Studenten die hun studie met een diploma hebben afgesloten, dienen dat zelf door te geven aan de IB-
groep. Het secretariaat doet hiervan melding aan de IB-groep binnen drie maanden na het examen.


5. Meer informatie?

Informatie over de studiefinanciering kan men inwinnen bij een van de steunpunten van de IB-groep te
Groningen of bij de studieadviseur, mw. J.W. van der Zande-de Roo.




Studiemogelijkheden elders                                                                              247
15. Verenigingen, kringen e.d.
Corpus Studiosorum in Academia Theologica Applenthornae PFSAR
PFSAR (Per Fidem Studiumque Ad Rostra) is de studentenvereniging van de TUA, die bijdraagt tot
theologische vorming en ontwikkeling van de studenten en de onderlinge gemeenschap wil bevorderen.
Tijdens de collegeweken komen de leden op donderdagmiddag en/of –avond bij elkaar voor vergade-
ringen of ontspannende activiteiten.
Op de zolder van het universiteitsgebouw hebben studenten een eigen ontspanningsruimte gecreëerd, de
Areopagus, waar men elke donderdagavond samenkomt voor een goed gesprek en om iets te drinken.

Calvijnkring
De leden van de Calvijnkring bestuderen de werken van de reformatoren, in het bijzonder die van Calvijn.
Coördinator is drs. A. Huijgen, Roebol 40, 8281 LN Genemuiden, e-mail ahuijgen@tua.nl.

Zending Evangelisatie en Hulpverlening (ZEH)
ZEH is een vereniging van studenten die eenmaal per maand bij elkaar komt op de TUA. De vereniging
stelt zich ten doel de studenten toe te rusten voor en te betrekken bij zending, evangelisatie en
hulpverlening. Dit gebeurt o.a. door bijbelstudie en lezingen. Iedereen die ingeschreven staat als student
aan de TUA kan lid worden van ZEH. Secretariaat: p/a Wilhelminapark 4, 7316 BT Apeldoorn, e-mail zeh-
tua@hotmail.com.

Muziek
Met regelmaat wordt er in wisselende samenstelling door studenten muziek gemaakt en/of gezongen in
de aula van de universiteit.

Studiekring Oude Testament Apeldoorn-Kampen
Twee keer per jaar (in januari en in augustus) komt de studiekring Oude Testament uit de Christelijke
Gereformeerde en de Nederlands Gereformeerde Kerken bijeen om enkele onderwerpen op het terrein
van het Oude Testament te bespreken. Secretaris is drs. D.S. Drechsler, Laaghalerstraat 12, 9414 AK
Hooghalen, tel. 0593-59 25 29, e-mail drechsler@gkv.nl.

Nieuwtestamentisch werkgezelschap
Het nieuwtestamentisch werkgezelschap komt twee dagen per jaar bijeen, in mei en in november.
Participanten, vooral uit de Christelijke Gereformeerde en de Nederlands Gereformeerde Kerken,
bespreken enkele onderwerpen en publicaties op het terrein van het Nieuwe Testament. Secretaris is drs.
M. Visser, Kroonlaan 1, 8071 WE Nunspeet, e-mail martvis@solcon.nl.

Werkgezelschap diakoniologie
Het werkgezelschap diakoniologie komt twee dagen per jaar bijeen, in het voor- en najaar. Participanten,
vooral uit de Christelijke Gereformeerde kerken, bespreken enkele onderwerpen en publicaties op het
terrein van de diakoniologie. Secretaris is drs. J.L. de Jong, Bikkersweg 5, 3752 WV Bunschoten, e-mail
jongdejl@kpnmail.nl.

Ex Oriente Lux
In Apeldoorn functioneert een afdeling van het landelijk Vooraziatisch-Egyptisch genootschap Ex Oriente
Lux. Dit genootschap houdt zich bezig met de geschiedenis, de cultuur en de archeologie van het Oude
Nabije Oosten van de Bijbel. Viermaal per jaar wordt er een bijeenkomst gehouden. Secretaris is dhr.
W.J. Beinema, p/a Wilhelminapark 4, 7316 BT Apeldoorn, e-mail wjbeinema@student.tua.nl. Prof. dr.
H.G.L. Peels is voorzitter.

Boekenvereniging ‘De KreNT’
Boekenvereniging, De KreNT verschaft haar leden boeken tegen een zo laag mogelijke prijs en zonder
enig winstoogmerk. Leden kunnen zij zijn, die aan de Theologische Universiteit naar de bepalingen in
haar reglement doceren, als student zijn ingeschreven of die op andere wijze aan deze instelling
verbonden zijn. Buitenlandse/anderstalige boeken worden met korting aangeboden en enkele keren per
jaar is er een verkoopweek, waarin na intekening tweedehands boeken verloot worden. Informatie kan
opgevraagd worden bij A.G. van den Heuvel (secretaris), e-mail agvandenheuvel@student.tua.nl.




248                                                                               Verenigingen en kringen
16 . Alumni
De TUA onderhoudt een nauw contact met zijn afgestudeerden. In de studentenadministratie worden hun
gegevens zo goed mogelijk bijgehouden.
Voor veel officiële bijeenkomsten, symposia en andere openbare activiteiten aan de universiteit worden
aan alumni persoonlijke uitnodigingen gestuurd. Daarom wordt het op prijs gesteld dat het secretariaat
(ook na de studie) op de hoogte wordt gehouden van o.a. de adreswijzigingen.

Alumnidagen
Eens in de twee jaar organiseert de TUA de zogenaamde terugkomdagen voor alumni en predikanten van
de Christelijke Gereformeerde Kerken. Gedurende een aantal dagen wordt aan hen door de hoogleraren
van de TUA colleges gegeven vanuit de verschillende vakgebieden. Daarnaast is er veel ruimte voor
onderlinge gesprekken, uitwisseling van ervaring en ook gezelligheid. Het blijkt ons steeds weer dat deze
dagen in een behoefte voorzien.

Post-academisch onderwijs (PAO)
Samen met de TUK organiseert de TUA zogenaamde PAO-cursussen voor de oud-studenten van beide
universiteiten en de predikanten van de Christelijke Gereformeerde Kerken en Gereformeerde Kerken
(vrijgemaakt). Elk jaar worden minimaal twee cursussen van meerdere dagen aangeboden, steeds op
een ander vakgebied. Om het jaar wordt een serie cursusdagen verzorgd wordt door een hoogleraar van
de TUA. Ook voor dit post-academisch onderwijs bestaat veel belangstelling.

Informatievoorziening
Via de digitale nieuwsbrief worden de alumni op de hoogte gehouden van en uitgenodigd
relevante activiteiten aan de TUA of mede door de TUA georganiseerd.




Alumni                                                                                               249
17. Nederlands Gereformeerde Predikantenopleiding
De Nederlandse Gereformeerde Kerken (NGK) hebben in 2004 besloten tot het oprichten van een eigen
aanvullende predikantenopleiding die verplicht is voor hen die predikant willen worden in de NGK en na 1
september 2005 met de theologiestudie zijn begonnen. De NG-Predikantenopleiding (NGP) is een
kerkelijke opleiding die aanleunt tegen die van de Christelijke Gereformeerde Kerken. Het NGP-
programma beslaat ongeveer 20% van het totale opleidingsprogramma.

Studenten die predikant in de NGK willen worden, kunnen zich als student inschrijven bij de TUA, volgen
het studieprogramma van de TUA en krijgen daarbij vrijstellingen die in omvang overeenkomen met de
omvang van het NGP-programma. Het onderwijs wordt zo ingeroosterd dat het niet interfereert met het
andere onderwijs aan de TUA. De colleges worden op twee vaste middagen gegeven (maandag,
woensdag). Aan het eerste semester gaat ieder jaar een gezamenlijk weekend vooraf en incidenteel zijn
er enkele twee- of driedaagse cursussen.

