Economics tenth edition Macro by o97heNJA

VIEWS: 50 PAGES: 38

									Economics (tenth edition)

Economie: de menswetenschap die zich bezighoudt met het keuzegedrag van de mens.
vb:     - Rotonde aanleggen of flitspaal plaatsen
        - Inflatie toelaten of werkloosheid laten toenemen
        - Een crimineel kiest: legale of illegale activiteiten
        - ...

Chapter 1: Economic issues and concepts
    A. The complexity of the modern economy
       1. Self-organization
       - De vrije-markteconomie regelt zichzelf.
       → Iedereen handelt uit eigenbelang, prijzen zijn stimulansen.
       → Er ontstaat een spontane sociale rangschikking.
       - Adam Smith: Schots economist; 1776 ‘Wealth of nations’(cit. p.2, §3)

         2. Efficient organization
         - Deze ontstane sociale rangschikking werkt relatief efficient.

         3. A planned alternative
         - Karl Marx; 19e eeuw; filosoof/econoom
         → gepland alternatief voor vrije-markteconomie
         → geplande markteconomie (ethisch verantwoord systeem, gelijkheid ...)
         - 20e eeuw: vrije-markteconomie >< centraal geplande economie

         Box 1.1 The failure of central planning
         - Failure of co-ordination
         - Failure of quality control
         - Misplaced incentives (stimulansen)
         - Environmental degradation

    B. Resources and scarcity
       → We leven in een wereld van schaarste

         1. Kinds of recources (= productiefactoren / input)
         - Land (grondstoffen)
         - Labour (arbeid)
         - Capital (kapitaal)
         - Entrepreneurship (ondernemerschap)

         2. Ownership of resources
         - Privébezit is zeer belangrijk in een markteconomie:
         → Overheidsbezit >< Privébezit




                                                               -1-
3. Kinds of production
- Goods (goederen): tastbaar
- Services (diensten): ontastbaar
- GDP: Gross Domestic Product = BBP: Bruto Binnenlands Product
 → De totale output van alle goederen en diensten van een land binnen een periode van 1 jaar.
- Productie: het maken van goederen en diensten
- Consumptie het verbruiken van goederen en diensten
- Producent: iemand die goederen produceert of diensten verleent
- Consument: iemand die goederen en diensten verbruikt

2. Choice and opportunity cost
- Er zijn veel keuzemogelijkheden:
→ KEUZE = SCHAARSTE
→ Opportuniteitskost: de waarde van de keuzes die je opgeeft.
vb1:       - € 7,5 om in de les te zitten >< € 1200 om te gaan werken

vb2:
                        Professioneel leger              ><      Dienstplichtig leger
   Financieel           € 1100                           ><>     € 75
   Economisch           € 1000                           <       € 1500
   = opp. kost          → net iets minder!               ><>     → verlies voor persoon EN
                                                         <       maatschappij

Let op!
Werkloosheid = opportunity cost >< management: hoe meer werkloosheid hoe beter
                                                   → meer WN op de arbeidsmarkt
3. The production-possibility boundary (= transformation curve / boundary)
- De production-possibility boundary is een dalende kromme die de combinaties weergeeft die bereikbaar zijn
wanneer alle PF van een land efficiënt zijn ingezet.
- Alle combinaties op de figuur binnen de ppb zijn ook mogelijk, ze worden bereikt door het niet efficiënt inzetten van
bepaalde PF.
- Hoe meer goederen er in de privésector worden geproduceerd, hoe groter de opportuniteitskost in de publieke
sector.




                                                    -2-
    4. Choice, scarcity, and opportunity cost llustrated
                                                       (Fig. 1)
      Q privé goederen




                         Q publieke goederen




    5. Three key issues
    a. What should be produced
    → Elk punt op de ppb geeft een mogelijke combinatie van geproduceerde hoeveelheden in de verschillende
    sectoren weer.

    b. Efficient production
    → Wanneer alle PF efficiënt zijn ingezet, doet het probleem van de opportuniteitskost zich voor. Er kan enkel nog
    meer van een goed geproduceerd worden, indien er minder van een ander goed geproduceerd wordt.

    c. Economic growth
    → Wanneer de economie groeit, verplaatst de ppb zich geleidelijk aan naar buiten toe (zie fig 1)
    → De ppb verplaats zich enkel naar binnen toe bij verlies aan middelen.

C. Who makes the choices and how
   1. The flow of income and expenditure
   - Voor Adam Smith: Oudheid, Middeleeuwen …
   → Ook onderzoek naar de economie.
   → Frankrijk: 18e eeuw, Quesnay, fysiocraten




                                                           -3-
  Model:
                        Overheid
                                            Belasting
        Invest
                          Producten                             Leningen

                        Consumptie
    Bedrijven                               Gezinnen         Sparen          Bank
                        Inkomen

                          Arbeid                         Import
                                                                             Buitenland
        Export



- In dit model zien we het verband tussen bedrijven en gezinnen. We spreken van 3 leakages (lekken) nl. het sparen,
import en belastingen.

a. Maximizing decisions
- Iedereen probeert zo goed mogelijk voor zichzelf te doen, we zijn ‘maximizers’.

b. Marginal decisions
- De meeste economische beslissingen die door individuen of bedrijven gemaakt worden, worden op de marge
gemaakt. Beslissingen om ‘iets’ meer of ‘iets’ minder te kopen. Deze beslissingen worden sequentieel
(=opeenvolgend) gemaakt.


2. Production choices
- Er zijn drie eigenschappen van productie ontdekt door Adam Smith. Specialisatie, de verdeling van arbeid en
globalisering.

a. Specialization
- Doorheen de tijd zijn er steeds meer beroepen ontstaan.
- 2 redenen waarom arbeidsspecialisatie efficiënter is dan zelfvoorziening:
→ Iedereen doet waar hij/zij (relatief) het best in is. (comparatieve kostentheorie)
→ Door zich op één activiteit te concentreren, leren mensen bij (learning by doing)

b. The division of labour
- Mass production
→ Massaproductie is een extreme vorm van de verdeling van arbeid.
vb: autoassemblage
- Craftworkers and flexible manufacturing
→ Er is een nieuwe trend waar opnieuw vakmannen worden gevraagd die niet enkel routine werk aankunnen.
→ Flexibiliteit wordt verhoogd doordat alle leden van een team in bepaalde producties alle verschillende taken
kunnen vervullen. (= lean production / flexible manufacturing)




                                                   -4-
    c. Globalization
    - Markteconomieën veranderen constant door het ontwikkelen van nieuwe producten en technologieën.

    - Globalisering van productie is een nieuw fenomeen, globale handel niet.
    → Driehoekshandel koloniale tijd.
    → Tegenwoordig is de plaats van assemblage te bepalen, plaats van productie niet. Veel bedrijven zijn
    ‘transnationals’ geworden.

    Box 1.3
    a. Absolute advantage
    - De persoon die het meest kan produceren van een goed/dienst binnen een bepaalde tijd heeft een absoluut
    kostenvoordeel t.o.v. de ander.

    b. Comparative advantage
    - Zelfs als heeft iemand geen absoluut kostenvoordeel, dan nog moet hij/zij zich specialiseren in het product waarvan
    de opportuniteitskost het kleinst is.
    - Deze theorie werd opgesteld door David Ricardo.

    vb:      - Peter:       100 sweaters               =      40 suits
                            1 sweater                  =      0,4 suits                   → Peter produceert suits.
                            1 suit                     =      2,5 sweaters                →Jane produceert sweaters.

             - Jane:        400 sweaters               =      48 suits
                            1 sweater                  =      0,12 suits
                            1 suit                     =      8,33 sweaters

    3. Markets and money
    - Door arbeidsspecialisering zijn mensen verplicht te vertrouwen op de diensten van anderen. → Specialisering
    bevordert handel
    - Vroeger: ruilhandel         → Dubbel toeval van noden (= double coincidence of needs)
                                  → Oplossing: geld


D. Is there a practical alternative to the market economy?
   ○ ;1 Traditional systems
   - Economische activiteit gebaseerd op traditie, gewoonte en gebruiken

    ○ ;2 Command systems (=centrally planned)
    - De economie wordt centraal bestuurd en gepland door de overheid.
    → 30 jaar geleden werd een derde van de wereld nog ‘bestuurd’ in dergelijk systeem.

