SUBSIDIEWEGWIJZER

Document Sample
SUBSIDIEWEGWIJZER Powered By Docstoc
					 SUBSIDIEWEGWIJZER
VOOR ONDERNEMINGEN
        2005




    Ministerie van de Vlaamse Gemeenschap
            Administratie Economie
                Euro Info Centre
Samenstelling:
Ministerie van de Vlaamse Gemeenschap
Administratie Economie
Afdeling Europa Economie
Euro Info Centre

Verantwoordelijke uitgever:
André Van Haver
Wnd. directeur-generaal

Druk:

Uitgave: juni 2005

Depotnummer: D/2005/3241/059

 2005. Ministerie van de Vlaamse Gemeenschap - Euro Info Centre.
            SUBSIDIEWEGWIJZER
           VOOR ONDERNEMINGEN
                   2005




Ministerie van de Vlaamse Gemeenschap
Administratie Economie
Afdeling Europa Economie
Euro Info Centre
INLEIDING

De nieuwe Subsidiewegwijzer voor ondernemingen biedt u naar jaarlijkse gewoonte een overzicht van de
belangrijkste overheidsstimulansen voor ondernemingen op regionaal, federaal en Europees vlak met bijzondere
aandacht voor de KMO’s. Hierbij wordt gepoogd om de ondernemingen in het Vlaamse Gewest wegwijs te
maken in het labyrint van steunmaatregelen waarvoor zij in aanmerking kunnen komen.
Iedere maatregel wordt kort geschetst met aandacht voor de begunstigden, de geldende criteria en de voordelen.
Tevens vermeldt deze gids telkens het contactadres voor aanvullende inlichtingen. De redactie van deze nieuwe
brochure werd afgesloten op 30 juni 2005.

De dertiende editie van deze gids werd samengesteld door het Euro Info Centre van het ministerie van de
Vlaamse Gemeenschap. Dit informatiecentrum maakt deel uit van een netwerk van 280 Europese centra, dat ook
buiten Europa contacten heeft. Het Euro Info Centre werd in 1990 opgericht op initiatief van de Europese
Commissie. Het heeft als kernopdracht de informatiestroom over Europese aangelegenheden voor KMO’s te
bevorderen, met inbegrip van de maatregelen die op federaal en regionaal niveau worden genomen ter uitvoering
van Europese beslissingen.

De informatie die u in deze brochure terugvindt, kan ook worden geraadpleegd op de website van het Euro Info
Centre: http://www.vlaanderen.be/euroinfocentre.
Geïnteresseerden kunnen voor aanvullende informatie uiteraard steeds terecht bij het Euro Info Centre zelf dat
ook over andere Europese materies inlichtingen verstrekt.
Alle vragen over Europa, Europese wetgeving, Europese programma’s, en dergelijke worden door de
medewerkers snel en efficiënt behandeld.

Over de dienstverlening van het Euro Info Centre bestaat een afzonderlijke brochure die op eenvoudig verzoek
gratis kan worden bekomen bij het ministerie van de Vlaamse Gemeenschap, Euro Info Centre, Markiesstraat 1,
1000 Brussel.

Ik hoop dat de geactualiseerde gids u voldoende inzicht verschaft in het aanbod van steunmaatregelen waarvoor
u als onderneming in aanmerking kan komen.




André Van Haver
Wnd. directeur-generaal
Administratie Economie
INHOUDSTAFEL

DEEL I : STEUN BIJ INVESTERINGEN EN ADVIES

1.     ADVIESCHEQUES, DNACHEQUES, GRATIS OPSTART, DE GROEPREMIE, DE ECOLOGIE-
       PREMIE
       1.1   Adviescheques
       1.2   Dnacheques
       1.3   Gratis opstart
       1.4   De groeipremie
             1.4.1 Groeipremie via oproepsysteem
             1.4.2 Groeipremie voor strategische projecten
       1.5   De Ecologiepremie
2.     INVESTERINGSMAATSCHAPPIJ VOOR VLAANDEREN (GIMV)
       2.1   Groeikapitaal en Buy-in/out
       2.2   Venture Capital
             2.2.1    Life Sciences
             2.2.2    Information en Communication Technology
       2.3   Biotech Fonds Vlaanderen
3.     PARTICIPATIEFONDS
       3.1   Starteo/Optimeo: beroepskredieten verdeeld tussen uw bankier en het Participatiefonds
       3.2   Startlening-solidaire lening: twee microkredieten met professionele begeleiding om de creatie
             van een eigen job te financieren
             3.2.1    Startlening: voor de werkzoekende die zich vestigt als zelfstandige of die een eigen
                      zaak opricht
             3.2.2    Solidaire lening: een eigen economische activiteit creëren zonder startkapitaal
       3.3   Business Angel +: co-financiering met een Business Angel van een innoverend project
4      PARTICIPATIEMAATSCHAPPIJ VLAANDEREN NV (PMV)
5.     SUBSIDIES VOOR DE AANLEG VAN BEDRIJVENTERREINEN- WETENSCHAPSPARKEN-
       BEDRIJFSGEBOUWEN


DEEL II : FISCALE STEUN

1.   INVESTERINGSAFTREK
2.   COORDINATIECENTRA
3.   DISTRIBUTIECENTRA
4.   DIENSTENCENTRA
5.   VRIJSTELLING VOOR BIJKOMEND PERSONEEL VOOR WETENSCHAPPELIJK ONDERZOEK EN
     UITVOER
6.   VRIJSTELLING VOOR BIJKOMEND PERSONEEL MET EEN LAAG LOON


DEEL III : STEUN BIJ AANWERVINGEN

1.     PARAFISCALE MAATREGELEN
       1.1   De vermindering 2004
             1.1.1   De structurele vermindering
             1.1.2   Doelgroepvermindering
                     1.1.2.1 Oudere werknemers
                     1.1.2.2 Nieuwe werkgevers – eerste aanwervingen
                     1.1.2.3 Werkgevers die een collectieve arbeidsduurvermindering of een
                              vierdagenweek instellen
                     1.1.2.4 Langdurig werkzoekenden – algemene categorie
                     1.1.2.5 Langdurig werkzoekenden – de doorstromingsprogramma’s
                     1.1.2.6 Langdurig werkzoekenden – de sociale inschakelingseconomie
                     1.1.2.7 Jonge werknemers
                     1.1.2.8 Herstructurering
       1.2   De specifieke verminderingen
             1.2.1   Werkbonus
            1.2.2   Vermindering van de werknemersbijdrag - herstructurering
            1.2.3   Tegemoetkoming aan de non-profitsector tot bevordering van de werkgelegenheid
            1.2.4   Bevordering van de tewerkstelling in de non-profitsector (sociale maribel)
            1.2.5   Wetenschappelijk onderzoek
2.    FINANCIELE MAATREGELEN
      2.1   Aanmoedigingspremies in de privé-sector
            2.1.1   Opleidingskrediet
            2.1.2   Zorgkrediet
            2.1.3   Steun aan werknemers van ondernemingen in moeilijkheden of in herstructurering
            2.1.4   Suppletieve regeling
      2.2   Tegemoetkoming bij de aanwerving van personen met een handicap
      2.3   Inschakelingspremie


DEEL IV : STEUN BIJ OPLEIDINGEN

1.    VLAAMSE DIENST VOOR ARBEIDSBEMIDDELING EN BEROEPSOPLEIDING (VDAB)
      1.1   Collectieve opleidingen in eigen beheer of in samenwerking met derden
      1.2   Individuele Beroepsopleiding in de onderneming
      1.3   Individuele Beroepsopleiding in een onderwijsinrichting
2.    SECTORALE MAATREGELEN EN INITIATIEVEN
3.    PROJECTEN TER STIMULERING VAN DE EVENREDIGE ARBEIDSDEELNAME EN
      DIVERSITEIT IN ONDERNEMINGEN, INSTELLINGEN EN LOKALE BESTUREN
      (DIVERSITEITSPLANNEN, CLUSTERPLANNEN, INSTAP- EN GROEIPLANNEN)
4.    VLAAMS INSTITUUT VOOR HET ZELFSTANDIG ONDERNEMEN (VIZO)
      4.1   Vorming
            4.1.1    VIZO - Leertijd
            4.1.2    VIZO – Ondernemersopleiding (gecertificeerde opleiding)
            4.1.3    VIZO - Voortgezette vorming (niet-gecertificeerde opleiding)
      4.2   Vormgeving
      4.3   VIZO-Bedrijfsadvies
5.    BEDRIJFSOPLEIDING VOOR PERSONEN MET EEN HANDICAP
6.    PETERSCHAPSPROJECTEN
7.    OPLEIDINGSCHEQUES


DEEL V : STEUN VOOR ONDERZOEK EN ONTWIKKELING

1.    INSTITUUT VOOR DE AANMOEDIGING VAN INNOVATIE DOOR WETENSCHAP EN
      TECHNOLOGIE IN VLAANDEREN (IWT-VLAANDEREN)
      1.1   O&O-projecten van bedrijven - algemeen
      1.2   KMO-programma
      1.3   Eureka
      1.4   Vlaamse Innovatiesamenwerkingsverbanden
      1.5   Onderzoeks- en ontwikkelingsprogramma van de Europese Unie
      1.6   Strategisch Basisonderzoek (SBO)
      1.7   TETRA-Fonds
      1.8   Landbouwkundig onderzoek
2.    VLAAMSE INSTELLING VOOR TECHNOLOGISCH ONDERZOEK (VITO)


DEEL VI : STEUN BIJ EXPORT

1.    EXPORT VLAANDEREN – FLANDERS INVESTMENT AND TRADE (FIT)
      1.1   Financiële tussenkomsten van exportgerichte initiatieven – Kleine en Middelgrote
            Ondernemingen
2.    AGENTSCHAP VOOR DE BUITENLANDSE HANDEL
3.    NATIONALE DELCREDEREDIENST – EXPORTKREDIETVERZEKERING
4.    FINEXPO – COMITE VOOR DE FINANCIELE ONDERSTEUNING VAN DE EXPORT
      4.1   Stabilisering van de rentevoet
      4.2   Intrestbonificaties
      4.3   Intrestbonificatie met aanvullende gift
      4.4   Leningen van staat tot staat
5.    MINISTERIE VAN DE VLAAMSE GEMEENSCHAP - TER BESCHIKKING STELLEN VAN
      VLAAMSE UITRUSTINGSGOEDEREN
6.    JAPAN EN DE EUROPESE UNIE - EXPROM
      6.1   Gateway to Japan
      6.2   Executive Training Programme
      6.3   Ad-hoc programma's


DEEL VII : EUROPESE STEUN

1.    STRUCTUURFONDSEN
      1.1      Europees Fonds voor Regionale Ontwikkeling (EFRO)
               1.1.1    Communautaire iniatieven
                        1.1.1.1 Interreg III
                        1.1.1.2 Urban II
                        1.1.1.3 Interact
      1.2      Europees Sociaal Fonds (ESF)
      1.3      Europees Oriëntatie- en Garantiefonds voor de Landbouw (EOGFL) – Afdeling Garantie en
               Oriëntatie
      1.4      Financieringsinstrument voor de Oriëntatie van de Visserij (FIOV)
2.    EUROPESE INVESTERINGSBANK (EIB)
      2.1      Individuele kredieten
      2.2      Globale kredieten
3.    EUROPEES INVESTERINGSFONDS (EIF)
      3.1      Risicokapitaal
               3.1.1    ETF-startersregeling
               3.1.2    Startkapitaalactie
               3.1.3    EIB & EIF-middelen
      3.2      KMO-Garantiefaciliteit
4.    CENTRUM VOOR DE ONTWIKKELING VAN ONDERNEMINGEN (COO)
      4.1      Samenwerking met de ACS-landen
      4.2      ProInvest: een programma voor de promotie van investeringen in de ACS-landen
5.    OVERIGE INITIATIEVEN TER BEVORDERING VAN INTERNATIONALE SAMENWERKING
      5.1      Al-Invest III
      5.2      Asia-Invest
6.    LIFE III-PROGRAMMA
7.    MEDIA-PLUS
8.    MARCO POLO


DEEL VIII : SAMENWERKING MET CENTRAAL- EN OOST-EUROPA

1.    SAMENWERKINGSPROGRAMMA VLAANDEREN MET CENTRAAL- EN OOST-EUROPA
2.    TACIS-PROGRAMMA
3.    SAPARD
4.    TEMPUS

TREFWOORDEN
SPECIFIEKE STEUNMAATREGELEN VOOR STARTERS



Startende ondernemingen zijn levensnoodzakelijk voor de economie. Aangezien het aantal starters in Vlaanderen
relatief laag is, kunnen zij rekenen op specifieke steunmaatregelen voor wat betreft het verkrijgen van advies, het
verkrijgen van kapitaal en voor de aanwerving van personeel.

Met de ‘Gratis Opstart’ neemt de Vlaamse regering de opstartkosten voor een onderneming voor haar rekening.
Kandidaat-ondernemers kunnen de kosten voor formaliteiten bij de erkende ondernemingsloketten laten betalen
door de Vlaamse overheid. Gemiddeld kosten deze opstartformaliteiten 300 euro. De Gratis Opstart is ook een
volledig elektronische maatregel net zoals de Durf Na Advies (DNA) cheques die starters en ondernemers in
staat stellen professioneel advies in te winnen alvorens een onderneming op te starten. Marktstudies,
ondernemingsplannen en advies van boekhouders, consultants, notarissen of advocaten kan je met de DNA
cheque betalen bij erkende adviesinstanties.

Naast advies hebben starters vooral nood aan kapitaal.

Voor volgende voordelen moet er bij het federale Participatiefonds worden aangeklopt:

-   de Startlening is bestemd voor de werkzoekende die zich vestigt als zelfstandige of die een eigen zaak
    begint;

-   plan jonge zelfstandigen richt zich specifiek naar werkzoekenden jonger dan 30 jaar die nog geen
    zelfstandige activiteit hebben uitgeoefend;

-   de solidaire lening richt zich naar personen die ernstige moeilijkheden ondervinden om startkapitaal te
    vinden tengevolge hun financiële toestand. Samen met de lening wordt een kosteloze begeleiding bij de
    voorbereiding en de indiening van de aanvraag en begeleiding tijdens de eerste twee jaar na opstart
    aangeboden.

-   de Business Angel+ Lening is een achtergestelde lening in aanvulling op de investering van een
    ondernemer en een Business Angel. Deze lening richt zich tot KMO’s die in een strategische
    ontwikkelingsfase financiële begeleiding van een Business Angel (BA) zoeken.

Bovendien kan de starter nog op extra steun rekenen wanneer wordt overgegaan tot de aanwerving van
personeel. De werkgever kan nadat hij een 1ste, 2de of 3de werknemer in dienst neemt, gedurende 20 kwartalen
genieten van deze doelgroepvermindering.

Op korte termijn zijn op Vlaams niveau een aantal nieuwe initiatieven gepland inzake kapitaalverschaffing die
bij de PMV zullen worden ondergebracht: de ARKimedesregeling, de Waarborgregeling, het Vlaams
Innovatiefonds en de Vriendenlening:

-   ARKimedes is een systeem dat op structurele wijze risicokapitaal activeert voor Vlaamse starters en
    KMO’s. Risicokapitaalverschaffers worden via deze regeling de mogelijkheid geboden om boven op elke
    euro eigen middelen die zij investeren in een Vlaamse starter of KMO, een bijkomende euro te investeren
    vanuit een ARKimedes-fonds. Dit fonds zal de nodige middelen ophalen bij het publiek. De Vlaamse
    overheid zal de belegger stimuleren door de combinatie van een fiscale incentive met een minimale
    rendementsgarantie. De ARKimedes-regeling heeft een vernieuwend karakter:
    · voor de eerste keer wordt fiscaliteit geïntegreerd in een Vlaamse maatregel;
    · er is de publiekprivate samenwerking waarbij de overheid flankerend optreedt en dus niet rechtstreeks
        tussenkomt in bedrijven.

-   De nieuwe Waarborgregeling voor kleine en middelgrote ondernemingen streeft ernaar om op een meer
    effectieve en efficiënte wijze tegemoet te komen aan het gebrek aan waarborgen die KMO’s kunnen bieden
    bij het afsluiten van een financieringsovereenkomst met een financiële instelling.
    Door deze aanpassing neemt de administratie voor banken af. Voortaan kan een door de Vlaamse overheid
    erkende bank zelf beslissen of ze de gewaarborgde lening aan de KMO verleent. Wanneer een KMO onder
    het vroegere systeem van een waarborg wou genieten, moest ze het aan een bank vragen. De bank moest op
    haar beurt een aanvraag indienen bij NV Waarborgbeheer, die daarna besliste of ze de waarborg al dan niet
    verleende. In het nieuwe systeem waarborgt de Vlaamse overheid maximum 75% van het totale
    kredietbedrag, de rest is ten laste van de kredietinstelling.
    In het verlengde hiervan werd voor KMO’s die hinder ondervinden van openbare werken ook een
    waarborgregeling uitgewerkt. KMO’s met exploitatiezetel in het Vlaams Gewest die hinder ondervinden van
    openbare werken en als gevolg daarvan een omzetverlies hebben geleden van minstens 30% in vergelijking
    met het gemiddelde van de laatste vier kwartalen, kunnen voor de financiering van bedrijfskapitaal en korte
    termijnschulden beroep doen op de waarborgregeling.

-   Gezien innovatie van cruciaal belang is voor de versterking van de competitiviteit van ondernemingen in
    een zich steeds meer globaliserende economie en gezien de optiek om 1 procent aan publieke middelen te
    besteden aan innovatie in het kader van de Lissabonstrategie, heeft de Vlaamse regering 75 miljoen euro
    vrijgemaakt voor de oprichting van het Vlaams Innovatiefonds (VINNOF).
    Principe van het VINNOF is dat zoveel mogelijk wordt gewerkt via hefboomeffect door partnerschap te
    creëren met enerzijds bestaande private zaaikapitaalfondsen en anderzijds het Instituut voor de
    aanmoediging van Innovatie door Wetenschap en Technologie (IWT). Innovatieve bedrijfsprojecten
    waarvoor noch het kanaal van het zaaikapitaalfonds, noch het kanaal van IWT wordt gekozen, zullen
    rechtstreeks aan het VINNOF kunnen worden voorgesteld. Dit fonds zal toegankelijk zijn voor jonge
    innovatieve ondernemingen (minder dan 3 jaar ingeschreven bij de kruispuntbank voor ondernemingen) met
    exploitatiezetel in Vlaanderen.

-   De Vriendenlening is eveneens een product van de Ondernemingsconferentie, waarbij particulieren die
    rechtstreeks leningen toekennen aan beginnende ondernemers genieten van een fiscaal gunstregime.
    Teneinde de Vlamingen aan te zetten om startende ondernemers te financieren is de Vlaamse overheid
    bereid een gedeelte van het risico mee te dragen. Immers, indien het bedrijf de achtergestelde lening
    uiteindelijk niet kan terugbetalen, krijgt de investeerder 30 procent van de lening terug via een éénmalige
    belastingsvermindering. Bovendien wordt gedurende de looptijd van de lening, die over een periode van 8
    jaar loopt, ook nog een jaarlijkse belastingskorting van 2,5 procent op het verstrekte bedrag toegekend.
Deel I : STEUN BIJ INVESTERINGEN EN ADVIES
1.      ADVIESCHEQUES, DNACHEQUES, GRATIS OPSTART, DE GROEIPREMIE, ECOLOGIE-
        INVESTERINGEN – INVESTERINGSPREMIE



1.1     ADVIESCHEQUES


Inhoud steunmaatregel

Met het systeem van de adviescheques wil de Vlaamse overheid kwaliteitsvol bedrijfsadvies bij kleine en
middelgrote ondernemingen stimuleren. De adviescheque is een subsidiemaatregel die ondernemingen de
mogelijkheid geeft om externe knowhow aan te trekken aan een verminderde prijs. Het nieuwe systeem is
vergelijkbaar met de opleidingscheques: ondernemingen kunnen via een eenvoudige procedure op het internet
adviescheques inkopen wanneer ze er behoefte aan hebben. Adviescheques hebben een waarde van 30 euro.
Daarvan wordt 50% betaald door de onderneming en 50% door de Vlaamse overheid. Een onderneming mag per
kalenderjaar maximaal 820 adviescheques reserveren.

Begunstigden

Kleine en middelgrote ondernemingen, alsook een groot aantal vrije beroepen komen in aanmerking voor de
maatregel. Voorwaarden zijn dat de onderneming geen vzw is, een exploitatiezetel heeft in het Vlaams Gewest
en dat het adviesproject betrekking heeft op een aanvaardbare activiteit. KMO’s en vrije beroepen die beroep
doen op adviescheques, engageren zich om Verordening (EG) nr. 70/2001 van de Commissie van 12 januari
2001 betreffende de toepassing van de artikelen 87 en 88 van het EG-verdrag op staatssteun voor kleine en
middelgrote ondernemingen en eventuele latere wijzigingen van deze verordening na te leven.

Projecten

Uitgesloten werkzaamheden
Overeenkomstig artikel 5 van bovenvermelde verordening kan enkel aan kleine en middelgrote ondernemingen
steun gegeven worden voor bedrijfsadvies. Grote ondernemingen komen niet in aanmerking. De verordening is
niet van toepassing op:
- werkzaamheden die verband houden met de productie, verwerking of verhandeling van de als bijlage 1 bij
     het verdrag opgenomen producten. Hierdoor kan de voedingssector geen aanspraak maken op
     adviescheques;
- steun voor werkzaamheden die verband houden met de uitvoer, waaronder verstaan wordt de steun die direct
     is gerelateerd aan de uitgevoerde hoeveelheden, de oprichting en exploitatie van een distributienet of andere
     lopende uitgaven in verband met werkzaamheden op het gebied van de uitvoer;
- steun die afhangt van het gebruik van binnenlandse in plaats van ingevoerde producten.

Welke kosten mag u met adviescheques betalen ?
U mag deze subsidie enkel gebruiken om een beroep te doen op een erkende adviesinstantie voor:
- bedrijfsadvies;
- haalbaarheidsstudies;
- uitvoerbaarheidstudies;
- begeleiding bij implementatie.

Opgelet
De diensten mogen niet:
- van permanente of periodieke aard zijn;
- tot de gewone bedrijfsuitgaven van de onderneming behoren (bijvoorbeeld routinematig belastingsadvies,
    regelmatige dienstverlening op juridisch vlak of reclame);
- slaan op subsidieadvies.

Technische analyses die geen deel uitmaken van een ruimer adviesproject, komen ook niet in aanmerking.
Diversen

Erkenning adviesinstanties
Met het vernieuwde systeem van erkenningen, komen volgende adviesinstanties in aanmerking voor erkenning
voor het systeem van de Vlaamse adviescheques:

1.   Adviesinstanties die beschikken over een Q*For-, ISO- of een CEDEO-certificaat dat de kwaliteit van de
     dienstverlening inzake advisering garandeert. De duur van de erkenning wordt bepaald door de
     geldigheidsduur van het certificaat en gaat in na de erkenning door de minister.
2.   Adviesinstanties die beschikken over een andere door de overheid uitgereikte erkenning dat de kwaliteit van
     de dienstverlening inzake advisering garandeert. De duur van de erkenning door de Vlaamse overheid
     bepaalt de duur van de erkenning.
3.   Natuurlijke personen die willen optreden als individuele adviseur, dienen een screening te doorlopen en
     positief te worden beoordeeld. Deze erkenning is geldig voor een periode van twee jaar.
4.   De adviesinstanties erkend door het VIZO, blijven erkend voor de resterende duur van de erkenning. Indien
     de adviesinstantie ook na deze periode erkend wil blijven, moet ze een certificaat voorleggen voordat de
     termijn verstreken is.

De erkenningsaanvraag kan enkel worden ingediend door registratie via de website.

Aanvraagprocedure

Het project “Adviescheques” is een e-government maatregel. Reserveren en bestellen van adviescheques kan
enkel via het internet op: http://www.vlaanderen.be/adviescheques.
Vooraleer een onderneming cheques kan reserveren, moet ze zich registreren via haar BTW- of RSZ-nummer.
Indien de onderneming niet BTW- of RSZ-plichtig is, meldt ze zich aan via naam en adres. Haar gegevens
worden opgezocht in de centrale databank. Vervolgens genereert de applicatie een login en een paswoord voor
de onderneming. Die worden per brief opgestuurd naar de maatschappelijke zetel van de onderneming. Voor een
buitenlandse onderneming wordt de brief naar het contactadres in België gestuurd.

Hoe koopt een onderneming adviescheques aan ?
Een onderneming dient zich eerst aan te melden op de website aan de hand van paswoord en login ID. Door het
systeem worden dan enkele controles uitgevoerd om te bepalen of de onderneming in aanmerking komt. Als aan
alle voorwaarden is voldaan, kunnen de cheques worden gereserveerd. De cheques kunnen niet onmiddellijk
worden besteld.

.    Adviescheques reserveren

Een onderneming mag per kalenderjaar maximaal 820 adviescheques reserveren. Dit kan volgens de hieronder
beschreven wijze.
Een onderneming sluit een overeenkomst met een erkende adviesinstantie. Tot uiterlijk veertien dagen na
afsluiten van de overeenkomst kunnen adviescheques worden gereserveerd. Belangrijk is dat het verstrekken van
advies pas van start mag gaan NADAT adviescheques werden gereserveerd. Na verificatie van de voorwaarden
wordt door het systeem een reserveringsnummer toegekend en meegedeeld aan zowel de onderneming als aan de
adviesinstantie. De adviesinstantie dient de reservering binnen 10 dagen na reservering te bevestigen, zo niet
vervalt de reservering. Na akkoord van de adviesinstantie, krijgt de aanvrager hiervan bericht per e-mail. De
reservering is nu definitief en heeft een geldigheidsduur van twaalf maanden vanaf datum van aanvraag van
reservering.

.    Adviescheques bestellen en betalen

Een onderneming kan het aantal gereserveerde cheques in maximaal vier tranches bestellen. Per bestelling
dienen minstens tien cheques te worden aangevraagd binnen de geldigheidsduur van de reservering.
Elke bestelling moet binnen de 14 kalenderdagen op rekening staan van de uitgever, anders vervalt de bestelling.
Binnen 14 kalenderdagen nadat de uitgever de betaling heeft ontvangen, worden de cheques gedrukt. Deze
worden op naam van de onderneming en de adviesinstantie gedrukt met vermelding van reserveringsnummer en
vervaldatum. De adviescheques hebben een geldigheidsduur van 14 maanden vanaf datum van uitgifte voor de
betaling van de facturen in verband met een adviesproject.
 Aanvullende inlichtingen

Voor vragen of problemen kan men contact opnemen met de Vlaamse overheid
- via e-mail: adviescheques@vlaanderen.be
- via de Vlaamse Infolijn op 0800/30201
- via de post:
   Ministerie van de Vlaamse Gemeenschap
   Cel Advies- en opleidingscheques
   Afdeling Economisch Ondersteuningsbeleid
   Markiesstraat 1
   1000 Brussel
1.2       DNACHEQUES


Inhoud steunmaatregel

Dnacheque staat voor durf-na-advies. Deze cheque maakt professioneel advies goedkoop voor personen die de
stap naar ondernemerschap willen wagen. Met de dnacheque kan de prestarter beroep doen op diensten van een
erkende adviesinstantie voor het uitvoeren van onder andere een haalbaarheidsstudie. Dnacheques hebben een
waarde van 30 euro waarvan 75% betaald wordt de Vlaamse overheid en 25% betaald wordt door de prestarter.
Elke prestarter kan maximaal 167 cheques aanvragen per kalenderjaar.

Begunstigden

Elke natuurlijke persoon die geen koopman is of die geen zelfstandig beroep uitoefent en die een onderneming
wil oprichten of overnemen in het Vlaams Gewest.

Erkenning adviesinstantie
Met het vernieuwde systeem van erkenningen, komen volgende adviesinstanties in aanmerking voor erkenning
voor het systeem van de Vlaamse adviescheques:

1.    Adviesinstanties die beschikken over een Q*For-, ISO- of een CEDEO-certificaat dat de kwaliteit van de
      dienstverlening inzake advisering garandeert. De duur van de erkenning wordt bepaald door de
      geldigheidsduur van het certificaat en gaat in na de erkenning door de minister.
2.    Adviesinstanties die beschikken over een andere door de overheid uitgereikte erkenning dat de kwaliteit van
      de dienstverlening inzake advisering garandeert. De duur van de erkenning door de Vlaamse overheid
      bepaalt de duur van de erkenning.
3.    Natuurlijke personen die willen optreden als individuele adviseur, dienen een screening te doorlopen en
      positief te worden beoordeeld. Deze erkenning is geldig voor een periode van twee jaar.
4.    Die adviesinstanties erkend door het VIZO, blijven erkend voor de resterende duur van de erkenning. Indien
      de adviesinstantie ook na deze periode erkend wil blijven, moet ze een certificaat voorleggen voordat de
      termijn verstreken is.
5.    Leden van beroepsorganisaties die beschikken over een deontologische code.

De erkenningsaanvraag kan enkel worden ingediend door registratie via de website.

Aanvraagprocedure

De dnacheque kan enkel via het internet worden aangevraagd: http://www.vlaanderen.be/dnacheques.
Vooraleer de cheques kunnen worden aangevraagd, moet een prestarter zich registreren als natuurlijke persoon.
Na verificatie van de ingevoerde gegevens, worden een login ID en paswoord door de applicatie gegenereerd.

.     Dnacheques reserveren

Een prestarter mag per kalenderjaar maximaal 167 adviescheques reserveren. Dit kan volgens de hieronder
beschreven wijze.
Een prestarter sluit een overeenkomst met een erkende adviesinstantie. Tot uiterlijk veertien dagen na afsluiten
van de overeenkomst kunnen dnacheques worden gereserveerd. Belangrijk is dat het verstrekken van advies pas
van start mag gaan NADAT dnacheques werden gereserveerd De adviesinstantie dient de reservering binnen 10
dagen na reservering te bevestigen, zo niet vervalt de reservering. Na akkoord van de adviesinstantie, wordt een
nummer aan de reservering toegekend en kan de prestarter cheques bestellen. De prestarter wordt op de hoogte
gebracht dat de aangevraagde cheques gereserveerd werden. De reservering is nu definitief en heeft een
geldigheidsduur van twaalf maanden vanaf datum van aanvraag van reservering.

.     Dnacheques bestellen en betalen

Een prestarter kan het aantal gereserveerde cheques in maximaal vier tranches bestellen. Per bestelling dienen
minstens tien cheques te worden aangevraagd binnen de geldigheidsduur van de reservering.
Elke bestelling moet binnen de 14 kalenderdagen op rekening staan van de uitgever, anders vervalt de bestelling.
Binnen 14 kalenderdagen nadat de uitgever de betaling heeft ontvangen, worden de cheques gedrukt. Deze
worden op naam van de prestarter en de adviesinstantie gedrukt met vermelding van reserveringsnummer en
vervaldatum. De dnacheques hebben een geldigheidsduur van 14 maanden vanaf datum van uitgifte voor de
betaling van de facturen in verband met een adviesproject.



 Aanvullende inlichtingen

Alle    formulieren    nodig    voor    registratie   of   erkenning   zijn   terug   te   vinden   op
http://www.vlaanderen.be/adviescheques.

Voor vragen of problemen kan men contact opnemen met de Vlaamse overheid
- via e-mail: dnacheques@vlaanderen.be
- via de Vlaamse Infolijn op 0800/30201
- via de post:
   Ministerie van de Vlaamse Gemeenschap
   Cel Advies- en opleidingscheques
   Afdeling Economisch Ondersteuningsbeleid
   Markiesstraat 1
   1000 Brussel
1.3     GRATIS OPSTART


Inhoud steunmaatregel

Met de gratis opstart wil de Vlaamse overheid kandidaat-ondernemers een financiële stimulans geven: de
Vlaamse regering neemt de opstartkosten van een onderneming voor haar rekening zodat weer een mogelijke
hindernis voor starters uit de weg wordt geruimd. Kandidaat-ondernemers kunnen de administratieve kosten bij
de opstart of overname van een zaak in het Vlaamse Gewest bij de erkende ondernemingsloketten laten betalen
door de Vlaamse overheid tot een maximumbedrag van 300 euro.
De cheques hebben een waarde van 10 euro. Elke starter kan eenmalig maximaal 30 cheques aanvragen. Deze
worden voor 100% betaald door de Vlaamse overheid.

Begunstigden

Elke starter. Dit is een natuurlijke persoon die geen koopman is of geen zelfstandig beroep uitoefent en een
onderneming opricht of overneemt in het Vlaamse Gewest.

Erkenning ondernemingsloket

De ondernemingsloketten die erkend zijn in het kader van de wet van 16 januari 2003 tot oprichting van een
Kruispuntbank van Ondernemingen, tot modernisering van het handelsregister, tot oprichting van erkende
ondernemingsloketten en houden diverse bepalingen, komen in aanmerking voor een erkenning in het kader van
het systeem van de gratis opstart mits zij een deontologische code ondertekenen.

Aanvraagprocedure

De gratis opstart kan enkel via het internet worden aangevraagd: http://www.vlaanderen.be/gratisopstart.

Vooraleer de cheques kunnen worden aangevraagd, moet een starter zich registreren als natuurlijke persoon. Na
verificatie van de ingevoerde gegevens, worden een login ID en paswoord door de applicatie gegenereerd.
Een starter kan het aantal vereiste cheques bestellen voor de betaling van de in aanmerking komende
administratieve kosten, beperkt tot een maximum van 30 cheques. Nadat de starter de cheques heeft besteld,
verstuurt de uitgever de cheques binnen veertien kalenderdagen. Deze kunnen dan door de starter worden
aangewend bij een erkend ondernemingsloket binnen vier maanden vanaf de besteldatum van de cheques.



 Aanvullende inlichtingen

Alle    formulieren    nodig    voor    registratie     of    erkenning     zijn    terug    te    vinden   op
http://www.vlaanderen.be/adviescheques.

Voor vragen of problemen kan men contact opnemen met de Vlaamse overheid
- via e-mail: gratisopstart@vlaanderen.be
- via de Vlaamse Infolijn op 0800/30201
- via de post:
   Ministerie van de Vlaamse Gemeenschap
   Cel Advies- en opleidingscheques
   Afdeling Economisch Ondersteuningsbeleid
   Markiesstraat 1
   1000 Brussel
1.4      GROEIPREMIE


Inhoud steunmaatregel

Om de economische groei in Vlaanderen te stimuleren heeft de Vlaamse overheid de "Groeipremie" in het leven
geroepen. De premie is bedoeld als financiële stimulans voor ondernemingen die in het Vlaamse Gewest
investeringen willen realiseren.

Voor het toekennen van een groeipremie wordt gebruik gemaakt van een oproepsysteem (“call”) waarbij tijdens
een bepaalde periode steunaanvragen kunnen worden ingediend. Deze aanvragen zullen na de indieningperiode
in een wedstrijdformule met elkaar worden vergeleken en aan de bestscorende projecten zal een groeipremie
worden toegekend, tot uitputting van de vooraf vastgestelde budgettaire steunenveloppe.

Investeringsprojecten met een subsidiabel investeringsbedrag van meer dan 8 miljoen euro worden van
strategisch belang voor de Vlaamse economie geacht. Voor deze projecten is het oproepsysteem (“call”) niet van
toepassing, maar wordt de beslissing tot toekenning van de steun genomen door de Vlaamse regering op voorstel
van de Vlaamse minister, bevoegd voor economisch beleid.

Begunstigden

Zowel kleine, middelgrote als grote ondernemingen, alsook vrije beroepen komen in aanmerking voor de
groeipremie. Voorwaarden zijn dat de onderneming:
- geen vzw is;
- investeringen realiseert in het Vlaamse Gewest;
- een aanvaardbare hoofdactiviteit (NACE-code) uitoefent;
- geen overheidsparticipaties heeft van 25% of meer.

De regelgeving is van toepassing op:
- investeringen door kleine en middelgrote ondernemingen in het Vlaamse Gewest;
- investeringen door grote ondernemingen in de regionale steungebieden.


1.4.1    GROEIPREMIE VIA OPROEPSYSTEEM

Afhankelijk van de grootte van de onderneming is er een afzonderlijke call.

Voor de Call-KMO komen in aanmerking:
Kleine ondernemingen: dit zijn ondernemingen die voldoen aan alle volgende criteria:
- minder dan 50 werknemers tewerkstellen;
- een jaaromzet hebben van maximum 7 miljoen euro of een jaarlijks balanstotaal van maximum 5 miljoen
    euro;
- beantwoorden aan het zelfstandigheidcriterium.

Middelgrote ondernemingen: dit zijn ondernemingen die voldoen aan alle volgende criteria:
- minder dan 250 werknemers tewerkstellen;
- een jaaromzet hebben van maximum 40 miljoen euro of een jaarlijks balanstotaal van maximum 27 miljoen
   euro;
- beantwoorden aan het zelfstandigheidcriterium;
- en geen kleine onderneming zijn.

Voor de Call-GO komen in aanmerking:
Grote ondernemingen: dit zijn ondernemingen die noch klein noch middelgroot zijn.
Projecten

Alle beroepsinvesteringen dienstig voor de uitoefening van de activiteit van de onderneming komen in
aanmerking voor steun, voor zover ze toelaatbaar zijn door de Europese Commissie en ze aan volgende
voorwaarden voldoen:
- de uitgaven moeten geboekt worden onder de rubrieken 21 tot 27 van de jaarrekening voor ondernemingen
    die jaarrekeningplichtig zijn; de andere ondernemingen moeten deze uitgaven opnemen in de
    afschrijvingstabel, met uitzondering van de grond (waarop niet wordt afgeschreven);
- de uitgaven moeten afgeschreven worden conform de boekhoudwetgeving en ten minste over een termijn
    van 3 jaar;
- de uitgaven moeten verworven worden tegen marktvoorwaarden van derden waarin de aanvrager geen
    directe of zijdelingse zeggenschap uitoefent (met uitzondering van de zelf geproduceerde investeringen).

    De beroepsinvesteringen worden gerealiseerd door de aanvrager zelf (de exploitatievennootschap) of door
    een patrimoniumvennootschap behorend tot dezelfde groep als de exploitatievennootschap.

De steunvragende ondernemingen worden beoordeeld aan de hand van een aantal beleids- en
bedrijfseconomische criteria.

De mogelijke beleidscriteria zijn:
- de verhouding van het gevraagde steunpercentage ten opzichte van het maximaal toegelaten
    steunpercentage: dit criterium heeft als doel met een minimum aan middelen een maximum aan projecten te
    steunen en bevordert dus de efficiëntie van het instrument (hoe lager deze verhouding ligt hoe hoger de
    score);
- het tewerkstellingscriterium: de vergelijking zal worden gemaakt tussen de tewerkstelling in de
    onderneming drie jaar voor het indienen van het project en de tewerkstelling één jaar voor de
    indieningdatum. Dit criterium heeft tot doel te voorkomen dat kapitaalsintensieve investeringen de
    arbeidsintensieve zouden wegdrukken (hoe groter de gerealiseerde aangroei ten opzichte van de
    aanvangstewerkstelling hoe hoger de score);
- duurzaam ondernemen: de ondernemingen kunnen het bewijs leveren dat zij als duurzaam ondernemer
    erkend zijn (aan de hand van een door de Vlaamse overheid aanvaard certificaat). Dit criterium moet de
    bedrijven ertoe aanzetten de bedrijfsvoering af te stemmen op de principes van het duurzaam ondernemen
    (de ondernemingen die dergelijk certificaat kunnen voorleggen scoren hoger);
- het innovatiecriterium: dit criterium heeft tot doel investeringsprojecten te bevorderen in de mate dat zij zich
    profileren door hun innovatief karakter;
- het criterium van de informatie- en communicatietechnologie (ICT): de ondernemingen die kunnen aantonen
    dat zij beschikken over een eigen website (URL) worden met dit criterium positief beloond;
- de leeftijd van de onderneming: dit criterium wil de starters en jonge ondernemingen een extra stimulans
    geven (hoe jonger de onderneming is hoe hoger de score).

De mogelijke bedrijfseconomische criteria zijn:
- het percentage van de autofinanciering ten opzichte van het bedrag van de investeringen: dit criterium geeft
   aan hoeveel eigen middelen de ondernemer bereid is in het project te investeren en geeft een indicatie over
   het vertrouwen dat de ondernemer in de slaagkansen van zijn project heeft (hoe hoger dit percentage hoe
   beter de score).

De volgende drie criteria peilen naar de economische leefbaarheid van de onderneming: aan de hand van
economische performantie-indicatoren worden de economisch best presterende ondernemingen positief
gediscrimineerd:
- de bruto toegevoegde waarde versus tewerkstelling;
- de cashflowgeneratie voor belastingen versus de totale activa;
- de loonkosten versus bruto toegevoegde waarde.

Steunzones
De Europese Commissie heeft op 20 september 2000 de kaart met "Doelstellingengebieden" in het Vlaamse
Gewest vastgesteld. Deze steunkaart blijft van kracht tot 31 december 2006. Op basis hiervan worden de
Vlaamse gemeenten ingedeeld in ontwikkelingszone A, ontwikkelingszone B en buiten een ontwikkelingszone.
Afhankelijk van elke zone wordt door de Europese Commissie een maximum steunpercentage vastgesteld.
Maximum steunpercentages
Aan kleine ondernemingen kan maximum 15 % steun toegekend worden en aan middelgrote maximum 7,5 %.
De maxima worden voor zowel de kleine als de middelgrote ondernemingen verhoogd tot 24% steun voor
investeringen in ontwikkelingszone A en 31% voor investeringen in ontwikkelingszone B.

Grote ondernemingen die investeringen realiseren in de regionale steungebieden kunnen maximaal 14% steun
genieten in ontwikkelingszone A en maximaal 21% in ontwikkelingszone B.

Het wettelijk kader
Europees kader:
- de EG-verordening nr. 70/2001 van 12 januari 2001 betreffende de toepassing van de artikelen 87 en 88 van
    het EG-verdrag op staatssteun voor kleine en middelgrote ondernemingen;
- de richtsnoeren inzake regionale steunmaatregelen (98/C 74/06);
- de Multisectorale Kaderregeling betreffende regionale steun voor grote investeringsprojecten
    (2002/C70/04).

Vlaams kader:
- het decreet betreffende het economisch ondersteuningsbeleid van 31 januari 2003 (B.S. van 25 maart 2003),
    meer in het bijzonder in artikel 2 dat de Vlaamse regering machtigt steun te verlenen aan projecten die
    passen in het ondersteuningsbeleid met aandacht voor ecologische, sociale en economische aspecten,
    duurzaamheid, innovatie en kennisbevordering;
- meer specifiek wat betreft de investeringssteun voor ondernemingen machtigt hoofdstuk II van geciteerd
    decreet de Vlaamse regering steun te verlenen aan kleine ondernemingen en middelgrote ondernemingen
    voor investeringen in het Vlaamse Gewest en aan de grote ondernemingen enkel voor investeringen in de
    regionale steungebieden;
- de bepalingen van dit decreet worden concreet gestalte gegeven door de besluiten van de Vlaamse regering;
- per call wordt een ministerieel besluit uitgevaardigd dat alle modaliteiten en voorwaarden voor deze
    specifieke call vastlegt.

Aanvraagprocedure

Het project "Groeipremie" is een e-government maatregel. Het aanvragen van een groeipremie voor een
subsidiabel investeringsproject tot en met 8 miljoen euro, kan enkel door het intekenen op een call via het
internet op: http://www.vlaanderen.be/groeipremie.

Vooraleer een onderneming kan intekenen op een call, moet ze zich registreren via haar ondernemingsnummer
(BTW- of KBO-nr.) of RSZ-nummer. Indien de onderneming niet BTW- of RSZ-plichtig is, meldt ze zich aan
via naam en adres. Haar gegevens worden opgezocht in de centrale databank. Vervolgens genereert de applicatie
een login en een paswoord voor de onderneming. Die worden per brief opgestuurd naar de maatschappelijke
zetel van de onderneming. Voor een buitenlandse onderneming wordt de brief naar het contactadres in België
gestuurd.
 Aanvullende inlichtingen

Voor vragen of problemen kan men contact opnemen met de Vlaamse overheid:
- via e-mail: groeipremie@vlaanderen.be
- via de Vlaamse Infolijn op 0800/30201
- via de post:
   Ministerie van de Vlaamse Gemeenschap
   Cel Groeipremie
   Afdeling Economisch Ondersteuningsbeleid
   Markiesstraat 1
   1000 Brussel
1.4.2   GROEIPREMIE VOOR STRATEGISCHE PROJECTEN

Projecten

De materiële en de immateriële investeringen, geboekt op de volgende rubrieken van de jaarrekening, komen in
aanmerking:

21      immateriële vaste activa (*);
22      terreinen en gebouwen;
23      installaties, machines en uitrusting;
24      rollend materieel;
25      vaste activa in leasing of op grond van een soortgelijk recht;
26      andere materiële vaste activa;
27      vaste activa in aanbouw en vooruitbetalingen.

(*) Onder de volgende voorwaarden:
Voor grote ondernemingen mogen de subsidiabele immateriële investeringen maximaal 25% bedragen van de
aanvaarde investeringen in gebouwen en uitrusting. Die voorwaarde geldt niet voor middelgrote ondernemingen.
De subsidiabele immateriële investeringen zijn uitsluitend uitgaven die verband houden met
technologieoverdracht door de verwerving van:
a) octrooien;
b) exploitatielicenties of licenties inzake geoctrooieerde technische knowhow;
c) niet-geoctrooieerde technische knowhow.

De volgende uitgaven komen niet in aanmerking voor subsidies:
a) studies;
b) werkingskosten, bijvoorbeeld de huur van gebouwen; het verbruik van water, gas en elektriciteit;
    onderhoudskosten;
c) de overname van de handelsnaam, klandizie en de goodwill.

De immateriële investeringen:
a) mogen uitsluitend in de onderneming zelf geëxploiteerd worden;
b) worden beschouwd als afschrijfbare activa. De onderneming moet de immateriële investeringen in haar
    jaarrekening boeken onder de activa van de balans. De investeringen mogen niet worden geboekt onder de
    bedrijfskosten;
c) worden van een derde verworven tegen marktvoorwaarden;
d) worden gedurende minstens 5 jaar behouden in de onderneming;
e) worden afgeschreven overeenkomstig de fiscale wetgeving. Versnelde afschrijvingen zijn niet toegestaan.

Alle investeringen kunnen ook uitgevoerd worden door een patrimoniumvennootschap, die behoort tot dezelfde
groep als de aanvragende onderneming. Een patrimoniumvennootschap is een onderneming die onder meer,
maar niet uitsluitend tot doel heeft de activa te beheren die gebruikt worden door de aanvragende onderneming.
Beide vennootschappen behoren tot dezelfde groep in één van volgende gevallen:
a) de patrimoniumvennootschap participeert voor ten minste 25% in de aanvragende vennootschap;
b) de aanvragende vennootschap participeert voor ten minste 25% in de patrimoniumvennootschap;
c) in beide vennootschappen participeren voor ten minste 25% dezelfde natuurlijke of rechtspersonen.

Deze investeringen komen in aanmerking, onverminderd de bijzondere Europese regelgeving betreffende de
verlening van staatssteun in specifieke sectoren.

Voor de rubriek rollend materieel komt voor het goederenvervoer over de weg voor derden enkel getrokken
materieel dat bestemd is voor gecombineerd vervoer in aanmerking.

Maximum steunpercentages
Een ontvankelijke subsidieaanvraag wordt getoetst aan criteria die peilen naar de milieugerichtheid, de
bedrijfseconomische toestand en de sociale verantwoordelijkheid van de onderneming.

Op basis van haar grootte, haar vestigingsplaats en haar score bekomt de onderneming een steunpercentage dat
maximaal 15 % bedraagt voor kleine ondernemingen en 7,5 % voor middelgrote. Deze maxima worden voor
zowel de kleine als de middelgrote ondernemingen verhoogd tot 24 % voor investeringen in ontwikkelingszone
A en 31 % voor investeringen in ontwikkelingszone B. Grote ondernemingen die investeringen realiseren in de
regionale steungebieden kunnen maximaal 14 % steun krijgen in ontwikkelingszone A en maximaal 21 % in
ontwikkelingszone B.

Wettelijk kader
Europees kader:
- de EG-verordening nr. 70/2001 van 12 januari 2001 betreffende de toepassing van de artikelen 87 en 88 van
    het EG-verdrag op staatssteun voor kleine en middelgrote ondernemingen;
- de richtsnoeren inzake regionale steunmaatregelen;
- de Multisectorale Kaderregeling betreffende regionale steun voor grote investeringsprojecten
    (2002/C70/04).

Vlaams kader:
- het decreet van 31.1.2003 betreffende het economisch ondersteuningsbeleid;
- Artikel 21 van het Besluit van de Vlaamse regering tot toekenning van steun aan kleine en middelgrote
    ondernemingen voor investeringen in het Vlaamse Gewest d.d. 10.10.2003;
- Artikel 21 van het Besluit van de Vlaamse regering tot toekenning van steun aan grote ondernemingen voor
    investeringen in de regionale steungebieden d.d. 12.12.2003.

Aanvraagprocedure

De aanvragen moeten worden ingediend via een aanvraagformulier dat beschikbaar is op de website:
http://www2.vlaanderen.be/ned/sites/economie/index.html of www.vlaanderen.be/groeipremie.



 Aanvullende inlichtingen

Voor vragen of problemen kan men contact opnemen met de Vlaamse overheid:
- via e-mail: groeipremie@vlaanderen.be
- via de Vlaamse Infolijn op nummer 0800/30201
- via de post:
   Ministerie van de Vlaamse gemeenschap
   Afdeling Economisch Ondersteuningsbeleid
   Markiesstraat 1
   1000 Brussel
1.5     DE ECOLOGIEPREMIE


Inhoud steunmaatregel

Met de ecologiepremie, een onderdeel van het Actieplan Ondernemen, betaalt de Vlaamse Overheid een gedeelte
van de ecologische investeringen die een onderneming doet.
Deze ecologiepremie, die in het najaar van 2004 van start is gegaan, is de opvolger van de ecologiesteun voor
milieuvriendelijke investeringen.

De digitale aanvraag
Eén van de belangrijkste wijzigingen is het feit dat voortaan een aanvraag elektronisch (via het internet) moet
gebeuren via de webstek: http://www.vlaanderen.be/ecologiepremie.

Wie al een gebruikersnaam en paswoord heeft via de bestaande steunregimes, kan deze eveneens gebruiken voor
de aanvraag van een ecologiepremie. Voor nieuwe klanten, zoekt de webtoepassing de identiteit van de
onderneming op in de referentiedatabank (Graydon) en maakt vervolgens een login en paswoord aan.
Met de gebruikersnaam en het paswoord wordt toegang verkregen tot de beveiligde site en kan een aanvraag
elektronisch worden ingediend en opgevolgd.

Projecten

Limitatieve technologieënlijst
De ecologiepremie wordt gekenmerkt door een lijst van technologieën: de limitatieve technologieënlijst
(afgekort LTL). Op deze lijst staan een 800-tal technologieën die in aanmerking komen voor een ecologiepremie.
De technologieën staan gerangschikt volgens sector (NACE-code). Een ondernemer die een aanvraag wenst te
doen, kan best een technologie uit de lijst kiezen. Er staan 4 soorten technologieën op de lijst:
- milieutechnologieën;
- hernieuwbare energietechnologieën (HE), (waterkracht, windenergie, zonne-energie (zowel foto-voltaïsch
    als thermisch), biomassa, …);
- warmte-kracht-koppelingstechnologieën (WKK);
- energiebesparende technologieën;
- technologieën voor aanpassing aan nieuwe Europese normen.

De volledige LTL is te vinden op http://www.vlaanderen.be/ecologiepremie .

Deze lijst is o.a. opgesteld aan de hand van de BBT-studies (BBT = best beschikbare technieken: voor info zie:
http://www.emis.vito.be) die voor de verschillende sectoren werden uitgevoerd, gelijkaardige regelgevingen in
het buitenland en ervaringsgegevens.

Diversen

Bepaling van het investeringsbedrag voor de steunberekening
De steun wordt niet berekend op het totale investeringsbedrag, maar slechts op een gedeelte van dit bedrag.

Hierbij wordt rekening gehouden met volgende elementen:
- meerkost ten opzichte van een standaardtechnologie;
- gerealiseerde besparingen en opbrengsten;
- milieuperformantie;
- meerkost ten opzichte van een standaardtechnologie;
    In overeenstemming met de Europese regelgeving met betrekking tot steun voor milieu-investeringen
    komen enkel de extra investeringskosten in aanmerking ten opzichte van een klassieke of
    standaardtechnologie. Wanneer de milieuvriendelijke techniek geen extra investeringskosten met zich
    meebrengt komt deze technologie niet in aanmerking voor steun.
- besparingen en opbrengsten;
    In overeenstemming met de Europese regelgeving met betrekking tot steun voor milieu-investeringen
    moeten eveneens de besparingen en opbrengsten van de milieuvriendelijke techniek gedurende de eerste vijf
    jaar in mindering gebracht worden van de meerkost. Deze besparingen kunnen zich situeren op het vlak van
    energie- of grondstoffenbesparing; de opbrengsten kunnen te maken hebben met de verkoop van
    tussenproducten in een recyclageproces, de opbrengsten uit groenestroomcertificaten, …
-     milieuperformantie;
      De milieuperformantie is een factor (tussen 0,6 en 1) die aangeeft in welke mate de investering
      milieuperformant is. Zo is een end-of-pipe techniek minder milieuperformant dan een procesgeïntegreerde
      techniek.

De inrekening van meerkosten, besparingen/opbrengsten en de milieuperformantie gebeurt aan de hand van
standaardberekeningen opgemaakt door de administratie. Het bedrijf moet dus deze berekeningen niet zelf doen.
Deze standaardberekeningen geven als resultaat het percentage van het investeringsbedrag dat in aanmerking
komt voor de steunberekening. Dit percentage wordt voor elke technologie van de lijst afzonderlijk bepaald.

Wat als een technologie niet op de lijst staat?
Voor nieuwe of heel specifieke technologieën die niet op de lijst staan, kan eveneens een dossier elektronisch
ingediend worden. Dan moeten bijkomend (via de klassieke weg) de nodige bewijsstukken worden voorgelegd
waaruit blijkt dat de technologie voldoet aan de principes van BBT. Dit gebeurt o.a. aan de hand van een
kwalitatieve beschrijving van de milieuvoordelen van de nieuwe technologie, de berekening van de extra
investeringskosten en de besparingen/opbrengsten ten opzichte van de standaardtechnologie. Indien de
technologie aanvaard wordt door de administratie wordt deze – na goedkeuring door de minister – op de LTL
bijgevoegd en verloopt de aanvraag verder alsof het een technologie van de LTL betreft.

Investeringen met CO2-emissiereductie verplichting
Voor technologieën met energiebesparing dienen grote ondernemingen eveneens een berekening te geven van de
verwachte CO2-emissiereductie van de nieuwe technologie ten opzichte van de standaardtechnologie.
Dit geldt eveneens voor kleine en middelgrote ondernemingen die een ecologiepremie aanvragen voor een
nieuwe, energiebesparende technologie die niet op de lijst voor komt.

Hoogte van de steun
De steunhoogte wordt berekend op basis van de aard van de technologie, zoals hierboven aangehaald, en de
grootte van de onderneming. Wanneer een CO2-emissiereductie vereist is, is de steun eveneens afhankelijk van
de vooropgestelde reductie. Kleine en middelgrote ondernemingen kunnen (standaard) tot 35% steun krijgen,
grote ondernemingen tot 25%. Deze steun kan met maximaal 5% worden verhoogd indien men één of ander
duurzaamheidscertificaat (milieuzorgsysteem) kan voorleggen.

Om budgettaire redenen wordt echter de steun beperkt tot 1,8 miljoen euro per aanvraag, voor hernieuwbare
energie en warmtekrachtkoppeling – die extra worden gestimuleerd – ligt het plafond echter dubbel zo hoog : 3,6
miljoen euro steun.

Hieronder vindt u een totaal overzicht van de steunpercentages en plafonds.

                                       Kleine en middelgrote                           Grote ondernemingen
                                          ondernemingen
Technologie
                                       %              Max.      plafond               %               Max.       plafond
                                                       %        (mln €)                                %         (mln €)
1.    milieutechnologie               35%                         1,8                25%                           1,8

2.    HE & WKK                        35%                         3,6                25%                           3,6

3.    energiebesparende               35%                         1,8         4% steun per % CO2-     25%          1,8
     tech. op de lijst                                                          emissiereductie

4.    energiebesparende           8% per %            35%         1,8              idem als technologie op de lijst
     tech. niet op de lijst   CO2-emissiereductie

5.    aanpass. EU-norm                10%                         1,8                     geen steun mogelijk
Verhogingen
Milieuchartercertificaat                   +1,5%               1,8 of 3,6                 +1,5%                 1,8 of 3,6
ISO 14001-certificaat                      +3%                 1,8 of 3,6                 +3%                   1,8 of 3,6
EMAS-certificaat                           +5%                 1,8 of 3,6                 +5%                   1,8 of 3,6
Snelle uitbetaling van de steun
Één van de basisprincipes van de nieuwe regelgeving is de snelle uitbetaling van de steun. De steun wordt in
principe uitbetaald in drie schijven. Alle schijven worden ten vroegste uitbetaald 1 maand na beslissing.
- de eerste schijf (30%) na start van de investering (datum eerste factuur);
- de tweede schijf (30%) nadat de helft van de investeringen zijn gerealiseerd;
- de derde schijf (40%) na beëindiging van de investeringen en na controle van de inspectiedienst ter plaatse.

Voor investeringen met een CO2-emissiereductie-engagement wordt de steun in eenmaal uitbetaald na bewijs
van de gerealiseerde emissiereductie. Indien de emissiereductie niet is gehaald komt de steun te vervallen.

Besluit
Met de invoering van de ecologiepremie in het najaar van 2004 wordt de steun voor milieu-investeringen
gevoelig gewijzigd en gebeurt de aanvraag via het internet zoals andere steunmaatregelen.
De nieuwe regelgeving is zodanig opgebouwd dat de steunberekening gebeurt aan de hand van
standaardberekeningen zodat de onderneming onmiddellijk zelf de steun kan berekenen. Hiervoor zijn enkel de
investeringsbedragen van de milieutechnologieën vereist. Ook de uitbetaling van de steun kan zeer snel
aangevraagd worden, namelijk één maand na de beslissing.
Voor energiebesparende investeringen wordt een CO2-emissiereductie-engagement gevraagd dat eveneens de
steunhoogte bepaald. Deze steun wordt slechts uitbetaald wanneer de emissiereductie effectief is gerealiseerd.



 Aanvullende inlichtingen

Voor vragen of problemen kan men contact opnemen met de Vlaamse overheid:

-   via e-mail: ecologiepremie@vlaanderen.be
-   via internet: www.vlaanderen.be/ecologiepremie
-   via de Vlaamse Infolijn op nummer 0800/30201
-   via de post:
    Afdeling Economisch Ondersteuningsbeleid
    Markiesstraat 1
    1000 Brussel
2.      INVESTERINGSMAATSCHAPPIJ VOOR VLAANDEREN (GIMV)



2.1     GROEIKAPITAAL EN BUY-IN/OUT


Inhoud steunmaatregel

Bij GIMV Corporate Investment spitsen wij ons toe op groeikapitaal en buy-out/buy-in financiering
(MBO/MBI). Via groeikapitaal nemen wij minderheidsparticipaties waardoor de aandeelhoudersstructuur van de
onderneming niet fundamenteel wijzigt. Bij MBO/MBI ontstaat daarentegen een nieuwe
aandeelhoudersstructuur waarbij GIMV zelf de meerderheid van de onderneming kan verwerven.

Via groeikapitaal verstrekken wij risicokapitaal aan ondernemingen die in veeleer traditionele sectoren actief
zijn. Naast de kwaliteiten van het management, de track record en de bestaande groeiperspectieven vormen de
innovatiekracht van de onderneming en haar capaciteit om in te spelen op markttendensen en -opportuniteiten
onze voornaamste selectiecriteria. Wij zijn bereid de groei van de onderneming te ondersteunen, onafhankelijk
van het stadium van de levenscyclus waarin ze zich bevindt, van de opstartfase tot de pre-IPO-fase. Daarbij
wordt een minimale investering in één of meerdere fases beoogd van 2,5 miljoen euro.

Begunstigden

De financiering van een management buy-out/buy-in is vooral bedoeld voor middelgrote ondernemingen met een
sterke marktpositie en/of groeimogelijkheden. Ondernemingen in deze doelgroep hebben een omzet van 25 tot
250 miljoen euro, zijn onderdeel van een groot concern of eigendom van privé-personen, en hebben een
uitstekend management.

Projecten

Volgende projecten komen in aanmerking:
- buy-in / buy-out;
- versteviging van de financiële structuur;
- financiële investeringen;
- herschikking aandeelhouderschap;
- participatie in een joint-venture;
- uitbreiding van een onderneming;
- expansieplannen;
- nieuwe evolutie in traditionele sectoren.

Diversen

Vermits GIMV toetreedt tot het kapitaal, worden er in principe door GIMV geen zakelijke zekerheden vereist.
Deze kunnen dan ook eventueel aangewend worden voor andere financieringsbronnen.

GIMV wenst enkel betrokken te worden bij het algemeen beleid van de onderneming. Er is in geen enkel opzicht
inmenging in het dagelijks beleid. In het geval van een buy-in of buy-out is de betrokkenheid van GIMV
uiteraard veel groter.

Bij het vastleggen van de modaliteiten van de financiering waakt GIMV er steeds over de liquiditeitspositie van
de betrokken onderneming niet in gevaar te brengen.

Aanvraagprocedure

De onderneming moet eerst een dossier indienen bij GIMV. Dit dossier moet een duidelijk businessplan
omvatten, waaruit de opzet van, de haalbaarheid en de motivatie voor de geplande projecten blijkt. GIMV beslist
vervolgens of het dossier voor verder onderzoek in aanmerking komt. Het is mogelijk dat de volledige
procedure, van de eerste contactname tot het ter beschikking stellen van de fondsen in een aantal maanden wordt
doorlopen.
 Aanvullende inlichtingen

GIMV - Corporate Investment
Karel Oomsstraat 37
2018 Antwerpen
Tel.: 03/290.21.32
Fax: 03/290.21.05
Website: http://www.gimv.be


Het GIMV - Corporate Investment team bestaat uit de volgende personen: Guy Mampaey (GuyM@gimv.be),
Kris Van Look (KrisVL@gimv.be), Alain Keppens (AlainK@gimv.be), Peter Kloeck (PeterK@gimv.be), Alain
Grillaert (AlainG@gimv.be).
2.2     VENTURE CAPITAL


2.2.1   LIFE SCIENCES


Inhoud steunmaatregel

GIMV Life Sciences richt zich vanuit een langetermijnvisie op innovatieve biotechbedrijven die nieuwe
producten met een grote toegevoegde waarde ontwikkelen voor groeimarkten. Dit is belangrijk omdat de
biotechsector een sterk cyclisch karakter vertoont. Bijgevolg kan de periode tussen investering en potentiële exit
vaak vrij lang, onvoorspelbaar en kapitaalsintensief zijn.

Op gebied van management streven we naar een proactieve hands-by benadering: ons team draagt samen met het
management en de co-investeerders van de betrokken participatie bij tot de waardecreatie binnen het bedrijf. Zo
maximaliseren we samen het rendement op de investering.
Alhoewel de portefeuille van GIMV Life Sciences relatief recent werd opgebouwd, zijn heel wat participaties al
geëvolueerd naar een latere fase, inclusief pre-IPO en beursgenoteerde ondernemingen. De investeringen die
zich momenteel nog in de zaaigeldfase of early stage bevinden, vertegenwoordigen de meest recente
investeringen

Ons team beoogt een gediversifieerde portefeuille. Dit zorgt niet alleen voor meer risicospreiding, wat belangrijk
is in een volatiele sector als biotechnologie, maar ook voor stabielere returns. De participaties bestrijken een
brede waaier van activiteiten met investeringen in bedrijven die actief zijn in onderzoek en ontwikkeling van
nieuwe geneesmiddelen voor het centrale zenuwstelsel, tegen kanker, antivirale middelen, enz. Voorts hebben
we ondernemingen in portefeuille die zich specialiseren in functioneel genoomonderzoek en optimalisatie van
lead-stoffen, agrobiotechnologie, medische instrumenten, weefselgeneratie, celtherapie, structural proteomics, …

Ook geografisch opteren we voor een uitgebalanceerde portefeuille met een ongeveer evenredige verdeling van
het aantal investeringen tussen Europa en de Verenigde Staten.


Begunstigden

Hoewel de focus ligt bij ondernemingen in een vroeg stadium van ontwikkeling, staat een opportunistische
benadering voorop waarbij investeringsdossiers in latere fases en zelfs beursgenoteerde bedrijven (vb. Private
Investments in Public Equity, ook wel PIPE’s genoemd) niet uitgesloten worden. Belangrijkste parameters
hierbij zijn de verhouding tussen de bereikte doelstellingen tegenover waardering en het perspectief op een
aantrekkelijke exit binnen een redelijke termijn.

Projecten

Volgende projecten komen in aanmerking:
- aanbieden van een innovatief product of dienst;
- lancering en ontwikkeling van nieuwe technologieën, prototypes;
- innovatieproject waarbij bepaalde producten, productieprocessen of diensten ontwikkeld of gedemonstreerd
    worden, die een bepaald technologisch risico in zich dragen en waarvan de resultaten vrij snel
    commercialiseerbaar zijn;
- implementatie van innovatieve technologieën;
- starters in toekomstgerichte sectoren;
- nieuwe evolutie in traditionele sectoren.

Diversen

Vermits GIMV toetreedt tot het kapitaal, worden er in principe door GIMV geen zakelijke zekerheden vereist.
Deze kunnen dan ook eventueel aangewend worden voor andere financieringsbronnen.

GIMV wenst enkel betrokken te worden bij het algemeen beleid van de onderneming. Er is in geen enkel opzicht
inmenging in het dagelijks beleid.
Bij het vastleggen van de modaliteiten van de financiering waakt GIMV er steeds over de liquiditeitspositie van
de betrokken onderneming niet in gevaar te brengen.

