Antwoorden reader Burger vwo by dt5546r

VIEWS: 350 PAGES: 44

									Burgerlijke cultuur van Nederland in de zeventiende eeuw




        ANTWOORDEN
                                            Reader 8

Tb 86 – 87: KUNST VOOR DE BURGER, Gouden eeuw in de Nederlanden


  1. Wat wordt verstaan onder de Verenigde Republiek?

             De Zeven Provinciën van de Noordelijke Nederlanden, verenigd in een onafhankelijke
             republiek. De godsdienst is het calvinisme; de provincies zijn Holland, Zeeland,
             Utrecht, Groningen, Friesland, Gelderland en Overijssel.




  2. Welke godsdienst?

             Het calvinisme


  3. Waarom hebben zoveel gevluchte emigranten zich gevestigd in de Republiek en vooral in
     Amsterdam?

             Vanuit Frankrijk en Antwerpen vluchtten veel protestanten naar Nederland, maar ook
             Joden




  4. Wat is de Gouden Eeuw?

             De zeventiende eeuw in Nederland, een eeuw van grote economische bloei (klassieke
             geschiedenisopvatting)




  5. Leg uit hoe de burgers in de positie kwamen dat zij kunst konden kopen.

             Als gevolg van handel op Oost- en Westindië werd de Republiek met Amsterdam het
             economisch centrum van de wereld. Kende daardoor een enorme economische bloei.




  6. Wat is een regent?

             Een bestuurder.



  7. Frans Hals schilderde het dubbelportret Huwelijksportret van Isaac Massa en Beatrix van der
     Laen. Hij verenigt hierin de twee belangrijkste bevolkingsgroepen van de republiek.
     Welke zijn dat?

             Een rijke handelaar en een regentendochter
                                               Reader 9

8. Welke vier symbolen schilderde Frans Hals in Huwelijksportret van Isaac Massa en Beatrix
   van der Laen en verklaar hun plaats in het schilderij.

        -   klimop: bij de linkervoet van de vrouw. Ze is vergroeid met haar man zoals een klimop
            met een boom.
        -   Speerdistel, ook wel mannentrouw geneomd, links onder in het schilderij bij de man.
        -   Wijnrank, tussen man en vrouw geplaatst symboliseert liefde en vriendschap.
        -   Gouden ringen, symboliseren huwelijk / verbintenis.




9. Geef aan waar in het schilderij deze symbolen te zien zijn.

        -   klimop: bij de linkervoet van de vrouw
        -   Speerdistel, onder in het schilderij bij de man
        -   Wijnrank, tussen man en vrouw geplaatst
        -   Gouden ringen, om de vingers




                    Frans Hals, Huwelijksportret van Isaac Massa en Beatrix van der Laen,
                                           Reader 11 en 12

Maak de volgende vragen

   10. Wat is een gilde?

               Een soort beroepsvereniging van meesters. Opdrachten verliepen via de gilden. Daar
               moest je als meester dus bij aangesloten zijn.



   11. Wat betekent cartografie:

               Kunst van het landkaarten tekenen (van Dale). De werkelijkheid wordt in kaart
               gebracht / er is een relatie met landschappen en het stadsgezicht die aan de randen
               van de kaarten werden afgebeeld.



   12. Achter in de kamer van Vermeers De Schilderconst hangt een landkaart. Hier is het een
       landkaart van de ongedeelde Nederlanden, maar landkaarten van allerlei gebieden waren
       populair. Landkaarten hoorden bij de cultuurwereld van deze tijd.
       Leg dit uit aan de hand van twee aspecten van de tijdgeest.

               Een landkaart verwijst naar;
                                                                      e
               -   verre reizen van Nederlandse kooplieden in de 17 eeuw.
               -   Naar ontdekkingsreizen: de wereld in kaart brengen, of: de wetenschap die zich
                   ontwikkelde: de cartografie.
               -   Kaarten geven blijk van intellectuele belangstelling en waren een (kostbare)
                   wandversiering.
               -   Opkomend gevoel van nationaliteit (onafhankelijkheid van de Nederlandse
                   gewesten.



   13. De Schilderconst van Johannes Vermeer is een allegorie.
   Wat is een allegorie?

               Abstracte begrippen, zoals deugden en ondeugden worden zichtbaar gemaakt door
               ze als personage te laten zien (personificaties) of op een andere wijze te verpakken in
               een voorstelling. De direct herkenbare voorstelling is symbolisch voor een niet direct
               zichtbare inhoud (schilderij op het toneel)




   14. Waarom is dit schilderij een allegorische voorstelling?

               De ‘Schilderconst’ is een abstract begrip, hier door personificaties van een schilder en
               zijn model en doek op een ezel weergegeven. Clio is de muze van de geschiedenis
               als mens weergegeven (personificatie). De geschiedenis verwijst naar noodzakelijke
               kennis van de schilder
15. Het schilderij ‘De schilderconst’ zou je een historiestuk kunnen noemen, een genre dat het
    hoogst op de waarderingsladder stond. Waarom denk je?

        -   voor een historiestuk moet de kunstenaar alle genres beheersen
        -   de kunstenaar geeft blijk van ontwikkeldheid, je bent op de hoogte van de
            geschiedenis, de klassieken.




16. Waaruit blijkt dat Vermeer in het schilderij De Schilderconst nog steeds moeite lijkt te hebben
    met de in 1648 definitief vastgelegde scheiding van de katholieke en protestante
    Nederlanden?

            De landkaart toont de ongedeelde Nederlanden met zowel de in Spaanse handen
            verkerende gewesten als de noordelijke Reubliek.
                                         Reader 13, 14 en 15

Tb 66 – 67: Reformatie
       en 88 – 89: Overvloed en matigheid


   1. Wat wordt bedoeld met de Reformatie?

                                               e
              Hervormingsbeweging in de 16 eeuw binnen de christelijke kerk die uiteindelijk leidt
              tot het ontstaan van het protestantisme. De kerk wordt gezuiverd van de misstanden
              die eruit zijn ontstaan.

   2. Wie is Luther?

              Hervormer in Duits Wittenberg die in 1519 95 stellingen tegen de katholieke kerk
              formuleerde, vooral tegen de geldstroom. Dit leidt tot de reformatie.

   3. Wie is Calvijn?

              Frans godsdienst hervormer, 1541

   4. Waartegen verzetten Luther en Calvijn zich ?

          -   tegen de geldstroom voor geldverslindende projecten zoals de St. Pieter in Rome.
          -   Tegen de handel in aflaten (katholiek kan zelf zijn lot kopen)
          -   Tegen de overdadiuge weelde van de katholieke kerken.
          -
          -

   5. Welke vorm van protestantisme heeft Calvijn verspreid?

              Het calvinisme.


VERZAMELINGEN (zie ook Rembrandtkrant)

   6. Wat wordt bedoeld met een kunstkamer?

              Kamer waar rijke verzamelaars hun verzameling onderbrachten: schilderijen, prenten,
              antiquiteiten, tekeningen, afhankelijk van het soort verzamelaar: naturalia, artificialia.


   7. Wat wordt bedoeld met een rariteitenkabinet?

              Zo’n verzameling met alleen maar curiositeiten, onderdeel van een kunstrkamer.



   8. Wat werd zo al verzameld in een rariteitenkabinet?

              Naturalia en etnografica: schelpen, gedroogde planten (farmacie), stenen, menselijke
              en dierlijke preparaten: hoorn van een eenhoorn, draken, mineralen, fossielen,
              porselein, wapens, exotische stoffen, enz.
9. Wat zou bedoeld worden met een encyclopedische verzameling?

          Dat is een universele verzameling met èn kunst, èn antiquiteiten, en naturalia en
          artificialia en etnografica. Belangrijk: de wereld in het klein!!!




10. Wat zou bedoeld worden met een encyclopedische verzameling?

          Dat is een universele verzameling met èn kunst, èn antiquiteiten, en naturalia en
          artificialia en etnografica. Belangrijk: de wereld in het klein!!!
                                            Reader 19 en 20

Focus: Schoonheid uit verre oorden.

In 1602 wordt in Amsterdam de Verenigde Oostindische Compagnie (VOC) opgericht. De VOC krijgt
van de Republiek het monpolie op de handel met het oosten. De compagnie kun je vergelijken met
een tegenwoordige multinational. Het bedrijf heeft een bedrijfslogo, het geeft aandelen uit en het bezit
in heel Azië handelsvestigingen. De hoofdzetel van de VOC is in Amsterdam, maar ook in Azië heeft
de VOC bestuursorganen. De Aziatische handel loopt grotendeels via de op Java gevestigde
handelsstad Batavia, die is gebouwd op de resten van de kleine Javaanse stad Jakarta. De VOC
vervoert en verhandelt specerijen, thee, porselein, hout, en kunstnijverheid. Mede dankzij de VOC zie
je overal in Europa kunst- en nijverheidsvoorwerpen uit Azië.


    1. De Nederlandse samenleving ontdekt aan het begin van de zeventiende eeuw de kunst uit
        Azië en andere werelddelen. In korte tijd raken de Nederlandse regenten in de ban van de
        niet-Europese ‘exotica’.
        De interesse voor niet-Europese kunstvoorwerpen en nijverheid bestaat vooral bij de
        bovenklasse. Noem twee redenen waarom juist de bovenklasse zich interesseert voor exotica.

                Strekking antwoord:
                Regenten en kooplieden vormen de bezittende klasse, zij kunnen zich de luxe
                veroorloven. Hun financiële en maatschappelijke relaties staan in het teken van
                handel. Hun interesse volgt ook de voorwerpen van handel, aangezien ze hiermee het
                meest te maken zullen hebben.


    2. Bekijk afbeelding 7.6 in het tekstboek. Het interieur op dit schilderij toont een kamer van een
        rijk gedecoreerde burgermanswoning in Amsterdam. Leg aan de hand van de inrichting, de
        keuze van de meubelstukken en kunstvoorwerpen uit waarom deze kamer vooral bedoeld zal
        zijn voor pronken en ontvangsten.

