Werkinstructie PI 2009 2010

Document Sample
Werkinstructie PI 2009 2010 Powered By Docstoc
					                Werkinstructie Prestatie-indicatoren
              GGZ en verslavingszorg verslagjaar 2009




Versie 1.0 juli 2009
Versie                 Datum            Omschrijving aanpassingen
1.0                                     -

Werkinstructie voor het aanleveren van gegevens voor de basisset prestatie-indicatoren GGZ
en verslavingszorg, 2009-2010
Vragen, opmerkingen en aanvullingen:

Ditta van den Berg, 070 340 7664 dc.vd.berg@igz.nl
Inhoudsopgave

Houd de Ctrl-knop ingedrukt en klik op een regel om meteen naar deze regel te springen.


Inleiding ............................................................................................................................................. 4
1      Effectiviteit van zorg............................................................................................................... 7
    1.1        Preventie: bereik preventieactiviteiten .................................................................................. 7
    1.2        Verandering ernst problematiek.............................................................................................. 9
    1.3        Verandering in het dagelijks functioneren van de cliënt ................................................ 13
    1.4        Verandering in de ervaren kwaliteit van leven van de cliënt ......................................... 15
    1.5        Rehabilitatie ................................................................................................................................ 17
    1.6        Percentage heropname versus gemiddelde opnameduur ............................................. 19
    1.7        Drop-out ....................................................................................................................................... 20
    1.8        Somatische screening ............................................................................................................. 21
    1.9        Hanteren behandelrichtlijnen ................................................................................................. 23
    1.10           Bemoeizorg: bereik zorgwekkende zorgmijders .......................................................... 23
    1.11           Continuïteit bij verandering van zorgsoort: tijdig contact na ontslag uit kliniek 23
2      Veiligheid ................................................................................................................................. 24
    2.1        Medicatieveiligheid ................................................................................................................... 24
    2.2        Informatie over bijwerkingen van medicijnen ................................................................... 27
    2.3        Onveiligheid door ontbreken van informatie ..................................................................... 28
    2.4        Insluiting en Dwangmedicatie................................................................................................ 30
    2.5        Aantal suïcides, gerelateerd aan grootte zorgaanbieder ............................................... 34
    2.6        Incidenten cliëntenzorg ........................................................................................................... 34
3      Cliëntgerichtheid ................................................................................................................... 35
    3.1        Wachttijd tot start behandeling ............................................................................................. 35
    3.2 Toegang tot zorg............................................................................................................................. 41
    3.3         Informed consent ..................................................................................................................... 41
    3.4        Keuzevrijheid .............................................................................................................................. 43
    3.5   Vervulling zorgwensen: het ervaren verloop van het behandel-/
    begeleidingsproces ............................................................................................................................... 45
    3.6 Evaluatie van begeleiding- en behandelplannen .................................................................... 47
    3.7        Continuïteit van zorg: goede samenwerking en afstemming met ketenpartners .... 49
    3.8        Dagbesteding en arbeid: cliëntparticipatie aan dag- of werkactiviteiten ................... 50
    3.9    Woon- en leefomstandigheden: Cliëntoordeel over woon- en leefomstandigheden
    in een klinische setting of RIBW-instelling ..................................................................................... 51
    3.10           Adequate bejegening door de hulpverleners ................................................................ 53
    3.11 Adequate informatieverstrekking door de hulpverlener ..................................................... 55
    Afsluiting vragenlijst ............................................................................................................................. 57


                                                                                                                                                                2
3
Inleiding



Deze werkinstructie heeft betrekking op de basisset prestatie-indicatoren geestelijke gezondheidszorg en
verslavingszorg versie 2009/2010 ten behoeve van aanlevering over verslagjaar 2009, exclusief de
indicatoren die ontwikkeld zijn voor de forensische zorg. Voor deze laatste groep indicatoren is een aparte
werkinstructie opgesteld.

Doel van deze werkinstructie
Het doel van deze werkinstructie is het ondersteunen van de zorgaanbieders bij het aanleveren van de
prestatie informatie. De werkinstructie leidt de gebruiker stap voor stap door het proces van informatie
verzamelen en verwerken in de digitale vragenlijst. Met dit doel voor ogen zijn de prestatie-indicatoren in
deze werkinstructie op een andere wijze beschreven dan in de basisset. Hieronder ziet u de samenhang
tussen de basisset en de werkinstructie weergegeven.

Basisset:                                                Werkinstructie:



Status indicator                                         Status indicator
Onderbouwing                                             Exclusiecriteria
Beschrijving                                             Beschrijving van de indicator
Meetinstrument                                           Meetinstrument / informatiebron
Informatiebron                                           Definities
Teller                                                   Teller
Noemer                                                   Noemer
Exclusiecriteria                                         De vragenlijst stap voor stap
Best practice
opmerkingen

De basisset prestatie-indicatoren biedt een overzicht van alle indicatoren die vanaf verslagjaar 2009 uit de
administratie van de zorgaanbieders kunnen worden afgeleid. De werkinstructie dient gebruikers te
ondersteunen bij het vinden en aanleveren van de juiste gegevens waar de basisset weergeeft wat het doel,
de oorsprong en het belang van de prestatie-indicatoren is.
Eventuele onduidelijkheden of onvolkomenheden uit de basisset worden in de werkinstructie nader
toegelicht. De laatste versie van de werkinstructie is leidend.
Gebruik de werkinstructie altijd in combinatie met de digitale vragenlijst en de publicatie ‘Basisset prestatie-
indicatoren ggz en verslavingszorg 2009/2010’


Zichtbare Zorg: prestatie-indicatoren geestelijke gezondheidszorg en verslavingszorg
In 2009 is de wijze van aanleveren van de data aangepast. U levert uw data niet meer direct aan in het
DigiMV, maar in een vragenlijst via de website www.zichtbarezorg.nl. Dit is gedaan om de data, voordat ze
openbaar worden gemaakt in uw Jaardocument via DigiMV, te kunnen schonen. Op de website
www.zichtbarezorg.nl/ggz vindt u een link naar de vragenlijst.
Deze vragenlijst bevat alle indicatoren die aangeleverd dienen te worden. Bij de indicatoren in de
werkinstructie wordt vermeld of aanlevering over verslagjaar 2009 verplicht of facultatief is. Indien u een
indicator niet kunt aanleveren is het mogelijk om dit aan te geven in het scherm. Per indicator kunt u de teller
en noemer invullen. Tevens is het mogelijk om opmerkingen te plaatsen met betrekking tot de indicator of de
gegevens die u heeft ingevuld. Aan de linkerkant van uw scherm vindt u, onder de roze horizontale balk een
knop “Over het invullen…”. Onder deze knop vindt u een korte uitleg over de wijze waarop u de vragenlijst
kunt gebruiken.




                                                                                                               4
Aanleveren en schonen van de data
Wanneer u uw antwoorden definitief heeft gemaakt, ontvangt u een automatische email met daarin het
bevestigingsbericht van uw aanlevering. Wanneer alle zorgaanbieders hebben aangeleverd worden de
gegevens methodologisch geschoond. Een onafhankelijke partij zal deze schoning uitvoeren. Indien zij
hiertoe aanleiding toe zien, nemen ze contact op met de contactpersoon van uw concern om de
aangeleverde gegevens die aanleiding geven tot vragen met u te bespreken. De schoning leidt tot een
definitieve dataset die u voor 1 juni invoegt in uw jaardocument Maatschappelijke Verantwoording over 2009.
Over de precieze gang van zaken hieromtrent informeren wij u nog.

Prestatie-indicatoren op maat: welke indicatoren zijn voor uw zorginstelling van belang
Niet alle prestatie-indicatoren uit de basisset zijn door elke zorgaanbieder aan te leveren. De
cliëntenpopulatie, in termen van diagnosegroepen, is per zorgaanbieder verschillend. Daarnaast leveren
zorgaanbieders verschillende typen zorg, bijvoorbeeld extramuraal, intramuraal of beschermd wonen. Ten
slotte gebruikt niet iedere zorgaanbieder dezelfde instrumenten om gegevens te verzamelen. Om recht te
doen aan deze verschillen en de aanlevering van gegevens zo eenvoudig mogelijk te maken kunt u
aangeven welk type zorg u levert en welk meetinstrument(en) u gebruikt. Bij de verdere invulling van de
indicatoren zal hier rekening mee gehouden worden zodat u zo weinig mogelijk vragen krijgt die voor u niet
relevant of niet te beantwoorden zijn.

In de vragenlijst wordt een onderscheid gemaakt tussen de volgende categorieën zorg:
    - Extramurale, ambulante behandeling, begeleiding.
    - Intramurale klinische behandeling, begeleiding.
    - Beschermd wonen, (=kleinschalig wonen).
    - Begeleid zelfstandig wonen (=gespecialiseerde begeleiding).
    - Dagactiviteiten.

Samenhang tussen prestatie-indicatoren en de indeling in diagnosegroepen
Een deel van de prestatie-indicatoren op het gebied van Effectiviteit van zorg wordt berekend per
diagnosegroep. Indicator 1.3 “verandering in het dagelijks functioneren van de cliënt” wordt bijvoorbeeld
uitgesplitst naar de zeven verschillende diagnosegroepen. Dit houdt in dat de scores of antwoorden van
cliënten uitgesplitst dienen te worden naar diagnosegroepen en dat er een score per diagnosegroep
berekend wordt het systeem.

De zeven diagnosegroepen zijn:
    1. Stoornissen in de kindertijd
    2. Schizofrenie en andere psychotische stoornissen
    3. Stemmingsstoornissen
    4. Angststoornissen
    5. Persoonlijkheidsstoornissen
    6. Delirium, dementie, amnestische en andere cognitieve stoornissen
    7. Aan een middel gebonden stoornissen
    8. Overige, nl …
Bij Prestatie-indicatoren waar naar deze (maximaal) zeven diagnosegroepen moet worden
uitgesplitst, hoeft over de diagnosen die niet in deze groepen vallen geen informatie te worden
verstrekt.
Als er vanuit de zorgaanbieder behoefte bestaat om te rapporteren over een specifieke diagnosegroep (bijv.
eetstoornissen), dan biedt de vragenlijst de mogelijkheid om dit te specificeren in de groep ‘overige
diagnoses’. Vervolgens kunt u hierover rapporteren.

Gebruiken van de Restgroep bij het uitsplitsen naar diagnosegroep:
In het scherm Algemeen geeft u aan welke diagnosegroepen u behandelt. Bij een aantal indicatoren wordt u
vervolgens gevraagd om uw resultaten uitgesplitst naar deze diagnosegroepen aan te leveren. Telkens als u
dit gevraagd wordt dient u de diagnosegroepen aan te vinken waarvoor u de resultaten uitgesplitst aanlevert.
Indien u dit niet voor alle diagnosegroepen kunt, en u deze dus ook niet aanvinkt, komt het vakje 'restgroep'
beschikbaar en kunt u de resultaten voor de niet uitsplitsbare diagnosegroepen als totaalresultaat
aanleveren.

Voor een specifieke uitwerking van deze diagnosegroepen en de bijbehorende DBC codes kunt u het
excelbestand ‘diagnosegroepen PI-set 2009’ raadplegen op www.ggzkennisnet.nl en op
www.zichtbarezorg.nl



                                                                                                             5
De laatst bekende hoofddiagnose (in DBC-termen: de primaire diagnose) is de diagnose voor de indeling in
diagnosegroepen.

Gebruikte meetinstrumenten
Zorgaanbieders kunnen meerdere meetinstrumenten gebruiken voor de verzameling van gegevens in het
kader van de prestatie-indicatoren. Gegevens die verzameld zijn met de cliëntthermometer, de CQ-
vragenlijst of een eigen soortgelijke vragenlijst zijn geschikt voor de aanlevering. Voor de juiste verwerking
van de gegevens is het van groot belang dat de herkomst wordt aangegeven. Het systeem biedt de
mogelijkheid om via verschillende instrumenten cliëntervaringen te rapporteren.

Vragenlijst stap voor stap
1. Ga naar www.zichtbarezorg.nl.
2. Klik op ‘geestelijke gezondheidszorg’
3. Klik op de link ‘ aanleveren prestatie-indicatoren’
4. De vragenlijst “Prestatie-indicatoren geestelijke gezondheidszorg en verslavingszorg” verschijnt in uw
    scherm.
5. Log in met uw gebruikersnaam en wachtwoord.
6. U bent nu in het subscherm Algemeen en u ziet drie vragen over: de geleverde zorg, de
    diagnosegroepen en de Meetinstrumenten.
7. Vink onder Geleverde zorg de typen zorg aan die uw organisatie levert. Hierdoor worden automatisch
    de juiste prestatie-indicatoren geactiveerd of gedeactiveerd.
8. Vink onder Diagnosegroepen die groepen aan die door uw organisatie bediend worden. Hierdoor
    worden automatisch de juiste prestatie-indicatoren geactiveerd of gedeactiveerd.
9. U heeft de mogelijkheid om stoornissen die niet in de 7 hoofdgroepen voorkomen maar waarover u wel
    wilt rapporteren, aan te geven via ‘overige stoornissen’. Wanneer u overige stoornissen aanvinkt, vult u
    dan in welke stoornissen dit zijn. U kunt dit doen in het open tekstveld.
10. Vink onder Meetinstrumenten het instrument, of de instrumenten (meerdere instrumenten is mogelijk)
    aan die door uw organisatie gebruikt worden voor het meten van cliëntervaringen en waarover u in de
    PI-set wenst te rapporteren. Wanneer u meerdere instrumenten gebruikt (bijvoorbeeld de
    cliëntthermometer en de pilot CQ-index) mag u over beide rapporteren.
11. U dient voor het instrument waarbij u “ja” heeft aangevinkt aan te geven in welk jaar u deze voor het
    laatst heeft gebruikt.
12. Tot slot wordt u verzocht aan te geven hoeveel vragenlijsten u in dat jaar heeft uitgezet. Dit aantal wordt
    gebruikt om de “respons rate” bij een aantal indicatoren automatisch te berekenen.

Na het invullen van deze algemene gegevens maakt u ze definitief door op de tekst ‘ controleer de
antwoorden op geldigheid en volledigheid’ te klikken in de horizontale balk onderaan het scherm. Op deze
wijze kunt u uw ingevoerde gegevens bij alle indicatoren accorderen.




                                                                                                                 6
1     Effectiviteit van zorg



De indicatoren 1.1 tot en met 1.11 hebben betrekking op de resultaten van activiteiten en behandeling. De
vier kopjes bovenaan in uw scherm zijn: Algemeen, Effectiviteit van zorg, Veiligheid en Cliëntgerichtheid.


1.1    Preventie: bereik preventieactiviteiten

Status
Aanleveren van deze indicator is verplicht.

Exclusie criteria
    Deze indicator heeft geen betrekking op universele preventie, beschermd wonen, begeleid zelfstandig
      wonen en dagactiviteiten.
    Deze indicator hoeft niet aangeleverd te worden door zorgaanbieders die:
      1. geen ggz preventie leveren of;
      2. geen ggz preventie leveren ten behoeve van risicogroepen die in de beschrijving genoemd worden.

Beschrijving
Preventieafdelingen richten zich met hun preventieaanbod op verschillende risicogroepen. Deze indicator
richt zich echter op 2 risicogroepen en diagnosegroepen:
Risicogroep                                           Diagnosegroep
     mensen met depressieve klachten                 - mensen met een depressieve stoornis
     mensen die overmatig alcohol gebruiken          - mensen met de stoornis alcoholmisbruik of
                                                      alcoholafhankelijkheid


Deze risicogroepen zijn het grootst in omvang en er zijn veelal gestandaardiseerde interventies voor
beschikbaar. Een deel van het preventieaanbod richt zich op andere doelgroepen, zoals mensen met een
(risico op een) eetstoornis, mensen met arbeidsgerelateerde psychische problemen, mensen met een lage
SES, potentiële daders van huiselijk geweld, asielzoekers en mensen met gecombineerde problemen zoals
schizofrenie èn cannabisgebruik, verslaving èn depressie. De omvang van deze risicogroepen of het
preventieaanbod is te gering voor een indicator met zeggingskracht. Daarom vallen deze risicogroepen
buiten de plicht om de prestatie te beschrijven. Het laat zorgaanbieders natuurlijk vrij om de systematiek van
de PI Preventie toe te passen op overige risicogroepen waarop zij zich richten. De prestatie betreft het
percentage mensen uit de risicogroep dat met het totaal aan preventieactiviteiten direct bereikt is. Aangezien
het ondoenlijk is om bij universele preventieactiviteiten te tellen wat de directe risicogroep is, vallen die
activiteiten buiten de prestatie. Het betreft het geheel van selectieve, geïndiceerde en zorggerelateerde
preventieaanbod voor zover dit wordt aangeboden in de vorm van cursorische trainingen.