Aanvraagprocedure

De onderneming moet eerst een dossier indienen bij GIMV. Dit dossier moet een duidelijk businessplan
omvatten, waaruit de opzet van, de haalbaarheid en de motivatie voor de geplande projecten blijkt. GIMV beslist
vervolgens of het dossier voor verder onderzoek in aanmerking komt. Het is mogelijk dat de volledige
procedure, van de eerste contactname tot het ter beschikking stellen van de fondsen in een aantal maanden wordt
doorlopen.



 Aanvullende inlichtingen

GIMV – Life Sciences
Karel Oomsstraat 37
2018 Antwerpen
Tel.: 03/290.21.58
Fax: 03/290.21.05
Website: http://www.gimv.be


Het GIMV - Life Sciences team bestaat uit de volgende personen: Patrick Van Beneden (PatrickVB@gimv.be),
Frank Bulens (FrankB@gimv.be), Jim Van heusden (JimVH@gimv.be).
2.2.2   INFORMATION & COMMUNICATION TECHNOLOGY


Inhoud steunmaatregel

Het is onze missie om de bevoorrechte Europese investeerder te zijn in jonge technologiebedrijven met
internationale ambities die het potentieel hebben om uit te groeien tot een toonaangevend bedrijf in hun domein.

Naast het feit dat we een sterke financiële partner zijn, onderscheiden wij ons voornamelijk door het creëren van
toegevoegde waarde. Deze steunt op meer dan 20 jaar ervaring in de sector, een gedreven en ervaren team, een
gerichte investeringsstrategie en ons netwerk van internationale partners.

Wij streven ernaar om de bevoorrechte partner te zijn voor alle ondernemers die een innovatief en
technologiegedreven bedrijf wensen uit te bouwen in een markt met aanzienlijk groeipotentieel.

De beoogde investeringen hebben een initiële omvang van 1 tot 5 miljoen euro en over de hele levenscylcus van
het bedrijf beschouwd, verwachten we een totale investering van 7 tot 10 miljoen euro.

We trachten een lange-termijn partnership op te bouwen waar we als lead-investeerder een hands-with
benadering hanteren. We hechten er veel belang aan actief betrokken te worden bij onze portfoliobedrijven.
Daarbij willen we niet alleen een klankbord zijn voor nieuwe ideeën, maar willen we tevens rechtstreeks
bijdragen tot het uitbouwen van strategische contacten, helpen bij moeilijke managementbeslissingen en de
onderneming begeleiden doorheen het groeiproces en de verschillende financieringsrondes.

Ons investeringsproces vereist dat ons ganse team een nieuwe investering goedkeurt. U kunt er dus steeds vanuit
gaan dat niet één persoon maar een heel team achter het bedrijf staat. Of u dus nieuwe ideeën wil bespreken,
nieuwe mensen wil aannemen of begeleiding wenst bij een strategische beslissing, u kan steeds rekenen op de
zeer uitgebreide capaciteiten van ons hele team.

Onze gerichte investeringsaanpak laat ons ook toe om terug te kunnen vallen op een uitgebreid netwerk van
gevestigde industriële contacten die zeker kunnen bijdragen tot de groei van uw bedrijf. Een deel van deze
sleutelfiguren maakt deel uit van onze Adviesraad of treden op als Venture Partner.

Begunstigden

We richten ons voornamelijk op jonge bedrijven die actief zijn in markten waar wij een degelijke kennis en een
sterk uitgebouwd netwerk hebben, zoals financial software & services, broadband and wireless en design &
engineering.

Projecten

Volgende projecten komen in aanmerking:
- aanbieden van een innovatief product of dienst;
- lancering en ontwikkeling van nieuwe technologieën, prototypes;
- innovatieproject waarbij bepaalde producten, productieprocessen of diensten ontwikkeld of gedemonstreerd
    worden, die een bepaald technologisch risico in zich dragen en waarvan de resultaten vrij snel
    commercialiseerbaar zijn;
- implementatie van innovatieve technologieën;
- starters in toekomstgerichte sectoren;
- nieuwe evolutie in traditionele sectoren.

Diversen

Vermits GIMV toetreedt tot het kapitaal, worden er in principe door GIMV geen zakelijke zekerheden vereist.
Deze kunnen dan ook eventueel aangewend worden voor andere financieringsbronnen.

GIMV wenst enkel betrokken te worden bij het algemeen beleid van de onderneming. Er is in geen enkel opzicht
inmenging in het dagelijks beleid.
Bij het vastleggen van de modaliteiten van de financiering waakt GIMV er steeds over de liquiditeitspositie van
de betrokken onderneming niet in gevaar te brengen.

Aanvraagprocedure

De onderneming moet eerst een dossier indienen bij GIMV. Dit dossier moet een duidelijk businessplan
omvatten, waaruit de opzet van, de haalbaarheid en de motivatie voor de geplande projecten blijkt. GIMV beslist
vervolgens of het dossier voor verder onderzoek in aanmerking komt. Het is mogelijk dat de volledige
procedure, van de eerste contactname tot het ter beschikking stellen van de fondsen in een aantal maanden wordt
doorlopen.



 Aanvullende inlichtingen

GIMV – ICT
Karel Oomsstraat 37
2018 Antwerpen
Tel.: 03/290.21.55
Fax: 03/290.21.05
Website: http://www.gimv.be


Het GIMV - ICT team bestaat uit de volgende personen: Alex Brabers (AlexB@gimv.be), Bart Diels
(BartD@gimv.be), Eline Talboom (ElineT@gimv.be), Steven Coppens (StevenC@gimv.be), Rudi Severijns
(RudiSe@gimv.be), Elderd Land (ElderdL@gimv.be).
2.3     BIOTECH FONDS VLAANDEREN


Inhoud steunmaatregel

Het Biotech Fonds Vlaanderen is opgericht door de Investeringsmaatschappij voor Vlaanderen (GIMV). GIMV
bevordert als verstrekker van risicodragend kapitaal de oprichting en groei van bedrijven.

Het Biotech Fonds Vlaanderen wil de biotechnologie stimuleren door het verschaffen van risicokapitaal aan de
betrokken ondernemingen. Het Fonds profileert zich als een financiële partner die minderheidsparticipaties
neemt, rechtstreeks of onrechtstreeks in syndicaat met andere verschaffers van risicokapitaal.

Begunstigden

Het Biotech Fonds Vlaanderen richt zich naar bestaande en startende middelgrote en grote biotechbedrijven die
gevestigd zijn of zich komen vestigen in het Vlaamse Gewest.

Projecten

Volgende projecten komen in aanmerking:
- oprichten van een nieuw biotechbedrijf in Vlaanderen;
- ontwikkeling biotechnologische producten door bestaande Vlaamse biotechbedrijven;
- aantrekken van buitenlandse biotechnologische bedrijven die activiteiten in Vlaanderen wensen te
    ontplooien, onder andere voor de Europese markt;
- ...

Diversen

Het Biotech Fonds Vlaanderen fungeert steeds als tijdelijke partner en heeft de intentie, na verloop van een aan
de sector aangepaste termijn, uit te treden via een beursintroductie, een verkoop aan derden, enzovoort.

Aanvraagprocedure

De onderneming moet een businessplan indienen bij GIMV, waaruit de opzet van en de motivatie voor de
geplande projecten blijkt. GIMV beslist dan of het dossier voor verder onderzoek in aanmerking komt. Het is
mogelijk dat de hele procedure, van tekenen tot het ter beschikking stellen van de fondsen, in 2 maanden
doorlopen wordt.



 Aanvullende inlichtingen

GIMV
Patrick Van Beneden
Karel Oomsstraat 37
2018 Antwerpen
Tel.: 03/290.21.00
Fax: 03/290.21.05
E-mail: PatrickVB@gimv.be
Website: http://www.gimv.be
3.      PARTICIPATIEFONDS


3.1     STARTEO/OPTIMEO : BEROEPSKREDIETEN VERDEELD TUSSEN UW BANKIER EN HET
        PARTICIPATIEFONDS


Inhoud steunmaatregel
Starteo/Optimeo zijn aanvullende achtergestelde leningen bij een bankkrediet. Zij bieden een antwoord op de
financieringsproblemen van de KMO’s/KO’s door de bank toe te laten een krediet toe te kennen waarbij de
gevraagde waarborgen kunnen beperkt worden. Zij maken dus de toegang van de ondernemer tot het bankkrediet
gemakkelijker.

Starteo voor zelfstandigen, zaakvoerders of bestuurders van ondernemingen die hun activiteiten in
hoofdberoep sinds minder dan 4 jaar uitoefenen.

Optimeo voor bestaanden ondernemingen, eenmanszaken of rechtspersonen die de uitbreiding van hun
activiteiten wensen te financieren.

Starteo en Optimeo zijn bestemd voor alle investeringen van zelfstandige ondernemers, vrije beroepen en
KMO’s.

Begunstigden

Deze leningen zijn bedoeld voor zowel natuurlijke als rechtspersonen voor zover zij beantwoorden aan het
KMO-criterium.

Projecten
Deze lening is bedoeld voor de financiering van materiële, immateriële en financiële investeringen (bijvoorbeeld
het verwerven van een meerderheid van de aandelen), of ook de financiering van de behoefte aan bedrijfskapitaal
die gepaard gaat met de start van de activiteit of de realisatie van het betrokken investeringsproject.

Voor de investeringen in onroerende goederen komt het Fonds enkel tussen voor het beroepsgedeelte van het
goed dat is bepaald via een expertise. Bovendien wordt er enkel rekening gehouden met de
vastgoedbestemmingen voor beroeps- en persoonlijke ingebruikneming. Het Fonds komt niet tussen voor
vastgoed dat (gedeeltelijk) beroepsmatig zal worden verhuurd.

Starteo/Optimeo kunnen eveneens de overname van een activiteit financieren, zowel natuurlijke als
rechtspersonen voor zover zij, inclusief de over te nemen of de overgenomen onderneming, als KMO kunnen
beschouwd worden.

De lening dient bestemd te zijn voor de financiering die gepaard gaat met de overdracht van een onderneming.
Met dit laatste wordt bedoeld de overdracht onder bezwarende titel van een KMO of zelfstandige activiteit
uitgebaat door een natuurlijke of een rechtspersoon.

Omvat de overdracht een activiteit uitgeoefend door één of meerdere natuurlijke personen, dan dient het geheel
van de handelszaak te worden overgenomen, of dient per overdrager het geheel van zijn aandeel in de
handelszaak te worden overgenomen, waarbij de overnemer uiteindelijk de meerderheid bekomt.

Betreft de overdracht een rechtspersoon, dan dient het geheel van de handelszaak of de meerderheid van de
aandelen te worden overgenomen. Bij de overname van de meerderheid van de aandelen dient de overnemer
bovendien het dagelijkse beheer uit te oefenen met uitsluiting van de overdragers.

Diversen

Voordelige financiële voordelen
Starteo en Optimeo verlichten de financiële lasten van het krediet dankzij de voordelige voorwaarden en de
afwezigheid van dossierkosten.
Maximumbedrag
Het maximumbedrag van de lening van het Participatiefonds is gelijk aan het kleinste van de volgende bedragen:
- het bedrag van de lening die de bank zelf verstrekt;
- 3 maal de eigen inbreng (Optimeo);
- 4 maal de eigen inbreng (Starteo);
- € 250.000.

Evenwel kan voor de overnames van ondernemingen via de aankoop van aandelen dit laatste plafond € 350.000
worden, beperkt tot:
- het bedrag van de lening die de bank toekent;
- 35% van de beroepsinvestering indien het bedrag van tussenkomst van het Participatiefonds € 250.000
    overschrijdt.

De eigen inbreng van de aanvrager moet minstens 10% van de globale investering bedragen.

Het minimumbedrag van de tussenkomst van het Participatiefonds bedraagt € 7.500.

Looptijd
De looptijd van de lening is 5, 7 of 10 jaar en hangt af van de aard van te financieren investering. De looptijd van
het begeleidende bankkrediet zal in geen geval korter zijn dan de looptijd van het krediet van het
Participatiefonds min twee jaar. Zo zou bijvoorbeeld een lening van 7 jaar bij het Participatiefonds kunnen
worden gecombineerd met een banklening terugbetaalbaar op 6 of 5 jaar

Intrestvoet = intrestvoet van de bank -1,25%
De rentevoet van het Participatiefonds is gelijk aan de rentevoet toegepast door de bank min 1,25%, met een
minimumrentevoet die gelijk is aan de Belgium Prime Rate. Deze herziening wordt wekelijks bepaald.

De rentevoet wordt vanaf de kredietopening toegepast. Deze rentevoet is vast voor de hele looptijd van de
lening.

Een verlaging van de rentevoet wordt toegestaan voor de eerste twee jaar. Deze verlaagde rentevoet bedraagt
momenteel 3%. Na deze periode is de rentevoet vastgelegd bij de kredietopening van toepassing.

Terugbetaling
Twee aflossingsmethodes zijn mogelijk :
- maandelijkse of driemaandelijkse variabele aflossingen (constant kapitaal/degressieve intresten);
- maandelijkse constante aflossingen (progressief kapitaal/degressieve intresten).

Bovendien kan op vraag van de ondernemer eveneens een vrijstelling in kapitaalsaflossing gedurende 1 of 2 jaar
worden toegestaan.

Soepele waarborgpolitiek
Het Participatiefonds stelt zich soepel op inzake het vragen van waarborgen.

Wel wordt een akte van loonsafstand gevraagd indien de aanvragers natuurlijke personen zijn of, in geval van
rechtspersonen, indien een borgstelling wordt gevraagd of indien fysieke personen medekredietnemers zijn.
Voorbeelden van andere waarborgen die kunnen gevraagd worden zijn: een hypothecair mandaat (in geval van
een investering in onroerende goederen), een eventueel beperkte borgstelling van de vennoten. Blokkering en
achterstelling van voorschotten van vennoten zijn gebruikelijk.

Achtergesteld
De achterstelling komt er in de praktijk op neer dat de lening van het Participatiefonds wordt gelijkgesteld met
eigen vermogen. De achterstelling vermindert namelijk het risico voor de andere kredietverleners, waardoor het
gewone bankkrediet gemakkelijker kan worden verkregen.
Op juridisch vlak kan de achterstelling als volgt worden omschreven: de achterstelling bestaat erin dat het
Participatiefonds verzaakt aan de gelijkheid van behandeling ten aanzien van andere schuldeisers. Dit houdt in
dat bij samenloop en dus als meerdere schuldeisers gelijktijdig hun aanspraken laten gelden, het
Participatiefonds aanvaardt dat de andere schuldeisers eerst worden terugbetaald. Dit geldt echter niet voor de
zaakvoerders van de onderneming, de vennoten of bestuurders van de vereniging of vennootschap, de niet-
institutionele schuldeisers die geen vordering hebben waarvan de datum vaststaat, met uitzondering van de
leveranciers waarvan het bewijs van vordering de regels van het handelsrecht volgt.

Gemakkelijk bereikbaar
Starteo/Optimeo zijn zeer toegankelijk aangezien de ondernemer zich tot zijn bankier richt, die de aanvraag voor
hem bij het Participatiefonds indient.
Het Participatiefonds heeft een samenwerkingsovereenkomst gesloten met alle financiële instellingen die actief
zijn op het vlak van beroepskredieten.



 Aanvullende inlichtingen

Participatiefonds
de Lignestraat 1
1000 Brussel
Tel.: 02/210.87.87
Fax: 02/210.87.79
E-mail: info@fonds.org
Website: http://www.fonds.org
3.2      STARTLENING – SOLIDAIRE LENING: TWEE MICROKREDIETEN MET PROFESSIONELE
         BEGELEIDING OM DE CREATIE VAN EEN EIGEN JOB TE FINANCIEREN


Inhoud steunmaatregel

De microkredieten van het Participatiefonds zijn bedoeld voor werkzoekenden en personen in een moeilijke
financiële situatie die zich wensen te vestigen als zelfstandige. De Startlening en de solidaire lening bieden een
antwoord op hun financieringsbehoeftes, wat ze door de band genomen niet vinden bij de klassieke spelers.



3.2.1    STARTLENING: VOOR DE WERKZOEKENDE DIE ZICH VESTIGT ALS ZELFSTANDIGE OF
         DIE EEN EIGEN ZAAK OPRICHT


Begunstigden

Deze lening richt zich op de uitkeringsgerechtigde volledige werklozen, de niet-werkende werkzoekende
ingeschreven sinds ten minste 3 maanden, en de begunstigde van een wachtuitkering of een leefloon, die zich als
zelfstandige in hoofdberoep wil vestigen of een onderneming wil oprichten.
Indien dit gepaard gaat met de oprichting van een vennootschap moet de aanvrager over de meerderheid van de
aandelen beschikken en het dagelijkse beheer waarnemen.

Zo komen bijvoorbeeld in aanmerking:
- zelfstandige worden en alleen werken;
- zelfstandige worden en met andere partners, al dan niet werkzoekenden, een onderneming of een feitelijke
    vereniging oprichten waarin hij/zij werkend vennoot wordt;
- zelfstandige en werkend vennoot worden van een bestaande feitelijke vereniging of vennootschap.

De startlening kan enkel worden toegekend aan natuurlijke personen.

Projecten

De lening is bestemd voor de financiering van materiële, immateriële en financiële (bijvoorbeeld de verwerving
van een meerderheid van de aandelen) investeringen, evenals desgevallend voor de financiering van de behoefte
aan bedrijfskapitaal die gepaard gaat met de start van de activiteit.

Diversen

Maximumbedrag
Het maximumbedrag van de lening is gelijk aan het kleinste van volgende bedragen:
- maal de inbreng in geld, hetzij via een eigen inbreng, hetzij via een aanvullende lening;
- € 30.000.

In principe worden er geen minimumbedragen gesteld, doch er wordt vanuit gegaan dat aanvragen van minder
dan € 5.000 best op een andere manier worden gefinancierd.

Looptijd
De looptijd van de lening is 5, 7 of 10 jaar afhankelijk van de aard van het project.

Intrestvoet
De intrestvoet is vast en bedraagt 4%.
De rentevoet wordt de eerste 2 jaren echter tot 3% teruggebracht indien de begunstigde effectief de begeleiding
volgt die hem gratis wordt aangeboden in een van de erkende steunpunten.

Ondersteuning
Het Participatiefonds draagt eveneens bij tot de ondersteuning van de werkzoekende aan wie een lening werd
toegekend. Daarom heeft het Participatiefonds een samenwerkingsovereenkomst afgesloten met diverse
instellingen gespecialiseerd in de ondersteuning van starters. Enerzijds helpen zij de aanvrager bij de realisatie
van zijn kredietaanvraag. Anderzijds, zodra de begunstigde het akkoord van het Participatiefonds heeft, kan hij
de eerste 18 maanden van de zelfstandige activiteit een ondersteuning volgen. Het steunpunt helpt hem in het
bijzonder bij de start van zijn zelfstandige activiteit.

Terugbetaling
Er is een vrijstelling van kapitaalsaflossing. Deze vrijstelling loopt 1 tot 3 jaar volgens de aard van het project.
Enkel de intresten berekend op het opgenomen bedrag worden terugbetaald. Na afloop van de
vrijstellingsperiode wordt het kapitaal terugbetaald door middel van constante maandelijkse aflossingen.


Waarborgen
Geen enkele waarborg wordt gevraagd.

Wat bij stopzetting van de activiteit ?
Indien de stopzetting binnen de eerste 5 jaar van de activiteit valt en ze gebeurt los van de wil van de betrokkene,
dan kan het Participatiefonds ze als onvrijwillig beschouwen en wordt er geen verdere terugbetaling gevraagd.
De betrokkene dient wel ter zake het bewijs te leveren en dit uiterlijk binnen drie maanden na de stopzetting.

De gevallen waarbij kwijtschelding gebeurt, werden uitdrukkelijk bepaald in een ministerieel besluit: bij
faillissement, concordaat met boedelafstand en overlijden; ook bij overmacht of gebrek aan levensvatbaarheid
van de opgezette activiteit, gemeten over een significante periode en los van de wil van de betrokkene.

Indien de stopzetting voor om het even welke reden gebeurt binnen de 9 jaar volgend op de start van de
activiteit, blijft het recht op werkloosheidsuitkering behouden.

Cumulatie
De "startlening" kan gecumuleerd worden met een Starteo. In het geval van bovenvermelde lening dient de
aanvrager wel te voldoen aan de gebruikelijke voorwaarden. Bovendien mag het bedrag van de twee leningen
samen niet hoger liggen dan het maximumbedrag van de Starteo.


PLAN JONGE ZELFSTANDIGEN

Werkzoekenden jonger dan 30 jaar die nog geen zelfstandige activiteit hebben uitgeoefend, kunnen een beroep
doen op het plan "Jonge zelfstandigen".

-   De geïnteresseerde van wie het project werd goedgekeurd, wordt gedurende 3 tot 6 maanden gratis
    bijgestaan om zijn project voor te bereiden. Hij krijgt advies over zijn activiteit, de administratieve stappen
    en de wenselijkheid van bijkomende vorming.

-   Indien de geïnteresseerde zonder inkomen is, ontvangt hij een maandelijkse onkostenvergoeding van € 375
    tijdens de voorbereidingsfase.

-   Na afloop van de voorbereidingsfase kan hij een aanvraag voor een startlening indienen.

-   De jonge starter kan eveneens een lening van € 2.250 bekomen om gedurende de eerste maanden van zijn
    activiteit wat meer ruimte te scheppen voor zijn levensonderhoud. Dit speciale deel van de startlening is
    renteloos en dient pas vanaf het 6de jaar terugbetaald te worden.

-   Na de toekenning van de startlening blijft hetzelfde steunpunt hem gedurende 18 maanden bijstaan met raad
    en advies.

Achtergesteld
De achterstelling komt er in de praktijk op neer dat de lening van het Participatiefonds wordt gelijkgesteld met
eigen vermogen. De achterstelling vermindert immers het risico voor andere kredietverleners. Het gewone
bankkrediet kan bijgevolg gemakkelijker bekomen worden.

Op juridisch vlak kan de achterstelling van de lening als volgt worden omschreven: de achterstelling bestaat erin
dat het Participatiefonds verzaakt aan de gelijkheid van behandeling ten aanzien van andere schuldeisers. Dit
houdt in dat bij samenloop en dus als meerdere schuldeisers gelijktijdig hun aanspraken laten gelden, het
Participatiefonds aanvaardt dat de andere schuldeisers eerst worden terugbetaald. Dit geldt evenwel niet voor de
zaakvoerders van de onderneming, de vennoten of bestuurders van de vereniging of vennootschap, de niet-
institutionele schuldeisers die geen vordering hebben waarvan de datum vaststaat met uitzondering van de
leveranciers waarvan het bewijs van vordering de regels van het handelsrecht volgt.
3.2.2   SOLIDAIRE LENING: EEN EIGEN ECONOMISCHE ACTIVITEIT CREËREN ZONDER
        STARTKAPITAAL


Begunstigden

De solidaire lening richt zich op personen die een eigen economische activiteit willen ontplooien, maar die
moeilijkheden ondervinden om startkapitaal te verzamelen wegens hun persoonlijke financiële toestand en die
geen toegang hebben tot een bankkrediet. Concreet bijvoorbeeld mensen die de sociale steun van het OCMW,
een bestaansminimum of werkloosheidsvergoeding ontvangen zonder andere inkomsten in het gezin. De
asielzoekers die voor het uitoefenen van een zelfstandige activiteit administratief in orde zijn, mogen ook een
aanvraag voor een solidaire lening indienen.
De begunstigde van een solidaire lening dient zich als zelfstandige in hoofdberoep te vestigen of een
onderneming op te richten.

Indien dit gepaard gaat met de oprichting van een vennootschap, moet de aanvrager hierin over de meerderheid
van de aandelen beschikken en het dagelijkse beheer waarnemen.

Zo komen bijvoorbeeld in aanmerking:
- zelfstandige worden en alleen werken;
- zelfstandige worden en met andere partners, al dan niet werkzoekenden, een vennootschap of feitelijke
    vereniging oprichten, waarin hij/zij werkend vennoot wordt;
- zelfstandige en werkend vennoot worden van een bestaande feitelijke vereniging of vennootschap.

De solidaire lening kan enkel toegekend worden aan natuurlijke personen.

Projecten

De lening is bestemd voor de financiering van materiële, immateriële en financiële investeringen (bijvoorbeeld
de verwerving van de meerderheid van de aandelen) evenals voor de financiering van de behoefte aan
bedrijfskapitaal die gepaard gaat met de start van de activiteit of de realisatie van het desbetreffende
investeringsproject.

Diversen

Maximumbedrag
Het maximumbedrag van de lening is € 12.000.

Looptijd
De looptijd van de lening bedraagt 4 jaar.

Rentevoet
De rentevoet is vast en bedraagt 3%.

Terugbetaling
De terugbetaling van de solidaire lening gebeurt door middel van maandelijkse stortingen.
Na 3 maanden vrijstelling van aflossing, wordt het kapitaal via 45 gelijke maandelijkse schijven terugbetaald.
De intresten worden berekend op het schuldsaldo en zijn degressief, en dienen maandelijks te worden
terugbetaald.

Waarborgen
Geen enkele waarborg is vereist. Evenwel zal een ondersteuning van de omgeving, eventueel in de vorm van een
borgstelling of een “peterschap”, beschouwd worden als een positief beoordelingselement voor het project.

Begeleiding
Een dubbele begeleiding is voorzien:
- enerzijds voor het voorbereiden van de aanvraag, waarbij de aanvrager een beroep kan doen op een
    begeleidingsstructuur;
-   anderzijds, zodra het krediet is toegekend, voor het vervullen van de formaliteiten bij de start van de
    zelfstandige activiteit, het beheer in het algemeen van de onderneming en de praktische modaliteiten van de
    solidaire lening.

Achtergesteld
De achterstelling komt er in de praktijk op neer dat de lening van het Participatiefonds wordt gelijkgesteld met
eigen vermogen. De achterstelling vermindert immers het risico voor andere kredietverleners. Het gewone
bankkrediet kan bijgevolg gemakkelijker bekomen worden.

Op juridisch vlak kan de achterstelling van de lening als volgt worden omschreven: de achterstelling bestaat erin
dat het Participatiefonds verzaakt aan de gelijkheid van behandeling ten aanzien van andere schuldeisers. Dit
houdt in dat bij samenloop en dus als meerdere schuldeisers gelijktijdig hun aanspraken laten gelden, het
Participatiefonds aanvaardt dat de andere schuldeisers eerst worden terugbetaald. Dit geldt evenwel niet voor de
zaakvoerders van de onderneming, de vennoten of bestuurders van de vereniging of vennootschap, de niet-
institutionele schuldeisers die geen vordering hebben waarvan de datum vaststaat met uitzondering van de
leveranciers waarvan het bewijs van vordering de regels van het handelsrecht volgt.

Cumulatie
De Solidaire lening kan met geen enkele andere lening gecumuleerd worden, ook niet met een ander type lening
van het Participatiefonds.




 Aanvullende inlichtingen

Participatiefonds
de Lignestraat 1
1000 Brussel
Tel.: 02/210.87.87
Fax: 02/210.87.79
E-mail: info@fonds.org
Website: http://www.fonds.org
3.3      BUSINESS ANGEL+ : CO-FINANCIERING MET EEN BUSINESS ANGEL VAN EEN
         INNOVEREND PROJECT


Inhoud steunmaatregel

De Business Angel+ is een achtergestelde lening in aanvulling op de investering van een ondernemer en een
Business Angel. Opgezet met BeBAN, is hij bedoeld voor innoverende ondernemingen die geen toegang hebben
tot klassieke financieringen. Dit partnership biedt een belangrijk hefboomeffect aan de Business en maakt het
mogelijk het aantal opgerichte ondernemingen in dit segment te verhogen.

Begunstigden

Zowel natuurlijke als rechtspersonen komen in aanmerking voor zover zij KO zijn. Deze lening richt zich tot
ondernemers waarvan de onderneming in oprichting is of in een strategische ontwikkelingsfase voor haar
toekomstige activiteit is getreden en die geen toegang hebben tot het klassieke bankkrediet omwille van de
vernieuwende of technologische aard van hun project, maar die daarentegen kunnen rekenen op de financiële
begeleiding van één of meer Business Angels.

Indien dit gepaard gaat met de oprichting van een vennootschap, dient de aanvrager hierin over de meerderheid
van de aandelen te beschikken en het dagelijkse beheer waar te nemen.

Projecten

De lening is bestemd voor de financiering van materiële, immateriële en financiële investeringen, evenals
desgevallend voor de financiering van de behoefte aan bedrijfskapitaal die gepaard gaat met de start van de
activiteit of met de realisatie van het betreffende investeringsproject.

Diversen

Voordelige financiële voorwaarden:

Maximumbedrag
Het maximumbedrag van de lening is € 125.000.
De tussenkomst van het Participatiefonds moet minstens € 7.500 bedragen.

Inbreng van de Business Angel(s) en de oprichters-ondernemers
De inbreng gebeurt in principe in contanten. In totaal dient het bedrag van de inbreng van de Business Angel(s)
en van de ondernemer(s)-oprichter(s) groter dan of gelijk aan het krediet van het Participatiefonds te zijn.

De tussenkomsten van de Business Angels die meetellen in de berekening mogen niet aan derden ontleend zijn
en gebeuren in principe als volgestort kapitaal. Indien ze - gedeeltelijk - als voorschotten van vennoten
verwezenlijkt worden, dienen deze achtergesteld te zijn aan de lening van het Participatiefonds.

Looptijd
De looptijd van de lening bedraagt 5,7 of 10 jaar en is afhankelijk van de aard van te financieren investering.

Terugbetaling
Twee aflossingsmethodes zijn mogelijk:
- maandelijkse of driemaandelijkse variabele aflossingen (constant kapitaal/degressieve interesten);
- maandelijkse constante aflossingen (progressief kapitaal/degressieve interesten).
Bovendien kan op vraag van de ondernemer een vrijstelling van terugbetaling van kapitaal worden toegestaan
gedurende 1 tot 3 jaar.

Rentevoet
Het Participatiefonds past zijn referentierentevoet voor de kredieten op 5,7 of 10 jaar toe, met een extra marge
van 1%.
Indien de vrijstelling van terugbetaling van kapitaal langer is dan 1 jaar zal de marge 1,25% bedragen.
Soepele waarborgpolitiek
De gevraagde waarborgen worden volgens de kenmerken van het voorgestelde project bepaald. Het gaat
bijvoorbeeld om een inschrijving op het handelsfonds, een mandaat of hypothecaire inschrijving op het
beroepsgebouw. De (eventueel gedeeltelijke) borgstelling van de ondernemer(s) wordt geval per geval
onderzocht. De persoonlijke borg van de Business Angel wordt niet gevraagd.

Achtergesteld
De achterstelling komt er in de praktijk op neer dat de lening van het Participatiefonds wordt gelijkgesteld met
eigen vermogen. De achterstelling vermindert immers het risico voor andere kredietverleners. Het gewone
bankkrediet kan bijgevolg gemakkelijker bekomen worden.

Op juridisch vlak kan de achtergesteldheid van de lening als volgt worden omschreven: de achterstelling bestaat
erin dat het Participatiefonds verzaakt aan de gelijkheid van behandeling ten aanzien van andere schuldeisers.
Dit houdt in dat bij samenloop en dus als meerdere schuldeisers gelijktijdig hun aanspraken laten gelden, het
Participatiefonds aanvaardt dat de andere schuldeisers eerst worden terugbetaald. Dit geldt evenwel niet voor de
zaakvoerders van de onderneming, de vennoten of bestuurders van de vereniging of vennootschap, de niet-
institutionele schuldeisers die geen vordering hebben waarvan de datum vaststaat met uitzondering van de
leveranciers waarvan het bewijs van vordering de regels van het handelsrecht volgt.

Makkelijk toegankelijk
Het Participatiefonds heeft een samenwerkingsovereenkomst afgesloten met alle Business Angel Netwerken,
leden van BeBAN.

Voorstelling van het project aan het Participatiefonds
De projecten worden voorgeselecteerd door het BAN dat ze aan eventueel geïnteresseerde Business Angels
voorstelt.

Het Participatiefonds treedt pas op wanneer de geplande samenwerking tussen de ondernemer en de Business
Angel zo goed als afgerond is.



 Aanvullende inlichtingen

Participatiefonds
de Lignestraat 1
1000 Brussel
Tel.: 02/210.87.87
Fax: 02/210.87.79
E-mail: info@fonds.org
Website: http://www.fonds.org
4.      PARTICIPATIEMAATSCHAPPIJ VLAANDEREN NV (PMV)



Inhoud steunmaatregel

Participatiemaatschappij Vlaanderen (PMV) geeft stuwkracht aan initiatieven die belangrijk zijn voor de
toekomst van Vlaanderen. Zij treedt daarbij op als ondernemer, als het privé-initiatief achterwege blijft, of als
facilitator, als private kapitaalverschaffers drempelvrees hebben.

PMV creëert, structureert en beheert, volgens economische principes, samenwerkingsverbanden tussen de
Vlaamse overheid en de private sector, en tussen overheidsorganisaties onderling.

PMV of haar dochterondernemingen treden daartoe op als investeerder van eigen middelen of middelen van
derden, als beheerder voor het Vlaamse Gewest, of als adviseur van de Vlaamse regering en van Vlaamse
overheidsorganisaties.

       PMV als ondernemer

Ingeval de markt ondersteuning nodig heeft of een hefboom zoekt om een economisch interessant initiatief te
realiseren, kan PMV als investeringsmaatschappij met de overheid als aandeelhouder een rol vervullen. Daarbij
zal PMV steeds een redelijk evenwicht nastreven tussen financieel en maatschappelijk rendement.

Daarnaast heeft de overheid zelf voor bepaalde van haar activiteiten behoefte aan een markt-conforme aanpak.
Ook daarvoor kan PMV worden ingezet.

De projecten die PMV uitvoert in haar rol van ondernemer voor de Vlaamse overheid, horen thuis in één van de
volgende activiteitsgebieden of business units:
- PPS (Publiek Private Samenwerking)
- Milieu en Energie
- Vastgoed

       PMV als facilitator

In sommige gevallen hebben private kapitaalverschaffers drempelvrees om een bepaald project te financieren,
omdat zij het project te risicovol achten. PMV kan dan een faciliterende rol vervullen. Daarmee maakt zij het
voor private risicokapitaal- en kredietverschaffers gemakkelijker om ondernemingsprojecten te financieren, die
anders moeilijk gefinancierd zouden raken.

PMV kan enkel als facilitator optreden voor projecten waarvoor een aantrekkelijk financieel rendement verwacht
wordt.

In de huidige context vervult PMV haar faciliterende functie in eerste instantie met de bedoeling de
financieringskloof te dichten waarmee kleine en middelgrote ondernemingen geconfronteerd worden. De
projecten die in het kader van die functie worden uitgevoerd, worden bijgevolg ondergebracht in de business unit
PMV-kmo.

PMV-kmo vormt het KMO-Financieringsagentschap dat op initiatief van de Vlaamse regering de diverse
Vlaamse overheidsinitiatieven ter bevordering van KMO-financiering zal beheren.

PMV-kmo streeft ernaar:
- de instrumenten van de Vlaamse overheid ter bevordering van de financiering van KMO’s op een meer
  doeltreffende en doelmatige wijze te organiseren;
- een omgeving te creëren waar het initiatief kan genomen worden tot het bijsturen van bestaande
  instrumenten en het lanceren van nieuwe initiatieven;
- een uniek aanspreekpunt te worden voor KMO-adviesorganisaties en private kapitaalverschaffers die van de
  financieringsmechanismen van de Vlaamse overheid gebruik wensen te maken.
De volgende instrumenten zijn bij PMV-kmo ondergebracht:
- de ARKimedes-regeling
- de Waarborgregeling
- het aangekondigde Vlaams Innovatiefonds
- de aangekondigde Vriendenlening

Gedetailleerde informatie over deze instrumenten kan worden teruggevonden op de website van PMV-kmo:
www.pmv-kmo.be .



 Aanvullende inlichtingen

ParticipatieMaatschappij Vlaanderen nv
Hooikaai 55
1000 Brussel
Tel.: 02/229.52.30
Fax: 02/229.52.31
E-mail: info@pmvlaanderen.be
Website: http://www.pmv-kmo.be
5.       SUBSIDIES VOOR DE AANLEG VAN BEDRIJVENTERREINEN- WETENSCHAPSPARKEN-
         BEDRIJFSGEBOUWEN



Inhoud steunmaatregel

Met het besluit van de Vlaamse regering houdende subsidiëring van bedrijventerreinen, wetenschapsparken en
bedrijfsgebouwen wil de Vlaamse regering de (her)aanleg van bedrijventerreinen en wetenschapsparken
bevorderen. Er wordt een onderscheid gemaakt tussen de aanleg van nieuwe bedrijventerreinen en de
herinrichting van verouderde bedrijventerreinen. Deze laatste categorie krijgt een hoger subsidiepercentage en
dit om de heraanleg van bedrijventerreinen te bevorderen.
Enkel de infrastructuurwerken (wegenis, riolering…) opgenomen in het openbaar domein worden gesubsidieerd.
Om de kwaliteitsvolle aanleg van de terreinen te bevorderen worden er een aantal plannen gevraagd: de
ontwikkelaar moet een inrichtings-, uitgifte en terreinbeheersplan opmaken.
Kleinhandels- en kantoorzones komen niet in aanmerking voor subsidies.

Een tweede deel van het subsidiebesluit omvat de subsidies voor de oprichting of de modernisering van een
bedrijfsgebouw. Er worden drie soorten bedrijfsgebouwen gesubsidieerd: een bedrijvencentrum waar jonge
starters een plaats én ondersteuning krijgen. Voor doorgroeiers wordt in een multifunctioneel gebouw een plaats
voorzien.
Ten slotte belanden starters die aan onderzoek en ontwikkeling doen in een incubatie-en innovatiecentrum.


SUBSIDIEBEDRAGEN

-    Bedrijventerreinen

Er zijn verschillende subsidiepercentages van toepassing.
Voor de aanleg van een nieuw terrein wordt 25% gegeven.
Worden ook Europese subsidies aan het project toegekend, dan wordt 40% gegeven. Ook nieuwe terreinen waar
vooraf substantiële opruimings- en saneringswerken noodzakelijk werden uitgevoerd kunnen rekenen op 40%.

Bij de heraanleg van een verouderd terrein waarbij nieuwe kavels op de markt gebracht worden, wordt 40%
gegeven. Worden geen nieuwe kavels uitgegeven, wordt 60% gegeven.
Een terrein wordt verouderd genoemd als het heraangelegd wordt omwille van economische, ruimtelijke,
milieuwetgevings- of bodemsaneringsreden. Bovendien moet de her aan te leggen infrastructuur minstens 20 jaar
opgeleverd zijn.

Terreinen van strategisch belang krijgen 60% steun. Of een terrein van strategisch belang is, wordt beslist door
de Vlaamse regering.

-    Wetenschapsparken

Zowel voor de aanleg van een nieuw als voor een verouderd wetenschapspark wordt 85% gegeven. Een
wetenschapspark wordt gedefinieerd als een zone bestemd voor de vestiging van onderzoeksintensieve
ondernemingen die een band hebben met de universiteit.

-    Bedrijfsgebouwen

                     Bedrijvencentrum               Multifunctioneel gebouw        Incubatie-en
                                                                                   innovatiecentrum
Oprichting           € 250.000                      € 500.000                      € 500.000
Modernisering        € 125.000                      € 250.000                      € 250.000

De bedragen kunnen ingebracht worden als extra kapitaal in het maatschappelijk kapitaal van de vennootschap
of kunnen rechtstreeks aangewend worden voor de oprichting of modernisering.
Projecten

Welke werken kunnen gesubsidieerd worden

In het subsidiebesluit worden de werken opgesomd die voor subsidies in aanmerking komen. Hieronder vallen:
het bouwrijp maken van het terrein, het aanleggen van wegen en openbare parkeerplaatsen, het aanleggen van
rioleringsstelsels, laad- en losplatforms op het openbaar domein, het aanleggen van openbare verlichting, het
aanleggen en beplanten van een bufferstrook enz…
Eventueel kan de minister beslissen andere werken die bijdragen tot de verduurzaming van het terrein te
subsidiëren.
De algemene toezichtskosten, uitvoeringsstudies (bv. stabiliteitsstudies),… worden geraamd op 10% van de
totale (subsidiabele) kosten. Hierop wordt ook subsidie gegeven.

Begunstigden

Voor de subsidies voor bedrijventerreinen en wetenschapsparken kunnen zowel publieke ontwikkelaars
(intergemeentelijke samenwerkingsvorm, gemeentes, provincies, GOM’s) als privé-ontwikkelaars subsidies
aanvragen. Ook PPS-constructies komen in aanmerking.

Subsidies voor de oprichting en modernisering van een bedrijfsgebouw (een bedrijvencentrum, een
multifunctioneel gebouw of een incubatie- en innovatiecentrum) kunnen enkel gegeven worden aan een GOM,
intergemeentelijke samenwerkingsvorm of een daartoe opgerichte vennootschap waarin GOM of
intergemeentelijke samenwerkingsvorm participeren.
De gecumuleerde participatie van de GOM of de intergemeentelijke samenwerkingsvorm mag niet meer dan
50% van het maatschappelijk kapitaal van de vennootschap bedragen.


VOORWAARDEN

Bij de subsidieaanvraag voor een bedrijventerrein of wetenschapspark is het opstellen van een aantal plannen
vereist. Er worden drie plannen gevraagd: een inrichtingsplan, een uitgifte- en een terreinbeheersplan.
In het uitgifteplan moet o.a. de bestaande toestand, de algemene inrichtingsprincipes met de
ontsluitingsinfrastructuur, stedenbouwkundige en economische aspecten van het terrein en de principes van
zorgvuldig ruimtegebruik worden beschreven.
In het uitgifteplan moet o.a. de bouw- en exploitatieverplichtingen, de evaluatiecriteria voor de investeerders en
de voortgangscontrole op de verkoop- of verhuurcontracten beschreven staan. Hiervoor moeten de ontwikkelaars
zich richten naar de bepalingen van het decreet van 19/12/2003 houdende bepalingen van de begroting 2004.
In het terreinbeheersplan moeten minstens de maatregelen voor een duurzaam onderhoud en de aspecten van het
inrichtingsplan met een weerslag op het beheer beschreven staan.

Als meerdere eigenaars het terrein ontwikkelen of als een wetenschapspark aangelegd wordt, moet er een
beheerscomité opgericht worden. Elke partner betrokken bij de ontwikkeling van het terrein moet hierin
vertegenwoordigd zijn. Ook de gemeente zetelt – op haar vraag – in het beheerscomité.

Om de subsidie-aanvraag vlotter te doen verlopen en mogelijke problemen al op voorhand op te lossen moet de
ontwikkelaar een vooroverleg organiseren. Hierop worden de gemeente, de eigenaar, de ontwikkelaar en de
administratie uitgenodigd.

De werken aan het terrein moeten gegund worden via een openbare aanbestedingsprocedure.

Aanvraagprocedure

De aanvraag voor een subsidie van een bedrijventerrein gebeurt in een aantal stappen.
In een eerste fase wordt een principiële subsidie toegekend na indiening van de verschillende vereiste plannen,
het bestek en de raming en een aanvraagformulier. Daarna kunnen de werken aanbesteed worden. Eens deze fase
afgerond wordt een definitieve subsidie toegekend.
Er kan een voorschot uitbetaald worden van 60% op voorwaarde dat het bedrag van de al uitgevoerde werken
20% van het aanvaarde gunningsbedrag beloopt.
Voor de aanvraag van een subsidie voor een bedrijfsgebouw geldt een andere procedure. Er moet een
aanvraagformulier en een businessplan worden ingediend. Op basis hiervan wordt beslist of een subsidie al dan
niet gegeven wordt. Eenmaal de subsidie toegekend kan een voorschot aangevraagd worden. Het voorschot
bedraagt 1/4e van de subsidie.

De formulieren en de wetgeving kunnen gedownload worden van http://www.ondernemen.vlaanderen.be
(achtereenvolgens klikken op ‘vestiging van ondernemingen’, ruimte om te ondernemen, bedrijventerreinen en
bedrijfsgebouwen en subsidiëring van bedrijventerreinen en bedrijfsgebouwen).
Op deze site is ook een link te vinden naar de ‘handleiding voor het beheer van bedrijventerreinen’. In deze
handleiding wordt dieper ingegaan op het opstellen van de verschillende vereiste plannen en worden
praktijkvoorbeelden gegeven. Er hoort ook een voorbeeld van een terreinbeheersplan bij.



 Aanvullende inlichtingen

Voor vragen en problemen kan men terecht bij de Vlaamse overheid:

Ministerie van de Vlaamse Gemeenschap
Afdeling Economisch Ondersteuningsbeleid
Cel bedrijventerreinen
Markiesstraat 1
1000 Brussel
E-mail: bedrijventerreinen@vlaanderen.be.
DEEL II: FISCALE STEUN
1.        INVESTERINGSAFTREK



Inhoud steunmaatregel

De investeringsaftrek is een fiscale steunmaatregel van de Federale Overheidsdienst Financiën waardoor winst
en baten worden vrijgesteld tot een percentage van de aanschaffings- of beleggingswaarde van bepaalde
bedrijfsinvesteringen die uitgevoerd worden in een bepaald belastbaar tijdperk en die in België worden gebruikt
voor het uitoefenen van de beroepswerkzaamheid van de belastingplichtige.

De investeringen die in aanmerking komen, zijn investeringen in materiële vaste activa die in nieuwe staat zijn
verkregen of tot stand gebracht1, evenals investeringen in nieuwe immateriële vaste activa.

In principe wordt de investeringsaftrek in eenmaal verleend. Bepaalde belastingplichtigen kunnen deze
desgewenst spreiden.

Begunstigden

Deze steunmaatregel geldt voor nijverheids-, handels- en landbouwondernemingen (natuurlijke personen of
vennootschappen), alsook voor beoefenaars van vrije beroepen, ambten, posten en andere winstgevende
bezigheden.

Er wordt geen investeringsaftrek verleend wanneer de winst of de baten worden bepaald volgens forfaitaire
grondslagen van aanslag waarin de afschrijvingen forfaitair zijn opgenomen, behalve indien het
energiebesparende investeringen betreft waarvoor van overheidswege geen financiële steun tot aanmoediging
van energiebesparing is verleend.

Projecten

Volgende projecten komen in aanmerking:
- octrooien;
- milieuvriendelijke investeringen voor onderzoek en ontwikkeling;
- energiebesparende investeringen;
- investeringen voor de beveiliging van beroepslokalen;
- investeringen tot aanmoediging van het hergebruik van verpakkingen;
- andere investeringen in nieuwe vaste activa;

Een aantal investeringen zijn evenwel uitgesloten.

Diversen

Investeringen verricht tijdens het belastbaar tijdperk dat verbonden is aan aanslagjaar 2005 en die aan de
wettelijke voorwaarden voldoen, geven recht op een investeringsaftrek die wordt bepaald op:

A) Natuurlijke personen:

     -    octrooien, milieuvriendelijke investeringen voor onderzoek en ontwikkeling, energiebesparende
          investeringen en investeringen voor de beveiliging van beroepslokalen: 13,5 %;
     -    andere investeringen: 3,5 %.




1
     In afwijking hiervan kan de investeringsaftrek met betrekking tot zeeschepen ook verkregen worden voor
     tweedehandse zeeschepen, op voorwaarde evenwel dat zij voor het eerst in het bezit van een Belgische
     belastingplichtige komen.
B) Vennootschappen:

1. Alle vennootschappen

     -   octrooien, milieuvriendelijke investeringen voor onderzoek en ontwikkeling en energiebesparende
         investeringen: 13,5 %;
     -   investeringen tot aanmoediging van het hergebruik van verpakkingen: 3 %.

2.   Kleine en middelgrote vennootschappen (d.w.z. binnenlandse vennootschappen waarvan de aandelen voor
     meer dan de helft toebehoren aan één of meer natuurlijke personen die de meerderheid van het stemrecht
     vertegenwoordigen, en die geen deel uitmaken van een groep waartoe een erkend coördinatiecentrum
     behoort):

     -   investeringen voor de beveiliging van beroepslokalen: 13,5 %;
     -   andere investeringen (niet bedoeld in B1, B2, eerste streepje en B3): 3% van de eerste investeringsschijf
         van 6.908.000,00 EUR investeringen.

3.   Binnenlandse vennootschappen die uitsluitend winst uit zeescheepvaart verkrijgen:
     - investeringen in nieuwe zeeschepen of in tweedehandse zeeschepen die voor het eerst in het bezit van
         een Belgische belastingplichtige komen: 30 %.


Belastingplichtigen die, op de eerste dag van het belastbaar tijdperk waarin de vaste activa zijn aangeschaft of tot
stand gebracht, minder dan 20 werknemers tewerkstellen, kunnen kiezen voor een gespreide investeringsaftrek.
Deze methode houdt in dat de aftrek wordt gespreid over de periode waarin de activa worden afgeschreven.
Voor het aanslagjaar 2005 bedraagt de gespreide investeringsaftrek 10,5% van de aangenomen afschrijvingen
van de activa. Voor milieuvriendelijke investeringen voor onderzoek en ontwikkeling kan eveneens de gespreide
investeringsaftrek worden toegepast, ongeacht het aantal werknemers. Deze aftrek bedraagt dan 20,5%.

Bij gebrek aan of wegens onvoldoende winst of baten wordt de aftrek zonder enige tijdsbeperking naar de
volgende belastbare tijdperken overgedragen.

De aftrek van de overgedragen vrijstelling op de winst of baten van elk van de volgende belastbare tijdperken
wordt beperkt tot 755.280,00 euro per belastbaar tijdperk of, wanneer het totale bedrag van de overgedragen
vrijstelling op het einde van het vorige belastbare tijdperk 3.021.140,00 euro overtreft, tot 25 % van dat totale
bedrag. Die aftrekbeperking geldt niet voor de overgedragen investeringsaftrek betreffende de investeringen in
zeeschepen.

Aanvraagprocedure

De investeringsaftrek kan verkregen worden door het formulier 276 U in te vullen en bij de aangifte te voegen.
Dit formulier is beschikbaar op http://www.finform.be en is eveneens verkrijgbaar bij de plaatselijke
taxatiedienst.



 Aanvullende inlichtingen

Federale Overheidsdienst Financiën
Administratie van de Ondernemings- en Inkomensfiscaliteit, sector directe belastingen
Centrale diensten
North Galaxy – bus 25
Koning Albert II-laan 33
1030 Brussel
Tel.: 02/336.21.11 (algemeen nummer) - 02/336.23.65
2.       COORDINATIECENTRA (*)



Inhoud steunmaatregel

De FOD Financiën geeft fiscale steun aan erkende coördinatiecentra onder de vorm van verschillende fiscale
voordelen en vrijstellingen. De coördinatiecentra dienen wel aan een aantal voorwaarden te voldoen om erkend
te worden.

De fiscale voordelen en vrijstellingen worden aan de erkende coördinatiecentra verleend gedurende een periode van
10 jaar vanaf het belastbaar tijdperk waarin de aanvraag tot erkenning werd ingediend tot bij het verstrijken van het
boekjaar dat afgesloten wordt tijdens het tiende kalenderjaar na dat waarin de aanvraag werd ingediend. De erken-
ning kan echter hernieuwd worden.

Begunstigden

Het statuut van coördinatiecentrum kan toegekend worden aan iedere vennootschap met rechtspersoonlijkheid
die opgericht is hetzij als handelsvennootschap in één van de vormen bepaald in het Belgische Wetboek van
Vennootschappen, hetzij als Belgisch filiaal van een buitenlandse vennootschap.

Een coördinatiecentrum kan niet worden opgericht door ondernemingen met een activiteit in de krediet-, bank-,
of de verzekeringssector. Bovendien mag geen enkele bank of verzekeringsonderneming deel uitmaken van de
groep waarvoor het erkende coördinatiecentrum activiteiten uitoefent.

Diversen

Voorwaarden om in aanmerking te komen voor erkenning:
- Het coördinatiecentrum mag uitsluitend de ontwikkeling en centralisering van bepaalde activiteiten ten behoeve
   van andere vennootschappen van de groep waarvan het coördinatiecentrum deel uitmaakt, tot doel hebben.
   De toegelaten activiteiten betreffen: publiciteit en marketing, informatieverzameling en -verstrekking en
   beheersbijstand, verzekering en risicobeheer, wetenschappelijk onderzoek, niet-commerciële betrekkingen met
   nationale en internationale overheden, werkzaamheden op het gebied van boekhouding, administratie en
   informatica, financiële verrichtingen en dekking van de risico's die voortvloeien uit de schommelingen van de
   wisselkoersen en interestvoeten, inkoopactiviteiten en alle andere activiteiten die een voorbereidend of
   hulpverlenend karakter hebben voor de vennootschappen van de groep.

-    Enkel grote groepen met een multinationaal karakter komen in aanmerking voor de oprichting van een
     coördinatiecentrum (een coördinatiecentrum moet immers deel uitmaken van een groep):
        het geconsolideerde bedrag van kapitaal en reserves bedraagt ten minste 24.000.000 euro;
        de geconsolideerde jaaromzet bedraagt ten minste 240.000.000 euro;
        het buitenlands eigen vermogen bedraagt ten minste 12.000.000 euro of 20% van het geconsolideerd eigen
         vermogen van de groep;
        sedert l januari van het tweede jaar dat voorafgaat aan het jaar waarin de erkenning werd aangevraagd,
         ononderbroken in het bezit zijn van dochtermaatschappijen in het buitenland (in ten minste vier verschil-
         lende landen);
        ten minste 120.000.000 euro of 20% van de totale geconsolideerde omzet in het buitenland verwezenlijken.

-    Na verloop van twee jaar nadat het met zijn activiteiten is begonnen, moet het coördinatiecentrum in België ten
     minste het equivalent van tien voltijdse werknemers in dienst hebben.

-    Een erkend coördinatiecentrum mag geen aandelen of andere maatschappelijke rechten bezitten.

De hiernavolgende fiscale voordelen en vrijstellingen kunnen aan het coördinatiecentrum verleend worden:
- De belastbare winst van het coördinatiecentrum wordt vastgesteld door een bepaald percentage (in de regel 8%)
    toe te passen op de totale uitgaven en werkingskosten van het centrum, met uitsluiting van de personeelskosten
    en de financiële kosten. Hierbij mag het aldus vastgestelde inkomen niet lager zijn dan het totaal van de niet als
    beroepskost aftrekbare kosten en de abnormale of goedgunstige voordelen die aan het centrum worden verleend.
    Op het aldus verkregen bedrag wordt het normale tarief van de vennootschapsbelasting (33%) toegepast (zonder
    toepassing van de verminderde tarieven).

-   In principe is geen roerende voorheffing verschuldigd op:
        dividenden uitgekeerd aan aandeelhouders;
        interesten te betalen aan schuldeisers (behalve de interesten betaald aan natuurlijke of rechtspersonen,
         onderworpen aan de personen- of rechtspersonenbelasting);
        vergoedingen die verschuldigd zijn ingevolge de concessie van immateriële roerende goederen.

-   Het voordeel van de fictieve roerende voorheffing is enkel nog van toepassing op de interesten van finan-
    cieringscontracten die vóór 24 juli 1991 werden gesloten en op dividenden die betrekking hebben op het
    maatschappelijk kapitaal dat werd aangewend voor de financiering van investeringen in uitvoering van
    overeenkomsten die vóór 24 juli 1991 werden gesloten. Deze inkomsten moeten evenwel worden verleend of
    toegekend uiterlijk tijdens het laatste belastbare tijdperk van de eerste erkenningsperiode van het
    coördinatiecentrum.

-   Vrijstelling van onroerende voorheffing.

-   Vrijstelling van het evenredig registratierecht.

De coördinatiecentra moeten een jaarlijkse taks van 10.000 euro per voltijdse werknemer betalen. Het totale bedrag
van de taks is beperkt tot maximaal 100.000 euro per coördinatiecentrum. Het personeelsbestand op 1 januari van het
belastingjaar vormt de basis voor de berekening van deze taks.



(*) Sinds 31 december 2001 werden geen nieuwe erkenningen meer verleend.

De aandacht wordt gevestigd op de Resolutie van de Raad van de Europese Unie en van de vertegenwoordigers van de
Regeringen van de lidstaten van die Unie, verenigd in de Raad van 1 december 1997, m.b.t. een gedragscode op het gebied
van de fiscaliteit van de ondernemingen, waardoor die lidstaten er zich ondermeer toe hebben verbonden de wettelijke
bepalingen en administratieve gebruiken die als schadelijke fiscale concurrentie voor andere lidstaten kunnen worden
aangemerkt (waaronder de Belgische coördinatiecentra), te ontmantelen.



 Aanvullende inlichtingen

FOD Financiën
Administratie van de Ondernemings- en Inkomensfiscaliteit
Centrale diensten
Dir. I/1
North Galaxy
Koning Albert II-laan 33, bus 25
1030 BRUSSEL
Tel : 02/336.23.54 – 02/336.23.90 – 02/336.23.86

FOD Financiën
Algemeen Secretariaat
Cel 'Fiscaliteit van de buitenlandse investeringen'
Leuvenseweg 38
1000 Brussel
Tel.: 02/233.82.64 – 02/233.82.54
3.       DISTRIBUTIECENTRA



Inhoud steunmaatregel

De steunmaatregel van de Federale Overheidsdienst in het kader van de distributiecentra bestaat uit het
toekennen van een bijzonder aanslagstelsel dat er op neerkomt dat het centrum geacht zal worden geen
abnormale of goedgunstige voordelen te verlenen aan de andere ondernemingen waarmee ze verbonden is,
wanneer de vergoeding voor haar diensten in het totaal een bepaald niveau bereikt.

Dit stelsel wordt in principe toegestaan voor een bepaalde periode, die eventueel kan worden verlengd.

Begunstigden

Het bijzondere belastingstelsel dat van toepassing is op de distributiecentra geldt enkel voor bestaande of op te
richten ondernemingen die aan de vennootschapsbelasting of de belasting van niet-inwoners/vennootschappen zijn
onderworpen en die zich ertoe beperken bepaalde activiteiten uit te oefenen.

Diversen

Om in aanmerking te kunnen komen voor het bijzondere stelsel, moet een distributiecentrum er zich toe beperken de
hiernavolgende distributieactiviteiten of een deel ervan uit te oefenen, uitsluitend ten voordele van de
vennootschappen van de groep waartoe het centrum behoort:

-    de aankoop van grond- en hulpstoffen, van gerede producten en handelsgoederen, in eigen naam of in naam en
     voor rekening van de vennootschappen van de groep waarvoor ze bestemd zijn (de goederen mogen slechts bij
     Belgische vennootschappen van de groep worden aangekocht, wanneer het gebeurt tegen een prijs die de
     verkoper toelaat een normale winstmarge te verwezenlijken. Onder het hierboven vermelde begrip
     'vennootschappen van de groep' moet worden verstaan de verbonden vennootschappen, zoals bepaald in het
     koninklijk besluit van 8 oktober 1976 met betrekking tot de jaarrekening van de ondernemingen);

-    de opslag in België, het beheer en het verpakken van de goederen, binnen bepaalde beperkingen;

-    het opnemen van bestellingen gedaan door niet-leden van de groep, alsmede het opmaken en versturen van
     orderbevestigingen zonder dat het distributiecentrum de bestellingen mag aanvaarden;

-    de verkoop en/of het vervoer en de levering van de goederen aan de vennootschappen van de groep;

-    het vervoer en de levering van de goederen aan niet-leden van de groep, voor rekening van de vennootschappen
     van de groep;

-    het opmaken en verzenden van de verkoopfacturen (met dien verstande dat wat betreft de verkopen aan niet-
     leden van de groep, de facturen moeten worden opgemaakt op naam en voor rekening van de leden van de groep
     die de goederen bij het distributiecentrum hebben aangekocht; de betaling van die facturen aan niet-leden van de
     groep mag evenwel niet aan het distributiecentrum gebeuren);

-    het vervullen van financiële-, bank-, BTW-, douane-, accijns- en administratieve formaliteiten met betrekking tot
     de voormelde activiteiten.

De winst van een distributiecentrum is gelijk aan het totale bedrag van de belastbare gereserveerde winst, de
verworpen uitgaven en de uitgekeerde dividenden. Evenwel wordt aangenomen dat een distributiecentrum geacht
wordt geen abnormale of goedgunstige voordelen, in de zin van artikel 26 van het Wetboek van de
inkomstenbelastingen 1992 (WIB 92), wegens onvoldoende omzetcijfer, te verlenen aan de vennootschappen van de
groep waartoe het behoort, voor zover zijn omzetcijfer niet lager is dan het totaal van de volgende bedragen:
- de aanschaffingsprijs van grond- en hulpstoffen, van gerede producten en handelsgoederen die tijdens het
    belastbaar tijdperk werden verkocht;

-    de kostprijs van de diensten die, binnen het kader van de aan het distributiecentrum toegelaten activiteiten, door
     derden aan het centrum worden geleverd mits het gaat om diensten die rechtstreeks hadden kunnen worden
    gefactureerd aan de vennootschappen van de groep waartoe het centrum behoort en die door de verstrekker
    tegen een prijs met inbegrip van een normale winstmarge worden gefactureerd;

-   105% van de overige werkingskosten;

De aldus vastgestelde winst mag worden verminderd met de vrijgestelde en de niet-belastbare bestanddelen
(bijvoorbeeld de investeringsaftrek). Op de belastbare winst worden de normale belastingtarieven toegepast.

Aanvraagprocedure

Om in aanmerking te komen voor de toekenning van het bijzondere aanslagstelsel dient, ofwel vóór de oprichting
van het distributiecentrum, ofwel tijdens het boekjaar voorafgaand aan datgene waarvoor het distributiecentrum voor
de eerste maal het stelsel wenst te genieten, een aanvraag ingediend te worden bij de dienst van Voorafgaande
Beslissingen van de Federale Overheidsdienst.

In deze aanvraag dient een exacte omschrijving gegeven te worden van alle activiteiten die het centrum verricht.
Daarnaast moet de zetel van de vennootschap vermeld zijn, en kunnen eventueel de statuten bijgevoegd worden.


Opmerking !

Ingevolge de Resolutie van de Raad van de Europese Unie en van de vertegenwoordigers van de Regeringen van
de lidstaten van die Unie, verenigd in de Raad van 1.12.1997 m.b.t. een gedragscode op het gebied van de
fiscaliteit van de ondernemingen, hebben die lidstaten er zich ondermeer toe verbonden de wettelijke bepalingen
en administratieve gebruiken die als schadelijke fiscale concurrentie voor andere lidstaten kunnen worden
aangemerkt, te ontmantelen.

Derhalve werd, mede gelet op het feit dat de noodzakelijke rechtszekerheid niet meer kan worden gegarandeerd,
beslist om het hoger vermelde stelsel op te heffen.

Dit heeft tot gevolg dat reeds met ingang van 1.1.2002 geen nieuwe toepassingen van het bijzondere
aanslagstelsel voor distributiecentra meer worden toegestaan.

Alternatieve regeling

Op grond van artikel 20 van de Wet van 24.12.2002 tot wijziging van de vennootschapsregeling inzake
inkomstenbelastingen en tot instelling van een systeem van voorafgaande beslissingen in fiscale zaken, dat in
werking is getreden op 1.1.2003, kan een voorafgaande beslissing worden verkregen omtrent het marktconforme
karakter van de vergoeding die de betrokken onderneming wenst aan te rekenen voor het uitoefenen van haar
activiteiten voor zover de voorgestelde vergoedingswijze en methode voldoende worden onderbouwd rekening
houdend met de richtlijnen die door de OESO zijn uitgevaardigd. In dit kader is een uitspraak over de al dan niet
toepassing van het voormelde art. 26, WIB 92, mogelijk voor zover de voorgestelde vergoedingswijze en methode
voldoende worden onderbouwd.

In dit verband kan nuttig worden verwezen naar de administratieve circulaire van 28.6.1999, nr AFZ/98-0003
(Website: http://www.fisconet.fgov.be).



 Aanvullende inlichtingen

Federale Overheidsdienst Financiën
Dienst van Voorafgaande Beslissingen
Wetstraat 62
1040 Brussel
Tel.: 02/237.69.40
4.       DIENSTENCENTRA



Inhoud steunmaatregel

De steunmaatregel van de Federale Overheidsdienst in het kader van de dienstencentra bestaat uit het toekennen
van een bijzonder aanslagstelsel dat er op neerkomt dat het centrum geacht zal worden geen abnormale of
goedgunstige voordelen te verlenen aan de andere ondernemingen waarmee ze verbonden is, wanneer de
vergoeding voor haar diensten in het totaal een bepaald niveau bereikt.

Dit stelsel wordt in principe toegestaan voor een bepaalde periode, die eventueel kan worden verlengd.

Begunstigden

Het bijzondere belastingstelsel dat van toepassing is op de dienstencentra geldt enkel voor bestaande of op te richten
ondernemingen die aan de vennootschapsbelasting of de belasting van niet-inwoners/vennootschappen zijn
onderworpen en die zich ertoe beperken bepaalde activiteiten uit te oefenen.

Diversen

De activiteiten die voor de toelating in aanmerking kunnen komen, kunnen in vier grote categorieën worden
ingedeeld:

a) Werkzaamheden die van voorbereidende aard zijn of het karakter van hulpwerkzaamheden hebben

Kunnen bijvoorbeeld tot deze categorie van activiteiten behoren:
- het beheer, ten voordele van een groep van luchtvaartmaatschappijen, van een gegevensbank die door de klanten
   afgelegde vliegafstanden bijhoudt;
- de logistieke verrichtingen inherent aan de permanente beroepsvorming van het personeel van de
   vennootschappen van de groep;
- het beheer van operationele communicatiestromen binnen of buiten de groep;
- de centralisatie van aankopen van handelsgoederen verricht voor rekening van de vennootschappen van de
   groep;
- de verrichtingen op het gebied van het wetenschappelijk onderzoek, voor zover zij van voorbereidende aard zijn
   of het karakter van hulpwerkzaamheid hebben.

b) Activiteiten inzake informatieverstrekking aan de klanten

Tot deze categorie behoren de activiteiten die erin bestaan vragen van klanten te beantwoorden op het vlak van
hulpverlening of inzake het verstrekken van inlichtingen betreffende de door de vennootschappen van de groep
verkochte goederen of verstrekte diensten.

c) Activiteiten die op een passieve wijze bijdragen tot verkoopverrichtingen

Een passieve bijdrage impliceert dat het dienstencentrum over geen autonome beslissingsbevoegdheid beschikt en
dat het dus uitsluitend in naam en voor rekening van de vennootschappen van de groep handelt. Het dienstencentrum
draagt bijgevolg geen ondernemingsrisico.