    ○ ;3 Pure market systems
    - De markt regelt zichzelf zonder tussenkomst van de overheid en wordt dus volledig bepaald door vraag en aanbod.

    ○ ;4 Mixed systems
    - In realiteit is geen enkele economie compleet traditioneel, centraal gepland of vrij. Er zal altijd een combinatie zijn
    van elementen uit de drie voorgaande systemen.

                                                           -5-
         ○ ;5 Government in the modern mixed economy
         - De grootste taak voor de overheid in hedendaagse economieën is het creëren van een
         wettelijk kader waarin de vrije-markteconomie kan functioneren.



Chapter 2: How economists work (lezen)
    A.   Economic advice: positive and normative statements
    B.   Economic theorizing
    C.   Economic date
    D.   Graphing economic theories
    E.   Measuring marginal values
    F.   Mathematical appendix (The calculus of marginals and totals)

Chapter 21: Macroeconomic issues and measurement
- Macro-economie handelt over aggregate fenomenen zoals groei, conjunctuurcycli, inflatie, werkloosheid …
- BNP is: - de som van alle toegevoegde waarde gecreëerd in 1 land in 1 jaar.
                   - de waarde van alle goederen en diensten in geld uitgedrukt, geproduceerd in 1
                   land in 1 jaar.
                   - de som van alle uitgaven van aan goederen en diensten, geproduceerd in 1
                   land in 1 jaar

     A. What is macroeconomics?
        - Macro-economie is de studie van het gedrag van de economie in grote lijnen.
        - RPI (retail price index) = Index der consumptieprijzen
        → De grote veranderingen in een economie zien om zo een beter beeld te krijgen, hoewel details verloren gaan.

     B. Why doe we need macroeconomics?
        1. Major economic issues (zaken die best vanuit macro-economisch standpunt bekeken worden)
        a. Economic growth
        - De economieën van geïndustrialiseerde landen zijn in de laatste 50 jaar gegroeid.
        → Lonen zijn gestegen, welvaart is gestegen …

          - Groei op lange termijn = doel van macro-economie

          b. Business cycles
          - De economie beweegt zich in een reeks van conjunctuurcycli, niet in een stabiel patroon.

          - Macro-economie probeert methoden te zoeken om deze cycli te temperen (= anti-cyclisch beleid).

          c. Inflation
          - Conjunctuurcycli brengen gewoonlijk schommelingen van de inflatie met zich mee.
          → Over het algemeen hebben pogingen van overheden om inflatie te beperken, recessies met zich meegebracht.
          → Dit is natuurlijk niet de enige oorzaak van recessie (vb: 2000-2002: recessie, maar geen hoge inflatie)




                                                            -6-
    d. Unemployment
    - Een daling in de economische activiteit, brengt een stijging van de werkloosheid met zich mee.

    - De overheid probeert de economische cyclus o.a. te beïnvloeden d.m.v. fiscale politiek.
    → = Het beïnvloeden van de economie door het aanpassen van overheidsbestedingen en belastingen.

    e. Government budget deficits
    - Budget deficit → Overheidsbestedingen (G) > overheidsinkomsten (T)

    f. Interest rates
    - De economie kan ook beïnvloedt worden d.m.v. monetaire politiek.
    → = Het beïnvloeden van de economie door het aanpassen van intrest en geldvoorraad.


    g. Targets and instruments
    - In punt a tot b zijn twee soorten zaken vermeld:
    1. Targets op policy (doelen): de overheid wil ‘goede’ waarden breiken voor deze zaken
    2. Instruments of policy (instrumenten): de overheid past deze zaken aan om doelen te bereiken

C. National output concepts
   1. Value added as output (= toegevoegde waarde)
   - Principieel probleem: studie van het BBP → wealth of the nation maximaliseren
   waarom ? Werkloosheid oplossen (opportuniteitskost)
   - Wat is BNP?
   → De som van alle finale goederen en diensten uitgedrukt in geld, geproduceerd in 1 land in 1 jaar.
   (in België: ongeveer 250 mld euro)


    vb:         Boer                    Graan           Twv €10           €10 TW
                Molenaar                Meel            Twv €25           €15 TW         Intermediaire goederen
                Grootbakker             Taarten         Twv €60           €35 TW
                Kleinbakker             Taarten         Twv €80           €20 TW         Finale goederen
                Totaal                                  €175              €80


          → Oplossing: toegevoegde waarde
          - TW = Verkoopprijs – Kosten
          - Nationale productie = Nationaal inkomen
          - België: BNP/capita → top-10 van de wereld




                                                       -7-
D. GDP, GNI and GNP (voor punt D: zie cursus macro-economie voor andere samenvatting)

    Circular flow model:

                                                                                          Lekken
                                                                                          Injecties
                                       Gezinnen



                                        Banken

                                                                                       Gezinnen

                                       Overheid



                                      Bedrijven



    1. GDP spending-based
    a. Private consumption spending (= C)
    → Consumptie van de gezinnen

    b. Government consumption spending (= G)
    → Individual government final consumption: consumptie v/d overheid waar 1 persoon iets aan heeft
    (vb operatie door staatsarts)
    → Collective government final consumption: consumptie waar de hele staat iets aan heeft
    (vb defensie, sociale zekerheid …)
    → Overheidsuitgaven worden a.d.h.v. de kosten die gemaakt worden berekend.

    c. Investment spending (= I)
          1. Changes in inventories
          → Dalende voorraden = dalende investering

         2. Fixed capital formation
         → Het aankopen van nieuwe kapitaalgoederen = stijging van de investeringen.
         → ‘Capital stock’ = de totale hoeveelheid kapitaalgoederen die aanwezig is in een economie.

         3. Net acquisition of valuables
         → Zaken zoals juwelen, kunstwerken … = investeringen in nationale rekeningen

         4. Gross and net investment (bruto >< netto invest)
         - Twee soorten investering:         - vervanging van oude vaste active
                                             - aankoop nieuwe VA
         - Netto investering = Bruto investeringen – vervangings investeringen

                                                       -8-
d. Net exports → XN = X – IM
     1. Imports (= IM)
     2. Exports (= X)
e. Market prices and basic prices
- Basic prices = Basisprijs = de prijs van het goed of de dienst
- Market prices = Marktprijs = de prijs die de consument betaalt (basisprijs – subsidies (U) + taks (Ti ) )
→ Voor uitgebreide uitleg: zie cursus Macro-economie hfst. 2, p 44 e.v.

f. Total spending

          Ya = AEa = Ca + Ia + Ga + (Xa - IMa)

         Met:
         Y= Nationaal Inkomen                 AE= Agregatieve Bestedingen
         C= Consumptie                        I= Investeringen
         G= Overheidsbestedingen              NX= Netto-export
         X= Export                            IM= Import
         a
           = Actual
2. GDP income-based (zie cursus macro-economie p. 48)
- We onderscheiden 3 categorieën van inkomens

a. Operating surplus
- Bruto-exploitatieoverschot, bv. dividenden

b. Mixed incomes
- Gemengde inkomens: het inkomen en de winsten van zelfstandigen

c. Compensation of employees
- Beloning van werknemers: het loon / de wedde van werknemers


3. Income produced and received
a. Reconciling GDP with GNI

          BBP – FU + FO = BNP

          Met:
          BBP= Bruto Binnenlands Product           BNP= Bruto Nationaal Product
          FU: Factor Uitgaven                      FO= Factor Opbrengsten


b. Other income concepts
- Personal income: het inkomen voor er belastingen, sociale lasten… vanaf gehouden zijn (= Y).

- Personal disposable income: het beschikbaar inkomen (=Yd).