Meetinstrument / informatiebron
Voor deze indicator bestaat geen landelijk meetinstrument. De gevraagde cijfers kunt u uit uw eigen
administratie halen, bijvoorbeeld uit de Minimale Preventie Gegevens Set (Preventis).

Uit te splitsen naar diagnosegroepen
Nee.

Teller
Het aantal mensen uit de risicogroep dat geparticipeerd heeft in selectieve, geïndiceerde of terugval-
preventieactiviteiten voor deze risicogroep in het verslagjaar.


Algemeen:
In de teller wordt alleen het aantal mensen dat behoort tot de risicogroep meegeteld. Dat betekent dat
intermediairs waarop de interventie gericht is niet meetellen.

Specifiek:




                                                                                                             7
Toelichting depressie: psycho-educatie voor directe betrokkenen van mensen met een depressie valt buiten
het bereik en telt niet mee voor de risicogroep depressie. De training ‘Liever bewegen dan moe’ telt hier mee
en niet bij een andere risicogroep.

Toelichting mensen die overmatig alcohol gebruiken: interventies gericht op ouders of leerkrachten van
jongeren die overmatig drinken vallen buiten het bereik en tellen niet mee voor deze risicogroep.

Noemer
Het totaal aantal mensen dat de instelling bereikt heeft met preventief en curatief aanbod voor de
risico/diagnosegroep in het verslagjaar.

Algemeen:
Onder het aantal bereikte mensen wordt verstaan: het aantal mensen dat onder deze risicogroep valt en dat
benaderd is voor deelname aan een preventieactiviteit.

Definities
    - Preventieactiviteiten: activiteiten die gericht zijn op voorkomen (van het verergeren) van een
        psychische aandoening, beperking of handicap.
    - Aantal deelnemers: het aantal deelnemers aan activiteiten dat behoort tot de risicogroep.
        Intermediairs waarop de interventie is gericht tellen niet mee.


De vragenlijst stap voor stap
1. Geef per subgroep aan of u preventieactiviteiten hebt ondernomen door ja of nee te selecteren.
2. Selecteer alle cliënten per onderscheiden doelgroep.
3. Ga voor deze cliënten per doelgroep na wie aan de preventie activiteiten hebben deelgenomen. Let op:
   lees hiervoor de beschrijving van de teller voor een specifieke toelichting per doelgroep.
4. Tel alle deelnemers op en vul het totale aantal in per subgroep (teller).




                                                                                                            8
1.2   Verandering ernst problematiek

Status
Alle onderdelen (a tm d) zijn verplicht.

Exclusie criteria
Deze indicator heeft geen betrekking op:
       - Beschermd wonen, begeleid zelfstandig wonen en dagactiviteiten;
       - Cliënten van wie de DBC door overlijden is beëindigd en dus afgesloten;
       - Afgesloten DBC’s waarbij geen sprake is geweest van behandeling (alleen indirecte tijd,
            intake/onderzoek en/of crisis);
       - Drop-outs: afgesloten DBC’s waarbij geen nameting is verricht.

Beschrijving
Deze indicator bestaat uit vier onderdelen:
a. Cliëntperspectief: het percentage cliënten waarbij de behandeling naar het oordeel van de cliënt heeft
geleid tot verbetering en/of stabilisatie van de klachten.
b. Hulpverlenerperspectief: het percentage cliënten, naar diagnosegroep, waarbij tijdens de behandeling op
systematische wijze de verandering van de ernst van de problematiek in kaart is gebracht.
c. De instrumenten die gebruikt worden naar diagnosegroep, zo nodig verdeeld naar
instrumenten voor enkelvoudige stoornissen en voor meervoudige stoornissen.
(Een enkelvoudige stoornis wil zeggen dat er sprake is van één psychiatrische stoornis; bij een meervoudige
stoornis is er sprake van meer dan één psychiatrische stoornis, bijv. een psychiatrische stoornis en
verslavingsprobleem, een verstandelijke gehandicapte met ADHD).
In DBC-terminologie: als er voor een cliënt één DBC is geopend, is er sprake van een enkelvoudige stoornis;
als er voor een cliënt/patiënt parallelle DBC's geopend zijn, dan is er sprake van een meervoudige stoornis).
d. De verandering in de ernst van de problematiek per diagnosegroep.


Meetinstrument / Informatiebron
1.2.a Cliëntperspectief:
     CQ-index: De gemiddelde score op de schaal ‘Verandering in klachten en functioneren’ van de CQ-
       index.
     Cliëntthermometer op basis van de volgende vragen:
       Vraag 13: “Heeft u door de behandeling meer greep op uw problemen of klachten (gekregen)?”
       Vraag 14: “Bent u door de behandeling voldoende vooruit gegaan?”
     Eigen meetinstrument op basis van vragen die corresponderen met vragen 13 en 14 van de
       cliëntthermometer.

1.2.b, c en d Hulpverlenerperspectief: de meetinstrumenten zijn een nadrukkelijk advies, maar facultatief
over 2009.
    1. BSI(brief symptom inventory) voor: Stemmingsstoornissen, angststoornissen,
         persoonlijkheidsstoornissen en ‘overige stoornissen’
    2. BPRS (brief Psychiatric Rating Scale) voor: Severe Mental Illness: schizofrenie en andere
         psychotische stoornissen, bipolaire stoornissen.
    3. MATE voor: Verslaving
    4. Voor kinder- en jeugdpsychiatrie is een aparte vraag uitgezet bij deskundigen op dit gebied. Hun
         antwoord volgt in de loop van 2009. (Met betrekking tot inventarisatie van stoornissen in de kindertijd
         wordt gedacht aan de SDQ). Tot dat ook hiervoor een besluit is genomen, staat het de hulpverleners
         vrij hier hun eigen keuze voor instrumenten te maken.

Uit te splitsen naar diagnosegroepen
Gedeeltelijk: 1.2a & c niet, 1.2 b & d wel.
Bij deze indicator is het uitgangspunt dat een cliënt in principe één hoofddiagnose heeft en dat de gegevens
voor deze hoofddiagnose worden aangeleverd. Indien een cliënt meerdere DBC’s heeft die allen gezien
kunnen worden als hoofddiagnose, kan de cliënt bij indicatordeel 1.2.d meerdere keren ‘meetellen’. Indien
nodig dienen voor de verschillende diagnoses verschillende meetinstrumenten te worden ingezet.

Opmerking:


                                                                                                               9
Langdurige zorg en behandeling: Bij deze indicator moet voor deze doelgroep de waarden van de laatste
evaluatie van het behandelplan op deze onderdelen (in het jaar 2009) worden meegenomen.


1.2.a Oordeel van de cliënt over verandering van de ernst van de problematiek

Teller
    - Bij gebruik CQ-index: de totaalscore van de vragen in de schaal ‘Verandering in klachten en
       functioneren’ van alle cliënten die deze hebben beantwoord.
    - Bij gebruik van de Cliëntthermometer: het totale aantal cliënten dat beide vragen (13 én 14) positief
       beantwoord heeft (stabilisatie wordt met de cliëntthermometer niet in kaart gebracht). Indien de
       combinatie van positieve antwoorden niet te berekenen is (geldt voor zorgaanbieders die de
       thermometer hebben uitbesteed en die tabellen met antwoorden per vraag krijgen gerapporteerd),
       dient u uit te gaan van het laagste aantal positieve antwoorden.
    - Bij gebruik van een eigen instrument: het totale aantal cliënten dat de corresponderende vragen
       positief heeft beantwoord.

Noemer
Het totale aantal cliënten dat de betreffende vragen beantwoord heeft.


De vragenlijst stap voor stap
Deze indicator heeft geen betrekking op beschermd wonen, begeleid zelfstandig wonen en dagactiviteiten.
CQ-vragenlijst:
1. Selecteer het totaal aantal cliënten waarvoor de schaalscore berekend is op de schaal ‘verandering in
   klachten en functioneren’.
2. Zet dit aantal in de noemer.
3. Selecteer de gemiddelde schaalscore (Over de wijze waarop de schaalscore uit de CQ-index moet
   worden berekend bent u door het Trimbos instituut geïnformeerd, of u heeft de schaalscore van het
   Trimbos-instituut ontvangen.)
4. Zet dit aantal in de teller.

Cliëntthermometer:
1. Selecteer alle cliënten die de cliëntthermometer hebben ingevuld. Tel het aantal personen dat op beide
    vragen een positief antwoord heeft gegeven. Beide vragen moeten positief beantwoord zijn door één
    cliënt om mee te tellen voor deze indicator.
2. Dit aantal vult u in onder Cliëntthermometer (teller).
3. Tel het aantal personen dat op beide vragen een antwoord heeft gegeven (zowel positief als negatief).
4. Dit aantal plaatst u in het tweede vakje (noemer).
Eigen vragenlijst:
1. Geef aan hoe de vragen luiden die als alternatief voor vraag 13 en 14 van de cliëntthermometer zijn
    opgenomen in uw meetinstrument. Er zijn twee open tekstvelden waarin de formulering van de vragen
    vermeld dient te worden.
2. Selecteer het aantal personen dat op beide vragen een positief antwoord heeft gegeven.
3. Deze personen telt u op en het totale aantal vult u in onder Eigen meetinstrument (teller).
4. Tel het aantal personen op dat op beide vragen een antwoord heeft gegeven (zowel positief als
    negatief).
5. Dit aantal plaatst u in het tweede vakje (noemer).


1.2.b Het op systematische wijze meten van de verandering van de ernst van de problematiek bij
cliënten

Teller
Het aantal cliënten per diagnosegroep waarbij tussen 01/01/2009 en 31/12/2009 de behandeling is
afgesloten en waarbij tijdens de behandeling voor de ernst van de problematiek een voor- en nameting zijn
uitgevoerd.

Noemer




                                                                                                          10
Het aantal cliënten per diagnosegroep waarbij tussen 01/01/2009 en 31/12/2009 de behandeling is
afgesloten.


De vragenlijst stap voor stap
1. Deze indicator heeft geen betrekking op beschermd wonen, begeleid zelfstandig wonen en
   dagactiviteiten.
2. De ernst van de problematiek kan systematisch gemeten zijn met behulp van meerdere instrumenten.
   Selecteer alle cliënten (van wie de behandeling tussen 01/01/2009 en 31/12/2009 is afgesloten) waarbij
   voor de ernst van de problematiek een voor- en een nameting is verricht. Instrumenten die geadviseerd
   worden om te gebruiken zijn: BSI, BPRS en de MATE. De voormeting kan in 2008 hebben
   plaatsgevonden. [Cliënten waarbij om welke reden dan ook geen 2 metingen hebben plaatsgevonden,
   worden hier NIET meegeteld]
3. Vul per diagnosegroep het aantal cliënten in waarbij de verandering van de ernst gemeten is in de linker
   kolom (teller).
4. Selecteer per diagnosegroep alle cliënten van wie de behandeling is afgesloten in 2009.
5. Tel deze cliënten op en vul het totaal in (rechter kolom, noemer).
6. Let op: de geselecteerde groepen cliënten worden ook gebruikt bij indicator 1.2.d dus bewaar de
   gegevens die u zojuist heeft geselecteerd.


1.2.c Gebruikte instrumenten
Welke instrumenten gebruikt u voor het meten van de verandering van de ernst van
de symptomen (per diagnosegroep)?

De vragenlijst stap voor stap
1. Vul per diagnosegroep het instrument in (in het tekstveld) dat u gebruikt voor de meting van de
   verandering van de ernst van de symptomen.


1.2.d Verandering in ernst problematiek
Bij deze indicator is het uitgangspunt dat een cliënt in principe één hoofddiagnose heeft en dat de gegevens
voor deze hoofddiagnose worden aangeleverd. Indien een cliënt meerdere DBC’s heeft die allen gezien
kunnen worden als hoofddiagnose, kan de cliënt bij indicatordeel 1.2.d meerdere keren ‘meetellen’. Indien
nodig dienen voor de verschillende diagnoses verschillende meetinstrumenten te worden ingezet.
Langdurige zorg: de systematische metingen van een cliënt over het jaar 2009/2009 (laatst verrichte meting
in 2009 dient vergeleken te worden met de laatste meting in 2009/ eerste meting in 2009) dienen te worden
meegenomen bij het berekenen van de indicator


Teller
1. Het aantal cliënten per diagnosegroep met een afgesloten behandeling waarbij door middel van een voor-
en nameting vermindering van de klachten gemeten wordt.
2. Het aantal cliënten per diagnosegroep met een afgesloten behandeling waarbij bij voor- en nameting
stabilisatie van de klachten gemeten wordt. Er is sprake van stabilisatie wanneer de uitkomst van de voor-
en nameting gelijk of nagenoeg gelijk zijn.

Noemer
Het aantal cliënten per diagnosegroep waarvan de behandeling tussen 01/01/2009 en 31/12/2009 is
afgesloten en waarbij tijdens de behandeling op systematische wijze de verandering in ernst van de
problematiek gemeten is.

De vragenlijst stap voor stap
1. Bij 1.2.b heeft u per diagnosegroep alle cliënten geselecteerd bij wie een behandeling is afgesloten en
   de ernst van de symptomen door middel van een voor- en een nameting is gemeten.
2. Deze aantallen kunt u, per diagnosegroep, invullen in de linker kolom (noemer).
3. Vergelijk voor deze cliënten (per diagnosegroep) de uitkomsten van de voor- en de nameting.
4. Selecteer alle cliënten waarbij de score op de nameting beter is dan op de voormeting en waarbij de
   klachten verminderd zijn.
5. Tel deze cliënten op per diagnosegroep.


                                                                                                             11
6. Vul het aantal in de tweede kolom (teller 1).
7. Selecteer alle cliënten waarbij de uitkomst van de voor- en nameting gelijk of nagenoeg gelijk is
   (stabilisatie).
8. Tel deze cliënten op per diagnosegroep.
9. In de derde kolom vult u de totalen in, per diagnosegroep (teller 2).




                                                                                                       12
1.3   Verandering in het dagelijks functioneren van de cliënt

Status
Aanleveren is verplicht.

Exclusie criteria
    Cliënten met een andere hoofddiagnose dan “schizofrenie en andere psychotische stoornis, bipolaire
      stoornis”.
    Cliënten van wie de DBC door overlijden is beëindigd en dus afgesloten.
    Beschermd wonen, begeleid zelfstandig wonen en dagactiviteiten.
    Afgesloten DBC’s waarbij geen sprake is geweest van behandeling (alleen indirecte tijd,
      intake/onderzoek en/of crisis).

Beschrijving
Deze indicator omvat twee elementen, verbetering en stabilisatie van de HoNOS-score. Dit wordt tot
uitdrukking gebracht in het percentage DBC’s per diagnosegroep, waarbij het dagelijks functioneren van de
cliënt is verbeterd of gelijk gebleven tussen de voor- en nameting.

Meetinstrument / Informatiebron
Het nadrukkelijk advies voor het meetinstrument is de HoNOS. De bron voor deze informatie is de
administratie van de zorgaanbieder.

Uit te splitsen naar diagnosegroepen
Nee.