Bij wijze van voorbeeld kan het opnemen (of het bevestigen) van bestellingen gedaan door niet-leden van de groep
worden aangehaald. In het onderhavige geval mag het dienstencentrum noch op enige wijze onderhandelen, noch de
verkoop zelf aanvaarden, maar moet het een rol van een passieve tussenschakel vervullen.

d) Activiteiten die een actieve tussenkomst in de verkopen impliceren

Het kan gebeuren dat een dienstencentrum werkelijk optreedt als een tussenpersoon bij de verkoop van goederen of
het leveren van diensten die door de vennootschappen van de groep worden aangeboden. In het onderhavige geval
treedt het centrum in eigen naam op voor rekening van deze vennootschappen. Het centrum kan bijvoorbeeld
bevoegd zijn om een bestelling te aanvaarden waarvan de voorwaarden voorafgaand werden vastgesteld.
De aandacht wordt er op gevestigd dat zuivere commerciële activiteiten (directe verkoop, marketing, televerkoop,
klantenwerving, enzovoort) alsmede elke tussenkomst in het productieproces als niet toegelaten activiteiten worden
aangemerkt. Onafhankelijke ondernemingen, dit wil zeggen, diegene welke geen deel uitmaken van een groep
verbonden vennootschappen, zijn uitgesloten van het bijzondere aanslagstelsel, zelfs wanneer hun benaming en hun
uitgeoefende activiteiten gelijken op deze van een dienstencentrum.

De winst van een dienstencentrum is gelijk aan het totale bedrag van de belastbare gereserveerde winst, de
verworpen uitgaven en de uitgekeerde dividenden. Evenwel wordt aangenomen dat een dienstencentrum geacht
wordt geen abnormale of goedgunstige voordelen in de zin van artikel 26 van het Wetboek van de
inkomstenbelastingen 1992 (WIB92), wegens onvoldoende omzetcijfer, te verlenen aan de vennootschappen van de
groep waartoe het behoort, voor zover zijn omzetcijfer niet lager is dan het totaal (A + B) waarbij:

-   A: de werkingskosten betreffende activiteiten die geen actieve tussenkomst in de verkopen impliceren
    (activiteitencategorie a tot c), verhoogd met een bepaald percentage daarvan (Cost plus-methode);
-   B: een bepaald percentage van de omvang van de verkopen waarvoor het centrum is tussengekomen in de
    hoedanigheid van actief tussenpersoon (activiteitencategorie d), (Resale minus-methode).

De voormelde Cost plus-methode bestaat erin 100% van de werkingskosten in aanmerking te nemen die met de
desbetreffende activiteiten verband houden en hierop een bepaald percentage toe te passen. Dat percentage kan
variëren van 5 tot 15%.

De methode is van toepassing voor:
- de werkzaamheden die van voorbereidende aard zijn of het karakter van hulpwerkzaamheden hebben:
   richtpercentage = 5%;
- de activiteiten inzake informatieverstrekking aan de klanten: richtpercentage = 10%;
- de activiteiten die op een passieve wijze bijdragen tot verkoopverrichtingen: richtpercentage = 15%.

De werkingskosten waarop die percentages van toepassing zijn, omvatten het totale bedrag van de kosten
opgenomen onder de rekeningen 60 tot 64 van de Minimumindeling van het Algemeen Rekeningenstelsel (MAR).
Evenwel kan worden aanvaard dat zonder een marge aan de vennootschappen van de groep worden doorgefactureerd
of aangerekend:
- de personeelskosten, die alle kosten van het personeel omvatten, zoals de toegekende bezoldigingen en de
     rechtstreekse sociale voordelen, de werkgeversbijdrage voor sociale zekerheid en de werkgeverspremies voor
     bovenwettelijke verzekeringen;
- de kostprijs van diensten die, binnen het kader van de aan het dienstencentrum toegelaten activiteiten, door
     derden aan het centrum worden geleverd, mits het gaat om diensten die rechtstreeks hadden kunnen worden
     gefactureerd aan de vennootschappen van de groep waartoe het centrum behoort en die door de verstrekker tegen
     een prijs met inbegrip van een normale winstmarge worden gefactureerd.

De voormelde Resale minus-methode is daarentegen uitsluitend voorbehouden voor de gevallen waarin het
dienstencentrum activiteiten uitoefent die een actieve tussenkomst in de verkopen impliceren en strekt ertoe de
minimale vergoeding vast te stellen die het centrum zich onder de vorm van een marge had moeten toekennen voor
zijn activiteit als tussenpersoon in de verkoop van goederen of diensten voor rekening van de vennootschappen van
de groep. Die vergoeding wordt bepaald door een bepaald percentage toe te passen op het uitgedrukte bedrag van de
verkopen waarvoor het centrum als tussenpersoon is tussengekomen. Dit percentage wordt geval per geval
vastgesteld in functie van de werkelijke aard van de bijdrage van het dienstencentrum, alsmede van het door dat
centrum gedragen risico, zonder 5% te overtreffen.

De aldus vastgestelde winst mag worden verminderd met de vrijgestelde en de niet belastbare bestanddelen
(bijvoorbeeld de investeringsaftrek). Op de belastbare winst worden de normale belastingtarieven toegepast.

Aanvraagprocedure

Om in aanmerking te komen voor de toekenning van het bijzondere aanslagstelsel dient, ofwel vóór de oprichting
van het dienstencentrum, ofwel tijdens het boekjaar voorafgaand aan datgene waarvoor het dienstencentrum voor de
eerste maal het stelsel wenst te genieten, een aanvraag ingediend te worden bij de dienst van Voorafgaande
Beslissingen van de Federale overheidsdienst.

In deze aanvraag dient een exacte omschrijving gegeven te worden van alle activiteiten die het centrum verricht.
Daarnaast moet de zetel van de vennootschap vermeld zijn, en kunnen eventueel de statuten bijgevoegd worden. Wat
betreft de activiteiten (inzonderheid die, welke een actieve tussenkomst in de verkopen impliceren) kan ter
verantwoording van de vergoedingswijze voor de geleverde diensten eventueel een afschrift van de tussen het
dienstencentrum en de vennootschappen van de groep gesloten overeenkomsten bijgevoegd worden. Ook een
nauwkeurige toelichting betreffende de aard en omvang van de door het dienstencentrum gedragen risico’s kan nuttig
zijn.


Opmerking !

Ingevolge de Resolutie van de Raad van de Europese Unie en van de vertegenwoordigers van de Regeringen van
de lidstaten van die Unie, verenigd in de Raad van 1.12.1997 m.b.t. een gedragscode op het gebied van de
fiscaliteit van de ondernemingen, hebben die lidstaten er zich ondermeer toe verbonden de wettelijke bepalingen
en administratieve gebruiken die als schadelijke fiscale concurrentie voor andere lidstaten kunnen worden
aangemerkt, te ontmantelen.

Derhalve werd, mede gelet op het feit dat de noodzakelijke rechtszekerheid niet meer kan worden gegarandeerd,
beslist om het hoger vermelde stelsel op te heffen.

Dit heeft tot gevolg dat reeds met ingang van 1.1.2002 geen nieuwe toepassingen van het bijzondere
aanslagstelsel voor dienstencentra meer worden toegestaan.

Alternatieve regeling

Op grond van artikel 20 van de Wet van 24.12.2002 tot wijziging van de vennootschapsregeling inzake
inkomstenbelastingen en tot instelling van een systeem van voorafgaande beslissingen in fiscale zaken, dat in
werking is getreden op 1.1.2003, kan een voorafgaande beslissing worden verkregen omtrent het marktconforme
karakter van de vergoeding die de betrokken onderneming wenst aan te rekenen voor het uitoefenen van haar
activiteiten voor zover de voorgestelde vergoedingswijze en methode voldoende worden onderbouwd rekening
houdend met de richtlijnen die door de OESO zijn uitgevaardigd. In dit kader is een uitspraak over de al dan niet
toepassing van het voormelde art. 26, WIB 92, mogelijk voor zover de voorgestelde vergoedingswijze en methode
voldoende worden onderbouwd.

In dit verband kan nuttig worden verwezen naar de administratieve circulaire van 28.6.1999, nr AFZ/98-0003
(Website: http://www.fisconet.fgov.be).



 Aanvullende inlichtingen

Federale Overheidsdienst Financiën
Dienst van Voorafgaande Beslissingen
Wetstraat 62
1040 Brussel
Tel.: 02/237.69.40
5.      VRIJSTELLING VOOR BIJKOMEND PERSONEEL VOOR WETENSCHAPPELIJK ONDERZOEK
        EN UITVOER



Inhoud steunmaatregel

De vrijstelling voor bijkomend personeel voor wetenschappelijk onderzoek en uitvoer is een fiscale
steunmaatregel van de Federale Overheidsdienst Financiën die voorziet in een vrijstelling van de belastbare
winsten tot een bedrag van 10.000,00 euro, (geïndexeerd voor het aanslagjaar 2005: 12.180,00 euro) per
bijkomende aangeworven personeelseenheid die in België voltijds in een onderneming wordt tewerkgesteld voor
bepaalde doeleinden.

Het bedrag van de vrijstelling wordt verhoogd tot 20.000,00 euro, (geïndexeerd voor het aanslagjaar 2005:
24.360,00 euro) wanneer de nieuw aangeworven persoon een hooggekwalificeerd onderzoeker is die in de
onderneming in België wordt tewerkgesteld voor wetenschappelijk onderzoek.

Begunstigden

De vrijstelling is toepasselijk op de winst van nijverheids- handels- en landbouwondernemingen. Dit kunnen
startende en bestaande kleine, middelgrote en grote ondernemingen zijn.

De vrijstelling wordt niet toegekend voor personeel tewerkgesteld door natuurlijke personen die vrije beroepen,
ambten, posten of andere winstgevende bezigheden uitoefenen.

Projecten

Volgende projecten komen in aanmerking:
- aanwerving in het kader van wetenschappelijk onderzoek;
- aanwerving in het kader van de uitbouw van het technologisch potentieel van de onderneming;
- aanwerving van een diensthoofd voor de uitvoer;
- aanwerving van een diensthoofd van de afdeling integrale kwaliteitszorg.

Diversen

Indien een voltijds diensthoofd van de onderneming wordt aangesteld als diensthoofd voor de uitvoer of als
diensthoofd van de afdeling integrale kwaliteitszorg wordt eveneens een vrijstelling toegekend indien de
onderneming binnen de 30 dagen die volgen op die aanstelling een nieuwe voltijdse werknemer aanwerft om de
vrijgekomen betrekking in te nemen.

De vrijstelling wordt toegestaan in de belastingaangifte van het boekjaar waarin de bijkomende aanwervingen
plaats hadden. Wanneer een personeelslid niet meer voor de voormelde doeleinden wordt tewerkgesteld, wordt
het totale bedrag van de voorheen vrijgestelde winst verminderd ten belope van het vrijgestelde bedrag waarop
deze persoon oorspronkelijk recht heeft gegeven, en wordt de winst of het verlies van het belastbare tijdperk
waarin het personeel niet meer wordt tewerkgesteld vermeerderd of verminderd met dat bedrag.

Het vrijgestelde bedrag of een deel daarvan dat ten gevolge van geen of onvoldoende winst niet kan afgetrokken
worden, mag niet overgedragen worden naar de volgende belastbare tijdperken.
De vrijstelling voor bijkomend personeel voor wetenschappelijk onderzoek en voor uitvoer is niet cumuleerbaar
met de vrijstelling voor bijkomend personeel met een laag loon.

Aanvraagprocedure

De toepassing van de belastingvrijstelling wordt afhankelijk gesteld van enerzijds de indiening van een
nominatieve opgave per soort van vrijstelling (opgave 276 W1, 276 W 2, 276 W3 en 276 W4: beschikbaar op
http://www.finform.be en eveneens verkrijgbaar bij de plaatselijke taxatiedienst) en anderzijds een attest op
naam uitgereikt door de bevoegde instanties, afhankelijk van de gevraagde vrijstelling.
ADRESSEN VOOR DE AANVRAAG VAN DE ATTESTEN

-   Diensthoofd integrale kwaliteitszorg

a) Ingeval de onderneming 50 werknemers of meer in dienst heeft

FOD Economie, K.M.O., Middenstand en Energie
Bestuur Kwaliteit en Veiligheid
Afdeling Accreditatie
T.a.v. de heer Jules De Windt
W.T.C.- Toren III – 5de verdieping
Simon Bolivarlaan 30
1000 Brussel
Tel.: 02/208.37.14


b) Ingeval de onderneming minder dan 50 werknemers in dienst heeft

FOD Economie, K.M.O., Middenstand en Energie
Bestuur Kwaliteit en Veiligheid
T.a.v. de heer Guido Goyens
WTC-toren III (5de verdieping)
Simon Bolivarlaan 30
1000 Brussel
Tel.: 02/208.36.19

-   Diensthoofd uitvoer

Agentschap voor Buitenlandse Handel
Dienst Promotieacties
T.a.v. de heer Arnout Van Wittenberghe
Montoyerstraat 3
1000 Brussel
Tel.: 02/206.35.06


-   Personeel tewerkgesteld voor wetenschappelijk onderzoek of voor de uitbouw van het technologisch
    potentieel van de onderneming

Federaal Wetenschapsbeleid
Productie en Analyse van Onderzoek- en Ontwikkelingsindicatoren
T.a.v. de heer André Lambert
Wetenschapsstraat 8
1000 Brussel
Tel.: 02/238.36.70



 Aanvullende inlichtingen

Federale Overheidsdienst Financiën
Administratie van de Ondernemings- en Inkomensfiscaliteit, sector directe belastingen
Centrale diensten
North Galaxy – bus 25
Koning Albert II-laan 33
1030 Brussel
Tel.: 02/336.21.11 (algemeen nummer) - 02/336.23.65
6.      VRIJSTELLING VOOR BIJKOMEND PERSONEEL MET EEN LAAG LOON



Inhoud steunmaatregel

De vrijstelling voor bijkomend personeel met een laag loon is een fiscale steunmaatregel van de Federale
Overheidsdienst Financiën. Inzake personenbelasting, vennootschapsbelasting en belasting van niet-inwoners
kan een vrijstelling van 3.718,40 euro (geïndexeerd bedrag voor het aanslagjaar 2005: 4.530,00 euro) worden
verleend per in België bijkomend tewerkgestelde personeelseenheid waarvan het bruto dag- of uurloon niet
hoger is dan een bepaald bedrag. Voor de jaren 2003 en vorige mocht het bruto dag- en uurloon niet hoger zijn
dan 79,82 euro of 10,51 euro; voor het jaar 2004 werden die bedragen respectievelijk op 81,69 euro en 10,75
euro gebracht.

Begunstigden

Deze steunmaatregel geldt voor nijverheids-, handels- en landbouwondernemingen die op 31 december 1997 of
op het einde van het jaar waarin de exploitatie is aangevangen, als die aanvang op een latere datum valt, minder
dan 11 werknemers (andere dan bedrijfsleiders) tewerkstellen. Ook beoefenaars van vrije beroepen, ambten,
posten of andere winstgevende bezigheden komen in aanmerking voor deze fiscale steunverlening.

Projecten

Volgend project komt in aanmerking:
- aanwerving van een bijkomende werknemer met een laag loon.

Diversen

De vrijstelling wordt slechts verleend op de winst of op de baten van de belastbare tijdperken die samenvallen
met de jaren 1998, 1999, 2000, 2001, 2002, 2003, 2004, 2005, 2006 en 2007 of, wanneer de boekhouding niet
per kalenderjaar wordt gevoerd, met het eerste boekjaar dat wordt afgesloten respectievelijk na 31 december
1998, 1999, 2000, 2001, 2002, 2003, 2004, 2005, 2006 en 2007.

Het aantal in België bijkomend tewerkgestelde personeelseenheden wordt vastgesteld door het gemiddeld
personeelsbestand tijdens de jaren 1998, 1999, 2000, 2001, 2002, 2003, 2004, 2005, 2006 en 2007
respectievelijk te vergelijken met dat van de jaren 1997, 1998, 1999, 2000, 2001, 2002, 2003, 2004, 2005 en
2006.

Er wordt geen rekening gehouden met de personeelsaangroei die het gevolg is van de overname van werknemers
welke reeds vóór 1 januari 1998 waren aangeworven:
- ofwel door een onderneming waarmede de belastingplichtige zich rechtstreeks in enigerlei band van
    wederzijdse afhankelijkheid bevindt,
- ofwel door een belastingplichtige waarvan de beroepswerkzaamheid geheel of gedeeltelijk wordt voortgezet
    ingevolge een gebeurtenis die niet bedoeld is in de artikelen 46 en 211 van het Wetboek van de
    inkomstenbelastingen 1992.

Indien dergelijke vrijstelling werd verleend voor het aanslagjaar 2004 en het gemiddelde personeelsbestand van
het jaar 2004 is verminderd ten opzichte van het jaar 2003, moeten de winsten of baten van het aanslagjaar 2005
werden verhoogd met 4.530,00 EUR per afgevloeid personeelslid, zonder dat die verhoging meer mag bedragen
dan het gedeelte van de winst of van de baten dat voor het aanslagjaar 2004 werkelijk is vrijgesteld.

Als de vermindering van het personeelsbestand evenwel het gevolg is van een overname van personeel door een
nieuwe werkgever in omstandigheden als bedoeld in het derde lid hiervoor, moet de voorheen toegekende
vrijstelling nochtans niet worden teruggenomen indien en in de mate dat wordt aangetoond dat de bijkomende
tewerkstelling tijdens het erop volgende jaar behouden is gebleven bij de werkgever die het personeel heeft
overgenomen.

Deze vrijstelling voor bijkomend personeel is niet cumuleerbaar met de vrijstelling voor bijkomend personeel
voor wetenschappelijk onderzoek en uitvoer.
Aanvraagprocedure

De belastingplichtigen dienen bij hun aangifte in de inkomstenbelastingen van het belastbare tijdperk waarvoor
zij de vrijstelling vragen, een tabel 276 T te voegen. Deze tabel is beschikbaar op http://www.finform.be en kan
eveneens bij de plaatselijke taxatiedienst worden verkregen.



 Aanvullende inlichtingen

Federale Overheidsdienst Financiën
Administratie van de Ondernemings- en Inkomensfiscaliteit, sector directe belastingen
Centrale diensten
North Galaxy – bus 25
Koning Albert II-laan 33
1030 Brussel
Tel.: 02/336.21.11 (algemeen nummer) - 02/336.23.65

Circulaires in verband met de vrijstelling voor bijkomend personeel met een laag loon (Ci.RH.242/516.233 van
29 oktober 2003 en Ci.RH.242/568.417 van 1 maart 2005) zijn beschikbaar op http://www.minfin.fgov.be onder
Fisconet, rubriek directe belastingen, subrubriek circulaires.


Federale Overheidsdienst Economie, KMO, Middenstand en Energie
Informatieambtenaar
De heer Bert Van Humbeek
City Atrium – Vooruitgangstraat 50
1210 Brussel
Tel.: 02/277.82.96
DEEL III : STEUN BIJ AANWERVINGEN
1.      PARAFISCALE MAATREGELEN



1.1     DE VERMINDERING 2004


Inhoud steunmaatregel

De Programmawet van 24 december 2002 voorziet in een harmonisering en vereenvoudiging van een aantal
sectoronafhankelijke verminderingen van de werkgeversbijdragen door deze onder te brengen in één
overkoepelende werkgeversbijdragevermindering. Deze overkoepelende vermindering bestaat uit twee delen,
enerzijds een algemene bijdragevermindering die varieert in functie van het referteloon van de werknemer en
anderzijds maximaal één doelgroepvermindering, die recht geeft op een forfaitair verminderingsbedrag en die
afhankelijk is van bepaalde criteria waaraan de werkgever en/of de werknemer moeten beantwoorden.

Diversen

Verminderingsbedrag
De vermindering wordt steeds aangerekend op het niveau van de tewerkstellingslijn.
Zowel bij de berekening van de structurele vermindering (Ps) als bij de doelgroepvermindering (Pg) wordt
rekening gehouden met de prestatiebreuk (µ) van de tewerkstellingslijn en een vaste multiplicatiefactor (1/b) die
het mogelijk maakt, afhankelijk van de geleverde arbeidsprestaties van de verschillende tewerkstellingen, af te
wijken van een strikt proportionele vermindering van de bijdragen.

De som van Ps en Pg geeft het bedrag dat men in mindering mag brengen van de voor deze tewerkstellingslijn
van de werknemer, verschuldigde werkgeversbijdragen voor volgende regelingen:
- de rust- en overlevingspensioenen voor werknemers;
- de ziekte- en invaliditeitsverzekering, sector geneeskundige verzorging;
- de ziekte- en invaliditeitsverzekering, sector uitkeringen;
- de werkloosheid, enkel de bijdrage die door iedere werkgever verschuldigd is;
- de kinderbijslagen;
- de beroepsziekten;
- de arbeidsongevallen;
- de loonmatigingsbijdrage.

De vermindering mag echter niet worden toegepast op het gedeelte van de loonmatigingsbijdrage berekend op de
bijdrage betaald educatief verlof, op de bijdrage van 1,60 % wanneer de werkgever minstens 10 personen
tewerkstelde en op de basisbijdrage en de bijzondere bijdrage voor het Fonds voor Sluiting van Ondernemingen.

In het geval dat de som van Ps en Pg meer bedraagt dan het bedrag van de werkgeversbijdragen van de regelingen
waarop de vermindering kan worden toegepast, wordt eerst het bedrag van de doelgroepvermindering afgetopt
en vervolgens het bedrag van de structurele vermindering.

De vermindering van de bijdragen waar een werkgever recht op heeft, kan geheel of gedeeltelijk worden
ingehouden bij de werkgevers die zonder rechtvaardiging hun verplichtingen aangaande betalingen van
socialezekerheidsbijdragen niet nakomen of die worden schuldig bevonden aan het doen of laten verrichten van
arbeid door een werknemer waarvoor geen bijdragen werden betaald aan de Rijksdienst voor Sociale Zekerheid.

Cumulaties

Binnen de geharmoniseerde vermindering kan de structurele vermindering per tewerkstelling gecombineerd
worden met maximaal één doelgroepvermindering.

De structurele vermindering en de doelgroepvermindering zijn niet cumuleerbaar met enige andere
werkgeversbijdragevermindering met uitzondering van de vermindering sociale maribel, die eigenlijk een
inhouding is op de klassieke werkgeversbijdragen om specifieke tewerkstellingsfondsen van de non-profit sector
te financieren. De doelgroepvermindering 'langdurig werkzoekenden' en de ermee verbonden
overgangsmaatregelen daarentegen zijn ook met de vermindering sociale maribel niet cumuleerbaar.
Bij het berekenen van het verminderingsbedrag trekt men eerst het bedrag sociale maribel (forfait van 354,92
EUR voor alle werkgevers voor elke werknemer die onder het toepassingsgebied van de sociale maribel valt) af
van de verschuldigde werkgeversbijdragen om het maximale bedrag aan werkgeversbijdragen te kennen waarop
de geharmoniseerde vermindering in mindering mag worden gebracht. Vermits werknemers waarvoor de
werkgever de doelgroepvermindering 'langdurig werkzoekenden' geniet (of één van de voor deze categorie
voorziene overgangsmaatregelen) niet tot het toepassingsgebied van de vermindering sociale maribel behoren,
moet het forfait bij deze werknemers niet in mindering worden gebracht. Voor hen gelden dus dezelfde
aftoppingsregels als voor de werknemers van werkgevers die niet in aanmerking komen voor de sociale maribel.

Voor de werknemers van beschutte werkplaatsen geldt een aparte regeling. Het bedrag sociale maribel moet
NOOIT vooraf in mindering gebracht worden.

Indien er meerdere tewerkstellingslijnen zijn, wordt het bedrag van de sociale maribel verdeeld rekening
houdend met het relatieve aandeel van de prestaties van een bepaalde tewerkstellinglijn in het geheel van de
prestaties voor dat kwartaal, gebruik makend van de prestatiebreuken ( µ / µ (glob) ).

Aanvraagprocedure

Per tewerkstellingslijn duidt de werkgever de structurele vermindering aan en één doelgroepvermindering
waarop hij aanspraak kan maken. De stukken ter staving van de doelgroepvermindering moet hij bijhouden
gedurende de verjaringstermijn en op vraag van de Rijksdienst voor Sociale Zekerheid kunnen voorleggen.


FUSIE, OPSPLITSING EN VOORTZETTING

In sommige gevallen van fusie, splitsing of voortzetting, kan de nieuwe werkgever een vermindering verder
blijven genieten.
Een onderscheid moet worden gemaakt tussen de verminderingen die elk kwartaal per werknemer worden
toegekend, uitsluitend afhankelijk van criteria waaraan in de loop van dat specifieke kwartaal moet zijn voldaan,
en verminderingen die op een bepaald moment zijn geïnitialiseerd op basis van een aantal criteria waar bovenop
nog een aantal voorwaarden moeten vervuld zijn in de loop van het kwartaal dat de vermindering wordt
aangevraagd.
Daarnaast kan een vermindering onlosmakelijk verbonden zijn aan een bepaalde werknemer, zodat het er weinig
toe doet bij welke werkgever de werknemer wordt tewerkgesteld.

- Verminderingen eigen aan de werknemer:
-
- doelgroepvermindering herstructurering:
de werknemer opent het recht op een vermindering van de werkgeversbijdrage gedurende een aantal kwartalen,
ongeacht bij welke werkgever hij werkt (met uitzondering van de betrokken onderneming in herstructurering
zelf, of een onderneming die behoort tot dezelfde groep als de onderneming in herstructurering).

Het doet er dus niet toe of (bijvoorbeeld) de onderneming waar hij begint te werken overgaat in een andere
onderneming al dan niet volgens één van de artikelen 671 tot 679 van het Wetboek van vennootschappen (fusie,
splitsing, inbreng).

Verminderingen enkel op basis van criteria waaraan voldaan moet zijn voor het kwartaal waarvoor de
vermindering wordt aangevraagd:

-   structurele vermindering;
-   doelgroepvermindering oudere werknemer;
-   collectieve arbeidsduurvermindering en vierdagenweek, als de werknemer door een fusie of inbreng tot een
    groep gaat behoren die reeds in een dergelijk systeem zit en waarvoor een vermindering lopend is.

Daar elk kwartaal opnieuw zowel de werkgever als de werknemer aan de voorwaarden moet voldoen, is de
vermindering onafhankelijk van een eventuele overname, fusie, omvorming enzovoort.

Verminderingen op basis van criteria waaraan voldaan moet zijn voor het kwartaal waarvoor de vermindering
wordt aangevraagd en waarvoor ook een aantal voorwaarden moeten vervuld worden op het moment van
indiensttreding:
-   doelgroepvermindering eerste aanwervingen;
-   doelgroepvermindering langdurig werklozen;
-   doelgroepvermindering collectieve arbeidsduurvermindering en 4-dagenweek;
-   doelgroepvermindering jongeren.

Wanneer de juridische entiteit waaraan de werknemer verbonden is, ophoudt te bestaan of niet langer als
werkgever van de werknemer die het recht op de vermindering heeft geopend, kan worden beschouwd, gaat in
principe het recht op deze verminderingen verloren, behalve wanneer opnieuw aan de beginvoorwaarden zou
voldaan worden.

De programmawet van 27 december 2004 voorziet echter een aantal gevallen waarin deze
doelgroepverminderingen bij een andere juridische entiteit toch kunnen worden voortgezet. Het betreft volgende
situaties:
- de rechtspersoon (handelsvennootschap) bewijst het resultaat te zijn van één van de verrichtingen bedoeld in
     artikelen 671 tot 679 van het Wetboek van vennootschappen (fusie, splitsing, inbreng);
- de rechtspersoon zonder winstoogmerk bewijst dat zijn vermogen het resultaat is van de samenvoeging van
     de activa na vereffening van één of meerdere rechtspersoonlijkheden zonder winstoogmerk, waarvan de
     algemene vergaderingen de wil hebben uitgedrukt om hun vermogen te bestemmen voor de oprichting van
     de voornoemde nieuwe rechtspersoon zonder winstoogmerk;
- de rechtspersoon bewijst dat hij de voortzetting is van de handelsactiviteit van een natuurlijke persoon die
     zijn handelsfonds heeft toegewezen aan hem heeft toegewezen.

Uiteraard zijn deze verminderingen niet zomaar verworven maar moet nog aan een aantal voorwaarden worden
voldaan, zoals:
- de nieuwe werkgever moet tot de groep werkgevers behoren waarop de doelgroepvermindering betrekking
    heeft;
- in het geval van de doelgroepvermindering collectieve arbeidsduurvermindering en 4-dagenweek moet de
    arbeidsduurvermindering of de arbeidsregeling 4-dagenweek voortgezet worden;
- in het geval van de doelgroepvermindering jonge werknemers moet de nieuwe werkgever voldoen aan de
    startbaanverplichting.

Ook zal in deze gevallen de werkgever die aanspraak maakt om verder te kunnen blijven genieten van deze
doelgroepverminderingen, hoofdelijk aansprakelijk zijn voor de sociale schulden van de preëxistente juridische
entiteiten.

De werkgever die de vermindering wenst voort te zetten deelt dit voorafgaandelijk uitdrukkelijk mee aan de
Controledienst van de RSZ en maakt de nodige documenten waaruit blijkt dat hij zich in één van de situaties
bevindt, over aan zijn dossierbeheerder. De Controledienst zal aan de aanvrager zijn beslissing overmaken of
indien nodig bijkomende documenten opvragen. De Controledienst zal, in het geval dat de nieuwe werkgever de
verminderingen mag voortzetten, eveneens het aantal resterende kwartalen meedelen dat de werkgever nog de
vermindering mag toepassen.



 Aanvullende inlichtingen

Rijksdienst voor Sociale Zekerheid
Victor Hortaplein 11
1060 Brussel
Tel.: 02/509.31.11
Fax: 02/509.30.19
Website: http://www.rsz.fgov.be
1.1.1    DE STRUCTURELE VERMINDERING


Begunstigden

Alle werkgevers die werknemers tewerkstellen die onderworpen zijn aan het geheel der regelingen.

Projecten

Alle werknemers die onderworpen zijn aan het geheel der regelingen:
- de rust- en overlevingspensioenen voor werknemers;
- de ziekte- en invaliditeitsverzekering, sector geneeskundige verzorging;
- de ziekte- en invaliditeitsverzekering, sector uitkeringen;
- de werkloosheid;
- de kinderbijslagen;
- de beroepsziekten;
- de arbeidsongevallen;
- de jaarlijkse vakantie.

Voor de privé-sector komen dus onder andere niet in aanmerking:
- de dienstboden;
- de jongeren tot 31 december van het jaar waarin ze de leeftijd van 18 jaar bereiken;
- de betaalde sportbeoefenaars;
- gelegenheidsarbeiders in de land- en tuinbouw;
- gelegenheidsarbeiders in de horeca tewerkgesteld op piekdagen;
- de geneesheren in opleiding tot specialist;
- de onthaalouders.

De meeste statutaire en contractuele personeelsleden van de openbare sector vallen niet onder alle
socialezekerheidsregelingen en komen dus niet in aanmerking voor de vermindering.

De mogelijkheid om de vermindering toe te passen is bijgevolg alleen voorzien voor die werkgevers uit de
openbare sector die personeelsleden kunnen tewerkstellen die onder alle regelingen vallen (bv. kerkfabrieken,
erkende maatschappijen voor het bouwen van goedkope woningen, polders en wateringen, bepaalde plaatselijke
vervoermaatschappijen, ...).

Opmerking
Categorie waartoe de werknemer kan behoren:
- categorie 1: werknemers die niet tot een van de twee volgende categorieën behoren;
- categorie 2: werknemers die in aanmerking komen voor de Sociale Maribel met uitzondering van de
    werknemers onder het paritair comité voor de diensten voor gezins- en bejaardenhulp en zij die worden
    tewerkgesteld in een erkende beschutte werkplaats;
- categorie 3: werknemers die worden tewerkgesteld in een erkende beschutte werkplaats.



 Aanvullende inlichtingen

Rijksdienst voor Sociale Zekerheid
Victor Hortaplein 11
1060 Brussel
Tel.: 02/509.31.11
Fax: 02/509.30.19
Website: http://www.rsz.fgov.be
1.1.2   DOELGROEPVERMINDERING


Inhoud steunmaatregel

Hierna worden de doelgroepverminderingen besproken, die ofwel een bepaalde groep werkgevers beogen te
favoriseren, ofwel bepaalde werknemers. De werkgever kan één van deze doelgroepverminderingen per
tewerkstellingslijn van de werknemer aanduiden voor zover zowel hijzelf als de werknemer aan de criteria
voldoen.

In tegenstelling met de structurele vermindering, moet de werknemer niet a priori onderworpen zijn aan alle
regelingen. Indien dit criterium bij een doelgroepvermindering meespeelt zal dit bij de bespreking van die
doelgroepvermindering worden toegelicht.

De doelgroepvermindering (Pg) berekent men, per tewerkstellingslijn, door een forfaitair verminderingsbedrag te
vermenigvuldigen met de vaste vermenigvuldigingsfactor en de prestatiebreuk:

Pg = G x µ x 1/b

Pg wordt afgerond tot op de eurocent waarbij 0,005 EUR wordt afgerond naar 0,01 EUR.

Afhankelijk van de beoogde doelgroep stemt G overeen met G1 of G2. De vermindering wordt toegekend
gedurende een aantal kwartalen, eveneens variërend volgens de karakteristieken van de doelgroep.

De vermindering G1 bedraagt momenteel 1.000 EUR en G2 400 EUR.


Volgende doelgroepen maken het voorwerp uit van deze vermindering:


1.1.2.1 OUDERE WERKNEMERS


Begunstigden

Alle werkgevers die werknemers tewerkstellen die onderworpen zijn aan het geheel der regelingen:
- de rust- en overlevingspensioenen voor werknemers;
- de ziekte- en invaliditeitsverzekering, sector geneeskundige verzorging;
- de ziekte- en invaliditeitsverzekering, sector uitkeringen;
- de werkloosheid;
- de kinderbijslagen;
- de beroepsziekten;
- de arbeidsongevallen;
- de jaarlijkse vakantie.

Projecten

Het betreft de werknemers die deel uitmaken van categorie 1 zoals omschreven bij de structurele vermindering,
die op de laatste dag van het kwartaal ten minste de leeftijd van 57 jaar hebben, zonder evenwel in dienst te
moeten zijn op het einde van het kwartaal.

Diversen

De werkgever geniet voor deze werknemer de vermindering G2 zolang de werknemer in dienst blijft.
1.1.2.2 NIEUWE WERKGEVERS – EERSTE AANWERVINGEN


Inhoud steunmaatregel

Deze doelgroepvermindering wordt toegekend aan nieuwe werkgevers gedurende een aantal kwartalen voor
maximaal drie werknemers.

Begunstigden

Alle werkgevers uit de privé-sector die werknemers tewerkstellen die onderworpen zijn aan de wet van 27 juni
1969 betreffende de maatschappelijke zekerheid der arbeiders.
De werkgever kan gedurende 20 kwartalen nadat hij een 1ste, 2de of 3de werknemer in dienst neemt, een aantal
kwartalen genieten van deze doelgroepvermindering. Het is belangrijk te bepalen wanneer deze periode van 20
kwartalen aanvangt. Voor alle duidelijkheid zal de situatie voor een 1 ste, een 2de en een 3de aanwerving apart
worden toegelicht.

In de bespreking die volgt wordt voor de kwalificatie 'nieuwe werkgever' en voor het toekennen van de
vermindering, nooit rekening gehouden met:
- jongeren tot 31 december van het jaar dat zij 18 worden;
- werknemers tewerkgesteld met een contract beoogd in artikel 4 van het koninklijk besluit van 28 november
    1969 (leerovereenkomst, stageovereenkomst, overeenkomst socioprofessionele inschakeling);
- dienstboden;
- gelegenheidsarbeiders in de land- en tuinbouwsector;
- gelegenheidsarbeiders in de horeca (werknemers waarvoor de socialezekerheidsbijdragen op een aparte
    manier worden berekend);
- alle andere werknemers die niet onder de socialezekerheidswet van 27 juni 1969 vallen (jobstudenten, …).

Voor de doelgroepvermindering eerste aanwervingen is het dus alsof werknemers die tot een van deze
categorieën behoren niet bestaan.


Aanwerving van een 1ste werknemer

Op het moment van indienstneming mag de werkgever nooit onderworpen zijn geweest aan de wet van 27 juni
1969 betreffende de maatschappelijke zekerheid der arbeiders of, sedert ten minste 4 opeenvolgende kwartalen
die het kwartaal van indienstneming voorafgaan, hieraan niet meer onderworpen zijn geweest.

Is deze voorwaarde vervuld, dan moet men nagaan of de werkgever samen met andere werkgevers geen zelfde
technische bedrijfseenheid uitmaken.

De 1ste werknemer mag immers geen werknemer vervangen die in de loop van de 4 kwartalen voorafgaand aan
het kwartaal van indienstneming in dezelfde technische bedrijfseenheid werkzaam is geweest.
Om na te gaan of er geen vervanging is in dezelfde technische bedrijfseenheid, gaat men als volgt tewerk:
- eerst bepaalt men het maximum aantal werknemers dat gelijktijdig in dezelfde technische bedrijfseenheid
     was tewerkgesteld in de loop van de vier kwartalen die de aanwerving voorafgaan (A);
- vervolgens neemt men het totaal aantal werknemers dat door de nieuwe werkgever op de eerste dag wordt
     aangeworven, verhoogd met het aantal werknemers dat eventueel nog is tewerkgesteld door andere
     werkgevers in dezelfde technische bedrijfseenheid (B).

Indien (B) ten minste één meer bedraagt dan (A), wordt het recht op de vermindering voor de aanwerving van de
eerste werknemer geopend. Indien de verhoging van het aantal werknemers evenwel kunstmatig wordt
veroorzaakt (door bijvoorbeeld de aanwerving van enkele werknemers met een overeenkomst voor één dag), dan
zal de RSZ het recht op de vermindering opnieuw ter discussie stellen.

De aanwerving van de 1ste werknemer opent voor een periode van 20 kwartalen met ingang van het kwartaal van
indienstneming, het recht van de werkgever op deze doelgroepvermindering voor één werknemer.
Aanwerving van een 2de werknemer

Op het moment van indienstneming mag de werkgever sedert ten minste 4 opeenvolgende kwartalen die het
kwartaal van indienstneming voorafgaan, nooit meer dan 1 werknemer onderworpen aan de wet van 27 juni 1969
tegelijkertijd in dienst hebben gehad.

De 2de werknemer mag tevens geen werknemer vervangen die in de loop van de 4 kwartalen voorafgaand aan het
kwartaal van indienstneming in dezelfde technische bedrijfseenheid werkzaam is geweest.

Om na te gaan of er sprake is van een vervanging in dezelfde technische bedrijfseenheid, gaat men op een
gelijkaardige manier tewerk als bij de aanwerving van een eerste werknemer.

De aanwerving van de 2de werknemer opent voor een periode van 20 kwartalen met ingang van het kwartaal van
indienstneming, het recht van de werkgever op de doelgroepvermindering voor een 2 de werknemer, in zoverre
tijdens het betreffende kwartaal minstens 2 werknemers, al dan niet tegelijkertijd, bij de werkgever
tewerkgesteld zijn.

Indien 2 werknemers tegelijkertijd in dienst zijn geweest, kan een volgende periode van 20 kwartalen enkel
beginnen na een periode van 4 opeenvolgende kwartalen gedurende welke niet meer dan 1 werknemer
tegelijkertijd in dienst is geweest.


Aanwerving van een 3de werknemer

Op het moment van indienstneming mag de werkgever sedert ten minste 4 opeenvolgende kwartalen die het
kwartaal van indienstneming voorafgaan, nooit meer dan 2 werknemers onderworpen aan de wet van 27 juni
1969 tegelijkertijd in dienst hebben gehad.

De 3de werknemer mag tevens geen werknemer vervangen die in de loop van de 4 kwartalen voorafgaand aan het
kwartaal van indienstneming in dezelfde technische bedrijfseenheid werkzaam is geweest.

Om na te gaan of er sprake is van een vervanging in dezelfde technische bedrijfseenheid, gaat men op een
gelijkaardige manier tewerk als bij de aanwerving van een eerste werknemer.

De aanwerving van de 3de werknemer opent voor een periode van 20 kwartalen met ingang van het kwartaal van
indienstneming, het recht van de werkgever op de doelgroepvermindering voor een 3 de werknemer in zoverre
tijdens het betreffende kwartaal minstens 3 werknemers, al dan niet tegelijkertijd, bij de werkgever
tewerkgesteld zijn.

Indien 3 werknemers tegelijkertijd in dienst zijn geweest, kan een volgende periode van 20 kwartalen enkel
beginnen na een periode van 4 opeenvolgende kwartalen gedurende welke niet meer dan 2 werknemers
tegelijkertijd in dienst zijn geweest.

Projecten

Het betreft alle werknemers die onderworpen zijn aan de wet van 27 juni 1969 behalve de reeds opgesomde
werknemers.

De werknemer moet dus aan geen enkele specifieke voorwaarde voldoen vóór zijn aanwerving.

Diversen

Vermindering

1ste werknemer
De werkgever geniet voor één fysieke persoon een forfaitaire vermindering G1 tijdens maximum 5 kwartalen en
daarna een forfaitaire vermindering G2 voor maximaal 8 kwartalen op te nemen binnen de 20 kwartalen te
rekenen vanaf het kwartaal dat de werkgever voor het eerst recht had op deze doelgroepvermindering. De
werkgever bepaalt zelf de kwartalen dat hij de vermindering wenst aan te rekenen, voor zover hij voor het
gekozen kwartaal voldoet aan alle voorwaarden.
Indien de werkgever aangesloten is bij een erkend sociaal secretariaat, heeft hij recht op een tussenkomst in de
aansluitingskosten van 36,45 EUR voor de kwartalen dat hij een doelgroepvermindering voor de aanwerving van
een 1ste werknemer aanvraagt (deze tussenkomst wordt niet geproratiseerd).

De vermindering is niet gebonden aan een bepaalde werknemer. De werkgever kan dus elk kwartaal opnieuw
kiezen voor welke werknemer hij de vermindering toepast. Het is dus best mogelijk dat de werknemer die
oorspronkelijk het recht opende, niet meer in dienst is.

2de werknemer
De werkgever geniet voor één fysieke persoon een forfaitaire vermindering G2 tijdens maximum 13 kwartalen
op te nemen binnen de 20 kwartalen te rekenen vanaf het kwartaal dat de werkgever voor het eerst recht had op
deze doelgroepvermindering. De werkgever bepaalt zelf de kwartalen dat hij de vermindering wenst aan te
rekenen, voor zover hij voor het gekozen kwartaal voldoet aan alle voorwaarden.

Deze vermindering kan slechts toegepast worden als in de loop van het kwartaal minstens 2 werknemers
werkzaam zijn geweest (tegelijkertijd of opeenvolgend).

De vermindering is niet gebonden aan een bepaalde werknemer. De werkgever kan dus elk kwartaal opnieuw
kiezen voor welke werknemer hij de vermindering toepast. Het is dus best mogelijk dat de werknemer die
oorspronkelijk het recht opende, niet meer in dienst is.

3de werknemer
De werkgever geniet voor één fysieke persoon een forfaitaire vermindering G2 tijdens maximum 9 kwartalen op
te nemen binnen de 20 kwartalen te rekenen vanaf het kwartaal dat de werkgever voor het eerst recht had op
deze doelgroepvermindering. De werkgever bepaalt zelf de kwartalen dat hij de vermindering wenst aan te
rekenen, voor zover hij voor het gekozen kwartaal voldoet aan alle voorwaarden.

Deze vermindering kan slechts toegepast worden als in de loop van het kwartaal minstens 3 werknemers
werkzaam zijn geweest (tegelijkertijd of opeenvolgend).

De vermindering is niet gebonden aan een bepaalde werknemer. De werkgever kan dus elk kwartaal opnieuw
kiezen voor welke werknemer hij de vermindering toepast. Het is dus best mogelijk dat de werknemer die
oorspronkelijk het recht opende, niet meer in dienst is.
1.1.2.3 WERKGEVERS DIE EEN COLLECTIEVE                        ARBEIDSDUURVERMINDERING                OF    EEN
        VIERDAGENWEEK INSTELLEN


Begunstigden

Het betreft de werkgevers van wie de werknemers onder het toepassingsgebied vallen van de wet van 5
december 1968 betreffende de collectieve arbeidsovereenkomsten en de paritaire comités of onder het
toepassingsgebied van de wet van 21 maart 1991 houdende de hervorming van sommige economische
overheidsbedrijven. Samengevat zijn dit de werkgevers uit de private sector en de autonome overheidsbedrijven.

De werkgever kan de arbeidsduurvermindering en / of vierdagenweek invoeren voor gans zijn personeel of enkel
voor (een) bepaalde categorie(ën) van werknemers (voorbeeld: enkel arbeiders, 45-plussers, ...).

Projecten

De voltijdse werknemers die tot een categorie van werknemers behoren die voor onbepaalde tijd overgegaan
zijn, ofwel tot een effectieve arbeidsduurvermindering van ten minste een vol arbeidsuur onder de 38 uren per
week, ofwel een vierdagenweek zoals verder bepaald, ofwel beide, kunnen in aanmerking komen voor deze
doelgroepvermindering.

Deeltijdse werknemers van wie het loon moet worden aangepast wegens de invoering van de
arbeidsduurvermindering komen eveneens in aanmerking.

Diversen

Vermindering
De werkgever kan aanspraak maken op een vermindering G2 vanaf het kwartaal volgend op het kwartaal waarin
de arbeidsduurvermindering of vierdagenweek wordt ingesteld en dit voor:
- 8 kwartalen bij invoering van een arbeidsduur van 37 uur per week of minder;
- 12 kwartalen bij invoering van een arbeidsduur van 36 uur per week of minder;
- 16 kwartalen bij invoering van een arbeidsduur van 35 uur per week of minder;
- 4 kwartalen bij invoering van een vierdagenweek.

Onder 'vierdagenweek' moet worden verstaan: de regeling waarbij de wekelijkse arbeidsduur gespreid wordt
hetzij over vier arbeidsdagen per week, hetzij over vijf arbeidsdagen per week welke drie volledige en twee
halve arbeidsdagen inhouden.

Onder 'halve arbeidsdag' verstaat men: ten hoogste de helft van het aantal arbeidsuren dat voorzien wordt in het
werkrooster voor de langste van de drie volledige arbeidsdagen.

De werkgever kan aanspraak maken op een vermindering G1 voor het kwartaal waarbij de werknemer in
aanmerking komt zowel voor de vermindering als gevolg van het invoeren van de vierdagenweek als voor de
vermindering wegens het invoeren van een arbeidsduurvermindering.

De doelgroepvermindering kan slechts worden toegekend indien de arbeidsduurvermindering of de invoering
van de vierdagenweek gedurende het volledige kwartaal werd gehandhaafd.

Opmerking
Voltijdse werknemers die in dienst komen na de invoering van de arbeidsduurvermindering hebben eveneens
recht op deze vermindering als ze tot een categorie behoren die daarvoor in aanmerking komt. Hetzelfde geldt
voor deeltijdse werknemers die na het kwartaal waarin de vermindering voor de eerste maal wordt toegekend,
voltijds gaan werken. De feitelijke situatie waarop de tewerkstellingslijn betrekking heeft is bepalend of de
werknemer tot de rechtopenende groep behoort of niet.

Elke doelgroepvermindering arbeidsduurvermindering overeenkomend met één van de drie hierboven
vernoemde situaties kan voor een werknemer behorende tot een wel gedefinieerde groep slechts één maal
worden toegekend en in zoverre de arbeidsduurvermindering minstens een volledig uur bedraagt. Zo kan ook de
doelgroepvermindering vierdagenweek voor een bepaalde groep werknemers slechts éénmaal worden toegekend.
Indien door een arbeidsduurvermindering vóór 1 oktober 2003 het recht reeds geopend werd op de vermindering
'collectieve arbeidsduurvermindering na 1 oktober 2001', kan de werkgever niet opnieuw aanspraak maken op de
doelgroepvermindering arbeidsduurvermindering. Er zijn wel overgangsbepalingen voorzien.

Zo kan ook de doelgroepvermindering vierdagenweek voor een bepaalde groep werknemers niet worden
toegekend indien vóór 1 oktober 2003 het recht reeds werd geopend op de vermindering 'vierdagenweek na 1
oktober 2001'.

De toekenning van de vermindering is voorlopig. Zij wordt definitief indien vaststaat dat de werkgever alle
voorwaarden voor de toekenning vervult.

Aanvraagprocedure

Onder arbeidsduur verstaat men de gemiddelde wekelijkse arbeidsduur van de voltijds tewerkgestelde
werknemers, berekend over een periode van een jaar, zoals deze tot uiting komt hetzij door het werkrooster dat
in het arbeidsreglement is opgenomen en dat eventueel over een cyclus wordt toegepast, hetzij door het
werkrooster gecombineerd met de inhaalrustdagen toegekend in het kader van de arbeidsduurvermindering.

Zowel het gemiddeld aantal uren vóór als na de invoering van het stelsel van arbeidsduurvermindering moet
worden meegedeeld in een apart scherm van de webapplicatie of in een apart functioneel blok.

In wezen kan dit dus verschillen met het gemiddeld aantal uren van de maatpersoon (indien uren moeten worden
opgegeven) bij de definiëring van de tewerkstellingslijn, omdat hier de uren inhaalrust ingevolge een
arbeidsduurvermindering wel worden opgenomen.

De datum van inwerkingtreding van het stelsel moet eveneens worden meegedeeld.
1.1.2.4 LANGDURIG WERKZOEKENDEN – ALGEMENE CATEGORIE


Inhoud steunmaatregel

De doelgroepvermindering langdurig werkzoekenden wordt toegekend gedurende een aantal kwartalen aan de
werkgevers die een langdurig werkzoekende, een uitkeringsgerechtigde volledig werkloze, een gerechtigde op
maatschappelijke integratie of een rechthebbende op financiële maatschappelijke hulp aanwerven.

Onder bepaalde voorwaarden kunnen de werknemers eveneens genieten van een werkuitkering of een
inschakelingsuitkering. De hiernavolgende tekst beoogt enkel de verduidelijking van de bepalingen omtrent de
werkgeversbijdragevermindering. Het toekennen van de uitkeringen valt onder de bevoegdheid van de RVA of
van het OCMW.

Begunstigden

Alle werkgevers, zowel van de privé-sector als van de openbare sector, komen in aanmerking voor de
vermindering.

Zijn evenwel uitgesloten:
- het Rijk, met daarin begrepen de Rechterlijke macht, de Raad van State, het leger en de federale politie;
- de Gemeenschappen en Gewesten;
- de instellingen van openbaar nut en de openbare instellingen die van de hiervoor genoemde overheden
     afhangen.

Komen voor de overheidssector wel in aanmerking:
- de openbare kredietinstellingen;
- de autonome overheidsbedrijven;
- de openbare maatschappijen voor personenvervoer;
- de openbare instellingen voor het personeel dat zij in dienst nemen als uitzendkrachten, om het ter
   beschikking te stellen van gebruikers met het oog op het uitvoeren van een tijdelijke arbeid, overeenkomstig
   de wet van 24 juli 1987 betreffende de tijdelijke arbeid, de uitzendarbeid en het ter beschikking stellen van
   werknemers ten behoeve van gebruikers;
- de polders en wateringen alsook de kerkfabrieken.

Ook de in België gevestigde diplomatieke zendingen en de supranationale instellingen komen in aanmerking.

Projecten

Het gaat om werkzoekenden, waarmee bedoeld wordt de niet-werkende werknemers die als werkzoekende zijn
ingeschreven bij de gewestelijke dienst voor arbeidsbemiddeling.

Volgende categorieën komen in aanmerking:
1° hij die op de dag van indienstneming werkzoekend is en
- minder dan 45 jaar oud is op datum van indienstneming en
- werkzoekend is geweest gedurende ten minste 312 dagen gerekend in een regime van 6 dagen gezien over
     een periode overeenkomend met de maand van indienstneming en de 18 kalendermaanden daaraan
     voorafgaand;

2° hij die op de dag van indienstneming werkzoekend is en
- minder dan 45 jaar oud is op datum van indienstneming en
- werkzoekend is geweest gedurende ten minste 624 dagen gerekend in een regime van 6 dagen gedurende
     een periode overeenkomend met de maand van indienstneming en de 36 kalendermaanden daaraan
     voorafgaand;

3° hij die op de dag van indienstneming werkzoekend is en
- minder dan 45 jaar oud is op datum van indienstneming en
- werkzoekend is geweest gedurende ten minste 936 dagen gerekend in een regime van 6 dagen gezien over
     een periode overeenkomend met de maand van indienstneming en de 54 kalendermaanden daaraan
     voorafgaand;
4° hij die op de dag van indienstneming werkzoekend is en
- minder dan 45 jaar oud is op datum van indienstneming en
- werkzoekend is geweest gedurende ten minste 1560 dagen gerekend in een regime van 6 dagen gezien over
     een periode overeenkomend met de maand van indienstneming en de 90 kalendermaanden daaraan
     voorafgaand;

5° hij die op de dag van indienstneming werkzoekend is en
- minstens 45 jaar oud is op datum van indienstneming en
- werkzoekend is geweest gedurende ten minste 156 dagen gerekend in een regime van 6 dagen gedurende
     een periode overeenkomend met de maand van indienstneming en de 9 kalendermaanden daaraan
     voorafgaand;

6° hij die op de dag van indienstneming werkzoekend is en
- minstens 45 jaar oud is op datum van indienstneming en
- werkzoekend is geweest gedurende ten minste 312 dagen gerekend in een regime van 6 dagen gezien over
     een periode overeenkomend met de maand van indienstneming en de 18 kalendermaanden daaraan
     voorafgaand óf gezien over ten minste 468 dagen gerekend in een regime van 6 dagen gedurende een
     periode overeenkomend met de maand van indienstneming en de 27 kalendermaanden daaraan voorafgaand;

7° hij die op de dag van indienstneming werkzoekend is en
- minder dan 45 jaar oud is op datum van indienstneming en
- werkzoekend is geweest gedurende ten minste 156 dagen gerekend in een regime van 6 dagen gezien over
     een periode overeenkomend met de maand van indienstneming en de 9 kalendermaanden daaraan
     voorafgaand en werkloos is geworden als gevolg van een bedrijfssluiting zoals bedoeld in de wet van 28
     juni 1966 betreffende de schadeloosstelling van de werknemers die ontslagen worden bij sluiting van
     ondernemingen; de indienstneming moet gebeuren binnen de 24 maanden na de sluiting.

Opmerking
De werknemers van de volgende categorieën komen voor de vermindering niet in aanmerking:
- de werknemer die van het voordeel van de vrijstelling werd uitgesloten door een beslissing van het
    beheerscomité van de Rijksdienst voor Sociale Zekerheid, genomen op basis van een rapport van de
    inspectiediensten van de Inspectie van de Sociale Wetten, de Sociale Inspectie, de RVA of de RSZ, indien
    na klacht werd vastgesteld dat de werknemer werd aangenomen ter vervanging en in eenzelfde functie van
    een ontslagen werknemer met als hoofdzakelijk doel de voordelen van dit koninklijk besluit te bekomen;
- de werknemers die worden aangeworven vanaf het ogenblik dat zij zich in een statutaire toestand bevinden;
- de werknemers die worden aangeworven als leden van het academisch en wetenschappelijk personeel door
    de instellingen van universitair onderwijs of als leden van het onderwijzend personeel in de andere
    onderwijsinstellingen.

Vermindering
De werkgever kan van volgende verminderingen genieten:

Voor de werknemer van categorie
1° Een doelgroepvermindering G1 gedurende het kwartaal van indienstneming en de 4          daarop volgende
kwartalen;
2° Een doelgroepvermindering G1 gedurende het kwartaal van indienstneming en de 8          daarop volgende
kwartalen;
3° Een doelgroepvermindering G1 gedurende het kwartaal van indienstneming en de 8          daarop volgende
kwartalen en vervolgens een doelgroepvermindering G2 gedurende 4 kwartalen;
4° Een doelgroepvermindering G1 gedurende het kwartaal van indienstneming en de 8          daarop volgende
kwartalen en vervolgens een doelgroepvermindering G2 gedurende 12 kwartalen;
5° Een doelgroepvermindering G1 gedurende het kwartaal van indienstneming en de 4          daarop volgende
kwartalen en vervolgens een doelgroepvermindering G2 gedurende 16 kwartalen;
6° Een doelgroepvermindering G1 gedurende het kwartaal van indienstneming en de 20         daarop volgende
kwartalen;
7° Een doelgroepvermindering G1 gedurende het kwartaal van indienstneming en de 4          daarop volgende
kwartalen.
Indien een werkgever deze doelgroepvermindering of de overgangsmaatregelen activa reeds genoten heeft voor
een werknemer die hij opnieuw in dienst neemt binnen de 30 maanden na het einde van de vorige
arbeidsovereenkomst en deze werknemer nog een geldige werkkaart kan voorleggen, wordt deze tewerkstelling
ononderbroken geacht wat betreft het vaststellen van het recht op de vermindering G1 of G2 en het aantal
resterende kwartalen dat hij hierop nog recht heeft. De periode van onderbreking verlengt dus de periode
gedurende dewelke de voordelen kunnen worden toegekend, niet.

De werkgever kan geen aanspraak maken op deze doelgroepvermindering voor de werknemer die hij terug in
dienst neemt binnen een periode van 12 maand na beëindiging van de vorige arbeidsovereenkomst die gesloten
was voor onbepaalde duur wanneer hij voor deze tewerkstelling genoten heeft van de voordelen van het
banenplan.

Aanvraagprocedure

De werkzoekenden die voldoen aan de voorwaarden voor deze doelgroepvermindering, kunnen bij het regionaal
bureau van de RVA waarvan zij afhangen, een werkkaart bekomen als bewijs van deze hoedanigheid.

Indien de werkzoekende op het ogenblik van zijn indienstneming niet in het bezit is van een geldige werkkaart,
dan kan ook de werkgever de kaart aanvragen bij de RVA. De aanvraag die van de werkgever uitgaat zal enkel
geldig zijn indien zij voor iedere werkzoekende afzonderlijk gebeurt, en wordt slechts aanvaard voor zover op
die aanvraag de namen van de werkgever en van de werknemer vermeld zijn, alsook het domicilie van de
werknemer, zijn identificatienummer voor de sociale zekerheid en de datum van zijn indiensttreding.

De aanvraag voor een werkkaart moet gebeuren bij het regionaal bureau van de RVA, uiterlijk de 30e dag die
volgt op de datum van indienstneming. Wanneer de werkgever deze termijn van 30 dagen niet eerbiedigt, wordt
de periode van vermindering van bijdragen ingekort met een periode die aanvangt op de dag van de
indienstneming en die eindigt op de laatste dag van het kwartaal waarin de laattijdige aanvraag van de werkkaart
gebeurde.

De werkkaart moet binnen dezelfde termijn worden aangevraagd voor de indienstnemingen die gebeuren bij het
beëindigen van één van de hierboven opgesomde periodes waarvoor de hoedanigheid van werkzoekende op het
moment van indienstneming niet vereist is.

Indien de aanvraag van de werkkaart per post gebeurt, dan wordt de postdatum als datum van indiening
beschouwd. De werkkaart draagt als geldigheidsdatum:
- de datum waarop de aanvraag wordt ingediend indien de werkzoekende nog niet in dienst is genomen;
- de datum van de indienstneming indien de werkzoekende reeds in dienst is genomen.

De werkkaart heeft een geldigheidsduur van drie maanden en is geldig voor elke indienstneming die plaatsvindt
tijdens haar geldigheidsperiode.

Wanneer een nieuwe werkkaart wordt aangevraagd tijdens de geldigheidsduur van een vorige werkkaart, wordt
een werkkaart gegeven met dezelfde geldigheidsperiode als de vorige werkkaart.

De geldigheid van de werkkaart is verlengbaar met periodes van telkens drie maanden voor zover de
werkzoekende aantoont dat hij op de datum van indiening van de nieuwe aanvraag of op de datum van de
indienstneming opnieuw voldoet aan de gestelde voorwaarden.
1.1.2.5 LANGDURIG WERKZOEKENDEN – DE DOORSTROMINGSPROGRAMMA’S


Inhoud steunmaatregel

Deze steunmaatregel heeft betrekking op werknemers die aangenomen werden in het kader van een
doorstromingsprogramma.


Begunstigden

Het betreft de Staat, de Gewesten, de Gemeenschappen en de instellingen van openbaar nut en de openbare
instellingen die van de hiervoor genoemde overheden afhangen.

Het betreft verenigingen zonder winstgevend doel en andere niet-commerciële verenigingen.

Projecten

Het gaat om werkzoekenden, waarmee bedoeld wordt de niet-werkende werknemers die als werkzoekende zijn
ingeschreven bij de gewestelijke dienst voor arbeidsbemiddeling. Deze werkzoekenden moeten aangeworven
zijn in het kader van een doorstromingsprogramma zoals bedoeld in het koninklijk besluit van 9 juni 1997 ter
uitvoering van het artikel 7 § 1, 3de lid, m van de besluitwet van 28 december 1944 betreffende de
maatschappelijke zekerheid der arbeiders.

Volgende categorieën komen in aanmerking:

1° hij die op de dag van indienstneming volledig uitkeringsgerechtigd werkloos is en
- minder dan 45 jaar oud is op datum van indienstneming en
- ofwel geen diploma, getuigschrift of brevet hoger secundair onderwijs heeft, jonger dan 25 is en een wacht-
     of werkloosheidsuitkering gedurende minstens 9 maand zonder onderbreking geniet, ofwel van een
     wachtuitkering geniet gedurende ten minste 12 maanden;

2° hij die op de dag van indienstneming volledig uitkeringsgerechtigd werkloos is en
- minder dan 45 jaar oud is op datum van indienstneming en
- zonder onderbreking ten minste 24 maanden een werkloosheidsuitkering geniet;

3° hij die op de dag van indienstneming volledig uitkeringsgerechtigd werkloos is en
- minstens 45 jaar oud is op datum van indienstneming en
- zonder onderbreking ten minste 12 maanden een wachtuitkering geniet;

4° hij die op de dag van indienstneming volledig uitkeringsgerechtigd werkloos is en
- minstens 45 jaar oud is op datum van indienstneming en
- zonder onderbreking ten minste 24 maanden een werkloosheidsuitkering geniet.


De werknemers van de volgende categorieën komen voor de vermindering niet in aanmerking:

-   de werknemer die van het voordeel van de vrijstelling werd uitgesloten door een beslissing van het
    beheerscomité van de Rijksdienst voor Sociale Zekerheid, genomen op basis van een rapport van de
    inspectiediensten van de Inspectie van de Sociale Wetten, de Sociale Inspectie, de RVA of de RSZ, indien
    na klacht werd vastgesteld dat de werknemer werd aangenomen ter vervanging en in eenzelfde functie van
    een ontslagen werknemer met als hoofdzakelijk doel de voordelen van dit koninklijk besluit te bekomen;
-   de werknemers die worden aangeworven vanaf het ogenblik dat zij zich in een statutaire toestand bevinden.
Diversen

Vermindering
De werkgever kan van volgende verminderingen genieten:

Voor de werknemer van categorie
1°: Een doelgroepvermindering G1 gedurende het kwartaal van indienstneming en de 4            daarop volgende
kwartalen en vervolgens een doelgroepvermindering G2 gedurende 4 kwartalen;
2°: Een doelgroepvermindering G1 gedurende het kwartaal van indienstneming en de 8            daarop volgende
kwartalen;
3°: Een doelgroepvermindering G1 gedurende het kwartaal van indienstneming en de 4            daarop volgende
kwartalen en vervolgens een doelgroepvermindering G2 gedurende 8 kwartalen;
4°: Een doelgroepvermindering G1 gedurende het kwartaal van indienstneming en de 12           daarop volgende
kwartalen.

Aanvraagprocedure

De bepalingen van het koninklijk besluit van 9 juni 1997 tot uitvoering van artikel 7, § 1, derde lid, m, van de
besluitwet van 28 december 1944 betreffende de maatschappelijke zekerheid der arbeiders betreffende de
doorstromingsprogramma's moeten gerespecteerd worden.
1.1.2.6 LANGDURIG WERKZOEKENDEN – DE SOCIALE INSCHALINGSECONOMIE


Inhoud steunmaatregel

Deze steunmaatregel betreft de herinschakeling van zeer moeilijk te plaatsen werklozen.

Begunstigden

Het betreft volgende werkgevers:
- de beschutte werkplaatsen en de sociale werkplaatsen behorende tot het paritair comité voor de beschutte
    werkplaatsen en de sociale werkplaatsen;
- inschakelingsbedrijven, zijnde de ondernemingen en verenigingen met een rechtspersoonlijkheid, als
    dusdanig erkend en gesubsidieerd door de overheid van het Gewest of de Gemeenschap, die als sociaal doel
    de socioprofessionele inschakeling van bijzonder moeilijk te plaatsen werklozen hebben via een activiteit
    van productie van goederen of diensten; de minister van Tewerkstelling en Arbeid erkent de
    inschakelingsbedrijven in het kader van dit besluit;
- de werkgevers die initiatieven inzake sociale inschakelingseconomie organiseren bedoeld in artikel 59,
    eerste lid van de wet van 26 maart 1999;
- de sociale verhuurkantoren bedoeld bij de ordonnantie van het Brussels Hoofdstedelijk Gewest van 12
    februari 1998 tot oprichting van sociale verhuurkantoren en bij het besluit van 19 november 1998;
- de agentschappen voor sociale huisvesting bedoeld bij het besluit van de Waalse regering van 17 maart 1999
    houdende erkenning van agentschappen voor sociale huisvesting, gewijzigd bij het besluit van 13 december
    2001;
- de sociale verhuurkantoren bedoeld bij het besluit van de Vlaamse regering van 21 oktober 1997 houdende
    bepaling van de erkennings- en subsidievoorwaarden van sociale verhuurkantoren;
- de openbare vastgoedmaatschappijen bedoeld bij de ordonnantie van de Raad van het Brussels
    Hoofdstedelijk Gewest van 9 september 1993 houdende de wijziging van de Huisvestingscode voor het
    Brussels Hoofdstedelijk Gewest en betreffende de sector van de Sociale Huisvesting;
- de sociale huisvestingsmaatschappijen bedoeld bij het decreet van de Vlaamse Raad van 15 juli 1997
    houdende de Vlaamse Wooncode;
- de openbare huisvestingsmaatschappijen bedoeld bij het decreet van de Waalse Gewestraad van 29 oktober
    1998 houdende de Waalse Huisvestingscode;
- de invoegbedrijven en invoegafdelingen erkend krachtens het besluit van de Vlaamse regering van 8
    september 2000 houdende een impuls- en ondersteuningsprogramma van de meerwaardeneconomie,
    gewijzigd bij besluit van de Vlaamse regering van 6 juli 2001 en 7 december 2001;
- de vennootschappen met een sociaal oogmerk bedoeld in artikel 661 van het wetboek van vennootschappen
    van 7 mei 1999.