                                                     -9-
E. Interpreting national income and output measures
   1. Real and nominal measures
   a. The implicit deflator

      Impliciete deflator =            Nominaal BBP x 100 %
                                        Reëel BBP

      2. International comparisons of GDP
      - Bij de vergelijking van het BBP van verschillende landen, treedt er een probleem op:
      → Er wordt geen rekening gehouden met de koopkrachtpa riteit

Vb:                                       USA                             INDIA
               Q                          1000                            1000
               P                          $2                              r 12
               Y                          $ 2000                          r 12000
               Wisselkoers: $ 1 = r 10                                    = $ 1200
               → weerspiegelt niet de koopkrachtpariteit                  = $ 2000 (a)


      (a) Oplossing: ‘korf’ van goederen samenstellen die een basispakket van goederen bevat.
                            vb:      $ 200 →              r 1200           (beiden voor 1 pakket)
                                     $1       →           r6
                                     = koopkrachtpariteit
      → Het BBP wordt onderschat in alle ontwikkelingslanden doordat er niet in hun munt wordt belegd.

      3. What GDP does nog measure
      a. Unreported activities
      - Zwartwerk → belastingontduiking/ontwijking
      - Illegale activiteiten (prostitutie, drugshandel ...)

      b. Non-marketed activities
      - Huis, tuin en keukenproductie → onderschatting van het BNP in ontwikkelingslanden! Vb: ouderenverzorging,
      kinderverzorging (thuis vs crèche)

      - Er wordt niet meegeteld wat men al bezit van vorige jaren, enkel wat men in het huidige jaar heeft verdiend.
      - Kosten van overheidsuitgaven worden meegeteld.
      gevolgen:           stel:     professor € 20000 voor 8 colleges
                          stel:     professor € 20000 voor 4 colleges (wil minder werken)
                          dan:      extra prof € 20000 voor 4 colleges
                          → BNP = € 40000 (met €20000 toegenomen !)
      c. Economic bads
      - Negatieve externe effecten (zoals bv. schade aan het milieu) worden niet van het BBP afgetrokken. De productie
      die ondertussen is gerealiseerd, wordt er wel bijgeteld.

      Do the omissions matter?
      - BBP is een relatief goed systeem om de flow van goederen en diensten doorheen de markt te meten, alhoewel er
      natuurlijk mankementen aan zijn.
                                                       - 10 -
Chapter 22: Economic growth (Opmerking: van hoofdstuk 2 moesten enkel p. 388 en 389 gekend zijn)
     A. Growth Cycles
        1. Potential GDP and the GDP gap
        - Actual GDP = Reële BBP (= Y)
        → Wat de economie effectief produceert.

          - Potential GDP = Potentiële BBP (= Y*)
          → Wat de economie zou produceren wanneer alle productiefactoren op een normaal productieniveau zouden
          worden ingezet.

          - Output gap = GDP gap (= Y* - Y)
          → Het verschil tussen het potentiële BBP en het reële BBP, noemt men een output gap.

          → Er zijn twee soorten output gaps:
          ○ ;1 Recessionary gap (Y* > Y)
          → Economie draait onder haar potentiële niveau.

          ○ ;2 Inflationary gap (Y > Y*)
          → Economie draait boven haar potentiële niveau.
          ( > ‘boom’ heeft een daling van de kwaliteit tot gevolg)

Chapter 23 A basic model of the determination of GDP in the short run
     A. The macro problem: inflation and unemployment
        - Centraal probleem: inflatie onder controle houden, en werkloosheid beperken.

          Schema:
               Reëel BBP




                                                                      Y
                                                                      *
                                     Peak
                                                   Recover
               Recessie                            y



                          Through




                                                                          Tijd
           0



         1. Macroeconomics as theory
         - Wat veroorzaakt verandering in de macro-economische variabelen op korte termijn en hoe zijn ze verbonden met
         elkaar.

     B. Key assumptions
        - We kunnen al via 3 manieren het BBP bepalen; nl. door het optellen van:
        → inkomens van eigenaren van inputs

                                                             - 11 -
→ toegevoegde waarde
→ aggregatieve bestedingen

- In dit hoofdstuk verklaren we deze bepalingen.

1. Aggregation across industries
   - We nemen aan dat er maar één sector is binnen de economie, die een homogeen product produceert.

  a. The government sector
  - We negeren het feit dat de overheid soms ook een producent is.
  → Ze produceert geen goederen, want er is maar één sector!

  b. Justification
  - We stellen geen model op om de realiteit zo goed mogelijk te benaderen, wel om de essentie van ons probleem
  te kunnen vatten.

2. Time-scale
   - Het deel van macro-economie dat we nu bestuderen heeft te maken met verandering op korte termijn.
   Problemen i.v.m. groei zijn eerder op lange termijn te bestuderen.

  a. Short run (6 – 12 maanden)
     - Def.: de periode waarin de economie een afwijking van het potentiële t.o.v. het reële BBP aanhoudt (= BBP
     gap).
     → Dit gaat over het BBP gap en hoe het te verkleinen.

  b. Long run (langer dan 1 jaar)
     - Def.: Een periode die lang genoeg is, zodat de economie zichzelf automatisch weer in evenwicht kan brengen
     na een BBP gap.

     - Er bestaat ook zoiets als ‘the longer run’, waarin men de economie zelfs de tijd geeft om te groeien.

3. Temporary assumptions
   - Om een eenvoudig model op te stellen, maken we in het begin abstractie van enkele zaken.

  a. The price level
     - In het begin nemen we aan dat de prijs (zowel input als output) een constante is.
     (→ Vanaf hfst 25 en 26 laten we de prijs veranderen)

  b. Excess capacity
     - In het begin nemen we aan dat er in de economie een overvloed is, er is nooit schaarste of tekorten van
     productiefactoren.

  c. Closed economy
     - In dit hoofdstuk maken we abstractie van een buitenland (X en IM), om het model voorlopig nog simpel te
     houden.



                                                   - 12 -
       d. No government
          - Er wordt abstractie gemaakt van belastingen (T) en overheidsbestedingen (G).
          - Er wordt abstractie gemaakt van interestvoeten (i) (bepaald door monetaire politiek!).

C. What determines aggregate spending?
   1. Some important preliminaries
      a. From actual to desired spending

         - We hernemen ons vorige model: Ya = AEa = Ca + Ia + Ga + (Xa - IMa)
         → In realiteit klopt dit niet, er is nl. schaarste. Hoewel dit de wens is, kan er niet oneindig veel geconsumeerd /
         geïnvesteerd / ... worden.

         - Nieuwe model: Y = AE = C + I + G + (X - IM)           → Desired spending


       b. Autonomous and induced spending
          - Autonome bestedingen: (= exogene)
          → Bestedingen die onafhankelijk zijn van het inkomen Y (of Yd).

         - Geïnduceerde bestedingen: (= endogene)
         → Bestedingen die afhangen van het inkomen Y (of Yd).

       c. A simple model
          - In dit hfst. focussen we op gewenste consumptie en investeringen, omdat deze de basis van de AE vormen.

    2. Desired private consumption spending
       - Het sparen (S) is het gedeelte van het beschikbaar inkomen dat niet geconsumeerd wordt.

       a. The consumption function
          - We moeten een onderscheid maken tussen het inkomen (Y) en het beschikbaar inkomen (Yd). In dit hoofdstuk
          geldt echter nog dat Y = Yd, omdat we nog abstractie maken van T.

       b. Consumption and disposable income
          - Er bestaat een verband tussen het beschikbaar inkomen (Yd) en de consumptie (C).