Teller
1. Het totale aantal cliënten met de hoofddiagnose “schizofrenie en andere psychotische stoornis, bipolaire
stoornis” waarbij tussen de start van de initiële DBC en de afsluiting van de laatste DBC binnen één
zorgtraject* verbetering in de HoNOS-score geconstateerd wordt. Het betreft de HoNOS-score bij start DBC*
vergeleken met de HoNOS-score bij einde DBC. Er wordt uitgegaan van de primaire diagnose van de DBC.
2. Het totale aantal cliënten met de hoofddiagnose schizofrenie en andere psychotische stoornis, bipolaire
stoornis waarbij tussen de start van de initiële DBC en de afsluiting van de laatste DBC stabilisatie van de
HoNOS-score geconstateerd wordt. Het betreft de HoNOS-score bij start DBC vergeleken met de HoNOS-
score bij einde DBC. Er wordt uitgegaan van de primaire diagnose van de DBC.
* De laatste DBC kan een andere DBC zijn dan de initiële DBC.

Noemer
Voor beide tellers geldt als noemer: het totale aantal cliënten per diagnosegroep waarbij een voor- en een
nameting van de HoNOS-score is verricht.


Definities
    De verschillende ranges van de HoNOS-score ziet u op uw scherm in de vragenlijst.
    Verbeterde HoNOS-score: de HoNOS-score bij afsluiten DBC’s valt in een hogere range dan de
       HoNOS-score bij de start van de DBC.
    Gelijk gebleven HoNOS-score: de HoNOS-score bij afsluiten DBC’s valt in dezelfde range als de
       HoNOS-score bij de start van de DBC.
    Voor- en nameting: Dit zijn alle cliënten waarbij de DBC is afgesloten of cliënten in AWBZ-zorg
       waarbij een periodieke meting heeft plaatsgevonden die niet de eerste meting is.
    Indien een cliënt gedurende 1 jaar meerdere DBC’s heeft, kan het voorkomen dat hij/zij in 1 jaar
       meerdere malen in de database is opgenomen.
    Bij de AWBZ cliënten dient te worden uitgegaan van de dan geldende diagnose. De laatst bekende
       HoNOS-score dient te worden vergeleken met de voorlaatste HoNOS-score ongeacht de tijd die er
       tussen zit (het is mogelijk dat er wordt vergeleken met de eind HoNOS-score van de DBC).


De vragenlijst stap voor stap




                                                                                                             13
1. Selecteer alle cliënten waarvan tussen 01/01/2009 en 31/12/2009 een DBC is afgesloten (let op de
    verschillende exclusiecriteria).
2. Selecteer de “reden sluiten DBC” van deze groep
3. Verwijder uit deze selectie de afsluitreden 4 en 5 (Afsluiten DBC administratief of vanwege openen
    vervolg-DBC resp. afsluiting na alleen pré-intake/ intake/ diagnose)
4. Selecteer uit deze groep alle cliënten waarvan een voor- en nameting van de HoNOS-score vastgelegd
    is
5. Verwijder uit deze selectie alle cliënten waarbij: eind HoNOS-score =0.
6. Tel het aantal cliënten per diagnosegroep op en vul deze in (rechter kolom, noemer).
7. Controleer of het initiële of vervolg DBC’s betreft. In geval van een vervolg DBC dient u de begin
    HoNOS-score van de initiële DBC op te zoeken.
8. Bereken per cliënt de range waarin de eerste en de laatste meting vallen (zie overzicht bij de vragenlijst
    voor het overzicht van de verschillende ranges).
9. Bereken de verandering in het dagelijks functioneren door de range van de eerste HoNOS-score te
    vergelijken met de range van de laatste HoNOS-score.
10. Selecteer vervolgens alle cliënten waarbij de uitkomst van de laatste meting hoger is dan de eerste
    meting en er dus een verbetering is opgetreden.
11. Tel het aantal cliënten op waarbij sprake is van een verbetering en vul dit aantal in (linker kolom, teller
    1).
12. Selecteer vervolgens de cliënten per diagnosegroep waarbij de HoNOS-score van de laatste meting in
    dezelfde range valt als de eerste meting.
13. Tel dit aantal cliënten op, per diagnosegroep en vul dit in (middelste kolom, teller 2).




                                                                                                             14
1.4   Verandering in de ervaren kwaliteit van leven van de cliënt

Status
Aanlevering is verplicht.


Exclusie criteria
    Cliënten met een andere hoofddiagnose dan schizofrenie en andere psychotische stoornis, bipolaire
      stoornis.
    Cliënten waarbij door overlijden of ontslag geen nameting is verricht.

Beschrijving
Deze indicator bestaat uit drie onderdelen:
a. Het percentage cliënten met de hoofddiagnose “schizofrenie en andere psychotische stoornis, bipolaire
stoornis” waarbij tijdens de behandeling of begeleiding op
systematische wijze de verandering in de ervaren kwaliteit van leven in kaart
is gebracht.
b. De instrumenten die gebruikt worden voor het meten van de ervaren kwaliteit
van leven per diagnosegroep.
c. De resultaten per diagnosegroep die met de genoemde instrumenten gemeten
worden.

Meetinstrument / Informatiebron
Het meetinstrument MANSA wordt nadrukkelijk geadviseerd. De bron voor deze informatie is de
administratie van de zorgaanbieder.

Uit te splitsen naar diagnosegroepen
Nee

Definities
    Onder verbetering wordt verstaan een 1 of meer punten hogere score bij de vervolgmeting.
    Er is sprake van stabilisatie wanneer de uitkomst van de voor- en nameting gelijk of nagenoeg gelijk
       zijn.


1.4.a Systematische meting ervaren kwaliteit van leven

Teller
Het aantal cliënten met de hoofddiagnose schizofrenie en andere psychotische stoornis, bipolaire stoornis
waarbij tussen 01/01/2009 en 31/12/2009 de ervaren kwaliteit van leven gemeten is als 2e of verdere
meting.


Noemer
Het aantal cliënten per met de hoofddiagnose schizofrenie en andere psychotische stoornis, bipolaire
stoornis tussen 01/01/2009 en 31/12/2009.




                                                                                                            15
De vragenlijst stap voor stap
1. Indien u niet in staat bent om deze indicator voor 2009 aan te leveren kunt u dit aangeven door “ja” aan
   te vinken. U hoeft de overige velden niet verder in te vullen.
2. Wanneer u deze indicator wel kunt aanleveren selecteer dan alle cliënten die op 31/12/2009 in zorg
   waren.
3. Uit deze groep selecteert u alle cliënten die voor 01/01/2009 reeds in zorg waren.
4. Tel deze cliënten op en vul het totale aantal in (rechter kolom, noemer).
5. Selecteer uit de bovengenoemde groep de cliënten waarbij de kwaliteit van leven is gemeten. Hiervoor
   dient de MANSA of een vergelijkbaar instrument gebruikt zijn.
6. Controleer of de meting minimaal 2 maal tussen 01/01/2009 en 31/12/2009 is uitgevoerd.
7. Tel dit aantal cliënten op die aan de bovenstaande criteria voldoen en vul het totaal in (linker kolom,
   teller).



1.4.b Gebruikte instrumenten
Welke instrumenten gebruikt u voor het meten van de verandering in de ervaren
kwaliteit van leven?

De vragenlijst stap voor stap
Geef aan welke instrumenten uw instelling gebruikt om de kwaliteit van leven van cliënten te meten. Een
voorbeeld hiervan is de MANSA maar er zijn meerdere instrumenten die hiervoor gebruikt worden.


1.4.c Verandering in ervaren kwaliteit van leven

Teller
1. Het aantal cliënten met de hoofddiagnose schizofrenie en andere psychotische stoornis, bipolaire stoornis
waarbij tussen 01/01/2009 en 31/12/2009 verbetering in kwaliteit van leven gemeten wordt.
2. Het aantal cliënten met de hoofddiagnose schizofrenie en andere psychotische stoornis, bipolaire stoornis
waarbij tussen 01/01/2009 en 31/12/2009 stabilisatie in kwaliteit van leven gemeten wordt.

Noemer
Het totale aantal cliënten met de hoofddiagnose schizofrenie en andere psychotische stoornis, bipolaire
stoornis waarbij tussen 01/01/2009 en 31/12/2009 de ervaren kwaliteit van leven gemeten is.


De vragenlijst stap voor stap
1. Selecteer alle cliënten die op 31/12/2009 langer dan een jaar in zorg zijn.
2. Selecteer uit deze groep alle cliënten waarvan de kwaliteit van zorg gemeten is.
3. Tel deze cliënten op en vul het totaal in (linker kolom, noemer).
4. Bereken de verandering in de kwaliteit van leven door de uitkomst van de laatste meting in 2009 te
   verminderen met de uitkomst van de eerste meting in 2009 (of eerdere vorige meting maximaal 1 jaar
   voor de laatste meetdatum).
5. Selecteer alle cliënten in deze groep waarbij een verbetering gemeten wordt.
6. Tel deze cliënten op en vul deze in (middelste kolom, teller 1).
7. Selecteer alle cliënten in deze groep waarbij er nagenoeg geen verschil is tussen de eerste en de laatste
   meting.
8. Tel deze cliënten op en vul deze in (rechter kolom, teller 2).




                                                                                                          16
1.5   Rehabilitatie

Status
Aanlevering is verplicht.

Exclusie criteria
    Deze indicator is niet van toepassing op cliënten die korter dan 1 jaar behandeling/begeleiding
      ontvangen.
    Cliënten met een andere hoofddiagnose dan schizofrenie en andere psychotische stoornissen,
      bipolaire stoornissen.

Beschrijving
Deze indicator bestaat uit twee onderdelen:
a. Het percentage cliënten met een dat zelfstandige huisvesting heeft.
b. het gebruikte meetinstrument om de onvervulde zorgbehoefte te meten.

Meetinstrument /Informatiebron
De gegevens zijn afkomstig uit de administratie van de zorgaanbieder.

Uit te splitsen naar diagnosegroepen
Nee.

Definities
    Langdurige zorg: behandeling of begeleiding van mensen die op 31/12/2009 langer dan 365 dagen in
       zorg zijn, zowel ambulant als klinisch.
    Onder zelfstandige huisvesting wordt verstaan: een koopwoning, huurwoning of begeleid zelfstandig
       wonen. Cliënten die bij hun ouders/verzorgers wonen en geen klinische behandeling van een
       zorginstelling ontvangen vallen ook onder deze categorie.
    Onder een ernstige psychotische stoornis (Severe Mental Illness) wordt verstaan: cliënten met de
       hoofddiagnose schizofrenie en andere psychotische stoornis en bipolaire stoornis.


1.5.a Percentage cliënten waarbij onvervulde zorgbehoefte gemeten is

Teller
Het aantal cliënten met minimaal een jaar geestelijke gezondheidszorg met een ernstige psychische
aandoening (SMI) waarbij tussen 01/01/2009 en 31/12/2009 een meting is uitgevoerd naar de onvervulde
zorgbehoefte.

Noemer
Het totale aantal cliënten met minimaal een jaar geestelijke gezondheidszorg met een ernstige psychische
aandoening (SMI).

De vragenlijst stap voor stap

1. Selecteer alle cliënten met een ernstige psychische aandoening (SMI) die op 31-12-2009 langer dan een
   jaar in zorg zijn.
2. Vul dit getal in bij de noemer.
3. Selecteer uit deze groep alle cliënten met een ernstige psychische aandoening (SMI) waarbij de
   onvervulde zorgbehoefte is gemeten.
4. Vul dit aantal in bij de teller




                                                                                                           17
1.5.b gebruikt meetinstrument

Welke instrumenten gebruikt u om de onvervulde zorgbehoefte te meten?

De vragenlijst stap voor stap
Geef aan welke instrumenten uw instelling gebruikt om de onvervulde zorgbehoefte van cliënten te meten.
Een voorbeeld hiervan is de CAN maar er zijn meerdere instrumenten die hiervoor gebruikt worden. Per
diagnosegroep kunt u verschillende instrumenten weergeven in het tekstveld.




                                                                                                          18
1.6   Percentage heropname versus gemiddelde opnameduur

Status
Wordt niet uitgevraagd.




                                                          19
1.7   Drop-out
Status
Aanlevering is verplicht.

Exclusie criteria
Gevallen van beëindiging van de behandeling/begeleiding ten gevolge van het overlijden van de cliënt
dienen niet meegenomen te worden.

Beschrijving
Het percentage cliënten per diagnosegroep dat hun behandeling/begeleiding eenzijdig (tegen het advies van
de behandelaar) beëindigd heeft gedurende het verslagjaar (alle zorg aan de cliënt is gestopt).

Meetinstrument / Informatiebron
Er is geen specifiek meetinstrument van toepassing op deze indicator. De gegevens zijn afkomstig uit de
administratie van de zorgaanbieder.

Uit te splitsen naar diagnosegroepen
Ja.

Definities
Het percentage drop-outs wordt beïnvloed door de cliëntenmix en het gebied waarbinnen een zorgaanbieder
opereert. Het aandeel cliënten vanuit de bemoeizorg (de ongevraagde bemoeienis van hulpverleners met
mensen met psychische en/of verslavingsproblemen, die ernstig zorg behoeven, maar daar niet zelf om
willen of kunnen vragen en de hulp niet (direct) willen accepteren) zal in grote steden groter zijn en een
negatieve impact hebben op het overall drop-outpercentage. Zorgaanbieders kunnen dit aangeven in de
toelichting.

Teller
Aantal cliënten per diagnosegroep waarbij de behandeling/begeleiding tussen 01/01/2009 en 31/12/2009 is
afgesloten met als opgegeven reden van afsluiting ‘eenzijdige beëindiging door cliënt’.

Noemer
Totaal aantal cliënten per diagnosegroep waarbij de behandeling/begeleiding in het
verslagjaar is afgesloten.


De vragenlijst stap voor stap
1. Selecteer alle cliënten waarbij een behandeling-/begeleidingstraject is afgesloten tussen 01/01/2009 en
   31/12/2009.
2. Tel deze cliënten op per diagnosegroep.
3. Vul deze in (rechter kolom, noemer)
4. Selecteer de cliënten waarbij het behandeling-/begeleidingstraject is afgesloten met als reden: “reden
   voor afsluiting bij patiënt/niet bij behandelaar”.
5. Tel deze op en vul het totaal, per diagnosegroep, in (linker kolom, teller).




                                                                                                          20
1.8   Somatische screening
Status
Aanlevering is verplicht.

Exclusie criteria
Deze indicator is niet relevant voor:
   - Instellingen die geen klinische zorg leveren;
   - beschermd wonen en begeleid zelfstandig wonen.

Beschrijving
Deze indicator bestaat uit twee onderdelen:
a. Het beschikken over een standaardprocedure voor het geven van somatische zorg aan ingeschreven
cliënten met schizofrenie.
b. Het percentage cliënten waarbij schriftelijk is vastgelegd dat somatische screening uitgevoerd is conform
de standaardprocedure.

Meetinstrument / Informatiebron
Indien niet beschikbaar in de administratie van de zorgaanbieder dan dient dossieronderzoek gedaan te
worden op basis van een door de stuurgroep transparantie
gedefinieerde a-selecte steekproef. Zie “De vragenlijst stap voor stap” voor de wijze waarop de steekpoef
wordt uitgevoerd. De bron voor de gevraagde gegevens is de administratie van de zorgaanbieder of de
medische dossiers.

Uit te splitsen naar diagnosegroepen
Nee.

Definities
    Somatische screening: een lichamelijk onderzoek verricht door een daartoe bevoegde arts.
    Somatische screening bij opname: een lichamelijk onderzoek verricht door een daartoe bevoegde
       arts binnen een week na opname, ongeacht de opnameduur.

1.8.a Standaardprocedure voor somatische screening
Heeft u voor een standaardprocedure voor het uitvoeren van somatische screening bij cliënten met
schizofrenie?

De vragenlijst stap voor stap
Deze indicator bestaat uit twee vragen die met ja of nee beantwoord moeten worden.
1. Heeft u een standaardprocedure voor screening op somatische aandoeningen voor cliënten met
   schizofrenie bij opname in het algemeen?
2. Heeft u een standaardprocedure voor screening op somatische aandoeningen voor cliënten met
   schizofrenie bij langdurig opgenomen cliënten (langer dan 1 jaar)?
3. Als ’ja’ wordt aangeklikt op de vragen naar een standaardprocedure, verschijnt vraag 1.8b in het menu
   links.