                Antwoord:
                De kamer is ingericht voor ‘zitten, converseren en pronken’. De tafel en de stoelen
                staan in een vrijwel lege ruimte die rijk versierd is met leerbehang, schilderijen en een
                spiegel. Blijkbaar zijn de tafel en de stoelen de belangrijkste meubelstukken. Het
                kostbare oosterse tapijt op de tafel maakt de tafel ongeschikt voor karwijtjes of het
                nuttigen van maaltijden.


    3. Bekijk afbeelding 7.6 in het tekstboek. Noem twee interieurvoorwerpen die waarschijnlijk niet
       Europees zijn.

                Twee van de volgende antwoorden:
                    -   de Chinese vazen op de schoorsteenmantel
                    -   het oosterse tapijt op de tafel
                    -   de tulpen in de vaas op de tafel
    4. Het oosterse kleed op de tafel is een typisch Nederlands fenomeen geworden. Ook nu nog zie
        je in menig kamer een ‘pers’ op de tafel liggen. Oorspronkelijk is het kleed niet gemaakt voor
        decoratie van een tafel. Leg uit wat volgens jou de werkelijke functie is van het kleed. Betrek
        in je antwoord het materiaal waarvan het kleed is gemaakt.

                Antwoord;
                Het oosterse tapijt is een vloerkleed. Op de ondergrond van stugge katoen wordt een
                dik wollen of zijden tapijt geweven dat vocht een koude tegenhoudt.


Rond 1630 is Nederland in de ban van de Turkse sierbloem: de tulp. Tulpen kosten immense
bedragen en worden zelfs per gram betaald. Sommige tulpenbollen kosten net zo veel als het duurste
grachtenpand met tuin en stal. De eerste Nederlandse tulp bloeit in 1594 in de Hortus Botanica in
Leiden. Wat eerst uit wetenschappelijke interesse wordt verzameld, wordt rond 1630 pure windhandel.
Menig koper heeft zijn hebzucht moeten bekopen met een faillissement


    5. De tulpenmanie is voor de Protestante Kerk een duidelijk teken van de verderfelijke welvaart
        en wordt vanaf de kansel veroordeeld. Leg uit wat het bezwaar van de dominees zou kunnen.

                Antwoord:
                De tulp heeft geen waarde en is slechts voor de sier. De tulp is zeer zwak en verwelkt
                snel en lijkt hiermee het contrast tussen het aardse tijdelijke leven en het hemelse
                eeuwige leven te symboliseren. Wie juist voor deze bloem zo veel geld uitgeeft, speelt
                met vuur en verkiest al te opzichtig het tijdelijke voor het eeuwige (het aardse boven
                het hemelse).


    6. De tulp blijft gedurende de gehele zeventiende eeuw een bijzonder geliefde bloem (ondanks
        de ‘tulpenkrach’ in 1630). De tulpenbloemen worden in speciale vazen geschikt. Op
        afbeelding 7.9 in het tekstboek zie je een tulpenvaas voor de Nederlandse stadhouder Willem
        III. Leg uit op welke wijze de vormgeving van de vaas het exotische karakter van de tulp
        versterkt.

                Antwoord:
                De tekst is algemeen gesteld: een dwaas en zijn geld zijn snel van elkaar verwijderd.
                De gravure toont de twee tulpen met op de achtergrond de bollen. Hiermee wordt een
                algemene tekst gekoppeld aan een bekend en bijzonder maatschappelijk fenomeen
                uit die tijd. (1614)


    7. Bekijk afbeelding 7.9 in het tekstboek. Aan de tulp wordt grote waarde toegekend. Dat kun je
        zien aan de vormgeving van de vaas. Noem twee aspecten van de vormgeving van de vaas
        waaruit dat blijkt.

                Antwoord:
                     -    de vaas is erg groot en neemt dus een prominente plaats in in het inetrieur
                     -    de vaas is vormgegeven en rijkversierd in de stijl van luxueus Chinees
                          porselein.
                                          Reader 21 en 22

KUNSTVERZAMELING




                                                                              Frans Francken
                                                                              de Jonge,
                                                                              Kunstkamer,
                                                                              1636, Museo de
                                                                              Historia del Arte
                                                                              de Viena




In de zeventiende eeuw leggen rijke edellieden en burgers kunstverzamelingen aan. In de collecties
verzamelen ze schilderijen, beeldhouwwerken, bijzondere objecten uit de natuur, bijzondere
gereedschappen, meetinstrumenten en allerlei curiosa op medisch gebied. De collectie wordt
gehuisvest in een aparte kamer, de zogenaamde kunstkamer of kunstkabinet.


   1. De kunstenaar Rembrandt van Rijn heeft ook een grote collectie voorwerpen verzameld. Niet
       alleen omringt hij zich graag met mooie dingen, hij heeft ook andere redenen voor zijn
       verzameldrift. Noem nog twee redenen.
               Twee van de volgende:
                   -   Rembrandt gebruikt de voorwerpen in zijn kunstboeken
                   -   De voorwerpen vertegenwoordigen een bepaalde waarde, als belegging
                   -   Rembrandt verdient geld met de handel in dit soort objecten
                   -   Rembrandt kan zo tonen dat hij een goede opleiding heeft genoten, de
                       voorwerpen tonen zijn brede interesse in en kennis van de kunsten en
                       wetenschappen.
2. Bekijk de afbeelding hierboven. (zoek hem op bij Google afbeeldingen) Beschrijf hoe op dit
   schilderij van een kunstkamer de kunstvoorwerpen en objecten worden geëxposeerd.

           Antwoord:
           De schilderijen hangen lijst aan lijst. De beeldhouwwerken staan op tafel en tegen de
           wand. Op de tafel ligt een schelpencollectie, instrumenten, een boekje, een schaal en
           er staan een prent en een schilderij op de tafel ergens tegenaan geleund.

3. De op deze afbeelding getoonde wijze van exposeren heeft nog het meeste weg van
   ‘opbergen’. De eigenaar van deze collectie heeft de schilder Frans Francken de Jonge echter
   een andere opdracht gegeven voor de weergave van zijn collectie. Leg uit welke dat is.

           Antwoord:
           Het schilderij is een pronkstuk waarop de trotse eigenaar zijn collectie in één
           oogopslag toont.



4. Bekijk de schilderijenwand op de afbeelding hierboven. Noem de schildergenres die in de
   getoonde collectie aanwezig zijn.

           Antwoord:
           Landschap, historiestukken, portretten en stilleven.



5. In de zeventiende eeuw bestonden er nog geen musea waar openbare vertoningen van kunst
   plaatsvonden. Leg uit wat het grote verschil is tussen een collectie van een verzamelaar en
   die van een museum.

           Antwoord:
           De collectie van een verzamelaar is een strikt persoonlijke keuze. De collecties van
           musea kunnen voortkomen uit verzamelaarcollecties, maar als het eenmaal
           museumcollecties zijn, worden ze op wetenschappelijke wijze beheerd.
                                          Reader 27, 28 en 29



Vragen en opdrachten.

      Ga naar http://wp.digischool.nl/kua/oefenen/kunst-algemeen/cultuur-burgerij-17de-eeuw/
      Bestudeer

       - ‘Emblematiek’, 3.2.1 en bladzijde 26
       - ‘Overname toegestaan’, 3.2.2
       - Vergeet daarbij niet: ‘Navolging en wedijver’ 3.2.3 en
       - ‘Originaliteit’, 3.2.4


   1. In de tegenwoordige tijd zien allerlei instanties erop toe dat iemand niet zomaar, zonder
       toestemming, producten van een ander kopieert. Denk aan het octrooirecht en de BUMA. Of
       denk aan de conflicten die er zijn naar aanleiding van het fenomeen MP3, NAPSTAR en het
       gratis downloaden van muziek op internet.
                                  e
       Hoe stond men in de 17 eeuw tegenover het kopiëren van andermans gedachtegoed? En
       welke rol speelde de grote bloei van de grafische kunsten sinds 1500 daarbij?

                ‘Rapen’ was een door kunsthistorici aanbevolen werkwijze en werd veel gedaan.
                Grafiek is een vorm van vermenigvuldigen en had daardoor een groot bereik. Met de
                opokomst van de Renaissance groeide het ik-bewustz\ijn en normbesef en daarme
                het besef van auto. Het kan ook een teken van eerbied zijn (Dürer en van Leyden).
                Vanaf 1675: originaliteit wordt een belangrijk ideaal. Emulatio = wedijver. Inventio =
                vinding.



   2. Van Mander, kunstenaar en criticus, gaf onderstaand advies aan aankomende kunstenaars.
       Wat bedoelde hij daarmee?


                ‘Steelt armen beenen lijven handen voeten

                'T is hier niet verboden die willen moeten

                Wel spelen Rapiamus personnage

                Wel ghecoocte rapen is goe pottage’


                Het overnemen van motieven uit andermans werk was gebruikelijk. Hij adviseerde dit
                ook.



   3. Hoe stond Rubens tegenover het kopiëren van (delen van) kunstwerken?

                Rubens profiteerde flink van kopieën. Zelfs complete figuren uit de Italiaanse kunst
                werden door hem gebruikt.
                                              Reader 28

Bestudeer de leestekst: ‘Emblematiek’. (stencil 26 en 3.2.1)

   1. Wat zijn emblemen?

               Zinnebeelden met meestal een belerende tekst. ‘Plaatjes met praatjes’. Ter lering en
               vermaak.
               Het plaatje zorgt ervoor dat de boodschap in het geheugen beklijft.




   2. Waar komt de betekenis van de emblemen vandaan?

               In de oudheid dacht men al dat een beeld via het krachtigste zintuig, het oog, diep in
               het geheugen inwerkt. Beelden versterken en bewaren de boodschap en ze
               vergemakkelijken het communicatieproces.




   3. Waarom bediende men zich in de 17e eeuw van emblemen?

               Het is een vorm van didactiek: een diepere betekenis halen uit de prent via de tekst.
               De woorden brengen het nut, de prenten zorgen voor het vermaak.




   4. Zowel de schilderkunst (met name het genrestuk) als de emblemenboeken waren in de
       zeventiende eeuw in Nederland populair. Verklaar deze populariteit.