Projecten

Het gaat om uitkeringsgerechtigde volledige werklozen, gerechtigden op maatschappelijke integratie en
rechthebbenden op financiële maatschappelijke hulp.

Volgende categorieën komen in aanmerking:
1° hij die op de dag van indienstneming volledig uitkeringsgerechtigd werkloos is en
- minder dan 45 jaar oud is op datum van indienstneming en
- volledig uitkeringsgerechtigd is geweest gedurende ten minste 312 dagen gerekend in een regime van 6
     dagen gezien over een periode overeenkomend met de maand van indienstneming en de 18
     kalendermaanden daaraan voorafgaand en
- geen diploma of getuigschrift hoger secundair onderwijs heeft;

2° hij die op de dag van indienstneming volledig uitkeringsgerechtigd werkloos is en
- minder dan 45 jaar oud is op datum van indienstneming en
- volledig uitkeringsgerechtigd is geweest gedurende ten minste 624 dagen gerekend in een regime van 6
     dagen gezien over een periode overeenkomend met de maand van indienstneming en de 36
     kalendermaanden daaraan voorafgaand en
- geen diploma of getuigschrift hoger secundair onderwijs heeft;

3° hij die op de dag van indienstneming volledig uitkeringsgerechtigd werkloos is en
-   minstens 45 jaar oud is op datum van indienstneming en
-   volledig uitkeringsgerechtigd is geweest gedurende ten minste 156 dagen gerekend in een regime van 6
    dagen gezien over een periode overeenkomend met de maand van indienstneming en de 9 kalendermaanden
    daaraan voorafgaand en
-   geen diploma of getuigschrift hoger secundair onderwijs heeft;

4° hij die op de dag van indienstneming recht heeft op maatschappelijke integratie of op financiële
maatschappelijke hulp en
- minder dan 45 jaar oud is op datum van indienstneming en
- recht gehad heeft gedurende ten minste 156 dagen gerekend in een regime van 6 dagen op maatschappelijke
    integratie of op financiële maatschappelijke hulp gezien over een periode overeenkomend met de maand van
    indienstneming en de 9 kalendermaanden daaraan voorafgaand en
- geen diploma of getuigschrift hoger secundair onderwijs heeft;

5° hij die op de dag van indienstneming recht heeft op maatschappelijke integratie of op financiële
maatschappelijke hulp en
- minder dan 45 jaar oud is op datum van indienstneming en
- recht gehad heeft gedurende ten minste 312 dagen gerekend in een regime van 6 dagen op maatschappelijke
    integratie of op financiële maatschappelijke hulp gezien over een periode overeenkomend met de maand van
    indienstneming en de 18 kalendermaanden daaraan voorafgaand en
- geen diploma of getuigschrift hoger secundair onderwijs heeft;

6° hij die op de dag van indienstneming recht heeft op maatschappelijke integratie of op financiële
maatschappelijke hulp en
- minstens 45 jaar oud is op datum van indienstneming en
- recht gehad heeft gedurende ten minste 156 dagen gerekend in een regime van 6 dagen op maatschappelijke
    integratie of op financiële maatschappelijke hulp gezien over een periode overeenkomend met de maand van
    indienstneming en de 9 kalendermaanden daaraan voorafgaand en
- geen diploma of getuigschrift hoger secundair onderwijs heeft.

Diversen

Vermindering
De werkgever kan van volgende verminderingen genieten:

Voor de werknemer van categorie
1° en 4°: een doelgroepvermindering G1 gedurende het kwartaal van indienstneming en de 10 daarop volgende
kwartalen (wanneer de bevoegde regionale dienst voor arbeidsbemiddeling na afloop van de 10 kwartalen
oordeelt dat de werknemer nog altijd niet geschikt is om zich te integreren in de gewone arbeidsmarkt, kan de
duur van de doelgroepvermindering verlengd worden met een nieuwe periode van maximum 10 kwartalen);

2° en 5°: een doelgroepvermindering G1 gedurende het kwartaal van indienstneming en de 20 daarop volgende
kwartalen (wanneer de bevoegde regionale dienst voor arbeidsbemiddeling na afloop van de 20 kwartalen
oordeelt dat de werknemer nog altijd niet geschikt is om zich te integreren in de gewone arbeidsmarkt, kan de
duur van de doelgroepvermindering verlengd worden met een nieuwe periode van maximum 20 kwartalen);

3° en 6°: een doelgroepvermindering G1 gedurende het kwartaal van indienstneming en de daarop volgende
kwartalen.

Indien een werkgever deze vermindering reeds heeft genoten voor een werknemer die hij opnieuw in dienst
neemt binnen de 12 maanden na het einde van de vorige arbeidsovereenkomst, wordt de tewerkstelling geacht
ononderbroken te zijn voor wat betreft het vaststellen van het recht op de vermindering G1 en het aantal
resterende kwartalen dat hij hierop nog recht heeft. De periode van onderbreking verlengt dus de periode waarin
de voordelen kunnen worden toegekend, niet.

Aanvraagprocedure

De werkgever moet voorafgaandelijk van de directeur-generaal van de administratie Werkgelegenheid van de
FOD Werkgelegenheid, Arbeid en Sociaal Overleg een attest verkrijgen dat bewijst dat hij onder het
toepassingsgebied van deze maatregel valt.
Om in aanmerking te komen voor de vermindering moet de werknemer (of de werkgever indien het gaat om een
activering van de tussenkomst vanwege een OCMW) een herinschakelingsuitkering genieten in het kader van de
sociale inschakelingseconomie. Bij zijn aanvraag voor een herinschakelingsuitkering voegt de werknemer,
respectievelijk de werkgever, het hierboven vermelde attest.

De RVA geeft aan de RSZ de gegevens van de werknemers door die recht geven op deze
doelgroepvermindering.
1.1.2.7 JONGE WERKNEMERS


Inhoud steunmaatregel

Deze doelgroepvermindering richt zich naar de aanwerving van jonge werknemers. Voor een groot deel betreft
het de werknemers die beoogd werden door de startbanen.

Begunstigden

Zowel de werkgevers uit de openbare als uit de private sector komen voor de doelgroepvermindering in
aanmerking, ongeacht het aantal werknemers dat zij tewerkstellen. Om van de doelgroepvermindering 'jonge
werknemers' te kunnen genieten moeten zij voldoen aan de startbaanverplichting.

Onder startbaanverplichting moet worden verstaan de verplichte aanwerving van ten minste 3 % jongeren
uitgedrukt in VTE (voltijds equivalent) met een startbaan (sinds 1 januari 2004 uitgebreid tot alle jongeren onder
de 26 jaar, al dan niet met een startbaanovereenkomst verbonden) ten opzichte van het 2de kwartaal van het
voorgaande jaar. Deze verplichting geldt enkel voor ondernemingen met minstens 50 werknemers in dienst op
30 juni van het voorgaande jaar. De non-profit sector, de openbare sector en de onderwijssector hebben
afwijkende percentages of zijn vrijgesteld van deze verplichting. De berekening zowel van het aantal startbaners
als van het personeelsbestand voor het refertekwartaal gebeurt op basis van de gegevens van de Dmfa-aangifte.

In dit hoofdstuk zal voornamelijk de doelgroepvermindering toegelicht worden. Bijkomende inlichtingen over de
startbaanverplichting of over de voorwaarden om vrijstelling te verkrijgen kunt u bekomen bij de FOD
Werkgelegenheid, Arbeid en Sociaal Overleg, die de uiteindelijke bevoegdheid hebben na te gaan wie aan de
verplichting voldoet en wie niet.

Projecten

De doelgroep bestaat enerzijds uit laaggeschoolde werkzoekende jongeren (tot en met het kwartaal dat ze 26 jaar
worden) tewerkgesteld met een startbaanovereenkomst en anderzijds jongeren in het algemeen die in de loop van
het kalenderjaar de leeftijd van 19 jaar niet bereiken.

Onder startbaanovereenkomst moet worden verstaan elke overeenkomst zoals hieronder opgedeeld in
verschillende types, gesloten met een jongere die op de datum van indiensttreding een geldige startbaankaart
heeft (in het geval hij in de loop van het kalenderjaar 19 jaar wordt of ouder):
- een minstens halftijdse arbeidsovereenkomst;
- een combinatie van een deeltijdse arbeidsovereenkomst (minstens halftijds) en een door de jongere gevolgde
    opleiding, met ingang van de dag waarop de jongere begint met de uitvoering van de arbeidsovereenkomst;
- een industriële leerovereenkomst, een leerovereenkomst middenstandsopleiding, een stageovereenkomst
    opleiding tot ondernemingshoofd, een overeenkomst socioprofessionele inschakeling en elke andere vorm
    van opleidings- of inschakelingsovereenkomst door de Koning bepaald.

Indien de jongere in de loop van het kalenderjaar nog geen 19 jaar wordt, is een startbaankaart overbodig. Om de
startbaanovereenkomst echter te laten doorlopen het jaar dat hij 19 wordt en de daarop volgende jaren, moet zijn
werkgever ten laatste op 31 januari van het jaar waarin hij 19 wordt een startbaankaart voor hem aanvragen.

Zolang de werkgever de jongere ononderbroken verder in dienst houdt onder één van de drie vermelde types
van overeenkomsten, blijft dit beschouwd als een tewerkstelling in het kader van een startbaanovereenkomst tot
de laatste dag van het kwartaal waarin de jongere de leeftijd van 26 jaar bereikt.

Onder jongere in het kader van de startbaanovereenkomst moet worden verstaan eenieder die net vóór zijn
indienstneming:
- ingeschreven is als werkzoekende;
- minder dan 26 jaar oud is.

De jongere, bij wie de uitvoering van de startbaanovereenkomst aanvangt vóór 1 januari van het jaar waarin hij
19 wordt, moet niet voldoen aan de voorwaarde dat hij ingeschreven moet zijn als werkzoekende.
Diversen

Vermindering
In het verleden was de vermindering laaggeschoolde startbaners gekoppeld aan het bereiken van een bepaald
percentage startbaanovereenkomsten ten opzichte van het personeelseffectief van het 2de kwartaal van het
voorafgaande jaar. De doelgroepvermindering jonge werknemers wordt enkel gekoppeld aan de voorwaarde dat
de werkgever moet voldoen aan zijn startbaanverplichting. Dit speelt dus in het voordeel van de werkgevers die
inspanningen doen zonder daartoe verplicht te zijn (ondernemingen <50 werknemers, vrijgestelde
ondernemingen, ..).

Het stelsel van bijdragevermindering 'na de startbaan' wordt afgeschaft; daarentegen loopt de vermindering voor
laaggeschoolden door tot het einde van het kwartaal waarin hij 26 jaar wordt en tellen voor de verplichting alle
jongeren tot die leeftijd mee. Men stapt dus af van het 'watervalsysteem' waarbij naargelang de noden bepaalde
groepen al dan niet in aanmerking komen voor het verkrijgen van een startbaanovereenkomst (< 26, < 30, ).

Door het verruimen van de toepassingsmodaliteiten wordt ook tegemoetgekomen aan de integratie van de
vermindering KB 495 in het stelsel van de doelgroepvermindering jonge werknemer.

Bedrag
Een forfaitair verminderingsbedrag G1 wordt toegekend aan de werkgever voor elke jongere die hij in dienst
neemt tot en met het 4de kwartaal van het kalenderjaar dat zijn werknemer 18 wordt. Het betreft dus zowel
jongeren aangeworven met als zonder startbaanovereenkomst en ongeacht of zij verbonden zijn met een
leerovereenkomst of een arbeidsovereenkomst.

Een forfaitair verminderingsbedrag G1 wordt toegekend aan de werkgever voor elke laaggeschoolde jongere die
hij in dienst neemt met een startbaanovereenkomst voor het kwartaal van indienstneming en de 7 daarop
volgende kwartalen en een forfaitair verminderingsbedrag G2 voor de daaropvolgende kwartalen, en dit voor
zolang hij in dienst is met een startbaanovereenkomst (de vermindering eindigt dus in elk geval in het kwartaal
waarin de jongere 26 jaar wordt).

Als kwartaal van indienstneming wordt het kwartaal in aanmerking genomen waarin de jongere voor de
allereerste keer in dienst komt van de betrokken werkgever. Indien de jongere echter reeds in dienst was vóór het
eerste kwartaal van het kalenderjaar waarin hij 19 jaar oud wordt, wordt het eerste kwartaal van het jaar waarin
hij 19 jaar wordt beschouwd als het kwartaal van indienstneming.

Aanvraagprocedure

De jongere die in de loop van het kalenderjaar van indiensttreding 19 jaar wordt of ouder, moet op het moment
van de indienstneming een geldige startbaankaart kunnen voorleggen die hij kan bekomen op het
werkloosheidsbureau van de Rijksdienst voor Arbeidsvoorziening van zijn woonplaats om aan te tonen dat hij
aan de voorwaarden voldoet.

Op de startbaankaart wordt vermeld of de jongere in kwestie dubbel wordt geteld bij de berekening van de
startbaanverplichting (zie de berekening van het aantal jongeren met een startbaanovereenkomst in het lopende
kwartaal). Daarnaast attesteert de startbaankaart ook of het een laaggeschoolde jongere betreft.

De aanvraag van de startbaankaart wordt onontvankelijk verklaard wanneer de aanvraag gebeurt op een ogenblik
waarop de jongere nog studies met een volledig leerplan volgt in het dagonderwijs.

Indien de werkzoekende op het moment van zijn indienstneming niet in het bezit is van een geldige
startbaankaart, dan kan ook de werkgever de kaart aanvragen bij de RVA. De aanvraag die van de werkgever
uitgaat, zal enkel geldig zijn indien zij voor iedere werkzoekende afzonderlijk gebeurt, en wordt slechts aanvaard
voor zover op die aanvraag de namen van de werkgever en van de jongere vermeld zijn, alsook het domicilie van
de jongere, zijn identificatienummer voor de sociale zekerheid en de datum van zijn indienstneming.

De aanvraag tot het verkrijgen van een startbaankaart moet ten laatste op de 30ste dag volgend op de dag van de
indienstneming gebeuren bij het bevoegde werkloosheidsbureau. Elke aanvraag die later toekomt heeft tot
gevolg dat de startbaanovereenkomst pas geldig wordt beschouwd vanaf de 1ste dag van het kwartaal dat volgt
op het kwartaal waarin de laattijdige indiening van de aanvraag van de startbaankaart gebeurde.
De startbaankaart draagt als geldigheidsdatum 1 januari van het jaar waarin de jongere 19 wordt indien hij reeds
in dienst is genomen vóór deze datum, anders de datum van indienstneming en indien hij nog niet in dienst is
genomen de datum waarop de aanvraag wordt ingediend.

De startbaankaart heeft een maximale geldigheidsduur van 12 maanden (alleszins beperkt tot de dag vóór zijn
26ste verjaardag) en mag gebruikt worden voor elke indienstneming die tijdens de geldigheidsperiode wordt
verricht. De geldigheidsduur kan met een zelfde periode verlengd worden als de jongere nog aan de vereiste
voorwaarden voldoet.

De werkgever van de jongere, die in de loop van het kalenderjaar van indiensttreding de leeftijd van 19 jaar
niet bereikt en dus geen startbaankaart moet voorleggen, moet ten laatste op 31 januari van het jaar waarin de
jongere 19 wordt, een startbaankaart aanvragen bij het bevoegde werkloosheidsbureau als hij de
startbaanovereenkomst wil laten doorlopen (o.a. in het kader van de doelgroepvermindering laaggeschoolde
jongere). Bij zijn aanvraag vermeldt hij:
- de identiteit van de werkgever;
- de identiteit van de werknemer;
- de woonplaats van de werknemer;
- het INSZ-nummer van de werknemer;
- de datum van indienstneming.

en voegt hij een kopie van de startbaanovereenkomst.

Elke aanvraag die later toekomt heeft tot gevolg dat de startbaanovereenkomst pas opnieuw als geldig wordt
beschouwd vanaf de 1ste dag van het kwartaal dat volgt op het kwartaal waarin de laattijdige indiening van de
aanvraag van de startbaankaart gebeurde.

De startbaanovereenkomst wordt automatische verlengd wanneer hij bij dezelfde werkgever na afloop van zijn
overeenkomst aansluitend in dienst treedt. Een nieuwe aanvraag voor een startbaankaart is in dat geval niet
nodig.

Om echter bij een onderbroken tewerkstelling bij dezelfde werkgever recht te geven op de
doelgroepvermindering jonge laaggeschoolde werknemer, moet hij opnieuw een startbaankaart aanvragen die
attesteert dat hij nog aan de voorwaarden voldoet.

De Rijksdienst voor Arbeidsvoorziening maakt via elektronische weg de gegevens betreffende de
startbaankaarten over aan de RSZ.

De startbaanovereenkomst moet niet meer gebeuren volgens een vastgelegd model. Arbeidsovereenkomsten
met jongeren, gesloten tijdens de geldigheidsduur van een startbaankaart, krijgen immers 'automatisch' de
kwalificatie startbaanovereenkomst. Wel wordt voor het type II startbaanovereenkomst enkele bijkomende
gegevens gevraagd betreffende de 'opleiding' die met dit type gepaard gaat.

Via de multifunctionele aangifte deelt de werkgever, in het veld 'Maatregelen tot bevordering van de
werkgelegenheid' mee met welk type van startbaanovereenkomst de jongere wordt aangeworven en tot welke
categorie hij behoort. In het geval een overeenkomst betreft specifiek voor leerlingen of stagiairs, moet de
werkgever eveneens aanduiden over welk 'type van leerling' het gaat bij de parameters van de tewerkstellingslijn.
Deze aanduidingen zijn verplicht en kunnen een impact hebben op de berekening van de startbaanverplichting,
het recht op de doelgroepvermindering en/of de berekening van de verschuldigde bijdragen.
Daarnaast duidt de werkgever de overeenkomstige doelgroepvermindering aan.

-
1.1.2.8 HERSTRUCTURERING


Inhoud steunmaatregel

In het kader van de maatregelen ter ondersteuning van ingevolge een herstructurering ontslagen werknemers,
wordt vanaf het 3de kwartaal 2004 een nieuwe doelgroepvermindering gecreëerd, waarbij een financieel
voordeel wordt toegekend aan de werkgever die een werknemer aanwerft die door een onderneming in
herstructurering werd ontslagen. Daarnaast wordt er eveneens een forfaitaire vermindering van de
werknemersbijdrage voorzien.

In wat hierna volgt wordt alleen de bijdragevermindering besproken die de werkgever die de ontslagen
werknemer aanwerft, kan genieten. Wie meer uitleg wenst over de formaliteiten die nageleefd moeten worden
opdat er sprake kan zijn van het ontslag van een werknemer ingevolge herstructurering (oprichting van een
tewerkstellingscel, outplacementbegeleiding,…), neemt best contact op met de Rijksdienst voor
Arbeidsvoorziening.

Begunstigden

Iedere werkgever behalve de betrokken onderneming in herstructurering zelf, of een onderneming die behoort tot
dezelfde groep als de onderneming in herstructurering.

Projecten

Al wie ontslagen werd in het kader van een herstructurering en tijdens de geldigheidsperiode van een
'verminderingskaart herstructureringen A' (zie Aanvraagprocedure) in dienst treedt bij een andere werkgever.

Diversen

Vermindering
De werkgever geniet voor deze werknemer de vermindering G2 tijdens de duur van de geldigheid van de
'verminderingskaart herstructureringen B', wat maximaal 3 kwartalen is (zie hierna).

Aanvraagprocedure

De RVA reikt spontaan een 'verminderingskaart herstructureringen A' uit aan de werknemers die ontslagen
werden in het kader van een herstructurering en die ingegaan zijn op het outplacementaanbod en werden
ingeschreven bij de tewerkstellingscel.

Op vertoon van een afschrift van zijn arbeidsovereenkomst, kan de werknemer met een geldige
'verminderingskaart herstructureringen A' bij de RVA een 'verminderingskaart herstructureringen B' bekomen
met een geldigheidsduur vanaf de datum van de eerste indiensttreding na het ontslag ingevolge herstructurering,
tot het einde van het 2de kwartaal volgend op het kwartaal van eerste indiensttreding.

Iedere werknemer ontslagen in het kader van een herstructurering kan slechts éénmaal een 'verminderingskaart
herstructureringen B' bekomen. De werknemer kan echter steeds een kopie krijgen van deze 'verminderingskaart
herstructureringen B'.

De 'verminderingskaart herstructurering B' blijft geldig gedurende de vooropgestelde periode bij verandering van
werkgever.

De verminderingskaart 'herstructureringen B' moet aangevraagd worden bij de RVA ten laatste de 60 ste dag
volgend op de dag van indienstneming of desgevallend volgend op de dag van ontvangst van de
'verminderingskaart herstructureringen A'.

De RVA maakt de nodige gegevens aan de RSZ over betreffende identificatie van de werknemer en
geldigheidsduur van de kaart.
 Aanvullende inlichtingen

Rijksdienst voor Sociale Zekerheid
Victor Hortaplein 11
1060 Brussel
Tel.: 02/509.31.11
Fax: 02/509.30.19
Website: http://www.rsz.fgov.be

FOD Werkgelegenheid, Arbeid en Sociaal Overleg
Algemene Directie Werkgelegenheid en Arbeidsmarkt
Directie van de inschakeling in het arbeidsproces
Katrien Claus
Ernest Blerotstraat 1
1070 Brussel
Tel.: 02/233.46.58
Fax: 02/233.48.55
E-mail: katrien.claus@meta.fgov.be
1.2     DE SPECIFIEKE VERMINDERINGEN


1.2.1   WERKBONUS


Inhoud steunmaatregel

Vanaf 1 januari 2000 is een systeem van vermindering van de werknemersbijdragen van kracht, dat tot doel
heeft werknemers met een laag loon een hoger nettoloon te garanderen, zonder daarbij het brutoloon te
verhogen. Vanaf 1 januari 2005 loopt deze werknemersbijdragevermindering voort onder de benaming
'Werkbonus'.

Projecten

Het gaat om de werknemers van de privé-sector en van de openbare sector die een werknemersbijdrage van
13,07 % verschuldigd zijn.

Voor de privé-sector komen dus onder andere niet in aanmerking:
- de geneesheren in opleiding tot specialist;
- de leerlingen, stagiairs en de andere jongeren tijdens de periode van gedeeltelijke onderwerping aan de
   sociale zekerheid (periode die eindigt op 31 december van het kalenderjaar waarin ze 18 jaar worden).

De meeste statutaire personeelsleden van de openbare sector komen evenmin voor de vermindering in
aanmerking.

Diversen

Praktische toepassing van de vermindering
De vermindering bestaat uit een forfaitair bedrag dat geleidelijk vermindert naarmate het loon hoger wordt. De
werkgever brengt het bedrag in mindering van de normale werknemersbijdragen (13,07% van het brutoloon) bij
de betaling van het loon. De werkbonus compenseert de volledige werknemersbijdrage voor een referteloon tot
ongeveer 800 EUR bruto per maand.

Indien het loon wordt betaald volgens een andere periodiciteit dan de maandelijkse (per week, per twee weken,
per vier weken,...) berekent de werkgever de vermindering bij de laatste betaling die op de kalendermaand
betrekking heeft. In dat geval is de berekening gebaseerd op de dagen en de lonen die op die kalendermaand
betrekking hebben.

Voor werknemers die binnen de maand met opeenvolgende overeenkomsten werken, wordt het
verminderingsbedrag verrekend aan het einde van iedere overeenkomst of bij iedere betaling die betrekking heeft
op die overeenkomsten.

Berekening van de vermindering
Men berekent de vermindering voor iedere werknemer apart. Deze berekening omvat drie stappen:
- eerst bepaalt men het refertemaandloon van de werknemer
- op basis van dat refertemaandloon bepaalt men het basisbedrag van de vermindering;
- ten slotte stelt men het verminderingsbedrag vast door het basisbedrag te corrigeren bij onvolledige
    prestaties en bij deeltijdse werknemers.

Per werknemer mag het totaal van de vermindering niet meer bedragen dan:
- 1.140,00 EUR per kalenderjaar voor de jaren 2003 en 2004;
- 1.260,00 EUR per kalenderjaar vanaf 2005.
Aanvraagprocedure

De gepaste rubrieken van de kwartaalaangifte invullen.
Op de website van de RSZ (http://www.rsz.fgov.be) vindt u tevens een downloadbaar programma waarmee u
deze vermindering kunt berekenen.



 Aanvullende inlichtingen

Rijksdienst voor Sociale Zekerheid
Victor Hortaplein 11
1060 Brussel
Tel.: 02/509.31.11
Fax: 02/509.30.19
Website: http://www.rsz.fgov.be
1.2.2   VERMINDERING VAN DE WERKNEMERSBIJDRAGEN – HERSTRUCTURERING


Inhoud steunmaatregel

Van 1 juli 2004 is een systeem van vermindering van de werknemersbijdragen van kracht, dat tot doel heeft
werknemers die ontslagen zijn als gevolg van een herstructurering, een financiële stimulans te geven wanneer ze
terug werk vinden, door hen voor een bepaalde periode een groter nettoloon te garanderen, zonder daarbij het
brutoloon te verhogen.

Deze maatregel kadert, samen met de doelgroepvermindering herstructurering, in de bevordering van de
wedertewerkstelling van ingevolge herstructurering ontslagen werknemers.

Begunstigden

Het gaat om de werknemers van de privé-sector en van de openbare sector die een werknemersbijdrage van
13,07 % verschuldigd zijn.

Enkel de nieuwe werknemers die een geldige 'verminderingskaart herstructureringen A' kunnen voorleggen
komen in aanmerking. Een nieuwe tewerkstelling bij de onderneming in herstructurering zelf of bij een
onderneming die behoort tot dezelfde groep of dezelfde technische bedrijfseenheid, komt niet in aanmerking
voor het bekomen van deze vermindering.

Deze kaarten worden door de RVA spontaan uitgereikt aan alle werknemers ontslagen in het kader van een
herstructurering die ingegaan zijn op het outplacementaanbod en werden ingeschreven bij de tewerkstellingscel.

Diversen

Bedrag van de vermindering

De vermindering bestaat uit een forfaitair bedrag van 133,33 EUR per maand (133,33 EUR x 1,08 voor de
arbeiders aangegeven aan 108 %) en kan enkel tijdens de duur van de geldigheid van de "verminderingskaart
herstructureringen B" verkregen worden, wat maximaal 3 kwartalen is. De werkgever brengt het bedrag in
mindering van de normale werknemersbijdragen (13,07% van het brutoloon) bij de betaling van het loon.

De som van de werknemersbijdragevermindering lage lonen en herstructurering samen, mag de verschuldigde
persoonlijke socialezekerheidsbijdragen niet overschrijden. Indien de som van de verminderingen groter is dan
de verschuldigde persoonlijke bijdragen, wordt eerst de vermindering herstructurering beperkt.

Het verminderingsbedrag wordt geproratiseerd in functie van de prestaties van de werknemer tijdens de maand:




-                                                        voltijdse werknemers met volledige prestaties :
    133,33 euro
-   voltijdse werknemers met onvolledige prestaties         : J/D x 133,33 euro
-   deeltijdse werknemers en met deeltijdse gelijkgestelden : 133,33 euro

Waarbij:
- J = het aantal dagen van de werknemer aangegeven met de prestatiecodes 1,3,4, 5 en 20;
- D = het maximum aantal dagen prestaties voor de betrokken maand in het betrokken arbeidsstelsel;
- H = het aantal aangegeven uren met de prestatiecodes 1, 3, 4, 5 en 20;
- U = het aantal uren op maandbasis dat overeenstemt met D.

De breuken J/D en H/U worden afgerond op twee decimalen (0,005 wordt 0,01) en het resultaat van die breuken
mag nooit groter zijn dan 1.
Worden voor de berekening van de vermindering met deeltijdsen gelijkgesteld:
- werknemers die in de loop van de maand bij de werkgever voltijds en deeltijds werken;
- voltijdse werknemers die met uren moeten worden aangegeven; het betreft werknemers met gedeeltelijke
   werkhervatting na ziekte of (arbeids)ongeval, met al dan niet gedeeltelijke (gereglementeerde) onderbreking
   van de loopbaan, met halftijds brugpensioen, werknemers bij tussenpozen (uitzendkrachten, tijdelijke
   arbeid, thuisarbeid), werknemers met gelimiteerde prestaties (met een contract van korte duur en voor een
   tewerkstelling die per dag niet de gewoonlijke dagduur bereikt) en seizoenarbeiders.

Indien het loon wordt betaald volgens een andere periodiciteit dan de maandelijkse (per week, per twee weken,
per vier weken,...) berekent de werkgever de vermindering bij de laatste betaling die op de kalendermaand
betrekking heeft. In dat geval is de berekening gebaseerd op de dagen en de lonen die op die kalendermaand
betrekking hebben.

Voor werknemers die binnen de maand met opeenvolgende overeenkomsten werken, wordt het
verminderingsbedrag verrekend aan het einde van iedere overeenkomst of bij iedere betaling die betrekking heeft
op die overeenkomsten.

Voor voltijdse werknemers die in de loop van de maand in verschillende arbeidsregelingen werken moet u,
uitsluitend voor de toepassing van deze vermindering, alle prestaties omrekenen naar één van de regimes.

Aanvraagprocedure

De RVA reikt spontaan een 'verminderingskaart herstructureringen A' uit aan de werknemers die ontslagen
werden in het kader van een herstructurering en die ingegaan zijn op het outplacementaanbod en werden
ingeschreven bij de tewerkstellingscel.

Op vertoon van een afschrift van zijn arbeidsovereenkomst, kan de werknemer met een geldige
'verminderingskaart herstructureringen A' bij de RVA een 'verminderingskaart herstructureringen B' bekomen
met een geldigheidsduur vanaf de datum van de eerste indiensttreding na het ontslag ingevolge herstructurering,
tot het einde van het 2de kwartaal volgend op het kwartaal van eerste indiensttreding.

Iedere werknemer ontslagen in het kader van een herstructurering kan slechts éénmaal een 'verminderingskaart
herstructureringen B' bekomen. De werknemer kan echter steeds een kopie krijgen van deze 'verminderingskaart
herstructureringen B' als hij gedurende de geldigheidsperiode van werkgever zou veranderen.

De verminderingskaart 'herstructureringen B' moet aangevraagd worden bij de RVA ten laatste de 60 ste dag
volgend op de dag van indienstneming of desgevallend volgend op de dag van ontvangst van de
'verminderingskaart herstructureringen A'.

De RVA maakt de nodige gegevens aan de RSZ over betreffende identificatie van de werknemer en
geldigheidsduur van de kaart.



 Aanvullende inlichtingen

Rijksdienst voor Sociale Zekerheid
Victor Hortaplein 11
1060 Brussel
Tel.: 02/509.31.11
Fax: 02/509.30.19
Website: http://www.rsz.fgov.be
1.2.3   TEGEMOETKOMING AAN DE NON-PROFITSECTOR TOT BEVORDERING VAN DE
        WERKGELEGENHEID


Inhoud steunmaatregel

Het koninklijk besluit van 22 september 1989 tot bevordering van de tewerkstelling in de non-profitsector,
verleent in de vorm van een bijdragevermindering een financiële tegemoetkoming aan de werkgevers van de
non-profitsector die zich verbinden daadwerkelijk deel te nemen aan de bevordering van de werkgelegenheid
van risicogroepen.

Begunstigden

Het zijn de betoelaagde instellingen en diensten voor gehandicapte personen ten laste van het Fonds voor
medische, sociale en pedagogische zorg voor gehandicapten of zijn rechtsopvolgers, voorzover zij hun activiteit
zonder winstoogmerk uitoefenen.

Zijn uitgesloten:
- de werkgevers uit de overheidssector;
- de gesubsidieerde vrije onderwijsinrichtingen waaronder de universiteiten;
- de diensten voor school- en beroepsoriëntering en de vrije psycho-medico-sociale centra.

Diversen

De betrokken instellingen moeten een collectieve arbeidsovereenkomst naleven, afgesloten voor alle instellingen
die vallen onder de bevoegdheid van hetzelfde paritair comité. Deze voorwaarde geldt ook voor de instellingen
die niet onder de bevoegdheid van enig paritair comité vallen.

Deze collectieve arbeidsovereenkomst moet de bepalingen omvatten die zijn voorgeschreven bij artikel 2, §2,
van het koninklijk besluit van 22 september 1989 tot bevordering van de tewerkstelling in de non-profitsector.

Zij moeten afgesloten zijn overeenkomstig de Wet van 5 december 1968 betreffende de collectieve
arbeidsovereenkomsten en de paritaire comités en bovendien goedgekeurd zijn door de federale minister van
Tewerkstelling en Arbeid.

Bedrag van de tegemoetkoming
De tegemoetkoming bedraagt 2 % van de loonmassa van de werknemers (voor de werklieden aan 108 %) van elk
jaar waarin de overeenkomst wordt toegepast, verhoogd met de werkgeversbijdragen. Vanaf de tegemoetkoming
voor het jaar 1998, zijn de tegemoetkomingen maximaal gelijk aan deze voor het jaar 1997.

Voor deze verhoging gelden als werkgeversbijdragen, de bijdragen ten laste van de werkgever met betrekking
tot:
- de werkloosheid, met inbegrip van de bijzondere bijdrage van 1,60 %, verschuldigd door de werkgevers die
     op 30 juni van het voorgaande jaar minstens tien werknemers tewerkstelden;
- de ziekte- en invaliditeitsverzekering (sector uitkeringen en sector geneeskundige verzorging);
- de kinderbijslagen;
- de pensioenen;
- de jaarlijkse vakantie voor arbeiders, zowel de driemaandelijks verschuldigde bijdrage als de jaarlijkse
     bijdrage van 10,27%;
- de arbeidsongevallen;
- de beroepsziekten.

In de mate waarin de collectieve overeenkomst niet wordt nageleefd, vermindert de tegemoetkoming
proportioneel voor de betrokken maanden.

De RSZ berekent deze vermindering overeenkomstig de bepalingen van het ministerieel besluit van 8 november
1990 tot uitvoering van artikel 4, alinea 3, van het koninklijk besluit van 22 september 1989 tot bevordering van
de tewerkstelling in de non-profitsector.
Aanvraagprocedure

De betrokken instellingen dienen bij de RSZ schriftelijk een aanvraag in. Bij deze aanvraag voegen zij een attest
afgeleverd door de FOD Werkgelegenheid, Arbeid en Sociaal Overleg, Belliardstraat, 51 te 1040 Brussel,
overeenkomstig artikel 1, §2, van het ministerieel besluit van 8 november 1990 tot uitvoering van het artikel 4,
§3, van het koninklijk besluit van 22 september 1989.

De RSZ zal het bedrag van de tegemoetkoming berekenen, na ontvangst van het attest waaruit blijkt in welke
mate de collectieve arbeidsovereenkomst werd nageleefd.

Voorzover de RSZ in het bezit is van het attest, wordt het bedrag van de tegemoetkoming aan de betrokken
instellingen meegedeeld binnen de twee maanden na ontvangst van de aanvraag. De RSZ verduidelijkt de
begunstigden hoe zij het bedrag van de tegemoetkoming kunnen verrekenen.



 Aanvullende inlichtingen

Rijksdienst voor Sociale Zekerheid
Victor Hortaplein 11
1060 Brussel
Tel.: 02/509.31.11
Fax: 02/509.30.19
Website: http://www.rsz.fgov.be
1.2.4   BEVORDERING VAN DE TEWERKSTELLING IN DE NON-PROFITSECTOR (SOCIALE
        MARIBEL)


Inhoud steunmaatregel

Een koninklijk besluit van 18 juli 2002 regelt een nieuw systeem van bijdragevermindering, hoofdzakelijk voor
de non-profitsector. De betrokken werkgevers hebben recht op een forfaitaire vermindering voor iedere
werknemer die tijdens het kwartaal ten minste 50 % presteert (33 % vanaf 1 juli 2004 voor de sector van de
beschutte werkplaatsen, 22 % vóór die datum) van het aantal arbeidsdagen of arbeidsuren van een voltijdse
betrekking. Het bedrag van de vermindering wordt door de RSZ zelf berekend en doorgestort aan de daartoe
opgerichte sociale fondsen. De werkgever moet evenwel met de vermindering sociale maribel rekening houden
om het maximumbedrag te bepalen dat nog in aanmerking komt voor eventuele andere verminderingen die hij
nog kan toepassen.

De onderstaande tekst is algemeen opgevat en behandelt alleen de invloed van de vermindering op de RSZ-
aangifte. Precieze inlichtingen over het systeem van de sociale maribel, krijgt u bij de FOD Werkgelegenheid,
Arbeid en Sociaal Overleg, Ernest Blerotstraat 1 te 1070 Brussel (tel. 02-233 41 11).

Begunstigden

De maatregel betreft werkgevers die voor hun aangegeven werknemers ressorteren onder de volgende paritaire
comités:
- Paritair Subcomité voor de privé-ziekenhuizen;
- Paritair Subcomité voor de gezondheidsinrichtingen en -diensten;
- Paritair Comité voor de diensten voor gezins- en bejaardenhulp;
- Paritair Subcomité voor de diensten voor gezins- en bejaardenhulp van de Franse Gemeenschap, het Waalse
   Gewest en de Duitstalige Gemeenschap;
- Paritair Subcomité voor de diensten voor gezins- en bejaardenhulp van de Vlaamse Gemeenschap;
- Paritair Comité voor de opvoedings- en huisvestingsinrichtingen en -diensten;
- Paritair Subcomité voor de opvoedings- en huisvestingsinrichtingen van de Vlaamse Gemeenschap;
- Paritair Subcomité voor de opvoedings- en huisvestingsinrichtingen van de Franse Gemeenschap;
- Paritair Comité voor de beschutte werkplaatsen en de sociale werkplaatsen;
- Paritair Comité voor de socio-culturele sector.

Het toepassingsgebied van de maatregel omvat ook enkele werkgevers die behoren tot de openbare sector.

Projecten

De werkgever heeft recht op de vermindering voor iedere werknemer die voor het kwartaal ten minste 50 % van
het aantal arbeidsdagen of arbeidsuren presteert, voorzien in de betreffende sector voor een voltijdse betrekking.

Diversen

Bedrag van de vermindering

Voor de betrokken werkgevers bedraagt de vermindering per rechtgevende werknemer 354,92 EUR.

Toegestane cumulaties

Per werknemer die het recht opent op de sociale maribel, moet het totaal bedrag van werkgeversbijdragen dat
voor de andere verminderingen beschikbaar is, vooraf verminderd worden met het forfaitaire bedrag van de
sociale maribel van 354,92 EUR. In afwijking daarvan moet voor de werknemers van een beschutte werkplaats
bij de berekening van de werkgeversbijdragen die in aanmerking komen voor de andere verminderingen GEEN
rekening gehouden worden met dit forfaitaire bedrag.
De vermindering van de sociale maribel is niet cumuleerbaar met:
- de vrijstelling van werkgeversbijdragen voor gesubsidieerde contractuelen (gesco's);
- de vrijstelling van werkgeversbijdragen voor contractuelen aangeworven ingevolge de herverdeling van de
    arbeid in de openbare sector;
- de doelgroepvermindering 'langdurig werkzoekenden';
- de overgangsmaatregelen 'langdurig werkzoekenden' (overgangsmaatregelen banenplan voor
    werkzoekenden, activaplan, herinschakeling van moeilijk te plaatsen werklozen, inschakelingsprojecten).

De beide vrijstellingen en de opgesomde verminderingen kunnen dus integraal worden toegepast, zonder
voorafgaandelijk het bedrag van de sociale maribel in mindering te brengen.

Aanvraagprocedure

De werkgevers moeten niets in hun aangifte vermelden. De RSZ berekent zelf het bedrag van de vermindering.

De werkgevers die behoren tot het paritair subcomité 305.02 (gezondheidszorgen andere dan ziekenhuizen),
moeten bij het invullen van hun aangifte verplicht een verdere onderverdeling van het paritair subcomité
gebruiken.



 Aanvullende inlichtingen

Rijksdienst voor Sociale Zekerheid
Victor Hortaplein 11
1060 Brussel
Tel.: 02/509.31.11
Fax: 02/509.30.19
Website: http://www.rsz.fgov.be
1.2.5   WETENSCHAPPELIJK ONDERZOEK


Inhoud steunmaatregel

De Wet van 29 april 1996 houdende sociale bepalingen en het KB van 5 maart 1997 tot uitvoering van Titel VI
van die wet, regelen, vanaf 1 oktober 1996, een vermindering van de werkgeversbijdragen voor bepaalde
werkgevers die overgaan tot bijkomende aanwervingen voor wetenschappelijk onderzoek.

Begunstigden

Het zijn:
- de universiteiten en ermee gelijkgestelde onderwijsinrichtingen;
- de wetenschappelijke inrichtingen beheerd door de federale Staat, de Gemeenschappen of de Gewesten of,
    wat het Brussels Hoofdstedelijk Gewest betreft, de Gemeenschappelijke Gemeenschapscommissie;
- de inrichtingen of instellingen erkend of gesubsidieerd door de federale Staat, de Gemeenschappen of de
    Gewesten of, wat het Brussels Hoofdstedelijk Gewest betreft, de Gemeenschappelijke
    Gemeenschapscommissie.

Projecten

Het zijn de werknemers aangeworven in het kader van een overeenkomst afgesloten met de federale ministers
van Sociale Zaken en van Wetenschapsbeleid en die aangesteld zijn voor wetenschappelijk onderzoek. Zij
moeten een netto bijkomende aanwerving uitmaken van het aantal werknemers tewerkgesteld binnen de activiteit
van wetenschappelijk onderzoek.

Diversen

Bedrag van de vermindering
De vermindering bestaat uit een vrijstelling van de werkgeversbijdragen voor de volgende sectoren:
- de rust- en overlevingspensioenen voor werknemers;
- de ziekte- en invaliditeitsverzekering, sector geneeskundige verzorging;
- de ziekte- en invaliditeitsverzekering, sector uitkeringen;
- de werkloosheid, enkel de bijdrage die door iedere werkgever verschuldigd is;
- de kinderbijslagen;
- de beroepsziekten;
- de arbeidsongevallen;
- de loonmatigingsbijdrage.

De bijdrage voor werkloosheid die enkel verschuldigd is door de werkgevers die op 30 juni van het voorgaande
jaar 10 of meer werknemers tewerkstelden (momenteel 1,60 %) blijft verschuldigd.

Aanvraagprocedure

De werkgever moet een aanvraag indienen bij de federale diensten voor Wetenschappelijke, Technische en
Culturele Aangelegenheden, die tevens de nodige inlichtingen kunnen geven over de te vervullen formaliteiten
en de na te leven verplichtingen.

De verminderingsbedragen worden met de gepaste codes vermeld in de kwartaalaangifte.

De Rijksdienst controleert de vermindering aan het eind van ieder jaar op basis van de lijsten van de federale
diensten voor Wetenschappelijke, Technische en Culturele Aangelegenheden. De werkgever moet aan de RSZ of
aan zijn erkend sociaal secretariaat geen attesten bezorgen.
 Aanvullende inlichtingen

Rijksdienst voor Sociale Zekerheid
Victor Hortaplein 11
1060 Brussel
Tel.: 02/509.31.11
Fax: 02/509.30.19
Website: http://www.rsz.fgov.be
2.       FINANCIELE MAATREGELEN



2.1      AANMOEDIGINGSPREMIES IN DE PRIVE-SECTOR


Inhoud steunmaatregel

Met ingang van 1 januari 2002 werd het bestaande stelsel van de aanmoedigingspremies bij
arbeidsduurvermindering of loopbaanonderbreking hervormd en werd de aanmoedigingspremie bij
opleidingskrediet, zorgkrediet en in ondernemingen in moeilijkheden of in herstructurering ingevoerd (besluit
van de Vlaamse regering van 1 maart 2002, B.S. van 20 maart 2002). Sinds 1 januari 2002 is bovendien de
vervangingsplicht afgeschaft. Het nieuwe premiestelsel vormt een aanvulling op de nieuwe federale regeling
inzake tijdskrediet (CAO nr. 77 bis van 19 december 2001); het tijdskrediet vervangt vanaf 1 januari 2002 de
vroegere loopbaanonderbreking.

Begunstigden

De hier beschreven maatregelen zijn van toepassing op de werknemers tewerkgesteld in de privé-sector in het
Vlaamse Gewest. Voor de werknemers uit de Vlaamse sociale profitsector (besluit van de Vlaamse regering van
3 mei 2002) en de personeelsleden van de Vlaamse openbare sector en het Nederlandstalig onderwijs (besluit
van de Vlaamse regering van 22 september 1998) bestaat een analoog stelsel van aanmoedigingspremies.

Projecten

De toekenning van de hierna vermelde aanmoedigingspremies wordt afhankelijk gemaakt van het afsluiten van
sectorakkoorden (op sectorniveau) of van bedrijfsakkoorden of toetredingsakten (op ondernemingsniveau)
waarin gestipuleerd moet worden tot welke maatregel(en) de betrokken sector of onderneming zal toetreden.


2.1.1    OPLEIDINGSKREDIET

Wat
De werknemer die een tijdskrediet opneemt om een opleiding te volgen.

Duur
De werknemer heeft recht op maximum twee jaar opleidingskrediet gedurende zijn volledige beroepsloopbaan.
Werknemers met een loopbaananciënniteit van minstens 20 jaar krijgen 6 maanden extra opleidingskrediet. De
aanmoedigingspremie kan voor de volledige periode van de opleiding worden toegekend indien het gaat om
tweedekansonderwijs of om een opleiding die toegang geeft tot de uitoefening van een knelpuntberoep.

Bedrag.
De aanmoedigingspremie bedraagt maandelijks 150, 100 of 50 euro bruto naargelang het gaat om een volledige
of gedeeltelijke onderbreking van de beroepsloopbaan. De alleenstaande werknemer, al dan niet met kinderen
ten laste, krijgt maandelijks een extra premie van 37 euro bruto.


2.1.2    ZORGKREDIET

Wat
De werknemer die een tijdskrediet of thematisch verlof (ouderschapsverlof, verlof voor medische bijstand, palliatief
verlof) opneemt om zorg te verlenen aan een kind ten laste tot en met de leeftijd van 7 jaar (of tot en met de leeftijd
van 11 jaar voor kinderen die een handicap hebben van minstens 66%), een moeder/vader ouder dan 70 jaar, een
zwaar ziek gezins- of familielid of een persoon die ongeneeslijk ziek is.

Duur.
De werknemer heeft recht op maximum één jaar zorgkrediet gedurende zijn volledige beroepsloopbaan.
Bedrag
De aanmoedigingspremie bedraagt maandelijks 150, 100 of 50 euro bruto naargelang het gaat om een volledige
of gedeeltelijke onderbreking van de loopbaan. De alleenstaande werknemer, al dan niet met kinderen ten laste,
krijgt maandelijks een extra premie van 37 euro bruto.


2.1.3    STEUN AAN WERKNEMERS VAN ONDERNEMINGEN IN MOEILIJKHEDEN OF IN
         HERSTRUCTURERING

Wat
De werknemer, tewerkgesteld in een onderneming in moeilijkheden of in herstructurering, die zijn arbeidsduur
vermindert met ten minste 10% van de voltijdse arbeidsregeling en na vermindering nog minstens halftijds werkt. De
onderneming moet een federaal attest van erkenning als onderneming in moeilijkheden of in herstructurering
bekomen hebben, ofwel moet de onderneming een herstructureringsplan kunnen voorleggen. Deze
aanmoedigingspremie mag niet gecumuleerd worden met de onderbrekingsuitkering van de RVA.

Duur
De werknemer van een onderneming in moeilijkheden of in herstructurering kan de premie maximum twee jaar
toegekend krijgen gedurende zijn beroepsloopbaan.

Bedrag
De aanmoedigingspremie bedraagt maandelijks 125, 75 of 50 euro bruto naargelang de arbeidstijd wordt
verminderd met 50%, 20% of tussen 10 en 20% van de voltijdse arbeidsregeling.


2.1.4    SUPPLETIEVE REGELING

Wat
De werknemer die werkt in een sector of onderneming waar geen sectorakkoord, bedrijfsakkoord of
toetredingsakte inzake de aanmoedigingspremies is afgesloten, en die ofwel een tijdskrediet opneemt om
tweedekansonderwijs te volgen, ofwel ouderschapsverlof of thematisch verlof of tijdskrediet voor het
verstrekken van palliatieve zorgen of voor de verzorging van een zwaar ziek gezins- of familielid.

Duur
Idem als bij opleidingskrediet/zorgkrediet.

Bedrag
Idem als bij opleidingskrediet/zorgkrediet.

Aanvraagprocedure

De premie kan maximum zes maanden, voorafgaand aan de maand van de aanvraag, met terugwerkende kracht
worden toegekend.

Uitbetaling
De aanmoedigingspremies worden door de administratie maandelijks uitbetaald en zijn bovendien geïndexeerd.


 Aanvullende inlichtingen

De infobrochure en het aanvraagformulier te verkrijgen bij:
Ministerie van de Vlaamse Gemeenschap
Afdeling Tewerkstelling
Cel Aanmoedigingspremies
Markiesstraat 1
1000 Brussel
Tel.: 0800-30 700 (VDAB servicelijn)
E-mail: aanmoedigingspremie@vlaanderen.be
Website: http://www.vlaanderen.be/werk
2.2     TEGEMOETKOMING BIJ DE AANWERVING VAN PERSONEN MET EEN HANDICAP


Inhoud steunmaatregel

Werkgevers die personen met een handicap tewerkstellen kunnen - onder bepaalde voorwaarden - in het kader
van de toepassing van CAO-26 een loonsubsidie krijgen.
In de mate dat het rendement van de werknemers lager ligt dan het normale kan de werkgever gemachtigd zijn
een percentage (max 50%) van het loon, de RSZ-bijdragen en de premie arbeidsongevallen, verminderd met
andere tewerkstellingsbevorderende subsidies, terugvorderen bij het Vlaams Fonds.
Daarnaast kan een tussenkomst worden bekomen in de kosten voor de aanpassing van een arbeidspost, de kosten
van arbeidsgereedschap en -kleding.

Begunstigden

Elke onderneming kan een tegemoetkoming ontvangen bij de aanwerving van een persoon met een handicap in
het normaal economisch circuit. Deze maatregel is niet van toepassing in openbare besturen. Uiteraard moet de
onderneming wel gevestigd zijn in het Vlaamse Gewest.

Projecten

Aanwerving van een persoon met een handicap die beschikt over een gunstige beslissing inzake bijstand op het
gebied van hulp bij tewerkstelling op de algemene arbeidsmarkt.

Diversen

De werkgever die een persoon met een handicap tewerkstelt, betaalt het normaal loon volledig uit aan de
werknemer. Hij zal een deel hiervan (de financiële tegemoetkoming) recupereren van het Vlaams Fonds voor
Sociale Integratie van Personen met een Handicap.

De subsidie wordt niet toegekend aan de werkgever die een valide werknemer vervangt of ontslaat voor de
tewerkstelling van een gehandicapte of als de werkgever niet voldoet aan de wettelijke verplichtingen als
werkgever.

De vroegere maatregel om lange wachttijden van de uitkeringen op te vangen door middel van een
voorschottenregeling is per 1 januari 1999 opgeheven.

Aanvraagprocedure

Zodra de werkgever iemand in dienst neemt die beschikt over een gunstige beslissing inzake bijstand op het
gebied van hulp bij tewerkstelling op de algemene arbeidsmarkt van het Vlaams Fonds, moet de werkgever een
aanvraag tot machtiging indienen bij de sociale inspectie waaronder zijn bedrijf ressorteert. De sociale inspectie
bepaalt het rendementsverlies (maximum 50%). Dit rendementsverlies wordt jaarlijks opnieuw vastgesteld en
resulteert telkens in een nieuwe machtiging. De werkgever betaalt het normaal loon volledig aan de werknemer,
maar recupereert de financiële tegemoetkoming van het Vlaams Fonds. Daarvoor dient de werkgever op het
einde van iedere maand een prestatiestaat in bij de provinciale afdeling van het Vlaams Fonds, die vervolgens de
loonsubsidie uitbetaalt.



 Aanvullende inlichtingen

Vlaams Fonds voor Sociale Integratie van Personen met een Handicap
Sterrenkundelaan 30
1210 Brussel
Tel.: 02/225.84.11
Fax: 02/225.84.05
2.3     INSCHAKELINGSPREMIE


Inhoud steunmaatregel

Werkgevers die een persoon met een handicap tewerkstellen, kunnen een inschakelingspremie krijgen (als
alternatief voor CAO-26) die overeenstemt met een terugbetaling van 30% van het referteloon voor de
bedrijfssector waartoe het bedrijf behoort, verhoogd met de patronale lasten en verminderd met andere
tewerkstellingsbevorderende subsidies.

Daarnaast kan een tussenkomst worden bekomen in de kosten voor de aanpassing van een arbeidspost, de kosten
van arbeidsgereedschap en -kleding.

Begunstigden

Elke werkgever uit de privé-sector kan een tegemoetkoming ontvangen bij de aanwerving van een persoon met
een handicap. De persoon met een handicap moet verblijven in het toepassingsgebied van de Vlaamse
Gemeenschap.

Projecten

Aanwerving van een persoon met een handicap, die beschikt over een gunstige beslissing inzake bijstand op het
gebied van hulp bij tewerkstelling op de algemene arbeidsmarkt.

Diversen

De persoon met een handicap moet ingeschreven zijn bij het Vlaams Fonds en toelating hebben tot het gebruik
van 'Bijstand bij opleiding en werk op de open arbeidsmarkt'. Deze toelating geeft toegang tot meerdere formules
die kunnen helpen bij de integratie in het werkmilieu, waaronder de toekenning van een inschakelingspremie aan
de werkgever.

De toekenning van de inschakelingspremie is niet beperkt in tijd. De toekenning blijft lopen tot het einde van de
tewerkstelling.

De aanvraag tot uitbetaling en de bewijsstukken worden ingediend bij de provinciale afdeling van het Vlaams
Fonds waar de tewerkgestelde persoon met een handicap woont. Deze aanvraag wordt ingediend binnen de
veertien dagen na afloop van het kwartaal, het Vlaams Fonds keert de inschakelingspremie uit aan het bedrijf
binnen de 45 dagen.



 Aanvullende inlichtingen

Vlaams Fonds voor Sociale Integratie van Personen met een Handicap
Sterrenkundelaan 30
1210 Brussel
Tel.: 02/225.84.11
Fax: 02/225.84.05
DEEL IV : STEUN BIJ OPLEIDINGEN
1.      VLAAMSE DIENST VOOR ARBEIDSBEMIDDELING EN BEROEPSOPLEIDING (VDAB)



1.1     COLLECTIEVE OPLEIDINGEN IN EIGEN BEHEER OF IN SAMENWERKING MET
        DERDEN


Inhoud steunmaatregel

De Vlaamse Dienst voor Arbeidsbemiddeling en Beroepsopleiding (VDAB) organiseert een aantal
beroepsopleidingen waar ondernemingen steun voor kunnen ontvangen. Eén van die opleidingen is de
collectieve opleiding in eigen beheer of in samenwerking met derden.

Deze opleidingen kunnen volledig met eigen middelen of met medewerking van derden georganiseerd worden
voor werkzoekenden en voor werknemers.

Voor de opleidingen voor werkzoekenden en werknemers op eigen verzoek wordt een overeenkomst afgesloten
tussen de cursist en de VDAB. De werkzoekende kan de opleiding gratis volgen. Voor werknemersopleidingen
op eigen verzoek dient een remgeld betaald te worden. Voor de opleidingen voor werknemers op vraag van de
werkgever wordt een overeenkomst opgemaakt tussen de VDAB en de werkgever, waarbij de kostprijs van de
opleiding wordt vastgelegd.

Begunstigden

De collectieve opleidingen in eigen beheer of in samenwerking met derden zijn er voor alle kleine, middelgrote
en grote ondernemingen, dus zowel voor de bestaande als voor de starters. Enkel beoefenaars van een vrij beroep
en zelfstandigen komen niet in aanmerking voor deze collectieve opleidingen. Er zijn geen uitgesloten sectoren.
Uiteraard moeten de ondernemingen gevestigd zijn in het Vlaamse Gewest.

Projecten

Volgende projecten komen in aanmerking:
- opleiding van werknemers;
- opleiding van werkzoekenden;
- opleiding van risicowerknemers die ten laatste twee jaar na de aanwerving worden opgeleid;
- opleiding van werknemers die behoren tot een onderneming in moeilijkheden of herstructurering;
- opleiding van werknemers die met (collectief of individueel) ontslag bedreigd zijn;
- opleiding van laaggeschoolde en langdurige werklozen in gewone economische bedrijven;
- opleiding voor uitkeringsgerechtigde werklozen in beroepen waarvoor er geen arbeidskrachten beschikbaar
    zijn;
- opleiding van (recent) ontslagen werknemers;
- opleiding van laaggeschoolde personen bedreigd met langdurige werkloosheid (minder dan hoger secundair
    onderwijs of geen derde graad beroepsonderwijs);
- opleiding van laaggeschoolde jonge werkzoekenden (minder dan hoger secundair onderwijs of geen derde
    graad beroepsonderwijs);
- opleiding van personen bedreigd met uitsluiting van de arbeidsmarkt (personen met een handicap,
    migranten, zeer langdurige werklozen, bestaansminimumtrekkers en niet-gedomicilieerden, ex-
    gedetineerden, politieke vluchtelingen wiens aanvraag tot erkenning ontvankelijk werd verklaard en
    beschikbaar zijn voor de arbeidsmarkt);
- opleiding - tewerkstelling van jongeren van 18 tot 25 jaar;
- opleiding in beroepen en functies waarvoor er een tekort bestaat op de arbeidsmarkt;
- opleiding van vrouwen in het kader van het gelijke-kansen-beleid (herintredende vrouwen, werkloze
    vrouwen met geringe beroepskwalificaties);
- opleidingen ter bevordering van de integratie van een persoon met een handicap in het arbeidsproces
    (personen met een handicap);
- opleidingen gericht op de toepassing van telematica, informatica en logistiek;
- opleidingen gericht op het algemeen bedrijfsbeheer, het management en de organisatie van de onderneming;
- andere opleidingsinitiatieven.
Diversen

Bij opleidingen op vraag van de werkgever zijn een aantal vrijstellingsmaatregelen voor betaling van de
opleidingskosten voorzien. Deze gelden voor risicowerknemers die de opleiding starten binnen de zes maanden
na de indienstneming, werknemers die met werkloosheid bedreigd zijn, werkgevers met maximum 25
werknemers in dienst of werknemers die medisch ongeschikt zijn.

Aanvraagprocedure

De aanvragen voor vrijstelling van betaling van de opleidingskosten worden gericht aan het plaatselijk
klantencentrum van de VDAB die de opleiding verzorgt.



 Aanvullende inlichtingen

VDAB – Training en Opleiding
Keizerslaan 11
1000 Brussel
Tel.: 02/506.29.20
Fax: 02/506.29.52
1.2     INDIVIDUELE BEROEPSOPLEIDING IN DE ONDERNEMING


Inhoud steunmaatregel

De Vlaamse Dienst voor Arbeidsbemiddeling en Beroepsopleiding (VDAB) organiseert een aantal
beroepsopleidingen waar ondernemingen steun voor kunnen ontvangen. Eén van die opleidingen is de
individuele beroepsopleiding in de onderneming.

Deze opleiding is een vorm van opleiding die in principe gereserveerd blijft voor beroepen waarvoor er geen
arbeidskrachten beschikbaar zijn en waarvoor geen beroepsopleidingscentra van de VDAB opgericht zijn.

Een individuele opleiding kan afgesloten worden met het oog op de aanpassing en de vervolmaking van de
beroepsbekwaamheden van een werkloze of met het oog op het aanleren van een beroep aan een werkloze om
die toe te laten na afloop van de opleiding door de onderneming aangeworven te worden.

Iedereen kan een individuele beroepsopleiding in de onderneming volgen. Er zijn geen specifieke doelgroepen.

Begunstigden

Kleine, middelgrote en grote ondernemingen (starters en niet-starters), vzw's en administratieve overheden
kunnen een individuele opleiding in de onderneming organiseren. Alle ondernemingen moeten gevestigd zijn in
het Vlaamse Gewest.

Projecten

Volgende projecten komen in aanmerking:
- opleiding voor uitkeringsgerechtigde werklozen in beroepen waarvoor er geen arbeidskrachten beschikbaar
    zijn;
- opleiding van werkzoekenden;
- opleiding in beroepen en functies waarvoor er een tekort bestaat op de arbeidsmarkt;
- opleiding van laaggeschoolde en langdurige werklozen in gewone economische bedrijven;
- opleiding van laaggeschoolde personen bedreigd met langdurige werkloosheid (minder dan hoger secundair
    onderwijs of geen derde graad beroepsonderwijs);
- opleiding van personen bedreigd met uitsluiting van de arbeidsmarkt (personen met een handicap,
    migranten, zeer langdurige werklozen, bestaansminimumtrekkers en niet-gedomicilieerden, ex-
    gedetineerden, politiek vluchtelingen wiens aanvraag tot erkenning ontvankelijk werd verklaard en
    beschikbaar zijn voor de arbeidsmarkt);
- opleiding van vrouwen in het kader van het gelijke-kansen-beleid (herintredende vrouwen, werkloze
    vrouwen met geringe beroepskwalificaties);
- …

Diversen

De opleidingsduur bedraagt minimum 1 en maximum 6 maand en wordt vastgelegd op basis van een
gedetailleerd opleidingsprogramma dat in gemeenschappelijk overleg tussen de onderneming en het lokaal
klantencentrum van de VDAB wordt vastgelegd, rekening houdend met de geschooldheid van de cursist. Dit
programma wordt aan het contract gehecht. Na advies van het subregionaal tewerkstellingscomité kan, omwille
van de pedagogische noodzaak, de duurtijd vastgelegd worden tot maximum 12 maanden voor een
laaggeschoolde en tevens langdurige uitkeringsgerechtigde werkloze.

Tijdens de opleiding ontvangt de cursist, naast zijn werkloosheidsuitkeringen of leefloon vanwege de VDAB een
productiviteitspremie die progressief is. Het bedrag van de premie wordt vastgelegd op basis van de duurtijd van
de opleiding en van het 'normaal loon' dat voor het aangeleerde beroep is vastgelegd. Deze premie wordt
uitgedrukt als een percentage van het verschil tussen het normale loon in het beroep en de uitkering waar de
cursist recht op heeft uit hoofde van werkloosheid of leefloon.

Indien de cursist geen uitkering geniet uit hoofde van werkloosheid of leefloon wordt het bedrag van de
productiviteitspremie uitgedrukt als een percentage van het verschil tussen het normaal loon in het beroep en een
compensatievergoeding. Deze compensatievergoeding is ten laste van de VDAB en kan worden verminderd met
het bedrag van een andere financiële tussenkomst toegekend door de federale of de Vlaamse overheid in het
kader van opleiding. De hoogte van de compensatievergoeding bedraagt 9,60 euro per dag in een regime van de
zesdagenweek. Het bedrag kan worden gewijzigd door de Vlaamse regering na advies van het beheerscomité.

De onderneming is aan de VDAB maandelijks een bedrag verschuldigd volgens een percentage van het verschil
tussen het normale loon in het beroep en de gemiddelde werkloosheidsuitkering. De gemiddelde
werkloosheidsuitkering wordt door het beheerscomité vastgelegd voor een volledig kalenderjaar.

De werkgever verbindt er zich toe de cursist, die in de onderneming een beroepsopleiding heeft gevolgd,
onmiddellijk na het einde van de opleiding in het aangeleerd beroep in loondienst te werk te stellen met een
contract van onbepaalde duur en voor een duur ten minste gelijk aan de duur van de opleiding.



 Aanvullende inlichtingen

VDAB – Training en Opleiding
Keizerslaan 11
1000 Brussel
Tel.: 02/506.29.20
Fax: 02/506.29.52
1.3     INDIVIDUELE BEROEPSOPLEIDING IN EEN ONDERWIJSINRICHTING


Inhoud steunmaatregel

De Vlaamse Dienst voor Arbeidsbemiddeling en Beroepsopleiding (VDAB) organiseert een aantal
beroepsopleidingen waar ondernemingen steun voor kunnen ontvangen. Eén van die opleidingen is de
individuele beroepsopleiding in een onderwijsinrichting.

Deze opleiding is voorbehouden voor beroepen en functies waarvoor de opleidingsmogelijkheden in eigen
beheer door de VDAB onbestaande of onvoldoende zijn. Daarbij moet het gaan om kwalificaties waarvoor een
structureel tekort bestaat op de arbeidsmarkt. Deze kwalificaties worden jaarlijks vastgelegd in een limitatieve
lijst opgesteld door het college van leidende ambtenaren. Momenteel bevat de lijst de volgende kwalificatie:
verpleegkundige (niveau A1 en A2).

Begunstigden

Deze opleidingen worden verstrekt in een door de openbare besturen opgerichte, erkende of gesubsidieerde
inrichting voor onderwijs. Deze onderwijsinrichtingen moeten gevestigd zijn in het Vlaamse Gewest.