1.8.b Uitvoering somatische screening

Teller
Het aantal ingeschreven cliënten met schizofrenie waarbij in de periode 01/01/2009 – 31/12/2009 een
somatische screening is uitgevoerd volgens een vastgelegde procedure en waarbij het resultaat (schriftelijk)
is vastgelegd.
U kunt voor alle dossiers nagaan maar u kunt dit ook door een steekproef in uw administratie berekenen. Het
is hierbij wel van belang dat u minimaal 25 dossiers raadpleegt.

Bij heropnamen geldt of de screening is uitgevoerd bij aanvang van de eerste opname.
Onder heropnamen wordt verstaan: alle opnamen in het verslagjaar waarbij sprake is van een eerdere
opname voor dezelfde reden (primaire diagnose) en waarbij het ontslag van die eerdere opname niet langer
dan drie maanden vóór de huidige opname viel.



                                                                                                            21
Bij cliënten die frequent opgenomen worden (‘draaideurclienten’) geldt dat deze somatisch gescreend zijn
als de screening niet langer dan 3 maanden geleden heeft plaatsgevonden op het moment van opname.

Noemer
Wanneer u alle dossiers raadpleegt gaat het om het totale aantal opgenomen cliënten tussen 01/01/2009 en
31/12/2009. Indien u een steekproef uitvoert is de noemer het totale aantal dossiers (minimaal 25) dat is
onderzocht.


De vragenlijst stap voor stap
1. Bepaal of u voor de aanlevering van deze indicator alle cliënten na gaat of dat u dossier onderzoek doet.
2. Selecteer een van beide opties.
Cliëntonderzoek:
1. Selecteer alle cliënten met een klinische opname tussen 01/01/2009 en 31/12/2009.
2. Tel het totale aantal cliënten op met een klinische opname tussen 01/01/2009 en 31/12/2009 en vul dit
    aantal in (noemer).
3. Selecteer alle cliënten waarbij het resultaat van een uitgevoerde somatische screening binnen 1 week
    na opname, schriftelijk is vastgelegd.
4. Tel deze cliënten op en vul dit aantal in (teller).
A-selecte steekproef:
1. Wanneer deze indicator niet voor alle cliënten of dossiers uit uw administratie is af te leiden kunt u een
    a-selecte steekproef uitvoeren.
2. Neemt dossiers van cliënten die in de maand mei in opname zijn
3. Neem in alfabetische volgorde, beginnend bij beginletter J, van elke beginletter van de achternaam van
    de cliënt telkens de eerste twee dossiers, tot een totaal minimum aantal van 25 dossiers.
4. Tel het totale aantal dossiers dat u heeft onderzocht en vul dit in (noemer).
5. Tel vervolgens hieruit het aantal dossiers waarin het resultaat van een uitgevoerde somatische
    screening binnen 1 week na opname, schriftelijk is vastgelegd.
6. Vul dit aantal in (teller).




                                                                                                           22
1.9   Hanteren behandelrichtlijnen
Deze indicator is definitief vervallen. Het blijkt tot nu toe niet mogelijk om via een indicator inzicht te krijgen in
de mate waarin richtlijnen gehanteerd worden.


1.10 Bemoeizorg: bereik zorgwekkende zorgmijders

Status
Deze indicator wordt niet uitgevraagd over verslagjaar 2009.
In de evaluatiestudie is deze indicator, zoals over verslagjaar 2007 uitgevraagd, als ontoereikend
beoordeeld. Op basis daarvan is besloten deze indicator in 2009 door te ontwikkelen.


1.11 Continuïteit bij verandering van zorgsoort: tijdig contact na ontslag uit kliniek

Status
Aanleveren is verplicht.

Inclusie criterium
Zorgaanbieders die zowel klinische als ambulante en/of deeltijd behandeling of begeleiding verlenen.

Exclusie criteria
 Cliënten waarbij de reden van ontslag een eenzijdige beëindiging is van de behandelrelatie door cliënt of
   hulpverlener.
 Overlijden van de cliënt.
 Beschermd wonen, begeleid zelfstandig wonen, dagactiviteiten, ambulante behandeling of begeleiding.
 Zorgaanbieders die niet zowel klinische en ambulante en/of deeltijd behandeling of begeleiding verlenen.

Beschrijving
Het percentage cliënten dat na ontslag uit de kliniek binnen twee weken een ambulant of deeltijdcontact
heeft bij de zorgaanbieder waar de klinische opname heeft plaatsgevonden.

Meetinstrument / Informatiebron
De keuze van een meetinstrument is niet van toepassing. De bron voor deze gegevens is de administratie
van de zorgaanbieder.

Uit te splitsen naar diagnosegroepen
Ja.

Teller
Het totale aantal cliënten per diagnosegroep dat binnen twee weken na ontslag uit de kliniek een ambulant
of deeltijd behandelcontact heeft bij de zorgaanbieder waar de klinische opname heeft plaatsgevonden.

Noemer
Het totale aantal ontslagen uit de kliniek per diagnosegroep gedurende het verslagjaar. Als dezelfde cliënt
meerdere keren is opgenomen en ontslagen uit de kliniek, telt ieder ontslag afzonderlijk mee.

Definities
Behandelcontact: specifiek hulpverleningsaanbod uitgedrukt in een bepaalde activiteit.




                                                                                                                   23
De vragenlijst stap voor stap
1. Selecteer alle cliënten met klinische opname die tussen 01/01/2009 en 31/12/2009 ontslagen zijn uit de
   zorginstelling.
2. Tel deze cliënten op per diagnosegroep en vul het aantal in (noemer).
3. Ga in deze dossiers na voor welke cliënten na ontslag een ambulant- of deeltijd behandelcontact is
   geregistreerd.
4. Selecteer uit deze groep alle cliënten waarbij de datum van het behandelcontact minder dan 14 dagen
   na de ontslagdatum ligt (per diagnosegroep).
5. Tel deze cliënten op en vul het totaal in (teller).




2     Veiligheid

De indicatoren 2.1 tot en met 2.5 hebben betrekking op de veiligheid van de zorg. U vindt deze subgroep
bovenin uw scherm als u ingelogd bent . De vier kopjes bovenaan in uw scherm zijn: Algemeen, Effectiviteit
van zorg, Veiligheid en Cliëntgerichtheid.



2.1   Medicatieveiligheid
Status
Aanlevering is facultatief.

Exclusie criteria
   - Deze indicator is niet van toepassing op zorgaanbieders die enkel begeleid zelfstandig wonen,
       beschermd wonen en/of dagactiviteiten bieden.

Beschrijving
De indicator bestaat uit drie onderdelen:
a) Het percentage klinische, ambulante en semi-ambulante cliënten uit de steekproef waarbij de
    voorschrijver op het moment van voorschrijven, of in geval van opname binnen 24 uur, beschikt over een
    actueel medicatieoverzicht.
b) Het percentage cliënten ouder dan 60 jaar dat een Selectieve Serotonine Re-uptake Inhibitor (SSRI) en
    een niet-selectieve Non Steroidal Anti Inflammatory Drug (NSAID) gebruikt en daarbij een Proton Pump
    Inhibitor (PPI) ontvangt.
c) Percentage cliënten dat gelijktijdig meer dan twee benzodiazepinen gebruikt, waarbij een
    farmacotherapeutisch consult heeft plaatsgevonden en dit is vastgelegd.

Meetinstrument / Informatiebron
Onderdeel b en c worden aangeleverd vanuit de database van de apotheek.

Uit te splitsen naar diagnosegroepen
Nee.

2.1.a Beschikbaarheid medicatieoverzicht

Teller
Aantal klinisch opgenomen cliënten uit de steekproef waarbij de voorschrijver maximaal 24 uur na opname
(acuut of electief) een actueel medicatieoverzicht tot zijn beschikking heeft.




Noemer




                                                                                                        24
Totaal aantal klinisch opgenomen cliënten uit de steekproef (acuut of electief) waarvoor binnen 24 uur na
opname een medicatieopdracht wordt uitgeschreven.

II Verblijf in de kliniek
Teller
Aantal opgenomen cliënten uit de steekproef waarvan de voorschrijver op het moment van voorschrijven een
actueel medicatieoverzicht tot zijn beschikking heeft.
[meting via steekproef volgens instructie]

Noemer
Totaal aantal cliënten uit de steekproef waarvoor een medicatieopdracht is uitgeschreven.

 III Ambulante en semi-ambulante cliënten
Teller
Aantal ambulante en semi-ambulante cliënten uit de steekproef waarvan de voorschrijver op het moment van
voorschrijven een actueel medicatieoverzicht tot zijn beschikking heeft.
[meting via steekproef volgens werkinstructie]

Noemer
Totaal aantal ambulante en semi-ambulante cliënten uit de steekproef waarvoor een medicatieopdracht
wordt uitgeschreven.
De vragenlijst stap voor stap
Deze indicator is facultatief. Indien u deze indicator nog niet kunt aanleveren over 2009, dan kunt u dit
aangeven door een vinkje onder in het scherm. Hiermee vervalt deze indicator voor u.
2.1.a
1. Ga in de administratie na hoeveel klinisch opgenomen cliënten waarbij de voorschrijver maximaal 24 uur
    na opname (acuut of electief) een actueel medicatieoverzicht tot zijn beschikking heeft.
2. Tel deze afleveringen op en vul het totaal in (teller).
3. Tel het totale aantal medicatieafleveringen die door de apotheek (verbonden aan de zorg aanbieder) aan
    het zorgconcern in verslagjaar zijn geleverd op.
4. Vul het totaal in (noemer).

Wanneer u deze indicator wel kunt aanleveren: Voer de steekproef uit aan de hand van de volgende
stappen.
A-selecte steekproef:
1. Wanneer deze indicator niet voor alle cliënten of dossiers uit uw administratie is af te leiden kunt u een a-
    selecte steekproef uitvoeren.
2. Neemt dossiers van cliënten die in de maand mei in opname zijn
3. Neem in alfabetische volgorde, beginnend bij beginletter J, van elke beginletter van de achternaam van
    de cliënt telkens de eerste twee dossiers, tot een totaal minimum aantal van 25 dossiers.
4. Tel het totale aantal dossiers dat u heeft onderzocht en vul dit in (noemer).
5. Tel vervolgens hieruit het aantal dossiers waarin het resultaat van een uitgevoerde somatische screening
    binnen 1 week na opname, schriftelijk is vastgelegd.
6. Vul dit aantal in (teller).

2.1.b Combinatie SSRI/NSAID met PPI


Teller
Het aantal cliënten ouder dan 60 jaar dat Selectieve Serotonine Re-uptake Inhibitors (SSRI’s) en Non
Steroidal Anti Inflammatory Drugs (NSAID’s) gebruikt en daarbij tevens een Proton Pump Inhibitor (PPI)
ontvangt.

Noemer
Totaal aantal cliënten ouder dan 60 jaar dat SSRI + conventioneel NSAID niet zijnde een selectieve COX-2
remmer, gebruikt.

2.1.b
1. Selecteer alle cliënten die tussen 01/01/2009 en 31/12/2009 SSRI + conventioneel NSAID niet zijnde
    een selectieve COX-2 remmer gebruikt.



                                                                                                             25
2. Tel deze cliënten op en vul deze in (noemer).
3. Selecteer hieruit hoeveel cliënten Selectieve Serotonine Re-uptake Inhibitors (SSRI’s) en Non Steroidal
   Anti Inflammatory Drugs (NSAID’s) gebruikt
4. Selecteer vervolgens hieruit hoeveel cliënten daarbij tevens een Proton Pump Inhibitor (PPI) ontvangen.
5. Tel deze cliënten op en vul dit aantal in (teller).


2.1.c Rationeel voorschrijven van benzodiazepines
Teller
Aantal cliënten dat gelijktijdig meer dan twee benzodiazepinen gebruikt, waarbij een farmacotherapeutisch
consult heeft plaatsgevonden en de uitkomst daarvan is vastgelegd.

Noemer
Totaal aantal cliënten dat meer dan twee benzodiazepinen gebruikt.

2.1.c
2. Selecteer alle cliënten die tussen 01/01/2009 en 31/12/2009 meer dan twee benzodiazepinen gebruiken.
5. Tel deze cliënten op en vul deze in (noemer).
6. Selecteer hieruit hoeveel cliënten een vastgesteld farmacotherapeutisch consult hebben ontvangen.
7. Bepaal de start en einddatum van het gebruik van meer dan twee benzodiazepinen.
8. Selecteer de cliënten waarbij de gebruiksperiodes van meer dan twee benzodiazepinen 3 of meer
    kalendermaanden overlappen.
9. Tel deze cliënten op en vul dit aantal in (teller).




                                                                                                            26
2.2   Informatie over bijwerkingen van medicijnen

Status
Aanleveren is facultatief.

Exclusie criteria
    Deze indicator is niet relevant voor zorgaanbieders die enkel begeleid zelfstandig wonen, beschermd
      wonen en/of dagactiviteiten aanbieden.
    Deze indicator kan ook niet worden aangeleverd door zorgaanbieders die geen CQ-index gebruiken
      als meetinstrument.

Beschrijving
Deze indicator heeft betrekking op de mate waarin cliënten naar eigen oordeel geïnformeerd zijn over
mogelijke bijwerkingen van medicatie. In de CQ-index ambulante ggz gaat het om de vraag: “Bent u
geïnformeerd over eventuele (lichamelijke) bijwerkingen van de medicijnen die u gebruikt?”

Meetinstrument / Informatiebron
Het meetinstrument en de informatiebron is de CQ-index.

Uit te splitsen naar diagnosegroepen
Nee.

Teller
Het totale aantal cliënten dat in de CQ-index vraag: ‘Bent u geïnformeerd over de
eventuele (lichamelijke) bijwerkingen van de medicijnen die u gebruikt?’ positief
beantwoord heeft.

Noemer
Het totale aantal cliënten dat vraag: ‘Bent u geïnformeerd over de eventuele (lichamelijke) bijwerkingen van
de medicijnen die u gebruikt?’ van de CQ-index beantwoord heeft.


De vragenlijst stap voor stap
1. Deze indicator is facultatief, indien u deze indicator nog niet kunt aanleveren over 2009, dan kunt u dit
   aangeven door een vinkje onder in het scherm. Hiermee vervalt deze indicator voor u.
2. Selecteer alle cliënten die de CQ-index hebben ingevuld tussen 01/01/2009 en 31/12/2009.
3. Selecteer uit de groep alle cliënten die vraag: ‘Bent u geïnformeerd over de eventuele (lichamelijke)
   bijwerkingen van de medicijnen die u gebruikt?’ positief beantwoord hebben (teller).
4. Vul het totale aantal cliënten in dat vraag: ‘Bent u geïnformeerd over de eventuele (lichamelijke)
   bijwerkingen van de medicijnen die u gebruikt?’ van de CQ-index heeft beantwoord (noemer).




                                                                                                               27
2.3   Onveiligheid door ontbreken van informatie

Status
Aanleveren is verplicht voor onderdeel a en facultatief voor onderdeel b.

Exclusie criteria
    Deze indicator is niet van toepassing op cliënten die met spoed worden opgenomen buiten de
      kantooruren en die nog niet binnen de zorgaanbieder bekend waren.
    Deze indicator is niet belang voor zorgaanbieders waar nooit spoedopnames plaatsvinden bv RIBW
      en RIAGG.

Beschrijving
Het aantal binnen de instelling bekende cliënten, dat met spoed wordt opgenomen, van wie een crisiskaart
beschikbaar is.

Meetinstrument / Informatiebron
De keuze van een meetinstrument is niet van toepassing. De bronnen die gebruikt kunnen worden voor deze
gegevens zijn de Melding Incidentencommissie Patiëntenzorg (MIP), Melding Incidentencommissie
Calamiteiten (MIC) en Fouten Ongevallen en Near Accidents (FONA).

Uit te splitsen naar diagnosegroepen
Nee.

