2. Koning Theoderik_ Brieven_ in Cassiodorus I. 45 ... - Klassieke Kring

Document Sample
2. Koning Theoderik_ Brieven_ in Cassiodorus I. 45 ... - Klassieke Kring Powered By Docstoc
					Latijnse letterkunde
       Deel A en B
INHOUDSTAFEL

Les 1

        1. Livius Andronicus en Naevius
        2. Quintus Ennius

Les 2

        3. Lucretius – De rerum natura
        4. Gaius Valerius Catullus - Carmina

Les 3

        5. Vergilius, Bucolicon
        6. Vergilius, Georgica

Les 4

        7. Propertius
        8. Sulpicia

Les 5

        9. Persius
        10. Lucanus

Les 6

        11. Statius
        12. Italicus

Les 7

        13. Marcus Aurelius
        14. Apuleius

Les 8

        15. Minucius Felix
        16. Ammianus Marcellinus

Les 9

        17. Boethius, Consolatio Philosophiae III.12
        18. Koning Theoderik, Brieven, in: Cassiodorus I. 45-46
LATIJNSE LETTERKUNDE LES 1
    1. Livius Andronicus en Naevius


Leven Livius Andronicus


LIFE (dit heb ik –bijna volledig- letterlijk van het Engels naar het Nederlands vertaald)

De precieze geboorte- en sterftedatum van L. Andronicus is niet bekend. Het enige wat we van hem
weten is dat hij waarschijnlijk vanuit Tarentum naar Rome kwam tegen het einde van de oorlog
Rome vs. Tarentum (272 v.C.). Sommigen beweren dat Livius Salinator hem had meegebracht, iets
wat zijn Romeinse voornaam ‘Livius’ zou verklaren.
Andronicus was op alle vlakken een Griek, en was actief in Rome als grammaticus, een ‘leerkracht’
Grieks en Latijn, als toneelschrijver en tevens ook als acteur van sommige van zijn eigen werken.
Twee belangrijke data’s waarbij er een wending in zijn literaire leven kwam, zijn het jaartal 240,
wanneer een werk van hem als eerste dramatische stuk ooit werd opgevoerd in Rome, en het jaartal
207, wanneer hij een partheneion, een meisjeslied ter ere van Iuno, schreef. Een werk dat
publiekelijk moest worden uitgevoerd, als een deel van religieuze ceremonies.
Na dit ontving hij openbare eer en zijn beroepsvereniging, het collegium scribarum histrionumque,
was gevestigd op een publieke plaats, namelijk in de tempel van Minerva op de Aventijn. Deze
erkenning, een officiële status die voor het eerst in Rome werd toegekend aan literaire activiteiten, is
het laatste wat we weten van Andronicus.

WORKS

Van alles wat hij heeft geschreven, zijn slechts een zestigtal fragmenten overgeleverd via quoten in
werken van republikeinse auteurs en/of grammatici.
Zo hebben we iets van een 20 fragmenten van 40 verzen van zijn tragedies, waarvan er ons 8 titels
bekend zijn. Wat betreft zijn palliatae hebben we nog 6 fragmenten van een enkel vers per stuk
over, en weten we slechts 1 titel. Van zijn partheneion is niets over.

SOURCES

De data’s 240 en 207 zijn voornamelijk gebaseerd op gegevens uit de werken van Cicero en Livy.

THE BIRTH OF VERSE TRANSLATION

De grote Romeinse klassieke schrijvers van de 1ste eeuw v.C., Varro, Cicero en Horatius zien Livius als
de oorsprong van de Latijnse literatuur.
Zijn vertaling van de Odyssee van Homeros naar het Latijn in Saturijnse verzen was een enorme
onderneming die grote historische gevolgen had.
Voor de Romeinen, en zelfs voor de Grieken waren er culturen die ook al buitenlandse teksten naar
hun taal vertaalden, maar het zijn de Romeinen die er als eerste op zijn gekomen om een literaire
tekst te vertalen.
Livius’ zijn doeleinden waren zowel cultureel als literair van aard. Cultureel omdat hij de Romeinen
toegang gaf tot een fundamentele tekst van de Griekse cultuur. De gehelleniseerde Romeinse elite
las Homeros natuurlijk in het Grieks; maar de Odysia brak door als schooltekst. We weten via
Horatius dat studenten al vanaf de 1ste eeuw moeilijkheden ondervonden met Andronicus’ moeilijke,
archaïsche taal.
Zijn Odysia was echter niet enkel als schooltekst bedoeld; hij zag het vertalen ook als een artistiek
proces. Een handeling waarbij je naast de originele tekst blijft, maar ook toch een nieuwe creatie
schept, waarbij je enerzijds de artistieke kwaliteiten van het origineel behoudt, maar anderzijds ook
nieuwe expressies tevoorschijn tovert.
Livius moet tegen een enorm aantal problemen gebotst zijn, maar de oplossingen die hij vond,
hadden heel veel invloed op de vordering van de Latijnse literatuur. Bepaalde vormen die hij
hanteert zijn echter heel archaïsch, niet alleen in de tijd van Horatius, maar ook al in de tijd van
Andronicus. Dit zal als gevolg hebben dat er een breuk wordt gevormd tussen de literaire en
gesproken taal van de Romeinen.
Vertalen is niet zo gemakkelijk. Het betekent zowel het behouden van wat kan worden gelijkgesteld
als het wijzigen van wat onvertaalbaar blijkt te zijn, hetzij omdat het taalkundig medium begrensd is
hetzij als gevolg van verschillen in cultuur en geest. Bijvoorbeeld: Homeros zegt dat een held ‘gelijk is
aan de goden’, maar zoiets kan niet volgens het Romeinse denken. Bijgevolg verandert Andronicus
dit door ‘grootste van de eerste rang’. Soms verandert A. de woorden van Homeros uit artistieke
overweging. Hierbij moet vermeld worden dat hij dan ook een tijdgenoot was van de Alexandrijnen.
Vroege Romeinse poëzie wordt gekarakteriseerd door het veelvuldig gebruik van pathos, expressieve
krachten en dramatische sfeer.
Op theatervlak volgde hij ook de Griekse modellen (vooral de Attische teksten uit de 5de eeuw van
Sophocles en Euripides), maar op een veel vrijere manier; hij vertaalde ze niet letterlijk, maar paste
ze wat aan.


Latijnse letterkunde

The Origins.

De precieze geboortedatum van de Latijnse literatuur is: 240 v.C. en begint met een theaterstuk van
Livius Andronicus, meer bepaald een tragedie. Deze werken van L. Andronicus waren vertalingen van
eerder gemaakte Griekse tragedies uit de Klassieke en Hellenistische periode.

THE CHRONOLOGY AND SPREAD OF WRITING

Al in de 7de eeuw v.C. vinden we bij de Latijnsprekende inwoners in Latium, Latijnse tekstjes terug
die een zeer eenvoudige boodschap inhouden zoals een religieus verbod of een inscriptie op een
grafzerk,... maw de inhoud heeft iets te maken met het dagdagelijkse leven.
We hebben alleen overblijfselen van inscripties en graffiti.
Wat er van overblijft, wijst ons op de aanwezigheid van een grote variatie aan mensen en talen. Het
Latijnse alfabet is namelijk afgeleid van het Griekse alfabet, en tevens beïnvloed door het Etruskisch.
Bovenvermelde inscripties kwamen bij alle lagen van de bevolking voor, dit in tegenstelling tot het
echte schrijverswerk wat enkel verspreid was in de hogere klassen van de maatschappij, bij de
priesters en bij de mensen met een belangrijke politieke functie. Het circuleren van boeken was
namelijk niet zo evident in die tijd.
Het oudste boek –waar wij weet van hebben- zijn de bekende Sibillijnse boeken. Hierin vinden we
religieuze teksten geschreven in het Grieks.
Voorts kennen we ook de Commentarii, waarin we de (persoonlijke) activiteiten van een groot aantal
burgers in terug vinden. Burgers die te maken hadden met burgerlijke, priesterlijke of militaire
activiteiten. Iets wat begon tegen het midden van de Romeinse Republiek.
Tegen het einde van de 3de eeuw wordt een groep scribae –schrijvers- erkend door de staat, maar
het blijven handarbeiders met een niet zo hoge sociale positie.
NONLITERARY FORMS OF COMMUNICATION

Het gebruik van het Latijns, als de officiële taal bij het Romeinse volk, gebruikt in wetten, verdragen,
religieuze formules, publieke inscripties en retorica, waren een grote impuls voor het ontwikkelen
van het literaire Latijn, en mag men dus niet onderschatten.
De latere literaire teksten zijn dus gebaseerd enerzijds op Italiaans-Romeinse, anderzijds op Griekse
invloed. Enerzijds op de stijve formules van de wettelijke en religieuze teksten, anderzijds op de
plooibare vormen van de taal van Homeros, Menander en Kallimachos.
Griekse invloed vind je dus terug in vele aspecten van het Romeinse leven, zelfs het Saturijnse vers –
de oudste Romeinse vers-, kan beïnvloed zijn door contacten met de Griekse wereld.

Laws and Treaties

Zoals hierboven al vermeld, vinden we de oudste Latijnse schrijfsels terug in de zakelijke wereld,
namelijk in verdragen, wetten,...
Van de verdragen –foedera- uit de Archaïsche tijd, vinden we slechts 1 –indirecte- aanwijzing terug.
De wetten hadden zowel een historisch, sociaal als cultureel belang. Om te beginnen hebben we de
leges regiae die we situeren in de monarchie. Ze hebben een sacrale benadering.
Vervolgens hebben we de twaalftafelen wetten, zo genoemd omdat ze gegraveerd waren op 12
bronzen tafelen, opgesteld op het Forum Romanum. Geschreven tussen 451-450 in een archaïsche
taal. We vinden er stijlfiguren in terug. Ze waren geschreven opdat het lagere, zwakkere deel van het
volk hiervan gebruik zou kunnen maken en bijgevolg zich zou kunnen weren tegen de misbruikende
macht van de grote, rijke families.

The Fasti and the Annales

Het gebruik van het Latijn vinden we ook terug in de kalender. De dagen waren onderverdeeld in
fasti en nefasti, naargelang openbare zaken toegelaten of verboden waren. De hogepriesters waren
hiervoor verantwoordelijk.
De opperste hogepriester plaatse jaarlijks en publiekelijk een ‘witte schrijftafel’ of tabula dealbata
waarop de publieke evenementen, zoals verdragen, oorlogsverklaringen, wonderen of natuurrampen
stonden. Al deze schrijftafels jaar na jaar, kregen de naam annales en werden een soort geheugen
van de Romeinse staat. In de tijd van Gracchus, verzamelde hogepriester P.M. Scaevola op
boekenrollen, de annales van de laatste 280 jaar; deze collectie werd de Annales Maximi genoemd.
De jaarlijkse annales hadden een enorme invloed op de structuur van de Latijnse geschiedschrijving.
Zo ontwikkelde zich een Romeins gekarakteriseerde geschiedschrijving, zonder invloed van de
Grieken. Sporen hiervan vinden we terug bij Livy en Tacitus.

The Commentarii

Naast de annalentraditie vinden we tevens de comantariitraditie, welke meer persoonlijk zaken
inhoudt, en niet noodzakelijk publieke schrijfsels. Letterlijk betekent de term: ‘notities’,
‘herinneringen’ of ‘observaties’ van een welbepaalde persoon. Later zal de term gebruikt worden
bijvoorbeeld voor de boeken van J. Caesar waarin hij de oorlog tegen de Galliërs en Pompeius
neerschrijft. Ook Cornelius Sulla schreef zijn ‘memoires’ in 22 boeken, welke de titel ‘Commentarii
Rerum Gestarum’ zou gedragen hebben.
De commentarii stellen zichzelf voor niet als professionele werken, maar wel als verstrekkende
inlichtingen en persoonlijke inlichtingen. Ze zijn dan ook ontstaan als een gebruik van de
republikeinse magistraten, waarbij een belangrijke magistraat –bv een consul- als in een soort
dagboek zijn belangrijkste ondernemingen en activiteiten van zijn mandaat moest bijhouden. Later
moesten de hogepriesters dit doen in de libri pontificium.
The Dawn of Oratory: Appius Claudius Caecus

Voordat de Romeinse cultuur helemaal gehelleniseerd was -zo tussen de oorlog tegen Tarentum
(280-272 v.C.) en de inval van de Grieken- was het ‘goed kunnen spreken’ belangrijker dan het
schrijven. Terwijl dichters gedurende lange tijd, tot Accius en Lucilius, vrijgelatenen of niet-Romeinse
Italianen waren van lage klasse, was welsprekendheid vanaf het begin het domein van de edele
burgers. Het schrijven werd gezien als een vrije tijdsbezigheid, maar de welsprekendheid als een
cruciaal onderdeel van de levensactiviteiten.
De eerste naam die we tegenkomen in de geschiedenis van de welsprekendheid is Appius Claudius
Caecus.
(interessante link, waar eigenlijk alles instaat, wat in het boek staat, maar dan in het Nederlands:
http://nl.wikipedia.org/wiki/Appius_Claudius_Caecus )
Caecus was consul in 307 en 296, censor in 312 en dictator. Hij was bekend voor zijn oratorische
kwaliteiten. Verder is ook het fenomeen van rotacisme aan hem toegewezen, en bovendien ook nog
een collectie van maximes.

PRELITERARY FORMS: THE CARMINA

In alle literaire vormen die hierboven werden besproken, vinden we vele stijlfiguren terug zoals
alliteraties, rijm, parallellisme, chiasme, enz... Waarschijnlijk meer dan in de spontane, gesproken
taal te vinden was. Deze stijlfiguren moesten fungeren als mnemotechnisch hulpmiddel.
Dan snap ik de bovenste helft van pagina 20 niet... ik geloof dat het erop neerkomt dat het woord
‘carmen’ heel veel soorten literatuur omschrijft, en dat de betekenis van de term zelf ook omstreden
is, en dat je voor verdere afbakening best naar de vorm van de literatuur kijkt... maar dat weetk niet
zeker... best ware moest iemand dit nog eens nalezen...

De grens tussen poëzie en proza was in de Oud-Romeinse wereld minder duidelijk als bij ons, nu.
Proza toen werd gekenmerkt door een sterke ritmische structuur, archaïsche poëzie door een
metrische structuur.
Onder alle verzen, is de Saturijnse de meest onvoorspelbare.
Hoewel Griekse invloeden steeds groter en sterker worden, verdwijnt de traditie van de carmen
nooit helemaal. Het staat tegenover de toevallige, informele stijl van een gesprek; het
vertegenwoordigt een stilistische houding onbekend aan het literaire Grieks maar ingeworteld in de
expressiviteit van de Romeinen.

Sacral Poetry

Oudste vormen van de carmina zijn –met uitzondering van de grafinscripties- van religieuze en
rituele aard. Rituelen zijn immers van nature conservatief en onschendbaar en de Romeinen staan
bekend voor hun conservatisme. Er zijn twee belangrijke rituelen, namelijk de Carmen Arvale, en de
Carmen Saliare.
De Carmen Saliare was de zang van een groep eerbiedwaardige priesters: de Salii. Een benaming die
iets met het woord salio ‘sprong’ te maken zou hebben. De groep bestond uit 12 priesters van Mars,
die elk jaar in Maart 12 heilige schilden –de ancilia- in de optocht droegen. Een van die 12 schilden
was het beroemde schild dat ooit uit de hemel was gevallen als een belofte van goddelijke
bescherming voor Rome. De Salii zouden meerdere zangen gehad hebben. Ze zongen ze gedurende
een soort ritueel dansje, waarbij ze drie keer ritmisch op de grond sloegen met hun voeten –
tripudium- en begeleidden dit alles met percussie, terwijl ze met lansen op de schilden sloegen.
De taal van de Salii was onbegrijpelijk Romeinen, en ook voor ons zijn ze duister.
De Carmen Arvale of Carmen Fratrum Arvalium is minder duister voor ons. Volgens de legende
zongen de fratres Arvales, een groep van 12 priesters- in mei een hymne voor de reiniging van de
velden –arva-; ze smeekten de bescherming van Mars en van de Lares, voorvaderen die als gunstige
geesten van de doden worden beschouwd. We hebben een vrij betrouwbare versie van de tekst,
maar de interpretatie is moeilijk. De tripudium werd ook hier toegepast, wat duidelijk te zien is aan
de driedubbele herhaling van de verzen telkens. In religieuze folklore en in magie wordt vaak
gebruikt gemaakt van driedubbele herhaling, omdat zoiets doeltreffendheid zou waarborgen.
Ondanks het archaïsch taalgebruik, moet de zang het werk zijn van een echte artist die niet
onaangeroerd is gebleven door de Griekse literatuur en cultuur.
Sommige kenmerken van deze beide zangen, zoals expressie, herhaling, sommige rhetorische
figuren, zullen invloed gehad hebben op nietreligieuse Latijnse literatuur.

Popular Poetry

Het Fescennische vers werd gebruikt bij geïmproviseerde poëzie met een spottend en komisch
karakter. Wat betreft de etymologie, komt de benaming of van Fenscennia, een kleine stad in het
zuiden van Etruria, of van fascinum, wat zoveel betekent als ‘het boze oog’ en ook ‘penis’. Dus ofwel
komt het van Etruskische invloed, ofwel moest het het boze oog op afstand houden.
De oorsprong van deze verzen kwamen ligt bij de rustic festivals (wat is dit int nederlands?), ze
werden voorgedragen bij sociale gelegenheden zoals bij een trouw, een openbare belastering...
Vervolgens hebben we de carmina triumphalia: bij een overwinning improviseerden de soldaten
liedjes waarin zowel eer voor de overwinnaar als spot in voorkwamen. Misschien hadden deze
carmina ook een beschermende functie door dat het succes werd gematigd door het gelach om zo de
gevolgen van heiligschennende arrogantie te weerstaan.
Deze komische verzen zullen zeker en vast invloed gehad hebben op literaire werken zoals die van
Plautus, maar er is geen bewijs dat uit het Fescennische vers de comedie is ontstaan. Eerder wordt
aangenomen dat de komedie is ontstaan, na contacten met het Griekse theater.
De Italiaanse populaire komedie stamt dan weer af van de Attelaneae.

Heroic Poetry

Net zoals de Mediterraanse culturen, zal Rome ook een feestelijke poëzie hebben gekend. Verzen
gemaakt voor heroïsche daden, mondeling voorgedragen op privé bijeenkomsten, zoals feestjes en
banquettes. Deze heroïsche zangen, of ballades hadden waarschijnlijk invloed op de ontwikkeling van
inheemse Latijnse epiek. Maar vooral de Griekse epiek zal de Romeinen beïnvloeden.
Van dergelijke carmina convivalia hebben we helaas geen overblijfselen, alleen verwijzingen naar het
bestaan ervan bij bv Cato. De reden daarvoor is dat door de Hellenisering in de 3de eeuw, de tradities
van de Romeinen in de kringen van de Aristocraten vervangen werden door de Griekse tradities. En
daar de carmina convivalia vooral bij de grote families werden voorgedragen, verdween die dus.
Al moet daarbij vermeld worden dat Plautus al in het begin van de 2de eeuw succes werft met zijn
palliata, gebaseerd op de Attische komedie, terwijl de Hellenisering toen nog niet zoveel invloed had.
Onder deze carminae, zijn de Carmen Nelei en de Carmen Priami vermeldenswaardig.

The Problem of the Saturnian

De eerste twee Romeinse epische liederen, Livius Andronicus’ vertaling van de Odyssee en Naevius’
Bellum Poenicum zijn in Saturijnse verzen geschreven. Wat tevens ook in die verzen is geschreven en
misschien zelfs ouder is, is de graftekst gevonden op de graftomben van 2 illustere personen van de
familie van de Scipios.
De etymologie doet ons vermoeden dat het met iets inheems, puur Italiaans te maken heeft, de god
Saturnus bijvoorbeeld, maar alle gevallen die we gevonden hebben, stammen af uit een periode die
al doordrenkt was met Griekse invloeden, dus we kunnen het nooit zeker weten... Zelfs in de Carmen
Arvale vind je Griekse invloeden, en ook Andronicus en Naevius schrijven niet enkel in Saturijnse
verzen, in hun werken vind je ook principes van de Griekse dramatische poëzie terug.
Ook het metrum bezorgt ons problemen: we vinden geen Grieks vers dat aan de oorsprong ervan zou
kunnen liggen. Sommigen twijfelen zelfs of de principes van de Saturijnse structuur hetzelfde zijn als
die van de klassieke Latijnse en Griekse; namelijk of ze zijn gebaseerd of de afwisseling in lengte.
Hoe dan ook: het Saturijnse vers kan niet afhankelijk van de Grieks-Latijnse wereld beschouwd
worden. Sommigen beweren dat je in het vers aanpassingen van bepaalde cola van Griekse poëzie
vindt, of dat het aantal lettergrepen of de groepering van de woorden een rol spelen.
Uiteraard heeft de onregelmatigheid van het vers er voor gezorgd dat het rap verdween.
Voorts bestaan er toch andere metrische vormen die, ook al stammen ze af van een Grieks model,
genieten van een autonome en niet literaire vitaliteit. Bijvoorbeeld de versus quadratus, een
trocheïsche heptameter die werd gehanteerd in de Klassieke periode voor populaire, anonieme
gebruiken zoals voor raadsels, kinderdeuntjes, satire,…
Al bij al kunnen we dus stellen dat de Romeinse poëzie gebaseerd is op zowel een zuiver Hellenistisch
metrum, als een onzuiver aangepaste vorm. Het is een typisch kenmerk van de vroege Romeinse
poëzie, dat ze bestaat uit een mengeling van beiden. Naar het einde toe zal de zuivere vorm het van
het onzuivere winnen, en al in de 1ste eeuw v.C. hebben de Romeinen er moeite mee om de structuur
van Plautus uit te pluizen.



Leven Naevius

    -   3e E v.C.
    -   Waarschijnlijk plebejer (!)
    -   Vocht mee in 1e Punische Oorlog (264-241vC)
    -   Had geen patronus en mss gestorven als banneling (vaag!)

Werken van Naevius

    -   Schreef komedies (28 titels, 80 fragm) en tragedies (7 titels, 50 fragm) en 2 fragm van
        praetextae
    -   Hoofdwerk Bellum Poenicum (gedicht in Saturnijnse vv, van Aeneas tot 1e Pun Oorl)
    -   Was de eerste echte Romeinse schrijver van Romeinse afkomst (<-> Ennius was Griek)

Stijl

    -   Alliteratie, assonanties,... (eigen aan alle arch poëzie)
    -   Saturnijnse vv, maar hier verder uitgewerkt.
    -   Schrijft heel historisch, narratief (dus meer prozaïsch), gebruikt technischere termen,
        etymologie,... en blijkbaar is het een experimenteel werk
Tekst a



A carmen Saliare, carmen Aurale Livius Andronicus en Naevius

Carmen Saliare

Livius

R        Latijn                               Nederlands
1        Salii                                Priesters voor Mars
1        Pictus                               Bondgekleurd
1        Gradivus                             Bijnaam van Mars
1        Insigne                              Herkenningsteken, ereteken, onderscheidingsteken
2        Aeneus                               Koperen, bronzen, metalen
2        Tegumen (= tegimen)                  Bedekking, bekleding
2        Ancilia                              Langwerpig schild
3        Solemnis                             Plechtig, feestelijk
3        Tripudium                            Overwinningsdans, wapendans met 3 passen van de
                                              Salii
3    Saltatus                                 dans
Numa verzamelde zelfs 12 Salii voor Mars en hij gaf een ereteken van bondgekleurde tunica’s en
boven de tunica een metalen bedekking voor de borst en hemelse wapens, die ancilia genoemd
worden, en hij beval te dragen en te gaan doorheen de stad, terwijl ze liederen zongen met
wapensdansen en een feestelijke dans.


Quintilianus

De liederen van de Salii zijn nauwelijks genoeg te begrijpen door hun priesters.

Varro en Terentius Scaurus

     Geschreven in het saturnijns vers
     Ϯ wil zeggen: corrupt woord, staat op een rare plaats

R        Latijn                                 Nederlands
1        Supplicitas                            Vergiffenis
2        Cuma                                   ?
2        Tonare                                 Donderen
3        Patulus                                Openstaand, voor iedereen toegankelijk
3        Coemere                                opkopen


Goddelijk, door een gekocht lied, goddelijk, door de goddelijke (vergiffenis).

Jij dondert, Leucesius, ???

???. Maar al het openbare is opgekocht.???

Carmen fratrum Arualium
R     Latijn                                     Nederlands
1     Lases                                      Archaïsch voor Lares, de huisgoden
1     Enos                                       = nos
4     Lua                                        Oudromeinse godin van de verzoening
7     Satur                                      Vol, verzadigd
7     Limen                                      Drempel
7     Salire                                     Springen
8     Fu                                         Bah!


(Zie vertaling Literatuur van de Oudheid p. 8)

Help ons, huisgoden.
Help ons, huisgoden.
Help ons, huisgoden.

Mars, laat noch dood noch verderf lopen in de menigte.
Mars laat noch dood noch verderf lopen in de menigte.
Mars laat noch dood noch verderf lopen in de menigte.

Wees tevreden, wilde Mars, blijf op de drempel, sta, wreedaard.
Wees tevreden, wilde Mars, blijf op de drempel, sta, wreedaard.
Wees tevreden, wilde Mars, blijf op de drempel, sta, wreedaard.

Hij mag een voor een alle Semonen aanroepen.
Hij mag een voor een alle Semonen aanroepen.
Hij mag een voor een alle Semonen aanroepen.

Help ons, Mars.
Help ons, Mars.
Help ons, Mars.

Hoezee, hoezee, hoezee, hoezee, hoezee

Livius Andronicus, Odusia

R     Latijn                                     Nederlands
1     Camena                                     Bronnimf, muze
1     Insecere                                   Aankondigen
11    Partim                                     Een deel
15    Donicum                                    = donec, zolang als
18    Macerare                                   Kwellen, week maken, zacht maken
18    Topper                                     Meteen, onmiddellijk, misschien
18    Confingere                                 Breken, teniet doen, verkwisten
18    Inportunus                                 Ongunstig, ongelegen, grof
20    Nectere                                    Binden, aanknopen, omwinden
20    Nodus                                      Knoop
30    Pavor                                      Angst, vrees
30    Vlixi                                      = Ulixi! Odysseus
Muze, kondig aan mij een man aan, verwikkeld                          (zelfde begin als de Odyssee)

Wat van het woord vluchtte mijn dochter uit jouw mond verder ?

Ze dwalen voor een deel, ze konden niet terugkeren naar Griekenland.

Terwijl ze haar knieën omhelsde, vroeg hij een jonge vrouw.

Daar moest hij wonen, terwijl hij bleef zolang als je mij zal zien,
rijdend met een koets om naar huis te komen.

Want niets menselijks kwelt slechter dan de woeste zee:
hij heeft grote krachten, misschien breken ze de ongunstige golven.

Met een twijfelachtige golf van knopen knopen velen tussen zich aan.

Dus tenslotte breekt het hart van Odysseus door de vrees.

Gnaeus Naevius, Bellum Poenicum

R     Latijn                                      Nederlands
5     Operire                                     Bedekken
15    Optumus                                     = optimus, de beste
16    Quianam                                     Waarom toch wel?
20    Percontari                                  Ondervragen
24    Pollere                                     Sterk zijn, veel kunnen
24    Inclutus                                    Bekend, beroemd
24    Arquitenens                                 Boog dragend, epitheton voor Apollo of Diana, subst:
                                                  boogschutter
24    Prognatus                                   Geboren, ontsproten, afstammend
37    Melita                                      Malta
37    Populari                                    Verwoesten, leegplunderen
37    Vastare                                     Ontruimen, ontvolken, verwoesten, plunderen,
                                                  vernietigen
37    Concinnare                                  Voorbereiden, klaarmaken
38    Exta                                        Ingewanden op grond waarvan voorspellingen
                                                  werden gedaan
38    Ministrator                                 Bediende
41    Vicissatim                                  Op mijn beurt


9 dochters van Jupiter zijnde in harmonie.

Manius Valerius leidde als consul een deel van het leger in de expeditie.

De echtgenotes van beiden gingen weg in een nacht weg van Troje met bedekte hoofden, terwijl ze
beiden weenden, weggaand met veel tranen.

Zijn vader riep de beste en meest verhevene: Hoge god, heerser, waarom toch wel haat jij mijn
afkomst?
Hij ondervroeg op vleiende en geleerde toon Aeneas met welk pact hij de stad Troje verlaten had.

Vervolgens is Pythius Apollo sterk met bogen als beroemde boogschutter heilig geboren uit Jupiter.

De Romein stak Malta over een onaangeraakt eiland, hij verbrandde, verwoestte en plunderde leeg,
hij bereidde de zaak van de vijanden voor.

Tegelijk wierpen de bedienden de wrede ingewanden vooruit.

De praetor kwam aan (bij) een man, hij voorspelde devoorspoedige voorspelling.

Ik wil op mijn beurt de overwinning.
  2. Quintus Ennius


Levensverloop

   Geboren in 239 v.C. in Rudiae (Calabria)
   “ Vader van de Latijnse poëzie” genoemd
   Italo-Griek: semigraecus
   Trilinguaal: Latijn, Grieks en Oscaans
   Arriveerde in Rome op volwassen leeftijd 204 v.C. (2e Punische oorlog was bezig)
   Waarschijnlijk door Cato meegebracht naar Rome uit Sardinië (was quaestor in Sicilië)
   Actief als leraar
   Werd toneelschrijver 190 v.C.
   Allusies naar de toneelwerken van Ennius bij Plautus
   Als soort opvolger voor de tragedies op Naevius en Andronicus
   189-187 v.C. ging mee met M. Fulvius Nobilior naar Griekenland en moest er schrijven over
    de militaire gebeurtenissen + overwinning in de veldslag van Ambracia ( schreef praetexta)
   Werd gesteund door de Scipiones
   Stierf in 169 v.C., had geen vrouw of kinderen

Werken

  -   Indirect overgeleverde fragmenten
  -   Begon vroeg te schrijven en schreef toneelwerken ( laatste was Thyestes)
  -   Wat blijft over: 200 fragmenten, 400 verzen: tragedies, komedies, Annales
  -   Annales:
          o Hexameters
          o Verhaal van Rome in 18 boeken, 437 fragmenten, 600 verzen ongeveer

Annales

  -   Meest beroemde Romeinse epos tot Augustus
  -   Feestelijke functie van de werken van Ennius: werd voor de juiste aangelegenheid
      geschreven
           o Scipiones
           o 2 epigrammen voor Scipio Africanus
  -   Hij zag het schrijven van de Annales als het feesten van de heroïsche daden en dus zag hij
      zichzelf als een navolger van Homerus.
  -   Structuur van Annales zoals Bellum Poenicum van Naevius
  -   Indeling van de boeken
           o Eerste 3 boeken: voorwoord + aankomst van Aeneas in Italië, het vinden van Rome,
               stichting door Romulus en Remus, koningstijd
           o Boek 4-6: oorlogen binnen Italië + grote oorlog tegen Pyrrhus
           o Boek 7-10: Punische oorlogen
           o Boek 10-12: veldtochten in Griekenland na de overwinning op Hannibal
           o Boek 13-16: oorlogen in Syrië en de overwinning van Fulvius Nobilior
           o Boek 16-18: meest recente militaire veldtochten
-   Titel verwijst naar “Annales Maximi”, het is ook in chronologische volgorde geschreven,
    ‘from the Origines to our days’
-   Niet alle periodes evenveel beschreven, niet alles even ritmisch, niet alles even
    geconcentreerd
-   Gaat dus selectiever te werk dan een historieschrijver
-   Ennius kende het werk van Fabius Pictor
-   Hij wenst dus eveneens Homerus te evenaren, maar eveneens hellenistische invloeden
-   De laatste 3 boeken zijn er ongepland aan toegevoegd => waren niet gepland
-   Er zijn twee voorwoorden: in boek 1 en boek 7 (zogezegd het geplande midden)
         o Hierin onthult hij zijn motivatie om te schrijven en zijn inspiratie
         o In het eerste voorwoord: hij vertelt over een droom van hem, vergelijk met Hesiodos
             “Theogonie” en Callimachus’ “Aitia”. Het gaat over een ontmoeting met de muzen,
             ze verschenen in de schaduw van Homerus: Homerus zou reïncarneren in Ennius.
         o In het tweede voorwoord komt een soort verheerlijking van de muzen. Ennius wordt
             voorgesteld als de eerste dichter ‘dicti studiosus’, eerst dichter-fililoog
-   Latijnse hexameter
Tekst B

Muzen die met jullie voeten de grote Olympus raken (…)

Cicero: Toen Ennius had gedroomd, zei hij het volgende:

        Dat de dichter Homerus verscheen (…)

Varro: deze twee, hemel en aarde, corresponderen met ziel en lichaam. De natte en koude aarde..

        Het versierde geslacht van veren is gewoon te verschijnen in eieren, niet de ziel

Zo zei Ennius:

        En daarna komt daarvandaan de ziel zelf door goddelijke beschikking in de kuikens

Ofwel zoals Zenon van Cition (zegt), dat het zaad van dieren vuur is en dat is hun ziel en verstand



Varro: dus rechtuit; wat Ennius zei, (is:)

        En de aarde die zelf het lichaam gaf, neemt het lichaam terug en ze breidt er geen zier aan

Donatus: ik herinner mij het zien, en niet ‘het gezien hebben’ Ennius:

        Ik herinner mij dat ik een pauw werd

Tertullianus: in Ennius droom herinnert Homerus zich dat hij een pauw werd

Scholiast: Persius grenst aan Ennius die zei dat hij in een droom Homerus in Parnasus had gezien, die
aan hem zei dat zijn ziel (van Homerus) in dat van Ennius was.

Scholiast: Dit zei Ennius in het begin van zijn Annalen: waar hij zei dat hij in een droom Homerus had
gezien die hem zei dat hij ooit een pauw was en dat hij daaruit was verplaatst in hem (Ennius) als de
tweede definitie van de filosoof Pythagoras.

Toen, met een grote zorg, de zorgenden, de genen die verlangden naar de koningstroon, maken er
werk van om tegelijk de voortekens van de vlucht van de vogels te bestuderen en de interpretatie
ervan. …… op de heuvel…….. Remus gaf zich over aan de vogelvlucht en hij let alleen op de gunstige
vogel. Maar de mooie Romulus zoekt op de hoge Aventijn, en hij let op voor de hoogvliegende soort.
Ze wedijverden (duur) of ze de stad Roma of Remora zouden noemen. Er was zorg bij alle mannen
wie van hen de heerser zou worden. Ze wachten af op de consul die wil het teken geven, allen kijken
verlangend naar de grenzen van de gevangenis hoe snel hij de strijdwagens zal zenden uit de
geschilderde bekkens: zo verwachtte het volk het en het volk hield hun monden, aan welk van beiden
het overwinning van het grote koninkrijk moet gegeven worden door deze zaken. Ondertussen trok
de witte zon zich terug in de diepten van de nacht. Vervolgens gaf een licht, dat naar buiten schoot,
zich duidelijk in stralen en tegelijkertijd vloog een zeer mooie gunstige vogel uit de hoogte van ver,
uit de linkerkant en tegelijk kwam de gouden zon op. Driemaal weken vier heilige lichamen van
vogels uit de hemel, en ze gaven zichzelf aan de gunstig gelegen plaatsen en aan de mooie plaatsen.
Daarvandaan zag Romulus dat voor hem in het bijzonder de koninklijke zetel en de streek waren
door het voorteken.

Ah Titus Tatius, jij tiran, dat is je tol! (zoveel dingen aan jou); je hebt zovele dingen voor jou
genomen.
En de trompet schalde in verschrikkelijke toon: taratantara!

En een halsstarrige adelaar met dichtopeengehoopte veren vloog in de wind die het geslacht van de
Grieken in hun taal ‘AER’ noemen.

Ze gingen in de hoge bossen, ze hieven de bijlen. Ze velden grote eiken, de steeneik werd gekapt, de
speer van essenhout werd in stukken gebroken en de hoge den werd omver gegooid, ze vernietigden
de hoge pijnbomen; de boomaanplant weerklonk in een heel dof gedruis van de bladerrijke bossen.

Hij zei dat hij iemand riep met wie hij de tafel deelde en zijn gesprekken en het plan van zijn zaken,
en dat toen hij een groot deel van de dag had geleefd, vermoeid over de grootste koninkrijkszaken
(sprak hij) aan de raadsman op de brede markt en aan de heilige senaat: aan hem (quoi=cui) zei hij
trots de grote en kleine zaken en een grap en hij stootte alle slechte en goede dingen uit. Als die zou
willen, en hij zou veilig bewaren, met die persoon (zijn) veel plezieren aangenaam en verborgen en
openbaar. Met geen enkele opvatting overhaalde hij de slechte neiging dat zijn daad zou licht maken
of slecht. Een geleerde, een betrouwbaar en innemende mens is aangenaam, tevreden met het zijne,
gelukkig,schrander, degene die het juiste zegt op het juiste moment, doelmatig, van weinig woorden,
die houdt van de oudheid, die mens maakt dat een vervlogen tijdperk wordt begraven (sepulta
vetastas quae facit) en die man, die vasthoudt aan de oude en nieuwe gewoonten, zich houdend aan
de wetten van ouden en van goden en de mens, die kan het woord (luidop) zeggen of verzwijgen:
midden in de gevechten, hem sprak Seruilius toe zo:…

Quintus, de vader was consul gemaakt voor de vierde keer

1 mens herstelde voor ons de toestand/de staat door te twijfelen

(weetje:

Sua enim vitia inaipientes et
suam culpam in senectutem conferunt, quod non facicbat is
cuius modo mentionem feci Ennius —


de zin van vorig semester uit Latijn  : Cicero, de Senect., 5, 14)


Zoals een moedig paard dat vaak overwon in de laatste ronde in Olympische spelen, versleten door
de ouderdom, neemt hij nu rust

Het bedrijf van de romeinse staat rust op manieren en op mannen uit de oude tijd

En dan als een paard, volgemest vanuit de stallen, dat zijn banden verbreekt met zijn grote
levensadem en daarvandaan zichzelf wegdraagt naar de groene en vrolijke weiden van de open
ruimte, met opgeheven borst; hij schudt vaak hevig de manen tegelijk hoog; zijn geest brengt witte
schuimen uit zijn hete ziel.
LATIJNSE LETTERKUNDE LES 2


        1. Lucretius – De rerum natura


Latijnse letterkunde: samenvatting Conte

Het einde
De rerum natura: niet volledig afgewerkt door Lucretius zelf. Dat is merkbaar door de herhaling van
bepaalde verzen en inconsistenties in de tekst. Einde van het werk: beschrijving van de pest in
Athene
        - Sommigen: niet bedoeld: hij kondigt aan dat hij een abode (wat is dat??) voor de goden
             zal brengen, maar niet gebeurd => hij wilde eindigen met een kalme noot, parallel met
             begin (=hymne voor Venus) maar niet gelukt.
        - Anderen: pest = bedoeld als einde: contrast met begin: leven en dood vormen een
             eeuwig contrast dat niet te verzoenen valt.
Didactische poëzie
Vroegere Romeinse didactische poëzie: niet in hexameters: Ennius en Accius: in septenarii.
Hellenistische didactische poëzie: in hexameters, in navolging van Hesiodos, Empedokles en
Parmenides.
Hellenistische werken: vertaald in Rome, ook didactische poëzie geschreven in Rome,
Empedocles en Lucretius
Dus: geen voorbeelden binnen de Romeinse literatuur van ambitieuze didactische poëzie. Toch
verschilt Lucretius van de hellenistische didactische poëzie:
        - Hij beschrijft en verklaart elk aspect van het leven en de wereld
        - Hij overtuigt zijn lezer van de waarde van het epicurisme via logische argumenten en
             bewijzen
              hellenistische traditie: technische onderwerpen, maar bijna geïdealiseerd. Geen
             filosofische implicaties.

organisatie en bepaalde vormeigenschappen. Lucretius breng hommage aan Empedokles, ook al zijn
zijn opvattingen niet dezelfde als die van Epicurus.
Relatie met bestemmeling
Lucretius spoort zijn lezer aan om zijn instructies te volgen: onderzoekt oorzaken van fenomenen en
biedt zijn lezer een waarheid, een rationeel systeem hellenistische traditie: enkel bescrijven van
fenomenen.
Hellenistische leerdichten: zegt dat de beschreven objecten prachtig, bewonderenswaardig zijn 
Lucretius: er is niets verwonderlijks aan: “necesse est”: een bepaald fenomeen is noodzakelijk
verbonden met een bepaald object, en wie dit begrijpt, kan niet verwonderd zijn. De lezer reageert
hierop en wordt zichzelf bewust van zijn eigen intellect.
Sublieme stijl
Dit sublieme wordt een stilistische vorm voor de auteur, waarin een vorm van interpretatie van de
wereld vervat is. De lezer staat voor het grote spektakel van het universum en dit wordt een manier
van kijken naar de dingen. De lezer wordt op die manier een kijker van de fantastische en
ontroerende beschrijving van Lucretius en wordt opgetild tot “megalopsychia”: de lezer krijgt een
morele nood en het werk spoort hem aan tot “greatness of soul”
(dit stuk heb ik redelijk letterlijk vertaald, maar ik begreep eigenlijk niet wat er bedoeld werd.
Iemand???)
Dus: het sublieme is voor de lezer een uitnodiging tot actie: door het sublieme te tonen geeft de
schrijver een aansporing aan de lezer: die moet ook een sterk model voor zijn leven kiezen. Op die
manier wordt het werk een “protreptikos logos”: een instructie die dramatisch advies bevat: je moet
worden zoals het sublieme universum. Ik als schrijver probeer de vreselijke sublimiteit juist weer te
geven met mijn sublieme stijl, jij als lezer moet een sublieme lezer te worden, door kracht te vinden
in jezelf.
Daarom zijn er in het werk veel aansporingen voor de lezer om aandachtig te zijn.
Sublieme lezer
Dus: het genre zelf wordt problematisch: lezer raakt verwikkeld in een strijd met de moeilijke
instructies. Het gedicht wordt bijna een dramatisch spektakel dat door de tekst gebracht wordt:
Lucretius wil via het sublieme zijn lezer bevrijden van de slavernij van het gemakkelijke genot.
Het is dus een nieuwe vorm van didactische poëzie, die een publiek creëert dat zichzelf kan
aanpassen aan de sublieme kracht van een overweldigende ervaring. De leer van de atomen wordt
op zichzelf beschreven, maar kan ook gezien worden in de reacties van zwijmel die het kan
teweegbrengen bij het publiek.
          Didactische poëzie wordt een manier om een morele weg te tonen aan het publiek.
In de traditionele didactische poëzie: relatie leraar-leerling is het kader. De rerum natura: relatie is
het centrum van spanning. De lezer wordt constant aangespoord om niet op te geven. In de vroegere
didactische poëzie was er niet zo’n spanning aanwezig: gewoon “droge” beschrijvingen van
technische onderwerpen.
Retorische procedés in De rerum natura
         - Aanspreking van de lezer
         - Streng uitgewerkte structuur van argumenten
         - Syllogisme wordt gebruikt bij redactio ad absurdum: om tegengestelde theorieën of
             tegenwerpingen te falsifiëren.
         - Analogie: om bepaalde dingen duidelijk te maken die te klein/te ver weg zijn om te zien
Structuur van boek 3
Boek 3 toont hoe goed de argumenten opgebouwd zijn. Het boek is bedoeld om de angst voor de
dood weg te nemen
Structuur:
         - Inleiding: hymne voor Epicurus
         - Centraal deel: - ziel is materieel: ze bestaat uit atomen
                              - als ziel materieel is, is ze ook sterfelijk: Lucretius gebruikt 29 bewijzen om
             te tonen dat het waar is.
Maar: tonen dat de ziel sterfelijk is en dat de mens na de dood geen gevoelens meer heeft, is niet
voldoende om de angst weg te nemen.
          Hij laat natuur zelf spreken: als leven goed was, sterf je zoals gast die voldaan weggaat
             van een feest.
             Als je leven slecht was: waarom wil je dan dat het doorgaat? Alleen een dwaas wil dat:
             het blijft toch altijd hetzelfde.
De rerum natura en de literaire diatribe
(diatribe = filosofische verhandeling, gekenmerkt door een ongedwongen karakter en populaire
gesprekstrant, gepaard gaand met soms drastische humor)
Diatribe: ontwikkeld in Griekenland in de hellenistische periode. Ook vertegenwoordigd door Bioon:
satirisch, met fictieve personages. Voorganger: Plato’s dialogen.