         - Twee manieren waarop dit kan werken:
         ○ ;1 Iedereen geeft heel het Yd uit.
             (= Keynisiaanse consumptiefunctie)
         ○ ;2 Iedereen spaart een beetje in geval van slechtere tijden.
             (Franco Modigliani: life-cycle theory; Milton Friedman: permanent-income theory)

         → In realiteit is het een mengeling van de twee soorten personen (zie vb. p. 411 - 412)

       c. - We spreken van autonome consumptie (Co) en geïnduceerde consumptie (cYd)
               C = C0 + cYd        Met:     - C0 onafhankelijk van het inkomen.
          - cYd afhankelijk van het inkomen


                                                       - 13 -
  d. Average and marginal propensities to consume
     - APC = GCQ = Gemiddelde consumptiequote
     → De verhouding van de consumptie tot het beschikbaar inkomen.
         GCQ = C / Yd

    - MPC = MCQ= Marginale consumptie quote
    → De verhouding van de verandering in C tot de verandering in Yd.
        MCQ = ∆C / ∆Yd

  e. The slope of the consumption function
    - De MCQ is de rico van de consumptiefunctie (rico = ○ ;+ ↔ MCQ = ○ ;+)

    - p. 413 – 414 : punt 1 en 2: vragen in les

  f. The 45° line
     - De 45 ° lijn verbindt alle punten waar AE en Y gelijk zijn aan elkaar.

  g. The saving function
     - APS = GSQ = Gemiddelde spaarquote
     → De verhouding van de spaarfunctie (S) tot het beschikbaar inkomen (Yd).
         GSQ = S / Yd

    - MPS = MSQ = Marginale spaarquote
    → De verhouding van de verandering in S tot de veranderin in Yd.
        MSQ = ∆S / ∆Yd

    → Eigenschap:
      MSQ + MCQ = 1

  h. Wealth and consumption function
     - De Keynisiaanse consumptiefunctie kan makkelijk in overeenstemming gebracht worden met de
     permanent-income theory en de life-cycle theory en dit d.m.v. de spaarquote en consumptiequote
     (→ spaarquote en consumptiequote passen aan naar gelang de welvaart).

  i. The interest rate and consumer spending
     - Hogere intresten:      - minder consumptie
                              - meer sparen
                              - minder lenen (kosten stijgen)

      → Interest heeft vooral invloed op de investeringen, maar ook op de consumptie.
3. Desired investment spending
   - Investering is de meest veranderlijke en het sterkst verbonden aan de economische cyclus van alle
   bestedingen.

  a. Investment and the real interest rate
     - We verdelen de investeringen in drie componenten om de relatie tussen intrest en investeringen beter te
                                                   - 14 -
     kunnen begrijpen.

      I.Inventory accumulation
        - De voorraden (VR) van afgewerkte producten, grondstoffen ... spelen een grote rol.
        → Hoe hoger de intrest, hoe hoger de opportuniteitskost, hoe lager de wil om VR te hebben (het geld dat
        naar de VR gaat wordt immers niet geïnvesteerd!)

     II.Residential housing construction
        - Het investeren in nieuwe huizen is ook zeer veranderlijk.
        → Hoe hoger de intrest, hoe duurder de leningen, hoe lager de investering in huizen.

     III.Business fixed capital formation
         - Winsten van bedrijven zijn ook een belangrijk element.
         → Hoe hoger de intrest, hoe duurder de leningen, hoe minder invest in vaste activa.


  b. Expectations and business confidence
     - Wanneer bedrijven goede tijden verwachten, zullen ze meer investeren en vice versa.

  c. Investment as autonomous spending
     - Op dit moment → I = I0
     → Intrest heeft een grote invloed op de I, maar is nog niet in ons model betrokken.

4. The aggregate spending function
   - In dit hfst. hebben we ons simpelse model nl.
            AE = C + I         Met:      I = I0
                                         C = C0 + cYd

  a. The propensity to spend out of national income
  - MPS = MCQ = z
  - Marginal propensity not to spend = 1 – z
  → (1 – z) is het deel dat niet geconsumeerd wordt




                                                  - 15 -
D. Equilibrium GDP
   - Op korte termijn bepaalt de vraag het aanbod, producenten zullen hun productie aanpassen aan de gevraagde
   hoeveelheid op de markt.

    grafiek:


       AE
                                       45°
                                                     Ye via aggregatieve
                                       AE            bestedingen

                                            Y

        I, S                       S                 Ye via lekken en
                                        I            injecties
                                            Y




E. Changes in GDP
   → Heel punt E in cursus macro-economie leren, dit punt bevat alles over:
           - Bewegingen van de AE-curve
           - De multiplicator

    1. Shifts in the aggregate spending function
       a. Upward shifts
       b. Downward shifts
       c. The results restated

    2. The multiplier
       a. Definition
          - De multiplicator is een ratio die de verandering in BBP in verhouding tot de verandering in aggregatieve
          bestedingen.

       b. Why the multiplier is greater than unity
       c. The simple multiplier defined

    3. The size of the simple multiplier




                                                     - 16 -
Chapter 24: GDP in and open economy with government
    A. Government spending and taxes
       - In dit hoofdstuk wordt fiscale politiek in ons model betrokken.
       → Overheidsbestedingen (G) en belastingen (T).

         1. Government spending
            - De overheidsbestedingen (G) = de vraag die de overheid uitoefent en beïnvloedt de AE.

           - Daarnaast zijn er ook nog de transferten (D), rechtstreekse bestedingen aan personen
           (vb.: pensioenen, subsidies ...). We maken abstractie van transferten als we over G spreken.

         2. Tax revenues
            - De belastingen (T) zijn de inkomsten van de overheid.
            → Netto-belasting = belasting - transferten

         3. The budget balance (T – G)
            - Budget balance = het verschil tussen de belastingen en de totale bestedingen.
            → Als dit positief is, spreekt men van een budget surplus.
            → Als dit negatief is, spreekt men van een budget deficit.
            → Als dit nul is, spreekt men van een balanced budget.

         4. Tax and spending functions
            - We behandelen de overheidsbestedingen (G) als autonoom
            → G = G0

           - De overheid zet een autonome belastingsquote (t), T stijgt dus naar mate Y toeneemt
           → T = T0 + tY

    B. Net exports
       1. The net export function XN = (X – IM)
       - Exportbeslissingen liggen in de handen van buitenlandse consumenten en bedrijven.
       - Importbeslissingen liggen in de handen van binnenlandse consumenten en bedrijven.

         → De relatie tussen XN en Y is negatief. Hoe meer XN, hoe lager het Y.

         2. Shifts in the net export function
         - Verschuivingen van de XN-curve hangen af van twee factoren:

           a. Foreign GDP
              - Een stijging van het buitenlands BBP, zal een stijging van de X tot gevolg hebben.
              → De XN-curve zal stijgen.

              >< Daling van het buitenlands BBP ...
              → Daling van de XN-curve.



                                                           - 17 -
      b. Relative international prices
         - Daling van de binnelandse prijzen / intrest t.o.v. buitenlandse prijzen / intrest.
         → Stijging X, daling IM.
         - Stijging binnenlandse prijzen / intrest t.o.v. buitenlandse prijzen / intrest.
         → Daling X, stijging IM
C. Equilibrium GDP
   3. The income-spending approach
      a. Relating desired consumption to national income
         - C = C0 + cYd
         → C = C0 + (Y – (T0 + tY))

          - De belastingen worden vanaf nu betrokken in onze consumptiefunctie.

        b. The aggregate spending function
           - De nieuwe aggregate bestedingen functie is:

               Y = AE = C + I + G + NX

          → Alle grafieken blijven hetzelfde, alleen worden er meer AE en meer W en J in betrokken.

        c. The marginal propensity to spend
           - Vragen in les p. 434

        d. Determining equilibrium GDP
           - Idem:        Y        = AE
                                   = C + I + G + (X-IM)

        e. Graphical exposition
           - Idem:       - AE = 45 ° lijn

     4. The augmented saving-investment approach (W = J)
     - Het is ook mogelijk om Y te bepalen via lekken (W) en injecties (J)

        a. Additional injections and leakages
           - In ons nieuwe model zijn er nieuwe lekken en injecties ontstaan
           → S + T + X = I + G + IM

          OF: S + (T-G) = I + (X – IM)




                                                          - 18 -
       b. Graphical exposition
          - Grafische voorstelling:


                 S,
              (T-G)
                                                                     S+ (T-G)



                                                                          I,
                                                                     (X-IM)
                                             Y
                                                                         I + (X-IM)




D. Changes in aggregate spending
   1. The simple multiplier revisited
      - De multiplicator is veranderd doordat ook import, export en belastingen betrokken werden in ons model (zie
      cursus macro-economie voor verdere uitleg).

     2. Fiscal policy
        - Het beleid van de overheid met betrekking tot de aggregatieve bestedingen (G en T)

       - Stabilisatie beleid = elk beleid om het BBP te stabiliseren op of rond een bepaald niveau
       (meestal Y* ! ).

       a. Changes in government spending
          - Aanpassen van de overheidsbestedingen

          - ∆Y kan berekend worden via de multiplicator en ∆G
          → Kg = ∆G / ∆Y DUS: ∆Y = Kg x ∆G

       b. Changes in tax rates
          - Veranderingen van het belastingstarief die de overheid zet
          → hebben een kanteling van de AE-curve tot gevolg
          (→ de multiplicator verandert = rico AE!).