Definities
    Actuele informatie: informatie over medicatie, behandelplan, behandelverloop van het laatste
       behandelcontact en de crisiskaart.
    Spoedopname: een niet-electieve opname van een patiënt voor een korte intensieve klinische
       behandeling.
    Registratie: systeem waar op een gestructureerde, eenduidige wijze gegevens worden vastgelegd.
    Crisiskaart: een samenvatting van het uitgebreide dossier waarin de cliënt(e) voor hem/haar relevante
       informatie over een crisis kan opnemen. Het is de bedoeling dat de cliënt(e) aan het dossier werkt op
       een moment dat hij helder voor ogen heeft wat er wel en niet wenselijk is in geval van een crisis.


2.3 Het percentage spoedopnames buiten kantooruren van reeds bij de zorgaanbieder bekende
cliënten waarbij de hulpverlener niet kon beschikken over actuele cliëntinformatie

Teller
Het aantal spoedopnames buiten kantooruren tussen 01/01/2009 en 31/12/2009 van al bij de zorgaanbieder
bekende cliënten waarbij de hulpverlener niet kon beschikken over actuele cliëntinformatie. Het gaat hierbij
specifiek om informatie met betrekking tot: medicatie, behandelplan, behandelverloop van het laatste
behandelcontact en de crisiskaart.

Noemer
Het totale aantal spoedopnames gedurende het verslagjaar buiten kantooruren van cliënten die al bij de
zorgaanbieder bekend waren.




                                                                                                          28
De vragenlijst stap voor stap
1. Selecteer alle spoedopnames buiten kantooruren tussen 01/01/2009 en 31/12/2009.
2. Ga voor deze spoedopnames na in hoeveel gevallen het een cliënt betrof die op dat moment al bekend
   was binnen de instelling.
3. Tel deze cliënten op en vul het aantal in (noemer).
4. Ga voor deze spoedopnames na in hoeveel gevallen de hulpverlener niet kon beschikken over actuele
   cliëntinformatie.
5. Tel deze op en vul het aantal in (teller).




                                                                                                    29
2.4   Insluiting en Dwangmedicatie

Status
Aanleveren is facultatief.

Exclusie criteria
    Deze indicator is niet van toepassing op zorgaanbieders die geen klinische zorg leveren aan
      gedwongen opgenomen cliënten.
    Deze indicator kan alleen worden aangeleverd als Argus registratieset is gebruikt.

Beschrijving
Deze indicator geldt alleen voor insluiting van cliënten die gedwongen zijn opgenomen
en bestaat uit drie onderdelen:
a) Aantal insluitingen en aantal toepassingen van dwangmedicatie.
b) Gemiddelde duur van insluiting en duur van dwangmedicatie.
c) Evaluatie / preventie.

Definities
    Gedwongen opname: een IBS of een (voorlopige) RM.
    Dwang: volgens artikel 28.5/39 BOPZ.
    Met insluiten onder dwang wordt bedoeld: alle activiteiten die zorgaanbieders aanduiden met
       afzonderen, isoleren, separeren, opsluiten of andere vergelijkbare acties, waaraan cliënten zich niet
       zonder tussenkomst van hulpverleners kunnen onttrekken, met als gevolg dat de cliënt niet uit eigen
       beweging de insluiting kan beëindigen door de betreffende ruimte op eigen initiatief te verlaten. Het
       gaat dan om separatie, afzondering, insluiting op de eigen kamer en insluiting in een andere kamer.

Meetinstrument / Informatiebron
Het meetinstrument voor de indicator is de Argus of de Bopzis registratieset, als informatiebron dient de
administratie van de zorgaanbieder.

Uit te splitsen naar diagnosegroepen
Nee.

2.4.a Aantal insluitingen / toepassingen van dwangmedicatie

Teller
Het aantal insluitingen van gedwongen opgenomen cliënten tussen 01/01/2009 en 31/12/2009 uitgesplitst
naar de verschillende vormen van insluiting. Hierbij worden vijf categorieën onderscheiden:
    1. Aantal insluitingen in separeerruimte van cliënten die gedwongen zijn opgenomen.
    2. Aantal insluitingen in afzonderingsruimte van cliënten die gedwongen zijn opgenomen.
    3. Aantal malen dat dwangmedicatie is toegediend aan cliënten die gedwongen zijn opgenomen
        (Bopzis)
    4. Aantal insluitingen (met instemming) in separeerruimte van cliënten die vrijwillig zijn opgenomen
    5. Aantal insluitingen (met instemming) in afzonderingsruimte van cliënten die vrijwillig zijn opgenomen

Deze indicator is gekoppeld aan de dwangprojecten binnen GGZ Nederland (Argus). Binnen Argus zijn
alleen de eerste 2 categorieën verplicht. Zorgaanbieders die ook de facultatieve items van Argus ingebouwd
hebben in hun informatiesysteem worden verzocht deze informatie wel op te nemen in de prestatie-indicator.

Indien een cliënt meerdere keren wordt ingesloten telt iedere insluiting apart mee.
Elke insluiting, ongeacht de duur van de insluiting en de periode die ertussen zit telt mee.
Insluitingen zonder verzet van de cliënt tellen ook mee.

Noemer
Bij teller 1, 2 en 3: Totaal aantal cliënten die in de instelling gedwongen opgenomen zijn in het verslagjaar.
Bij teller 4 en 5: Totaal aantal cliënten die in de instelling vrijwillig opgenomen zijn in het verslagjaar.
De vragenlijst stap voor stap




                                                                                                                 30
2.4.a
Catergorie1tm 3
1. Geef door selectie van ja of nee aan of u de Argus registratieset gebruikte tussen 01/01/2009 en
    31/12/2009. Wanneer u deze niet gebruikte selecteert u nee en kunt u deze indicator buiten
    beschouwing laten.
2. Indien u wel gebruik maakt van de Argus registratieset: vul in hoe vaak de verschillende vormen van
    insluiting zijn voorgekomen in het verslagjaar (teller): Elke insluiting van gedwongen opgenomen cliënten
    (ongeacht de duur) telt apart mee.
    - Aantal insluitingen in separeerruimte van cliënten die gedwongen zijn opgenomen.
    - Aantal insluitingen in afzonderingsruimte van cliënten die gedwongen zijn opgenomen.
    - Aantal malen dat dwangmedicatie is toegediend aan cliënten die gedwongen zijn opgenomen
         (Bopzis)
3. Selecteer alle gedwongen opnames. Let op: het gaat hier om het aantal gedwongen opnames en niet
    het aantal cliënten. Indien een cliënt meerdere malen in het verslagjaar gedwongen is opgenomen telt
    deze meerdere keren mee. Dit betekent wel, dat de cliënt ontslagen is geweest uit zorg (daar waar een
    machtiging wordt verlengd en de zorg wordt gecontinueerd, telt de gedwongen opname als 1).
4. Tel het totale aantal gedwongen opnames op en vul deze in (noemer).

Categorie 4 en 5
1. Geef door selectie van ja of nee aan of u de Argus registratieset gebruikte tussen 01/01/2009 en
   31/12/2009. Wanneer u deze niet gebruikte selecteert u nee en kunt u deze indicator buiten
   beschouwing laten.
2. Indien u wel gebruik maakt van de Argus registratieset: vul in hoe vaak de verschillende vormen van
   insluiting zijn voorgekomen in het verslagjaar (teller):
   Elke insluiting van cliënten (ongeacht de duur) telt apart mee.
   - Aantal insluitingen (met instemming) in separeerruimte van cliënten die vrijwillig zijn opgenomen
   - Aantal insluitingen (met instemming) in afzonderingsruimte van cliënten die vrijwillig zijn
        opgenomen
3. Selecteer alle vrijwillige opnames. Let op: het gaat hier om het aantal vrijwillige opnames en niet het
   aantal cliënten. Indien een cliënt meerdere malen in het verslagjaar vrijwillig is opgenomen telt deze
   meerdere keren mee. Dit betekent wel, dat de cliënt ontslagen is geweest uit zorg (daar waar een
   machtiging wordt verlengd en de zorg wordt gecontinueerd, telt de gedwongen opname als 1).
4. Tel het totale aantal vrijwillige opnames op en vul deze in (noemer).

2.4.b gemiddelde duur van de insluitingen / dwangmedicaties

Teller
Het aantal insluitingen van gedwongen opgenomen cliënten tussen 01/01/2009 en 31/12/2009 uitgesplitst
naar de verschillende vormen van insluiting. Hierbij worden vijf categorieën onderscheiden:
    1. Totaal aantal uren in separeerruimte van cliënten die gedwongen zijn opgenomen.
    2. Totaal aantal uren in afzonderingsruimte van cliënten die gedwongen zijn opgenomen.
    3. Totaal aantal dagen dwangmedicatie aan cliënten die gedwongen zijn opgenomen (bij medicatie die
        langer werkt dan een dag inclusief termijn tot volgende injectie).
    4. Totaal aantal uren in separeerruimte van cliënten die vrijwillig zijn opgenomen
    5. Totaal aantal uren in afzonderingsruimte van cliënten die vrijwillig zijn opgenomen




                                                                                                             31
Noemer
Bij teller 1, 2 en 3: Totaal aantal keren dat de betreffende interventie is toegepast bij gedwongen opgenomen
cliënten.
Bij teller 4 en 5: Totaal aantal keren dat de betreffende insluiting is toegepast bij cliënten die in de instelling
vrijwillig opgenomen zijn.
De vragenlijst stap voor stap

2.4.b
Catergorie1tm 3
1. Geef door selectie van ja of nee aan of u de Argus registratieset gebruikte tussen 01/01/2009 en
    31/12/2009. Wanneer u deze niet gebruikte selecteert u nee en kunt u deze indicator buiten
    beschouwing laten.
2. Vul in hoe lang de verschillende vormen van insluiting geduurd hebben in het verslagjaar (teller): Elke
    insluiting van gedwongen/vrijwillig opgenomen cliënten (ongeacht de duur) telt apart mee.
    - Totaal aantal uren in separeerruimte van cliënten die gedwongen zijn opgenomen.
    - Totaal aantal uren in afzonderingsruimte van cliënten die gedwongen zijn opgenomen.
    - Totaal aantal dagen dwangmedicatie aan cliënten die gedwongen zijn opgenomen (bij medicatie          die
langer werkt dan een dag inclusief termijn tot volgende injectie).
3. Selecteer alle gedwongen opnames. Let op: het gaat hier om het aantal gedwongen opnames en niet het
    aantal cliënten. Indien een cliënt meerdere malen in het verslagjaar gedwongen is opgenomen telt deze
    meerdere keren mee. Dit betekent wel, dat de cliënt ontslagen is geweest uit zorg (daar waar een
    machtiging wordt verlengd en de zorg wordt gecontinueerd, telt de gedwongen opname als 1).
4. Tel het totale aantal gedwongen opnames op en vul deze in (noemer).

Categorie 4 en 5
5. Geef door selectie van ja of nee aan of u de Argus registratieset gebruikte tussen 01/01/2009 en
   31/12/2009. Wanneer u deze niet gebruikte selecteert u nee en kunt u deze indicator buiten
   beschouwing laten.
6. Vul in hoe lang de verschillende vormen van insluiting geduurd hebben in het verslagjaar (teller): Elke
   insluiting van vrijwillig opgenomen cliënten (ongeacht de duur) telt apart mee.
   - Totaal aantal uren in separeerruimte van cliënten die vrijwillig zijn opgenomen
   - Totaal aantal uren in afzonderingsruimte van cliënten die vrijwillig zijn opgenomen
7. Selecteer alle vrijwillige opnames. Let op: het gaat hier om het aantal vrijwillige opnames en niet het
   aantal cliënten. Indien een cliënt meerdere malen in het verslagjaar vrijwillig is opgenomen telt deze
   meerdere keren mee. Dit betekent wel, dat de cliënt ontslagen is geweest uit zorg (daar waar een
   machtiging wordt verlengd en de zorg wordt gecontinueerd, telt de gedwongen opname als 1).
8. Tel het totale aantal vrijwillige opnames op en vul deze in (noemer).

2.4.c Evaluatie met de cliënt
Teller
Het aantal evaluaties dat met de cliënt is uitgevoerd na een insluiting of dwangmedicatie.

Noemer
Totaal aantal malen dat is ingesloten / dwangmedicatie is toegepast.
De vragenlijst stap voor stap

2.4.c

1. selecteer het totaal aantal opnames (gedwongen en vrijwillig) in de periode tussen 01/01/2009 en
31/12/2009. En vul dit in bij de noemer.
2. selecteer uit deze groep het aantal geëvalueerde opnames en vul dit aantal bij de teller in.




                                                                                                                32
2.4.d Aanwezigheid van preventieprogramma’s
Heeft uw instelling een systematisch preventieprogramma voor insluiting of Dwang en Drang?

De vragenlijst stap voor stap

2.4.d
1. Vul het systematisch preventieprogramma in (in het tekstveld) dat u gebruikt voor de voor insluiting of
Dwang en Drang?




                                                                                                             33
2.5   Aantal suïcides, gerelateerd aan grootte zorgaanbieder

Status
Deze indicator wordt niet uitgevraagd over verslagjaar 2009 en 2010.


2.6   Incidenten cliëntenzorg

Status
Aanleveren is facultatief.

Exclusie criteria
    Deze indicator is niet van toepassing op zorgaanbieders die geen langdurige en klinische zorg.

Beschrijving
Deze indicator bestaat uit twee onderdelen:
a) Cliëntperspectief
Het percentage cliënten dat aangeeft zich tijdens het verblijf bij de zorgaanbieder veilig te voelen.

b) Hulpverlenerperspectief
Totaal aantal incidenten gemeld door hulpverleners bij een zorgaanbieder (MIC/MIP/FONA-meldingen)
gerelateerd aan de grootte van de zorgaanbieder.

Definities

Meetinstrument / Informatiebron
Deel a: CQ-index klinische ggz. Deelnemers aan de pilot van de ontwikkeling van de CQ-index langdurende
en klinische zorg kunnen over 2009 de pilotresultaten gebruiken voor deze indicator over 2009. Instrument
over 2010 afhankelijk van ontwikkeling CQ-index.

Deel b: nog niet bekend

Uit te splitsen naar diagnosegroepen
Nee

2.6.a Het percentage cliënten dat aangeeft zich tijdens het verblijf bij de zorgaanbieder veilig te
voelen.

Teller
De totaalscore van de vragen in de betreffende schaal uit de CQ-index van alle cliënten die deze
beantwoord hebben.

Noemer
Het totaal aantal cliënten dat de betreffende vragen beantwoord heeft.

De vragenlijst stap voor stap
CQ-index:
1. bij de noemerVul in: het totaal aantal cliënten waarvoor de schaalscore berekend is op de schaal
‘verblijf bij de zorgaanbieder’
2. bij de teller  Vul in: de gemiddelde schaalscore (Over de wijze waarop de schaalscore uit de CQ-index
moet worden berekend bent u door het Trimbos instituut geïnformeerd, of u heeft de schaalscore van het
Trimbos-instituut ontvangen.)




                                                                                                        34
3     Cliëntgerichtheid

De indicatoren 3.1 tot en met 3.11 hebben betrekking op de cliëntgerichtheid van de zorg. U vindt deze
subgroep bovenin uw scherm als u ingelogd bent . De vier kopjes bovenaan in uw scherm zijn: Algemeen,
Effectiviteit van zorg, Veiligheid en Cliëntgerichtheid.


3.1    Wachttijd tot start behandeling

Status
Aanleveren is verplicht.

Exclusie criteria
Deze indicator is niet van toepassing op gedwongen opnames, crisisopnames & ambulante
crisisbehandelingen.