Projecten

Volgende projecten komen in aanmerking:
- opleiding in beroepen en functies waarvoor er een tekort bestaat op de arbeidsmarkt;
- opleiding voor uitkeringsgerechtigde werklozen in beroepen waarvoor er geen arbeidskrachten beschikbaar
    zijn;
- opleiding van werkzoekende;
- opleiding in beroepen en functies waarvoor er een tekort bestaat op de arbeidsmarkt;
- opleiding van laaggeschoolde en langdurige werklozen in gewone economische bedrijven;
- opleiding van laaggeschoolde personen bedreigd met langdurige werkloosheid (minder dan hoger secundair
    onderwijs of geen derde graad beroepsonderwijs);
- opleiding van laaggeschoolde jonge werkzoekenden (minder dan hoger secundair onderwijs of geen derde
    graad beroepsonderwijs);
- opleiding van personen bedreigd met uitsluiting van de arbeidsmarkt (personen met een handicap,
    migranten, zeer langdurige werklozen, bestaansminimumtrekkers en niet-gedomicilieerden, ex-
    gedetineerden, politiek vluchtelingen wiens aanvraag tot erkenning ontvankelijk werd verklaard en
    beschikbaar zijn voor de arbeidsmarkt);
- opleiding van vrouwen in het kader van het gelijke-kansen-beleid (herintredende vrouwen, werkloze
    vrouwen met geringe beroepskwalificaties);
- …

Diversen

De cursist die een individuele beroepsopleiding in een onderwijsinrichting volgt en tot één van de volgende
doelgroepen behoort: uitkeringsgerechtigde werkloze, niet-uitkeringsgerechtigde werkzoekende en
leefloontrekker. Een schoolverlater in wachttijd komt hiervoor niet in aanmerking. De uitkeringsgerechtigde
werkloze moet minimum 22 jaar zijn of de studies in het dagonderwijs minimum 2 jaar beëindigd hebben.

Bovendien geeft het Sociaal Fonds van de privé-ziekenhuizen voor de opleiding tot verpleegkundige aan de
cursisten (verpleger of verpleegster) een aantal financiële voordelen indien voldaan wordt aan bepaalde
voorwaarden.


 Aanvullende inlichtingen

VDAB – Training en Opleiding
Keizerslaan 11
1000 Brussel
Tel.: 02/506.29.20
Fax: 02/506.29.52
2.      SECTORALE MAATREGELEN EN INITIATIEVEN



Inhoud steunmaatregel

De sectoren bieden een ruime waaier aan maatregelen en initiatieven, onder andere kosteloze opleidingen,
opleidingspremies, hulp bij stages, opleidingen voor opleidingsverantwoordelijken, ontslagbegeleiding, enz…
die gericht zijn op werknemers, werkzoekenden of werkgevers.

Begunstigden

Momenteel heeft de Vlaamse regering 25 sectorconvenants afgesloten waarvan 23 met de sociale partners van
sectoren op basis van de paritaire comités (twee convenants zijn niet met traditionele sectoren afgesloten
namelijk de convenants met de lokale besturen en met de sectorcommissie toerisme van de SERV). Door het
afsluiten van een convenant nemen de sociale partners van de sector en de Vlaamse regering engagementen op in
een aantal maatschappelijke domeinen. Deze engagementen hebben betrekking op het verhogen van de
arbeidsmarktdeelname van de kansengroepen en het diversiteitsbeleid, het verbeteren van de aansluiting tussen
het onderwijs en de arbeidsmarkt, het bevorderen van opleiding, competentiemanagement en
loopbaanontwikkeling en het versterken van het mobiliteitsbeleid.
Alle informatie in verband met de sectorconvenants kunt u vinden op:
http://www2.vlaanderen.be/ned/sites/werk/sectoren_situering.htm.



 Aanvullende inlichtingen

Een overzicht van de websites, adressen en contactpersonen van de 23 sectoren waarmee de Vlaamse regering
een sectorconvenant heeft afgesloten kunt u aanvragen bij het Euro Info Centre.

Ministerie van de Vlaamse Gemeenschap
Euro Info Centre
Markiesstraat 1
1000 Brussel
Tel.: 02/553.38.77
Fax: 02/502.47.02
E-mail: euroinfocentre@vlaanderen.be
3.       PROJECTEN TER STIMULERING VAN DE EVENREDIGE ARBEIDSDEELNAME EN
         DIVERSITEIT IN ONDERNEMINGEN, INSTELLINGEN EN LOKALE BESTUREN
         (DIVERSITEITSPLANNEN, CLUSTERPLANNEN, INSTAP- EN GROEIPLANNEN)



Inhoud steunmaatregel

Een centraal uitgangspunt van het Vlaams werkgelegenheidsbeleid is het verhogen van de werkzaamheidsgraad
en het streven naar evenredige arbeidsdeelname.

Evenredige arbeidsdeelname is gericht op het aanbieden van kansen op de arbeidsmarkt aan groepen die mede
omwille van heersende stereotypen, vooroordelen en discriminatie of het hebben van bepaalde kenmerken,
geconfronteerd worden met uitsluiting op (delen van) de arbeidsmarkt. Het streven is een personeelsbeleid in
ondernemingen en organisaties te stimuleren, dat waardering van verschil als uitgangspunt neemt en de
meerwaarde inziet van een personeelsbestand dat een afspiegeling vormt van de bevolking op beroepsactieve
leeftijd. Om de doelstellingen te realiseren wordt er gewerkt met concrete actieplannen ter introductie van een
Human-Resources-beleid voor kansengroepen.

Vanaf 1999 hebben de Subregionale Tewerkstellingscomités de doelstelling om acties te ondernemen om vraag
en aanbod op de arbeidsmarkt dichter bij elkaar te brengen, in het bijzonder daar waar de integratie van
kansengroepen in de reguliere economie betreft. In 1999 werd een eerste begin gemaakt om via de ‘positieve
actieplannen allochtonen’ in ondernemingen en instellingen het concept ‘management van diversiteit’ te
implementeren in het personeelsbeleid. Inmiddels zijn de positieve actieplannen omgevormd tot
diversiteitsplannen die via een geïntegreerde benadering van evenredige participatie voor alle kansengroepen, tot
één van de centrale instrumenten van het Vlaams beleid geworden. De opdracht voor het stimuleren en
afstemmen van de arbeidsmarkt op dit vlak, is in de loop van 2005 overgegaan van de STC’s naar de nieuwe
advies- en overleg-structuren van het socio-economisch streekbeleid, RESOC en SERR. De beide structuren
worden in de regio ondersteund door het erkend regionaal samenwerkingsverband (ERSV) dat de bedoelde
projecten ter uitvoering van het beleid evenredige arbeidsdeelname en diversiteit door projectontwikkelaars EAD
laat begeleiden. De diversiteitsplannen in ondernemingen en organisaties richten zich naar de prioritaire
doelgroepen van allochtonen, personen met een arbeidshandicap en ouderen. Ook is er binnen de
diversiteitsplannen specifieke aandacht mogelijk voor de gelijke kansen van mannen en vrouwen op de
arbeidsmarkt en voor de kansengroepen ex-gedetineerden, laaggeschoolden en jongeren.

Een diversiteitsplan is verder een geheel van maatregelen en acties, met oog voor het managen van verschil, die
op een planmatige manier direct en indirect discriminerende drempels wegnemen en/of voorzieningen scheppen
waardoor de verticale en horizontale mobiliteit van leden van de kansengroepen op de arbeidsmarkt worden
vergroot.

In het Vesoc-actieplan 2005 evenredige arbeidsdeelname en diversiteit is een Vlaams objectief voor 408
diversiteitsplannen (in verschillende varianten) vastgelegd. De bedrijven en instellingen kunnen voor de
voorbereiding en begeleiding een beroep doen op de ondersteuning door de projectontwikkelaar van het STC of
ERSV van de desbetreffende regio.

Het geheel van de aanpak past binnen het kader van de Europese Werkgelegenheidsrichtsnoeren en de vertaling
ervan in het Jaarlijks ‘Vlaams actieplan Europese werkgelegenheidsrichtsnoeren’.

Voor het introduceren en bestendigen van diversiteit en evenredige arbeidsdeelname in ondernemingen en
organisaties, geeft de Vlaamse regering de mogelijkheid tot subsidiëring van volgende te onderscheiden
categorieën:

-    Diversiteitsplannen kunnen een subsidie bekomen tot een maximum van 2/3 van de totale subsidiabele kost,
     met een plafond van 10.000,00 euro.

-    Clusterplannen kunnen een subsidie bekomen tot een maximum van 2/3 van de totale subsidiabele kost, met
     een plafond van 3.000,00 euro per clusterlid.

-    Instap- en groeiplannen kunnen een subsidie bekomen tot een maximum van 1/2 van de totale subsidiabele
     kost, met een plafond van 2.500,00 euro.
Voor aanvragen in dit kader en voor meer informatie kunt u terecht bij het STC of ERSV van uw regio of op
www.vlaanderen.be/werk.

Begunstigden

Bestaande of startende, kleine en grote ondernemingen, instellingen en lokale besturen (en voor clusterplannen
ook sectorfondsen, beroepsfederaties e.d.) kunnen aankloppen voor ondersteuning en begeleiding van een
instapplan, diversiteitsplan, clusterplan of groeiplan. Ook bedrijven uit sectoren zoals de social-profit komen in
aanmerking.

Aanvraagprocedure

Aanvragen tot het opstarten van een plan dienen voorgelegd te worden aan het STC of SERR (ERSV) van de
regio waar de betreffende organisatie is gelegen. Hiervoor kan men contact opnemen met de
projectontwikkelaars van het STC of ERSV. Het aanvraagformulier en de details van de regelgeving zijn vanaf
mei 2005 te vinden op www.vlaanderen.be/werk.



 Aanvullende inlichtingen

Ministerie van de Vlaamse Gemeenschap
Administratie Werkgelegenheid
Afdeling Werkgelegenheidsbeleid
Beleidscel EAD
Markiesstraat 1
1000 Brussel
Tel.: 02/553.43.33
Fax: 02/553.40.10
Website: www.vlaanderen.be/werk
4.      VLAAMS INSTITUUT VOOR HET ZELFSTANDIG ONDERNEMEN (VIZO)



4.1     VORMING


4.1.1   VIZO - LEERTIJD


Inhoud steunmaatregel

Het Vlaams Instituut voor het Zelfstandig Ondernemen (VIZO) werd door de Vlaamse overheid opgericht met
als doel het zelfstandig ondernemen te bevorderen door vorming en begeleiding. De vorming van zelfstandigen
en KMO's gebeurt in de 5 SYNTRA (21 lesplaatsen). Er zijn drie niveaus van opleiding te onderscheiden: de
leertijd, de ondernemersopleiding en de voortgezette vorming. De leertijd is de initiële beroepsopleiding voor
leerjongeren vanaf 15-16 jaar die via een leerovereenkomst met een ondernemingshoofd-opleider een basis
verwerven om als medewerker in het bedrijf te functioneren. De leertijd omvat een praktische opleiding in een
bedrijf of bij een zelfstandige gedurende 4 dagen per week en 1 dag theoretische opleiding in een SYNTRA-
lesplaats. Met het getuigschrift leertijd voldoet men voor de meeste gereglementeerde beroepen aan de
vestigingsvoorwaarden inzake beroepskennis.

Begunstigden

Zelfstandigen en kleine en middelgrote ondernemingen komen in aanmerking voor het begeleiden van een
leerjongere. Het ondernemingshoofd-opleider moet aan de volgende voorwaarden voldoen:
- 25 jaar geworden zijn en ten minste 5 jaar beroepspraktijk hebben, waarvan 2 jaar als ondernemingshoofd
     (23 jaar voor wie een diploma ondernemersopleiding heeft);
- beschikken over een ondernemingsnummer (handelsregister en de vestigingswet);
- waarborgen bieden dat hij een degelijke praktijkopleiding kan en wil geven;
- zich aansluiten bij een externe dienst voor preventie en bescherming op het werk en zorgen voor een
     arbeidsongevallenverzekering.

Projecten

Volgend project komt in aanmerking:
- leerovereenkomst of leerverbintenis voor jongeren (al dan niet leerplichtig).

Diversen

Het ondernemingshoofd-opleider geeft een leervergoeding aan de leerjongere. Voor jongeren onder 18 jaar
bedraagt deze 258,58 euro voor het eerste jaar, 345,13 euro voor het tweede jaar en 431,42 euro voor het derde
jaar. Voor leerjongeren boven de 18 jaar zijn de bedragen respectievelijk 345,13 euro, 388,28 en 431,42 euro per
maand. Deze bedragen worden elk jaar aan de index aangepast.

De erkende leerovereenkomsten vallen gedeeltelijk onder de toepassing van de sociale zekerheid tot en met 31
december van het jaar waarin zij 18 jaar worden. Alleen de regelingen betreffende jaarlijkse vakantie, de
arbeidsongevallen en de beroepsziekten zijn van toepassing op deze leerlingen.
De erkende leerovereenkomst is volledig onderworpen aan de sociale zekerheid vanaf 1 januari na de 18 de
verjaardag. In dat geval moet zowel de leerling (13.07 %) als het ondernemingshoofd-opleider (24.88 % gewone
bijdragen + 7.48 % loonmatigingsbijdragen) RSZ-bijdragen betalen.
De leerling zal zijn RSZ-bijdragen kunnen recupereren via de wet op de lage lonen en dit voor zover zijn
leervergoeding niet meer bedraagt dan 803 euro voltijds op maandbasis.
Het ondernemingshoofd-opleider zal de meerkost (32.35 %) die de volledcige onderwerping met zich meebrengt
volledig kunnen recupereren via de structurele vermindering zolang de leervergoeding op maandbasis niet meer
bedraagt dan 888 euro voor een bediende en 842 euro voor een arbeider.
De volledige onderwerping opent momenteel voor de leerling enkel bijkomende rechten op het vlak van de
arbeidsongeschiktheids- en moederschapsverzekering, niet op het vlak van de werkloosheid en de pensioenen.
Website: http://www.syntra.be.
 Aanvullende inlichtingen

Vlaams Instituut voor het Zelfstandig Ondernemen
Afdeling POB-Vorming
Kanselarijstraat 19
1000 Brussel
Tel.: 02/227.63.93
Fax: 02/227.63.91
E-mail: info@vizo.be
Website: http://www.syntra.be
4.1.2   VIZO – ONDERNEMERSOPLEIDING (gecertificeerde opleiding)


Inhoud steunmaatregel

De ondernemersopleiding is een twee- of driejarige opleiding voor (jong-)volwassenen die zich willen
voorbereiden op de uitoefening van een zelfstandig beroep. De ondernemersopleiding bestaat uit cursussen
bedrijfsbeheer of bedrijfsmanagement die de toekomstige bedrijfsleider voorbereiden op het beleid van een
KMO en de cursussen beroepskennis die het werk van de zelfstandige in een theoretisch kader plaatsen. De
beroepskennis heeft betrekking op een 300-tal beroepen. De ondernemersopleiding kan ook gekoppeld worden
aan een stageovereenkomst. Het ondernemingshoofd-opleider kan op die manier een toekomstig werknemer
vormen.
Steeds meer ondernemersopleidingen worden aangeboden onder de vorm van een modulair ondernemerstraject
dat korter of langer kan zijn in functie van reeds verworven voorkennis.

Begunstigden

Zelfstandigen en kleine en middelgrote ondernemingen komen in aanmerking voor deze opleidingen. Bijna alle
sectoren komen in aanmerking. Via de opleiding voldoen de kandidaat-zelfstandigen aan de reglementeringen
die noodzakelijk zijn om zich voor bepaalde beroepen te vestigen (vestigingswet, programmawet). Voor de
stageovereenkomst dient het ondernemingshoofd-opleider aan dezelfde voorwaarden te voldoen als voor de
leerovereenkomst (cfr. 5.1.1 Vizo-Leertijd).

Projecten

Volgende projecten komen in aanmerking:
- opleiding van kandidaat zelfstandigen en ondernemers;
- opleiding van startende zelfstandigen en ondernemers;
- opleiding gericht op beroepskennis;
- opleidingen gericht op de toepassing van de telematica, informatica en logistiek;
- opleidingen gericht op het algemeen bedrijfsbeheer, het management en de organisatie van de onderneming;
- opleidingen in het kader van de binnenvaart;
- stageovereenkomst in combinatie met ondernemersopleiding;
- …

Diversen

In de opleiding bedrijfsbeheer staat de start en de uitbouw van een (eigen) KMO-bedrijf centraal. De opleiding
omvat de cursus basiskennis bedrijfsbeheer, die al dan niet in versnelde vorm georganiserd wordt. De cursus
wordt afgesloten met het getuigschrift basiskennis bedrijfsbeheer waarmee aan de wettelijke
vestigingsverplichtingen wordt voldaan. In de aansluitende cursus wordt de basiskennis aangevuld met meer
doorgedreven inzicht in het verantwoord ondernemerschap.

Voor wie bedrijfsleider is of een leidinggevende functie in een KMO heeft met een hogere vooropleiding worden
cursussen bedrijfsmanagement voor de KMO georganiseerd.

De ondernemersopleiding kan gekoppeld worden aan een praktische opleiding in een onderneming met name de
stageovereenkomst. Bij deze overeenkomst betaalt het ondernemingshoofd-opleider een stagevergoeding. Voor
een stagiair met onvoldoende vooropleiding is dat 431,06 euro (+ kinderbijslag) voor het eerste jaar, 607,91 euro
voor het tweede jaar en 718,43 euro voor het derde jaar.
Voor stagiairs met voldoende vooropleiding zijn de bedragen respectievelijk 607,91 euro, 718,43 en 718,43 euro.
De cursisten-stagiairs worden vanaf 1 januari na hun 18 de verjaardag volledig onderworpen aan de RSZ. Deze
volledige onderwerping zal echter geen financiële nadelige gevolgen hebben noch voor de cursist-stagiair noch
voor het betrokken ondernemingshoofd-opleider zolang men niet afwijkt van de door het VIZO vastgestelde
minimum stagevergoedingen.
 Aanvullende inlichtingen

Vlaams Instituut voor het Zelfstandig Ondernemen
Afdeling POB-Vorming
Kanselarijstraat 19
1000 Brussel
Tel.: 02/227.63.93
Fax: 02/227.63.91
E-mail: info@vizo.be
Website: http://www.syntra.be
4.1.3   VIZO - VOORTGEZETTE VORMING (niet-gecertificeerde opleiding)


Inhoud steunmaatregel

Onder de noemer voortgezette vorming realiseren de VIZO-centra, de organisaties van zelfstandigen en KMO's
en de beroepsorganisaties een brede waaier van verdere opleidings- en vormingsinitiatieven. Een initiatief onder
de noemer voortgezette vorming is de 'vervolmaking' onder de vorm van studiedagen en seminaries met als doel
de beroepswaarde van de deelnemers te verhogen en zich aan de technische, economische en sociale evolutie aan
te passen.

Begunstigden

Zowel zelfstandigen als kleine en middelgrote ondernemingen en hun naaste medewerkers komen in aanmerking
voor betoelaagde opleidingen in de voortgezette vorming.

Projecten

Volgende projecten komen in aanmerking:
- opleiding van werknemers, naaste medewerkers;
- opleidingsprogramma's internationale economische relaties of exportaangelegenheden;
- opleidingen gericht op de toepassing van de telematica, informatica en logistiek;
- opleidingen gericht op het algemeen bedrijfsbeheer, het management en de organisatie van de onderneming;
- opleidingen gericht op verbetering marktinzicht;
- opleidingen gericht op kostprijsverbetering, prijsvorming;
- andere opleidingsinitiatieven;
- …



 Aanvullende inlichtingen

Vlaams Instituut voor het Zelfstandig Ondernemen
Afdeling POB-Vorming
Kanselarijstraat 19
1000 Brussel
Tel.: 02/227.63.93
Fax: 02/227.63.91
E-mail: info@vizo.be
Website: http://www.syntra.be
4.2     VORMGEVING


Inhoud steunmaatregel

Design Vlaanderen werd door de Vlaamse overheid binnen het VIZO opgericht met als doel de promotie van de
hedendaagse vormgeving op artisanaal, grafisch en industrieel vlak in Vlaanderen.

Deze promotie gebeurt via:
- toelagen voor projecten die op economisch, creatief, educatief of commercieel vlak stimulansen bieden aan
   de vormgeving in Vlaanderen;
- deelname aan binnen- en buitenlandse interieurbeurzen;
- publicatie van het tijdschrift Kwintessens;
- organisatie van tentoonstellingen in de eigen galerie van Design Vlaanderen en elders;
- organisatie van workshops rond designmanagement;
- database van ontwerpers en bedrijven;
- website Design Vlaanderen.

Bovendien staat Design Vlaanderen in voor:
- sensibiliseren van publiek en bedrijven voor de meerwaarde van vormgeving;
- advies aan individuele ontwerpers in het starten van hun ateliers;
- advies aan bedrijven;
- informatie aan buitenlandse organisaties en kunstenaars om hun weg te vinden in de hedendaagse
   ontwerperswereld in Vlaanderen;
- …

Begunstigden

Jaarlijks organiseert Design Vlaanderen een Lente- en Herfstselectie die openstaan voor alle ontwerpers in
Vlaanderen. Een externe, deskundige jury selecteert de ontwerpers op basis van criteria als authenticiteit,
eigentijds en technisch perfect afgewerkt. De ontwerpers die geselecteerd zijn, kunnen in aanmerking komen
voor deelname aan de promotionele activiteiten van de dienst Vormgeving.
Ook de organisatoren van initiatieven rond Vlaamse vormgeving kunnen in aanmerking komen voor steun.



 Aanvullende inlichtingen

Design Vlaanderen
Kanselarijstraat 19
1000 Brussel
Tel.: 02/227.49.60
Fax: 02/217.46.12
E-mail: info@vizo.be
Website: http://www.vizo.be
4.3     VIZO-BEDRIJFSADVIES


Inhoud steunmaatregel

Het VIZO werd in 1991 door de Vlaamse regering opgericht om onder meer (kandidaat-)ondernemers te
informeren en te begeleiden.

(Kandidaat-)ondernemers krijgen gratis vakkundige uitleg over de administratieve formaliteiten.

Een goede voorbereiding en professioneel advies zijn voor een startende ondernemer levensbelangrijk. De
VIZO-bedrijfsadviseurs beoordelen in alle objectiviteit de haalbaarheid van het project. Ze evalueren de
vestigingsplaats en doen een marktonderzoek, ze stellen samen met de ondernemer een ondernemingsplan op en
helpen bij de keuze van ‘vennootschap’ of ‘eenmanszaak’…

Om beter en gerichter in te spelen op de potentiële knelpunten binnen een bestaande onderneming, ontwikkelde
VIZO-bedrijfsadvies de bedrijfsscan. Dit is een elegant en overzichtelijk instrument om als ondernemer op een
gestructureerde manier begeleid na te denken over de onderneming. De doelstellingen die uit de doorlichting
naar voor komen, worden omgezet in doelgerichte en concrete actiepunten. De taak van de VIZO-
bedrijfsadviseurs houdt echter niet op bij het analyseren van de onderneming en het opstellen van een actieplan.
De ondernemer kan ook deskundig worden begeleid bij het uitvoeren van de vooropgestelde actiepunten. De
adviseur wordt indien gewenst het klankbord bij elke actueel managementvraagstuk en bij belangrijke
beslissingen. Onbevooroordeeld, maar met kennis van zaken.

VIZO-bedrijfsadvies fungeert ook als indienpunt voor de aanvragen van de Startleningen van het
Participatiefonds. Starters kunnen er terecht voor hulp bij de aanvraag van een achtergestelde lening en voor
begeleiding na goedkeuring van de lening.

Begunstigden

(Kandidaat-)startende of gevestigde ondernemers.

Aanvraagprocedure

Maak een afspraak met een bedrijfsadviseur voor meer informatie. De VIZO-bedrijfsadviseurs bekijken samen
met de (kandidaat-)ondernemer wat zijn noden zijn en welke oplossing de optimale is, hetzij door
adviesverlening bij een specifiek vraagstuk, hetzij via de bedrijfsscan.

Een oriënterend gesprek is altijd gratis evenals de vakkundige uitleg over de administratieve formaliteiten. Over
de afbakening van het advies of de begeleiding en over de kostprijs van de opdracht worden heldere afspraken
gemaakt. Kandidaat- en startende ondernemers met maximaal 10 werknemers betalen 38 euro per halve dag
advies in 2005. Dankzij de tussenkomst van de Vlaamse overheid krijgen startende ondernemers die maximaal 5
jaar actief zijn 6 halve dagen gratis advies. Ondernemers met meer dan 10 werknemers betalen 93 euro in 2005
per halve dag advies. Deze tarieven worden jaarlijks geïndexeerd.



 Aanvullende inlichtingen

De provinciale diensten van VIZO-bedrijfsadvies

VIZO Antwerpen
Ludo Verheyden
Britselei 15 bus 3
2018 Antwerpen
Tel.: 03/238.27.17
Fax: 03/216.40.11
E-mail: bedrijfsadvies.antwerpen@vizo.be
VIZO Limburg
Noël Deckers
Thonissenlaan 20
3500 Hasselt
Tel.: 011/22.27.95
Fax: 011/23.35.84
E-mail: bedrijfsadvies.limburg@vizo.be

VIZO Oost-Vlaanderen
Pascal Jacobs
Meersstraat 138H
9000 Gent
Tel.: 09/220.82.80
Fax: 09/221.77.81
E-mail: bedrijfsadvies.oostvlaanderen@vizo.be

VIZO West-Vlaanderen
Hilde Deleye
Koningin Astridlaan 29
8200 Sint-Michiels
Tel.: 050/40.69.10
Fax: 050/39.31.41
E-mail: bedrijfsadvies.westvlaanderen@vizo.be

VIZO Vlaams-Brabant
Ludo Verheyden
Karel Van Lotharingenstraat 4
3000 Leuven
Tel.: 016/31.63.70
Fax: 016/31.63.71
E-mail: bedrijfsadvies.vlaamsbrabant@vizo.be
5.      BEDRIJFSOPLEIDING VOOR PERSONEN MET EEN HANDICAP



Inhoud steunmaatregel

Een onderneming die een bedrijfsopleiding organiseert ter bevordering van de integratie van een persoon met
een handicap in het arbeidsproces kan – onder bepaalde voorwaarden – steun genieten van het Vlaams Fonds
voor Sociale Integratie van Personen met een Handicap.

Deze steun kan de vorm aannemen van een loonsubsidie, een terugbetaling van patronale zekerheidsbijdrage,
van verplaatsingskosten, van de aankoopkosten van didactisch materiaal en van de kosten van de aanpassing van
de arbeidspost.

De persoon met een handicap ontvangt een vergoeding ter vervanging van het loon van het Vlaams Fonds + de
eventuele verplaatsingskosten, de werkgever verzekert de persoon voor arbeidsongevallen, betaalt de RSZ-
bijdrage en vordert beide terug van het Vlaams Fonds.

Begunstigden

Elk bedrijf kan een opleiding organiseren die het personen met een handicap gemakkelijker maakt zich te
integreren in het arbeidsproces. Er zijn slechts twee uitzonderingen: openbare besturen en defensie en onderwijs.
De werkgever moet in het Vlaamse Gewest gevestigd zijn. Hij moet bovendien een persoon met een handicap
tewerkstellen die minstens achttien jaar oud is en niet meer schoolplichtig of schoolgaand is.

Projecten

De opleiding van een persoon met een handicap die beschikt over een gunstige beslissing inzake bijstand op het
gebied van hulp bij tewerkstelling op de algemene arbeidsmarkt.

Diversen

De bedrijfsopleiding moet door het Fonds goedgekeurd worden, anders is ze niet rechtsgeldig. De goedkeuring
wordt door het Fonds ingetrokken als blijkt dat één van de partijen haar verplichtingen niet meer nakomt of
wanneer gemerkt wordt - in de loop van de opleiding - dat de persoon met een handicap de nodige geschiktheid
niet heeft om de opleiding te blijven volgen of met gunstig resultaat te beëindigen.

De bedrijfsopleiding duurt meestal 6 tot 12 maanden. Verlenging kan aangevraagd worden wanneer het
afgesproken leerprogramma niet afgewerkt is.

Aanvraagprocedure

Een onderneming die geïnteresseerd is, moet een brief richten naar de provinciale afdeling van het Vlaams Fonds
voor Sociale Integratie van Personen met een Handicap waarin de onderneming gevestigd is. In de brief moet
een duidelijke omschrijving van de taak van de persoon met een handicap gevoegd worden.



 Aanvullende inlichtingen

Vlaams Fonds voor Sociale Integratie van Personen met een Handicap
Sterrenkundelaan 30
1210 Brussel
Tel.: 02/225.84.11
Fax: 02/225.84.05
6.      PETERSCHAPSPROJECTEN



Inhoud steunmaatregel

Peterschapsprojecten zijn projecten waarbij enerzijds beslissingsnemers van deelnemende ondernemingen
gedurende een bepaalde periode op regelmatige tijdstippen in groepen begeleid worden door een of meer peters
om door ervaringsuitwisseling de bedrijfsvoering van de deelnemende ondernemingen te professionaliseren en
waarbij anderzijds bedrijfsgerichte activiteiten worden georganiseerd om de netwerkvorming en de
ervaringsuitwisseling tussen alle deelnemende ondernemingen en peters te stimuleren.

Begunstigden

Elke organisatie, publiek of privaat, die een professionele band heeft met het bedrijfsleven in het beoogde
werkingsgebied kan het initiatief nemen voor het organiseren van een peterschapsproject en naar aanleiding van
een oproep, door de minister bevoegd voor economie, een subsidieaanvraag indienen.

Zelfstandige ondernemers, bedrijfsleiders of beslissingsnemers van ondernemingen kunnen deelnemen aan het
project. Deze deelnemers kunnen hun inschrijvingsprijs betalen met opleidingscheques. Ondernemingen uit de
sector voeding (eerste verwerking) en de transportsector zijn uitgesloten van deelname aan een
peterschapsproject. De uitgebreide lijst met een overzicht van de sectoren is terug te vinden op
http://www.ondernemen.vlaanderen.be.

Projecten

Projecten die gericht zijn op technologische innovatie komen niet in aanmerking, evenals projecten die gericht
zijn op minder dan 60 deelnemers.

Kenmerken van een peterschapsproject zijn:
- ervaringsuitwisseling tussen ondernemers staat centraal in het project;
- de ervaringsuitwisseling draagt bij tot de professionalisering van de bedrijfsvoering van de deelnemende
   ondernemingen;
- er is een periode afgebakend waarbinnen ondernemers op regelmatige basis onder leiding van peters
   bijeenkomen in groepen om aan ervaringsuitwisseling te doen;
- elke groep krijgt minstens één peter toegewezen die hen begeleid en die zijn kennis en ervaring ter
   beschikking stelt van de groep;
- de netwerkvorming en ervaringsuitwisseling over de groepen heen, wordt gestimuleerd door bedrijfsgerichte
   activiteiten.

Diversen

Maximaal twee keer per jaar kan de minister bevoegd voor economie een oproep voor peterschapsprojecten
lanceren.

De subsidie bedraagt 80% van de aanvaarde personeels- en werkingskosten. Per VTE wordt een maximum van
10.000 euro aanvaard als werkingskosten.

Organisatoren van peterschapsprojecten die worden geselecteerd in het kader van de oproep worden erkend als
peterschapsorganisator. Dit stelt de organisator in staat om voor het peterschapsproject en de duur ervan
opleidingscheques te aanvaarden.
 Aanvullende inlichtingen

Ministerie van de Vlaamse Gemeenschap
Afdeling Europa Economie
Markiesstraat 1
1000 Brussel
Tel.: 02/553.42.81 - 02/553.38.79
Fax: 02/502.47.02
Website: http://www.ondernemen.vlaanderen.be
7.      OPLEIDINGSCHEQUES



Vanaf 12 mei 2004 zijn de opleidingscheques enkel nog beschikbaar in de vorm van een elektronische
portefeuille.

Inhoud steunmaatregel

Diverse onderzoeken wijzen uit dat Vlaamse ondernemingen nog onvoldoende in opleiding investeren. Om
vorming in Vlaamse bedrijven te stimuleren, heeft de Vlaamse overheid de opleidingscheques in het leven
geroepen. Een opleidingscheque heeft een waarde van 30 euro. 50% daarvan wordt door de onderneming
betaald, 50% door de Vlaamse overheid. Per kalenderjaar mag een bedrijf 200 opleidingscheques aankopen die
binnen de 12 maanden moeten besteed worden aan opleiding. Met deze cheques kunnen ondernemingen een
opleiding betalen bij erkende opleidingsverstrekkers.

Begunstigden

Zowel kleine, middelgrote en grote ondernemingen alsook een groot aantal vrije beroepen komen in aanmerking
voor de maatregel. Voortaan kunnen verenigingen zonder winstoogmerk gebruik maken van opleidingscheques
mits zij een aansluitingsnummer hebben bij de Rijksdienst voor Sociale Zekerheid. Ondernemingen en vrije
beroepen die beroep doen op opleidingscheques, engageren zich om de Europese de minimisregel van 6 maart
1996 na te leven. Alle directe steun die zij ontvangen in het kader van de ‘de minimis’ mag niet hoger zijn dan
100.000 euro over een periode van drie jaar. Voor ondernemingen actief in de voedings- en vervoerssector
gelden andere Europese regels. Deze sectoren ressorteren onder Verordening (EG) nr. 68/2001 van de
Commissie van 12 januari 2001 betreffende de toepassing van artikel 87 en 88 van het EG-verdrag op de
opleidingssteun en eventuele latere wijzigingen van deze verordening. Opleidingsverstrekkers moeten erop
toezien dat de door Europa opgelegde bruto steunmarges zoals vermeld in deze verordening voor deze
ondernemingen gerespecteerd worden. Deze verordening bepaalt eveneens dat opleidingen, gevolgd door
bedrijven uit de voedings- of vervoerssector, van algemene aard moeten zijn.

Uitgesloten sectoren
De sectoren die niet worden vermeld in de lijst van aanvaardbare sectoren op de website
(http://www.vlaanderen.be/opleidingscheques) zijn in principe uitgesloten van steun op grond van deze
maatregel. Bij het samenstellen van de lijst met aanvaardbare sectoren, werd voorrang verleend aan sectoren uit
de “harde” economie. Alle in aanmerking komende ondernemingen en vzw's kunnen gebruik maken van
opleidingscheques voor zover zij niet in handen zijn van overheidsbedrijven of van ondernemingen waarin de
overheid een participatie van minstens 25% in kapitaal of stemrechten heeft.

Diversen

De opleiding
Wanneer de onderneming over de cheques beschikt, moet één van de werkenden binnen de 12 maanden een
opleiding volgen bij een erkende opleidingsverstrekker. De lijst met erkende opleidingscentra is terug te vinden
op de website. De opleiding moet binnen de geldigheidsduur van de cheque starten. De factuur van de
opleidingsverstrekker (exclusief BTW) kan de onderneming geheel of gedeeltelijk met cheques betalen. De
betaling van de factuur moet uiterlijk binnen de 14 maanden na uitgifte van de cheques plaatsvinden. Een
onderneming voert de betaling uit door middel van een klantnummer en pincode. De opleidingsverstrekker dient
de ontvangen betalingen binnen de 15 maanden na uitgifte te bevestigen. Wanneer de opleidingsverstrekker zich
akkoord verklaart met een betaling, wordt de verzilveringsprocedure bij de uitgever in gang gezet.

Erkenning opleidingsverstrekkers
Om de cheques te kunnen verzilveren moet de opleidingsverstrekker door de Vlaamse overheid erkend zijn. Zo
waakt de Vlaamse overheid over een kwaliteitsvolle dienstverlening inzake het opleidingsaanbod. De erkenning
kan op volgende manieren gebeuren:

-   de opleidingsverstrekker heeft reeds een kwaliteitscertificaat Q*FOR, ISO of EFQM-erkenning voor de
    kwaliteit van de dienstverlening inzake opleiding
De opleidingsverstrekker krijgt op basis van deze certificaten voor het systeem van de opleidingscheques
automatisch een erkenning voor de geldigheidsduur van zijn certificaat. Op de website vindt hij een
aanvraagformulier terug, dat hij ingevuld opstuurt naar de Cel Opleidingscheques, vergezeld van een kopie van
zijn kwaliteitscertificaat.

- de opleidingsverstrekker heeft geen kwaliteitscertificaat Q*FOR, ISO of EFQM-erkenning
De opleidingsverstrekker kan zich dan op 2 manieren laten erkennen:
.   de opleidingsverstrekker kan het kwaliteitslabel "Opleidingsverstrekker erkend door het Vlaamse Gewest
    voor het systeem van de Vlaamse opleidingscheques" aanvragen. De gegevens van de bureaus die de
    screenings uitvoeren, zijn terug te vinden op de website, onder het item “info”. Pas nadat de Cel
    Opleidingscheques het positieve auditrapport en een formulier “aanvraag tot erkenning” ontvangen heeft,
    kan de opleidingsverstrekker erkend worden;
.   de opleidingsverstrekker kan zich laten screenen met het oog op het behalen van een kwaliteitslabel (ISO,
    Q*FOR, EFQM certificaat dat de kwaliteit van de dienstverlening inzake opleiding garandeert) bij een
    auditbureau naar keuze. Eens dit label is behaald, kan het opleidingsinstituut op de website een
    aanvraagformulier vinden, dat hij ingevuld terugstuurt naar de Cel Opleidingscheques, vergezeld van een
    kopie van zijn kwaliteitscertificaat.

- de opleidingsverstrekker is erkend als peterschapsorganisator
Een opleidingsverstrekker die erkend is als peterschapsorganisator krijgt een automatische erkenning als
opleidingsvertrekker. Deze erkenning is beperkt tot de duur en de peterschapsprojecten waarvoor de
peterschapsorganisator erkend is (zie voor meer informatie peterschapsprojecten).

Aanvraagprocedure

Het project “Opleidingscheques” is een e-government maatregel. Bestellen van opleidingscheques kan enkel via
het internet op: http://www.vlaanderen.be/opleidingscheques.

Heel belangrijk is dat de cheques worden aangevraagd ten laatste in de maand dat de opleiding van start gaat.
Een onderneming meldt zich aan via haar BTW-nummer. Indien de onderneming niet BTW-plichtig is, meldt ze
zich aan via de naam en het adres. Dan consulteert de webapplicatie de Graydon databank. Automatisch blijkt of
het bedrijf in kwestie opleidingscheques mag aankopen. Voorwaarden zijn dat het bedrijf een exploitatiezetel
heeft op Vlaams grondgebied en actief is in een aanvaardbare sector. Als de aanvraag ontvankelijk is, kan de
onderneming overgaan tot bestelling van de cheques. Nadat de uitgever de betaling heeft ontvangen (binnen de
14 kalenderdagen na bestelling) en bevestigd, ontvangt de onderneming een pincode en klantnummer. De
bestelde cheques worden opgenomen in de elektronische portefeuille van de onderneming. Met het klantnummer
en de pincode kunnen nadien betalingen worden uitgevoerd.



 Aanvullende inlichtingen

Alle    formulieren    nodig    voor    registratie    of    erkenning    zijn    terug    te   vinden     op
http://www.vlaanderen.be/opleidingscheques.

Voor vragen of problemen kan men contact opnemen met de Vlaamse overheid
- via e-mail: opleidingscheques@vlaanderen.be
- via de Vlaamse Infolijn op 0800/30201
- via de post:
   Ministerie van de Vlaamse Gemeenschap
   Cel Advies- en opleidingscheques
   Afdeling Economisch Ondersteuningsbeleid
   Markiesstraat 1
   1000 Brussel
DEEL V : STEUN VOOR ONDERZOEK EN ONTWIKKELING
1.      INSTITUUT VOOR DE AANMOEDIGING VAN INNOVATIE DOOR
        WETENSCHAP EN TECHNOLOGIE IN VLAANDEREN (IWT-Vlaanderen)



1.1     O&O-PROJECTEN VAN BEDRIJVEN – ALGEMEEN


Inhoud steunmaatregel

Deze financiële steun is bestemd voor bedrijven die d.m.v. een onderzoeks- of ontwikkelingsproject een
innovatie wensen door te voeren en die daartoe wetenschappelijk-technologische kennis dienen te verwerven. In
deze projecten worden de volgende O&O-activiteiten gesteund: industrieel basisonderzoek en de ontwikkeling
van prototypes voor nieuwe of verbeterde producten of productieprocessen of een combinatie van beide
(gemengd onderzoek).

Begunstigden

De projectsteun die het IWT toekent in het kader van deze maatregel is bestemd voor alle in Vlaanderen
gevestigde bedrijven, van KMO tot dochter van een multinational. Noodzakelijk is dat het bedrijf een
exploitatiezetel in Vlaanderen heeft waar tewerkstelling en economische activiteit plaatsvindt. De mogelijkheid
tot valorisatie of toepassing van de onderzoeksresultaten in Vlaanderen (creatie van toegevoegde waarde) staat
centraal. Alle ondernemingstypes komen in aanmerking, behalve beoefenaars van vrije beroepen of
zelfstandigen. Er zijn geen sectorale beperkingen maar onderzoek met militaire affiniteit wordt niet gesteund.

De projecten worden uitgevoerd door een onderneming alleen of in samenwerking met één of meerdere
ondernemingen en/of onderzoeksinstellingen (onderzoekscentra, universiteiten, hogescholen).

Projecten

Met industrieel basisonderzoek wordt bedoeld: wetenschappelijk-technologisch onderzoek gericht op het
genereren van nieuwe kennis. Deze kennis kan achteraf gebruikt worden bij de ontwikkeling van nieuwe
producten, processen of diensten, of kan de basis vormen voor het verbeteren van bestaande producten,
processen of diensten.

Prototype- of ontwikkelingsactiviteiten: dit type van activiteiten beoogt de omzetting van technologische kennis
in ontwerpen voor nieuwe, gewijzigde of verbeterde producten, processen of diensten. Dit omvat ook het
vervaardigen van een eerste prototype of eerste demonstratie- of modelprojecten voor zover de resultaten niet
rechtstreeks voor commerciële doeleinden kunnen worden aangewend.

Met gemengd onderzoek wordt bedoeld onderzoeks- en ontwikkelingsactiviteiten die zowel aspecten van
industrieel basisonderzoek als van ontwikkeling omvatten.

Bepaalde activiteiten zoals engineering, opleidingen, marktonderzoek en investeringen, kunnen niet de kern van
een IWT-project uitmaken.

Steunpercentages en modaliteiten
IWT-Vlaanderen verleent voor industrieel basisonderzoek een subsidie van 50% van de aanvaarde brutokosten
van het project. Voor ontwikkeling en prototype-onderzoek bedraagt de subsidie 25% van de aanvaarde
brutokosten van het project. Voor gemengd onderzoek is het steunpercentage 38%. De brutokosten omvatten
personeelskosten en overige niet-personeelskosten.
Indien het onderzoek wordt uitgevoerd door een KMO wordt het globale steunpercentage verhoogd met 10%.

Een KMO is gedefinieerd als een onderneming met niet meer dan 250 werknemers, een jaaromzet minder dan 50
miljoen euro of een balanstotaal minder dan 43 miljoen euro, en voor niet meer dan 25% gecontroleerd door een
ander bedrijf dat zelf geen KMO is.


Voor KMO’s bestaat tevens de mogelijkheid om bovenop de subsidie een achtergestelde lening te bekomen tot
80% van de aanvaarde projectkosten.
Indien de activiteiten van de KMO in een van de volgende EFRO-doelstellingsgebieden gehuisvest zijn, wordt
het steunpercentage verhoogd met 15% indien samengewerkt wordt met een kenniscentrum, en met 5% indien
de KMO het project alleen uitvoert. In aanmerking komende EFRO-doelstellingsgebieden zijn: Limburg,
Kustvisserijgebied, Westhoek-Middenkust, gedeelten van de stad Gent, Meetjesland.

Ten slotte wordt het steunpercentage ook verhoogd voor projecten in EUREKA-context (zie ook 1.3) of voor
projecten binnen specifieke acties beslist door de Vlaamse regering, met name projecten op het gebied van
Duurzame Technologische Ontwikkeling (DTO) of projecten die passen in de LURU-regeling.

Wanneer IWT-Vlaanderen beslist het project te steunen wordt een overeenkomst opgemaakt tussen het IWT en
de projectpartners. Deze overeenkomst is in de eerste plaats een middelenverbintenis (de overeengekomen
middelen moeten voor het beschreven project worden ingezet). Het IWT-Vlaanderen volgt de uitvoering van het
project op.

De betaling van de steun gebeurt in zesmaandelijkse schijven, die gekoppeld zijn aan verslaggeving.

Aanvraagprocedure

Voorstellen voor O&O-projecten kunnen doorlopend ingediend worden bij IWT-Vlaanderen. Een
projectvoorstel omvat de volgende onderdelen, in te vullen overeenkomstig de handleiding:
- algemene administratieve inlichtingen over de aanvrager en eventuele andere deelnemers aan het project;
- beschrijving van het innovatiedoel, nl. de probleemstelling, de verwachte, verifieerbare resultaten en de
    valorisatiemogelijkheden;
- de positionering van het bedrijf binnen het project en de state of the art;
- het werkprogramma;
- de kostenraming en de gevraagde steun per partner;
- de motivatie van de mogelijke economische impact van de resultaten;
- profiel van de aanvrager en van de eventuele andere deelnemers aan het project.

Het IWT-Vlaanderen beschikt over een gedetailleerde handleiding hiervoor, die op eenvoudige aanvraag en
gratis verkrijgbaar is, of via de website.



 Aanvullende inlichtingen

Algemene informatie is terug te vinden op de homepage van IWT-Vlaanderen (http://www.iwt.be) en via e-mail
op het adres: iwt-bedrijfssubsidies@iwt.be

IWT-Vlaanderen
Peter Verstraeten
Bischoffsheimlaan 25
1000 Brussel
Tel.: 02/20.90.900
Fax.: 02/22.31.181
Website: http://www.iwt.be
1.2     KMO-PROGRAMMA


Inhoud steunmaatregel

Het IWT-Vlaanderen (Instituut voor de aanmoediging van innovatie door Wetenschap en Technologie in
Vlaanderen) heeft met het KMO-Programma als doel het innovatiegebeuren bij de Vlaamse kleine en
middelgrote ondernemingen te stimuleren. Innovatie is daarbij gedefinieerd als het tot stand brengen van een
nieuw of vernieuwend product, proces of dienst die een technologische vernieuwing bij het bedrijf vereist, en
waarbij de activiteiten van kennisverwerving daartoe nodig financieel gesteund worden.

In het KMO-Programma bestaan zes specifieke projecttypes, waarbij de administratieve drempel zo laag
mogelijk gehouden wordt. Deze zes projecttypes zijn de KMO-Innovatiestudies (type 1, 2, 3, 4 en 5) en de
KMO-Innovatieprojecten.

Begunstigden

De steun die het IWT toekent in het kader van KMO-Innovatiestudies en KMO-Innovatieprojecten is bestemd
voor alle in Vlaanderen gevestigde KMO's. Een KMO is hier gedefinieerd als een onderneming met minder dan
250 werknemers, én met niet meer dan 50 miljoen euro jaaromzet of niet meer dan 43 miljoen euro jaarlijks
balanstotaal. Bij de berekening van deze criteria moet er geconsolideerd worden over alle ondernemingen die
een deelnemingsrelatie van 25% of meer van het kapitaal of de stemrechten in bezit hebben. Noodzakelijk is ook
dat het bedrijf een exploitatiezetel heeft in Vlaanderen waar tewerkstelling en economische activiteit plaatsvindt.
De mogelijkheid tot valorisatie of toepassing van de onderzoeksresultaten in Vlaanderen staat centraal. Alle
ondernemingstypes komen in aanmerking, behalve beoefenaars van vrije beroepen, zelfstandigen of nationale
monopolies. Er zijn geen sectorale beperkingen maar onderzoek met militaire affiniteit wordt niet gesteund.

De projecten kunnen worden uitgevoerd door een KMO alleen of in samenwerking met één of meer
ondernemingen en/of onderzoeksinstellingen (onderzoekscentra, universiteiten, hogescholen). Voor KMO-
Innovatiestudies Type 1 en 3 geldt evenwel een verplichte samenwerking met derden, waarbij voor KMO-
Innovatiestudies Type 1 de derde partij specifiek een door IWT-Vlaanderen erkend kenniscentrum moet zijn.

Projecten

KMO-Innovatiestudies Type 1 zijn grondige technologische adviezen van erkende kenniscentra. Dit advies moet
een antwoord geven op een technologische vraag in verband met een mogelijke innovatie van een product,
proces of dienst bij de KMO. De nadruk ligt op het realiseren van een zinvolle overdracht vanuit een erkend
technisch kenniscentrum van voor de technologische probleemstelling relevante technologische kennis. Het
advies moet de KMO in staat stellen om op onderbouwde wijze te beslissen om al dan niet verdere stappen voor
innovatie te nemen en de wijze waarop dit best kan gebeuren te definiëren.

KMO-Innovatiestudies Type 2 betreffen (voor)studies van beperkte omvang die tot doel hebben na te gaan of en
op welke wijze een innovatie kan worden gerealiseerd. Door middel van studieactiviteiten wordt relevante
kennis opgebouwd of verworven om gericht de verdere innovatieactiviteiten voor te bereiden. Typisch voor een
KMO-Innovatiestudie Type 2 is dat de onderneming over voldoende competentie moet beschikken om de studie
hoofdzakelijk in eigen beheer uit te voeren.

KMO-Innovatiestudies Type 3 zijn inhoudelijk gelijk aan KMO-Innovatiestudies Type 2, waarbij de eigen
inbreng van de KMO gecombineerd wordt met een noodzakelijke en substantiële externe inbreng. Deze
samenwerking met derden moet een duidelijke technologische kennis en een meerwaarde opleveren

KMO-Innovatiestudies Type 4 zijn gericht op het voorbereidingstraject van een Europees onderzoeksvoorstel,
een Eureka projectvoorstel of een technologie-transfersamenwerking via IRC-Vlaanderen. De activiteiten die
gepaard gaan met het opzetten van dergelijk project van internationale samenwerking worden gesteund.

KMO-Innovatiestudies Type 5 zijn er op gericht om binnen nog niet innovatieve KMO’s de capaciteit om tot
innovatie te komen significant te verhogen. Concreet worden de op innovatie gerichte activiteiten van een bij de
KMO nieuw aan te werven technisch hooggeschoolde ondersteund.
KMO-Innovatieprojecten zijn gericht op het realiseren van een technologische innovatie en het opdoen van de
nodige kennis daartoe. Dit tot stand brengen van de innovatie (nieuw of vernieuwd product, proces of dienst) en
de bijhorende kennisopbouw/verwerving geschiedt daarbij typisch door middel van technologische
ontwikkelings- en/of implementatieactiviteiten. De resultaten van een KMO-Innovatieproject bestaan uit een
concreet, geverifieerd ontwerp (eventueel een getest prototype) van een product, proces of dienst en zijn na
beëindiging van het project vrij snel toepasbaar of commercialiseerbaar.

Zowel in KMO-Innovatiestudies als in KMO-Innovatieprojecten kunnen ook activiteiten van niet-technologische
aard uitgevoerd worden. Deze aanverwante activiteiten moeten wel rechtstreeks verband houden met de
technologische innovatie die moet uitgewerkt worden (normeringen en reglementeringen, marktaspecten,
intellectuele eigendom, ...).

Steunpercentages en modaliteiten
IWT-Vlaanderen kan voor KMO-Innovatiestudies een subsidie verlenen van 60% van de aanvaarde brutokosten
van het project. Deze steun is beperkt tot maximaal 6.500 euro voor KMO-Innovatiestudies Type 1; tot
maximaal 22.000 euro voor het type 2 en tot maximaal 33.000 euro voor het type 3. Voor KMO-
Innovatieprojecten kan een subsidie (tot 200.000 euro) verleend worden van 35% van de aanvaarde brutokosten
van het project, waarbij deze brutokosten minimaal 50.000 euro dienen te bedragen. De brutokosten omvatten
personeelskosten en overige niet-personeelskosten, beperkt tot 50% van de personeelskosten voor KMO-
Innovatiestudies en tot maximaal 80% van de personeelskosten voor KMO-Innovatieprojecten.

Wanneer IWT-Vlaanderen beslist het project te steunen wordt een overeenkomst opgemaakt tussen het IWT en
de projectpartners. Deze overeenkomst is een middelenverbintenis (de overeengekomen middelen moeten voor
het beschreven project worden ingezet) en een valorisatieverbintenis (de projectresultaten moeten in eerste
instantie in Vlaanderen worden toegepast). Het IWT-Vlaanderen volgt de uitvoering van het project op.

De betaling van de steun gebeurt in twee schijven voor KMO-Innovatiestudies en in zesmaandelijkse schijven
voor KMO-Innovatieprojecten, die gekoppeld zijn aan verslaggeving.

Aanvraagprocedure

Voorstellen voor KMO-Innovatiestudies en KMO-Innovatieprojecten kunnen doorlopend ingediend worden bij
IWT-Vlaanderen – KMO-Programma. Per kalenderjaar kunnen per KMO maximaal twee KMO-Innovatiestudies
Type 1, twee KMO-Innovatiestudies Type 2 of 3, twee KMO-Innovatiestudies Type 4 en twee KMO-
Innovatieprojecten voor steun aanvaard worden. Per KMO kan maximaal één KMO-Innovatiestudie Type 5
gesteund worden. Het projectvoorstel omvat de volgende onderdelen:
- algemene administratieve inlichtingen over de aanvrager en eventuele andere deelnemers aan het project;
- beschrijving van het projectvoorstel;
- het valorisatiepotentieel van de projectresultaten;
- financiële aspecten van het project: begroting per partner en gevraagde steun;
- profiel van de aanvrager en van de eventuele andere deelnemers aan het project.
IWT-Vlaanderen beschikt voor elk projecttype in het KMO-Programma over een gedetailleerde handleiding, die
op eenvoudige aanvraag en gratis verkrijgbaar is, of via de website.



 Aanvullende inlichtingen

Algemene informatie is terug te vinden op de homepage van IWT-Vlaanderen (http://www.iwt.be) en vragen
kunnen steeds gesteld worden via e-mail op het adres: kmo.programma@iwt.be.

IWT-Vlaanderen – KMO-Programma
Luc De Buyser
Bischoffsheimlaan 25
1000 Brussel
Tel.: 02/20.90.900
Fax.: 02/22.31.181
E-mail: kmo.programma@iwt.be
Website: http://www.iwt.be
1.3     EUREKA


Inhoud steunmaatregel

EUREKA is een stimuleringsprogramma voor toegepast marktgericht onderzoek in de industrie. Het is geen
initiatief van de Europese Commissie maar een samenwerkingsverband van 35 Europese landen. In een
EUREKA-project werken minstens twee onafhankelijke partners uit twee EUREKA-landen samen. Door
EUREKA wordt aan de projecten een label toegekend dat het innovatief en internationaal karakter van het
project erkent. De betrokken deelnemers kunnen zich voor financiële ondersteuning van hun aandeel in het
project wenden tot hun eigen nationale of regionale overheden. In Vlaanderen staat IWT hiervoor in.

Begunstigden

Steun in het kader van EUREKA wordt door IWT toegekend aan alle in Vlaanderen gevestigde ondernemingen
(van KMO tot dochter van een multinational), en hiermee samenwerkende onderzoekscentra, universiteiten en
hogescholen. Voor de ondernemingen is het noodzakelijk dat ze een exploitatiezetel hebben in Vlaanderen waar
tewerkstelling en economische activiteit plaatsvindt. De mogelijkheid tot valorisatie of toepassing van de
onderzoeksresultaten in Vlaanderen staat centraal. Alle ondernemingstypes, met uitzondering van zelfstandigen,
beoefenaars van vrije beroepen of nationale monopolies komen in aanmerking. Er zijn geen sectorale
beperkingen maar onderzoek met militaire affiniteit wordt niet gesteund.

Projecten

Vlaamse bedrijven en hiermee samenwerkende onderzoeksinstellingen die partner zijn in een EUREKA-project
kunnen bij IWT steun aanvragen voor industrieel basisonderzoek, prototype-onderzoek, of een combinatie van
beiden. Steunaanvragen in het kader van EUREKA volgen de gebruikelijke steun- en evaluatieregels van IWT.
IWT voorziet een toeslag van 10% wanneer de (Vlaamse) steunaanvraag kadert in een EUREKA-project met een
reëel en noodzakelijk internationaal karakter en er een samenwerking is met minstens 1 partner uit een andere
lidstaat van de Europese Unie. Deze toeslag is cumuleerbaar met de bestaande extra 10% voor KMO's.

Diversen

EUREKA is een gebruiksvriendelijk kader voor internationale samenwerking in onderzoek en ontwikkeling.
Het 'bottom up' karakter van EUREKA laat een grote vrijheid aan de deelnemende partners, die zelf bepalen met
wie en waarover zij willen samenwerken. EUREKA-projecten zijn dikwijls bilaterale projecten. Het programma
is daarom bijzonder populair bij KMO’s.

Aanvraagprocedure

De aanvraag omvat een dubbele procedure. Het EUREKA-label wordt aangevraagd via het EUREKA-netwerk
en toegekend na evaluatie door de EUREKA-secretariaten van de betrokken landen. De aanvraag tot
steunverlening aan de Vlaamse partners wordt ingediend bij, en behandeld door, het IWT. Voor een vlot verloop
dienen beide procedures te worden gesynchroniseerd. Contacteer hiervoor, in een zo vroeg mogelijk stadium, de
regionale contactpersoon voor EUREKA.

Bij de evaluatie van een steunaanvraag in EUREKA-kader, onderzoekt IWT onder meer de meerwaarde van de
Europese samenwerking voor de Vlaamse deelnemer(s). Deze meerwaarde is een noodzakelijke voorwaarde
voor het bekomen van de financiële toeslag. Indien geen meerwaarde wordt vastgesteld, kan de steunaanvraag
verder behandeld worden als een regionaal onderzoeksproject, en gesteund worden volgens het gebruikelijke
steunregime.
 Aanvullende inlichtingen

Algemene informatie is terug te vinden op de homepage van IWT-Vlaanderen (http://www.iwt.be onderdeel
EUREKA).

IWT
Danny Van Steenkiste
EUREKA Regionaal Contact
Bischoffsheimlaan 25
1000 Brussel
Tel.: 02/20.90.971
Fax: 02/22.31.181
E-mail: dvs@iwt.be
Website: http://www.iwt.be
1.4       VLAAMSE INNOVATIESAMENWERKINGSVERBANDEN


Inhoud steunmaatregel

Het VIS-besluit voorziet in de ondersteuning van drie activiteiten: innovatiestimulering, technologisch advies en
collectief onderzoek. Deze activiteiten kunnen worden gebundeld, wat aanleiding geeft tot vier projecttypes, te
weten:
- projecten van collectief onderzoek;
- projecten van technologische dienstverlening;
- projecten van sub-regionale innovatiestimulering;
- projecten van thematische innovatiestimulering.

Het VIS-besluit voorziet in een ondersteuning van maximaal 80% van de aanvaardbare kosten voor de
activiteiten van technologische dienstverlening en innovatiestimulering en van maximaal 50% van de
aanvaardbare kosten voor de activiteiten van collectief onderzoek.

Binnen de globale context van innovatie-ondersteuning heeft elk van deze projecttypes een specifieke
doelstelling. Deze wordt uitvoerig beschreven in een voor elk type uitgewerkte handleiding.

Begunstigden

De steun die het IWT toekent in het kader van het VIS-besluit wordt toegekend aan zogenaamde Vlaamse
Innovatiesamenwerkingsverbanden. De definitie van een Vlaams Innovatie-Samenwerkingsverband is de
gestructureerde samenwerking van in hoofdzaak Vlaamse bedrijven, met al of niet één of meerdere organisaties
of instellingen, met het oog op het uitoefenen van activiteiten van collectief onderzoek, technologie advies en/of
technologische innovatie-stimulering.
Voor iedere projectcategorie worden specifieke modaliteiten afgesproken. Deze modaliteiten zijn gebaseerd op
de doelstellingen die met de projecttypes worden beoogd. Om dus te kunnen nagaan of men voldoet aan de
voorwaarden om een project in te dienen, moet men voldoen aan:
- de algemene definitie van het begrip Vlaams innovatiesamenwerkingsverband;
- de acceptatiecriteria geldig voor het specifieke projecttype (zie daartoe de specifieke handleidingen).

Projecten

Hierna worden de belangrijkste krachtlijnen gegeven van ieder projecttype:

-     collectief onderzoek: onderzoek dat zich kan richten op de korte, de middellange of de lange termijn. Het
      kan dus het ruime wetenschappelijk-technologisch spectrum tot voorwerp hebben, van strategisch
      basisonderzoek (zoals bijvoorbeeld terug te vinden in het SBO-programma) tot en met vertaalonderzoek
      (zoals het bijvoorbeeld aan bod komt in het TETRA-fonds). Het essentieel criterium is dat het voorgestelde
      onderzoek belangrijk is voor de collectiviteit van bedrijven waarvoor het is opgezet. De betrokken
      onderzoeksgroep dient reëel in staat te zijn om de wetenschappelijk-technologische ambities van het project
      waar te maken;
-     technologische dienstverlening: activiteiten waarbij enerzijds de vragen van de bedrijven rond aspecten van
      een bepaalde technologie worden behandeld, door hetzij zelf hetzij door inschakeling van andere
      technologische experten de oplossing aan te bieden (reactieve component, technologie-advies). Anderzijds
      dienen ook een aantal eigen initiatieven te worden uitgevoerd, al dan niet in samenwerking met collega’s
      intermediairen, om bepaalde innovatieve aspecten van een technologie naar de bedrijven te brengen
      (proactieve component, innovatiestimulering);
-     sub-regionale innovatiestimulering: activiteiten van innovatiestimulering, specifiek gericht naar alle
      bedrijven gelegen in een welbepaald gebied waarbij de bedrijven een eerstelijnszorg rond technologische
      innovatie wordt aangeboden. Belangrijk hierbij is de verbinding naar de tweede lijn (gespecialiseerde
      kennisdiensten) die op vlotte, ongebonden en efficiënte manier dient te worden georganiseerd;
-     thematische innovatiestimulering: activiteiten van innovatiestimulering, specifiek gericht naar een groep
      bedrijven verbonden door een gemeenschappelijke thematiek, met als doel de netwerking en de synergie
      tussen de bedrijven te bevorderen.
Steunpercentages en modaliteiten
IWT-Vlaanderen kan voor de projecten van Thematische Innovatiestimulering, Technologische dienstverlening
en Sub-regionale Innovatiestimulering een subsidie verlenen van 80% van de aanvaarde brutokosten van het
project. Deze steun is beperkt tot de kosten van maximaal 2 voltijds equivalenten gedurende 2 x 2 jaar, verhoogd
met een forfaitaire werkingskost van 37.500 euro/VTE/jaar.

Voor activiteiten van Collectief Onderzoek bedraagt het steunpercentage 50% van de aanvaarde kosten,
activiteiten van innovatiestimulering binnen een project Collectief Onderzoek kunnen rekenen op 80% subsidie.
Samenwerking tussen meerdere kenniscentra in een project van Collectief Onderzoek wordt gestimuleerd door
een verruiming van de aanvaardbare kosten.

Wanneer IWT-Vlaanderen beslist het project te steunen wordt een overeenkomst opgemaakt tussen het IWT en
de projectpartners. Deze overeenkomst is een middelenverbintenis (de overeengekomen middelen moeten voor
het beschreven project worden ingezet). Het IWT-Vlaanderen volgt de uitvoering van het project op.

De betaling van de steun gebeurt in jaarlijkse schijven, die gekoppeld zijn aan verslaggeving.

Aanvraagprocedure

Projecten kunnen slechts ingediend worden bij openstelling van een in principe jaarlijkse oproep voor de
verschillende projecttypes.

IWT-Vlaanderen beschikt voor elk projecttype in het VIS-programma over een gedetailleerde handleiding, die
op eenvoudige aanvraag en gratis verkrijgbaar is, of via de website.



 Aanvullende inlichtingen

Algemene informatie is terug te vinden op de homepage van IWT-Vlaanderen (http://www.iwt.be) en via e-mail
op het adres: vis@iwt.be.

IWT-Vlaanderen – VIS-Programma
Bernard De Potter
Bischoffsheimlaan 25
1000 Brussel
Tel.: 02/20.90.900
Fax.: 02/22.31.181
E-mail: vis@iwt.be
Website: http://www.iwt.be
1.5     ONDERZOEKS- EN ONTWIKKELINGSPROGRAMMA'S VAN DE EUROPESE UNIE


Inhoud steunmaatregel

De Europese Unie stelt omvangrijke financiële middelen ter beschikking voor de bevordering van onderzoek-,
technologische ontwikkeling- en demonstratieprojecten in diverse domeinen en sectoren.

Het is de bedoeling om door het stimuleren van de grensoverschrijdende samenwerking inzake onderzoek en
technologische ontwikkeling (O&O) het concurrentievermogen van de Europese industriële ondernemingen op
de wereldmarkt te vergroten. Een andere doelstelling is het bevorderen van de samenwerking tussen industriële
ondernemingen, universiteiten en onderzoekscentra.

De steunverlening verloopt hoofdzakelijk via de zogenaamde 'Kaderprogramma's voor Onderzoek, Ontwikkeling
en Technologische Demonstratie'. Dit zijn meerjarenprogramma's die de prioriteiten alsook de financiële
omvang van diverse actielijnen op middellange termijn aangeven. Zij vormen het beleidsinstrument voor het
Europese O&O-beleid. Het Zesde Kaderprogramma, waarvoor een totaal budget is voorzien van 17,5 miljard
euro, loopt van 2002 tot 2006.

De voordelen van deelname aan Europese programma's beperken zich niet louter tot financiële steun. Ook de
internationale contacten, de waardevolle knowhow, en de toegang tot nieuwe markten die hierbij worden
verkregen, zijn zeker niet zonder belang.

Begunstigden

Het Europese Kaderprogramma en zijn specifieke programma's staan open voor iedereen (openbare en
particuliere instellingen), gevestigd in de 25 lidstaten van de Europese Unie (EU), ongeacht de vorm van de
rechtspersoonlijkheid. Dit kunnen dus individuen, industriële en commerciële ondernemingen (inclusief KMO's),
universiteiten, onderzoeksinstellingen en organisaties voor technologieverspreiding zijn.
Daarnaast kunnen ook gelijkaardige entiteiten uit geassocieerde staten (onder andere Israël, Noorwegen, IJsland,
Liechtenstein) onder dezelfde voorwaarden aan het kaderprogramma deelnemen.
De deelname en financiering van entiteiten uit derde landen (VS, Japan, en dergelijke) worden bepaald door
regels voor Internationale samenwerking en de samenwerkingsovereenkomsten tussen de EU en betrokken
landen.
Indieners van een projectvoorstel moeten kunnen aantonen dat zij over de nodige technische, financiële en
personele middelen beschikken voor het succesvol uitvoeren van het project en dat de bekomen projectresultaten
zullen geëxploiteerd en/of verspreid worden ten behoeve van de hoger vermelde doelstellingen.