Bezoekadres NGP-locatie:             NGP-Kamer (beneden achter de aula)
Opleidingscoördinator:               Dhr. P. van Veen, e-mail: oc.ngp@ngk.nl
Postadres:                           Wilhelminapark 4, 7316 BT Apeldoorn
Secretaris bestuur Stichting NGP:    ds. K. Muller, Meervalstraat 20, 1431 WG Aalsmeer, tel. 0297 28
                                     34, e-mail secr.ngp@ngk.nl
Website:                             www.ngk.nl/ngp


Compensatieregeling

Een TUA-student die onder de oude regeling valt en de TSB volgt, ontvangt het recht ieder jaar een
vrijstelling ter waarde van 3 studiepunten te claimen. Voorwaarde is dat hij/zij een schriftelijk TSB-
testimonium inlevert bij het secretariaat waarop vermeld staat dat hij/zij voor het desbetreffende jaar
minstens 90% van de TSB-cursus gevolgd heeft (maximale vrijstelling in de loop van 5 jaar: 15
studiepunten).
· Een TUA-student die de TSB volgt, kan per vakgebied slechts éénmaal een vrijstelling claimen.
· Het voorgaande laat de algemene collegeplicht onverlet; dus ook de colleges van het vak waarvoor
vrijstelling of vermindering van studielast werd verkregen, moeten worden bijgewoond.
· Elk verzoek om compensatie/vrijstelling dient - na overleg met de betrokken vakdocent - schriftelijk
bij het secretariaat te worden ingediend.

Gemeente-stage
De door de TSB geregelde stage is conform de aan de TUA geldende regels. Een TSB-student die een
stage verricht kan dit in de master II-fase van de TUA laten gelden als een minor van 14 ECTS. De
mentor-hoogleraar van de TUA ontvangt een beknopte samenvatting van de evaluatie.




250                                                      Nederlands Gereformeerde Predikantenopleiding
18. Onderzoeksprogramma’s TUA/TUK

Commissie Wetenschapsbeoefening

Begin 2002 hebben de TUA en de TUK besloten de krachten te bundelen op het gebied van het theo-
logisch wetenschappelijk onderzoek. Er is daartoe een gezamenlijke commissie wetenschapbeoefening
(CWB) ingesteld, die begonnen is met het ontwerpen van een gezamenlijk onderzoeksbeleid. De
onderzoeksmissie is geformuleerd. Inmiddels zijn er vier onderzoeksgroepen gevormd. De vier
programmaleiders maken deel uit van de CWB. Ook de rectores van beide instellingen zijn bij de
vergaderingen aanwezig. Voorzitter is prof. dr. B. Kamphuis (tijdelijk prof. dr. A.L.Th. de Bruijne),
secretaris is drs. G.D. Harmanny (TUK).

Missie
In deze missie wordt, zoals gebruikelijk, stellend geformuleerd wat taakstellend bedoeld is. De volgende
punten komen aan de orde:

Karakter onderzoek
Het onderzoek aan onze universiteiten is erop gericht in de actuele context van de 21e eeuw een bijdrage
te leveren aan de ontwikkeling van de theologische wetenschap vanuit gereformeerd perspectief.

Doelstelling
Op deze wijze willen beide universiteiten kerk en samenleving dienen vanuit en met het evangelie van
Jezus Christus, onze Here.

Normering
De universiteiten verrichten hun onderzoek in gehoorzaamheid aan het Woord van onze God, zoals Hij
dat in de Schrift aan ons gegeven heeft; zij weten zich tevens gebonden aan de gereformeerde confessie
en staan op basis daarvan in kritische verbondenheid met hun eigen traditie.

Samenhang onderwijs/onderzoek
Het onderzoek is, naast het onderwijs, één van de hoofdprocessen aan onze universiteiten en heeft als
zodanig zelfstandige betekenis. Tegelijk is er een nauwe relatie tussen onderwijs en onderzoek: het
onderwijs stimuleert tot verdergaand onderzoek, onderzoek komt het onderwijs ten goede. Op deze wijze
staat ook het onderzoek in dienst van de opleiding tot de prediking van het evangelie.

Onderlinge samenwerking
De nauwe samenwerking tussen de beide universiteiten op het terrein van het onderzoek krijgt concreet
gestalte in gemeenschappelijke onderzoeksgroepen, waarin de onderzoekers in de verschillende
vakgebieden gezamenlijk hun werk verrichten.

Verdere samenwerkingsverbanden
Met het oog op de participatie in het bredere wetenschappelijke discours nemen de universiteiten zoveel
als mogeliijk deel aan samenwerkingsverbanden van onderzoekers zowel binnen als buiten de
gereformeerde gezindte als ook met hen die op de grensgebieden van de theologie werkzaam zijn. Deze
samenwerking wordt gerealiseerd op nationaal en internationaal niveau.


Onderzoeksgroepen

1. Onderzoeksprogram bijbelwetenschappen

Historische processen en openbaring, programmaleider prof. dr. H.G.L. Peels, secretaris dr. W.H. Rose
(TUK).

Onder de titel ‘historische processen en openbaring’ wil dit programma een bijdrage leveren aan het
exegetische, hermeneutische en bijbels-theologische onderzoek van het Oude en Nieuwe Testament.
Richtinggevend is hierbij de kernvraag hoe recht gedaan kan worden zowel aan de historisch-literaire
dimensies van de bijbeltekst als aan de religieuze functie van deze tekst in de context van kerk en
christelijk geloof. Kenmerkend voor de gereformeerde hermeneuse is het honoreren van de historische
processen in en achter de bijbeltekst enerzijds en van het openbaringskarakter van de bijbeltekst
anderzijds.


Onderzoeksprogramma TUA/TUK                                                                          251
Descriptieve en interpretatieve componenten van de tekstuitleg behoeven elkaar en vullen elkaar aan. Dit
impliceert enerzijds dat de exegese naast de historische vraagstelling en de diachrone tekstanalyse, haar
winst zal doen met de moderne synchrone methoden en hun instrumentarium voor de taalkundige,
literaire en structurele tekstanalyse. Daarnaast komt vanuit het besef dat de tekst een eigen waarheids-
claim heeft en de interpreet méér is dan slechts een objectieve beschrijver van tekstuele en historische
gegevens, de Bijbel zelf als religieuze tekst meer in beeld.
De schriftuitleg dient uiteindelijk gericht te zijn op de ontvouwing van de ‘prediking’ van de bijbelse
geschriften. Vanuit dit perspectief beoogt het onderzoek naar de verbondenheid van Gods openbaring
met de concrete historische processen een bijdrage te leveren aan het debat over waarheid en relevantie
van de Bijbel in de huidige culturele context, en daarmee dienstbaar te zijn aan academie en kerk.

Het onderzoeksprogramma bestaat uit de twee subprogramma’s Oude Testament en Nieuwe Testament.
Het subprogramma Oude Testament richt zich op twee aandachtsvelden: a. een onderzoek op het niveau
van de teksten (‘vroege en late profeten’), en b. een onderzoek op het niveau van theologische thema’s.
Binnen het subprogramma Nieuwe Testament zijn drie aandachtsvelden te onderscheiden: Apostolische
periode (algemeen), Lucas, en Paulus. Het onderzoeksprogramma wordt geflankeerd door een
ondersteunend taalkundig programma met projecten op het terrein van Bijbels Hebreeuws en Syrisch
(Pesjitta).

Het onderzoeksprogramma 2005-2011 bouwt voort op het gelijknamige programma waarmee de
onderzoeksgroep bijbelwetenschappen indertijd haar werk startte. Bij doorlopende projecten zal daarom
voor de gegevens van vóór 2005 verwezen worden naar Historische processen en openbaring.
Onderzoeksgroep bijbelwetenschappen Programma 1999-2004.
Ten opzichte van het vorige proramma zijn de volgende wijzigingen doorgevoerd: 1. Projecten zijn zo
veel mogelijk geclusterd en onder een noemer gebracht. 2. De ordening beweegt zich van meer
algemene naar meer specifieke projecten. 3. De projectomschrijvingen zijn duidelijker gerelateerd aan
het hoofdthema van het programma.
Het doel van het onderzoeksprogramma is de publicatie van dissertaties, monografieën en artikelen,
zowel op academisch als professioneel niveau, bestemd voor bijbelwetenschappers, predikanten en
geïnteresseerde gemeenteleden. Een deel van het onderzoek zal uitmonden in de publicatie van
bijbelcommentaren in series als Historical Commentary on the Old Testament (Peeters, Leuven) en
Commentaar op het Nieuwe Testament (derde serie, red. J. van Bruggen, Kok, Kampen).

2. Onderzoeksprogram systematische vakken

Vernieuwing en herbronning. Op zoek naar een relevante gereformeerde systematische theologie voor de
21e eeuw, programmaleider prof. dr. G.C. den Hertog, secretaris prof. dr. B. Kamphuis (TUK).