        I.Tax rates and the multiplier
          - K = 1 / (1 – z)
          → Hoe kleiner t, hoe groter de multiplicator

       c. Balanced budget changes
          - Zowel de G als de T aanpassen

          - De BB-multiplicator meet het effect van BB op het BBP.
          → Zie cursus macro-economie voor meer uitleg over fiscale politiek en BB politiek.
                                                         - 19 -
        3. Monetary policy
           - Monetaire politiek werkt via de invloed van intrestvoeten op de AE.
           → De monetaire overheid zet een specefieke korte-termijns intrestvoet en beïnvloedt de AE.

        4. Net exports and equilibrium GDP
           - Ook X heeft een autonoom en een geïnduceerd gedeelte.

          a. Autonomous net exports
             - De netto-export die er altijd is, ongeacht Y
             vb.: Belgische chocolade, Duitse wagens ... > consumentenvoorkeur

          b. Induced net exports
             - Hoe groter het binnenlands Y, hoe meer IM en hoe minder X.
             - Hoe kleiner het binnenlands Y, hoe meer X en hoe minder IM.

          c. The exchange rate regime
             - De netto-export zal anders reageren op verschillende systemen van wisselkoersen
             vb: vlottende wisselkoersen, vaste wisselkoersen (‘fixed exchange rates’) ...
             → Voorlopig nemen we aan dat onze economie een vaste wisselkoers heeft.

        5. Lessons and limitations of the income-spending approach
           - Voorlopig is er nog geen aanbodzijde aan ons model, daarom moest de P constant blijven.
           - In volgende hoofdstukken, zal de P een variabele worden, wat we tot nu gedaan hebben is maar een stuk van
           het verhaal.

Chapter 27: Money and monetary institutions
   A. Money and the economy
            1     The classical view
                  - Klassieke dichotomie: Men geloofde in de neutraliteit van geld.

                  - Neutraliteit van geld: De hoeveelheid geld beïnvloedt het niveau van de geldprijzen, meer heeft geen
                  effect op het reële gedeelte van de economie.

            2     The modern view
                  - Men aanvaardt de neutraliteit van geld op lange termijn, maar op korte termijn (wanneer de economie
                  zicht aan schokken aanpast) is geld niet neutraal.

                a. Money and the price level
                   - Er is een duidelijk verband tussen geld en het prijsniveau, zeker over lange perioden van tijd.

                     - Men (de monetaire overheid) wil inflatie onder controle houden. > Prijzen beïnvloeden het geld.




                                                          - 20 -
B. The nature of money
        1     What is money?
              - Geld = alle materialen die drie eigenschappen bezitten:
                     i. Het moet een algemeen aanvaard ruilmiddel zijn
                    ii. Het moet een koopkrachtreserve bezitten
                   iii. Het moet een rekeneenheid zijn

            a. A medium of exchange
               - Zonder geld > barter (= ruilhandel)
               → ‘Double coincidence of wants’ nodig.
               → Geld lost dit probleem op.

            b. A store of value
               - Geld is een handige manier om koopkracht te bewaren tot je die nodig hebt.
               → Geld mag niet te snel van waarde veranderen.
               → Geld en reële rijkdom mogen niet verward worden.
            c. A unit of account
               - Geld kan ook gebruikt worden voor rekeningdoeleinden > zonder fysiek te hebben bestaan.

                - Bank deposito kan zowel als ruilmiddel als bankrekening bestaan.

                - Betalingen (in de toekomst) worden uitgedrukt in geld.

C. The origins of money
        1     Metallic money
              - Veel zaken hebben al als geld dienst gedaan, maar goud en zilver bleken veel voordelen te bezitten.
              → Ze waren waardevol, omdat ze schaars waren.
              → Ze hadden een stabiele, hoge prijs.
              → Ze waren verdeelbaar in vele kleine stukken.
              → Ze gingen niet makkelijk stuk, zodat ze in onbruik raakten.

              - Uitvinding van munten:
              → Geen nood om het metaal nog te wegen.
              → Belangrijke rol voor overheid: creëren van en toezicht houden op munten.

              - Problemen:       - stukjes van munten werden afgevijld
                                 → Oplossing: ribbeltjes in de zijkant.

                                 - Vorsten smolten munten en mengden goud met mindere metalen om het overtollige
                                 goud te houden. > INFLATIE
                                 → Gresham’s law: ‘good money drives out bad money’

              - Seignorage: de inkomst gegenereerd door de macht om geld te creëren.




                                                     - 21 -
        2     Paper money
              - Een goudsmid gaf deposito’s aan klanten, waarin beloofd werd al het goud terug te betalen aan de
              houder van de deposito’s.

              - Mensen stopten met het goud af te halen en handelden gewoon met de deposito’s.
              → Dit was veiliger en handiger dan met goud over straat lopen.

            a. Fractionally backed paper money
               - Al snel ontdekten goudsmeden en banken dat het niet nodig was om al het gedeponeerde goud in kluis
               te houden, omdat dit nu eenmaal niet allemaal tegelijkertijd werd opgevraagd.
               → De bank kon meer papieren geld uitgeven, dan goud dat in voorraad was.
               → Dit systeem stort in elkaar als iedereen tegelijk zijn goud wil afhalen (> paniek).

        3     Fiat money
              - Na verloop van tijd hebben centrale banken controle over het geld gekregen.
              → Goudstandaard = alle geld was inwisselbaar tegen zijn waarde in goud.
              → De meeste landen stapten af van dit systeem en stapten over op ‘fiat money’.

              - Fiat money (fiduciair geld) = geld dat waardevol is, omdat het aanvaardt is door de wet, hoewel het niet
              meer tegen goud inwisselbaar is.
              → Tegenwoordig is het meeste geld fiat geld.

D. How does money get into the economy
    - Wie maakt geld?
    > De centrale bank (chartaal geld)
    > Commerciële banken (giraal geld) → Girale geldcreatie

        1     Banker’s deposits
              - Girale geldcreatie: Vb.:

                            A                           KBC                        P
                            Reserves = 100 000             100 000 = Giro Rekening 1
                            Reserves = 20 000               80 000 = Giro Rekening 2
                                                            64 000 = Giro Rekening 3
                            IOU = 100 000
                            IOU = 80 000
                            IOU = 64 000
                            TOTAAL:                                         TOTAAL:
                            CHARTAAL = 100 000                      GIRAAL = 500 000
                            IOU = 400 000 (= giraal)

        2     Currency
              - De hoeveelheid geld in omloop wordt bepaald door de vraag van de economie en niet door de
              monetaire overheid.




                                                       - 22 -
        3     Modern money
              - Money supply / Money stock = de totale geldhoeveelheid die aanwezig is in de economy.
              → De som van al het giraal en chartaal geld.

            a. Deposit money
               - Zoals vroeger bij goud, wordt nu (chartaal) geld naar de bank gebracht.
               → Banken kunnen dus meer geld creëren door gestort geld uit te lenen aan anderen, zolang ze
               beloven alles terug te betalen aan de rechtmatige eigenaars.

                - De belangrijkste reden dat we geïnteresseerd zijn in de geldhoeveelheid is, dat wanneer deze te snel
                aangroeit, er inflatie ontstaat.

E. Two models of banking
    - We bespreken nu twee modellen van bankieren:
       > Het eerste bespreekt hoe banken via reserves giraal geld kunnen creëren.
       > Het tweede model bespreekt hoe banken de nodige reserves aantrekken dit girale geld te kunnen creëren.

        1     The ratios approach tot the creation of deposit money
              - Banken kunnen met hun reserves giraal geld creëren (= ‘fractional reserve banking’)
              → Banken houden wel steeds hun rekeningen in evenwicht (zie vb. blz. 23 D.1)

              - Eén bank in een systeem met meerdere banken, kan geen geld creëren als de andere banken die ook
              niet doen.