3. The study of nature and serenity of man
De weerlegging van religie
Begin van het gedicht: Lucretius vraagt om zijn doctrine niet te zien als goddeloos, maar vraagt de
lezer om na te denken over de wreedheid van de traditionele religie. Voorbeeld: Agamemnoon die
zijn dochter moest offeren. Volgens Lucretius: religie werpt door angst een schaduw over de
menselijke vreugde. Als mensen zouden weten dat er na de dood niets was, zouden ze niet meer
bang zijn voor de eeuwige straffen waarvan sommigen zeggen dat ze na de dood zouden komen.
Mensen moeten daartoe kennis hebben van de wetten van het universum, omdat die de materiële
en sterfelijke natuur van de wereld, de mens en de ziel zelf tonen.
Revolutionair potentieel van Lucretius’ boodschap
Lucretius beschrijft van in het begin de nood aan wetenschappelijke speculatie. Het werk werd
genegeerd, niet alleen omdat het een moeilijk werk is, maar ook omdat het de culturele –en
daardoor indirect ook de sociale en politieke- fundamenten van het Romeinse rijk in vraag stelt:
religie is een essentieel element voor de samenhang.
De goden in Epicurus en Lucretius
Lucretius blijft grotendeels trouw aan Epicurus’ theorieën over religie. Volgens Lucretius was hij “de
eerste die zijn ogen durfde opheffen tegen religie die bedreigend in de hemel hing” (of zoiets)
Epicurus wordt door Lucretius uitgewerkt als een homerische held. Lucretius wil zijn leerdicht een
episch-heroïsche toon meegeven, Die moet het didactische entousiasme van zijn sublieme gedicht
vergroten. Epicurus wordt vereerd als een god: elk boek (behalve het tweede en het vierde)
beginnen met een verering van Epicurus’ verdiensten. Volgens Epicurus zijn de goden perfecte,
onsterfelijke wezens die in vrede en gelukkig leven in de “intermundia”, een zone tussen de aarde en
de hemel. Ze houden zich niet bezig met de mens of de aarde. Ze kunnen de vroomheid van de
mensen ontvangen en een voorbeeld zijn voor de mensen, maar hij verwerpt de notie dat de mens
onderworpen is aan de goden. Lucretius deelt dit diepe gevoel van religiositeit (betekent hier: de
mogelijkheid om sereen te leven en over elk ding met een verstand, bevrijd van vooroordelen, te
kunnen overdenken.
De historische oorsprong van religie
Lucretius stelt dat religie vanzelf ontstaan is omdat de mens de wetten die het universum regeren
niet begrijpen. De mens interpreteert bepaalde fenomenen (zoals bliksem) als goddelijke straf, die
zowel de schuldige als de onschuldige straft. De epicureïsche fysica moet deze fenomenen verklaren.
Lucretius vindt dat de opvattingen erover bestreden en geëlimineerd moeten worden.
A. Over Lucretius



Leven

     niet zeker wanneer hij geboren of gestorven is, men denkt dat hij geleefd heeft van 98 – 55
     men zou beweren dat hij gek was geweest, maar dit is waarschijnlijk een beeld dat de
      christelijke godsdienst in de 4de eeuw aan hem schonk om hem en de leer buiten spel te
      zetten
    men denkt dat hij uit Campanië kwam, dat was gebaseerd op het feit dat er in de buurt van
      Napels een Epicuristische school was
    werk opgedragen aan Gaius Memmius die de vriend en patroon was van Catullus en Cinna
Werken

     schrijver van het leerdicht “De rerum natura” opgedragen aan de aristocraat Memmius
     dactylische hexameter geschreven
     de tekst is overgeleverd uit 2 manuscripten van de 9de eeuw
     het werkt lijkt onaf
Lucretius en het Romeinse epicurisme

       Ten tijde van Cato was de Romeinse opperklasse niet gediend met invloed uit de Griekse
        wereld zoals het epicurisme
     epicurisme ontkende de tussenkomst van goden in menselijke leven
     in de 1ste eeuw: was epicurisme verspreid onder de hogere niveaus van de Romeinse
        maatschappij; over de lagere klasse weten we weinig
     Lucretius volgde een pad dat enorm verschilde tegenove de andere geschriften over
        epicurisme. Hij koos voor een episch-didactisch gedicht om het zo populair te maken.
        Waarschijnlijk koos hij deze vorm om succes te hebben bij hogere klassen
     hij volgde het model dat Empedocles (een dichter en filosoof uit de 5de eeuw v.Chr.)
        gebruikte om zijn filosofische gedachten te brengen, maar hij was niet voor de mystiek die
        over Empedocles' teksten hingen
     epicuristische filosofie: mens bevrijden van de angst voor de goden en de dood
     atoomleer: dood = uiteenvallen van atomen
     naam De rerum natura is vertaling van titel van belangrijkste werk van Epicurus = Peri
        Physeos (dat verloren is)
Het leerdicht

          de datum van het leerdicht is niet zeker
          het boek kan men opsplitsen in 3 groepen van 2 boeken
                1ste boek: principes van epicurische fysica; dat geboorte en dood een proces is van
                  het bijeenkomen en uiteenvallen van atomen; op einde van boek een kritische kijk
                  op de natuurfilosofen
    




B. Tekst
       getypeerd door neiging naar archaïsering, zodat het epicuristisch gedachtegoed niet als iets
        modernistisch of onderhevig aan modetendensen voor te stellen
       vernieuwing nodig: vertaling Griekse terminologie van Epicurus
       patrii sermonis egestas (= armoede van de vaderlijke taal): voor beginselen/atomen
        verschillende woorden uitgevonden voorbeeld: corpora caeca


ONZICHTBARE DEELTJES



Nu dan, daar ik je heb geleerd dat niets uit niets ontstaan kan en evenmin tot niets wordt
teruggeroepen, moet je toch niet mijn woorden gaan betwijfelen omdat de eerste deeltjes voor het
oog niet zichtbaar zijn: ik noem je andere deeltjes waarvan je het bestaan moet accepteren ook al
worden zijn niet gezien.



1ste ARGUMENT

Ten eerste, woeste windkracht zweept de zee en breekt enorme schepen stuk, jaagt wolken uit
elkaar. Soms strooit hij stormend in een snelle werveling, over de vlakten grote bomen neer en beukt
bergtoppen met zijn bomenvellend blazen, zo giert de wind met hels geraas en dreigt met luid
lawaai. Er zijn dus kennelijk onzichtbare deeltjes wind, die over zee en land en hemelwolken scheren,
in plotselinge draai hen teisteren en sleuren. Zij stormen en vernielen op dezelfde wijze als een rivier,
kalm van nature, die onverwacht buiten zijn oevers stroomt wanneer bij rijke regen een stortvloed
uit de hoge bergen hem doet zwellen. Brokken van bossen sleept hij voorwaarts, hele bomen, en
sterke bruggen zwichten voor het plots geweld van het naderende water: zo stormt de rivier, door
regen opgewoeld, met kracht tegen de pijlers, luid bruisend zaait hij zijn verderf, rolt in golven
enorme rotsen voort en sloopt wat weerstand biedt. Zo moet dus ook de wind zijn striemen
achterlaten waar hij zich neerstort als een krachtige rivierstroom, met vele vlagen dingen voorwaarts
duwt en velt, bij tijden door ontstane draaiingen hen meesleurt en voortsleept in een wervelende
wenteling. Dus ik herhaal: er zijn onzichtbare deeltjes wind, daar hun manier van doen gelijk is aan
de aard van machtige rivieren die duidelijk zichtbaar zijn.



2de ARGUMENT

Voorts nemen wij van dingen diverse geuren waar, maar zien toch nooit hoe zij in onze neus
belanden. Ook warmte zien wij niet, kou kunnen wij evenmin ontwaren met de ogen, geluiden zijn
onzichtbaar. Toch moet dit alles stoffelijk van nature zijn, daar het aan onze zintuigen impulsen geeft.
Alleen wat stoffelijk is, heeft onderling contact.



3de ARGUMENT

 Voorts, kleding hangend op een kust waar golven breken, wordt nat, maar in de zon gespreid wordt
zij weer droog, maar hoe de vochtigheid er in is doorgedrongen en voor de warmte is gevlucht, wordt
niet gezien. Het vocht verspreidt zich dus in hele kleine deeltjes, die onze ogen absoluut niet kunnen
zien.



4de ARGUMENT

Ja, na de vaak herhaalde keerkring van de zon wordt zelfs een ring aan onze vinger dun van het
dragen, de drup van water holt een steen uit, een ijzeren ploegschaar neemt op de akkers ongemerkt
in omvang af. Wij zien stenen plaveisel dat onder mensenvoeten is weggesleten; bronzen beelden bij
de poorten tonen een rechterhand die door de aanraking van wie hen bij het voorbijgaan groeten,
sleetser worden, maar welke deeltjes hen op elk moment verlaten, heeft de natuur afgunstig ons
niet gegund te zien.



5de ARGUMENT

Tot slot, wat iedere dag en de natuur allengs aan dingen toedeelt bij een langzaam groeiproces, kan
door geen ingespannen blik worden gezien, en voorts, bij wat door tijd en magerte veroudert, bij
rotsen boven zee, door zoutvraat aangevreten, kun je niet zien wat zij op elk moment verliezen. Met
ongeziene deeltjes doet de natuur haar werk.



Lucretius handelt in dit stuk over de atomen dat deze materie zijn, ook al kan men ze niet vatten met
het blote oog. Dit stuit echter tegen Epicurus die dacht dat alle kennis afgeleid was van de zintuigen,
dus heeft de leer van Epicurus een bezwaar met deze uitleg.



265. nunc age = een roep voor aandacht – deze wordt enkele malen in het werk herhaald

271. principio = hij begint het eerste van zijn 5 argumenten

277. nimirum = vaak gebruikt door Lucretius, maar niet op de ironische manier = zeker

281. aquae natura = aqua

288. dat = Lucretius durft werkwoord dare betekenis van facere te geven

298. tum porro = het tweede argument

303. sensus impellere = Lucretius lijdt onder de armoedigheid van zijn eigen taal

305. denique = het derde argument

306. eadem = gescandeerd als spondee

311. quin etiam = het vierde argument

322. postremo = het vijfde argument
326. mare = de accusatief achter impendere is archaïsch en zeldzaam




      1. Tekst

Woordenschat

R      Latijn                                  Nederlands
266    Item                                    Net zo, op dezelfde manier
266    Genitas                                 Ppp van gignere verwekken, baren, voortbrengen
267    Coeptare                                Intensief beginnen
267    Diffidere                               Wantrouwen
268    Primordium                              (meestal mv) allereerste begin
268    Cerni                                   < p. inf. Van cernere onderscheiden, zien
271    Verberare                               Slaan, treffen
271    Incitus                                 Snel
272    Nubilum                                 Bewolking, somber weer
273    Percurrere                              Snellen door, lopen door
273    Turben                                  Wervelwind
274    Sternere                                Tegen de grond slaan, neergooien
275    Vexare                                  Heen en weer schudden, hevig bewegen
275    Flabra                                  Mv windvlaag, wind
275    Siluifragis                             Stilbrekend
275    Perfurere                               Voortrazen, stormen
276    Minax                                   Dreigend
276    Murmur                                  Gebulder
277    Nimirum                                 Natuurlijk, ontegensprekelijk
279    Verrere                                 Vegen, doorkruisen, slepen
280    Strages                                 Het neerwerpen, het neerslaan
280    Propagare                               Voorplanten, vermeerderen
281    Repente                                 Plotseling
282    Abundare                                Overstromen, buiten de oevers stromen
283    Decursus                                Het naar beneden stromen
284    Fragmen                                 = fragmentum, brokstuk
284    Conicere                                Bijeenwerpen
286    Turbidus                                Onrustig, stormachtig
287    Amnis                                   Stroom
289    Saxum                                   Rotsblok
290    Flamen                                  Het blazen , het waaien, de wind
291    Procumbere                              Zich vooroverbuigen, vooroverhellen
292    Libet                                   Het belieft, het behaagt
292    Trudere                                 Duwen, drijven
293    Creber                                  Talrijk
293    Vertex                                  Draaikolk
293    Tortus                                  Gedraaid, gewonden, kronkelend
294    Corripere                               Vastgrijpen
296    Quandoquidem                            Aangezien, omdat, nu toch
296    Aemulus                                 Jaloers, vijandig, gelijkwaardig
298   Porro                                     Verder, voortaan
299   Naris                                     Neus
301   Usurpare                                  Waarnemen
305   Fluctifragus                              Golven brekend
305   Suspensus                                 Zwevend, glijdend door
306   Uvescere                                  Vochtig worden
306   Dispandere                                Uitspreiden, uitspannen
306   Serescere                                 Droog worden
307   Persedere                                 Blijven zitten
307   Umor                                      Vochtigheid, vocht
307   Pactum                                    In abl. Enk. Wijze, manier
312   Anulus                                    Ring (schakel van een ketting)
312   Subter                                    Onder, beneden, eronder
313   Stilicidium                               Het druppelen, de drup
313   Cavare                                    Uithollen
313   Uncus                                     Weerhaak
314   Decrescere                                Afnemen, dalen, verdwijnen
314   Ferreus                                   Ijzeren
314   vomer                                     Ploegschaar, ploeg
314   occultus                                  Verborgen
314   arvum                                     Akker, veld
315   Stratus                                   < sternere uitgespreid
315   Volgus                                    =vulgus, gepeupel, kudde, massa
315   Detrita                                   < deterere pass. Verdwijnen vergaan
316   Aenus                                     = aeneus Koperen, metalen
317   Adtenuare                                 Dun maken, verminderen, verzwakken
318   Tactus                                    Aanraking, gevoel, waarneming
318   Meare                                     Voortgaan, wandelen, voortvloeien
319   Minuere                                   Verminderen
320   Invidus                                   <invideo, jaloers zijn op
320   Praecludere                               Afsluiten, versperren
323   Postremo                                  Achterste
323   Moderatim                                 Geleidelijk, stukje bij beetje
325   Macies                                    Magerheid, schraalheid
326   Impendere                                 Besteden, gebruiken
326   Vescere                                   Zich voeden met
326   Salus                                     Zout
326   Peresa                                    <peredere, opeten


Vertaling

Nu vooruit, aangezien ik heb aangeleerd dat de dingen niet kunnen geschapen worden uit het niets
en dat ze op dezelfde manier niet kunnen teruggeroepen worden naar het niets, nadat ze zijn
voortgebracht, opdat jij niet toevallig mijn woorden zou beginnen wantrouwen, omdat het
allereerste begin van de dingen niet kan onderscheiden worden met ogen, aanvaard bovendien dat
het noodzakelijk is dat lichamen op een veilige manier bekend worden in de dingen en niet gezien
kunnen worden. Ten eerste trof de snelle kracht van de wind het lichaam en verwoestte een enorm
schip en dreef de bewolking uiteen, terwijl ze soms snelt met een snelle wervelwind, slaat ze grote
bomen neer over de vlaktes en ze beweegt hevig de hoogste van de bergen met ‘stilbrekende’
windvlagen: zo stormt ze over de toppen met een dof geluid en raast ze over de haven met een
dreigend gebulder. Dus winden zijn natuurlijk onzichtbare lichamen, die de zee, die de aarde, die
tenslotte de bewolking van de hemel doorkruisen en plotseling bewegingen met een wervelwind
grijpen, en ze vloeien niet met een andere rede en ze vermeerderen het neerslaan. En wanneer de
zachte natuur van het water plotseling gedragen wordt door een rivier die uit haar oevers is
getreden, die een grote naar beneden stroming van water vermeerdert met grote regenbuien uit de
hoge bergen, terwijl deze brokstukken van bossen bijeenwerpt en hele boomgaarden en de sterke
bruggen kunnen de plotse kracht van het komende water niet verdragen: zo stormt de rivier,
stormachtig door een grote regenbui met kracht tegen de sterke massa’s. Het geeft het neerslaan
met een groot geluid en het rolt onder de golven grote rotsblokken, het verwoest al wat met de
golven verhindert. Dus zo moeten de winden ook winden dragen, die alsof ze krachtig zijn, wanneer
ze over een rivier hellen, in welk deel het behaagt, duwen ze zaken vooruit en verwoesten ze met
talrijke opwellingen en intussen grijpen ze vast met een kronkelende draaikolk en dragen ze snel met
een draaiende wervelwind. Daarom zijn zelfs en ook die winden onzichtbare lichamen, aangezien ze
gelijkwaardig worden gevonden met hun daden en zeden aan grote stromen, met een open lichaam,
die ze zijn. Dan verder ruiken we verschillende geuren van zaken en toch onderscheiden we nooit de
dingen die naar de neus gekomen zijn. We zien ook geen hete hittes en kunnen geen koudes
onderscheiden met onze ogen, en we wennen ook niet aan het onderscheiden van stemmen. Het is
toch noodzakelijk al die lichamen vast te stellen in de natuur, aangezien de gewaarwordingen kunnen
voortdrijven, aanraken immers en aangeraakt worden, als het lichaam het niet kan, kan geen enkele
zaak het. Tenslotte worden de zwevende kledingstukken vochtig aan de golvenbrekende kust en
worden dezelfde uitgespreide kledingstukken droog in de zon. Maar het is niet gezien op welke
manier de vochtigheid van het water blijft zitten, noch op welke manier het opnieuw vlucht door de
hitte. Dus de vochtigheid wordt uitgespreid in kleine deeltjes, die de ogen met geen enkel verstand
kunnen zien. Ja zelfs wanneer er veel jaren van de zon zijn voorbijgegaan, wordt een ring dun, door
te dragen aan de vinger. Het vallen van druppels holt een steen uit, de ijzeren weerhaak van een
ploeg verdwijnt ongezien in de akkers, en wij zien nu rotsblokken van de wegen, uitgespreid en
vergaan door de voeten van de massa. Dan tonen de koperen tekens bij de deuren dat de rechter
handen dikwijls verminderd worden door de aanraking van hen die langs gaan en groeten. We zien
dat die dingen verminderd worden, wanneer ze zijn. Maar welke lichamen ook op tijd afdalen, de
jaloerse natuur van het zien verspert de vorm. Uiteindelijk verleende welke dag ook geleidelijk door
de natuur van de dingen stukje bij beetje te groeien, terwijl ze samenbracht. Geen gespannen slag
van de ogen kan zien, en verder al wat niet ouder wordt door tijd of door schraalheid. Je kunt de zee
niet zien,die ze gebruiken, nadat het zout zich met rotsblokken voedde, die ze ook op tijd verloren.
Dus de natuur draagt de zaak met onzichtbare lichamen.

Vragen

        Ruere + gen. Anders vind ik geen vertaling (r. 272)
        Sternere + abl? (r. 274)
        Suemus: klopt niet als het van suescere komt: wennen, maar van suere naaien klopt de
         betekenis niet
   2. Samenvatting Conte

Leven

              43 jaar 98 v. chr. – 55 n. chr.
              Gek? Dronken?            Anti-religieus
              Jeronimus
              Depressief          Epicurus
              Afkomst:         Campania?          Rome?        Napels?
              Sociale klasse: welgestelde vrienden o.a. Cicero

Werk
              De Rerum Natura
              Hexameter
              Niet af of nog nagezien worden
              Voor Memmius aristocraat
              Jeronimus :     uitgegeven en nagezien door Cicero
                 e
               2 9 E-manuscripten



Lucretius en Romeins epicurisme
             Anti-Epicurisme: eclecticisme

                         Vernietiging van de morele traditie
                                  Geluk als hoogste goed
                                  Bezigheid van rust opwekken
                                  Goden: officiële religie was wapen van macht

              1ste E:
                             Verspreiding in de hogere kringen van Rome
                             Epicuristische groep in Napels



              Lagere klasse
                            Populaire teksten circuleren in plebs: gemakkelijk te begrijpen
                            Waarschijnlijk in elke sociale klasse + vrouwen

              Episch-didactisch        Epicurus epiek houdt weg van realiteit
                           Wilde hogere klassen bereiken
                           Model Empedocles mystieke filosofie, maar gefascineerd door status
                               van openbaarder van de waarheid


              Cicero
                             Niet zelfde filosofische ideeën
                             Aanval tegen Epicurisme, maar haalt Lucretius niet aan
                                          Direct naar de Griekse bron
                                          Unieke vorm
                                          Wil geen ruimte geven voor zijn publiek dat zij er
                                           zouden in gaan geloven
Het didactisch gedicht
             Titels: vertaling van werk van Epicurus Peri Physeos
             Datum: onzeker                   na 59?
             Samenvatting:
                            Opening: hymne voor Venus
                            Boek 1:
                                            Principes van Epicurus’ theorie
                                            Herziening van leer van andere natuur-filosofen
                                               (Empedocles, Heraclitus, Anaxageras)
                            Boek 2:
                                            Clinamen (= lichte zwenking die zich mengt met de
                                               beweging van de atomen)
                            Boek 3:
                                            Over ziel en lichaam die bestaan uit atomen
                            Boek 4:
            mens                            Over de geest
                                            Simulacra (kleine membranen die vormen naar het
                                               lichaam waartoe ze behoren)



                           Boek 5:
                                          Het kunnen sterven van de wereld (1 van de zovele
                                           werelden)
      kosmologie                          Probleem van bewegen van de sterren
                           Boek 6:
                                          Natuurlijke uitleg voor fysische fenomen (o.a. pest in
                                           Athene)

                              Abrupt einde

              Einde:
                            Nog veel herh. en inconsistenties
                            Zou nog moeten: over de Goden (aangekondigd in boek 5)
                                                               Venus in begin
                            Toch plaag: contrast: triomf van leven (Venus) – triomf van de dood
              Didactisch genre
                            Rome: voor Lucretius nog geen volledige werken; wel werken van
                                Grieken vertaald
                            Griekenland: wel naar vb. van Hesiodos, Paumenides en Empedercles
                            Geen vbdn. voor Lucretius, groot verschil met Griekse poëzie
                                             L: beschrijving, uitleg, overtuiging voor leer van
                                                Epicurus
                                             G: technische zaken uit praktische setting en
                                                geïdealiseerd
              Empedocles: model voor Lucretius, qua ideeën ver van elkaar
              Belangrijke rol van de lezer-leerling (      Griekse poëzie)
               Niets is te verwonderen, alles is noodzakelijk
               Het sublieme
                              De lezer raakt overtuigd van eigen intellect
                              Uitnodiging tot actie
               Genre zelf is probleem
                Relatie leraar – leerling staat centraal
               Retorische procedures
                              Apostrofes naar de lezer
                              Doorslaggevende argumenten
                              Syllogismen          redurtie ad absurdum
                              Analogie
               Boek 3
                              Toont meest argumentatie-kunde
                              Tonen dat niet bang moet zijn voor dood
                              Ziel = atomen, materieel = sterfelijk: 29 bewijzen
               Contact met literaire spot



De studie van de natuur en de gemoedsrust van de mens
            Begin: denken over wreedheid van traditionele religie (Iphigenia) Mens is sterfelijk,
               niets na de dood (niet bang zijn voor goden)
            Revolutionair
            Religie: zelfde als Epicurus: eerste die durfde tegenin gaan, bevrijden van mensen
               van alle lijden
               Episch – heroïsch: heroïsch duel (Ilias)
               Goden: eeuwig leven, in intermundia, onbezorgd over mensen 
               sereen leven, zonder vooroordelen
            Oorsprong van religieuze angst: we weten niets over de natuur (vb. donder)



Geschiedenisles
           Belangrijkste doel: geen geloof meer aan mythes
           Geschiedenis van de wereld, oorsprong van de aarde en de mens
           Door de wetten van Epicurus
           Menselijke vooruitgang door toeval en materie
           Neerhalen van de teleologische visie op mensheid
           Materiële vooruitgang       decadentie
           Epicurus: we hebben niet veel nodig om gelukkig te zijn, alleen wat noodzakelijk is
           Hedonisme: Leef in het verborgene
           Belangijke: goede vrienden



Interpretatie van het werk
             De historische figuur van Lucretius       niet gelijk aan de verteller in de Rerum
                Natura
             ‘Verlicht’; morele bevrijding; rationele overtuiging
             Tegen de passie van de liefde: niet natuurlijk
             Toon verschilt pessimisme        promoten van ratio
                zowel leven als dood                             innerlijke vrijheid
                   Rationalisme: niet bang voor de dood, leven niet willen verlengen, want alles blijft
                    altijd hetzelfde



Taal en stijl
                   In vergelijking met Vergilius: ruw en archaïsch
                   Doel: overtuigen van lezer
                                         Herhaling
                                         Herh. van overgangsformules vb. quod superest
                                         Uitvinden van nieuwe woorden en technische termen
                                         Archaïsch taalgebruik (Ennius)
                                            voc/grammatica
                                            hexameter verschilt van Ennius, eerder zoals in Augustijnse
                                            periode
                                         Brede kennis van Griekse literatuur
                                         Concreetheid van uitdrukking: geen abstracte taal bestond
                                            veel voorbeelden om taal levendig te houden emotionele



Literair succes
              Oudheid
                                   Oppervlakkige invloed in contrast met kwaliteit
                                   2de E: meer belangstelling
                                   Late oudheid: hevige aanval op atheïsme en materialisme
                   Middeleeuwen
                                   Manuscript ontdekt eind 8ste E, na verspreiding
                                   Verdwijnt tot 15de E
                   Renaissance
                                 15de E: ontdekking manuscript door Poggio Bracciolini
                                 Favoriete auteur van humanisten
                                 Verdediging van Lucretius: gedichten in stijl van Lucretius, maar
                                  verwerpen materialisme
                   Moderne periode
                               17de E: veel vertaald, gebruikt
                               Verlichting: vb. voor anti-religiositeit
                               Romantiek: bron van inspiratie
                               1850: Lachmann: reconstrueerde archetype van manuscript.
        2. Gaius Valerius Catullus - Carmina


Leven

   Geboren in Verona, Gallia Cisalpina (aan deze zijde van de Alpen)
   Geboren in een welvarende familie
   Ging naar Rome
   Vaak geassocieerd met politiek en literatuur ; bv. met Hortensius Hortalus (redenaar); Cinna,
    Cornelius Nepos, Memmius, …
   +/- geleefd van 84 tot 54 v.C. (sterfde op zijn 30ste)
   Liefdesrelatie met Clodia (=Lesbia in zijn gedichten)
   In 57 v.C. naar Bithynia geweest, voor een jaar als lid van de entourage van gouverneur Gaius
    Memmius

Werken

   116 gedichten (113 eigenlijk + 3 priapische gedichten = deel van de priapeia (appendix
    vergiliana): gedichten ter ere van Priapus: vruchtbaarheidsgod, andere gedichten in die
    verzameling zijn van Vergilius, Tibullus, Ovidius, Martialis, …)
   2300 verzen (zijn gedichten waren verzameld in een ‘liber’ verdeeld in drie delen
   3 groepen
        o 1-60: brief dichten: nugae: bagatellen; in verschillende soorten meters:
             hendecasyllaben + jambische trimeters + hinkjamben + sapfische strofen :
             polymeters
        o 61-68: heterogene groep van verzen: grotere inhoud en stilistische inspanning,
             verschillende meters = carmina docta
        o 69-116: korte gedichten in elegisch distichon, epigrammen
   Schreef een broef aan Nepos

Bronnen

   Zijn eigen gedichten
   Suetonius: de vita caesarum
   Apuleius: zei dat Lesbia= Clodia
Korte gedichten

    Poeta novi: neoterische revolutie, die plaatsvond tijdens het leven van Catullus
         o Nieuwe groep van dichters
         o Experimentele methode + meer lyriek, persoonlijke gedichten
         o Geïnspireerd door de Alexandrijnse school
         o Catullus noemde zichzelf dan ook poetus novus
    Polymeters en epigrammen
    Streven naar perfectie van de vorm
    Inhoud: dagelijkse leven: affectie, vriendschap, passies, … bv invitatie voor maaltijd (gedicht
       13)
      Dus veel onmiddellijkheid in de gedichten + zijn leven staat erin gereflecteerd +
      Invloed van Griekse epigrammen
      Bedoeling is wel een gedicht van zeker niveau qua stijl en vorm
      Het ziet er vaak eenvoudig uit, maar eigenlijk is de opbouw vaak zeer symmetrisch, met
       dikwijls scherp einde + antitheses + effect van herhalen
Tekst B



11

Furius en Aurelius, makkers van Catullus,             Ut: waar
of hij nu zal doordringen tot de verste Indiërs,
waar tegen het strand het ver weerklinkende
Oosterse water slaat,                                 Tundere: slaan tegen

                                                      -ve: of
of naar de Hyrcaniërs of de weke Arabiërs,
of de Sagen en de pijldragende Parthen,               Of die oppervlakten (DO) die de
of de watervlakten die de zevendubbele                zevendubbele Nijl (S) kleurt
Nijl kleurt,


of dat hij zal gaan over de hoge Alpen,
om de gedenktekenen van de grote Caesar te zien,      Horribile aequor: apart?
de Gallische Rijn, en de huiveringwekkende
Britanniërs aan het eind van de wereld,

                                                      Temptare: proberen
al deze [gevaren], welke ook maar de wil van de
goden zal brengen, onmiddellijk bereid [met mij]
te trotseren, bericht aan mijn meisje enkele          Valere: dienen voor
niet goede woorden.
                                                      Moechus: echtbreker

Zij moet maar leven en het goed maken met haar
echtbrekers, van wie zij er driehonderd tegelijk in
haar armen houdt; van géén houdt zij echt, maar
elke keer breekt zij van allen de onderbuik;          Identidem: telkens weer

                                                      Ilia(onz: mv): ingewanden
maar zij hoeft niet om te kijken naar mijn liefde,
zoals vroeger; die is door haar schuld gevallen       Velut: zoals
zoals aan de rand van de weide een bloem, nadat
                                                      Pratum: weide
die door de voorbij gaande ploeg geraakt is.
(http://www.koxkollum.nl/catullus/frameset.htm)       Zoals de bloem van de uiterste weide
Sapfische strofe =>

fúri _ et aúrelí comités catúlli
síve _ in éxtremós penetrábit índos
lítus út longé resonánte _ eóa
túnditur únda

síve _ in hýrcanós arabásve mólles
seú sagás sagíttiferósque párthos
síve quaé septémgeminús colórat
aéquora nílus

enz.

-v---vv-v-v-x

-v---vv-v-v-x

-v---vv-v-v-x

-vv-x




13

Je zult goed bij mij dineren, m'n beste Fabullus,          Fabullus is een vriend van Catullus
over enkele dagen, als de goden je gunstig gezind zijn,
als je een goed en groot maal met je mee neemt,
niet zonder [ = en ook ] een stralend meisje
en wijn en zout/geestigheid en al het lachen.
Als je dat, zeg ik, mee neemt, mijn charmante vriend,
zul je goed dineren: want van jouw Catullus
is het geldbuideltje vol spinnenwebben.
Maar daartegenover zul je louter liefde ontvangen          merus: niets anders dan
of wat nog aangenamer of verfijnder is:
want ik zal je een parfum geven, dat de Liefdesgodinnen
en de goden van Verlangen gegeven hebben aan mijn meisje
wanneer je dat ruikt, zul je de goden vragen,
dat zij jou, Fabullus, helemaal neus maken.



hendecasyllabe



xx/-vv-/v-v-x
37

Geile kroeg en jullie stamgasten,
bij de negende zuil vanaf de broers met de vilten mutsen,
denken jullie, dat alleen jullie pikken hebben,             Mentula: lul
dat alleen jullie alles wat er aan meisjes is mogen
neuken en de anderen als stinkerds beschouwen?              Confutuere: platneuken
Menen jullie soms, omdat jullie stomkoppen                  Hircus: geile bok
met 100 of 200 op een rij zitten, dat ik niet zal durven    Insulsus: smakeloos
200 hoerenlopers tegelijk te irrumeren?                     Sessor: toeschouwer
Denk dit maar: want ik zal voor jullie                      Frons: voorzijde
de gevel van de hele kroeg volkladden met pikken.           Sopio: penis
Want mijn meisje, dat uit mijn armen is gevlucht,           Sinus: arm
door mij bemind zoveel als géén bemind zal worden,
voor wie door mij grote oorlogen zijn gevochten,            mihi: door mij
zit daar. Haar beminnen jullie chique en rijke heren
allemaal, en in ieder geval, wat onwaardig is,
alle zielepoten en echtbrekers uit de sloppen;              Pusillus: heel klein
jij meer dan allen, enige van de langharigen,               Semitarius: zich op kleine weg
zoon van het konijnenrijke Celtiberië,                      bevindend
Egnatius, die een donkere baard goed / knap maakt           praeter +acc: meer dan
en tanden, gepoetst met Spaanse urine.                      Coniculosus: vol konijnen

                                                            Opacus: dichte, volle (baard)

                                                            Hiberus: spaans

                                                            Defricare: oppoetsen, afwrijven




Asclepiadeus minor




                                                 34
LATIJNSE LETTERKUNDE LES 3


         Vergilius algemeen


Algemeen

   Geboren op 15 oktober 70 v.C. in Andes, een Noord Italiaans dorpje vlakbij Mantua
   Zoon van een rijke boer
    (volgens Aelius Donatus)
   Studies in Cremona, Milaan (retorica) en Rome
   Volgde lessen bij epicurist Siro (tijdens burgeroorlog) in Napels (=> zie invloed in Bucolica)
   Trad nooit in het huwelijk
   Speelde zijn landgoed kwijt, maar kreeg het terug waarschijnlijk van Octavianus
   Eerst in vriendenkring rond Pollio: hij eert hen zeer in zijn Bucolica/Eclogae (39 v.C.)
   Ging in de kring rond Maecenas en Octavianus na de publicatie van de Bucolica, kort daarna
    wordt hij gevolgd door Horatius
   Maakte in 19 v.C. een reis naar Griekenland en Klein-Azië, maar werd ziek
   Overleed op 21 september 19 v.C. in Brundisium, zijn Aeneïs was nog niet afgewerkt (wilde
    ze laten verbranden, maar Augustus heeft dat verhinderd): hij las stukken voor aan
    Octavianus en Octavia, zijn zus (Augustus volgde dit werk op de voet)
   De Aeneïs werd dan uitgegeven door Varius Rufus op vraag van Augustus
   Werd begraven in Napels

Werken

   3 gecanoniseerde werken: Bucolica, Georgica en Aeneïs
   Bucolica:
        a. 10 briefgedichten in hexameters (van 63 verzen tot 111, in totaal: 829 hexameters)
        b. Ook Eclogae genoemd
        c. Geschreven tussen 42 en 39 v.C.
   Georgica:
        a. Leerdicht in 4 boeken hexameters
        b. Elk boek meer dan 500 verzen, totaal van 2188 verzen
        c. Afgewerkt in 29 v.C.
   Aeneïs:
        a. Episch gedicht in 12 boeken in hexameters
        b. Totaal van net geen 10 000 verzen (700 tot 950 verzen per boek)
        c. Onafgewerkt: de laatste 58 verzen zijn niet af
            : tibicines ; rekwisieten



                                               35
    Appendix Vergiliana: de meeste zijn vals, enkel een paar gedichten van ‘ Catalepton’ zijn
     waarschijnlijk authentiek, en als ze echt zijn waarschijnlijk afkomstig van een zeer jonge
     Vergilius

Bronnen

    Aantal bewaarde Vitae uit de late oudheid en de middeleeuwen
    Deze gaan terug op de biografieën van Suetonius
    Aelius Donatus: groot grammaticus van de 4e E

Bucolica

Van Bucolica tot Georgica



 38-26 v.Chr

    38 v.Chr: Bucolica afgewerkt
    Maecenas:
       o Nieuwe patronus van Vergilius
       o In 38 v. Chr. komt ook Horatius in het groepje van dichters
       o Heeft grote invloed op de dichters, belangrijk voor de partij van Octavianus
    Georgica: heeft bijna 10 jaar geduurd. Belangrijke impuls: werk van Varro over de landbouw
     van 37 v. Chr.
    29 v. Chr.: Georgica af. Is voorgedragen aan Octavianus bij zijn terugkeer uit Egypte na
     overwinning op Marcus Antonius en Cleopatra
    Heeft lang aan gewerkt:
       o Volhardend over elk detail
       o Rijke lezing van Griekse en Romeinse literatuur, zowel poëzie als proza
       o Historische allusies verspreid doorheen de tekst
    Einde boek 1: opkomst van Octavianus gezien als hoop, bedreigd door veel gevaren.
     Redenen:
       o Rond 36 v. Chr. was Octavianus niet machtig, zelfs niet in Italië
       o De vernielingen van de burgeroorlogen zaten nog vers in het geheugen

           Dit is geen tegenstrijdigheid: Vergilius wil de moeilijkheden duidelijk maken om
           tot een overwinning te komen.
    Op andere plaatsen: Octavianus als brenger van vrede en triomfator
    Probleem
           o Volgens Servius: een deel uit het gedicht gehaald en verhaal van Aristeus in
             de plaats gekomen.
           o Oorzaak: plotse dood van Gallus (vriend van Vergilius, maar was in ongenade
             gevallen bij Augustus)
           o De stukken die verdwenen zijn zouden de lof op Gallus zijn.
           o 2 grote bezwaren
                  Vreemd dat er van de passages niets is overgebleven
                  Het verhaal van Aristeus is 200 verzen lang. Wat verdwenen is zou dus
                    ook ongeveer die lengte moeten gehad hebben. Wat zou er dan nog in

                                                36
         gestaan hebben? Waaraan zou de lof voor Gallus gelinkt zijn? Meest
         waarschijnlijk: over Egypte, provincie van Gallus.
o We weten niet of het waar is, maar waarom zou iemand zoiets verzinnen.
o Voor de lezers van Vergilius had het verhaal van Aristeus niets vals of
  geïmproviseerds in zich. Mooi staaltje poëzie.




                                37
VIRGILIUS' LEVENSLOOP EN ONTWIKKELINGSGANG

Publius Virgilius Maro werd geboren op 15 October van het jaar 70 v. Chr. Zijn geboorteplaats was
het dorpje Andes, gelegen in het noorden van Italië in de nabijheid en behorend tot het gebied van
het vrij onaanzienlijke provinciestadje Mantua. Reeds vele eeuwen lang beschouwen sommigen, met
name de streekbewoners, het huidige Pietole, vijf kilometer ten zuidoosten van Mantua, als het
geboortedorp van den dichter. Dit is om verschillende redenen aan gerechten twijfel onderhevig,
maar de juiste ligging van het vroegere Andes heeft men inmiddels nog niet kunnen bepalen.

De natuur had Virgilius' geboortestreek met vruchtbaarheid en schoonheid gezegend. Vanuit den
Benacus lacus (Gardameer), het grootste Italiaanse Alpenmeer, stroomde de Mincius (Mincio),
omzoomd met wuivend riet en ruisend geboomte, zich ter hoogte van Mantua tot een drietal kleine
meertjes verbredend, rustig en regelmatig zuidwaarts en mondde een twintigtal kilometers voorbij
Mantua, als de meest oostelijke zijarm, in de brede, majestueuze Padus (Po) uit. Niet alleen
schilderachtig echter was de Mincio; hij zorgde bovendien voor een regelmatige bevloeiing van de
onafzienbare vlakte met de zich daarop bevindende akkers en wijngaarden, schonk lafenis aan het
vee en verkwikking aan de vermoeide landlieden. Het is waar, langs heel zijn vierentachtig kilometer
langen loop van Gardameer tot Po vormde de Mincio vele moerassen, die de omwoners dikwijls met
moeraskoortsen moeten hebben geplaagd, maar desondanks mogen wij veilig aannemen dat de
jonge Publius zich in deze streken thuis en gelukkig heeft gevoeld. Hij had immers - zijn werken leggen
er op talloze plaatsen getuigenis van af - een bijzondere voorkeur voor het rustige en intieme
landleven; zijn studietijd in verre steden zal hij later meer dan eens onderbreken om in zijn
geboortedorp een korte vacantie door te brengen; zodra hij is afgestudeerd zal hij zich haasten zich
weer metterwoon in Andes te vestigen; slechts bruut geweld zal hem eens voorgoed van zijn
geboorteland kunnen scheiden, maar ook dan zal hij zich, ook als hij de beroemde dichter geworden
is, bij voorkeur terugtrekken in de stilte en intimiteit van zijn landgoed en het leven in de vrije natuur
verre verkiezen boven dat in het drukke en rumoerige Rome.

Virgilius' vader was een man van uiterst eenvoudige afkomst, maar had zich door zijn energie en dank
zij zijn begaafdheden allengs omhoog weten te werken op de maatschappelijke ladder. Na eerst als
dagloner en pottenbakker werkzaam te zijn geweest, was hij bediende geworden bij een zekeren
Magius, die het beroep van viator (enigszins te vergelijken met wat wij een gerechtsdienaar, een
bode, een deurwaarder noemen) uitoefende en blijkbaar zo tevreden was over de diensten die de
ijverige en intelligente jongeman hem bewees, dat hij hem zijn dochter Magia Polla ten huwelijk
schonk. Uit dit huwelijk werden drie zoons geboren; Publius' beide broers stierven echter op jeugdigen
leeftijd.

Door kundig boomkweken, voorspoedige bijenteelt en verstandigen landaankoop - een groot deel van
de kennis op deze gebieden, waarvan Virgilius later in zijn werken blijk zal geven, zal hij in dezen tijd
bij zijn vader hebben opgedaan - misschien ook doordat hij na den dood van zijn schoonvader diens
bezittingen en vermogen erfde, geraakte Virgilius' vader langzamerhand tot een zekeren welstand,
die hem in staat stelde zijn zoon Publius, wiens bijzondere eigenschappen ongetwijfeld reeds toen
moeten zijn opgevallen, een voortreffelijke opvoeding te laten geven.

In het jaar 58 verliet onze Publius op twaalfjarigen leeftijd voor het eerst het ouderhuis om in het
destijds zeer aanzienlijke Cremona, ongeveer zestig kilometer ten westen van Mantua gelegen en
volgens sommigen de geboortestad van zijn moeder, de eerste schreden te zetten op den langen weg
zijner wetenschappelijke opleiding en vorming. Hier verbleef hij tot hij op 15 October van het jaar 55,
op zijn vijftienden verjaardag, ten teken van het bereiken der mannelijke rijpheid op de traditionele
wijze met de toga virilis ("mannelijke toga") werd bekleed. Daarna verhuisde hij naar Milaan, maar
reeds spoedig verliet hij ook deze stad weer, om zich in het verre Rome, het centrum niet alleen van


                                                   38
het bestuur, maar ook van onderwijs, kunsten en wetenschappen van het Romeinse Rijk van die
dagen, op de gebruikelijke wijze aan de studie der rhetorica, der welsprekendheid te wijden. Zijn
vader zal in begrijpelijken vadertrots daarbij ongetwijfeld de hoop hebben gekoesterd zijn begaafden
zoon nog eens tot een groot rechtsgeleerde of staatsman te zien opgroeien. Hier in Rome volgde
Publius de lessen van de beste docenten, onder anderen van den rhetor (leraar in de
welsprekendheid) Epidius, die ook den toekomstigen keizer Augustus onder zijn leerlingen telde;
mogelijkerwijs dateert derhalve de latere vriendschappelijke verhouding tussen Virgilius en Rome's
alleenheerser reeds van dien tijd. Inmiddels bleek echter al ras dat onze Publius voor de beoefening
van de welsprekendheid niet in de wieg was gelegd; hij moet dan ook slechts eenmaal, en zonder
succes, als pleitredenaar zijn opgetreden. De reden hiervan was, dat de jongeman met zijn poëtisch-
mediterenden inslag voor juridische scherpzinnigheid en spitsvondigheid al heel weinig aanleg en
belangstelling had; bovendien, verlegen en in zichzelf gekeerd als hij was, miste hij ten enemale de
gave om te improviseren of zich slagvaardig uit een netelige situatie te redden: het geroezemoes en
het drukke, dikwijls vinnige beweeg van een rechtsgeding stond hem tegen en maakte hem nerveus.
Geen wonder dan ook dat het een ware opluchting voor hem was, toen hij na verloop van tijd deze
studie verder kon laten varen en zich voortaan tot die der philosophie kon bepalen. Er bestaat nog
een onder Virgilius' naam overgeleverd gedicht, waarin deze "met groote vreugde afscheid neemt van
den bombast der rhetoren, en zich reeds bij voorbaar verheugt, dat hij zich nu aan de studie der
philosophie zal kunnen wijden".

Wij bezitten overigens nog meer gedichten en gedichtjes waarvan het auteurschap aan Virgilius
wordt toegeschreven en die hij in den loop van deze jaren zou hebben vervaardigd. Reeds vrij vroeg
schijnen deze verzameld te zijn in een bundel, dien men tegenwoordig de "Appendix Virgiliana" pleegt
te noemen. Of Virgilius echter inderdaad de auteur van deze gedichten is, is een veelomstreden vraag,
die door vele geleerden voor alle tot deze verzameling behorende gedichten ontkennend wordt
beantwoord. Maar hoe dit ook zij, als zeker mag worden aangenomen, dat Virgilius in den loop van
deze jaren voor het eerst als dichter naar buiten is opgetreden, zich in de wereld der schone letteren
een zekere reputatie heeft verworven en met de beste dichters van dien tijd in voortdurende
verbinding stond.

Voorlopig echter eiste de philosophie, waar Virgilius zich met hart en ziel op toelegde, zijn aandacht
en werkkracht nagenoeg geheel op. Hij volgde hierbij de lessen van den epicureeër (leraar in de
philosophie van den Grieksen wijsgeer Epicurus) Siro, zonder dat hij zich echter bepaaldelijk bij deze of
een der andere philosophische scholen of richtingen aansloot; zijn geest hechtte zich aan alles wat hij
in de verschillende systemen edel, diepzinnig of verheven vond. Naast de philosophie ging zijn
belangstelling uit naar de wis- en geneeskunde, las en bestudeerde hij de oude en nieuwe
meesterwerken der Griekse en Latijnse letterkunde en geschiedschrijving, kortom, legde hij den
grondslag van de geestelijke rijkdommen waaruit hij later, bij het samenstellen van zijn grote
dichtwerken, zou putten. Verscheidene malen onderbrak hij zijn verblijf in Rome om enigen tijd in zijn
geboortedorp in den kring zijner familie door te brengen en nam er ten slotte zelfs weer voorgoed zijn
intrek. Wanneer hij tot dezen stap is overgegaan, is niet bekend, maar wel is het zeker dat hij vanaf
het jaar 44 weer regelmatig in Andes woonde en hier rustig verder werkte en studeerde.

Hier viel in dezen tijd aan Virgilius de onderscheiding ten deel, te worden geïntroduceerd bij den
aanzienlijken en invloedrijken Asinius Pollio, die, geboren in 76 v. Chr., zich had ontwikkeld tot een
vooraanstaand politicus en veldheer en destijds fungeerde als stadhouder van het gebied (Gallia
transpadana, dat is Gallië ten noorden van de Po), waartoe ook Mantua en omstreken behoorde.
Deze Asinius Pollio, ook zelf dichter en enthousiast bevorderaar der schone letteren, stelde
begrijpelijkerwijs groot belang in de veelbelovende poëtische talenten van den jongen Publius en wist
hem er, zo luidt althans de traditie, toe te bewegen om zich, in navolging van den Grieksen dichter
Theocritus, als eerste Latijnse dichter aan het maken van "Herderszangen" te wagen. Hoe dit ook zij,


                                                   39
in 42 maakte Virgilius de eerste gedichten van de als "Bucolica" bekend staande verzameling. Het was
hem echter niet gegeven zijn werk aan deze gedichten ongestoord ten einde te brengen.

Op 15 Maart van het jaar 44 was C. Julius Caesar, die zich, na Pompeius te hebben verslagen, tot
alleenheerser van het Imperium Romanum had opgeworpen, door een samenzwering onder leiding
van Brutus en Cassius, de laatste verdedigers van de Romeinse Republiek, gedood. Caesar's
adoptiefzoon Octavianus, de latere keizer Augustus, had toen met Antonius en Lepidus een
Driemanschap gevormd, dat in het jaar 42 in den slag bij Philippi Caesar's moordenaars versloeg en in
den dood dreef. Na den slag haastten de Driemannen zich hun geweldige legers te ontbinden en hun
veteranen, als beloning voor de door hen bewezen diensten, nieuwe woonsteden te verschaffen.
Daarvoor werd in het jaar 41 het grondgebied van een aantal steden die aan de zijde van Brutus en
Cassius hadden gestaan verbeurd verklaard en onder de veteranen verdeeld. Tot deze steden
behoorde ook Cremona, maar toen het gebied van deze stad te klein bleek voor het aantal veteranen
dat zich daarop moest vestigen, nam men er eenvoudig dat van Mantua bij en zo werd ook de
bezitting van Virgilius en de zijnen met confiscatie bedreigd. Men is er nog niet in geslaagd van
Virgilius' belevenissen in deze voor hem zo onaangename jaren een algemeen aanvaarde
reconstructie op te stellen, maar als waarschijnlijk mag worden aangenomen dat zijn
omstandigheden zich in den loop van deze jaren als volgt hebben ontwikkeld en gewijzigd.
Aanvankelijk wist Virgilius, die met aanbevelingen van Pollio naar Rome was gereisd, dank zij den
daardoor van de zijde van Octavianus ontvangen steun, zijn erfgoed te behouden. Toen echter enigen
tijd later Pollio tengevolge van een tijdelijke onenigheid tussen de Driemannen zijn functie had
moeten neerleggen en door een zekeren Alfenus Varus was opgevolgd, geraakte Virgilius niet alleen
opnieuw in moeilijkheden, maar werden huis en hof der zijnen, ondanks zijn krachtig verzet, dat hem
bijna het leven kostte, zelfs inderdaad door de veteranen met geweld in beslag genomen. Opnieuw
reisde Virgilius, nu door de zijnen vergezeld, naar Rome om wederom zijn zaak bij Octavianus te
bepleiten; in afwachting van het resultaat zijner bemoeiingen werd hij met zijn huisgenoten door zijn
vroegeren leermeester Siro, die in de omgeving van Rome woonde, gastvrij opgenomen. Uit niets
blijkt echter dat Virgilius in het bezit van zijn erfgoed zou zijn hersteld; het is integendeel veeleer
waarschijnlijk dat Virgilius sindsdien voorgoed in Zuid-Ialië is blijven wonen en niet meer naar zijn
geboorteland, dat ook in zijn werken voortaan nog slechts als een vage herinnering optreedt, is
teruggekeerd.