           -   Genreschilderkunst werd vooral gewaardeerd en gekocht door de burgerij. Burgers
               hielden van de realistisch geschilderde tafereeltjes met onderwerpen uit hun eigen
               dagelijkse leven.
           -   De emblemenboeken waren geliefd omdat de Nederlandse burgerij graag las, nogal
               beschouwend was ingesteld en van raadsel en verborgen betekenissen hield, en/ of
               graag moraliseerde. Overal kon je lering uit trekken. Ook in de schilderijen zaten
               diepere betekenissen……..
                                           Reader 30 en 31

Tb 90: Kunstproductie in genres



   1.   Wat wordt bedoeld met genres in de schilderkunst?
              Een type schilderij. De volgende genres worden onderscheiden: genrestuk, portret,
              stilleven, landschap en historiestuk.


   2.   Wat wordt bedoeld met een historiestuk?
              Een schilderij waarop een verhaal of gebeurtenis uit de klassieke oudheid, de bijbel of
              de geschiedenis is afgebeeld.


   3.   Wat wordt bedoeld met een genrestuk?
              Een schilderij met een al dan niet gefantaseerd tafereel uit het dagelijkse leven. Drank
              en feesten of huiselijke bezigheden vormen het onderwerp. De afgebeelde personen
              zijn meestal niet-bestaand. Het genrestuk herbergt vaak een verborgen boodschap
              met betrekking tot de moraal.


   4.   Wat wordt bedoeld met een stilleven?
              Een (genre) schilderij waarop levenloze of dode voorwerpen op een bepaalde manier
              gerangschikt zijn afgebeeld.


   5.   Wat wordt bedoeld met een vanitasstilleven?
              Een (genre) schilderij in de vorm van een stilleven waarbij de afgebeelde voorwerpen
              een symbolische betekenis hebben. De eindigheid van het leven en de dood staan
              centraal. Veel voorkomende voorwerpen zijn: een schedel, een zandloper en een
              uitgebluste of bijna opgebrande kaars. Het genre werd vooral in de zeventiende eeuw
              beoefend door Nederlandse schilders.


   6.   Wat wordt bedoeld met een landschap?
              (Genre) Een schilderij waarop een natuurlandschap, stadslandschap of zeelandschap
              is afgebeeld. Het landschap is een zeventiende eeuws Nederlands specialisme.


   7.   Wat wordt bedoeld met prentkunst of grafiek?
              Techniek waarbij een afbeelding wordt verkregen met behulp van een drukvorm
              waarop inkt is aangebracht die over wordt gebracht op papier. Meerdere vrijwel
              identieke afdrukken zijn hierbij mogelijk.


   8.   Noem voorbeelden van grafiektechnieken.
              Zeefdruk, ets, droge naald, steendruk, linodruk, gravure, houtsnede, enzovoort
                                               Reader 34, 35 en 36
Focus: Frans Hals

Frans Hals is de bekendste portretschilder uit de zeventiende eeuw. Tegenwoordig zijn schilderijen
van Hals een vermogen waard. Tijdens zijn leven was Hals herbergier en schilder. Hals was ook toen
al een bekend en gerespecteerd kunstenaar, die grote vrijheid genoot in de schepping van zijn
kunstwerken. In de zeventiende eeuw was dit niet gewoon, een portretschildering werd nog niet
beschouwd als unieke schepping van een kunstenaar. Opdrachtgevers bemoeien zich met bijna elk
detail en maken harde afspraken over het te verwachten resultaat.
Het aantal portretschilders neemt in de zeventiende eeuw enorm toe. Huwelijksportretten worden een
bekend fenomeen. Een weinig spectaculair maar redelijk schilder schildert voor het weekloon van een
arbeider binnen een dag een portret. De prijs wordt bepaald door het formaat en wat er op staat:
alleen het hoofd was stukken goedkoper dan ‘ten halve lijve’.


    1. Bekijk de afbeeldingen hieronder. De twee portretten zijn door Frans Hals geschilderd ter
        gelegenheid van het huwelijk tussen Paulus van Beresteyn en Catharina Both van der Eem.
        De twee schilderijen horen bij elkaar en moeten naast elkaar hangen. Noem drie aspecten
        van de schilderijen waaraan je dit kunt zien.

             Drie van de volgende antwoorden:
                  -    De twee geportretteerden staan naar elkaar toe
                  -    Beide portretten zijn ‘ten halve lijve’
                  -    In beide portretten rust een hand op een meubelstuk, wat de symmetrie tussen de
                       schilderijen verhoogt
                  -    De compositie van de twee schilderijen is spiegelbeeldig gelijk
                  -    Op beide portretten is spiegelbeeldig op dezelfde plek en familiewapen te zien.




    Frans Hals, Paulus van Beresteyn, 1629           Frans Hals, Catharina Both van der Eemt, 1629
    2. Bekijk afbeelding 7.2 in het tekstboek. Dit is het huwelijksportret van Isaac Massa en Beatrix
        van der Laen. Het portret is anders en levendiger dan de gebruikelijke huwelijksportretten.
        Vergelijk het portret van Massa en Van der Laen met dat van Beresteyn en Both van der Eem.
        Noem drie aspecten waarin de portretten verschillen.

            Drie van de volgende:
                -   De houding van de personages is veel ongedwongener.
                -   De twee gehuwden vormen een paar en raken elkaar binnen het frame van één
                    schilderij letterlijk aan.
                -   De twee gehuwden lachen vrolijk.
                -   Er is geen sprake van een strenge symmetrie.
                -   De achtergrond is levendig; in plaats van een neutrale achtergrond zie je een
                    liefdestuin waarin van alles te beleven is.



Isaac Massa is een belangrijk man in de Republiek. Hij treedt op als tolk en gezant voor de Republiek
bij de Russische tsaar. Van der Laen stamt van een oude regentenfamilie.


    3. Het bruidspaar Massa-Van der Laen kiest voor een heel ander portret dan gebruikelijk.
        Bedenk een reden waarom zij dit doen.

            Een van de volgende antwoorden:
                -   het bruidspaar wil ‘opvallen’.
                -   Door hun hoge maatschappelijke status kan het bruidspaar ‘afwijkend gedrag’
                    tonen en zelfs trendsettend zijn.



    4. Bekijk afbeelding 7.2 in het tekstboek. Aan de voet van Massa ligt een speerdistel – een teken
        van mannelijke trouw. De klimop bij Van der Laen vertelt dat zij en haar man met elkaar
        vergroeien. Deze symbolen slaan dus op huwelijks trouw en verbondenheid. Op de
        achtergrond is een ‘minnetuin’ afgebeeld. Naar welk aspect van de relatie tussen Massa en
        Van der Laen verwijst deze minnetuin?

                Antwoorden:
                De tuin verwijst meer naar de sensuele kant van de relatie. Dit is te zien aan de twee
                pauwen die in de tuin lopen als symbool van uiterlijk vertoon.; de fontein waaruit als
                een ‘hoorn des overvloeds’ zonder onderbreking water stroomt en de twee gearmde
                stelletjes die verliefd door de tuin dwalen.



    5. In 1626 krijgt Hals opnieuw opdracht een portret te maken van Massa. Bekijk de afbeelding op
        het volgende blad. Ook dit portret lijkt informeel en levendig. Noem twee kenmerken van de
        houding van Massa die de levendigheid van het schilderij versterken.
            Twee van de volgende antwoorden:
                -   de man zit in een ontspannen houding op de stoel.
            -   De man poseert niet stijfjes,maar is in beweging; hij draait zich om (de stoel staat
                met de rug naar de kijker).
            -   De man kijkt het beeld uit;
                dit versterkt de beweging
                die de man maakt.
            -   De compositie is a-
                symmetrisch door de
                blikrichting en de houding
                van de man en door het
                schilderij op de achtergrond.




       Frans Hals, Isaac Massa, 1626




6. Ondanks de levendigheid van het
    gehele portret wordt de beschouwer wel
    naar het gezicht van Massa geleid.
    Noem een kenmerk van de compositie
    waarmee dit wordt bereikt.

            Door de witte molensteenkraag en de zwarte hoed ontstaat een soort omlijsting van
            het gezicht die door het licht-donkercontrast erg opvalt.


7. Er wordt verondersteld dat Massa dit soort portretten liet schilderen om weg te geven aan
    zakenrelaties. Op het portret hiernaast zie je een venster met dennenbomen. Massa was een
    belangrijk houthandelaar, die zijn hout onder meer uit Rusland haalde. In zijn hand houdt de
    houthandelaar een altijd groen blijvende hulsttak. Bedenk wat de betekenis is van dit symbool.

            De groenblijvende hulsttak symboliseert blijvende vriendschap en trouw. Dit is een
            gunstig uitgangspunt voor een zakenrelatie.


8. Hals is al tijdens zijn leven een gevierd kunstenaar. Hij werkt dan ook alleen in opdracht.
    Andere kunstenaars werken ‘vooruit’ en proberen hun werk ‘op straat’ te verkopen. Leg uit wat
    het betekent voor het kunstwerk als het zonder bekende opdrachtgever wordt gemaakt en wat
    het betekent wanneer er wel een bekende opdrachtgever is.


            Strekking antwoord:
            Bekend opdrachtgever:
                -    De voorstelling wordt specifieker en zal kunnen verwijzen naar persoonlijke
                     omstandigheden van de opdrachtgever.
            Onbekende opdrachtgever:
                -    De voorstelling moet voldoen aan en ‘algemeen’ begrip van smaak om zo veel
                     mogelijk potentiële kopers aan te spreken.
                                             Reader 37, 38 en 39

FOCUS: Werelden van schijn

De schilderijen van Jan Steen gaan over de mens zoals hij is en zoals hij volgens de christelijke
waarden zou moeten zijn. In zijn schilderij Het toneel van de wereld (afbeelding 7.7 Tb 90) gebeurt
alles wat God verboden heeft. De schilderijen van Steen zijn zogenaamde genrestukken. Dit zijn
figuurstukken waarin de voorstelling een schijnbaar alledaags tafereel toont. Kenmerkend voor het
genrestuk is de wijze waarop de kijker bij het schilderij wordt betrokken. De schilder gebruikt hiervoor
vaak theatrale middelen.


    1. Bekijk afbeelding 7.7 in het tekstboek. Leg uit hoe Jan Steen de geschilderde ruimte meetbaar
        maakt.

                 Antwoord:
                 De tegelvloer bestaat uit vierkant blokken. De voorste rand van de voorste rij heeft
                 een reële maat, vanaf hier kan de beschouwer doortellen.