Op de drempel van de 21e eeuw staat de gereformeerde theologie voor grote uitdagingen. Sinds de
Verlichting van de 18e eeuw heeft zij te maken met een sterke toename van de kennis en de
mogelijkheden van de mens in diens leven binnen Gods schepping, waaruit ook voor kerk en theologie tal
van positieve vruchten voortkwamen. Tegelijk liep de Verlichting onder meer uit op een vorm van denken
en zelfs van theologiebeoefening waarin God dood verklaard werd. In de postmoderne fase van de
moderne geschiedenis komt het als vervolg daarop ook tot de conclusie dat het menselijke subject zijn
einde heeft gevonden. Op verschillende manieren wordt verband gelegd tussen deze doodverklaring van
God en ontmenselijking van de mens enerzijds, en de uitbarstingen van geweld en de massagraven uit
de 20e eeuw anderzijds.
Gereformeerde theologie moet enerzijds nadrukkelijk op deze eigentijdse context ingaan en anderzijds
voluit bijbels-gereformeerd blijven. De vruchtbare spanning tussen continuïteit en vernieuwing vormt een
kenmerk van de theologische traditie van de kerk van de Reformatie en is wezenlijk voor haar vitaliteit.
Nu op de drempel van de 21e eeuw sprake lijkt van een dubbel breukvlak met de traditie van de
westerse wereld, staat de gereformeerde theologie voor de uitdaging niet onder te gaan in het algemene
besef van discontinuïteit en zich sterk te maken met het voortzetten van haar eigen traditie, waarvoor
juist de actuele context nieuwe kansen biedt. Tegelijk zal zij zich op een overtuigende manier moeten
durven vernieuwen om zo terzake doende antwoorden en perspectieven te kunnen aanreiken aan een
cultuur en een kerk waar dit besef van discontinuïteit de behoefte aan verandering voedt.

De gereformeerde theologie staat in een traditie. Deze traditie mag geen dode traditie worden en kan
ook geen vanzelfsprekendheid zijn. Waar van alles op ons afkomt en vertrouwde waarheden niet meer
vanzelf spreken, waar de vraag gesteld wordt of de gereformeerde traditie nog wel een vitale traditie is,
blijkt dat de vanzelfsprekendheid er in elk geval niet is. In het verleden heeft de gereformeerde traditie
er blijk van gegeven een levende traditie te zijn, waarin onder erkenning van het gezag van de Schrift
gepoogd werd recht te doen aan Gods openbaring in al haar rijkdom en diepte, om van daaruit kerk en


252                                                                     Onderzoeksprogramma’s TUA/TUK
wereld met het Woord te dienen. Geleid door de Heilige Geest willen we de relevantie van die traditie
voor het heden zelf ontdekken en deze traditie voortzetten als een levende traditie die staat voor
hetgeen in het leven van de christelijke kerk in de 21e eeuw van vitaal belang is.

Onder de traditie van de gereformeerde theologie verstaan we de traditie, die allereerst gekenmerkt
wordt door een gehoorzaamheid aan de Heilige Schrift, in gebondenheid aan de oecumenische symbolen
en de Nederlandse Geloofsbelijdenis, de Heidelbergse Catechismus en de Dordtse Leerregels. Daarin zijn
we verbonden met de katholieke kerk der eeuwen via het spoor van de gereformeerde reformatie.
Meer gericht op de inhoud wordt deze traditie gekenmerkt door het volgende:
a. De intentie om trinitarisch te theologiseren en daarmee aandacht te hebben voor de breedte van het
    werk van God in schepping en herschepping.
b. De wens om aan de hele Schrift van Oude en Nieuwe Testament recht te doen als Woord van God.
c. Het besef van de centrale betekenis van de verzoening in Christus en de gemeenschap met Hem.
d. De overtuiging dat we vanwege de verdorvenheid van de mens zowel voor ons behoud als voor ons
    theologisch denken geheel en al aangewezen zijn op Gods verkiezing en genade in Christus en op de
    verlichtende werking van de Heilige Geest.
e. Aandacht voor verbond en kerk.

In het onderzoek gaat het erom de relevantie van de gereformeerde traditie voor het voetlicht te
brengen in de context van de 21e eeuw. De laatste eeuwen is de geestelijke situatie van West-Europa
onder andere gekenmerkt door het zoeken van een juiste relatie tussen christelijk geloof en moderniteit.
Daarbij bewoog de relatie zich tussen de polen van enerzijds een synthese in de gestalte van een
cultuurchristendom en anderzijds de antithese van een christendom, dat kritisch-afwijzend stond ten
opzichte van de moderniteit. Het lijkt dat er in deze context verandering komt.
We zien onder meer de volgende uitdagingen en problemen op ons af komen:
a. De secularisatie van West-Europa.
b. De postmoderne situatie, waarin het project van de Verlichting onder kritiek is komen te liggen en op
    allerlei manieren andere wegen gezocht worden.
c. De gewelddadigheid van de twintigste eeuw zoals deze in de Westerse wereld uitkwam in de twee
    wereldoorlogen, verscheidene postkoloniale oorlogen, de opkomst van het terrorisme en de ethnische
    conflicten rond de Balkan.
d. De gebeurtenissen rond het Joodse volk, waaronder de moderne manifestatie van antisemitisme, de
    holocaust, de stichting van de staat Israël, de overleving van die staat temidden van ernstige
    bedreiging en de permanente focus van de internationale politiek op de onoplosbare verhouding
    tussen Joden en Arabieren, alsmede de hernieuwde aandacht voor de eigen aard van de nabijbelse
    Joodse religie in tegenstelling tot de traditioneel-reformatorische neiging tot gelijkstelling van
    Jodendom en rooms-katholieke verdienstelijkheidsleer, dienen ook binnen de gereformeerde
    systematische theologie aanleiding te vormen voor nieuwe bezinning op de betekenis van Gods
    verbond met Israël en op Gods weg met het Joodse volk door de geschiedenis.
e. Het verdwijnen van de synthese tussen christendom en de cultuur, waarmee een eind komt aan het
    Constantijnse tijdperk en voor de christelijke kerk een veranderde culturele en maatschappelijk-
    politieke situatie ontstaat.
f. De christelijke ethiek lijkt steeds meer een ethiek van een minderheid te worden in een relativistische
    of pluralistische omgeving.
g. Binnen het christendom een oecumenisch zoeken naar meer eenheid, wat zowel gepaard gaat met
    relativisme als met theologische creativiteit om uit elkaar gegroeide kerkelijke tradities weer bij
    elkaar te brengen.
h. Het ontstaan van een multiculturele samenleving, waarin het christelijk geloof voor het besef van
    veel mensen niet langer richtinggevend is en andere religieuze stromingen opkomen.
i. Door de globalisering speelt het leven van mensen zich steeds meer op wereldniveau af.
    Tegelijkertijd is er de erkenning van een toenemende aandacht voor het unieke karakter van lokale
    situaties en gebeurtenissen.
j. De sociale problematiek wereldwijd: de kloof tussen de rijke en de arme wereld, en - mede als
    gevolg van deze schrijnende tegenstelling in de wereld - de contrasten in de westerse samenleving:
    tussen rijk en arm, werkend en niet- werkend, autochtoon en allochtoon, ziek of gehandicapt en
    gezond, en wel of niet participerend in de informatiemaatschappij.
k. De kritiek van het feminisme en van niet-westerse theologen op het christelijk geloof als een
    mannelijke, witte en westerse religie.
l. Een verandering in zelfopvatting van mensen, met tot gevolg meer aandacht voor lichamelijkheid,
    ervaring en emotie.
m. Een toegenomen besef van historische, subjectieve en culturele bepaaldheid van ons verstaan,
    denken, voelen en handelen en dus ook van het verstaan van de bijbel, ons nadenken over de leer
    van de bijbel en ons christelijk handelen.

Onderzoeksprogramma TUA/TUK                                                                             253
Ons bewust van onze historische en culturele bepaaldheid willen we in deze situatie binnen onze
christelijke erfenis onderscheid maken tussen wat door aanpassing aan de moderniteit bepaald is of in
ander opzicht kritische herziening behoeft enerzijds en wat het waard is in de gereformeerde traditie
meegenomen te worden naar de 21e eeuw anderzijds. Tevens willen we vanuit een katholieke intentie
onze winst doen met waardevolle elementen die we aantreffen buiten de gereformeerde traditie. Bewust
staande in een traditie en die creatief gebruikend, willen we opnieuw vragen wat de Schrift ons te zeggen
heeft om in gehoorzaamheid te reageren op de nieuw ontstane situatie. Hierbij dient de vraag naar de
relevantie van de gereformeerde erfenis voor deze situatie steeds aanwezig te zijn.