Beschrijving
Deze indicator bestaat uit drie onderdelen.
a. Gemiddelde aanmeldingswachttijd: Het aantal weken tussen het moment dat een cliënt (of verwijzer) een
   eerste afspraak maakt bij een zorgaanbieder voor een intakegesprek (eerste zorgcontact), tot het
                                                                               e
   moment dat de cliënt hiervoor terecht kan. Hierbij wordt gekozen voor de 3 mogelijkheid in het
   afsprakenregister.
b. De gemiddelde wachttijd tot behandeling: Het aantal weken tussen de intake (moment van eerste
   zorgcontact tevens eindpunt aanmeldingswachttijd) en de start van de behandeling. In de zorgregistratie
   is dit het eerste behandelcontact/code (in tegenstelling tot diagnosecontact/codes).
c. Het percentage cliënten waar de wachttijd tussen inschrijving (een eerste afspraak bij een
   zorgaanbieder) en start behandeling niet langer is dan:
              98 dagen voor ambulante zorg
              105 dagen voor klinische zorg
              147 dagen voor plaatsing in een RIBW




                                                                                                         35
                         a. Aanmeldingswachttijd:
                                                   e
    Datum waarop een cliënt (of                   1 zorgcontact
    verwijzer) een eerste afspraak      a                  =
                                                   e
    maakt voor een intakegesprek                  1 intakecontact
    (eerste zorgcontact)
                   =
    aanmeldingddatum
                   =
    Datum inschrijving
                   =
    opening zorgtraject (DBC-
    registratie)

                                                             b. Wachttijd tot behandeling / begeleiding
                                                      e                                     e
                                                    1 zorgcontact            b     Datum 1 behandelcontact
                                                             =                                   =
                                                      e
                                                    1 intakecontact                datum eerste
                                                                                   behandelactiviteit volgend op
                                                                                   de eerste diagnosestelling
                                  c. Wachttijd tot start behandeling / begeleiding
                                                                                            e
    Datum waarop een cliënt (of                                                    Datum 1 behandelcontact
    verwijzer) een eerste afspraak                         c                                     =
    maakt voor een intakegesprek                                                   datum eerste
                                                                                   behandelactiviteit volgend op
                                                                                   de eerste diagnosestelling




Meetinstrument/Informatiebron
Voor zowel de totale wachttijd als het totale aantal in behandeling/begeleiding gekomen cliënten (afgesloten
wachtperiodes in verslagjaar) dient de zorgadministratie geraadpleegd te worden.

Uit te splitsen naar diagnosegroepen
Nee.

3.1a Gemiddelde aanmeldingswachttijd

Teller
Totaal aantal weken tussen het moment dat een cliënt (of verwijzer) een eerste afspraak maakt bij een
zorgaanbieder voor een intakegesprek (eerste zorgcontact), tot het moment dat de cliënt hiervoor terecht
kan. Hierbij wordt gekozen voor de 3e mogelijkheid in het afsprakenregister.
Uitgesplitst naar ambulant, klinisch en RIBW die in het verslagjaar in behandeling/begeleiding gekomen zijn.

Noemer
Totaal aantal in behandeling/begeleiding gekomen cliënten (afgesloten wachtperiodes) gedurende het
verslagjaar uitgesplitst naar ambulant, klinisch en RIBW.




                                                                                                          36
3.1.a Gemiddelde aanmeldingswachttijd – ambulant
De vragenlijst stap voor stap
1. Selecteer het aantal in ambulante zorg gekomen cliënten in verslagjaar 2009. Het gaat niet om nieuw
    ingeschreven cliënten, maar om afgesloten wachtperiodes in een kalenderjaar. De inschrijvingsdatum
                                                                           e
    (aanmeldingsdatum, eerste contact met instelling om te komen tot een 1 afspraak) kan dus in het vorige
    jaar liggen.
2. Vul het aantal in bij de noemer (rechter veld).
3. Selecteer de cliënten die tussen 01/01/2009 en 31/12/2009 in uw instelling een eerste zorgcontact
    (intakecontact) hebben gehad met een hulpverlener voor ambulante behandeling/begeleiding (exclusief
    crisisopnames, gedwongen opnames en ambulante crisis behandelingen).
4. Bereken voor deze cliënten de wachttijd: het aantal dagen tussen de aanmeldingsdatum en de datum
    van de intake.
5. Tel deze wachttijden bij elkaar op.
6. Vul de totale wachttijd in dagen tussen 01/01/2009 en 31/12/2009 in voor ambulante zorg (linker veld,
    teller).


3.1.b Gemiddelde aanmeldingswachttijd – klinisch
De vragenlijst stap voor stap
1. Selecteer het aantal in klinische zorg gekomen cliënten in verslagjaar 2009. Het gaat niet alleen om
    nieuw ingeschreven cliënten, maar om afgesloten wachtperiodes in een kalenderjaar. De
    inschrijvingsdatum kan dus in het vorige jaar liggen.
2. Vul het aantal in bij de noemer (rechter veld).
3. Selecteer alle cliënten die tussen 01/01/2009 en 31/12/2009 in uw instelling een eerste zorgcontact
    (intakecontact) hebben gehad voor klinische zorg (exclusief crisisopnames, gedwongen opnames,
    ambulante crisis behandelingen en logeerdagen jeugd).
4. Bereken voor deze cliënten de wachttijd: het aantal dagen tussen de aanmeldingsdatum en de datum
    van de intake.
5. Tel deze wachttijden bij elkaar op.
6. Vul de totale wachttijd in dagen tussen 01/01/2009 en 31/12/2009 in voor klinische zorg (linker veld,
    teller).



3.1.a Gemiddelde aanmeldingswachttijd – RIBW
De vragenlijst stap voor stap
1. Selecteer het aantal cliënten dat in verslagjaar 2009 in RIBW-zorg is gekomen. Het gaat niet alleen om
    nieuw ingeschreven cliënten, maar om afgesloten wachtperiodes in een kalenderjaar. De
    inschrijvingsdatum kan dus in het vorige jaar liggen.
2. Vul het aantal, uitgesplitst naar BW en BZW in bij de noemer (rechter veld).
3. Selecteer alle cliënten die tussen 01/01/2009 en 31/12/2009 een eerste zorgcontact (intakecontact)
    hebben gehad voor RIBW-zorg. Omdat er verschil kan zitten tussen de wachttijd voor BW en BZW,
    dienen voor deze PI twee afzonderlijke antwoorden gegeven te worden.
4. Bereken voor deze cliënten de wachttijd: het aantal dagen tussen de aanmeldingsdatum en de datum
    van de intake.
5. Tel deze wachttijden bij elkaar op, uitgesplitst naar BW en BZW.
6. Vul de totale wachttijd in dagen tussen 01/01/2009 en 31/12/2009 in voor RIBW zorg, uitgesplitst naar
    BW en BZW (linker veld, teller).




                                                                                                           37
3.1b Wachttijd tot start behandeling

Teller
Totale wachttijd in dagen tussen intake en start behandeling/begeleiding opgeteld van alle cliënten
uitgesplitst naar (a) ambulant, (b) klinisch en (c) RIBW die in het registratiejaar in behandeling/begeleiding
gekomen zijn.

Noemer
Totaal aantal in behandeling/begeleiding gekomen cliënten (afgesloten wachtperiodes) gedurende het
verslagjaar uitgesplitst naar ambulant, klinisch en RIBW.

3.1.b Wachttijd tot start behandeling – ambulant
De vragenlijst stap voor stap
7. Neem de noemer over van vraag 3.1.a
8. Selecteer alle cliënten die tussen 01/01/2009 en 31/12/2009 in uw instelling in ambulante
    behandeling/begeleiding gekomen zijn (exclusief crisisopnames, gedwongen opnames en ambulante
    crisis behandelingen).
                                                                         e               e
9. Bereken voor deze cliënten de wachttijd: het aantal dagen tussen de 1 intakedatum (1 zorgcontact) en
    de datum van de eerste behandelactiviteit, niet zijnde een intake.
10. Tel deze wachttijden bij elkaar op.
11. Vul de totale wachttijd in dagen tussen 01/01/2009 en 31/12/2009 in voor ambulante zorg (linker veld,
    teller).

3.1.b Wachttijd tot start behandeling – klinisch
De vragenlijst stap voor stap
7. Neem de noemer over van vraag 3.1.a
8. Selecteer alle cliënten die tussen 01/01/2009 en 31/12/2009 in uw instelling in klinische zorg gekomen
    zijn (exclusief crisisopnames, gedwongen opnames, ambulante crisis behandelingen en logeerdagen
    jeugd).
                                                                          e
9. Bereken voor deze cliënten de wachttijd: het aantal dagen tussen de 1 intakedatum en de datum van de
    eerste behandelactiviteit.
10. Tel deze wachttijden bij elkaar op.
11. Vul de totale wachttijd in dagen tussen 01/01/2009 en 31/12/2009 in voor klinische zorg (linker veld,
    teller).


3.1.b Wachttijd tot start behandeling – RIBW
De vragenlijst stap voor stap
7. Neem de noemer over van vraag 3.1.a
8. Selecteer alle cliënten die tussen 01/01/2009 en 31/12/2009 in uw instelling in RIBW-zorg gekomen zijn.
    Omdat er verschil kan zitten tussen de wachttijd voor BW en BZW, dienen voor deze PI twee
    afzonderlijke antwoorden gegeven te worden.
9. Bereken voor deze cliënten de wachttijd: het aantal dagen tussen de aanmeldingsdatum en de datum
    van de start van de behandeling/begeleiding.
10. Tel deze wachttijden bij elkaar op, uitgesplitst naar BW en BZW.
11. Vul de totale wachttijd in dagen tussen 01/01/2009 en 31/12/2009 in voor RIBW zorg, uitgesplitst naar
    BW en BZW (linker veld, teller).




                                                                                                                 38
3.1.c Het percentage cliënten waarbij wachttijd tot start behandeling niet langer is dan een x-aantal
dagen

Teller
Het aantal cliënten, uitgesplitst naar ambulant, klinisch en RIBW, waarbij de wachttijd
tussen aanmelding en start behandeling/begeleiding korter was dan:
     98 dagen voor ambulante behandeling of begeleiding;
     105 dagen voor klinische behandeling of begeleiding;
     147 dagen voor plaatsing in een RIBW.
Het gaat niet om nieuw ingeschreven cliënten, maar om afgesloten wachtperiodes in een kalenderjaar. De
inschrijvingsdatum kan dus in het vorige jaar liggen.

Noemer
Totaal aantal in behandeling/begeleiding gekomen cliënten (afgesloten wachtperiodes)
gedurende het verslagjaar uitgesplitst naar ambulant, klinisch en RIBW.

3.1.c Percentage cliënten waarbij de wachttijd tot de start van de behandeling niet langer is dan 98
dagen – ambulante zorg
De vragenlijst stap voor stap
1. Selecteer alle cliënten die tussen 01/01/2009 en 31/12/2009 in uw instelling in ambulante zorg
    gekomen zijn (exclusief crisisopnames, gedwongen opnames, ambulante crisis behandelingen en
    logeerdagen jeugd).
                                                                         e
2. Bereken voor deze cliënten de wachttijd: het aantal dagen tussen de 1 datum dat een eerste afspraak is
    gemaakt voor een eerste zorgcontact en de datum van de eerste behandelactiviteit.
3. Tel deze wachttijden bij elkaar op.
4. Selecteer op basis van deze berekende wachttijd alle cliënten die maximaal 98 dagen hebben moeten
    wachten op behandeling/begeleiding.
5. Tel deze cliënten op.
6. Geef aan hoeveel cliënten maximaal 98 dagen hebben gewacht op ambulante zorg.

3.1.c Percentage cliënten waarbij de wachttijd tot de start van de behandeling niet langer is dan 105
dagen – klinische zorg
De vragenlijst stap voor stap
1. Selecteer alle cliënten die tussen 01/01/2009 en 31/12/2009 in uw instelling in klinische
    behandeling/begeleiding gekomen zijn (exclusief crisisopnames, gedwongen opnames, ambulante
    crisis behandelingen en logeerdagen jeugd).
                                                                         e
2. Bereken voor deze cliënten de wachttijd: het aantal dagen tussen de 1 datum dat een eerste afspraak is
    gemaakt voor een eerste zorgcontact en de datum van de eerste behandelactiviteit.
3. Tel deze wachttijden bij elkaar op.
4. Selecteer op basis van deze berekende wachttijd alle cliënten die maximaal 105 dagen hebben moeten
    wachten op behandeling/begeleiding.
5. Tel deze cliënten op.
6. Geef aan hoeveel cliënten maximaal 105 dagen hebben gewacht op klinische zorg.




                                                                                                        39
3.1.c Percentage cliënten waarbij de wachttijd tot de start van de behandeling niet langer is dan 147
dagen – RIBW

De vragenlijst stap voor stap
1. Selecteert alle cliënten die tussen 01/01/2009 en 31/12/2009 in uw instelling in RIBW-zorg gekomen zijn
   (exclusief crisisopnames, gedwongen opnames en ambulante crisisbehandelingen). Omdat er verschil
   kan zitten tussen de wachttijd voor BW en BZW, dienen voor deze PI twee afzonderlijke antwoorden
   gegeven te worden.
                                                                         e
2. Bereken voor deze cliënten de wachttijd: het aantal dagen tussen de 1 datum dat een eerste afspraak is
   gemaakt voor een eerste zorgcontact en de datum van de eerste behandelactiviteit.
3. Tel deze wachttijden bij elkaar op.
4. Selecteer op basis van deze berekende wachttijd alle cliënten die maximaal 147 dagen hebben moeten
   wachten op behandeling/begeleiding.
5. Tel deze cliënten op, uitgesplitst naar BW en BZW.
6. Geef aan hoeveel cliënten maximaal 147 dagen hebben gewacht op RIBW zorg, uitgesplitst naar BW en
   BZW.




                                                                                                       40
3.2 Toegang tot zorg
Deze indicator wordt niet uitgevraagd over verslagjaar 2009.
In de evaluatiestudie is deze indicator, zoals over verslagjaar 2007 uitgevraagd, als ontoereikend en niet
valide beoordeeld. Op basis daarvan is besloten deze indicator in 2009 door te ontwikkelen.

3.3     Informed consent

Status:
Aanleveren is verplicht.

Exclusie criteria
Deze indicator heeft geen betrekking op dagactiviteiten.

Beschrijving
Percentage cliënten dat informed consent ervaart, tot uiting komend in:
    Vastgelegd behandelplan/begeleidingsplan.
    Vastgelegde toestemming van de cliënt.


Meetinstrument / Informatiebron

     Ambulante zorg behandeling tot 2 jaar: CQ-index ambulante zorg facultatief over 2009, verplicht over
      2010. Over 2009 zijn Thermometer Cliëntwaardering en eigen instrument geaccepteerd.
     Klinische en/of langdurende zorg: Deelnemers aan de pilot van de ontwikkeling van de CQ-index
      langdurende en klinische zorg kunnen over 2009 de pilotresultaten gebruiken voor deze indicator over
      2009. Anderen gebruiken resultaten Thermometer Cliëntwaardering of eigen instrument over 2009.
      Instrumenten over 2010 afhankelijk van ontwikkeling CQ-index.

       CQ-index op basis van de vraag:
             “Heeft u ingestemd met uw behandel- of begeleidingsplan?”
       Thermometer Cliëntwaardering/ ander clientervaringsinstrument op basis van de vraag:
             “Heeft u ingestemd met uw behandel- of begeleidingsplan?”.

Uit te splitsen naar diagnosegroepen
Nee.

Teller
     Bij gebruik CQ-index: Het totale aantal cliënten dat de vraag uit de CQ-index positief heeft
       beantwoord.
     Bij gebruik van de cliëntthermometer: het totale aantal cliënten dat vraag 6 met “ja” heeft beantwoord.
     Bij gebruik eigen instrument: Het totale aantal cliënten dat een met vraag 6 uit de cliëntthermometer
       vergelijkbare vraag positief heeft beantwoord. De vraag moet worden uitgeschreven in het
       invoerscherm.

Noemer
Het aantal cliënten dat 'ja' heeft geantwoord op de betreffende vraag in Thermometer, eigen instrument of
CQ index.

De vragenlijst stap voor stap
Bij het aanleveren van deze indicator dienen cliënten die enkel dagactiviteiten ontvangen buiten
beschouwing gelaten te worden.
CQ-index:
1. Selecteer alle cliënten die de vraag “Heeft u ingestemd met uw behandel- of begeleidingsplan?” hebben
     ingevuld.
2. Zet dit aantal in de noemer.
3. Selecteer alle cliënten die de vraag “Heeft u ingestemd met uw behandel- of begeleidingsplan?” positief
     heeft beantwoord.