Door de warme aanbevelingen van mannen als Asinius Pollio, maar vooral door de faam als dichter
die Virgilius zich allengs begon te verwerven - hij had inmiddels ook enige zijner Bucolica gepubliceerd
- had hij namelijk de aandacht getrokken van den groten Maecenas. Deze, een rijk man,
afstammeling van Etrurische vorstenhuizen en behorend tot den Romeinsen ridderstand, was in deze
tijden een der voornaamste mannen in de Romeinse samenleving. ...




                                                  40
          Vergilius, Bucolicon


Algemeen

    Geïnspireerd op de ‘Idyllen’ van Theocritus van Syracuse: bucolische of pastorale poëzie
    10 boeken in hexameters
    Qua inhoud en structuur complex
    Concentrische opbouw er binnenin ( 1 correspondeert met 9, 2 met 8, 3 met 7, 4 met 6, de 5e
     ecloge gaat over dood en apotheose van de ideale herder Daphnis: centrum; correspondeert
     met 10)
    39 v.C.


Bucolicon 7

    Dichtwedstrijd georganiseerd door 2 herders
    De ene zanger repliceert telkens op een couplet van de andere
    Verlies van Thyrsis: in zijn verzen zitten schoonheidsfoutjes




                                              41
r    Latijn                              Nederlands
1    Argutus                             Fijn, rumoerig
1    Considere                           Gaan zitten
1    Ilex                                Steeneik
2    Compellere                          Samendrijven
3    Ovis                                Schaap
3    Distentus                           Gespannen, tot barstens toe
3    Capella                             Geitje
6    Myrtus                              Mirt
7    Caper                               Bok
7    Deerrare                            Afdwalen
8    Ocius                               Sneller, dadelijk, eerder, gemakkelijker
9    Haedus                              Bokje
10   Cessare                             Talmen, verzuimen, werkeloos blijven
11   Potus                               Drank
11   Pratum                              Weide
12   Viridis                             Groen, fris, jeugdig
12   Praetexere                          Weven voor, versieren
12   Harundine (weet niet van wat het    riet
     komt)
13   Examen                              Zwerm, schaar
13   Quercus                             Eik
15   Depellere                           Spenen
17   Posthabere                          Achterstellen bij
17   Seria                               Ernst, ernstige onderwerpen
20   Referre                             In herinnering brengen
24   Fistula                             Pijp, buis, rietstengel, rietfluit, schrijfpen
26   Ilia                                Ingewanden
27   Baccar                              Valeriaan
28   Vates                               Bezield dichter
29   Saetosus                            Borstelig, behaard
29   Aper                                Everzwijn
30   Ramosus                             Breedgetakt, vertakt
30   Vivax                               Lang levend
31   Levis                               Gepolijst
32   Puniceus                            Purperrood, Punisch
32   Evincire                            Binden, omwikkelen
32   Coturnus                            Jachtlaars, toneellaars
33   Sinum                               Aarden kom
33   Libum                               Offerkoek

                                        42
34   Sat              Genoeg, voldoende
36   Fetura           Voortbrengsel, broedsel
36   Supplere         Aanvullen, weer vol maken
37   Thymum           Wilde tijm
37   Hybla            Berg op Sicilië
38   Cycnus           Zwaan
38   Formosus         Welgevormd, mooi
39   Pasti<pascere    Weiden, laten grazen, voeden
39   Praesepia        Stallen
42   Ruscum           Muizedoorn
42   Vilis            Armzalig, weinig waard
45   Muscosus         Bemost
46   Arbutus          Aardbeiboom
47   Solstitium       Zomerhitte
48   Torridus         Verschroeiend
48   Turgere          Gezwollen zijn, bijna barsten
48   Palmes           Wijnstok, tak
48   Gemma            Knop
49   Focus            Haard
49   Taeda            Toorts, bruiloftsfakkel
50   Postis           Deurpost, deur
50   Fuligo           Roet
52   Torrens          Onstuimig
53   Iuniperus        Jeneverstruik
53   Castanea         Kastanje
53   Hirsutus         Ruig, ruw, onverzorgd
54   Passim           Wijd en zijd verspreid
54   Pomum            Appel, vrucht
57   Arere            Droog zijn
57   Sitire           Dorst hebben, smachten naar
58   Pampineus        Met wijnranken, van wijn
58   Liber            = Bacchus
59   Nemus            Woud, wijngaard
59   Virere           Groen zijn, fris zijn, krachtig zijn
61   Populus          Populier
61   Iacchus          = Bacchus
63   Corylus          Hazelaar
65   Fraxinus (vr)    Es
66   Abies            Den
67   Revisere         Weer bezoeken, weer zien, terugkeren tot

                     43
A. Over Vergilius

Bucolica

       tot de publicatie van Vergilius zijn Bucolica was Theocritus de minst bekende en minst
        succesvolle onder de grote hellenistische auteurs gelezen door de Romeinen
     de poëzie van Theocritus leende zich niet tot manifesten van innovatie en experimenten
     de nieuwe Romeinse cultuur verkoos andere modellen
     Theocritus was een idyllische dichter die nostalgisch terug keek en een eigen idyllische
        wereld reconstrueert
              Dorisch accent en herders waren de hoofdpersonages
     het genre behandelde vrij uitgebreide thema's
     Vergilius was geïnspireerd door Theocritus zijn imaginaire wereld en vooral de rurale wereld
        in de welke hij was opgegroeid
     raakpunten met realisme en nostalgie waren deel van de poëtische formule
     hij had zichzelf verplaatst in de richting van Theocritus' aanpak door een groot gevoel voor
        literatuur en een neiging tot zelf-reflectie
     Vergilius transporteerde zichzelf naar dit literaire genre en leerde zijn principes kennen in
        een buitenlandse taal
     Bucolica : verzameling van liederen van herders
     roept een pastorale setting in de welke de herders op het toneel worden gevoerd als acteurs
        en zelfs als makers van poëzie
     ecloge = een kort geselecteerd gedicht
              ecloge I: dialoog tussen 2 herders, Tityrus en Meliboeus
              ecloge II: liefdesklacht van de herder Corydon – liefde voor de jonge man Alexis
              ecloge III: dichterlijke wedstrijd tussen 2 herders
              ecloge IV: profetisch lied voor de geboorte van een kind
              ecloge V: klaaglied voor de dood van Daphnis
              ecloge VI: de oude Silenus zingt een cataloog van mythische en naturalistische scènes
              ecloge VII: Meliboeus verhaalt een duel tussen 2 dichters, Thyrsis en Corydon
              ecloge VIII: zangwedstrijd
              ecloge IX: dialoog tussen 2 herder-dichters
              ecloge X: troost door bucolische dichter Vergilius
B. Tekst

Bucolica

Meliboeus

Het was toevallig dat Daphnis zat onder de ruizende steeneik, terwijl Corydon en Thyrsis,
beiden in de fleur van hun leven en beiden Arcadiërs, beiden klaar om te strijden in gezang,
brachten hun kuddes bij elkaar. Thyrsis de schapen, Corydon zijn ooien vol met melk. Terwijl
ik met tedere myrthen van de koude beschermde, mijn geit, hoofd van de kudde, was daar
afgedwaald en ik zag Daphnis. En hij, wanneer hij mij had gezien, zei: Snel, Meliboeus, jouw
geiten en kinderen zijn veilige, kom en rust in de schaduw, als je kan blijven voor even. Jouw
kudde zal vanzelf komen door de velden om hier te drinken, hier zijn de grenzen van
Mincius, zijn groene oevers met zacht riet en de zwerm gonst van de heilige eik. Wat kan ik
doen? Ik had niet Phyllis of Alcippe, die misschien mijn nieuw geboren lammetjes naar huis
konden brengen, en de strijd tussen Corydon en Thyrsis was een goede. Toch, ik

                                                44
verwaarloosde mijn werk voor hun wedstrijd. Dus de twee begonnen te strijden, die de
Muzen wensten dat ze zouden componeren om de beurt. Corydon sprak, en Thyrsis daarna,
om beurt.

Corydon

Nimfen van Libethra, van wie ik houd, ofwel gun mij een lied zoals jij gaf aan mijn Codrus (hij
maakt verzen dichtst bij Phoebus' eigen): of als we niet in staat zijn, laat me mijn
welluidende fluit hangen hier aan de heilige dennenboom.

Thyrsis

Arcadische herders, kroon jullie nieuw geboren dichter met klimop, zodat Codrus' hart barst
van jaloezie of als hij mij verder looft, wat behaaglijk is, omcirkel mijn hoofd met cyclamen,
opdat zijn kwade tong de dichter in spe schaadt.

Corydon

Delia, een stekelig mannetjesvarkenshoofd is van jou, van jonge Micon met de vertakte
geweien van een volwassen hert. Als dit geluk duurt, zal jouw beeld staan gemaakt helemaal
van gladde marmer, jouw kuiten in rood jagerslaarzen.

Thyrsis

Een grote beker van melk en deze gebakjes zijn al wat je kan verwachten, elk jaar, Priapus:
de tuin die je bewaakt is arm. We hebben jou gemaakt in der tijd van marmer, voor de
tussentijd: maar je zou van goud zijn, als de kudde zou beginnen baren.

Corydon

Galatea, kind van Nereus, zoeter dan tijm van Hybla, witter dan de zwaan, liefdevoller aan
mij dan bleke klimop, zo spoedig de stieren terugkomen van de weien naar de stallen, als jij
enkele liefde heeft voor jouw Corydon, kom naar me.

Thyrsis

Nee, laat het me eerder aan jou lijken bitterder dan het Sardijnse gras, stekeliger dan slager's
bezem, meer verachtelijk dan aangestrand zeewier, als deze dagen niet langer aan mij dan
een heel jaar. Ga naar huis mijn gekoesterde runderen. Als je enkele schaamte hebt, ga naar
huis.

Corydon

Mossige lentes en het gras zoeter dan slaap en de groene aardbeiboom die jou overdekt met
een dunne schaduw, houd de zomerhitte van mijn kudde: nu de droge zonnestilstand komt,
nu de knoppen zwellen aan de vreugdevolle takken van de wijntak.


                                              45
Thyrsis

Hier is een stookplaats en doorweekte pijnboomtakken, hier altijd een goed vuur en
deurberichten altijd zwart met roet: hier zorgen we zoveel voor de ijskoude noorderstorm,
als wolven voor tellen van schapen, en schuimende rivieren voor hun oevers.

Corydon

Hier staan jeneverstruiken en stekelige kastanjes, hun fruit ligt hier en daar onder elke
boom: nu lachen alle dingen: maar als lieve Alexis deze heuvels verliet, zou je de rivieren
echt droog zien gaan.

Thyrsis

Het veld is droog: het uitgedroogde gras sterft in de dorre lucht, Bacchus misgunt zijn
wijnstokken. Schaduw aan de heuvels: maar al de bosjes zullen groen zijn wanner mijn
Phyllis komt en machtigste Jupiter zal neerdalen in vreugdevolle regen.

Corydon

De liefste van de populier aan Hercules, de wijnstok aan Bacchus, de mirthe aan de
liefdevolle Venus, zijn eigen laurier aan Phoebus: Phyllis houdt van de hazelaars: en terwijl
Phyllis houdt van hen, noch mirthe, noch laurier zal de hazelaar overtreffen.

Thyrsis

De as is het mooiste in de bossen, de pijnboom in tuinen, de populier bij de oevers, de spar
op de hoge heuvels: maar de geliefde Lycidas, als jij vaak me zou bezoeken, de bosassen
zouden opbrengen en de tuinen pijnboom

Meliboeus

Deze verzen herinner ik: Thyrsis, verslagen, gestreden in ijdelheid. Van deze tijd is het
Corydon, Corydon met ons.




                                               46
           Vergilius, Georgica


Algemeen

      29 v. C.
      4 boeken over de landbouw (bijna 2200 verzen, geschreven in 7 jaar)
      Opgedragen aan Maecenas
      Het verscheen niet lang nadat Octavianus zijn tegenstanders had uitgeschakeld
      Over aardse en praktische landbouw (in tegenstelling tot Lucretius)
           a. Fundamentele rol van werk op het land
           b. Mens afhankelijk van de natuur
           c. Broze scheidingslijn tussen beschaving en barbarij
           d. Plaats van de mens in het universum tonen
           e. Zware politieke lading
           f. Belangrijk poëticaal document



    Boek 1
        a. Begint met lange aanroeping van de goden, speciaal van Augustus
                 i. Gewijd aan teelt van graan
                ii. Noodzaak van voortdurend hard werk
        b. Na gebed tot de goden, spreekt de dichter Octavianus aan
        c. Vervolgens richt zich op de boeren en hier begint het leerdicht
        d. In de Digressie zegt hij dat de god de ‘LABOR’ van de mens wil om zijn gaven te
            kunnen ontwikkelen
                    Doet denken aan Hesiodos, Werken en Dagen ,
                    Maar de boodschap van Vergilius is universeler:
                            Boerenbedrijf: symbool voor het menselijk bestaan in het algemeen
        e. Verder zijn Tijd van belang en de voorspellende waarde van bepaalde
            natuurfenomenen, seizonen ( bv. de zon heeft de burgeroorlogen na de moord op J.
            Caesar voorspeld)
        f. Slotverzen zijn somber en dreigend: oproep aan Octavianus om eind te maken aan
            de gruwel van de burgeroorlog

 Besluit: boek 1 is over het algemeen een somber boek




                                               47
Georgica

      1) De Georgica als leerdicht



   De titel zelf geeft weer dat het een werk is voor een selecte groep
   Start vanuit een onmiddellijke connectie met de Griekse Helleense poëzie
         Aratus, Eratosthenes, Nicander: auteurs van de 3e en 2e E: dezen hadden een
         vernieuwing doorgevoerd in de poëzie, tegenover de traditie
          Instructies en/of informatie : leerdicht
          Dat betekent specialisatie en restrictie in vergelijking met de leerdicht van Hesiodus,
             Empedokles en Parmenides
          Ze gebruiken wetenschappelijke verhandelingen in proza als hun modellen
          Er is een enorme passie van beschrijven en niet langer argumenteren en overtuigen
   Deze passie is wel relatief
   Verfijning van de vorm en enorme virtuositeit van de versbouw => zeer veel aandacht voor
    de vorm
   Vorm als contrast tegenover de inhoud: vaak dor, killig, koud of net zeer technische
   Bij Vergilius geldt dan ook een zeer formele strengheid als een les om na te denken
   Georgica zijn anders dan het maken van een episch vers van een technische verhandeling
   Leerdicht in Rome weer opgekomen door Lucretius
   Ook de uitoefening van de vorm en literaire smaak is onder invloed van Lucretius geraakt bij
    Cicero, Varro of Atax
   Beschrijvingen, uitwijdingen en vergelijkingen zijn strikt functioneel in relatie met de
    structuur van het werk en de ideologie
   Vergilius is meer Alexandrijns dan Lucretius, maar toch voelt Vergilius zich nauwer
    aansluitend bij Lucretius dan bij de Alexandrijnen
   Vergilius is degene die de horizons van de literatuur heeft uitgewijd
   De basisimpuls van de Georgica kwam van een dialoog met Lucretius
         Gelukkig is:
                      - Wie de oorzaken van de dingen heeft onderzocht
                      - Wie zijn angsten opzij schuift
                      - Wie de goden kent van het platteland zoals Pan, Silvanus en de zuster
                          nimfen
                      - …
   De wijsheid van de boer, die tussen het zwoegen op het land staat en de spontane
    vrijgevigheid van het lang, leidt tot een soort materiële en spirituele zelfvoorziening. Deze
    voorziening is een antwoord op de bedreiging van de Romeinse republiek (sociale en
    culturele crisis)
   Vergilius’ georgische ruimte accepteert de traditionele religie openlijk; of er is althans een
    intieme link
   Het intellectueel onderzoek van de mechanismen van de kosmos (om mensen te bevrijden
    van hun angsten) maakt de weg naar een zwakker begrip; namelijk ingeankerd in het ritme
    van het dagelijkse leven
   Vergilius blijft vasthouden aan de geciviliseerde en menselijkere natuur

                                               48
      2) De achtergrond van Augustus



   Augustus wordt voorgesteld als de enige die de burgerwereld kan redden van verval en van
    burgeroorlog
   We bevinden ons in de periode van crisis net voor de slag bij Actium, na de moord op Caesar
   Octavianus als triomfator en brenger van de vrede + mensen van het oosten terugdrijven +
    goddelijke figuur die over de wereld waakt en die het leven op de akkers beschermt
   Georgica als eerste echte document van Latijnse literatuur in de eeuw van het principaat
   Het eerste voorwoord is een duidelijke instantie: de figuur van de princeps verschijnt als een
    vergoddelijkte soeverein (overnamen van Griekse Helleense traditie)
   Princeps Augustus en zijn adviseur Maecenas worden in het werk geïntroduceerd als
    authentieke inspirators ( eerder de rol van Epicurus en niet van Memmius!)
   Gericht tot de collectieve figuur van de boer: maar in feite een volksfiguur dat het leven kent
    van de steden en hun crisissen; want zo delen de gedichten met de problemen van het
    stadsleven
   Moeilijk te geloven dat de georgica direct geïnspireerd zijn bij het programma van Augustus
    van agrarische reconstructie (heeft alleszins niet gezorgd voor een vermelding in de
    economische geschiedenis
   Het beeld van de plattelandseconomie is een geïdealiseerde retrospectieve constructie en
    beantwoordt niet aan de realiteit van die periode
   De held van het gedicht is de kleine landbezitter, de directe cultivator
   Er is geen referentie naar de slavenarbeid (terwijl dat het echte fundament is van de
    landbouw economie)
   Idealisatie van de pachtboer (door de politiek van Augustus: verheerlijking van de boer en de
    krijger, in de context van de oorlog tegen Antonius)
   Toch brengt Vergilius zijn eigen inbreng in zijn werk: zijn persoonlijke bijdrage aan de
    nationale mythe van het Italiaanse volk (de ideologie van Augustus is dus niet iets van
    Augustus, het is een geheel van ideeën van verschillende denkers)



      3) Structuur en compositie

   Zeer complex ideologisch in de structuur

ONDERWERP

   Het gaat over
         a. De werking van de velden
         b. De boomteelt
         c. De veeteelt
         d. De bijenteelt
   Dit zijnde fundamentele activiteiten van de boer, maar niet de enige: Vergilius is dus selectief
    geweest (vgl. met De Re Rustica van Varro)



                                               49
    In het weergeven wordt de rol van de natuur belangrijker dan de bijdrage van het zwoegen
     van de mens
    Toch wordt de natuur gezien in functie van de mens
    Het onophoudelijke zwoegen van de ploeger/boer (1e boek) correspondeert in het 4e boek
     met de vreselijke arbeid van bijen => alles wordt teruggebracht tot het kleine, de
     microkosmos van de bijenteelt: want dit komt het dichtst bij de natuur van de
     mensencultuur

ARCHITECTUUR VAN DE GEORGICA

    Gebaseerd op een reeks boeken, die een duidelijk onafhankelijk onderwerp hebben en die
     samengehouden worden door een algemeen plan
    Elk boek wordt ingeleid door een inleiding, voorwoord en bevat uitweidende secties
    Vergilius probeert de logische beperkingen van het denken te verzwakken, even als de sterke
     links van argumentatie, als de connecties tussen 1 bepaald onderwerp en de andere
     onderwerpen
    Formele architectuur is zeer gecontroleerd, zeer symmetrisch opgebouwd
    De boeken zijn gelijklopend + ieder boek heeft een concluderende uitweiding over de
     burgeroorlogen, lof van het leven op het platteland, de pest onder de dieren van Noricum,
     het verhaal van Aristaeus en zijn bijen
    Het voorwoord dient als scharnier:
          a. Het voorwoord in boek 1 en boek 3 is lang en zeer buitensporig in vergelijking met de
              georgische thema’s van de individuele boeken
          b. Het voorwoord in boek 2 en 4 is kort in puur inleidend
           Boek 1 en 3 zijn dus gepaard (ook in de uitweidingen)
    Thema’s van leven worden tegenover thema’s van dood geplaatst => dit provoceert de
     gedachten van de toehoorder

CONTRASTEN

    Object van toewijding in periode van classicisme
    Contrasten en zekerheden
    Door goddelijke voorzienigheid werd het zwoegen van de mens gezonden als een soort
     noodzakelijkheid voor de kosmos, maar het ideaal van de boer roept de mythe terug op van
     de Gouden Eeuw, toen zwoegen niet noodzakelijk was, omdat de natuur zelf voldeed aan zijn
     noden
    Het simpel zwoegend leven van de Italiaanse boer heeft geleid tot de grootsheid van Rome;
     maar Rome is ook een stad, een plaats van degeneratie en conflict, het tegengesteld van het
     georgische ideaal
    Aristaeus: de geduldige boer held was in staat om zijn zwerm terug tot leven te brengen,
     door het volgen van goddelijke hulp => onherstelbare ongelukkigheid van de ongehoorzame
     dichter Orpheus




                                               50
   4) Verhaal van Aristaeus en Orpheus



 De concluderende uitweiding in boek 4 is narratief van nature
 Op de Alexandrijnse wijze: geïntroduceerd als een ‘oorzaak’, ‘oorsprong’ en uitleg van een
  verbazingwekkend feit: BUGONIA (mythische handeling waarbij bijen ontstaan uit karkassen
  van dode runderen)
 Hier brengt Vergilius twee mythes samen, weloverdacht!
 Hiertoe was hij geïnspireerd door de Alexandrijnse en neoterische poëzie, de traditie van de
  vergrendelde verhalen
 Bv een van de meest opvallende voorbeeldenn: een gedicht van Catullus (64)
 Samenvoegen met als bedoeling aan elkaar te herinneren
 Vergilius doet dit door subtiele narratieve parallellen te trekken
 Boer Aristaeus en dichter Orpheus komen allebei een aantal moeilijkheden tegen (de eerste:
  in legendarische bron van alle wateren, de laatste: de afgrond van de onderwereld) beiden
  strijden tegen de dood: beiden verhalen zijn parallel maar zijn verschillend om besluiten uit
  te trekken: Orpheus faalt aangezien hij het goddelijke verbod niet respecteert, en Aristaeus
  slaagt wel, omdat hij zich onderscheidt door strikte gehoorzaamheid
 Dit narratief geheel is ingebed in het gehele verhaal, in de hele structuur van de leerdicht
 Vergilius nodigt de lezer uit om een continuïteit na te lopen
 Veel thema’s zijn verborgen in het narratieve mom
 Orpheus representeert de mogelijkheden van een man, die de natuur de baas is, maar die
  man die de natuurlijke wet van de dood niet kan verslaan
 Aristaeus representeert de man die geduldig vecht tegen de natuur , en dat dit wordt
  gehandhaafd door de koppige gehoorzaamheid aan goddelijke begeleiding (leidt tot
  regeneratie van de bijen)
 Dus het narratief geheel wordt belicht door, en belicht zelf de substantie van de didactische
  boodschap




                                            51
Tekst zelf

Woordenschat

R      Latijn             Nederlands
118    Bos                Rund, os (boum = gen. mv.)
119    Improbus           Slecht
119    Anser              Gans
120    Grus               Kraanvogel
120    Intibum            Lof, andijvie
120    Fibra              Vezel, ingewanden (mv)
123    Acuere             Scherp maken, perfectioneren, aansporen
123    Corda              Snaar, pens
124    Torpere            Verstard zijn, verstijfd zijn
124    Veternus           Schimmel
125    Subigere           De akkers bewerken
125    Colonus            Boer, pachter
127    Fas est            Het is door het noodlot bepaald
127    Limes              Grens
127    Partiri            Verdelen, splitsen, scheiden
127    Tellus             Aarde, bodem, grond
129    Serpens            Slang, worm
129    Ater               Zwart
129    Virus (onz)        Slijm, gif
131    Decutere           Afwerpen, neerslaan, afstoten
132    Passim             Wijd en zijd
133    Meditari           Nadenken over, overwegen
133    Extundere          Stukslaan, uitslaan
134    Sulcus             Vore van een akker, het ploegen
135    Silex              Harde steen
135    Abstrusus          Verborgen, verstopt
135    Excudere           Uitdrijven, vervaardigen, maken, smeden
135    Venus              Verkoop
136    Alnus (vr)         Els
136    Cavatus            Uitgehold
137    Navita             = nauta, zeeman, matroos
137    Stella             Ster
139    Laqueus            Strik, strop
139    Viscum             Maretak
140    Saltus             Bosrijk dal, weide
141    Verberare          Slaan, treffen
141    Funda              Werpnet
142    Linum              Vlas, linnen
143    Rigor              Stijfheid, onbuigzaamheid, koude
143    Lammina            Plaat van metaal, marmer
143    Serra              Zaag, zaagvis
144    Cuneus             Wig
144    Scindere           Verscheuren, splijten
144    Fissilis           Splijtbaar, gespleten
146    Egestas            Armoede, gebrek

                     52
148   Arbutus (vr)           Aarbeiboom
148   Glans (vr)             Eikel
148   Dodona                 Stad in NW- Griekenland, maar metonymisch
                             gebruikt voor het eikenbos van Dodona
150   Culmus                 Aar
151   Robigo                 Roest (op planten)
152   Carduus                Distel
151   Segnis                 Traag, slap
153   Lappa                  Klit van een plant, kleefkruid
153   Tribolus               = tribulus, een soort distel
153   Nitens                 Schitterend
153   Culta (onz, mv)        Bouwland, akkerland
154   Lolium                 Raaigras, dolik
154   Sterilis               Onvruchtbaar, vruchteloos (zonder succes)
154   Avena                  Haver, riethalm
155   Adsiduus               = assiduus? Voortdurend, onafgebroken
155   Rastrum                Houweel
155   Insectari              Lett. Achtervolgen
156   Opacus                 Donker, duister, schaduwrijk
157   Falx                   Zeis, sikkel
158   Acervus                Hoop, grote hoeveelheid
159   Concussus              Opgewonden, onrustig
160   Serus                  Laat, te laat
161   Messis                 Oogst, opbrengst van de oogst, tijd voor de
                             oogst
162   Vomis                  = vomer, ploegschaar, ploeg
162   Robur                  Eikenboom
163   Plaustrum              Vrachtwagen, sterrenbeeld Wagen, Grote Beer
164   Tribulum               Dorswagen
164   Trahea                 Dorseg
165   Celeus                 Mythologische koning van Eleusis
                             (Griekenland)
165   Virgeus                Van wilgentakken
165   Supellex               Huisraad, uitrusting, gereedschap
165   Vilis                  Goedkoop
166   Cratis                 Soort eg
167   Vanus (vr)             Wan (platte mand die men gebruikte in de
                             landbouw)
167   Iacchus                God van de Eleusinische mysteriën
169   Buris                  Kromhout van een ploeg
169   Ulmus (vr)             Iep
171   Stirps                 Wortelstok, plant, twijg, stronk
171   Temo                   Ploegboom
172   Bini                   Telkens twee
172   Aptare                 Voorzien van, klaarmaken
172   Dentalia               Ploegbodem
172   Dorsum                 Rug
173   Tilia                  Linde
173   Fagus (vr)             Beuk
174   Stiva                  Ploegstaart

                        53
174         Imus                                           Onderste, laagste
174         Currus                                         Span, ploeg voorzien van wielen
175         Focus                                          Haard, brandstapel
175         Fumus                                          Rook, damp


Vertaling

Hoewel deze dingen toch niet de werken zijn van        Though men and oxen, labouring skilfully, have
mensen en runderen, bewerkstelligen de slechte         turned the land, the wretched geese still cause
gans en de Strymonische kraanvogels en de              harm ,and the Strymonian cranes, and the bitter
andijvie met bittere, grievende vezels niets,          fibred chicory, and the shade of trees.
beproefd door het omwoelen van de aarde,
ofwel schaadt de schaduw het.

De vader (Jupiter) zelf van het bewerken wilde          The great Father himself willed it,
helemaal niet dat de weg gemakkelijk was, en als       that the ways of farming should not be easy, and
eerste bewerkte hij kunstig de akkers , terwijl hij    first stirred the fields with skill, rousing men’s
de sterfelijke harten/individuen met zorgen            minds to care, not letting his regions drowse in
prikkelde, en hij stond niet toe dat zijn rijk         heavy lethargy.
verstijfde door het niets doen.

En geen enkele boer/inwoner bewerkte de                Before Jupiter’s time no farmers worked the
akkers vóór Jupiter (tijd: Jupiter was dus de          land:
eerste): het was zelfs niet toegestaan de akker te     it was wrong to even mark the fields or divide
markeren of dat de akker verdeeld zou worden           them
door grenzen.                                          with boundaries:

Ze trachten het te verwerven voor                      men foraged in common, and the earth
gemeenschappelijk gebruik en de aarde zelf             herself gave everything more freely, unasked.
bracht alles op een vrijere manier, terwijl ze
niets eiste.

Deze (Jupiter) voegde een schadelijk gif toe aan       He added the deadly venom to shadowy snakes,
de donkere slangen en hij beval dat de wolven          made the wolves predators, and stirred the seas,
moesten roven en dat de zee moest bewogen              shook honey from the trees, concealed fire,
worden en hij schudde honing af uit het loof en        and curbed the wine that ran everywhere in
hij verwijderde het vuur en hij hield wijd en zijd     streams,
de wijnsoorten die liepen in de oevers tegen           so that thoughtful practice might develop
opdat hij geleidelijk de verschillende gebruiken       various skills,
van de kunst zou verdrijven door na te denken,         little by little, and search out shoots of grain in
en opdat hij in de voren van het graan kruid zou       the furrows,
zoeken, opdat hij een verborgen vuur zou               and strike hidden fire from veins of flint.
smeden uit de aderen van een vuursteen.

Dan voelden de rivieren als eerste de holle            Then, rivers knew the hollowed alder-boat:
bootjes van elzen hout;
toen maakte de schipper met de sterrenbeelden          then, sailors told and named the constellations,
groepen en namen: Pleiadas, Hyadas en de               the Pleiades, the Hyades, and Lycaon’s gleaming
beroemde Grote en Kleine Beer (grote/kleine?)          Bears:
van Lycaon (vader van Callisto).


                                                      54
Dan ontdekte men het vangen van wilde dieren         then men learned to snare game in nets, deceive
in netten, het om de tuin leiden met lokaas en       with birdlime, and surround great glades with
grote ravijnen omsingelen met honden:                dogs:
de ene treft met zijn werpnet reeds de brede         Now one strikes into a broad river, seeking the
stroom zoekend naar dieptes, de andere trekt         depths, while another drags his dripping net
het vochtige net door de zee.                        through the sea:

Dan kwam de stramheid van het ijzer en               then came rigid iron and the melodious saw-
ruisende zaagbladeren (want de eerste mensen         blade
spleten met wiggen het splijtbare hout), dan         (since the first men split the fissile wood with
kwamen de verschillende kunsten.                     wedges), then came the various arts.

Rusteloos werk overwint alles, terwijl de            Hard labour conquered all,
armoede aandringt ook in zware zaken.                and poverty’s oppression in harsh times.
Ceres als eerste leerde de sterfelijke mensen        Ceres first taught men to plough the earth with
(mortalis als acc mv; volgens internet is dit        iron,
mogelijk) de aarde te ploegen met ijzer,

wanneer de eikels en de heilige aardbeibomen         when the oaks and strawberry-trees of the
van het bos afvielen en het eikenbos van             sacred grove
Dodona het levensonderhoud negeerde.                 failed, and Dodona denied them food.
Weldra werd aan de gewassen leed toegevoegd,         Soon the crops began to suffer and the stalks
zodat er slechte roest was op de aren wat            were badly blighted, and useless thistles flourish
betreft de aren en er slappe distel                  in the fields:
bloeide/oprijsde in de velden; oogsten gingen        the harvest is lost and a savage growth springs
verloren, een ruw bos ontsproot en kleefkruid        up,
en distels, en tussen de schitterende                goose-grass and star-thistles, and, amongst the
akkerlanden overheersen de ongelukkige dokil         bright corn,
en de vruchteloze haver.                             wretched darnel and barren oats proliferate.

Tenzij je het onafgebroken onkruid met een hak       So that unless you continually attack weeds with
te lijf gaat en je vogels schrik aanjaagt met een    your hoe,
geluid en je de schaduwgevende takken van het        and scare the birds with noise, and cut back the
platteland snoeit en je de regen zal oproepen        shade from the dark soil with your knife, and call
met verlangens, helaas zul je tevergeefs een         up rain with prayers, alas, you’ll view others’
grote hooiberg zien van een ander en je zal de       vast hayricks in vain,
honger stillen in de bossen met een hevig            and stave off hunger in the woods, shaking the
schuddende eik.                                      oak-branches.

Ik moet ook vertellen van de wapens voor de          I must tell of the sturdy countryman’s weapons,
stevige landbouwers zonder welke de gewassen         without which the crops could not be sown or
niet konden worden gezaaid of konden groeien.        grown:

Eerst de ploegschaar en de zware kern van de         first the ploughshare, and the curved plough’s
gebogen ploeg, en de trage rollende wagens van       heavy frame,
moeder Eleusina (Demeter) en de dorswagens           the slow lumbering wagons of Demeter, the
en de dorseggen en houwelen met een te zwaar         Eleusinian mother,
gewicht,                                             threshing sledges, drags, and cruelly weighted
                                                     hoes:
bovendien de wilgentakken van Celeus en het          and the ordinary wicker-ware of Celeus, besides,
goedkope gereedschap, de eggen van het hout          hurdles of arbutus wood, and Iacchus’s sacred
van de aardbeiboom en de mysterieuze wan van         winnowing fans.

                                                    55
Iacchus,

alle dingen zul je terugplaatsen als herinnering    You’ll store away all these, you’ve remembered
met voorzienigheid van lang tevoren, als de         to provide long before,
nobele roem van het goddelijke platteland           if the noble glory of the divine countryside is to
vasthoudt aan jou.                                  remain yours.

Vervolgens wordt de iep beheerst door de grote      At the start an elm, in the woods, bent by brute
gebogen kracht in de bossen tot het kromhout        force, is trained
van een ploeg en krijgt ze de vorm van een          to become a plough-beam, taking the form of
gebogen ploeg.                                      the curving stock.

“Voor hem is de ploegboom van 8 voet in de          A pole eight feet in length is fitted to the stock,
lengte uitgetrokken met wortel en al, en twee       two earth-boards, and a double-backed share-
strijkborden en dubbele ploegbodems worden          beam.
gemonteerd aan de rug.”

En vooraf wordt de lichte linde omgehakt voor       A light lime-tree is felled beforehand for the
het juk en de hoge beuk en de ploegstaart, die      yoke, and a tall beech
de laagste ploegen folteren weg van de              for the plough handle, to turn the frame below,
oppervlakte en het zwevende eikenhout verkent       from behind,
de rook van de brandstapel.                         and smoke from the hearth seasons the hanging
                                                    wood.




Een licht linde wordt vooraf gekapt voor het juk, en een hoge beuken
voor de ploeg handvat, aan het frame onder, van achter hun beurt
en rook van de haard seizoenen de opknoping hout.




Vragen

    1.   R. 123 corda zou moeten onz. Mv. zijn, maar cordum bestaat niet
    2.   R. 155 zou het kunnen dat assiduis inhoudelijk bij herbam staat?
    3.   R. 155 avis, weer acc. mv. ?
    4.   R. 160 volledig
    5.   R. 171-172: volledig



Gevonden op internet

Eerste opmerking: Welk lezerspubliek had Vergilius voor ogen?




                                                   56
De meningen zijn, zoals altijd onder filologen, verdeeld. Het is onze bedoeling twee visies in nuce te
bespreken: de opvatting die we terugvonden in "Het Feest van Saturnus" van Piet Gerbrandy, en de
opvatting die we lazen in de voortreffelijke inleiding van Piet Schrijvers' vertaling van de Georgica.

                                      Piet Gerbrandy: Het werk van Vergilius is vrij van didactische
                                       bedoelingen. Het zijn vooral andere bekommernissen die
                                       prevaleren, met name:

                                   1. Filosofische bekommernis: Vergilius verwoordt op pregnante
                                       wijze de "condition humaine": de afhankelijkheid van de mens
                                       van de natuur en, nauw daaraan verwant, de plaats van de
                                       mens in het universum. Bij Piet Schrijvers vinden we een
                                       gelijkaardige gedachte terug: "Juist door het onvermeld laten
                                       van sociale hiërarchieën en het benadrukken van het
                                       algemeen-menselijke karakter van de (land)arbeid heeft de
                                       Georgica een wijdere uitstraling kunnen verkrijgen als gedicht
                                       over het menselijk bestaan." (2004:15)
                                   2. Politieke boodschap: Octavianus moet het nog wankele
                                       evenwicht tengevolge van de talrijke burgeroorlogen in stand
                                       houden.
                                   3. De Georgica als "poëticaal monument": Hoe zag Vergilius zijn
                                       taak als dichter?




                                      Piet Schrijvers ontkracht bovenstaande stelling die zich
                                       hoofdzakelijk baseert op een 19de eeuwse poëziepraktijk
                                       waarbij het genre van het leerdicht niet meer actief beoefend
                                       werd. Want, hoewel de 3 bovenvermelde bekommernissen
                                       onmiskenbaar in de Georgica aanwezig zijn, mogen we zeker
                                       niet blind blijven voor de tal van accurate gegevens die
                                       Vergilius ons verstrekt aangaande de landbouw. Beweren dat
                                       Vergilius gepoogd heeft om tot een volledige en systematische
                                       behandeling van de landbouw ten behoeve van de boer te
                                       komen, is natuurlijk nonsensikaal. Twee argumenten hiervoor
                                       zijn:
                                           o    de taalkundige moeilijkheidsgraad van het werk;
                                           o    de literaire geleerdheid.

                                                   57
     Conclusie: Het publiek dat Vergilius voor ogen had was de economische - culturele toplaag.


    Tweede opmerking: Genre + stilistische kenmerken.

                                       Genre:

De Georgica wordt algemeen gerekend tot de descriptieve poëzie: Vergilius wil vooral d.m.v.
beschrijvingen het landleven voor het geestesoog van de lezer laten opdoemen.

                                       Stilistische kenmerken:

         - personificatie
         - beeldspraak ontleend aan het militair-politieke leven van de Romeinen


[TIP: voor een heldere definitie van deze stijlfiguren en tal van vbn., surf naar
http://www.nederlands.nl/dichtwoordenboek/]


    Derde opmerking: Vergilius & Hesiodus


Het is een belangrijke regel in Grieks-Romeinse poëzie dat wie als eerste een genre sticht,
toonaangevend is voor alle andere dichters die zich in datzelfde genre willen bekwamen. Er is dus
m.a.w. geen vernieuwing mogelijk binnen een genre, hoewel er creatief kan worden omgesprongen
met de beperkingen die een bepaald genre aan de dichter oplegde (denk maar aan Ovidius met zijn
Ars Amandi).
Vergilius diende zich dus te plooien naar de wetmatigheden van de didactische poëzie, zoals die
ontwikkeld werden door Hesiodus (8ste E. v. Chr., Askra, Boeotië).

                                    1. Relatie leraar - leerling: Het medium voor kennisoverdracht
                                        ten tijde van Hesiodus was poëzie. Ten tijde van Vergilius lag
                                        dit al helemaal anders: wilde je didactische richtlijnen geven
                                        aan iemand, dan deed je dat niet meer in versregels, maar in
                                        proza. Het leerdicht was verworden tot een literair spel dat
                                        gespeeld werd door erudiete auteurs voor erudiete lezers. Op
                                        die manier krijg je in de Georgica een enigzins complexe
                                        relatie met betrekking tot het publiek: Vergilius richt zich tot
                                        de boeren (voorgewend publiek) tegenover "the high society"
                                        van Rome (werkelijk publiek).




                                                    58
                                  2. Variatie in stof (i.e. narratieve uitweidingen ter afwisseling) =
                                      parekbasis; egressus, egressio. Het Orpheus en Eurydice
                                      verhaal is zo'n uitweiding.
                                  3. Verwantschap leerdicht - epos: de epische versmaat (de
                                      dactylische hexameter), de epische of Homerische
                                      vergelijkingen; de hoog-epische epitheta ornantia.




Conclusie: Vergilius heeft geen leerdicht pur sang geschreven. Dit was op het ogenblik waarop het
werk geconcipieerd werd ook niet meer mogelijk, vermits het leerdicht toen reeds verworden was
tot een virtuoos literair spel, dat een ambigue relatie met betrekking tot het publiek veronderstelde.
De affiniteit van het leerdicht met het epos treedt op het niveau van twee formele kenmerken naar
voren: de versmaat en het episch gekleurde taalgebruik (vergelijkingen + epitheta).




                                                  59
LATIJNSE LETTERKUNDE LES 4


                  1. Propertius


Leven

Leven
 Geboren Umbrië (waarschijnlijk Assisi): 49-47 v. C.
 Familie: welgesteld, ridderstand. Maar: door “Perusijnse” oorlog (Perusia = Perugia: strijd in de
    burgeroorlog: Octavianus heeft Perusia veroverd in 41-40 v.C.): verlies en confiscatie van land
 Propertius: naar Rome voor politieke en juridische carrière, maar al in 29: geen retorische
    training meer, maar in “hippe” literaire milieus en in contact met Cynthia (echte naam: Hostia,
    volgens Apuleius)
 Contact met Maecenas: komt in zijn kring in 28 (waarschijnlijk): contact met Vergilius en
    daarnaast ook nauwe banden met Ovidius.
 Dood: waarschijnlijk ongeveer 16 v.C.: geen latere chronologische verwijzingen in zijn werk.

Werk
        4 boeken met elegieën: - Eerste: 28 v. C. ook bekend onder Griekse naam: monobobiblos
                                22 elegieën (10-52 verzen): eerste woord van boek = Cynthia en
                                Alle gedichten gaan over de fascinatie van Propertius voor
                                Cynthia. Slechts 1 verwijzing naar politiek: naar de Bellum
                                Perusinum: hij vermeldt de dood van een familielid. Vermelding
                                Van de oorlog was niet welkom bij nieuw regime. Verwijzing
                                Staat in het laatste gedicht (soort sphragis, of handtekening)
                            - Tweede: waarschijnlijk 25 v. C.34 elegieën: sommige worden in 2
                                 gedeeld door critici (6-94 verzen). Eerste elegie toont contact met
                                 groep van Maecenas: hij verwerpt epische poëzie en verder ook
                                 “celebratory” (vererende???) poëzie. Cynthia in het centrum, maar
                                 vanaf 10de elegie hommage aan de “princeps” en zijn triomfen.
                            - Derde: misschien samen gepubliceerd met het tweede, maar
                                 waarschijnlijk apart, het tweede in 25 v. C. en het derde in 22 v. C.
                                 25 elegieën (18-72 verzen). Nog altijd over Cynthia, maar
                                 overschaduwd door de ‘discidium’ definitieve scheiding, die
                                 verwacht wordt. Naast dit thema ook motieven die verwijzen naar
                                 het regime van Augustus: vb: goede wensen voor de expeditie tegen
                                 de Parthen, het loven van Rome en Italië, een begrafenislied voor
                                 Marcellus (adoptie- en schoonzoon van Augustus, gestorven in 23 v.
                                 C.),..
                                   duidelijk dat de dichter steeds meer geïntegreerd raakt in het
                                 regime.
                            - Vierde: waarschijnlijk 16 v.C. 11 elegieën (48-150 verzen). Meer
                                 geëngageerde elegieën. Nog slechts 2 opgedragen aan Cynthia: het

                                                   60
                                   achtste: over de agressie van Cynthia wanneer ze jaloers is en het
                                   negende: Cynthia verschijnt als een schim in zijn droom: bitter en
                                   agressief.
                                   Andere elegieën: over de “directives” (leidraden???) van de officiële
                                   cultuur. Maar: geen “celebratory” poëzie: trouw aan Alexandrijnse
                                   poëzie. Volgt Kallimachos’ aitia (Oorzaken, oorsprongen) na. Wil
                                   mythen en rituelen van de Romeinse en Italische traditie illustreren.
                                   Vb: legende van Hercules en Cacus, de god Vertumnus,…

 Bronnen: autobiografische verwijzingen in zijn poëzie, verwijzingen bij Ovidius. Geen antieke
   biografieën. Over Cynthia: informatie bij Apuleius.

      In the name of Cynthia: the First book
    Gewoonte van Alexandrijnse dichters: verzameling gedichten naam van meisje geven aan wie het
      opgedragen was  eerste boek van Propertius: Cynthia (of monobiblos)
    Vanaf het begin: over Cynthia (zie eerste gedicht dat we moesten lezen)
      Cynthia= zeer elegante vrouw, kent literaire en muzikale cultuur (naam Cynthia: afgeleid van
      Cynthus: berg op Delos, gewijd aan Apollo.) Ze leeft als courtisane in de hippe kringen van politici
      en auteurs. Voor Propertius: zich verbinden aan zo’n vrouw = symbool voor het ingaan tegen de
      code van respectabiliteit waaraan een man van zijn status gebonden was. (=> het is degradatie
      voor hem)
    Hij ziet af van een carrière en sociale eer, maar vindt dat niet erg: zijn relatie met Cynthia wordt
      gepresenteerd als slavernij, maar hij geniet van zijn lijden: attitude van een “vervloekte dichter”.
      Cynthia is zijn reden van bestaan.
    Hij verwerpt de mos maiorum (zeden van de voorouders) en het belang (primacy) van de waarden
      van de civitas, ten voordele van een leven dat volledig aan liefde gewijd is. Hij aanvaardt zijn lot,
      bijna op een filosofische manier: lijkt op een filosofische levenskeuze. Zijn levenswijze schenkt
      hem “autarkeia”, zoals de Griekse filosofen beloofden.
    Leven en poëzie worden 1: leven = materiaal voor poëzie, poëzie is middel om vrouw te verleiden:
      enige middel dat dichter heeft om vrouw te verleiden. Men houdt van de poëzie van bv
      Kallimachos, omdat die het best is om een vrouw te verleiden.
    Hij droomt niet van vrije liefde: hij wil de ideale, exclusieve, eeuwige liefde van/met Cynthia. Hij
      droomt van de traditionele modellen en ziet liefde als een soort verdrag, verzekerd door de
      goden. De realiteit is anders => de dichter wordt gekweld door de tegenstelling waarin hij
      gevangen zit: hij wordt aangetrokken door de hippe elegantie van de vrouw, maar zoekt in haar
      ook eenvoud, trouw en absolute toewijding. Dichter = onverzadigd => hij wil vluchten in de pure
      wereld van de mythe.