              - In een systeem met meerdere banken is er een toename van deposito geld wanneer alle banken met ‘te
              grote’ reserves hun deposito proberen uit te breiden.

            a. A complication: cash drain to the public
               - De mensen verdelen hun geld tussen giraal en chartaal geld.
               → Wanneer banken giraal geld creëren, verliezen ze telkens een deel van dat geld aan het volk.
               → Dit geld wordt dus afgehaald en chartaal gemaakt !

                    i. An example
                       - Een lek van geld naar de mensen reduceert de werking van girale geldcreatie.

            b. The general case of deposit creation
               - Twee eerder besproken ratio’s kunnen nu gebruikt worden om een model op te stellen om de girale
               geldhoeveelheid te bepalen.

                - H = chartaal geld   C = reserves mensen         b = reserve coëfficiënt mensen
                  R = reserves banken D = deposito bij banken     x = reservecoëfficiënt banken
                - Dan geldt:
                       →C+R=H                   → R = xD          → C = bD
                       → xD + bD = H            → D = H / (b + x)

                → Het totaal aantal deposito’s bij banken is de verhouding tussen het chartaal geld en de som van
                reserve bij de mensen en bij de banken.
                                                     - 23 -
    c. The money multiplier
       - Symbolen:
       M = geldvoorraad in de economie C = reserve bij mensen            D = deposito bij banken
       (> R wordt weggelaten, omdat dit al in D wordt meegeteld, anders tellen we dubbel).
       → M=C+D

        - We linken M en H:
        → M = H (b + 1)
                          (b + x)

        → We bekomen de geldmultiplicator, deze vertelt ons hoeveel geld er giraal gecreëerd kan worden
        met een bepaalde hoeveelheid chartaal geld (H).

        → Hoe groter de multiplicator, hoe kleiner de benodigde reserve bij de bank (R) en hoe kleiner de
        reserve geldhoeveelheid van de mensen (C).

        - Grafische voorstelling:

                                                                           Algemene symbolen:
                     Chartaal geld                                         b=     AE / CF
                     (cash)                                                x=     EC / CF
                                                                           M=     AC
                A                                                          Op grafiek:
                                                                   D
                                                                           CD = Cash deposito ratio
                                                                           AB = Cash reserve creatie ratio
                                           G
                E                                                          AE =     Cash van de banken
                                                                           EC =     Cash van de mensen
                                                                           CF =     Deposito’s
                                                                   B
                C                                                          G = Evenwicht van de verhouding
                                           F               Deposito’s
                                                                           giraal t.o.v. chartaal geld




2     A competitive banking system
      - Banken wachten niet tot ze genoeg deposito’s hebben om leningen te kunnen verstrekken, ze wachten
      tot ze genoeg leningen krijgen aangevraagd en zorgen dan voor genoeg deposito’s hebben.

      - De markt van leningen wordt bepaald door twee factoren:
      > de intrestvoet (= de prijs van de leningen)




                                               - 24 -
    - Grafische voorstelling:
                        Intrestvoet
                                                           A leningen
                                                                A deposito’s



                   i1
      Verschil
                   id
                                                       V      Aantal
                                                              leningen / deposito’s

                    0                   A


3   Money supply and competitive banking
    - Zowel de ratio benadering als het competetief bankieren stelsel zijn nuttige manieren om naar het
    systeem van de banken te kijken.
    → Welke invloed zal ‘digitaal geld’ op het monetaire systeem hebben? (> Box 27.3)




                                            - 25 -
Chapter 21: The role of money in macroeconomics
           1. Financial assets
               - We verdelen alle rijkdom in twee groepen:
                > Geld (papieren geld, munten, deposito’s ...)
                > Bonds (alle andere vormen van financiële rijkdom vb.: intrest inkomsten, wissels ...)

                    a. The rate of interest and present value
                         - Present value (PV) (= huidige waarde) van een bond = de waarde nu van de betaling in de
                         toekomst.
                         - An asset = een actief (zoals in een vast actief, een immateriëel actief ...))

                                i. A single payment one year hence
                               ii. A perpetuity                                           → Lezen in boek p. 465


                         - De relatie van de huidige waarde van activa tot de intrestvoet is negatief.
                         → Hoe hoger de intrestvoet, hoe lager de waarde van de activa in de toekomst.

                    b. Present value and market price
                         - De huidige waarde van activa is de hoeveelheid die iemand zou willen betalen om zich te
                         verzekeren van het recht om de toekomstige stromen van betalingen vanuit deze activa te
                         verkrijgen.

                         - De huidige waarde van activa bepaalt de marktprijs van deze activa.

                    c. The rate of interest and market price
                         - We kunnen nu drie belangrijke stellingen doen:
                                 1. Als de intrestvoet daalt, zal de inkomstenstroom van een actief stijgen.
                                 2. Een stijging in de marktprijs van activa is equivalent met de daling van de
                                 intrestvoeten.
                                 3. Hoe dichter bij de einddatum van een ‘bond’, hoe minder de waarde ervan zal
                                 veranderen met de intrestvoet.

   A. The supply of money and the demand for money
          1. The supply of money
               - Zie hfst 27 voor uitgebreide uitleg over geldaanbod.

           2. The demand for money
               - De ‘vraag naar geld’ = de in geld uitgedrukte hoeveelheid rijkdom die iedereen in de economie wil
               hebben.

               - Hierbij staan chartaal en giraal geld recht tegenover elkaar.
               → Als de mensen meer chartaal geld willen, willen ze automatisch minder giraal geld (en omgekeerd).
               → Hier is uiteraard een opportuniteitskost aan verbonden, nl. de extra intrest die het geld (indien giraal)
               had kunnen opbrengen.

                                                        - 26 -
- We onderscheiden drie redenen waarom mensen chartaal geld niet zouden omzetten in giraal geld.

    a. The transactions motive
         - Voor bijna alle transacties is geld nodig, mensen en bedrijven houden geld bij omdat het nu
         eenmaal nodig is voor gebruik.
         → Vb.: lonen betalen, consumeren, investeren ...

         - Het transactiemotief treedt op, omdat betalingen en ontvangsten niet synchroon zijn.
         → Vb.: niet al het geld dat een WN ontvangt, wordt onmiddelijk geconsumeerd; een deel wordt
         gespaard, een deel wordt later geconsumeerd ...

         - Hoe groter het BBP, hoe groter de waarde van de transacties die worden gehouden.

    b. The precautionary motive
         - Mensen sparen ook als voorzorgsmaatregel voor onvoorziene omstandigheden.
         → Vb.: ziekte, ontslag, slechtere economische tijden ...

         - Voorzorgsmotief > hoe hoger het BBP, hoe hoger de vraag naar geld.

    c. The speculative motive
         - Mensen en bedrijven sparen, omdat er onzekerheid is op gebied van andere activa.

         - Gewoonlijk verspreiden gezinnen en bedrijven hun welvaart over giraal en chartaal geld, zo
         wordt de opportuniteitskost kleiner, maar zijn ze toch niet aan een te groot risico onderworpen.

         - Er is een positief verband tussen de welvaart en de vraag naar geld.

         - Er is een negatief verband tussen de intrestvoet en de vraag naar geld.

    d. Real and nominal money balances
         - Het is belangrijk om onderscheid te maken tussen de nominale en de reële waarde van geld.

         - Nominale waarde = de hoeveelheid geld aanwezig in de economie.

         - Reële waarde = het aantal ‘korven’ van goederen die gekocht kunnen worden met een
         hoeveelheid geld. (>> koopkrachtpariteit !)

         → De reële vraag naar geld is gelijk aan de nominale gevraagde hoeveelheid gedeeld door
         het prijspeil.

         - In een economie met veranderlijke prijzen, is de verandering in de gewenste nominale
         geldhoeveelheid gelijk aan de verandering in het prijspeil.




                                      - 27 -
             De hoeveelheidstheorie van geld:

                       MD = kPY           MS = M               MD = MS             M = kPY
                       MV = PY            V = PY / M           k=1/V

             met:      MD = vraag naar geld         kPY = reële BBP                MS = geldaanbod
                       M = geldhoeveelheid          V = omloopsnelheid             k=?



                    e. Total demand for money
                       - De functie van de vraag naar geld drukt het geld dat gevraagd wordt uit t.o.v. de intrestvoet.