                                                                                                             41
4. Zet dit aantal in de teller.
Cliëntthermometer:
5. Selecteer alle cliënten die op vraag 6 van de cliëntthermometer “ja” hebben ingevuld.
6. Zet dit aantal in de noemer.
7. Selecteer alle cliënten die vraag 6 hebben beantwoord met “ja”.
8. Zet dit aantal in de teller.
Eigen meetinstrument:
1. Indien u als meetinstrument, aan het begin van de vragenlijst in het scherm Algemeen, “eigen
    vragenlijst” heeft aangeven, dient u de vraag die u gebruikt voor de invulling van deze indicator in deze
    vragenlijst hier te vermelden (open tekstveld).
2. Selecteer alle cliënten die het eigen meetinstrument hebben ingevuld en positief hebben gereageerd op
    de vraag of er een behandelplan is.
3. Vul dit aantal in bij de noemer.
4. Tel het aantal cliënten op dat de vraag of er ingestemd wordt met het behandel/begeleidingsplan positief
    heeft beantwoord.
5. Vul dit totale aantal cliënten in (teller).




                                                                                                          42
3.4     Keuzevrijheid

Status
Aanleveren is verplicht.

Exclusie criteria
Deze vraag zou niet van toepassing moeten zijn op cliënten die dwangbehandeling ondergaan. Echter, op
dit moment kan dit niet uit de respons op de cliëntthermometer worden opgemaakt, waardoor deze groep op
dit moment niet is uit te sluiten.


Beschrijving
Deze indicator geeft het percentage cliënten weer dat keuzevrijheid ervaart. Hierbij zijn twee componenten
van belang:
1. De aangeboden mogelijkheid tot het kiezen van de eigen behandelaar.
2. De aangeboden mogelijkheid tot kiezen uit geboden zorgaanbod.

Meetinstrument / Informatiebron

     Ambulante zorg behandeling tot 2 jaar: CQ-index ambulante zorg facultatief over 2009, verplicht over
      2010. Over 2009 zijn Thermometer Cliëntwaardering en eigen instrument geaccepteerd.
     Klinische en/of langdurende zorg: Deelnemers aan de pilot van de ontwikkeling van de CQ-index
      langdurende en klinische zorg kunnen over 2009 de pilotresultaten gebruiken voor deze indicator over
      2009. Anderen gebruiken resultaten Thermometer Cliëntwaardering of eigen instrument over 2009.
      Instrumenten over 2010 afhankelijk van ontwikkeling CQ-index.

       De schaal “Keuzevrijheid” van de CQ-index.
       Cliëntthermometer: Vraag: “Kon (kunt) u meebeslissen over de behandeling of begeleiding die u zou
        krijgen (krijgt)?”
       Een eigen instrument waarin een vraag is opgenomen van gelijke strekking.

Uit te splitsen naar diagnosegroepen
Nee.

Teller
     CQ-index: Gewogen score van de vragen in de schaal “Keuzevrijheid”, geaggregeerd voor alle
       cliënten.
     Cliëntthermometer: het totale aantal cliënten dat de betreffende vraag positief beantwoord heeft.
     Eigen instrument: het totale aantal cliënten dat vraag met betrekking tot “Informed Consent” positief
       beantwoord heeft.

Noemer
Het totale aantal cliënten dat de betreffende vraag beantwoord heeft (niet in te vullen voor CQ want daar
geldt schaalscore).




                                                                                                             43
De vragenlijst stap voor stap
CQ-index:
1. Vul in: het totaal aantal cliënten waarvoor de schaalscore berekend is op de schaal ‘keuzevrijheid’
2. Vul in: de gemiddelde schaalscore (Over de wijze waarop de schaalscore uit de CQ-index moet worden
    berekend bent u door het Trimbos instituut geïnformeerd, of u heeft de schaalscore van het Trimbos-
    instituut ontvangen.)
Cliëntthermometer:
1. Selecteer alle cliënten die de cliëntthermometer hebben ingevuld.
2. Selecteer hieruit alle cliënten die vraag 4 hebben beantwoord.
3. Vul het totale aantal cliënten in dat de vraag 4 heeft beantwoord (noemer).
4. Tel alle cliënten op die de bovengenoemde vraag positief heeft beantwoord en dus heeft aangeven
    keuzevrijheid te hebben ervaren.
5. Vul dit aantal in (teller).
Eigen meetinstrument:
1. U vult, wanneer u in plaats van de vraag 4 een “eigen instrument” heeft gebruikt, de formulering van de
    vraagstelling in. Dit kunt u doen in het veld ‘formulering van de vraag in uw instrument’.
2. Vul het aantal cliënten in dat de bovengenoemde vraag positief beantwoord heeft.
3. Selecteer alle cliënten die het eigen meetinstrument hebben ingevuld.
4. Tel deze op en vul het totale aantal in.
5. Tel alle cliënten op die de bovengenoemde vraag positief hebben beantwoord.
6. Vul dit aantal in (teller).




                                                                                                        44
3.5   Vervulling zorgwensen: het ervaren verloop van het behandel-/ begeleidingsproces

Status
Aanleveren is verplicht.

Exclusie criteria
Deze vraag zou niet van toepassing moeten zijn op cliënten die dwangbehandeling ondergaan. Echter, op
dit moment kan dit niet uit de respons op de cliëntthermometer worden opgemaakt, waardoor deze groep op
dit moment niet is uit te sluiten.

Beschrijving
Het percentage cliënten dat aangeeft dat de behandeling/begeleiding voldoet aan de eigen zorgwensen.
Hierbij zijn twee componenten van belang:
1. Juiste aanpak van de behandeling/begeleiding voor de klachten van de cliënt.
2. Het naar wens van de cliënt uitvoeren van het behandel- of begeleidingsplan.
De vervulling van zorgwensen geeft aan of de geleverde behandeling/begeleiding in de ogen van de cliënt
het juiste antwoord is op zijn/haar zorgvraag. Het is een maat voor de ervaren vraaggerichtheid van de zorg.

Meetinstrument / Informatiebron
    CQ-index: de schaal “De juiste behandeling gekregen”.
    Cliëntthermometer: Vraag 11 “Werd (wordt) het behandel- of begeleidingsplan naar wens
      uitgevoerd?” en vraag 12: “Vond (vindt) u de behandeling of begeleiding de juiste aanpak voor uw
      problemen of klachten?”
    Eigen instrument: twee vragen die corresponderen met de vragen van de cliëntthermometer.

Uit te splitsen naar diagnosegroepen
Nee.

Teller
     CQ-index: Gewogen score op de schaal “De juiste behandeling gekregen”, geaggregeerd voor alle
       cliënten. Vraagnummers worden ingevuld zodra het instrument definitief en operationeel is. Score en
       weging worden bepaald door de CQ-index.
     Cliëntthermometer: het totale aantal cliënten dat zowel vraag 11 als vraag 12 positief heeft
       beantwoord. Indien de combinatie van positieve antwoorden niet te berekenen is (geldt voor
       zorgaanbieders die de thermometer hebben uitbesteed en die tabellen met antwoorden per vraag
       krijgen gerapporteerd), dient u uit te gaan van het laagste aantal positieve antwoorden.
     Eigen meetinstrument: het totale aantal cliënten dat beide vragen van het eigen instrument positief
       heeft beantwoord.


Noemer
   - Het totale aantal cliënten waarvoor de schaalscore “De juiste behandeling gekregen” berekend is.
   - Het totale aantal cliënten dat zowel vraag 11 als vraag 12 van de cliëntthermometer beantwoord
      heeft.
   - Het totale aantal cliënten dat beide vragen van het eigen instrument beantwoord heeft.




                                                                                                          45
De vragenlijst stap voor stap
CQ-index:
1. Vul in: het totaal aantal cliënten waarvoor de schaalscore berekend is op de schaal ‘de juiste
    behandeling gekregen’
2. Vul in: de gemiddelde schaalscore (Over de wijze waarop de schaalscore uit de CQ-index moet worden
    berekend bent u door het Trimbos instituut geïnformeerd, of u heeft de schaalscore van het Trimbos-
    instituut ontvangen.)
Cliëntthermometer:
3. Selecteer alle cliënten die de cliëntthermometer hebben ingevuld.
4. Tel deze cliënten op en vul het aantal in (noemer).
5. Tel alle cliënten op die een positief antwoord heeft gegeven op zowel vraag 11 als vraag 12 (zowel
    vraag 11 als vraag 12 moeten positief beantwoord zijn door één cliënt om mee te tellen voor deze
    indicator).
6. Vul dit aantal in (teller).
Eigen meetinstrument:
1. Wanneer u een eigen instrument heeft gebruikt vult u de formulering van de vraagstelling in voor vragen
    11 en 12 van de cliëntthermometer in. Dit kunt u doen in het veld ‘formulering van de vraag in uw
    instrument’.
2. Selecteer alle cliënten die het eigen meetinstrument hebben ingevuld.
3. Vul het totale aantal cliënten in dat de alternatieve vragen beantwoord heeft (noemer).
4. Tel het aantal cliënten op dat beide vragen positief heeft beantwoord.
5. Vul dit aantal cliënten in (teller).




                                                                                                        46
3.6 Evaluatie van begeleiding- en behandelplannen

Status
Deel a van deze indicator is facultatief voor verslagjaar 2009 en 2010.

Deel b van deze indicator moet verplicht geleverd worden over verslagjaar 2009 en 2010. Voor verslagjaar
2009 wordt het trekken van een aselecte steekproef geaccepteerd; voor verslagjaar 2010 is het de bedoeling
dat deze subindicator uit de administratie van zorgaanbieders wordt gehaald.

Exclusie criteria
   - Deze indicator is niet van toepassing op alle behandelingen korter dan 1 jaar.
   - Mensen die alleen “sociaal” een DAC bezoeken, die verder geen behandeling of begeleiding krijgen,
       worden niet meegerekend.

Beschrijving
Deze indicator bestaat uit twee onderdelen:
a. Oordeel van cliënt: het percentage cliënten dat positief oordeelt over evaluatie en eventuele bijstelling van
het behandel- of begeleidingplan.
b. Oordeel van hulpverlener:het percentage behandel- of begeleidingsplannen van cliënten in langdurige
behandeling of begeleiding dat minder dan 1 jaar oud is .

Definities
Langdurige zorg: behandeling of begeleiding van mensen die op 31/12/2009 langer dan 365 dagen in zorg
zijn, zowel ambulant als klinisch. Als er een periode van meer dan 30 dagen geen zorg is geweest wordt
deze cliënt alleen meegeteld als de DBC niet is afgesloten.

Meetinstrument / Informatiebron
Deel a: CQ-index langdurige en klinische ggz. Deelnemers aan de pilot van de ontwikkeling van de CQ-index
langdurende en klinische zorg kunnen over 2009 de pilotresultaten gebruiken voor deze indicator over 2009.
Instrument over 2010 is afhankelijk van ontwikkeling CQ-index.
Voor meer informatie over de CQ Index, zie bijlage 1.

Deel b: Indien niet beschikbaar in de administratie van de zorgaanbieder, dient dossieronderzoek gedaan te
worden op basis van een door de stuurgroep Zichtbare Zorg gedefinieerde a-selecte steekproef.

Informatiebron
Administratie zorgaanbieder / medische dossiers

Uit te splitsen naar diagnosegroepen
Nee.


3.6a Het percentage cliënten dat positief oordeelt over evaluatie en eventuele bijstelling van het
behandel- of begeleidingplan

Teller
De totaalscore van de vragen in de betreffende schaal uit de CQ Index van alle cliënten die deze
beantwoord hebben.

Noemer
Het totaal aantal cliënten dat de betreffende vragen beantwoord heeft.




                                                                                                             47
De vragenlijst stap voor stap
1. Vul in: het totaal aantal cliënten waarvoor de schaalscore berekend is op de schaal ‘evaluatie en
eventuele bijstelling van het behandel- of begeleidingplan’
2. Vul in: de gemiddelde schaalscore (Over de wijze waarop de schaalscore uit de CQ-index moet worden
berekend bent u door het Trimbos instituut geïnformeerd, of u heeft de schaalscore van het Trimbos-instituut
ontvangen.)


3.6b Het percentage cliënten bij wie het behandeling-/begeleidingsplannen geëvalueerd en zonodig
bijgesteld is.

Teller
Administratie zorgaanbieder:
Het aantal behandel- of begeleidingsplannen van cliënten die langdurige behandeling of begeleiding
ontvangen dat op peildatum 31 december van het verslagjaar maximaal 1 jaar oud is.

Steekproef (zie werkinstructie):
Het aantal dossiers van cliënten die langdurige behandeling of begeleiding ontvangen met daarin behandel-
of begeleidingsplannen die op peildatum 31 december van het verslagjaar maximaal 1 jaar oud zijn.


Noemer
Administratie zorgaanbieder:
Totaal aantal cliënten dat op peildatum 31 december van het verslagjaar meer dan 1 jaar behandeling of
begeleiding heeft ontvangen.

Steekproef:
Het totaal aantal dossiers (30% van de dossiers die in aanmerking komen met een minimum van 25
dossiers) dat is onderzocht.

De vragenlijst stap voor stap
1. Selecteer alle cliënten die op 31/12/2009 in zorg waren en waarvan het eerste behandelcontact vóór
   1/1/2009 heeft plaatsgevonden.
2. Tel deze cliënten op en vul deze in (noemer).
3. Ga voor deze groep na hoe oud de behandelplannen waren op 31/12/2009 door de laatste evaluatie
   datum op te zoeken. (Als behandelplannen zijn geëvalueerd en er zijn geen wijzigingen, dan tellen deze
   wel mee).
4. Selecteer alle cliënten waarbij de laatste evaluatiedatum tussen 01/01/2009 en 31/12/2009 ligt.
5. Tel het aantal cliënten op en vul dit in (teller).

A-selecte steekproef:
1. Wanneer deze indicator niet voor alle cliënten of dossiers uit uw administratie is af te leiden kunt u een
    a-selecte steekproef uitvoeren. Neemt dossiers van cliënten die in de maand mei in opname zijn Neem
    in alfabetische volgorde, beginnend bij beginletter J, van elke beginletter van de achternaam van de
    cliënt telkens de eerste twee dossiers, tot een totaal minimum aantal van 25 dossiers.
2. Tel deze cliënten op en vul deze in (noemer).
3. Ga voor deze groep na hoe oud de behandelplannen waren op 31/12/2009 door de laatste evaluatie
    datum op te zoeken. (Als behandelplannen zijn geëvalueerd en er zijn geen wijzigingen, dan tellen deze
    wel mee).
4. Selecteer alle cliënten waarbij de laatste evaluatiedatum tussen 01/01/2009 en 31/12/2009 ligt.
5. Tel het aantal cliënten op en vul dit in (teller).




                                                                                                           48
3.7     Continuïteit van zorg: goede samenwerking en afstemming met ketenpartners

Status
Aanleveren is facultatief.

Exclusie criteria
Deze indicator kan alleen worden aangeleverd door zorgaanbieders die de CQ-index gebruiken.

Beschrijving
Het percentage cliënten dat een goede afstemming tussen de bij de behandeling/begeleiding betrokken
hulpverleners ervaart. Ter specificatie van deze indicator is het wenselijk als de volgende onderwerpen in de
CQ-vragenlijst aan bod komen:
1. Adequate informatieoverdracht tussen behandelaars.
2. Eenduidige behandelafspraken.
De keten is hier gedefinieerd als de situatie waarin één cliënt behandeling/begeleiding ontvangt van
meerdere hulpverleners.

Meetinstrument / informatiebron
 Ambulante zorg behandeling tot 2 jaar: CQ-index ambulante zorg facultatief over 2009, verplicht over
   2010. Over 2009 zijn Thermometer Cliëntwaardering en eigen instrument geaccepteerd.
 Klinische en/of langdurende zorg: Deelnemers aan de pilot van de ontwikkeling van de CQ-index
   langdurende en klinische zorg kunnen over 2009 de pilotresultaten gebruiken voor deze indicator over
   2009. Anderen gebruiken resultaten Thermometer Cliëntwaardering of eigen instrument over 2009.
   Instrumenten over 2010 afhankelijk van ontwikkeling CQ-index.