     A larger corpus and the break with Cynthia
     Groot succes van eerste boek => interesse van Maecenas, die Propertius tot nieuwe vormen
      van poëzie wil brengen en hem laten meewerken aan de culturele politiek van het regime. Er
      zijn sporen van de druk te zien, en ook van Propertius’ verzet ertegen. Vb: opening van het
      tweede boek: verzet tegen de dwang om episch-historisch werk te schrijven en bevestiging van
      de eenheid van levensstijl en poëzie
     Attitude van Propertius: complexer dan in boek 1: hij voelt zich oncompleet: relatie met Cynthia
      wordt pijnlijker => meer nood om haar te idealiseren: ze kan niet op tegen de vergelijking met
      de mythische voorbeelden.
     Dit proces (dat samengaat met complexere vormen van compositie) gaat nog verder in het
      derde boek: meer gevarieerd materiaal: minder direct verbonden met zijn liefde voor Cynthia.

                                                     61
   Meer zelfironie, hij kijkt naar zichzelf met meer afstand => verwijding van zijn perspectief: meer
   gnomisch-didactisch.
 Bevestigt keuze voor fijne poëzie en verwerping van epiek, maar poëzie is niet langer verbonden
   met een levensstijl: enkel op basis van literaire en esthetische bekommernissen. Boek eindigt
   met een vaarwel aan Cynthia: scheiding: maakt de cirkel rond met het eerste boek dat begon
   met haar naam.

 Civic elegy
 Relatiecrisis en de afstand van het liefdeselegie: op het moment dat de Aeneis verschijnt. Door
   druk van Maecenas en misschien ook Augustus zelf en een crisis binnen het schrijven van
   erotische elegieën zelf drijven Propertius naar een nieuw soort poëzie. Hij koppelt het elegie los
   van de “eros” en maakt er een genre op zich van: in navolging van Kallimachos onderzoekt hij
   de oorzaken in zijn vierde boek. Over het vroege Rome en mythen: elegant, ironisch en soms
   licht komisch (zoals Kallimachos). In sommige elegieën: pathos en liefde. Liefde is niet afwezig
   in het 4de boek, ook Cynthia niet: ze komt terug in een sfeer van ondeugd, of als een schim na
   de dood en roept de vroegere liefde terug op en bevestigt de eeuwigheid ervan.
 Hij hecht opnieuw waarde aan liefde binnen een huwelijk, familiegevoelens en huiselijke
   waarden, kuisheid en tederheid.

 Destiny of style
 Propertius wordt gezien als een moeilijke, soms duistere dichter: geconcentreerd, veel
   metaforen en experiment met nieuwe expressiemogelijkheden. Erfenis van Kallimachos: toont
   zich in de ongebruikelijke “iuncturae” (weet niet wat daar mee bedoeld wordt…) en de
   complexe syntactische structuren.
    Bijna duister. Deze stijl heeft ervoor gezorgd dat er veel “veranderd” (=>fouten) is in de
       manuscripttraditie. Vaak onherstelbaar. Er zijn gaten, fouten,.. maar het is ook moeilijk om
       de verschillende elegieën van elkaar te scheiden: dat komt door een typisch kenmerk van
       zijn poëzie: Propertius houdt van een abrupt begin aan zijn elegieën, gevolgd door
       onvoorspelbare bewegingen, uitweidingen door beelden, waarbij hij geen expliciete
       connecties maakt, maar een verborgen, innerlijke logica volgt. In deze vorm van expressie
       en in zijn mengeling van pathos en ironie ligt de aantrekkingskracht die de poëzie van
       Propertius heeft op de moderne lezer.




                                                62
Tekst



I.1.

 regel Latijn                        Nederlands
 1      Miserum - contactum          Sluit bij elkaar aan
 3      Fastus (poëtisch)            Hoogmoed, trotse minachting; hooghartigheid
 3      Deiecit (< deicio)           Naar beneden gooien, neerslaan
 3      Constantis (= gen)           standvastig
 4      Pressit (< presso)           Drukken, duwen – hier buigen
 5      donec                        tot
 5      Castas ( < castus, a, um)    Rein, zuiver
 7      ei                           Uitroep van verdriet – interjectie – Ach! Wee!
 7      Deficit (< deficio)          Zijn einde naderen
 9      Milanion                     Griekse held, zoon van Amphidamas (Arcadiër) die Atlanta
                                     won dochter van Iasus an Clymene. Atlanta was beroemd
                                     voor haar lopen. Ze was een maagd en volger van Diana-
                                     Artemis. Ze ging akkoord te trouwen met de man, die haar
                                     kon verslaan in een race. Venus- Aphrodite gaf Milanion 3
                                     gouden appels, degen hij gebruikte als lokaas om Atlanta te
                                     vertragen in de race.
 9      Tulle                        vriend van Propertius/de neef van Lucius Volcacius Tullus
                                     consul in 33 v.C en pro-consul van Asia 30 – 29 v.C.
 10     Contudit (< contudo)         verpletteren
 11     amens                        Buiten zinnen
 12     Hirsutas (hirsutus, a, um)   Stekelig, ruw, onbeschaafd
 13     Hylaei                       Hylaeus was een centaur die Atlanta aanvalde en haar
                                     probeerde te verkrachten bij de Caledonische
                                     everzwijnenjacht. Hij verwondde haar geliefde Milanion
                                     terwijl hij haar beschermde.
 19     pellacia                     verleiding
 21     en                           Kijk (tussenwerpsel)
 21     agedum                       De dum achter age is vaak versterking
 24     Cytaneis                     Cytaeine, Cytaeis, Colchis: aan het oosterlijke einde van de
                                     Zwarte Zee, het huis van Media, befaamd voor zijn
                                     Thessalische heksen
 31     Annuit (< annuo)             Toezeggen, toeknikken



                                             63
Vertaling



Cynthia was de eerste. Ze ving met haar ogen mij, de ongelukkige die ervoor nooit door
verlangens/liefde beroerd was. Amor op die moment wierp neer aan mij licht van standvastige
minachting en boog mijn hoofd met zijn geplaatste voeten, tot hij me onderwees een afkeer te
hebben van maagdelijke meisjes, schaamteloze, en te leven zonder enige voornemen. Ach de
krankzinnigheid aan mij naderde zijn einde nog niet na een heel jaar, wanneer ik toch gedwongen
werd de goden tegen mij te hebben. Het was niet door hard werk te ontvlucten, Tullus, dat Milanion
de wilde dochter van Iasos verpletterde in een benarde situatie. Want hij dwaalde rond in de grotten
van de Parthen buiten zinnen, opnieuw ging hij in de ruwe (grotten) en daar waren wilde beesten;
een andere keer ook geschokt door de wonde van het gewei van Hylaeus, klaagde hij gekwetst op de
Arcadische rotsen. Dus snel kon hij het meisje bedwingen: zo is dat de waarde van de trouw en
weldaden in de liefde. Maar bij is Amor traag en denkt niet na over geen enkele kunsten, hij
herinnert niet de bekende wegen, zoals vroeger. Jullie, die de truc doen met de maan, die offers
uitvoeren op heilige haardplaatsen, vooruit verander de geest van onze meesters, en maak haar
smoorverliefd op mijn gezicht! Dan zal ik geloven dat jullie met Cyteense gezangen de Manes en
sterren leiden. Maar jullie, die mij te laat terugriepen/die te laat een fout herstellen terwijl ik aan het
wegglijden was, vrienden, zoek hulpmiddelen voor de niet-gezonde geest. Sterk zullen we mes en
wilde branden verdragen, moge er vrijheid zijn om te willen spreken met woede. Breng mij naar
exotische mensen, over de golven, waar geen elke vrouw mijn reis kent. Blijf, aan wie de god met
gemakkelijk oor toeknikte, moge julie gelijk zijn in veilige liefde. Want Venus vermoeit mij bittere
nachten uit en geen enkele tijd is de Liefde afwezig. Vermijd dit kwaad, ik waarschuw jullie: laat ieder
blijven hangen aan zijn eigen zorgen en verander niet de plaats voor een gebruikelijke liefde. Want
als iemand mijn waarschuwingen zou opmerken met trage oren, o mijn woorden zullen terugkeren
met pijn/verdriet!



I.3



regel        Latijn                              Nederlands
1            carina                              Metonymie voor schip
2            Languida (<languidus, a, um)        Loom, traag
4            Cotibus (< cautes/cotes)            rots
5            Edonis                              Thracië; het land aangrenzend aan de
                                                 Zwarte Zee, Propontis en het noordoosten
                                                 van Egeïsche zee. De culten van Bacchus en
                                                 Orpheus werden hier gevolgd

6            Apidano                             Apidanus is een rivier in Thessalië

                                                    64
9           Ebria (< ebrius, a, um)             Zat
13          Correptum (< correpio)              Gevangen, overvallen




Vertaling



Als het meisje van Knossos lag, terwijl Thesues wegvoer met zijn schip, loom op de achtergelaten
kusten; of als Andromeda, de dochter van Cepheus, achterover lag in haar eerste slaap vrij van harde
rotsen; of als je valt in het gras bij de Apidanus, uitgeput door de eindeloze Thrakische dansen:
Cynthia leek zo aan mij te zijn zachte stilte ademend en haar hoofd rustend op vervlochten handen,
wanneer ik zat aangestrompeld kwam door te veel Bacchus (wijn), terwijl de jongens zwaaiden met
nachttoorts. En dus ik, nog niet alle gevoelens verloren was, probeer ik haar lichtjes te naderen en
druk ik tegen het bed; en hoewel een paar me beveelden, overvallen door lust, Liefde aan de ene
kant en Vrijheid (Bacchus) aan de andere kant, elk een harde god, om haar te testen, met een arm
omhoog geheven, en kussen te nemen, mijn wapen in de hand, toch durfde ik niet de rust van mijn
meesteres te verstoren, vrezend voor haar beproefde wildheid in een ruzie; maar ik bleef

…

En nu eens maakte ik los de kransjes van ons voorhoofd en ik plaatste ze op jouw tempels, Cynthia;
en dan weer was ik blij de omlaag bewegende haren vorm te geven; nu gaf ik stiekem fruit in je holle
handen: ik schonk alle geschenken in een ondankbare slaap, uitgestoken geschenken voor een naar
voren neigende boezem; en zo vaak als je zeldzaam zuchten gaf met beweging, was ik verbaasd,
terwijl ik valse voortekens geloofde, dat in zoverre visies onbekende angsten zouden brengen, of dat
iemand je tegen je wil, zou dwingen dezijne te zijn:




<corrola, ae, f: kransje              <munus, eris, onz:                  <qua: in zoverre
<lapsus: omlaag bewegend              geschenken                          <visum, onz: visioen
<formare: vorm geven                  <suspirium, i, onz: zucht           <insolitus,a,um: onbekende
<fortiva: stiekem                     <quotiens: zo vaak als
<pomum, onz: vrucht/fruit             <motus, us, m: beweging


Totdat de maan vooruitsnelde door verscheidene vensters, De drukke maan met dralende lichten,
Opende haar gesloten ogen met lichte stralen. Zo zei, onervanderlijk liggend op het zachte bed:
waarom is cubitum onzijdig?) Heeft het onrecht van een ander nadat hij jou teruggebracht naar ons
bed dan wel, Uitgedreven uit gesloten deuren? Want waar heb jede lange tijden van mijn nacht
gespendeerd, Jij, loom, nadat de sterren uitgedreven zijn, ah ik? O hopelijk doorsta jij, verdorvene,
zulke nachten, Als jij beveeld dat ik, ongelukkige altijd moet hebben! Want zoëven liet ik de slaap na
let puperen weefsel, En opnieuw, vermoeid, door het lied van Orfeus’ lier; Soms beklaag ik lichtjes


                                                  65
eenzaam bij mezelf De dikwijls lange uitstellen bij een uitwendige liefde: Terwijl Sopor (= god vd
slaap) mij dreef te slapen onder zijn aangename vleugels. Dat was de laatste zorg voor mijn tranen.



<praecurro: vooruitsnellen
<moror: dralen
<sedulus,a,um: druk
<in toro cubare: op bed
liggen
<fixus: onveranderlijk
<tandem: dan wel
<ei mihi: ah, ik!
<fallere: nalaten
<stamen, inis, onz: weefsel
<queror: klagen
<desertus: eenzaam
<lasso: uitputten
<Sopor: god vd slaap




                                                 66
                    2. Sulpicia


Leven

     -    Gedichten geschreven met veel zelfkennis
     -    Een jonge vrouw die weet wat ze wil
     -    Haar werk maakt deel uit van het Corpus Tibullianum
     -    Nichtje van Servius Sulpicius en Messalla

Corpus Tibullianum

     -    Oorspronkelijk 3 boeken
     -    De humanisten deelden het derde boek in 2 delen => 4 boeken
     -    Eerste 6 gedichtjes van boek 3 voor Neaera van Lygdamus; werd aanvankelijk beschouwd als
          pseudoniem voor Tibullus zelf, maar dat bleek onmogelijk achteraf
     -    Daarna dacht men dat Lygdamus misschien Ovidius was
     -    Na de 6 gedichtjes komt een lang gedicht van 211 hexameters, Panegyricus Messalae
     -    Daarna 13 andere (begin boek 4)
     -    De eerste 5: toegeschreven aan Tibullus en gaan over de liefde van Sulpicia voor Cerinthus
     -    Cerinthus is waarschijnlijk een pseudoniem voor Cornutus, een vriend van Tibullus
     -    De volgende 6: (7-12) wat wij hebben gelezen: toegeschreven aan Sulpicia zelf: liefdes
          notities voor Cerinthus



Sulpicia was een Latijnse dichteres uit de tijd van keizer Augustus. Zij was waarschijnlijk een nicht van Valerius Messala
Corvinus, tot wiens literaire kring zij behoorde. Verder is er weinig over haar bekend.
In het zgn. Corpus Tibullianum zijn een aantal gedichten van haar hand opgenomen, die haar liefde tot een
zekere Cerinthus (een pseudoniem?) tot onderwerp hebben. Het zijn eenvoudige, directe liefdesgedichten, korter van
omvang dan de gewone elegie, en zonder mythologisch apparaat, die de lezer aangenaam treffen door hun natuurlijke
toon.
Vermoedelijk is Sulpicia de enige dichteres uit de Latijnse literatuur van wie we enkele verzen bezitten. Waar en wanneer
ze geboren werd, wie ze was en wanneer ze gestorven is, is ons evenwel niet bekend. Zij moet haar vader Servius Sulpicius
als kind verloren hebben waardoor haar oom Valerius Messala Corvinus (64 v.C.-13 n.C.) tot voogd over haar werd
aangesteld. Wellicht was hij de broer van haar moeder Valeria. Messala kon bogen op enige roem als krijgsheer. Hij had ook
een literaire kring rond zich, waartoe dichters als Tibullus en Cornutus hebben behoord. We mogen ervan uitgaan dat
Sulpicia beiden gekend heeft en dat zij via de kring van haar oom op speelse wijze in contact kan gekomen zijn met poëzie.
Wellicht heeft ze zich dankzij die informele contacten en de goede opvoeding die ze via haar oom kreeg, uiteindelijk zelf
aan enkele gedichtjes gewaagd.

De amper veertig verzen van Sulpicia die via Tibullus tot ons kwamen zijn geschreven in eenvoudige elegische disticha. Ze
zijn ietwat moeizaam geformuleerd, maar zijn zeer direct en persoonlijk. Op emotionele en toch vrijgevochten manier richt
Sulpicia zich tot een zekere Cerinthus die met haar gebroken heeft. Vermoedelijk was dit trouwens een schuilnaam voor
Cornutus. In dat geval zal Tibullus de situatie zeker van dichtbij hebben kunnen volgen. Hijzelf of Cornutus hebben dan
enkele antwoorden op Sulpicia's versjes geschreven. De stijl daarvan steekt sterk af tegen de ietwat simpele poëzie van het
meisje. Haar versjes lijken zo uit een dagboek te komen... Op enkele papyrussnippers of andere fragmentje na, zijn dit in elk
geval de enige lyrische ontboezemingen van een vrouw die ons in de Latijnse literatuur bewaard zijn gebleven. Dat gegeven
alleen al verleent er een toch wel bijzonder aura aan...
De zes Sulpiciagedichtjes bevinden zich in het vierde boek Elegieën van het Corpus Tibullianum. De chronologie ervan is
betwist.



                                                              67
Tekst1

1 texisse > tegere: bedekken, verbergen           9 iuvare : verheugen
1 qualis : zodanig als                            9 componere : bijeenplaatsen, vormen
3 exorata : vermurwd                              10 taedet : heeft een afkeer van, verdraagt niet
7 signatis: van een zegeltje voorzien             11 ferar > ferre ? conj pr pass 1E
7 tabella : tafeltje


Versie 1
Eindelijk is de liefde gekomen. Dat ik zo iemand beschermde tegen schaamte in plaats van aan
iemand bloot te geven die naam wil ik het liefste hebben... Vermurwd met mijn muzen bracht
Cytherea hem in mijn armen en legde hem aan mijn hart - Venus gaf 't genot dat was beloofd.
Wanneer men zal zeggen van iemand dat hij zijn deel niet heeft gekregen, mag die van mijn genot
vertellen... Ik, dat ik niet één woord in een briefje met m'n zegel neerschrijf, dat niemand dan mijn
liefste dát zal lezen als eerste, dat wil ik. Hoewel... de zonde smaakt heerlijk, 't gezicht verdraagt het
niet de geruchten te dragen, aangezien ik ertoe gebracht werd hem die het waard was waard te zijn.



Versie 2
Daar is de liefde dan. Me ervoor schamen zou beschamend zijn. Ik toon hem naakt, vol trots.
Gezwicht voor wat ik zong heeft Cytherea hem nu hierheen gebracht en aan mijn borst gelegd. Ze
deed haar eed gestand. Laat wie nooit vreugde kende verhalen van de vreugde die ik vond. Niets
hiervan wil ik in geheime was verbergen, u mag dit niet lezen voor hijzelf het ziet. Graag ga ik in de
fout, maar niet op reputatie. Laat men maar nuffig zeggen: ‘Soort zoekt soort’


Versie 3
Eindelijk is hij gekomen, de Liefde in persoon. Dat ik zo iemand beschermde tegen schaamte
in plaats van aan iemand bloot te geven die naam wil ik het liefste hebben... Vermurwd met mijn
muzen bracht Cytherea hem in mijn armen en legde hem aan mijn hart - mijn Venus gaf 't genot dat
was beloofd. Wanneer men zal zeggen van iemand dat hij zijn deel niet heeft gekregen, mag die van
zijn genot vertellen... Ik, dat ik niet één woord in een briefje met m'n zegel neerschrijf, dat niemand
dan mijn liefste dát zal lezen als eerste, dat wil ik. Hoewel... de zonde smaakt heerlijk, 't gezicht in de
plooi houden wordt een last, want hij was ’t waard en 't is toch algemeen geweten: ik heb hem niet
teleurgesteld...
(http://users.telenet.be/leopold.winckelmans/sulp/sulpicia.htm)


Versie 4
Die liefde kwam ten slot, waarvoor ik mij zou schamen
zo ’k hem verheimelijkte en niet te zeggen dorst.
Venus, vertederd door mijn zangen bracht ons samen,
deed wat ze had beloofd en legde hem aan mijn borst.
Nu mag mijn vreugd door wie zelf van geen vreugde weet
beroddeld worden; ik zal ’t nooit kunnen berouwen.
Aan brieven niet wil ik, gevouwen en discreet,
dat hij alleen het lez’, mijn liefde toevertrouwen.
Mijn misstap maakt mij blij, ’t gezicht in plooi te strijken
verfoei ’k, ik ging naar bed gelijke met gelijke!
(http://www.romeinsimperium.nl/Rom_SulpiciusRufus.htm)

                                                    68
Tekst2

13 villa : landhuis                             18 sinere : toelaten
16 tempestivus, a, um : gunstig, te vroeg, rijp


Versie 1
De gehate verjaardag is er, die op het sombere platteland en zonder Cerinthos droevig moet gevierd
worden.
Wat is er aangenamer dan de stad? Of is een landerij gepast voor een meisje en een koele rivier in
het Arrentijnse veld? Wees nu rustig, Messalla, die te bezorgd is om mij, ach, de gunstige wegen, zo
wreed dichtbij! Hier laat ik mijn geest en mijn gevoelens achter, omdat ik word weggeleid, hoewel je
me mijn eigen mening niet toelaat.


Versie 2
Gehate verjaardag, die ik met saaie vrienden
zonder Cerinthus zelf, buiten zal moeten vieren.
Wat is er fijner dan de stad, hoe zou ik vinden
op ’t droevig platteland, wat ’n meisje kan plezieren?
U slooft voor me, heus, oom Messalla, veel te hard,
een uitje is niet stééds een zalige verkwikking.
Nu laat ik achter hier, ontvoerd, verstand en hart;
geweld beroofde mij van vrije wilsbeschikking.




                                                  69
Tekst3


19 sublatus, a, um : verheven, arrogant           22 opinare : menen, denken, geloven


Versie 1
Weet je dat het droeve verheven pad uit de geest van je meisje [is weggenomen]? Het is nu mogelijk
op haar verjaardag in Rome te zijn. Laat die dag door ons allemaal gevierd worden, de verjaardag die
onverwacht komt voor jou die het niet vermoedde.




Versie 2
Zeg weet je dat die tocht is komen te vervallen?
Ik ben zo blij dat ik in Rome blijven mag!
Worde die dag gevierd in vreugde voor ons allen,
ook onverwacht voor jou een feestelijke dag.

Tekst4



23 securus : zorgeloos, vrolijk              25 quasillum : mandje van een spinster
24 permittere : prijsgeven, toevertrouwen    26 scortum : huid, hoer
24 ineptus : onbruikbaar, ongepast, dwaas    27 sollicitus : bezorgd, onrustig, aandachtig
25 potior, ior, ius : machtiger              28 torus : bed, kussen, spier, koord
25 pressus : opeengedrukt, ingehouden, bondig


Versie 1
Het is lieflijk, vaak zorgeloos dat je jezelf aan mij toevertrouwd, opdat ik, dwaze die ik ben, niet plots
kwalijk zou vallen. Jij hebt liever de zorg van de toga sterker zijn en een geminachte hoer voor een
mandje van een spinster (?), dan Sulpicia, dochter van Servus: ze zijn bezorgd om ons, door wie ze
verdriet heeft, opdat ik niet zou wijken voor een onbekend bed, met grootste kwalen.



Versie 2
Gelukkig dat je je gerust dit permitteerde,
nu val ik niet zo gauw meer voor je valse kus.
Ga dan maar naar die meid, die hoer die je begeerde
boven Sulpicia, dochter van Servius!
Voor vele vrienden was ’t allang een zorgelijke gedachte
dat ik zou wijken voor het bed van een verachte.




                                                    70
Tekst5


30 vexare : kwellen, aanvallen, hevig bewegen 33 proesse : nuttig zijn
30 calor : (zomer)hitte, hartstocht           34 lentus : onverschillig, ongevoelig
31 a : ach


Versie 1
Heb je geen liefdevolle zorg voor je meisje, Cerinthus, omdat het vrome liefdesvuur mijn vermoeide
lichaam nu kwelt? Ach, ik zou niet anders wensen de droeve ziekte te boven te komen, als ik denk
dat jij dat ook wil. Maar wat voor nut heeft het voor mij om ziekte te overwinnen, als jij onze
kwellingen met onverschillig hart kan verdragen?


Versie 2
Cerinthus, geef je nog wel iets om je vriendin,
nu dat mijn lichaam door een zware koorts gekweld
de droeve ziekte niet genezen wil dan in
de wens dat j’evenzeer mijn beter worden wilt?
Maar hoe zou ik er baat bij vinden te genezen
wanneer jij onberoerd bij deze pijn zou wezen!


Tekst6


35 fervidus : brandend, hevig                   37 stultus : dwaas, gek


Versie 1
Moge ik voor jou, mijn licht, geen even vurige zorg meer zijn als ik enkele dagen geleden leek te zijn
geweest,
als ik iets in mijn gehele dwaze jeugd heb gedaan, waarvan ik beken dat het me meer spijt, dan dat ik
je gisterennacht alleen heb achtergelaten, omdat ik verlangde mijn vurigheid te verbergen.


Versie 2
Lieveling: laat de hartstocht die je een paar dagen geleden voor mij leek te voelen voor altijd
bekoelen, als ik, dwaze, in mijn hele jeugd ooit een stommiteit heb begaan waarvan ik zou bekennen
meer spijt te hebben dan van het feit dat ik je gisterennacht heb achtergelaten omdat ik mijn eigen
passie wilde verbergen.


Versie 3
Je mag, mijn lief, de gloed waarmee ik voor jou zinder ervaren als bekoeld in korte tijd, indien ik in
mijn jeugd nog erger stommiteiten begaan heb, waar ik nog meer spijt van heb, dan van het feit dat
ik jou gisterennacht alleen liet, omdat ik bang was me te laten gaan.




                                                  71
Versie 4
’k Wil niet dat jij nog zo hartstochtelijk, lieveling,
op me verliefd bent, als naar ik meen de laatste tijd,
wanneer ’k een stommiteit in heel mijn jeugd beging,
waarvan ’k bekennen moest dat hij mij erger spijt
dan dat ik gisternacht je alleen heb moeten laten,
uit angst mijn te grote verliefdheid te verraden.




                                                  72
LATIJNSE LETTERKUNDE LES 5
           1. Persius

      Juvenalis en Persius: belangrijke kenmerken gemeenschappelijk
           o Verklaring van connectie met satiren van Horatius en Lucilius: link met traditie
           o Maar: ook vernieuwing van genre door hen:
                    Publiek: Horatius en Lucilius: voor kring van vrienden
                        Persius en Juvenalis: formeel geadresseerd aan individu, feitelijk gericht
                       tot algemeen publiek van lezers-luisteraars: dichter is censor van zonde en
                       moraal.
                    Vorm: niet meer conversatie bedoeld om lach op te wekken door
                       onderzoeken menselijke zwakheid: zorgt vooral bij Horatius voor soort
                       betrokkenheid tussen lezer en luisteraar. Lezer wordt medewerker van
                       auteur om model van leven te ontwikkelen.
                        Persius en Juvenalis: betrokkenheid wordt minder: schrijver staat op meer
                       verheven niveau van communicatie. Invectief: slachtoffer wordt “vernietigd”.
                       Dichter: hangt stugge moraal aan.
                    Nieuwe literaire smaak bij Persius en Juvenalis: reactie tegen classicisme ten
                       tijde van Augustus: anti-klassiek “mannerism” (maniërisme????)
                    Satire van Persius en Juvenalis: niet om privé te lezen, maar om in publiek
                       gereciteerd te worden. Wil opvallen aan het publiek: wordt bereikt via
                       retorische technieken

Life and evidence
     Info over leven: uit vita die zou teruggaan op Valerius Probus (grammaticus vd eerste eeuw &
       commentator van Persius)
     Geboren in 34 n.C. in Volterra (Etruskisch gebied: sporen van Etruskisch in voornaam: Aules:
       tussen Etruskische Aule en Latijnse Aulus.)
     Rijke familie van ridderstand
     6 jaar: vader verloren
     12/13 jaar: naar Rome voor opleiding in de beste grammatica- en retoriekscholen.
       Belangrijke leraar: Stoïcijnse filosoof Annaeus Cornutus: bracht hem in contact met
       senatoren die zich verzetten tegen het regime. Ontmoette daarbij o.a. “Lucan” (Lucanus???),
       Seneca, Thrasea Paetus (slachtoffer van Nero geworden)
     Doordat hij bezig was met filosofie: teruggetrokken, sober leven, gewijd aan studie en
       familieaffectie.
     Jong gestorven: in 62: nog geen 28 jaar oud.

Works
   Niets gepubliceerd tijdens leven: na dood gepubliceerd door vriend Caesius Bassus, na revisie
      door Cornutus: eerste literaire pogingen (een tragedie, een reisboek, een elogium (ik denk
      dat dit een soort lofrede is) op Arria Maior: schoondochter van Thrasea Paetus): niet
      gepubliceerd, boek satires wel: onmiddellijk succes.
   Satiren: samenvatting
          o Gedicht als voorwoord (zou ook epiloog kunnen zijn: sommige manuscripttradities
               leveren het op het einde van de collectie over): 14 choliamben: tegen literaire mode
               op dat moment.

                                                73
            o   6 satiren: allemaal in hexameters
                     Satire 1: illustreert “mannerism” van die periode en morele degeneratie die
                        daarbij komt: dichter contrasteert het met het spottende protest van zijn
                        eigen poëzie, die aan vrije mannen gericht is.
                     Satire 2: valt hypocrisie aan van mensen die enkel religieus zijn voor eigen
                        begeerte naar geld.
                     Satire 3: gericht aan jongeman die lui en verkwistend leven leidt: wil hem op
                        pad van morele bevrijding zetten: moet gehoorzamen aan Stoïcisme.
                     Satire 4: noodzaak van “ken jezelf” principe voor politieke carrière: wil
                        daarvoor morele richtlijnen geven.
                     Satire 5: gericht aan Cornutus: over vrijheid in stoïcijnse traditie: contrast
                        tussen laagste ondeugden van mens en de vrijheid van wie zichzelf bevrijd
                        van passie en zich laat leiden door eigen geweten.
                     Satire 6: over de zonde van geldzucht: alternatief model = stoïcijns filosoof
                        die zijn bezit met matigheid benut.

Satire and Stoicism
     Satire: beste genre voor hem om polemiek en verlangen naar waarheid te uiten via sarcasme
        en invectief. Vermeldt vaak redenen voor zijn literaire keuze: poëzie geïnspireerd door
        ethische nood, de nood om tegen corruptie en zonde te strijden => poëzie polemisch
        tegengesteld aan literaire modes van het moment: Persius vond poëzie van zijn tijd slecht
        omwille van de degeneratie in smaak, die ook een teken is van morele waardeloosheid.
     Daarom: kent hij zichzelf eigenschap van rusticitas toe => oppositie tegen modieuze dwaze
        geaffecteerdheid en mythologische thema’s: hij spreekt geweten van mensen aan om ze te
        verlossen: hij wil door een drastische ingreep het geweten vernieuwen.
     Beschrijving van zonde en corruptie: met woordenschat van lichaam en seks: rijkdom aan
        metaforen ter beschikking. Vb: buik = symbool van degradatie van mens: centrum van
        bestaan.
        => beroemdste beelden van Persius komen uit dit gebied.
     In het afkeuren van zonde en beschrijven van het voorkomen ervan: duidelijke link met
        traditie van satire en diatribe. Maar: hij verhoogt de tonen ervan in de richting van de
        barokke, macabere poëzie van Juvenalis.
     Zonde = centraal element in satires: positieve aspecten van morele bevrijding aan de kant
        geschoven: meer beschrijving van slechte aspecten van realiteit dan richtlijnen voor goed
        leven.
     Richtlijnen: komen voort uit stoïcijnse traditie: de filosoof ziet in dat zijn leven een deel is van
        de kosmische orde die door god verzekerd wordt, en daarin vindt hij de natuurwet die hem
        determineert: niet echt politiek engagement, wel concentratie op het innerlijke =
        voorwaarde voor het aanbidden van de deugd

From Satire to Examination of Conscience
    In werk Persius: veel invloeden merkbaar:
          o Altijd invloed van Horatius aanwezig
          o Poëzie onder Augustus: hechtte belang aan educatieve ambities: deels onder invloed
              van Lucretius: dichter zoekt intens contact met lezer/luisteraar die hij wil
              beïnvloeden door hem keuzemogelijkheden en waarden voor te leggen.
              => Persius neemt model van Lucretius en maakt er het tegengestelde van: het
              epicuristische concept van didactische relatie waarop literatuur moet gebaseerd
              worden wordt punt voor punt geliquideerd bij Persius.
          o Horatius heeft attitudes van Lucretius geïntroduceerd binnen het Augusteïsche
              classicisme: herhaalde aansporing tot wijsheid: dichter begeleidt lezer op het pad


                                                   74
                naar eigen waarheid, naar de tuin der wijzen: daar kan hij nadenken zonder niet-
                filosofen in de omgeving.
                => basis van relatie dichter-lezer= wederzijds begrip en welwillendheid.
                Boek van Persius is een meditatie hierop en een daad van verwerping ervan:
                Horatius: dichter = filosoof die vriendschappelijk hand uitsteekt naar lezer
                  Persius: reis van een leraar die niet gehoord wordt.
                Persius verwacht geen succes van zijn poëzie, geen positieve respons van de
                ontvanger. Einde: boze monotonie: geen goeie invloed op moderne lezer: de
                goedaardige humor van Horatius = vervangen door een bewuste harde en agressieve
                houding: noodzakelijk om de onverschilligheid van de miseri die prooi zijn voor zonde
                te overwinnen: vertoont een zekere boerse (rustic) hardheid.
                Maar: voordeel: doordat contact met lezer verzwakt: meer ruimte voor literatuur van
                innerlijkheid, voor een confessionele monoloog. Dit is ook deels ontleend aan
                Horatius.
                Doordat leraar niet gehoord wordt: glimp van persoonlijke route naar filosofie van
                jongeman die nog niet vrij is van moeilijkheden. In zijn leerlingen herkent hij zijn
                eigen “ziekte”, die genezen moet worden. Op het einde komt hij alleen in zijn
                Elyseese velden van filosofie.

The Harshness of the Style
    Duistere stijl: hij houdt gedachtenstroom achter beelden die schijnbaar naast elkaar
      geplaatst zijn, verborgen.
    Hij kiest voor gewone taal, vrij van retorische opsmuk: hij vermijdt verfijning van exotische
      taal of modieuze archaïsche taal. Taal staat open voor de kracht van volksheid: beste manier
      voor Persius om authentieke gevoelens en de natuurlijke realiteit van de dingen uit te
      drukken.
      => hij kiest voor een strenge (harde) stijl; soms qua klank, meestal qua betekenig.
    Taal = eenvoudig, stijl verwringt taal om een waarheid uit te drukken die niet eenvoudig,
      banaal is, om onverwachte relaties tussen dingen weer te geven. Hij gebruikt vaak
      metaforen: om nieuwe relaties tussen dingen te verkennen. Zorgt ook voor expressieve
      kracht.
    Er is een kloof tussen de nood aan een natuurlijke taal en de vernieuwende expressie.
      Duidelijkheid verandert in duisterheid door de artificiële stijl => publiek = beperkt tot literair
      verfijnde mensen die zijn geheimen kunnen ontrafelen.




                                                   75
Tekst

‘Hou jij je bezig met de zaak van het volk?’ ( geloof dat de meester met de baard dit zei, die de wrede
drank van dolle kervel uit de weg ruimde). ‘waarop vertrouwend? Zeg op, pupil van de grote
Pericles. Natuurlijk kwamen je talent en je snelle inzicht in de dingen voor de haartjes (=baard?). Je
bent slim in het spreken of zwijgen (=je weet wanneer je moet spreken of zwijgen). Dus wanneer het
volk krioelt, bewogen door wrevel, beweegt je geest je ertoe stilte te brengen aan de onbezonnen
menigte met de waardigheid van je hand. Wat vervolgens zeggen? “(Romeinse) burgers, meen dat
dit niet rechtvaardig is, dat dit slecht is, dat dit juister is.” Je weet immers het rechtvaardige op te
hangen (af te wegen???) met de dubbele schaal van een tweezijdige weegschaal. Je onderscheidt iets
rechts wanneer het tussen kromme dingen schuil gaat, of wanneer de lat bedriegt met wisselende
(???) voet, en je bent in staat een zwart verdoemingsteken aan een gebrek vast te hechten. Hou je er
dan mee op, tevergeefs schoon met de hoogste (mooiste) huid, voor de dag je staart te slingeren
voor het vleiende volkje (nogal vreemde zin => mss niet juist…), beter zuivere Anticyren te slurpen?
(Anticyren: er waren 2 steden die zo noemden. Volgens de Engelse vertaling gaat het om de inhoud
ervan, maar wat dat dan is, weet ik niet.) Wat is voor jou het hoogste van het goede? Altijd te leven
met een rijke drinkschaal en je huidje verzorgd door de onafgebroken zon? Wacht, dit oud vrouwtje
zou helemaal niets anders antwoorden. Ga nu, poch maar “ik ben een Diomache, ik ben stralend
(mooi)”. Weet dat de rimpelige Baucis niet minder wijs is, wanneer ze basilicum goed bezong voor
een losbandige huisslaaf.’

Hoe niemand in zichzelf probeert af te dalen, niemand, maar kijkt naar de reiszak aan de rug van de
persoon voor hem. (dus met andere woorden: iedereen kijkt naar andermans fouten, maar niet naar
zijn eigen fouten of zoiets.) Je zou me kunnen vragen: ‘Ken jij de boerderijen van Vettidius?’ ‘van
wie?’ ‘De rijke ploegt in Cures (=hoofdstad van de Sabijnen) zoveel als een wouw niet kan
doordwalen. (volgens Engelse vertaling: hij heeft zo’n groot landgoed als een vlieger niet kan
overvliegen.)’ ‘je spreekt over die man, die met woedende goden en een ongunstige geleidegod, die,
wanneer hij ook maar het juk vastmaakt aan de doorboorde kruispunten (verwijst naar een bepaald
feest waarbij het juk werd opgehangen, als teken van de arbeid), vrezend het oude modder van het
kruikje af te schaven, zucht: “moge dit goed zijn” terwijl hij iets bijt met de schil errond (volgens de
Engelse vertaling zou tunicatum gebruikt worden voor groenten of fruit met de schil errond. Zij
vertalen het als ajuinen.), met zout en terwijl zijn slaven applaudisseren voor de pot gevuld met spelt
(zou voor een soort soep gemaakt van spelt staan.) slurpt hij het rampzalige bezinksel van vergane
azijn?

Voc

r     Latijn                                           Nederlands
1     Tractare                                         Slepen, behandelen, zich bezig houden met
2     Sorbitio                                         Drank
2     Dirus                                            Onheilspellend, afgrijselijk, wreed
2     Circuta                                          Dolle kervel, kervelgif
3     Fretus                                           Vertrouwend op
5     Pilus                                            haartje
5     Callere                                          Slim zijn
6     Fervere                                          Gloeien, wemelen van, krioelen, woeden
6     Plebecula                                        Gepeupel

                                                  76
6     Bilis              Gal, wrevel, waanzin
8     Quiris             Romeins burger, het Romeinse volk
10    Etenim             Immers, namelijk, inderdaad
10    Lanx               Schaal (van de weegschaal)
11    Anceps             Tweezijdig
11    Libra              Weegschaal
12    Regula             Lat
13    Theta              Verdoemingsteken
13    Praefigere         Van voor vasthechten
14    Nequiquam          Tevergeefs
14    Pellis             Huid
15    Cauda              Staart, mannelijk geslachtsdeel
16    Desinere           Ophouden met
16    Sorbere            Opslurpen, verzwelgen
16    Meracus            Zuiver
17    Unctus             Gezalfd, rijk
17    Patella            Kleine drinkschaal, offerschaal
18    Cuticula           tere huid
20    Sufflare           Opblazen, boos zijn, pochen
21    Deterior           Minder goed, erger
21    Pannucius          rimpelig
22    Discinctus         Met wapperend gewaad, losbandig
22    Ocimum             Basilicum
22    Verna              Huisslaaf
24    Mantica            Reiszak
25    Praedium           Boerderij, landgoed
26    Milvus             Wouw (vogel)
26    Cures (mv)         Hoofdstad van de Sabijnen
27    Genius             De Genius, geleidegeest, weldoener
27    Sinister           Links, verkeerd, ongunstig
28    Pertundere         Doorboren, opensnijden
28   Compitum           Kruispunt
29   Seriola            Kruikje
29   Limus              Slijk, modder, stof
29   Deradere           Afschaven
30   Ingemere           Zuchten, klagen
30   Tunicatus          In zijn hemd
31   Cepe               ???????
31   Farratus           Met spelt gevuld
31   Olla               Pot
32   Pannosus           Rampzalig
32   Faex               bezinksel
32   Acetum             Azijn, zurige wijn




                   77
Regels 33-52

Maar als jij als gezalfde aarzelt, en de zon vasthecht in je huid,

r.33: unctus< unctus,a,um: gezalfd
r.33: cesses< cessare: aarzelen: conj pr
r. 33: figas< figere: vasthechten: conj pr
r. 33: cute< cutis,is,v: huid

is de onbekende dichtbij jou in bed, die aanraakt en hevig uitspuwt:

r.34: ignotus: onbekend
r.35: despuat< despuo: (uit)spuwen; afwijzen; verafschuwen

‘deze zeden! En de gewiede penis en geen idee hoe deze zin ineen zit :p

r.35: arcana< arcanus,a,um: geheim
r.35: lumbi< lumbus,i,m : lende
r.36: runcantem< runco: wieden
r.36: marcentis< marceo: zwak, slap, krachteloos zijn

dan, wanneer je de fries, geurend naar de olie vd behennoot,kamt met kinnen,

r.37: balanatum< balanatus,a,um: geurend naar de olie vd behennoot
r.37: maxillis< maxilla,ae,v: kin
r.37: gausape< gausape, is,onz: fries
r.37: pectas< pecto: kammen: conj pr

waarom steekt de geschoren keel uit het onderlijf

r.38: inguinibus< inguen,inis,onz: onderlijf, schaamdelen
r.38: detonsus< detondeo: scheren
r.38: gurgulio< gurgulio,onis,m: keel
r.38: extat< exsto: uitsteken

het past dat 5 worstelaars deze boomkwekerij willen

r.39: palaestritae< palaestrita,ae,m: worstelaar
r.39: plantaria< plantarium,i,onz: boomkwekerij

geen idee voor vertaling… :p

r.40: elixas< elixo: koken
r.40: labefactent< labefacto: aan het wankelen brengen, in beweging brengen
r.40: forcipe< forceps,cipis,m/v: tang; schaar
r.40: adunca< aduncus,a,um: gekromd, naar binnen gebogen

toch werd dit onkruid door een enkele ploeg niet vruchtbaarder

r.41: filix,icis,v: varen; onkruid
r.41: mansuescit< mansuesco: tam worden; vruchtbaarder worden


                                                    78
Regels 42-52

We slaan en op ons beurt bieden we onze benen aan de pijlen aan.
Er wordt geleefd met deze deal, zo kennen we het.
Je hebt een verborgen wond onder je schaamstreek,
Maar de gordel bedekt het met een gouden zijde
Zoals je liever wilt, geef woorden en misleid pezen, als je kan.
‘wanneer de buurt uitstekend spreekt over mij, zou ik (hen) niet geloven?
Ik zie als je bleek bent, booswicht, door geld,
Als je maakt naar de penis al wat komt voor jou, bitter,
Als jij veel voorzichtig slaat het muurtje rondom een put met striem,
Heb jij tevergeefs aan het volk je dorstige oren gegeven.
Verwijder wat jij niet bent; laat de handwerksman opheffen zijn geschenken.
Woon bij jou: leer kennen welke gebrekkige huisraad is aan jou.

Woorduitleg:

r.42: vicem< vicis: v: beurt
r.42: praebemus< praebeo: aanreiken, aanbieden
r.42: crura< crus, cruris, onz: been
r.42: sigittis< sagitta: v: pijl
r.43: ilia< ile, ilis, onz: schaamstreek
r.44: balteus: i, m: gordel
r.45: decipe< decipere: misleiden
r.45: nervos< nervus, i, m: pees;penis
r.46: egregium< egregius: uitstekend
r.47: palles< palleo: bleek zijn
r.47: inprobe< improbus: booswicht
r.47: nummo< nummus: geld, munt
r.48: penem< penis,is, m: penis
r.49: puteal: onz: muurtje rondom een put
r.49: cautus: voorzichtig
r.49: vibice< vibex, icis, v: striem
r.49: flagellas< flagello: slaan
r.50: nequiquam: tevergeefs
r.50: bibulas< bibulus,a,um: dorstig
r.51: respue: verwijderen
r.51: cerdo: handwerkman
r.52: curta< curtus: gebrekkig
r.52: supellex, f: huisraad




                                                 79
Persius gebruikt veel van de situaties in deze satire uit een dialoog die Plato schreef met Alkibiades in
hoofdrol, vele zinnen zijn eruit omgezet naar Latijn, zoals bij Conte aangehaald wordt ziet men vaak
ook zaken van Horatius en zelfs Juvenalis.

r.   Latijn                    Nederlands
2    sorbitio                  Het opslurpen; metonymie voor een
                               drankje, soep
2    Cicutae (cicuta)          dollekervel
2    Dirus, a, um              onheilspellend
4    scilicet                  Natuurlijk
5    Pilos (<pilus)            Letterlijk haar; metaforisch: iets
                               onbetekenends
6    Fervet (< ferveo)         Zieden, koken
6    plebecula                 Gepeupel, tuig
6    Bile (bilis)              woedend

7    Calidae (< calidus)       Onbezonnen, opgehitst
8    Quirites                  Quiriten: (a) Romeinse burgers,
                               Romeinen (= cives Romani) (b)
                               (Verg.) bewoners v.d. Sab. stad Cures
                               – Persius schakelt hier van de Griekse
                               setting naar de Romeinse wereld

9    puta                      namelijk
10 Lance (<lanx)               schaal
11 Librae (< Libra)            weegschaal
14 nequiquam                   tevergeefs
14 Pelle (< pellis)            huid
16 desinis                     ophouden met, opgeven, achterwege
                               laten (m. acc.; gen.; abl.; in m. abl.;
                               inf., waarbij desinere vaak door niet
                               meer, niet verder te vertalen is)

16 meracas                     zuiver
16 Sorbere (< sorbeo)          opslurpen
16 Anticyras                   Er waren 2 steden met die naam, een
                               op de
                               Maliac Golf,de andere in Phocis,
                               beide bekend om hun nieskruid
17 patella                     Schaal
17 Uncta (< unctus)            Gezalfd, maar ook rijk


                                                   80
20 Dinomaches                 Moeder van Alkibiades, deze wordt
                              vernoemd in plaats van zijn vader
                              Kleitias, omdat zijn moeder een
                              prominente rol had in de functie van
                              haar man; zij was de schakel met de
                              Alcmaeonidae
20 esto                       Oké; het zij zo
21 Deterius (< deterius) Minder goed
21 pannucia                   gerimpeld
21 Baucis                     Philemon en Baucis een oud koppeltje
                              uit de Metamorphoses van Ovidius
22 Vernae (< verna)           huisslaaf
22 ocima                      basilicum
24 mantica                    rugzak
26 miluus                     havik
26 Curibus                    Uit Cures (belangrijke stad in het
                              gebied van de Sabijnen) afkomstig
28 Pertusa (< pertundo)       Doorboren; maar hier pervia (=
                              wegen)
28 Compita (<                 kruispunt
   compitum)
28 iugum                      Staat symbool voor het harde werk
29 Seriolae (< seriola)       kruik
29 Deradere (< derado)        afwrijven
29 Limum (< limus)            modder
30 tunicatum                  Hier het vel van de ajuim
30 cepe                       ajuin
32 Aceti (acetum)             azijn

1-22. Socrates onthult de incompetentie van Alcibiades voor staatszaken,zijn gebrek
aan ethische opleiding, zijn behoefte aan een rechtvaardig
evenwicht, zijn kruiperige kijk op het leven, zijn kinderlijk trots op zijn oudefamilie en
in zijn knappe gezicht. Socrates en Alcibiades zijn contrasten zo
verleidelijk dat dialogen tussen hen favoriete filosofische oefeningen waren .
r. 1 – 5
“Behandel jij zelf de staatszaken?” - Stel voor dat dit gezegd wordt door de bebaarde filosoof die het
fatale drankje van dollekervel ophief - “op de basis van wat? Zeg me, leerling van de grote Perikles.
Natuurlijk, talent en kennis van het leven is snel gekomen voor je baard, je weet goed wat er gezegd
en niet gezegd mag worden.