                       - De mensen kunnen gezien worden als ‘aanpassers’ van de balans tussen giraal en chartaal
                       geld.

i. Grafieken:

            Nominale
            intrestvoet                         Reëel BBP                              Prijs
                                                                                                            MD
                                                                         MD       P1
       i1
                                          Y1
                                                                                  P0
       i0                                 Y0
                                  MD

                M1 M0                                M2       M3                            M4      M5
             Geldhoeveelheid                     Geldhoeveelheid                        Geldhoeveelheid



   > Hoe hoger de intrestvoet, hoe lager de vraag naar geld:
   → De opportuniteitskost om giraal geld bij te houden wordt groter.

   > Hoe hoger vraag naar geld, hoe hoger het BBP:
   → Er is een positief verband tussen het BBP en de gevraagde geldhoeveelheid.

   > Er is een evenredig verband tussen de prijs en de gevraagde geldhoeveelheid:
   → Als de gevraagde geldhoeveelheid verdubbelt, verdubbelt de prijs ook.




                                                     - 28 -
Monetary forces and aggregate demand
   1. Monetary equilibrium and the interest rate
        - Monetair evenwicht = de situatie waarbij de vraag en het aanbod naar/van geld in evenwicht zijn.
        → (Md = Ms)

             a. Equilibrium interest rate
                  - Grafiek:                                            - Verklaring:
                               i
                                         MD           MS
                                                                                  > MD = Gevraagde geldhoeveelheid
                                                                                  > MS = Aangeboden geldhoeveelheid
                                                                                           (= verticale !)
                               i2
                                                                                > Waar MD en MS in evenwicht zijn,
                                                                                wordt de evenwichtsintrestvoet (i0)
                                                      E0
                               i0                                               gevormd.
                               i1
                                                                M              > De pijlen duiden aan wat er gebeurt,
                                         M2      M0        M1                  indien M groter of kleiner is dan M0.

                  > Tussen M0 en M1 is er een teveel aan ‘bonds’; ze worden ‘goedkoop’ aangeboden om terug
                  een evenwicht te krijgen (> lage intrestvoeten !).

                   We spreken van een monetair evenwicht wanneer de intrestvoet zo is, dat de gevraagde
                  geldhoeveelheid en de aangeboden geldhoeveelheid aan elkaar gelijk zijn.
                   D.w.z. dat de verdeling tussen giraal en chartaal geld die de mensen willen, gelijk is aan de
                  verdeling die er in realiteit bestaat.
                   Dit noemt men vaak de ‘liquidity preference theory of interest’ en soms ook de ‘portfolio
                  balance theory’.

             b. Interest rates as the monetary policy instrument
                  - Grafiek:                                                    - Verklaring:
                                    i                                           > Hoe lager de intrestvoet, hoe hoger
                                          MD     MS MS ′
                                                                                de vraag naar geld.

                                                                                > De monetaire overheid past
                                                                                meestal de intrestvoet aan en wacht
                                    i0           E0                             dan tot de geldhoeveelheid verandert.
                                    i1                     E1


                                                                    M

                                                   M0




                                               - 29 -
The transmission mechanism
- Het mechanisme waardoor veranderingen in monetaire politiek de aggregatieve bestedingen beïnvloeden,
noemt men het transmissie mechanisme.

- Dit mechanisme werkt op twee niveau’s:
> De link tussen intrestvoeten en de aggregatieve investeringen.
> De link tussen aggregatieve investeringen en de aggregatieve vraag.

                     I. From changes in the interest rate to shifts in investment
                          - De negatieve relatie tussen de intrestvoet en de aggregatieve investeringen, noemt
                          men de investerings vraagfunctie.
                          → Hoe lager de intrest, hoe hoger de investeringen. Hoe hoger de intrest, hoe lager
                          de investeringen.

                    II. From shifts in aggregate spending to shifts in aggregate demand
                          - De investeringen beïnvloeden (zoals al gezien in vorige hoofdstukken) de
                          aggregatieve vraag en dus ook het aggregatieve aanbod.

                    III. Grafieken


            Geldvraag en -aanbod                              Investerings vraagcurve
                D
       i    M        MS0        MS1                      i      iD

                       E0
       i0                                                i0               A

                                   E1
       i1                                                i1                          B
                                                                          ∆I
                                              M1                                         I
                    M0         M1                                    I0             I1

                      AE - curve                                          AD - curve

    AE                                                  P
                                        AE = Y                   AD0 AD1
                             E1          AE0

                                         AE1                         E0        E1
                     E0                                  P0
  ∆I

                                          Y                                              Y




                                               - 30 -
B. Macroeconomic cycles and aggregate shocks
   -

       1. Aggregate demand and supply shocks
           -

               a. Aggregate demand shocks
                   -

                        I. Positive demand shock
                           -

                       II. Negative demand shock
                           -

                       III. Policy responses
                           -

                       IV. Figuur
                               P
                                                             SRAS 1
                                                                 SRAS 0

                                                   C              SRAS 2

                                                             B

                                                   A
                                        D                             AD 1

                                                         E            AD 0
                                                             AD 2

                                                    Y*                Reëel BBP




               b. Aggregate supply shocks
                   -

                        I. Positive supply shock
                           -

                       II. Negative supply shock
                           -




                                               - 31 -
                             III. Policy responses
                                  -

C. Implementation of monetary policy
    - Het doel van monetair beleid is:
    >> stabiliteit van de prijs garanderen
    >> inflatie controleren (binnen de perken houden)

         1. The Bank of England
              - Vroeger: privé coöperatieve in aandelen, in 1946 genationaliseerd.
              → The Bank of England is de monetaire overheid van het VK sinds 1997, daarvoor werden alle
              monetaire beslissingen genomen door het ministerie van financieën.

                   a. The monetary policy committee (MPC)
                        - MPC = een commité bestaande uit 9 leden uit zowel de Engelse nationale bank en enkele
                              outsiders aangeduid door de minister van financieën. Het MPC komt maandelijks
                              samen om de intrestvoeten voor het VK te bepalen. Een neerslag van het debat
                              wordt elke keer gepubliceerd. Na elk kwartaal wordt een ‘Inflation Report’ uitgebracht.

                              I. Policy goals
                                  - De overheid zet de doelen uit die de MPC naar moet nastreven.
                                  → In het VK is dit een inflatie van 2,5 % met een speling van 1 %.

                                  - De MPC heeft ‘instrumentale onafhankelijkheid’, maar geen onafhankelijkheid in het
                                  zetten van doelen.
                                  → Ze krijgen een doel van de overheid, maar bepalen zelf hoe ze dit gaan
                                  bereiken.
                                  → De doelen die het MPC krijgt zijn meestal verre toekomst, zo’n twee jaar verder,
                                  omdat monetaire politiek maar heel langzaam werkt.

                             II. Implementation
                                  - Waarom moeten geldmarkten hun intrestvoeten veranderen?
                                  → De centrale bank (CB) kan hen dwingen om geld te lenen van de CB.
                                  → Het standaardinstrument waarmee banken bij de CB lenen is een ‘repo’.

                                  - ‘Repo’ = kort voor ‘sale and repurchase agreement’
                                  → Dit zijn leningen van de CB aan de commerciële banken. De prijs van deze
                                  leningen bepalen de intrestvoeten op de geldmarkt.

         2. The European Central Bank (ECB)
              - Het grootste doel van de ECB is prijsstabiliteit behouden.
              → De ECB heeft zowel onafhankelijkheid in het bepalen van haar doelen als de instrumenten die ze
              gebruikt om deze te behalen.



                                                        - 32 -
a. Implementation
   - De ECB heeft drie manieren om de intrestvoeten en dus de inflatie te beïnvloeden.

      I. Open-market operations
          - De ECB gebruikt een systeem dat zeer gelijkaardig is aan het repo-systeem in het VK.
          De ECB geeft leningen aan commerciële banken binnen de eurozone. De prijs van
          deze leningen bepaalt de korte-termijns intrestvoeten binnen de eurozone.
      II. Standing facilities
          -?