Uit te splitsen naar diagnosegroepen
Nee.

Waarde
CQ-index: Gewogen score op de schaal “Communicatie behandelaars” geaggregeerd voor alle cliënten.
Vraagnummers worden ingevuld zodra het instrument definitief en operationeel is. Score en weging worden
bepaald door de CQ-index.


De vragenlijst stap voor stap
1. Deze indicator is facultatief, indien u deze indicator nog niet kunt aanleveren over 2009, dan kunt u dit
   aangeven door een vinkje onder in het scherm. Hiermee vervalt deze indicator voor u.
2. Vul in: het totaal aantal cliënten waarvoor de schaalscore berekend is op de schaal ‘communicatie
   behandelaars’
3. Vul in: de gemiddelde schaalscore (Over de wijze waarop de schaalscore uit de CQ-index moet worden
   berekend bent u door het Trimbos instituut geïnformeerd, of u heeft de schaalscore van het Trimbos-
   instituut ontvangen.)




                                                                                                           49
3.8   Dagbesteding en arbeid: cliëntparticipatie aan dag- of werkactiviteiten

Status
Deze indicator bestaat uit twee subindicatoren.
Deel a van deze indicator is facultatief voor verslagjaar 2009 en 2010.

Deel b van deze indicator vanuit het hulpverlenerperspectief wordt nader onderzocht en hoeft voor
verslagjaar 2009 en 2010 niet aangeleverd te worden.

Exclusie criteria
N.v.t.

Beschrijving
Deze indicator bestaat uit twee onderdelen:
a. Cliëntperspectief:
De mate waarin cliënten in de langdurige behandeling of begeleiding hun dagbesteding als zinvol ervaren.

b. Hulpverlenerperspectief:
Nog te ontwikkelen

Meetinstrument / Informatiebron
Deel a: CQ-index langdurende /klinische zorg: Deelnemers aan de pilot van de ontwikkeling van de CQ-
index langdurende en klinische zorg kunnen over 2009 de pilotresultaten gebruiken voor deze indicator over
2009. Instrument over 2010 afhankelijk van ontwikkeling CQ-index.

Uit te splitsen naar diagnosegroepen
Nee.

Teller
De totaalscore van de vragen in de betreffende schaal uit de CQ Index (dag- of werkactiviteiten) van alle
cliënten die deze beantwoord hebben.

Noemer
Het totaal aantal cliënten dat de betreffende vragen beantwoord heeft.

De vragenlijst stap voor stap
1. Deze indicator is facultatief, indien u deze indicator nog niet kunt aanleveren over 2009, dan kunt u dit
   aangeven door een vinkje onder in het scherm. Hiermee vervalt deze indicator voor u.
2. Vul in: het totaal aantal cliënten waarvoor de schaalscore berekend is op de schaal ‘communicatie
   behandelaars’
3. Vul in: de gemiddelde schaalscore (Over de wijze waarop de schaalscore uit de CQ-index moet worden
   berekend bent u door het Trimbos instituut geïnformeerd, of u heeft de schaalscore van het Trimbos-
   instituut ontvangen.)




                                                                                                               50
3.9   Woon- en leefomstandigheden: Cliëntoordeel over woon- en leefomstandigheden in een
      klinische setting of RIBW-instelling

Status
Aanleveren is verplicht.

Exclusie criteria
   - Deze indicator is niet van toepassing op RIAGG’s omdat zij geen verblijf en ook geen klinische
       setting kennen.
   - Deze indicator is ook niet van toepassing op zorgaanbieders die alleen de CQ-index gebruikt
       hebben.
   - Deze indicator is niet van toepassing op kortdurende klinische zorg (< 1 jaar).

Beschrijving
Het percentage cliënten dat langdurige geestelijke gezondheidszorg (> 1 jaar) ontvangt waarbij de
woonvoorziening gerelateerd is aan de zorg (klinische opname, RIBW, BZW) en een positief oordeel geeft
over de woonsituatie- of omstandigheden.

Meetinstrument / Informatiebron
 Klinische en/of langdurende zorg: Deelnemers aan de pilot van de ontwikkeling van de CQ-index
   langdurende en klinische zorg kunnen over 2009 de pilotresultaten gebruiken voor deze indicator over
   2009. Anderen gebruiken resultaten Thermometer Cliëntwaardering of eigen instrument over 2009.
   Instrumenten over 2010 afhankelijk van ontwikkeling CQ-index.
 Eigen meetinstrument of de cliëntthermometer versie Alliantie RIBW : vraag 17: “Bent u tevreden over
   uw woonsituatie/woonomstandigheden?”

De keuze van de informatiebron is voor deze indicator niet van toepassing.

Uit te splitsen naar diagnosegroepen
Nee.

Teller
De totaalscore van de vragen in de betreffende schaal uit de CQ Index (woon- en leefomstandigheden) van
alle cliënten die deze beantwoord hebben.

Aantal cliënten dat vraag 17 (cliëntthermometer) of de corresponderende vraag in het eigen instrument
positief heeft beantwoord.

Noemer
Het totaal aantal cliënten dat de betreffende vragen beantwoord heeft.


De vragenlijst stap voor stap
CQ Index
1. Vul in: het totaal aantal cliënten waarvoor de schaalscore berekend is op de schaal ‘woon- en
    leefomstandigheden’
2. Vul in: de gemiddelde schaalscore (Over de wijze waarop de schaalscore uit de CQ-index moet worden
    berekend bent u door het Trimbos instituut geïnformeerd, of u heeft de schaalscore van het Trimbos-
    instituut ontvangen.)
Cliëntthermometer versie Alliantie RIBW:
3. Selecteer alle cliënten die de cliëntthermometer hebben ingevuld.
4. Tel deze cliënten op en vul het aantal in (noemer).
5. Tel alle cliënten op die een positief antwoord heeft gegeven op vraag 17.
6. Vul dit aantal in (teller).
Eigen meetinstrument:
1. Wanneer u een eigen instrument heeft gebruikt vult u de formulering van de vraagstelling in voor vraag
    17 van de cliëntthermometer in. Dit kunt u doen in het veld ‘formulering van de vraag in uw instrument’.
2. Selecteer alle cliënten die het eigen meetinstrument hebben ingevuld.


                                                                                                          51
3. Vul het totale aantal cliënten in dat de alternatieve vraag beantwoord heeft (noemer).
4. Tel het aantal cliënten op dat de vraag positief heeft beantwoord.
5. Vul dit aantal cliënten in (teller).




                                                                                            52
3.10 Adequate bejegening door de hulpverleners

Status
Aanleveren is verplicht.

Exclusie criteria
Op deze indicator zijn geen exclusie criteria van toepassing.

Beschrijving
Het percentage cliënten dat aangeeft een adequate bejegening door de hulpverleners te ervaren. Hierbij zijn
belangrijke componenten:
1. Het open en naar behoefte communiceren door hulpverleners met de cliënt.
2. Een vaste contactpersoon als aanspreekpunt.
3. Mogelijkheden om verbeterwensen te uiten bij medewerkers, vertrouwenspersoon of
    klachtenfunctionaris.
4. Het op de hoogte houden van de cliënt over verbeterwensen.
5. De mate waarin de hulpverlener zich houdt aan de afspraken gemaakt met de cliënt.

Meetinstrument / Informatiebron
   - CQ-index: schaal “bejegening door de hulpverlener”.
   - Cliëntthermometer: vraag 9: “Toonde (toont) de hulpverlener voldoende respect voor u?” en vraag
       10: “Vond (vindt) u de hulpverlener voldoende geïnteresseerd in u en uw mening?”.
   - Eigen meetinstrument met corresponderende vragen.
De keuze van de informatiebron is voor deze indicator niet van toepassing.

Uit te splitsen naar diagnosegroepen
Nee.

Teller
    - Gewogen score uit de CQ-index op de schaal “bejegening door de hulpverlener, geaggregeerd voor
       alle cliënten.
    - Cliëntthermometer: het totale aantal cliënten dat zowel vraag 9 als vraag 10 positief heeft
       beantwoord. Indien de combinatie van positieve antwoorden niet te berekenen is (geldt voor
       zorgaanbieders die de thermometer hebben uitbesteed en die tabellen met antwoorden per vraag
       krijgen gerapporteerd), dient u uit te gaan van het laagste aantal positieve antwoorden.
    - Eigen instrument: het totale aantal cliënten dat beide corresponderende vragen positief heeft
       beantwoord.

Noemer
   - Het totale aantal cliënten dat zowel vraag 9 als vraag 10 van de cliëntthermometer beantwoord
      heeft.
   - Het totale aantal cliënten dat beide vragen van het eigen instrument beantwoord heeft.

De vragenlijst stap voor stap
CQ-index:
1. Vul in: het totaal aantal cliënten waarvoor de schaalscore berekend is op de schaal ‘bejegening door
    hulpverlener’
2. Vul in: de gemiddelde schaalscore (Over de wijze waarop de schaalscore uit de CQ-index moet worden
    berekend bent u door het Trimbos instituut geïnformeerd, of u heeft de schaalscore van het Trimbos-
    instituut ontvangen.)
Cliëntthermometer:
3. Selecteer alle cliënten die het eigen meetinstrument hebben ingevuld.
4. Selecteer alle cliënten die vragen 9 en 10 beantwoord hebben.
5. Tel deze cliënten op en vul dit in (noemer).
6. Tel het aantal cliënten op dat zowel vraag 9 als 10 positief heeft beantwoord. (Zowel vraag 9 als vraag
    10 moeten positief beantwoord zijn door één cliënt om mee te tellen voor deze indicator).
7. Vul het dit aantal cliënten in (teller).



                                                                                                         53
Eigen meetinstrument:
1. Wanneer u een eigen instrument heeft gebruikt vult u de formulering van de vraagstelling voor vragen 9
    en 10 van de cliëntthermometer in. Dit kunt u doen in het veld ‘formulering van de vraag in uw
    instrument’.
2. Tel het aantal cliënten op dat een antwoord heeft gegeven op beide alternatieve vragen in het eigen
    meetinstrument.
3. Vul deze cliënten in (noemer).
4. Tel het aantal cliënten op dat een positief antwoord heeft gegeven op beide alternatieve vragen in het
    eigen meetinstrument.
5. Vul het dit aantal cliënten in (teller).




                                                                                                       54
3.11 Adequate informatieverstrekking door de hulpverlener

Status
Aanleveren is verplicht.

Exclusie criteria
Op deze indicator zijn geen exclusie criteria van toepassing.

Beschrijving
Het percentage cliënten dat aangeeft een adequate informatieverstrekking door hulpverleners te ervaren.
Hierbij dient er voldoende informatie beschikbaar te zijn over:
1. Behandel- en begeleidingsmogelijkheden
2. Aanpak van behandeling of begeleiding
3. Te verwachten resultaat van de behandeling of begeleiding
4. Rechten en plichten
5. Cliëntenraad

Meetinstrument / Informatiebron
   - CQ-index: de schaal “informatie over de behandeling”.
   - Cliëntthermometer:
       Vraag 1: “Heeft u voldoende informatie gekregen over de behandel- en begeleidingsmogelijkheden
       van de instelling?”.
       Vraag 2: “Heeft u voldoende informatie gekregen over de aanpak van uw behandeling of
       begeleiding?”.
       Vraag 3: “Heeft u voldoende informatie gekregen over het te verwachten resultaat van uw
       behandeling of begeleiding?”.
   - Eigen meetinstrument met corresponderende vragen.

De keuze van de informatiebron is voor deze indicator niet van toepassing.

Uit te splitsen naar diagnosegroepen
Nee.

Teller
    - CQ-index: Gewogen score op de schaal “informatie over de behandeling”, geaggregeerd voor alle
       cliënten.
    - Cliëntthermometer: het totale aantal cliënten dat zowel vraag 1, vraag 2 als vraag 3 positief heeft
       beantwoord. Zowel vraag 1, vraag 2 als vraag 3 moeten positief beantwoord zijn door één cliënt om
       mee te tellen voor deze indicator. Indien de combinatie van positieve antwoorden niet te berekenen
       is (geldt voor zorgaanbieders die de thermometer hebben uitbesteed en die tabellen met antwoorden
       per vraag krijgen gerapporteerd), dient u uit te gaan van het laagste aantal positieve antwoorden.
    - Eigen meetinstrument: het totale aantal cliënten dat de vragen die corresponderen met het eigen
       instrument positief heeft beantwoord.

Noemer
   - Het totale aantal cliënten dat de desbetreffende vragen beantwoord heeft.

De vragenlijst stap voor stap
CQ-index:
1. Vul in: het totaal aantal cliënten waarvoor de schaalscore berekend is op de schaal ‘informatie over de
    behandeling’
2. Vul in: de gemiddelde schaalscore (Over de wijze waarop de schaalscore uit de CQ-index moet worden
    berekend bent u door het Trimbos instituut geïnformeerd, of u heeft de schaalscore van het Trimbos-
    instituut ontvangen.)
Cliëntthermometer:
1. Selecteer alle cliënten die de cliëntthermometer hebben ingevuld


                                                                                                          55
2. Selecteer alle cliënten die vragen 1,2 en 3 beantwoord hebben.
3. Tel deze cliënten op en vul dit in (noemer).
4. Selecteer alle cliënten die zowel vraag 1, 2 als 3 positief hebben beantwoord (zowel vraag 1, vraag 2 als
    vraag 3 moeten positief beantwoord zijn door één cliënt om mee te tellen voor deze indicator).
5. Tel deze cliënten op en vul het totale aantal cliënten in (teller).
Eigen meetinstrument:
1. Wanneer u een eigen instrument heeft gebruikt vult u de formulering van de vraagstelling in voor vragen
    1, 2 en 3 van de cliëntthermometer. Dit kunt u doen in het veld ‘formulering van de vraag in uw
    instrument’.
2. Selecteer alle cliënten die alle drie de alternatieve vragen hebben beantwoord.
3. Vul deze in (noemer).
4. Selecteer alle cliënten die een positief antwoord hebben gegeven op alle drie de alternatieve vragen in
    het eigen meetinstrument.
5. Vul dit aantal cliënten in (teller).




                                                                                                         56
Afsluiting vragenlijst
Afsluiting van de vragenlijst is pas mogelijk wanneer u alle indicatoren ingevuld heeft, of wanneer u heeft
aangegeven de indicator niet aan te kunnen leveren. Bij een juiste invullen van de indicator verschijnt er
links in u scherm een vinkje in plaats van een stip. Wanneer alle indicatoren een vinkje hebben wordt de
knop “Antwoorden zijn definitief”, links in uw scherm, actief. Door hier op te klikken kunt u de vragenlijst
definitief maken en insturen.

De vragenlijst stap voor stap
1. Klik op “Antwoorden zijn definitief” links in u scherm, onder de laatste indicator.
2. Wanneer het scherm Afsluiting niet verschijnt, controleer dan of er een vinkje staat voor alle indicatoren
   in alle drie de domeinen: Effectiviteit van zorg, Veiligheid en Cliëntgerichtheid van de vragenlijst. Pas
   wanneer dit het geval is kunt u de vragenlijst afsluiten.
3. Bevestig of de antwoorden definitief zijn en niet meer gewijzigd zullen worden door “ja” te selecteren en
   voer uw bevestigingscode in.

Hiermee bent u aan het einde van de werkinstructie gekomen. Mocht u vragen, opmerkingen of aanvullingen
hebben, laat dit dan graag weten aan:
Ditta van den Berg, 070 340 7664 dc.vd.berg@igz.nl


De werkinstructie zal, mede naar aanleiding van uw op- en aanmerkingen, regelmatig worden ge-update.




                                                                                                               57

				
DOCUMENT INFO
Shared By:
Categories:
Tags:
Stats:
views:28
posted:3/3/2012
language:Dutch
pages:57