                                                 81
r. 6 – 10

En dus wanneer de lagere klassen (schorriemorrie) ziedend zijn en de woede in hun systemen begint
te werk, beweegt jouw geest zich stilte maken door het opgehitste gewoel met de macht van jouw
hand. [Wanneer ze dan stil zijn,] wat zal je hierop zeggen? “Romeinse burgers, dit is namelijk een
onrecht, dit is slecht, dat is juister.” Je weet hoe je het rechtvaardige met wegen in de twee schalen
van de dubbelzijdige weegschaal.



r. 10 – 16

Jij onderscheidt het rechtvaardige waar het vandaan komt tussen de kromme of wanneer de regel je
bedriegt met de van elkaar afgebogen voeten, ben jij in staat de zwarte theta (= brandmerk)
aanbrengen voor de misdaad. Als dit allemaal zo is, waarom zou je tevergeefs ophouden met mooie
huid en voor jouw tijd de staart werpen naar het volk dat hem liefheeft, zo je niet beter de zuivere
Anticyras opslurpen?

r. 17 – 22
Wat is voor jou het belangrijkste goed? Te leven met een rijke schaal elke dag en
onafgebroken met verzorgde huid in de zon zitten? Luister, deze oude vrouw antwoordt
helemaal niets anders. Ga dan en vertel voort. “Ik ben de zoon van Dinomaches, ik ben
mooi”. Het zij zo, opdat jij niet minder weet dan verrimpelde Baucis, wanneer zij losbandig
basilicum uitriep tot huisslaaf.”
23-41. De satire wordt meer algemeen. Het gaat erover dat niemand probeert zijn eigen
fouten te kennen. We houden onze ogen eerder gefixeerd op de buurman en zijn
tekortkomingen. Neem een rijke vrek en van zodra hij vermeld wordt, zullen de details
van zijn gemeen karakter verspreid zijn voor ons. En dat je een zondaar bent, maar in
andere richting. Comp. M. Anton., 7, 71:γελοῖ ό ν ἐ στι τὴ ν μὲ ν ἰ δί αν κακί αν μὴ
φεύ γειν ὃ καὶ δυνατό ν ἐ στι, τὴ ν δὲ τῶν ἄ λλων φεύ γειν ὅ περ ἀ δύ νατον.
r. 23 – 32
Want niemand zoekt in de dieptes van zijn eigen boezem (niemand zoekt naar problemen bij
zichzelf), niemand, maar de rugzak op de rug van de voorbijgaande wordt bekeken! Jullie
vragen: “Ken jij Vettidius zijn bezit?” “Van wie?” “Hij bezit rijke delen van Cures waar een
havik niet over kan rondzwerven.” “Hem, bedoel je, de afkeer van goden en op voet van
oorlog met zijn tweede ik, die, wanneer hij het juk vastmaakt op wegen en kruispunten,
vrezend om de oude modder van de kruik af te wrijven, schreeuwde hij uit: “Moge het voor
de beste zijn!” terwijl hij uien, met vel en al met zout knabbelde, terwijl zijn slaven
applaudiseerden, over de overschot van de pot neerdrupt van vervallen azijn?”
r.    Latijn                      Nederlands
33    Cesses ( < cesso)           Aarzelen; conj pr
33    Figas (< figere)            Vasthechten; conj pr
33    Cute (< cutis, is, v)       huid
35    Despuat (< despuo)          Uitspuwen; afwijzen; verafschuwen
35    arcana                      geheim

                                                  82
35    Lumbi (lumbus, i, m)      lende
36    Runcantem < runco         wieden
36    Marcentis < marceo        Zwak zijn
37    Balanatum < balanatus Geurend naar de olie van de behennoot
37    Maxillis < maxilla        Kin
37    Pectas < pecto            Kammen; conj pr
38    Inguinibus < inguen       Onderlijf, schaamdelen
38    Detonsus < detondeo       scheren
38    gurgulio                  keel
38    Extat < exsto             Uitsteken
39    Palaestritae              worstelaar
39    Plantaria                 boomkwekerij
40    Elixas < elixo            koken
40    Labefacent                Aan het wankelen brengen, in beweging
                                brengen
40    forcipe                   Tang; schaar
40    Adunca < aduncus          gekromd
41    filix                     Varen; onkruid
41    Mansuescit                Tam worden
42    praebemus                 aanreiken
42    Crura < crus              been
44    balteus                   gordel
45    decipe                    misleiden
45    Nervos < nervus           Pees; penis
46    egregium                  uitstekend
48    Penem < penis             oenis
49    Puteal (o)                Muurtje rondom een put
49    Vibice < vibex            striem
49    Flagellas < flagello      slaan
50    Bibulas < bibulus         dorstig
51    respue                    verwijderen
51    cerdo                     handwerksman
52    Curta < curtus            Gebrekkig
52    supellex                  huisraad

r. 33 – 41
Maar als jij als gezalfde aarzelt, en de zon hecht zich vast in je huid,

                                                83
is de onbekende dichtbij jou in bed, die aanraakt en hevig uitspuwt:
‘Deze zeden! En de gewiede penis en geen idee hoe deze zin ineen zit :p
dan, wanneer je de fries, geurend naar de olie vd behennoot,kamt met kinnen,
waarom steekt de geschoren keel uit het onderlijf
het past dat 5 worstelaars deze boomkwekerij willen
geen idee voor vertaling… :p
toch werd dit onkruid door een enkele ploeg niet vruchtbaarder

Piet Gerbrandy:vanaf 35-41:
“Wat een gedrag! Je pik en de geheimen van je lendenen wieden, en je afgeragde spleet
openstellen voor het volk! Als jij op je wangetjes een geparfumeerde baard kamt, waarom
steekt je garnaal dan geschoren vanuit je liezen naar voren? Ook al rukken 5 masseurs het
struikgewas uit en molesteren ze je gestoomde billen met een gekromde tang, toch wijkt dat
onkruid nooit voor welke ploeg dan ook.”

42-52. Zo is het leven, we raken mensen en we worden geraakt door anderen. We
vermommen onze fout zelfs voor onszelf, doen beroep op onze gemeenschappelijke oude
koeien en gemeenschappelijke faam voor een certificaat van gezondheid.Maar verleiding
onthult de corruptie die zich erin afspeelt. Jij bent schuldig aan hebzucht, lust,
oplichting en de lofbetuigingen van het volk zijn er geen moment. Blijf jezelf. Onderzoek
jezelf.
r. 42 – 52
We slaan en op ons beurt bieden we onze benen aan de pijlen aan.
Er wordt geleefd met deze deal, zo kennen we het.
Je hebt een verborgen wond onder je schaamstreek,
Maar de gordel bedekt het met een gouden zijde
Zoals je liever wilt, geef woorden en misleid pezen, als je kan.
‘wanneer de buurt uitstekend spreekt over mij, zou ik (hen) niet geloven?
Ik zie als je bleek bent, booswicht, door geld,
Als je maakt naar de penis al wat komt voor jou, bitter,
Als jij veel voorzichtig slaat het muurtje rondom een put met striem,
Heb jij tevergeefs aan het volk je dorstige oren gegeven.
Verwijder wat jij niet bent; laat de handwerksman opheffen zijn geschenken.
Woon bij jou: leer kennen welke gebrekkige huisraad is aan jou.

FOURTH SATIRE.
The theme of this Satire is contained in the closing verses. It is the Apollinic γνῶ θι σαυτό ν. Want of
self-knowledge is the fault which is scourged. The basis is furnished by the Platonic dialogue, known
as the First Alcibiades, and the characters are the same. The person lectured under the mask of
Alcibiades is a young Roman noble, in whom commentators of a certain school have recognized the
familiar features of Nero.
Argument.—Socrates is supposed to be addressing Alcibiades. You undertake to engage in politics?
You rely on your genius, do you? What do you know of the norms of right and wrong, you callow
youngster? What do you know of the subtle distinctions of casuistry, that you undertake to say what is
just and what is unjust? You have a goodly outside, but that is all, and you are fitter for a course of
hellebore than for a career of statesmanship. What is your end and aim in life? Dainty dishes and
basking in the sunshine? The first old crone you meet has the same exalted ideal. Or do you boast of

                                                   84
your descent? You praise your lineage, you trumpet forth your beauty, just as yon market-woman cries
up her greens (1-22).
You do not know yourself. Who knows himself? Every one sees his neighbor’s faults, no one his own.
You sneer at the curmudgeon who groans out a health over the sour stuff he gives his laborers on a
holiday (23-32). And while you make mock at him, some fellow, who is standing at your side, nudges
you with his elbow, and tells you that you are as bad as he, though in another way (33-41). And so we
give and take punishment. This is our plan of life. We hide our faults from ourselves. We get
testimonials from our neighbors to impose on our own consciences. Awake to righteousness! Put your
goodness to the test! If you yield to the temptation of covetousness, of lust, in vain will you drink in the
praises of the rabble. Reject what you are not. Let Rag, Tag, and Bobtail take away their tributes. Live
with yourself, and you will find out how scanty is your moral furniture (42-52).




                                                    85
         2. Lucanus



Leven

   geboren te Cordoba, 39 n.C., neef van de filosoof Seneca (was zijn oom)
   40 v.C. naar Rome, daar onderwezen door de stoïcijn Annaeus Cornutus, waar hij ook
    Persius leert kennen (zeer goede vriend)
   Trouwde met Polla Argentaria
   Wilde groots en meeslepend leven
   Was zeer productief als dichter en redenaar
   een groot intellectueel, belandde in de intiemste kringen van Nero -> werd quaestor
    voor de minimum-leeftijd volgens de wet en nam deel aan het gezelschap der augurs
   publicatie eerste 3 boeken Pharsalia (hoogtepunt van al zijn werken) => Petronius
    moet ze gelezen hebben want het episch fragmentje uit zijn Satyrica is overduidelijk
    bedoeld als reactie op Lucanus
   plotse breuk met de keizer: literaire jaloezie van Nero, of Lucanus’ ideeën te
    republikeins ?
   belandde in de samenzwering van Piso (65 n.C) , en moest hiervoor zelfmoord plegen
    in 65, op 25 jaar (Seneca moest dat ook doen, en na hem ook Petronius)



Werk

   bewaard werk: Pharsalia (hoe hij het zelf noemde) of Bellum Civile, 10 boeken, het
    laatste korter met abrupt einde omwille van zijn dood
   niet-bewaard werk: Iliacon (gedicht over de Trojaanse Oorlog), Catachtonion (gedicht
    over afdaling in de onderwereld), De Incendio Urbis, niet-afgeraakte tragedie Medea,
    Saturnalia, 10 boeken Silvae (variërende gedichten), Laudes Neronis, epigrammen,
    libretti voor pantomime en redes.
   we weten niets van deze werken, enkel dat Lucanus erg vroegrijp was en veelzijdig,
    thema’s aannam naar Nero’s zin, tot Pharsalia. Nero zelf wou een epische gedicht
    over de Romeinse geschiedenis, Lucanus verwoordde deze aan de hand van de
    burgeroorlog tussen Caesar en Pompeius (-> Pharsalus) waarmee hij de republiek
    verheerlijkte en het keizerrijk veroordeelde:
        - 1 lof op Nero en de oorzaken van de oorlog. Caesar die de Rubicon oversteekt
             en Rome in paniek voor zijn komst (onheilspellende voortekenen)
        - 2 klaaglied over burgeroorlog Marius – Sulla, vrees voor de nog erger
             komende burgeroorlog Caesar – Pompeius. Brutus en Cato beslissen aan de
             kant van Pompeius te treden om deze te kunnen beïnvloeden. Pompeius
             vlucht.
        - 3 Pompeius droomt over Julia (dochter Caesar, zijn eerste vrouw),
             voorspelling van veel kwaads. Nadat Caesar in Rome is geweest, gaat hij in
             gevecht tegen Marseilles.
        - 4 Caesar in actie in Spanje. Vulteius (Pompeius’ kant) houdt aanvallen tegen,
             Curio (Caesar’s kant) sterft.

                                          86
          -  5 Senaat komt bijeen in Epirus. Caesar plaatst troepen in Epirus, maar omdat
             Antonius achterblijft, gaat hij ze halen en belandt in een storm.
        - 6 Pompeius zit ingesloten met zijn leger in Dyrrhachium, en Scaeva (Caesar’s
             kant) kent successen. De beide troepen belanden in Thessalië. Sextus (zoon
             Pompeius) raadpleegt orakel: onheil wacht…
        - 7 Pompeius wil terugtrekken, maar zijn participanten willen ten strijde
             trekken. Dit gebeurt te Pharsalus, en Pompeius verliest (en vlucht). Caesar
             weigert de doden te begraven.
        - 8 Pompeius weer vergezeld met zijn vrouw Cornelia, stelt voor om verder te
             vechten met hulp van de Parthen, maar men wil niet. Hij vlucht naar Egypte
             om te kunnen onderduiken, maar wordt bij aankomst vermoord. Het lichaam
             wordt begraven, het hoofd houdt meen bij…
        - 9 Cato doorkruist de Lybische woestijn met zijn troepen (vele gevaren).
             Caesar gaat naar Egypte en Koning Ptolemaios overhandigt hem het hoofd
             van Pompeius. Maar hij is kwaad om de moord.
        - 10 Caesar bezoekt tombe van Alexander de Grote (zijn ‘leermeester in
             tyrannie’), houdt een banket in bijzijn van Cleopatra, terwijl de Alexandrijnen
             proberen een rebellie te starten tegen Caesar…
    Hier eindigt De Bellum Civile abrupt…
        - om ideologische redenen heeft hij sommige zaken uit de bronnen lichtjes
             gewijzigd, of heel der gebeurtenissen extra verzonnen.
        - > het werk kende onmiddellijk succes, maar ook veel kritiek (omwille van het
             gebruik en misbruik van sententiae, geen goddelijke interventie, en de bijna
             annalistische verhaalstijl: innovaties!!)
        - HET 10e IS DUS ONAFGEWERKT
    3 personen centraal: Caesar (= gewetensloze genie), Pompeius (= goede, paniekerige
     heer van stand die teert op roem) en Cato (=stoïcijn: weet nooit op te houden) (ZIE
     INFRA)


Lucanus en Vergilius: het verwoesten van Augusteïsche mythen

    t.t.v. Augustus werden meerdere dichters geïnspireerd door de burgeroorlogen,
     maar geen precieze links met dit werk, hoewel hij het epische genre tot een nieuw
     niveau bracht
    dit werk lijkt te fungeren als een anti-Aeneïs, de auteur als een anti-Vergilius
    van het verheerlijken van de staat en zijn legers gaat het thema over in een
     verontwaardigd afscheid van een broederstrijd-oorlog, in een ondermijning van alle
     morele waarden en de opkomst van een onrechtvaardig koning-figuur: door zo
     geheel het model van de epiek om te keren, zorgt hij voor een soort polemische
     herneming van Vergiliaanse uitdrukkingen en situaties. In Aeneïs lijkt er een
     verborgen boodschap te schuilen, nl. de aankondiging van het einde van de
     Romeinse vrijheid en de transformatie van Romeinse Republiek in een tyrannie.
     Lucanus lijkt deze boodschap te willen onthullen.
    Vergilius als model: een historisch welgekend verhaal, maar met tegenstrijdigheden
     en ambiguïteiten, twijfelend aan het naderende lot van Rome -> Lucanus verbreekt
     de illusie al vanaf zijn eerste verzen…


                                            87
Lof op Nero en evolutie van Lucanus’ gedichten

     begonnen aan zijn werk in een nog hoopvolle houding, politieke en sociale herleving
      t.t.v. Nero
     na de inleiding komt de polemiek jegens Vergilius op, d.m.v. allusies die ermee willen
      contrasteren: de strijd van de Latijnen en Trojanen tegen een mythische achtergrond
      <-> harde realiteit en de gruwelijke gevolgen
     Juppiter die bij Aeneïs een gouden tijd voorspelt na Augustus <-> na Nero bij Bellum
      Civile
           - of is de lof op Nero slechts ironie?
     volgens Conte oprechte lof: Lucanus blijft in boeken 1 en 2 neutraal, maar verandert
      vanaf boek 3 van mentaliteit: pro republiek en met grote haat jegens Caesar

Lucanus en de antimythe van Rome

     Vergilius behandelt de opkomst van Rome en zijn grootsheid – Lucanus over de
      verdoemenis (ook voorspellingen van orakels die dit aankondigen)
     in boek 6 poogt Lucanus zoals Vergilius een reis naar de onderwereld in te lassen,
      katabasis: zo ook voor de structurele opbouw van zijn werk, nl. het doel om ook 12
      boeken te maken als Vergilius
     Sextus Pompeius (zoon)als impius – Aeneas als pius

De personages van het gedicht

     Caesar als de boosdoener, furor, belichaming van tyrannia, ira, impatienta, die geen
      genade kent (het niet-begraven van de tegenpartij)
     Pompeius als tragische figuur, passief in het hele gebeuren, heel gehecht aan zijn
      familie en vrouw (i.t.t. Caesar)
     Cato als de zeer zelfzekere, vastberaden tegenstander van Caesar, ook al is hij zich
      bewust van het naderende einde; voor de rechtvaardigheid en de vrijheid!
     nevenfiguren zijn dappere maar ongelukkige strijders van Pompeius (o.a. Domitius
      Ahenobarbus -> lof op Nero, aangezien hij opvolger is van Ahenobarbus), met
      daartegenover de bloeddorstige monsters, uit op macht en verdorven in de geest,
      aan de kant van Caesar (o.a. de heldendaad van Scaeva, die onrechtvaardig wordt
      beschouwd), en het portret van Pompeius’ vrouw, Cornelia, een trouw, loyaal en in
      volledige devotie t.o.v. haar man


Stijl

     narratief, in gehaaste vorm volgen zinnen elkaar op, hij laat zinnen overvloeien over
      de grenzen van de hexameter (enjambementen)
     vermijdt elisies voor de vloeiendheid van het vers, expressief
     een stijl zonder controle of maat
     bezetenheid om een nieuwe taal voor de epiek te creëren leidt tot het vormen van
      een politiek-morele ideologie
     het lijkt retorisch (sententiae), omwille van de uitgekiende constructies, om het
      verlies in geloofwaardigheid in epische taal te compenseren

                                             88
Tekst

Het begint met de beschrijving van de zeer gruwelijke slag bij Pharsalus, de lijken die er nog
liggen, en Caesar die ze herkent. Caesar in volle razernij, is nog niet tevreden en gunt
daarom de doden geen begrafenis toe. Niets of niemand kon hem van mening doen
veranderen.
De dichter lijkt Caesar nu zelf te vragen om een brand te creëren voor de doden. Hij geeft
het voorstel om een bos in brand te steken, opdat Pompeius het van verre zou kunnen zien.
In deze smeekbede komt duidelijk zijn negatieve houding tegenover Caesar boven. Hij
probeert duidelijk te maken dat ook hij zal sterven en naar dezelfde plek zal gaan
(hiernamaals), en dat de aarde zowieso haar werk wel zal doen wat betreft de doden.
Anderen blijken de lijken al te hebben verplaatst in Caesar’s plaats, maar ze werden niet
verbrand noch begraven. De vogels rapen de lijken op, de lucht in, en proeven aan de
ingewanden. Nadat deze de lijken neerwierpen, werden ze langzaam één met de bodem…
Vervolgens klaagt de auteur tegen de aarde, nl. dat ze zo onrechtvaardig kan zijn voor de
Romeinse burgers.
De auteur verwenst de grond, en alles wat ermee zou kunnen worden verricht in de
toekomst (bijv. moge geen herder meer durven schaapjes laten lopen over deze vlakte,
enz.).


TEKST VOCABULARIUM + VERTALING

786 passo > patior, pati: dulden, meemaken, ervaren           790 excelsus: hoog
787 retegere: openen, onthullen                               790 cumulus: berg
788 facies (vr): gedaante, vorm                               790 aequare: gelijkmaken met
grond (+dat)
788 feralis: behorend tot de doden, dodelijk, treurig         791 tabes, is (vr): verderf, ziekte,
verrotting
789 haerere in oculis: altijd voor ogen staan                 791 acervus: massa, grote
hoeveelheid
Damna: schade, verlies, nadeel, nederlaag, gebrek (damnum, onz)
Arvis: eiland, veld, streek
Revocat: afwenden, …(oculos)
Propulsa: terugslaan, terugdrijven, afweren, afwenden (propulso(intensief van propello)) / afweren,
verdrijven, vooruitduwen, aanzetten, aansporen (propello)
Sido: gaan zitten, zich neerzetten, dalen, verzakken, gaan liggen, blijven steken, blijven zitten,
vastzitten (sidere)


Toch nadat alles zich afspeelde, nadat de heldere dag de gebeurtenissen te Pharsalus
onthulde, wendde geen enkel gezicht van de plaats de ogen af van de steeds voor de ogen
hangende dodenakkers. Hij aanschouwde de met bloed vervulde stromen en de met de
bergen gelijkgemaakte lichamen naar de hoge heuvels. Gezakt in de modder, bekijkt hij de
hopen en hij telt de volksmassa van Magnus [Pompeius], en met een maaltijd wordt deze
plaats voorbereid, waardoor hij het gezicht en de gedaante herkent van de gevallene
herkent.


                                                 89
794 Emathia: landstreek midden Macedonië                         800 Libycus: Libische
795 clades/is: schade, ramp, nederlaag                           800 succendere: in brand steken
799 Poenus: Carthager, Puniërs                                   800 lampas, dis: fakkel, toorts,
licht
799 humator > ?                                       800 Cannae, arum: stad in Apulië (Z Italië)
Iuvat: kan onpersoonlijk: het helpt, draagt bij tot (tot=ad)
Lustrare: (samen met oculis): bekijken, monsteren, inspecteren
Superos: de mensen op aarde, goden

Het doet hem genoegen dat hij de Emathische grond niet ziet en dat hij de vlakten, die
verborgen onder het bloedbad aanschouwt met zijn ogen. Hij ziet in het bloed het lot en zijn
eigen goden. En, opdat hij, in zijn furie, het vrolijke spektakel van zijn misdaden niet zou
vergeten, ontzegt hij het vuur van de brandstapel voor de ongelukkigen, en hij stort Emathia
in een schadelijke lucht (door die brandstapel). En de Puniër, die de consul verbrandde en de
met de Libische toorts verlichte stad Cannae, vertelden hem de gewoonte van de mensen
dat ze zou bewaren tegenover de vijand, maar hij herinnert zich, hoewel zijn woede nog niet
gestild was door het slachten, dat zij z’n eigen burgers waren.

803 bustum: brandstapel, graf                                    807 congerere: oprichten,
bijeenvoegen
804 discretus: afgezonderd, afgescheiden              807 Oetaeus, a, um: berg in Z Thessalië
806 nemus, oris: bos, woud                            807 robus, oris: eik(enhout), stevigheid
806 extruere: optrekken, oprichten                    809 –ne: vraagpartikel -> IDV
806 Pindus: bergketen ts Thessalië en Epirus                 810 receptare: terugtrekken, weer
opnemen
807 erigere: oprichten                                           811 sinus: ronding, zak, boezem
Caedibus: moord, doodslag, bloedbad, slachting (caedes, caedis)
Sui: kan ook gen. mv uitdrukken

We vragen niet om individuele graven of afgezonderde brandstapels: geef aan het volk één
vuur, en laat de lichamen verbrand worden in niet duidelijke vlammen;
of, als de wraak zijn schoonzoon (Pompeius) verheugt, richt een woud op in het Pindus-
gebergte, trek bijeengevoegde bossen op met hout van de Oetaeusberg, zodat Pompeius de
Thessalische vlam ziet vanop de zee. Je maakt niets met deze woede: of de aarde de lijken
doet oplossen, of een brandstapel,het is helemaal niet van belang; de natuur neemt het
weer op in haar aardige omhelzing, en de lichamen zijn aan hem hun einde verschuldigd.

812 si + coni pf urere = pot heden                    820 funus: begrafenis, lijk
820 inhumatus: onbegraven                             821 olere: ruiken (+ of -)
Tabes: verderf
Refert: van belang zijn

Caesar, als het vuur deze volkeren nu niet zou kunnen verbranden, zal het ze verbranden
met aarde, met een draaikolk van de zee. De hele wereld acht de brandstapel belangrijk om
de sterren te vermengen met de botten. Hoe dan ook zal het lot het jouwe roepen, ook deze
zijn zielen: jij zal niet anders naar de hemel gaan, jij zal niet op een betere plaats belanden
onder de onderaardse nacht. De dood is vrij van het lot; de aarde neemt alles, wat is

                                                90
ontstaan; die dingen worden door de hemel aangetrokken/meegesleurd, die geen urne
hebben. Jij, aan wie de volken straffen geven voor een onbegraven lijk, waarom ontvlucht je
deze ramp, waarom verlaat je deze velden met hun ‘heerlijke’ geur? Sleur deze wateren met
je mee, Caesar, maak gebruik van deze hemel, als je kan.

823 tabere: wegsmelten, uiteenvallen, vergaan                    828 latebra: schuilplaats,
toevlucht
824 fugare: verdrijven, verbannen                        828 obsc(a)enus: onfatsoenlijk
825 Haemonius: Thessalisch                               829 deservire: (vlijtig) dienen
825 funestare: bezoedelen, onteren                       829 sagax, cis: scherp ruiken
825 pabulum (meestal mv): foerage                        831 volucris, is: vogel
826 Bistonius: Thrakisch                                 833 Auster: zuiden(wind)
826 Pholoe: gebergte in W Arcadië                        833 serius: ernstig
828 ursa: berin                                                 834 vultur: aasgier
Superest: overblijven, resteren, nog in leven zijn, overloeven, volop voorhanden zijn, overtollig zijn,
helpen (supersum)


Maar zij die door jou vergaan zijn, roven het Pharsalische landgoed van het volk en houden
de vlaktes in bezit door de gevluchte overwinnaar. Niet alleen de Thrakische wolven komen
naar de bezoedelde fourage van de Thessalische oorlog en de leeuwen laten achter verderf
van een bebloede slachtpartij/lijk, niet welriekend in de Pholoe. Toen de berinnen hun
schuilplaatsen en de onfatsoenlijke honden de daken en huizen achterlieten, en al wat met
scherp ruikende neus de lucht rook, niet gezond en bewogen door een lijk. De vogels die al
lange tijd de burgeroorlogkampen volgden, kwamen toe. Jullie vogels, die gewoon zijn
Thrakische winters in te ruilen voor de Nijl, gingen belangrijker/later? Naar het zachte
Zuiden. Nooit onthulde zich in de hemel zoveel aasgieren of meer vogels zich door de lucht
geduwd.

837 alite =? Imp ?                                       842 abire in: overgaan/veranderen in
837 stillare: druppelen                                         842 discerptus: verstrooid
837 ros, roris: dauw                                     843 avidus: verlangend, vraatzuchtig
838 defluere: wegdrijven                                 843 sorbere: opdrinken
840 lassus: vermoeid                                     843 medulla (meestal mv): binnenste,
hart
840 unguis: nagel, klauw                                 844 degustare: proeven
Rura: landgoed, grondbezit, boersheid, platteland (rus, onz)
Deservere: achterlaten (desero, pferf: deservi)
Nare: neus (naris, v)


Elk woud zendt vogels en elke vleugels bebloed en de boom druppelde met dauw met
bloed. Dikwijls op het gezicht van de overwinnaar en de bezoedelde veldtekens ofwel bloed,
ofwel verderf uit de hoge lucht en de vogels lieten met hun al vermoeide klauwen
ledematen vallen. En zo ook geraakte niet elk volk aan zijn ledematen en ging hij over in
dieren, verstrooide; ze lopen niet door de binnenste ledematen en ze drinken niet
vraatzuchtig de gehele harten op: ze proeven de ledematen.

                                                   91
845 fastidire: weerzin, afkeer hebben                         851 surgere: opstaan, groeien

848 laedere: schade toe brengen                         851 decolor: berkleurd, verschoten
851 seges: gewas, akker                                 854 praestare: zich onderscheiden van
(+dat)
Impia: zonder eerbied, gewetensloos, (eventueel bezoedeld, das de betekenis van het ww) (impius)


Het grootste deel van de Latijnse massa ligt neer, een afkeer van hebbend, deze die de zon,
de regen en de dag al te lang oplost, vermengd met de Emathische velden. Thessalia,
ongelukkige aarde, door welke misdaad heb jij de goden gekwetst, opdat ze jou, alleen
zovele doden, zovele lotgevallen van misdaad indrukken? Welke eeuw volstaat opdat de
ouderdom jou geeft de schade van de oorlog, niet meer indachtig? Welke gewassen zullen
groeien, niet verschoten door een/als (WELKE NAAMVAL?) ongeïnfecteerd kruid? Met welke
ploeg zal je de Romeinse schimmen geen geweld aan doen? Voor er nieuwe slagen komen,
zal je nog niet onderscheiden de drogen velden met dit bloed van de tweede misdaad.


856 tumulus: gedenkteken                                859 ruricola: boer
856 radix, icis: wortel, voet                           860 religare: vastbinden, bevestigen
856 vetustus: oud                                       860 funis, is: touw, kabel, koord
857 effundere: uitstorten                               861 navita = nauta
857 conpages, is: samenvoeging, constructie                     861 arator: boer
858 sulcus: ploegen, vore ve akker                      863 dumetum: struikgewas, kreupelhout
858 arere: droog zijn                                   865 vellere: plukken, trekken
Vomere: ploeg (vomis/vomer)
Cinerum: as, dood (cinis, eris, m)
Coloni: boer, pachter, kolonist (colonus)
Vellere: plukken
Impatiens: niet in staat, niet opgewassen tegen + gen
Nefas: misdaad (nefas)

Moge het toegestaan zijn alle monumenten van de voorouders te wisselen, (NAAMVAL
STANTIS)…(net opgerichte gedenktekens) en die met oude wortel uit te storten zijn urnes
met overwonnen constructies, meer van de assen worden bewerkt van de Haemonische
grond door ploegen en meer beenderen worden gedragen door de boer met zijn tanden.
(WIJS?) Moge geen zeeman van de Emathische kust het touw vastbinden, geen boer enige
grond bewegen, gedenkteken van het Romeinse volk, en moge de boeren ontvluchten de
velden van schaduwen, struikgewassen vrij zijn van kuddes, en geen enkele herder durven
aan het vee toestaan over onze botten het opkomende gras te plukken en, zoals hij niet
opgewassen is tegen de mensen ofwel door het einde van de ongelijke zon ofwel door het
eis, moge je naakt en onbekend werpen, indien je niet de misdaad van de oorlog, maar de
eerste bodem zou hebben gedragen.




                                                 92
Samenvatting

Lucanus maakt er een echte horror story van, zeer bruut en wreed beschreven!

48 v.C. slag bij Pharsalus, Thessalië, waarbij Caesar en Pompeius tegen elkaar vochten;

Caesar verslaat Pompeius



Het is de ochtend na de strijd waarschijnlijk en de ochtendzon toont het slagveld, met al de
lijken en al het bloed. Caesar laat er een maaltijdtafel neerzetten om er te ontbijten, en hij
ontzegt al de lichamen die er liggen een brandstapel; Lucanus vindt dat ze een
gemeenschappelijke brandstapel moeten krijgen ( stoïcijnse visie: alles vergaat toch op
het einde door een vuur). Caesar wordt dus zeer onmenselijk voorgesteld. De lijken nemen
dus allemaal het land in, dus als Caesar zal terugkeren naar Rome, dan blijft het land van de
lijken. Alle beesten (leeuwen, beren en vooral de vogels) komen er massaal op af, en ze
beginnen te knagen en te proeven aan de lijken; de bomen druipen al van het bloed, van de
vogels die in de bomen gaan zitten, en van het bloed dat ervan drupt. Ook de ledematen
vallen soms uit de lucht, van de vogels die ze laten vallen. De lichamen worden dus niet
afgegeten tot op het bot. Lucanus vraagt zich dan af of men het ooit zal kunnen vergeten, of
de gewassen ooit zonder schade zullen teruggroeien, hij vraagt zich af of ze de graven dan
zullen mogen wegdoen, of de assen dan zullen opnieuw zullen worden bovengehaald.




                                               93
Piet Gerbrandy:vanaf 35-41:
“Wat een gedrag! Je pik en de geheimen van je lendenen wieden, en je afgeragde spleet
openstellen voor het volk! Als jij op je wangetjes een geparfumeerde baard kamt, waarom
steekt je garnaal dan geschoren vanuit je liezen naar voren? Ook al rukken 5 masseurs het
struikgewas uit en molesteren ze je gestoomde billen met een gekromde tang, toch wijkt dat
onkruid nooit voor welke ploeg dan ook.”




                                             94
LATIJNSE LETTERKUNDE LES 6
            3. Statius


Epiek in de Flavische periode

De 3 poëzieschrijvers Statius, Valerius Flaccus en Silius Italicus worden meestal samen behandeld
aangezien ze gelijklopen in smaak en cultureel klimaat (minder bij Statius, wie levendiger en
origineler schrijft). Hun referentie is Vergilius’ Aeneïs, maar delen ook invloed van Ovidius (narratief).

Leven

        Publius Papinius Statius, geboren te Napels rond 40 of 50 n.C.
        Zoon van een geleerd schoolmeester
        Hij kende veel successen bij publieke voordrachten en poëziewedstrijden
        Hij was cliens bij Domitianus, met een paar keer gefaald te hebben
        Hij stierf misschien in 96 n.C. te Napels.


Werken

     Silvae zijn 5 boeken verzen in verschillende metra, vanaf 92 n.C. gepubliceerd, met
      observaties in te vinden van Statius’ leven, milieu en persoonlijke relaties
     Thebaïs is een episch gedicht in hexameters, 12 boeken lang, gepubliceerd in 92 n.C.
     Achilleïs is een onafgewerkt episch gedicht (enkel nog tot begin boek 2 over!), in hexameters
     De Bello Germanico, historisch gedicht over Domitianus, ging verloren
     Agave, succesvol pantomime, ging verloren

Silvae

     uitstekend boven alle andere literatuur van zijn tijd, niet-episch
     titel suggereert een verzameling van “sketches”, om met een sfeer van improvisatie mee te
      geven
     geeft een héél goed beeld van de toentijdse samenleving: we krijgen de geest en attitude van
      een welgestelde klasse te zien in een actief sociaal leven en werkend voor de staat en de
      imperiale bureaucratie, met waarden als passie voor kunst, esthetisme, familiale affectie en
      de ideologie van het openbare leven te dienen binnen de maatschappij
     enkele gedichten rechtstreeks geadresseerd aan Domitianus: illustratie van de keizerlijke
      aanbidding en het publiekelijk etaleren ervan
     beschrijvende gedichten geven de smaak van de bevolking weer
     32 gedichten in totaal, georganiseerd boek per boek, complex geconstrueerd,
      uitgebalanceerd én met variatie (hexameters tot lyrische metra)
     gedichten zelf geplaatst in het traditionele systeem (volgens thema), met invloed van de
      retoriek, maar dit belet niet dat hij origineel is, omdat hij ze juist aanpast aan de gelegenheid.
      M.a.w. de schrijver voelt zich thuis in een hiërarchale maatschappij, in een netwerk van
      machtige patroni, met in het centrum het beeld van de vergoddelijkte princeps
     soms in plechtige roeping tot bemiddelaar, om de toehoorders op hun publieke mening toe
      te zien

                                                   95
     Statius neemt de pose aan van een Orpheïsche zanger, het model dat hij ontelbare keren
      weer voorbrengt, in variërende parafrases
     Statius als psychagoog, het oproepen van medeleven, meteen omgezet in zoete melancholie
      (?)
     lege intellectualiteit omgezet in volle gevatheid (‘wit’), poëzie als ornament verhult de
      essentie
     nieuwe functie van poëzie = esthetiseren; verzoenende sentimentele poëzie
     de aard van het werk veroorzaakte afkeer, dus vond het werk niet de rechtmatige
      bewonderaars
     een merkwaardig goed schrijver, aangezien hij zelfs van de droogste stof iets kan maken, al
      improviserend
     de snelheid van de compositie weerspiegelt het dagelijks leven, zorgt voor een contrast t.o.v.
      Thebaïs, een sterk gepolijst werk en toont zijn zelfgenoegen als professioneel schrijver, een
      pauze nemend van de veeleisende epische labor
     tijd van grote culturele bezigheid (festivals, wedstrijden, voordrachten, mime!!), maar dient
      om de burgers moreel te ‘restaureren’ (?) door het verheerlijken van de traditionele waarden
     men wil spektakel


Tekst

Epicedium voor Melior: ter nagedachtenis van zijn papegaai:

O lorre, vogelworst, welsprekend genot van je meester, bekwaam nabootser, lorre, van de
mensentaal, welk noodslot brak zo plots jouw brabbel af?

(Piet Gerbrandy vertaling, Feest van Saturnus, p. 296)

r.14: leeg is die gelukzalige/kerker en verdwenen de scheldpartijen van het verheven huis

=> beschrijving van de lege dure vogelkooi, waarvan de deurtjes openhangen nu




                                                  96
Statius: silvae II.5
Voc
R Latijn                                            Nederlands
1 Mansuescere                                       Tam maken, tam worden, laten vermurwen
1 Prodesse                                          Van nut zijn, baten
2 Dediscere                                         Afleren, ontwend raken
4 Claustrum                                         Grens, grendel, verschansing, kooi
6 Inserere                                          Insteken
6 Laxus                                             slap
7 Vastator                                          jager
8 Indago                                            omsingeling
9 Formidatus                                        gevreesd
9 Venabulum                                         jachtspeer
10 Incitus                                          In snelle beweging
10 Fovea                                            kuil
11 Cavea                                            kooi
11 Cardo                                            spil
13 Tumere                                           Gezwollen zijn, driftig zijn
14 Iuba                                             manen
16 Obruere                                          Begraven, overstelpen, overmannen
16 Fundere                                          Kan ook verslaan betekenen.
18 Protinus                                         Terstond, verder, voorwaarts
19 Minae                                            Bedreiging
21 Minari                                           dreigen
22 Piger                                            Traag, stilstaand, zich traag voortslepend
22 Exuere                                           Uittrekken, opgeven, losmaken
23 Hiare                                            Opengesperd zijn, wijd openstaan, snakken naar
23 Requirere                                        Weer zoeken naar
24 Solacium                                         troost
24 Letum                                            Gewelddadige dood
29 Vilis                                            Goedkoop, weinig waard, armzalig, algemeen
30 Iactura                                          verlies

Samenvatting
Het gedicht gaat over een leeuw die in de arena moet vechten. De eerste paar regels gaan over hoe
hij zijn natuurlijke instincten moet afleren en trucjes moet doen (vb: de trainer stak zijn handen in de
muil van de leeuw en die mocht hij dan natuurlijk niet opeten). Daarna gaat het over hoe hij sterft.
Dit is niet op de “normale” manier, gedood door mensen, maar wel door een ander dier in de arena,
en niet zomaar door een dier, maar door een dier op de vlucht. Na zijn dood staat zijn kooi leeg, met
open deur. De andere leeuwen in hun kooien zijn boos dat dit kon gebeuren.
“de voorkanten voor hun ogen”: volgens een commentaar een citaat uit de Ilias dat betekent dat ze
hun wenkbrauwen volledig voor hun ogen laten zakken. (=> ze doen hun ogen toe uit schaamte)
Daarna wordt de dood van de leeuw beschreven en hoe dapper hij zich gedragen heeft.
Het laatste deel wil de gestorven leeuw troosten: vele andere leeuwen treuren om hem, zelfs de
keizer rouwt om hem. Dat verheft de leeuw boven alle andere wilde beesten.

Vertaling
Wat baatte het voor jou tam te worden door getoonde woede?
Wat (baatte het) misdaad en menselijke slachtingen met je geest af te leren
En heerschappij te dulden en een mindere meester te gehoorzamen?


                                                   97
Wat (baatte het) dat je gewend bent van huis weg te gaan en terug te keren naar je kooi,
En je spontaan terug te trekken van een al gevangen prooi,
En handen die erin gestoken zijn (in je muil) te laten gaan met een slappe beet?
Je sterft, geleerd jager van grote wilde beesten,
Niet door een Numidische troep en een gebogen omsingeling ingesloten,
Niet door een gevreesde sprong boven de jachtsperen, ,
(=> ze jagen op een leeuw en die is bang, dus probeert over de jagers te springen, maar landt
bovenop de speren en sterft.)
in snelle beweging, of misleid door de onzichtbare opening van een kuil,
maar overwonnen door een vluchtend beest. Je ongelukkige kooi staat met open spil (=deur)
en rondom de gesloten deuren overal zijn de kalme leeuwen driftig dat deze zonde mogelijk was.
Toen vielen van allen de manen uit en ze schaamden zich naar de teruggebrachte (leeuw) te kijken
En ze leidden de hele voorkanten voor hun ogen.
Maar die nieuwe schaamte overmant jou, verslagen, niet bij de eerste slag:
Je moed blijft en je vastberadenheid keert voor je terug terwijl je sterft,
Al vanaf het midden van de dood (dat begrijp ik niet zo goed :D) en niet terstond
Gaven alle bedreigingen de rug (=> je blijft vechten). Zoals een stervende soldaat
Zich voor zichzelf bewust van zijn diepe wonde, naar zijn vijand tegenover zich gaat
En zijn hand opheft en dreigt met zijn neerdalende zwaard,
Zo maakt hij, traag van stap en ontdaan van zijn gewone eer,
Zijn ogen vast, (hij fixeert zijn blik) en openstaand (=> met openstaande mond) zoekt hij adem en zijn
vijand
Toch zal je een troost bij je dragen voor de gewelddadige dood die je onderging, overwonnene,
Omdat zowel het volk als de patres, treurig, klagen dat je sterft,
Alsof je sneuvelt als bekende gladiator in het trieste zand
En omdat het verlies van één verloren leeuw het gezicht van de grote Caesar beroerd heeft,
Tussen zoveel Scythische en Libische wilde beesten, vanuit de kust van de Rijn
En vanaf de Pharische (???) soort, wiens verlies weinig waard is.




                                                  98
            4. Italicus


Leven

  -     Tiberius Catius Asconius Silius Italicus, geboren rond 26 n.C.
  -     Politiek kwam hij in contact met Nero
  -     Onder Vespasianus was hij proconsul van Asia
  -     Op het einde trok hij zich terug en schreef historisch gedicht
  -     In 101 stierf hij door zichzelf te laten uithongeren omwille van een ongeneesbare ziekte (75
        jaar)
  -     In zijn leven hield hij vaak filosofische en geleerde gesprekken als hij niet aan het schrijven
        was
  -     Had meer toewijding dan dat hij talentvol was
  -     Punica: 17 boeken hexameters (volgens sommigen onvolledig, suggererend dat hij van plan
        was 18 boeken te schrijven, zoals Ennius): 12 200 hexameters

Werken: Punica

   Via Plinius de Jongere’s brieven leren we meer over Silius: hij was vertrouwd met keizer
    Vitellius, en zijn status als proconsul onder Vespasianus zorgde ervoor dat zijn obscure
    verleden verborgen bleef (hij was informant ten tijde van Nero), maar dit praat Plinius recht
    door accent te leggen op zijn devotie voor het literair otium, en zijn philokalia of aanbidding
    van de dichter Vergilius.
   het langste Latijnse historisch epos, bewaard
   behandelt de 2e Punische Oorlog vanaf Hannibal’s expeditie naar Spanje tot Scipio’s
    triomftocht na Zama (201 v.C.)
   gelijkenissen met Livius:
   begint na proloog met beschrijving van Hannibal
   eindigt met portret van Scipio
   zelfde narratieve gedeeltes, volgt soms getrouw Livius (1e oorlogsjaren tot Cannae bv)
   1e 10 of 11 boeken lopen gelijk met Livius’ boeken 21-22-23
   verdeelt zijn energie over elk aspect van het historisch materiaal
   2e deel economischer in woorden, kleinere conflicten worden dan weer kort samengevat
   vanaf boek 11 sommige stukken meer met epische waardigheid omwille van hun mogelijke
    symbolische waarde
   duidelijkste parallel met dit werk = Ennius’ Annales:
   zeker invloed als model
   vermoedelijk hetzelfde aantal boeken (zie supra)
   MAAR Ennius is maar fragmentarisch bewaard EN Silius vermijdt archaïsmen…
   de flashback gewijd aan Attilius Regulus kan wn gezien als hommage aan Bellum Poenicum-
    Naevius
   Vergilius als model:
   komt voort uit Dido’s vloek
   Scipio maakt een reis door de onderwereld (Aeneas)
   het godensysteem: Juno steunt de Carthagers, totdat Jupiter in actie schiet (zelfs Homerisch
         o Juno die Hannibal redt met een scepter, in een gevecht met Scipio)
   bij Silius test Jupiter de Romeinen of ze waardig zijn te heersen over anderen (zo krijgen de
    nederlagen meer rechtvaardiging
   dit godenapparaat is niet te scheiden van een gevoeligheid voor stilistische colores, typisch
    voor Neronische literatuur en Aeneïs van Vergilius, een smaak voor duistere macabere tonen


                                                   99
     er is geen echte protagonist, maar Hannibal wordt het vaakst besproken (vgl met Lucanus’
      Caesar), daartegenover Romeinse helden met waarden als fides, pietas, constantia en
      fortitudo (o.a. Scipio en Fabius Maximus)
     de jonge Scipio wordt leider door bijv ook het motief van Hercules, keuze tussen virtus en
      voluptas, als half-goddelijke held (!)
     Fabius Maximus representeert de senatoriale traditie te Rome (bijna anti-keizerlijk…), zijn
      virtus en weerstand tegen de Puniërs liggen aan de basis voor komende successen
     m.a.w. zeer patriottistische literatuur en ideologisch getint, met veel variëteit (poikilia van de
      Alexandrijnen)
Stijl

       De belangrijkste karaktertrek van Italicus is zijn GRAVITAS: ernst en waardigheid
       Zeer statig Latijn
       Trage hexameters: veelvuldig gebruik van de spondee
       Zeer metonymisch

Inhoud

     Hannibal neemt de haat tegenover de Romeinen over van zijn vader
     Hij wil de eerste Punische oorlog wreken
     Opgehitst door Juno trekt hij de Alpen over
     4 nederlagen voor de Romeinen
     Slaagt er niet in Rome te krijgen
     Dan draait het tij:
          o Scipio verslaat de Carthagers in Spanje
          o Marcellus verovert Syracuse
          o Claudius Nero en Livius Sallinator halen overwinning aan Metaurus
          o => Hannibal teruggedreven en verslaan (Zama) (201 v.C.)
     Zeer intertekstueel




                                                  100
Tekst

    Praeterire, eo:                  Glacies: ijs                     Imus: van de
     voorbijgaan, passeren            Cohibere, eo:                     onderwereld, zich
    Ultra: verder, voorbij,           vasthouden, stevig                beneden bevindend
     langer dan (acc)                  omsluiten                        Ater: donker, zwart
    Meminisse, i: zich               Rigere, eo: verstijfd zijn,      Stagnum, i: zwembad,
     herinneren, denken aan            stijf zijn                        bassin, vijver
    Propius: comparatief van         Arduus: steil                    Palus, udis: moeras
     prope: dichtbij, bijna,          Aetherius: hemels                Tellus: aarde
     haast                            Obvius:                          Patere, eo: openstaan,
    Demere, o: wegnemen               tegemoetkomend                    zich uitstrekken, zich
    Pavere,eo: beven,                Phoebus: bijnaam van              uitbreiden
     sidderen, bang zijn               Apollo/bijnaam van de            Per:langs, over
    Cuncta: het geheel (nom.          zon                              Aura: de hoogte, de
     onz.mv.)                         Durare, o: hard maken             hemel
    Gelu, us: vorst, rijp, ijs       Mollire, io: week, zacht         Erigere, o: oprichten,
    Canus: met grijze haren,          maken, smelten                    omhoogrichten, P: zich
     hoogbejaard                      Tartareus: van de                 oprichten, opstaan,
    Aeternum: eeuwig,                 onderwereld                       oprijzen
     onvergankelijk,                  Hiatus: opening, kloof           Intercipere, io:
     aanhoudend (bijw.)               Quantum: hoezeer,                 ontrukken, bezetten,
    Grando, inis: hagel               hoeveel als, in hoeverre          wegrukken
    Tectus: overdekt                 Tam: zozeer
    Aequaevus: even oud              Pallere, eo:bleek zijn




Maar nu namen zij, toen ze de Alpen dichtbij zagen, de gepasseerde inspanningen, die ze zich verder
herinnerden, weg door het bang zijn.