Projecten

Omdat het Zesde Kaderprogramma gebruikt wordt voor de realisatie van het ruimere concept van de Europese
Onderzoeksruimte (ERA) wordt gebruik gemaakt van specifieke instrumenten of uitvoeringsvormen van
projecten, nl.: geïntegreerde projecten en topnetwerken. Via deze instrumenten wordt gestreefd naar de realisatie
van grootschalige en ambitieuze projecten rond een beperkt aantal voor de EU prioritaire thema's. Deze zijn voor
het Zesde Kaderprogramma:
- genomica en biotechnologie voor de gezondheid;
- technologieën van de informatiemaatschappij;
- nanotechnologieën          en    nanowetenschappen,      kennisgebaseerde     multifunctionele     materialen,
     productieprocédés en -apparatuur;
- lucht- en ruimtevaart;
- voedselkwaliteit en -veiligheid;
- duurzame ontwikkeling (energie, transport, milieu);
- burgers en governance in een kennismaatschappij.

Groot belang wordt gehecht aan de transnationale consortia die de projecten uitvoeren. In het Zesde
Kaderprogramma zullen zij kunnen beschikken over een sterk toegenomen autonomie.

Voor de meeste onderzoeksprojecten worden de kosten gedeeld door de partners in het project en de EU. De
toegekende subsidie van de Europese Commissie bedraagt maximaal 50% van de kosten voor onderzoek- en
innovatieactiviteiten.
Om KMO's te stimuleren tot deelname aan het kaderprogramma bestaat er een specifieke maatregel (de
zogenaamde CRAFT-regeling), die het indienen van voorstellen en het deelnemen aan de O&O-activiteiten door
KMO's moet vergemakkelijken. Het betreft 'Onderzoeksprojecten in samenwerkingsverband' (coöperatief
onderzoek): hierbij kunnen minimum drie KMO's uit minstens twee verschillende lidstaten voor een
gemeenschappelijk technologisch probleem een projectvoorstel uitwerken dat door minstens twee
onderzoeksuitvoerders met aangepaste onderzoekscapaciteit kan worden uitgevoerd.
Vanaf 1 januari 2005 geldt een nieuwe KMO-definitie. Deze nieuwe definitie introduceert 3 categorieën van
ondernemingen : micro-, kleine en middelgrote ondernemingen. Het zijn allemaal ondernemingen die
- minder dan 250 mensen te werk stellen en
- ofwel een jaarlijkse omzet van minder dan 50 miljoen euro ofwel een jaarlijks balanstotaal van minder dan
     43 miljoen euro hebben.
Daarnaast moet ook bepaald worden of de onderneming autonoom is of een partner-onderneming. In geval van
een partner-onderneming moet het deel van de verbonden onderneming bijgeteld worden bij het aantal
werknemers en de financiële data om de status als KMO te bepalen.
Meer informatie over de nieuwe Europese definitie (incl. voorbeelden) is terug te vinden via
http://europa.eu.int/comm/enterprise/enterprise_policy/sme_definition/sme_user_guide.pdf

Aanvraagprocedure

Naar aanleiding van een officiële oproep voor een bepaald programma kunnen projectvoorstellen ingediend
worden bij de diensten van de Europese Commissie; hierbij dienen bepaalde termijnen in acht te worden
genomen. Het ingediende projectvoorstel moet aan de specifieke criteria en modaliteiten voldoen, die voor het
betrokken programma zijn vastgesteld, bijvoorbeeld:
- het onderzoek moet een precommercieel karakter hebben;
- er moet transnationale samenwerking zijn tussen ondernemingen, onderzoeksinstellingen of universiteiten
    uit een andere lidstaat;
- het geplande onderzoek moet nieuw zijn.

Het project moet kaderen binnen de prioritaire onderzoek- en ontwikkelingsthema's, die voor de EU zijn
vastgesteld.

Jaarlijks zal voor elk van deze thema's het werkprogramma met prioriteiten worden bepaald. Belangrijk is dat
hierbij met oproepen wordt gewerkt, en dus enkel tegen bepaalde data voor bepaalde prioriteiten
projectvoorstellen kunnen worden ingediend.
Het indienen van projecten moet gebeuren volgens een gedetailleerde procedure, die strikt te volgen is om
onontvankelijkheid te vermijden.

KMO's kunnen beroep doen op een KMO-Innovatiestudie type 4 (zie 1.2 KMO-programma) voor subsidies bij
het voorbereiden van een Europees onderzoeksproject.



 Aanvullende inlichtingen

Algemene informatie vindt u op de website van het EU-kaderprogramma, die niet alleen de recentste informatie
bevat over de komende oproepen, de lopende projecten, onderzoekspartners en projectresultaten maar ook alle
nodige documenten voor het indienen van een projectvoorstel (handleidingen, aanvraagdocumenten,
evaluatiehandleiding, en dergelijke): http://www.cordis.lu/fp6.

Voor meer informatie over het Europese Kaderprogramma en begeleiding bij het indienen van een
projectvoorstel kunt u ook terecht bij:

IWT-Vlaanderen
Alain Deleener
Bischoffsheimlaan 25
1000 Brussel
Tel.: 02/209.09.25
Fax: 02/223.11.81
E-mail: adl@iwt.be
Website: http://www.vlaanderen.be/6kp
1.6     STRATEGISCH BASISONDERZOEK (SBO)


Inhoud steunmaatregel

Het financieringskanaal voor strategisch basisonderzoek (SBO) is gericht op de uitbouw van ruime
kennisplatformen met brede toepassings- en verdere ontwikkelingsmogelijkheden. Strategisch basisonderzoek is
kwalitatief hoogwaardig en op langere termijn gericht onderzoek dat het opbouwen van wetenschappelijke of
technologische capaciteit beoogt die de basis vormt voor economische en/of maatschappelijke toepassingen in
Vlaanderen. Strategisch basisonderzoek situeert zich tussen het algemeen kennisverruimend onderzoek enerzijds
en de specifiek georiënteerde onderzoeks- en ontwikkelingsprojecten anderzijds.

Een SBO-project heeft een generische dimensie waardoor de onderzoeksresultaten van belang kunnen zijn voor
verschillende toepassingsgebieden en voor verschillende economische (deel)sectoren of/en maatschappelijke
doelgroepen in Vlaanderen. De bedoeling is immers niet om direct te kunnen verhelpen aan een punctueel
probleem of een specifiek knelpunt op kortere termijn van slechts één of enkele actoren. Wel wordt het leveren
van een meer generische onderzoeksbijdrage met het oog op een bredere toepasbaarheid met meerdere concrete
utilisaties en/of een meer structurele meerwaarde op termijn, beoogd.
Het gewenste vervolgtraject van een geslaagd SBO-project omvat bilaterale projecten met de economische of/en
maatschappelijke actoren met inbegrip van de totstandkoming van nieuwe spin-off bedrijven, diensten of
organisaties. Van de uitvoerders van een SBO-project wordt verwacht dat zij een actieve inspanning leveren met
het oog op de verdere effectieve benutting van de onderzoeksresultaten door (bestaande of toekomstige)
economische of maatschappelijke actoren. Deze gevraagde inspanning naar het verdere valorisatietraject
overstijgt de klassieke mechanismen voor de verspreiding van academische onderzoeksresultaten (publicaties,
congresbijdragen, deelname aan netwerken met academische vakgenoten).

Begunstigden

Het SBO-kanaal is geconcipieerd als een open en toegankelijk instrument voor alle Vlaamse O&O-actoren. Een
Vlaamse O&O-actor wordt hierbij gedefinieerd als een in het Vlaamse Gewest gevestigde O&O-actor
(universiteit, hogeschool, bedrijf, collectief centrum, onderzoeksinstelling, ...) evenals een in het Brussels
Hoofdstedelijk Gewest gevestigde Vlaamse universiteit of Vlaamse hogeschool. De primaire bedoeling is om de
nodige expertise te mobiliseren en te combineren ongeacht de aard van de O&O-actor waar deze expertise
voorhanden is.
Een Vlaamse O&O-actor kan ook een projectvoorstel indienen met één of meerdere O&O-actoren van buiten
Vlaanderen. De onderzoeksbijdrage van niet in Vlaanderen gevestigde O&O-actoren kan mee gesteund worden
voor zover deze cumulatief maximaal 20 procent van de voorgestelde projectbegroting bedraagt. Het is immers
de bedoeling dat voldoende expertise binnen Vlaanderen wordt opgebouwd, naast voordelen van kennistransfer
van buiten Vlaanderen.

Projecten

Het financieringskanaal is horizontaal en staat open voor alle domeinen. Hierdoor is het zeer geschikt om
multidisciplinaire generische onderzoeksprojecten tot ontplooiing te laten komen. Omdat strategisch
basisonderzoek een adequate “kritische massa” aan mensen en middelen vereist, wordt daarbij ook gestreefd
naar projecten met een afdoende omvang en duur die bovendien de beste beschikbare krachten bundelen.

De projectduur bedraagt in principe vier jaar. De basisbegroting voor een project is vastgelegd op minimaal
185.000 € en maximaal 500.000 € per jaar. In het SBO-kanaal wordt verder een belangrijke aanmoediging
ingebouwd tot samenwerking en consortiumvorming over instellingsgrenzen heen. Indien het project in
consortiumverband wordt uitgevoerd, kan de projectbegroting worden verhoogd tot een maximum van 500.000
€ per jaar vermenigvuldigd met het aantal rechtspersonen die als projectaanvrager optreden op voorwaarde dat
de deelprojectbegroting van deze projectaanvragers minimaal 15% van de totale projectbegroting bedraagt. Bij
grote consortia met telkens substantiële bijdragen van onderzoekspartners kan dit aanleiding geven tot zeer grote
projectbudgetten. Het is immers de expliciete bedoeling om dusdanig tot een afdoende kritische massa te komen,
nodig om de grensverleggende onderzoeksambities daadwerkelijk te kunnen waarmaken.

Steunpercentages.
Het steunpercentage voor een SBO-projectvoorstel of een gedeelte van een SBO-projectvoorstel uitgevoerd door
een openbare hoger-onderwijsinstelling of een openbaar onderzoekscentrum bedraagt 100% van de
aanvaardbare kosten.
Voor het bepalen van de steun aan een projectvoorstel of gedeelte van een projectvoorstel uitgevoerd door een
andere projectaanvrager (bijvoorbeeld een bedrijf), gelden de regels voor de ondersteuning van het industrieel
basisonderzoek zoals vastgelegd in het besluit van de Vlaamse regering van 5 oktober 2001 tot regeling van de
steun aan projecten van technologisch onderzoek en ontwikkeling van het bedrijfsleven in Vlaanderen. Voor een
dergelijke O&O-actor bedraagt het steunpercentage tussen 50% en 75 % van de aanvaardbare kosten.

Aanvraagprocedure

Projectvoorstellen kunnen worden ingediend in het kader van een jaarlijkse oproep voor projectvoorstellen. De
projectselectie wordt uitgevoerd in meerdere fasen. Op basis van het ingediende projectvoorstel wordt eerst een
grondige voorselectie uitgevoerd. Daarna volgt een diepgaande, inhoudelijke evaluatie, met o.m. externe
deskundigen. De procedure en de modaliteiten zijn nader beschreven in het SBO-oproepdocument.



 Aanvullende inlichtingen

Informatie over het SBO-steunkanaal is terug te vinden op de homepage van IWT-Vlaanderen
(http://www.iwt.be/sbo.htm).

Voor bijkomende inlichtingen kunt u steeds telefonisch, per fax of e-mail terecht bij :

IWT-Vlaanderen SBO-financieringskanaal
Paul Schreurs
Bischoffsheimlaan 25
1000 BRUSSEL
Tel.: 02/209.09.45
Fax: 02/223.11.81
E-mail: sbo@iwt.be
Website: http://www.iwt.be
1.7     TETRA-FONDS


Inhoud steunmaatregel

Het TETRA-Fonds vervangt vanaf 2004 het vroegere HOBU-Fonds, dat al 7 jaar loopt. Het programma steunt
projecten van technologie-verkenning, -vertaling en -verspreiding. Elk project omvat dus zowel onderzoek van
problemen als transfer van resultaten.
Alle technologieën en toepassingen kunnen aan bod komen, op voorwaarde dat ze economisch en eventueel ook
maatschappelijk toepasbaar zijn. Studies met bv. uitsluitend sociale, economische, juridische of medische
onderwerpen passen niet in dit programma. Een project kan wel deelaspecten hiervan bevatten.

Begunstigden

Alle hogescholen en universiteiten in Vlaanderen, die een technologisch probleem kunnen oplossen dat
bedrijven en andere organisaties interesseert.

Projecten

Vlaamse hogescholen of universiteiten stellen zelf projecten voor. Na selectie en goedkeuring betoelaagt de
Vlaamse overheid via IWT-Vlaanderen 92,5% van de kosten (cijfers 2004, 2005). De resultaten worden benut
bij bedrijven, organisaties en het eigen onderwijs. Aan elk project is een gebruikerscommissie verbonden met
geïnteresseerde partners, mogelijks ook universitaire labo's, onderzoekscentra of (hightech) ondernemingen.
Deze gebruikerscommissie betaalt de resterende 7,5% van de kosten.

De meeste TETRA-projecten hebben een looptijd van twee jaar. Om de vier maanden organiseert elk project een
opvolgvergadering voor zijn gebruikerscommissie. Bedrijven of instellingen kunnen interessante testcases
aanbrengen.

Het IWT moedigt de uitbreiding van bestaande gebruikerscommissies aan. Bedrijven en andere organisaties
kunnen steeds aansluiten bij een lopend project op voorwaarde dat de andere leden geen bezwaren hebben.
Organisaties die bereid zijn om een beperkte financiële bijdrage te leveren aan een project, kunnen zich wenden
tot de projectleider van hun keuze voor meer informatie en een eventuele vraag tot aansluiting.

Bedrijven kunnen contact opnemen met hogescholen of universiteiten om nieuwe projecten te bespreken die een
bepaalde groep ernstig zou kunnen interesseren. Zo kunnen zij zich voorbereiden op een toekomstige oproep.

Een overzicht van de goedgekeurde HOBU- en TETRA-projecten en andere informatie over het TETRA-Fonds
vindt u op de website van IWT-Vlaanderen: www.iwt.be.

In de periode 1997-2004 werden 182 projecten gesteund. Over die jaren heen konden gemiddeld 35% van de
aanvragen gehonoreerd worden. Jaarlijks besteedde IWT-Vlaanderen zo’n 6 miljoen euro aan deze projecten.

Naast de hogescholen zelf zijn meer dan 1300 verschillende organisaties betrokken (geweest) in de
gebruikerscommissies van de goedgekeurde projecten. Verscheidene organisaties hebben geparticipeerd aan
meer dan één project. Dit heeft geleid tot in totaal 2200 participaties van meestal twee jaar vanwege bedrijven
(2/3 KMO's), universiteiten, beroepsfederaties, andere hogescholen dan aanvrager, vzw’s, ... Vele KMO’s
werden aldus - soms voor de eerste maal - betrokken bij innovatieve en overheidsgesteunde projecten. De
projecten zelf werden ernstig en grondig uitgevoerd; de resultaten hebben geleid tot vernieuwingen in het
onderwijs én bij de bedrijven. Het HOBU-fonds kende ook een zeer belangrijk effect inzake een betere
samenwerking tussen universiteiten en hogescholen.

Aanvraagprocedure

Eenmaal per jaar wordt een oproep gelanceerd voor het indienen van nieuwe projecten. Op basis van
bovenstaande criteria beslist IWT-Vlaanderen, in samenspraak met commissies van deskundigen, welke
projecten steun toegewezen krijgen. De uitvoering van een project gebeurt bij de aanvragende projectconsortia.

De hoofdcriteria die het IWT hanteert bij de selectie, zijn:
- de technologisch-wetenschappelijke kwaliteit van het voorstel;
-   het valorisatiepotentieel, zowel algemeen als specifiek voor KMO's in Vlaanderen;
-   de diffusie van de praktische resultaten, zowel binnen de onderwijsopdracht als naar de Vlaamse bedrijven,
    i.h.b. de traditionele KMO's.



 Aanvullende inlichtingen

Algemene informatie is terug te vinden op http://www.iwt.be, in het bijzonder bij www.iwt.be/tetra en
www.iwt.be/hobu. Van elk goedgekeurd project is tevens een individuele fiche beschikbaar op
www.iwt.be/fiche.

IWT-Vlaanderen
TETRA-Fonds
Bruno Krekels
Bischoffsheimlaan 25
1000 Brussel
Tel.: 02/209.29.03
Fax: 02/223.11.81
E-mail: tetra@iwt.be
Website: http://www.iwt.be
1.8.    LANDBOUWKUNDIG ONDERZOEK


Inhoud steunmaatregel

Op 18 februari 2005 heeft de Vlaamse regering haar goedkeuring gegeven aan een nieuw reglementair besluit
voor de projectmatige financiering van het toegepast collectief onderzoek voor de land- en tuinbouwsector. Deze
steunverlening kadert in de overheveling van het landbouwonderzoek naar de Gewesten ingevolge het
Lambermont-akkoord. Het programma Landbouwkundig Onderzoek beoogt het verwerven, bundelen en vertalen
van wetenschappelijk-technologische kennis naar innovatieve toepassingen voor de Vlaamse land- en tuinbouw.

Begunstigden

Voor deze steunmaatregel komen in aanmerking de onderzoeksgroepen van de Vlaamse instellingen van hoger
onderwijs, de onderzoeksinstellingen en de voor de Vlaamse land- en tuinbouw erkende praktijkcentra. Zij
kunnen zelfstandig een projectvoorstel indienen, dan wel in een gestructureerd samenwerkingsverband.
Voor elke aanvraag dient een gebruikerscommissie samengesteld te worden die een representatieve
vertegenwoordiging moet zijn van de land- en tuinbouwsector waartoe het project zich richt.

Projecten

De projecten hebben een collectief karakter: ze moeten gericht zijn op de bevordering van de sector en niet op
het oplossen van problemen van individuele land- en tuinbouwbedrijven. De onderzoeksresultaten dienen dan
ook een aantoonbare economische en -voor zover relevant- ook een sociale en ecologische meerwaarde te
creëren.

Een project in het programma Landbouwkundig Onderzoek duurt maximum 4 jaar. In dat geval is er na 2 jaar
een tussentijdse evaluatie voorzien. De gebruikerscommissie komt om de zes maanden samen voor de opvolging
en eventuele bijsturing van het project.

Er wordt een zekere prioriteit gegeven aan projecten die:
- een substantiële bijdrage leveren aan Duurzame Technologische Ontwikkeling (DTO);
- op korte termijn een oplossing willen bieden aan voor de land- en tuinbouw belangrijke problemen en/of
    waarvan de resultaten in een direct bruikbare vorm moeten doorstromen naar de praktijk (zgn.
    praktijkonderzoek).

Steunpercentage en modaliteiten
Het steunpercentage bedraagt minimaal 80 en maximaal 100% van de aanvaardbare kosten.
Voor 2004-2005 werd door de voogdijminister beslist om 92,5% steun toe te kennen. De overige 7,5% dient
door de leden van de gebruikerscommissie samengebracht te worden. Desgevallend kunnen ook bedrijven uit de
agro-voedingsindustrie mede instaan voor de cofinanciering.

Er is geen maximum steunbedrag per project voorzien. De budgettaire enveloppe voor het programma
Landbouwkundig Onderzoek bedraagt 9.602.000 euro (2005).

Aanvraagprocedure

Ieder jaar organiseert het IWT in het najaar een oproep om projectvoorstellen in te dienen tegen een welbepaalde
datum. Deze verschijnt in het magazine van het IWT, de Innovatiekrant, en wordt ook gepubliceerd op de
website. Zolang een oproep loopt, kan u voor concrete informatie en alle details de handleiding voor het indienen
van projectaanvragen in het programma Landbouwkundig Onderzoek raadplegen.

Voor de evaluatie van de projectvoorstellen wordt beroep gedaan op colleges van onafhankelijke experten uit
binnen- en buitenland. De hoofdcriteria die het IWT hanteert bij de beoordeling zijn zowel de wetenschappelijk-
technologische kwaliteit als het valorisatiepotentieel van een projectvoorstel.
Daar de relevantie van het project voor de Vlaamse land- en tuinbouw een belangrijk selectiecriterium is, nemen
ook vertegenwoordigers van de Vlaamse Landbouwadministratie deel aan de colleges.
 Aanvullende inlichtingen

Algemene informatie is terug te vinden op de homepage van IWT-Vlaanderen (http://www.iwt.be) en via e-mail
op het adres: landbouwonderzoek@iwt.be.

IWT-Vlaanderen
Ferdi Soors of Fredy Van Wassenhove
Bischoffsheimlaan 25
1000 Brussel
Tel: 02/20 90 900
Fax: 02/22 31 181
E-mail: landbouwonderzoek@iwt.be
Website: http://www.iwt.be
2.      VLAAMSE INSTELLING VOOR TECHNOLOGISCH ONDERZOEK (VITO)



Inhoud steunmaatregel

De Vlaamse Instelling voor Technologisch Onderzoek verricht klantgericht contractonderzoek en ontwikkelt
innovatieve producten en processen ten behoeve van de industrie en de overheid. De bedrijfsleider wordt er
geholpen bij onderzoek en ontwikkeling, implementatie van innovatieve technologieën en het optimaliseren van
milieu-investeringen.

De onderzoeksprojecten van de VITO sluiten aan bij de actuele maatschappelijke tendensen en de reële noden
van het bedrijfsleven. Bij alle door de VITO uitgevoerde projecten staan het vrijwaren van het leefmilieu en het
bevorderen van het duurzaam gebruik van energie en grondstoffen centraal.

Begunstigden

De Vlaamse Instelling voor Technologisch Onderzoek (VITO) heeft een programma bestemd voor alle
ondernemingen gevestigd in het Vlaamse Gewest, dit wil zeggen voor zowel startende als bestaande kleine en
middelgrote ondernemingen.

Projecten

Volgende projecten komen in aanmerking:
- optimaliseren van milieu-investeringen;
- grondstoffenbesparing;
- optimaliseren van energiebesparende investeringen;
- vermindering van milieubelastende effecten;
- lancering en ontwikkeling van nieuwe technologieën;
- implementatie van innovatieve technologieën;
- …

Diversen

De opdrachtgever kan met zijn specifieke problemen terecht bij een logisch geheel van expertisecentra:
procestechnologie, energietechnologie, teledetectie en atmosferische processen, milieutoxicologie,
milieumetingen, materiaaltechnologie, milieutechnologie en integrale milieustudies. De wensen en noden van de
opdrachtgever staan centraal binnen het contractonderzoek van de VITO. Het verrichten van onderzoek op maat
van de klant en met tussentijdse bijsturing beperkt de financiële risico’s van de opdrachtgever.



 Aanvullende inlichtingen

VITO
Jos Sleurs
Boeretang 200
2400 Mol
Tel.: 014/33.55.11
Fax: 014/33.55.99
DEEL VI: STEUN BIJ EXPORT
1.      EXPORT VLAANDEREN – vanaf 1 juli FLANDERS INVESTMENT AND TRADE (FIT)



1.1     FINANCIELE TUSSENKOMSTEN VAN EXPORTGERICHTE INITIATIEVEN – KLEINE EN
        MIDDELGROTE ONDERNEMINGEN


Inhoud steunmaatregel

Export Vlaanderen heeft van de Vlaamse regering de opdracht gekregen om de exportinitiatieven van het
Vlaamse bedrijfsleven te ondersteunen, te begeleiden en te stimuleren. Eén van de middelen bij uitstek daartoe is
het toekennen van subsidies voor exportbevorderende initiatieven.

Op 20 april 2001 heeft de Vlaamse regering een nieuw besluit goedgekeurd dat de voorwaarden en de regels
vaststelt inzake de toekenning van subsidies. De reglementering, die zich specifiek richt naar kleine en
middelgrote ondernemingen, kadert in de Europese regelgeving inzake de de minimis.

Het belangrijkste doel van de subsidieregeling is dat onze exporteurs voor hun goederen en diensten ook afzet
zouden zoeken buiten de Europese Economische Ruimte (de lidstaten van de Europese Unie, Noorwegen,
Liechtenstein en IJsland vormen samen de EER).

Het steunbedrag wordt voor de meeste initiatieven forfaitair berekend en uitbetaald. Export Vlaanderen kent
subsidies toe ten belope van 50% van de aanvaarde kosten.

Begunstigden

Kleine en middelgrote ondernemingen* die een exploitatiezetel hebben in het Vlaamse Gewest.
* Dit zijn bedrijven die aan de volgende voorwaarden voldoen:
- er werken maximaal 250 werknemers;
- de onderneming heeft of een jaaromzet van maximaal 50 miljoen euro, of een balanstotaal van maximaal 43
    miljoen euro;
- niet meer dan 25% van het kapitaal of van de stemrechten zijn in handen van één onderneming of van
    verscheidene ondernemingen die niet aan deze definitie beantwoorden.

Projecten

Subsidiabele initiatieven

De volgende initiatieven komen in aanmerking:
- individuele prospectiereizen en groepszakenreizen;
- de deelname aan internationale beurzen in het buitenland;
- de aankoop van een lastenboek;
- de deelname aan een door Export Vlaanderen erkend opleidingsprogramma;
- de oprichting van een prospectiekantoor.


Diversen

Algemene voorwaarden

De belangrijkste voorwaarden om in aanmerking te komen voor subsidiëring zijn:
- de goederen of diensten, waarvoor prospectie wordt gedaan, moeten in het Vlaamse Gewest geproduceerd,
    verwerkt en/of gepresteerd worden. Zijn uitgesloten van steun: de traders en handelsmaatschappijen die niet
    voor eigen rekening of risico werken maar op commissieloon; de sector van de banken, de
    verzekeringssector, de vastgoedsector, de openbare besturen en de ondernemingen waarvan het
    aandelenkapitaal voor meer dan 50% in handen is van de overheid;
- de activiteiten waarvoor steun wordt gevraagd moeten gericht zijn op de export naar landen die gelegen zijn
    buiten de Europese Economische Ruimte, uitgezonderd de deelname aan internationale beurzen in het
    buitenland en de deelname aan opleidingsprogramma's;
-   de activiteiten moeten gericht zijn op nieuwe markten, waar de onderneming geen of een beperkte afzet
    realiseert.

Aanvraagprocedure

Algemeen gesproken moet de volledige aanvraag uiterlijk 15 kalenderdagen voor de aanvang van de actie
ingediend worden bij de centrale zetel van Export Vlaanderen te Brussel of via de website
www.export.vlaanderen.be .

De algemeen directeur van de instelling beslist in naam van de minister over de toekenning van de subsidie.

De uitbetalingen gebeuren op basis van een verslag en bewijsstukken.



 Aanvullende inlichtingen

Export Vlaanderen - FIT
Gaucheretstraat 90
1030 Brussel
Tel.: 02/504.87.11
Fax: 02/504.88.99
E-mail: info@export.vlaanderen.be
Website: http://www.export.vlaanderen.be
2.       AGENTSCHAP VOOR DE BUITENLANDSE HANDEL



Inhoud steunmaatregel

De activiteiten ontwikkeld door de Belgische Dienst voor de Buitenlandse Handel (BDBH) - een parastatale
instelling die tot taak had de uitvoer van Belgische en Luxemburgse producten, technieken en diensten te
bevorderen – werden afgeschaft in de loop van 2003, ingevolge de zogenaamde Lambermontakkoorden en meer
in het bijzonder ingevolge de Bijzondere wet houdende overdracht van diverse bevoegdheden aan de gewesten
en gemeenschappen van 13 juli 2001. Evenwel werd op basis van het samenwerkingsakkoord tussen de federale
overheid en de gewesten op 24 mei 2002, een Agentschap voor Buitenlandse Handel opgericht.

Begunstigden

Het Agentschap functioneert als een kenniscentrum voor de gewestelijke instellingen.

Projecten

De opdrachten van het Agentschap voor Buitenlandse Handel zijn vastgelegd in het samenwerkingsakkoord en
zijn complementair met de diensten van de gewestelijke exportbevorderende instanties. Zijn bevoegdheden
komen grosso modo op het volgende neer :

-    het ontwikkelen en verspreiden van informatie, studies en documentatie over buitenlandse markten,
     onder meer met betrekking tot buitenlandse handelswetgeving en -reglementering en handelsstatistieken;

-    overige diensten:
     · beheer van een databank van exporteurs. Via het systeem van selectieve infopmatieverspreiding kunnen
         de exporteurs snel en gericht worden geïnformeerd over aangelegenheden en acties die hun aanbelangen
         of interesseren, waaronder buitenlandse handelsvoorstellen en openbare aanbestedingen in het
         buitenland;
     · taken van gezamenlijk belang waartoe de Raad van Bestuur van het Agentschap unaniem beslist.

-    de organisatie van gezamenlijke handelsmissies onder voorzitterschap van ZKH Prins Filip, op initiatief
     van één of meer gewesten en op vraag van de federale overheid. De gewesten worden nauw bij de
     voorbereiding van deze zendingen betrokken en staan in voor een deel van het programma. De
     inschrijvingen gebeuren trouwens via de gewesten. Zendingen 2005-2006: India 12-19 maart 2005, Japan
     11-18 juni 2005, Brazilië 19-25 november 2005, Z. Afrika: 1ste semester 2006, Russische Federatie: 1ste
     semester 2006, Bulgarije: 2de semester 2006, Iran: 2de semester 2006.



 Aanvullende inlichtingen

Agentschap voor Buitenlandse Handel
Montoyerstraat 3
1000 Brussel
Tel.: 02/206 35 11
Fax: 02/203 18 12
E-mail: info@abh-ace.be
Website: http://www.abh-ace.be
3.      NATIONALE DELCREDEREDIENST - EXPORTKREDIETVERZEKERING



Inhoud steunmaatregel

De Nationale Delcrederedienst is een openbare instelling met rechtspersoonlijkheid. De Nationale
Delcrederedienst heeft tot doel de internationale economische betrekkingen te bevorderen door het verzekeren
van risico’s verbonden aan export, import en investeringen in het buitenland. De Nationale Delcrederedienst
werkt onder staatsgarantie, behalve voor transacties die gewoonlijk verzekerd worden door maatschappijen die
niet voor rekening of met de garantie van de Staat werken.

Alle exporttransacties komen voor verzekering in aanmerking: levering van consumptiegoederen,
kapitaalgoederen of industriële installaties, maar ook de meest diverse contracten, zoals
dienstverleningscontracten, verkoop van immateriële goederen (bijvoorbeeld licenties) en knowhow,
engineeringcontracten, enzovoort.

GEDEKTE RISICO’S

- Commercieel risico
De dekking van dit soort risico behoedt de verzekerde voor het in gebreke blijven van een buitenlandse debiteur.
Zij heeft betrekking op insolventie (faillissement of gerechtelijk akkoord), maar ook op situaties waar de
debiteur niet in staat is zijn verplichtingen na te komen of zich zonder wettige reden daaraan onttrekt.

- Politiek risico (en daarmee gelijkgestelde risico's)
Hieronder verstaat men alle gebeurtenissen die zich in het buitenland voordoen en die voor de verzekerde of de
debiteur overmacht vormen (politieke gebeurtenissen, deviezenschaarste, overheidsmaatregelen enz.).

VERZEKERDE SCHADE

- Resiliatie
De verzekering van resiliatieschade dekt de gevallen waar de buitenlandse afnemer het contract verbreekt
voordat de goederen zijn geleverd of de voorwaarden niet vervult die nodig zijn voor de uitvoering van het
contract.

- Schade uit hoofde van non-betaling
De verzekering van het betalingsrisico heeft betrekking op het risico dat de exporteur geen betaling ontvangt van
vorderingen die uit het contract voortvloeien.


Begunstigden

Alle ondernemingen komen in aanmerking. Er zijn geen uitgesloten categorieën of sectoren.

Diversen

GEOGRAFISCHE DEKKING
De geografische dekking omvat de hele wereld. Met andere woorden, de kredietverzekeringspolissen van de
Nationale Delcrederedienst en zijn dochteronderneming Delcredere NV voor kortlopend, middellang en
langlopend krediet, dekken zowel de verkopen op de thuismarkt als de uitvoer naar lidstaten van de OESO en de
landen die niet behoren tot de OESO.

VERZEKERDE TRANSACTIES
Kredietverzekering heeft betrekking op consumptie- of kapitaalgoederen, halffabrikaten, industriële projecten,
aannemingswerken, consignatiezendingen, verkoop van technologie en knowhow of dienstverlening in het
algemeen.

De manieren waarop de exporttransacties kunnen worden gefinancierd, zijn verscheiden: leverancierskrediet,
financieringskrediet, kaderkrediet, documentair krediet, leasing enz…
De Nationale Delcrederedienst en zijn dochteronderneming Delcredere NV dekken zowel kortlopende kredieten
(minder dan 2 jaar) als middellange (2 tot 5 jaar) of langlopende kredieten (meer dan 5 jaar). Ze verzekeren ook
speciale transacties met contante betaling. Die gaan hoofdzakelijk om aannemingswerken of engineering met een
ruime uitvoeringstermijn, maar die betaalbaar zijn naargelang ze worden uitgevoerd.

Bij contante betaling of leverancierskrediet is de polishouder de exporteur. Bij een financieringskrediet wordt
een verzekering voor de dekking van het betalingsrisico afgegeven aan de bank die de financiering toestaat en
wordt met de exporteur een aanvullend contract gesloten voor het resiliatierisico.

Voorts kan het recht op schadevergoeding op verzoek van de verzekerde worden overgedragen aan een derde.

Opgemerkt zij dat de mogelijkheid om de rechten uit de polis over te dragen aan een bank de financiering van de
transactie vergemakkelijkt.

VERZEKERINGSVORMEN
De exporttransacties worden verzekerd in het kader van globale overeenkomsten waarover de verzekerde en de
Nationale Delcrederedienst moeten onderhandelen.
De verzekeringsgang begint met het natrekken van de solventie van de cliënten en de landen waar die gevestigd
zijn. De tweede stap betreft de bijstand bij het integrale incasso van de verzekerde vorderingen wanneer zij
onbetaald blijven. Daarop volgt de vergoeding van de verzekerde wanneer het incasso niet geslaagd is.


-   Verzekeringspolissen voor transacties met financiering op korte termijn

Alle polissen zijn globale polissen in die zin dat zij alle contracten die ter verzekering moeten worden
aangeboden en de te dekken risico’s omvatten. Die polissen berusten op kredietlimieten die worden vastgesteld
voor elke debiteur en op periodieke declaraties van de gerealiseerde transacties. Meestal gaat een premietarief of
een eenmalige premie bij de polis.

·  Globale polis Delcredere
Deze polis kan worden gesloten door elke onderneming die in een lidstaat van de Europese Unie gevestigd is.

·   Multinationalpolis Delcredere
Deze polis is bestemd voor alle multinationale ondernemingen ongeacht hun activiteit, het aantal
dochterondernemingen en het land waar die gevestigd zijn. De multinational zelf of zijn dochtermaatschappij
kunnen de polis sluiten.

·   Globale polis Delcredere voor geconfirmeerde documentairekredieten
Deze verzekering is meer specifiek bestemd voor de banken en dekt hen in het kader van de confirmatie van
documentaire kredieten tegen het risico dat hun garantie wordt opgevorderd uit hoofde van non-betaling
vanwege de emitterende buitenlandse bank.


-   Verzekeringspolissen voor speciale transacties met contante betaling en met middellang en langlopend
    krediet gefinancierde transacties

Voor elk contract wordt op maat van de exporteur een polis opgesteld waarin de bijzondere
verzekeringsvoorwaarden en de premies worden bepaald. Die polissen worden afgegeven in het kader van een
globale conventie waaronder alle contracten die ter verzekering moeten worden aangeboden en de algemene
verzekeringsvoorwaarden worden omschreven. Tijdens de onderhandelingen kan de exporteur een advies of een
verzekeringsbelofte krijgen; de belofte geldt als een vaste verzekeringsverbintenis.


-   Bijkomende verzekeringen:

·    Bankgaranties tot dekking van de verplichtingen van de verzekerde (vooruitbetalingsgarantie,
     uitvoeringsgarantie enz.)
De verzekering dekt de willekeurige opvordering van deze garanties of de opvordering die te wijten is aan
politieke en daarmee gelijkgestelde risico’s.
·    Inschrijvingsgaranties
Buiten de bovengenoemde risico’s dekt de verzekering de opvordering die te wijten is aan de weigering van de
exporteur om het contract te sluiten wanneer de Nationale Delcrederedienst besluit geen contractdekking te
verlenen wegens de verslechtering van het risico.

·    Aannemersmateriaal
De verzekering dekt de vernieling of het bezitsverlies dat te wijten is aan politieke en darmee gelijkgestelde
risico’s.

·    Consignatie- en tentoonstellingsgoederen, bruikleen- of stukwerkcontracten
De verzekering dekt de aantasting van het eigendomsrecht die te wijten is aan het in gebreke blijven van de
medecontractant van de verzekerde of de onmogelijkheid voor de verzekerde om zijn eigendomsrecht tegenover
derden te laten gelden. Zij dekt ook de vernieling of het bezitsverlies dat te wijten is aan politieke en darmee
gelijkgestelde risico’s.

·    Fluctuatie in de wisselkoersen van vreemde valuta’s
Dekking van het koersrisico
Wanneer de transactie betaalbaar is in een vreemde valuta, kan de verzekerde zich indekken tegen een devaluatie
ten opzichte van de euro. Als tegenprestatie ontvangt de Nationale Delcrederedienst de koerswinst wanneer de
valuta is opgewaardeerd. De gedekte valuta’s zijn: USD, CAD, AUD, JPY, GBP, NOK, DKK, SEK, CHF en
HKD. Inzake de vrijelijk converteerbare Arabische valuta’s die gebonden zijn aan de USD, draagt de verzekerde
het risico van fluctuatie van die valuta’s ten opzichte van de USD.
Het contract treedt in werking op de dag waarop de vaste offerte wordt ingediend of wanneer het contract wordt
gesloten.

Dekking in deviezen en wederindekking op termijn
Wanneer de exporteur een schuld in een buitenlandse valuta aangaat, kan hij bij schadegeval een vergoeding in
diezelfde valuta verkrijgen of de tegenwaarde in euro. De dekking in deviezen heeft betrekking op het
betalingsrisico wanneer de schuld voortvloeit uit de financiering van de lening in deviezen die aan de debiteur is
verleend.
Wederindekking op termijn heeft daarentegen betrekking op het resiliatierisico wanneer de schuld volgt uit de
termijnverkoop van de deviezen die voortkomen uit het exportcontract.
Onder deze dekkingen kunnen de verzekerden ongeacht de koers altijd hun valutaverplichtingen nakomen.

·   Inconvertibiliteit van de valuta van het land van de debiteur
Landen spannen zich almaar meer in om hun nationale valuta op te leggen ter betaling van transacties die niet op
middellange of lange termijn zijn gefinancierd.
De dekkingsvoorwaarden voor het converteringsrisico op lokale valuta (m.i.v. de premies) zijn aangepast aan de
verschillende soorten transacties – courante transacties of speciale transacties – en aan de mate waarin de
valuta’s van de debiteurlanden converteerbaar zijn.

·    Verzekering van investeringen in het buitenland
De Nationale Delcrederedienst verleent dekking tegen het politieke risico verbonden aan investeringen in het
buitenland.
De polis dekt het risico dat de verzekerde de beschikkingsmacht over zijn investering verliest, dat hij geen
betaling of transfer kan verkrijgen van de bedragen die hem toekomen en dat de overheid van het gastland haar
contractuele verbintenissen niet nakomt (breach of contract).
Die verzekering geldt voor kapitaalsparticipaties, leningen en waarborgen die aan buitenlandse ondernemingen
zijn toegestaan.

·   Prefinanciering van importtransacties
Wanneer een prefinanciering een voorschot vertegenwoordigt in het kader van een Belgisch importcontract
(meestal voor grondstoffen), kan de Nationale Delcrederedienst het risico van nietterugbetaling van dat
voorschot verzekeren.
Dat voorschot kan worden toegestaan aan de buitenlandse verkoper door de Belgische importeur
(handelsprefinanciering)of zijn bank (bankprefinanciering).
·    Marktactiviteiten
Onder voorwaarden die zijn afgestemd op de marktvoorwaarden kan de Nationale Delcrederedienst ook risico’s
dekken die verbonden zijn aan internationale transacties waarbij Belgische operatoren betrokken zijn (banken die
deelnemen aan de syndicering van leningen ter financiering van hoofdzakelijk buitenlandse projecten, of ook
traders die buitenlandse import prefinancieren).
De samenwerking tussen de banken en de Nationale Delcrederedienst valt onder een gentlemen’s agreement
waaronder de gedragslijn van het partnerschap is vastgelegd, o.a. een evenwichtige risicoportefeuille aanbieden,
volledige doorzichtigheid van informatie en vergoedingen alsook selectienormen.
De Nationale Delcrederedienst oefent deze marktactiviteit aanvullend uit. Voor die transacties kan alleen maar
een beperkt gedeelte van zijn dekkingscapaciteit worden aangesproken, aangezien het grootste gedeelte bij
voorrang naar de traditionele Delcredereactiviteit gaat. Daarenboven zijn risico’s op de meest riskante
landenklassen uitgesloten en zijn maximumbedragen per transactie en per tegenpartij vastgesteld. Ten slotte kan
de Nationale Delcrederedienst zich niet verbinden voor een groter aandeel dan dat van de betrokken Belgische
operator.

·   Uitgifte van borgtochten
De borgtocht is een onherroepelijke verbintenis van de dochteronderneming van de Nationale Delcrederedienst
die aan de begunstigde de betaling van een bepaalde som verzekert als een contractuele verplichting door de
medecontractant niet wordt nageleefd.

De dochteronderneming van de Nationale Delcrederedienst kan borgtochten uitgeven voor rekening van
Belgische ondernemingen die actief zijn in het buitenland ten gunste van diverse aanvragers:
- douanegarantie: importeurs, internationale expeditiebedrijven, ... moeten douanerechten betalen voor hun
    invoer-, transit- of opslagtransacties. Als er een uitstel van betaling voor deze douanerechten werd
    toegestaan of als de douanerechten niet onmiddellijk opeisbaar zijn, eisen de douanediensten dat er een
    borgtocht wordt aangelegd. Deze borgtocht heeft betrekking op het bedrag van de douanerechten dat voor de
    goederen verschuldigd is. Als de douanerechten op de vervaldag nog niet zouden zijn betaald, doet de
    douane een beroep op de borgtocht van de Nationale Delcrederedienst.
- borgtocht voor transport: volgens de voorschriften van FOD Mobiliteit en Transport, moet er een borgtocht
    worden aangelegd om het bedrag van de lopende transportvergunningen te dekken. FOD of bepaalde
    schuldeisers kunnen een beroep doen op de borgtocht als gerechtelijk wordt vastgesteld dat de transporteur
    in financiële moeilijkheden verkeert.



 Aanvullende inlichtingen

Nationale Delcrederedienst
Montoyerstraat 3
1000 Brussel
Tel.: 02/788 88 00
Fax: 02/788 88 10
E-mail: info@ondd.be
Website: http://www.ondd.be

Voor de verzekering van traditionele middellange en langlopende exportkredieten, speciale transacties,
markttransacties, confirmatie van documentaire kredieten en directe investeringen in het buitenland:

Walter Blom - w.blom@ondd.be
Dominique Meessen - d.meessen@ondd.be
Nele De Peuter - n.depeuter@ondd.be

Voor de verzekering van kredieten met een looptijd van minder dan twee jaar, beheerd onder een polis die is
afgegeven aan een exporteur of een importeur en voor het stellen van douanegaranties of voor transportgaranties:

Eric Joos - e.joos@ondd.be
Sylvie Hirn - s.hirn@ondd.be
Christian Declerck - c.declerck@ondd.be
4.      FINEXPO – COMITE VOOR DE FINANCIELE ONDERSTEUNING VAN DE EXPORT



4.1     STABILISERING VAN DE RENTEVOET


Inhoud steunmaatregel

De federale ministerraad heeft op 22 mei 1997 de oprichting van FINEXPO (Comité voor de financiële
ondersteuning van de export) goedgekeurd. Dat Comité zal zowel Copromex (Comité voor de Bevordering van
de uitvoer van Belgische uitrustingsgoederen) als het Interdepartementaal Comité voor de staatsleningen
bevatten en bepaalde taken ervan overnemen. Eén van deze taken is het tegemoetkomen in de rentelasten die
voortvloeien uit de financiering van de export om de Belgische exporteurs in staat te stellen het hoofd te bieden
aan de buitenlandse concurrenten. Dat kan onder andere door te zorgen voor een stabilisering van de
rentevoeten.

Begunstigden

Kleine, middelgrote en grote ondernemingen komen in aanmerking voor een stabilisering van de rentevoet.

Projecten

Volgend project komt in aanmerking:
- uitvoer van uitrustings- en investeringsgoederen.

Aanvraagprocedure

Om een stabilisering van de rentevoet te bekomen moet de exporteur een officiële aanvraag indienen bij
Finexpo. Hij vult hiervoor het gemeenschappelijk aanvraagformulier Finexpo – Delcredere in. Dat moet
gebeuren vóór de ondertekening van het commercieel contract. Het officiële aanvraagformulier kan gevonden
worden op de website van Finexpo (http://www.finexpo.be). Uit die aanvraag moet blijken dat de exporteur in
concurrentie is met andere buitenlandse leveranciers en dat hij, om de concurrentie het hoofd te kunnen bieden,
nood heeft aan een stabilisering van de rentevoet.

Na een grondig onderzoek zal Finexpo advies uitbrengen aan de minister bevoegd voor de Buitenlandse Handel.
De minister zal dan beslissen over de toekenning van de rentestabilisatie. Als er sprake is van een krediet van
meer dan 25.000.000 euro, dan is het principieel akkoord van de ministerraad vereist.

Vervolgens krijgt de beslissing over de toekenning van de rentestabilisatie concreet vorm door de uitgifte van
een belofte die een bepaalde uitgangsrentevoet (CIRR-rente) voor een periode van vier maanden waarborgt, te
rekenen vanaf de datum van ondertekening voor akkoord door de minister.

Indien de transactie binnen deze termijn wordt afgesloten, wordt aan de exporteur bij ministerieel besluit de
rentestabilisatie definitief toegekend. Indien de transactie niet binnen deze termijn wordt afgesloten, kan de
belofte – mits schriftelijke aanvraag – verlengd worden met telkens vier maanden.

Indien een exporteur of zijn bankier een financiering in vreemde deviezen moet aanvaarden, garandeert Finexpo
een vaste rentevoet op het krediet dat aan de buitenlandse partij toegekend wordt voor de financiering van het
uitvoerkrediet. Deze waarborg is van kracht wanneer de bank gebruik maakt van leningen op de
eurodeviezenmarkt, waarbij de rentevoet op iedere vervaldag vastgesteld wordt.

De vaste rentevoet die aan de koper wordt gegarandeerd, is de commerciële intrest-referentievoet voor deviezen,
kortweg CIRR genoemd (Commercial Interest Reference Rate). Deze CIRR-rentevoeten worden maandelijks
door het secretariaat van de Organisatie voor Economische Samenwerking en Ontwikkeling (OESO) vastgesteld
en meegedeeld aan de lidstaten.

Finexpo neemt bij elke semestriële aflossing het verschil ten laste tussen de gestabiliseerde rentevoet en de
rentevoet waartegen de bank zich de deviezen aanschaft op de eurodeviezenmarkt, indien deze hoger is dan de
CIRR-rente. Indien de rentevoet waartegen de bank zich de deviezen aanschaft lager is dan de CIRR-rente, dan
wordt het verschil gestort aan de schatkist.



 Aanvullende inlichtingen

Finexpo
Karmelietenstraat 19
1000 Brussel
Tel.: 02/501.82.53 - 02/501.89.78 - 02/501.83.98
Fax: 02/501.88.27
Website: http://www.finexpo.be
4.2     INTRESTBONIFICATIES


Inhoud steunmaatregel

Naast de gewone rentestabilisaties kent Finexpo intrestbonificaties (vroeger supersubsidies) toe. Daardoor
garandeert Finexpo een zeer lage rentevoet die een giftelement van minstens 35% respecteert.
Bonificatiedossiers kunnen enkel in euro ingediend worden en moeten aan dezelfde eisen voldoen als de
leningen van staat tot staat (commerciële niet-leefbaarheid van het project, ontwikkelingsrelevantie,…). De
intrestbonificatie wordt toegekend aan projecten in de ontwikkelingslanden. Een aanbeveling van het DAC-
comité van de OESO stelt dat alle hulp aan Minst- Ontwikkelde-Landen ongebonden moet zijn. Projecten in de
Minst-Ontwikkelde-Landen komen daardoor niet meer in aanmerking voor een intrestbonificatie aangezien dit
instrument gedefinieerd wordt als gebonden hulp.

Begunstigden

Kleine, middelgrote en grote ondernemingen komen in aanmerking voor een intrestbonificatie.

Projecten

Volgend project komt in aanmerking:
- uitvoer van uitrustings- en investeringsgoederen naar ontwikkelingslanden (niet naar de Minst-
    Ontwikkelde-Landen);
- het project mag niet commercieel leefbaar zijn.

Aanvraagprocedure

Om een intrestbonificatie te bekomen moet de exporteur een officiële aanvraag indienen bij Finexpo. Na een
grondig onderzoek zal Finexpo advies uitbrengen aan de minister bevoegd voor de Buitenlandse Handel. De
minister zal dan beslissen over de toekenning van de intrestbonificatie.

Vervolgens krijgt de beslissing over de toekenning van de intrestbonificatie concreet vorm door de uitgifte van
een belofte die een minimum uitgangsrentevoet waarborgt gedurende 1 jaar, te rekenen vanaf de datum van
ondertekening voor akkoord door de minister.

Indien de transactie binnen deze termijn wordt afgesloten, wordt aan de exporteur bij ministerieel besluit de
intrestbonificatie definitief toegekend. Indien ze niet binnen deze termijn wordt afgesloten kan ze mits
schriftelijke aanvraag tweemaal verlengd worden met telkens één jaar.



 Aanvullende inlichtingen

Finexpo
Karmelietenstraat 19
1000 Brussel
Tel.: 02/501.82.53 - 02/501.89.78 - 02/501.83.98
Fax: 02/501.88.27
Website: http://www.finexpo.be
4.3     INTRESTBONIFICATIE MET AANVULLENDE GIFT


Inhoud steunmaatregel

In de Programmawet die goedgekeurd werd op 24 december 2002 is de mogelijkheid voorzien voor Finexpo “tot
het toekennen van een aanvullende gift ten belope van ten hoogste 50% van de kredietverzekeringspremie”.

Doel van dit nieuwe instrument is via de aanvullende gift de terugbetalingsperiode te verminderen en alsook de
daarmee gepaard gaande Delcrederepremie, die vooral hoog is voor landen geklasseerd in categorie 5 en 6.

De gift en de intrestbonificatie dienen samen een concessioneel element van ten minste 35% te respecteren. De
berekening van de gift gebeurt in nauw overleg tussen Finexpo en de Nationale Delcrederedienst. Voor de
intrestbonificatie garandeert Finexpo een zeer lage rentevoet die - samen met de gift - een concessioneel element
van minstens 35% respecteert. Bonificatiedossiers met aanvullende gift kunnen enkel in euro ingediend worden
en moeten aan dezelfde eisen voldoen als de leningen van staat tot staat en intrestbonificaties (commerciële niet-
leefbaarheid van het project, ontwikkelingsrelevantie,…). De intrestbonificatie met aanvulllende gift wordt
toegekend aan projecten in ontwikkelingslanden die behoren tot categorie 5 en 6 bij de Nationale
Delcrederedienst (na te gaan via de website: http://www.delcredere.be).

Begunstigden

Kleine, middelgrote en grote ondernemingen komen in aanmerking voor een intrestbonificatie met aanvullende
gift.

Projecten

Volgend project komt in aanmerking:
- uitvoer van uitrustings- en investeringsgoederen naar ontwikkelingslanden (niet naar de Minst-
    Ontwikkelde-Landen);
- het project mag niet commercieel leefbaar zijn.

Aanvraagprocedure

Om een intrestbonificatie met aanvullende gift te bekomen moet de exporteur een officiële aanvraag indienen bij
Finexpo. Na een grondig onderzoek zal Finexpo advies uitbrengen aan de minister bevoegd voor de
Buitenlandse Handel. De minister zal dan beslissen over de toekenning van de intrestbonificatie met aanvullende
gift.

Vervolgens krijgt de beslissing over de toekenning van de intrestbonificatie met aanvullende gift concreet vorm
door de uitgifte van een belofte die een minimum uitgangsrentevoet waarborgt gedurende 1 jaar, te rekenen
vanaf de datum van ondertekening voor akkoord door de minister.

Indien de transactie binnen deze termijn wordt afgesloten, wordt aan de exporteur bij ministerieel besluit de
intrestbonificatie met aanvullende gift definitief toegekend. Indien ze niet binnen deze termijn wordt afgesloten
kan ze mits schriftelijke aanvraag tweemaal verlengd worden met telkens één jaar.



 Aanvullende inlichtingen

Finexpo
Karmelietenstraat 19
1000 Brussel
Tel.: 02/501.89.78 - 02/501.83.98 – 02/501.82.53
Fax: 02/501.88.27
Website: http://www.finexpo.be
4.4      LENINGEN VAN STAAT TOT STAAT


Inhoud steunmaatregel

Staatsleningen worden door België toegekend aan ontwikkelingslanden met het oog op de concessionele
financiering van de export van Belgische uitrustingsgoederen en aanverwante diensten.

De staatsleningen beogen zodoende een dubbel doel: enerzijds bijdragen tot de ontwikkeling in de begunstigde
landen en anderzijds de ondersteuning van de Belgische economie door de bevordering van de Belgische verre
export.

Sinds 1 januari 2002 zijn de Staatsleningen voor de Minst-Ontwikkelde-Landen (MOL) ongebonden. Enkel
projecten met een bedrag kleiner dan 700.000 Speciale Trekkingsrechten (STR) komen nog in aanmerking voor
gebonden hulp.

Aanvraagprocedure

De staatsleningen worden aan zeer concessionele voorwaarden toegekend: de krediettermijn bedraagt 30 jaar met
een gratieperiode van 10 jaar. De intrest bedraagt 0 of 2% afhankelijk van het BNP/capita van de begunstigde
landen. De staatsleningen worden omwille van het grote schenkingsdeel als ontwikkelingshulp erkend door het
DAC-comité van de OESO.

De staatsleningen worden bijna altijd gecombineerd met commerciële leningen. Er is dus meestal sprake van een
‘gemengde financiering’.

De vraag voor een staatslening moet officieel aan het secretariaat van het Finexpo-comité voorgelegd worden.

Gebonden hulp
Voor projecten in niet-MOL of projecten met een bedrag kleiner dan 700.000 STR in MOL die in aanmerking
komen voor een Lening van Staat tot Staat moeten de geïnteresseerde Belgische bedrijven een aanvraag indienen
bij het secretariaat van Finexpo en de officiële vragenlijst toesturen (zoals voor intrestbonificaties). De geleverde
antwoorden moeten toelaten onder andere de economische en ontwikkelingsrelevantie te onderzoeken van de
Staatslening voor het begunstigde land.

Ongebonden hulp
Grotere projecten in MOL (meer dan 700.000 STR) worden via een specifieke vragenlijst ingediend door de
overheid van het geïnteresseerde land of door een organisme in dat land dat staatsgarantie geniet.



 Aanvullende inlichtingen

Thesaurie
Kunstlaan 30
1040 Brussel
Tel.: 02/233.74.24
Fax: 02/233.70.83

Finexpo
Karmelietenstraat 19
1000 Brussel
Tel.: 02/501.84.90 – 02/501.82.53
Fax: 02/501.88.27
Website: http://www.finexpo.be
    5.       MINISTERIE VAN DE VLAAMSE GEMEENSCHAP - TER BESCHIKKING STELLEN VAN
             VLAAMSE UITRUSTINGSGOEDEREN



Inhoud steunmaatregel

Ter bevordering van de Vlaamse export werd door de Vlaamse regering op 26 oktober 1994 het besluit tot
het ter beschikking stellen van Vlaamse uitrustingsgoederen goedgekeurd. Op 11 februari 2000 werd het door
de Vlaamse regering voor een tweede maal bijgestuurd en voor onbepaalde duur verlengd.

Uitrustingsgoederen zijn machines of uitrusting met hoge stukwaarde voor gebruik in een fabricageproces of
in productie of handel of andere kapitaalgoederen. Vlaamse uitrustingsgoederen mogen in principe niet meer
dan 30% goederen van buitenlandse oorsprong bevatten. Dit percentage wordt op 40% gebracht indien het
uitsluitend goederen met oorsprong uit de Europese Unie betreft.

De uitrustingsgoederen moeten door de aanvrager rechtstreeks aan de eindgebruiker geleverd worden.

Subsidies kunnen niet worden toegekend voor de levering van militaire goederen, schepen, vliegtuigen,
kernenergiecentrales en landbouwproducten.

Begunstigden

-        Kleine en middelgrote ondernemingen die gevestigd zijn in het Vlaamse Gewest komen in aanmerking
         voor steun. KMO's worden als volgt gedefinieerd:
            maximaal 250 werknemers tellen;
            de onderneming heeft een jaaromzet van maximaal 50 miljoen euro, of heeft een balanstotaal van
             maximaal 43 miljoen euro;
            de onderneming voldoet aan de voorwaarden van een zelfstandige onderneming, een
             partneronderneming of een verbonden onderneming (cfr. Aanbeveling van de Europese Commissie
             2003/361/8EG).

Steun
Een onderneming kan per land slechts één subsidie krijgen binnen een periode van drie jaar. De subsidies
kunnen niet worden toegekend als uit een beslissing of handeling van de overheid blijkt dat de betrekkingen
met het land waarop de uitvoer gericht is, verbroken zijn, geschorst zijn of ernstig in het gedrang komen.

Landen die zich in een oorlogssituatie bevinden of landen waartegen internationale sancties zijn
uitgevaardigd, zijn uitgesloten van steun.

Per jaar kan eenzelfde bedrijf slechts voor twee dossiers een subsidie ontvangen.

Uitrustingsgoederen kunnen ter beschikking gesteld worden voor export naar landen, toegelaten volgens de
OESO-concensus (Organisatie voor Economische Samenwerking en Ontwikkeling).
De steun is bepaald op 35% van het contractbedrag. Voor de gewone ontwikkelingslanden mag het
contractbedrag maximum 740.0000 euro bedragen.
Voor de Minst-Ontwikkelde-Landen is de steun bepaald op 50% van het contractbedrag. Voor de MOL-
landen mag het contractbedrag maximum 495.000 euro bedragen.

De steun wordt in twee schijven uitbetaald. Een eerste schijf van 75% wordt uitbetaald na voorlegging van
bewijsstukken waaruit blijkt dat het goed daadwerkelijk geleverd is. De tweede schijf van 25% wordt
uitbetaald bij het bewijs van installatie of van werking en op voorwaarde dat het evaluatierapport naar de
administratie is gestuurd.

Diversen

Bij de beoordeling worden volgende criteria onderzocht:
- het project is niet haalbaar op commerciële voorwaarden mede gelet op de potentiële koopkracht van de
     buitenlandse koper;
- het project heeft invloed op de tewerkstelling bij de aanvrager;
- de onderneming staat in concurrentie met andere aanbieders;
- het project verhoogt de marktkansen van de aanvrager in het land of de regio in kwestie.
Inhoudelijke en budgettaire wijzigingen aan het project moeten door de aanvrager aan de administratie
worden gemeld. Elke wijziging moet door de administratie voorafgaandelijk worden goedgekeurd. Indien een
project volledig of gedeeltelijk wordt stopgezet, moet de aanvrager dat eveneens onmiddellijk melden aan de
administratie.

Het aanvraagformulier en de landenlijst zijn te vinden op http://www.vlaanderen.be/economie.



 Aanvullende inlichtingen

Ministerie van de Vlaamse Gemeenschap
Afdeling Europa Economie
Markiesstraat 1
1000 Brussel
Tel.: 02/553.37.31 (Elke Tiebout) – 02/553 39.96 (David Grzegorzewski)
Fax: 02/502.47.02
E-mail: elke.tiebout@ewbl.vlaanderen.be
E-mail: david.grzegorzewski@vlaanderen.be
6.      JAPAN EN DE EUROPESE UNIE - EXPROM



Inhoud steunmaatregel

Sinds 1979 moedigt de Europese Commissie Europese bedrijven aan om te investeren in de Japanse markt.
Daarvoor zette de Commissie een reeks initiatieven op om de export naar Japan te stimuleren. Deze
exportsteunende maatregelen worden ondergebracht onder de naam 'EXPROM'.

Projecten

Volgende activiteiten zijn in dit programma voorzien:


6.1     GATEWAY TO JAPAN

Dit programma richt zich naar bestaande KMO’s in de Europese Unie in de volgende sectoren: voeding en
drank, medische sector, bouwmaterialen, informatietechnologieën en communicatie, milieutechnologieën,
outdoor lifestyle, modeontwerpers voor jongeren. Bovendien moeten de KMO’s reeds exportervaring hebben
en reeds exportmogelijkheden op de Japanse markt reëel achten.

De Europese Commissie financiert en beheert Gateway to Japan maar binnen Eurochambres, het Europees
Kamernetwerk, coördineert de Federatie der Kamers voor Handel en Nijverheid het programma voor België.
Na twee succesvolle reeksen van exportpromotie startte in 2003 de derde fase van Gateway to Japan die
loopt tot eind 2006.




                 EEN HANDELSMISSIE OP BEURS (TM OF TF) STAP VOOR STAP
De rekrutering                 De geïnteresseerde KMO vult het inschrijvingsformulier in en stuurt het op
                               naar zijn Nationale Coördinator met een visitekaart, een brochure van het
                               bedrijf en het product en een beknopte voorstelling van het bedrijf.
De selectie                    De Europese Commissie en Eurochambres zijn belast met de selectie. De
                               groepen bestaan uit 25 deelnemende bedrijven, verkozen uit de Europese
                               kandidaten (45 voor Voeding en Drank).
De voorbereiding in Europa     Raad, opleiding, seminaries, ateliers, briefings voor personen en groepen;
                               gepersonaliseerde diensten (vertalingen, marktresearch); contact met
                               sectorexperten in Japan; een speciale sectie op de EU Gateway to Japan
                               website met marktstudies en feedback van andere sectoren.
De missie naar Japan           Communicatie: perscommuniqué, persinformatie, interviews, uitnodigingen.
                               1activiteitenweek: briefing; studiebezoeken op de bedrijven of installaties;
                               voorstelling van producten en Europese diensten, zakenafspraken.
                               Logistieke en financiële ondersteuning: hotel (reservatie en bijdrage tot een
                               bedrag van 1000 euro); individuele commerciële diensten (bijdrage tot een
                               bedrag van 1,800 euro en 80% van de kosten die aan het bedrijf worden
                               aangerekend); vertaling Engels/Japans tijdens de groepsevenementen; de
                               catalogus van de Missie in het Japans waarin de profielen van alle Europese
                               bedrijven weergegeven worden, hun producten en hun gegevens.
Na de missie                   Gratis gebruik van het Jetro-kantoor in Tokyo.
 Aanvullende inlichtingen:

Europese Commissie
Eenheid voor Betrekkingen met Japan, Korea, Australië en Nieuw-Zeeland
Directoraat Generaal Externe Betrekkingen
CHAR 14/143 – 1049 Brussel
Tel.: 02/296.49.72 – Fax: 02/299.10.33
E-mail: relex-gatewaytojapan@cec.eu.int
Contactpersoon: dhr. Eric Hamelinck
Website: http://www.gatewaytojapan.org

Federatie der Kamers voor Handel en Nijverheid van België
Fabienne Cleymans
Kunstlaan 1-2 b10
1210 Brussel
Tel.: 02/209.05 50
Fax: 02/209.05.68
E-mail: fcleymans@cci.be



6.2     EXECUTIVE TRAINING PROGRAMME

Dit programma biedt jaarlijks jonge kaderleden van Europese ondernemingen de kans om de Japanse markt
te ontdekken. Via een stage, een taalcursus en een managementcursus, worden de jonge kaderleden wegwijs
gemaakt in de Japanse markt. Om in aanmerking te komen moet de kandidaat burger zijn van de Europese
Unie en gedurende de tijd in Japan volledig ondersteund worden door het moederbedrijf. Daarnaast zijn een
universitair diploma en een grondige kennis van het Engels noodzakelijk.
Meer informatie vindt u op volgende website: http://www.etp.org/japan/japintro.htm.


6.3     AD-HOC PROGRAMMA'S

EXPROM biedt ook ad-hoc programma's waarbij de Europese Commissie de marktstrategieën van Europese
bedrijven in Japan ondersteunt.

Het EU-Japan Centrum voor Industriële Samenwerking organiseert opleidingen en handelsmissies voor
managers van de EU naar Japan. Meer info kunt u bekomen op volgende website: http://www.eujapan.com.



 Aanvullende inlichtingen

Voor algemene informatie rond Exprom kunt u terecht op volgend adres:
Europese Commissie
DG Buitenlandse Betrekkingen, Directie C
Wetstraat 200
1040 Brussel
Tel.: 02/299.00.96
Fax: 02/299.10.43
Website: http://europa.eu.int/comm/external_relations/japan/intro/exprom.htm
DEEL VII : EUROPESE STEUN
1.       DE STRUCTUURFONDSEN



De Europese Structuurfondsen hebben als doelstelling de sociaal-economische ongelijkheden in de Europese
Unie weg te werken. Het gaat hierbij om het Europees Fonds voor Regionale Ontwikkeling (EFRO), het
Europees Sociaal Fonds (ESF), het Europees Oriëntatie- en Garantiefonds voor de Landbouw (EOGFL) -
Afdeling Garantie en Oriëntatie en het Financieringsinstrument voor de Oriëntatie van de Visserij (FIOV).