3. Onderzoeksprogram Kerkgeschiedenis en Kerkrecht

Ambt en uitleg in historische context, programmaleider prof. dr. H.J. Selderhuis, secretaris prof. dr. F.
van der Pol (TUK).

Het onderzoeksprogramma “Ambt en uitleg in historische context” wil bijdragen aan de voortdurende
bezinning op de plaats en de inhoud van het predikantsambt in het licht van de actuele situatie in kerk en
samenleving. Deze bezinning is niet mogelijk zonder onderzoek naar o.a. de herkomst van het predi-
kantsambt en het preken en spreken van de kerk in vroegere situaties. Het programma van de
Onderzoeksgroep Kerkgeschiedenis en Kerkrecht (OGKK) richt zich dan ook op deze aspecten. Daarbij
gaat het vooral om de geschiedenis van de opleiding van de predikanten, hun bijbeluitleg, hun
kerkrechtelijke positie en het spreken van de kerk in confessies. Zo wordt beoogd een bijdrage te leveren
aan het historisch-wetenschappelijk onderzoek naar het ontstaan van en de ontwikkelingen binnen het
gereformeerd protestantisme. Er wordt gestreefd naar een interdisciplinaire benadering in de zin van een
nauwe verbinding tussen kerk-, theologie-, en algemene geschiedenis.

Het programma valt in twee speerpunten uiteen:
- De 16e eeuw, waarbij het gaat om de traditieverwerking en traditievorming in en vanuit de
   Reformatie. Binnen dit speerpunt past de samenwerking met het Instituut voor Reformatieonderzoek
   (Apeldoorn).
- De 19e en 20e eeuw, waarbij het gaat om de Nederlandse gereformeerde traditie, zoals die vanuit de
   culturele context van de 19e en 20e eeuw gestalte kreeg rond belangrijke kerkelijke thema’s.

4. Onderzoeksprogram Praktische Theologie

Kerkelijk handelen tussen openbaring en relevantie, programmaleider prof. dr. A. Baars, secretaris prof.
dr. C.J. de Ruijter (TUK).

Praktische theologie is binnen de Theologische Universiteit van Apeldoorn en Kampen altijd opgevat als
de theologische reflectie op ambtelijke dienst in kerkelijk kader. Het zwaartepunt van de reflectie lag in
de goddelijke opdracht tot dienstbetoon aan de door Christus vergaderde gemeente. De openbaring in de
Heilige Schrift was de bron voor de theologische bezinning, terwijl de gereformeerde belijdenis, zoals
geformuleerd in de Drie Formulieren van Enigheid, hierbij het referentiekader vormde.
Vanuit dit uitgangspunt heeft deze discipline gewerkt aan een normatief bepaald denkkader voor de
theologische theorievorming. Dat denkkader is binnen de genoemde traditie altijd aangeduid met de
term ‘diaconiologie’. De specifieke verwijzing naar het bijbelse begrip ‘diakonia’ staat daarbij voor de
inhoudelijke typering van dit theologisch kader. De scopus van het onderzoek was daarbij specifiek
gericht op relevante output die voeding en stimulans zou kunnen bieden aan bijbels-theologische
bezinning en visie-vorming in een breder kerkelijk kader.

Intussen worden bij deze benadering vanuit de handelingswerkelijkheid in toenemende mate vragen
gesteld. Het functioneren van de kerkelijke gemeente aan het begin van de een en twintigste eeuw
vraagt om criteria en praktijktheorieën, die rekening houden met de ontwikkelingen, die structuur en
aanzien van cultuur en samenleving bepalen. Kortweg is dat aan te duiden als de vraag naar de
relevantie. De praktische theologie kan om deze vraag niet heen. De fundamentele theorievorming uit de
traditie dient daarom een verbreding te ondergaan, waarbij de focus niet alleen gericht is op de Schrift,
maar ook op de empirische werkelijkheid. Uiteraard is de normatieve oriëntatie op de openbaring hierbij
onopgeefbaar.

Tussen deze twee polen beweegt zich dan ook het onderzoeksprogramma praktische theologie. Enerzijds
is er de openbaring die bepalend is geweest voor de traditie tot nu toe.Dat uitgangspunt blijft normatief
bepalend. Het onderzoek is erop gericht de traditie te bevragen op de aard en de draagwijdte van de
openbaring als bron voor de theorievorming. Anderzijds is er de vraag naar de relevantie. Het onderzoek
richt zich op de probleemstelling hoe empirische kennis binnen een door de openbaring gevoed

254                                                                      Onderzoeksprogramma’s TUA/TUK
referentiekader een volwaardige rol kan spelen in de theorievorming. Hierbij staat met name de vraag
centraal op welke wijze interdisciplinaire kennis uit empirische wetenschappen verantwoord geïntegreerd
kan worden binnen een duidelijk gereformeerd praktisch-theologisch kader. Uiteraard blijft de kerkelijke
scopus van het onderzoek hierbij volop in beeld, zij het nu direct gerelateerd aan de relevantie van het
kerkelijk handelen in de samenleving van de eenentwintigste eeuw.

Het onderzoeksprogramma bestrijkt met name de volgende aandachtsvelden: homiletiek, liturgiek,
missiologie, ambtsleer, poimeniek en diaconiek. Er zijn vier deelprojecten homiletiek: (1) de geschiedenis
van de homiletiek en van de prediking; (2) trinitarische prediking; (3) gereformeerde preekvisie en
preekmethode; (4) preekanalyse. Voor het aandachtsveld liturgiek is als deelproject ‘liturgie en cultuur’
opgevoerd. Het aandachtsveld van de missiologie heeft als deelproject: Elenctische componenten in de
missionaire appraoch. Voor het aandachtsveld ambtsleer: Ambt en bediening in de 21e eeuw. Met
betrekking tot het pastoraat is sprake van twee deelprojecten: (1) methodische aspecten van pastoraat;
(2) cognitieve therapietechnieken in het pastoraat. Tenslotte is er een diaconaal deelproject: Diaconaat
in een veranderende verzorgingsstaat

Het onderzoeksprogramma 2006 – 2011 bouwt voort op het gelijknamige programma waarmee de
onderzoeksgroep PT in de achterliggende jaren haar werk begon. Ten opzichte van het vorige programma
zijn de volgende wijzigingen doorgevoerd:
(1) Enkele deelprojecten die afgerond zijn, keren niet meer terug, namelijk: ‘Prolegomena PT’ en ‘Kerk-
zijn in een stedelijke samenleving’;
(2) De projectomschrijvingen zijn duidelijker gerelateerd aan het hoofdthema van het programma.

Het doel van het onderzoeksprogramma is de publicatie van dissertaties, monografieën en artikelen,
zowel op academisch als professioneel niveau, bestemd voor praktische theologen, predikanten en
geïnteresseerde gemeenteleden.




Onderzoeksprogramma TUA/TUK                                                                           255
19. Instituut voor Reformatieonderzoek
Nederland kent een lange traditie van onderzoek naar de geschiedenis en de theologie van de
Reformatie. Om aan het voortzetten van deze traditie een bijdrage te leveren heeft de Stichting voor
Reformatieonderzoek in 2002 een wetenschappelijk instituut opgericht. In 2007 is de Stichting
opgeheven en is het Instituut voor Reformatieonderzoek een onderdeel van de Theologische Universiteit
Apeldoorn geworden, waarin het sinds de oprichting al was gevestigd. Prof. dr. H.J. Selderhuis is aan het
instituut verbonden als directeur, dr. W.A. den Boer als wetenschappelijk medewerker en mw. drs. C.Th.
Boerke als medewerker.


Doel

Het instituut heeft tot doel het onderzoek naar de Reformatie te stimuleren. Daarbij is te denken aan
zowel de geschiedenis als de theologie van deze hervormingsbeweging. Eveneens zal zowel de directe
voorgeschiedenis alsook de doorwerking van de Reformatie in het onderzoek betrokken worden. Het
instituut beoogt met deze wetenschappelijke doelstelling resultaten te genereren die relevant zijn voor
kerk, wetenschap en samenleving. De belangrijkste middelen om dit doel te bereiken zijn:
· het (mede) organiseren van congressen en lezingen
· het eelnemen aan wetenschappelijke projecten in binnen- en buitenland


Voor meer informatie www.instituutreformatieonderzoek.nl.