    2. Het schilderij op afbeelding 7.7 in het tekstboek verwijst in de titel en de voorstelling naar
        toneel. De titel is afgeleid van de spreuk die Joost van den Vondel bedacht voor de
        toegangspoort naar de Amsterdamse schouwburg: ‘De wereld is een schouwtoneel en ieder
        krijgt zijn deel.’ De voorstelling zelf kent ook een aantal aspecten die verwijzen naar toneel.


                 Antwoord:
                 Het schilderij bestaat uit twee ruimtes. Een voor een openhangend doek (toneeldoek);
                 hier komt het hoge licht vandaan. De andere ruimte is de herberg, die vanwege het
                 voordoek op en decor lijkt. Dit wordt aangelicht door het raam aan de linkerzijde.


    3. Licht speelt in het genrestuk een belangrijke rol. Licht moet plasticiteit uitdrukken en het moet
        de toeschouwer betrekken bij de voorstelling. Steen gebruikt in het schilderij het ‘clair-
        obscur’. Uitgebalanceerde licht en donkere plekken geven het schilderij diepte. Noem twee
        richtingen van waar het licht in de voorstelling van het schilderij binnenkomt. Noem waar
        mogelijk ook de lichtbronnen op het schilderij.

                 Antwoord:
                 Het licht komt in ieder geval van links-voor-boven. Dit is te zien aan de richting van de
                 slagschaduw mensen en stoel op de voorgrond..
                 Er komt ook licht binnen via het raam op de achtergrond links: lichtrichting: links-
                 midden-zij.
                 Beide lichtbronnen zijn de zon.


    4. Vergelijk de afbeeldingen 7.7 en 7.17 in het tekstboek. De lichtinval die Steen toepast in Het
        toneel van de wereld houdt verband met de wijze waarop het schouwburginterieur wordt
        verlicht. Licht deze bewering toe.

                 Antwoord:
                 Het lijkt of het licht voor het doek van een bovenlicht komt, zoals dat ook in de
                 schouwburg bestond.
    5. Schilderijen van Steen en andere schilders uit de zeventiende eeuw verwijzen soms
        regelrecht neer bekende (toneel teksten en spreekwoorden of volksspreuken). Leg uit waarom
        schilders dit vaak doen.


                 Antwoord:
                 Door gebruik te maken van verhaalfragmenten van bekende boeken of toneelstukken
                 wordt de voorstelling voor de toeschouwer herkenbaar en kan hij deze ook op een
                 bepaalde wijze duiden.


Steen schildert niet alleen alledaagse handelingen, maar laat ook allerlei symbolische verwijzingen
zien. Zo zijn de veelvuldig voorkomende oesters voor het toenmalige publiek een herkenbare
verwijzing naar genotzucht en seksualiteit. De willekeurig op de grond liggende gebroken eierschalen
herkent het publiek als een verwijzing naar de opstanding van Christus uit de dood.


    6. Leg uit dat op afbeelding 7.7 de verwijzingen naar het toneel de interpretatie van het schilderij
        beïnvloedt.

                 Antwoord:
                 Door de hele voorstelling als een toneelvoorstelling weer te geven, maakt Steen er
                 een ‘theaterstuk’ van. Het ‘spel’ bevat dus mogelijk evenals bij een theaterstuk een
                 moraal.

De landsbestuurder-dichter Jacob Cats is in de zeventiende eeuw bekend om zijn korte moralistische
versregels. Schilders maken dankbaar gebruik van deze versregels. Steeds weer wordt de
lezer/beschouwer gewaarschuwd voor ‘verkeerd’ gedrag.


    7. De waarschuwingen van Cats houden verband met de toegenomen welvaart en de wens van
        de dominees de christelijke waarden leidraad te laten zijn voor het gedrag van de mensen in
        de zeventiende eeuw. Leg deze bewering uit.

                 Antwoord:
                 De brede welvaart in de zeventiende eeuw leidt tot maatschappelijk gedrag dat ‘haaks
                 staat’ op de geloofswaarden van de Protestante Kerk in de zeventiende eeuw. Hier
                 worden deugden als armoede en onthouding als belangrijke leefregels verkondigd. In
                 intellectuele en religieuze kringen bestaat de angst vooral tongebreidelde
                 materialisme en de maatschappelijke gevolgen daarvan.

Jan Steen is in de zeventiende eeuw een bekend en populair schilder. Hij behoort tot een
maatschappelijke minderheid, hij is namelijk rooms-katholiek. De Republiek is echter door en door
protestant. Feitelijk is het open belijden van het katholieke geloof verboden. In de praktijk lijkt het
echter niet zo problematisch te zijn om als katholiek een maatschappelijke positie te verwerven.


    8. Leg uit waarom de Republiek in het maatschappelijk verkeer kiest voor zo’n praktische
        benadering.

                 Antwoord:
               Door de praktische houding ten opzichte van verschillende geloofsbelijdenissen biedt
               de Republiek plaats aan allerlei economische en culturele ontwikkelingen die het land
               vooral welvaart en relatieve maatschappelijke rust brengen. Dit laatste is ook een
               voorwaarde voor economische voorspoed.




                                               Reader 47


Opdracht 1
   1. Vondel schrijft een gedicht waarin hij het stadhuis vergelijkt met het menselijk lichaam:
               "Het heeft zijn middenlijf, zijn armen,
               voeten, hoofd en schouders,
               elk om het nets (= zo mooi mogelijk)
               Het heeft zijn ingewanden,
               zijn ambt (= functie), gebruik en standen."


       Wat blijkt uit deze vergelijking m.b.t. de esthetische opvatting ?
               Het gebouw wordt gezien als een menselijk lichaam, geschapen naar Gods voorbeeld
               (universum wordt weerspiegeld in de mens). In de mens is aanwezig:1. goede proporties,
               2. volmaakte afmetingen en 3.symmetrie




   2. Wat drukken de 4 beelden (Voorzichtigheid, Gerechtigheid, Gematigdheid, Waakzaamheid) op
      de timpanen samen uit?
               Zij symboliseren het goede bestuur. Een goed bestuur moet deze vier deugden bezitten.
               Kardinale deugden: Fortitude werd Vigilanza = waakzaamheid.Het zijn tevens de vier
               voorwaarden voor vrede.




   3. Welke betekenis hebben de 2 beelden op de twee timpanen samen (Vrede en Atlas)?
               Het is een toespeling op de universele vrede. Vrede refereert aan het vredesjaar 1648.
               Atlas is de drager van het hemelgewelf = het universum.




   4. Op de beide timpanen zit de Amsterdamse Stedenmaagd centraal. Wat drukken die twee
      timpanen samen uit (wereldzeeën, werelddelen, Amsterdam, Stedenmaagd)?
               De timpanen drukken de vredesheerschappij uit. (de stedenmaagd met ‘vredesstaf’ =
               personificatie’ van de stad Amsterdam) over werelddelen en wereldzeeën. Amsterdam is
               daarbij het centrum van de hele geordende wereld.
                                             Reader 50, 51 en 52


Opdracht 2
   1. Hoe is daar aan voldaan?

             -   Duurzaamheid: het gebouw heeft een stevig fundament (heilapen!!) en er is gekozen
                 voor sterk natuursteen

             -   Nuttig: functie vergelijken met het ontwerp. Er is sprake van een heldere en duidelijke
                 indeling

             -   Mooi; ideale vormen en verhoudingen en symmetrie



De Republiek werd door de gereformeerde predikanten graag vergeleken met het Israël uit het Oude
Testament. Amsterdam = Jeruzalem. Nieuw stadhuis = Tempel van Salomon.

Het stadhuis was in de visie van Van Campen:

                        de "vertegenwoordiger" van het Goddelijke op aarde,

                        de zetel van het goede gezag / bestuur

                        middelpunt van een harmonische gemeenschap.
   2. Welke redenen had men om het nieuwe stadhuis te bouwen?
                 Het oude was te klein geworden omdat de stad was gegroeid

                 Er kwam geld vrij door het beëindigen van de Spaanse oorlog

                 Het oude gebouw was te weinig representatief. De stedelijke macht moest ermee
                 worden uitgedrukt.



   3. Van Campen baseerde zich op Vitruvius. Leg dit uit aan de hand van onderstaande
      plattegrond.(Teken de geometrische grondvormen en verhoudingen ook in de plattegrond.)

             -   De goddelijke verhoudingen zijn zichtbaar in de proporties van de onderdelen: 1:2 /
                 2:3 / 2:4 / 3:4 / 1:3

             -   Het gebouw is symmetrisch (=volledige harmonie)

             -   In het gebouw zijn vierkanten opgenomen en rechthoeken in verschillende juiste
                 maatverhoudingen. Hoogte burgerzaal is 90 / breedte 60 / lengte 120


   4. Naast klassieke is er ook christelijke symboliek aanwezig in het gebouw. Leg dit uit.
                 Bij zijn ontwerp van de schepping had God ook deze wiskundige figuren en
                 maatverhoudingen als uitgangspunt genomen: 1:2, enzovoort (musica mundana) God
                 is zo in al wat geschapen is aanwezig: orde en harmonie.

                 De mens is geschapen naar Gods evenbeeld:

                    -    juiste proporties, verhoudingen
                    -    juiste afmetingen

                    -    symmetrie
                                            Reader 53 en 54


Opdracht 3
1. Verklaar de naam "Burgerzaal"
        Het was een openbare ruimte waar burgers elkaar konden ontmoeten. Vertrekken er omheen
        voor burgerzaken. Functioneert als een soort overdekt stadsplein.




2. Verklaar de ligging binnen het grote geheel.
        Centraal gelegen omdat hier de vier galerijen op aansluiten met de kantoren. Soort grote
        verzamelplaats waarvandaan men zich verspreidde. Het hart van het gebouw van Amsterdam,
        van het universum.


3. Verklaar waarom er sprake is van ideale verhoudingen.
        - De ruimte is 2 x zo lang als breed. (60 x 120 voet) dus 1:2

        - De hoogte is de halve som van lengte en breedte (90 voet) 2:3:4

        - Er passen twee vierkanten in.