Het EFRO is erop gericht de regionale ongelijkheden binnen de EU te verminderen via economische projecten,
vooral infrastructuurwerken en begeleiding van de economische ontwikkeling. Het ESF is uitgegroeid tot een
beroepsopleidingsfonds en het EOGFL wil de aanpassing van de landbouwstructuur bevorderen, alsook de
achterstand van bepaalde plattelandszones wegwerken. Het FIOV beoogt een coherent beleid inzake structuren
van visserij en aquacultuur.

Sinds de nieuwe hervorming van de Europese Structuurfondsen, goedgekeurd op 21 juni 1999, is het toekennen
van steun verbonden aan 3 doelstellingen:

Doelstelling 1

Doelstelling 1 is erop gericht de ontwikkeling en de structurele aanpassing te bevorderen van de armste regio's in
de EU. Hieronder wordt verstaan, regio's waarvan het inkomen per inwoner minder dan 75% bedraagt van het
gemiddelde in de Europese Unie. Vlaanderen bezit geen doelstelling 1-gebied.

Doelstelling 2

Doelstelling 2 heeft betrekking op zones die met structurele problemen in verband met economische en sociale
omschakeling te kampen hebben: zones met sociaal-economische veranderingen in de industrie en dienstensector,
plattelandszones in achteruitgang, in moeilijkheden verkerende stedelijke gebieden en van de visserij afhankelijke
zones in een crisissituatie. In het kader hiervan kunnen acties worden ondersteund door het EFRO, het ESF, het
FIOV en het EOGFL.

Wat Vlaanderen betreft werden de volgende gebieden als doelstelling 2-regio erkend voor de periode 2000-2006:
- arrondissement Hasselt: Heusden-Zolder en delen van Beringen, Genk, Ham, Diepenbeek, Tessenderlo,
    Zutendaal en Sint-Truiden;
- arrondissement Maaseik: delen van Lommel, Houthalen-Helchteren en Dilsen-Stokkem;
- arrondissement Tongeren: Bilzen, Borgloon, Heers, Herstappe, Hoeselt, Kortessem, Tongeren, Voeren en
    delen van Maasmechelen;
- arrondissement Turnhout: Balen, Mol en Dessel;
- delen van de steden Antwerpen en Gent;
- arrondissement Brugge: delen van Blankenberge, Brugge en Knokke;
- arrondissement Oostende: delen van Bredene, Middelkerke, Oostende en De Haan;
- arrondissement Veurne: delen van Nieuwpoort, De Panne en Koksijde.

Doelstelling 3

Doelstelling 3 beoogt met de bijstand van het ESF het bevorderen van de aanpassing en modernisering van het
beleid en de systemen op het vlak van onderwijs, opleiding en werkgelegenheid. Deze doelstelling is van
toepassing voor geheel Vlaanderen voor de periode 2000-2006.


Overgangsregeling ('Phasing out')

Daarnaast kunnen de regio's, welke tijdens de periode 1994-1999 voor steun in aanmerking kwamen in het kader
van doelstelling 2 (industriële reconversie) en doelstelling 5b (plattelandsontwikkeling) doch niet langer worden
erkend in het kader van de nieuwe doelstelling 2, in aanmerking komen voor een overgangsregeling (zogenaamde
'phasing out').
Zij komen in aanmerking voor overgangssteun uit het EFRO gedurende de periode 2000-2005.
Daarnaast kan in deze zones tot eind 2006 eveneens steun worden verleend door het ESF (doelstelling 3), het
EOGFL (steun aan plattelandsontwikkeling) en het FIOV.
Dit betreft meer bepaald de resterende gemeenten in de (ex-)doelstelling 2-gebieden Limburg en Turnhout, de
resterende gemeenten in het (ex-)doelstelling 5b-gebied Westhoek-Middenkust en het volledige (ex-) doelstelling
5b-gebied Meetjesland.

Voor Limburg zijn dit:
- arrondissement Hasselt: As, Leopoldsburg, Lummen, Nieuwerkerken, Opglabbeek, Hasselt, Zonhoven, en
   delen van Beringen, Diepenbeek, Genk, Ham, Sint-Truiden en Tessenderlo;
- arrondissement Maaseik: Overpelt en delen van Dilsen-Stokkem, Houthalen-Helchteren en Lommel;
- arrondissement Tongeren: delen van Maasmechelen.

Voor het arrondissement Turnhout betreft dit de gemeenten Laakdal, Geel, Meerhout, Grobbendonk, Herentals,
Olen, Herenthout, Turnhout, Kasterlee en Westerlo.

Voor het Meetjesland zijn dit 5 gemeenten in het arrondissement Eeklo, namelijk: Assenede, Eeklo, Kaprijke,
Maldegem en Sint-Laureins.

Voor het Westhoek-Middenkust-Zeevisserijgebied zijn dit de volgende gemeenten:
- arrondissement Diksmuide: Diksmuide, Houthulst, Lo-Reninge;
- arrondissement Ieper: Ieper, Langemark-Poelkapelle, Poperinge, Zonnebeke;
- arrondissement Veurne: Veurne en delen van Nieuwpoort;
- arrondissement Oostende: Gistel, Oudenburg en delen van Bredene, Middelkerke en Oostende.
1.1       EUROPEES FONDS VOOR REGIONALE ONTWIKKELING (EFRO)


Inhoud steunmaatregel

Het EFRO verleent subsidies voor de medefinanciering van ontwikkelingsacties in de erkende
probleemgebieden. Dit gebeurt op basis van meerjarenprogramma's die door de bevoegde autoriteiten van de
lidstaten (in casu: het Vlaamse Gewest) bij de Europese Commissie worden ingediend. Ze bestaan uit een
samenhangend geheel van projecten, acties en maatregelen in diverse domeinen die elk een bijdrage leveren tot
de economische ontwikkeling of omschakeling van het gebied waarvoor het programma is opgesteld. De
Europese Commissie spreekt zich dus niet meer uit over individuele projecten.

Wat Vlaanderen betreft, werden programma's opgesteld voor elk van de hierboven vermelde gebieden in het
kader van doelstelling 2 en de overgangsregeling.

In deze programma's worden prioriteiten en maatregelen voorzien. De individuele projecten die door de
promotoren worden ingediend, moeten hieraan beantwoorden. Voor ieder programma beslist een comité op
provinciaal niveau over de toekenning van EFRO-steun aan de individuele projecten. Deze toekenning gebeurt op
basis van objectieve criteria die vooraf werden opgesteld.

Begunstigden

In principe komt iedere actie, uitgaand van de overheid of de private sector, die een bijdrage kan leveren tot de
economische ontwikkeling of omschakeling van een gebied, in aanmerking voor EFRO-steun. Voorwaarde is
wel dat zij past binnen het opgestelde programma en binnen het ter beschikking staande budget.


1.1.1     COMMUNAUTAIRE INITIATIEVEN

Naast de toekenning van de Europese steun via bovenvermelde prioritaire doelstellingen, stelt de Europese
Commissie, op eigen initiatief, aan de lidstaten specifieke instrumenten voor om acties te ondersteunen die
bijdragen tot het oplossen van de problemen met repercussies op Europees niveau. Deze instrumenten worden
communautaire initiatieven genoemd.

Voor de periode 2000-2006 gaat het binnen het EFRO om de volgende intiatieven:


1.1.1.1   INTERREG III

Aansluitend op de ervaringen van INTERREG I 1991-1993 en INTERREG II 1994-1999 en in het kader van
de hervorming van de Europese Structuurfondsen m.b.t. de periode 2000-2006, werd beslist tot de verdere
uitvoering van het communautair initiatief Interreg III.

Het Interreg III-programma (2000 – 2006) omvat 3 luiken:

-     INTERREG III A

Dit luik richt zich op het bevorderen van de grensoverschrijdende samenwerking welke uiteindelijk moet
leiden tot een harmonieuze, sociaal-economische ontwikkeling van de grensregio’s. Daarbij wordt gestreefd
naar een betekenisvolle impact op de integratie van deze gebieden en een grotere zichtbaarheid van de
Europese eenwording bij de betrokken grensbevolkingen.

De grensoverschrijdende ontwikkelingsstrategie in het kader van Interreg IIIA beoogt 2 belangrijke
doelstellingen:
- de eerste doelstelling is bij te dragen tot de toenadering tussen de bevolkingen en de ontwikkelingen van
    grensoverschrijdende diensten te bevorderen. De bijhorende actieterreinen willen de grensbevolking
    aanspreken door in te spelen op hun dagelijks leven in de ruime zin van het woord: gezondheid,
    transport, diensten, opleiding, economie, ICT, technologische innovatie,…;
- de tweede doelstelling is het bevorderen van de duurzame ontwikkeling en van de gemeenschappelijk
    valorisatie van de grensoverschrijdende gebieden. De maatregelen die hiermee gepaard gaan, hebben de
    bedoeling om op een gecoördineerde en betekenisvolle manier tussen te komen op een pertinente
    territoriale schaal, in de volgende domeinen: leefmilieu, toeristische of culturele ontwikkeling,
    plattelandsontwikkeling of ruimtelijke ordening.

De programmaprioriteiten zijn gebaseerd op een analyse van de sterke en de zwakke punten van de
respectievelijke Interreg IIIA-programmagebieden. Deze prioriteiten zijn:
- ontwikkeling van de materiële infrastructuur (bevorderen van grensoverschrijdende bedrijventerreinen
    en mobiliteit,…);
- stimuleren van de economische en wetenschappelijke/technische samenwerking (strategische
    netwerkvorming, innovatie, valorisatie van het toerisme als economisch hefboom,…);
- bevorderen van het milieu (verbetering levenskwaliteit, belang landbouw, overstromingsproblematiek,
    afvalverwerking,…);
- verbeteren van kwalificaties en de arbeidsmarkt (samenwerking van alle arbeidsmarktfactoren…);
- bevorderen van de sociaal-culturele integratie (jongeren, gehandicapten, regionale culturele identiteit,
    gezondheidszorg, openbare diensten,…).

In dit kader is Vlaanderen betrokken bij 4 grensoverschrijdende samenwerkingsverbanden:

   Euregio Scheldemond

De grensoverschrijdende samenwerking in de Euregio Scheldemond is gericht op het benutten van de kansen
die voortkomen uit de geografische ligging en de natuurlijke kenmerken van de Euregio. De aanpak is
gericht op het op een integrale wijze stimuleren van de duurzame sociaal-economische ontwikkeling van de
Euregio die als gevolg van de grensligging onderbenut zijn gebleven. De nadruk ligt daarbij op het leren van
elkaar, het benutten van de schaalvoordelen, het creëren van gelijke kansen voor de verschillende
bevolkingsgroepen, het versterken van de arbeidsmarkt en het oplossen van problemen. Het Euregio
Scheldemond programma heeft betrekking op verschillende gebieden binnen:

                   Vlaanderen                                                 Nederland
                  Oost-Vlaanderen                                              Zeeland
                  West-Vlaanderen

Het algemeen secretariaat van het Interreg IIIA-programma Euregio Sscheldemond is te bereiken op:

Programmasecretariaat Euregio Scheldemond
A. Van Trigt
Gouvernementstraat 1
B-9000 Gent
Tel.: 09/223.88.47
Fax: 09/233.63.21

Het contactpunt Vlaanderen Interreg IIIA Euregio Scheldemond:
Ministerie van de Vlaamse Gemeenschap
Afdeling Europa Economie
Marc De Frenne
Markiesstraat 1
1000 Brussel
Tel.: 02/553.38.57
Fax: 02/502.47.02
E-mail: marc.defrenne@ewbl.vlaanderen.be

   Benelux-Middengebied

Het belangrijkste aandachtspunt binnen de ontwikkelingsvisie is het stimuleren van grensoverschrijdende
samenwerking en economische structuurwerking. De grensregio van het Benelux-Middengebied ondervindt
nog steeds de nefaste gevolgen van de historisch gegroeide barrièrewerking en de hierdoor veroorzaakte
perifere ligging in de betreffende landen. Deze Euregio streeft er dan ook naar om de door de grenzen
veroorzaakte barrière te overwinnen en tussen de afzonderlijke nationale en regionale systemen bestaande
verschillen op onder meer administratief gebied op te heffen. Ander aandachtspunt is de betere positionering
van het Euregio gebied als samenhangend economisch gebied in het Europa van de regio’s. Het Benelux-
Middengebied Interreg IIIa-programma heeft betrekking op verschillende gebieden binnen:
                    Vlaanderen                                              Nederland
                Provincie Antwerpen                                   Provincie Noord-Brabant
                 Provincie Limburg                                       Provincie Limburg
               Arrondissement Leuven

Het algemeen secretariaat van het Interreg IIIA-programma Benelux-Middengebied is te bereiken op:

Programmamanagement Grensregio Vlaanderen-Nederland
Euregio Benelux – Middengebied
Campus Blairon
Steenweg op Gierle 100
B –2300 Turnhout
Tel.: 014/711.140
Fax: 014/711.149
E-mail: info@euregiobmg.com

Het contactpunt Vlaanderen Interreg IIIA Benelux-Middengebied:
Ministerie van de Vlaamse Gemeenschap
Afdeling Europa Economie
Marc De Frenne
Markiesstraat 1
1000 Brussel
Tel.: 02/553.38.57
Fax: 02/502.47.02
E-mail: marc.defrenne@ewbl.vlaanderen.be


   Euregio Maas-Rijn

Het Euregio Maas-Rijn programma, ontstaan sinds 1976, betreft de grensoverschrijdende samenwerking
tussen Nederland, Vlaanderen, Wallonië en Duitsland en omvat 3 lidstaten en 6 regio’s:

       Vlaanderen                      Wallonië                   Duitsland                Nederland
    Provincie Limburg               Provincie Luik                Regio Aken            Provincie Limburg
                               Duitstalige Gemeenschap

De deelnemende partners wensen voornamelijk de positie van dit grensoverschrijdend gebied in het
economisch hart van Europa (gebied tussen de Randstad in Nederland, de ‘industriële driehoek’ Brussel-
Antwerpen-Gent in België, en het Rürhgebied in Duitsland) te versterken en de regionale ontwikkeling van
de betrokken grensregio's te stimuleren.

Het algemeen secretariaat van het Interreg IIIA-programma Euregio Maas-Rijn is te bereiken op:
Stichting Euregio Maas-Rijn
Postbus 5700
NL-6202 Maastricht
Nederland
Tel.: 00 31 43 38 97 476
Fax: 00 3143 38 97 287
E-mail: augustkohl@euregio-mr.nl

Het contactpunt Vlaanderen Interreg IIIA Euregio Maas-Rijn:
Ministerie van de Vlaamse Gemeenschap
Afdeling Europa Economie
Riet Schotte/Elke Tiebout
Markiesstraat 1
1000 Brussel
Tel.: 02/553.39.22 – 02/553.37.31
Fax: 02/502.47.02
E-mail: riet.schotte@ewbl.vlaanderen.be
         elke.tiebaut@ewbl.vlaanderen.be
   Frankrijk-Wallonië-Vlaanderen

Het Interreg IIIa-programma Frankrijk-Wallonië-Vlaanderen werd in 3 verschillende deelprogramma’s
opgesplitst (met elk hun eigen financiële enveloppe en beslissingnemende stuurgroep):

       Vlaanderen                         Wallonië                               Frankrijk
   Een gedeelte van de              Provincie Henegouwen                      Nord-Pas-de-Calais
Provincie West-Vlaanderen
   Een gedeelte van de                 Provincie Namen                              Picardie
Provincie Oost-Vlaanderen
                                     Provincie Luxemburg                           Aisne
                                                                             Champagne-Ardenne

-   een Frans-Waals (bilateraal) deelprogramma dat de in aanmerking komende gebieden (zie supra) omvat
    in Frankrijk en in Wallonië;
-   een Frans-Vlaams (bilateraal) deelprogramma dat de in aanmerking komende gebieden (zie supra) omvat
    in Frankrijk en in Vlaanderen;
-   een Frans-Waals-Vlaams (tripartiet) deelprogramma dat alle gebieden (zie supra) omvat.

Het algemeen secretariaat van het Interreg IIIA-programma Frankrijk-Wallonië-Vlaanderen is te bereiken op:
Secretariat Conjoint INTERREG III France-Wallonie-Vlaanderen asbl
Place d’Armes 1
5000 Namen
Tel.: 081/24.94.10
Fax: 081/24.94.19
Website: http://www.interreg-fwvl.org

Het provinciaal steunpunt Interreg IIIa-secretariaat Frankrijk-Wallonië-Vlaanderen is gevestigd op het
volgende adres:
Programmasecretariaat Interreg IIIA
Provinciebestuur West-Vlaanderen
Provinciehuis Boeverbos
Koning Leopold III-laan 41
8200 Sint-Andries (Brugge)
Tel.: 050/40.34.14
      050/40.34.36
      050/40.33.71
E-mail: Christophe.Boval@west-vlaanderen.be

Het contactpunt Vlaanderen Interreg IIIA Frankrijk-Wallonië-Vlaanderen:
Ministerie van de Vlaamse Gemeenschap
Afdeling Europa Economie
Dominiek Dutoo/David Grzegorzewski
Markiesstraat 1
1000 Brussel
Tel.: 02/553.39.25 - 02/553.39.32
Fax: 02/502.47.02
E-mail: dominiek.dutoo@ewbl.vlaanderen.be
         david.grzegorzewski@ewbl.vlaanderen.be

-   INTERREG III B-PROGRAMMA

Met ingang van de derde Interregperiode is Vlaanderen opgenomen in twee Europese geografische ruimtes:
het gebied Noordwest-Europa en het Noordzeegebied.

    Interreg III B-programma Noordwest Europa
Geografisch wordt in dit programma de Noordwest Europa regio als volgt gedefinieerd: geheel Ierland,
geheel Groot-Brittannië, geheel België en geheel het Groot Hertogdom Luxemburg. Nederland kan nagenoeg
volledig participeren met uitzondering van het Noorden. Wat Duitsland betreft, kunnen de deelstaten
Nordrhein-Westfalen, Rheinland-Pfalz, Saarland, Hessen, Baden-Württemberg en het noorden van Beieren
actief participeren. Wat Frankrijk aangaat, nemen alle Franse regio's uit het noorden deel, inclusief de regio's
Elzas, Bretagne en de Loire. Ook de Zwitserse kantons rond Zürich en Basel zijn opgenomen.

Bij de prioriteiten van dit programma zal in deze regio bijzonder aandacht besteed worden aan volgende
principes:
- de ontwikkeling van aantrekkelijke steden en regio's;
- het optimaliseren van de interne en externe bereikbaarheid;
- de ontwikkeling en de uitbouw van het waterbeheer;
- het behoud en de actieve ontwikkeling van natuur en cultuur;
- de bevordering van de maritieme samenwerking.

Het secretariaat van het programma Noordwest-Europa is in Rijsel gevestigd :
Interreg III B NWE secretariaat
"Les Caryatides", 5de verdieping
24, Boulevard Carnot
F-59 800 Lille
Frankrijk
Tel.: + 33 3 20 78 55 00
Fax: + 33 3 20 55 65 95
E-mail: nwe@nweurope.org
Website: http://www.nweurope.org

 Interreg III B-programma Noordzee
Geografisch omvat Interreg III B-programma Noordzee Regio de volgende regio's: de kustprovincies en de
noordelijke provincies in Nederland, de deelstaten Niedersachsen en Schleswig-Holstein en de stadstaten
Bremen en Hamburg in Duitsland, gans Denemarken, de zuidelijke kustregio's in Zweden tot en met Västra
Götalands Län, de zuidelijke provincies in Noorwegen, de oostelijke regio's en provincies in Schotland, de
oostelijke en oostkustprovincies in Engeland met Essex en de monding van de Thames als sluitstuk; wat
Vlaanderen aangaat, nemen enkel de provincies West-Vlaanderen, Oost-Vlaanderen en Antwerpen deel.

Als prioriteiten in het Noordzee-programma worden de volgende aandachtspunten naar voor geschoven:
- de bevordering van de stedelijke gebieden, de plattelandsgebieden en de maritieme regio's;
- de bevordering van de duurzame transportsystemen en de informatie- en communicatietechnologie;
- het behoud en het beheer van het cultureel en maritiem erfgoed en de natuurlijke rijkdommen;
- de bevordering van het duurzaam en efficiënt waterbeheer.


Het secretariaat van het Noordzee-programma is in Viborg gevestigd :
Interreg III B North Sea Region Programme Secretariat
Iernbanegade 22
D-8800 Viborg
Denemarken
Tel.: + 45 87 27 19 99
Fax: + 45 86 60 16 80
E-mail: crbbj@vibamt.dk
Website: http://www.interregnorthsea.org
-   INTERREG III C-PROGRAMMA – WEST-ZONE

Het Interreg III C-programma beoogt de interregionale samenwerking tussen de regionale en andere
overheden te bevorderen als middel om hun eigen ontwikkeling te stimuleren op grond van de kennis- en
ervaringsoverdracht van andere overheden. Speciale aandacht wordt besteed aan de nieuwe EU-lidstaten en
de EU-toetredingslanden.

Met het budget van dit programma kunnen drie soorten acties gefinancierd worden:
- regionale kaderprojecten, waarbij diverse kleinere subprojecten kunnen gerealiseerd worden;
- individuele projecten, waarbij de partners een welbepaald thema aanpakken;
- netwerken die de uitwisseling van ervaringen en kennis beogen.

Prioritaire thema’s voor samenwerking in dit programma:
- uitwisseling van ervaring en kennis opgedaan in andere Interreg programma’s of
    structuurfondsenprogramma’s;
- samenwerkingsinitiatieven in sectoren als R&D, technologie en innovatie, bedrijfsleven,
    informatiemaatschappij, toerisme, cultuur, milieu…

De Commissie heeft - wat de organisatie en het beheer van dit programma betreft - het grondgebied van de
EU opgedeeld in vier programmagebieden, waarbij Vlaanderen opgenomen is in de Westelijke zone.
Geografisch sluit deze zone zeer nauw aan bij de definitie van het Interreg III B-programma – Noordwest
Europa werkingsgebied. Deze regio wordt als volgt gedefinieerd: geheel België, geheel Nederland, geheel het
Groot Hertogdom Luxemburg, geheel Ierland en geheel Groot-Brittannië met uitzondering van Gibraltar.
Wat Duitsland betreft, kunnen de deelstaten Nordrhein-Westfalen, Hessen, Rheinland-Pfalz, Saarland en
Baden-Württemberg actief participeren.
Wat Frankrijk aangaat nemen de volgende regio's deel:
Nord-Pas de Calais, Picardie, Haute-Normandie, Île de France, Basse-Normandie, Centre, Champagne-
Ardennes, Lorraine, Bourgogne, Alsace, Franche-Comté, Bretagne, Pays de la Loire.

Het secretariaat van het programma West Zone is in Rijsel gevestigd:
Interreg III C West Zone Joint Technical secretariaat
24, Boulevard Carnot, 3de verdieping
F-59800 Lille
Frankrijk
Tel.: + 33 3 28 38 11 11
Fax: + 33 3 28 38 11 15
E-mail: west@interreg 3c.net
Website: http://www.interreg 3c.net



 Aanvullende inlichtingen

Contactpunt Vlaanderen Interreg III B en III C:
Ministerie van de Vlaamse Gemeenschap
Afdeling Europa Economie
Maria Schoomans
Markiesstraat 1
1000 Brussel
Tel.: 02/553 37 17
Fax: 02/502 47 02
E-mail: ria.schoomans@ewbl.vlaanderen.be
1.1.1.2   URBAN II

Met het Urban II-programma stelt de Europese Commissie middelen ter beschikking voor een geïntegreerde
aanpak van sterke concentraties van maatschappelijke, economische en ecologische problemen in de
stedelijke agglomeraties. In deze aanpak wordt vernieuwing van verouderde infrastructuur en economische
innovatie geflankeerd door maatregelen en acties die sociale uitsluiting bestrijden en de kwaliteit van het
stadsmilieu verbeteren. Gericht op de economische en sociale ontwikkeling van in crisis verkerende buurten
in grote steden werd door de Europese Commissie het Urban-initiatief in het leven geroepen. In Vlaanderen
is de stad Antwerpen, en meer bepaald 'de Zuidrand', onder dit programma opgenomen.

Het projectgebied 'Zuidrand' voor de stad Antwerpen is een perifeer stadsgedeelte langs de oevers van de
Schelde en werd scherp afgebakend. Het omvat de woonwijken van het district Hoboken, het Kiel en de
flankerende Scheldeboord die zich uitstrekt vanaf de Kennedytunnel tot aan de grens met Hemiksem.

Via de verdere ontsluiting van de kern, de Schelde en de grotere regio Antwerpen wil men de Zuidrand laten
uitgroeien tot een nieuw soort voorstad met een eigen karakter en een specifieke socio-economische positie
binnen de grootstad.

De stad Antwerpen wil voor de Zuidrand 3 strategische doelstellingen bereiken:
- de Zuidrand verbinden met de kernstad (met de nadruk op mobiliteit en groene complementariteit);
- de Zuidrand 'inbreiden' (door ongebruikte oppervlaktes herin te vullen en een milieulabel te
    ontwikkelen);
- de Zuidrand ontwikkelen van de economische hefboomfuncties op grootstedelijke niveau (poorten en
    bruggen als aangename verblijfplaatsen, nieuwe contactpunten voor economische activiteit,…).

Deze worden vertaald aan de hand van een 3-tal strategische prioriteiten:
- stimuleren van duurzame economische bedrijvigheid (investeringen in economische heropleving via
   duurzame werkgelegenheid, versterken van de handelsfuncties,…);
- stimuleren van de ecologische activiteiten (herbestemmen van vervuilde terreinen, herstel van de
   ecologische verbindingsfunctie,…);
- ontwikkelen van de actieterreinen voor duurzame mobiliteitsontsluiting (bereikbaarheid projectgebied
   via multimodale vervoersknooppunten en nieuwe vervoersdragers,…).

Elke strategische doelstelling zal slechts kunnen bereikt worden via een intrinsieke verknoping van de
prioriteiten en de doelstellingen. Bijgevolg moeten economie, milieu en mobiliteit in een optimale
samenhang bijdragen tot een duurzame ontwikkeling. Daarnaast krijgen de economische, milieu- en
mobiliteitsmaatregelen een sterke ruimtelijke vertaling in functie van de stedenbouwkundige meerwaarde.


1.1.1.3 INTERACT

Interact is een communautair initiatief dat de bestaande regionale knowhow en expertise, aanwezig bij de
verschillende lidstaten, wil kanaliseren en ten dienste stellen van alle Interregprogramma's en actoren. Dit is een
steunprogramma dat initiatieven zal realiseren ten voordele van de Interregprogramma's en gemeenschappelijke
problemen zal behandelen. Een afzonderlijk budget werd hiervoor voorzien.

Met dit budget kunnen drie soorten acties gefinancierd worden:
- steun aan het management van de Interregprogramma's en andere actoren zoals projectontwikkelaars,
    evaluatoren, betalingsinstanties, (bijvoorbeeld een Interreg help-desk), enzovoort;
- ontwikkeling, promotie en uitwisseling van ervaringen met betrekking tot gemeenschappelijke instrumenten
    ten dienste van de Interregprogramma's;
- promotie van de betrokkenheid van derde landen.

Ondertussen werden reeds een aantal acties doorgevoerd (pre-interact), onder andere de organisatie van een
seminarie voor de vier zones van Interreg III C.

De voornaamste bestuursorganen van Interact zijn:
- het Comité van Toezicht dat de activiteiten zal controleren en als stuurgroep zal fungeren bij de selectie van
    projecten;
- het Management Authority dat verantwoordelijk is voor de coherentie en de coördinatie van het programma
    en het opstellen van de werkplannen;
- het secretariaat;
-   het Interact Point dat verantwoordelijk is voor de implementatie van de specifieke projecten.

Op het huidig moment wordt de definitieve versie van het Interactprogramma opgesteld.

Aanvraagprocedure

Projectdossiers kunnen worden ingediend bij de betrokken EFRO-secretariaten aan de hand van
standaardaanvraagformulieren.



 Aanvullende inlichtingen

Ministerie van de Vlaamse Gemeenschap
Afdeling Europa Economie
Markiesstraat 1
1000 Brussel
Tel.: 02/553.38.57
Fax: 02/502.47.02
1.2     EUROPEES SOCIAAL FONDS (ESF)


Inhoud steunmaatregel

Het ESF wil bijdragen aan de optimale benutting van het menselijk potentieel. Het betreft hier Europese
subsidies, die willen verhinderen dat een belangrijk deel van het menselijk potentieel binnen de EU verloren
zou gaan voor de arbeidsmarkt. De arbeidskrachten vormen immers de belangrijkste 'grondstof' van het oude
continent. De slagzin van het ESF is derhalve: 'Meer en betere jobs voor meer mensen'. Europa ziet het ESF
als het voornaamste instrument voor de Europese Werkgelegenheidsstrategie. Het Fonds is gestructureerd
volgens de vier 'pijlers' van deze Europese Werkgelegenheidsstrategie, te weten:
- inzetbaarheid van werkzoekenden;
- ondernemerschap;
- aanpasbaarheid van werknemers;
- gelijke kansen voor mannen en vrouwen op de arbeidsmarkt.

Europa spreekt zich niet meer uit over individuele projecten. Dit wordt overgelaten aan de lidstaten, in ons
geval de Vlaamse Gemeenschap. Vlaanderen heeft een aantal programma's uitgewerkt waarbinnen de
individuele projecten geplaatst worden. Deze programma's, Enkelvoudige ProgrammeringsDocumenten in
het jargon (EPD's), vormen de basis voor de strategie waarmee Vlaanderen de doelstellingen van het ESF wil
realiseren. De lidstaat legt deze programma's ter goedkeuring voor aan de EU. Op deze wijze werken
Vlaanderen en Europa samen aan de optimale benutting van het menselijk potentieel.

De individuele projecten die door de promotoren worden ingediend, dienen te beantwoorden aan de
prioriteiten die in de programma's zijn opgenomen. Voor elk programma is er een Vlaams Monitoring
Comité (VMC) actief, dat objectieve criteria voor projecten vastlegt. Sommige criteria zijn algemeen, andere
gelden specifiek voor bepaalde maatregelen.

Begunstigden

Diverse categorieën van promotoren kunnen projecten indienen:
- vzw's;
- institutionele en/of publiekrechtelijke instanties;
- bedrijven die hun personeel willen opleiden;
- onderzoeksinstellingen.

Projecten

Doelstelling 2

In Vlaanderen zijn er vier doelstelling 2-programma's: Limburg, Antwerpen, Kust en Oost-Vlaanderen. Het
grootste gedeelte van de Europese steun in deze programma’s komt uit het EFRO. Het ESF participeert in
alle doelstelling 2-programma’s behalve in dat van Oost-Vlaanderen.

De vier doelstelling 2-programma's lopen van 2000 tot en met 2006. Alle programma's hebben eveneens een
phasing-out-luik (2000-2005) voor de gebieden die in de periode 1994-1999 steun genoten uit doelstelling 2-
of 5B-programma's, maar nu niet langer in het doelstelling 2-gebied (2000-2006) zijn opgenomen. De
phasing-out-luiken voorzien nooit in ESF-steun.

De doelstelling 2-programma's zijn regiogebonden. Als algemene regel geldt dat de deelnemers aan de
opleidingsprojecten moeten wonen en/of werken in het gebied. De criteria voor de ESF-maatregelen binnen
de programma's zijn voor het overgrote deel voor alle doelstelling 2-programma's dezelfde. De enkele kleine
verschillen werden veroorzaakt omdat er rekening diende te worden gehouden met de specificiteit van de
regio's.

Doelstelling 2 Limburg
De regio die voor steun in aanmerking komt omvat (delen van) enkele gemeenten in Midden-Limburg
(industriële zone) en Zuid-Limburg (plattelandszone).
Naast de technische bijstand, is er één ESF-maatregel in het programma. Het maximale steunpercentage in die
maatregel bedraagt 45% ten opzichte van de totale subsidiabele kost.

Voor de volledige periode (2000-2006) wordt er 26.332.500 euro aan ESF-steun voorzien.
Doelstelling 2 Antwerpen
De regio die voor steun in aanmerking komt omvat de gemeenten Mol, Balen en Dessel in de Kempen, en
een gebied in het noordoosten van de stad Antwerpen.

Naast de technische bijstand zijn er twee ESF-maatregelen in het programma. Een ervan slaat op de Kempen en
heeft een maximaal steunpercentage van 50% ten opzichte van de totale subsidiabele kost. De andere slaat op
Antwerpen Noordoost en heeft een maximaal steunpercentage van 33,3% ten opzichte van de totale subsidiabele
kost.

Voor de volledige periode (2000-2006) wordt er 15.005.481 euro aan ESF-steun voorzien voor het volledige
programma.

Doelstelling 2 Kust
De regio die voor steun in aanmerking komt omvat (delen van) de kustgemeenten in West-Vlaanderen.

Naast de technische bijstand is er één ESF-maatregel in het programma. Het maximale steunpercentage in die
maatregel bedraagt 50% ten opzichte van de totale subsidiabele kost.

Voor de volledige periode (2000-2006) wordt er 5.046.899 euro aan ESF-steun voorzien.

Doelstelling 3

Het Vlaamse EPD doelstelling 3 voor de periode 2000-2006 werd door Europa goedgekeurd in december
2000. Het EPD is gestructureerd volgens een aantal zwaartepunten, die de afspiegeling vormen van de vier
pijlers van de Europese Werkgelegenheidsstrategie. Per zwaartepunt is er een regisseur aangeduid. Voor elk
zwaartepunt wordt er gewerkt met vaste indieningrondes. De criteria zijn verschillend voor elk zwaartepunt.
Het EPD doelstelling 3 is actief in heel Vlaanderen.

Zwaartepunt 1
Zwaartepunt 1 wil de inzetbaarheid verhogen van werkzoekenden uit de preventieve doelgroep, dit wil
zeggen:
- personen jonger dan 25 jaar, die minder dan 6 maanden werkloos zijn;
- personen van 25 jaar en ouder, die minder dan 12 maanden werkloos zijn.

Zwaartepunt 2
Zwaartepunt 2 wil de inzetbaarheid verhogen van werkzoekenden uit de curatieve doelgroep, dit wil zeggen:
- al de werklozen die niet onder zwaartepunt 1 thuishoren.

Zwaartepunt 3
Zwaartepunt 3 wil het ondernemerschap bevorderen. Men wil namelijk mensen aanzetten tot het opzetten van
een eigen zaak.

Zwaartepunt 4
Zwaartepunt 4 wil een bijdrage leveren aan de aanpassing van werknemers aan de snel veranderende
omstandigheden op de arbeidsmarkt. Zwaartepunt 4 is gekoppeld aan het Hefboomkrediet.

Zwaartepunt 5
Zwaartepunt 5 subsidieert projecten die het betreden van de arbeidsmarkt voor vrouwen vergemakkelijken.
Dit zwaartepunt is gekoppeld aan middelen van VESOC.

Zwaartepunt 6
In het kader van zwaartepunt 6 kunnen onderzoeksprojecten ingediend worden, alsmede pilootprojecten en
experimenten. Dit alles dient natuurlijk verband te houden met de problematiek van het EPD doelstelling 3.
EQUAL

Dankzij de samenwerking van partners uit meer dan één lidstaat van de EU wil Equal komen tot de
ontwikkeling van nieuwe ideeën en methodieken om discriminatie en uitsluiting op de arbeidsmarkt tegen te
gaan. De werking van Equal is gebaseerd op een aantal essentiële 'bouwstenen'.

-   Thema’s: de thema's waarrond Equal werkt, hangen samen met de vier pijlers van de Europese
    Werkgelegenheidsstrategie (namelijk inzetbaarheid, ondernemerschap, aanpasbaarheid en gelijke
    kansen), alsook de problematiek van de asielzoekers.
-   Ontwikkelingspartnerschap: Equal-projecten moeten toetreden tot een ontwikkelingspartnerschap.
    Hierin zijn de sleutelactoren in verband met een bepaald thema verenigd. Het kan gaan om sleutelactoren
    uit een regio of een sector.
-   Transnationale samenwerking: een ontwikkelingspartnerschap zal ten minste één partner uit een andere
    lidstaat moeten hebben. Aldus wordt er knowhow over de grenzen heen opgebouwd.
-   Innovatie: Equal richt zich tot projecten die een vernieuwing inhouden.
-   Disseminatie: het is de bedoeling dat de ontwikkelde knowhow op grotere schaal verspreid wordt.

Diversen

Cofinanciering
Het ESF is nooit de enige financieringsbron van projecten. Elk project dient mede gefinancierd te worden
door andere instanties, de zogenaamde 'cofinanciering'. Deze cofinanciering kan zowel publiekrechtelijk als
privaatrechtelijk zijn.

Twee financieringsinstrumenten zijn specifiek in het leven geroepen om te functioneren als Vlaamse
cofinanciering voor ESF-projecten, namelijk het Hefboomkrediet en VESOC. Hefboom levert vooral
cofinanciering voor projecten onder doelstelling 3, zwaartepunt 4, VESOC doet dit voor projecten onder
doelstelling 3, zwaartepunt 5.

Aanvraagprocedure

Het ESF werkt met indieningrondes. Deze variëren per doelstelling en zelfs per zwaartepunt. Het principe is
echter steeds hetzelfde. Een promotor dient een aanvraagformulier in, waarna er een beslissing genomen
wordt. Indien een project goedgekeurd wordt, kan het opstarten. Naderhand zal de promotor, op basis van de
vereiste bewijsstukken, de financiële middelen ontvangen.



 Aanvullende inlichtingen

ESF-Agentschap vzw
Gasthuisstraat 31 (9de verdieping)
1000 Brussel
Tel.: 02/546.22.11
Fax: 02/546.22.40
E-mail: info@esf-agentschap.be
Website: http://www.esf-agentschap.be
1.3      EUROPEES ORIENTATIE- EN GARANTIEFONDS VOOR DE LANDBOUW (EOGFL) -
         AFDELING GARANTIE EN ORIENTATIE


Inhoud steunmaatregel

Het Europees Oriëntatie- en Garantiefonds voor de Landbouw is het instrument voor de financiering van het
Gemeenschappelijk landbouwbeleid (GLB). Het bestaat uit twee afdelingen:
- de afdeling 'Garantie', zal instaan voor de financiering van alle soorten maatregelen ter ondersteuning
    van structurele aanpassingen en plattelandsontwikkeling;
- de afdeling 'Oriëntatie', voor de bevordering van de ontwikkeling en de structurele aanpassing van de
    regio's met een ontwikkelingsachterstand (doelstelling 1-gebieden, komt niet voor in Vlaanderen en de
    projecten lopende onder het communautair initiatief Leader +).

Algemeen kan worden gesteld dat de tussenkomsten van het EOGFL, afdeling Garantie, gericht zijn op de
aanpassing van de productie-, de verwerkings- en de verkoopsstructuur in de landbouwsector met het oog op
de hervorming van het Gemeenschappelijk Landbouwbeleid en op de ontwikkeling van het platteland.

Begunstigden

De begunstigden van de EOGFL-steun zijn naast de verschillende particuliere bedrijven (landbouwbedrijven
en afzet- en verwerkingsbedrijven) die een structurele actie ondernemen in de landbouwsector, semi-
overheidsorganen, nationale of regionale vertegenwoordigingsorganisaties, opleidingsinstellingen,
vrijwilligersorganisaties of organisaties van ondernemingsbelangen.

Projecten

-     steun aan de investeringen in de landbouw;
-     steun aan de installatie in de landbouw;
-     steun voor opleiding in de landbouw;
-     steun aan landbouwbedrijven in probleemgebieden en in gebieden met specifieke beperkingen op
      milieugebied: bemestingsbeperkingen in kwetsbare zones;
-     steun aan milieumaatregelen in de landbouw;
-     steunverlening voor de verbetering van de verwerking en afzet van land- en tuinbouwproducten;
-     steun voor bosbouw;
-     steun voor een geïntegreerde plattelandsontwikkeling;
-     bevordering van de aanpassing en de ontwikkeling van het platteland door steun voor de afzet van
      kwaliteitslandbouwproducten;
-     stimulering biologische landbouw.

Aanvraagprocedure

De lidstaat diende een programmeringsdocument 'het Vlaams programma voor plattelandsontwikkeling,
periode 2000-2006' in waarin, op basis van de materie, een diagnostische analyse werd voorgesteld op
nationaal of regionaal niveau, rekening houdend met de beoogde doelstellingen en de strategie van de lidstaat
op dit gebied. Voor Vlaanderen betreft het gebied het hele Vlaamse Gewest voor tal van materies of voor
sommige milieumaatregelen welbepaalde afgebakende gebieden. Het definitieve plan werd door de Vlaamse
regering goedgekeurd op 08/09/2000.
Op basis van dit plan werd een communautair bestek opgesteld in samenwerking met de betrokken lidstaat en
de regio’s. Het communautaire bestek geeft een uiteenzetting van de voorziene prioriteiten, de financiering
en de begeleidingsvormen.

Aansluitend werden individuele aanvragen ingediend binnen de regelgevingen en procedures per ingezet
instrument voor de verschillende materies en projectkaders.
 Aanvullende inlichtingen

Ministerie van de Vlaamse Gemeenschap
Administratie Land- en Tuinbouw
Cel Beleids- en managementondersteuning
Buitenlands Beleid
Leuvenseplein 4 (7de verdieping)
1000 Brussel
Tel.: 02/553.63.63
Fax: 02/553.63.50
E-mail: patricia.declercq@ewbl.vlaanderen.be
1.4      FINANCIERINGSINSTRUMENT VOOR DE ORIENTATIE VAN DE VISSERIJ (FIOV)


Inhoud steunmaatregel

Het Financieringsinstrument voor de Oriëntatie van de Visserij (FIOV) is het Europese structuurfonds dat
specifiek voor de structuurverbetering in de visserij- en aquicultuursector werd opgericht. Ingevolge EU-
verordening nr. 2792/99 kan het FIOV tussenkomen op volgende actiegebieden:
- modernisering van de vissersvaartuigen;
- aanpassen van de visserij-inspanning;
- gemengde vennootschappen;
- kleinschalige kustvisserij;
- sociaal-economische maatregelen;
- bescherming van de levende rijkdommen van de zee in de marine zones langs de kusten;
- aquacultuur;
- uitrusting van vissershavens;
- verwerking en afzet van visserij- en aquacultuurproducten;
- verkoopbevordering en het zoeken naar nieuwe afzetmogelijkheden;
- door het bedrijfsleven uitgevoerde acties;
- tijdelijke stillegging van activiteiten en financiële compensaties voor andere maatregelen;
- innoverende acties en technische bijstand.

Begunstigden

De begunstigden van de FIOV-steun zijn, afhankelijk van de maatregel, de verschillende overheden of
overheidsinstellingen, particuliere bedrijven of zelf vzw's die een structurele actie ondernemen in de visserij-
en aquicultuursector.

Projecten

De programmering 'Visserij buiten doelstelling 1' werd in december 2000 door de Europese Unie
goedgekeurd en heeft betrekking op alle geledingen van de sector, met name:
- modernisering van de vissersvloot, aquicultuur;
- uitrusting van de vissershavens, verwerking van de afzet van visserij- en aquicultuurproducten, promotie
    van visserijproducten;
- andere ondersteunende projecten van collectief belang.

Voor de investeringen van particuliere bedrijven voorziet de Europese Unie een maximum FIOV-steun van
15%.

Aanvraagprocedure

Voor projecten die kaderen in de maatregelen commercialisering (verwerking en afzet van visserij- en
aquicultuurproducten) en havenuitrusting worden de indieningsmodaliteiten via het Belgisch Staatsblad en de
pers bekendgemaakt. Aanvragen kunnen slechts tijdens bepaalde periodes ingediend worden.
Projecten die tot de overige maatregelen behoren, met name de modernisering van de vissersvloot en
aquicultuurbedrijven, promotie, ondersteunende projecten van algemeen belang en eerste installatie van
jonge vissers als reder, kunnen doorlopend ingediend worden. De indieningsmodaliteiten zijn beschikbaar op
de website van het ministerie van de Vlaamse Gemeenschap.



 Aanvullende inlichtingen

Ministerie van de Vlaamse Gemeenschap
Afdeling Land- en Tuinbouwondersteuningsbeleid
Leuvenseplein 4 (3de verdieping)
1000 Brussel
Tel.: 02/553.63.10
Fax: 02/553.63.05
2.       EUROPESE INVESTERINGSBANK (EIB)



De Europese Investeringsbank (EIB), de financieringsinstelling van de Europese Unie, is opgericht met als doel
bij te dragen tot de evenwichtige ontwikkeling van de Europese Unie door het toekennen van leningen ter
financiering van investeringsprojecten. De steunverlening van de EIB is in de eerste plaats bedoeld voor de
ontwikkeling van de minst begunstigde regio’s. Andere doelstellingen zijn de versterking van het
concurrentievermogen van het bedrijfsleven, steun aan het midden- en kleinbedrijf (KMO's), de opzet van
transeuropese netwerken voor vervoer, telecommunicatie en energie, milieubescherming en verbetering van het
leefklimaat, veiligstelling van de energievoorziening, uitbreiding en modernisering van de infrastructuur in het
onderwijs en de gezondheidszorg, het ter beschikking stellen van risicokapitaalfaciliteiten ten behoeve van
investeringen van vernieuwende en snelgroeiende KMO's.

De EIB is een financiële instelling zonder winstoogmerk. Zij trekt haar middelen op de kapitaalmarkten aan en
leent deze vervolgens weer uit tegen zo gunstig mogelijke voorwaarden. Zij kan investeringsprojecten financieren
van zowel de overheid als van de opdrachtgevers in de particuliere sector, in alle sectoren van de economie.

De EIB streeft er in de eerste plaats naar om als katalysator andere financieringsbronnen te stimuleren of deze aan
te vullen. Zelf financiert zij niet meer dan de helft van de investeringskosten van een project en vult met haar
lange termijnleningen (kortere) leningen van andere, commerciële banken aan.


2.1      INDIVIDUELE KREDIETEN


Inhoud steunmaatregel

Grotere projecten ter waarde van minimum 25 miljoen euro worden gefinancierd door middel van individuele
kredieten die rechtstreeks aan de betrokkenen worden toegekend. Zo werden bijvoorbeeld reeds kredieten
toegekend voor waterprojecten van Aquafin, de hogesnelheidslijn van de NMBS, de vernieuwing van het
productieapparaat en nieuw R&D-centrum IMEC. Afzonderlijke kredieten komen in onderhandelingen tussen de
EIB, de projectopdrachtgever en in voorkomend geval zijn bank(en) tot stand. De kenmerken van de kredieten
zijn aangepast aan de aard van het project, de uitvoeringsfase en de economische levensduur.

De gebruikelijke looptijd van de kredieten varieert van 4 tot 20 jaar, afhankelijk van de aard en de technische
levensduur van het project.

Begunstigden

De kredieten kunnen worden toegekend aan overheidsinstellingen of particuliere geldnemers in alle sectoren
van de economie, met andere woorden private, openbare of semi-openbare ondernemingen, coöperatieven,
openbare instellingen of de lidstaat zelf komen in aanmerking (ongeacht statuut of nationaliteit).

Projecten

Investeringen van meer dan 25 miljoen euro op het gebied van transportinfrastructuur (zoals wegen, spoorwegen,
havens en vliegvelden), telecommunicatie, industrie (bedrijfsgebouwen en -terreinen, productie, verwerking,
verpakking, ...), zakelijke dienstverlening, toerisme, energie, milieu, bosbouw, onderwijs en gezondheidszorg
kunnen in aanmerking komen voor een EIB-krediet. Deze kunnen niet worden gebruikt voor de aankoop van een
onderneming of voor niet-zakelijk onroerend goed.

Diversen

De EIB besluit tot financiering van een project op basis van een onderzoek naar de intrinsieke eigenschappen
ervan. Het projectonderzoek vindt in nauwe samenwerking met de projectopdrachtgever plaats en heeft
betrekking op:
- de beantwoording van het project aan de doelstelling voor kredietverlening van de EIB;
- zijn economische relevantie, financiële gezondheid, technische uitvoerbaarheid en de invloed op het milieu;
- de financiële situatie van de projectopdrachtgever, het financieringsplan en de geboden zekerheden.
De Europese Investeringsbank financiert maximaal 50% van de totale investeringskosten; de rest moet uit het
eigen vermogen of van andere (externe) financieringsbronnen komen.

De rente kan naar keuze vast, variabel, herzienbaar of convertibel (van variabel naar vast) zijn. De kredieten
worden a pari uitgekeerd. De EIB berekent geen provisies, met uitzondering van een geringe marge ter dekking
van haar administratiekosten.

De EIB biedt leningen aan in één enkele valuta of in een combinatie van valuta naar gelang van de wensen van de
kredietnemer en de bij de Bank beschikbare middelen.

De aflossingen van hoofdsom en rente worden meestal in gelijke halfjaarlijkse of jaarlijkse termijnen betaald. De
leningen worden terugbetaald in de valuta waarin ze werden verstrekt. Afhankelijk van de aard van de investering
kan een aflossingsvrije periode worden overeengekomen die tot een derde van de looptijd van het project kan
oplopen.

De EIB oefent periodiek toezicht uit op de uitvoering van de werkzaamheden en eventueel de aanbestedingen. Na
voltooiing van het project wordt een evaluatieverslag opgesteld, dat voor intern gebruik bij de EIB is bestemd.

Aanvraagprocedure

Verzoeken om afzonderlijke leningen, kunnen zonder formaliteiten rechtstreeks aan de EIB worden gedaan.
2.2       GLOBALE KREDIETEN


Inhoud steunmaatregel

Kleine en middelgrote investeringsprojecten van minder dan 25 miljoen euro in de openbare of de particuliere
sector, die niet door middel van een individueel krediet kunnen worden gefinancierd, kunnen in aanmerking
komen voor een lening die uit de globale kredieten wordt verstrekt. Globale kredieten zijn kredietlijnen die de
Europese Investeringsbank aan lokale banken en andere financieringsinstellingen toekent. Deze lenen de van de
EIB afkomstige middelen weer uit in de vorm van kleinere leningen voor de financiering van investeringen die
op basis van de criteria van de EIB zijn geselecteerd.

De lening bedraagt minimaal 20.000 euro en maximaal 12,5 miljoen euro - voor investeringsprojecten variërend
van 40.000 euro tot 25 miljoen euro - en bedekt niet meer dan 50% van de totale investeringskosten.

Begunstigden

De kredieten kunnen worden toegekend aan KMO's of lagere overheden. De EIB heeft besloten om haar
definitie van KMO aan te passen aan de nieuwe definitie van de Commissie die van kracht is sedert 1 januari
2005:

-     er werken maximaal 250 werknemers;
-     de onderneming heeft of een jaaromzet van maximaal 50 miljoen euro, of een balanstotaal van maximaal
      43 miljoen euro;
-     niet meer dan 25% van het kapitaal of van de stemrechten zijn in handen van één onderneming of van
      verscheidene ondernemingen die niet aan deze definitie beantwoorden.

Door het toepassen van deze definitie zal de maximale omvang van een KMO-onderneming dalen van 500
naar 250 werknemers. Dit heeft geen grote gevolgen voor de potentiële begunstigden, daar de meeste
ondernemingen die in het kader van de KMO-faciliteiten gebruik maken van de globale kredieten van de EIB
minder dan 250 personen in dienst hebben

Daarnaast heeft de EIB besloten instrumenten te gaan invoeren die geschikt zijn voor de financiering van
ondernemingen van middelgrote omvang, dat wil zeggen bedrijven die minder dan 3000 werknemers in
dienst hebben. Hierdoor blijft het mogelijk indirecte kredieten te verstrekken aan ondernemingen die ten
gevolge van de nieuwe definitie niet meer onder KMO vallen, mits hun projecten in aanmerking komen voor
financiering door de EIB.

Projecten

Investeringen van minder dan 25 miljoen euro van KMO's in de industrie, dienstverlening, het toerisme, de
horeca en de handel in België kunnen in aanmerking komen. Niet-zakelijk onroerend goed valt buiten de
financieringsmogelijkheden. Wat betreft investeringen in de overheidssector gaat het om projecten op het gebied
van stadsvernieuwing, inclusief stedelijke infrastructuur, milieubescherming, onderwijs en gezondheidszorg.

Diversen

De leningen uit de globale kredieten worden toegekend door de bemiddelende instantie, tegen de voorwaarden
die door haar zijn vastgesteld aan de hand van de criteria van de EIB. Deze instantie is ook verantwoordelijk voor
het onderzoeken van de kredietaanvragen, de beoordeling van het risico en het beheer van de kredieten.
U kunt banken en andere financiële instellingen die de globale kredieten in België uitvoeren vinden op:
http://www.eib.org/attachments/lending/inter_be.pdf .
De EIB oefent periodiek toezicht uit op de krediettoewijzingen van de bemiddelende instanties, omdat zij er
verzekerd van dient te zijn dat de toegekende fondsen worden gebruikt overeenkomstig de goedgekeurde
doelstellingen van het gemeenschappelijk akkoord.

Aanvraagprocedure

Aanvragen voor leningen in het kader van de globale kredieten dienen rechtstreeks bij de bovengenoemde banken
en de andere financiële instanties te worden ingediend.
 Aanvullende inlichtingen

Algemene inlichtingen over de Europese Investeringsbank:
InfoDesk:
Tel.: +352 43 79 31 22
Fax: +352 43 79 31 91
E-mail: info@eib.org

Algemeen adres en telefoonnummer:
European Investment Bank
100, boulevard Konrad Adenauer
L-2950 Luxembourg
Tel.: +352 43 79 1
Fax: +352 43 77 04
Website: http://www.eib.eu.int

Kantoor in België:
Wetstraat 227
1040 Brussel
Tel.: 02/235.00.70
Fax: 02/230.58.27

Informatie over de activiteiten in België:
Sabine Parisse
Tel.: +352 43 79 21 46
s.parisse@eib.org

Specifieke inlichtingen en aanvragen voor toegang tot documenten:
Information and Communications Department
Secretariat General
100 boulevard Konrad Adenauer
L-2950 Luxembourg
Fax: +352 43 79 31 91
infopol@eib.org
3.      EUROPEES INVESTERINGSFONDS (EIF)



Het Europees investeringsfonds (EIF) houdt zich bezig met activiteiten op drieërlei gebied, namelijk
risicokapitaal, garanties en adviesdiensten:
- de risicokapitaalinstrumenten van het EIF bestaan uit deelnemingen in participatiemaatschappijen en
     starterscentra ter ondersteuning van KMO's, in het bijzonder die, welke zich in een vroeg stadium van
     ontwikkeling bevinden en op technologie gericht zijn;
- de garantiefaciliteiten van het EIF bestaan uit het bieden van garanties aan financiële instellingen die
     kredieten verstrekken aan KMO's;
- adviesdiensten in verband met risicokapitaal, garantiefaciliteiten en complexe financiële structuren
     worden door het EIF verstrekt tegen markttarieven.

Door het hefboomeffect van haar risicokapitaal en garantiefaciliteiten is het EIF in staat bij te dragen aan de
ontwikkeling van de KMO's in de lidstaten van de Europese Unie en de toetredingslanden. Deze bijdrage is
in overeenstemming met de conclusies van de ECOFIN-Raad van 7 november 2000, die de nieuwe rol van
het EIF benadrukt als de EU's gespecialiseerd instelling ten behoeve van de KMO's.

De risicokapitaalinstrumenten en de garantiefaciliteiten, die door het EIF worden gebruikt ten behoeve de
KMO's, vormen een aanvulling op de globale kredieten die door de Europese Investeringsbank worden
verstrekt aan bemiddelende financiële instellingen ter ondersteuning van kredietverlening aan KMO's.

De aandacht wordt erop gevestigd dat het EIF niet direct in KMO's investeert, maar in plaats daarvan altijd
werkt via bemiddelende tussenpersonen. Aan deze tussenpersonen worden de te verrichten activiteiten
volledig gedelegeerd: het EIF is niet betrokken bij individuele investerings- en kredietbeslissingen. KMO's
die op zoek zijn naar financiering moeten contract opnemen met een bemiddelende tussenpersoon voor het
EIF in hun land of regio voor informatie over de selectiecriteria en de aanmeldingsprocedures.

In het kader van Beschikking 2000/819/EG van de Raad van 20 december 2000 betreffende een
meerjarenprogramma voor ondernemingen en ondernemerschap, met name voor de KMO's (2001-2005,
verlengd tot 2006) beheert het EIF namens de Europese Commissie de financiële instrumenten van dit
programma. Daarnaast stelt het EIF ook nog eigen middelen van de EIB en EIF ter beschikking voor
risicokapitaaltransacties.


3.1     RISICOKAPITAAL


3.1.1    DE ETF-STARTERSREGELING (2001-2005, verlengd tot 2006)


Inhoud steunmaatregel

De ETF-startersregeling maakt het mogelijk MKB-ondernemingen op te richten en in de startfase te
financieren met deelnemingen – op gelijke voet met particuliere risicokapitaalbeleggers – in gespecialiseerde
risicokapitaalfondsen, met name zaaikapitaalfondsen, fondsen van beperkte omvang, regionaal werkzame
fondsen of fondsen die zich op specifieke bedrijfstakken of technologieën concentreren, of
risicokapitaalfondsen die de exploitatie van O & O-resultaten financieren, bijvoorbeeld fondsen die aan
onderzoekcentra en wetenschapsparken zijn verbonden, die op hun beurt risicokapitaal voor het MKB
verschaffen.

De ETF-startersregeling participeert ook in het kapitaal van starterscentra, op gelijke voet met particuliere
beleggers. In dit opzicht moeten starterscentra op dezelfde manier als risicokapitaalfondsen worden
behandeld.

Begunstigden

Financiële intermediairs voor het MKB (zoals banken, instellingen die garantiestelstels beheren, zaai- en
risicokapitaalfondsen en starterscentra). Dit programma staat open voor de lidstaten van de EU, Noorwegen,
IJsland en Liechtenstein.
Projecten

De bedoeling is:
- te investeren in gespecialiseerde risicokapitaalfondsen, met name in kleinere of in recent opgerichte
    fondsen, regionale fondsen, fondsen die zich op specifieke bedrijfstakken of technologieën concentreren
    en fondsen die de exploitatie van O & O-resultaten financieren, bijvoorbeeld fondsen die met
    onderzoekcentra en wetenschappelijke instellingen zijn verbonden;
- de oprichting en ontwikkeling van starterscentra te ondersteunen.

Diversen

De investeringdoelstelling bedraagt 10 tot 25% van de middelen die door het risicokapitaalfonds of het
starterscentrum zijn samengebracht. Hierbij geldt normaal gezien een maximum van 10 miljoen euro.
Uitzonderlijk kan dit bedrag opgetrokken worden tot 15 miljoen euro.

Risicokapitaalfondsen moeten voldoen aan de criteria die zijn vermeld in de ETF Start-up guidelines die op
de internetsite van het ETF zijn gepubliceerd: http://www.eif.org/publications/publication.asp?publ=17.

Aanvraagprocedure

De kleine of middelgrote ondernemingen moeten zich rechtstreeks wenden tot de risicokapitaalfondsen of
starterscentra die aan het programma deelnemen. Een lijst van de risicokapitaalfondsen die aan het
programma deelnemen, is te vinden op de website van het EIF bij "Venture Capital" en vervolgens "List of
investments": http://www.eif.eu.int/venture/vinter/.



 Aanvullende inlichtingen

Voor het EIF:
Europees Investeringsfonds
43 Avenue J.F. Kennedy
L-2968 Luxemburg
LUXEMBURG
Tel.: (352) 42 66 88-1
Fax: (352) 42 66 88-200
E-mail: info@eif.org
Website: http://www.eif.org

Voor de Europese Commissie:
Dietmar Maass
Directoraat-generaal Economische en financiële zaken
Financiële verrichtingen, programmabeheer en samenwerking met de EIB Groep
Wagnergebouw, Kirchberg
L-2920 Luxemburg
Fax: 00352 4301 36609
E-mail: Dietmar.Maass@cec.eu.int
3.1.2   STARTKAPITAALACTIE (2001-2005, verlengd tot 2006)


Inhoud steunmaatregel

Het doel van de startkapitaalactie (seed capital action) is de bevordering van de verstrekking van kapitaal
voor de oprichting van nieuwe, innovatieve ondernemingen met groei- en banenpotentieel, ook in de
traditionele economie, door middel van ondersteuning van zaaikapitaalfondsen, starterscentra en dergelijke
organisaties (zoals fondsen met een breed beleggingsspectrum die zaaikapitaal in hun algemene
investeringsprogramma’s opnemen) vanaf de eerste jaren waarin zij actief zijn.

Begunstigden

De begunstigden worden uitsluitend gekozen uit de fondsen, starterscentra en dergelijke organisaties waaraan
het EIF steun verleent.

Projecten

De steun is gericht op het op lange termijn werven van nieuwe investeringsbeheerders, teneinde de capaciteit
van de risicokapitaalfondsen om in zaaikapitaal te investeren, te versterken. De steun wordt verleend in de
vorm van subsidies die een deel van de beheerskosten in verband met deze arbeidsintensieve investeringen
dekken.

Diversen

De subsidies worden gebruikt om een deel van de beheerskosten te dekken van zaaikapitaalfondsen,
starterscentra of soortgelijke organisaties die in hun investeringsprogramma’s zaaikapitaalinvesteringen
opnemen. Voor elke geschikte extra aangeworven medewerker moet de begunstigde een subsidie-
overeenkomst ondertekenen. Per subsidie-overeenkomst is maximaal 100.000 euro beschikbaar; het bedrag
wordt uitgekeerd volgens de voorwaarden uiteengezet in de Seed Capital Action guidelines:
http://www.eif.org/publications/publication.asp?publ=16 .

Aanvraagprocedure

Geïnteresseerde risicokapitaalfondsen en/of starterscentra dienen zich tot het EIF te wenden dat zal nagaan of
hun aanvraag beantwoordt aan de richtsnoeren van de startkapitaalactie (Seed Capital Action guidelines).


 Aanvullende inlichtingen

Voor het EIF:
Europees Investeringsfonds
43 Avenue J.F. Kennedy
L-2968 Luxemburg
LUXEMBURG
Tel.: (352) 42 66 88-1
Fax: (352) 42 66 88-200
E-mail: info@eif.org
Website: http://www.eif.org

Voor de Europese Commissie:
Dietmar Maass
Directoraat-generaal Economische en financiële zaken
Financiële verrichtingen, programmabeheer en samenwerking met de EIB Groep
Wagnergebouw, Kirchberg
L-2920 Luxemburg
Fax: 00352 4301 36609
E-mail: Dietmar.Maass@cec.eu.int
3.1.3   EIB & EIF-MIDDELEN VOOR RISICOKAPITAAL


Inhoud steunmaatregel

De EIB groep (EIB en EIF) stellen eigen middelen ter beschikking als risicokapitaal. Het EIF investeert deze
gelden in specifieke kapitaalfondsen die zich richten op KMO's tot 500 werknemers. Het EIF richt zich op
onafhankelijke management teams die gelden verzamelen van een grote groep investeerders om
risicokapitaal ter beschikking te stellen aan deze kleine en middelgrote ondernemingen. Hierbij wordt er
voorkeur gegeven aan fondsen die zich richten op de eerste fases in de ontwikkeling van bedrijven die
geavanceerde technologieën implementeren of ontwikkelen, zowel in de industrie als in de dienstensector.

Begunstigden

Onafhankelijk beheerde fondsen die een toegevoegde waarde kunnen leveren aan de bedrijven waarin
geïnvesteerd wordt. Deze faciliteit staat open voor de landen van de EU en voor uitbreidingslanden.

Diversen

De doelstelling is het verschaffen van tussen de 10 en 35 % van de middelen die door een fonds worden
samengebracht. De exacte deelname hangt af van de omvang en de eigenschappen van het fonds.

Projecten

De bedoeling is te investeren in projecten die zoveel mogelijk vooropgestelde objectieven nastreven. Deze
objectieven zijn:
- technologische en industriële innovatie gedurende de startfase, ontwikkeling en expansie;
- economische groei verhogen en jobs creëren;
- transfer van technologische ontwikkelingen;
- stimuleren van Regionale ontwikkeling in de in aanmerking komende regio's;
- bijdragen tot een efficiënte risicokapitaalmarkt;
- eventueel mag er geïnvesteerd worden in de latere fases in de ontwikkeling van KMO's op voorwaarde
    dat voldaan wordt aan een of meer van de objectieven.

Aanvraagprocedure

De kleine of middelgrote ondernemingen moeten zich rechtstreeks wenden tot de risicokapitaalfondsen die
aan het programma deelnemen. Een lijst van de risicokapitaalfondsen die aan het programma deelnemen, is
te vinden op de website van het EIF bij "Venture Capital" en vervolgens "List of investments":
http://www.eif.eu.int/venture/vinter/.
3.2      KMO-GARANTIEFACILITEIT (2001-2005, verlengd tot 2006)


Inhoud steunmaatregel

De KMO-garantiefaciliteit zal tegengaranties of, in voorkomend geval, medegaranties verstrekken voor in de
lidstaten en in Noorwegen, IJsland en Liechtenstein functionerende garantiestelsels, en directe garanties in
het geval van andere geschikte financiële intermediairs.

Begunstigden

Het programma is uitsluitend bestemd voor KMO’s, en bij voorrang voor ondernemingen met minder dan
100 werknemers.

Projecten

De faciliteit omvat vier onderdelen:
- garanties voor leningen aan bedrijven met groeipotentieel, met maximaal 100 werknemers.

Hieronder vallen door het EIF verstrekte gedeeltelijke garanties ter dekking van leningportefeuilles;
- garanties ter dekking van portefeuilles van microleningen voor zeer kleine ondernemingen met
     maximaal 10 werknemers;
- tegen- of medegaranties voor hiervoor in aanmerking komende garantiestelsels ter dekking van
     deelnemingen met eigen middelen in KMO’s met minder dan 250 werknemers (geen directe garanties
     aan risicokapitaalfondsen);
- garanties ter dekking van portefeuilles van leningen voor de financiering van informatica-uitrusting,
     software en opleiding in verband met speciale activiteiten ter bevordering van het gebruik van internet en
     elektronische handel. Er wordt prioriteit gegeven aan kleine ondernemingen met maximaal 50
     werknemers.