256                                                                   Instituut voor Reformatieonderzoek
20. Overig onderzoek

NOSTER

Prof. dr. H.G.L. Peels en prof. dr. H.J. Selderhuis zijn als senioronderzoeker verbonden aan de
Nederlandse Onderzoeksschool voor Theologie en Religiewetenschap (NOSTER). Dit is een landelijke
onderzoeksschool waarin vrijwel alle Nederlandse universiteiten participeren. Regelmatig
worden conferenties georganiseerd en bijeenkomsten voor onderling overleg en uitwisseling van
gegevens. Naast senioronderzoekers kent NOSTER ook junioronderzoekers, promovendi die door de
universiteiten worden aangemeld. Voor deze junioronderzoekers worden o.a. cursussen georganiseerd.
Junioronderzoekers aan de TUA zijn: drs. D. Timmerman en drs. A. Versluis.
Uitvoeriger informatie is te vinden op http://noster.theo.uu.nl.


Overig

Naast de hiervoor genoemde onderzoeksprojecten en -verbanden zijn hoogleraren van de TUA op
individuele basis aangesloten bij onderzoeksprojecten of -instellingen in binnen en buitenland:
- Hans Joachim Iwand-Stiftung te Beienrode, Duitland (prof. dr. G.C. den Hertog).
- Research-Program ‘Reformatoriese Teologie, Etiek en Samelewing’ van de North-West University te
   Potchefstroom, Zuid-Afrika (prof. dr. H.G.L. Peels).
- Research-Program ‘Animosity, the Bible and us’, in het kader van European Association for Biblical
   Studies (prof. dr. H.G.L. Peels).
- Navorsingsgenoot Departement Ou Testament, Universiteit van Oranje Vrystaat, Zuid-Afrika (prof. dr.
   H.G.L. Peels).
- Facharbeitsgruppe Arbeitsgesellschaft Altes Testament (prof. dr. H.G.L. Peels).
- Institut für Europäische Geschichte te Mainz, Duitsland (prof. dr. H.J. Selderhuis).
- Gesellschaft für die Geschichte des Reformierten Protestantismus (prof. dr. H.J. Selderhuis).
- Wissenschaftlichter Beirat Melanchthon Akademie, Bretten, Duitsland (prof. dr. H.J. Selderhuis).
- Calvin Studies Society, Verenigde Staten (prof. dr. H.J. Selderhuis).
- Wissenschaftlicher Beirat zur Ausstellung ‘Calvinismus im Reich und in Europa’, Deutsches Historisches
   Museum, Berlin, Duitsland (prof. dr. H.J. Selderhuis).
Hoogleraren van de TUA participeren in redacties van (inter)nationale wetenschappelijke tijdschriften.
Met grote regelmaat wordt door de hoogleraren gastcolleges gegeven in het buitenland en nemen zij deel
aan (de organisatie van) congressen in binnen- en buitenland.




Overig onderzoek                                                                                    257
21. Bibliotheek

Openingstijden: maandag t/m vrijdag van 8.30-16.30 uur.

De bibliotheek van de TUA staat in de eerste plaats open voor studenten en docenten van de Universiteit.
Daarnaast kunnen ook belangstellenden gebruik maken van de bibliotheek. Aan het lenen van materialen
uit de eigen collectie zijn geen kosten verbonden.


Catalogus

De collectie van de bibliotheek is via de catalogus te raadplegen, zowel in de bibliotheek als via
www.tua.nl. In deze catalogus zijn de beschrijvingen opgenomen van boeken, scripties, brochures,
microvormen, series en tijdschriften (geen tijdschriftartikelen).
Binnen een titelbeschrijving kan verder gezocht worden door op titelwoorden, auteurs en trefwoorden te
klikken. Zoeken op een bepaald onderwerp kan het beste via de index op trefwoorden.

Onder elke beschrijving staat een plaatskenmerk, dat aangeeft waar een boek in de bibliotheek te vinden
is. Voorbeeld: Plaatskenmerk 3 M 20 betekent: Kast 3 - Plank M - Boek 20

Afwijkende plaatskenmerken:
- BRO = Brochures;
- L = Leeszaal, Studiezaal (naslagwerken);
- OD = Oude drukken (werken van voor 1850);
- DRS of MA = doctoraal- of masterscripties van de TUA;
- I = Collectie Israëlbibliotheek;
- TS = Tijdschriften;
- MF of letter = Microvormen.

Niet uitgeleend worden: naslagwerken, microvormen, werken van voor 1850, tijdschriften, doctoraal-
/masterscripties van de TUA en een aantal tekstuitgaven.
Van de tentamenboeken (met uitzondering van de Master II) worden door de bibliotheek 2 exemplaren
aangeschaft, waarvan 1 exemplaar niet uitleenbaar is.
Deze werken kunnen uiteraard wel in de bibliotheek geraadpleegd of bestudeerd worden.
Laat bij de balie even weten wanneer een (tentamen)boek voor 1 dag gebruikt wordt.


Enkele ‘zoektips’

Tijdschriftartikelen
Om artikelen uit tijdschriften te zoeken zijn binnen de TUA de volgende bestanden toegankelijk:
- Zeitschrifteninhaltsdienst Theologie UB Tübingen: http://ixtheo.de;
- ATLA Religion Database: http://search.ebscohost.com.

Bijbeltekst of Preek
Het komt regelmatig voor dat er gevraagd wordt naar een boek of preek over een bijbeltekst. In de
trefwoordenindex zijn bijbelteksten als trefwoord te vinden. Gebruik hiervoor een afkorting van het
bijbelboek b.v. ‘gen’, ‘ex’, ‘joz’ of ook ‘mt’, ‘lc’.
De preken, die in een prekenbundel verschijnen zijn niet afzonderlijk in de catalogus te vinden. Bij de
prekenserie ‘Uit de Levensbron’ is er wel een actueel register. Ook is er een register op de aanwezige
jaargangen van ‘Menigerlei genade’. Hiernaast zijn er preken te vinden in de reeks Postille, vanaf 1949-
1950 aanwezig. Prekenbundels zijn onder deze term in de trefwoordenindex te vinden.


Het gebruik van de bibliotheek

De bibliotheek van de TUA is een open, toegankelijke bibliotheek, d.w.z. dat ieder zelf de boeken kan
zoeken, pakken en inzien. Om te voorkomen dat boeken niet terug te vinden zijn vragen we ieders
medewerking:
Zet boeken op de lenerpas of op de juiste plaats weer terug. Ook na het kopiëren.




258                                                                                            Bibliotheek
We gaan ervan uit dat er zorgvuldig met de geleende boeken wordt omgegaan. Toch geven we een
aantal aandachtspunten:
- neem geen eten en drinken mee in de studiezaal en de bibliotheekruimten;
- maak geen strepen of aantekeningen in een boek. Dit maakt het boek niet leesbaar voor volgende
  gebruikers;
- plak niet zelf losliggende bladzijden of kapotte ruggen, maar meldt dit bij de medewerkers van de
  bibliotheek. Zij hebben speciale middelen hiervoor.
- wees zorgvuldig met het boek bij kopiëren. Druk het boek niet te stevig aan. Een heel boek kopiëren is
  verboden.

Uitlenen
Op vertoon van een lenerpas(=collegekaart) kan materiaal geleend worden.
- Boeken en brochures worden voor een periode van 4 weken uitgeleend.
- De uitleentermijn kan verlengd worden, mits de documenten niet gereserveerd zijn voor een andere
  lener.
- Studenten mogen max. 35 documenten lenen.

Verlengen
In het scherm van de publiekscatalogus is links een knop ‘Mijn gegevens/verlengen’ te vinden. Onder
deze knop is er de mogelijkheid om zelf de uitleentermijn van de boeken te verlengen en eigen
uitleengegevens te bekijken. Voor inloggen zie: knop ‘Help’
Op deze manier zijn ook boeken te reserveren.
- Het verlengen van de uitleentermijn kan via de publiekscatalogus of aan de balie geregeld te worden.
- Wanneer een andere lener een boek of brochure heeft gereserveerd is het niet mogelijk te verlengen.
- De uitleentermijn kan maximaal 10 keer verlengd worden; daarna moeten de boeken ingeleverd
  worden.
- Wat betreft de uitleentermijn van boeken die van elders worden geleend, is de bibliotheek gebonden
  aan de voorwaarden die de uitlenende bibliotheek stelt. Verlengen van deze boeken moet altijd via de
  TUA-bibliotheek gebeuren.