Het geheel (het gehele gebied), bedekt met vorst en aanhoudend eeuwige hagel, omsluit stevig het
even oude ijs:

De steile zijde van de hemelse berg is verstijfd en hoewel ze tegemoet komt aan de opkomende zon,
is ze niet in staat de hard gemaakte sneeuw te smelten.

Hoezeer de kloof van het bleke koninkrijk van de onderwereld openstaat, naar de zich beneden
bevindende schimmen en naar de zwembaden van de zwarte poel, weg van de zich boven
bevindende aarde, zo hoog rijst de aarde (richting) langs de hemel en de schaduw bezet de hemel.



    Gressus:tred, het gaan            Ceu: zoals                       Prohibere, eo:
    Tardare, o: talmen,               Sacer: heilig                     afhouden, weghouden
     ophouden, vertragen,              Finis: gebied                    Repugnare: in opstand
     tegenhouden                       Arma: wapenuitrusting             komen tegen + dat
    Vestigium: voetstap               Orbis: cirkel, kring,            Languidus: traag, loom,
    Impius: zonder                     ronding, wereld                   zwak
     eerbied, gewetenloos              Per: doorheen + acc

                                                101
    Maestus: treurig,                Obsequium:                      Decus: eervolle daad
     verdriet veroorzakend             toegeeflijkheid,                Acies: slag
    Cor: hart, moed                   meegaandheid,                   Tergum: klif
    Vigor: levenskracht,              overgave, het zich              Nivosus: vol sneeuw
     frisheid                          overgeven                       Segnes: slap, traag,
    Revocare, o: doen                Superi: goden                    langzaam, nonchalant
     terugkeren                       Fessus: moe, afgemat,           Summittere: laten
    Pudere, eo: zich                  uitgeput                         dalen, laten zakken
     schamen                          Secundum: gunstige
                                       afloop, succes


Maar de voetstappen met twijfelachtige tred vertraagden de soldaten, ze droegen hun gewetenloze
wapens zoals naar een heilig gebied, door een wereld, met een afwerende natuur en ze kwamen in
opstand tegen de goden. De leider zei tegen deze dingen: (hij was niet verward door de Alpen of
door enige terreur van die plaats, maar hij bevorderde de lome gemoederen van de mannen (loom
door de treurige dingen) en hij deed de levenskracht terugkeren): “Schaamt u zich niet, door de
toegeeflijkheid van de goden en vermoeid door de successen, na een eervolle oorlogsdaad en slag,
uw ruggen te geven aan de besneeuwde bergen en langzaam de wapens neer te leggen op de
rotsen?



    Culmen: top, spits,                  exclusief, specifiek,            Concreto: stijf
     punt, top,                           blijvend (proprius)               worden, verstijven
     hoogtepunt, dak,                    Turmas: afdeling,                 (concresco)
     huis, stapel                         eskadron, groep,                 Lubrica: glibberig,
     (culmen, inis, onz)                  troep (turma)                     glad (lubricus)
    Conscendere:                        Evadere: naar                    Frustratur:
     bestijden,                           buiten gaan,                      Tegenhouden,
     beklimmen,                           opstijgen,                        verhinderen
     klimmen op, scheep                   ontsnappen,                       (frustro, frustror)
     gaan, zich verheffen                 uitlopen, afleggen,              Semita: de weg
     tot (conscendo)                      ontkomen,                         (semita)
    Erigit: opwaarts                     beklimmen (evado)                Canenti: Wit zijn
     laten optrekken of                  Rumpit: een …                     (caneo)
     oprukken (agmen in                   banen (aditus): een              Luctantem:
     adversum clivum)                     toegang banen                     ploeteren
    Crudis: rauw,                       Ardua: steile                    Cremat: verbranden
     onbewerkt, onrijp,                   hoogten (arduum)                 Hiatu: opening,
     nog nieuw (crudus,                  Exuperat:                         kloof, afgrond
     a, um)                               Overschrijden,                    (hiatus)
    Proprio: aan één                     overstijgen                      Nix: sneeuw
     iemand uitsluitend                   (exsuperare)                     Resoluta: smeltend
     toebehorend, eigen,                                                   Umenti: vochtig
     eigenaardig,                                                           (umens)

                                              102
 Operit: bedelven,
  bedekken
 Praeceps: naar
  beneden bewegend
 Ruina: het
  neerstorten
 Glomeratas:
  samendringen
 Fuscis: donkere,
  zwartachtige
 Stridens: ruizen,
  kraken, ritselen
  (strideo)
 Avulsa: wegrukken,
  ontrukken, scheiden
  (avello)
 Contorto: heen en
  weer slingeren,
  ronddraaien
 Flatu: het waaien,
  het blazen (flatus)
 Sublimia: zwevend,
  zich hoog in de
  lucht bevindend
  (sublimis)
 Rotat: in een cirkel
  ronddraaien (roto)
 Subiere: ?
 Iugo: juk, berg,
  hoogte
 Erexere: naar boven
  toe aanleggen,
  opwaarts laten
  optrekken (erigo)
 Gradum: stap,
  positie, nadering
 Nisi: het zich schrap
  zetten,
  krachtsinspanning,
  het
  omhoogklimmen
  (nisus, us)




                          103
http://www.archive.org/stream/punicasi01siliuoft#page/152/mode/2up

http://agoraclass.fltr.ucl.ac.be/concordances/Silius_puniquesIII/lecture/6.htm



Nu, oh, nu bondgenoten, geloof dat jullie de wallen van het heersende Rome en de hoogste top van
Jupiter beklimmen. Dit gezwoeg zal Ausonia en de Tiber in boeien geven.’ En zonder uitstel, bewogen
door rijke beloften, liet hij het leger opwaarts oprukken naar de heuvel en hij beval de bekende
sporen van de grote Hercules achter te laten en verder te gaan door het onbewerkte van de plaatsen
en hij beval dat het eskadron door de aan hen toebehorende heuvel klom. Hij baande zich een
toegang, die niemand ooit had doorgegaan (WELKE VORM?) en als eerste oversteeg hij steile hoogtes
en vanaf de hoogste rots riep hij zijn cohortes. Toen, waar door hard geworden ijs de heuvel stijf was
en het glibberige pad van een wit geworden heuvel hen tegenhield, terwijl hij ploeterde, verbrandde
hij met een zwaard het ijs: de smeltende sneeuw verzwelgt de mannen in de afgrond en van een
hoge hoogte naar beneden bewegend, bedekt de neergekomen neerstorting van vocht de troepen.
Intussen de huiveringwekkende Noord-westen wind samen met de donkere ALIS drijft de sneeuw,
samengepakt door een ongunstige storm in het midden van hun gezicht, of de wegrukkende wind,
krakend van een vreselijke storm grijpt de wapens weg van de mannen en draait hen door ORBEM?
En het zwevende doet hen ronddraaien in de wolken in een ronddraaiend blazen. Hoe meer ze
verdergingen en beklommen en een stap van krachtsinspanning naar boven toe aanlegden, groeide
de inspanning. Boven op hoge hoogten FESSIS worden ook andere lasten zichtbaar en geboren,



Woordenschat (r. 528-539)

R.       Latijn                                  Nederlands
529      Arduus                                  Steil, moeilijk
530      Fessus                                  Moe, afgemat
531      Edomare                                 Volledig temmen, bedwingen
531      Exsudare                                Uitzweten, met inspanning doen
532      Libet                                   Het behaagt, het belieft
532      Planus                                  Vlak, effen, glad
533      Pruina                                  Sneeuw
537      Securus                                 Onbezorgd
537      Carbasus                                Van fijn linnen


Vertaling (r. 528-539)

Ook ondergingen ze meer het juk en ze gingen weg, als ze de stap niet verder oprichten, groeide het
werk. Boven zichzelf maakte hij de moeilijke dingen bekend aan de vermoeiden en een andere last
ontstond, vanwaar het niet behaagt dat bedwongen werken, met inspanning gedaan teruggekeken
hebben. Met zo’n grote angst joegen de vlakke eisen schrik aan aan de ogen, en terwijl ze
tegelijkertijd zingen met de sneeuw, en aan wie ook wordt het zicht gegeven toe te staan en de
vorm wordt binnengedragen. Zo in het midden van de zee, een schipper, toen hij zacht de aarde
achterliet en de waardeloze dingen (van fijn linnen?) geen winden vonden met een onbezorgd


                                                 104
onheil, keek hij vooruit over het enorme water en vermoeid vernieuwde hij in de diepe wateren zijn
overwonnen licht aan de hemel.



540 importunus, a, um: ongustig, lastig, brutaal        543 effusus, a, um: wijd, verspreid
541 illuvies, ei (vr): vuil(heid), modder               543 cavus, a, um: hol
541 rigidus, a, um: (capilli) omhoogstaand              543 exesus, a, um: aangevreten
541 squalor, oris (m): ruwheid, smerigheid              543 pumex, icis (m): puimsteen
541 perennis, is, e: eenjarig, voortdurend              543 vigor, oris (m): kracht, levendigheid
542 horridus, a, um: omhoogstaand, ruw, angstaanjagend 544 dumus, i (m): struikgewas, bosje
542 promere, o: te voorschijn halen/ brengen            544 pernix, x, x: snel, behendig, vlug
542 semiferi (m): half-wilde                         545 montivagus, a, um: over bergen dwalend

En nu, bovenop de rampen en vanuit de ongunstige viezigheid van de omgeving, komen half-wilden
vanuit de rotswanden te voorschijn met voortdurende smerigheid van ruw haar op hun
schrikwekkende gelaat, en verspreid vallen de Alpse groep aan vanuit de holle grotten van het
aangevreten puimsteen, en met de levendigheid van hun gewoonte, vielen ze hen behendig aan op
onbereikbare plaatsen langs de bosjes en de hun bekende sneeuw, op de over de bergen dwalende
paden, nadat ze de vijand hadden ingesloten. Het uitzicht raakt getransformeerd door de plaatsen
(eventueel gebeurtenissen?).


548 infectus, a, um: gekleurd, verhuld                551 compressus, a, um: smal, nauw, stevig
548 rubescere: rood worden                            551 pruina, ae (vr): sneeuw
549 tepefactus, a, um: verwarmd                       552 abscisus, a, um: steil, ontoegankelijk
550 sonipes, edis (m): rijpaard                       553 gelu, us (onz): ijs, koude, verstijving
550 cornu, us (onz): hier hoef?                       554 seni, ae, a: telkens 6
551 ungula, ae (vr): hoef, poot                       554 totidem: evenveel
551 perfossus, a, um: doorgestoken, doorboord         555 vertex, icis (m): top, spits, werveling
551 haerere: hangen, zitten, vaststeken               556 praeruptus, a, um: steil, hellend, hard

Hier werd de sneeuw rood, verhuld met veel bloed, hier wijkte het ijs niet in staat te worden
overwonnen (onoverwinnelijk) beetje bij beetje weg van het verwarmde bloed, en van zodra het
paard zijn voetsporen drukt met zijn zware hoef, stak zijn stevige poot vast in de doorboorde
sneeuw. Maar het wegglijden/vallen is niet de enige ondergang: ze laten ledematen achter,
ontoegankelijk gemaakt door de sneeuw, en de ruwe koude amputeert de al gebroken ledematen.
Tweemaal telkens zes zonnen (12 dagen), en evenveel nachten met woeste wonden (lijdenswegen)
doorgebracht, gingen ze zitten op de gewenste bergtop en zetten hun moeilijke kamp op op de harde
rotsen.




                                                105
LATIJNSE LETTERKUNDE LES 7
           5. Marcus Aurelius


Leven

   Geboren in 121 n.C. als Marcus Annius Verus
   Zijn vader stierf heel vroeg; Marcus werd opgevoed door zijn
    grootvader
   Keizer Hadrianus leerde hem snel kennen en was onder de indruk
    van Marcus
   Toen Marcus 15 was, arrangeerde Hadrianus voor hem een
    huwelijk met de dochter van zijn adoptiefzoon Aelius (zijn
    opvolger) (136 n.C.)
         o Deze adoptiefzoon stierf ook vroeg, maar zijn zoon Lucius Verus werd adoptiefzoon
             van Hadrianus
         o Nieuwe adoptiefzoon: Antoninus Pius
         o Marcus Aurelius werd de adoptiefzoon van Antoninus Pius (138 n.C.)
   In 139 werd het huwelijk ontbonden, er werd een huwelijk gearrangeerd met Annia Galeria
    Faustina (Faustina de Jongere), dochter van Antoninus Pius
         o In 144 werd een munt gemaakt voor de verloving van het koppel
         o Officiële huwelijk in 145
         o 146: geboorte van het eerste kind (Faustina werd Augusta)
         o (In 25 jaar tijd kreeg ze nog 12 kinderen waarvan er 6 stierven)
         o Slechts 1 zoon overleefde: Commodus (161)
   Interesses: Veel filosofiestudies
   Aanhanger van de stoicijnse visie van Epictetus
   Zijn leermeester in retorica was Fronto (139-145)
   Hij was keizer van 161 tot zijn dood in 180: 5e keizer en laatste adoptiefkeizer (geslacht van
    de Antonini): hij werd dan Augustus
         o Medekeizer was dan Lucius Verus van 161 tot 169 (hij stierf)
   Na de dood van Verus was Marcus Aurelius genoodzaakt te gaan naar de Germaanse
        grensgebieden en hij verbleef er 8 jaar: schreef zijn gekende: “Τὰ εἰς ἑαυτόν” (meditaties)
       In 172 kreeg hij samen met zijn zoon Commodus (toen 10 jaar) de titel Germanicus
       175: zware ziekte treft hem, wordt dodelijk ziek
            o Zijn vrouw wilde verhinderen dat Commodus zou keizer worden, en liet opstand
                komen, maar deze opstand ging niet door aangezien Marcus Aurelius genas (176:
                Faustina sterft zelf)
       177: Marcus Aurelius geeft zijn zoon Commodus de titel Augustus, en ze zijn samen keizer tot
        de dood van Aurelius
       178: Marcus Aurelius moet weer naar de grensgebieden van de Germanen
       180: Marcus Aurelius sterft natuurlijke dood, uitgeput door oorlogen, …
       Na hem was er een verwarrende periode

                                                106
   Gestorven in 180 (na zijn dood is de gelukkigste tijd van de Romeinse geschiedenis
    afgelopen, de periode die begon bij Nerva’s principaat)
   Marcus Aurelius werd dan nog Divus genoemd door zijn zoon
   Het was een keizer met enorm veel talenten, wat niet kan gezegd worden van zijn zoon
   Marcus Aurelius heeft een zuil op de Piazza Colonna: opgericht door zijn zoon Commodus
    (193: voltooid)



THE ARCHAIZING TENDENCY OF THE SECOND CENTURY

   Midden 2de eeuw: nieuwe dominante smaak = archaïsch
   Historische omstandigheden: bereiden dit voor:
        o In literaire kringen is geleerd onderzoek passie geworden: professionele
            studie van retoriek, filologie, vocabularium,…
                  Mensen die dit doen zijn verplicht oude en moeilijke auteurs te
                      bestuderen (naast algemeen erfgoed zoals Vergilius, Cicero,…)
        o Al vanaf Flavische periode: ontstaan van reactie tegen linguïstisch en
            stilistisch modernisme van bv Seneca: Quintilianus kijkt terug naar Cicero, in
            de periode erna drijft men deze reactie nog verder.
        o Romeinse cultuur 2de eeuw: tweetalig. Ook de keizers: Marcus Aurelius
            schreef meditaties in het Grieks.
            Ook Griekse cultuur van dat moment was archaïstisch: men kijkt terug naar
            het zuivere Attisch van de 5de en 4de eeuw v.C. = Atticisme: hangt samen met
            verlangen naar een geïdealiseerde, onbereikbare samenleving.
                  Al die factoren samen zorgen voor een archaïstische beweging in
                      Rome. Men wou teksten van republiek herontdekken, ook die van
                      voor Cicero en Catullus.
                      Resultaten:
                          Nieuw aanzien voor leraars retoriek en literatuur
                          Leraars epideictische retoriek: stilistische virtuositeit wordt
                             waardevoller
                          Filologen worden bevestigd in aanbidding van het verleden
                          Krachtig antwoord tegen nieuw nationalisme van Griekse
                             intellectuelen.
        o Maar: men moet puurheid en theoretische orthodoxie ervan niet overdrijven:
            Archaïsch Latijn was geen perfecte artistieke taal, dus men neemt een aantal
            dingen over en vult daarmee een stijl aan die toch een nieuwe is.

Marcus Cornelius Fronto

   Werd gezien als een soort nieuwe Cicero
   Leraar van de prins Marcus Aurelius
   Naar het einde van het keizerrijk toe vond men hem een klassiek voorbeeld, maar
    voor ons is hij een veel kleiner man
   Maar: Reputatie in de oudheid: gebaseerd op retorieklessen en publieke
    redevoeringen. Daarvan hebben wij enkel fragmenten en titels. In de 19de eeuw
    ontdekte kardinaal Angelo Mai een fragment van hem in een palimpsest. Men was

                                            107
     heel enthousiast, want men dacht iets belangrijks gevonden te hebben om zijn
     reputatie in de Oudheid te kunnen verklaren. Als het manuscript ontcijferd was, was
     het echter ontgoochelend: het bevatte een aantal kleine geschriften waarvan niet
     zeker geweten is of ze voor publicatie bestemd waren. Het zijn persoonlijke brieven
     van en naar leden van de keizerlijke familie, zoals Marcus Aurelius, en een aantal
     andere werken, zoals redevoeringen, korte verhaaltjes,… van zijn meer ambitieuze
     publieke speeches is niets over.
    Enige directe bron voor retoriek in deze periode: declamaties van Calpurnius Flaccus:
     sombere verhalen.
    Leven van Fronto:
          o Kwam uit provincie Africa, geboren in Cirta rond 100.
          o Publieke (politieke) carrière onder Hadrianus en Antoninus Pius
          o Hij voedde de 2 adoptiezonen van Antoninus Pius op, waarvan Marcus
              Aurelius er één was. Die hield, van ethische en filosofische meditatie, in
              tegenstelling tot Fronto, die de kunst van het woord predikte.
          o Vrij oud gestorven, waarschijnlijk rond 170.
    Stilistische theorie:
          o Stijl die origineel en nieuw klinkt, maar toch niet modern lijkt. Daarom
              gebaseerd op literatuur van voor Augustus.
          o Hij houdt van creatieve taal, maar niet van neologismen: hij houdt van de
              creativiteit van de archaïsche auteurs.
          o Hij houdt ook van de levendigheid van Cicero’s brieven, maar niet van de
              geregelde zinnen van zijn redevoeringen.
          o Hij staat open voor informele taal en is niet vooringenomen tegen
              graecismen.
          o Dus: zijn archaïsme is geen purisme dat andere invloeden en vermenging met
              alledaagse taal verwerpt.
          o wat Fronto het meest aantrekt in archaïsche literatuur is de smaak voor
              klankeffecten en woordspelletjes. Zijn proza: veel parallellismen, rijm,
              kettingen van beelden, spelletjes met klank en betekenis. Inhoud is niet zo
              belangrijk: geen filosofische, morele, sociale en politieke thema’s.
          o voorbeeld: Principia Historiae: moest voorwoord worden van werk over
              campagnes van Lucius Verus (medekeizer van Marcus Aurelius). Visie op
              geschiedenis: dient enkel om retoriek te tonen. Zijn brieven aan Marcus
              Aurelius en Lucius Verus tonen dat hij zijn opvoedingstaak enkel zag als een
              opvoeding in de retoriek. Waarschijnlijk was hij niet betrokken in discussies
              over staatszaken.
          o Hij belichaamt totale scheiding van retoriek van de sociale
              verantwoordelijkheid, wat lang samenging met retoriek. Hij toont ook dat
              retoriek beperkt was tot artistiek proza, diende niet meer om te overtuigen,
              zelfs niet meer om te “tonen”.

Tekst


  r     Latijn                                   Nederlands
        Have < haveo - aveo                      verlangen

                                           108
    2    Soleatus, a, um                              Op of met sandalen
    3    Calceatus, us, m                             schoeisel
    3    Sagulo (sagulum,i, onz)                      Korte mantel, reismantel
    5    Venationem (venatio, onis, vr)               jacht
    7    Libellos (libellus)                          boekje


Verlang naar mij het ergst meester

       Wij voelen ons goed. Toen ik het voedsel weglegde, heb ik vandaag van negen uur vannacht
        tot het twee uur in de dag mij wetenschappelijk bezig gehouden en van het tweede uur van
        de dag tot het derde uur van de dag wandel ik met sandalen het liefst rond voor mijn
        slaapkamer. Vervolgens, nadat ik de korte mantel genomen had, ging ik met het schoeisel
        weg om mijn meester te begroeten (want zo is het aan aangekondigd voor ons aanwezig te
        zijn).
       We waren vertrokken op jacht, we begingen een sterke daad, we hadden vernomen dat er
        wilde zwijnen gevangen waren, maar geen enkele mogelijkheid was zeker om te zien. We
        stegen de toch genoeg steile helling; vandaar gingen we terug naar het huis na de middag. Ik
        ging naar mijn boekjes. Dus na mijn schoenen heb uitgetrokken en mijn kleren afgenomen,
        vertoefde ik me in het bed gedurende 2 uren. Ik las de redevoering van Cato “De bonis
        Pulchrae” (Over de goederen van Pulcher) en andere, die door de rechter in de dag gezegd
        waren. Ach, zei ik aan jouw knaap, ga weg zo ver als je kan, nadat hij aan mij de
        redevoeringen had gebracht van de bibliotheek van Apollo. Zonder reden zend je, want deze
        2 boeken vielen me te beurt. Dus de bibliothecaris van Tiberianus streelde jou; om iets aan
        een deze zaak te besteden, omdat hij aan mij een gelijke verdeling voorziet, toen ik naar de
        stad ging.

§   Latijn                                      Nederlands
3   Lymphae                                     bronnimfen
3   Plane                                       Geheel en al
3   Vindemiator                                 Wijnbouwer
3   Iubilium                                    Gejubel
3   Perstrepere                                 Hevig lawaai maken
3   Causidicalis                                Advocaten-
3   Taedium                                     Haat, afkeer
4   Perfrigescere                               Koud worden, kou vatten
4   Soleatus                                    Op sloffen
4   Alioqui                                     Sowieso, in het algemeen
4   Pituitosus                                  Vol slijm, slijmerig
4   Mucculentior                                Iets met slijm, maar weet niet welke vorm…
4   Lucerna                                     (Olie)lamp, fakkel
4   Stilla                                      druppel
4   Equitatio                                   Het rijden
4   Sternuatio                                  Het niezen




                                                109
3. Maar nadat ik deze redevoeringen doorgelezen had, schreef ik een beetje ellendig,
   dat ik ofwel aan de bronnimfen, ofwel aan Volcanus zou zeggen: er is heden waarlijk
   rampzalig door mij geschreven, geheel en al de kleine studie van een jager of
   wijnbouwer, die in hun slaapkamer hevig lawaai maken met hun gejubel, ik ben van
   nut voor de haat en afkeer van advocaten. Waarom zeg ik dat? Integendeel, ik heb
   het juist gezegd, want mijn meester is toch een redenaar.
4. Ik lijk mezelf kou gevat te hebben, omdat ik vanmorgen op sloffen gewandeld heb of
   omdat ik slecht geschreven heb, ik weet het niet. Ik schijn mezelf zeker sowieso al
   een man vol slijm te zijn, maar vandaag schijn ik veel meer slijm te hebben (???). en
   daarom zal ik olie over mijn hoofd gieten en zal ik beginnen slapen, want ik denk niet
   dat ik vandaag nog een druppel in de lamp zal gooien (gieten). Zozeer hebben het
   rijden en het niezen me afgemat.
5. Je zult gezond zijn (=>gegroet?) mijn liefste en aangenaamste leermeester, die ik, zo
   zou ik durven zeggen, meer begeer dan Rome.

Nos valemus. Ego aliquantum prodormivi propter perfrictiunculam, quae videtur sedata
esse.

Alles goed met ons. Ik ben tamelijk blijven slapen wegens een verkoudheid, welke rustig
schijnt te zijn.

Aliquantum: bijw. Tamelijk
Prodormivi: <prodormire: blijven slapen
Perfrictiunculam: vind ik niet in de woordenlijst; wel: perfrictio, onis,f : verkoudheid
Sedatus, a, um: rustig, stil

Ergo ab undecima noctis in tertiam diei partim legi ex Agri Cultura Catonis, partim scripsi
minus misere me Hercule quam heri.

Dus heb ik van 23 uur ‘s avonds tot 3 uur ’s ochtends voor een deel gelezen in de
agricultura van Cato, voor een deel geschreven, minder ellendig dan gisteren warempel!

Mehercule: bij Hercules! Waarachtig! Warempel!
Misere< miser, era, erum: bijw: ellendig

Inde salutato patre meo aqua mulsa sorbenda usque ad gulam et reiectanda ‘fauces
fovi’, potius quam dicerem ‘gargarissavi’, nam est ad Novium, credo, et alibi.

Vervolgens, nadat ik mijn vader had gegroet, het zoete water moest worden
opgedronken tot aan de strot en overgegeven ‘ik heb de keel verfrist’, eerder dan ik ‘ik
heb gegorgeld’ zou zeggen, want ik geloof dat dat is volgens Novium en elders.

Mulsus, a, um: zoet
Sorbenda< sorbere: opdrinken
Gula, ae,f: strot
Peiectanda:< reicere: overgeven


                                           110
Fovi: <fovere: verfrissen, verzorgen
Gagarissavi: < gargarizare: gorgelen
Alibi: elders
Novium?

Sed faucibus curatis abii ad patrem meum et immolanti adstiti.

Nadat mijn keel verzorgd was, ging ik weg naar mijn vader en stond ik bij, bij het offeren.

Immolanti: <immolare: offeren

Deinde ad merendam itum. Quid me censes prandisse?

Vervolgens gingen we eten. Wat denk je dat ik heb gegeten?

Merendam:< merenda,ae,f: maaltijd in de namiddag
Itum:< ire: part. perf.
Prandisse: <prandere: luchen

Panis tantulum, cum conchim, caepas et maenas bene praegnatis alios vorantis viderem.

Een klein beetje brood, terwijl ik de anderen hun buikje goed vol zag eten met bonen,
uien en ansjovis.

Panis, is,m: brood
Tantulum, i,o: zo weinig, zo een geringe hoeveelheid
Conchim< conchis,is,f: Gr leenwoord: boon
Caepas< cepa,ae,f: ui
Maena,ae,f: ansjovis (weetje dat er niks mee te maken heeft: Plautus gebruikte dit als
scheldwoord :p)
Praegnatis< praegnas,atis: vol (van:abl) wrm gen?
Vorantis:<vorare: opslokken wrm gen?

Deinde uvis metendis operam dedimus et consudavimus et iubilavimus et ‘aliquot’, ut ait
auctor, ‘reliquimus altipendulos vindemiae superstitis’.

Vervolgens hielden we ons bezig met druiven plukken en zweetten we hevig en slaakten
we luide kreten en ‘een aantal’, zoals een auteur zegt, ‘hebben we achtergelaten: de
hooghangenden van de volop voorhanden zijnde druiven.’

Uvis< uva,ae,f: druif
Metendis:< metere: afplukken
Consudavimus:< consudare: hevig zweten
Iubilavimus:< iubilare: luide kreten slaken
Aliquot: onverbuigbaar adj.: enkele, enige, een aantal
Altipendulos:< altus + pendulus? Hoog + hangend


                                          111
Vindemia,ae,f: druiven
Superstitis:< superstitare: volop voorhanden zijn

Ab hora sexta domum redimus.

Tegen 18u zijn we naar huis teruggekeerd.


6.2
Ik heb me met/op iets kleins en dwaas bezig gehouden/toegelegd. Daarna heb ik veel
met mijn moedertje die op het bed zat gepraat. Ik sprak aldus/mijn gesprek was zo: ‘Wat
meen jij dat mijn Fronto nu doet?’ zij antwoordde ‘Maar wat meen jij dat mijn Gratia
doet?’ waarop ik weer ‘Wat met ons kleine musje Gratia?’ Terwijl we zo spraken (en een
woordenwisseling hadden), welk van beide een van jullie meer liefhad, viel er een schaal
kapot/weergalmde een discus, wat wil zeggen, er werd gemeld dat mijn vader naar de
badkamer was gegaan. Nadat we ons gewassen hadden nuttigden we het avondmaal
dus in de schuur; en we luisterden graag naar de boeren die zich vrolijk maakten / en we
luisterden naar de boeren terwijl we er ons vrolijk over maakten. Vervolgens, nadat ik
teruggegaan ben, voordat ik me op mijn zij rol opdat ik zou snurken, vertel ik mijn
gedachte(n) en mijn mening/bedenksel van de dag aan mijn zeer aangename meester
vertel, die ik, als ik nog meer naar hem kon verlangen, graag nog meer zou kwellen (het
passief is nogal vreemd).
6.3
Het ga je goed, mijn Fronto, waar je ook bent, zoetste, mijn liefde, mijn verlangen. Wat is
er voor mij met jou (nogal vreemde zin, maar goed, kan misschien betekenen ‘hoe gaat
het tussen ons?’). Ik hou van je terwijl je er niet bent.

Matercula : verkleinwoord voor mater.
Torum : torus, bed.
Garrivi : garrire, kletsen, praten.
Passerculam : musje.
Discus : schaal of discus (kan het een soort gong zijn?)
Loti : lavo (alternatieve vorm), wassen.
Cavillantes : cavillari, spotten met, zich vrolijk maken. (cavillantes kan hier zowel acc. als
nom. zijn, hou rekening met vertaling).
Stertam : stertere, snurken.
Macerarer : macerare, kwellen.

Gratia : het kan zijn dat Cratia, de dochter (of de vrouw (ze hadden dezelfde naam) van
Fronto bedoeld is.
Matercula : kan slaan op Aurelius’ moeder Domitia Lucilla.
Pater meus : het gaat in ieder geval niet over zijn biologische vader.




                                            112
           6. Apuleius


Leven

       Alles wat we weten is uit zijn eigen werk
       Zijn voornaam weten we niet, evt. Lucius: maar niet zeker
       Noord-Afrikaan uit Madaura
       Geboren rond 125
       Half Numidisch, half Gaetuliër
       Kwam uit een vooraanstaand gezin (zijn vader was duovir iuri dicundo: lid van stadsbestuur)
       Deed zijn studies in Carthago en dan in Athene (leraar Gellius)
       Ging dan naar Rome en naar het oosten
       Terug naar Afrika: kwam Pontianus, zijn schoolvriend tegen
       Hij trouwde met de moeder van Pontianus: weduwe van 10 jaar ouder dan hem, en had een
        behoorlijk vermogen
       Daarom werd hij beschuldigd van magische handelingen : moest zichzelf verdedigen t.o.v. de
        ouders van zijn vrouw (158)
       Hij slaagde daar wsl. in
       Daarna was hij een vooraanstaand gevierd spreker in Carthago
       De informatie gaat niet verder dan 170
       Wilde zelf wel filosoof zijn (vertegenwoordiger van midden platonisme)
             o Representatief voor de tweede Sofistiek
                      Nieuwsgierigheid in de natuur
                      Angst en spanning t.o.v. het verborgene
                      Initiatie van de mysterie cultussen
       Beheerst zowel Latijn als Grieks



Werken


           o   Apologia (De magia)
                   Rede die hij gebruikte om zich te verdedigen in zijn rechtszaak
                   Bijtende ironie

           o   Florida: bloemrijke passages (= Anthera)
                    23 fragmenten van wisselende lengte uit niet bewaarde redevoeringen
                    Er valt niet na te gaan wanneer, door wie en op grond waarvan de
                        bloemlezing is samengesteld
                    Thematische raakvlakken met zijn eigen werk
                    Spreker van officiële politieke speeches, religieuze panegyrist, geleerde,
                        schrijver, moralist, verteller van interessante verhaaltjes, filosoof
           o   Filosofische werken
                    De deo Socratis: authenciteit wordt aanvaard: uit jongere jaren


                                                113
                            Over de rol van demonen als tussenpersonen tussen de hemelgoden
                             en de mensen + beschermgeesten van de mensen
                          Bv daemonion van Socrates
                          3 delen
                                 o Aparte wereld mensen en goden
                                 o Positie en functies van de demonen
                                 o Conclusie over de demon van Socrates: innerlijke stem in
                                      Socrates om zijn uitoefening van de waarheid te volgen
                 De Platone et eius dogmate: echtheid is bijna niet meer omstreden: uit
                    jongere jaren: over Plato en zijn fysica en ethica
                 De mundo: vrije vertaling van een Grieks werkje περι κοςμου, echtheid is
                    bijna niet meer omstreden: uit zijn jongere jaren
                          over de krachten in de natuur, betreffende het universum
                          de manier van schrijven doet ons zeker denken aan Apuleius
        o   Peri Hermeneias: over de aristotelische logica: niet zeker dat het van hem is
        o   Asclepius: dialoog: niet zeker dat het van hem is!!!
        o   Hermagoras
        o   Phaedo, Republiek: vertalingen van Plato:
        o   Aritmitsche Kunst: vertaling van Nicomachus van Gerasa
        o   Ludicra
        o   Encyclopedische werken
        o   Kort fragment van vertaling van Anechomenos, komedie van Menandros
        o   Metamorfosen: De gouden ezel ASINUS AUREUS
                 Latijnse roman
                 11 boeken
                 Laatste werk dat we kennen van Apuleius
                 Plot: afkomstig van een Griekse bron
                 Lijkt een diepere betekenis te hebben
                 Hoofdpersonage is Lucius, Corinthiër uit Noord Griekse Thessalië (gekend om
                    de tovenarij), hij wordt in een ezel veranderd. Hij krijgt telkens een andere
                    eigenaar, ondergaat diepe vernederingen maar ook getuige van amusante
                    gebeurtenissen en verneemt veel verhalen (raamvertelling structuur bv
                    Amor en Psyche)
                          Psyche wordt door Venus verbannen omdat ze beeldschoon is, maar
                             ze wordt er bezocht door Cupido, de zoon van Venus => midden in
                             de nacht, zodat Psyche niet weet wie haar minnaar is; wanneer ze
                             dan plots een lamp ontsteekt, moet hij haar verlaten; Venus dwingt
                             haar dan drie opdrachten uit te voeren; maar op het einde trouwt
                             Amor met Psyche en hun dochter is VOLUPTAS

                   Lucius wekt de lust van een rijke vrouw + … Uiteindelijk komt hij te weten
                   hoe hij weer mens kan worden (Isis), na zijn metamorfose gaat hij bij haar in
                   dienst

Stijl

                                            114
                   Gemaniëreerd
                   Decadente stijl
                   Formuleert alles zeer abnormaal
                        Gelikte woordkeuzen
                        Verkleinwoordjes en pleonasmen
                        Overdadige beeldspraak
                        Parallelle zinsconstructies
                        Alliteratie en assonanties
                        Rare woordvolgorde

   Verhaal van Psyche en Cupido: bella fabella
   Allegorisch verhaal
   Apuleius voerde het Milesische genre in
   Verschillende interpretaties van de bella fabella
         o Fulgentius: geïnterpreteerd op een christelijke manier, als een ontmoeting tussen de
              ziel en het verlangen. Maar Apuleius kan onmogelijk een Christelijk werk geschreven
              hebben, aangezien hij een scherpe criticus was van het jodendom. Het kan wel een
              Platonische basis hebben.
         o Recentere interpretatie: Verhaal als een intiatie in de cultus van Isis.
         o  Beiden zijn met elkaar verbonden en niet los van elkaar te zien
   Het verhaal van Psyche en Cupido brengt de hele roman voort op een kleine schaal en toont
    hoe deze moet gelezen worden.
   Zonder dit verhaal, is de roman een gewoon ‘avonturenromannetje’
   Eigenlijk is het een mystagogische (in de mysteriën ingewijd) roman: een intiatie in de
    mysterie-riten
   In het tweede deel wordt het begin compleet gemaakt door de introductie van het thema
    ‘religie’
         o Goddelijke openbaring van Isis
         o Overlapt met het thema van het avontuur: toont te betekenis van de intiatie
         o Van in het begin is aan Lucius redding beloofd door Isis, meesteres van de
              transformatie
   Pas aan het einde worden beide verhalen volledig duidelijk
   Plot van het verhaal van Psyche en Cupido is sterk beïnvloed door:
         o Populaire fabels: Iraanse, Egyptische en West-Afrikaanse
         o Alexandrijnse en Milesische elementen
         o Latijnse elementen
                    Vergilius: tocht naar de onderwereld
                    Elegie: de liefde van Cupido en Psyche
   Andere uitweidingen in het verhaal zijn van verschillende soorten: magische, epische,
    komische en tragische
   Het hele boek is een reis door een wereld van literaire tekens naar vrijheid in licht en
    moraliteit.
   Het meest originele: de wederkerigheid tussen het mysterisch-religieuze element en het
    Milesische verhaal.


                                            115
     De vereniging van de 2 niveaus komen voor in de gedachten van de ezel: reis naar wijsheid
     Tussenkomsten van verteller en ironische effecten komen meer voor in het laatste boek
     Roman eindigt met redding, ook voor de lezer
          o Proloog: wordt ‘laetari’ beloofd, lezer is lector
          o Einde: gaudere, lezer is studiosus

Taal en stijl

     Africitas: het Latijn van de Noord-Afrikanen
     Is niet van toepassing op Apuleius
     Mix van verschillende eigenschappen
           o Verouderd taalgebruik (kwam veel voor in zijn tijd) en bewondering voor Plautus,
                die hij nabootst
           o Oefening in retoriek
     Naast elkaar plaatsen van verschillende elementen
           o Archaïsmen en neologismen
           o Vulgarismen en poëticismen
           o Technische termen van wetenschap en handenarbeid
     Doel: zich distantiëren van de gesproken taal (is goed gelukt)
     Heeft een literair lexicon rond een aantal typische situaties, gebaseerd op de klassieken
      (Vergilius, Ennius). Deze combineert ze op een persoonlijke manier en vernieuwt ze met
      neologismen.
     In zijn zinsconstructies: hoog retorische kwaliteit: stijlfiguren, herhalen van ritmes
     Ook voorteken van het middeleeuwse Latijn

Literair succes

     Oudheid
         o Was een gevierd in de late oudheid, maar niet als romanschrijver, wel als filosoof en
             tovenaar
         o Filosofische werken werden in de middeleeuwen vaak gelezen, maar werd nooit
             schoolauteur
     Renaissance
         o Boccaccio: herontdekte het manuscript van de roman
         o Heel vaak gedrukt, zowel in Latijn als in de spreektaal
         o Grote invloed op de moderne roman: de picareske roman in Spanje
         o Grote bewonderaar: Flaubert
         o Heel geliefd bij moderne lezers




                                               116
Tekst



Boek 1: Na enige mededeling aangaande zijn geboorte, afkomst en spraaklering, verhaalt Lucius, hoe
hij door het echte land der hekserij en bezweringen, Thessalië, reizende, van enen anderen reiziger,
met name Aristomenes, één van twee reizigers bij wie hij zich al reizende aansloot, een
allerwonderbaarlijkst verhaal van beheksing (voor het één slachtoffer met dodelijke afloop)
verneemt; hoe hij daarna, alléén verderreizende in de stad Hypata aangekomen, aangaande den hem
toebedachten gastvriend Milo, veel goeds - immers van karigheid - belovende inlichtingen inwint,
diens huis bereikt en daarin zijn intrek neemt; en ook nog hoe hij enen ouden studiemakker, thans
marktmeester, met name Pytheas ontmoet hebbende, door diens welwillendheid zijne even ter
vismarkt gekochte eetwaren wederom kwijtraakt.

Boek 2: Lucius wordt, wanneer hij ten zeerste begerig naar enige ondervinding der magische
kunstenarijen, in de stad Hypata ronddwaalt, door een deftige dame, Byrrhaena, de zoogzuster
zijner moeder, aangesproken, naar hare kunstvol ingerichte woning medegetroond en tot blijven
genood. Hij verontschuldigt zich als zijnde reeds bij een gastheer geherbergd. Byrrhaena dan, hem
empartnemende, waarschuwt Lucius tegen de verderfelijke ja dodelijke minne- en toverkunsten zijner
gastvrouw Pamphila. Lucius neemt de waarschuwingen goedig als wegwijzing tot de begeerde
toverkunsten aan, maar besluit zich tegen de schadelijke minnekunsten te beveiligen door een
minlijker kennismaking met het beminnelijke dienstmeisje Stoofster. Het aangenaam gezelschap
van dit jonge meisje houdt hem verscheidene dagen bij zijnen karigen gastheer onder dak, totdat hij
eindelijk aan de dringende uitnodiging van Byrrhaena gehoor geeft en zich door deze op een talrijk en
weidsch gastmaal laten onthalen en ook voor den volgende dag genodigd wordt, ter viering van het
feest van god Lach. Wanneer hij zich overeenkomstig zijne belofte aan Stoofster enigszins vroeg naar
huis begeeft, vindt hij voor de deur zijns gastheers drie zwaargebouwde en omvangrijke rovers, die hij
onverschrokken ontlijft, daar ze hem den toegang tot het huis versperden.
Bovendien wordt Lucius in dit boek door zijn gastheer overtuigd van de onbetrouwbaarheid des
Chaldeeuwers, die hem voorspeld had dat deze nu ondernomen reis voor hem voorspoedig en
roemrijk zoude zijn. En ook hoort hij aan Byrrhanena's gastmaal een wonderbaarlijk verhaal van
tovenarij, welks vertrouwbaarheid hem met de tastbare bewijzen gestaafd wordt.

Boek 3: Lucius wordt dieper en dieper door andere leer en eigen leed in de geheimenissen der toverij
ingewijd. Want niet alleen strekt hij, tussen de jammerlijkste doodsvrezen en de luchthartigste
belachelijkheden heen en weder geslingerd, tot hoofdpersoon slachtoffer en eersten toneelspeler in
het door de ganse burgerschap gevierde feest van god Lach, maar ook verneemt hij van Stoofstertje
dat de eerste beginselen en oorzaak van dit zijn martelaarschap gelegen waren in de welgelukte
maar op een verkeerd object neergekomen kunststukken zijner minzieke, maar toverrijke gastvrouw
Pamphile.
En niet alleen wordt het hem door Stoofstertjes gunsten gegund dat hij het wonderlijke en leerrijke
schouwspel heimelijk gadeslaat hoe Pamphile de vluchtigste vogelherschepping op zich zelve
toepast, maar ook valt het hem te beurt om aan eigen lichaam en wezen den benauwenden afstand
te gevoelen, die het luchtiggevederde volk der vogelen van het zwaarhoevige en ruigbehaarde
geslacht der langoren scheidt. En zó ondervindt hij dan ook metterdaad dat dezelfde nijd en haat, die
in de mensenmaatschappij heerst ook aan den paarden- en ezelenruif der viervoetige stal=genoten te


                                                 117
duchten valt; dat, wat voor den mensenstaat lichtdoenbaar lijkt, voor den ezelgeworden mens
onbereikbaar wordt; en, ten slotte, dat zich in zijn lot te schikken niet alleen voor mensen, maar ook
voor ezelen, het verkiezelijkst deel op aard blijkt te zijn.