     III. Minimum reserves
          - De ECB fungeert als CB van alle CB binnen de eurozone. Ze kan aan de CB een
          reservecoëfficiënt van giraal geld opleggen en kan zo dus de geldhoeveelheid
          beïnvloeden.




                             - 33 -
Chapter 31: Inflation
   A. Inflation in the macro model
        - Inflatie = een toename in het prijsniveau
        → Twee soorten: permanente en kortstondige prijsstijgingen.

        - Inflatie schok = elke gebeurtenis die de prijs omhoog drijft.

             1. Supply shocks
                  - Monetaire accommodatie = via monetair beleid het geldaanbod proberen te beïnvloeden.
                  - Niet-monetaire accommodatie = via stabiele intrestpolitiek, de geldhoeveelheid constant te houden
                  → Uitleg a.d.h.v. de volgende 2 voorbeelden:

                       a. Isolated supply shocks
                            - Het is mogelijk dat de aanbod schok maar éénmalig en van korte duur is.
                            → Vb.: Stijging van de kosten van import van grondstoffen.

                                   i. No monetary accommodation
                                       - De overheid hanteert een stabiele intrestpolitiek en de markt brengt zichzelf in
                                       evenwicht. (De SRAS curve verschuift spontaan terug naar haar oorspronkelijk
                                       evenwicht)

                                  ii. Monetary accommodation
                                       - De monetaire overheid kan ook inspelen op de markt door te accommoderen.
                                       → De overheid koopt bonds en verhoogt zo de geldhoeveelheid, dit is een snellere
                                       manier dan de vorige, maar er is een permanente prijsstijging aan verbonden.

                                  iii. Figuur:

                                          P                      LRAS

                                                                               SRAS 1

                                                                                  SRAS 0


                                                                          E2
                                                    E1
                                                                                          AD 1
                                                                          E0        AD 0



                                                                  Y*                 Reëel BBP




                                                           - 34 -
        b. Repeated supply shocks
             - Het is ook mogelijk dat er zich meerdere aanbod schokken na elkaar voordoen.
             → Vb.: Vakbonden drijven de lonen meerdere malen omhoog door onderhandelingen.

                   i. No monetary accommodation
                       - De economie brengt zichzelf weer in evenwicht, maar omdat er constant nieuwe
                       aanbod schokken zijn, heeft dit zijn grens.
                       → De lonen stijgen wel constant, maar dit creëert werkloosheid. De vakbonden
                       verliezen macht en het systeem stort in.

                  ii. Monetary accommodation
                       - ‘Wage-price spiral’ = doordat de overheid steeds de prijzen omhoogdrijft met
                       monetaire politiek, raakt de economie in een spiraal van prijzen en lonen naar
                       omhoog.

                  iii. Is monetary accommodation desirable?
                       - Accommoderen heeft voor – en nadelen:
                       >> Het voordeel is dat lange periodes van recessie worden vermeden.
                       → Minder lang werkloosheid en minder lang een recessiekloof.
                       >> Het nadeel is dat de prijzen sterk stijgen.

                  iv. Figuur:

                         P                      LRAS         SRAS 2
                                                                SRAS 1

                                                                  SRAS 0
                                                      E4
                                         E3
                                                      E2                      AD 2
                                   E1
                                                                          AD 1
                                                      E0             AD 0



                                                 Y*                  Reëel BBP



2. Demand shocks
   - Validatie = er is een vraag schok en de overheid reageert hierop door haar monetair beleid.

                   i. No monetary validation
                       - Hier kan men spreken van een permanente stijging van de vraag. De prijzen zijn
                       gestegen en het BBP ook. (AD verschuift naar rechts)



                                          - 35 -
                           ii. Monetary validation
                                - De overheid laat de toename in geldhoeveelheid toe, waardoor de prijzen dalen.
                                → De voorbijgaande (= transitory) inflatie wordt aanhoudende (= sustained) inflatie en
                                wordt aangewakkerd door monetaire expansie. (AD verschuift meerdere malen naar
                                rechts)

                           iii. Figuur

                                  P              LRAS                    SRAS 2
                                                                         SRAS 1

                                                                           SRAS 0
                                                                  E2

                                                                  E1                   AD 2
                                                                                   AD 1
                                                                  E0          AD 0



                                                    Y*       Y1               Reëel BBP



        3. Inflation as a monetary phenomenon
            1. Oorzaken van inflatie:
                     > vraagzijde:       - ceteris paribus: stijging van C, I, G, X
                                         - aanpassing van het monetair beleid
                     > aanbodzijde:      - alles dat de kosten per eenheid van productie doet toenemen

            2. Inflatie kan aanhouden, zonder een toename in de geldhoeveelheid.

            3. De stijging van de prijzen stopt uiteindelijk, tenzij er een monetaire expansie is.

B. The Phillips curve
                  i. The Nairu
                      - NAIRU (= natural rate of unemployment) = U*
                      → Wanneer het bbp haar potentiële niveau (Y*) heeft bereikt, is er nog steeds werkloosheid (U*).

                      - We spreken van twee soorten werkloosheid:
                      >> Frictionele werkloosheid = korte periodes van werkloosheid tussen twee jobs in.
                      >> Structurele werkloosheid = de vraag naar arbeid stemt niet overeen met het aanbod ervan
                                                  → Vb.: een groep verkeerd opgeleide mensen




                                                    - 36 -
1. The theory of the Phillips curve
    - De Phillips-curve drukt de relatie tussen de werkloosheid en het percentage dat de (in geld uitgedrukte)
    lonen veranderen.

    - ∆ W / W = f(U)
      met: ∆ W = de verandering van de lonen; W = de in geld uitgedrukte lonen; U = werkloosheid

         a. The shape of the Phillips curve
                 i. A negative slope
                        - De curve is dalend.
                        → Hoe lager de werkloosheid, hoe hoger de mate waarin in geld uitgedrukte lonen
                        veranderen.
                        → Lage werkloosheid > economische ‘boom’ > snelle aanpassing van lonen

                   ii. A flattening slope
                        - De helling van de curve vermindert naar mate er meer werkloosheid is.

                        - Dit heeft twee gevolgen:
                        >> Bij zeer lage werkloosheid is de verandering in de lonen zeer veranderlijk.
                        >> Bij zeer hoge werkloosheid is de verandering in de lonen gering.

2. The Phillips curve and the SRAS curve
   - We drukken de relatie tussen de PC en de SRAS uit a.d.h.v. de toename in lonen en de toename in
   arbeidsproductiviteit.

    - Zie figuren:
    >> Bij werkloosheid lager dan x, stijgen lonen sneller dan productiviteit en dus stijgen de productiekosten.
    → SRAS stijgt.
    >> Bij werkloosheid hoger dan x, dalen de productiekosten.
    → SRAS daalt.




                                            - 37 -
    - Figuren:


          p· (%)                                                 c· (%)

                                     g = 3 % stijging
                                     van de
                                     werkloosheid



                     x
                                         g
                                                                                        Werkloosheid (%)

                    U*           Werkloosheid (%)




                                                    c· (%)




                                                                  Y*      Reëel BBP




                   a. Shifts in SRAS curve explained
                         - figuur:

                         >> Hier zien we duidelijk het verband              Prijs
                                                                                                       LRAS
                         tussen de SRAS curve en de PC curve.
                                                                                                                     SRAS 0
                         >>
                  b. The micro underpinnings of                             P2                           E2
                      asymmetry                                             P0                                  E0
                                                                                              E1
        3. Expectational forces                                                                                            AD 0
                                                                                                         E3                AD 1
                  a. Expectations formation                                 P3
                           i. Backward-looking                                                Y1        Y*    Y0          Reëel BBP
                              theories
                          ii. Forward-looking theories                              Mate verandering
                                                                                    productiekost
                              (Ration expectations)
                                                                                                                     PC
        4. Random shocks
        5. The overall effect on wages
                                                                            ċ0
        6. The expectations-augmented Phillips curve
        7. The long-run Phillips curve                                      ċ1                                            Reëel BBP
C. The Lucas aggregate supply function (NIET KENNEN)
D. Is inflation dead?                                                                         Y1        Y*    Y0



                                                             - 38 -

								
To top