Rappelleren
- Na het verstrijken van de uitleentermijn is de lener een bedrag van € 0,25 per week per boek
  verschuldigd ingaande 2 dagen na het verstrijken van de uitleentermijn.
- Om de lener aan het verstrijken van de uitleentermijn te herinneren, ontvangt hij (maximaal) 4
  rappels. Na het versturen van het 3e rappel wordt de lenerspas geblokkeerd en wordt de lener van
  lenen, verlengen en reserveren uitgesloten totdat de boeken zijn ingeleverd en de boete is betaald.
- De lenerpas wordt ook geblokkeerd, wanneer het boetebedrag te hoog is opgelopen.

Reserveren
- Reserveringen kunnen door de lener zelf geplaatst worden via de publiekscatalogus. Het annuleren van
  reserveringen dient in alle gevallen door het personeel verricht te worden. NB! Alleen uitgeleende
  boeken kunnen gereserveerd worden.
- De lener ontvangt schriftelijk bericht als het gereserveerde document voor hem beschikbaar is. Het
  boek blijft gedurende 10 openingsdagen gereed liggen in de bibliotheek.
- Is de lener in het bezit van een gereserveerd boek, dan ontvangt hij direct na het verstrijken van de
  uitleentermijn een schriftelijk verzoek om het boek zo spoedig mogelijk in te leveren. Het is in dat
  geval niet mogelijk de uitleentermijn te verlengen.

Aanvragen via interbibliothecair leenverkeer (IBL)
- Het is mogelijk om boeken en artikelen die niet in de TUA-bibliotheek aanwezig zijn, bij een andere
  bibliotheek te lenen via het Interbibliothecair leenverkeer (IBL).
- Aanvragen daarvoor lopen via de bibliothecaris van de TUA, bij wie het betreffend materiaal verlengd
  en ook weer ingeleverd dient te worden.
- De lener ontvangt schriftelijk bericht als het aangevraagde materiaal voor hem beschikbaar is. Een
  aangevraagd boek blijft gedurende 5 openingsdagen gereed liggen in de bibliotheek. Wordt het boek
  niet binnen deze termijn opgehaald, gaat het naar de eigenaar terug
- Bij het afhalen van het materiaal dient de lener de kosten te betalen.
- Voor studenten is het tarief voor een aanvraag van een boek € 4,50. Voor kopieaanvragen geldt een
  minimumtarief dat overeenkomt met tien maal het betreffende tarief voor één kopie: € 0,65.




Bibliotheek                                                                                             259
22. Promotiereglement

1. Algemene bepalingen
Vooraf
Het promotie- en AIO-reglement zijn aan te vragen bij het secretariaat van de universiteit.

Artikel 1
Dit reglement verstaat onder:
a. universiteit: de Theologische Universiteit van de Christelijke Gereformeerde Kerken te Apeldoorn;
b. de wet: de Wet op het hoger onderwijs en wetenschappelijk onderzoek (WHW);
c. het college: het college van hoogleraren van de universiteit (coho);
d. het curatorium: het curatorium van de universiteit, benoemd door de particuliere synoden en de
    generale synode van de Christelijke Gereformeerde Kerken in Nederland (cura);
e. WO: wetenschappelijk onderwijs;

Waar in deze regeling gesproken wordt over hij/hem/de promovendus enz. kan ook gelezen worden:
zij/haar/de promovenda enz.

Artikel 2
Toegang tot de promotie heeft ieder die:
a. met goed gevolg het afsluitende examen, verbonden aan een opleiding als bedoeld in artikel 7.18, lid
    2.a. WHW heeft afgelegd;
b. als proeve van bekwaamheid tot het zelfstandig beoefenen van de theologie een proefschrift heeft
    geschreven met tenminste zes niet op het onderwerp van het proefschrift betrekking hebbende
    wetenschappelijke stellingen;
c. heeft voldaan aan de eisen, gesteld in het vigerende promotiereglement.

Artikel 3
Van de promovendi aan de universiteit wordt gevraagd dat zij instemming betuigen met de
gereformeerde belijdenisgeschriften. In geval deze instemming niet geheel gegeven kan worden, zal
toelating tot de promotie niet kunnen plaatsvinden dan na een gesprek met een afvaardiging van het
college, dat hierover rapporteert aan het curatorium.

Artikel 4
Terzake van de promotiestudie en wat daarmee samenhangt, brengt het college jaarlijks verslag uit aan
het curatorium.

Artikel 5
Wijziging van dit reglement geschiedt door het college in overleg met het curatorium.


2. De promovendus
Artikel 6
1. Wie wenst te promoveren aan de universiteit, dient een schriftelijk verzoek om toelating in bij het
    college. Hierbij overlegt hij het getuigschrift als vermeld in artikel 2 en een opzet voor het beoogde
    promotie-onderzoek.
2. De promovendus ontvangt schriftelijk bericht dat hij is toegelaten, waarbij tevens wordt vermeld
    welke hoogleraar door het college is aangewezen als promotor en zodra bekend, wie de copromotor
    en/of referent en de andere leden van het college van promotie zijn.
3. In geval sprake is van een weigering dan wel voorwaardelijke toelating wordt deze schriftelijk en
    gemotiveerd aan de promovendus meegedeeld.
4. Zie voor de situatie van een promovendus die AIO is, de bepalingen terzake in het AIO-reglement.

Artikel 7
De voorbereiding van het proefschrift geschiedt in overleg met de promotor(en). Met inachtneming van
de bepalingen van het reglement wordt te zijner tijd een copromotor/referent hierbij ingeschakeld. In
deze periode van voorbereiding is inschrijving als student van de universiteit niet vereist. De inschrijving
is wel vereist vanaf het begin van het studiejaar waarin de promotie plaatsvindt. Men dient zich met het
oog hierop tijdig aan te melden bij het secretariaat van de universiteit. De inschrijving voor een
studiejaar moet plaatsvinden vóór 1 september voorafgaande aan dat studiejaar.



260                                                                                      Promotiereglement
3. De promotor en de copromotor/referent

Artikel 8
Voor elke promotie wijst het college een hoogleraar van de universiteit als promotor aan.

Artikel 9
Conform de wet (artikel 9.19) behoudt een hoogleraar na zijn emeritering nog vijf jaar het recht om een
promotie te verrichten.

Artikel 10
Na aanmelding voor het promotie-onderzoek wordt het eerste stadium van de voorbereiding op de
promotie gevormd door een zelfstandige studie van bronnen en literatuur met betrekking tot het
onderwerp dat door de promovendus gekozen is. Alleen wanneer door de promotor(en) naar aanleiding
van deze studie een gunstig advies, ondersteund door de betrokken onderzoeksgroep, is uitgebracht,
stemt het college in met de keuze van het onderwerp en deelt aan de Nederlandse universiteiten mee,
dat met de bewerking van het proefschrift een aanvang is gemaakt (aanmelding via NOD). Voor de
toelating tot het promotie-onderzoek geldt in principe de richtlijn dat het eindcijfer van de master- of
doctoraalscriptie een 8 of hoger is en het gemiddelde van de overige in de master/doctoraal II-fase
behaalde resultaten in principe een 7.5 of hoger is.

Artikel 11
1. Het college vergewist zich ervan dat de voorgestelde copromotor en/of referent bereid zijn als
    zodanig op te treden.
2. De copromotor en/of referent zijn bevoegd op een gegeven instemming terug te komen door middel
    van een gemotiveerd schrijven aan het college.

Artikel 12
Als copromotor en/of referent kan worden aangewezen ieder die gepromoveerd is op het vakgebied van
de theologie, en die deskundig is op het wetenschapsgebied waarop het proefschrift betrekking heeft, al
of niet hoogleraar.

Artikel 13
1. De promotor begeleidt de promovendus bij de totstandkoming van het proefschrift. Deze begeleiding
    vindt in ieder geval plaats door het geven van gerichte literatuuradviezen en het aanwijzen van
    nieuwe onderzoeksfacetten. Na ieder voltooid hoofdstuk zal een kritisch-evaluerend gesprek plaats-
    vinden (per promotiestudie tenminste zeven gesprekken).
2. De promotor beoordeelt een hem voorgelegd manuscript aan de hand van het in artikel 15 gestelde.
3. De promotor kan de promovendus, na overleg met hem en met de eventuele copromotor en/of
    referent, opdragen het manuscript op bepaalde punten te wijzigen.