Vertaling 21.1-23.6

(21)

        Trepidus:                        Depromere, o:                       Fluctuare, o: golven,
         zenuwachtig                       tevoorschijn                         deinen
        Satis: behoorlijk                 brengen                             Promicare, o:
         (adv)                            Operculum: deksel                    tevoorschijn
        Percitus: geprikkeld             Removere, eo:                        springen
        Voluptarius: genot                verwijderen                         Plumula: veertje
         betreffend,                      Indidem: eveneens                   Quis= quibus
         wellustig                         daarvandaan (adv)                   Pinnula: veertje,
        Etiam: nog altijd                Egerere, o,                          vinnetje
        Proin: derhalve, op               egestum:                            Nasus: neus
         dezelfde manier                   gebruiken,                          Incuruus: gebogen,
         (adv)                             leegmaken,                           krom
        Memet: versterkt                  verwijderen                         Aduncus: gekromd,
         me                               Unguedo: zalf                        naar binnen
        Specula: een                     Affricare, o: wrijven                gebogen
         sprankje hoop/                    tegen                               Bubo: oehoe
         hinderlaag                       Unguis: nagels                      Editus: zich
        Circa: + acc: tijd=>             Adusque: geheel en                   verheffend, hoog
         tegen, om                         al (adv) of tot aan                 Stridor: krijsen
        Suspensus:                        (prep)                              Querulus: klagend,
         zwevend                          Perlinere, o:                        piepend
        Quispiam: een                     helemaal insmeren,                  Periclitabundus:
         zekere, een of                    besmeren                             proberend,
         ander                            Lucerna: lamp                        beproevend
        Ostium: deur                     Conloqui, or:                       Resultare, o:
        Rima: spleet                      bespreken,                           terugspringen
        Lacinia: rand, zoom,              discussiëren                        Paulatim:
         slip                             Tremulus: trillend,                  geleidelijk,
        Arcula: kistje                    bevend, sidderend                    langzamerhand
        Recludere: openen                Quatere, io:                        Forinsecus: naar
        Pyxis, idis: doosje               schudden zwaaien                     buiten (adv)
         (voor                            Successus, us:                      Sublimare,o: zich
         geneesmiddelen en                 opeenvolging,                        verheffen
         zalven)                           verloop
        Plusculus:                       Lenis: zacht, mild,
         verscheidene (mv)                 zachtjes


                                                  118
Toen we op deze manier enkele nachten met genot hebben doorgebracht, komt Photis (‘Stoofster’),
geprikkeld en behoorlijk zenuwachtig naar mij toe op een zekere dag en ze meldt dat haar
meesteres, omdat zij toen nog altijd niets was vooruit gekomen naar haar geliefden met haar
kunsten, dat zij (meesteres) in de volgende nacht zichzelf naar een vogel zou met veren bedekken en
zo naar haar geliefde zou wegvliegen. En dat ik mij (memet) behoedzaam voor de hinderlaag van
zo’n grootse zaak moet voorbereiden. En al rond de eerste wake van de nacht leidt zij zelf mij met
zwevende en geluidloze voetstap naar de bovenste slaapkamer en ze beveelt mij de dingen die zo
gebeurd zijn, te observeren door een of andere spleet van de deur. Eerst ontkleedt Pamphile zich van
al haar zomen en nadat ze een zeker kistje heeft geopend, brengt ze verscheidene doosjes
tevoorschijn daarvandaan, van een van hen verwijdert ze het deksel en eveneens daarvandaan
gebruikt ze de zalf en ze wrijft lange tijd tegen haar handen, en weg van haar onderste teennagels
helemaal tot aan haar bovenste haren smeert ze zich in, en vaak spreekt ze heimelijk met de lamp,
en ze schudt met een bevende opeenvolging haar ledematen. met zachte golvingen springen zachte
veertjes tevoorschijn, en er groeien ook sterke veertjes, haar neus wordt hard en gebogen, haar
nagels worden naar binnen gebogen gedwongen. Pamphile wordt een oehoe. Zo, met een hoog
klagend gekrijs, springt ze langzamerhand naar de grond, zichzelf beproevend, weldra vliegt ze weg
naar buiten, met haar hele vleugels, nadat ze zich heeft verheven in de hoogte



(22)

          Decantare, o: afdraaien, opdreunen
          Defixus: aan de grond genageld
          Quivis, quaevis, quidvis: welke je maar wilt, wat dan ook
          Stupor: verstijving
          Exterminare, o: verdrijven, verjagen
          Attonitus: als door de donder getroffen, verbijsterd
          Amentia: redeloosheid, dwaasheid, waanzin
          Impertire, io: toedelen, schenken
          Irremunerabilis: niet te vergelden
          Ascea= ascia: de bijl
          Inlidere, o: slaan tegen



Zo namelijk wordt zij hervormd, zoals ze wil, met haar eigen magische krachten. Maar ik, door geen
enkel lied afgedraaid, maar zo aan de grond genageld in verstijving door de aanwezigheid van dat
gebeurde, scheen wat anders dan ook maar te zijn dan Lucius (????): Zo stond ik wakker te dromen
in waanzin, verdreven in gemoed en als door de donder getroffen; daarom door lange tijd mijn
oogpupillen uit te wrijven zocht ik om te weten of ik wakker was. Toen ik tenslotte eindelijk was
teruggekeerd naar mijn verstand van de huidige sitautie, greep ik de hand van Photis en ik bracht ze
naar mijn ogen: “Sta toe, ik bid jou”, zei ik, “terwijl de gelegenheid het vervaardigt, dat ik geniet van
het grote unieke genot van je affectie, en schenk ons eveneens daarvandaan een zalfje, door die
ogen van jou, mijn honingzoetje, en geef jouw slaaf door een onvergeldelijke weldaad voor eeuwig

                                                    119
(??????????????) aan jou; maak al dat ik jou, mijn Venus, kan bij staan als de gevleugelde Cupido.”
“Echt?”, zei ze, “doe je als een vos, je bent mijn minnaar, zet jij mij aan dat ik spontaan de bijl tegen
mijn knieën insla? Dat ik zo met moeite ongewapend mij bescherm tegen de Thessaalse hoeren?
Waar zal ik hem zoeken die een vogel gemaakt is, wanneer zal ik hem zien?”



(23)

        Aquila: adelaar
        Armiger: wapendrager
        Semel: eenmaal

“Maar moge de Goden voor mij die misdaad verdrijven”, zei ik, “ dat ik, ook al door het hoog vliegen
van de adelaar zelf dat de hele hemel open was (functies????????) en ook al was ik bode of vrolijke
wapendrager van de hoogste Jupiter, dat ik toch niet zou neerdalen daarvandaan naar mijn nestje,
na die waardigheid van vleugels. Ik zweer bij die zachte knoop in jouw haar, waar jij mijn geest hebt
overwonnen, dat ik geen andere liever heb dan mijn Photis. Dan komt ook dit nog in mijn gedachten;
wanneer ik eenmaal helemaal ingesmeerd zal mij hullen in zo’n vogel, dat ik zal moeten elk huis van
ver te vermijden.




                                                   120
SAMENVATTING (ik-vertelling)
Dagdroom: Lucius als vogel -> vraagt zich af hoe terug mens? -> geruststelling Photis, ze heeft alles
geleerd van haar meesteres -> mengt kruiden bijeen en haalt kistje uit meesteres’ kamer -> Lucius
bidt tot kistje en smeert mengsel over zich uit -> al flapperend wacht hij transformatie af -> maar
wordt ezel -> kan niet meer praten: trekt zielig gezicht opdat Photis doorheeft dat het misging ->
Photis kwaad op zichzelf -> oplossing: volgende morgen rozen eten…


23
festivus, a, um: feestelijk, vrolijk                    sciscitari: te weten komen
perfrui: volop genieten van (+ abl)                     exuere: zich ontdoen van
amator, ris (m): minnaar                                pertinere +ad: toebehoren, toekomen aan
bubo, onis (m): oehoe                                   medela, ae: genezing, hulp
larem > Lar, ris: huisgoden -> huis                     salubris, is, e: heilzaam, nuttig, krachtig
prehendere: vangen, nemen                               futtilis, is, e: onbeduidend
affigere: bevestigen aan (dat/ad+acc)                   anethum, i: dille
infaustus: onheilspellend                               ros, roris (m): rozemarijn
minare: voortdrijven                                    lavacrum, i: bad, het baden
luere: boete doen voor (acc)

“Wat voor een schone en wat voor een immers vrolijke minnaar genieten de dames volop van de
oehoe? Want die nachtelijke vogels, wanneer ze een of ander … zijn binnengedrongen, nadat ze
zorgzaam worden gevangen, zien we dat ze worden vastgehecht aan de deuren, opdat, wanneer het
verderf van de familie werd voortgedreven door onheilspellende vogels, ze boete zouden doen met
hun martelingen? Maar, omdat ik bijna achterwege heb gelaten te weten te komen, met welke
woord(en) of daad ik om me te ontdoen van deze vleugeltjes, opnieuw zal terugkeren naar mijn
Lucius-vorm?”
“Wees met een goed gemoed, over wat toekomt aan de zorg van deze zaak,” zei ze. “Want aan mij
heeft mijn meesteres elk(e handeling) afzonderlijk getoond, die dergelijke vormen opnieuw kunnen
transformeren in het aanbeeld van mensen. En denk niet dat deze een daad was uit enige
welwillendheid, maar opdat ik te hulp zou kunnen komen met de juiste genezing bij haar terugkeren.
Kijk tenslotte met welke kleine en welke onbeduidende plantjes dergelijke zaak wordt voortgebracht;
Een gematigd hoeveelheid van dille met blaadjes van laurier ingebracht, met rozemarijn van een
bron, wordt gegeven als bad en als drank.

24
identidem: telkens weer, eveneens                       saeta: stug, borstelig haar
asseverare: ernstig beweren, verzekeren                 plane: uitdrukkelijk, duidelijk
trepidatio: onrust, verwarring, angstig heen en         cutis, cutis (vr): huid
weer lopen                                              tenellus, a, um: teer
pyxis, idis (vr): doosje                                corium, i: huid, leder, harde schil
depromere: voor de dag halen                            extimus = extremus
arcula, ae: kistje                                      cauda, ae: staart
volatus, us: vlucht                                     prolixus, a, um: lang
lacinia, ae: rand, zoom, slip                           hiare: gapen, openstaan
immergere: onderdompelen (acc/dat/abl)                  labiae > labium ??? : lip (labia: niet in
haurire: uitscheppen, opnemen, vergaren                 woordenboek!)
plusculus, a, um: iets meer                             horripilare: harig worden
perfricari: inwrijven                                   immodicus, a, um: overmatig groot
alternis (bw): beurtelings                              auctus, us: vermeerdering, toename
crassare: verdikken


                                                  121
Dit telkens weer ernstig verzekerend, sloop ze met een hoogst angstig heen-en-weer-lopen de kamer
binnen en ze haalde een doosje uit een kistje te voorschijn. Deze omarmde ik en kuste ik hartelijk
van tevoren en opdat deze mij gunstig gezind zou zijn, smeekte ik voor een gunstige vlucht, en nadat
ik haastig geheel mijn randen (kleren) neerwierp, heb ik begerig mijn handen ondergedompeld en
een iets meer olie opscheppend heb ik mijn lichaamsdelen ingewreven. En reeds maakte ik om
beurten bewegingen, met pogingen om mijn armen in evenwicht te houden, gelijkend op een vogel;
maar geen veren, nergens vleugeltjes, maar mijn haren verdikten duidelijk in stug haar en tere huid
verhardt in een harde schil en op de uiterste palmen, nadat het aantal verloren was, werden al mijn
vingers samengetrokken tot afzonderlijke hoeven en vanuit het einde van mijn ruggengraat kwam er
een grote staart te voorschijn. Reeds (kreeg ik) een enorm gezicht en een lang gelaat en gapende
neusgaten en neerhangende lippen; zo werden mijn oren met overmatige toename harig. En geen
troost zag ik in deze ongelukkige vervorming, behalve dat, hoewel ik niet meer in staat was Photis
vast te houden, groeide mijn natuur(lijke onderdeel).

25
oblicus: obliquus                               postliminium, i: recht op terugkeer naar vaderland
expostulare: dringend vragen, beklagen          corolla: kransje
demorsicare: knabbelen aan (acc)                diluculum, i: ochtendschemering

En terwijl uit gebrek aan welzijn ik alles van mijn lichaam bekijkend, zag dat ik geen vogel was, maar
een ezel, wou ik klagen over de daad van Photis, maar reeds van menselijke gebaren en tegelijk de
stem beroofd, (deed ik) wat ik als enige kon doen, uiterst liet ik mijn lippen naar beneden hangen en
toch met vochtige ogen schuin kijkend naar haar, probeerde ik in stilte mijn beklag te doen.
En van zodra ze mij zo zag, sloeg ze haar gezicht met haar vijandige/gevaarlijke handen en riep uit:
“Ik ongelukkige ben gestorven, mijn gehaast en tegelijk mijn gespoei heeft me bedrogen/ bedot en
de gelijkenis van de kistjes heeft me beet genomen. Maar goed, want de genezing van deze
metamorphose is gemakkelijker voorhanden. Want door zoveel (mogelijk) te knabbelen aan rozen,
zal je de ezel verdrijven en onmiddellijk zal je in mijn Lucius terugkeren < volgens het recht op
terugkeer >. Had ik dan maar ’s avonds enkele kransjes voorbereid volgens onze gewoonte, opdat je
niet zo’n wachten zou hebben moeten ondergaan zelfs niet van één nacht. Maar bij het eerste licht
van de dageraad zal de remedie worden bespoedigd voor jou.”




                                                 122
LATIJNSE LETTERKUNDE LES 8
               1. Minucius Felix


SEVERUS TOT DIOCLETIANUS (193-305)

In de 3de eeuw kende men nog vele burgeroorlogen en oorlogen tegen barbaren, maar ook interne
wankel wat betreft geloof, de constitutie en de sociale stand. Separatistische bewegingen wilden
onafhankelijk bestuur, weg van het centrum, maar dit werd tegengegaan. Tijdens de dynastie van de
Severi was er een sterk gecentraliseerd bestuur en dit zorgde voor een soort democratisering van de
maatschappij, zeker in de provincies.
Er was veel aandacht voor de armste klasse door te zorgen dat de rijkeren zeker hun belastingen
betaalden aan de staat. Caracalla (212) gebruikte de Constitutio Antoniniana om Romeins
burgerschap aan alle bewoners van het Rijk te verlenen om zo ongelijkheid tegen te gaan.
Na de dynastie van de Severi (235) treedt een chaotische periode op: keizers die enkele maanden of
slechts dagen keizer waren, kortstondige administratie creëerden, … zodat bestuur in de provincies,
economisch, politiek en militair, in de handen van de provincies zelf werd geduwd.
Er heerste een sterke breuk tussen West en Oost op politiek-administratief en cultureel vlak: in het
midden van de eeuw werden grote delen van Asia op die manier bestuurd door rectores of
correctores, omdat deze gebieden bedreigd werden door Perzische uitbreiding. Zo ontstonden Pars
Orientis en Pars Occidentis, met zelfs fundamentele verschillen (=Europa en Azië).
Beide delen hadden externe problemen (Germaanse invallen en Perzische bijv). De macht was dus
sterk in handen van het leger; deze verzekerde als het ware het verdere bestaan van het Romeinse
Rijk. Eerst en vooral werd het leger losgekoppeld van de Senaat en het bestuur, zodat militair
losstond van het constitutionele orgaan of de regering. Daarnaast werd de toelating vergroot: elke
man uit het Romeinse Rijk kon dienst doen, zelfs onderworpen barbaren. Hierdoor werden hoge
posities toegeëigend door alsmaar meer mensen buiten het ‘officiële’ Romeinse Rijk: groeiende
machtsverspreiding!

Economie:
    Door de militaire belangstelling, verwaarlozing landbouw
    Men trekt meer naar de stad, omwille van de veiligheid
    De handelswegen waren onveilig -> verloochening handel
    Door de zware militaire lasten, verloor men veel geld: economie werd naar achteren
      geschoven
           inflatie
    Andere conflicten:
                 - aardbevingen
                 - epidemies (vaker en dodelijker dan voorheen)
           enorme bevolkingsdaling

DE INSTELLING VAN HET CHRISTENDOM


Er was nog steeds een sterke eenheid in cultuur in Oost en West (kosmopolitisme, desondanks
talenverschil). Men bezit nog de ijver van het bestuderen van de Oostelijke Middellandse Zeegebied,
voornamelijk Egypte, met de thema’s van het hellenisme vaak weerkerend.



                                                123
In de filosofie groeit de belangstelling voor het neo-platonisme -> later vorming heidendom + enige
invloed denkgeest van de christenen. Er was nood aan zekerheden op religieus vlak, streven naar
overstijging, individuele redding (salvation) -> vond men in culten van Mithras, Cybele en Isis en het
christendom (kenmerken: toekomstige redding + beloning na het leven).
Christendom, van minderheid tot overgrote meerderheid door middel van proselytisme, het
aanroepen van allen om zich te bekeren. De heidenen achtten dit overdreven doorgezette bijgeloof,
gericht tegen de goden van het Rijk.
Het christendom verspreidt zich snel over het Rijk, en vormt in de 3e eeuw een beslissende factor van
de balans in de contemporaine maatschappij. Voornamelijk winnen ze de armere massa voor zich,
maar ook de vrouwen van de hogere sfeer in Rome, die aanzienlijke bedragen konden leveren, maar
misschien nog belangrijker ook attentie en prestige. Dit veroorzaakte in het Oosten een hoge vorm
van filosofische ontwikkeling, terwijl in het Westen er sterke terughoudendheid heerste, en dit d.m.v.
de politieke machthebbers.
De relatie staat-christendom is niet altijd evenredig. Er waren tijden van tolerantie, en tijden van
persecutie. In Italië was men milder, zeker tegenover welgestelde leden, terwijl men in Africa zeer
streng strafte.
In deze era was christelijke literatuur hoofdzakelijk (en niet slechts in thema van religie of
theologie!), Westerse schrijvers bleven beperkt of relatief onbelangrijk. Vele tradities werden
overboord gegooid en men maakte plaats voor nieuwe, en was in staat een verbrokkelend Rijk toch
nog bijeen te houden.

DE OORSPRONG VAN DE CHRISTELIJKE LITERATUUR


Deze werken, hoewel het christendom was begonnen zoals het judaïsme, waren van significante
betekenis (denk aan de Handelingen van de Apostelen, de Brieven, …).
Solidariteit stond centraal, wat erg aanlokkelijk was voor gelovigen -> geloofsexpansie
In Westen ging het proces trager: men had een lage dunk van het Oosten, men vreesde voor
catastrofen en ze werden bestempeld als criminelen (Nero beschuldigde hen van de brand in Rome!),
en misschien ook omdat zij Grieks spraken, zelfs in Italië. Na het begin van de 3e eeuw start ook de
latijnse christelijke verspreiding om de bredere bevolkingslaag in het Westen ook te kunnen
bereiken.

MARCUS MINUTIUS FELIX


Waarschijnlijk geboren te Cirta, Africa, genoot een rijkelijk leven in Rome als advocaat. Sommigen
situeren zijn werk op het einde van de 2e eeuw, anderen in het begin van de 3e eeuw. Zijn dialoog
Octavius is bewaard gebleven, De Fato is verloren.

WERK OCTAVIUS


     Dialoog op de kust van Ostia, tussen heiden Caecilius, christelijke Octavius en Minucius zelf.
      Octavius wil dat Caecilius zijn respect toont aan een beeld van de god Serapis, wat hij vertikt.
      Ze beslissen een argumenterend debat te houden tegenover elkaar over religie, waarbij
      Menucius fungeert als rechter. Op het einde geeft Caecilius toe dat hij verloren heeft.
     Monotheïsme > polytheïsme, aangezien men al zoveel schuld kent voor het zinloos straffen
      van zo’n vredelievend geloof
     Minutius schrijft op een zeer delicate en verfijnde manier, logica en ratio staan centraal
     <-> Tertullianus is veel scherper, en wekt hevige gevoelens op
          o hierdoor werd Minucius zwak en incompetent afgeschilderd

                                                 124
    Aangenaam schrijver, maar toch literair hoogstaand: Cicero was zijn model voor
     zinsconstructie, hij citeerde klassieken en verbond ze met referenties uit de heilige
     geschriften,…
    Met zijn Octavius werd de overgang gezet van klassieke literatuur naar christelijke literatuur,
     maar zonder breuk te veroorzaken (eerder Tertullianus’ bedoeling)
                  hij komt authentiek en eerlijk over (itt judaïsme en extreem christendom) en
                      dus makkelijker accepteerbaar, vooral voor de hogere klassen (angst voor
                      het verlies van hun sociale status)



DUS: (dit komt uit de Piet Gerbrandy)

      Aan het begin van de christelijke literatuur
      Geschreven eind 2e of begin 3e E n.C.
      Minucius Felix= een uit Afrika komende advocaat in Rome
      Octavius:
          o Debat tussen heiden (op Fronto gebaseerd) en een christen
          o Opgezet als een ciceroniaanse dialoog
          o Korte inleiding
          o Vertelling van hoe hij jaren geleden een strandwandeling maakte met zijn vrienden
              Caecilius en Octavius
          o Alles is een zeer mooi beeld (jongetjes die steentjes werpen, zachte zand, pootje
              baden, als echte kameraden) maar Caecilius voelt zich niet zo goed
          o De vrienden vragen wat er scheelt => opkomst van het christendom
          o Argumenten:
                    vroeger hadden we altijd iets aan de oude goden, ze hielpen bij de opbouw
                       van het wereldrijk
                    nu kiest iedereen voor het christendom: sekte: achterbaks, al het eerzame
                       en beschaafde hekelen, rituelen, kinderoffers => onzichtbare god
          o Caecilius’ argumenten als Socrates: we weten niks over de goden, dus zeggen we
              niks
          o Reactie van Octavius:
                    Is christen geworden
          o Minucius maakt een kort intermezzo: de discussie mag geen ruzie worden; hij wil de
              argumenten afwegen tegenover elkaar
          o Octavius geeft een dubbel zo lange argumentatie tegen Caecilius (bewijst het
              absurde en het immorele van de Egyptische en Griekse mythologie
                    In feite is dit open deuren intrappen, want de mensen die Minucius’ werk
                       lazen geloofden dit toch niet meer
                    Geeft toe dat hij vroeger ook vooroordelen had tegen de christenen
                    Onwetendheid is bewondering geworden
                    Hij ruimt de misverstanden van Caecilius uit de weg
          o Caecilius geeft zich meteen gewonnen na het betoog van Octavius:maar hij
              beschouwt zijn nederlaag als een overwinning: triomfator van zijn dwalingen (40)
          o Wat wel erg is


                                               125
                           Het betoog van Octavius: fanatisme + onverdraagzaamheid ( tolerantie
                            van het christendom?????) bv. beschrijving van de hel
                          Wreedheid van hen die weten dat ze steeds gelijk hebben
                          Octavius: soort sofist met drogredenen en gelegenheidsargumenten
                          Hij beroept zich soms op Plato; maar zelf beschrijft hij Plato als een
                            ‘hansworst’
               o   Stijl: Minucius bewijst in zijn eerste scènes dat hij degelijk kan schrijven, maar laat
                   Octavius in een drammerige stijl spreken
                          Asyndetische tricolon (drieledige opsomming zonder voegwoorden)
                          Hamerende anaforen
                          Vette alliteraties

                       = Zeer vaak gebruikt

               o   De inquisitie stapt de Latijnse literatuur binnen

Tekst

Octavius 24 – 25 r. 1 – 20

r     Latijn                                          Nederlands

1     Otiosum ( < otiosus)                            nutteloos

1     Seriem ( < series, ei, vr.)                     reeks

3     deos                                            aantekening: eos deos factos esse

3     Perierante (peiero, are)                        Meineed plegen

3     Proculo                                         Proculus Julius vertelde na de dood van Romulus, dat
                                                      deze aan hem als god verschenen was

3     Iuba                                            De zoon van de bondgenoot van Cato de Jongere en de
                                                      zijnen, die in 46 voor Christus door Caesar bij Thapsus
                                                      verslagen werd. Hij kreeg van Augustus de heerschappij
                                                      over Mauretanië en ontving van de inwoners na zijn
                                                      dood goddelijke verering

5     denique                                         Uiteindelijk, kortom, tenslotte

6     Perseverare ( < persevero)                      Standvastig blijven

10    Occasum ( < occasus, us, m)                     Einde, dood (metaforisch)

11    Partus, us, m                                   Het baren


                                                     126
11    Canuit ( <caneo)                           Grijs worden

11    ideo                                       daarom

12    adsensio                                   instemming

16    Colere ( < colo)                           aanbidden

17    Concinnitate ( < concinnitas, atis, vr)    Evenwichtigheid in stijl

17    Praestringitur (< praestringo)             Vastbinden, hier: verblinden

17    Fulgore ( < fulgor, oris, m)               Schittering, glans

18    Hebetatur ( < hebeto)                      Doen verbleken

18    Eboris (< ebur, oris, onz)                 ivoor



[1] Het is nutteloos na te gaan voor telkens één en voor een gehele reeks van voorvaderen van deze
familie uiteen te zetten, de sterfelijkheid die bewezen is wanneer deze onder de eerste ouders ook
onder de overige onder de zelfde orde van opvolging binnen stroomde. Tenzij jullie misschien
verzinnen dat zij na de dood goden werden, en Romulus god werd door de meineed van Proculus en
Iuba door de wil van Mauretaniërs god werd, en andere koningen goddelijk werden, die zich niet aan
de trouw van de goddelijke wil wijden, maar zich verdienstelijk maken aan de eer van hun macht. [2]
Tenslotte wordt deze naam toegekend aan degene die het niet willen: ze wensen standvastig te
blijven in hun menselijke toestand, ze vrezen zelf god te worden, hoewel ze al oud zijn, ze willen het
niet. [3] Dus de goden kunnen niet uit stervelingen komen, aangezien een god niet kan sterven, en
aangezien alles wat geboren wordt, moet sterven: echter het is goddelijk, omdat het geen ontstaan
en geen einde heeft. Want waarom, als ze geboren zijn, worden ze niet tot op de dag van vandaag
geboren? Tenzij misschien Jupiter zelf veroudert en het baren voor Iuno te zwaar wordt en Minerva
grijs wordt, voordat zij kinderen voortbracht. Stopt daarom dit nakomelingenschap/generatie, omdat
geen enkele instemming was aangereikt voor zulke verhaaltjes? [4] Overigens, als de goden konden
scheppen, konden ze niet ten onder gaan, we moeten meer goden hebben dan alle mensen, zodat de
hemel hen niet meer kan vasthouden, noch de lucht hen kan vangen en noch de aarde hen kan
dragen. Waaruit het duidelijk is dat deze mensen waren, degene waar we de geboorte van lezen en
we de dood kennen. [5] Dus wie twijfelt dat het gewone volk bidden tot en publiekelijk de gewijde
afbeeldingen van deze mannen aanbidden, zolang de mening en geest van de onervaren verleid
werden door de evenwichtigheid in stijl van de kunst, ze werden verblind door de glans van het goud
en wordt verbleekt door de schittering van het zilver en de witheid van het ivoor? [6] Maar indien
iemand voor zich neemt tot zijn geest, met welke instrumenten en met welke machines het beeld
gans werd gevormd; zal hij blozen van de schrik voor het ruwe materiaal door de werkman zoals een
god gemaakt. Een goud uit hout, misschien uit een brandstapel of een deel van een ongelukkige
boom, wordt opgehangen, uitgehouwen, afgestoken en geschaafd.


                                                 127
Voc

§     Latijn                     Vertaling
7     Aereus                     Bronzen
7     Immundus                   Vuil, smerig, slecht, onrein
7     Vasculum                   Vaasje, kannetje
7     Conflare                   Aanblazen, aanwakkeren, (om)smelten
7     Tundere                    Slaan op
7     Malleus                    Hamer
7     Incus                      Aanbeeld
7     Scalpere                   Graveren, beitelen, hakken
7     Impuratus                  Schandelijk
7     Levigare                   Glad maken, polijsten
7     Nativitas                  Geboorte, afkomst
7     Veneratio                  Eerbetoon, aanbidding, eerbied, waardigheid
8     Plumbare                   Solderen, met lood verzwaren
9     Quanto                     Hoeveel
9     Mutus                      Stom, sprakeloos, zwijgend
9     Mures < mus                Muis
9     Hirundo                    Zwaluw
9     Miluus                     Wouw, havik
9     Rodere                     Bijten op, knagen aan, kleineren, aanvreten
9     Inculcare                  Instampen
9     Nidificare                 Een nest bouwen
9     Aranea                     Spin, spinnenweb
10    Tergere                    Afvegen, reinigen, oppoetsen
10    Mundare                    Schoonmaken, reinigen
10    Eradere                    Afschrapen, afkrabben
10    Unusquisque                Ieder afzonderlijk, eenieder
10    Inconsultus                Niet geraadpleegd, ondoordacht, onbezonnen
10    Consignare                 Bezegelen, verzegelen, bevestigen, garanderen, vastleggen
11    Percensere                 Inspecteren, beoordelen
11    Crudus                     Ruw, hardvochtig
11    Pilleatus                  Met een vilten muts (droeg men op het feest van de
                                 Saturnalia)
11 Mendicantes                   Bedelaars
11 Vicatim                       Per steeg, van steeg tot steeg

Tekst
24.7. en een bronzen of zilveren god wordt omgesmolten vanuit een smerig vaasje, zoals
nogal dikwijls gemaakt voor de Egyptische koning. Er wordt op hem geslagen met hamers en
hij wordt gevormd op aambeelden, en een stenen god wordt gehakt, gebeiteld, en door een
schandelijke man gepolijst, en hij bemerkt het onrecht van zijn geboorte niet, zo dat hij ook
later niet de verering (die) uit jullie aanbidding (voortkomt) bemerkt.
8. Tenzij toevallig het rotsblok of het hout of het zilver nog geen god is. Wanneer wordt die
dus geboren? Kijk, hij wordt gegoten, vervaardigd, gebeeldhouwd, hij is nog geen god. Kijk,

                                             128
hij wordt gesoldeerd, opgebouwd, opgericht: ook tot hier toe is hij geen god. Kijk, hij wordt
versierd, gewijd, aanbeden; dan ten slotte is het een god, wanneer de mens hem gewild
heeft en opgedragen (geëerd).
9. Hoeveel juister oordelen de stomme (in de zin van niet sprekend) dieren van nature over
jullie goden! De muizen, de zwaluwen, de haviken weten dat ze hen niet voelen (= de
muizen,… voelen de goden niet): ze knagen eraan, ze stampen erop, ze zitten erin en als
jullie ze niet zouden wegjagen, zouden ze in de mond zelf van jullie god een nest bouwen. De
spinnen echter (waarschijnlijk is vero er gewoon om verder verloop van de tekst aan te
geven of zo, want ik zie niet echt een tegenstelling) weven zijn gezicht in en hangen hun
draden vanaf zijn hoofd zelf.
10. Jullie vegen ze af, maken ze schoon, schrapen ze af en beschermen en vrezen die
(goden), die jullie maken, terwijl ieder van jullie niet denkt dat hij eerder de god moet
kennen dan hem te vereren, terwijl ze ondoordacht popelenom hun ouders te
gehoorzamen, terwijl ze liever een vermeerdering (toevoeging) van andermans fout willen
zijn dan zichzelf te vertrouwen, terwijl ze niets van de dingen die ze vrezen kennen. Zo is de
hebzucht in goud en zilver vergoddelijkt, zo is de vorm van lege (ijdele, holle) standbeelden
vastgelegd, zo is het Romeinse bijgeloof geboren.
11. Als je de riten ervan zou overlopen, hoeveel zijn er dan om te lachen (lachwekkend),
hoeveel zijn er ook om medelijden mee te hebben( meelijwekkend)! Ze rennen naakt in de
ruwe winter, anderen gaan (stappen, marcheren) met een vilten muts, ze dragen oude
schilden rond, ze slaan op trommels, ze lijden hun goden als bedelaars van steeg tot steeg




                                             129
                2. Ammianus Marcellinus


Leven (met Piet Gerbrandy  )


     geboren Antiochië, Syrië in een welstellend gezin, waarin de griekse taal en cultuur
        overheerste in 330/5
     militaire carrière:
            o adjuvant van generaal Ursicinus
            o + nam deel aan de Perzische veldtocht van keizer Julianus
            o + officier onder keizer Constantius (NIET Constantinus !!) : campagnes tegen de
               Perzen
     op ‘pensioen’ in Rome
     schrijft een vervolg op Tacitus’ Annalen en Historiën (rond 380 geschreven):
        geschiedschrijving
            o diagnose van de gezondheidstoestand van de stad (eeuwige stad)
            o beroemde uitweiding over het bewind van keizer Constantinus II (337-361)
            o begin: korte schets van de Romeinse geschiedenis
            o dan: elite in diepe morele crisis (verval van zeden, vinden we ook reeds terug bij Cato
               Censor, Sallustius, Plinus Maior, Quintilianus en Juvenalis)
   in Rome verbeterde hij zijn kennis van het Latijn en begon zijn historisch werk dus

          o 31 boeken
     contact met heidense senatoriale aristocratie, maar nooit lid
     vanaf 390 gaf hij openbare lezingen over zijn werk, deze kenden veel succes
     gestorven rond 400 (net ervoor): hij verwijst nog naar de dood van Theodosius in 395


Werken en stijl

     31 boeken = RES GESTAE
          o Vanaf keizer Nerva (96) tot Valens in Adrianopolis (378)
          o bewaard: boeken 14-31 (jaren 353-378): eerste 13 zijn niet bewaard
          o handelen over de ontwikkelingen ttv Valentinianus en zijn broer Valens, met als
                  Belangrijkste grootste stuk, dat over Julianus (355-363)

     het begin 96: duidelijk vervolg op Tacitus
     diepere uitbreiding op Julianus itt Valentianus en Valens: voor hem hedendaagse info, maar
      vooral ook om ideologische redenen (Julianus zorgde voor een tijdelijke onderbreking van
      het Christendom)
     zéér kritische houding van de auteur: Julianus’ slechte kanten worden ook uit de doeken
      gedaan. De handelingen tegenover de christenen = onrechtvaardig; ook de senatoriale elite
      aangepakt
           o deze mede door persoonlijke invloed en zijn griekse opvoeding -> objectievere visie
               op Rome
     Tacitus als model volgens zijn sine ira (wrok) et studio (voorliefde) -principe (zonder woede
      of voorkeur m.a.w. objectief), zo ook probeert hij zijn personage in de dialoog voor te stellen:
      hij is voorstander van een sterke senaat, zonder repressie van eender welke bevolking, heeft
      wel vooroordelen (hij is te gecultiveerd om het stadsleven van het plebs te vatten), maar
      staat open voor elementen waar andere klassieke auteurs eerder overheen zouden hebben
      gekeken zoals stedelijke/militaire opstanden.

                                                 130
 Zeer pessimistische toon: Rome is nu in verval en zal alsmaar meer dalen in waardigheid
  (Tacitus)
 Hij durft wel impopulaire standpunten in te nemen
 gebruik van retorische middelen, maar gematigd, met lexicale en syntaktische Graecismen
 noemde zichzelf miles quondam et Graecus: deze 2 beïnvloeden mee zijn stijl
 de stijl verandert ook gedurende het werk, voorwoord boek 15 (Julianus) is zeer uitgebreid,
  voorwoord boek 26 (Valentinianus en Valens) is zeer bondig: dit is een duidelijk argument
  dat het werk is gemaakt verspreid over vele jaren -> verandering van de auteur’s stijl en de
  spanning van een bepaalde periode (aanbreken van een nieuw tijdvak!!!)
 hij maakt gebruik, zoals ook in de klassieke en zeker in de late Oudheid gebeurde, van
  fictieve speechen en brieven, maar vermeld ook dat deze verzonnen zijn -> grotere
  waarachtigheid van de rest van het werk
 laatste grote geschiedschrijver van de Latijnse literatuur




                                            131
Tekst



3. De keizer werpt zich ongeharnast in de strijd om de Perzen, die ons van alle kanten belagen,
terug te slaan. Hij wordt door een speer gewond en naar zijn tent gedragen.

Daar spreekt hij nog met degenen die bij hem staan, drinkt wat koud water en sterft

     tabernaculum: tent                                   perdoctus: zeer geleerd, bedreven
     demissus: teneergeslagen, moedeloos                  contemplari of are: kijken, staren
     impendium, i: kosten, uitgaven,                       naar, onderzoeken
      verlies, schade                                      quotiens : zo vaak als
     tempestivus: het juiste (moment),                    secernere, o: scheiden, apart zetten,
      geschikt, gunstig, vroegtijdig,                       onderscheiden
      voortijdig                                           condicio: lot, situatie
     exsultare, o: heel blij zijn                         pius: met ontzag
     debitor: schuldenaar                                 persolvere: betalen, boeten, afbetalen
     afflictus: ellendig                                  tamquam: evenals (bijw)
     sententia: opvatting, mening


15. Terwijl dit gebeurde lag Julianus in zijn tent en sprak tot de teneergeslagen en trieste
omstanders: ‘De tijd om uit dit leven weg te gaan is voortijdig nu gekomen (INPENDIO???), vrienden,
het leven, dat ik blij ben terug te geven aan de terugeisende natuur zoals een schuldenaar aan goed
vertrouwen, niet zoals sommigen menen, ellendig en treurend, (maar) zeer geleerd door de
opvatting van de filosofen over het algemene, dat de ziel zoveel gelukkiger is dan het lichaam, en
onderzoekend, zo vaak als het lot als beter wordt onderscheiden dan het mindere goede, dat blij zijn
waardiger is dan droevig te zijn. Ook dit draait zich naar mij, dat zelfs de hemelse goden aan
sommige zeer ontzaglijken evenals als hoogste beloning de dood betalen.

     Munus: functie, taak                                 Prosternere: op de grond werpen, te
     Autem: echter                                         gronde richten
     Succumbere, o: bezwijken onder,                      Ut… ita: zoals … zo…
      onderworpen zijn aan                                 Insultare: beledigen, bespotten,
     Proicere: zich vernederen, prijsgeven                 honen
                                                           Persistere: volharden

16. Ik weet best dat die taak echter voor mij werd voorgelegd, dat ik niet bezweek onder hevige
moeilijkheden, en dat ik mij nooit vernederde of me te gronde gericht. Ik ben mij ervan bewust/ik
ben ervaren dat zoals alle verdrietigheden de onwetenden honen, dat zo ze wijken voor degenen die
volharden.

     Paenitet me: ik heb spijt over + gen,                Angulus: hoek
      berouw hebben over                                   Amandare: verbannen, wegsturen
     Recordiato: herinnering aan + gen                    Immaculatus: onbevlekt
     Nec aut: en noch… noch…                              Defluere: omlaagstromen,neer
     Stringere: strak aantrekken,                          stromen, afstammen van
      schampen, snoeren                                    Moderatus: gematigd (-ius: bijw)
     Vel… vel…: hetzij, hetzij, deels                     Examinatus: weloverwogen

                                                132
     Temetsi: hoewel                                        Vindicare: opeisen, vorderen,
     Prosperitas: voorspoed                                  aanspraak maken op, opeisen


17. En ik heb geen berouw over zaken noch snoert een erge herinnering aan een schanddaad, hetzij
toen ik in de schaduw en ik de hoeken werd weggestuurd, hetzij na mijn opgenomen heerschappij.
Evenals heb ik die onbevlekt bewaard, naar mijn mening, als (ware) omlaagstromend van de
bloedverwantschap van de goden; en ik heb gematigd politiek gevoerd, en door weloverwogen
berekeningen ben ik oorlogen begonnen en heb ik oorlogen verdreven; hoewel voorspoed samen
met het gebruik van de maatregelen niet altijd overeenkomen, aangezien hogere machten voor
zichzelf de uitkomst van de beginnende dingen opeisen.

                3. Licentia: vrijheid,                                  9. Imperiosus: gebiedend,
                   losbandigheid                                            machtig
                4. Extreminare: verdrijven                              10. Parere: verschijnen, zich
                5. Propensus: geneigd                                       vertonen
                6. Commodum: voordeel,                                  11. Turbo: verwarring, kolk,
                   gemak, welzijn                                           draaiing
                7. Corruptrix: verderfster                              12. Calcare: stappen op (acc),
                8. Gestire, io: blij zijn,                                  bespotten, beschimpen
                   jubelen


18. Terwijl ik echter meen dat het gebied van een rechtvaardig rijk als welzijn en veiligheid moet zijn
voor de onderdanen, ben ik, zoals jullie weten, meer geneigd naar een altijd durende vredigere
dingen, ik verdreef de losbandigheid uit mijn daden, de bederfster van zaken en zeden, en blij ga ik
weg, terwijl ik blij ben dat ik goed gefundeerd heb doorstaan, zoals de republiek, zich machtig
vertonend, mij blootstelde aan weloverwogen gevaren; en gewoon gemaakt aan het bespotten van
de draaiingen van het lot.

                13. Dudum: vroeger                                      20. Numen: goddelijke wil
                14. Discere: zich op de hoogte                          21. Venerari: aanbidden,
                    stellen van                                             vereren
                15. Praecinere, o: voorspellen                          22. Clandestinus:heimelijk
                16. Fatidicus: voorspeller                              23. Insidiae: hinderlaag
                17. Nec fateri pudebit: ik zal                          24. Florens: bloeiend
                    mij nie schamen te zeggen                           25. Gloria: eer
                    dat…                                                26. Clarus: roemvol
                18. Ideo: daarom                                        27. Iuxta: net zo
                19. Sempiternus:
                    voortdurend,
                    eeuwigdurend


19. Ik schaam me niet toe te geven dat ik vroeger ben op de hoogte gesteld door een betrouwbare
(voorspellende) voorspelster, dat ik zou gedood worden door een ijzeren wapen. En daarom aanbid


                                                  133
ik de eeuwigdurende goddelijke wil dat ik niet sterf door een heimelijke hinderlaag, noch door een
lange ruwheid van ziektes, of met het einde van misdadigers; maar dat ik in het midden van een
bloeiende eer een roemvolle uitvaart heb verdiend uit deze wereld. Want net zo angstig en
onwetend is die man, die de dood verlangt, wanneer het niet nodig is; en die man die schrik heeft,
wanneer het wel gekomen is; met een even groot oordeel.



               28. Hactenus: tot hier, tot
                   zover
               29. Labare, o: dreigen te
                   vallen
               30. Reticere, eo: zwijgen
               31. Cautus: voorzichtig
               32. Imprudentia:
                   argeloosheid,
                   onwetendheid
               33. Habilis: passend
               34. Trudere: duwen, dwingen:
                   in gevaar brengen: in
                   discrimen trudere
               35. Alumnus: zoon
               36. Frugi: indecl. als adj
                   gebruikt: bezonnen, braaf,
                   eenvoudig




                                                134
20. Met het dreigend vallen van de frisheid van mijn krachten, volstaat het spreken tot hier. Ik zwijg
echter bovendien behoedzaam over het benoemen van een opperbevelhebber, opdat ik niet een
waardige zou voorbijgaan, door argeloosheid, of althans dat iemand zou genoemd worden, die ik het
meest passend acht, dat ik hem in uiterst gevaar breng door misschien een ander voor te kiezen.
Zoals een bezonnen zoon echter van de republiek, wens ik dat na mij een goede vorst wordt
gevonden.

                37.   Ops: bezittingen, rijkdom, vermogen
                38.   Iunctus: samengevoegd, bevriend
                39.   Acriter: diep, pijnlijk
                40.   Ingemiscere: betreuren
                41.   Contemnere: verachten, trotseren
                42.   Elate????

21. Nadat hij dit kalm had gezegd, verdeelde hij zijn persoonlijke bezittingen aan zijn meest
bevrienden, zoals zijn laatste wil (stilus: wastafeltje???), en hij vroeg Anatolius, de magister
officiorum; toen Sallustius, de prefect antwoordde dat die gelukkig was geweest; begreep hij dat hij
dood was. Hij betreurde diep het geval van zijn vriend, hij die zelf zijn eigen (lot) net ervoor had
getrotseerd.




Samenvatting: Julianus sterft in de omgeving van zijn vrienden,nadat hij nog even heeft gefilosofeerd
(Socrates!) en de schrijver geeft enkele biografische gegevens. Hij bezat alle 4 deugden en de
uiterlijke deugden. Hij was enorm trouw en kuis en geleerd, en deinsde niet weg voor de eenvoudige,
magere levensstijl. Hij hield zich ook persoonlijk bezig met zijn soldaten, en vermengde zich tussen
hen als een van hen.

22 increpare: ruisen, rammelen (intrans); weerklinken (trans) conciliare: verbinden, koppelen

Onder hen huilden allen, die aanwezig waren en zijn woorden weerklonken hen ook toen door zijn
onfeilbaar gezag, aangezien hij zei dat het laf is dat er om de princeps wordt gerouwd, wanneer deze
wordt verbonden door hemel en sterren.

23 perplexius (bw): verward, onbegrijpelijk
disputare: overdenken
suffodere: ondergraven, ondermijnen
tumor, ris: het koken , zieden, de drift
vena: ader
epotus, a, um: opgedronken, opgenomen
petere: trachten te bereiken, gaan naar
horror, ris: koude; huivering
absolvere: losmaken, voltooien, absolutie verlenen
obitus, us: (m) bezoek, ontmoeting; dood
destituere: plaatsen, verlaten, alleen achterlaten



                                                 135
Door deze stiltes al zozeer zelf al te verward overdenkend tesamen met Maximus en Priscus de
filosofen bovendien over de verhevenheid van de ziel, wanneer de wonde aan zijn zij breder opende
raakten ze ondermijnd, en terwijl de drift (stuwing) van de aderen (bloed) zijn adem
afweerde/stokte, door het opgenomen ijskoude water, waar hij naar vroeg in het duistere midden
van de nacht, heeft hij al te gemakkelijk het leven gelaten op het 32e jaar van het leven.
Geboren bij Constantinopolis, vanaf de jeugd was hij alleen achtergelaten door de dood van zijn
vader Constantus, die na de dood van zijn broer Constantinus de massa heeft verpletterd onder de
vele anderen van de opvolgers van het rijk, en van zijn moeder Basilina, al vandaar nobel door de
maiores.




4. Julianus’ goede en slechte eigenschappen. Zijn voorkomen en zijn gestalte

Eigenschappen als mens en als keizer. Het speelt in het voordeel van Julianus, maar Ammianus is
eerlijk genoeg om enkele slechte puntjes te noemen (bijgelovigheid, hoorde zichzelf graag praten,
genoot van lof en aandacht, ging tegen wettelijke bepalingen in, maatregelen tegen de christenen
waren hard):

4.1 definire: bepalen, begrenzen                temperantia: matiging, zelfbeheersing
praecipuus, a, um: bijzonder, voortreffelijk    extrinsecus (bw): (van) buiten, aan de buitenzijde

Een man die zeker gelijk moest worden geteld tot de heroïsche figuren, opmerkelijk door
beroemdheid voor zaken en voor verbonden verhevenheid. Er waren immers 4 bijzondere deugden,
zoals de verstandigen het bepalen: zelfbeheersing, kennis, rechtvaardigheid en kracht, en bij deze
benaderen er ook andere (deugden) van buitenaf (=uiterlijk) gezien, kennis van militaire zaken,
gezag, geluk en vrijgevigheid, door intensieve studie heeft hij alle elk afzonderlijk bewerkstelligd.