4. Wat moesten de afbeeldingen op de vloer samen met de afbeelding van de zuidelijke sterrenhemel
op het plafond uitdrukken ?
        -   De afbeeldingen op de vloer zijn het westelijk en oostelijk halfrond + de noordelijke hemel.
            Planeet aarde en het universum waarvan de mens het middelpunt is
        -   Weerspiegeling van de kosmos
        -   Burger vond in de zaal de wereld aan zijn voeten Hij kon reizen van de handelsschepen
            volgen / hij kon zijn nietigheid tegenover Gods schepping volen (aarde, planeten, sterren0
             Ptolemeisch stelsel met de aarde als middelpunt van 9 schillen waarbinnen de plneten
            hun banen trekken. (moeder aarde, 7 planeten, stellatum.

        -   De zeven planeten zijn Saturnus, Venus, Mars, Jupiter, Mercurius, Apollo (zon), Diana
            (maan) en Cybele (aarde)
                                               Reader 57




Opdracht 4: Maak van de bovenstaande godenuitbeelding een overzichtelijk schema.


Goden        Functie                                  Attributen

Saturnus     God van landbouw en tijd                 Sikkel / korenschoof / slang die in zijn
                                                      staart bijt /zandloper


Cybele       Godin van de aarde en                    Draagt gebouwen van de aarde in de
             Moeder van de goden                      kroon / sleutel om de aarde te openen




Venus        Godin van de liefde                      Cupido en Antaros (appel van Paris) /
                                                      zwanen en duiven die wagen trokken


Mars         God van de oorlog                        Wapenrusting: helm en strijdlustige
                                                      draak / schild en zwaard / pijl en koker


Apollo       God van de kunsten en                    Muziekinstrumenten / lauwerkrans /
             wetenschappen.                           hemelglobe / esculaap (staf met
             Representeert de zon                     slangen eromheen)

Jupiter      Oppergod                                 Donderwolk en bliksemschicht / ram en
                                                      adelaar


Mercurius    God van de handel en bode van de         Staf = eind van alle twisten / vleugels
             goden                                    aan enkel en gevleugelde hoed


Diana        Godin van de jacht en visserij.          Met hert en zeedieren / fakkel waarmee
             Representeert de maan                    ze pasgeboren kinderen het licht in de
                                                      ogen geeft / hert en jachthoorn
                                                 Reader 59




OPDRACHT 5 :


1.- Behalve onomkoopbaarheid worden door Vondel nog andere eigenschappen en deugden
genoemd, die burgemeesters moeten hebben. Welke zijn dat ?
                 Matigheid
                 Trouw
                 Temperentia



2.- Leg uit dat de calvinistische levensvisie hierin doorklinkt.
                 Geen onnodige consumptie en een afkeer van luxe. Soberheid dus.
                 Rijkdom en weelde staan een geestelijk leven in de weg.



3.- Wat is de boodschap van de schilderijen en het gedicht voor de Vroedschapsleden?


                 De grootste wens van Salomon was wijsheid.
                 De wijze raad zit in deze kamer.
                 Geëiste eigenschap van de raadsleden.
                                             Reader 61, 62 en 63


FOCUS: Amsterdams stadhuis.

Vanaf de late middeleeuwen wordt er niet
allen aan de kerkelijke architectuur veel
aandacht besteed. Ook de niet-kerkelijke
architectuur wordt steeds uitbundiger.


    1. Bekijk de afbeelding rechts
         Het stadhuis op de Dam onderscheidt
         zich in zijn vorm en formaat van alle
         andere bebouwing op de Dam. Noem
         twee aspecten waaruit dit blijkt.

                  Strekking antwoord:
                  Het gebouw is veel groter dan                Jacob van der Ulft, De Dam, 1650
                  de omringende bebouwing en
                  staat dominant op het plein.
                                                             Jacob van Ulft, De Dam, 1650




    2. Bekijk afbeelding 7.12 in het tekstboek. De Burgerzaal ligt centraal in het stadhuis. Leg uit wat
    de
          symbolische betekenis van deze centrale ligging is. Betrek in je antwoord de functie van de
          Burgerzaal.

                  Antwoord:
                  Het centrale punt in het stadhuis is de vrij toegankelijke Burgerzaal. Door de zaal
                  centraal te plaatsen, bevinden de burgers zich in het hart van het bestuurscentrum.
                  De belangrijkste bestuurskantoren zijn gegroepeerd rondom de Burgerzaal.


    3. De Amsterdams bestuurders kiezen voor de nieuwbouw van het stadhuis voor een
    classicistische
         gebouw. Leg uit waarom dit de meest gewenste stijl is voor een dergelijk gebouw.

                  Strekking antwoord;
                  De classicistische stijl verwijst naar de klassieke architectuur. Met name de klassieke
                  Romeinse architectuur en beeldhouwkunst geldt in de zeventiende eeuw als
                  voorbeeld voor het tonen van ‘macht’.


Sinds de Renaissance is het ‘paleis’ voor de machthebbers steeds belangrijker geworden als type
gebouw om in te wonen en te werken. De Amsterdammers gebruiken het voorbeeld van het paleistype
voor de vormgeving van hun stadhuis. Het stadhuis op de Dam wordt na de voltooiing door de
Amsterdammers beschouwd als een ‘wereldwonder’. Ze hadden nog nooit een gebouw gezien dat zo
groot en massief was.
    4. Bekijk afbeelding 7.12 in het tekstboek. Het stadhuis is een afspiegeling van de stad in het
    klein.
       Leg uit op welke manier de verdieping van de Burgerzaal symbool staat voor de stad zelf.



                Strekking antwoord:
                De Burgerzaal is als een centraal plein (de Dam) waaromheen aan verschillende
                straten (gangen) verschillende stedelijke kantoren zijn gegroepeerd. De straten en het
                centrale plein zijn voor het publiek toegankelijke ruimtes waaraan de burgers van de
                stad alle belangrijke stedelijke voorzieningen kunnen vinden. Het stedelijke leven biedt
                een georganiseerde aanblik.




Bekijk afbeelding 7.14 in het tekstboek. De beeldhouwer Quellinus heeft voor de westelijke wand van
de Vierschaar drie reliëfs gemaakt met één Bijbels en met twee klassieke taferelen. Het middelste
tafereel stelt het Salomonsoordeel voor, naar een verhaal uit het Oude Testament. De twee andere
taferelen zijn verwijzingen naar twee klassieke verhalen, waarin sprake is van ‘wijze’ en onafhankelijke
rechtspraak.
Salomon was een koning in Israël, die op een dag twee vrouwen voor zich kreeg die ruzieden over het
moederschap over delfde baby. Salomon besloot dat het kind dan maar letterlijk gedeeld moest
worden, zodat beide vrouwen een half kind zouden bezitten. De echte moeder stond op en ‘schonk’
haar kind aan de nepmoeder (iets waarop Salomon had gerekend, hij gaf de baby levend en in zijn
geheel aan de echte moeder).
Een van de klassieke voorstellingen gaat over de Griekse rechter Zaleucus die zichzelf een oog laat
uitsteken nadat hij zijn zoon moest veroordelen tot uitsteking van twee ogen. Zo bleef het zicht van zijn
zoon in één oog gespaard.
Het tweede klassieke verhaal gaat over de Romein Brutus die zijn twee eigen zoons liet onthoofden
nadat ze hadden geprobeerd een staatsgreep te plegen.


     5. De Amsterdamse burgermeesters hebben zo hun ideeën over goede rechtspraak.
        Karakteriseer deze ideeën door de inhoud van de drie reliëfs te vertalen naar drie
        uitgangspunten van goede rechtspraak.

                Antwoord:
                De Amsterdamse rechters moeten slim (Salomon en Zaleucus), rechtvaardig en
                barmhartig (Zaleucus) en zonder persoonlijk belang oordelen (Brutus).


     6. De drie reliëfs bevinden zich achter de zitplaatsen van de rechters. Dit heeft een symbolische
        reden. Leg dit uit.

                Antwoord:
                Het publiek en de verdachten zullen de rechters identificeren met de rechters op de
                reliëfs. De Amsterdamse rechtspraak zal van klassieke en Bijbelse kwaliteit zijn.
7. Bekijk afbeelding 7.13 in het tekstboek. De stad Amsterdam beschouwt zichzelf als heerser
 van de zeeën. Leg uit op welke wijze dit in het oosttimpaan te zien is.

           Antwoord:
           Op het timpaan heerst de keizerlijk gekroonde stedenmaagd van Amsterdam over de
           wereldzeeën, waarin ze wordt ondersteund door de Neptunus en andere zeegoden en
           –godinnen.



8. Het oosttimpaan van het stadhuis toont de noodzaak voor wereldvrede. Blijkbaar hechten de
 bestuurders en de bevolking van de stad belang aan vrede. Leg uit waarom vrede voor d stad
 zo belangrijk is.




           Antwoord:
           De Amsterdamse welvaart en wereldmacht is geheel afhankelijk van handel tussen
           veraf gelegen gebieden in en buiten Europa. Het is daarbij essentieel dat de
           Amsterdamse schepen vrije doorgang hebben op de zeeroutes. Deze vrije doorgang
           is alleen te garanderen wanneer er geen oorlogen zijn, dus het is van belang dat er
           vrede heerst.
Reader 74, 75, 76 en 77

FOCUS: Medea

In de oudheid is theater een populaire kunstvorm. In Rome is nog steeds een aantal ruines te vinden
van Romeinse theaters met zitplaatsen voor veel publiek. Na de opkomst van het Christendom
verdwijnt de populariteit van de theaterkunsten.
In de late middeleeuwen wordt het theater ‘herontdekt’. Voorstellingen worden, voorlopig nog zonder
speciale theatergebouwen, verzorgd op markten en in kerken. Toneelspelers spelen delen uit
levensverhalen van heiligen en dergelijke. De spelen worden op verschillende podia naast elkaar
gespeeld – als een soort levend stripoverhaal. Elk podium stelt een huis voor. Bij elke ruimte- en
tijdwisseling verhuizen de toneelspelers naar het volgende toneel, dat zich in en apart ‘huis’ bevindt.
Aan het eind van de zestiende eeuw ontstaan er weer speciale theaterzalen. Amsterdam krijgt zijn
eerste ‘moderne’ schouwburg in 1637.