Artikel 14
1. De copromotor begeleidt de promovendus bij de totstandkoming van het proefschrift, in goed overleg
    met de promotor.
2. De copromotor geeft zijn eindoordeel over een ter goedkeuring als proefschrift voorgelegd
    manuscript schriftelijk, waarna de promotor dit oordeel betrekt bij zijn bericht inzake de goedkeuring
    van het proefschrift, bedoeld in artikel 16.
3. De referent begeleidt de promovendus vanaf het moment dat hij daartoe wordt aangezocht door het
    college, maar in ieder geval vanaf een zodanig moment dat zijn oordeel nog verwerkt kan worden bij
    de eindversie van het proefschrift.
4. De promotor stelt de referent tijdig in de gelegenheid zijn oordeel te geven over een ter goedkeuring
    als proefschrift voorgelegd manuscript. De referent geeft dat oordeel schriftelijk, waarna de promotor
    dit oordeel voegt bij zijn bericht inzake de goedkeuring van het proefschrift, bedoeld in artikel 16.

Artikel 15
Het proefschrift en de stellingen worden onderworpen aan de goedkeuring van de promotor(en). Bij deze
beoordeling worden in ieder geval de volgende punten betrokken:
a. het belang van het onderwerp;
b. het belang van de probleemstelling en een heldere profilering daarvan;
c. de originaliteit van de behandeling;
d. het wetenschappelijk niveau van de ordening, de analyse en de verwerking van de bronnen;
e. een kritische confrontatie van eigen conclusies met bestaande theorieën of opvattingen.


Promotiereglement                                                                                     261
Artikel 16
1. De promotor beslist binnen drie maanden na ontvangst van het manuscript over de goedkeuring als
    proefschrift. Hij maakt hiervan een schriftelijk verslag, gericht aan het college van promotie.
2. De promovendus kan in geval van overschrijding van de termijn, genoemd in lid 1, het college
    verzoeken de promotor op te dragen voor een bepaald tijdstip zijn beslissing over de goedkeuring te
    nemen. Het college beslist binnen dertig dagen na ontvangst van dit verzoek.
3. Indien de promotor meent zijn goedkeuring te moeten onthouden zal hij daarvan geen kennis geven
    aan de promovendus dan na overleg met het college van promotie en het college. Een weigering
    wordt met redenen omkleed.
4. In geval van een principieel meningsverschil waarbij de inhoud van artikel 3 in geding is, zal geen
    uitspraak worden gedaan dan na overleg met het curatorium.


4. Het college van promotie

Artikel 17
1. Het college stelt ter gelegenheid van een promotie een het college van promotie van vijf personen
    aan, waaronder de promotor en eventuele copromotor/referent. Minstens één lid van het college van
    promotie komt van buiten de universiteit.
2. De rector of een door hem als zijn plaatsvervanger aan te wijzen lid van het college, niet behorend
    tot de leden bedoeld in lid 1, is voorzitter met raadgevende stem.
3. De promotor is secretaris van de commissie.

Artikel 18
1. Binnen twee maanden na de ontvangst van het manuscript beslist het college na schriftelijk advies
    van het college van promotie over de vraag of de promovendus door middel van het proefschrift een
    zodanig bewijs van bekwaamheid tot het zelfstandig beoefenen van de wetenschap heeft geleverd,
    dat hij tot de publieke verdediging kan worden toegelaten. In bijzondere gevallen kan het college
    deze termijn verlengen met een beperkt aantal dagen.
2. Het besluit van toelating tot de promotie wordt bij meerderheid van stemmen genomen. Staken de
    stemmen over de toekenning van het doctoraat, dan wordt dit niet toegekend.

Artikel 19
1. Indien de promovendus blijk van meer dan gewone bekwaamheid heeft gegeven, kan het doctoraat
    ‘cum laude’ worden toegekend. Een gemotiveerd voorstel daartoe, wordt door het college van
    promotie aan het college gedaan en wel met een meerderheid van ten minste drie stemmen.
2. Het college van promotie doet een voorstel als bedoeld in lid 1 niet, dan nadat de promotor hiermee
    uitdrukkelijk heeft ingestemd. Deze pleegt daarover vooraf overleg met de copromotor en/of
    referent.
3. Staken binnen het college de stemmen over de toekenning van het predikaat ‘cum laude’, dan blijft
    dit achterwege.


5. Het proefschrift

Artikel 20
Het proefschrift en de stellingen worden geschreven in het Nederlands, Duits, Engels of Frans. Is het
proefschrift in het Nederlands geschreven, dan wordt een samenvatting van de inhoud in het Duits,
Engels of Frans toegevoegd; is het in een andere taal dan het Nederlands geschreven, dan wordt in ieder
geval een samenvatting van de inhoud in het Nederlands toegevoegd.

Artikel 21
1. Het proefschrift bevat:
    a. een titelpagina conform het in artikel 23 gestelde;
    b. een inhoudsopgave;
    c. de nodige registers, waaronder literatuurlijst en persoonsregister.
2. Op de keerzijde van de titelpagina worden uitsluitend vermeld:
    a. de promotor;
    b. de copromotor en/of referent;
    c. de overige leden van het college van promotie;
    d. de instanties, die financieel aan de totstandkoming van het proefschrift hebben bijgedragen.




262                                                                                  Promotiereglement
Artikel 22
Het proefschrift bevat een bondig curriculum vitae van de promovendus, waarin worden vermeld:
a. zijn geboortedatum en -plaats;
b. de periode waarin hij voorbereidend wetenschappelijk of daarmee vergelijkbaar onderwijs heeft
    genoten;
c. de periode alsmede de aard van het onderwijs ter voorbereiding op het behalen van het diploma
    bedoeld in artikel 2;
d. eventuele kwalificaties bij het behalen der getuigschriften;
e. gegevens omtrent de beroepsuitoefening na het voltooien van de opleiding, bedoeld onder c.

Artikel 23
Na goedkeuring door het college kan het proefschrift worden uitgegeven. De titelpagina en de keerzijde
van deze pagina behoeven goedkeuring van de rector. Het proefschrift dient tijdig (uiterlijk 1 maand voor
de promotie-datum) in 75-voud bij het secretariaat van de TUA ingeleverd te worden. De datum van de
promotie wordt op voorstel van de promotor - na overleg met de promovendus - vastgesteld door het
college en op bedoelde titelpagina vermeld.

Artikel 24
Zijn het proefschrift en de stellingen goedgekeurd, dan worden zij gedrukt, tijdig verspreid en op de dag
en het uur, door het college vast te stellen, verdedigd op de wijze zoals in artikel 26 bepaald. Het college
is bevoegd om gehele of gedeeltelijke vrijstelling te geven van de verplichting het proefschrift te laten
uitgeven. In dat geval wordt het proefschrift, of het niet gedrukte gedeelte daarvan, vermenigvuldigd op
een andere door het college goed te keuren wijze.


6. De promotie

Artikel 25
De toekenning van het doctoraat geschiedt door het college, zo mogelijk in voltallige samenstelling
bijeen.

Artikel 26
De promotie wordt in het openbaar gehouden. Aan de promovendus wordt gedurende een uur de
gelegenheid gegeven zijn proefschrift en stellingen te verdedigen tegen de bedenkingen van het college,
alsmede van een ieder die tot het uitbrengen daarvan van de rector toestemming heeft verkregen. De
verdediging geschiedt in het Nederlands, of - met toestemming van de rector - in een andere taal.

Artikel 27
Ten bewijze van de promotie ontvangt de gepromoveerde een in het Latijn gestelde bul, getekend door
de rector van de universiteit, de secretaris van het college en de promotor. De eventuele bijvoeging
vermeld in artikel 19 wordt op de bul vermeld.


7. Het doctoraat ‘honoris causa’

Artikel 28
Het college kan wegens buitengewone verdiensten op het terrein van de theologische wetenschap de titel
van ‘doctor honoris causa’ verlenen. Wanneer het college dat voornemen heeft, zal het daartoe een
commissie ad hoc, bestaande uit minimaal drie personen, instellen die het college daarin adviseert.

Artikel 29
Indien het college voornemens is een doctoraat ‘honoris causa’ te verlenen, treedt het in overleg met het
curatorium, dat hiertoe toestemming dient te geven.