4.2 enitere: blinken, schitteren        ecquis, s, d: iemand, iets (vragend)
venereum > ? venus?                     rabiosus: razend, kwaad

En eerst schitterde hij zo door een ongeschonden kuisheid dat hij na de dood van zijn echtgenote
nooit was opgehitst in(door) de liefde(?): op dit zijn aandacht richtend, dat men bij Plato had gelezen,
dat Sophocles de tragedieschrijver, wanneer hem op hoge leeftijd werd gevraagd of hij zich tot dan
toe had verenigd met vrouwen, en wanneer hij dit ontkende, dat hij er het volgende aan heeft
toegevoegd, nl. dat hij blij was dat hij de liefde van deze zaken alsof hij een woedend en wrede
heerser is ontvlucht.

4.3 pudicitia: zedigheid, kuisheid              consurgere: zich verheffen, opstaan
exornare: oprichten, klaarmaken

Zelfs opdat hij deze gedachte al te krachtig zou bevestigen, herwerkte hij vaak het woord van de
lyricus Bacchylides, die hij graag las omdat het zich hier aan wijdde, nl dat zoals een voortreffelijk
schilder een welgevormd gelaat afbeeldt, zo de zedigheid leven klaarmaakt van een man die naar het
hogere streeft. De zwakheid van de man in de kracht van zijn jonge jaren vermeed hij zo op
voorzichtige wijze, dat bij zijn meest dierbaarste dienaars niet door verdenking worden beschuldigd
een zachte (opwelling) van één of andere lust of van het leven te kennen, zoals dat vaak gebeurt.


                                                  136
4.4 parsimonia: spaarzaamheid, zuinigheid              foris (bw): buiten, van buiten af
procinctus, a, um: uitgerust, slagvaardig

Echter deze soort van matiging groeide al te groot in het helpen door de spaarzaamheid van voedsel
en slaap, waarvan hij thuis en buitenshuis al te vasthoudend gebruik maakte. Want in vrede
overwonnen moest zijn maat (waardigheid) en eenvoud rechtmatig worden bewonderd door zij, die
daarvan getuige waren, alsof hij zich spoedig zou terugkeren naar de (filosofen-)mantel, door
verscheidenen althans werd hij soms gezien, uitgerust staan in de zede van een soldaat zijn kleine en
goedkope maaltijd te verorberen.

4.5 expergefacere: pass wakker worden                  serius, a, um: gewichtig, belangrijk

Van zodra hij echter in een korte rust van het slapen zijn lichaam, gehard door het harde werken,
had te rusten gelegd, wanneer hij was wakker geworden, onderzocht hij zelf de beurten van de
wacht en de posten, na deze zaken, bezigde hij zich met belangrijke kundes van de wetenschappen.

4.6 lucubrare: ’s nachts werken
norant > welke vorm van noscere??
indulgere: zich overgeven aan (dat)

En als de nachtelijke lampen, waaraan hij ’s nachts werkte, met enige stemmen zouden kunnen
getuigen, zouden ze zeker aantonen dat tussen hem en dergelijke keizers veel verschillend is, omdat
ze hem kenden dat hij zelfs niet had overgegeven aan genietingen naar de noodzaak van de natuur.




                                                 137
LATIJNSE LETTERKUNDE LES 9
                        1. Boethius, Consolatio Philosophiae III.12


Boethius leven

Conte
   1. CONTINUITY AND INNOVATION IN MEDIEVAL LITERATURE
    Na val Romeinse rijk: vestiging van allerlei koninkrijken: niet allemaal op hetzelfde moment +
      Romeinen en Germanen integreren niet overal even snel in de verschillende regio’s =>
      verschil in literaire activiteit:
           o Italië: nog vrij actief in 6de eeuw: bv Boethius en Cassiodorus: produceren onder
                andere encyclopedische werken over filosofie, religie, wetenschap,…
           o Spanje en Engeland: pas grote rol enkele decennia later: Spanje: begin 7de eeuw met
                Isodorus van Sevilla, Engeland: begin 8ste eeuw met Beda. Beiden drukken de
                belangrijkste aspecten van de Europese cultuur uit.
    Deze mannen: brug tussen klassieke wereld en middeleeuwen: ze verzamelen en vatten
      zoveel mogelijk van de klassieke traditie samen. Ook Priscianus is belangrijk figuur:
      grammaticus uit Constantinopel. Schreef Institutio de arte Grammatica dat gedurende heel
      de middeleeuwen belangrijkste handboek zou zijn.
    Corpus Iuris Civilis: belangrijk voor het bewaren van antieke traditie. Dit is de monumentale
      samenvatting van het Romeinse recht, gemaakt op vraag van keizer Justinianus.
           o Eerste vrucht van het werk: verzameling van wetten: gepubliceerd in 529 = codex
                Justinianus: verloren.
           o Na 3 jaar werk (in 533): publicatie van collectie van passages van klassieke juristen =
                Digesta/Pandectae: 50 boeken. Hieruit komt het grootste deel van onze kennis over
                het Romeinse recht. Justinianus gaf het werk zowel een historische als een
                wetgevende betekenis. Bepaalde delen werden aangepast aan praktische noden.
           o ook in 533: institutiones: in 4 boeken: samenvatting van de Digesta voor het
                onderwijs.
           o 534: Codex Repetitae Praelectionis: nieuwere codex, ter vervanging van Codex
                Justinianus.
           o De wetten die in gebruik genomen werden tussen dat moment en de dood van
                Justinianus (565) zijn verzameld en tot ons gekomen onder de naam Novellae. Veel
                ervan zijn in het Grieks, sommige zowel in Grieks als in Latijn.
    Ondertussen in het westen: Het Latijn was grondig veranderd: zeer grote kloof tussen
      gesproken en geschreven Latijn: het was nauwelijks nog merkbaar dat de gesproken taal een
      volkse variant was van het geschreven Latijn, dat in boeken nog steeds gebruikt werd. Dit is
      de geboorte van de Romaanse talen, en Latijn wordt op dit moment een taal die geleerd
      moet worden: de taal dient voor culturele uitwisseling op hoog niveau en wordt in de
      westerse kerk gebruikt als liturgische taal. Al in de tijd van Karel de Grote is het een bijna
      artificiële taal: communicatiesysteem voor opgeleide mensen. Dit feit zal alle literatuur vanaf
      de 9de eeuw tekenen.
    Er verzamelde zich groep van dichters rond Karel de Grote die mythen en thema’s van
      Augusteïsche literatuur terug oppikken, maar de relatie tussen het Latijn en de maatschappij
      is sterk veranderd: er waren wel renaissances, maar Latijn schrijven was een secundaire en
      symbolische activiteit geworden.


                                                138
   2. CULTURE IN SIXTH-CENTURY ITALY: BOETHIUS AND CASSIODORUS
    3 eeuwen die leiden tot deze situatie: vreemd grensgebied: deze eeuwen hebben niet meer
      de kenmerken van de klassieke oudheid, maar ook nog niet de kenmerken van de
      middeleeuwen.
    In Italië blijft de laatantieke periode in de literatuur nog leven: Boethius is een geleerd man:
      een politicus die verwikkeld is in een strijd om tenminste de meest duidelijke en
      onaangename effecten van de val van het Romeinse rijk te elimineren. Hij is ook een denker
      die een van de hoogtepunten representeert in het contact tussen de wereldvisies van
      heidense filosofie en het Christendom.
    Boethius was een opmerkelijk man door zijn invloed op de westerse middeleeuwen, zijn
      appreciatie van het belang van de klassieke cultuur,… doordat hij zo opmerkelijk is,
      verduistert hij voor ons een deel van intellectuele activiteit dat meer realistisch was, meer
      passend bij het compromis met de Goten om iets van de klassieke traditie te bewaren voor
      het moment, en niet voor de onzekere toekomst. De belangrijkste vertegenwoordiger van
      deze tweede lijn is Cassiodorus.

Leven:

        Geboren in Rome rond 480 in Rome.
        Studeerde filosofie in het Griekse oosten en één van de belangrijkste leden van de Romeinse
         adel.
        Heeft een mooie politieke carrière gehad: prefect van Rome, pretorische prefect, consul en
         magister officiorum (één van de belangrijkste administratieve functies die je kon hebben.
        Uiteindelijk (en onverwacht) werd hij beschuldigd van samenzwering tegen Theodorik
         (koning van de Goten, heerser van Italië op dat moment). Hij werd gevangen genomen en
         uiteindelijk ter dood gebracht in 524.

Werken:

        Encyclopedisch corpus dat alle problemen van kennis systematisch moest behandelen: bv:
         Institutio arithmetica en De institutione Musica.
        Zijn filosofische werken over logica en dialectiek zijn fundamenteel:
              o Vertalingen van en commentaren op werken van Aristoteles, de neoplatonist
                   Porphyrius en Cicero
              o Twee werken over het syllogisme: De differentiis topicis en De divisione
        Theologisch werk: essay over de Heilige Drievuldigheid en een polemisch werk gericht tegen
         enkele ketterijen.
        Bekendste werk: De consolatione Philosophiae: qua vorm is het een Menippische satire:
         samengesteld uit proza en poëzie. Het is een dialoog tussen de auteur als gevangene en
         Filosofie, die hem bezoekt in de gevangenis om hem te troosten en om te discussiëren over
         de belangrijke filosofische thema’s: goed en kwaad, ongelukkig zijn, vrije wil,…

De consolatione Philosophiae

        Belang: immens succes in de middeleeuwen + zijn rol in het leven van een intellectueel: hij
         wil de antieke periode schetsen om de superioriteit van de Grieken en Romeinen te tonen,
         maar hij moet tot de conclusie komen dat succes niet altijd deugd en goede daden inhoudt
         (of: dat deugd en goede daden niet altijd tot succes lijden??? Ik begreep die zin niet zo
         goed.). hij wil dit onrecht uitleggen in een breder perspectief.


                                                 139
   Het is een mengeling van filosofie, grote literatuur, Griekse en Romeinse cultuur en de
    dramatische persoonlijke ervaringen van de auteur. Het werk wordt nog aantrekkelijker door
    de omstandigheden waarin het geschreven is.
   Hij maakt een theoretische structuur, die gebaseerd is op Aristoteles, de Stoïcijnen, de neo-
    Platonisten, en ook op Cicero, Seneca en Augustinus. Dit wordt gecombineerd met een
    moreel perspectief dat het werk een aansporing tot het goede maakt.
   Zijn retorische capaciteiten en zijn grote literaire geleerdheid verhinderen niet dat hij
    gedurfde experimenten doet, zoals het afwisselen binnen elk boek van passages in proza en
    in versvorm, en het gebruik van abnormale en ongebruikelijke metra.




                                            140
Teksten

--/-vv-/v- glyconeus

Proza
Samenvatting

r.1-7: God kan alles, maar niet het slechte, dus het slechte bestaat niet: het is niets…
r. 8-13: filosofie gaat overal binnen, langs hetzelfde pad./ God is grootste geluk, maar niemand anders
kan zo gelukkig zijn, een klein geschenk is dat je zo een klein beetje gelukkig kan zijn 


r. 1 – 7
 “Niemand zou eraan twijfelen”, zegt Filosofie, “dat God de macht heeft over alles.”
“Geheel niemand die standvastig is van verstand”, zeg ik, “zou daaraan twijfelen.”
“Er is niets”, zegt ze, “wat hij, die macht heeft over alles, niet zou kunnen.”
“Niets”, zeg ik.
“God kan dan toch niets slechts doen?”
“Helemaal niet”, zeg ik.
“Dus”, zegt ze, “het slechte is niets, aangezien hij die niets niet kan, dit niet kan doen.”

                                                   Voc proza
R     Latijn                                   Nederlands
2     Prorsus                                  Voorwaarts, rechtstreeks, volledig
2     Ambigare                                 Twijfelen, betwijfelen


r. 8 – 13

r.         Latijn                               Nederlands
8          Ludisne (< ludo)                     spelen
8          Inextricabilem (< inextricabilis)    onontwarbaar
8          Texens (< texo)                      weven
10         Paulo ante                           Kort daarvoor
13         munusculum                           Een klein geschenk


“Speel je met mij', zei ik, “wevend met argumenten een onontwarbaar labyrint? Jij mag het betreden
langs de weg waarin je erin gekomen bent, nu echter, kom je naar buiten langs de weg naar waar je
naar binnen bent gekomen of vouw je het een zekere wonderlijke cirkel van goddelijke eenvoud?
Want kort daarvoor wanneer je begon vanaf geluk, zei je dat het het grootste goed was, en jij
vermelde dat het plaats had in de hoogste godheid. Jij betoogde dat god zelf ook het hoogste goed
en het volste geluk was, waardoor niemand gelukkig kon zijn, tenzij die gelijk was aan een god, als het
ware je een klein geschenk gaf.
Regel 14-21

Opnieuw heb jij gezegd dat dezelfde vorm van de goede god en van het geluk het bestaan is, en jij
leert dat dezelfde ene, datzelfde goed is, dat door de hele natuur van zaken wordt nagestreefd. Jij


                                                      141
hebt uiteengezet dat de god ook regeert met besturingen van goedheid over de wereld en hier snap
ik het effe niet meer :s
En hoewel niemand deze dingen van buiten heeft onderzocht, leg jij uit het vertrouwen door een
ander overgeleverd met eigen ingeprente bewijzen.
Toen zei zij: ‘helemaal niet spelen wij met het geschenk van de god de zeer grote zaak van alle
dingen, welke wij lange tijd smeekten, verdrijven wij.

Beatudo, inis, f: geluk, gelukzaligheid
Substantia,ae, f: aard, wezen, bestaan, substantie
Disputare: uiteenzetten, bespreken
Bonitas,atis,f: goedheid
Gubernaculum,i, onz: besturing, leiding, regering, roer
Universitas,atis,f: het geheel, heelal, wereld
Volentia, ae,f: wil, gezindheid
Extrinsecus: bijw.: van buiten, buiten, aan de buitenzijde
Inserere: inprenten
Probatio,onis,f: bewijs, onderzoek
Minime: bijw: helemaal niet
Dudum: bijw: lange tijd, vroeger
Exigere: verdrijven



Poëzie
Samenvatting
Gelukkig is hij die …: inleiding
Orfeus zucht om de dood van zijn vrouw; wonderbaarlijke muziek… iedereen werd kalm. Het
verschroeide het binnenste van zijn ziel. Hij ging naar de onderwereld tenslotte.
r. 1– 19


                                             Voc metrum
2    Lucidus                              Licht, schitterend, helder
5    Quondam                              Eens, ooit, in het verleden
6    Vates                                Waarzegger,(door de goden geïnspireerde) zanger
6    Threicus                             Thrakisch
10   Intrepidus                           Rustig, ongestoord, onverschrokken
11   Cerva                                Hinde, hert
12   Lepus                                Haas
14   Flagrans                             Brandend, laaiend, gloeiend
15   Fervor                               Hartstocht, gloed
16   Subigere                             Bewerken, onderwerpen, bedwingen
17   Mulcere                              Aaien, strelen, kalmeren, bekoren
18   Immitis                              Streng, hard, ruw, wreed
19   Infernus                             Zich beneden, laag bevindend, onderaards


(het metrum van dit stuk tekst is de glyconeus: --/-˅˅-/˅-)
Gelukkig is hij die de heldere bron

                                                  142
Van het goede kon aanschouwen,
Gelukkig is hij, die de boeien
Van de drukkende aarde kon losmaken.
Ooit zuchtte de Thrakische profeet (=Orfeus)
Om de dood van zijn vrouw.
Nadat hij met zijn tranen wekkende melodieën
De beweeglijke bossen gedwongen had te rennen,
De rivieren te blijven staan,
En het hert, onbevreesd, niet van de zijde
Van de woeste leeuwen week
En de haas niet bang werd
Toen hij de hond zag, al kalm door het gezang,
Aangezien een al te brandende hartstocht
Het binnenste van zijn ziel verschroeide,
En zijn liederen, die alle dingen onderworpen hadden,
Hun meester niet kalmeerden,
Ging hij, de wrede goden smekend,
Naar de onderaardse huizen.



r. 20 – 33

r        Latijn                         Nederlands
21       Chordis (< chorda)            snaren
22       Praecipuis (< praecipuus)     Eigen, voortreffelijk
23       Hauserat (< haurio)           ontlenen
26       Taenara (< taenarus)          voorgebergte (de zuidelijkste punt v.d.
                                       Peloponnesus, nu Kaap Matapan) en stad in
                                       Laconië met een tempel v. Poseidon en een
                                       grot die in de mythen gold als de ingang v.d.
                                       onderwereld waarlangs Hercules Cerberus
                                       omhoog bracht = Onderwereld
27       Veniam (< venia)              gunst
29       tregeminus                    Driehoofdig
29       Stupet (< stupeo)             Verbijsterd zijn
31       Sontes (< sons)               De schuldige
33       Madent (< madeo)              Nat zijn, vol zijn, overvloed hebben
33       Lacrimis                      Abl bij madent


Daar stemde hij de liedjes af met snaren in lieflijke geluiden, wat hij had ook ontleend aan de eigen
bron van zijn goddelijke moeder, dat zijn rouw hem kracht gaf, en dat zijn liefde verdubbelde zijn
rouw, hij weende en bewoog de onderwereld. Met vriendelijke/lieflijke gebeden vroeg hij de heren
van de schaduwen om een gunst. De driehoofdige portier was verbijsterd en was gevangen genomen
door de nieuw liedjes. De wrekende godinnen die de schuldigen opjagen met vrees, hebben een
overvloed aan bedroefde tranen.



                                                  143
Regels 34-45

Het snelle rad deed Ixions hoofd niet draaien, en Tantalus gedoemd tot eeuwige dorst, verwijderde
zich van de rivieren; terwijl de gier gevuld is met beperkingen (=nauwelijks gevuld), neemt hij niet de
lever van tityos weg.
Uiteindelijk ‘wij zijn betoverd’, zegt de bevelhebber over de schaduwen, medelevend: ‘wij geven aan
de man de echtgenote als begeleidster voor zich gewonnen met een lied; maar de wet beperkt de
geschenken, opdat niet, zolang als de Tartarus duidelijk is, …. Hier geraak ik niet aan uit :-/

Ixionius,a,um: adj van Ixion
Praecipitare: voorover naar beneden gooien
Velox,ocis: snel
Tityos,i,m: zoon van gaea, reus op Euboea, die Latona wilde ontvoeren; voor straf werd hij in de
onderwereld vastgeketend, waar twee gieren zijn lever aanvraten, die elke maand weer aangroeide.
Vultur, uris,m: gier
Iecur, iecoris, onz: lever
Satur, ura,urum: gevuld
Arbiter, tri,m: bevelhebber (over +gen)
Emere: voor zich winnen
Coercere: beperken
Liquet: het is duidelijk
Tartara, orum, onz: Tartarus



42, ad finem

Laat ons geven als gezel aan deze man, zijn vrouw gekocht met een lied; maar de wet moet het
geschenk bedwingen, zolang hij de Tartaros niet verlaten heeft, is het niet toegstaan de lichten af te
buigen, (ie, hij mag er niet naar kijken zolang ze nog in de Tartaros zijn).

Wie zou een wet geven aan geliefden, een grotere wet is de liefde. Ach, want dicht bij het einde van
de nacht, zag, verloor en doodde Orpheus zijn Eurydike.
Dit verhaal is voor jullie, wie ook maar zoeken om de geest naar een hogere dag te brengen. Want
wie in de Tartareaanse grot (ie Tartaros) overwonnen zijn ogen afbuigt (lett, lichten), verliest al wat
hij als zeer belangrijk wegsleepte/trok, zolang hij de bewoners van de onderwereld ziet.




                                                  144
        2. Koning Theoderik, Brieven, in: Cassiodorus I. 45-46


Leven

- Flavius Magnus Aurelius Cassiodorus Senator
- geboren Squillance ?, in Calabrië voor 490
- werd quaestor, vervolgens consul, en verving Boethius als magister officiorum
- ging naar Constantinopel, wanneer de Byzantijnen Ravenna innamen van de Goten in 540
- bleef daar tot de overwinning van het Oost-Romeinse Rijk
- keerde terug naar Calabria en stichtte het klooster Vivarium
- stierf na 580, meer dan 90 jaar geworden

Werken

- werken tot 540: meer politiek getint
        -Variae (publ in 538): eigen (468!) brieven als ‘official of the state’ in 12 boeken
        -Chronica: volgens model Hiëronymus: gebeurtenissen van Adam tot 519
        -De Origine Actibusque Getarum (geschr tussen 526-533): over de Goten, maar is
          Verloren (bewaard: samenvatting en vervolg door Jordanes)
- na 540: religieuze of erudiete onderwerpen
        -Institutiones: encyclopedisch over heilige en heidense literatuur (+ bibliografie) in 2 boeken
        -De Orthographia: voor de monniken van Vivarium (op 92-jarige leeftijd geschr)
-werken verlenen hun glans van Boethius’ werken en wederzijds: grote gelijkenissen en verschillen
tussen hun persoonlijk leven en hun cultureel ‘programma’
-begreep dat Rome ten einde was, en dat de enige manier om verder te gaan was, om samen met de
Germanen in vrede te leven -> zijn politieke project was gedoemd om te mislukken
-na de oorlog met de Germanen werd deze getransformeerd tot een culturele onderneming
-was eerder bezorgd om de praktische kant van verscheidene kundes, maar het werk zou meer
succes gekend hebben, als het meer was gericht naar natuurlijke historie (natuurwetenschappen):
niet zozeer literatuur, maar leerzame teksten (zoals over de landbouw, medicijnen, …)
-zo groeide de bibliotheek in zijn klooster en begon men met klassieke teksten te werken (vertalen,
emenderen en andere gevaarlijke dingen binnen de filologie :p)
-einde




                                                  145
Tekst

I.45       1–4

Samenvatting:

       -   Kleine zaken zijn vaak nuttiger dan grote zaken (vriendelijkheid vs. wapens)
       -   Het lijkt misschien wel spelen, maar eigenlijk is het belangrijk
       -   We moeten een klok geven aan de leermeester (geregeld door vloeiende water); werking
           van de klok
       -   Genieten van het amusement: wij moeten een klok sturen, we vinden dat normaal, maar zij
           hebben dat nog nooit gezien (Bourgondiërs)
       -   Wij hebben ons met kennis vetgemest
       -   => alle dingen van de Grieken werden opgenomen en werden Grieks gemaakt
       -   Verschillende mensen worden vernoemd: omdat hij alles vertelt, wordt het verspreid: hij
           heeft al die namen vertaald
       -   Vriendelijkheid kan vaak meer gedaan krijgen dan geweld. Het hoofd van de Bourgondiërs
           vraagt een klok (de werking wordt heel kort uitgelegd). De Bourgondiërs zijn verbaasd want
           zoiets hebben ze nog nooit gezien. Dan vertelt hij dat ze veel kennis vergaard hebben en hij
           complimenteert Boëthius: hij heeft van de Griekse filosofie een Romeinse leer gemaakt door
           vertalingen enzo. Hij geeft allerlei voorbeelden van wetenschappers die door die vertalingen
           nu ook in het Latijn gelezen kunnen worden. Ik snap niet zo goed wie Boethius is. Want wie
           stuurt eigenlijk de brief naar wie? En wat is hun nationaliteit?

Vertaling:

       1. Er mag niet versmaad worden die dingen die door de naburige koningen worden geëist met de
       roem van een voorproefje, want meestal , krijgen kleine zaken meer gedaan (in stand te
       brengen) dan grote rijkdommen kunnen bezitten. Dikwijls wat wapens niet kunnen vervullen,
       richten de genoegens van de vriendelijkheid op. Dus zo is het voor de staat, ook wanneer wij
       schijnen te spelen. Want daarom zoeken wij naar genoeglijke dingen, opdat we daardoor
       ernstige zaken kunnen vervullen.

       2. Het hoofd van de Burgundiërs eist ernstig van ons, dat wij een klok moeten geven aan de
       leermeesters van die dingen, die wordt geregeld door het vloeiende water onder een modulus
       en welke wordt onderscheiden door de beetgepakte? verlichting van de enorme zon: om te
       genieten van het bewerkstelligd amusement, wat voor ons dagelijks is, en aan hen een mirakel
       schijnt. Terecht verlangen zij om te kijken, dat zij verbaasd staan over de berichten van de
       gezanten.

       3. Wij leerden vele dingen kennen door ons met kennis vet te mesten, zoals kunsten, die
       onwetenden gewoon oefenen, uit deze bron van displines drink jij. Zo ga je, POSITUS binnen de
       scholen van Atheners, zo mengde jij de toga met de menigte van mannen gekleed in een Griekse
       mantel (filosofen?) zoals jij maakt dat de dogma’s van de Grieken een Romeinse leer zijn. Je
       wordt onderricht, waarin in de speculative diepte wordt nagedacht met die delen???, waarin de
       actieve rede samen met zijn indeling wordt onderricht worden: leidend naar de Romeinse
       senatoren al wat ze in de Atheense wereld afzonderlijk maken.


                                                   146
   4. Met jouw vertalingen worden Pythagoras, de musicus, Ptolemaeus, de astronomicus gelezen
   als Italii: Nicomachus, de arithmaticus, de geometricus Euclides worden gehoord als Ausonii:
   Plato, de theoloog, De logicus Aristoteles bediscussiëren ze met Romeinse stem: je hebt de
   mechanicus Archimedes, Latijns teruggegeven aan Siciliërs. En hij verkondigde welke discipline
   dan ook en kunsten, gemaakt in Griekenland door afzonderlijke mannen, en hij nam jou, als
   auteur met vaderlandse stem in Rome aan. Met zoveel indrukwekkendheid van woorden geef jij
   ze schitterend terug, met zoveel bezit van taal geef jij zij uitstekend terug, zodat zij jouw werk
   voorrang konden geven, als ze elk van beide leren.

Voc:

 Spernenda: verwijderen, versmaden, verachten, minachten, afwijzen (sperno, spernere)
 Praesumptionis: voorproefje, vermoeden, hoop, verwachting (praesumptio)
 Praevalent: zeer krachtig, sterk zijn, zeer veel gedaan weten te krijgen, veel betekenen,
  overwicht, voorrang hebben (praevaleo, valere)
 Praestare: ter beschikking stellen, verschaffen, geven, verrichten, tot stand brengen, bewijzen,
  aan de dag leggen, betonen, in een toestand behouden, borg staan (praesto, stare)
 Optinere: vasthouden, hebben, bezitten, bezet houden, verkrijgen, verwerven, besturen,
  behouden, doorzetten, bewijzen, zich handhaven, gelden (obtineo, tinere)
 Explere: vullen, vervullen, vol maken, bereiken, voltallig maken, volledig maken, aanvullen,
  verzadigen, stillen, bevredigen, voltooien, doorlopen, doorstaan (expleo, plere)
 Nequeunt: niet kunnen, niet in staat zijn (nequeo, nequire)
 Oblectamenta: vermaak, genot, genoegen (oblectatio=oblectamentum)
 Suavitatis: aangenaamheid, lieflijkheid, genoegen, vriendelijkheid (suavitas)
 Imponunt: zetten, leggen, opzetten, oprichten, aanleggen, bouwen, aanstellen, de hand leggen
  aan, een einde maken aan, opleggen, aandoen, toevoegen, wijs maken, toevoegen, geven, geld
  besteden (impono, ponere)
 Ludere: spelen, gekheid maken, dansen, zich spelenderwijs oefenen in, zich als tijdsverdrijf
  bezighouden met, spelen met, belachtelijk maken, bedriegen, tevergeefs aanwenden (ludo,
  ludere)
 Voluptuosa: genoeglijk, verrukkelijk (voluptuosus, a, um)
 Seria: gewichtig, belangrijk, ernstig, ernstige zaken (serius, a, um) (serium, i, onz)



 Magistris: leider, superieur, aanvoerder, opzichter, leraar, gids (magister, tri, m)
 Transmittere: overbrengen, sturen, doorlaten, overhandigen, geen aandacht schenken aan
  (transmitto, mittere)
 Quatenus: aangezien, omdat, in zoverre, hoelang? Hoever? (quatenus, bijwoord, voegwoord)
 Impetratis: bereiken, gedaan krijgen, bewerkstelligen (impetro, impetrare)
 Delectationibus: amusement, genot, tijdverdrijf (delectation, onis, v)
 Perfruendo: volop genieten van (perfruor, frui)
 Relationibus: verhaal, bericht, het aan de orde stellen, het afschuiven van de beschuldiging op de
  aanklager, relatie, verhouding, vergelding (relatio, onis, v)
 Illuminatione: verlichting, verschijning (illuminatio, onis)



                                                147
 Eruditione: onderricht, onderwijs, kennis, geleerdheid (erudition, onis, v)
 Saginatum: vetmesten, voederen, voeden, tee ten geven, zich vetmesten, zich verrijken (sagino,
  saginare)
 Vulgariter: gewoon, normal, bij het gewone volk horend, volks-, onopvallend (vulgarius, a, um)
 Fonte: bron, oorsprong, oorzaak, doop (fons, fontis, m)
 Potaveris: drinken (ex fonte) (poto, potare)
 Positus: plaatsen, in een toestand brengen, inzetten, aanstellen, kalmeren, vestige op, besteden,
  aanvoeren, zeggen, als zeker aannemen, verplaatsen, inzetten, opstellen, planten, voorzetten,
  opstellen, opstellen, oprichten, neerleggen neerzetten (pono, ponere)
 Palliatorum: in een Griekse mantel gekleed (palliates, a, um)
 Choris: menigte, koor, rij, schare, rij sterren (chorus, I, m)
 Miscuisti: vermengen, verenigen, door mengen bereiden, verwarren, teweegbrengen, vervullen
  (misceo, miscere)
 Profunditate: diepte, onmetelijkheid, ondoorgrondelijkheid (profunditas, atis, v)
 Speculative:
 Divisione: indeling, indeling, opsomming, afzonderlijke punten (divisio, onis, v)
 Activa: bezig, actief, praktisch (activus, a, um)
 Discatur: leren, bestuderen, leren kennen, onderzoeken, nagaan (disco, discere)
 Cecropidae: Atheners (Cecrops, opis, m): eerste koning van Attica, zoon van de aarde, half mens
  en half slang, stichter van Athene en van de burcht.
 Singulare: afzonderlijk, individueel, uniek, van 1 persoon, alleen-, enkelvoudig, uitzonderlijk,
  uitstekend, voortreffelijk, eigenaardig, ongekend (singularis, e)
 Romuleos: Romeins (Romul(e)us)
 Latialem: Latijn, Latijns (Latialis, Latium)
 Ausonii: oorspronkelijke inwoners van Midden- en Zuid-Italië.
 Siculis: van het eiland Sicilië (sicelis, siculus, a, um)
 Quirinali: van Quirinus of Romulus of aan Quirinus gewijd (Quirinalis)
 Disceptant: discussiëren, debatteren, strijden, beraadslagen, beslissen, beslechten (dis°cepto,
  ceptare)
 Edidit: voortbrengen, naar buiten brengen, baren, uiten, zeggen, uitgeven, verbreiden,
  verkondigen, veroorzaken, verrichten, teweegbrengen, optillen (edo, edere)
 Suscepit: opvangen, stutten, ondersteunen, opnemen, opvoeden, opnemen, aannemen,
  ondernemen, beginnen, doen, opvatten, verdragen, steunen, verdedigen, ontvankelijk zijn, voor
  waar houden, zich aanmatigen, het woord nemen (suscipio, cipere)
 Luculentia: licht, helder, schitterend, indrukwekkend, flink, aanzienlijk, belangrijk (liculentus)
 Conspicuous: zichbaar, opvallend, uitstekend (conspicuus, a, um)
 Praeferre: voorop-, voor zich of anderen uitdragen, aan de dag leggen, tonen, openbaren,
  verkiezen, de voorrang geven, voorwenden, als voorwendsel gebruiken, zich onderscheiden van
  (praefero, ferre)




                                                148
5–7

     Archimēdēs, is m beroemde Gr. wiskundige, natuurkundige en werktuigkundige in Syracuse
      (287-212 v. Chr.), bij de verovering v.d. stad door de Romeinen gedood.
     Praedictus, a , um: eerder, hierboven genoemd, aangekondigd
     Disciplina: school, onderwijs, wetenschap, gebruik
     Mathesis, is: kennis, leer, astrologie
     Penetral, alis: het binnenste van gebouw, huis, heiligdom
     Considere, o: wonen in
     Cor: hart
     Invitare: uitnodigen, verleiden
     Nosse= novisse (inf pf van nosco)
     Monstrare, o: tonen, bewijzen
     Moliot, moliri: intr.: zich in beweging zetten, zich aftobben
     Ostendere, o: voor ogen houden, tonen, laten zien
     Obstupescere,o: verstijven, verdoofd worden, verstomd staan
     Ostentare, o: aanbieden, aan de dag leggen
     Praeceps: zich naar beneden bewegend
     Imum: bodem, grond, diepte
     Pondus, eris: vastheid van karakter, last, gewicht, belang
     Currere: zich verbreiden, zich uitbreiden
     Calamus: rietfluit
     Flatus, us: fluitspel

[5] Tu artem praedictam ex disciplinis nobilibus notam per quadrifarias mathesis ianuas introisti. tu
illam in naturae penetralibus considentem, auctorum libris invitantibus, cordis lumine cognovisti, cui
ardua nosse usus, miracula monstrare propositum est. molitur ostendere, quod obstupescant
homines evenisse miroque modo naturis conversis facti detrahit fidem, cum ostentet et oculis
visionem. facit aquas ex imo surgentes praecipites cadere, ignem ponderibus currere, organa
extraneis vocibus insonare, et peregrinis flatibus calamos complet, ut minuta possint arte cantare.

Jij bent de hierboven genoemde kunst ingegaan/ je hebt ze betreed; die kunst, gekend uit de
beroemde wetenschappen/ methoden door de viervoudige deuren van de astrologie/leer. Jij hebt
haar, die woont in de huizen van de natuur, leren kennen met de verleidelijke boeken van de
grondleggers, door het licht/ de helderheid van je hart, welke je gebruikt om moeilijke dingen te
leren kennen, het heeft tot doel wonderen te bewijzen. Het laten zien/voor ogen houden zette zich
in beweging, omdat de mensen verstomd stonden over wat gebeurde, en op een
vreemde/wonderbaarlijke wijze deed het afbreuk aan het vertrouwen van het gebeurde in de in
verwarring gebrachte natuur, toen het de verschijning /het visioen aan de ogen toonde. Hij maakt
dat zich naar beneden bewegend water valt als omhoog gericht uit de bodem/diepte, dat zwaarte/
last/vuur zich verbreidt met gewichten, dat orgelpijpen weerklinken in buitenlands/vreemde
stemmen, en hij vervult de rietfluiten met buitenlandse fluitspelen, zodat ze kunnen zingen met erg
kleine kunst.




                                                  149
       Flatus, us: fluitspel
       Nutare: wiebelen, wankelen
       Machinamentum, i: machine in de oorlog, belegeringswerktuig
       Reddere: teruggeven, dank betuigen, betalen
       Madens: nat
       Fabrica: werkplaats, bouwwerk
       Siccare: droog maken
       Diomēdēs, is m zoon v. Tydeus, de koning v. Aetolië, streed aan de kant v.d. Grieken in de
        Trojaanse oorlog, stichter v. Arpi in Apulië;
       Aes: trompet
       Bucinare: blazen
       Simulatus: schijnbaar
       Fritinnire: tsjilpen
       Propius: eigen
       Dulcedo: charme
       Cantilena: deuntje

[6] Videmus per eam defensiones iam nutantium civitatum subito tali firmitate consurgere, ut
machinamentorum auxiliis superior reddatur, qui desperatus viribus invenitur. madentes fabricae in
aqua marina siccantur: dura cum fuerint, ingeniosa dispositione solvuntur. metalla mugiunt,
Diomedes in aere gravius bucinat, aeneus anguis insibilat, aves simulatae fritinniunt et quae vocem
propriam nesciunt habere, dulcedinem probantur emittere cantilenae.

We zien door haar al dat de verdedigingen van de wiebelende/wankelende staat/gemeente/stad
plotseling met zo’n grote standvastigheid recht staan, dat die man werd dank betuigd met
hulpmiddelen van machines, die wanhopig toevallig werd aangetroffen door de strijdtroepen/de
aanvallen. De natte bouwwerken worden gedroogd in het zeewater: hoewel ze hard waren, werden
ze ontbonden door een scherpzinnige ordening. De mijnen/metalen brullen, Diomedes blaast luid op
zijn trompet, de koperen slang suist, de schijnbare vogels tjilpen, en degenen die niet weten dat ze
een eigen stem hebben, maakten zich aannemelijk dat ze de charme van een deuntje uitzonden.



       Fas est: het is de plicht +dat
       Sphaera: aardbol, hemelsfeer
       Zodiacus: van de dieren riem
       Gestabilis: draagbaar
       Volutare: wentelen

[7] Parva de illa referimus, cui caelum imitari fas est. haec fecit secundum solem in Archimedis
sphaera decurrere: haec alterum zodiacum circulum humano consilio fabricavit: haec lunam defectu
suo reparabilem artis illuminatione monstravit parvamque machinam gravidam mundo, caelum
gestabile, compendium rerum, speculum naturae ad speciem aetheris indeprehensibili mobilitate
volutavit. sic astra, quorum licet cursum sciamus, fallentibus tamen oculis prodire non cernimus: stans
quidam in illis transitus est et quae velociter currere vera ratione cognoscis, se movere non respicis.



                                                 150
We berichten kleine dingen over haar, aan wie het de plicht is de hemel te evenaren. Deze maakte
dat de aangename zon manoeuvres maakte op de hemelsfeer van Archimedes: deze fabriceerde de
andere cirkel van de dierenriem met zijn menselijk inzicht. Deze wees erop de maan vervangbaar was
door haar verduistering en dat deze kleine machine drachtig was aan de aarde en dat de hemel
draagbaar was, dat ze de kortste weg was van de zaken, zij wentelde het beeld van de natuur naar
een soort van heelal met ondoorgrondelijke beweeglijkheid. Zo de sterren, van wie het vrij staat dat
we de baan kennen, zien we toch niet tevoorschijn komen aan onze bedriegende ogen: terwijl ze
gewoonweg stilstaat, is ze bewogen in die,en die dingen die je leert kennen uit waarachtige rede dat
ze snel bewegen, zie je niet dat ze bewegen



Brieven van koning Theodorik (Cassiodorus –Variae)

Vocabularium 45.8

Par      Latijn                                    Nederlands
8        Vel                                       Versterkend: zelfs
8        Notitia                                   Bekendheid, reputatie, roem
8        Praedicare                                Verkondigen, bekendmaken
8        Expendere                                 Afwegen, overwegen, betalen
8        Dispendium                                Kosten, verlies, schade, nadeel
8        Destinare                                 Vastmaken, besluiten, tot doel kiezen
8        Horologium                                Klok
8        Ornare                                    Versieren, organiseren
8        Index                                     Als adj: aanwijzend
8        Radius                                    Stok
8        Peragere                                  De tijd doorbrengen, voltooien
8        Discurrere                                Zich verspreiden
8        Aequiperare                               Gelijkstellen, evenaren


Hoe is het voor een mens zelfs te maken, wat wonderbaarlijk kan zijn zelfs om het begrepen te
hebben? Om die reden, wanneer de bekendheid van zulke zaken die moet verkondigd worden jullie
versiert, kiezen jullie de horloges tot doel voor ons met publieke betalingen zonder jullie verlies. Het
zou de eerste keer zijn, wanneer een aanwijzende stilus door een korte schaduw de uren van de dag
gewoon is te tonen. (zonnewijzer) En zo, terwijl een stok, onbeweeglijk en klein, voltooit wat de
grootte van de zon, die zo bewonderd moet worden, verspreidt, evenaart hij ook de vlucht van de
zon, omdat hij de beweging nooit kent.

Vocabularium 45.9

Par      Latijn                                    Nederlands
9        Invidere                                  Jaloers zijn, misgunnen
9        Meatus (us)                               De gang, loop, stroming
9        Ludibrium                                 Spot, hoon
9        Subiacere                                 Liggen onder, blootgesteld liggen aan
9        Praedicabilis                             Prijzenswaardig
9        Metallum                                  Erts, metaal

                                                  151
9        Inaestimabilis                           Onberekenbaar, onschatbaar
9        Praevalere                               Zeer krachtig, zeer sterk zijn
9        Vulgare                                  Onder het volk brengen, tot gemeengoed maken


Als de sterren het zouden voelen, zouden ze jaloers zijn op zulke zaken en zouden ze misschien hun
gang ombuigen, opdat ze niet zouden blootgesteld liggen aan zo’n spot. Waar is dat ene mirakel van
de komende uren over het licht, als het de uren en de schaduw toont? Waar is de prijzenswaardige
sterke draaiing, als ze dat en ertsen voltooien, die worden samengehouden door een eeuwige
plaats? O, onberekenbare deugd van de kunst, die zolang als ze zegt dat ze speelt, zeer in staat is de
geheimen van de natuur tot gemeengoed te maken!



Vocabularium 45.10

Par      Latijn                                   Nederlands
10       Dinoscere                                Onderscheiden, waarnemen, herkennen
10       Praesumptio                              Vermoeden, voorproefje, hoop
10       Conferre                                 Nuttig zijn, baten (postklassiek)
10       Perquirere                               Overal zoeken, nauwkeurig informeren naar
10       Illigare                                 Vastbinden, bevestigen
10       Insensatus                               Redeloos, gevoelloos


Ten tweede, wanneer het uur wordt onderscheiden langs de stralen van de zon, terwijl ze de nacht in
delen verdeelt: dat, zoals ze niets verschuldigd is aan de sterren, draait ze liever de ratio van de
hemel naar het vloeien van het water, waarvan ze met bewegingen toont, wat wordt gerold door de
hemel en dat de kunst, opgevangen door een stoutmoedig voorproefje, nuttig is voor de elementen.
Alle disciplines en het gezamenlijke werk van specialisten onderzochten nauwkeurig de macht van de
natuur te kennen, zoals ze slechts konden. Het mechanisme is enig, omdat ze probeert haar na te
bootsen uit tegengestelden en, als het geoorloofd is te spreken, spant ze zich zelfs in in sommige
dingen haar te willen overtreffen. (wetenschap wil natuur overtreffen) Immers, die dingen gedaan
hebben werd onderscheiden dat Daedalus vloog: deze dingen werden onderscheiden dat de ijzeren
Cupido in de tempel van Diana hing zonder enige vastbinding. Dit maakt vandaag het stomme zingen,
het redeloze leven, het bewegingsloos bewegen.

Vocabularium 45.11

Par      Latijn                                   Nederlands
11       Reserare                                 Openbaren, ontgrendelen, openen
11       Ambigere                                 Twijfelen
11       Quantocius                               Zo snel mogelijk
11       Maturare                                 Rijp maken, spoedig ten uitvoer brengen,
                                                  bespoedigen


Een mechanicus, als het geoorloofd is te zeggen, is bijna een bondgenoot van de natuur, terwijl hij
verborgen dingen openbaart, terwijl hij duidelijke dingen verandert, terwijl hij speelt met mirakels,


                                                 152
terwijl hij zo mooi nabootst, dat wat opgesteld is niet betwijfeld wordt, dat de waarheid
gewaardeerd wordt. Omdat we begrepen hebben dat je deze dingen nogal ijverig gelezen hebt, zul jij
de door ons bekendgemaakte klokken bespoedigen om over te zenden, opdat je jou bekend zou
maken in dat deel van de wereld, waar je anders niet kon aankomen.

Vocabularium 45.12

Par     Latijn                                   Nederlands
12      Lusorius                                 Tot tijdverdrijf dienend
12      Somnium                                  Droom
12      Stupor                                   Verstijving, verbazing


Buitenlandse volkeren zullen door jou erkennen dat wij beschouwd worden als zulke nobele mensen
als de auteurs gelezen worden. Hoeveel keer zullen ze niet geloven wat ze zien? Hoeveel keer zullen
tot tijdverdrijf dienende dromen deze waarheid menen? En wanneer zullen ze gedraaid zijn weg van
de verbazing en zullen ze niet durven zich gelijk aan ons te noemen, bij wie de wijzen weten zulke
dingen te hebben bedacht.




                                               153
I.46 KONING THEODERIK AAN KONING GUNDIBAD VAN BOURGONDIE


1.De geschenken moeten omarmd worden, die op alle mogelijke manieren verlangd zijn
goedgekeurd: wanneer het niet is verworpen, kan het verlangen vervullen. Want door welke
kostbare zaken dan ook naar deze zozeer worden aangereikt, opdat het gemoed van het verlangen
wordt vervuld. Daarom groetten zij met hun gewoonlijke charme langs de inspecteurs van hen hier
en daar (telkens hem?) genietingen van jullie (jouw?) wijsheid, ik geloof dat mijn klokken met hun
bestuurders (wijzers?) moeten worden vastgesteld: de 1, waarin het menselijk inzicht lijkt te worden
verenigd, omdat van de hele hemel de ruimte wordt gekend zich wijd te verbreiden: de ander, waar
de baan van de zon zonder zon wordt herkend en de tussenruimtes van de uren worden afgebakend
door druppels.

2.Heb in je vaderland, wat je ooit in de Romeinse stadstaat hebt gezien. Het is waardig, dat jullie
charme geniet van onze goede zaken, een charme die ook aan ons is verbonden door vriendschap.
Moge onder jullie Bourgondië bekend staan (letterlijk: moge men leren in B. dat…) de zaken het
grondigst/fijnst te bekijken en de ontdekkingen van vroeger te loven: dankzij jullie heeft ze
(Bourgondië) een vriendelijk voorstel neergelegd en toekijkend naar het verstand van haar koning,
verlangde zij rechtvaardig naar de handelingen van de wijzen. Moge zij de lengte van de dag met zijn
(=volgens vertaling: van God) daden onderscheiden, en moge zij het nuttigst het verloop van de uren
indelen.

3. Het verloop van het leven wordt ongeordend gevoerd, als onder de waarheid zo’n onderscheid
(vertaling: in tijd) niet wordt gekend. Van beesten dacht men (vertaling: als beesten denkt men…)
immers dat ze vanuit hun buik de uren voelen door de honger en geen (vertaling: groter) zekerheid
hebben, omdat (vertaling: dan dat) een toevoeging is vastgesteld in de menselijke gebruiken.


Expetere: verlangen, nastreven
Pretiosus, a, um: waardevol, kostbaar, duur, extravagant
Quapropter: (bw) waarom, daarom
Portitor, ris (m): tollenaar, inspecteur, drager, transporteur
Oblectamentum = oblectatio: vermaak, genot, genoegen
Dispositor, ris: iem. die inricht, bestuurder
Destinare: vastmaken, -binden, -stellen, besluiten
Colligare: verbinden, verenigen, vasthouden
Pervagari: rondzwerven, zich wijd verbreiden, doorkruisen
Meatus, us: baan, loop, beweging
Terminare: afbakenen, besluiten
Aquis > ?
Gutta, ae: vlekje, druppel
Affinitas, tis: nauwe relatie; Laatlatijn: vriendschap
Discretio, nis: onderscheid, verschil
Bellua, ae: monster, groot dier, gedrocht
Esuries, ei: honger, vasten (laatlatijn)




                                                   154

				
DOCUMENT INFO
Categories:
Tags:
Stats:
views:18
posted:3/6/2012
language:Latin
pages:154