Diversen

Het budget wordt gebruikt voor de dekking van een deel van de eventuele verliezen in verband met de
garanties die in het kader van de faciliteit worden verstrekt.

Aanvraagprocedure

De geïnteresseerde bedrijven moeten zich wenden tot een van de financiële instellingen die aan het
programma deelnemen.
Een lijst van de financiële instellingen die aan het programma deelnemen is te vinden op de website van het
Europees Investeringsfonds, onder "Portfolio Guaranties", "List of deals":
http://www.eif.org/portfolio/pinter/


 Aanvullende inlichtingen

Voor het EIF:
Europees Investeringsfonds
Avenue J.F. Kennedy 43
L-2968 Luxemburg
Fax: 00352 426688200
E-mail: info@eif.org
Website: http://www.eif.org

Voor de Europese Commissie:
Georges Floros
Directoraat-generaal Economische en financiële zaken
Financiële verrichtingen, programmabeheer en samenwerking met de EIB Groep
Wagnergebouw, Kirchberg
L-2920 Luxemburg
Fax: 00352 4301 36609
E-mail: Georgios.Floros@cec.eu.int
4.      CENTRUM VOOR DE ONTWIKKELING VAN ONDERNEMINGEN (COO)



4.1     SAMENWERKING MET DE ACS-LANDEN


Inhoud steunmaatregel

In het kader van de Conventie van Lomé, een overeenkomst tussen de Europese Unie en zeventig landen in
Afrika, de Caraïben en de Stille Oceaan (Pacific), werd in 1977 het Centrum voor Industriële Ontwikkeling
opgericht.
Dat Centrum is een ACS-EU-institutie die gefinancierd wordt door het Europees Ontwikkelingsfonds.
In het kader van het Cotonou-akkoord, ondertekend op 23 juni 2000 met 77 ACS-landen en de Europese
Unie, kreeg het centrum een aantal extra taken op het gebied van toerisme, telecommunicatie en transport. De
naam van het centrum werd eveneens gewijzigd in Centrum voor de Ontwikkeling van Ondernemingen
(COO).

Het Centrum voor de Ontwikkeling van Ondernemingen biedt ondersteuning bij de oprichting, uitbreiding,
diversificatie en de reorganisatie van de productie of diensten van ACS-ondernemingen. Daarnaast helpt het
centrum de competitiviteit te verbeteren, de intermediaire organisaties (onder andere de beroepsorganisaties
en financiële instellingen) te versterken en de expertise van consultants te ondersteunen.
Het centrum moedigt de regionale integratie van de ACS-landen aan, organiseert meetings tussen bedrijven
van de Europese Unie en ACS-landen, ondersteunt de partnerschappen tussen partijen in de EU en de ACS-
landen en informeert over de business en investeringsmogelijkheden in de ACS-landen.

Het centrum richt zijn aandacht op de volgende sectoren: industrie, landbouw, bouw, toerisme,
telecommunicatie, transport en het privé-management van alles wat te maken heeft met de infrastructuur en
de diensten van deze sectoren.

Projecten

Het COO beschikt over twee instrumenten voor directe ondersteuning: CDE Development Facility en CDE
Assistance Facility. Het eerste instrument biedt ondersteuning bij de voorbereiding van de oprichting van een
onderneming: het uitvoeren van haalbaarheids- en marktstudies of ander voorafgaandelijk onderzoek, de
financiële structurering en juridische onderbouwing van het project, het opsporen van technologieën en
kandidaat-partners. Via het tweede instrument wordt het opstarten en verder ontwikkelen van de
onderneming ondersteund. Naast de directe ondersteuning helpt het centrum ook bij de zoektocht naar de
eigenlijke financiering voor het project.

Elk jaar organiseert het Centrum voor de Ontwikkeling van Ondernemingen een reeks events zoals forums,
workshops, ontmoetingen met mogelijke partners. Ook het maken en uitbrengen van studies, artikels en
boeken over bepaalde industriële sectoren in de ACS-landen maakt deel uit van de ondersteunende functie
van het centrum.

Begunstigden

In het algemeen komen bedrijven van een ACS-land of van een land in de Europese Unie die alleen of
gezamenlijk een industrieel project in een van de ACS-landen willen opstarten in aanmerking voor de
diensten van het Centrum voor de Ontwikkeling van Ondernemingen.
Het gaat om bedrijven die in de opstartfase zitten of bedrijven die willen uitbreiden, diversifiëren of
reorganiseren in een ACS-land. Ook consultants en consultancybedrijven die kunnen inspelen op de nieuwe
behoeften van bedrijven komen in aanmerking

De volgende ACS-landen nemen deel:
- West-Afrika: Benin, Burkina Faso, Kaapverdië, Ivoorkust, Gambia, Ghana, Guinea, Guinee Bissau,
    Liberia, Mali, Mauritanië, Niger, Nigeria, Senegal, Sierra Leone, Togo;
- Centraal-Afrika: Burundi, Kameroen, Centraal-Afrikaanse Republiek, Chad, Kongo, Democratische
    Republiek Kongo, Equatoriaal Guinee, Gabon, Sao Tomé en Principe;
- Oost-Afrika: de Comoren, Djibouti, Eritrea, Ethiopië, Kenia, Madagaskar, Mauritius, Rwanda,
    Seychellen, Somalië, Soedan, Tanzania, Oeganda;
-   Zuid-Afrika: Angola, Botswana, Lesotho, Malawi, Mozambique, Namibië, Swaziland, Zambia,
    Zimbabwe, Zuid-Afrika;
-   de Caraïben: Antigua en Barbuda, Bahamas, Barbados, Belize, Dominica, Dominicaanse Republiek,
    Grenada, Guyana, Haïti, Jamaica, St.-Kitts en Nevis, St.-Lucia, St.-Vincent en de Grenadines, Suriname,
    Trinidad en Tobago;
-   Pacific: Cook-eilanden, Fiji, Kiribati, Marshall-eilanden, Micronesië, Nauru, Niue, Palau, Papoea-
    Nieuw-Guinea, Samoa, Solomons-eilanden, Timor Leste, Tonga, Tuvalu, Vanuatu.

Diversen

Om steun te ontvangen voor een onderneming moet die minstens 80.000 euro activa hebben of 50.000 euro
jaarlijkse omzet. Verder moet de onderneming financieel en technisch levensvatbaar zijn en minstens vijf
personen tewerkstellen. Naargelang van het soort project is de bijdrage van het Centrum voor de
Ontwikkeling van Ondernemingen maximum 100.000 euro per project per jaar met een limiet van twee derde
van de totale kosten. De bijdrage moet ook kleiner zijn dan 20% van de activa of de omzet van de
onderneming.

Consultants and consultingorganisaties kunnen hun expertise over ACS-landen en samenwerking met
collega's in ACS-landen uitbreiden. Hiervoor kunnen zij maximaal twee derde van de kosten vergoed krijgen,
met een maximum van 50.000 euro.

Aanvraagprocedure

Aanvragen kunnen rechtstreeks ingediend worden bij het Centrum zelf of bij een van de antennes van het
ACS-netwerk in de ACS-landen of de Europese Unie. Indieners van een aanvraag (bedrijven of promotors)
moeten duidelijk bepalen welke bijstand en steun zij verwachten van het Centrum voor de Ontwikkeling van
Ondernemingen.

De formulieren om een aanvraag in te dienen zijn beschikbaar op de website.



 Aanvullende inlichtingen

Centrum voor de Ontwikkeling van Ondernemingen
Herrmann Debrouxlaan 52
1160 Brussel
Tel.: 02/679.18.50
Fax: 02/679.18.70
E-mail: info@cde.int
Website: http://www.cde.int/
4.2       PRO-INVEST: EEN PROGRAMMA VOOR DE PROMOTIE VAN INVESTERINGEN IN DE
          ACS-LANDEN


Inhoud steunmaatregel

Het Pro-Investprogramma is een EU-ACS-partnerschapsprogramma dat ontwikkeld en aangenomen is door
de Europese Commissie ten voordele van de ACS-landen. Het programma werd officieel gelanceerd op 22
oktober 2002 in Brussel.
Het doel van dit programma is de stroom van investeringen en technologieën naar bedrijven die actief zijn in
de kernsectoren in de ACS-landen te bevorderen. Dat zal bereikt worden via een tweedimensionale aanpak:
- steun aan intermediaire en professionele organisaties;
- ontwikkeling van partnerschappen tussen Noord-Zuid- en Zuid-Zuidbedrijven.

Pro-Invest wordt beheerd door het Centrum voor de Ontwikkeling van Ondernemingen onder toezicht van
EuropeAid Co-operation Office van de Europese Commissie. Met een budget van 110 miljoen euro gespreid
over een periode van zeven jaar, wordt Pro-Invest gefinancierd door het Europees Ontwikkelingsfonds.

Begunstigden

Intermediaire organisaties uit de ACS-landen, zoals Kamers van Koophandel en Industrie, professionele en
sectorale organisaties, werkgeversorganisaties en financiële instellingen en ook regionale organisaties uit de
particuliere sector die ten minste twee landen vertegenwoordigen, komen in aanmerking. Afhankelijk van het
type project kan de maximale tegemoetkoming tot 250.000 euro bedragen.

Bedrijven die hebben deelgenomen aan Pro-Investevenementen kunnen individuele steun (<= 50.000 euro)
ontvangen voor mogelijke follow-upprojecten of partnerschappen.

De tegemoetkoming via het Pro-Investprogramma is beperkt tot twee derde van de goedgekeurde kosten.

Projecten

-     activiteiten op het gebied van diensten voor de ontwikkeling van het bedrijfsleven;
-     initiatieven op het gebied van promotie van de particuliere sector en beleidsdialoog;
-     sectorale partnerschapsinitiatieven organiseren.

Aanvraagprocedure

Voor de intermediaire organisaties zijn er vier oproepen per jaar. Meer informatie over de oproepen is te
vinden op de website van Pro-Invest: http://www.proinvest-eu.org en op de website van EuropeAid:
http://www.europa.eu.int/comm/europeaid/tender/index_en.htm.

Voor individuele bedrijven is er elke maand een deadline.



 Aanvullende inlichtingen

Centrum voor de Ontwikkeling van Ondernemingen
ProInvest Management Unit
Patrick Keene
Herrmann Debrouxlaan 52
1160 Brussel
Tel.: 02/679.18.50/51
Fax: 02/679.18.70
E-mail: infos@proinvest-eu.org
Website: http://www.proinvest-eu.org
5.        OVERIGE INITIATIEVEN TER BEVORDERING VAN INTERNATIONALE
          SAMENWERKING



5.1       AL-INVEST III (2003-2007)


Inhoud steunmaatregel

Het AL-Investprogramma werd in 1994 opgestart door de Europese Commissie met als doel de economische
samenwerking tussen Europese en Latijns-Amerikaanse bedrijven en de investeringen en handelsrelaties
tussen beide regio’s te ondersteunen. De standaardtaal is Spaans, maar de meeste informatie is ook
beschikbaar in het Engels en het Portugees.

Het programma is er ook op gericht:
- steun te verlenen aan KMO's in de EU en in Latijns-Amerika bij internationale activiteiten;
- de investeringen door Europese KMO's in KMO's in Latijns-Amerika te bevorderen;
- de betrekkingen tussen de twee regio’s te verbeteren door Europese technologieën en knowhow te
    verspreiden in landen in Latijns-Amerika;
- langetermijnbetrekkingen te ondersteunen die alle betrokkenen voordeel opleveren en een duurzaam
    karakter hebben;
- de overdracht van technologie, en de totstandkoming van joint ventures en commerciële akkoorden
    tussen bedrijven in de EU en in Latijns-Amerika te bevorderen.

De betrokken landen zijn:
- alle 25 EU-lidstaten;
- 18 Latijns-Amerikaanse landen (Argentinië, Bolivië, Brazilië, Chili, Colombia, Costa Rica, Cuba,
    Ecuador, El Salvador, Guatemala, Honduras, Mexico, Nicaragua, Panama, Paraguay, Peru, Uruguay en
    Venezuela).

Begunstigden

Het geld van het AL-Investprogramma wordt aan de leden toegekend. Ze organiseren hiermee vooral
seminaries, conferenties en bedrijfsontmoetingen, en ze verlenen technische ondersteuning aan bedrijven.
Organisaties als Kamers van Koophandel, brancheorganisaties, instituten voor buitenlandse handel,
ontwikkelingsagentschappen en particuliere adviesverleners kunnen lid worden.

Bedrijven kunnen deelnemen aan de voor hen georganiseerde activiteiten of optreden als dienstverlener of
expert. Een lijst van de activiteiten kunt u vinden op: http://www.al-invest3.org/ door te klikken op ‘Events’.
U kunt daar ook de organisatoren opzoeken.
Vervolgens kunt u op http://europa.eu.int/comm/europeaid/projects/al-invest/network_en.cfm de
contactgegevens van die organisatoren vinden door te klikken op ‘Network’ en de juiste zoekcriteria in te
geven.
Meestal kunt u de organisator vinden door een deel van de naam van de organisator in te voeren bij ‘Name’.
Houd er wel rekening mee dat de zoekopdracht hoofdlettergevoelig is. Een alternatieve manier bestaat erin
het land te kiezen waar het evenement plaatsvindt via ‘Event Country’.

Projecten

De projecten kunnen onderverdeeld worden in twee groepen:

1.    Voorzieningen voor KMO's: budget 41,7 miljoen euro:
      · CAPYME: seminaries, workshops en training voor KMO's over internationaliseringsstrategieën en
         sectorale, technische ondersteuning;
      · SEU/SLA: Latijns-Amerikaanse weken (SLA) / Europese weken (SEU): internationale
         handelsbeurzen organiseren en bezoekers bijstaan;
      · ES: sectorale bedrijfsontmoetingen, vaak in het kader van internationale handelsbeurzen; samen met
         een technisch seminarie en eventuele technische bezoeken;
      · FDN: hulp verlenen bij de onderhandelingen over internationale businessplannen en het sluiten van
         partnerschappen;
     ·   CEP: ondersteuning van bedrijven die al een project hebben ontwikkeld. Die steun kan helpen bij de
         uitvoering van projecten die uit de andere activiteiten voortvloeien.

2.   Voorzieningen voor aangesloten leden: budget 6 miljoen euro:
     · CAP: kennisoverdracht binnen het netwerk;
     · IFU: uitwisseling van personeelsleden tussen aangesloten organisaties en externe organisaties;
     · ACO: onderlinge steun tussen aangesloten organisaties om nieuwe dienstverlening op te starten.

Aanvraagprocedure

Om steun te kunnen ontvangen moet een organisatie lid zijn van het AL INVEST III-netwerk. De
aanvraagprocedure om lid te worden vindt u in de brochure op:
http://www.al-invest3.org/Documents/AL_INVEST_III_-_INFO_Sheet_ENGLISH.pdf.

Een lid mag per selectiecomité voor iedere activiteit slechts één voorstel indienen. Vanaf 2005 is er elke twee
maanden een selectiecomité: op 15 januari, 15 maart, 15 mei …

Er is een handleiding beschikbaar om steun te vragen voor de verschillende activiteiten. U kunt die
handleiding raadplegen op http://www.al-invest3.org/ onder de rubriek ‘Manuals’.



 Aanvullende inlichtingen

AL-Invest III:

AL-Invest III-Consortium
Kunstlaan 19, A/D
B-1000 Brussel
Tel.: 02/788.48.40
Fax: 02/788.48.49
E-mail: info@al-ivest3.org
Websites:
http://www.al-invest3.org
http://europa.eu.int/comm/europeaid/projects/al-invest/index_en.htm

AL-Invest I en II:

EuropeAid Co-operation Office (AIDCO)
Unit E2
AL INVEST
Wetstraat 200
(J54, 4-13)
1049 Brussels
Belgium
Fax: 02/99.10.80
E-mail: europeaid-al-invest@cec.eu.int
Website:
http://europa.eu.int/comm/europeaid/projects/al-invest/index_en.htm
5.2       ASIA-INVEST (2003-2007)


Inhoud steunmaatregel

Het Asia-Investprogramma, een initiatief van de Europese Commissie, tracht bedrijven te helpen hun
bedrijfsstrategieën te internationaliseren en de samenwerking tussen bedrijven in de Europese Unie en Azië
te vergemakkelijken (Zuid- en Zuidoost-Azië en China).

Het Asia-Investprogramma in 1997 opgestart, is begonnen aan een tweede uitvoeringsfase voor een periode
van vijf jaar: 2003-2007. De Europese Commissie heeft een budget van 35 miljoen euro uitgetrokken. Dit
geld wordt ingezet via projecten die vallen in drie activiteitendomeinen:
- het samenbrengen van bedrijven en het vormen van partnerschappen tussen bedrijven
- ondersteuning van de Aziatische private sector
- capaciteitsopbouw van Aziatische bedrijfsorganisaties en netwerking met Europese tegenhangers.

De betrokken landen zijn:
- alle 25 EU-lidstaten
- 19 Aziatische landen: Afghanistan, Bangladesh, Bhutan, Cambodja, China, Timor Leste, India,
    Indonesië, Laos, Maleisië, Malediven, Mongolië, Nepal, Noord-Korea, Pakistan, Filipijnen, Sri Lanka,
    Thailand en Vietnam.

Begunstigden

Voorstellen voor projecten kunnen ingediend worden door non-profitorganisaties die de ontwikkeling van
handel en investeringen tussen de EU en Azië stimuleren of vergemakkelijken (kamers van koophandel,
sectorale handels- en bedrijfsfederaties, werkgeversorganisaties, enzovoort).

For-profit bedrijven kunnen:
- deelnemen aan de evenementen in het kader van Asia Interprise en Asia Partenariat. Een lijst met
    evenementen kunt u vinden op:
    http://europa.eu.int/comm/europeaid/projects/asia-invest/html2002/events2002.htm#Events%202003
- marktonderzoeken consulteren over opportuniteiten in de regio:
    http://europa.eu.int/comm/europeaid/projects/asia-invest/html2002/publications.htm
- meewerken aan projecten, zonder hiervoor geld te ontvangen
- als subcontractor diensten leveren aan projecten.

Projecten

Er zijn zeven soorten projecten binnen de drie activiteitengebieden:

-     Het samenbrengen van bedrijven en het vormen van partnerschappen tussen bedrijven

      ·   Asia VENTURE: kleinschalige handelsmissies tussen Europa en de minder welvarende Aziatische
          landen: Afghanistan, Bangladesh, Bhutan, Cambodja, Timor Leste, Laos, de Malediven, Nepal,
          Indonesië en Pakistan.
      ·   Asia INTERPRISE: middelgrote sectorale en multisectorale handelsbijeenkomsten ter bevordering
          van partnerschappen tussen Europese en Aziatische bedrijven.
      ·   Asia PARTENARIAT: grote multisectorele handelsbijeenkomsten in Azië om de partnerschappen
          tussen Aziatische en Europese bedrijven te bevorderen.

-     Ondersteuning van de privé-sector in Azië

      ·   Asia-Invest TECHNISCHE BIJSTAND: capaciteitsopbouw ter voorbereiding van Aziatische
          bedrijven op internationale samenwerking, die overdracht van knowhow, ontwikkeling van
          bedrijfsorganisaties en versterking van de banden met Europese bedrijven omvat.
      ·   Asia-Invest TRADE AND INVESTMENT FACILITATION STUDIES: marktonderzoeken om
          ondernemingen te voorzien van grondige analyses over het bedrijfsmilieu en de
          handelsmogelijkheden in Aziatische landen.

-     Capaciteitsopbouw van Aziatische bedrijfsorganisaties en netwerking met Europese tegenhangers
    ·   Asia-Invest ALLIANCE: capaciteitsopbouw en networking voor Aziatische intermediairs, die
        overdracht van knowhow, zoeken van bedrijfspartners, informatienetwerken en uitwisseling van
        personeel met Europese tegenhangers omvat.
    ·   Asia-Invest FORUM: uitwisseling van ervaringen via conferenties en workshops voor Europese en
        Aziatische intermediairs.

Aanvraagprocedure

Voor vier soorten projecten, namelijk voor VENTURE, INTERPRISE, TECHNISCHE BIJSTAND en
ALLIANCE worden er jaarlijks oproepen uitgeschreven. Belangrijke informatie over het opstellen en
indienen van voorstellen vindt u terug op:
http://europa.eu.int/comm/europeaid/projects/asia-invest/html2002/howtoapply.htm. De aanvragen moeten
voor de deadline ingediend worden met het standaardformulier dat te vinden is op deze website.



 Aanvullende inlichtingen

Europese Commissie
EuropeAid Co-operation Office
Asia-Invest Programme
Wetstraat 41, 03/30
B-1049 Brussels
Tel.: 02/298 6737
Fax: 02/298 4863




E-mail:                                                      europeaid-asia-invest@cec.eu.int
Website: http://europa.eu.int/comm/europeaid/projects/asia-invest
6.      LIFE III-PROGRAMMA


Inhoud steunmaatregel

LIFE (l’Instrument Financier pour L’Environnement) is opgestart in 1992 en bevindt zich momenteel reeds
in de derde fase. Het LIFE III-programma is vastgelegd bij Verordening 2000/1655 van het Europees
Parlement en de Raad van 17 juli 2000 en is een Europees financieringsprogramma.
De algemene doelstelling bestaat erin bij te dragen tot de uitvoering, actualisering en ontwikkeling van het
communautair milieubeleid en de milieuwetgeving met het oog op duurzame ontwikkeling in de Europese
Gemeenschap.
De Europese Commissie heeft het Life III-programma tot 2006 verlengd. De Commissie voorziet 317 miljoen
euro voor de periode vanaf 1 januari 2005 tot 31 december 2006.

Projecten

De projecten die gefinancierd worden door LIFE moeten voldoen aan de volgende criteria:
- van communautair belang zijn en een significante bijdrage leveren tot de algemene doelstelling;
- uitgevoerd worden door een technisch betrouwbare en financieel gezonde deelnemer;
- haalbaar zijn wat de technische voorstellen, planning, rendement en begroting betreft.

Aan projecten met een multinationale opzet kan prioriteit worden verleend.

Diversen

LIFE bestaat uit drie onderdelen: LIFE-Natuur, LIFE- Milieu en LIFE-Derde Landen.

LIFE-Natuur zorgt voor de financiering van een milieubeschermingsactie en in de praktijk moet LIFE-
Natuur bijdragen tot de uitvoering van de 'Vogelrichtlijn' (79/409/EEG) en 'Habitatrichtlijn' (92/43/EEG) van
de Europese Unie, en in het bijzonder tot de totstandkoming van Natura 2000, het coherent Europees netwerk
van beschermde gebieden. LIFE-Natuur viseert het terreingericht beheer en het behoud van de meest
waardevolle fauna, flora en habitat binnen de Europese Unie.

LIFE-Milieu steunt demonstratieprojecten op milieuvlak en richt zich tot de industrie, de plaatselijke
overheden en KMO’s. LIFE-Milieu financiert ook voorbereidende projecten die zijn gericht op de verdere
ontwikkeling of bijstelling van het communautaire milieubeleid. Voor deze projecten maakt de Commissie
afzonderlijke uitnodigingen tot het indienen van voorstellen bekend in het Publicatieblad van de Europese
Gemeenschappen.
Begunstigden: Hoewel LIFE-Milieu openstaat voor iedere in de Europese Unie gevestigde natuurlijke
persoon of rechtspersoon, alsmede voor een aantal kandidaat-lidstaten is het programma voornamelijk gericht
op de industriële sector en de overheid. Voor de periode 2005-2006 is voor LIFE een totaal budget van 317
miljoen euro voorgesteld, waarvan 47% is gereserveerd voor projecten in het kader van LIFE-Milieu in de
Europese Unie. Een LIFE-Milieu subsidie wordt toegekend aan de voorstellen die het best scoren in de zin
van innovatieve oplossingen voor belangrijke milieuproblemen en die tot concrete resultaten leiden. De
verspreiding van kennis moet deel uitmaken van de projecten. Met name het voorbeeldkarakter is belangrijk.
Projecten moeten worden uitgevoerd op een technische schaal die het mogelijk maakt om te beoordelen of
grootschalige invoering technisch en economisch haalbaar is. LIFE-Milieu is niet gericht op onderzoek noch
op investeringen in bestaande technologie, maar is bedoeld als overbrugging tussen de resultaten van
onderzoek en ontwikkeling en de grootschalige toepassing/marktintroductie daarvan.

De projecten kunnen volgende thema’s en onderwerpen omvatten:
- ruimtelijke ordening en planning;
- waterbeheer;
- de impact van de economisch activiteit;
- het beheer van afvalstromen;
- geïntegreerde benadering van de productie.
Voor LIFE-Derde Landen is ongeveer 5% van de begroting van LIFE III voorzien voor de financiering van
technische ondersteuning, demonstratieprojecten en acties ter bevordering van het behoud en herstel van
belangrijke habitat van bedreigde soorten fauna en flora buiten de Europese Unie.
Begunstigden: LIFE-Derde Landen is voornamelijk gericht op nationale overheden en administraties. Het is
eveneens open voor personen (natuurlijke of rechtspersonen) die voorstellen lanceren op lokaal, nationaal of
regionaal niveau.

Aanvraagprocedure

LIFE-Natuur
In het Publicatieblad van de Europese Gemeenschappen worden oproepen tot het indienen van blijken van
belangstelling, met vermelding van de specifieke criteria, gelanceerd. De financiële steun neemt de vorm aan
van medefinanciering met een maximum van 50% voor natuurbehoudprojecten en 100% voor begeleidende
maatregelen.

LIFE-Milieu
Projectvoorstellen kunnen worden ingediend door alle rechtspersonen die in de lidstaten van de Europese
Unie zijn gevestigd, zoals particulieren, industriële en commerciële ondernemingen, lokale overheden
enzovoort. In het bijzonder wordt de deelname van kleine en middelgrote ondernemingen (KMO)
aangemoedigd. Jaarlijks wordt er een oproep gelanceerd om projectvoorstellen in te dienen. Deze oproep
verschijnt ook op de Life-website onder ‘Funding’. De projecten worden medegefinancierd. De
subsidiegraad kent de volgende verdeling: tot 30% bij projecten met inkomsten en tot 50% bij projecten
zonder inkomsten.

LIFE-Derde Landen
Elk jaar kunnen er voorstellen voor acties en projecten ingediend worden. Medefinanciering is voorzien tot 100%
van de aanvaardbare kosten voor technische ondersteuning en tot 50% voor de andere acties.



 Aanvullende inlichtingen

Belgische ondernemers moeten de projecten indienen bij de heer David van Lochem van het ministerie van
Volksgezondheid, Veiligheid van de Voedselketen en Leefmilieu. Bij hem kan u eveneens terecht voor meer
gedetailleerde informatie:

Ministerie van Volksgezondheid, Veiligheid van de Voedselketen en Leefmilieu
Diensten voor het Leefmilieu
Dienst Studie en Coördinatie
David van Lochem
Victor Hortaplein 40 bus 10
1060 Brussel
Tel.: 02/524.95.04
E-mail: david.vanlochem@health.fgov.be

Algemene informatie over het LIFE-programma kan u vinden op volgende website:
http://europa.eu.int/comm/environment/life/home.htm.
7.      MEDIA PLUS-PROGRAMMA (Mesures pour Encourager le Developpement de l'Industrie
        Audiovisuelle)


Inhoud steunmaatregel

Het MEDIA Plus-Programma gaat uit van de Europese Commissie en heeft tot doel de concurrentiepositie
van de Europese film-, tv- en nieuwe media-industrie te verstevigen en om de internationale circulatie van
het Europese audiovisuele product te bevorderen aan de hand van een aantal maatregelen.

MEDIA Plus ligt vervat in twee besluiten: één voor de aanmoediging van de ontwikkeling, distributie en
promotie van Europese audiovisuele werken, goedgekeurd door de Europese Raad op 20 december 2000
(2000/821/EG); een tweede met betrekking tot opleidingsprogramma's voor vakmensen van de Europese
Audiovisuele programma-industrie (Mediaopleiding) is door het Europees Parlement op 19 januari 2001
goedgekeurd (Besluit nummer 163/2001/EG). In het MEDIA Plus-Programma wordt tevens steun aan
pilootprojecten voorzien. Dit laatste heeft betrekking op conservatie van het erfgoed, digitalisering van AV-
archieven en on-line distributiediensten.

Het MEDIA Plus-Programma loopt gedurende een periode van zes jaar, 2001-2006. Daarvoor waren Media I
en Media II operationeel, die respectievelijk van 1991-1995 en van 1996-2000 liepen.

Projecten

Het Media Plus Programma bestaat uit zes maatregelen, elk actief op een ander veld van de audiovisuele
industrie:

- Maatregel Media Ontwikkeling
Het Media Plus-Programma voorziet financiële steun aan Europese onafhankelijke productiebedrijven voor
de ontwikkeling van nieuwe projecten in de volgende genres: fictie, documentaire, animatie en multimedia.
Steun kan gegeven worden aan een cluster van projecten (slate-funding) of aan een enkel project.

- Maatregel I2I Audivisueel
Met deze regeling wil de Europese Commissie onafhankelijke Europese audiovisuele productiebedrijven
stimulansen geven zodat zij aanspraak zouden kunnen maken op externe financiering van banken of
financiële instellingen. Het doel van i2i Audiovisueel is het drukken van de kosten binnen de film en
audiovisuele sector op het vlak van verzekeringen, uitvoeringsgarantie en ontwikkeling.

- Maatregel Media Distributie
Deze maatregel van het Media Plus-Programma voorziet steun voor de distributie en het uitzenden van
audiovisuele werken (fictie, documentaires, animatie en interactieve programma's). Dit via steun aan
distributie van de Europese film via bioscopen, op video en on-line, op een digitale drager (DVD), via
televisie en via sales agents.

- Maatregel Media Promotie
Het doel van deze maatregel is voorzien in financiële steun om allerlei soorten promotionele acties aan te
moedigen. De promotionele acties moeten bedoeld zijn om Europese producenten en distributeurs
makkelijker toegang te laten krijgen op de belangrijkste Europese en internationale gebeurtenissen.
Ook steun aan festivals valt onder deze steunmaatregel. Festivals waarvan 70% van hun programmatie uit
Europese films bestaat, staan immers in voor de promotie van de Europese film.

- Maatregel Media Pilootprojecten
Gedurende de hele looptijd van het programma worden er proefprojecten opgezet die gericht zijn op een
betere toegang tot Europese audiovisuele inhoud en die profijt trekken van de mogelijkheden welke ontstaan
door de ontwikkeling en de introductie van nieuwe en innoverende technologie, waaronder de digitalisering
en de nieuwe distributiemethodes.
Proefprojecten kunnen met het oog op exploitatie, netwerkvorming en promotie onder meer betrekking
hebben op de volgende gebieden:
·   cinematografisch erfgoed;
·   archieven van Europese audiovisuele programma's;
·   catalogi van Europese audiovisuele werken;
·   digitaal uitgezonden Europese programma’s zoals bijvoorbeeld geavanceerde distributiediensten.
- Maatregel Media Training
Het Media Training-programma heeft als doel het opzetten van opleidings- en trainingsinitiatieven.
Professionelen van de audiovisuele sector kunnen via deze manier hun capaciteiten uitbreiden en
competitiviteit op de buitenlandse markt opvoeren.
Het programma rust op een nauwe samenwerking tussen verschillende scholen en opleidingscentra.

Diversen

De tussenkomst van het MEDIA-Programma bedraagt nooit meer dan 50% van het budget dat in aanmerking
kan worden genomen voor steun. Dit laatste is veranderlijk naargelang het voorwerp van steun. Een festival
bijvoorbeeld heeft nood aan een ander soort budget en maakt andere bestedingen dan een productiebedrijf dat
de ontwikkeling van een langspeelfilm opstart. In het eerste geval worden bijvoorbeeld kosten van print-
traffic, promotie en advertentie, ondertiteling, enzovoort in rekening genomen. In het tweede geval zullen de
kosten die kunnen ingebracht worden betrekking hebben op het opstellen van een productieplan en
financieringsplan, het schrijven van het scenario, onderzoek, verwerven van de rechten, enzovoort.

Aanvraagprocedure

Voor elke afdeling worden er 'oproepen tot indien van voorstellen' gelanceerd. Bedrijven worden uitgenodigd
hun project voor te stellen en in te dienen voor een specifiek onderdeel van het Programma. Die oproepen
kennen een uiterste inschrijvingsdatum. Over de ganse periode van zes jaar (tot 2006) worden er op
regelmatige basis oproepen gelanceerd.

Op volgende websites vindt u meer informatie:
http://www.europa.eu.int/comm/avpolicy/media/index_en.html
http://www.mediadesk-vlaanderen.be



 Aanvullende inlichtingen

U kunt bij de MEDIA Desk terecht voor informatie (over regels en procedures) en advies en begeleiding bij
het aanvragen van steun. Door het inschakelen van de MEDIA Desks in andere landen kan de MEDIA Desk
voor u bemiddelen wanneer u op zoek bent naar specifieke informatie en/of personen uit een ander Europees
land. Hieronder vindt u het informatiecentrum van het MEDIA-Programma van de Europese Gemeenschap:

MEDIA Desk België - Vlaamse Gemeenschap
Nathalie Goethals, coördinator
Jonas Tavernier, assistent Communicatie en Informatie
Bijlokekaai 7F
9000 Gent
Tel.: 09/235.22.65
Fax: 09/235.22.66
E-mail: info@mediadesk-vlaanderen.be
Website: http://www.mediadesk-vlaanderen.be
8.       MARCO POLO (2003-2007)



Inhoud steunmaatregel

Het doel van het Marco Poloprogramma is het verminderen van verkeersopstoppingen en het verbeteren van
de milieu-impact van het vrachtvervoer binnen de Europese Unie. Die doelstelling wordt nagestreefd via
projecten waardoor vrachtvervoer overschakelt van wegvervoer naar transportsystemen die normaal gezien
minder belastend zijn voor het milieu. Concreet betekent dit dat projecten ondersteund worden die zorgen
voor een omschakeling van wegvervoer naar korte zeevaart, binnenvaart en spoorverkeer. Projecten die
zorgen voor een omschakeling tussen korte zeevaart, binnenvaart of spoorverkeer onderling, worden niet
ondersteund.

Het programma loopt van 2003 tot 2006. Er is een totaal budget uitgetrokken van 100 miljoen euro. De
laatste oproep zal waarschijnlijk in de herfst van 2006 gedaan worden. De Europese Commissie heeft
voorgesteld om vanaf 2007 het programma voort te zetten (Marco Polo II), met extra projecten en een
jaarlijks budget van 100 miljoen euro.

Begunstigden

Alleen commerciële ondernemingen kunnen deelnemen aan het programma. Overheden of administraties
mogen echter wel 100 % eigenaar zijn van zulke commerciële ondernemingen. Projecten moeten steeds door
minstens twee partners in minstens twee landen ingediend worden.

Projecten

Er zijn drie types van projecten die ondersteund kunnen worden, op voorwaarde dat ze de concurrentie niet
onnodig verstoren:

1.   Wijziging van vervoersmodus

Ondersteuning bij het opstarten van dienstverlening, waarbij er tonkilometers (tkm) omgezet wordt van de
weg naar de andere modi. Tijdens het project moet in maximaal 3 jaar minimaal 250 miljoen tkm van modus
veranderd worden. Het project moet economisch levensvatbaar zijn na de periode van subsidiëring.

Dankzij het project moet minstens 250 miljoen tkm van modus veranderd zijn. De minimale subsidie
bedraagt 0,5 miljoen euro. De hulpinfrastructuur kan voor maximaal 20 % van de subsidie ondersteund
worden. De subsidie zelf bedraagt maximaal 30 % van de kosten die in aanmerking komen.

2.   Katalysator

Ondersteuning voor innovatieve projecten die structurele marktbarrières doorbreken. Projecten worden
maximaal vier jaar ondersteund. Het project moet economisch leefbaar zijn na het einde van de subsidies.

De minimale subsidie bedraagt 1,5 miljoen euro. De hulpinfrastructuur kan voor maximaal 20 % van de
subsidie ondersteund worden. De subsidie zelf bedraagt maximum 35 % van de kosten die in aanmerking
komen.

3.   Samenwerking en leren

Het verbeteren van samenwerking en het uitwisselen van know-how voor de complexe transport en logistieke
markt. Projecten kunnen maximaal twee jaar subsidie ontvangen. De resultaten van het project moeten aan
het doelpubliek beschikbaar gesteld worden.

De minimale subsidie bedraagt 0,25 miljoen euro. Tot 50 % van de kosten die in aanmerking komen, kunnen
vergoed worden.

Aanvraagprocedure

Ieder jaar wordt er een oproep gedaan, gewoonlijk in de zomer of herfst. De oproep wordt gepubliceerd in het
officiële publicatieblad en op de website van het Marco Poloprogramma.
Het gaat hier om een competitieve procedure waarbij een rangschikking van de ingediende voorstellen wordt
opgemaakt. Afhankelijk van het budget worden er een twintigtal projecten goedgekeurd en gesubsidieerd.



 Aanvullende inlichtingen

Directoraat-generaal voor Energie en Vervoer
Tel.: 02/299 64 48
Fax: 02/296 37 65
E-mail: TREN-MARCO-POLO@cec.eu.int
Website: http://europa.eu.int/comm/transport/marcopolo/index_en.htm
DEEL VIII : SAMENWERKING MET CENTRAAL- EN OOST-EUROPA
1.      SAMENWERKINGSPROGRAMMA VLAANDEREN MET CENTRAAL- EN OOST-
        EUROPA



Inhoud steunmaatregel

Op 29 april 2005 besloot de nieuwe Vlaamse regering om het Centraal- en Oost-Europabeleid aan te passen
aan de situatie die ontstond na de uitbreiding van de EU. Daarom wordt een onderscheid gemaakt tussen de
nieuwe lidstaten enerzijds, en de landen die in de nabije toekomst zullen toetreden (Roemenië, Bulgarije en
Kroatië). Ook projecten in de buitengordel kunnen in aanmerking komen voor betoelaging.

Het nieuwe Vlaamse buitenlandbeleid ten aanzien van Centraal- en Oost-Europa is dan ook gestoeld op drie
pijlers.

De eerste pijler, de samenwerking met de nieuwe lidstaten, omvat het zogenaamde post-accessiemodel. Dit
wil zeggen het partnerschap verstevigen en specifieke Vlaamse ervaring en kennis ter beschikking stellen,
bijvoorbeeld op het vlak van democratie, de kennismaatschappij en bestuurlijk beleid. Voor projecten binnen
deze eerste pijler voorziet Vlaanderen 670.000 euro.

In 2005 wordt gefocust op samenwerkingsprojecten met Polen, Hongarije, Slovenië en Estland. Volgend jaar
komen Letland, Litouwen, Slowakije en de Tsjechische Republiek aan bod.

De tweede pijler is gericht op de toekomstige nieuwe EU-lidstaten Roemenië, Bulgarije en Kroatië. Hiervoor
hanteert Vlaanderen het pre-accessiemodel: nauwe relaties aanknopen met deze landen en hen ondersteunen
in hun inspanningen voor de Europese toetreding. Deze staten krijgen dan ook de grootste hap van het
voorziene budget: 700.000 euro voor Roemenië, 600.000 voor Bulgarije en 500.000 voor Kroatië.

Met een derde pijler wil Vlaanderen nauw samenwerken met landen langs de nieuwe buitengrens van de
Europese Unie. De klemtoon wordt gelegd op democratische en economische versterking, conflictpreventie
en samenlevingsopbouw. De voorziene 350.000 euro worden in 2005 integraal voorbehouden voor
initiatieven in Oekraïne.

Begunstigden

De projecten dienen betrekking te hebben op een samenwerkingsverband tussen de Vlaamse promotor (een
Vlaamse administratie, een Vlaamse openbare instelling of een instelling, organisatie of onderneming die
haar exploitatiezetel binnen de grenzen van het Vlaamse Gewest of een Nederlandstalige instantie met zetel
in Brussel) enerzijds, en minstens een partner in één van de hierboven vermelde landen, anderzijds.

Projecten

Volgende economische projecten komen in aanmerking voor steun:

PIJLER 1

Voorbeelden van projectvoorstellen die in aanmerking komen:
- ontwikkeling van netwerken tussen Vlaanderen en de partnerlanden o.m. via samenwerking tussen
   intermediairs (Kamers van Koophandel, federaties,…);
- organisatie van promotionele acties waardoor Vlaanderen meer aanwezig wordt gesteld in het
   partnerland (bvb. Vlaamse week in samenwerking met diverse actoren als Toerisme Vlaanderen, Vlaams
   agentschap voor internationaal ondernemen, administratie Cultuur,…);
- ontwikkeling van stedenbanden of relaties tussen provinciale en regionale autoriteiten via de
   intermediaire organisaties of het opzetten van gezamenlijke acties (bvb. samenwerking tussen VVSG en
   soortgelijke partners in het buitenland of stedenassociaties als bijvoorbeeld Hanzesteden, seminarie van
   gemeenteontvangers,…). Individuele stedenjumelages worden niet gefinancierd;
- valoriseren van projecten die in het verleden werden ontwikkeld (bvb. indienen van projectaanvragen bij
   de EU als resultaat van een Vlaams project) of het overnemen van deze resultaten en Vlaamse
   beleidsmodellen in nationale beleids- of actieplannen van het partnerland;
- acties in het kader van interregionale samenwerking (INTERREG) waarvoor aanvullende financiering
   moet worden gevonden. De financiële lasten van deelname van Vlaamse partners aan dergelijke
    projecten mogen echter niet zomaar afgewenteld worden op de Vlaamse overheid. Ook de Vlaamse
    partner dient een belangrijke inbreng te doen;
-   stimuleren van bilaterale samenwerking tussen handelskamers, eventueel na voorbereidende
    samenwerking in het kader van een PLATO-project of landenclubs;
-   trilaterale samenwerking met landen van de buitengordel (samenbrengen van expertise uit Vlaanderen,
    een nieuwe lidstaat en een nieuw buurland - Oekraïne, Kroatië, ... – met betrekking tot voorbereiden van
    subsidiedossiers, wetgeving, enz…, bijvoorbeeld ondersteuning van het democratiseringsproces in
    Kroatië in samenwerking met Hongaarse partners, grensoverschrijdende samenwerking vanuit Polen met
    grensregio's in Oekraïne, transponeren van vroegere projecten uit Centraal-Europa naar de buitengordel:
    bijvoorbeeld samenwerking van Vlaanderen met Hongarije uitbreiden naar Oekraïne);
-   bilaterale filmfestivals of promotionele culturele manifestaties;
-   conferenties en samenwerking rond de regionale realiteit in Europa.

PIJLERS 2 EN 3

Het Vlaamse adviescomité hanteert de volgende inhoudelijke criteria bij de selectie van projecten:
- beantwoordt dit project inhoudelijk aan de Vlaamse prioriteiten. (Wat betreft pijler 2 moet de pre-
    accessiesteun bijdragen tot het EU-toetredingsproces en een succesvolle integratie van die landen in de
    Europese Unie vergemakkelijken. Ook zal Vlaanderen via pijler 3 met de landen van de buitengordel
    waar mogelijk en zinvol een samenwerkingsverband opstarten. Deze samenwerking zal tot stand komen
    in de vorm van capaciteitsopbouw, institutionele, democratische en economische versterking,
    conflictpreventie en samenlevingsopbouw);
- gaat het hier om overdracht van kennis in een domein waar Vlaanderen grote expertise heeft opgebouwd;
- beantwoordt het aan de EU-prioriteiten; biedt het ondersteuning voor de inspanningen die het
    partnerland zou moeten leveren om te voldoen aan de eisen die de EU aan het land stelt;
- in hoeverre is de overheid in het partnerland (in de eerste plaats het betrokken ministerie, de lokale
    overheden, …) betrokken bij het tot stand komen van het project en hecht zij belang aan de realisatie
    ervan;

Komen in aanmerking voor subsidiëring:
- zendingskosten die verbonden zijn aan de voorbereiding en de uitvoering van het project;
- investeringskosten, met uitzondering van infrastructurele werken, bouwprojecten of louter aankoop van
   investeringsgoederen, tenzij uitdrukkelijk wordt aangetoond dat deze vereist zijn voor het bereiken van
   de doelstellingen van het project;
- personeelskosten;
- werkingskosten;
- uitgaven die verricht zijn in Vlaanderen voor de beoogde samenwerking: kosten inzake ontvangst en
   verblijf van partners uit het gastland, kosten inzake opleiding en vorming, uitrustingsuitgaven, studie- of
   consultancykosten.

Komen niet in aanmerking voor subsidiëring:
- uitsluitend levering van materialen of goederen;
- louter infrastructurele of bouwactiviteiten;
- eenmalige uitwisselingen, evenementen en conferenties;
- studiebeurzen, studies van algemeen verkennende aard die geen projectgebonden karakter vertonen;
- puur academische projecten;
- humanitaire hulpacties.

De maximale duur van een project is drie jaar.


FINANCIËLE TEGEMOETKOMING

Pijler 1: de financiële bijdrage van de Vlaamse overheid bedraagt maximaal 50% van het totale budget.

Pijlers 2 en 3: de financiële tegemoetkoming kan maximaal 85% van de totale aanvaardbare kosten bedragen.

De partner in Centraal- en Oost-Europa of het partnerland moeten in een cofinanciering van 15% voorzien.
Privé-bedrijven met winstoogmerk, die een aanvraag indienen, moeten naast de inbreng vanwege het
partnerland, ook zelf een minimale inbreng van 15% garanderen.
Indien zowel de Vlaamse promotor als de begunstigde in Centraal- en Oost-Europa ondernemingen met
winstoogmerk zijn, kan de tegemoetkoming maximaal 50% bedragen en de kosten verbonden aan opleiding
en overdracht van technologie en op voorwaarde dat de investering voorheen is gerealiseerd door de
promotor.

De maximum tegemoetkoming per project wordt beperkt tot 300.000 euro; de maximale steun per jaar per
project bedraagt 150.000 euro (met echter als bijkomende beperking het maximale budget dat per land ter
beschikking wordt gesteld).

Aanvraagprocedure

Aanvragen tot tussenkomst moeten per land worden ingediend bij de administratie Buitenlands Beleid van
het ministerie van de Vlaamse Gemeenschap, Boudewijnlaan 30, 1000 Brussel, tel.: 02/553.59.20,
http://www.vlaanderen.be/centraalenoosteuropa.
De vereiste aanvraagformulieren en bijkomende inlichtingen zijn te verkrijgen bij de afdeling Buitenlands
Beleid binnen Europa van de administratie Buitenlands Beleid.

Vormvereisten
De kandidaten voor een project moeten schriftelijk een projectdossier indienen in het Engels, in twee
identieke exemplaren, volgens de bepalingen van het aanvraagformulier.
Een projectvoorstel moet voorzien zijn van de naam en handtekening van de aanvrager(s), gedateerd zijn en
alle gegevens bevatten die nodig zijn voor een beslissing.



 Aanvullende inlichtingen

Ministerie van de Vlaamse Gemeenschap
Administratie Buitenlands Beleid
Afdeling binnen Europa
Boudewijnlaan 30
1000 Brussel
Tel.: 02/553.59.02 - 553.60.34 - 553.48.30 - 553.61.38
Fax: 02/502.60.37
E-mail: freddy.evens@coo.vlaanderen.be
         projecten-bcoe@vlaanderen.be
2.      TACIS-PROGRAMMA



Inhoud steunmaatregel

TACIS (Technical Assistance to the Commonwealth of Independent States) werd beslist in december 1990
en werd formeel opgestart in juli 1991 bij verordening van de Europese Commissie. In 1993 werd een eerste
aanpassing aan de verordening aangebracht en in 1996 werd een nieuwe verordening goedgekeurd (1279/96).
Een nieuwe EG-Verordening 99/2000 van de Raad van 29 december 1999 betreffende bijstand aan de
partnerstaten in Oost-Europa, de Kaukasus en Centraal-Azië, keurt het programma Tacis voor de periode
2000-2006 goed. Het programma heeft tot doel de grensoverschrijdende samenwerking tussen de
partnerstaten en de lidstaten van de EU aan te moedigen en te ondersteunen.

Er wordt technische assistentie verleend aan Mongolië en de 12 onafhankelijke staten van het GOS, zijnde
Armenië, Azerbeidzjan, Georgië, Kazachstan, Kirgizië, Moldavië, Oekraïne, Oezbekistan, de Russische
Federatie, Tadzjikistan, Turkmenistan en Wit-Rusland.

Het Tacis-programma loopt van 1 januari 2000 tot 31 december 2006 en wil de grensoverschrijdende
samenwerking tussen onder andere de partnerstaten en de lidstaten van de Europese Unie aanmoedigen en
bevorderen.

Het Tacis-programma is vooral gericht op het leggen van de fundamenten van de markteconomie en een
democratische samenleving, en het zal vooral een programma van technische bijstand blijven. De Tacis-
financiering ondersteunt acties die via technische bijstand aan onmiddellijke behoeften in de partnerlanden
tegemoetkomen. De bijstand wordt toegespitst op bepaalde sectoren en geografisch afgebakende gebieden
om als spil en voorbeeld te dienen ter ondersteuning van het hervormingsproces. Hierbij probeert men niet
alleen de overheid te betrekken, maar ook de ondernemingen en al diegenen die in het economische leven
ervaring hebben. Het hoofdelement van Tacis is gericht op een overdracht van knowhow en expertise aan
organisaties in de partnerlanden, technische bijstand bij de overgang naar een markteconomie en bij de
verdere uitbouw van de democratie en de rechtstaat.

Sinds kort is Tacis ook gericht op de promotie van de democratie en op het stimuleren van investeringen in
de Tacis-landen. Men wil overstappen van een vraaggerichte samenwerking naar een dialooggerichte
samenwerking. 25% van het budget zal daarvoor uitgetrokken worden.

De Europese Unie zal 3,138 miljard euro uittrekken voor de Tacis-landen gedurende de periode 2000-2006.

Begunstigden

Alle natuurlijke en rechtspersonen uit de lidstaten en uit de begunstigde staten kunnen onder gelijke
voorwaarden deelnemen aan aanbestedingen en overeenkomsten.

Projecten

Volgende projecten komen in aanmerking:
- steun voor institutionele wettelijke en bestuurlijke hervorming;
- steun voor de particuliere sector en bijstand voor economische ontwikkeling van het midden- en
    kleinbedrijf;
- steun voor het aanpakken van de sociale gevolgen van het overgangsproces;
- ontwikkeling van infrastructuurwerken;
- bevordering van milieubescherming en beheer van natuurlijke hulpbronnen;
- ontwikkeling van de plattelandseconomie.

Diversen

Het programma neemt de vorm aan van technische bijstand voor de economische hervormingen waarmee de
begunstigde staten bezig zijn, meer bepaald bijstand voor maatregelen die tot doel hebben de overgang naar
een markteconomie te bewerkstelligen en zodoende de democratie te versterken. Hierbij zijn ook de redelijke
kosten voor leveranties inbegrepen die voor de uitvoering van de technische bijstand nodig zijn. Hieronder
vallen ook de kosten van de voorbereiding en de tenuitvoerlegging van, controle op en evaluatie van de
uitvoering van deze acties, alsook kosten in verband met voorlichting.

Er wordt wat betreft de concrete acties rekening gehouden met de wensen van de begunstigden en met
milieuoverwegingen. In het kader van de technische bijstand en subsidies wordt voorrang verleend aan:
- hervorming van de administratie;
- herstructurering van overheidsbedrijven;
- ontwikkeling particuliere sector;
- vervoer- en telecommunicatie-infrastructuur;
- energie;
- nucleaire veiligheid;
- milieu;
- opbouw van een efficiënte voedselproductie;
- ontwikkeling van sociale diensten;
- onderwijs;
- grensoverschrijdende projecten;
- kleinschalige infrastructuur in de context van grensoverschrijdende projecten.

Voor elk van de begunstigde lidstaten worden zogenaamde indicatieve programma's opgesteld. Vervolgens
leggen de Commissie en de TACIS-landen jaarlijks gezamenlijk een aantal concrete prioriteiten vast in de
vorm van actieprogramma's binnen de hierboven vermelde algemene prioriteiten, en gebaseerd op de
zogenaamde indicatieve programma's. Deze actieprogramma's bevatten een lijst van de belangrijkste te
financieren projecten binnen de indicatieve gebieden.

De bijstand van de Unie wordt verleend in de vorm van giften, die in schijven worden vrijgegeven naarmate
de projecten worden gerealiseerd. Voor leveringen worden aanbestedingen uitgeschreven.
De Commissie van de EU is gestart met een nieuw Tacis-concept; de bedoeling is een nieuw ontwerp van
Verordening op te maken na adviesinwinning van alle betrokken partijen.

Aanvraagprocedure

De door de in aanmerking komende landen opgestelde projecten worden door de Europese Commissie
beoordeeld, in samenwerking met het Tacis-comité, bestaande uit vertegenwoordigers van de lidstaten. Het is
aangewezen contact te nemen met de nationale coördinatoren voor de betrokken landen. Ook de indiening
van de voorstellen moet bij hen gebeuren.

Vlaamse ondernemingen kunnen op verschillende manieren deelnemen aan het Tacis-programma:
- als reactie op een verzoek tot blijken van belangstelling gepubliceerd in het 'Publicatieblad van de
    Europese Gemeenschappen' of in de geregelde publicaties van het Phare- en Tacis-kantoor (Programme
    and Contract Information) of via de Europe Aid Co-operation office website (publicaties van
    aanbestedingen        in        het        kader        van       Tacis,        Sapard,      Phare):
    http://www.europa.eu.int/comm/europeaid/cgi/frame12.pl;
- door in te schrijven op een bericht van aanbesteding van materiaal gepubliceerd in het 'Publicatieblad
    van de Europese Gemeenschappen' : http://ted.publications.eu.int/ hier kiest u voor ‘zoeken naar
    aanbestedingen’ en vervolgens kiest u bij ‘verordening’ voor ‘Phare, Tacis en landen van Midden- en
    Oost-Europa’;
- door projecten in te dienen bij de horizontale Tacis-programma's;
- ...
 Aanvullende inlichtingen

Information Centre Phare & Tacis
Montoyerstraat 19
1000 Brussel
Tel.: 02/545.90.10
Fax: 02/545.90.11
E-mail: phare-tacis@cec.eu.int
Website: http://www.europa.eu.int/comm/external_relations/ceeca/tacis/index.htm
3.      SAPARD



Inhoud steunmaatregel

Dit is een project van de Europese Commissie dat speciaal in het leven geroepen werd ter ondersteuning van
de tien nieuwe lidstaten van Centraal- en Oost-Europa bij de structurele aanpassing van hun landbouwzones;
daarnaast is het de bedoeling hen evenzo te assisteren bij de aanpassing aan de noden van het acquis
communautaire in functie van de Europese landbouwregeling.
Dit Europees project is gebaseerd op de Verordening 1268/99 van de Raad van 21 juni 1999, gewijzigd bij
Verordening 696/2003 van de Raad van 14 april 2003. Het project loopt van 01/01/00 tot 31/12/06.
Let wel: vanaf het moment dat het land dat de steun vraagt, lid wordt van de Europese Unie, vervalt de
aanvraag voor steun. Concreet betekent dit dat het nog om Roemenië en Bulgarije gaat.

Projecten

Het omhelst de co-financiering van:
- investeringen in landbouw-holdings;
- verbetering en promoveren van de landbouw- en visserijproducten;
- verbetering van de controles van voedsel en bescherming van de consumenten;
- landbouwproductie-methodes om het milieu te beschermen;
- diversificatie van economische activiteiten;
- oprichting van producentengroeperingen,
- verbetering van de beroepsopleiding;
- ontwikkeling en verbetering van de plattelandsinfrastructuur,…

De inbreng van de EU moet complementair zijn ten opzichte van de overeenkomstige nationale maatregelen.

Aan de programma’s die in het kader van de Verordening worden uitgewerkt, moet in de kandidaat-lidstaten
voldoende bekendheid worden gegeven. Die publiciteit moet er toe leiden dat het grote publiek wordt
geïnformeerd over de rol die de Gemeenschap bij de toekenning van de steun speelt.



 Aanvullende inlichtingen

Europese Commissie
Directoraat-generaal Landbouw
1049 Brussel
Website: http://www.europa.eu.int/comm/dgs/agriculture/index_en.htm
4.      TEMPUS (Phare & Tacis & Meda)



Inhoud steunmaatregel

Het Tempus-programma is het communautair samenwerkingsprogramma voor het hoger onderwijs, waarmee
de Nieuwe Onafhankelijke Staten en Mongolië, de niet-geassocieerde landen in Zuid-Oost-Europa en de
landen rond de Middellandse Zee worden ondersteund bij de overgang naar een markteconomie en/of de
ontwikkeling van een democratische maatschappij, hetgeen in overeenstemming is met de communautaire
doelstelling om op een breed terrein met deze landen samen te werken. Er wordt via dit programma naar
gestreefd een bijdrage te leveren aan de ontwikkeling van de hogeronderwijsstelsels in de partnerlanden en er
de interactie van het hoger onderwijs met de burgermaatschappij en de industrie te bevorderen.

Op 29 april 1999 gaf de Raad van Ministers zijn goedkeuring aan de nieuwe fase van het programma,
Tempus III. In het programma worden 3 categorieën van landen behandeld:
- de Nieuwe Onafhankelijke Staten en Mongolië;
- de niet-geassocieerde landen uit Zuid-Oost-Europa, namelijk Albanië, Bosnië-Herzegovina, Kroatië, de
   voormalige Joegoslavische Republiek Macedonië en de federale Republiek Joegoslavië (Republiek
   Servië, Montenegro en Kosovo);
- in 2002 werd het besluit aangepast en ook de MEDA-landen kunnen deelnemen: Algerije, Egypte, Israël,
   Jordanië, Libanon, Marokko, de Palestijnse Gebieden, Syrië en Tunesië.

Projecten

De hoofdinstrumenten voor samenwerking in het kader van Tempus zijn:
- Gezamenlijke Europese Projecten (GEP):
    . GEP voor de ontwikkeling van curricula zijn gericht op de inhoud van hoger onderwijs en hebben
         als doelstelling het actualiseren van bestaande leerplannen en het ontwikkelen van nieuwe;
    . GEP voor institutionele opbouw concentreren zich op het versterken van de democratie en de
         rechtsstaat middels het ondersteunen van de ontwikkeling van vitale maatschappelijke sectoren
         buiten de academische wereld.
- SCM (structurele en aanvullende maatregelen). Het verschil tussen structurele en aanvullende
    maatregelen en gezamenlijke Europese projecten is dat de structurele en aanvullende maatregelen een
    kader leveren voor kortetermijn reacties op bijzondere behoeften, die partnerlanden duidelijk als hun
    prioriteiten moeten hebben aangegeven. Drie soorten projecten: informatie- en verspreidingsprojecten,
    opleidingsprojecten en pilootprojecten;
- individuele mobiliteitsbeurzen (IMG) (3 types).

Diversen

Door hun toetreding nemen de nieuwe lidstaten deel net als de andere lidstaten.

Bij Tempus wordt een “bottom-up” benadering gekoppeld aan een “top-down”-benadering, wat inhoudt dat
enerzijds op de specifieke behoeften van individuele universiteiten in de partnerlanden wordt gereageerd en
anderzijds de nationale overheden van deze landen en de Europese Commissie middels het vaststellen van
nationale prioriteiten, het kader voor het programma definiëren.

Teneinde te waarborgen dat Tempus-activiteiten inspelen op de specifieke behoeften van het hoger onderwijs
in de partnerlanden, heeft elk partnerland samen met de Europese Commissie prioriteiten vastgesteld die
aansluiten op de algemene doelstellingen van Tempus en op het nationale beleid voor de ontwikkeling van
het hoger onderwijs.

Een aantal TEMPUS-partnerlanden hebben de Bolognaverklaring ondertekend, nl. de Russische Federatie en
alle CARDS-landen. Nog een aantal zullen dit in Bergen doen (2005) doen. Dit feit speelt een belangrijke rol
bij de prioriteiten (Europese en nationale).

Aanvraagprocedure

Het Tempus-programma wordt per academiejaar ten uitvoer gelegd. Voor elk academiejaar stelt de
“Europese Stichting voor Opleiding” in Torino, die de Europese Commissie technische bijstand verleent bij
het beheer van het programma, een “Gids voor Aanvragers” ter beschikking. Deze gids bevat de
voorwaarden tot deelname en de afsluitdata voor het indienen van de kandidaturen in het kader van de
verschillende activiteiten van het programma. Hij bestaat in alle officiële talen van de Europese Unie en kan
op het Internet teruggevonden worden: http://europa.eu.int/comm/education/tempus/home.html.
Oproep, prioriteiten, aanvraagformulieren en deadlines: http://www.etf.eu.int/Tempus.

Voor SCM- en IMG-aanvragen zijn er meerdere deadlines per jaar, voor GEP-aanvragen is er 1 deadline.



 Aanvullende inlichtingen

Ministerie van de Vlaamse Gemeenschap
Departement Onderwijs
Administratie Hoger Onderwijs – Internationale Zaken
J. Geentjens
Koning Albert II-laan 15
1210 Brussel
Tel.: 02/553.98.13
Fax: 02/553.98.45
E-mail: chantal.nauwelaers@ond.vlaanderen.be
TREFWOORDEN

Aanmoedigingspremie
Aanwervingen
ACS-landen
Adviescheques
Ad-hoc programma’s
Agentschap voor de Buitenlandse Handel
Al-Invest
Arbeidsduurvermindering
ARKimedes-regeling
Asia-Invest
Bedrijfsadvies
Bedrijfsadviseurs
Bedrijfsgebouwen
Bedrijfsopleiding
Bedrijventerreinen
Biotech Fonds Vlaanderen
Biotechbedrijf
Business Angel +
Buy-ins
Buy-outs
Centraal- en Oost-Europa
Centrum voor de Ontwikkeling van Ondernemingen (COO)
CIRR-rente
Collectieve opleidingen
Comité voor de financiële ondersteuning van de export (Finexpo)
Communication technology
COO
Coördinatiecentra
Cost plus-methode
Dienstencentra
Distributiecentra
Diversiteitsplannen
DNAcheques
Doelgroepvermindering
Doelstelling 1
Doelstelling 2
Doelstelling 3
Doorstromingsprogramma’s
Ecologie-investering
EFRO
EIF
EOGFL
Equal
ESF
ETF-startersregeling
Eureka
Europees Fonds voor Regionale Ontwikkeling (EFRO)
Europees Investeringsbank (EIB)
Europees Investeringsfonds (EIF)
Europees Oriëntatie- en Garantiefonds voor de Landbouw - Afdeling Oriëntatie (EOGFL)
Europees Sociaal Fonds (ESF)
Executive Training programme
Export Vlaanderen
Exportgerichte initiatieven
Exportkredietverzekering
Exportpromotieprogramma
Exprom
Externe bedrijfsadviseurs
Financieringsinstrument voor de Oriëntatie van de Visserij (FIOV)
Finexpo
Flanders Investment and Trade (FIT)
Gateway to Japan
GIMV
Globale kredieten
Gratis opstart
Groeikapitaal
Groeipremie
Grote Ondernemingen, GO
Haalbaarheidsstudies
Handicap
Herstructurering
HOBU-Fonds
Individuele beroepsopleiding
Individuele kredieten
Industrieel basisonderzoek
Information Technology
Innovatie
Innovatiesamenwerkingsverbanden
Inschakelingspremie
Instituut voor de aanmoediging van innovatie door Wetenschap en technologie in Vlaanderen (IWT-
Vlaanderen)
Interact
Interfaceprojecten
Internationale samenwerking
Interreg III
Intresbonificaties
Investeringsaftrek
Investeringsmaatschappij voor Vlaanderen (GIMV)
IWT-Vlaanderen
Jonge werknemers
Kapitaalpremie
Kleine ondernemingen, KO
KMO-adviseur
KMO-Innovatieprojecten
KMO-programma
Langdurig werkzoekenden
Leereilanden
Leertijd
Leningen van staat tot staat
Life sciences
Life III
Marco Polo
Media Plus
Middelgrote ondernemingen, MO
Milieuvriendelijk
MKB-garantiefaciliteit
Nationale Delcredere Dienst
Nieuwe werkgevers
Non-profit
Ondernemersopleiding
Onroerende voorheffing, vrijstelling van
Ontwikkelingszone
Opleidingscheques
Opleidingskrediet
Optimeo
Oudere werknemers
Onderzoeks- en ontwikkelingsprogramma’s EU
Participatiefonds
ParticipatieMaatschappij Vlaanderen (PMV)
Personen met een handicap
Peterschapsprojecten
Phasing out
PMV
ProInvest
Rentetoelage
Rentevoet, stabilisering
Resale minus-methode
Risicodragend kapitaal
Samenwerkingsprogramma Vlaanderen met Centraal- en Oost-Europa
Sapard
Sectorale maatregelen
Sociale inschakelingseconomie
Sociale Maribel
Solidaire lening
Startbaanovereenkomsten
Startbaanverplichting
Starteo
Starters
Starterssteun
Startkapitaalactie
Startlening
Strategisch basisonderzoek
Strategische projecten
Structurele vermindering
Structuurfondsen
Suppletieve regeling
Tacis
Tempus
Tetra-fonds
Urban II
VDAB
Venture Capital
Vermindering 2004
Vierdagenweek
VITO
VIZO
Vlaams Instituut voor het Zelfstandig Ondernemen (VIZO)
Vlaamse Dienst voor Arbeidsbemiddeling en Beroepsopleiding (VDAB)
Vlaamse Instelling voor Technologisch Onderzoek (VITO)
Vlaamse uitrustingsgoederen
Voortgezette vorming
Vormgeving
Vorming
Vriendenlening
Waarborgregeling
Werkbonus
Wetenschappelijk onderzoek
Wetenschapsparken
Zesde Kaderprogramma
Zorgkrediet
Ministerie van de Vlaamse Gemeenschap
Afdeling Europa Economie
Euro Info Centre
Markiesstraat 1
B-1000 Brussel

Telefoon:
02/553.38.77
02/553.37.02
02/553.37.30
02/553.37.33

Fax:
02/502.47.02

E-mail: euroinfocentre@vlaanderen.be
Website:
http://www.vlaanderen.be/subsidiewegwijzer
http://www.vlaanderen.be/euroinfocentre

				
DOCUMENT INFO
Shared By:
Categories:
Tags:
Stats:
views:50
posted:2/21/2012
language:
pages:210