Artikel 30
1. Indien het college tot verlening van een doctoraat ‘honoris causa’ overgaat, wijst het daarbij een
    hoogleraar van de universiteit als promotor aan.
2. Van het besluit wordt vertrouwelijk mededeling gedaan aan de promovendus.
3. Het besluit wordt niet eerder openbaar gemaakt dan nadat de promovendus heeft verklaard het
    doctoraat ‘honoris causa’ te zullen aanvaarden.




Promotiereglement                                                                                       263
Artikel 31
1. De verlening van het doctoraat ‘honoris causa’ geschiedt in een openbare, bijzondere zitting.
2. In opdracht van de rector bekleedt de promotor de promovendus met de verleende waardigheid,
    onder het uitspreken van woorden van lof en waardering.
3. Ten bewijze van de verleende waardigheid ontvangt de doctor ‘honoris causa’ een speciaal daartoe
    vervaardigde bul.


Promotiereglement

Een uitvoerig promotiereglement is op te vragen bij het secretariaat.




264                                                                                Promotiereglement
23. Nederlandse theologische universiteiten en faculteiten

De Theologische Universiteit van de       Katholieke Theologische Universiteit
Gereformeerde Kerken (Vrijgemaakt)        te Utrecht
Broederweg 15, 8261 GS Kampen             Heidelberglaan 2, 3584 CS Utrecht
Postbus 5026, 8260 GA Kampen              Postbus 80101, 3508 TC Utrecht
tel. 038-447 17 10, fax 447 17 11         tel. 030-253 21 49, fax 030-253 36 65
internet: www.tukampen.nl                 internet: www.ktu.nl



De Theologische Universiteit van de       Radboud Universiteit Nijmegen
Gereformeerde Kerken in Nederland         Faculteit der Godgeleerdheid
Koornmarkt 1, 8261 JX Kampen              Erasmusplan 1, 6525 HT Nijmegen
Postbus 5021, 8260 GA Kampen              Postbus 9103, 6500 HD Nijmegen
tel. 038-337 16 00, fax 038-337 16 13     tel. 024-361 24 74, fax 024-361 18 02
internet: www.thuk.nl                     internet: www.ru.nl



Universiteit Leiden                       Universiteit van Tilburg
Faculteit der Godgeleerdheid              Theologische faculteit
Matthias de Vrieshof 1, 2311 GJ Leiden    Academielaan 9, 5037 ET Tilburg
Postbus 9515, 2300 RA Leiden              Postbus 9130, 5000 HC Tilburg
tel. 071-527 25 70, fax 071-527 25 71     tel. 013-466 25 80, fax 013-466 31 34
internet: www.leidenuniv.nl               internet: www.uvt.nl



Universiteit Utrecht                      Universiteit voor Humanistiek
Faculteit der Godgeleerdheid              Drift 6, 3512 BS Utrecht
Transitorium II, Heidelberglaan 2,        Postbus 797, 3500 AT Utrecht
3584 CS Utrecht                           tel. 030-239 01 00, fax 030-234 07 38
Postbus 80105, 3508 TC Utrecht            internet: www.uvh.nl
tel. 030-253 18 53, fax 030-253 32 41
internet: www.uu.nl
                                          Opleiding Hersteld Hervormde Kerk,
                                          Gevestigd aan de Vrije Universiteit
Rijksuniversiteit Groningen               De Boelelaan 1105, 1081 HV Amsterdam
Faculteit der Godgeleerdheid              Postbus 7161, 1007 MC Amsterdam
Oude Boteringestraat 38,                  tel. 020-444 66 20, fax 020-444 66 35
9712 GK Groningen                         internet: www.vu.nl
tel. 050-363 80 17, fax 050-363 62 00
e-mail faculteit.gg.gw@theol.rug.nl
internet: www.theol.rug.nl                Opleiding Protestantse Kerken Nederland
                                          te volgen aan de:
                                          Universiteit Utrecht
Vrije Universiteit te Amsterdam           Universiteit Leiden
Faculteit der Godgeleerdheid              Theologische Universiteit Kampen (ThUK)
De Boelelaan 1105, 1081 HV Amsterdam      Het secretariaat is gevestigd aan de ThUK
Postbus 7161, 1007 MC Amsterdam           Instroomeisen kunnen opgevraagd
tel. 020-444 66 20, fax 020-444 66 35     worden bij de studieadviseur
internet: www.vu.nl                       Internet: www.pthu.nl



Universiteit van Amsterdam
Faculteit der Geesteswetenschappen
afd. Theologie en Religiestudies
Delenus Instituut
Oude Turfmarkt 147, 1012 GC Amsterdam
Postbus 19268, 1000 GG Amsterdam
tel. 020-525 20 10, fax 020-5252 20 07
internet: www.uva.nl

Nederlandse theologische universiteiten                                               265
24. Afkortingen
adm.        admissiaal
AIO         assistent-in-opleiding
Ba          Bachelor
BaMa        Bachelor/Master
BSA         bindend studieadvies
CAN         Christelijk Academisch Netwerk
cat.        categorie
CHE         Christelijke Hogeschool Ede
codo        college van docenten
coho        college van hoogleraren
cura        curatorium
CGK         Christelijke Gereformeerde Kerken
CvB         College van bestuur
CWB         Commissie Wetenschapsbeoefening
DT          Deputaten toezicht
DGO         discipline overlegorgaan godgeleerdheid
ECTS        European Credit Transfer System
EOL         Ex Oriente Lux
Ger. Gem.   Gereformeerde Gemeente
GH          Gereformeerde Hogeschool
GKV         Gereformeerde Kerken vrijgemaakt
gs          generale synode
h.          hoofdstuk
HBO         Hoger Beroepsonderwijs
HHK         Hersteld Hervormde Kerk
IB-groep    Informatie Beheer Groep
IBL         interbibliothecair leenverkeer
ICT         informatie en communicatietechnologie
IR          Instituut voor Reformatieonderzoek
KO          kerkorde
KTU         Katholieke Theologische Universiteit
Ma          Master
n.          (voet/eind)noot
NBG         Nederlands Bijbelgenootschap
NGK         Nederlands Gereformeerde Kerken
NBV         Nieuwe Bijbelvertaling
NGP         Nederlands Gereformeerde Predikantenopleiding
NOD         Nederlandse Onderzoek Databank
NOSTER      Nederlandse Onderzoeksschool voor Theologie en Religiewetenschap
NT          Nieuwe Testament
NVAO        Nederlandse Vlaamse Accreditatie Organisatie
OC          Opleidingscommissie
OC&W        (Ministerie van) Onderwijs, Cultuur en Wetenschap
OER         onderwijs- en examenregeling
OOP         onderwijs ondersteunend personeel
OV          openbaar vervoer
p.          pagina
PFSAR       Per Fidem Studiumque Ad Rostra (studentenvereniging)
PKN         Protestantse Kerk in Nederland
PR          public relations
ps          particuliere synode
PThU        Protestantse Theologische Universiteit
RUN         Radboud Universiteit Nijmegen
RvTA        Raad van toezicht en advies (van de Nederlands Gereformeerde Kerken)
RUG         Rijksuniversiteit Groningen
SAR         studieadviesraad
sbu         studiebelastingsuren
stp         studiepunten
ThUK        Theologische Universiteit van de Gereformeerde Kerken te Kampen (Oudestraat)


266                                                                                Afkortingen
TSB           Theologische studiebegeleiding (van de Nederlands gereformeerde studenten)
TUA           Theologische Universiteit van de Christelijke Gereformeerde Kerken te Apeldoorn
TUK           Theologische Universiteit van de Gereformeerde Kerken (vrijgemaakt) te Kampen
              (Broederweg)
UD            universitair docent
UHD           universitair hoofddocent
UL            Universiteit Leiden
UU            Universiteit Utrecht
UvA           Universiteit van Amsterdam
UvH           Universiteit voor Humanistiek
UvT           Universiteit van Tilburg
vGKN          Voortgezette Gereformeerde Kerken in Nederland
VSNU          Vereniging van Samenwerkende Nederlandse Universiteiten
VU            Vrije Universiteit
VWO           Voorbereidend Wetenschappelijk Onderwijs
WHW           Wet op het Hoger en Wetenschappelijk onderwijs
WO            Wetenschappelijk Onderwijs




Afkortingen                                                                                     267

								
To top