            1. Bekijk de afbeelding A. Op dit schilderij uit 1653 zie je het
                podium met de vaste achterwand van de Amsterdamse
                schouwburg. Het theater is gebouwd om de klassieke
                theatertraditie te doen herleven. Noem een aspect waaraan
                je dat kunt zien.

        Een van de volgende antwoorden:
        -      Het theater heeft naar het voorbeeld van het klassieke
               Romeinse theater een smal podium voor een vaste
               achterwand.
        -      De bouwstijl van zowel het decor als                   Afb A: Hans Jurriaansz. Van Baden, Interieur van
                                                                      de Amsterdamse schouwburg, 1635
               de loges is klassiek (met zuilen, pilasters,
               timpaan en Corinthische kapitelen).



            2. Het podium op afbeelding A is ook geschikt voor de middeleeuwse theateropvatting
                waarbij het spel zich verplaatst naar steeds nieuwe podia met andere decors. Leg uit hoe
                dit zichtbaar is in de vormgeving van de vaste achterwand.

                   Strekking antwoord:
                   Het decor bestaat van links naar rechts uit gevels die gebruikt kunnen worden zoals
                   de verschillende ‘huizen’ in de Middeleeuwen werden gebruikt.

            3. In 1665 wordt de schouwburg grondig verbouwd, ‘na d’Italiaanze manier als men nu in
                Venetien gebruykt.’ Op afbeelding B zie je een tekening van een van de decors die op
                het nieuwe toneel gerealiseerd konden worden. Vergelijk de afbeeldingen A en B. Leg uit
                waarom een grondige aanpassing van het oude podium nodig was om de decors te
                realiseren zoals op afbeelding B te zien is.
        Afb B: W. Writs, décor
        Amsterdamse schouwburg:
        bos met waterval en zinkluiken,
        1760




                  Strekking antwoord:
                  Het decor (podium) op afbeelding A is veel dieper om bijvoorbeeld de suggestie van
                  een bos te kunnen oproepen. Om decors te kunnen wisselen, is een ruim kaal
                  speelvlak nodig waarop tijdelijke zetstukken (waaronder coulissen geplaatst kunnen
                  worden. Of: op het podium kan geen decorwisseling plaatsvinden.


         4. Bekijk afbeelding B. Noem de twee soorten toneelmachinerieën die hier zichtbaar zijn.

              Antwoord:
              -    Zinkluiken in de vloer die kunnen wegklappen en waardoor spelers kunnen
                   verdwijnen en opkomen.
              -    Een waterval waarbij met behulp van machinerieën d suggestie van vallend water
                   wordt gewekt.

Voor de Amsterdamse schouwburg worden veel stukken uit de oudheid bewerkt en herschreven. In
1648 wordt het klassieke drama Medea in een herbewerking en vertaling door Jan Six opgevoerd. In
het stuk volgt de ene gruweldaad na de andere. Medea neemt wraak op haar ontrouwe geliefde
Jason. Slachtoffers worden in stukken gereten, waaronder haar eigen tweeling.


De tekst van Jan Six wordt ook in boekvorm uitgegeven. De illustratie uit dit boek van Rembrandt zie
je op afbeelding C. Op de donkere voorgrond staat Medea, als stille getuige bij het huwelijk tussen
Jason en Creus. Medea leunt op een dolk. Na afloop lijkt het of Medea zich van het leven zal beroven.
Dit onderdeel staat niet in de tekst van Six. Mogelijk is het een tafereel van een tableau vivant, die in
die tijd vaak onderdeel vormden van een voorstelling.


         5. Bekijk afbeelding C. Voor welk soort scènes is het samenstellen van een tableau vivant
              op het toneel een uitstekende oplossing? Noem twee kenmerken van de scènes.

              Twee van de volgende antwoorden:
              -    Dramatische hoogtepunten uit het verhaal die extra nadruk verdienen
              -    Scènes die moeilijk als spel uit te voeren zijn, bijvoorbeeld omdat bovennatuurlijke
                   verschijningen hierin een rol spelen.
              -    Scènes waarbij veel mensen (figuranten0 betrokken zijn.
                                                            Afb C: Rembrandt van Rijn, Medea, 1648




        6. Vergelijk afbeelding C met afbeelding 7.15 in het tekstboek. Bij het bedenken en
            samenstellen van een tableau vivant op het toneel wordt de rol van de regisseur
            vergelijkbaar met die van de schilder. Omgekeerd lijkt de rol van de schilder ook op de rol
            van de regisseur.
            Leg deze bewering uit aan de hand van de twee genoemde afbeeldingen.

            Antwoord:
            Bij een tableau vivant ontstaat een stilstaand of een bevroren beeld. De regisseur zet zijn
            personages neer zoals een schilder dat doet op zijn doek. Belichting, ‘compositie’,
            gebaren en houdingen kunnen in beide gevallen vooraf met veel zorg worden gekozen.
            In beide gevallen wordt gekozen voor een ‘dramatisch moment’. De overeenkomst geldt
            met name ook voor historiestukken en het tableau vivant.

Six ontdoet zijn Medea van veel onwaarschijnlijkheden. Een drakenwagen wordt een balkon en de
vuurspuwende draak wordt een mens: meneer Draak.
Twintig jaar later, kort na de verbouwing van de schouwburg in 1667 brengt de schouwburgregent Jan
Vos een eigen versie op de planken van Medea. Hij benut daarbij alle technische mogelijkheden. In
zijn voorwoord schrijft hij: ‘wie het volk in de schouwburg wil houden, moet hun ogen met de koorden
van gevoeglijke bekoorlijkheden aan het toneel binden.’

        7. Jan Six legt in zijn bewerking van Medea vooral de nadruk op het karakter en de
            psychologische ontwikkelingen van de personages. Leg uit waarop Jan Vos in zijn
            bewerking de nadruk legt.

            Vos legt de nadruk op spektakel en op het vermaken van het publiek.
8. Toneelmachinerieën, zoals die te zien zijn op afbeelding B, worden vooral gebruikt bij
    tragedies en minder bij komedies en kluchten. Leg dit uit aan de hand van de verschillen
    tussen de klucht, de komedie en de tragedie.


    Strekking antwoord:
    Bij de klassieke tragedies spelen bovennatuurlijke verschijnselen, zoals de tussenkomst
    van goden of andere wonderbaarlijke verschijnselen een rol. Om dit op het toneel te
    kunnen uitbeelden, zijn mechanische hulpmiddelen nodig.
    De komedie en de klucht zijn gebaseerd op meer alledaagse en herkenbare verhalen.
    Bovendien heeft de tragedie meer status dan de klucht of komedie. Voor het opvoeren
    van een tragedie werden kosten noch moeite gespaard, het decor voor een komedie en
    een klucht is daarentegen veel eenvoudiger
                                                Reader 80



                                            MEMENTO MORI
                            Een nieuw gezelschapsspel voor jong en vooral oud.




Stop iedereen in het juiste graf.



1. Groot praalgraf met kapelletje en ijzeren hek     Hofcomponist


2. Groot praalgraf met kapelletje                    Hofaltist


3. Groot praalgraf met beeld van engel met lyra      Organist


4. Grote zerk met kelk                               Jezuïet


5. Mooie zerk met perkje                             Luitist


6. Mooie zerk                                        Zanger in de kerk


7. Zerk                                              Toneelschrijver


8. Graf met stenen kruis                             Zanger in het theater


9. Graf met ijzeren kruis                            Stadskromhoornspeler


10. Graf met en nummer op een paaltje, 3 x           Muzikant voor bruiloften en partijen
                                                     Legertrompetter
                                                     Straatmuzikant


11. Graf op een uithoek achter een heg               Toneelspeler in een rondreizend gezelschap
                                          Reader 81, 82 en 83



FOCUS: De strijd om het orgel

Tegen het einde van de renaissance heeft het orgel in de traditionele rooms-katholieke mis een vaste
plek gekregen. Voor de protestanten is er echter geen plaats voor het orgel tijdens de dienst. De
orgelklanken zouden de gelovigen alleen maar afleiden van de tekst.
Een enkele keer wordt er in het protestante Nederland toch een poging ondernomen om nieuwe
religieuze muziek te maken. Zo heeft Sweelinck psalmbewerkingen gemaakt voor alle 150
psalmteksten. Deze composities werden echter niet gebruikt in de protestante eredienst.


    1. Luthers oproep tot hervormingen van de christelijke kerk luidt aan het begin van de zestiende
        eeuw de reformatie in. Noem ten minste twee kenmerken waaruit blijkt dat zijn ideeën afwijken
        van de dan gangbare opvattingen binnen de Katholieke Kerk.

            Twee van de volgende antwoorden:
            -   toegankelijk maken van de Bijbel door deze in de eigen volkstaal te vertalen
            -   In plaats van vaste rituelen in het Latijn staat de bijbelzang in de volkseigen taal
                centraal.
            -   Luther keurt zaken af die als plaatsvervangend voor Gods woord worden aanbeden.
            -   De protestante kerken zijn onversierd en kaal. De preekstoel staat centraal, zodat het
                gesproken woord centraal staat.



    2. Op de eerste centrale bijeenkomst van de Nederlandse protestante kerken aan het begin van
        de zeventiende eeuw wordt niet alleen besloten het orgelspel te verbieden, maar zelfs om
        orgels te laten afbreken.
        De reformatie is dus blijkbaar niet zonder gevolgen voor de kerkmuziek. Volgens de regels
        van de Protestante Kerk moet de kerkmuziek voldoen aan een aantal regels. Leg uit wat
        hiervan de twee belangrijkste kenmerken zijn.

            Antwoord:
            -   De protstante kerkhervormers willen het kerkpubliek echt bij de dienst betrekken. Men
                predikt één geloof, één God, één doop en één waar geloof. Dit wordt begeleid door
                eenstemmige samenzang van psalmen door de bezoekers van de kerk.
            -   Kerkorgels waren in de ogen van de kerkhervormers verderfelijke instrumenten, die
                met hun klanken de protestante diensten zouden verstoren en de bezoekers zouden
                afleiden van alles wat werd gezegd.



    3. Beluister CD1  18: Toccata in C. Deze compositie van Sweelinck is bestemd voor een groot
        kerkorgel. Leg uit waarom deze muziek niet geschikt is voor de protestante eredienst.

                Strekking antwoord:
                De muziek staat op zich, qua structuur kent het sterk contrasterende passages. In de
                protestante eredienst dient duidelijk verstaanbare samenzang te klinken. De opbouw
                van dit soort muziek is per definitie eenvoudiger.




Als organist is Sweelinck in dienst van het stadsbestuur van Amsterdam. Iedere avond van 7 tot 8 uur
speelt Sweelinck op het orgel van de Oude Kerk. Niet iedereen kan zijn publieke concerten
waarderen. Constantijn Huygens, geleerde, componist en secretaris van wel drie wethouders en een
stadhouder, bekritiseert de avondlijke concerten: ‘ wat daer wijders om gaet, tusschen jonger bloed,
onder de gunst van donckere joecken, ende een gestaedigh geluyd, is naer te denken!’


    4. Huygens verzet zich tegen kerkconcerten. De stadsbestuurders zijn meestal sterk
        voorstander. Kruip in de huid van beide partijen en geef één argument voor en één argument
        tegen het geven van concerten in kerken.


                Antwoord:
                Voor:
                De kerken zijn open voor iedereen en vormen een verlengstuk van de straat.
                Stedelijke regenten hebben liever dat het publiek voor een orgelconcert kiest dan voor
                de kroeg of erger..
                Tegen:
                Predikanten ergeren zich aan het flirten, kletsen en flaneren in de kerkgebouwen.
                Deze gedragingen passen niet in een gebouw dat op andere momenten dienst doet
                als een plaats waar mensen vanwege hun geloof samenkomen.


    5. Sweelinck wordt ook wel organistenmaker genoemd. Leg dit uit.

                Sweelinck was in zijn tijd een befaamd muziekpedagoog. Leerlingen uit de Republiek
                en daarbuiten kwamen naar Asterdam om bij hem de kunst van het klavierspel en het
                componeren te leren. In de werken van veel van de tijdgenoten van Sweelinck is ‘zijn
                hand’ te herkennen.


Huygens is een groot voorstander en liefhebber van psalmzang: ‘tegen eenen Psalm thien madrigalen
en lichter deunen.’


    6. Leg uit in welk opzicht madrigalen en psalmen van elkaar verschillen.


                Antwoord|:
                Madrigaal: vocale compositie op wereldlijke tekst, meestal over de liefde, met polyfone
                en homofone passages. Geschreven in de landstaal; bekend zijn vooral Engelstalige
                en Italiaanstalige liederen. De madrigalen worden vaal a capella gezongen.
                Psalm: lied opgenomen in het Oude Testament (150 liederen van de Israëlieten) en/of
                zoals het vertaald en berijmd wordt gezongen in de christelijke kerk, In de protestante
                kerkdienst worden de psalmen eenstemmig gezongen.
                NB In de katholieke Kerk scheelde het ook niet veel of meerstemmigheid was
                verboden geraakt. In een katholieke kerkvergadering in Trente werd scherpe kritiek
                geuit op de kerkelijke meerstemmige muziek, omdat deze vaak werd gebaseerd op de
                wereldlijke cantus firmus. De complexe polyfonie maakte dat de teksten in de
                gezangen onverstaanbaar waren. Daarnaast was er kritiek op de al te luidruchtige
                instrumenten, de onzorgvuldige uitspraak van het Latijn en onverschillig gedrag door
                de zangers.
Op het orgelconcert en de psalmzang na is er in de zeventiende-eeuwse protestante kerk geen plaats
voor muziek. In de huiskamer klinkt echter volop muziek. Dit valt ook af te lezen aan de schilderijen uit
deze tijd. Buitenhuis speelt het muziekleven zich grotendeels af in de stedelijke Collegia Musica. Na
het verdwijnen van de kerk als opdrachtgever voor muziek, nemen de burgers deze rol over. Het
kunstlied komt tot bloei. De instrumentale samenstelling van de muziekgezelschappen is niet
belangrijk, elke combinatie lijkt te kunnen.


    7. In CD1  20: Had ick duysend ijsere tongen van Jan van Eyck hoor je een blokfluit, zang en
        strijkinstrumenten. Leg uit welke functie de blokfluit, de stem en de strijkinstrumenten ten
        opzichte van elkaar vervullen.


                Strekking antwoord:
                De blokfluit spelt de gehele melodie voor. Als de stem zingt, speelt de blokfluit niet. In
                het tussenspel varieert de blokfluit op de eerder gespeelde melodie. De melodie wordt
                verrijkt.



    8. Bekijk de afbeeldingen 7.6 en 7.19 in het tekstboek. De Nederlandse muziekcultuur lijkt in
        bepaalde opzichten op de Nederlandse schilderkunst. Verklaar deze stelling met behulp van
        de beide afbeeldingen.

                Antwoord:
                In de Nederlandse schilderkunst uit de zeventiende eeuw wordt het huiselijke
                gezinsleven prominent belicht en dit was vaak voor de versiering van het eigen huis.
                De muziekkunst in Nederland was ook sterk gericht op uitvoeringen in huiselijke kring.
                                           Reader 84, 85 en 86


FOCUS: Musicerende gezinnen

Aan het maken van muziek werd vroeger vaak een dieper liggende betekenis toegekend. In de
klassieke mythologie zijn hiervan al voorbeelden te vinden. In de Nederlanden is dat in de zeventiende
eeuw al niet anders. Voor dit vragenblok heb je een fragment nodig dat te vinden is op
www.debespiegeling.epn.nl




                                                  Tussen 1648 en 1665 bouwt de stad Amsterdam het
                                                  imposante stadhuis op de Dam. In het stadhuis zijn
                                                  veel verwijzingen te vinden naar de klassieke
                                                  mythologie. Voor de Burgerzaal in het stadhuis
                                                  maakte de beeldhouwer Artus Quellinus het reliëf op
                                                  afbeelding D. Hierop is te zien hoe Amphion door
                                                  een lier te bespelen hulp biedt bij de bouw van het
                                                  stadhuis en tegelijkertijd waakt over de burgers van
                                                  de stad. In de klassieke mythologie is Amphion
                                                  bekend als koning van Thebe die bij de bouw van de
                                                  stadsmuren zo prachtig op zijn gouden lier speelde
                                                  dat de stenen zich uit eigen beweging tot een muur
                                                  samenvoegden.




        1. Het reliëf van Quellinus verleent aan de bouw van het stadhuis, het bestuur van de stad
            en de stad zelf een betekenis die ver uitstijgt boven normale alledaagse bouwactiviteiten.
            Licht deze bewering toe.

               Antwoord:
               De bouw van het nieuwe stadhuis wordt als een wonderlijke en een door het
               goddelijke gesteunde activiteit beschouwd. De lier staat in de oudheid symbool voor
               Apollo. Apollo is de aanvoerder van de muzen en staat symbool voor orde, regelmaat,
               evenwicht en het verstandelijke. Allemaal deugden die zowel in het bestuur van de
               stad als in het gebouw terug te herkennen moeten zijn.

        2. Op afbeelding 7.19 in het tekstboek zie je een weergave van een muziekles geschilderd
            door Jan Vermeer. Het schilderij vertoont een aantal kenmerken die typisch zijn voor de
            zeventiende-eeuwse schilderkunst. Doorloop nog eens de verschillende beschrijvingen
            van de genres en bekijk het schilderij op afbeelding 7.19. Benoem ten minste drie
            kenmerken die het schilderij typisch Nederlands maken.

               Ten minste drie van de onderstaande antwoorden:
               -    De afbeelding is een typisch huiselijk en realistisch tafereel.
       -    De ruimte van het schilderij is herkenbaar en meetbaar.
       -    In het interieur is een pers op een tafel zichtbaar.
       -    Het interieur toont een privé-muziekles in een huiskamer.


3. In 1640 maakt Hendrick van Vliet een portret van de familie Michiel van der Dussen. De
    familie heeft een passie voor de blokfluit.
    De vijf kinderen van het gezin verbeelden de vijf zintuigen: zien, voelen, horen, ruiken en
    proeven. Welke twee zintuigen worden in dit schilderij verbonden aan muziek en
    musiceren? Leg ook uit waaraan je dat kunt zien.




                                                                   Antwoord:
                                                                   Horen en zien. De twee
                                                                   musicerende zonen van het
                                                                   gezin verbeelden dit door
                                                                   muziek te spelen (zoon links)
                                                                   en bladmuziek te lezen
                                                                   (zoon rechts). (De andere
                                                                   zintuigen worden verbeeld
                                                                   door de dochters: van links
                                                                   naar rechts: voelen, een
     Hendrick van Vliet, Gezin Michiel van der Dussen, 1640

       vogeltje pikt in de arm; ruiken: meisje draagt een klein boeketje; proeven: het meisje
       proeft de druiven.

4. Op het schilderij is op verschillende plaatsen bladmuziek te zien. Michiel van der Dussen
    wijst nadrukkelijk naar de muziek op de standaard. Kortgeleden is de bladmuziek op deze
    standaard onderzocht en herkend. Het is het meerstemmig motet Factum est silentium
    van de Hamburgse componist Hieronymus Praetorius.
    Op het schilderij maken alleen de mannelijke leden van het gezin muziek. Hoewel er
    maar twee gezinsleden blokfluit spelen, zijn er meer spelers nodig. Bekijk het schilderij en
    beluister het muziekfragment op www.debespiegeling.epn.nl. Leg uit hoeveel musici er
    nodig zijn om het stuk te spelen.

       Antwoord:
       Er zijn drie blokfluiten nodig.

5. De Republiek was een relatief tolerante samenleving. Het gezin Van der Dussen was
    religieus, maatschappelijk belangrijk én Rooms-katholiek. Noem twee voorwerpen op het
    schilderij waaraan deze geloofsovertuiging zichtbaar is.

       Antwoord:
       Op de achtergrond is een typisch katholieke crucifix (kruis met Christus) met
       Mariabeeld te zien, daarnaast dragen de dochters kruisjes om de hals (een teken van
       katholicisme)
6. De oorspronkelijke tekst van het instrumentaal uitgevoerde motet verhaalt over de stilte
    die in de hemel heerst als de aartsengel Michaël in gevecht is met de draak. Als Michaël
    de draak (het kwaad) heeft verslagen, wordt de stilte doorbroken en wordt God bejubeld
    met hemels gezang.
    Het is aannemelijk dat de muziek die op het schilderij gespeeld gaat worden met zorg is
    gekozen. De aartsengel, Michaël, is de naamheilige van Van der Dussen, Michiel, en
    volgens het katholieke geloof ook de beschermheilige van het gezin. Noem, gelet op de
    omschrijving van de tekst van Factum est silentium, nog een aannemelijke reden waarom
    juist dit lied is gekozen voor het familieportret.


       Strekkingantwoord:
       Mogelijk wil Van der Dussen de strijd tussen het katholicisme en het protestantisme
       vanuit een katholieke optiek nog eens belichten. Van der Dussen zou dan de strijd
       tussen Michaël en de draak vergelijken met de strijd tussen de beide christelijke
       geloven. Daarmee geeft Van der Dussen zijn gezin een zware opdracht mee.


7. Het gezin Van der Dussen toont in het schilderij ook dat het een harmonieus gezin wil
    zijn. Leg uit waarom het muziekspel dit goed kan uitbeelden.


       Antwoord:
       De getoonde muziek wordt door meerdere musici tegelijk gespeeld; het samenspel
       maakt de klank en de harmonie.



8. Van der Dussen is in zijn tijd een belangrijk Delftenaar, die net als al zijn welvarende
    tijdgenoten in huiselijke kring musiceert. Het portret is tegelijkertijd realistisch en
    verhalend. Leg uit waarom een dergelijk portret goed past in de traditie van de
    schilderkunst uit de zeventiende eeuw.


       Antwoord:
       De schilderkunst in de zeventiende eeuw toont realistische beelden die vervolgens
       vaak wel een dubbele boodschap in zich dragen: het zichtbare in de realistische
       voorstelling en het verhaal van de voorwerpen die symbolen vormen en vervolgens
       een dieper liggende vaak religieuze betekenis kunnen geven aan de voorstelling.
                                            Reader 87, 88 en 89

FOCUS: Nachtstukken.

In 1642 schildert Rembrandt zijn bekendste schilderij: De Nachtwacht. Het is een groepsportret van
een schutterij. Het groepsportret is in de zeventiende eeuw een populair type kunstwerk. In het
Rijksmuseum in Amsterdam zijn veel schutterstukken te zien, waaronder De Nachtwacht.


        1. Bekijk op internet een afbeeldng van De Nachtwacht. En zoek op de site van het
            Rijksmuseum de afbeelding van het schutterstuk van Frans Hals en Pieter Codde:
            Korporaalschap van Kapitein Reinier Reael, ‘De magere compagnie’ (zie
            www.rijksmuseum.nl). Rembrandt maakt van zijn schilderij een bijzonder portret, dat
            anders is dan het groepsportret van Hals en Codde. Noem twee verschillen.

                    Twee van de volgende:
                    -   Op het schuttersstuk van Codde en Hals lijken de mensen veel meer te
                        poseren, niemand is ‘in actie’; dit in tegenstelling tot De Nachtwacht, waarop
                        iedereen volop in actie lijkt.
                    -   De schutters bij Codde en Hals zijn helder aangelicht door een zijlicht; bij De
                        Nachtwacht is er een groot verschil in aanlichting van de verschillende
                        afgebeelde schutters.
                    -   De schutters bij Hals en Codde staan allen op één lijn; bij De Nachtwacht
                        staan de schutters en andere figuren in verschillende linies en hoogten
                        afgebeeld.
                    -   De schutters bij Codde en Hals zijn allen ongeveer even groot afgebeeld; bij
                        De Nachtwacht variëren de formaten.
                    -

        2. Centraal in de Nachtwacht staan de leider van het gezelschap, kapitein Banning Coqc,
            en naast hem zijn luitenant Ruytenburgh. Noem drie aspecten van het schilderij waaraan
            je kunt zien dat beide heren de belangrijksten op het portret zijn.


                        Drie van de volgende antwoorden:
                        -   de kleding van Banning Coqc en Ruytenburgh is veel opvallender van
                            kleur dan die van de anderen.
                        -   Banning Coqc en Ruytenburgh staan duidelijk op de voorgrond op een
                            centrale positie in de compositie.
                        -   Banning Coqc en Ruytenburgh worden prominent aangelicht door een
                            ‘spotlight’ van de bovenvoorzijde.
                        -   Banning Coqc en Ruytenburgh zijn het grootst afgebeeld.
                        -   De diagonale lijnen in de compositie komen samen in de figuren van
                            Banning Coqc en Ruytenburgh.



        3. Bekijk op de site van het Rijksmuseum De Magere Compagnie. In dit schilderij zie je zo
            wie Reinier Reael is. Betrek in je beschrijving de wijze waarop Reael opvalt binnen het
            groepsportret. Noem hiervoor drie aspecten.
                Antwoord:
               -   Reinier Reael is de ‘dandyachtige’ figuur, de protserige, eigenlijk weinig militaire
                   figuur in het midden op de voorgrond.
                   Hij is opvallend vanwege (drie van ) de volgende aspecten:
               -   Reael staat in een ‘uitdagende’ contraposto.
               -   Reael staat met zijn rug naar de kijker
               -   Reael kijkt over zijn schouder naar de linkervoorzijde van het schilderij.
               -   Reael draagt lichte, kostbare kleding.
               -   Reael staat in de lichtste zone van het schilderij (zie ook de vleior0.


        4. Bekijk afbeelding 7.20 in het tekstboek en vergelijk dit met De Nachtwacht. Rembrandt
            benadert De Nachtwacht als een historiestuk. Leg uit waaruit dat blijkt.

               Antwoord:
               De Nachtwacht toont een gebeurtenis. De compagnie lijkt in actie. De afgebeelde
               figuren spelen allen een rol in de voorstelling. Het ‘heldendom’ van de figuren wordt in
               de actie en de weergave ervan in vorm, kleur en licht versterkt.




Voor het nieuwe stadhuis in Amsterdam schildert Rembrandt een episode uit de geschiedenis van de
Batavieren. De Batavieren worden in de Republiek beschouwd als de historische voorouders van de
Republiek. In het schilderij De eed van Claudius Civilus (1662) wordt de Bataafse opstand tegen de
Romeinen vergeleken met de opstand in de zestiende en zeventiende eeuw van de Nederlanders
tegen Spanje. Willem van Oranje zou je kunnen vergelijken met Claudius Civilis.


        5. Bekijk afbeelding 7.20 in het tekstboek. Rembrandt schildert het moment waarop de
            Batavieren trouw zweren aan hun aanvoerder Claudius. Noem twee aspecten van het
            schilderij die dit benadrukken.

               Twee van de volgende antwoorden:
               -   De zwaarden van de mannen raken elkaar als teken voor de eed van trouw.
               -   Op de voorgrond steekt iemand zijn hand op als teken van trouw.
               -   Alle blikken zijn gericht op de zwaarden, dit (zeker in combinatie met het
                   mysterieuze licht) versterkt het idee dat het hier om een plechtig moment gaat.




        6. Rembrandt richt in het schilderij alle aandacht op Claudius. Noem drie aspecten van de
            vormgeving waarmee hij dit heeft bereikt.

               Drie van de volgende antwoorden:
               -   Alle blikken zijn op zijn zwaard gericht.
               -   Hij is de enige die de beschouwer aankijkt en zo in het schilderij haalt.
               -   Hij is het meest gedetailleerd weergegeven.
               -   Compositie: hij hoort als enige personage niet tot de groepering waarvan de
                   overige personen wel onderdeel zijn.
Het schilderij is een onderdeel van een reeks schilderijen in de galerij om de Burgerzaal. Al na een
jaar wordt het schilderij van Rembrandt verwijderd en vervangen door een ander schilderij.


        7. De schilder Govert Flinck is verreweg de belangrijkste schilder voor de schilderijen in het
             nieuwe stadhuis van Amsterdam. Zijn stijl bepaalt hoe alle schilderijen moeten worden
             geschilderd. Vergelijk de afbeeldingen 7.15 en 7.20 in het tekstboek met elkaar. Verklaar
             aan de hand van beide afbeeldingen waarom Rembrandts schilderij niet mocht blijven
             hangen.

                Strekking antwoord:
                Er zijn en aantal afwijkingen te noemen in de wijze waarop Rembrandt heeft
                geschilderd ten opzicht van Flinck:
                -   Het schilderij van Rembrandt is minder kleurrijk.
                -   Het schilderij van Rembrandt heeft een groot licht-donkercontrast.
                -   Rembrandt werkt meer schilderachtig (picturaal), Flinck werkt meer gedetailleerd
                    (lineair).
                -   Rembrandt werkt in tegenstelling tot Flinck niet met een klassiek decor.




De geschiedenis van Claudius Civilis is alleen bekend uit Romeinse bronnen. De Romeinen noemen
hun tegenstander een ongelikte beer met één oog en een gehavend gezicht.


        8. Rembrandt houdt zich aan de Romeinse beschrijving en toont een verminkt gezicht. Ook
             dit zou een reden kunnen zijn om het schilderij te vervangen. Leg uit waarom de
             ‘waarheidsgetrouwe’ voorstelling van Rembrandt wel eens niet kan aansluiten bij de
             ideeën van de stadsbestuurders uit de zeventiende eeuw.


                Strekking antwoord:
                De opstand tegen de Romeinse overheersers van de Batavieren onder leiding van
                Civilis is een voorbeeld voor de Nederlanders die zich onder leiding van Willem van
                Oranje verzetten tegen de Spaanse overheersers. De opdrachtgevers zien de
                Batavieren en Civilis als grote helden en niet als een stelletje ongeregeld met een
                leider die vergelijkbaar zou zijn met een ongelikte beer.




        9. Ondanks zijn ene oog en ongekamde haren heeft Rembrandt de figuur van Claudius in
             het schilderij wel als een echte aanvoerder afgebeeld. Noem twee aspecten van het
             schilderij die bijdragen aan de uitbeelding van de waardigheid van Claudius.


                Twee van de volgende antwoorden:
                -   Hij draagt een soort kroon.
                -   Hij lijkt als enige een kostbaar kostuum te dragen.
                -   Alle ogen zijn in zijn richting gekeerd.

								
To top